Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 9 januari 2019

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 9 janvier 2019

 

Matin

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 12.39 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 12.39 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin

 

 Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, we hebben deze ochtend vernomen dat de Conferentie van voorzitters had beslist om de registratie van vragen te blokkeren vanaf het moment van de val van de regering tot 14 u 00 vandaag.

 

Rond 20 december heb ik een verzoek ingediend om een commissievergadering te organiseren over de niet-gebeurde veroordelingen in de Fortiszaak. Wij hebben gisteren ook een vraag ingediend, rond 11 uur, zoals voorgeschreven, over de tienerpooiers, maar ook die vraag is niet toegevoegd aan de agenda voor vandaag.

 

Hoe gaan wij dat oplossen? Ik zit nu immers met twee vragen, een vraag over de Fortiszaak van veertien dagen geleden en de vraag over de tienerpooiers, die nu heel actueel is en waarover misschien ook andere collega's vragen hebben ingediend. Ik kreeg deze ochtend een telefoon van de administratie, die ermee verveeld zit dat deze vraag niet is geagendeerd. Als ik vandaag één vraag zeker had willen stellen, dan was het die vraag over de tienerpooiers.

 

Hoe gaan wij dat oplossen? Blijkbaar zijn de vragen slechts vanaf 14 u 00 gedeblokkeerd. Daardoor zijn twee van mijn vragen die ik echt had willen stellen, niet geagendeerd.

 

De voorzitter: Het betreft een beslissing van de Conferentie van voorzitters.

 

 Annick Lambrecht (sp.a): Dat begrijp ik, maar ik heb nu twee zwevende vragen. Zij zullen uitgesteld worden tot een volgende keer, maar eigenlijk zijn zij nu heel actueel.

 

Zijn er veel leden die in dat geval verkeren?

 

De voorzitter: Het zal voor volgende week zijn.

 

01 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'infiltration d'Internet par la police" (n° 27613)

01 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de infiltratie van de politie op het internet" (nr. 27613

 

01.01  Emir Kir (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je vous souhaite évidemment à tous une merveilleuse année.

 

Monsieur le ministre, j'ai introduit en août 2018 cette question qui se rapporte à un arrêté que vous avez pris l'année dernière et à la suite duquel les enquêteurs de la police locale et fédérale peuvent désormais infiltrer la toile pour contrer la criminalité sur internet.

 

Cette mesure permettra aux policiers d’établir, éventuellement sous une fausse identité, des contacts avec des personnes pour lesquelles il existe de fortes présomptions de culpabilité s'agissant de faits passibles d’une année d’emprisonnement: trafic de drogues et d’armes, possession de matériels pédopornographiques, etc. Bref, ce sont des crimes extrêmement graves qui sont visés.

 

Dès lors, monsieur le ministre, mes questions seront simples. Quel bilan provisoire tirez-vous de la mise en œuvre de l'arrêté? Sur cette base, quels objectifs assignez-vous à l'administration? Quel est le suivi apporté à cette disposition? Comment se présente la formation des policiers? Des agents ont-ils été ou seront-ils recrutés à cet effet? Enfin, quel est le calendrier de vos travaux?

 

01.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Kir, l'arrêté royal a été publié le 19 novembre 2018.

 

Je rappelle que l'infiltration sur internet constitue une nouvelle mesure d'enquête qui se distingue de l'infiltration classique en deux aspects. D'un côté, les conditions sont plus souples puisque, par exemple, il n'est plus nécessaire d'appartenir à une unité spéciale pour exécuter une telle opération. De l'autre, elle est plus encadrée, puisqu'elle se déroule exclusivement sur internet et que tous les contacts doivent être enregistrés, de sorte qu'une garantie majeure est apportée aux droits de la défense.

 

L'arrêté fixe les conditions applicables aux membres des services de police pour pouvoir exécuter cette mesure. Il prévoit en substance qu'il faut être détenteur du brevet de recherche, être spécifiquement désigné par son chef de corps ou par le directeur général de la police judiciaire et avoir suivi une formation idoine.

 

Hormis pour les unités spéciales, qui bénéficient déjà d'une formation relative à l'infiltration, la mise en œuvre de la mesure nécessite que les agents reçoivent la nouvelle formation prévue. Sa préparation n'a évidemment pas attendu la publication de l'arrêté royal. La formation IVI (Interaction virtuelle Interactive) s'inscrit dans le nouveau trajet de formation à trois niveaux en termes de recherche sur internet, qui fera très prochainement l'objet d'un dossier d'agrément de l'Académie Nationale de Police.

 

Concrètement, et puisque les agents concernés devront auparavant suivre deux autres modules de formation de base et intermédiaire, les premières formations relatives à l'infiltration sur internet devraient commencer durant ce premier semestre.

 

01.03  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de vervolging van de illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten" (nr. 27739)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la répression du trafic d'espèces animales et végétales protégées" (n° 27739)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, volgens een studie van het Wildlife Trade Monitoring Network is de internationale handel in wilde soorten een van de meest lucratieve markten ter wereld. Het is ook een van de belangrijkste oorzaken voor de dramatische terugval van populaties van wilde dieren, zoals die door het recentste Living Planet Report werd aangetoond. Daarnaast bedreigt hij ook in toenemende mate de volksgezondheid en sociaal-economische stabiliteit van landen. Door de hoge inkomsten en lage risico’s behoort de illegale handel ondertussen tot de top tien van meest winstgevende grensoverschrijdende misdaad­sectoren ter wereld. De illegale soortenhandel vormt, samen met andere vormen van milieucriminaliteit, momenteel zelfs de grootste inkomstenbron van gewapende groepen wereld­wijd.

 

Met zijn centrale ligging neemt ook België een sleutelpositie in. België heeft een van de vijftien drukste luchthavens en een van de belangrijkste havens in de EU. België is de grootste legale importeur in de EU van reptielenproducten. Vooral vlees van de Nijlkrokodil voor de binnenlandse en Europese markt komt hier veelvuldig toe. De enorme hoeveelheden legaal verhandelde soorten zijn een indicatie dat de illegale handel in en via ons land grote proporties aanneemt. Het valt op dat er in vergelijking met de grote hoeveelheden import van wild vlees maar zeer weinig inbeslag­names zijn. Het douanepersoneel op de luchthaven van Zaventem voert een keer per maand gerichte controles uit op bijvoorbeeld vlees dat wordt meegebracht door passagiers. Daarnaast voert het ook sporadisch en steekproefs­gewijs acties op cargovrachten. In 2017 namen de douanediensten 2 200 kilogram vlees in beslag en bij 7 passagiers 28 kilogram bushmeat. Maar naar schatting wordt er in werkelijkheid veel meer illegaal vlees ons land binnengebracht.

