Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 28 november 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 28 novembre 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 14.47 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions commence à 14.47 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

De voorzitter: Wij gaan nu over tot de vragenronde. Er zijn heel wat vragen. In opdracht van de Conferentie van voorzitters moet ik als voorzitter de tijd voor de vraagstelling beperken. Wij hebben nu ook een klok. Wanneer u begint met uw vraag gaat de tijd in. Dat is ook zo in het Europees Parlement. Zij die al naar vergaderingen geweest zijn in de Berlaymont, weten dat er een prikklok is. Na 2 minuten 30 valt de klok uit. Het is dus 2 minuten 30 voor de vraagsteller en 2 minuten 30 voor het antwoord, vijf minuten in totaal. Dan is er een mogelijkheid van repliek beperkt tot één minuut. Na de vraagstelling kunt u altijd het antwoord van de minister meenemen, maar wij moeten ons echt houden aan het Reglement. Wees dus beknopt.

 

Vraag nr. 27138 van de heer Demon is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Question de M. Michel Corthouts au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la grève menée par les douaniers à Brussels Airport" (n° 27395)

Vraag van de heer Michel Corthouts aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de staking van de douanebeambten op Brussels Airport" (nr. 27395)

 

 Michel Corthouts (PS): Monsieur le ministre, je me permets de vous interpeller concernant l'action menée par les douaniers de Brussels Airport fin octobre dernier. Ces actions ont été principalement menées pour dénoncer le manque de personnel aux services qui contrôlent les biens et les personnes.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous préciser si vous avez reçu les organisations syndicales afin d'entendre leurs revendications dans la suite de ce mouvement de grève du zèle? Si tel est le cas, des mesures ont-elles été prises pour engager du personnel?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Corthouts, un comité intermédiaire de concertation a eu lieu le mardi 23 octobre de cette année avec les organisations syndicales représentées au sein du SPF Finances. Lors de ce comité, les actions de recrutement déjà réalisées, en cours et planifiées ont été expliquées pour les différents sites portuaires et aéroportuaires, parmi lesquels Brussels Airport. Des sélections Bachelier Shift, Douanier Shift et Master ont été lancées en septembre dernier. Des recrutements sup­plémentaires sont prévus à partir de cette fin novembre.

 

 Michel Corthouts (PS): Quel est le nombre de recrutements prévus?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Dès que les douanes me communiquent les chiffres, je vous les communiquerai.

 

 Michel Corthouts (PS): Merci.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Michel Corthouts au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les règles anti-abus des articles 344 et 344/1 du CIR 92" (n° 27826)

Vraag van de heer Michel Corthouts aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de antimisbruikregels in de artikelen 344 en 344/1 van het WIB 92" (nr. 27826)

 

 Michel Corthouts (PS): Monsieur le ministre, ma question porte donc sur les règles anti-abus. La Cour constitutionnelle, en son arrêt n° 141/2013 du 30 octobre 2013, a considéré que l’article 18, § 2, du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe n’est pas une habilitation générale autorisant l’administration à fixer elle-même, par voie de mesures générales, la matière imposable, mais constitue un moyen de preuve destiné à apprécier, dans des cas concrets, sous le contrôle du juge, des situations particulières, de manière individuelle.

 

Devant la Cour constitutionnelle, votre position était que les dispositions anti-abus sont uniquement des moyens de preuve et donc des règles de procédure pour lesquelles le législateur fédéral reste compétent tant qu’il assure gratuitement le service des impôts concernés, comme en atteste l'article 5, § 3 et § 4 de la loi spéciale précitée du 16 janvier 1989.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous me confirmer que les règles anti-abus reprises aux articles 344, § 1er et 344/1 du CIR 92 sont bien considérées comme des règles de procédure? La règle de procédure prévue à l’article 344, § 1er du CIR 92 s’applique-t-elle aux dispositions fiscales autonomes dudit Code des impôts?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Corthouts, je serai également bref car le président est impitoyable en ce qui concerne le temps accordé. Je peux vous confirmer que la règle anti-abus formulée à l'article 344, § 1er  du CIR 92 est effectivement une règle de procédure. De même, l'article 344/1 a pour objectif de rendre également possible l'application de la disposition générale anti-abus, reprise à l'article 344 § 1er, aux actes juridiques posés par une construction juridique qui n'est en soi pas un contribuable. C'est donc également une règle de procédure, ce qui a été confirmé par la Cour constitutionnelle en 2013.

 

 Michel Corthouts (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27428 van mevrouw Fonck wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Questions jointes de

- Mme Catherine Fonck au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre UBO pour les ASBL" (n° 27462)

- M. Eric Van Rompuy au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le registre des bénéficiaires effectifs (UBO)" (n° 27605)

Samengevoegde vragen van

- mevrouw Catherine Fonck aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het UBO-register voor de vzw's" (nr. 27462)

- de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het register van uiteindelijke begunstigden (UBO)" (nr. 27605)

 

Mevrouw Fonck kan niet aanwezig zijn.

 

 Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, gelet op de tijdsdruk, zal ik de hele uitleg vervat in de schriftelijke versie van de vraag niet herhalen.

 

De beroepsbeoefenaar is verplicht de economische begunstigden van zijn cliënten te identificeren en redelijke maatregelen te nemen om hun identiteit te controleren. De beroeps­beoefenaar is niet uitdrukkelijk verplicht om het UBO-register te raadplegen. Zoals vroeger kan hij zich baseren op de informatie die hij rechtstreeks van zijn cliënt heeft ontvangen.

 

Mijnheer de minister, kunt u preciseren of conform de aangehaalde bepalingen de beoefenaars van economische beroepen, in het kader van de verplichting tot identificatie en identiteitsverificatie door die beoefenaars van economische beroepen, het UBO-register moeten raadplegen dan wel of de raadpleging ervan facultatief is?

 

Indien de beroepsbeoefenaars verplicht worden om het UBO-register te raadplegen en gelet op hun controleverplichtingen ten opzichte van bedrijven en hun uiteindelijke begunstigden, zou het dan niet logisch zijn dat de consultatie gratis is?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Ik kan u bevestigen dat de onderworpen entiteiten op het ogenblik geen verplichting hebben om het UBO-register te raadplegen, wanneer zij aan hun verplichting voldoen inzake de identificatie van de identiteit van de uiteindelijke begunstigden van hun cliënten.

