Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt

Commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique

 

van

 

Dinsdag 29 januari 2019

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 29 janvier 2019

 

Après-midi

 

______

 

 


De vergadering wordt geopend om 14.08 uur en voorgezeten door mevrouw Monica De Coninck.

La séance est ouverte à 14.08 heures et présidée par Mme Monica De Coninck.

 

01 De problematiek van de uitreiking van de humanitaire visa

02 Hoorzitting met:

- de heer Freddy Roosemont, directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken;

- de heer Dirk Van den Bulck, commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;

- de heer François De Smet, directeur, en de dames Astrid Declercq en Ina Vandenberghe, beleidsmedewerkers van Myria

01 La problématique de la délivrance des visas humanitaires

02 Audition de:

- M. Freddy Roosemont, directeur général de l'Office des étrangers;

- M. Dirk Van den Bulck, commissaire général aux Réfugiés et aux Apatrides;

- M. François De Smet, directeur, et Mmes Astrid Declercq et Ina Vandenberghe, collaboratrices auprès de Myria

 

De voorzitter: Geachte collega's, vooreerst moet ik commissievoorzitter Brecht Vermeulen verontschuldigen. Ik zal mijn best doen om zijn taak over te nemen.

 

Aan de leden die het nog niet weten, kan ik meedelen dat er via e-mail heel wat teksten en powerpointpresentaties verstuurd zijn. De toelichtingennota van de Dienst Vreemdelingenzaken zal de heer Roosemont later op de namiddag, na zijn uiteenzetting, verspreiden, zodat iedereen echt aandachtig blijft.

 

De agenda voorziet dat de heer Roosemont van de Dienst Vreemdelingenzaken als eerste spreekt, daarna de heer Van den Bulck van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, en ten slotte beleidsmedewerkers van Myria. Ik wens alle sprekers voorafgaandelijk te bedanken voor hun komst en hun voorbereiding. Ik weet dat het niet altijd evident is om dat op zo'n korte termijn te doen. Geachte sprekers, in naam van de commissie willen wij u alvast hartelijk bedanken.

 

Collega's, ik stel voor dat de sprekers eerst allemaal aan het woord komen, dat we daarna de vragen registreren en dat we die vervolgens per persoon of per item laten beantwoorden. Gaat iedereen daarmee akkoord? (Instemming)

 

Ik geef het woord aan de heer Roosemont voor zijn uiteenzetting.

 

02.01  Freddy Roosemont: Mevrouw de voorzitter, dames en heren parlementsleden, bedankt om DVZ hier met deze hoorzitting aan het woord te laten. Los van de beperkingen van het lopend gerechtelijk onderzoek, moet ik toch een aantal zaken verduidelijken.

 

Ten eerste moet ik een bericht uit de media tegenspreken, het parket en de politie zijn niet binnengevallen bij de dienst Vreemdelingenzaken. Op vraag van de politie is er op 22 januari inderdaad een vergadering, een afspraak geweest, vooral om de procedures en de samenwerking tussen politie en DVZ voor de nabije toekomst te bespreken. Het gaat tenslotte over heel wat dossiers en werk. Het was echter zeker geen inval, zoals in een aantal mediaberichten stond.

 

Ten tweede, en dit is van meer belang, wil ik verduidelijken wat een humanitair visum is. Een humanitair visum is een machtiging tot verblijf op basis van artikel 9 van de Vreemdelingenwet die specifiek niet onder een van de andere groepen valt. De andere groepen zijn gezinshereniging, machtiging tot verblijf voor studies en machtiging tot verblijf voor werk. Alles wat daarbuiten valt, dus groep 4, wordt door de collega's van Buitenlandse Zaken op het consulaat, dat zijn degenen die de visa ook effectief verstrekken, geëncodeerd als humanitair visum. Later in de uiteenzetting zult u zien en horen dat dit niet altijd zo dringend en humanitair is.

 

In die specifieke groep van humanitaire visa maken wij een onderscheid tussen vier verschillende procedures.

 

Er is de herlocatie, die komt hier vandaag niet aan bod en heeft weinig belang voor deze zitting. Dat gaat om asielzoekers die in een EU-land verblijven en voor verdere behandeling naar een ander EU-land worden overgebracht. Een traditionele situatie bijvoorbeeld is van Griekenland naar België. Het aantal relocaties in 2018 was vrij beperkt. Daarentegen spreken wij voor 2016 en 2017 over aanzienlijke aantallen. In de nota zult u die aantallen terugvinden. Dat is natuurlijk het gevolg van de EU-Turkijedeal, die toen zeer actueel was. In 2016 waren er 189 relocaties, in 2017 838 en in 2018 58.

 

Aangezien het om intra-EU-verplaatsingen gaat en die mensen geen visum of machtiging tot verblijf nodig hebben om naar België te komen, maar vaak wel een reisdocument, een laissez-passer, vallen zij buiten deze hoorzitting.

 

De tweede procedure, de hervestiging, is iets anders, met name een machtiging tot verblijf voor mensen die de conflictgebieden al verlaten hebben. Vaak verblijven zij in een van de buurlanden in een vluchtelingenkamp, waar de leefomstandigheden vaak precair zijn. Om de last van die opvanglanden te verlichten, stelt de EU een verdeling voor. België heeft daar de voorbije jaren vaak aan deelgenomen. De traditionele voorbeelden daarvan zijn Syriërs uit Turkije en Libanon, Burundezen uit Congo, mensen uit Eritrea en Ethiopië of Oeganda. Dat is een groot scala. De cijfers bedroegen in 2016 381, in 2017 1 187 en in 2018 882.

 

De commissaris-generaal voor de Vluchtelingen, die vandaag ook aan het woord zal komen, kan u over die procedures meer vertellen, aangezien zijn dienst in die selectie tussenkomt. Bij hervestiging wordt op voorhand bepaald, eerst door het HCR en later door het commissariaat-generaal, of de voorgedragen persoon een internationaal beschermingsstatuut kan worden toegekend. Elke vluchteling die België selecteert voor hervestiging wordt in principe door een protection officer van het commissariaat gehoord tijdens een selectiemissie in het land van asiel. Die missies worden in nauwe samenwerking met het UNHCR en de UN voorbereid. Op basis van het dossier van het UNHCR, de veiligheidsanalyses en het verhoor van de mensen van het commissariaat-generaal maakt de commissaris-generaal dan een advies voor selectie op aan de staatssecretaris.

 

Vervolgens geeft de staatssecretaris aan de dienst Vreemdelingenzaken de instructie voor de aflevering van de vereiste documenten om een legale binnenkomst op het Belgische grondgebied mogelijk te maken. De coördinatie, de praktische uitvoering en de organisatie van de transfer gebeurt door Fedasil, dat daarvoor nauw samenwerkt met Buitenlandse Zaken en de IOM. U kunt al die zaken terugvinden in de nota die straks zal worden verdeeld.

 

Zoals u hebt gehoord, is de rol van de DVZ in die procedure relatief beperkt. Wij voeren de instructies van de staatssecretaris of de minister uit en bezorgen een namenlijst aan de collega's van Buitenlandse Zaken, de consulaten en ambassades, die een visum of machtiging tot verblijf dienen af te geven.

 

Wij bezorgen dus een namenlijst aan het consulaat, dat de mensen dan uitnodigt om het nodige te doen.

 

De derde groep betreft de individuele aanvragen die in de Belgische ambassades worden ingediend. Zoals ik al stelde, betreft het hier een onderdaan van een derde land die de toestemming vraagt – het is een beetje technisch – om langer dan 90 dagen in België te verblijven. Tot 90 dagen gaat het om een C-visum, boven 90 dagen wordt het een machtiging tot verblijf van normaal gezien een jaar of langer met een D-visum. Die machtigingen zijn gebaseerd op artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de behandeling ervan valt onder de bevoegdheid van de minister of staatssecretaris voor Asiel en Migratie of zijn afgevaardigde, die in dezen de Dienst Vreemdelingenzaken is.

 

Het is belangrijk erop te wijzen dat het adjectief humanitair in deze context doorgaans wordt gebruikt wanneer een onderdaan van een derde land niet kan aantonen dat hij voldoet aan de door de wetgever gestelde voorwaarden om toegelaten of gemachtigd te worden. Humanitaire visum- of machtigingsaanvragen hebben dus betrekking op meerdere situaties, die strikt genomen niet noodzakelijk dringend of zelfs humanitair zijn.

 

Zij kan bijvoorbeeld worden aangevraagd door leden van een familie die geen recht op gezinshereniging meer hebben, omdat een of meerdere kinderen juist te oud zijn en de leeftijdsgrens van de gezinshereniging overschrijden, maar waar het toch niet aanvaardbaar zou zijn om het gezin te splitsen en bijvoorbeeld een of twee dochters in het land van oorsprong achter te laten, terwijl de rest van de familie naar België zou kunnen komen.

 

Een ander voorbeeld zijn kinderen onder voogdij. Zij vallen ook niet specifiek onder de gezinshereniging. De ouders van een minderjarige die internationale bescherming heeft gekregen, kunnen ook een gezinshereniging inroepen, maar de broer en zus kunnen dat onder de huidige wetgeving niet.

 

Personen die zichzelf of hun familie om verschillende redenen in veiligheid willen brengen, kunnen ook zo'n aanvraag doen. Wij analyseren die aanvragen geval per geval aan de hand van wat er bij de aanvraag wordt ingediend en de informatie in ons dossier over bijvoorbeeld de familie of gelijkaardige situaties. Op basis daarvan beslissen wij of er al dan niet een machtiging wordt toegekend.

 

In 2018 hebben wij op die manier 230 machtigingen uitgereikt en 392 machtigingen geweigerd.

 

Oorspronkelijk, vóór maart 2017, waren dat vaak visa C. Later zal ik globale cijfers geven waaruit blijkt dat de wijziging van visa C naar visa D, naar machtigingen, in maart 2017 is gebeurd als gevolg van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het kader van de veel besproken – ook hier - zaak van de humanitaire visa, toen Europa heeft bepaald dat visa C heel duidelijk alleen voor kortverblijf waren en niet voor mensen die zich ergens wensten te vestigen. Tot maart 2017 werden zowel visa D als visa C gebruikt, afhankelijk van wat de persoon aanvroeg en wat de persoon daarvoor inriep.

 

Dat zijn er drie, de vierde is waarschijnlijk de meest actuele. Als gevolg van de Panoreportage en de mededeling van het parket van Antwerpen staat vooral de vierde procedure in de belangstelling. De vierde procedure hebben wij de "uitzonderlijke reddingsoperaties" genoemd. Alles is begonnen met de redding van 244 christenen uit Aleppo in 2015, samen met 37 Syriërs uit Noord-Syrië.

 

Deze personen werden geselecteerd door de Syrisch-orthodoxe kerk. Een aantal organisaties en vrij gekende personen uit België zijn toen bij de dienst Vreemdelingenzaken en de toenmalige staatssecretaris komen aankloppen om iets te doen voor die mensen. Wij spreken dan over 2015 en de situatie in Aleppo die heel precair was, vooral voor christenen.

 

Toen heeft de staatssecretaris beslist om, gezien de kwetsbaarheid van die mensen, wat toch een heel belangrijk criterium was, iets voor hen te doen. Wij hebben toen samen een procedure uitgewerkt zodat die mensen effectief Syrië konden verlaten, naar een Belgisch consulaat in Beiroet konden gaan om dan later door te reizen naar Brussel, met de optie om hier een asielaanvraag, een beschermingsaanvraag in te dienen.

 

De staatssecretaris heeft toen ook andere reddingsoperaties van dezelfde aard en voor dezelfde doelgroep aangekondigd. Hij is dat blijven voortdoen. De cijfers van 2018 zal ik u straks geven, maar wij zijn daar mee blijven doorgaan. Dit was een procedure die vóór de heisa van de voorbije twee weken op weinig of geen weerstand botste.

 

Hoe verliep die procedure? Het kabinet van de staatssecretaris stuurde een personenlijst naar de Dienst Vreemdelingenzaken met de instructie om de Veiligheid van de Staat en het OCAD te raadplegen voor een veiligheidsscreening van die mensen die potentieel konden overkomen. Beide diensten deden dat ook systematisch. Er is op geen enkel ogenblik iemand teruggekomen met een negatief advies. Wij stuurden dan het resultaat van die raadpleging naar het kabinet.

 

Vervolgens bevestigde het kabinet de selectie en gaf de dienst Vreemdelingenzaken de opdracht om contact op te nemen met de diplomatieke post om een afspraak te maken voor de geselecteerde personen. Men zorgde dan voor een visum D en op vraag ook voor een doorlaatbewijs voor personen die geen geldig grijs document, dus geen geldig paspoort meer hadden. De meeste mensen daar hadden immers geen geldig paspoort meer. Voor hen moest dan een doorlaatbewijs worden afgegeven.

 

Dat was de situatie. De procedure lijkt misschien wat ongewoon, omdat de dienst Vreemdelingenzaken voor individuele aanvragen met een individueel dossier werkt. Zoals ik later zal uiteenzetten, is dat echter niet zo ongebruikelijk.

 

Wie er op de lijst kwam en hoe die lijst werd samengesteld, zijn vragen die ik niet kan beantwoorden. Wij kregen die lijsten toegestuurd. Ik heb begrepen dat de voormalige staatssecretaris ook gehoord zal worden in de commissie. U moet hem dan maar vragen om uit te leggen hoe de zaken gemotiveerd werden.

 

Ik geef wel nog mee dat de erkenning van asielzoekers uit Syrië toen zeer hoog was, iets wat nog steeds het geval is. De commissaris-generaal zal u het exacte cijfer kunnen geven, maar het draait nog steeds rond of boven 90 %. Een groot deel van de asielaanvragers uit Syrië die vandaag aanschuiven aan het loket van de dienst Vreemdelingenzaken, bestaat uit mensen die de islam als godsdienst hebben. Ik meen dat het om meer dan 95 % gaat. Bij de redding van Aleppo ging het om Syrische christenen, de christenminderheid. Klaarblijkelijk raken zij niet spontaan tot in Brussel.

 

Alle asielzoekers, of ze nu met een machtiging zijn binnengekomen, spontaan zijn binnengekomen of hoe ze ook aan de grens of op Zaventem zijn beland, worden op dezelfde manier en volgens dezelfde procedure behandeld, zowel door de dienst Vreemdelingenzaken als door – naar ik veronderstel – de commissaris-generaal. Alle mensen doorlopen dus dezelfde procedure met dezelfde criteria en hetzelfde eindresultaat, als hun aanvraag effectief goed is.

 

Waarom heeft de dienst Vreemdelingenzaken met lijsten gewerkt? Dat is niet de eerste maal. Ook bij de evacuatie uit Rwanda in 1994 bijvoorbeeld is er gewerkt aan de hand van lijsten, net zoals bij de regeling voor de adoptiekinderen uit Tahiti na de aardbeving in januari 2010, die wij zeer snel samen met de collega's van Buitenlandse Zaken konden afhandelen op basis van namenlijsten van de kinderen.

 

De werkwijze met lijsten is misschien ongebruikelijk, maar zeker niet iets totaal nieuws. Ik ben er zeker van dat als de machtsoverdracht van de Congolese president na de verkiezingen een paar dagen geleden op geweld zou zijn uitgedraaid, we opnieuw met lijsten hadden moeten werken. Er is geen andere optie als er dringend moet worden gewerkt en als het niet met een individuele aanvraag kan.

 

Op welke manier we de lijsten van het kabinet toekrijgen en dienen uit te voeren, dat moet u aan de toenmalige staatssecretaris vragen. Wij stellen vast dat er in 2018 vijf lijsten-Melikan zijn toegekomen en 3 lijsten-Melikan-Delvaux. Ik heb vernomen in de media dat dat de vermoedelijke samenvoeging is van enerzijds de persoon uit Mechelen, die dossiers aanbracht en anderzijds, een voormalig rector aan een Franstalige universiteit, die ook een tweeëndertigtal namen zou aangebracht hebben. Van Melikan zelf, de persoon waar de Panoreportage om draaide, zouden dat in totaal voor 2018 225 personen geweest zijn.

 

Over hoeveel visa spreken we? In 2013 hadden we 223 aanvragen visa C en 174 positieve beslissingen, in 2015 841 aanvragen en 719 positieve beslissingen, in 2018 267 aanvragen en 161 positieve beslissingen. De cijfers van andere jaren staan trouwens in een nota.

 

 Wat visa D betreft daarentegen tellen we 196 aanvragen in 2013 en 96 positieve beslissingen, in 2015 420 aanvragen en 124 positieve beslissingen en in 2018 2 466 aanvragen en 1 988 positieve beslissingen. Het gaat hier duidelijk niet alleen over Syriërs, het gaat hier over alle situaties en alle nationaliteiten door elkaar.

 

Mijn laatste punt, mevrouw De Block, de huidige minister van Asiel en Migratie, heeft ons om een onderzoek gevraagd teneinde de situatie van al die personen na te gaan. Wij zijn daar volop mee bezig. Gezien het aantal zal dat toch wel enkele weken in beslag nemen.

 

Wij geven bij dat onderzoek voorrang aan de Melikan-lijsten. Dat kan immers ook nuttig zijn voor het gerechtelijk onderzoek. De politie heeft ons dat ook uitdrukkelijk gevraagd.

 

02.02  Dirk Van den Bulck: Mevrouw de voorzitter, dames en heren, ik zal kort een aantal elementen uiteenzetten. Meer informatie en de voornaamste elementen uit mijn uiteenzetting werden u vooraf bezorgd. Ik heb begrepen dat die via uw intranet kunnen worden ingekeken.