 

Naast het feit dat er veel meer controles zouden moeten worden uitgevoerd, zouden de sancties ook effectief moeten worden uitgevoerd. Op de invoering van bushmeat staan gevangenisstraffen tot twee jaar en boetes tot 3 000 euro. Vervolging blijft meestal uit, omdat het bushmeat eerst een DNA-analyse moet ondergaan, vooraleer men zeker kan vaststellen dat het wel degelijk om verboden jachtvlees gaat. In de afgelopen vier jaar is er slecht één proces-verbaal opgesteld voor het binnensmokkelen van een krokodillenkop.

 

Ten eerste, hoe verklaart u de discrepantie tussen het feit dat België een van de belangrijkste markten in de illegale handel in dierensoorten is en het aantal vervolgingen hieromtrent?

 

Ten tweede, niet alleen zouden de douane en de andere inspectiediensten efficiëntere controles moeten uitvoeren, er zou, volgens het WWF, ook nood zijn aan een betere administratieve en strafrechtelijke vervolging door een versterking van de inspectiediensten en het gerechtelijk apparaat, door bijvoorbeeld gespecialiseerde magistraten en rechtbankafdelingen. Zou u dat voorstel in overweging kunnen nemen?

 

Ten derde, welke maatregelen zult u nemen, opdat de vervolging van dergelijke inbreuken een hogere prioriteit wordt bij de parketten en rechtbanken en men erkent dat het gaat om ernstige misdrijven met voldoende hoge straffen dientengevolge?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, in het kader van een mondelinge vraag kan ik geen nieuwe cijfers vragen. Wel kan ik u verwijzen naar het antwoord van de statistische analisten van het openbaar ministerie op een eerdere schriftelijke vraag van Jean-Jacques De Gucht aangaande het aantal processen-verbaal in verband met dergelijke feiten. De pv's betreffen zowel de internationale handel als het loutere bezit van bedreigde wilde dieren- en plantensoorten en ivoor.

 

In 2015, 2017 werden jaarlijks ongeveer 130 000 pv's opgesteld. Wel dient voor 2017 te worden opgemerkt dat een groot aantal pv's werd opgesteld voor gezonde voedingssupplementen van eenzelfde soort beschermde cactus. Uit die cijfers blijken de parketten jaarlijks aan 37 tot 58 % van die pv's gevolg te geven. Dat gebeurt op uiteenlopende wijze, gaande van een onmid­dellijke inning, een praetoriaanse probatie, een administratieve sanctie of een minnelijke schikking tot en met een dagvaarding.

 

De Belgische wet voorziet niet in milieuprocureurs of milieurechters. De organisatie van het openbaar ministerie zorgt er in de praktijk echter wel voor dat de dossiers inzake milieustrafrecht, waaronder de CITES-misdrijven, door gespecialiseerde parket­magistraten worden behandeld. Het expertise­netwerk Leefmilieu met subnetwerken in Brussel, Vlaanderen en Wallonië biedt onder­steuning aan die parketmagistraten.

 

Ook de zetel organiseert zich in de praktijk, opdat dergelijke dossiers door gespecialiseerde magis­traten zouden worden behandeld. Dat gebeurt onder meer via de zaakverdelings­reglementen, waarmee die zaken kunnen worden gecentra­liseerd in een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg, bijvoorbeeld in Antwerpen, Luxemburg, Namen en West-Vlaanderen.

 

Het College van procureurs-generaal stelt in overleg met de verschillende diensten prioriteiten voor de vervolging. Zoals ik vermeldde, wordt, onder meer dankzij de ondersteuning van het expertisenetwerk, de nodige aandacht besteed aan die vorm van criminaliteit. De ernst van de zaak en de slaagkansen van de strafvervolging worden evenwel geval per geval afgewogen.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, we kunnen niet trots zijn op een vervolging in 37 tot 58 % van de gevallen. U zou er de schouders onder moeten kunnen zetten om dat percentage te doen stijgen. Nu mogen we immers al blij zijn, als er in de helft van de gevallen vervolgd wordt. Dat zijn uiteraard geen goede cijfers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het pilootproject rond de transitiehuizen" (nr. 27740)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le projet pilote relatif aux maisons de transition" (n° 27740)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, in juli 2018 werd het pilootproject rond de transitiehuizen gelanceerd. U stelt in uw beleidsnota van 2019 dat de gunning en opstart van de eerste transitiehuizen is gepland voor 2019.

 

Over de procedure vind ik op de website van de FOD Justitie het volgende terug: "Geïnteresseerde kandidaten werden verzocht een dossier in te dienen tegen woensdag 31 oktober 2018. Vervolgens zal een intern expertencomité een analyse en mogelijke voorselectie maken van de inschrijvers. Alle kandidaten zullen uiterlijk op 5 oktober 2018" – ik veronderstel dat het 5 november 2018 moet zijn – "per mail een bericht ontvangen of men al dan niet uitgenodigd wordt voor de verdere onderhandelingen.

 

De gekozen kandidaten worden uitgenodigd op bilaterale gesprekken waarbij alle ingediende documenten verder worden besproken. Het aantal onderhandelingen wordt niet op voorhand vastgelegd en zal afhangen van het verloop en de ontvangen input.

 

De geselecteerden krijgen vervolgens finaal de kans om definitieve documenten of een offerte over te maken aan de opdrachtgever. Uiteindelijk zal een gemotiveerde beslissing worden opgemaakt waarin de keuze wordt bekendgemaakt van de inschrijver(s) die het transitiehuis(zen) kan uitbaten."

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, werd de timing van de procedure tot nu toe nageleefd?

 

Ten tweede, hoeveel aanvragen werden ingediend en hoeveel inschrijvers werden uitgenodigd voor verdere onderhandelingen?

 

Ten derde, zal de gemotiveerde eindbeslissing nog vóór eind 2018 worden genomen?

 

Ten vierde, wanneer en in welke mate zullen de lokale besturen betrokken worden bij het nemen van de eindbeslissing? Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de stedenbouwkundige vergunningen die zullen moeten worden verleend. Inplanting van transitiehuizen in de buurt is immers cruciaal en het lokaal bestuur is het best geplaatst om hierin te adviseren.

 

03.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de timing van de procedure voor de transitiehuizen werd tot nu toe nageleefd.

 

Er werden vijftien kandidaturen ontvangen, die reeds het onderwerp uitmaakten van een eerste analyse. In december werden de behouden kandidaten uitgenodigd om hun project verder toe te lichten.

 

Op basis hiervan zal een tweede selectie worden gehouden, waarbij de kandidaten ook de kans krijgen om hun project nog te verfijnen. Deze selectie wordt nog deze maand gepland met het oog op een beslissing in het eerste semester van 2019.

 

De contacten met alle lokale partners is een van de punten die werden uitgewerkt in elke kandidatuur. Het is aan de inschrijvers om zich ervan te verzekeren dat ze over alle vergunningen beschikken.