 

Het spreekt voor zich dat het UBO-register een nuttig instrument is bij de identificatieverplichting en dat het register vooral ten bate van de meldingsplichtige entiteiten werd opgericht. Gelet op die dienstverlening en de substantiële kosten van het register is een financiële bijdrage van de meldingsplichtige entiteiten dan ook gewenst.

 

Wat uw laatste vraag betreft, kan ik u meedelen dat een bepaalde beroepsgroepering een annulatieberoep bij de Raad van State heeft ingediend, meer bepaald tegen artikel 19, § 1 van het koninklijk besluit wegens een mogelijk probleem met het beroepsgeheim.

 

Zoals dat hoort, wacht ik hieromtrent het arrest van de Raad van State af.

 

 Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Ik heb geen bericht van mevrouw Ceysens. Haar vraag nr. 27569 zou moeten worden geschrapt.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, dat was een vraag naar cijfers. Ik kan u die cijfers bezorgen. Ik denk dat mevrouw Ceysens daarmee relatief tevreden zal zijn.

 

Luk Van Biesen (Open Vld): Ik kan de vraag van mevrouw Ceysens voorlezen voor het verslag.

 

Vraag van mevrouw Patricia Ceysens aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belastingvoordelen ter ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling (O&O)" (nr. 27569)

Question de Mme Patricia Ceysens au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les avantages fiscaux destinés à soutenir la recherche et le développement (R&D)" (n° 27569)

 

De voorzitter: De heer Van Biesen zal de vraag voorlezen voor het verslag.

 

 Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag gaat over de belastingvoordelen ter ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling. lk verwijs naar de schriftelijke vraag van mijn collega, Patricia Ceysens, van 24 januari 2018, waarop zij nog steeds geen antwoord kreeg.

 

Om de investeringen van bedrijven in onderzoek en ontwikkeling te stimuleren, kent de federale overheid meerdere belastingvoordelen toe. Daarnaast kennen de Gewesten heel wat directe onderzoeks- en ontwikkelingssteun toe in de vorm van subsidies.

 

De federale belastingvoordelen bestaan, enerzijds, uit een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor bepaalde doelgroepen. Anderzijds bestaan er bijkomende belasting­voordelen, zoals het belastingkrediet voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

 

De vroegere octrooiaftrek werd met ingang van 1 juli 2016 opgeheven en vervangen door de innovatieaftrek. Deze innovatieaftrek is niet enkel geldig voor inkomsten uit een octrooi, maar ook voor inkomsten uit auteursrechtelijk beschermende software, kwekersrecht, wees­geneesmiddelen en data- en marktexclusiviteit.

 

Mevrouw Ceysens stelde reeds een schriftelijke vraag naar het gebruik van deze belastingvoordelen en de budgettaire impact. Zij kreeg graag de cijfers voor de jaren 2016 en 2017, per jaar en per Gewest.

 

De federale overheid kent belastingvoordelen toe. Tevens bestaat een belastingaftrek of een belastingkrediet voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Kunt u een overzicht geven van de cijfers voor de jaren 2016 en 2017? Hoeveel bedrijven maakten gebruik van dit belastingvoordeel?

 

Onder bepaalde voorwaarden konden bedrijven ook gebruikmaken van een belastingaftrek van 80 % van de inkomsten uit octrooien. Kunt u een overzicht geven van de cijfers inzake de budgettaire impact van deze maatregel voor de jaren 2016 en 2017? Hoeveel bedrijven maakten gebruik van dit belastingvoordeel?

 

De octrooiaftrek werd vervangen door een nieuwe innovatieaftrek. Zijn reeds cijfers beschikbaar met betrekking tot deze aftrek, sinds de inwerkingtreding tot op heden? Zo ja, graag een overzicht van het aantal bedrijven dat hiervan gebruik heeft gemaakt, het fiscaal voordeel en het verschil tussen de innovatieaftrek en de octrooiaftrek.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, ik heb een volledig en vrij gedetailleerd overzicht van de gevraagde cijfers. Mevrouw Ceysens kan er gerust haar tanden in zetten.

 

 Luk Van Biesen (Open Vld): Absoluut bedankt! Ik gebruik "absoluut" omdat mevrouw Ceysens dit woord altijd gebruikt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Questions jointes de

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le rachat par l'État belge d'actions Euroclear" (n° 27588)

- M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'entrée de l'État belge dans le capital d'Euroclear" (n° 27617)

Samengevoegde vragen van

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de aankoop door de Belgische Staat van Euroclearaandelen" (nr. 27588)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de participatie van de Belgische Staat in Euroclear" (nr. 27617)

 

 Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, L'Echo et De Tijd ont annoncé ce 9 novembre que l'État  belge devenait actionnaire du gérant des titres Euroclear, ayant acquis une participation de 2 % dans ce dépositaire européen de valeurs mobilières. Ces actions étaient jusqu'ici aux mains de la banque française Société Générale.

 

L'opération a été réalisée par l'intermédiaire de la Société fédérale de participations et d'investissement (SFPI), d'après les quotidiens. Le montant de la transaction s'élève à 120 millions d'euros, ce qui valorise Euroclear à près de six milliards d'euros.

 

Euroclear règle à Bruxelles les transactions sur titres de 2 000 grands investisseurs, comme des fonds de pension ou des assureurs du monde entier, mais aussi des fonds libyens. La société veille sur près de 29 000 milliards d'euros de titres de clients déposés auprès de l'institution.

 

Je m'interroge sur le sens de l'opération, au moment où l'État belge annonce vouloir se désengager du secteur financier, notamment de la banque publique Belfius – ce que nous considérons comme une mauvaise idée –, à l'heure où nous tentons d'éclaircir le dossier des fonds libyens – dans lequel Euroclear intervient –, à l'heure où le gouvernement annonce un plan d'investissement stratégique pour répondre aux enjeux de demain, notamment en matière énergétique et de mobilité, et à l'heure de la lutte contre la fraude fiscale, ce qui nécessite une capacité totale de contrôle sur les banques et sur les opérateurs financiers, dont Euroclear.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous le rachat par l'État belge, via la SFPI, d'actions Euroclear? Quel a été le prix payé pour le rachat de ces actions? Quelle a été la commission payée – et à quel opérateur – pour réaliser cette opération? Quel est l'objectif poursuivi par l'État belge avec cette prise de participation? N'est-elle pas en contradiction avec votre objectif de sortie du secteur financier, notamment de mise en bourse de Belfius? Ne risque-t-elle pas de limiter la capacité de contrôle sur cet opérateur financier de l'État belge? Il s'agit de la dissociation entre les acteurs financiers et les contrôleurs, qui me semble de bon aloi en matière financière.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Gilkinet, je confirme l'achat par la SFPI des actions Euroclear. Je souligne par contre qu'il ne s'agit pas d'une mission déléguée sur instruction de l'État belge mais bien d'un investissement autonome réalisé par la SFPI. Le conseil d'administration de la SFPI a en effet jugé que cet investissement correspondait à sa stratégie d'investissement telle que définie récemment dans son contrat de gestion, à savoir un investissement dans une infrastructure critique du secteur financier. Cela répond en outre à une logique similaire à celle de son entrée dans le capital d'Euronext en 2014, société dans laquelle la SFPI détient depuis lors 4,5 %, puisqu'il s'agit également d'une infrastructure financière essentielle dans la même chaîne de valeurs.