 

Zoals Freddy Roosemont al heeft aangekaart, moet in de discussie een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende procedures: ten eerste, procedure van resettlement, hervestiging van vluchtelingen; ten tweede, relocatie; ten derde, humanitaire visa in de strikte zin van het woord.

 

Freddy Roosemont heeft dat al toegelicht, dus ik kan mij beperken tot het verstrekken van enige bijkomende informatie inzake resettlement. Dat is een programma waarbij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen sterk betrokken is. In dat geval gaat het om het laten overkomen van vluchtelingen uit de regio van herkomst in het kader van resettlementprogramma's van de internationale vluchtelingenorganisatie UNHCR.

 

In dat geval gebeurt de preselectie door UNHCR. Het betreft een preselectie op basis van zowel nood aan bescherming als kwetsbaarheid. Dat gebeurt vanuit een visie op de totale situatie van alle vluchtelingen in de wereld in een overigens uitgebreid programma, waarin men meer dan honderdduizenden vluchtelingen aangeeft die elk jaar bij voorrang in aanmerking komen voor hervestiging.

 

Er is dus een preselectie door de internationale vluchtelingenorganisatie, gevolgd door een grondig onderzoek door het CGVS, mijn organisatie, op basis van het dossier van de UNHCR en in de meeste gevallen ook een voorafgaand interview en onderzoek ter plaatse door het organiseren van een missie naar de plaats waar de vluchtelingen verblijven. Daarna wordt een visummachtiging verleend en wordt de overkomst georganiseerd door Fedasil, dat verder ook zorgt voor de opvang en begeleiding van de vluchtelingen in België.

 

Meer informatie over onder andere organisatie, resettlement en cijfers heb ik u bezorgd en kunt u vinden in de bijlage. U vindt daarin meer informatie over de manier waarop onderzoek naar kwetsbaarheid gebeurt, de manier waarop de procedure wordt georganiseerd en cijfers over de organisatie van resettlement van de voorbije jaren.

 

Ten tweede, op welke manier is het CGVS de voorbije jaren betrokken geweest bij het verlenen van humanitaire visa? Ik heb het dan over humanitaire visa in strikte zin en niet over resettlement.

 

Ik kan daar duidelijk over zijn. Het CGVS was in 2015 betrokken in een discussie naar de mogelijkheid van het organiseren van een project inzake het verlenen van humanitaire visa; dat heb ik niet vermeld in de nota. Wij hebben daarin juridisch advies gegeven en advies over gelijkaardige projecten in het buitenland. Het ging dan vooral over projecten van private sponsorship in Frankrijk, Duitsland, Ierland en enkele andere lidstaten in de EU.

 

Op het juridisch advies zal ik straks terugkomen.

 

Het ging dus over een betrokkenheid in een voorafgaand, algemeen onderzoek naar de mogelijkheid van het verlenen van humanitaire visa en het al dan niet uitwerken van een systeem met criteria.

 

Ten tweede, op welke manier is het Commissariaat-Generaal betrokken geweest in de procedure, het onderzoek, van individuele dossiers?

 

Daarop kan ik zeggen dat het Commissariaat-Generaal betrokken was bij het verlenen van visa voor de eerste groep. Freddy Roosemont heeft dat ook al aangeduid, dat was een groep christenen, ongeveer 250 personen, uit Aleppo. Het ging toen om personen, christenen, die woonden op de frontlinie in Aleppo, waar op dat moment de situatie bijzonder acuut was.

 

Voor die groep heeft het Commissariaat-Generaal vooraf een kort advies gegeven, op zijn minst voor een aantal, op basis van een fiche die was opgemaakt door de personen die instonden voor de organisatie. Dat was een korte fiche, waarbij wij nagegaan zijn of in die fiche indicaties stonden die eventueel problematisch waren, of die wel of niet wezen op een tekort aan nood aan bescherming. Dat was een fiche, opgesteld door de organisatoren zelf, met beperkte info, waaruit enige info gehaald kon worden maar geen info die ons toeliet een grondig onderzoek te voeren.

 

Maar wij waren daarbij in elk geval betrokken. Dat geldt voor de eerste groep. Voor alle andere visa of aanvragen was het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, op welke manier dan ook, niet betrokken. Er is ons geen advies gevraagd. Het ligt in het algemeen ook niet binnen onze bevoegdheid. Het Commissariaat-Generaal is daarbij niet betrokken geweest.

 

Ten derde, alle verzoeken om internationale bescherming – asielaanvragen in de oude terminologie – worden op gelijke wijze behandeld. Onafhankelijk van de wijze waarop de personen binnengekomen zijn. Wij onderzoeken verzoeken om internationale bescherming, voor toekenning van de status van vluchteling of subsidiaire bescherming, dus op dezelfde wijze. Dat betekent: dezelfde wijze in geval van binnenkomst in het raam van resettlement of in het raam van binnenkomst met een humanitair visum of een ander visum.

 

Maar het gebeurt evenzeer op dezelfde wijze voor iemand die binnenkomt zonder visum. Het onderzoek naar de nood aan bescherming, het onderzoek naar identiteit, nationaliteit, herkomst, het onderzoek naar indicaties of er uitsluiting is of indicaties inzake de nationale veiligheid, gebeurt in alle dossiers op dezelfde wijze.Er is geen onderscheid naargelang van de wijze van binnenkomst. Dat kan ik heel duidelijk meedelen.

 

Ten vierde en ten laatste over onze rol, een overzicht van de wijze waarop de beslissingen genomen zijn, of de mate waarin personen die binnengekomen zijn met dit visum en een asielaanvraag of een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, kan ik u op dit ogenblik niet geven. Gewoon omdat ik vanuit het Commissariaat-Generaal geen volledig zicht heb op aan welke personen een humanitair visum verleend is.

 

Wanneer mijn collega van de dienst Vreemdelingenzaken mij zo'n overzicht geeft, kan ik dat onderzoeken. Dan kan ik weergeven: voilà, die hebben wel of geen asielvraag ingediend, en die beslissing is genomen.

 

Wat ik wel kan zeggen, is wat Freddy Roosemont ook al heeft aangehaald, namelijk dat voor personen afkomstig uit Syrië in het algemeen een status van bescherming wordt toegekend. Dat is een status van vluchteling of een status van subsidiaire bescherming. Dit heeft te maken met de bijzonder ernstige situatie, nog altijd, in Syrië.

 

Die situatie kan evolueren. Misschien zullen wij over een half jaar of over een jaar de situatie anders inschatten. Dat is  mogelijk, al maak ik mij niet veel illusies, want dan kunnen er nog altijd vele personen nood aan bescherming hebben. Misschien minder systematisch dan nu. Dat zal afhankelijk zijn van de evolutie.

 

Ik heb in de nota de erkenningpercentages aangegeven. U zult merken dat dit percentage in 2016 96,5 % bedroeg en in 2018 iets lager was. Het was nog steeds hoog, maar het bedroeg 87,34 %. Dat dit erkenningpercentage lager ligt, heeft voornamelijk te maken met het feit dat er meer personen een asielaanvraag hebben ingediend die al een status hadden in één van de lidstaten van de Europese Unie. Dat zijn dan duidelijk geen personen die binnenkomen met een humanitair visum, want die komen rechtstreeks uit de regio van herkomst.

 

De meeste personen die afkomstig zijn uit Syrië hebben duidelijk nood aan bescherming en krijgen een status van vluchteling, in de meeste gevallen, of anders van subsidiaire bescherming.

 

Zoals ik al aangaf, is de belangrijkste grond van weigering de vaststelling dat zij al een status van bescherming hebben in een andere lidstaat. Dat kan gaan om een lidstaat in het zuiden van Europa, maar soms gaat het ook om personen die al een status hebben in Duitsland maar die om een of andere reden naar België willen komen.

 

Daarnaast komen ook voor: personen die een dubbele nationaliteit hebben, bijvoorbeeld iemand met Syrische en Libanese nationaliteit, of met Syrische en Jordaanse nationaliteit. Ook komt het meer dan eens voor dat iemand de Syrische en de Armeense nationaliteit heeft.

 

Rekeninghoudend met de Conventie van Genève nemen wij in dat geval een beslissing van weigering, omdat voor personen met een dubbele nationaliteit enkel een status wordt toegekend indien vastgesteld wordt dat er een gegronde vrees tot vervolging is in beide landen.

 

Ten slotte geef ik enkele slotbemerkingen. Ik had het erover dat wij deze problematiek vanuit het Commissariaat-Generaal op een bepaald moment juridisch onderzocht hebben. Ik kan daar veel over zeggen.

 

In de eerste plaats zal ik het kort houden. Het is ons standpunt dat het, rekeninghoudend met de huidige wetgeving, moeilijk is om via instructie of rondzendbrief een regeling met criteria vast te leggen.

 

Er zijn verschillende elementen van belang. Eén element is al de vaststelling dat het in principe niet mogelijk is verordenend op te treden via rondzendbrief of instructie. Een ander element dat van belang is in de discussie, is dat het zonder bijzondere wettelijke basis ook moeilijk is een quotum vast te leggen. Zeker en vast indien men op een bepaald moment iets creëert dat personen aanleiding zou kunnen geven te stellen dat er een subjectief recht gecreëerd is.

 

Dit neemt niet weg dat men een aantal zaken anders kan regelen. Maar dat vereist volgens ons   dan een wetswijziging. Zeker en vast indien men een regeling met quota wil vastleggen, vereist dit een wetswijziging.

 

Dat is een eerste bemerking.

 

Een tweede bemerking heb ik recentelijk ook op een colloquium geuit. Volgens mij biedt resettlement heel wat troeven, heel wat voordelen, in vergelijking met andere projecten voor het laten overkomen van vluchtelingen uit de regio van herkomst.

 

Ik geef nog eens het belangrijkste op een rij. De preselectie gebeurt in dit geval door een internationale organisatie met een algemeen zicht op de situatie van vluchtelingen in de wereld, van alle vluchtelingen in de wereld.

 

Op die manier – dat is mijn mening – is zij dan ook beter beslagen om na te gaan waar de noden het hoogst zijn, om na te gaan waar de personen zijn die zich in de meest kwetsbare positie bevinden.

 

Bovendien gaat het om een organisatie met een zeer verregaande professionele kijk op de zaak, en met professionals om na te gaan waar de meest kwetsbare personen zijn, om na te gaan of het gaat om personen die nood aan bescherming hebben. Zij kan nog meer elementen nagaan.

 

Terzijde, en daar kan ik ook meer info over geven, de UNHCR heeft intussen een verregaand programma voor fraudebestrijding uitgebouwd. Toen de UNHCR met resettlement begon, heeft die organisatie na enige tijd ontdekt dat zij geconfronteerd werd met filières die daarop inspeelden en die probeerden zaken te gebruiken. Daartegen, en daar kan ik zonodig meer info over geven, heeft de UNHCR bijzondere programma's uitgewerkt, precies om fraude te voorkomen. Dat gaat dan zowel om fraude inzake identiteit, herkomst, voorstelling van zaken als nood aan bescherming, kwetsbaarheid, enzovoort.

 

Kortom, de betrokkenheid van de UNHCR is dus een heel belangrijke factor. Een andere factor is, meen ik, dat in geval van resettlement er naast het voorafgaande onderzoek van de UNHCR ook een verregaand onderzoek is door mijn diensten. Dat is in de eerste plaats een onderzoek naar de nood aan bescherming. Maar hierin is ook begrepen: indicaties van nationale veiligheid, uitsluiting, enzovoort. Ook is er zo nodig een onderzoek naar elementen van kwetsbaarheid. Dit op basis van, ook dat is vastgelegd in de programma's voor resettlement, adviezen die gegeven worden door inlichtingendiensten als de Veiligheid van de Staat of de militaire inlichtingendienst, en de federale politie.

 

Volgens mij betekent dit dat resettlement heel wat voordelen heeft, en dat komt dan vooral door de professionele aanpak, in vergelijking met andere programma's. Wat niet noodzakelijk betekent dat, en vandaar dat ik eerder wil pleiten voor een uitbreiding van resettlement dan andere programma's, dat andere programma's volledig uitgesloten moeten worden.

 

Het is immers mogelijk, en ik geef maar enkele suggesties, ten eerste, in het raam van resettlement meer dan nu via privésponsorship organisaties erbij te betrekken. In het bijzonder voor de organisatie van opvang en begeleiding, niet in de preselectie en zeker en vast ook niet in de selectie. Ten tweede, wordt het organiseren van mogelijkheden van verruimde gezinshereniging niet uitgesloten voor personen uit bijzondere regio's waar de nood aan bescherming zeer hoog is, en dit dan voor familieleden van personen die gevestigd zijn in België. Dit kunnen vluchtelingen zijn, maar dit kunnen ook Belgen zijn. Dit kan men op een bijzondere manier organiseren, al dan niet met quota.

 

Ten derde kan het nog altijd ad hoc voor heel bijzondere acute situaties waarbij men verifieert, en dit vooraf, of er mogelijkheden zijn om vluchtelingen uit de regio te laten overkomen.

 

Dit zijn kort enige bemerkingen en informatie op een rij. Ik sta open voor al uw vragen en het verlenen van bijkomende informatie.

 

De voorzitter: Dank u, mijnheer Van den Bulck. Dan geef ik het woord aan Myria. Zij zijn met drie hier aanwezig: de heer François De Smet, directeur, mevrouw Astrid Declercq, beleidsmedewerker en mevrouw Ina Vandenberghe, beleidsmedewerker.

 

Ik geef het woord aan de heer De Smet.

 

02.03  François De Smet: Madame la présidente. mesdames, messieurs les députés, merci pour votre invitation.

 

Pour rappel, Myria est une institution publique indépendante qui a trois missions:

- veiller sur les droits fondamentaux des étrangers;

- informer sur la nature et l'ampleur des flux migratoires;

- stimuler la lutte contre la traite et le trafic d'êtres humains.

 

Je suppose que c'est pour vous faire part de notre expertise sur les visas humanitaires que nous avons été invités à être auditionnés aujourd'hui, et cela en vertu de nos deux premières missions. En effet, depuis novembre 2016, nous avons commencé à nous intéresser à ce dossier global des visas humanitaires. Nous l'avons fait d'initiative; en effet, il nous intriguait par son apparent manque de transparence. Ce manque apparaissait sur le plan des chiffres et des données disponibles. Je ne parle pas tellement du nombre de visas humanitaires, qui est une donnée officielle, mais de la manière dont ces visas sont octroyés.

 

En ce qui concerne cette audition et pour essayer de faire avancer le débat le mieux possible, mes collègues et moi-même avons entrepris de synthétiser et de modéliser, dans la note que vous allez recevoir et que vous allons vous exposer aujourd'hui, l'état connu de la situation, selon les informations auxquelles nous avons eu accès. Même si un grand nombre d'informations ont déjà été données, nous allons synthétiser la manière dont la procédure se déroule, et dont on peut interpréter les chiffres existants, et nous ferons une série de recommandations et de propositions pour envisager l'avenir en termes d'encadrement. La ligne de pensée principale de Myria est que l'octroi de visas humanitaires peut rester une compétence discrétionnaire. C'est même en grande partie souhaitable, mais il y a moyen de limiter très largement la part d'arbitraire, voire de l'annihiler.

 

Je ferai encore une remarque avant de passer la parole à mes collègues. Pour travailler sur les chiffres des visas humanitaires, nous utilisons depuis quelques années la base de données de visas que le SPF Affaires étrangères met à notre disposition à des fins d'analyse. Cette base de données est très riche. Elle inclut des données sur la date de la délivrance et de la demande, sur la nature, le poste diplomatique, l'âge, le sexe, etc. Cependant, elle ne permet pas aujourd'hui d'analyser les motifs précis ayant conduit à la délivrance d'un visa humanitaire. Il n'est pas possible d'identifier dans la base de données les personnes ayant reçu un visa humanitaire dans le cadre d'une réinstallation, d'une opération de sauvetage ou par le biais d'un autre canal. Vous allez donc constater que les données que nous allons partager avec vous sont le fruit de recoupements au départ de la base de données dont nous disposons, mais aussi de sources aussi diverses et variées que d'autres échanges de données, les tweets de l'ancien secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, les articles de presse ou les diverses communications que les acteurs de ce dossier ont pu faire depuis deux ou trois ans.

 

Voilà pour le cadre. Je passe tout de suite la parole à Ina pour commencer l'analyse.

 

02.04  Ina Vandenberghe: Goede namiddag, ik zal een aantal punten aanhalen. Ik zal het hebben over wat de wet zegt over humanitaire visa. Ik zal heel kort zijn - er is al van alles gezegd – over wat volgens ons de categorieën zijn die in aanmerking komen voor visa en welke procedure zij volgen. Wij willen de nadruk leggen op de verschillen in procedure tussen die verschillende categorieën. Ten slotte zal ik een aantal cijfergegevens aan u meegeven. Zoals de heer De Smet net zei: gegevens uit de visadatabase die u daar ziet en die mogelijk ook verschillen van de gegevens die eerder hier zijn gegeven.

 

Ik begin met het eerste: wat zegt de wet? Het is net aangehaald: het begrip "humanitaire visa" zult u niet terugvinden in de wet. Die worden afgegeven onder de algemene discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Wat de humanitaire visa langverblijf betreft is dat artikel 9 van de Vreemdelingenwet, waar zonet al toelichting bij werd gegeven. Ik wil hier nog kort aanhalen dat er ook humanitaire visa kortverblijf zijn. Daar is de wettelijke basis eigenlijk de visumcode. De visumcode bepaalt wie er in aanmerking komt voor binnenkomst in de Schengenzone, wie een Schengenvisum kan krijgen. Maar de lidstaten hebben de mogelijkheid om wanneer iemand daar niet aan voldoet, strikt genomen, toch een visum af te leveren om humanitaire redenen. Dat is dan een Schengenvisum dat alleen voor België geldig is.