 

Naast de lokale actoren moeten ook andere actoren worden betrokken, zoals de buurt. Uit de kandidaturen blijkt duidelijk dat de meeste inschrijvers die contacten reeds hebben gelegd.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la télémédecine en prison" (n° 27813)

04 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "telegeneeskunde in de gevangenissen" (nr. 27813)

 

04.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, mes meilleurs vœux pour l'année nouvelle, aussi dans vos nouvelles fonctions de la Régie des Bâtiments. Je pense que c'est une opportunité, notamment pour les prisons.

 

Il y a un an, je vous interrogeais, ainsi que votre collègue en charge de la Santé publique, concernant le manque de médecins dans nos prisons.

 

Aujourd'hui, on apprend que la prison de Marche-en-Famenne, sous l'impulsion de la province de Luxembourg, va se lancer dans un projet pilote de télémédecine. J'ai déjà posé une question à ce sujet à votre collègue Mme la ministre Maggie De Block. Des appareils connectés proposeront ainsi aux détenus malades d'obtenir une consultation par vidéo-conférence.

 

En France, certaines prisons sont déjà équipées de dispositifs similaires, ce qui leur permet d'éviter des déplacements chronophages et coûteux de détenus vers les centres hospitaliers en l'absence de médecins au sein des établissements. J'ai aussi été par le passé président d'une zone de police et je connais les coûts pour les zones de police de tels transferts.

 

Monsieur le ministre, avez-vous été informé de cette initiative? Quelle est votre perception de celle-ci? Peut-il s'agir d'un moyen efficace pour régler la problématique des soins de santé derrière les barreaux? Serait-il, selon vous, opportun de l'élargir, à terme, à l'ensemble de nos établissements pénitentiaires?

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Flahaux, l'idée de téléconsultations s'inscrit dans le cadre de l'organisation temporelle des soins. Il s'agit d'un outil permettant aux praticiens d'estimer le degré d'urgence de la prise en charge de la personne. Une éventuelle implémentation ne peut se réaliser qu'en prenant en considération et en analysant les cadres réglementaire, légal et déontologique, ainsi que les aspects techniques liés à une installation du réseau informatique.

 

La possibilité de voir le patient et de l'écouter une première fois améliorerait la décision du médecin quant au caractère urgent ou non de la consultation. Un stéthoscope connecté et une caméra pourraient être la réponse technique à cette décision. En outre, le recours à un système de questionnement médical intelligent permettrait également de compléter cet avis. Une étude de faisabilité doit encore donner ses conclusions.

 

04.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je ne doute pas que vous serez attentif au bilan de l'expérience en cours à Marche-en-Famenne. Si cela peut permettre d'éviter des déplacement inutiles, notamment les soirs et les week-ends, pour l'organisation des prisons et pour les zones de police, je pense qu'on économisera beaucoup de temps, et donc d'argent. Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'absence de loi portant sur les dash cams" (n° 27849)

05 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het ontbreken van een wet inzake dashcams" (nr. 27849)

 

05.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, ma question a été déposée le 12 novembre 2018 et commence un peu à dater. Depuis lors, des évolutions ont certainement eu lieu.

 

À l'instar d'autres pays, la Belgique tolère l'utilisation de caméras embarquées dans les véhicules. Parfois, certaines restrictions à leur usage sont apportées, comme l'obligation de ne pas obstruer la vue du conducteur ou encore de ne pas la manipuler durant la conduite. La diffusion des images est, quant à elle, acceptée pour autant que les limites de la vie privée soient respectées.

 

En l'absence d'une loi distincte, les automobilistes peuvent donc embarquer une dashcam moyennant le respect des législations relatives à la protection de la vie privée. Le propriétaire de la dashcam sera considéré comme responsable du traitement futur des images enregistrées et devra respecter, entre autres, le principe de proportionnalité.

 

La jurisprudence estime que, lorsqu'un conducteur est filmé commettant une infraction, ces images ne doivent pas être écartées lors d'un éventuel procès. En effet, il a été décidé qu'une preuve recueillie en violation du droit à la vie privée de la personne concernée pourra malgré tout être utilisée, sauf si la loi a expressément prévu un cas de nullité.

 

Monsieur le ministre, la situation est assez complexe. Estimez-vous qu'une évolution de la législation soit nécessaire afin de donner un cadre juridique clair en la matière, étant donné que de plus en plus de citoyens ont recours à ce type de matériel?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Flahaux, comme vous le relevez, la législation relative à la protection de la vie privée est applicable aux images enregistrées par les dashcams, dès lors qu'il s'agit de données à caractère personnel portant sur une personne physique identifiée ou identifiable. Ces images peuvent être utilisées en tant que preuves en matière répressive dans le cadre, par exemple, d'un procès portant sur des infractions au droit de la circulation routière. La preuve est en effet libre en matière pénale et les tribunaux de police ont déjà admis que les images prises par une dashcam sont considérées comme des preuves régulières. Il appartient donc au juge du fond d'apprécier si les images qui lui sont présentées peuvent être admises en tant que preuves et (…) d'une décision de condamnation du contrevenant sur cette base.

 

Notons que le fait que les images aient été enregistrées en violation de la législation relative à la protection de la vie privée n'implique pas que la preuve soit annulée d'office, à condition cependant que l'irrégularité survive au test Antigone transcrit dans l'article 32 du titre préliminaire du Code de procédure pénale. La Cour constitutionnelle a, par ailleurs, admis, dans un arrêt du 27 juillet 2011, qu'une preuve obtenue en méconnaissance d'une disposition visant à garantir le droit au respect de la vie privée n'est pas automatiquement nulle.

 

En ce qui concerne l'opportunité de modifier la législation existante afin de fixer un cadre juridique clair en la matière, j'estime que la législation actuelle suffit à l'exercice des poursuites pénales et qu'il n'est pas nécessaire de légiférer.

 

05.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée.

 

J'ai tendance à vous suivre dans votre raisonnement. Il serait peut-être intéressant, pas nécessairement maintenant mais dans un avenir proche, de voir quelle est l'évolution dans les autres pays membres de l'Union européenne pour essayer de coller le plus possible à la situation globale. En effet, la Belgique étant un mouchoir de poche et les conducteurs belges voyageant de plus en plus à l'étranger et les étrangers européens de plus en plus en Belgique, il serait bon d'avoir une législation qui soit la plus cohérente possible avec celle de nos partenaires européens.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 27876 van mevrouw Jiroflée wordt uitgesteld.

 

06 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "onbetaalde boetes" (nr. 27951)

06 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les amendes impayées" (n° 27951)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de Belgische Staat heeft de afgelopen vijf jaar voor 1,05 miljard euro aan boetes en verbeurdverklaringen niet geïnd. Dat blijkt uit cijfers van de FOD Financiën. Volgens de cijfers die van deze maand dateren is de Staat er de voorbije vijf jaar slechts in geslaagd om 38 % van de strafrechtelijke boetes en verbeurd­verklaringen te innen. Het gaat om 655 miljoen euro op een totaal van 1,7 miljard euro dat in de Schatkist moest belanden. Het cijfer is veelzeggend, ook al gaat het om een moment­opname in afwachting van sommige boetes en verbeurdverklaringen die nog moeten worden betaald.