 

L'objectif de maintien de la place financière de Bruxelles sur l'échiquier dans un contexte européen compétitif a aussi été un élément clé dans la décision. En outre, la SFPI a jugé l'opportunité financière intéressante car présentant notamment une certaine stabilité du dividende attendu.

 

Sur le prix, je peux vous confirmer les chiffres que vous citez quant à la valorisation d'Euroclear qui a été retenue. Il n'y a par ailleurs pas eu d'autres frais que les frais classiques de ce genre d'opération, à savoir des frais de conseils d'avocat et des frais associés à une valorisation externe. Aucune commission n'a été payée.

 

La situation et l'activité d'Euroclear ne sont pas comparables au dossier Belfius. L'État est entré dans Belfius en 2011 dans le contexte d'une opération de sauvetage d'une banque de détail active en Belgique et en détient, depuis, 100 % des actions. Même en diminuant sa participation via une vente partielle, l'État en restera actionnaire majoritaire et demeurera donc exposé. Prendre 2 % dans Euroclear, dont l'activité de clearing et de settlement est radicalement différente de l'activité de Belfius, tant au niveau du métier qu'au niveau géographique, n'est aucunement en contradiction avec le projet d'une IPO (Initial Public Offering) partielle de Belfius.

 

Enfin, le rôle d'actionnaire est clairement distinct de celui de contrôleur et il n'y aura pas d'influence sur le niveau de contrôle tant que les règles de corporate governance seront respectées, ce qui est bien évidemment mon intention.

 

Enfin, la SFPI a investi au niveau de la société-mère et elle n'est donc pas actionnaire d'Euroclear Bank, à laquelle vous faites référence.

 

 Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Vous indiquez qu'il s'agit d'une décision autonome de la SFPI en vertu de son contrat de gestion. Je serais cependant étonné qu'un tel investissement soit exécuté sans consultation ni accord de l'autorité de tutelle, qui représente tous nos concitoyens.

 

Vous comparez ensuite l'investissement dans Euroclear avec celui qui est réalisé dans Euronext. Vous me permettrez de considérer que la Bourse de Bruxelles rentre dans une autre catégorie d'intervenants qu'une banque des banques.

 

Je connais votre objectif de maintenir Bruxelles comme une place financière qui compte. Toutefois, il me semble essentiel que ce ne soit pas le cas à n'importe quel prix, notamment au mépris de l'éthique et de la capacité de contrôle, en particulier lorsqu'il faut sanctionner un opérateur bancaire ayant commis des irrégularités – ce qui s'est produit trop rarement par le passé.

 

J'entends vos explications quant aux derniers investissements de Belfius, qui différeraient grandement de ceux d'Euroclear. Permettez-moi de ne pas trouver cette distinction aussi logique que vous le pensez.

 

Enfin, s'agissant de la différence entre les rôles d'actionnaire et de contrôleur, ces fonctions sont exercées par des entités distinctes au sein de l'État fédéral: la SFPI, d'une part, et la Banque nationale, de l'autre. Cela dit, je vous ai déjà interrogé au sujet d'autres dossiers en votre qualité de représentant de l'actionnaire, afin de déterminer votre capacité à essayer d'influencer le modèle économique et gestionnaire des opérateurs dans lesquels l'État intervient. J'y serai également attentif en ce qui concerne Euroclear.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "cigarillo's" (nr. 27418)

Question de Mme Els Van Hoof au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les cigarillos" (n° 27418)

 

 Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, de vraag die ik aan u wil voorleggen, werd mij vanuit Kom op tegen Kanker bezorgd. Kom op tegen Kanker maakt zich namelijk zorgen over de cigarillo, dat als innovatief tabaksproduct in opmars is. Een cigarillo zou een kleine, dunne sigaar moeten voorstellen, maar in feite is het gewoon een klassieke sigaret met filter, waarbij het papier rondom de sigaret werd vervangen door een tabaksblad. De cigarillo is meestal kleiner en dunner dan een sigaar, maar groter en breder dan een sigaret. Doordat het rookmiddel onder de categorie cigarillo's valt en niet onder de categorie sigaret, volgens het koninklijk besluit van 5 februari 2016, vallen cigarillo's ook niet onder het fiscale stelsel van de sigaret. Lucky Strike maakt momenteel in de handelszaken reclame voor een pakje van 2,70 euro voor tien stuks en Mercator Cigarillo's met filter zijn nu op de markt verkrijgbaar tegen 3,00 euro voor een pakje van tien stuks. Doordat pakjes in kleinere hoeveelheden verkocht kunnen worden aan lage prijzen, zijn ze ook veel sneller binnen handbereik van jongeren.

 

Mijnheer de minister, hoeveel accijnzen worden er op dit moment toegepast op die cigarillo's?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Van Hoof, op dit moment wordt op sigaren en op cigarillo's een accijns geheven gelijk aan 10 % van de kleinhandelsprijs vermeld op het fiscaal kenteken.

 

 Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, dat is minder dan de accijns op een sigaret, terwijl een cigarillo eigenlijk ook een sigaret is. Daarover uitten zij hun bezorgdheid. Misschien kunt u dat nader bespreken, want organisaties als de Kankerliga en Kom op tegen Kanker melden dat het eigenlijk een verdoken sigaret is die goedkoop op de markt komt voor jongeren. Bij dezen heb ik die bezorgdheid overgebracht.

 

De voorzitter: De definitie van cigarillo's is blijkbaar gewijzigd. Mijn vader rookte zowat vijftig jaar geleden cigarillo's. Een cigarillo had iets weg van een sigaar en was veel beter dan een sigaret. Hij rookte cigarillo's van het merk Willem II. Bestaat een dergelijke traditionele cigarillo nog?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, ik weet zeker dat wij niet dezelfde vader hebben, maar mijn vader rookte exact hetzelfde merk cigarillo's.