 

U ziet hier op de slide ook al meteen een aantal gegevens. Het is voor u wellicht geen verrassing dat het aantal humanitaire visa in stijgende lijn gaat na 2015, hoewel we in 2018 een lichte daling zien. In het blauw ziet u de afgeleverde humanitaire visa kortverblijf, in het groen de humanitaire visa langverblijf. Voor 2018 in totaal 2 174, waarvan de grote meerderheid, 92 %, langverblijfvisa betreft.

 

U ziet dat die verhouding gewijzigd is, maar de directeur-generaal van de dienst Vreemdelingenzaken verwees er al naar: die verhouding is gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof van Justitie in maart 2017. Het was een arrest dat ten gronde geen uitspraak deed, maar ten gevolge waarvan er een praktijkwijziging was, waardoor er veel meer visa D werden afgeleverd. Dit om de eenvoudige reden dat het Hof zei dat als iemand komt met het oog op het aanvragen van asiel in België, ook als die een aanvraag doet voor kortverblijf, dat eigenlijk niet kan. Als het is om asiel aan te vragen in België, moet dat een visum voor langverblijf zijn, want dan heeft men de bedoeling om voor lange tijd in België te zijn. Met als gevolg dat ook alle hervestigingen en zo D-visa werden, dus visa voor langverblijf.

 

Ik ga in op de categorieën die ons inziens een humanitair visum hebben gekregen. Die gegevens kan ik niet uit de visumdatabank halen. Die categorieën zijn er niet in opgenomen. Wij zullen verder in de presentatie niettemin proberen een aantal indicaties per categorie te geven op basis van andere indicatoren en van wat wij menen daaruit te kunnen afleiden.

 

Bij de grote categorieën kunnen wij niet op elk individueel geval ingaan. Het is immers een discretionaire bevoegdheid. Dat neemt echter niet weg dat het in het merendeel van de gevallen volgens ons gaat om, enerzijds, een hervestiging – ik hoef daar geen nadere uitleg bij te geven – of, anderzijds, een reddingsoperatie, zoals wij vandaag bespreken.

 

Er is, ten derde, nog een categorie die al kort werd aangehaald, maar waarbij wij toch enige nadruk willen leggen op het feit dat de gewone procedure, waarbij een aanvraag bij de diplomatieke post wordt ingediend en door de DVZ wordt behandeld, in de praktijk meestal om vormen van uitgebreide gezinshereniging gaat, meer specifiek gezinshereniging waaraan ook nog een beschermingselement is gekoppeld. Het gaat over familieleden van mensen die reeds in België verblijven. De mensen die reeds in België verblijven, zijn vaak vluchtelingen.

 

Het voorbeeld werd al aangehaald. Heel concreet gaat het hier bijvoorbeeld om een vluchteling, een Syriër, die via gezinshereniging zijn partner en minderjarige kinderen kan laten overkomen. Indien hij echter een meerderjarige zoon of dochter van 18, 19 of 20 jaar heeft, kan een humanitair visum een uitweg zijn.

 

De vierde categorie is het kortverblijf. Heel specifiek is het klassieke voorbeeld van een begrafenis. Iemand wil heel snel reizen, maar voldoet, strikt genomen, niet aan de binnenkomstvoorwaarden om een Schengenvisum te krijgen. Voor een begrafenis of een dringende medische ingreep kan een kortverblijfvisum worden afgeleverd.

 

Ik wil ook nog iets meegeven over de procedure. Zoals daarnet al werd aangehaald, zijn de procedures verschillend voor elke groep.

 

Ik zal op de slide meteen met de derde groep beginnen, zijnde de familieleden van mensen die al in België verblijven. Daarvoor geldt de gewone procedure. De betrokkene doet een aanvraag bij de diplomatieke post. Die aanvraag wordt door de dienst Vreemdelingenzaken behandeld. Ik wil erop wijzen dat het om een lange, dure en moeilijke procedure gaat, waarvan de uitkomst bijzonder onzeker is.

 

Myria begeleidt ook dergelijke dossiers. Wij zien in de praktijk dergelijke gevallen. Mijn collega Astrid Declercq zal er zo meteen op terugkomen.

 

Die procedure is echter heel verschillend van andere procedures voor langverblijf. U ziet ze op de slide staan, met name hervestiging en reddingsoperaties.

 

Er is al uitgebreid ingegaan op het feit dat er voor hervestiging een kader is, maar de uiteindelijke afgifte van het visum is een formaliteit. Het gaat erover dat nadat iemand is geselecteerd, hij België moet kunnen binnenkomen. In dat geval wordt een humanitair visum afgeleverd om nadien in de asielprocedure te belanden.

 

Bij de reddingsoperaties is dat ook het geval, maar daar gebeurt de selectie, zoals wij dat nu begrijpen, via tussenpersonen of organisaties, waarna die dan door het kabinet worden goedgekeurd, maar ook hier gaat een lijst naar de diplomatieke post waar de visa worden afgeleverd.

 

Er is dus een groot contrast tussen de gewone procedure, die niet exclusief is, maar die wel heel vaak wordt gebruikt door familieleden. Dat is een moeilijke procedure in vergelijking met die andere procedures, in het bijzonder met die reddingsoperaties, waar de afgifte van het visum eerder een formaliteit is.

 

Nog een aantal cijfergegevens. Het is heel duidelijk dat de Syriërs de belangrijkste nationaliteit uitmaken in die humanitaire visa. Zevenenzeventig procent van het totaal aantal in 2018 afgeleverde visa betreft Syriërs. Alle nationaliteiten samen gaat het over een kleine 2 000 langverblijfvisa en een kleine 200 kortverblijfvisa.

 

In de langverblijfvisa zien wij dat de Syriërs met 1 537 het grootste deel uitmaken. Afghanistan volgt op afstand met 189, nadien volgt Somalië. De top drie bij de kortverblijfvisa, gaat over heel andere aantallen, maar ook over andere nationaliteiten, zoals Congolezen, Marokkanen en Rwandezen.

 

Ik heb u eerder al gezegd dat wij niet in de databank kunnen zien hoeveel hervestigingen en hoeveel reddingsoperaties er zijn geweest.

 

Wat wij wel weten, komt van informatie uit andere bronnen. In de visumdatabank zien wij dat die gegevens wel zijn opgedeeld tussen visa waar er een akkoord van DVZ is geweest en visa die ambtshalve worden afgeleverd door de post. Ambtshalve door de post, daaruit begrijpen wij, en dat werd ons ondertussen ook bevestigd, dat dit gaat over lijsten die door het kabinet of de dienst Vreemdelingenzaken aan de diplomatieke post zijn doorgegeven, dus niet de gewone procedure.

 

Voor alle nationaliteiten samen zien wij dat een goed kwart gebeurde na akkoord van DVZ en dat 72 % een ambtshalve aflevering door de post betrof. Wat de Syriërs betreft, is dat onderscheid nog groter. Daar zien wij dat een kleine 10 % gebeurde na een akkoord van de dienst Vreemdelingenzaken en dat het in 91 % gaat om ambtshalve afleveringen door de post.

 

Ik heb dezelfde gegevens voor 2018 voor de humanitaire visa langverblijf en alleen voor de Syriërs. Voor de Syriërs weten we dat er maar 1 visum kortverblijf is afgegeven. U ziet hier gegevens per maand van langverblijf, opnieuw met het onderscheid, afgeleverd door de post of na akkoord door de DVZ. U ziet daar een duidelijke piek in de zomermaanden, met het hoogste aantal in september. Verklaringen voor de afleveringen door de post zijn volgens ons, dat wordt door anderen bevestigd, enerzijds de hervestigingen en anderzijds de reddingsoperaties.

 

In de volgende slide bouwen we verder op die gedachte. U ziet daar de top 5 van de langverblijf humanitaire visa, de top 5 van nationaliteiten, met Syrië op de eerste plaats. Om dan de proporties aan te geven, we zien dat we de meeste humanitaire visa die door de post worden afgeleverd weldegelijk kunnen verklaren op basis van hervestiging en alleen op basis daarvan.

 

We weten dat de reddingsoperaties voornamelijk over Syriërs en dan vooral christelijke Syriërs gaat. Daar zien we dat het aantal hoger is dan het aantal hervestigingen. Op deze slide heb ik de hervestigingcijfers voor 2018 er eens naast gelegd. U ziet 10 Somaliërs, u ziet ook 10 ambtshalve afgeleverd door de post, 1 Irakees is via hervestiging naar België gekomen, 1 ambtshalve afgeleverd door de post en 33 Eritreeërs, wat overeenkomt met de 33 humanitaire visa die ambtshalve door de post zijn afgeleverd.

 

Voor de Congolezen komt het niet helemaal overeen, maar dat kunnen wij verklaren doordat de humanitaire visa in 2017 zijn afgeleverd.

 

De enige nationaliteit waarvoor het niet precies overeenkomt zijn de Syriërs en dat is omdat we ervan uitgaan dat naast de hervestigingen er ook reddingsoperaties van Syriërs zijn geweest die verklaren dat er ook in die gevallen een ambtshalve aflevering door de post is geweest.

 

Hier ziet u de hervestigingcijfers ernaast gelegd. U ziet het totaal aantal en de hervestigingen: 880 hervestigingen voor alle nationaliteiten samen in 2018.

 

Dat brengt ons tot de volgende slide, waarna ik het woord aan mijn collega geef.

 

Als we uitgaan van deze hypothese, die ons plausibel lijkt en die wordt bevestigd door de bronnen die we hebben, dan zien we heel duidelijk dat het aantal reddingsoperaties sinds 2015 in stijgende lijn is gegaan.

 

Voor 2018 liggen de cijfers nog een heel stuk hoger dan in 2017. In 2018 gaat het in ongeveer de helft van de gevallen om hervestiging en in zowat 40% om reddingsoperaties. De 9 % die u ziet, slaat op de gewone DVZ-procedure. Uit onze ervaring kunnen wij zeggen dat het daarbij meestal gaat over familieleden van personen die reeds in België verblijven. Al die cijfers staan ook in de nota die wordt rondgedeeld of die u al ontvangen hebt.

 

Ik geef nu het woord door aan mijn collega.

 

02.05  Astrid Declercq: Ik ga nader in op de reddingsoperaties en op de procedure, waarmee wij de DVZ-procedure bedoelen van aanvragen die ingediend werden bij de ambassade en die door de DVZ behandeld worden.

 

Vooreerst bespreek ik wat wij over de reddingsoperaties weten. Op de slide ziet u de tweet van voormalig staatssecretaris Theo Francken van 21 januari 2019. Pas sinds dat moment hebben wij een overzicht van de verschillende initiatiefnemers en van het totaal aantal afgeleverde visa in het kader van de reddingsoperaties. Er werden 1 501 visa afgeleverd.

 

Met uitzondering van de reddingsoperaties in 2015 en de humanitaire corridor georganiseerd door Sant' Egidio, werd er over de andere initiatieven destijds niet gecommuniceerd. In september 2018 hebben wij een interview met Sant' Egidio gehouden, waaruit wij weten dat er een officieel akkoord bestond, een intentieverklaring tussen de staatssecretaris en Sant' Egidio, met als doel 150 Syriërs over te brengen vanuit Libanon en Turkije. Eenmaal zij in België toekwamen, werden zij begeleid naar de asielprocedure. Het ging duidelijk om een publiek-private samenwerking waarbij de opvang werd gefinancierd door Sant' Egidio en de andere geloofsgemeenschappen die eveneens deel uitmaakten van het partnerschap van dat akkoord. De kosten van die visumprocedure werden volledig gedragen door Sant' Egidio en de andere geloofsgemeenschappen.

 

Wij hebben ook de wijze van de selectieprocedure bevraagd. In essentie vond de selectie plaats in Turkije en in Libanon. Wij weten dat een criterium als kwetsbaarheid een rol heeft gespeeld.

 

Ook het behoren tot een religieus-etnische bedreigde minderheid en banden met België konden een rol spelen.

 

Hoe precies de selectie ter plaatse heeft plaatsgevonden, kunnen wij ook moeilijk inschatten, maar het is wel zo dat wij voor de andere initiatieven veel meer in het duister tasten. Voor deze informatie wisten wij eigenlijk niet wie de initiatiefnemers waren, maar nu weten wij nog steeds niet welk soort relatie of verbintenis er was tussen de verschillende initiatiefnemers en voormalig staatssecretaris Theo Francken. Wij weten ook niet hoe men op zo'n lijst kon belanden en of er gecommuniceerd werd over zulke lijsten. Het is ook niet duidelijk in hoeveel van de gevallen het selectieproces eigenlijk veelal in België plaatsvond, met name omdat mensen door familieleden op lijsten werden geplaatst. Daar is er dus minder sprake van een selectie ter plaatse. Het is dus ook niet duidelijk hoeveel van de mensen in al die initiatieven er in de asielprocedure zijn beland en of zij nog allemaal in België zijn.

 

In april 2018 hebben wij per mail aan het kabinet vragen gesteld. Wij kregen gewoon informatie over het globale aantal personen die tot dan toe waren aangekomen, maar dat was zonder opsplitsing per initiatiefnemer en er was ook geen opsplitsing per jaar, waardoor onze cijferanalyse op dat vlak moeilijk liep. Wij ontvingen ook summiere antwoorden op onze vragen naar het verloop van het proces. Er werd voornamelijk aangegeven dat iedereen een vraag kon richten aan het kabinet en dat die aanvraag dan, geval per geval, zou worden beoordeeld. Ook op onze vraag of er een taskforce rond de selectieprocedure bestond, werd geantwoord dat elk dossier geval per geval werd beoordeeld.

 

Myria wenst bij de reddingsoperaties een onderscheid te maken tussen twee types van reddingsoperaties op basis van de plaats waar de selectie in essentie plaatsvond. Bij een eerste type gebeurde de selectie in Syrië of de buurlanden. Het kan uiteraard wel zijn dat er een tussenpersoon of initiatiefnemer in België is, maar de selectie gebeurde ter plaatse, bijvoorbeeld door netwerken van de organisatie. Dat zijn reddingsoperaties die volgens ons meer aanleunen bij hervestigingspraktijken, terwijl ook duidelijk werd, aan de hand van de Panoreportage, maar ook aan de hand van de informatie die nadien werd gegeven door voormalig staatssecretaris Francken en door informatie die in de media is gekomen, dat het ook vaak ging om mensen die in België verblijven en hun familieleden op lijsten lieten zetten.

 

In die zin moeten wij ook kijken naar de procedure van uitgebreide gezinshereniging. Het is een vorm van familiehereniging, uiteraard voor personen met beschermingsnoden. Het is echter belangrijk erop te wijzen dat in het geval van familieleden parallel ook een gangbare praktijk bestaat van indiening bij de ambassade en behandeling door DVZ.

 

Dat onderscheid is voor ons van belang. Het is perfect mogelijk en zeker niet problematisch voor Myria om familieleden bij de reddingsoperaties te betrekken. Vaak ging het ook om familieleden. Als dat het geval is, moet het verschil in aanpak voor ons wel duidelijk worden gecommuniceerd en omkaderd. Het is ook belangrijk, omdat ter zake eventueel kan worden gesproken van een ongelijke behandeling.

 

Het komt Myria voor dat gelijkaardige situaties via een ander proces werden beoordeeld. Enerzijds waren er die hun familieleden op lijsten konden zetten. Eens die familieleden op lijsten stonden, kwam er een akkoord van het kabinet. Anderzijds waren er situaties waarbij personen op eigen initiatief een aanvraag indienden bij de ambassade, waarna zij in een procedure terechtkwamen waarbij een inhoudelijke beoordeling volgde door de dienst Vreemdelingenzaken. Die laatste staat bekend als een zeer complexe, lange, dure en onzekere procedure.

 

In die zin is Myria zeker vragende partij om duidelijkheid te scheppen over de vraag hoeveel van de 1 500 personen die in het kader van die reddingsoperaties naar België zijn gekomen, in welke categorie thuishoren, kortom over hoeveel familieleden gaat het.

 

Op het einde van het lijstje op een van de voorgaande slides staat er individuele dossiers – 95. Wij hebben gelezen dat dat ook vaak ging over familieleden. Ook daar weer rijst de vraag of het kabinet eenzelfde soort behandeling, zeg maar een inhoudelijke beoordeling, hanteerde als DVZ, als familieleden bij het kabinet hun dossier aanbrachten.

 

Omdat wij dit belangrijk vinden, zal ik ook wat meer duiding geven bij de DVZ-procedure, zoals ik die voor de gemakkelijkheid noem, een procedure op initiatief van de aanvrager, ingediend bij de post en met een behandeling ten gronde door de dienst Vreemdelingenzaken. Het gaat over een discretionaire bevoegdheid. Het is juridisch dezelfde bevoegdheid als die van de staatssecretaris. Het gaat altijd om de staatssecretaris of zijn gemachtigde.

 

Die discretionaire bevoegdheid mag niet leiden tot willekeur. Bij de DVZ-procedure, bij elke beslissing die de dienst Vreemdelingenzaken neemt, moet hij de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, zoals de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook de hogere rechtsnormen moeten daarbij in acht genomen worden. De controle daarop kan ook via de beroepsprocedures gebeuren. Dat is een verschil met de weg via het kabinet. Er is dus sprake van beslissingen die aangevochten kunnen worden, als de beginselen niet gerespecteerd werden.

 

Over welke situaties gaat het in die procedure? Het gaat in de meeste gevallen over familieleden die niet in aanmerking komen voor de gezinshereniging. Heel vaak zijn er ook bijzondere beschermingsnoden bij die familieleden in het herkomstland. Het gaat heel vaak over Syrische familieleden van erkende vluchtelingen, die dezelfde beschermingsnoden kunnen hebben.