 

Lange tijd mochten mensen bij wie een half miljoen euro verbeurd was verklaard het bedrag afbetalen tegen 50 euro per maand. Het innen van boetes was lange tijd geen prioriteit voor Financiën.

 

Het arbeidsauditoraat van Gent heeft ook statistieken over de situatie verzameld. Magistraat Isabelle Croene heeft 53 vonnissen uit 2013 bestudeerd. In 2015 stelde zij vast dat slechts één van die vonnissen was uitgevoerd voor een bedrag van 17 000 euro. Dat was slechts 1 % van het bedrag dat moest worden geïnd. Deze maand bleek nog maar 237 000 euro van de verschuldigde 1,38 miljoen euro te zijn geïnd. Uit haar steekproef blijkt dat na vijf jaar tijd slechts 17 % is geïnd.

 

Het probleem sleept al lang aan. Al in 2000, 2007 en 2014 hekelde het Rekenhof deze situatie.

 

Mijnheer de minister, hebt u al overlegd met uw ex-collega, de heer Van Overtveldt, die destijds bevoegd was voor de inning van boetes? Zo ja, welke maatregelen zullen worden genomen zodat de boetes die de rechters uitspreken ook daadwerkelijk worden geïnd?

 

Ik ga er ook van uit dat het antwoord niet kan zijn dat minister Van Overtveldt er niet meer is.

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, Ik kan u bevestigen dat de heer Van Overtveldt er nog wel is. Dat zal mijn antwoord aldus niet zijn.

 

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, de inning van penale boetes is een blijvend aandachtspunt, zowel voor de FOD Justitie als voor de FOD Financiën. Mijn huidige collega van Financiën, de heer De Croo, en ikzelf worden hierover regelmatig geïnterpelleerd. Ik verwijs graag naar de antwoorden die in dit verband al zijn gegeven. Het zijn de ontvangers der Domeinen, die in naam van de procureur des Konings de boetes innen.

 

Sinds 2016 worden onbetaalde strafrechtelijke boetes geïnformatiseerd opgevolgd en syste­matisch ingevorderd via gerechtsdeur­waarders, via werkgevers door de afhouding van het loon en zelfs via banken.

 

Voor de bevestiging van de globale cijfers verwijs ik naar de FOD Financiën, waar deze worden gecentraliseerd.

 

Naast de dagelijkse samenwerking op het terrein tussen het openbaar ministerie en de FOD Financiën is er regelmatig overleg tussen de bevoegde procureurs-generaal, de referentie­magistraten en de leidinggevende ambtenaren van de FOD Financiën.

 

Dat gebeurt binnen het speciaal Overlegorgaan voor de coördinatie van de invordering van niet-fiscale schulden in strafzaken.

 

Richtlijnen bij de FOD Justitie, de FOD Financiën en de rechtsmachten werden op elkaar af­gestemd. Er wordt ook voortgewerkt aan het elektronisch uitwisselen van relevante gegevens. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de toepassing van vervangende straffen. Voorts zijn er vormingssessies bij het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, waaraan zowel personeels­leden van Financiën als van Justitie deelnemen.

 

Dergelijke initiatieven beginnen wel degelijk hun vruchten af te werpen. De meest substantiële vooruitgang werd tot dusver geboekt bij de inning van verkeersboetes, onder andere via het project "Crossborder".

 

06.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik stel vast dat de wil er is om een en ander te verbeteren. Ik hou mij vast aan de strohalm van de inning van de verkeersboetes, die beter gaat.

 

Hebt u cijfers die aangeven dat de inning bijvoorbeeld van 20 % naar 70 % is gegaan? Kunt u mij geruststellen met cijfers in dat verband?

 

06.04 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik zou, indien ik u zou willen geruststellen, kunnen doen wat ik meestal doe, wanneer ik mensen wil geruststellen. Ik zou dus cijfers kunnen geven die wellicht niet helemaal beantwoorden aan de werkelijkheid. Ik zou u dus willen vragen om mij opnieuw te ondervragen over deze materie.

 

Voor de verkeersboetes zijn de pakkans en de inningpercentages echter spectaculair gestegen, als ik het bij het woord "spectaculair" mag houden.

 

06.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal een nieuwe vraag indienen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de achterstand in de levering van werkkledij voor het gevangenispersoneel" (nr. 27979)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le retard dans la livraison des vêtements de travail du personnel pénitentiaire" (n° 27979)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, naar verluidt zou er een grote achterstand bestaan bij de levering van werkkledij voor het gevangenis­personeel.

 

Klopt dat gerucht? Hoe groot is de achterstand? Hoeveel kledingstukken werden nog niet geleverd? Wat is de gemiddelde wachttijd?

 

Wat is de oorzaak van de achterstand? Wie staat in voor de levering? Is er geen stock?

 

Wat gebeurt er als de werkkledij niet tijdig wordt geleverd? Moet het personeel dan zelf instaan voor de aankoop van werkkledij? Wordt de door het personeel zelf aangekochte werkkledij dan terugbetaald?

 

Er bereiken mij daarover allerlei verhalen, waarvan ik niet kan aannemen dat ze kloppen, maar ik verifieer dat graag bij u.

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, er moet onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, werkkledij en persoonlijke bescher­mings­middelen, waarop een specifieke wetgeving van toepassing is en, anderzijds, de uniformkledij voor het bewakingspersoneel en het technisch personeel, waarop een andere specifieke reglementering van toepassing is.

 

Gezien de vraagstelling en de actuele problematiek inzake de uniformkledij ga ik ervan uit dat het om die laatste soort kledij gaat.

 

Er is inderdaad een achterstand op het vlak van de levering van de uniformkledij voor het bewakingspersoneel en technisch personeel. De achterstand geldt echter niet voor alle kledij­artikelen, maar slechts voor een bepaald aantal artikelen van de kostuumkledij, in hoofdzaak jassen en broeken. De achterstand betreft gemiddeld drie stuks per rechthebbende.

 

In principe ontvangt de rechthebbende, rekening houdend met de interne en externe te volgen aankoopprocedure, de budgettaire afhandeling en de contractuele leveringstermijn, de artikelen binnen een jaar na de aanvraag.

 

Er dient te worden benadrukt dat er geen achterstand bestaat voor artikelen zoals hemden, polo's en schouderkentekens.

 

Een belangrijke oorzaak van de ontstane achterstand inzake kostuumkledij is het probleem met de leverancier. De toenmalige leverancier ging in vereffening en kon bepaalde bestellingen niet meer afwerken.