 

De voorzitter: Die cigarillo's produceerden enorm veel rook op mijn vaders bureel. Elke keer nadat hij uren cigarillo's had gerookt tijdens de voorbereiding van zijn cursussen, was mijn moeder genoodzaakt de ramen open te zetten.

 

Mevrouw Van Hoof, zijn de cigarillo's die u vernoemt daar een variant op?

 

 Els Van Hoof (CD&V): Blijkbaar. De vraag werd mij doorgegeven. Ik rook niet. Mijn vader rookte Corps Diplomatique, wat – dat kan ik u garanderen – nog tien keer erger was.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27594 van de heer Klaps wordt uitgesteld.

 

Question de M. Michel de Lamotte au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impact de la réforme du Code des sociétés sur le travail du SPF Finances et l'assujettissement des ASBL à l'ISOC" (n° 27598)

Vraag van de heer Michel de Lamotte aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de impact van de hervorming van het Wetboek van vennootschappen op het werk van de FOD Financiën en de onderwerping van vzw's aan de vennootschapsbelasting" (nr. 27598)

 

 Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le ministre, votre collègue le ministre de la Justice a présenté une importante réforme du Code des sociétés et des associations. Cette réforme retire le critère de but de lucre de la définition d'association. L'ASBL ne sera donc "sans but lucratif" que de nom. Le seul critère de distinction entre une société et une association sera la distribution ou non des bénéfices aux membres ou dirigeants. Cette interdiction de distribuer des dividendes pour une ASBL ne l'empêchera pas, en théorie, de rendre à ses membres des services gratuits qui relèvent de son objet et qui s'inscrivent dans le cadre de son but désintéressé.

 

La définition d'activité économique accessoire dans le Code des impôts sur les revenus (CIR92), qui provient initialement de la loi de 1921, devient orpheline. Le Conseil d'État disait d'ailleurs dans son avis sur l'avant-projet de loi que "le nouveau critère de distinction entre les sociétés et les associations (...) pourrait bouleverser la manière dont sont interprétées ou appliquées les dispositions fiscales relatives à l'assujettissement à l'impôt des sociétés." D'ailleurs, ce changement créera de l'insécurité juridique que la jurisprudence devra clarifier.

 

La frontière entre le dividende caché (distribution indirecte de bénéfices) et le service gratuit aux membres est floue. Les avantages aux membres qu'une association pousserait trop loin pourraient être considérés comme nuls avec comme conséquence de décourager les véritables ASBL à innover dans leurs services aux membres. Pour autant, pour des personnes malintentionnées ("fausses ASBL"), il existera une zone grise suffisamment large pour tester de nouvelles combines et distribuer des dividendes cachés tout en bénéficiant indûment du régime propre aux ASBL.

 

Monsieur le ministre, le nouveau critère de distinction entre les sociétés et les associations bouleversera-t-il la manière dont sont interprétées ou appliquées les dispositions fiscales relatives à l'assujettissement à l'impôt des sociétés? Le SPF Finances prévoit-il la diffusion de circulaires internes suite à cette réforme, particulièrement en ce qui concerne la fiscalité d'ASBL? Quelle en est la substance?

 

Voyez-vous un potentiel accru de "fausses ASBL" avec ce changement de critère? L'administration fiscale pourrait-elle davantage diriger ses efforts de recherche vers des associations à soumettre à l'impôt des sociétés?

 

Jusqu'ici, il incombe à l'administration fiscale de prouver qu'une ASBL poursuit un but lucratif à titre principal et qu'elle doit être soumise à l'impôt des sociétés. La charge de la preuve risque-t-elle de s'inverser puisque les associations ne seront plus, par définition, sans but lucratif?

 

La nullité est prévue pour les opérations qui violent l'interdiction de distribution. L'administration fiscale poursuivra-t-elle ces distributions afin de les soumettre au précompte mobilier ou l'effectivité des remboursements suite à la nullité sera-t-elle assumée? Avez-vous des exemples de services gratuits ou à prix réduit aux membres qui pourraient être considérés comme une distribution indirecte ou faire l'objet de débats?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur de Lamotte, l'analyse des conséquences fiscales éventuelles de la modification envisagée du Code des sociétés en ce qui concerne les ASBL est prématurée. Ce texte n'est pas encore adopté.

 

Ceci dit, la question de l'assujettissement d'une ASBL aux impôts sur les revenus dépend d'un ensemble d'éléments dont l'appréciation incombe, en premier ressort, aux services de taxation, sur la base des documents et des renseignements fournis à l'appui de la déclaration annuelle ou dans le cadre d'un contrôle.

 

La situation doit toujours être examinée au cas par cas. Les critères d'appréciation à prendre en considération en la matière garderont leur pertinence après la modification du code précité.

 

En l'espèce, il n'existe pas d'assujettissement de principe d'une ASBL à l'impôt des personnes morales. Ces contribuables sont tenus d'annexer à leurs déclarations les documents nécessaires à l'appréciation du régime d'imposition applicable. Toutefois, la volonté du gouvernement est de conserver les principes actuels.

 

Finalement, pour les autorités fiscales, rien ne va changer.

 

 Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse et votre conclusion. À un moment donné, dans la mesure où la modification votée hier en commission est importante sur ce qui concerne la preuve du statut d'ASBL, il reste un flou que la jurisprudence devra analyser.

 

J'entends votre position de principe, à savoir qu'il n'y aura pas de modification à ce sujet-là. Comme vous l'avez dit au début de votre intervention, tous les cas de figure seront analysés au cas par cas en fonction des déclarations. Il n'empêche que dans le code tel qu'adopté hier se pose la question de la nullité d'un certain nombre d'actes. Cela posera des problèmes d'interprétation, de requalification ou de disqualification d'un certain nombre d'opérations.

 

J'entends donc votre position de principe mais je pense que dans la pratique, des adaptations ou des circulaires devront être évoquées. Avec cette question, et suite à nos prises de position dans ce Code, il apparaît qu'il convient de veiller à la promotion du monde associatif qui rend un service important aux citoyens. Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Questions jointes de

- M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les 'rulings' fiscaux dénoncés par le SPF Finances" (n° 27619)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la sécurité juridique des décisions anticipées" (n° 27655)

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le contrôle fiscal de stock-options validées par le Service des Décisions Anticipées" (n° 27835)

Samengevoegde vragen van

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de door de FOD Financiën gelaakte rulings" (nr. 27619)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de rechtszekerheid van de voorafgaande beslissingen" (nr. 27655)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale controle op aandelenopties waarover de Dienst Voorafgaande Beslissingen een gunstige beslissing heeft genomen" (nr. 27835)

 

Le président: Voilà un trio remarquable, même si M. Piedboeuf est le seul orateur présent.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, cela ne me dérange pas d'être tout seul!