 

Aan de hand van ons individueel casework zien wij dan concreet om wie het kan gaan: een meerderjarig kind, feitelijk geadopteerde kinderen of een geïsoleerde ouder. Uit ons individueel casework blijkt dat het een complexe procedure is. Zo is er geen wettelijk bepaalde behandelingstermijn, waardoor de procedure soms tot een jaar of langer kan duren, vooraleer er een beslissing is. De aanvraag kan ook niet worden ingediend door een familielid in België, zoals dat wel gebeurde met "de kabinetsweg". De aanvraag moet worden ingediend op de ambassade, wat vaak meerdere bezoeken impliceert, bij de indiening, maar daarna ook voor de vervollediging van het dossier, eventuele DNA-testen en het ophalen van het visum. In onze analyse van 2017 hebben wij beschreven hoe complex dat kan zijn voor Syriërs.

 

Daarnaast gaat het over een complexe procedure, waar eigenlijk weinig over geweten is. Er is ook weinig informatie beschikbaar bij de ambassades.

 

Het is voorts een kostelijke procedure. Het verschilt sterk van dossier tot dossier maar de kostprijs kan oplopen van 3 000 tot 5 000 euro. Met de visum fee en de administratieve bijdragen moet men al rekenen op bijna 500 euro voor de aanvraag. Daar komen dan nog de dure reiswegen en de documentaire vereisten bij. Men moet immers zijn kwetsbare situatie kunnen aantonen evenals zijn medische situatie. Men moet uiteraard ook familiebanden kunnen aantonen. Bovendien moeten de documenten worden vertaald en gelegaliseerd. Dat maakt het allemaal heel duur.

 

Dat wordt dan bovendien gecombineerd met de zeer onzekere uitkomst. Het is heel moeilijk om mensen te adviseren over hun kans van slagen. We merken dat dat vaak afschrikwekkend werkt om zo'n aanvraag in te dienen. Die onzekerheid heeft in eerste instantie te maken met het feit dat er weinig transparantie is over de factoren die een rol spelen bij de dienst Vreemdelingenzaken over de inhoudelijke beoordeling.

 

Louter op basis van ons individueel casework zien wij aan de hand van de weigeringsbeslissingen welke factoren een rol spelen. We zien dat nauwe familiebanden een rol spelen en daarbij ook de financiële en affectieve afhankelijkheid. Voorts gaat het om de precaire of kwetsbare, geïsoleerde situatie van de aanvrager in het herkomstland en de financiële middelen van het familielid hier in België. Dat wordt heel verschillend beoordeeld afhankelijk van de dossierbeoordelaar; algemeen zien we wel een zeer strikte beoordeling.

 

Ik ga nog even in op de cijfers. Ik heb echter andere cijfers gehoord van de heer Roosemont en misschien is het dus nodig om daarover nog eens samen te zitten. Wij komen aan 550 visa langverblijf die na akkoord van de DVZ werden afgeleverd. Daarbij ziet men de belangrijkste nationaliteiten. Ook belangrijk is het weigeringspercentage van 54 %. Dat toont eigenlijk aan hoe onzeker die procedure is. Mensen zullen die investering niet zomaar wagen om dan maar 50 % kans op slagen te hebben.

 

02.06  François De Smet: Je conclurai par différentes recommandations et suggestions.

 

Nous n'appelons pas à remettre en cause l'instrument que sont les visas humanitaires même si, aujourd'hui, nous le passons au crible. Nous pensons que nous avons besoin d'un outil de ce genre qui permette à des personnes, en particulier en cas de crise humanitaire, de bénéficier d'un accès légal et sûr à notre territoire.

 

Mais il est possible d'élaborer un cadre plus clair et plus objectif. Nous faisons donc bien la différence entre une compétence discrétionnaire et l'arbitraire. Une compétence discrétionnaire n'exonère pas du respect d'un certain nombre de principes: celui de la sécurité juridique selon lequel chacun doit pouvoir estimer, prévoir à quoi s'attendre; l'obligation de motivation également et, peut-être et surtout, un autre principe de bonne administration qu'est celui de l'égalité. Des situations similaires doivent être traitées de manière similaire et si des différences de traitement peuvent se justifier, la distinction doit avoir une base objective.

 

À cet égard, et mes collègues l'ont exposé, il semble qu'il y ait des procédures différentes pour des situations similaires: la voie de l'Office des Étrangers relativement complexe et difficile ou la voie du cabinet qui semble un peu plus simple. Les personnes figurant sur les listes des opérations de sauvetage ou ayant obtenu une autorisation par le biais du cabinet ont bénéficié d'un autre traitement que les membres de la famille ayant introduit une demande de visa humanitaire par le biais de la procédure ordinaire.

 

Dans nos recommandations, d'une part, nous souhaitons une meilleure analyse statistique des visas humanitaires. Les données chiffrées des différentes catégories de visa humanitaire long séjour (réinstallation, opération de sauvetage, regroupement familial étendu, etc.) dans la base de données des visas devraient être rendues statistiquement exploitables. L'enregistrement statistique devrait aussi être étendu, de sorte qu'une répartition soit possible selon les organisations partenaires éventuelles avec lesquelles les pouvoirs publics désirent collaborer. Nous souhaiterions que l'ensemble de ces informations soient disponibles pour Myria à des fins d'analyse.

 

D'autre part, nous pensons qu'un débat parlementaire annuel serait de mise concernant l'application des visas humanitaires, qu'annuellement les membres du gouvernement compétents en la matière puissent établir un rapport sur la politique menée et communiquent les chiffres détaillés. À cette occasion, ils pourraient faire état des partenariats conclus avec des organisations, ce qui apporterait une grande transparence à la politique menée.

 

En ce qui concerne les opérations de sauvetage, nous pensons que ces initiatives ponctuelles, si la Belgique souhaite les poursuivre, doivent être bien mieux encadrées. Une part discrétionnaire doit être préservée, mais moins l'encadrement de la sélection est important, plus il y aura un risque d'arbitraire et d'octroi en fonction de préférences personnelles.

 

Plusieurs pistes sont possibles. C'est un petit peu l'imagination au pouvoir. On peut imaginer un système de quotas - cela a été évoqué -, des collaborations public-privé, impliquant ou non des partenaires comme le HCR. Le plus gros critère, ce qui doit vraiment attirer l'attention du gouvernement et des parlementaires, c'est que ces collaborations doivent faire l'objet d'un encadrement strict. Les organisations avec lesquelles les pouvoir publics collaborent dans ce cadre devraient disposer de l'expertise, de la crédibilité et de la fiabilité nécessaires.

 

En ce qui concerne la procédure dite "plus ordinaire" via l'Office des Étrangers, nous renvoyons simplement à nos publications passées et pensons que des progrès doivent encore être faits pour éviter un traitement inégal. La procédure elle-même et son objectivation peuvent être améliorées. Pour la procédure, il suffirait d'implémenter dans la loi une durée maximale de traitement, en autorisant l'introduction du dossier par un membre de la famille résidant en Belgique, en diminuant les coûts, en exonérant les personnes vulnérables de la fameuse redevance administrative; en évaluant de manière souple les liens familiaux et les situations humanitaires et en donnant, dans les ambassades, des directives techniques plus claires sur la procédure et dans la langue des demandeurs.

 

En ce qui concerne l'objectivation de la procédure, cela peut être le fruit du débat parlementaire annuel que nous suggérons. Il faut une occasion pour que les lignes directrices politiques soient rendues publiques. Ce n'est pas incompatible avec un pouvoir discrétionnaire. Le contrôle peut se faire a posteriori. Cela n'empêche pas les balises, parmi lesquelles la vulnérabilité, les liens familiaux étroits, voire certains moyens financiers - des visas humanitaires ont déjà été délivrés sur cette base. Il ne faut pas que la charge de la preuve soit trop lourde et qu'un de ces facteurs entraîne l'invalidité des autres.

 

Voilà pour ce que nous avions à vous dire. Désolé pour le caractère rapide et dense de cette note. Comme mes collègues, nous sommes à votre disposition pour toute question.

 

De voorzitter: Nogmaals dank aan alle sprekers, ook voor de duidelijke overzichten en de powerpointpresentaties die werden doorgestuurd of die DVZ nog zal doorsturen.

 

Ik vermoed dat er vragen zijn? Ik denk dat wij best de gebruikelijke volgorde respecteren.

 

02.07  Sarah Smeyers (N-VA): Mevrouw de voorzitter, ik dank de heren Roosemont en Van den Bulck en de driekoppige delegatie van Myria voor hun uiteenzetting.

 

Ik heb nog een aantal vragen. De meeste zijn wel al beantwoord, waarvoor dank. Mijn eerste vraag is aan de heer Van den Bulck gericht. U hebt uitgelegd dat van de personen die een humanitair visum krijgen, wordt verwacht dat zij na aankomst een asielaanvraag indienen en dat die asielaanvragen door uw Commissariaat op hun gegrondheid worden onderzocht, net zoals elke andere asielaanvraag. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang de wijze van binnenkomst van de asielaanvrager.

 

U hebt de werkwijze heel duidelijk toegelicht. Misschien kunt u met een knik bevestigen dat er vanuit het kabinet van voormalig staatssecretaris Theo Francken nooit een vraag is gekomen om die procedure voor mensen die vanuit zijn kabinet een humanitair visum hadden gekregen aan te passen of te versnellen. (De heer Van den Bulck knikt bevestigend.)

 

Ik denk dat u daarop impliciet hebt geantwoord, aangezien u hebt benadrukt dat er geen enkel onderscheid in behandeling van asielaanvragen is, ongeacht de wijze van binnenkomst, dat elke asielaanvraag op dezelfde wijze wordt behandeld. Ik meen dat het belangrijk is om dat te benadrukken.

 

U hebt de situatie van de christenen in Aleppo, Oost-Syrië, in de periode waarin de humanitaire visa prioritair aan de christenen in Syrië werden uitgereikt, duidelijk geschetst. De heer Roosemont heeft dat ook gedaan..

 

Ik hoef dat niet meer te vragen, want u hebt uitdrukkelijk gezegd dat die bevolkingsgroep toen nood had aan bescherming. De heer Roosemont heeft uitdrukkelijk gezegd dat er geen andere optie was, dat het een zaak van levensbelang was en dat werken met die lijsten de enige manier van werken was.

 

U hebt benadrukt, en ik denk dat de heer Van den Bulck dit kan bevestigen, dat er geen andere mogelijkheid was om christenen uit Syrië te redden. Die christenen zouden nooit op een spontane – u hebt dat woord gebruikt, mijnheer Roosemont – manier in Brussel zijn geraakt, in tegenstelling tot andere Syriërs van andere religies, die dergelijke mogelijkheden wel hadden. Ook u, mijnheer Roosemont, hebt benadrukt dat alle personen die een humanitair visum hebben aangevraagd, op dezelfde manier, via dezelfde procedure, via dezelfde criteria en met hetzelfde eindresultaat in Brussel zijn aangekomen of aan dat humanitair visum zijn geraakt.

 

Kunnen jullie beiden bevestigen, mijnheer Roosemont en mijnheer Van den Bulck, dat UNHCR tijdens de Syrische burgeroorlog niet aanwezig was in Aleppo en in de andere regio's waar de vervolgde christenen verbleven? Dit is volgens mij een heel belangrijk gegeven in heel dit debat. UNHCR was niet werkzaam op het Syrische grondgebied waar die vervolgde christenen op dat moment verbleven en waar zij heel moeilijk wegraakten. Dit laatste in tegenstelling tot Syriërs met een andere religieuze overtuiging.

 

Kunt u bevestigen dat de toenmalige staatssecretaris niet op de VN kon rekenen om een inspanning te doen voor deze vervolgde christenen en dat het systeem van de humanitaire visa het enige reddingsmiddel was voor deze Syrische christenen?

 

Wij horen mevrouw De Block, de huidige minister voor Asiel en Migratie, ervoor pleiten om enkel nog via het systeem van resettlement – het andere systeem – en dus via de VN te werken. Ik zou daarover graag jullie mening horen. Mijnheer Van den Bulck, u hebt ook gepleit voor een uitbreiding van het systeem van resettlement. U hebt echter benadrukt dat het ook van belang is om het systeem van de humanitaire visa – sensu stricto – in stand te houden. Ik meen dat u daar duidde op het feit dat dit de enige mogelijkheid is om Syrische christenen in Syrië zelf te redden.

 

Het is heel belangrijk om te benadrukken dat het systeem dat minister De Block oppert, waarin niet meer met humanitaire visa zou worden gewerkt, ervoor zal zorgen dat het niet meer mogelijk zal zijn om mensen uit Syrië te redden met een humanitair visum, omdat het UNHCR nu eenmaal niet werkzaam is in Syrië, maar alleen in de vluchtelingenkampen in de veilige buurlanden van Syrië. Voor de Syrische christenen is het echter verdomd moeilijk tot zelfs onmogelijk om Syrië te verlaten en op een veilige manier in vluchtelingenkampen buiten Syrië te geraken. Het UNHCR doet geen selectie op basis van religie en, aangezien de vluchtelingenkampen in overgrote meerderheid bevolkt worden door islamitische Syriërs, dreigen humanitaire visa in de toekomst vooral naar die islamitische Syriërs te gaan en zal het, als wij de visie van minister De Block volgen, volgens mij in de toekomst niet meer mogelijk zijn dat christenen worden gered uit de klauwen van IS.

 

Is dat alles wel conform het vooropgestelde doel van ons hervestigingsbeleid, met name mensen helpen voor wie in de regio buiten Syrië geen duurzame bescherming voorhanden is? Ik heb uitgelegd – en u ook – dat dat met name voor de Syrische christenen het geval is. Ik vraag mij af of dat wel conform de Kamerresolutie over de bescherming van vervolgde religieuze minderheden is, die bijna unaniem werd aangenomen. Met uitzondering van de Groenfractie, mevrouw Pehlivan en mevrouw De Coninck werd die resolutie in 2017 unaniem aangenomen door de plenaire vergadering ter bescherming van de vervolgde religieuze minderheden uit het Midden-Oosten. Zij maant de regering expliciet aan om inspanningen te doen voor de bescherming van de vervolgde christenen en vraagt de regering aan de hervestiging van de meest kwetsbare religieuze minderheden onder directe dreiging van vervolging en uitroeiing blijvend prioriteit te geven en ook samen te werken met landen van oorsprong over duurzame hervestiging. Ik vraag mij af of de visie en de stelling van minister De Block verzoenbaar zijn met deze resolutie.

 

Mijnheer Roosemont, voor u heb ik nog een specifieke vraag. U hebt heel duidelijk uitgelegd dat er geen andere optie was dan om te werken met die lijsten. Gelet op de situatie op dat moment in Syrië, gelet op de feiten en de geopolitieke context van dat moment, mag ik aannemen dat u bevestigt dat er geen andere mogelijkheid was, dat er geen andere manier bestond om die reddingsoperatie te organiseren en uit te voeren? Ik heb u dat horen zeggen, maar naar mijn mening is het heel belangrijk dat u nog eens herhaalt dat er in de hele procedure en de werking van het afleveren van humanitaire visa geen enkele andere mogelijkheid was, gelet op de dringendheid, de noodzaak en de levensbedreiging voor die Syrische christenen, om hen te redden uit de klauwen van IS.

 

Geachte sprekers, ik dank u alvast voor het beantwoorden van mijn vragen.

 

De voorzitter: Geachte leden, geachte sprekers, ik wil u meedelen dat het verslag gemaakt wordt op basis van de auditieve opname. Dat betekent dat ja knikken, neen schudden, een tong uitsteken of aanverwante zaken niet worden opgenomen. Met het oog op het verslag wordt u verzocht om uitdrukkelijk mondeling te antwoorden, zodanig dat dit correct in het verslag kan worden opgenomen.

 

02.08  Julie Fernandez Fernandez (PS): Madame la présidente, chers collègues, je tiens tout d'abord à remercier l'ensemble des intervenants et à rappeler que, pour nous, l'enjeu de ces auditions n'est pas de se substituer à la justice, mais de comprendre la manière dont nous sommes arrivés à la situation grave et choquante que nous connaissons aujourd'hui, où des intermédiaires - devrait-on peut-être dire des passeurs - ont pu se faire de l'argent sur le dos de personnes dans la désespérance, qui fuient la guerre, la misère ou les persécutions.

 

Il s'agit surtout pour nous de ne pas jeter le bébé avec l'eau du bain.

 

Excusez-moi, madame la présidente, je pense que M. Francken fait encore de la communication. J'aimerais donc pouvoir au moins intervenir en bénéficiant du même respect dont ma collègue de la N-VA a bénéficié lors de son intervention!

 

Il s'agit surtout pour nous de ne pas jeter le bébé avec l'eau du bain et il est clair qu'un outil souple, permettant de venir en aide aux personnes exposées à des violations des droits humains, mais qui ne rentreraient pas dans le cadre de canaux classiques, nous paraît important, essentiel même. Mais il ne faut pas que le discrétionnaire devienne de l'arbitraire – et je partage à ce sujet l'avis de M. De Smet – et certainement pas que l'opacité favorise des trafics ou l'enrichissement personnel de certains. En effet, ce qui pose problème aujourd'hui n'est pas d'avoir sauvé des personnes de ces persécutions ou de la guerre, mais que, face à des situations similaires, on se rende compte que des procédures ou des critères différents ont été utilisés. Nous nous souviendrons de ces deux familles syriennes (une musulmane, une orthodoxe) qui ont animé nos débats, tant ici qu'en plénière, et qui n'ont jamais reçu leur visa.