 

Voorts waren er procedurele problemen bij de aanstelling van een nieuwe leverancier. Pas in juli kon een nieuwe leverancier worden aangesteld. De nationale stock voor welbepaalde kledij­artikelen kon evenwel nog niet worden aangevuld.

 

In de loop van 2019 zal de achterstand in jassen en broeken worden weggewerkt. Reglementair is geen vergoeding of compensatie mogelijk voor eigen aankopen. De kostuumkledij moet uniform zijn voor elke beambte.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Als mensen hun werk moeten doen en daarvoor geen gepaste kledij hebben omdat een leverancier in vereffening ging en een andere nog moet worden aangesteld, dan moet er volgens mij toch worden overwogen of zij geen tegemoetkoming kunnen krijgen wanneer zij in eigen kledij komen werken. Zij hebben immers recht op uniformkledij van de dienst waar zij werken.

 

Moet ik een nieuwe vraag indienen om dat te laten onderzoeken?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "verboden weddenschappen voor professionele sportbeoefenaars" (nr. 27984)

08 Question de M. Brecht Vermeulen au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les paris interdits pour les sportifs professionnels" (n° 27984)

 

08.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, collega's, ik bied u mijn beste wensen aan voor 2019. Ik hoop dat u allemaal in goede gezondheid mag blijven verkeren. U ziet er allemaal stralend uit. Ik hoop dat het zo mag blijven.

 

Nu collega Flahaux uit de zaal verdwenen is, blijven er alleen nog West-Vlaamse Parlements­leden over om u te ondervragen, mijnheer de minister. U ziet dat wij onze reputatie als noeste, harde werkers alle eer willen aandoen.

 

Ik kom nu tot mijn vraag, mijnheer de minister. Op 28 september 2016 heeft Ludwig Sneyers, de toenmalige CEO van de Pro League, bekend­gemaakt dat er een actieplan zou worden opgesteld met de Pro League, de voetbalclubs, de Kansspelcommissie en de sector. Eén van de doelstellingen ervan was het onmogelijk maken voor spelers om te gokken op hun eigen wedstrijden. Door middel van een protocol wensten die verschillende organisaties een meldingsplicht in te voeren voor de kansspelsector aan de betrokken clubs, de Kansspelcommissie en de KBVB, indien een speler een "verboden weddenschap" zou plaatsen.

 

Uit een eerder antwoord van uzelf op een vraag van mij en uit mijn contacten op het terrein blijkt dat de Kansspelcommissie proactieve screenings uitvoert op voetballers in de Jupiler Pro League, maar nog niet in de eerste klasse B, teneinde na te gaan in welke mate zij weddenschappen aangaan op wedstrijden waaraan zij zelf deelnemen. Daarenboven hebben zowel de KBVB als de Pro League formele reglementaire handelingen gesteld om de spelers nog meer te sensibiliseren en informeren.

 

De KBVB vermeldt in zijn intern reglement dat het contract van elke betaalde sportbeoefenaar een clausule moet bevatten die dergelijke wedden­schappen verbiedt. Ook de Pro League ziet erop toe dat de clubs informatie geven over het thema gokken aan de spelers die bij hen onder contract liggen. Bij misbruik kan er strafrechtelijk worden opgetreden via de gedetacheerde politie­ambtenaren bij de Kansspelcommissie, volgens artikel 4, § 3 van de Kansspelwet.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Ten eerste, is het actieplan van de Pro League, de clubs, de Kansspelcommissie en de wed­inrichtingen of goksector er inmiddels gekomen? Wat is het resultaat tot nu toe? Indien niet, wat is de reden daarvan? Zult u er bij de betrokken organisaties op aandringen om het actieplan op te stellen?

 

Ten tweede, is het opportuun dat een dergelijk actieplan ook zou worden afgesloten tussen de sportbonden van andere sporten, de aangesloten clubs, de Kansspelcommissie en de goksector? Indien niet, waarom niet?

 

Ten derde, lopen er op dit moment onderzoeken naar professionele sportbeoefenaars wegens hun gokgedrag? Zo ja, in welke sportsector? Ik heb daarover in het verleden informatie van u gekregen.

 

Ten vierde, zijn er bedrijven uit de kansspelsector die zelf al spontaan, los van een eventueel protocol, de Kansspelcommissie en eventueel ook de KBVB, de Pro League en de clubs waarschuwen voor het gokgedrag van hun spelers? Zo ja, hoeveel zijn dat er? Over welke bedrijven gaat het? Is een dergelijke melding in overeenstemming met de GDPR of andere wetgeving ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Vermeulen, de Kansspelcommissie poogt al lang akkoorden te sluiten, zowel met de Koninklijke Belgische Voetbalbond als met de Pro League. Een eerste poging daartoe, in 2013, had geen succes.

 

Het actieplan waarnaar u verwijst, is in feite een tweede onsuccesvolle poging van de Kansspel­commissie en de Pro League in 2016 om een samenwerking tussen de sportwereld en de Kansspelcommissie te officialiseren. Er zou werk worden gemaakt van het uniformiseren van de regelgeving van de preventie inzake matchfixing en het wedden op eigen wedstrijden door spelers en staf, alsook van het uitwerken van een protocol met actiepunten voor wedoperatoren, zoals een meldingsplicht van de sector, het inperken van bepaalde weddenschappen, het verbieden van weddenschappen op wedstrijden van U21 of lager en dies meer.

 

Uit een door de Kansspelcommissie gepubliceerde analyse bleek dat de Belgen tijdens de wereldbeker voetbal afgelopen zomer in groten getale hebben deelgenomen aan wedden­schappen. Uit die analyse bleek ook dat de Rode Duivels zelf niet participeerden aan de preventie­campagne naar aanleiding van dat WK, wat een grote gemiste kans was om kinderen en jongeren bewust te maken van het gevaar van weddenschappen.

 

Om die redenen en gesterkt door de onthullingen in verband met het Belgisch voetbal die in de afgelopen maanden aan het licht werden gebracht, heb ik aan de Kansspelcommissie reeds gevraagd om opnieuw contact te leggen met de voetbalsector, in het bijzonder met de Pro League, om een overeenkomst te sluiten, alsook om een nieuwe preventiecampagne uit te werken, deze keer mét steun vanuit de voetbalwereld. Zowel de Kansspelcommissie als de Pro League hebben mij kennis gegeven van hun vernieuwd voornemen tot het sluiten van een samen­werkingsprotocol, dat begin 2019 moet worden geconcretiseerd.

 

Hoewel voetbal nog steeds de belangrijkste sporttak vormt waarop weddenschappen worden aangenomen, lijkt een gelijkaardig protocol met andere sportbonden ook meer dan wenselijk. In de eerste plaats denk ik aan tennis, waarop het aantal weddenschappen, vooral live wedden­schappen, bijna het niveau van het voetbal bereikt, maar evenzeer aan het hockey, dat een groeiend succes kent. Mogelijks kan het protocol met de Pro League als een blauwdruk fungeren.