 

Monsieur le ministre, l’actualité a mis en exergue la question de la sécurité juridique des décisions anticipées rendues par le service ad hoc.

 

La loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôt sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale, avait pour objectif d’adopter un cadre légal approprié en vue d’améliorer la sécurité juridique des contribuables et des candidats investisseurs. Comme le rappellent en effet les travaux parlementaires préalables à la loi, le bon déroulement et le développement des activités économiques requièrent l’existence d’un système juridique assurant une prévisibilité optimale des conséquences découlant des actes commis. Le système de décision anticipée permet donc d’obtenir des garanties de l’administration quant aux conséquences fiscales des actes que les contribuables ou les candidats investisseurs envisagent de poser.

 

Dans un avis particulièrement instructif, le Conseil d’État s’était penché sur l’application du principe de sécurité juridique. Une des conclusions est qu’une décision anticipée ne devrait cesser de produire ses effets qu’à partir du moment où l’interprétation des dispositions légales sur laquelle s’est fondée l’administration est condamnée par une décision judiciaire publiée et non susceptible de recours.

 

Monsieur le ministre, partagez-vous l’avis du Conseil d’État? Plus généralement, confirmez-vous que les contribuables peuvent toujours obtenir du Service des Décisions Anticipées (SDA) la sécurité juridique à laquelle ils aspirent?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, il importe tout d'abord de rappeler le principe de sécurité juridique que le législateur de 2002 a voulu garantir en liant tout le SPF Finances au système de décision anticipée, en lequel le contribuable est en droit de placer sa confiance légitime.

 

En l'espèce, vous évoquez des questions relatives à des dossiers individuels. Je vous rappelle à ce titre que je ne suis nullement autorisé à divulguer des informations, eu égard au secret professionnel.

 

Au surplus, les services de contrôle vérifient bien évidemment que les contribuables appliquent correctement les décisions anticipées qui leur ont été communiquées.

 

Je n'ai pas connaissance de cas de ruling qui auraient été jugés illégaux par les services de taxation. Ce fait témoigne de la confiance que nous pouvons accorder au SDA; confiance partagée par les contribuables, au vu du nombre croissant de dossiers introduits chaque année et des efforts accomplis par ledit Service, afin de rendre son accès aisé aux PME ainsi qu'aux particuliers.

 

En revanche, il est clair que, si les conditions d'une décision anticipée ne sont pas respectées par le contribuable, les services opérationnels peuvent évidemment mener une enquête. Dans ce cas, une concertation entre le SDA et les services centraux est prévue par le protocole de collaboration qu'ils ont conclu.  

 

Il faut savoir que ce protocole peut toujours être rediscuté en vue d'améliorer la collaboration.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de confirmer ce qui est finalement très important, à savoir que les décisions anticipées ont force de loi à partir du moment où le contribuable respecte, bien entendu, le fond de la question et le fond de l'accord.

 

Il me rassure de savoir que l'on peut continuer à introduire des dossiers au Service des Décisions Anticipées, et que le Service et l'administration s'y tiendront.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de btw-tarieven" (nr. 27649)

Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme des taux de TVA" (n° 27649)

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, de Europese Commissie wil de btw-tarieven hervormen. Ik heb daar in het verleden al vragen over gesteld, maar deze vraag handelt specifiek over het aanbieden van kunstwerken.

 

De Europese Commissie stelt voor om de bestaande lijst van btw-tarieven af te schaffen en dus meer vrijheid te laten aan de lidstaten, met dien verstande dat er wel een zwarte lijst komt met goederen en diensten waarvoor geen uitzondering kan gelden.

 

De Europese Commissie staat in de toekomst ook maximaal twee verlaagde tarieven toe voor zover dat ten goede komt aan de eindverbruiker en wordt toegepast om een doelstelling van algemeen belang op consistente wijze na te streven. Die mogelijkheid wordt echter uitgesloten voor de goederen en diensten die vermeld zijn op die lijst, waarop blijkbaar ook het aanbieden van kunstwerken staat.

 

De voorgestelde aanpassing geeft volgens de Commissie lidstaten meer flexibiliteit, maar de vraag is of het verlaagd tarief van toepassing op kunstwerken rechtstreeks gekocht van de kunstenaar of zijn rechthebbenden concurrentie­verstorend werkt, zoals nu wordt opgemerkt door de Europese Commissie. De opname van het aanbieden van kunstwerken zorgt dan ook voor de nodige beroering in de kunstensector, vandaar de vraag om te bekijken wat er nog mogelijk is.

 

Ik heb hierover de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Kunt u een stand van zaken geven van de discussies over de hervorming van de btw-tarieven binnen de Ecofin-Raad? Welke landen zijn het voorstel van de Europese Commissie genegen en welke niet? Wat is het standpunt van België ter zake?

 

Kunt u verduidelijken wat concreet de visie van België is tijdens de onderhandelingen omtrent het aanbieden van kunstwerken? Zal ons land volgens u akkoord gaan met de zienswijze van de Europese Commissie of zullen wij pleiten voor het behoud van het verlaagd tarief voor het aanbieden van kunstwerken?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Smaers, sinds de publicatie op 18 januari 2018 van het voorstel om de btw-tarieven te hervormen, werd dat voorstel alleen nog maar door de diensten van de Europese Commissie toegelicht binnen de bevoegde technische werkgroep van de Raad. Tot nu toe heeft geen enkel voorzitterschap van de Europese Unie al het initiatief genomen om de inhoudelijke bespreking op te starten. Het voorzitterschap dat vanaf 1 januari 2019 de werkzaamheden zal leiden, met name Roemenië, heeft eveneens reeds aangegeven dat deze hervorming voor hem – spijtig genoeg – geen prioriteit is. Ik kan daar ook alleen maar akte van nemen.

 

Het voorstel van de Commissie beoogt de bestaande bepalingen in de btw-richtlijn over de verlaagde btw-tarieven op een fundamentele wijze te hervormen.