 

Certaines interventions précédentes m'amènent à poser encore davantage de questions. L'opacité, c'est aussi d'apprendre qu'un organisme tel que le Myria n'a pas de chiffres officiels et doit aller jusqu'à se baser sur les tweets d'un membre du gouvernement pour pouvoir avancer des chiffres, qui sont le plus juste possible, mais dont on ne peut nous garantir qu'ils sont rigoureusement exacts. Vous me corrigerez si je n'ai pas tout compris.

 

D'après le schéma général, nous avons bien compris qu'il y a différentes sortes de visa: pour séjours de courte ou de longue durée, avec ou sans restriction quant à la mobilité au sein de l'espace Schengen. Nous avons bien compris aussi que le nombre de visas humanitaires augmente fortement à partir de 2014-2015 et que ces visas sont donc attribués suivant différentes filières. Nous en découvrons malheureusement une, aujourd'hui ou, en tout cas, les dérives d'une partie de ces filières.

 

J'ai entendu que les listes remises à l'Office des étrangers faisaient l'objet d'un screening. Cela a-t-il été aussi le cas des intermédiaires? A-t-on demandé qui étaient ces intermédiaires aux organismes avec lesquels nous travaillons sur place? Ces informations transitaient-elles par le cabinet ou bien un seul contact avait-il été désigné?

 

Vous nous avez expliqué que vous transmettiez des listes à la Sûreté de l'État et à l'OCAM. Ces deux organes étaient-ils informés de leur provenance, à savoir le cabinet du secrétaire d'État?

 

Monsieur Roosemont, votre département n'entretenait pas de contacts directs avec les demandeurs figurant sur la liste, mais des rumeurs ont circulé au sujet de procédures douteuses. En avez-vous eu vent? Si oui, à quel moment?

 

Si je comprends bien le mail que nous a fait parvenir le SPF Affaires étrangères, il serait toujours aussi difficile de prier les services consulaires de délivrer des visas aux personnes reprises sur une liste. Est-ce ce département qui identifie les individus mandatés pour accompagner ou coordonner les groupes? Quelle est exactement l'étendue du mandat ainsi délivré? Les accompagnateurs se proposaient-ils naturellement comme intermédiaires? J'en reviens ici à ma question relative au screening de ces derniers.

 

On lit par ailleurs qu'il est rarement aisé de demander un visa humanitaire. Vous avez rappelé que c'est notamment parce qu'il est obligatoire de se rendre en personne auprès du consulat ou du poste diplomatique pour introduire cette requête. Disposez-vous d'informations sur le déroulement pratique de cette procédure?

 

Avec le recul, quels sont les éléments qui selon vous, auraient dû être présents pour permettre un contrôle efficace ou pour permettre à l'administration de tirer la sonnette d'alarme, que ce soit pour repérer des malversations ou pour éviter, permettez-moi l'expression, "le fait du prince"?

 

On soulignera également que, trop souvent, les informations tardaient à parvenir au Parlement. Nous avons souvent débattu et interpellé le secrétaire de l'État de l'époque sur les visas humanitaires. Lorsque celui-ci exerçait son contrôle en cette matière, nous avons même eu droit à une réponse de M. Francken qui justifiait du caractère secret des opérations de sauvetage.

 

De votre côté, comment justifiez-vous cette opacité?

 

02.09  Philippe Pivin (MR): Madame la présidente, je joins également mes remerciements à ceux de mes collègues pour vos clarifications qui sont, à mon humble avis, bien nécessaires. En effet, il n'est pas très simple de s'y retrouver entre les différents concepts développés dans la matière des visas. Entre la réinstallation, la relocalisation, l'opération de sauvetage, ce n'est pas toujours clair. J'en veux pour preuve la note de politique générale développée au mois d'octobre par l'ancien secrétaire d'État. En effet, dans cette note, au chapitre "réinstallation", il est aussi question des visas humanitaires des opérations de secours. Je n'y vois pas une contradiction mais une ambiguïté avec votre note, monsieur Roosemont. Dans cette note qui nous a été distribuée aujourd'hui, vous êtes très clair.

 

Selon vous, il y a trois procédures bien distinctes et vous avez même fini par dire que les visas humanitaires pouvaient être délivrés pour des raisons qui n'étaient pas humanitaires. C'est ainsi en tous les cas que je remarque une phrase de votre note, laquelle stipule: "Les demandes de visas humanitaires font référence à des situations multiples qui n'ont pas nécessairement un caractère urgent ni même un caractère humanitaire au sens propre."

 

Je reviens au point de départ de mon intervention pour répéter qu'il n'est pas simple de s'y retrouver entre les différents concepts.

 

Je voudrais ajouter une complication, car personnellement, à la lecture de la note de politique générale, je me demande si on doit aussi intégrer dans tous ces concepts celui de régularisation humanitaire.

 

En effet, à un autre endroit de la note, on parle de délivrance de titre de séjour pour les régularisations humanitaires. Une régularisation humanitaire vise-t-elle aussi des situations telles que celle que vous avez détaillée ici ou est-ce quelque chose de tout à fait distinct? C'est la première question que je voudrais vous poser.

 

La deuxième, c'est celle de mon étonnement en entendant M. De Smet nous dire qu'ils doivent procéder par recoupement. Vous avez l'air d'être détenteur d'un certain nombre de chiffres, de tableaux. D'ailleurs, vous nous les communiquez. Ces tableaux ne sont apparemment pas à la disposition de Myria. J'aimerais savoir pourquoi. Pourquoi Myria doit-il travailler un peu comme un enquêteur, à la Sherlock Holmes, pour pouvoir valider des chiffres que vous parvenez à nous fournir de façon finalement assez aisée. Est-ce une comptabilisation qui se fait en interne ou est-elle accessible à tout le monde et, donc, aussi aux membres de cette commission?

 

Je change tout à fait de registre. Mais M. Roosemont a expliqué que, systématiquement, l'Office des étrangers est appelé à donner un avis au secrétaire d'État que celui-ci transmet évidemment au poste consulaire. Le secrétaire d'État alors en fonction a répondu la même chose en 2016 en commission de l'Intérieur à une question d'une de nos collègues ici présente. Il a répondu: "Oui, un avis est demandé systématiquement à l'Office des étrangers et est transmis au poste consulaire". J'ai cette réponse ici sous les yeux.

 

Pourtant, je lis en page 22 du rapport de Myria – je n'ai pas eu le temps de lire l'actualisation que nous avons eue en début de séance, mais j'imagine que c'est toujours le cas dans cette actualisation –, parmi les éléments frappants, que près de 875 visas octroyés ont directement été délivrés par le poste diplomatique sans intervention de l'Office des étrangers. Dans le résumé que Myria fait de son étude à l'époque, "l'importante proportion de décisions positives" est effectivement soulignée – c'est très juste – et qu'"à part les dossiers fortement médiatisés de deux familles auxquelles on a fait allusion tout à l'heure, seules les demandes de trois personnes ont été refusées en 2016 et qu'en dehors de ces décisions négatives, toutes les décisions" – on parle ici des chiffres de délivrance de visas pour séjour de courte durée, je crois – "ont été prises directement par le poste sans examen de l'Office des étrangers.

 

Aussi, monsieur Roosemont, la délivrance d'un avis précédant la délivrance d'un visa n'est donc pas une règle générale? Il semble que, dans de nombreuses situations, le visa soit délivré sans intervention de l'Office des étrangers. J'aimerais avoir un commentaire à ce sujet.

 

Enfin, je voudrais rejoindre la question posée tout à l'heure par ma collègue de la N-VA concernant la présence du HCR. Confirmez-vous que, dans les situations qui nous préoccupent aujourd'hui, le HCR n'était pas sur le terrain? Cela justifierait le recours à des intermédiaires. II faudra questionner à propos de la qualité de ces derniers et des critères ayant prévalu à leur choix, mais, je ne pense pas que vous soyez les personnes auxquelles ces questions doivent être posées.

 

02.10  Nahima Lanjri (CD&V): Mevrouw de voorzitter, collega's, sinds de migratiecrisis in 2015 is uitgebroken, heb ik in het halfrond en in de commissie herhaaldelijk op meer transparantie in de behandeling van de humanitaire visa aangedrongen.

 

Ik heb altijd aangegeven dat het goed is dat geval per geval kan worden beslist over het geven van een uitzondering, om iemand toch via een visum naar ons land te laten komen. Dat is op zich goed. Het gaat immers niet om een gewoon migratiekanaal. Het is bedoeld voor uitzonderingen, waarover in alle voorzichtigheid moet kunnen worden geoordeeld.

 

Ik heb echter altijd aangedrongen op meer transparantie, niet alleen in de keuze van wie daarvoor in aanmerking komt, als in de te volgen procedure. Ik heb ook verscheidene keren vragen over de problematiek en over het verloop gesteld.

 

Ondertussen merken wij wat hier ook wordt bevestigd, namelijk dat er grosso modo drie werkprocedures zijn. Er is de resettlement; er zijn de reddingsoperaties en er is een derde groep met individuele dossiers van onder andere familieleden.

 

De procedures inzake reddingsoperaties zijn vaak gestructureerd in samenwerking met onder andere ngo's. Er zijn soms enige verschillen tussen de ene en de andere reddingsoperatie, maar de DVZ is daar wel altijd bij betrokken.

 

Voorts is er resettlement. Ik hoor de heer Van den Bulck pleiten om die procedure nog meer toe te passen. UNHCR is een professionele organisatie die met die situaties ervaring heeft en de meest kwetsbare personen haalt.

 

Collega's, waar loopt het dan mis? Waarover gaat het?

 

Mevrouw Smeyers, u begint over de reddingsoperaties van groepen. Maar daar sloeg onze kritiek van de voorbije weken in verband met de fraude met de visa niet op. Toen wij het daarover hadden, ging het net over de individuele gevallen, waarvoor er blijkbaar ook een ongelijke behandeling is.

 

Het is door mij en door anderen al opgemerkt en vandaag door zowel de DVZ als door Myria nog eens bevestigd dat er voor de individuele aanvragen twee manieren bestaan. Er is de normale weg, waarvan de aanvraag via een diplomatieke post of rechtstreeks bij de DVZ gebeurt. Dat gaat moeilijk. Er is een screening en dies meer. Mijnheer Roosemont, u hebt daarover cijfers gegeven, waaruit blijkt dat u meer aanvragers hebt afgewezen dan een toelating toegekend.

 

Een andere mogelijkheid bestond uit de procedure aan de hand van de lijsten van het kabinet-Francken. Daarover hebben wij vandaag bijzonder weinig gehoord, omdat de mensen die hier worden gehoord, daarover bijzonder weinig kunnen vertellen. Zij waren er immers niet bij betrokken. De DVZ heeft in die lijsten geen inzage gehad en er geen screening over mogen geven.

 

Het kabinet zei dat het zijn discretionaire bevoegdheid gebruikte en wilde dat DVZ voor de mensen op de lijst die het van het kabinet kreeg, een humanitair visum afleverde. Het enige wat DVZ mocht doen, was een veiligheidscheck. Dat werd ook bevestigd in De Zevende Dag. Zo is het gelopen.

 

Mevrouw Smeyers, het gaat niet over humanitaire corridors, een mogelijkheid waar wij uiteraard ook achterstaan, al kunnen wij de regeling ter zake misschien hier en daar nog verfijnen. Die vormt niet het grote probleem. Het grote probleem is het cliëntelisme, omdat er wordt gewerkt met lijstjes die door een aantal figuren werden opgemaakt, figuren bij wie men toch serieuze vraagtekens kan plaatsen.

 

Dergelijk probleem had kunnen vermeden worden, als er lang geleden was ingegaan op mijn vraag om meer transparantie te krijgen op het vlak van de procedure en van de selectie van wie hierheen mag komen. Wij hebben nooit gezegd dat de mensen niet naar hier mochten komen, integendeel. De vraag is echter op welke manier men dat regelt.

 

Ik hoor u nu pleiten voor gezinnen die anders niet gered konden worden, maar ik heb u juist het tegendeel horen zeggen, toen het ging over dat ene Syrische gezin dat naar België wilde komen. Dat gezin mocht vooral niet hierheen komen, ook al was ook voor dat gezin alles geregeld en was er een familie die hier alle kosten zou dragen. Men mocht dat gezin geen visum geven, want dan zouden er nog wel eens families hierheen kunnen komen.

 

Ik stel nu vast dat de ene familie de andere niet is. Als men vriendjes was met Kucam, dan kon men wel familie laten overkomen en anders niet. Dat is hetgeen dat wij aanklagen. Het gaat niet over het feit dat wij bijvoorbeeld gevolg gegeven hebben aan een bepaalde resolutie om minderheden te redden. Dat vinden wij uiteraard geen probleem. Wij vinden dat echter wel een probleem als het eenzijdig gebeurt. Wij vinden het absoluut geen probleem dat christelijke minderheden gered worden uit Aleppo of waar dan ook, maar dan had ik graag gezien dat ook andere minderheden gered worden. Bijvoorbeeld Rohingya uit Myanmar behoren ook tot een bedreigde minderheid. Voor hen heb ik geen reddingsoperaties gezien. Dat vond men blijkbaar niet nodig. Dat is hetgeen ik hier zeg. Er wordt blijkbaar met twee maten en gewichten gewerkt.

 

Mijnheer Roosemont, ik heb de voormalige staatssecretaris regelmatig vragen gesteld waarvan ik weet dat de antwoorden door de DVZ worden voorbereid. Ik wil het even hebben over het antwoord op een vraag van mij uit december 2016. Ik vroeg toen wat de procedure is en hoe die verloopt.

 

Uit dat antwoord bleek dat de DVZ toch wel een zekere procedure handhaafde. Dat is vandaag ook door Myria bevestigd. Er zijn best wel wat elementen waarmee u rekening houdt. Als u een screening doet, dan houdt u rekening met de band met Belgen, met de plaats waar de aanvraag is gedaan, met de kwetsbaarheid. Er gebeurt dus al een zekere selectie. Kan dat beter? Misschien wel, maar er gebeurt toch al een bepaalde toetsing.

 

Die werkwijze volgt u voor bepaalde groepen, maar die werd blijkbaar niet gevolgd voor de lijsten die van het kabinet van Theo Francken naar u kwamen. Uw woordvoerder verklaarde op de televisie dat er geen verdere screening behoudens de obligatoire veiligheidscheck werd gedaan, omdat de staatssecretaris onderstreepte zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken.

 

Sinds wanneer krijgt u die lijsten? Hoeveel lijsten hebt u gekregen? Over hoeveel mensen gaat het in totaal? Hebben vorige ministers, mevrouw De Block, met dergelijke lijsten gewerkt? Ik herinner mij dat niet, maar misschien u wel.

 

U hebt zopas verwezen naar Congo en Haïti. Dat gaat in mijn ogen dan over lijsten voor humanitaire corridors. Daar heb ik geen problemen mee. Ik heb het hier over lijsten in België van bepaalde tussenpersonen die via het kabinet gaan en niet via de DVZ. Kunt u daar meer over zeggen? Wat rechtvaardigt dan nu plots een andere werkwijze voor bepaalde doelgroepen?

 

Overigens, mevrouw Smeyers, u spuit mist wanneer u onderstreept dat voor iedereen dezelfde procedure geldt, wat de voormalige staatssecretaris blijkbaar ook op televisie heeft gezegd. De heer Van den. Bulck heeft dat ook onderstreept en ik verwacht niet anders dan dat dezelfde procedure in België voor iedereen geldt. Het zou er nog maar aan ontbreken! Dat is niet de vraag.

 

Het gaat erover wie er naar België mag komen. Gebeurt dat willekeurig of gebeurt dat volgens bepaalde regels? Daar gaat het over. Daar klagen wij aan dat er politiek cliëntelisme is gebeurd, dat dit via lijstjes en bevriende mensen, binnen een partij of daarbuiten, is gebeurd. Niemand betwist dat het Commissariaat voor iedereen dezelfde procedure toepast, eens men hier in het land is.

 

Ten tweede, de heer Van den Bulck heeft aangegeven niet helemaal exact te kunnen zeggen hoeveel mensen die via een humanitair visum zijn gekomen, asiel hebben gekregen, omdat hij dat onderscheid niet kan maken. Hij zou dat eventueel wel kunnen als hij een lijst zou krijgen van de DVZ.. Mijnheer Roosemont, u weet welke mensen een humanitair visum hebben gekregen. Kunt u de heer Van den Bulck een lijst bezorgen - zoals hij vraagt - zodat wij achteraf zo snel mogelijk te weten kunnen komen wie er asiel heeft gekregen en wie niet? Ik zou ook wel willen weten of al die mensen die naar hier zijn gekomen, effectief nadien de weg hebben gevolgd om bescherming aan te vragen via asiel. U moet mij weten te zeggen, mijnheer Roosemont, of daar eventueel een groep mensen bij is die een humanitaire regularisatie hebben aangevraagd, die dus niet alleen via een bepaald visum naar hier zijn gekomen, maar achteraf ook geen bescherming als vluchteling of subsidiaire bescherming hebben aangevraagd, maar gewoon humanitaire regularisatie. Ook dat is iets waar alleen de staatssecretaris over kon beslissen. Is dat ook gebeurd? Dat zou ik van u ook graag willen weten.

 

Ik zou ook nog iets willen weten van het Commissariaat-generaal. U heeft toegelicht dat u vooraf weinig werd betrokken. Dat is natuurlijk ook moeilijk als dat enkel op basis van lijsten ging, behalve dan voor de gevallen van resettlement, waar u prima heeft kunnen samenwerken met de UNHCR. Eén van mijn vragen was welke zaken zij voorstelden om de procedure voor de humanitaire visa te verbeteren. Ik stel vast dat wij op dezelfde golflengte zitten en dat u ook pleit, net zoals anderen hier in de zaal, voor op zijn minst meer transparantie en objectiviteit. Ik zou willen vragen of u ook denkt dat er een rol kan weggelegd worden voor de Commissie van Advies voor Vreemdelingen. Die is er en die kan in bepaalde gevallen worden gevraagd om de staatssecretaris te adviseren.