 

Over lopende onderzoeken kan ik geen informatie geven, gelet op het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek. Screenings van atleten op het plaatsen van weddenschappen die een inbreuk kunnen maken op artikel 4, § 3, van de kansspelwet gebeuren op basis van info komende uit andere persartikels, meldingen bij de Kansspelcommissie, mededelingen en vast­stellingen in het kader van strafonderzoek.

 

Ook met individuele voetbalclubs werd er reeds informeel gesproken over de impact van weddenschappen op het voetbal. Momenteel wordt onderzocht of een eventuele verplichte melding vanwege de gokoperatoren bij de Kansspelcommissie niet beter wettelijk verankerd wordt in de kansspelwet.

 

08.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, het laatste deel van uw antwoord geeft mij alleszins reeds veel voldoening. Het betreft immers een van de punten waarover ik zelf reeds regelmatig vragen heb gesteld. Ik noemde toen sport exposed persons, omdat precies bij die mensen een grotere sensibilisering mogelijk kan zijn en omdat ook betere screening en betere onmiddellijke reactie vanuit de goksector naar de clubs, de betrokkenen, de personen zelf van belang kan zijn.

 

U verwees naar een aantal mislukte pogingen. Ik ben zelf in 2015 of 2016 bij de toenmalige voorzitter van de KBVB, de heer De Keersmaecker, geweest om dit probleem aan te kaarten, in aanwezigheid van de bondsprocureur. Men zou er werk van maken, maar hij gaf aan dat dit afhing van zijn herverkiezing, die er evenwel niet gekomen is, er is een nieuwe voorzitter gekomen.

 

Ik zal zelf daarop aandringen, zowel bij de Pro League als bij de KBVB, vermits ik zelf ook betrokken ben bij een aangesloten voetbalclub. Ik zal mijn positie dus gebruiken om te wijzen op de ernst van de zaak en te wijzen op de blijvende initiatieven van de Kansspelcommissie, waarin ik wel het volste vertrouwen heb en die daartoe veel inspanningen doet, daarvan ben ik overtuigd. Maar ik zal ook duiden dat zij mee moeten werken, dat het geen aparte, losstaande, niet-gecoördineerde maatregelen mogen zijn van verschillende organisaties en dat het best allemaal gebundeld wordt, best met een akkoord of een samenwerkingsovereenkomst.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 28020 van de heer Degroote is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

09 Vraag van mevrouw Sandrine De Crom aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "artikel 44 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer" (nr. 28080)

09 Question de Mme Sandrine De Crom au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'article 44 de la loi relative à la police de la circulation routière" (n° 28080)

 

09.01  Sandrine De Crom (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, om te beginnen wens ik u allen het allerbeste voor 2019.

 

Mijn eerste mondelinge vraag aan u, mijnheer de minister, betreft artikel 44 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, dat als volgt luidt: “Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken.”

 

Ik vang signalen op dat er zich problemen stellen met de praktische uitwerking van de zinsnede die bepaalt dat het verzoekschrift wordt gericht aan het openbaar ministerie. Er zouden van parket tot parket verschillende werkwijzen zijn om een dergelijke zaak voor de rechter te brengen. Het ene parket werkt met een dagvaarding, het andere stuurt het aan hem gerichte verzoekschrift naar de griffie met de verplichting de zaak op te roepen. Dat gebeurt bij gewone brief. Op nog een andere plaats wordt de zaak voor de rechter gebracht door het openbaar ministerie, dat de betrokken partijen op de hoogte brengt via een gewone brief. In Oost-Vlaanderen zouden deze zaken door het openbaar ministerie worden gedagvaard, in West-Vlaanderen zijn de afdelingen van het parket overeengekomen om het verzoekschrift door te sturen naar de griffie, die dan moet instaan voor de oproeping, die zou moeten gebeuren door middel van een gewone brief.

 

De wet stipuleert niet op welke manier de zaak moet worden voorgebracht en door wie, bijvoorbeeld in tegenstelling met het beroep tegen het bevel tot betalen, waarvoor de procedure van neerlegging en oproeping wel duidelijk in de wet werd omschreven. Vermits de wet bepaalt dat het verzoekschrift dient te worden neergelegd bij het openbaar ministerie zou het niet meer dan logisch zijn indien de zaak door het openbaar ministerie wordt opgeroepen via een dagvaarding. Een gewone brief lijkt evenwel niet de meest logische of gangbare manier om iemand voor de straf­rechter te brengen.

 

De voorstanders van de oproeping door de griffie halen als voornaamste argument aan dat deze procedure kosteloos moet zijn voor de aanvrager en dat eventuele kosten in de loop van de procedure ten laste moeten worden gelegd van de Staat.

 

Mijnheer de Minister, mijn vragen zijn de volgende.

 

Wie moet ervoor zorgen dat de zaak voor de rechter komt?

 

Op welke manier moet dat gebeuren: via een gewone brief, een gerechtsbrief of een dag­vaarding? Wie moet worden verwittigd?

 

Indien er kosten worden gemaakt, door wie moeten deze worden gedragen?

 

Bent u zich bewust van de uiteenlopende praktijken en zult u een initiatief nemen om een zekere uniformiteit te verkrijgen, bijvoorbeeld door middel van een omzendbrief?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw De Crom, artikel 44 van de weg­verkeerswet stipuleert enkel dat de aanvraag tot herziening via het aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift moet gebeuren, maar het vermeldt geen verdere procedure. In principe komt het dan aan het openbaar ministerie toe om het verzoekschrift te communiceren aan de griffie, die op zijn beurt de verzoeker oproept. De oproeping gebeurt in de praktijk via een gewone brief.

 

Er zijn echter griffies die weigeren om over te gaan tot  een oproeping bij gebrek aan een wettelijke bepaling omtrent de te volgen procedure. In die gevallen gaat het openbaar ministerie ofwel over tot een dagvaarding ofwel tot kennisgeving van de datum van de zitting via de politie. Aangezien die procedure wordt opgestart door de persoon op wie de maatregel van toepassing is, wordt dus steeds en enkel de persoon opgeroepen die vervallen is verklaard van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid.

 

Over uw vraag naar de dagvaardingskosten en de kosten voor een deskundige is de rechtspraak verdeeld. Bij het merendeel van de beslissingen oordeelt de rechter dat de dagvaardingskosten en de kosten voor deskundigen gerechtskosten zijn die ten laste vallen van de persoon die de procedure tot herziening opstart en dus om een opheffing van het verval van het recht tot sturen verzoekt. In andere rechtspraak is men van oordeel dat wanneer een persoon na onderzoek opnieuw volledig medisch geschikt wordt verklaard, er geen reden is om de kosten van een deskundige door die persoon te laten dragen.