 

In essentie zouden de lidstaten hierdoor dus, zoals uzelf al hebt aangegeven, een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op om het even welke levering van goederen en diensten, met uitzondering van deze die in een beperkte lijst worden opgesomd. In het huidige lijstvoorstel is dit onder meer het geval voor de kunstwerken, waarvoor de diensten van de Europese Commissie blijkbaar aanwijzingen hebben dat de toepassing van een verlaagd btw-tarief in deze sector concurrentie- en/of marktverstorend zou werken.

 

Sinds 1995 is de levering van kunstvoorwerpen in de meeste gevallen reeds aan het normale btw-tarief onderworpen, maar bij afwijking zijn de invoer van kunstvoorwerpen alsook de levering van kunstvoorwerpen door de kunstenaar zelf of door zijn rechthebbenden – dus niet door een galerij of een professionele verkoper – nog steeds aan het tarief van 6 % onderworpen. De beslissing om bepaalde goederen van de toepassing van het verlaagd btw-tarief uit te sluiten kan maar op basis van grondige redenen worden genomen.

 

Ik ben wel van plan om bij de toekomstige inhoudelijke besprekingen de Europese Commissie dit in die zin onder de aandacht te brengen en hierover ook, indien nodig, uitvoerig uitleg te verschaffen en indien nodig ook uitleg te vragen.

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord en om deze problematiek zeker mee te nemen in de verdere onderhandelingen met de Europese lidstaten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27661 van de heer Klaps is ingetrokken. Vraag nr. 27701 van mevrouw Jadin wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het concept zorgwonen in de btw" (nr. 27707)

Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime de la  TVA en matière d'habitat accompagné" (n° 27707)

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, zorgwonen doet blijkbaar heel wat vragen rijzen op het vlak van btw en geeft aanleiding tot praktische moeilijkheden.

 

Wij willen het concept zorgwonen zeker ondersteunen; dat is ook nodig, gelet op de vele uitdagingen door de vergrijzing. Die woonvorm is overigens niet alleen interessant voor ouderen, maar ook voor formules met jonge gezinnen, zoals het kangoeroewonen en het zorgwonen in groep. Een en ander zou best fiscaal en financieel worden ondersteund.

 

Vlaanderen promoot zorgwonen ook, onder meer in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en in de geïntegreerde woonbonus. Daarbij creëert men in een bestaande woning een ondergeschikte wooneenheid voor hulpbehoevende of bejaarde personen, vaak ouders of grootouders. Soms zijn die personen fiscaal ten laste van de kredietnemer, maar vaak ook niet. Het deel van de woning dat wordt betrokken door personen die fiscaal niet ten laste zijn van de kredietnemer en die dus fiscaal geen deel uitmaken van zijn gezin, wordt op basis van de bijzondere financieringswet uitdrukkelijk aangemerkt als niet-eigen woning, artikel 5/5, § 4, lid 2 van de bijzondere financieringswet. Vlaanderen heeft bij de hervorming van de woonbonus rekening gehouden met het concept zorgwonen, waarbij het zorggedeelte en de hoofdwooneenheid als één fysiek geheel worden beschouwd.

 

Naast die maatregelen is er bijzonder weinig aandacht voor die vorm van wonen, onder andere in de btw. Blijkbaar hanteert de btw-administratie bij de toepassing van de 6 % btw bij renovatie, wel het criterium dat in het geval van uitbreidingswerken aan het oude gebouw, het oude gebouw qua oppervlakte groter moet zijn dan de helft van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken. In de praktijk wordt weleens vastgesteld dat de lokale btw-diensten dat criterium anders interpreteren bij zorgwoningen, met name wanneer oude gebouwen worden omgevormd tot zorgwoningen door er bijvoorbeeld een gedeelte aan bij te bouwen. Wetende dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vereist dat zo'n bijgebouw ten hoogste een derde mag bedragen van het totale volume, is het wel opmerkelijk dat hier verschillen bestaan tussen de lokale btw-diensten, die een andere interpretatie hanteren, en dat zorgwonen de facto wordt ontmoedigd op btw-vlak. Het is dus een probleem uit de praktijk gegrepen.

 

Mijnheer de minister, kunt u, ten eerste, verduidelijken welke algemene criteria de btw-administratie hanteert om het verlaagd tarief van 6 % bij renovatie in het kader van een omvorming van een oud gebouw tot zorgwoning toe te passen? Is er dan sprake van een circulaire? Indien niet, betekent zulks dat de administratie over geen enkel kader beschikt om het concept "zorgwonen" te beoordelen?

 

In de veronderstelling dat er inderdaad algemene criteria bij de administratie voorhanden zijn, bent u er dan van op de hoogte dat de lokale btw-diensten verschillende interpretaties hanteren, wat het werk bemoeilijkt? Zo ja, zult u hiertegen optreden met een algemene circulaire of een wetgevend initiatief?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Voor de omvorming van een oude woning tot een zorgwoning komt men slechts onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor het verlaagd btw-tarief van 6 %. Ik verwijs hiervoor naar het KB nr. 20 inzake de toepasselijke btw-tarieven en meer specifiek naar de bijlage, tabel A, rubrieken XXXI en XXXVIII.

 

Zodra de bedoelde werken in onroerende staat op een relevante manier gesteund zijn op de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw waarop ze betrekking hebben, zonder onderscheid met betrekking tot de benaming van die werking – omvorming, verbetering, herstelling, renovatie – vallen ze binnen het toepassingsgebied van het verlaagd tarief.

 

Wanneer de bestaande woning echter ook wordt uitgebreid, kunnen de onroerende werken slechts onder de hierboven beschreven voorwaarden worden beschouwd als een omvorming voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte opweegt ten aanzien van het nieuwe gedeelte.

 

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan worden aangewend, maar het oude gedeelte aanvult en hiermee een geheel vormt. Indien dat niet het geval is, zijn deze werken te beschouwen als oprichtingswerken en zijn ze bijgevolg uitgesloten van de toepassing van het verlaagd tarief.

 

De administratie heeft tot op heden reeds meerdere commentaren gepubliceerd met betrekking tot deze bepalingen inzake verbouwingen van privéwoningen.

 

De lokale btw-diensten moeten in de praktijk geval per geval aan de hand van een geheel van gegevens beoordelen of een verbouwing van een bestaand gebouw naar een privéwoning, in casu een zorgwoning, kan worden beschouwd als een verbouwing volgens de btw-reglementering.

 

Een nieuwe circulaire over dat ontwerp dringt zich mijns inziens niet op, te meer daar het door de grote verscheidenheid aan situaties die zich kunnen voordoen, niet de bedoeling is om tot een casuïstiek van omvormingswerken te komen die de facto van het verlaagd tarief kunnen genieten, en een feitelijke appreciatie en inschatting, geval per geval, nog steeds de voorkeur geniet.