 

Bij alle aanvragen zou naar mijn mening minstens het advies van de DVZ gevraagd moeten worden. In sommige, echt complexe gevallen kan er daarna eventueel bijkomend advies gevraagd worden aan de Commissie van Advies voor Vreemdelingen.

 

Kortom, collega's, vandaag vernemen wij nog eens zwart op wit dat er een weg via de DVZ en een weg via het kabinet bestaat. De DVZ-weg is vaak moeilijk en omslachtig. De kabinetsweg is eigenlijk een shortcut, die toch wel blijk geeft van een voorkeurbehandeling voor mensen. Dat laatste klagen wij aan.

 

Wij klagen niet de redding van mensen aan. Immers, hoe vaak heb ik in deze commissie niet gevraagd om bijvoorbeeld de resettlement uit te breiden? Ik hoor de heer Van den Bulck hier bevestigen dat resettlement inderdaad een goede manier is om kwetsbare mensen naar hier te halen. Welnu, zet daar dan op in. Echter, in plaats van de resettlement te versterken, heeft staatssecretaris Francken nog niet zo lang geleden beslist om de resettlement voorlopig on hold te zetten. Nu begrijp ik waarom: hij had namelijk zijn eigen manieren om mensen naar hier te brengen. Daarover gaat het.

 

Naar mijn mening mag een minister geval per geval oordelen over wie er uiteindelijk een visum krijgt. Dat moet echter wel op een transparante manier gebeuren, minstens met het advies van de DVZ en volgens een duidelijke procedure zodat in het algemeen aan de mensen uitgelegd kan worden dat zij naar België kunnen komen en op welke manier er een aanvraag ingediend kan worden. De betrokkenen hoeven niet via een tussenpersoon te werken en zij hoeven er al zeker niet voor te betalen. Regel dat gewoon rechtstreeks bij de dienst Vreemdelingenzaken; dat is de kwestie.

 

Als het onze bedoeling is om kwetsbare mensen te beschermen, dan moeten wij ervoor zorgen dat er geen misbruik kan worden gemaakt van die kwetsbaarheid. In de reportage zagen wij echter dat verschillende tussenpersonen daar waarschijnlijk ook nog geld voor gevraagd hebben, wat nader door het gerecht uitgezocht moet worden. Zelfs als er geen geld voor gevraagd werd, vind ik het problematisch dat bepaalde mensen zomaar kunnen beslissen wie er al dan niet in aanmerking komt voor een visum en of de aanvrager bovenaan, onderaan of helemaal niet op die lijst komt te staan. Dat zou niet à la tête du client mogen gebeuren en evenmin afhankelijk van iemands lidkaart, maar wel objectief en transparant. Iedereen die meent nood te hebben aan bescherming, moet die aanvraag kunnen indienen. Vervolgens moet de DVZ daarover, op basis van alle elementen in het dossier, kunnen oordelen.

 

Uit de cijfers van de DVZ heb ik opgemaakt dat er vorig jaar iets meer dan zeshonderd aanvragen zijn geweest en dat minder dan de helft daarvan werd goedgekeurd.

 

Hoe dat precies zit, moet nog blijken, maar blijkbaar vond de DVZ dat het voor een aantal mensen minder nodig was om hen een visum te geven en in een driehonderdtal gevallen vond zij dat het wel nodig was.

 

Ten slotte wil ik de DVZ nog vragen of zij ons veel meer duidelijkheid kunnen geven over de cijfers. Blijkbaar heeft ook Myria niet de cijfers per categorie. Ik vind het raar dat ik in De Standaard van 17 januari wel een aantal globale cijfers kon lezen. Ze spreken daar over in totaal 6 561 dossiers over de volledige periode, dus over een aantal jaren. Daarvan was ongeveer de helft hervestiging en de andere ofwel reddingsoperaties of individuele gevallen.

 

Mijnheer Roosemont, kunt u ons die cijfers bezorgen? U hebt vandaag een paar cijfers gegeven, maar niet allemaal. Ik krijg graag cijfers per categorie. Dat is ook een vraag van Myria.

 

Hoeveel zijn er gekomen via resettlement, hoeveel via reddingsoperaties en hoeveel via individuele aanvragen? Binnen die individuele aanvragen wil ik weten hoeveel er zijn gekomen via de lijstjes van het kabinet en hoeveel via de diplomatieke post of de DVZ.

 

02.11  Carina Van Cauter (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, collega's, ik denk dat wij ondertussen aan de tweede legislatuur zijn waarbij wij zorgvuldig legistiek de grenzen hebben gesloten. Daarmee bedoel ik dat wij inspanningen hebben geleverd om onze wetgeving te verbeteren op die punten waar illegaal gebruik werd gemaakt van legale middelen om een migratiekanaal op te zetten. Wij denken aan de nationaliteitswetgeving, schijnhuwelijk, schijnerkenning en schijnsamenwoonst. Zorgvuldig hebben wij onze bestaande regelgeving onderzocht en bekeken waar daarvan herhaaldelijk misbruik werd gemaakt om ons grondgebied de facto illegaal en onrechtmatig te betreden.

 

Die wetgeving is streng. Ik meen dat een grote meerderheid in dit Parlement gekozen heeft voor een dergelijk strenge regelgeving, ook met betrekking tot gezinshereniging. Ik kan dit duidelijk herhalen en bevestigen voor mijn fractie. Wat gezinshereniging betreft, zijn wij inderdaad zeer streng geweest. Dit wil zeggen: enkel de partner en de minderjarige kinderen, en op voorwaarde dat men er zelf voor kan zorgen. Dat laatste betekent dat men een vast inkomen en een eigen huis moet hebben, en moet zorgen voor eigen sociale zekerheid. Als hieraan voldaan is, kunnen betrokkenen naar ons grondgebied worden overgebracht om het gezin te vervolledigen en te hervestigen.

 

Ik weet dat in sommige gevallen een oplossing nodig is voor dringende en humanitaire nood. Een dergelijke oplossing wordt gezocht met toepassing van de artikelen 9 en 13 van de Vreemdelingenwet. Dit is hier uitdrukkelijk bevestigd. Ook in het verleden, na grondig onderzoek van individuele dossiers, op regelmatige basis, maar niet arbitrair, werd toegekend om een humanitaire nood te lenigen.

 

Wat ik vandaag vaststel, is dat die cijfers vertienvoudigd zijn. Mijn fractie is verontwaardigd over het feit dat mensen, zonder enig onderzoek naar de prangende humanitaire of medische omstandigheden, blijkbaar op lijsten zijn terechtgekomen en via het kabinet een visum hebben verkregen om het grondgebied te mogen betreden. Daarbij maken mensensmokkelaars bovendien misbruik van een moeilijke situatie om de betrokkenen geld af te zetten. Dit is een ontoelaatbaar systeem dat, bij gebrek aan onderzoek, ongetwijfeld werd vergemakkelijkt.

 

Het gerechtelijk onderzoek zal misschien uitwijzen dat zonder controle en zonder individueel onderzoek de poort open wordt gelaten voor misbruik. Ik heb vastgesteld dat Myria, door gebruik te maken van de procedure "reddingsoperatie" waarbij geen individueel onderzoek van het dossier gebeurt, de facto overgaat tot gezinshereniging in situaties die volgens onze regelgeving ontoelaatbaar zijn.

 

Dat wil zeggen dat men diegenen die niet toegestaan zijn tot een gezinshereniging, toch een visum D geeft. Eigenlijk hebben wij dus onze grenzen legistiek gesloten – geen misbruik van de procedure voor gezinshereniging, die strikt voorbehouden is tot het kerngezin – maar de facto heeft men via de lijstjes de achterdeur opengezet voor illegale gezinsherenigingen. Dat heb ik gehoord van Myria.

 

Ten tweede, mevrouw Lanjri heeft er al naar verwezen dat mevrouw Smeyers bevestiging vroeg aan de heer Van den Bulck dat alle dossiers voor een asielaanvraag in ons land op dezelfde manier worden behandeld en onderzocht. (De heer Van den Bulck knikt.)

 

Dat lijkt mij nogal evident – u zult dat straks bevestigen – en uiteraard verwachten wij dat van een onafhankelijk commissariaat.

 

Iets anders wat u zei, is dat u enkel bij de reddingsoperaties van 244 Syrische christenen in 2015 en 37 mensen uit Noord-Syrië – dat weet ik niet meer goed – een advies hebt gegeven en dat in alle volgende dossiers zelfs geen advies meer is gevraagd of gegeven. Ik weet het niet, u zult het mij straks zeggen.

 

In alle dossiers die via het kabinet kwamen, is ook geen advies gevraagd of gegeven door de DVZ, als ik goed heb geluisterd. Dat wil zeggen dat in concreto noch in theorie enig onderzoek is gebeurd naar de humanitaire redenen voor het verlenen van een visum. Op die manier zijn wij dus absoluut niet zeker dat zij die een visum hebben gekregen – discretionair weliswaar –, dat visum niet arbitrair hebben verkregen. Dat is een situatie die wij moeten vermijden. Ik ben voorstander van het toekennen van een visum om humanitaire redenen, maar dat mag niet discretionair gebeuren en er mag zeker geen onderscheid worden gemaakt tussen burgers die zich in dezelfde omstandigheden bevinden.

 

Zeggen dat gezinshereniging niet kan voor A en ze wel toelaten voor B in dezelfde omstandigheden, is volgens mij niet correct. Als ik goed heb geluisterd lijkt dit wel degelijk het geval te zijn in het "systeem-kabinet".

 

Kan iemand van jullie zeggen of hij of zij weet op welke wijze men op het lijstje van het kabinet terechtkwam? Kan iemand van u bevestigen dat gezinshereniging de facto op het kabinet kon worden gevraagd en dat het kabinet met andere woorden bijna een diplomatieke post of een ambassade was geworden? Heb ik dat goed begrepen of heb ik slecht geluisterd?

 

Ik ben lang lid geweest van de commissie voor Naturalisaties. Naturalisatie is nog steeds een gunst maar wij zijn als commissie en als Parlement nooit arbitrair omgegaan met die gunst. Wij hadden interne afwegingscriteria, geen af te dwingen criteria maar interne afwegingscriteria. Ik kan mij niet indenken dat de DVZ geen interne afwegingscriteria had, met name op welke wijze men een individueel dossiers zou beoordelen.

 

Moet ik het mij zo indenken dat men dit afhankelijk maakte van de individuele dossierbehandelaar, iemand met een groot of een klein hart, iemand die snel of niet snel geëmotioneerd raakt? Ik kan mij dat niet indenken. Er moet toch ergens een balans zijn om te bepalen of iemand al dan niet recht heeft op een humanitair visum. Misschien kunt u dat nog wat verduidelijken.

 

Ik heb nog een laatste vraag in de eerste ronde. Mensenhandel, mensensmokkel, het heeft de pers bereikt. Alle actoren op het terrein zijn er elke dag mee bezig en gaan ongetwijfeld zeer zorgvuldig met deze materie om. Ik kan mij niet indenken dat niemand van jullie op de hoogte werd gebracht. Er moeten minstens geruchten of aanwijzingen in bepaalde dossiers geweest zijn, bijvoorbeeld dezelfde systemen die terugkomen, pieken in statistieken enzovoort.

 

Ik heb de staatssecretaris heel vaak horen verklaren dat er zeer duidelijk een mensensmokkelroute werd opgezet vanuit Palestina.

 

Dat bleek uit cijfers en statistieken. Is het u in dezen opgevallen dat er aanwijzingen waren om te spreken van mensensmokkel? Hoe is daar dan mee omgegaan? Wordt of werd er ooit aangifte gedaan aan het parket om een onderzoek op te starten? Ik hoef u artikel 29 niet in herinnering te brengen, dat niet alleen geldt voor ambtenaren, maar ook voor de gestelde lichamen. Daar hoorde de staatssecretaris zeker bij.

 

02.12  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ook mijn dank aan de sprekers voor de inleiding. Het is terecht dat er een aantal antwoorden wordt gegeven. De verontwaardiging over wat er is gebeurd, is nog altijd bijzonder groot. Er werd een keuze gemaakt door de voormalige staatssecretaris om te werken op een bepaalde manier, met een aantal tussenpersonen. Dat heeft de deuren opengezet, weten we nu, voor regelrechte misbruiken en fraude, en bovendien voor grof geld. Ik wil onmiddellijk een antwoord geven aan de N-VA of mevrouw Smeyers. Het ultieme argument of de ultieme verdedigingslijn lijkt nu: hoe moesten die mensen anders worden gered?

 

Eerst en vooral is het de schande van het systeem-Francken dat we niet weten of het ging om kwetsbare mensen. Of ging het misschien gewoon om mensen die het geld hadden om te betalen voor een humanitair visum? In ieder geval werken de VN constant aan het in veiligheid brengen van kwetsbare mensen, rechtstreeks uit de vluchtelingenkampen in Turkije, Libanon en dergelijke meer. Ook in 2015 is er een reddingsoperatie geweest, in dit geval rechtstreeks uit Syrië, maar dat was een regeringsbeslissing en omkaderd. Dat gebeurde effectief ook met tussenpersonen, maar er was zelfs betrokkenheid van het Commissariaat-generaal. Toen ging het om christenen die ook werden gered. Dat is helemaal anders, collega's van de N-VA, dan te werken met bevriende tussenpersonen, die dan nog eens dezelfde partijlidkaart hebben als uzelf. Er is dus geen enkele reden en geen enkel valabel excuus om te werken met dit soort louche constructies en de rode loper uit te rollen voor die tussenpersonen. Uw voormalige staatssecretaris is uiteraard politiek verantwoordelijk.

 

Er is inderdaad discussie geweest in 2015 over een resolutie van de Kamer om ons te gaan richten op religieuze minderheden.

 

Het klopt – u hebt ernaar verwezen – dat mijn fractie Ecolo-Groen die resolutie niet heeft willen steunen. Uit het parlementaire verslag wil ik toch nog eens aanhalen wat ik toen, drie of vier jaar geleden, heb gezegd. Ik heb toen gezegd dat de tekst van de resolutie over de bescherming van religieuze minderheden op zich goed was, maar dat er een serieuze angel in zat: "Deze tekst geeft eigenlijk prioriteit aan de hervestiging van religieuze minderheden, terwijl hervestiging zou moeten gaan om kwetsbaarheid van politieke vluchtelingen en oorlogsvluchtelingen. Wij vrezen dat dit de regering een vrijgeleide geeft om enkel christenen te hervestigen, terwijl hét criterium de kwetsbaarheid zou moeten zijn."

 

Ik heb gelijk gekregen. Ik meen dat wij toen met onze fractie tegen de stroom in gingen en er al in 2015 terecht voor hebben gewaarschuwd dat men effectief het criterium religie en "christenen in Syrië" zou gebruiken. Men zou daar alles voor doen. Wij weten nu dat het effectief de deur heeft opengezet voor misbruik en fraude.

 

Mijnheer Roosemont, ik wil u een aantal vragen stellen. Van de organisaties die hier vandaag aanwezig zijn, is, als ik het goed begrijp, de DVZ de organisatie die heeft meegewerkt aan de carrousel, wat uiteindelijk – dit was uiteraard uw bedoeling niet – tot misbruik en fraude heeft geleid. Uw administratie had de voormalige staatssecretaris nodig om de humanitaire visa af te leveren.

 

Wij weten dat via bevriende personen, soms met een partijlidkaart van de N-VA, lijstjes werden opgesteld en aan de administratie werden bezorgd, met de vriendelijke vraag om snel een humanitair visum af te leveren. Hebt u zich nooit vragen gesteld bij die werkwijze van Theo Francken? Is er nooit overleg geweest? De voormalige staatssecretaris, mevrouw Maggie De Block, werkte namelijk helemaal anders. De dienst Vreemdelingenzaken merkte op dat de werkwijze onder Theo Francken radicaal veranderde. Hebt u nooit aan de alarmbel getrokken? Hebt u nooit gewaarschuwd voor het mogelijke misbruik? Voor mij is dat onbegrijpelijk.

 

Er is een vergelijking gemaakt met Rwanda en de adoptiedossiers. Van wie kwamen die lijsten? Ze kwamen niet van de tussenpersonen die ondertussen zijn opgedoken in dit dossier en blijkbaar maar bij het kabinet moesten aankloppen om een humanitair visum te krijgen.

 

Mijnheer Roosemont, mijnheer Van den Bulck, had u nooit weet van geruchten over misbruik en fraude in het jaar 2018?

 

Staatssecretaris Theo Francken had wel twee keer weet van die geruchten, namelijk in oktober en in december 2018. Ondertussen weten wij dat hij met die geruchten eigenlijk niks heeft gedaan.

 

Hebt u op een bepaald moment echter weet gehad van of geruchten opgevangen over mogelijke carrousels met visafraude en grof geld dat aan tussenpersonen zou moeten worden betaald, om een humanitair visum te bekomen?

 

Hebt u toen bepaalde stappen gezet, misschien in alle discretie tegenover de staatssecretaris?

 

Mijn vraag is echter heel duidelijk.

 

Ik heb vervolgens een vraag voor de dienst Vreemdelingenzaken.

 

Mijnheer Roosemont, hoe komt het dat op de mensen die op de lijstjes stonden die door het kabinet rechtstreeks aan u werden doorgespeeld, nooit een nauwkeurige kwetsbaarheidcontrole is gebeurd? Blijkbaar is enkel een veiligheidsscreening gedaan. U hebt dat ook toegegeven, namelijk dat er in feite niet echt goed op kwetsbaarheid is gecontroleerd. Was er dan zo een blind vertrouwen?