 

Ik zal laten onderzoeken of een rondzendbrief zou kunnen volstaan om de bestaande uiteenlopende praktijken te stroomlijnen. Indien zou blijken van niet, dan is het aangewezen om de wet zelf te verduidelijken, in die zin dat het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie, zoals gebruikelijk is en zoals ook het geval is in het artikel dat het bevel tot betaling regelt, met name artikel 65/1 van de wegverkeerswet.

 

09.03  Sandrine De Crom (Open Vld): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de ontruiming van het justitiepaleis van Namen en de gevolgen op het terrein" (nr. 28083)

- de heer David Clarinval aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het stilleggen van de werken aan het gerechtsgebouw in Namen" (nr. 28159)

10 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'évacuation du palais de justice de Namur et ses conséquences sur le terrain" (n° 28083)

- M. David Clarinval au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'abandon des travaux au palais de justice de Namur" (n° 28159)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onlangs werd het justitie­paleis van Namen onveilig verklaard en grotendeels ontruimd na een vernietigend rapport van de sociale inspectie.

 

De herstellingswerken aan het justitiepaleis zijn begonnen en zouden minstens een maand in beslag nemen. Niet alleen is hierdoor 80 % van het personeel technisch werkloos, bovendien zou het parket aan de politiezones gevraagd hebben om alleen nog het bewijsmateriaal en de processen-verbaal van de ergste misdrijven door te sturen, wegens plaats- en capaciteitsgebrek. Er is immers geen plaats om het materiaal en de dossiers te stockeren, noch personeel om ze te behandelen.

 

Volgens de procureur van Namen betekent een maand achterstand duizenden onbehandelde dossiers en zal het minstens een jaar kosten om deze achterstand weg te werken. De vrees bestaat dan ook dat er meer zaken geseponeerd zullen worden.

 

Hoe is het zover kunnen komen?

 

Hoe zal de achterstand bij het parket van Namen worden weggewerkt?

 

Zult u hiervoor extra middelen uittrekken?

 

10.02  David Clarinval (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, cette question est adressée au ministre ayant en charge la Régie des Bâtiments. J'ai la chance que vous soyez aussi ministre de la Justice.

 

La rénovation des bâtiments judiciaires en Belgique et particulièrement en Wallonie est urgente. Certains de ces bâtiments sont dans un état de délabrement avancé, ce qui engendre des conditions de travail déplorables et empêchent des membres du personnel de mener leur travail correctement.

 

Le Service fédéral de l'Inspection du travail a ordonné la fermeture de tous les locaux situés au premier étage du palais de justice de Namur. Le simple accès à l'étage est interdit et toute contravention serait sanctionnée d'une amende.

 

Nous avons pu lire dans la presse locale que certains employés du greffe et du parquet se retrouvent au chômage technique forcé. Septante-huit membres du personnel ont dû procéder à un déménagement d'urgence car leurs bureaux ainsi que les pièces qui y sont entreposées sont inaccessibles.

 

Un péril menace les audiences fixées à court et moyen termes.

 

Outre l'image désastreuse offerte par un service public au rôle pourtant essentiel, des conséquences extrêmement préjudiciables sont à craindre tant au niveau de la justice pénale que dans les matières civiles.

 

Le travail de la justice se trouve retardé et négativement impacté par la suppression des audiences, les retards de prononcé et le non-traitement des dossiers de toute nature. Certes, des travaux urgents ont été entrepris au niveau du porche d'entrée, mais ces travaux n'ont aucune incidence sur l'accès aux locaux et salles d'audience du premier étage.

 

Si j'en crois la presse, ce lundi l'accès au palais de justice a été de nouveau autorisé.

 

Monsieur le ministre, afin que le palais de justice puisse remplir sa fonctionnalité et que les travailleurs puissent réintégrer leurs locaux, il est indispensable que des travaux soient réalisés dans les plus brefs délais.

 

En attendant la construction du nouveau palais de justice de Namur, pouvez-vous, monsieur le ministre, me dire quand de réels travaux de réhabilitation et de rénovation seront entrepris au sein du palais de justice de Namur?

 

10.03 Minister Koen Geens Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, mijnheer Clarinval, er zijn, zoals u weet, in dit land veel en wellicht te veel gerechtsgebouwen. Sommige ervan zijn in erg goede staat, terwijl andere grote gebreken vertonen. Ik ben mij de voorbije viereneenhalf jaar daarvan ten zeerste bewust geworden.

 

À Namur, il a été décidé de fermer le palais avant les vacances de Noël. Entre-temps, de nombreux travaux nécessaires ont toutefois été exécutés, permettant au palais de rouvrir et de fonctionner depuis hier matin. Dès lors, je me réjouis de voir que les services compétents, au sein du SPF Justice et de la Régie des Bâtiments, ont assuré cette réouverture rapide.

 

Cela n'enlève rien au fait que ces bâtiments demandent un suivi et un entretien constants. D'autres travaux sont prévus dans les semaines et les mois à venir. Ils forment une longue liste reprenant plusieurs éléments, mineurs ou majeurs, qui demandent un suivi, dans l'attente de l'ouverture du bâtiment du nouveau palais de justice. Cette ouverture constitue également une priorité.

 

Wat het wegwerken van de achterstand betreft kunnen magistraten onder normale omstan­digheden thuiswerken. Volgens de procureur des Konings hebben twintig magistraten dat ook gedaan voor de meest dringende zaken. Nog volgens de procureur is er voldoende solidariteit waardoor andere parketten al te kennen hebben gegeven dat zij het parket van Namen zullen helpen met het ingeven van de dossiers.

 

In december 2018 werd nog een nieuwe vacature gepubliceerd voor een substituut in Namen. Dat betekent dat er momenteel drie vacatures zijn voor het parket van Namen. Daarmee zou men op een kaderinvulling van 96 % uitkomen.

 

Wat het gerechtspersoneel betreft, telt het parket momenteel 75 voltijdse equivalenten op een kader van 77. Dat is 97 %. Negen contracten werden reeds verlengd in december 2018.

 

Daarnaast werden er vanwege de specifieke situatie van het gebouw nog drie extra contractuelen toegekend aan de rechtbank van eerste aanleg. Een ervan is gestart op 2 januari. De andere twee contracten zijn in voorbereiding.

 

Entre-temps, je suis également en charge de la Régie des Bâtiments. Ce faisant, j'observe la préparation du nouveau bâtiment à Namur avec la plus grande diligence.

 

Nous attendons encore l'avis de l'Institut des Comptes nationaux, devenu nécessaire en raison d'une nouvelle réglementation Eurostat.

 

Je crois pouvoir faire publier l'adjudication au mois de mars prochain. De cette façon et dans le meilleur des cas, la construction sera achevée vers la fin de 2021 ou le début de 2022. Monsieur Clarinval, je sais que toute cette procédure nécessite beaucoup de temps dans le petit pays qui est le nôtre.