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27712 van mevrouw Schlitz wordt geschrapt, aangezien we niets van haar gehoord hebben. Vraag nr. 27724 van de heer Van Hecke wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "belacties bij betalingsachterstanden" (nr. 27741)

Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les campagnes téléphoniques contre les retards de paiement" (n° 27741)

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vanuit de praktijk bereiken mij berichten over belastingplichtigen die een betaalbericht ontvangen van de belastingadministratie, bijvoorbeeld naar aanleiding van een controle, en die binnen de twee dagen al worden opgebeld door diezelfde belastingadministratie met de mededeling dat de betaling nog niet is uitgevoerd. Op die betaalberichten staat ook "te betalen binnen de 48 uur" in vetgedrukte letters.

 

Berichten die bijvoorbeeld op 6 november verstuurd worden, worden al op 8 november gevolgd door belacties. Daarbij wordt de vraag gesteld waar de betaling blijft. Er worden ook vervolgingsmaatregelen aangekondigd.

 

Blijkbaar is dit een standaardmededeling, zonder een echte wettelijke basis, en het enige wat de belastingadministratie verwacht, is dat er tijdig wordt betaald. Dat is natuurlijk volledig terecht, maar vanuit de praktijk stelt men zich de vraag of zulke betaalberichten, met zulke korte betalingstermijnen en onmiddellijk gevolgd door een belactie, wel in overeenstemming zijn met de wet en of ze dan niet in conflict komen met de beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Ik heb de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Kan u verduidelijken wat de wettelijke basis is voor het uitsturen van betaalberichten waarop "te betalen binnen de 48 uur" staat vermeld? ls dit volgens u wel een evenwichtige betaaltermijn?

 

In de praktijk ervaart men de belacties, waar ook wordt gewezen op de vervolgingsmogelijkheden, als afdreigen. Bent u zich daarvan bewust? Deelt u die mening of bent u ervan overtuigd dat deze acties conform de beginselen van behoorlijk bestuur zijn? ls dit volgens u een algemene beleidslijn van de belastingadministratie? Kunnen er verschillen bestaan tussen de lokale diensten of wordt dit effectief centraal gestuurd?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Smaers, ik zal uw vragen puntsgewijs beantwoorden.

 

Er zijn geen wettelijke bepalingen voor het tijdstip van uitsturen van het betaalbericht nadat de schuld vervallen en opeisbaar is geworden. De vervaldagen zijn daarentegen per belastingsoort wel degelijk heel nauwkeurig wettelijk bepaald.

 

De termijn van 48 uur is een indicatieve tijdspanne die de belastingplichtige moet helpen om zijn betaalgedrag positief bij te stellen. Dit is trouwens in het voordeel van de belastingplichtige zelf omdat hij op deze manier eventuele nalatigheidsintresten en verdere invorderings­kosten kan vermijden.

 

Mijn administratie zoekt dan ook op continue basis naar de meest optimale vorm van communicatie die aanzet tot tax compliance en houdt daarbij na evaluatie rekening met feedback van de belastingplichtige zelf.

 

De feedback die u meedeelt, blijkt niet deze te zijn die mijn administratie in het algemeen krijgt bij dergelijke belacties, die erop gericht zijn de burger of onderneming te herinneren aan een openstaande schuld en hen te wijzen op de mogelijke consequenties, onder meer wat de lopende aanrekening van nalatigheidsintresten betreft.

 

Vanuit de vermelde optiek lijkt mij dit zeker een correcte toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Het antwoord op uw vraag of dit een algemene beleidslijn van de administratie is, is bevestigend omdat de administratie op die manier bijkomende verwijlkosten kan of tracht te vermijden en zelf kostenefficiënt optreedt.

 

Dit proces wordt effectief centraal gestuurd, net om de gelijke behandeling van alle belastingplichtigen te waarborgen.

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik begrijp de logica die erachter zit, maar ik begrijp ook dat het niet fijn is voor sommige mensen die op die manier worden achtervolgd en die wel degelijk een betaling willen uitvoeren, maar het gevoel krijgen dat men hen nogal achter de veren zit.

 

Met het oog op de klantvriendelijkheid van de administratie kunt u dit misschien meenemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs. 27782, 27783, 27784 en 27833 van de heren Dallemagne en Gilkinet worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de burgerrekening" (nr. 27794)

Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le compte citoyen" (n° 27794)

 

Gaat uw vraag over een late uitwerking van de burgermanifesten?

 

 Luk Van Biesen (Open Vld): Wij blijven de partij van de burger, mijnheer de voorzitter.

 

Mijnheer de minister, op 10 mei 2017 heb ik u al een vraag gesteld over de burgerrekening. U stelde toen voor om aan uw administratie de opdracht te geven om samen met de geïnteresseerde Gewesten te bekijken hoe een interfederale fiscale schuldbalans kan worden opgezet waarin de fiscale schulden en tegoeden bij de fiscale administraties van de Gewesten en de federale overheid onderling kunnen worden gecompenseerd. Anderzijds werd eind 2017 via de programmawet ook de wettelijke basis gecreëerd voor de centralisatie van bepaalde fiscale en niet-fiscale schulden op één enkele financiële rekening Inning en Invordering, de zogenaamde burgerrekening, een overzicht van schulden en tegoeden die een burger, natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegenover de federale overheid heeft.

 

De volgende stap is het nemen van een uitvoeringsbesluit, zodat ten laatste op 1 januari 2019 kan worden gestart, zoals bepaald in artikel 157 van de voormelde programmawet. Uit goede bron heb ik vernomen dat er het laatste jaar in de verdere uitwerking van dat beleid niets lijkt te bewegen en dat er momenteel ook niets concreets in de pijplijn zit bij uw administratie. Ik hoop dat die bron geen gelijk heeft, maar ik ben wel bezorgd. Gelet op de naderende deadline voor de inwerkingtreding van de burgerrekening, zou ik u graag de volgende vragen stellen.

 

Wat is de stand van zaken van de invoering van de burgerrekening? Wat is de concrete timing? Hoe denkt u de wettelijk vastgelegde deadline van 1 januari 2019 alsnog te kunnen halen? Is alles op het vlak van de ICT technisch in orde? Wat is de impact van de burgerrekening op de interfederale fiscale balans? Welke stappen werden in het kader van dat laatste project reeds ondernomen? Welke Gewesten zijn geïnteresseerd?