 

Hoe kon u zeker zijn dat de humanitaire visa die u hebt afgeleverd wel degelijk naar kwetsbare mensen zijn gegaan? Is het niet de taak van uw administratie om een dergelijke controle op kwetsbaarheid te doen?

 

Bovendien weten wij dat niet iedereen waarover het ging, rechtstreeks van Syrië kwam. Voor een vrij grote groep mensen waarover wij in de carrousel met die tussenpersoon spreken, ging het eigenlijk om mensen die via Libanon en Turkije aan een humanitair visum zijn geraakt. Het gaat in bepaalde mate om mensen die eerst zichzelf via Libanon en Turkije in veiligheid hebben gebracht en dan pas een humanitair visum hebben aangevraagd.

 

Het argument dat het per definitie om kwetsbare mensen zou gaan omdat een en ander in Syrië zelf is gebeurd, is dus niet gegrond en klopt niet. Ondertussen weten wij dat ook. Wij hebben de lijst gekregen van de mensen, de tussenpersonen en de groepen waarover het ging.

 

De check naar kwetsbaarheid hebt u niet uitgevoerd, wat vreemd is.

 

Mevrouw Smeyers, u hebt in het begin hier in de commissie goed geprobeerd te spinnen. U bent immers begonnen met aan de heer Van den Bulck de vraag te stellen – de heer Van den Bulck bevestigt ze door te knikken – of de asielaanvraag correct is verlopen en ook of daarvoor voor iedereen dezelfde criteria zijn gehanteerd, ongeacht of het nu ging om mensen die op de lijstjes stonden of mensen die niet op de lijstjes stonden. De heer Van den Bulck heeft daarop heel braaf en loyaal geknikt dat een en ander correct is verlopen.

 

Mevrouw Smeyers, alleen gaat het in de huidige commissiezitting niet om de asielaanvragen. De commissiezitting gaat om het recht vooraf, namelijk over de manier waarop de humanitaire visa door uw voormalige staatssecretaris zijn afgeleverd. Op dat punt is er sprake geweest van een vip-behandeling voor mensen en namen die op die lijstjes voorkwamen en was er een heel andere behandeling voor andere mensen, die het veel moeilijker hadden, die rechtstreeks naar een consulaat in bijvoorbeeld Beiroet moesten gaan, om daar zonder tussenpersonen een humanitair visum aan te vragen, die niet het geluk hadden dergelijke connecties te hebben en waarvoor een humanitair visum dan ook vaak werd geweigerd. Herinner u de zaak uit 2017 van het gezin.

 

Zoals mevrouw Van Cauter daarnet heeft gesteld, zou het er nog maar aan moeten mankeren dat de asielaanvragen niet correct en op een objectieve manier door het Commissariaat-generaal werden behandeld.

 

Dat is nu eenmaal niet het voorwerp van de huidige discussie. Het voorwerp is de misbruik en de fraude, waarover u trouwens – ik wil dat aan alle leden opmerken – tijdens uw betoog in alle talen hebt gezwegen.

 

Laat ons even vergelijken met de werkwijze van de Verenigde Naties bij de preselectie voor hervestiging.

Mijnheer Van den Bulck, die procedure is uitgelegd. U hebt dat gedaan. U hebt uitgelegd dat bij de preselectie voor hervestiging de Verenigde Naties een selectie doen op basis van nood aan bescherming en op basis van kwetsbaarheid, gevolgd door een grondig onderzoek door het Commissariaat-generaal, met vaak ook een missie en onderzoek ter plekke.

 

Pas daarna wordt een humanitair visum gegeven, zodat de betrokkenen praktisch in staat zijn om naar ons land over te komen.

 

Daar kan het dus wel. Laten wij proberen om het beste van beide werelden te combineren in de procedure om humanitaire visa uit te reiken. Ik wil daarover straks nog iets meer zeggen. Wij moeten dus nadenken hoe wij misbruik kunnen voorkomen.

 

Mijnheer Roosemont, de werkwijze in het systeem-Theo Francken was radicaal anders dan de werkwijze in het systeem-Maggie De Block. Maggie De Block zei dat ze nooit heeft gewerkt met dat soort tussenpersonen en dat ze dat nu ze er opnieuw voor bevoegd is, ook niet zal doen. Dat is dus een radicaal andere werkwijze.

 

Was er een verschil in de rol van de dienst Vreemdelingenzaken tussen Theo Francken en Maggie De Block?

 

Ten tijde van het systeem-Theo Francken deed u geen controle naar kwetsbaarheid. Hebt u wel controle gedaan naar kwetsbaarheid ten tijde van het systeem-Maggie De Block, toen er niet gewerkt werd met dat soort tussenpersonen?

 

Dan heb ik een vraag aan de dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen over het beruchte Facebookfilmpje van Melikan Kucam, die in de straten van Beiroet documenten uitdeelt. Hebt u op eender welk moment weet gehad daarvan? Hebt u dat filmpje gezien? Is dat bij u diensten gekomen? Kunt u daarover iets meer vertellen?

 

Dan heb ik een vraag aan de dienst Vreemdelingenzaken. Hoe komt het dat er effectief niet meer gedetailleerde cijfers beschikbaar zijn rond humanitaire visa? Wij hebben een aantal cijfers gezien. In het belang van de transparantie is het echter nodig dat wij weten op basis van welke elementen een humanitair visum wordt uitgereikt, wanneer wel en wanneer niet.

 

Hoe wordt kwetsbaarheid geïnterpreteerd? Is het juist dat onder Theo Francken niet het criterium kwetsbaarheid dominant was maar wel het criterium religie?

 

De parlementsleden hebben dus meer controle nodig op die overwegingen, op de criteria die meespelen bij de discretionaire bevoegdheid die een staatssecretaris blijkbaar heeft om humanitaire visa uit te reiken of niet.

 

Mijnheer Roosemont, wat zou u kunnen doen om meer transparantie in deze black box, die de humanitaire visa toch wel zijn, tot stand te brengen? Bent u in staat om meer en preciezere statistieken bij te houden, ook statistieken die wijzen op het al dan niet gebruik van het criterium kwetsbaarheid ten opzichte van andere overwegingen die hebben meegespeeld in de beslissingen van de staatssecretaris?

 

Dan heb ik een vraag voor het CGVS. Er is advies gegeven bij de reddingsoperatie in 2015, hebt u gezegd mijnheer Van den Bulck, onder meer op basis van fiches die werden opgesteld door de organisatoren zelf. U was dus bij die reddingsoperatie betrokken en daarna niet meer, hebt u gezegd. Voor alle andere uitgereikte humanitaire visa en reddingsoperaties was er geen betrokkenheid meer van het CGVS. Waarom? Hebt u daar een idee van? Waarom werd voor al de volgende reddingsoperaties, die hebben geleid tot het misbruik dat wij nu vaststellen, geen advies aan u gevraagd? Kunt u mee nadenken over waarom dat zo verliep? Waarom kon het wel bij de reddingsoperatie in 2015 en nu niet?

 

In elk geval is er in 2018 geen enkele reden meer om niet te werken via officiële instanties zoals de VN of erkende partners, ngo's, omkaderd met protocollen, meer controle en erkende tussenorganisaties. Bij hervestiging gebeurt dat zo. Ik denk dat we de beide systemen op een of andere manier zouden moeten kunnen combineren.

 

Mijnheer Roosemont, weet u hoe de heer Francken omging met humanitaire visa op aanvraag in een Belgische ambassade? Weet u of het daar ook in het voordeel van de aanvragers speelde om rechtstreekse connecties te hebben met tussenpersonen of met bepaalde kabinetsmedewerkers?

 

Hebt u ook cijfers van de weigeringen van humanitaire visa? De cijfers van de toekenning van humanitaire visa zijn zeer interessant, maar hoe vaak werd zo'n visum geweigerd en op basis waarvan? Als we meer transparantie willen, is het logisch dat ook hierover meer klaarheid komt.

 

Ten aanzien van het Commissariaat-Generaal, de vraag die nog open blijft staan, luidt wat er effectief is gebeurd met de mensen die met een humanitair visum naar België konden komen. Vroeg elk van die mensen hier asiel aan? Ik heb de indruk dat er daarover geen gegevens bekend zijn. Weten wij wel wat er is gebeurd met de mensen die op basis van een humanitair visum een verblijf hebben gekregen in ons land?

 

In welke mate was er toch permanent verblijf mogelijk, louter op basis van het verkrijgen van een humanitair visum? Als het in bepaalde gevallen niet nodig was om asiel aan te vragen of om een gunstig antwoord te krijgen op basis van een asielaanvraag, dan betekende een humanitair visum eigenlijk een toegangsticket voor een permanent verblijf in ons land. Dat verklaart misschien ook de hoge prijzen die circuleerden bij het afleveren van een dergelijk humanitair visum.

 

Mijn volgende vraag is gericht tot het Commissiariaat-Generaal. Wij weten dat hervestiging heel wat troeven en voordelen heeft. Een humanitair visum op zich kan een nuttig aanvullend kanaal zijn, zeker bij individuele aanvragen. Bestaat de mogelijkheid om het beste van die twee werelden op de een of andere manier te combineren? Ook aan Myria wil ik in dat verband vragen of er daartoe een wetsvoorstel nodig is.

 

Ik wil u ook vragen om commentaar te geven op krijtlijnen die in een dergelijk wetsvoorstel kunnen dienen, met name de volgende.

 

Kan het zinvol zijn om de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris te behouden, maar om toch te werken met een strakker kader, waarbij de staatssecretaris in zijn afweging rekening moet houden met criteria zoals kwetsbaarheid? We kunnen dat enigszins afbakenen en definiëren door te verwijzen naar artikels uit internationale verdragen.

 

In zo'n wetsvoorstel kunnen wij stipuleren om nog uitsluitend te werken met bepaalde tussenorganisaties, zoals de Verenigde Naties of erkende ngo's. Het wetsvoorstel kan de regering opdragen om protocollen op te stellen en kaderakkoorden te definiëren, zodat de selectie op het terrein ook heel praktisch kan verlopen.

 

Voorts lijkt het ons ook opportuun om in een wetsvoorstel de parlementaire controle op te nemen. De regering moet minstens een jaarverslag aan het Parlement voorleggen dat transparantie biedt over de manier waarop er beslist wordt om tot humanitaire visa te komen.

 

Wij moeten af van die black box, van die schemerzone die de humanitaire visa toch wel zijn en wij moeten de handen in elkaar slaan om wetswijzigingen te bekomen.

 

De voorzitter: Mevrouw Smeyers, u wou nogmaals het woord?

 

02.13  Sarah Smeyers (N-VA): Mevrouw de voorzitter, ik wil heel kort reageren op wat ik een persoonlijk feit noem.

 

Als de heer De Vriendt insinueert dat ik zou dulden dat die mogelijke wanpraktijken zijn gebeurd omdat ik met geen woord heb gesproken over die mogelijke fraude, dan wil ik dat even de wereld uithelpen.

 

Dat gerechtelijk onderzoek loopt en ik wil ten zeerste benadrukken dat als zou blijken dat Melikan Kucam zich schuldig heeft gemaakt aan het zich persoonlijk verrijken door het redden van christenen uit Syrië door middel van het uitreiken van humanitaire visa, dan hoop ik dat hij daarvoor de gepaste sanctie zal krijgen, dan moet hij daarvoor veroordeeld worden.

 

Mijnheer De Vriendt, vlak na het uitkomen van het nieuws van die mogelijke fraude ben ik de eerste geweest om te zeggen dat wij kritisch genoeg moeten zijn, dat wij het aan onszelf verplicht zijn om bepaalde wantoestanden uit dat systeem te halen. Dat wil niet zeggen dat wij het kind met het badwater moeten weggooien, maar dat wij kritisch genoeg moeten staan ten opzichte van onszelf en dat wij ons vragen moeten stellen bij een bepaalde naïviteit of een bepaald vertrouwen dat de staatssecretaris in bepaalde mensen heeft gesteld.

 

Mijnheer De Vriendt, ik heb dat van bij het begin gezegd. Ik tolereer uw insinuatie evenwel niet dat ik zou dulden dat dergelijke wanpraktijken mogelijk zouden zijn. Ik duld dat niet.

 

De voorzitter: Ik zie mij genoodzaakt tussenbeide te komen. Het systeem van een persoonlijk feit geldt niet voor de commissies. U hebt nu gezegd dat te proberen rechtvaardig en correct te zijn. Wij verwachten niet anders.

 

Mijnheer De Vriendt, rekening houdend met de sprekers, wil ik dat de vragen eerst en vooral worden afgewerkt en dan kunt u reageren op mevrouw Smeyers.

 

02.14  Georges Dallemagne (cdH): Madame la présidente, beaucoup de questions ont déjà été soulevées. Je remercie à mon tour les cinq intervenants des trois organisations que nous entendons cet après-midi, qui tentent de nous éclairer sur la manière dont sont délivrés les visas.

 

Je voudrais d'abord, moi aussi, réagir aux propos qui viennent d'être partiellement corrigés par Mme Smeyers, parce que j'ai été particulièrement choqué par ces propos. Mme Smeyers essaie de couvrir un odieux trafic d'êtres humains, avec des extorsions de fonds à des personnes qui sont particulièrement vulnérables, en présentant cela comme une opération humanitaire.

 

Elle semble aussi s'appuyer sur une résolution du Parlement. Elle a mal lu celle-ci, puisque cette résolution parle d'abord et avant tout de la protection des minorités sur place et de réinstallation. Il n'est pas du tout question de réinstallation ici, puisqu'il est question de personnes qui font l'objet de visas humanitaires alors qu'elles sont encore en Syrie. Madame Smeyers, je ne peux que désapprouver la manière dont vous instrumentalisez une résolution du Parlement qui ne dit absolument pas ce dont vous venez de parler. Vous vous drapez aujourd'hui dans une ferveur humanitaire qu'on n'a pas beaucoup connue de la part de la N-VA.

 

Je vais vous lire un message que j'ai reçu du représentant des Syriaques européens au mois d'octobre. Je le connais bien parce que je me suis rendu en Syrie. Je suis allé à la rencontre de ces communautés qui subissent des exactions et des violences spécifiques. "Bonjour, Georges. Ils amènent des Syriaques systématiquement de Syrie ici, en Belgique. Et ça, ce n'est pas bien pour nous, pour les Syriaques. Est-ce que tu sais faire quelque chose contre ça? Je pense que derrière tout ça, il y a Theo Francken."

 

Cette alerte est déjà lancée au mois d'octobre. La communauté syriaque souhaite être protégée sur place. L'action de votre gouvernement, et notamment de votre ministre de la Défense, sur place, a été de retirer les forces spéciales présentes pour protéger la population locale, et notamment les communautés chrétiennes.

 

Ce que demande cette communauté syriaque, c'est d'être protégée des volontés, notamment turques, d'invasion du nord de la Syrie, où elle se trouve aujourd'hui. C'est cela qu'il faudrait faire en priorité. Vous ne le faites pas, madame Smeyers. Je trouve particulièrement choquant cet écran de fumée humanitaire devant une opération qui est tout sauf humanitaire, puisqu'il s'agit de choisir des personnes en fonction de leur capacité contributive.

 

Cela étant dit, ce qui me frappe dans les interventions d'aujourd'hui, c'est qu'il s'agit d'un réquisitoire cinglant, bien qu'un peu nuancé par l'Office des Étrangers, beaucoup plus clair dans le chef de M. Van den Bulck, et très fort de la part de Myria, sur la manière dont les choses se passent aujourd'hui. On nous dit que cela se passe dans l'opacité, et que les organisations qui auraient dû être impliquées ne le sont pas, qu'il s'agisse de l'Office des Étrangers, du CGRA ou des organisations internationales compétentes et professionnelles. M. Van den Bulck a beaucoup insisté sur le fait qu'il faudrait s'entourer, systématiquement, d'organisations comme le HCR. C'est pour cela qu'il plaide en faveur de la réinstallation. On peut en effet s'entourer d'organisations qui ont une expertise spécifique en la matière.

 

Au sujet de l'opacité du système, je rejoins mes collègues. On ne peut pas nous dire aujourd'hui combien de visas humanitaires concernent une réinstallation, combien concernent des opérations de sauvetage et combien concernent des procédures normales. Je suis surpris. Nous devons nous baser en partie sur des informations indirectes, et nous n'avons toujours pas certaines informations.

 

Je note aussi que la procédure dite normale est de loin la plus compliquée. Il faudrait s'interroger sur l'opportunité et la manière d'alléger cette procédure normale.

 

S'agissant des cas syriens, et pour revenir au débat d'aujourd'hui, dans seulement 9 % des cas un accord préalable de l'Office des Étrangers a eu lieu. J'ai fait une rapide règle de trois. En ce qui concerne les autres nationalités, l'accord de l'Office des Étrangers a été demandé dans 92 % des cas pour les visas humanitaires.

 

J'ai pris le tableau de Myria et j'ai fait une règle de trois: 9 % de cas pour les Syriens, qui sont largement majoritaires, et 92 % pour les autres nationalités. J'adresse cette question à l'Office des Étrangers. Face à des chiffres aussi importants, on peut se poser la question suivante. Vous avez effectivement contribué, notamment administrativement, à émettre ces visas. Ne vous êtes-vous pas posé la question de savoir si cette procédure était normale? Est-elle normale et légitime?

 

On a aussi évoqué le fameux cas du couloir humanitaire de 2015 à Alep. Cette situation est complètement différente. Mes collègues l'ont rappelé sur le plan des procédures. Le CGRA, l'Office des Étrangers et l'organisation Sant'Egidio sont impliqués.