 

10.04  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal niet beginnen te vertellen hoe erg het allemaal is. Wij delen dezelfde mening. Het is vreselijk voor een land als België dat Justitie in dergelijke gebouwen is gehuisvest.

 

Ik kan alleen maar hopen dat ooit iemand erin slaagt om samen met de Regie der Gebouwen vooruitgang te boeken in plaats van de erg trage gang te volgen die wij nu al jaren kennen.

 

10.05  David Clarinval (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes ces informations. Pourrais-je disposer d'une copie de la liste des travaux prévus à court terme et que vous avez annoncés? Merci aussi de donner les éléments de timing concernant la construction de ce nouveau palais de justice. Je pense en effet que la situation était assez grave mais il est vrai que la célérité et la solidarité du personnel ont permis en quelque temps de trouver une solution et de rouvrir le palais pas plus tard qu'hier. Mais c'est, hélas, un emplâtre sur une jambe de bois. Nous espérons qu'il sera possible d'inaugurer rapidement le nouveau palais de justice de Namur. Nous comptons sur vous, monsieur le ministre.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het gebruik van DPA-deposit" (nr. 28113)

11 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'utilisation de DPA-deposit" (n° 28113)

 

11.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, vandaag vernamen wij dat de armoede­verenigingen naar de Raad van State stappen tegen de regeling die het gebruik van DPA-deposit verplicht. De armoedeverenigingen vrezen dat advocaten de kosten voor het gebruik van DPA-deposit aan hun cliënten zullen doorrekenen, en dat pro-Deoadvocaten zullen proberen die kosten zoveel mogelijk te omzeilen door alle documenten op papier in te dienen, wat dan weer kan leiden tot een Justitie met twee snelheden, waarvan mensen in armoede de dupe worden.

 

Het Netwerk tegen Armoede wijst erop dat Justitie veel duurder geworden is waardoor voor mensen in armoede de drempel om een procedure aan te spannen hoger geworden is. Zo is het btw-tarief op de erelonen van advocaten opgetrokken naar 21 %, is de rechtsplegingvergoeding ingevoerd en zijn de griffierechten verhoogd.

 

Mijnheer de minister, in een rechtsstaat behoort communicatie met de rechtbank, of die op papier of elektronisch plaatsvindt, altijd gratis te zijn. Vandaar mijn vragen.

 

Ten eerste, worden de kosten voor het gebruik van DPA-deposit verhaald op de cliënt, en op welke basis?

 

Ten tweede, geldt er een specifieke regeling voor pro-Deozaken?

 

Ten derde, waarom achtte u het nodig naast het bestaande gratis systeem e-Deposit een privétussenplatform te verplichten?

 

Ten vierde, plant u aanpassingen aan de regelgeving om tegemoet te komen aan de terechte bezorgdheden van Netwerk tegen Armoede?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik verwijs voor uw eerste drie vragen naar mijn eerdere antwoorden op mondelinge vragen van 7 november 2018.

 

Er bestaat geen regelgeving inzake de aanrekening van kosten aangaande het DPA-platform door een advocaat aan zijn cliënt. Deze kosten worden vastgelegd op contractuele basis, wel of niet schriftelijk.

 

In pro-Deozaken wordt niet geraakt aan de algemene regel dat de advocaat niet rechtstreeks wordt vergoed door de rechtzoekende.

 

De stap die door het koninklijk besluit genomen werd, is de koppeling van het e-Depositplatform aan het DPA-platform bij het neerleggen van conclusies en stukken. Deze koppeling laat onder meer toe wat de advocaten betreft de controle van de hoedanigheid van de neerlegger van conclusies op systematische wijze te doen geschieden door die instantie die daarvoor van oudsher bij wet is aangeduid, met name de balie.

 

De nood aan een systematische hoedanigheids­controle door advocaten is ruimer dan het neerleggen van stukken en zal in de nabije toekomst nog sterk toenemen. Ik denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid een strafdossier tijdens het onderzoek van op afstand in te kijken of aan de controle van de toegang tot gerechtsgebouwen en detentiehuizen, of nog aan het op digitale wijze toezenden van de vonnissen.

 

Op 1 februari 2019 wordt de financiële toegangs­drempel voor wie een procedure wenst te starten opgeheven.

 

Het rolrecht moet niet langer worden betaald door de persoon die een procedure start, maar wel door de persoon die ze uiteindelijk verliest.

 

Dat is een voorbeeld van onze inspanningen om de toegang tot de rechtbank, vooral voor wie financieel zwakker staat, te verlagen. Door te digitaliseren, verlagen wij de procedurekosten. Het gebruik van e-Deposit was en is nog steeds gratis.

 

De balieverenigingen rekenen aan de advocaten die van hun centraal digitaal platform gebruikmaken, kosten aan. De door het platform aangeboden digitale diensten, lijken mij duidelijker goedkoper te zijn dan de kostprijs in materiaal, tijd en verzendkosten die een advocaat moet maken, wanneer hij van de digitale mogelijkheden geen gebruikmaakt. De eventuele doorrekening van die kosten aan zijn cliënt kan dus lager zijn bij het gebruik van de digitale mogelijkheden dan wanneer nog met papieren dragers wordt gewerkt.

 

Ik vermoed echter dat het debat ter zake nog enige tijd zal duren, tot op het ogenblik dat elkeen een correcte kostprijsberekening heeft gemaakt.

 

Ik plan dus geen reglementaire aanpassingen, omdat van verkeerde vooronderstellingen wordt vertrokken.

 

In elk geval is het niet het koninklijk besluit van de minister dat de kosten bepaalt die met het doorzenden van documenten via e-Deposit verbonden zijn. Het gaat om een eigen initiatief van de balie.

 

11.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uiteraard gaat het om een initiatief van de balie. Een en ander zal echter tot stijgende kosten leiden.

 

U kon naar mijn mening in het dossier zeker een bepaald voorstel hebben gedaan om die stijging tegen te gaan.

 

U antwoordt dat het doorrekenen van de advocaat lager zal uitvallen. Dat wil ik nog zien. Ik zal het dossier dan ook heel goed opvolgen.

 

De bezorgdheden, zeker van een instantie zoals het Netwerk tegen Armoede, zijn heel erg terecht. Digitalisering zou tot minder kosten moeten leiden. Dat zal hier echter niet het geval zijn.

 

Wij kunnen elkaar daarover later nog spreken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Monsieur le ministre, chers collègues, la question n° 27575 de Mme Karine Lalieux devient sans objet. Par ailleurs, contrairement à ce que j'ai dit précédemment, la question n° 27876 de Mme Karin Jiroflée est retirée, et non pas reportée.

 

La réunion publique de commission est levée à 13.37 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.37 uur.