 

Welke vergaderingen en overlegmomenten hebben er daarover plaatsgevonden? Wat was het concrete resultaat van die gesprekken?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, de financiële rekening Inning en Invordering, de zogenaamde burgerrekening, treedt op 1 januari 2019 in werking. Mijn administratie heeft echter een ontwerp van koninklijk besluit voorbereid met een gefaseerde inwerkingtreding, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzakelijke aanpassingen op het vlak van ICT. Het principe van de burgerrekening zal vanaf 1 mei 2019 worden toegepast voor de penale boeten en de niet-fiscale schuldvorderingen en vanaf 1 december 2019 voor fiscale schuldvorderingen en voor de bedragen die door een onderhoudsplichtige verschuldigd zijn aan de DAVO, de Dienst voor alimentatievorderingen.

 

Op 19 maart 2018 vond een eerste overleg plaats tussen de federale en gewestelijke instanties, waarop de vele technische aspecten die erbij te pas komen uitvoerig besproken werden. Aan alle betrokken overheden werd gevraagd om vóór het tweede semester van 2018 het saldo te bepalen dat ter beschikking kan worden gesteld van de overige entiteiten. De bevoegde entiteiten zullen de besprekingen hervatten zodra die data op tafel liggen.

 

 Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27824 van de heer Dirk Van der Maelen wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

 

Question de Mme Vanessa Matz au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxation des géants du numérique" (n° 27815)

Vraag van mevrouw Vanessa Matz aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het belasten van de internetgiganten" (nr. 27815)

 

 Vanessa Matz (cdH): Monsieur le ministre, il reste très peu de temps avant de pouvoir décrocher l’accord indispensable de l’Allemagne notamment, pour le projet de taxation des géants du numérique. La réunion des ministres européens des finances est prévue le 4 décembre prochain.

 

Pourtant, jeudi dernier, le commissaire européen Moscovici avertissait qu'un accord entre les États membres ne pourrait être conclu. Les divergences entre les deux grands - la France, instigatrice du projet, et l’Allemagne -, mais aussi la réticence, voire le rejet déjà annoncé, de l’Irlande, du Danemark et de la Suède pourraient faire capoter le projet. Ce serait particulièrement regrettable, au vu de l’intérêt général d’une telle taxe. Le commissaire relève, à juste titre, que tant que le vote à l’unanimité sera requis, nous resterons bloqués sur ces sujets hautement importants.

 

Monsieur le ministre, qu’allez-vous plaider lors de cette réunion du 4 décembre? Quelles sont les difficultés invoquées par les Allemands quant à l’instauration de cette taxation? La Belgique se situe-t-elle au cœur des discussions et peut-elle jouer un rôle d’intermédiaire persuasif entre les autorités françaises et allemandes? Selon vous, un accord reste-t-il encore possible?

 

L’approbation à l’unanimité par les États membres rend toute décision sur la fiscalité très compliquée. Comptez-vous soutenir la proposition du passage au vote à la majorité qualifiée, énoncée par le commissaire européen? Selon vous, quels aspects fiscaux spécifiques pourrait-elle viser?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Madame Matz, la Belgique a toujours souligné l'importance d'un traitement fiscal juste et équitable entre les entreprises traditionnelles ou les PME et les grands acteurs du numérique. Nous sommes favorables à une solution internationale large au sein de l'OCDE mais nous devons constater qu'à ce niveau, aucune solution n'est envisageable avant 2020. C'est pourquoi la Belgique soutient le texte de compromis équilibré de la présidence autrichienne qui sera présenté à l'ECOFIN du 4 décembre 2018.

 

La Belgique continue à soutenir l'approche de cette présidence autrichienne. Ce sont les Autrichiens qui détermineront, en premier lieu, la stratégie et entameront les discussions bilatérales en vue de parvenir à un accord sur leur proposition. La Belgique est disponible pour une réunion bilatérale avec la France et l'Allemagne.

 

Tant que la position allemande reste inchangée, il faut admettre que les chances de parvenir à un accord à l'ECOFIN du 4 décembre 2018 sont faibles. À l'instar des Allemands, d'autres États membres, comme la Suède, le Luxembourg et l'Irlande, continuent également à s'y opposer. Nous verrons ce que nous pourrons faire le 4 décembre 2018. Nous restons positifs et défendrons notre position.

 

Comme je l'ai déjà dit en séance plénière, il ne faut pas oublier qu'il y a ici un problème de taxes. Quand on voit les profits générés et les taxes payées, c'est inacceptable. Mais le plus dangereux, c'est l'aspect monopole de ces géants présents sur internet. C'est négatif sur le plan économique mais cela pose aussi un gros problème sur le plan de la vie privée, au vu de toutes les données dont ils disposent. Pour être précis, je répète que la question des taxes est très problématique. Mais le monopole ou quasi-monopole de ces entreprises pose tout autant problème.

 

 Vanessa Matz (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je vous remercie également d'avoir confirmé que la Belgique est bien en phase avec une forme de taxation.

 

Comme vous l'avez dit, la taxation est très faible par rapport au chiffre d'affaires engrangé et une forme d'iniquité est de plus en plus ressentie. L'Irlande, je le sais, est en quelque sorte le passager clandestin de l'Europe, notamment en termes d'impôt sur les sociétés. En ce qui concerne l'Allemagne, je ne comprends pas les arguments avancés d'autant plus qu'il est ici question d'un ensemble de pays. Ce n'est pas comme si on demandait à l'Allemagne d'agir seule car si tel était le cas, son économie serait forcément pénalisée. Mais si la décision est prise par un ensemble de pays européens sur un espace, je ne comprends pas l'argumentation qu'on peut faire valoir pour s'opposer à ce type de taxe.

 

Par ailleurs, pensez-vous que l'on peut avancer sur un vote à majorité qualifiée? En effet, en matière fiscale, il ne sera pas possible d'avancer en l'absence d'un tel vote.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Nous verrons probablement lundi soir, ce qu'il en est. En tout cas, nous allons essayer. Tout dépendra des circonstances et de la position qu'adopteront les pays qui n'ont pas été mentionnés.

 

 Vanessa Matz (cdH): Monsieur le ministre, je reviendrai donc vers vous, après mardi matin, afin d'avoir des informations quant à l'état des discussions. Si les choses pouvaient avancer, ne fût-ce qu'un petit peu, ce serait déjà bien.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Hiermee zijn we aan het einde van de vragenronde gekomen. Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.54 uur.

La réunion publique de commission est levée à 15.54 heures.