 

Et on est surtout – on ne l'a pas rappelé – en pleine guerre, dans une situation épouvantable sur le plan humanitaire où il s'agit de sauver des vies humaines. Je vous rappelle que Rakka est tombé en octobre 2017, Mossoul en juin 2017. On n'est plus du tout dans une urgence humanitaire. Où se trouve l'urgence humanitaire? Comme le disent les organisations internationales, elle est dans les camps de réfugiés; elle n'est pas en Syrie. Les personnes qui se trouvent dans les camps de réfugiés implorent pour obtenir des visas humanitaires et n'en reçoivent pas.

 

Nous avons de nombreux témoignages de personnes sur la route de l'exil, qui cherchent à obtenir un visa humanitaire. Pendant que les filières autour de Theo Francken s'organisent, ces personnes ne reçoivent pas de visa humanitaire. Elles ne reçoivent même pas le soutien qu'elles réclament pour rentrer chez elles pour reconstruire leur vie. Ces personnes sont dans les camps depuis sept ou huit ans et n'ont plus aucun moyen; elles sont dans une vulnérabilité totale.

 

À nouveau, on instrumentalise une situation qui date de 2015, qui ne prête pas à discussion sur le plan de l'urgence, ni des procédures mais on affirme qu'on ne réalisera plus d'opération de sauvetage. Si, on peut encore autoriser des opérations de sauvetage mais pour autant qu'elles soient encadrées et qu'il ne s'agisse pas de fait du prince.

 

Ce qui m'a frappé aussi – et j'aurais aimé avoir un commentaire de la part de Myria à ce sujet –, c'est que le pic des visas syriens octroyés par le cabinet Francken sans autorisation préalable de l'Office des Étrangers (page 4 du document transmis par Myria) a lieu en septembre 2018. Cela ne vous évoque rien? On est en pleine campagne électorale ... Pour les organisations présentes ici, n'y avait-il pas là une alerte à lancer? Avez-vous évoqué ce point lors de vos discussions régulières avec le secrétaire d'État?

 

Le secrétaire d'État lui-même indique qu'il est au courant depuis le mois d'octobre. J'aurais aimé savoir si vous-même aviez été alertés, si vous aviez entendu parler de Melikan Kucam ou d'autres noms ou d'autres filières? Les questions d'argent notamment avaient-elles été portées à votre connaissance? Des plaintes vous avaient-elles été adressées?

 

Des alertes ont-elles été lancées à cet égard? Le cas échéant, des plaintes ont-elles été traitées?

 

Une autre question se pose au sujet de l'Office des Étrangers, qui s'est impliqué administrativement. Monsieur Roosemont, vous avez indiqué très clairement que vous n'aviez pas participé à l'élaboration des listes de visas, puisqu'on vous les soumettait et que vous les adressiez ensuite aux postes diplomatiques. Je me suis informé à ce sujet et j'ai appris que notre poste diplomatique à Beyrouth avait reçu un document émanant de l'Office des Étrangers. Melikan Kucam y était présenté comme étant la personne chargée d'encadrer, en septembre dernier – donc, à quelques semaines des élections communales –, un groupe qui venait d'obtenir un visa humanitaire. Cela signifie que cette personne bénéficiait d'un ordre de mission ou, en tout cas, d'une introduction officielle. Je ne sais pas si vous pouvez me le confirmer. Comment cela se passe-t-il d'habitude? J'imagine que les instructions du secrétaire d'État vous étaient transmises par mail.

 

Ensuite, l'octroi des visas a-t-il été motivé? Je rappelle que la loi de 1991 prévoit l'obligation d'une motivation formelle des actes administratifs. Cela fut-il le cas? Quelle est la nature de votre rôle à l'Office entre le cabinet du secrétaire d'État et les représentations diplomatiques dans les différents pays concernés?

 

J'aimerais rappeler que, comme d'autres, je suis évidemment très attaché à cet instrument de protection internationale qu'est le visa humanitaire. Le passeport Nansen fut créé en 1922. Je ne crois pas qu'il faille installer une lourde bureaucratie en vue d'accorder ces visas humanitaires. Selon moi, on peut en laisser l'octroi à la discrétion du secrétaire d'État en charge, mais il faut qu'il puisse venir s'expliquer au Parlement. Je me réjouis que François De Smet ait suggéré qu'un rapport soit présenté au Parlement, comme nous l'avions demandé dans une proposition de loi que nous avions déposée. 

 

Je considère qu'il importe de ne pas alourdir le système en amont et de pouvoir le contrôler en aval. Des critères de vulnérabilité doivent être retenus, mais ils ne sont probablement pas les seuls.

 

On a dit que ce visa humanitaire pouvait être utilisé dans toute une série de situations exceptionnelles. Je pense qu'il serait bon qu'on puisse mettre cela en œuvre.

 

Monsieur Roosemont, vous avez dit qu'il n'était pas rare qu'on utilise des listes. Vous avez quand même dû faire un peu d'archéologie pour les retrouver puisqu'il s'agit du Rwanda – il y a 25 ans – et d'Haïti. Cela montre que la question des listes n'est pas une manière habituelle de procéder. La question ici est moins le problème de la liste que celle des intermédiaires, qui ne sont pas professionnels, qui n'ont d'autre qualité que celle d'être un mandataire de la N-VA. Saviez-vous que ces listes étaient rédigées et proposées par ces intermédiaires? D'une manière générale, ne faut-il pas privilégier les demandes individuelles? Il y a beaucoup d'appels au secours qui nous parviennent mais ces appels individuels ont très peu de chances d'aboutir. Le système dysfonctionne au regard d'appels au secours qui devraient être mieux entendus et des listes et des filières devraient certainement être mieux encadrées.

 

02.15  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Mevrouw de voorzitter, een parlement is toch een heel eigenaardige instelling. Wat hebben wij vandaag gezien van de heer Francken? Hij is hier aangekomen, heeft de camera's op zich gericht, heeft een fotootje genomen met mevrouw Smeyers en hij is vertrokken. Wat doet hij in de tussentijd? Collega's, u kent allemaal het antwoord. Hij zit op Twitter en daar geeft hij commentaar op wat er in de commissie gebeurt. De heer Francken tweet over mevrouw Van Cauter: "Tiens, is Carina nu migratiespecialiste geworden?" Dat was 20 minuten geleden. Daarop volgde een smiley met de ogen in de lucht. Theo, kom hier tweeten. Dat kan hier ook, hier is ook internet, kom naar hier!

 

De heer Francken stelt een aantal vragen op Twitter. Ik zal daar natuurlijk met plezier op antwoorden. Hij vraagt aan mevrouw Van Cauter, die in dezen wel zal toestaan dat ik antwoord, wat gezinshereniging en humanitaire visa met elkaar te maken hebben.

 

02.16  Carina Van Cauter (Open Vld): (…)

 

02.17  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Nee, mevrouw Van Cauter, u hebt niet getweet. Het is Theo Francken die tweet, en ik lees die tweet voor.

 

Wat heeft dat met elkaar te maken, vraagt de heer Francken. Dat is heel eenvoudig. Mevrouw Wouters en ik hebben het al geschreven in september 2018, toen het superboek verscheen over alles wat migratie betreft, behalve het Franckenpact/Marrakeshpact. Wij hebben toen geschreven dat de humanitaire visa inderdaad worden gebruikt om de criteria van de gezinshereniging, die verstrengd zijn, te omzeilen. Onze bron daarvoor was het verslag van Myria van 2017. Dat is toch wel raar.

 

Voorts tweet de heer Francken soms juiste zaken. Hij zegt bijvoorbeeld: "Over mijn beleid heb ik gedurende vierenhalf jaar de VLD niet horen piepen." Dat was 21 minuten geleden, dat is inderdaad wel juist.

 

Nadat ik de heer Francken met enig plezier heb geholpen, ga ik even naar de inhoud van de zaak. Wat het gedrag van de heer Francken betreft, vind ik eerlijk gezegd dat hij volop bezig is de clown uit te hangen door deze zaak in het belachelijke te trekken.

 

Ik wil ook eventjes benadrukken waar het helemaal niet over gaat met betrekking tot een aantal zaken die mevrouw Smeyers heeft gezegd. Waren die mensen in nood? Dat staat helemaal niet ter discussie. Er zijn op deze planeet helaas heel veel mensen in nood, ook op andere plaatsen dan Syrië. Het gaat hier ook niet over het gerechtelijk onderzoek. Wij hebben daar het parket en rechters voor. Zij zijn daarmee bezig. Zij zullen dit wel beëindigen. Werden er mensen gered? Niemand betwist dit, maar het is de laatste dagen wel de verdedigingslijn van de N-VA. "Wij hebben mensen gered!" Niemand zegt dat men geen mensen heeft gered. Dat is wat makkelijk als verdedigingslijn.

 

Waar het wel over gaat, is de procedure. Er bestaan eigenlijk twee procedures voor gelijkaardige gevallen, met name de DVZ-procedure en de reddingsoperaties of de Franckenprocedure. De Franckenprocedure noem ik echter geen procedure. Dat is geen procedure want er zijn geen spelregels. Het is gewoon een black box en op een bepaald ogenblik komen daar lijsten uit. Niemand weet eigenlijk waar die lijsten vandaan komen. DVZ zegt dat zij er niet bij betrokken waren, tenzij voor de veiligheidsscreening. De commissaris-generaal zegt er ook niet bij betrokken te zijn geweest, tenzij beperkt bij het opstarten van de procedure. Het Parlement, ondanks het feit dat meerdere collega's van diverse partijen hier vragen hebben gesteld, was er ook niet bij betrokken. Men zou immers kunnen denken aan een procedure waarbij er ergens, op een of andere manier, toch rekenschap wordt afgelegd voor een commissie in het Parlement. Maar zelfs dat was de staatssecretaris te veel. Antwoorden op parlementaire vragen gebeurde niet. Het was zijn arbitraire bevoegdheid. Het is een bevoegdheid zonder regels. Er is de black box van Francken waar op een bepaald ogenblik allerlei lijstjes uit komen.

 

Ik heb de uitleg goed begrepen. De heer Roosemont zegt dat hij lijsten kreeg. Eigenlijk waren dit orders van het kabinet om bepaalde personen een visum te verschaffen. Gelet op uw statuut, mijnheer Roosemont, moet u dit op dat ogenblik doen.

 

Men zegt dat de heer Van den Bulck die niet kreeg. Alle asielaanvragen zijn volgens dezelfde criteria behandeld. Gelet op het statuut van het commissariaat-generaal kan men u ook geen orders geven, mijnheer Van den Bulck. U bent onafhankelijk. U hoeft daar niet op in te gaan. Mocht u niet alle aanvragen dezelfde manier behandeld hebben, dan zou u uw job heel slecht hebben uitgeoefend. U zegt dat u uw werk goed gedaan hebt en dat niemand u orders te geven had.

 

Ik wil dus even wijzen op het totaal verschillende statuut van de heer Roosemont en dat van de heer Van den Bulck. Zij stonden in een andere verhouding tot de heer Francken. Ik gooi geen verwijten naar iemand, maar zij waren verplicht om op een andere manier te reageren op de vragen van de heer Francken.

 

Mijnheer Roosemont, het is bekend dat u geregeld vergaderingen had op het kabinet-Francken. Daar is niets abnormaals aan. Ik weet niet of dit waar is, maar ik heb een tijdje geleden in de media gelezen, mijnheer Van den Bulck, dat u ook soms of misschien altijd aan die vergaderingen deelnam. U zult dat bevestigen of ontkennen. Ik wil aan u beiden de hiernavolgende vragen stellen. Ik verwijs naar de eigenaardigheid van de procedure en de cijfers van mevrouw De Block en de heer Francken, die heel radicaal verschillen. Voor mevrouw De Block waren het er 208 in 2014 en bij de heer Francken waren het er in zijn recordjaar 2017 2 361. Dat is een toch wel zeer spectaculaire stijging. Veel mensen hebben die stijging opgemerkt. Men kon er ook moeilijk naast kijken, want ook over die zaken tweette de staatssecretaris heel regelmatig. Iedereen werd wel geacht om daarvan op de hoogte te zijn.

 

Zijn er voor de humanitaire visa al dan niet criteria? Vanwaar komt die stijging? Wat is de uitleg voor dat beleid? Op basis waarvan oordeelt men? Op basis waarvan krijgen sommigen via tussenpersonen wel een visum en anderen niet? Is er ooit gesproken of zijn er vragen gesteld over de tussenpersonen? Wie zijn zij? Op basis van welke criteria werden zij geselecteerd? Is er een selectie gebeurd? Zo ja, op basis van welke criteria? Mijn vragen zijn dus heel ruim. Ik vraag u niet alleen of u op een bepaald ogenblik op een of andere manier de aandacht van de staatssecretaris daarop hebt gevestigd. Mijn vraag is ruimer. Hebt u er weet van dat die zaken op een andere manier op het kabinet van de staatssecretaris besproken zijn?

 

Sinds ik in het Parlement zit, kan ik mij veel inbeelden, maar ik kan mij niet inbeelden dat twee eminente specialisten inzake migratie, de heer Van den Bulck van het Commissariaat-Generaal en de heer Roosemont van DVZ, mensen die daar dagelijks mee bezig zijn en de materie heel goed kennen, het niet op een of andere manier eigenaardig hebben gevonden dat er plots een volledige ommekeer komt in het beleid, zonder dat daarvoor al te veel verantwoording wordt afgelegd. Er wordt nergens verantwoording afgelegd en niemand is er eigenlijk bij betrokken, ook niet bij de keuze van de tussenpersonen blijkbaar.

 

Het is geen geheim dat ik het wel eens meer oneens ben met de conclusies van Myria, dat gebeurt regelmatig, maar ik vind de verslagen altijd heel interessant wegens de manier waarop men zeer professioneel cijfermateriaal verzamelt. Ik vind het merkwaardig dat zelfs Myria, dat altijd van deskundigheid getuigt, nu moet verwijzen naar een tweet van Theo Francken, de staatssecretaris, om te weten wie de tussenpersonen zijn. Het begint wat lachwekkend te worden: verantwoorden afleggen in het Parlement, dat doen we niet; de namen geven in het Parlement, dat doen we niet; tweeten doen we wel; hier in de commissie aanwezig zijn, doen we niet, maar op twitter commentaar geven op de commissie, dat doen we wel. Het begint toch wel wat eigenaardig te worden. Tot daar mijn vragen en opmerkingen, mevrouw de voorzitter.

 

02.18  Marco Van Hees (PTB-GO!): Madame la présidente, je remercie les différents intervenants pour leurs propos qui confirment ce qu'on supposait déjà de la politique de Francken, à savoir qu'elle est basée sur la discrimination et l'absence de critères clairs. Le système est clairement basé sur le népotisme et le clientélisme. On ne reçoit pas de visa sur la base d'une situation objective, mais parce qu'on connaît quelqu'un, par exemple de la N-VA, qui touche éventuellement des pots de vin pour cela.

 

On voit que le secrétaire d'État Francken a octroyé beaucoup plus de visas que ses prédécesseurs. Entre 2011 et 2014, on est à 200 ou 300 visas humanitaires par an; en 2015, on monte à 844, puis 1 182, 2 361, 2 174 en 2018. Est-ce relatif à des situations objectives ou à une politique délibérée de la part du secrétaire d'État?

 

Théo Francken a-t-il manqué de vigilance en favorisant le modèle de visa humanitaire, peu transparent et manifestement arbitraire?

 

La ministre Maggie De Block a annoncé une révision des conditions d'octroi des visas humanitaires. Le système qu'elle va utiliser à présent sera-t-il basé sur des critères objectifs ou se contentera-t-elle de supprimer le système de liste utilisé par son prédécesseur?

 

Peut-on dire qu'aucun critère objectif n'a été appliqué pour choisir telle personne plutôt que telle autre dans le système de Théo Francken? Pour le dire autrement, est-on certain que ceux qui avaient le plus besoin d'un visa humanitaire l'ont obtenu?

 

Vous avez parlé du Rwanda en 1994 et de Haiti en 2010, pour expliquer que des listes avaient également été établies à ces moments-là. Comment ce système fonctionnait-il alors? Ces listes étaient-elles fournies par des particuliers ou via des organisations reconnues? Des individus étaient-ils mandataires d'un parti qui était celui du ministre en charge de l'Asile et la Migration?

 

Par rapport aux rumeurs dont M. Francken a eu vent, selon ses propres déclarations, avez-vous aussi eu vent de rumeurs relatives à des malversations en matière de visas humanitaires?

 

En ce qui concerne l'absence ou la présence du HCR, on a entendu une ligne de défense disant que le HCR n'était pas présent, ce qui pouvait justifier le fait de passer par ces listes réalisées par un peu n'importe qui et visiblement des personnes non habilitées a priori à les dresser. Je peux supposer qu'en effet à Alep lors de l'opération de sauvetage en 2015, le HCR n'était pas présent mais cela concernerait un nombre assez réduit de personnes (environ 250 individus à ce moment-là). Mais quid des années suivantes puisque manifestement cela a perduré jusqu'au mois d'octobre 2018? Le HCR était-il absent durant toutes ces années? S'il était présent, son expertise n'était-elle pas préférable à un système qui, manifestement, favorisait des listes basées sur des passe-droits?

 

Y a-t-il eu des pressions de la part du cabinet Francken pour traiter plus rapidement les demandes d'asile des dossiers pour lesquels il y avait eu ces visas humanitaires basés sur des listes?

 

Monsieur Roosemont, en ce qui concerne l'enquête demandée par la ministre De Block à l'Office des Étrangers, avez-vous fourni des éléments qu'il faudrait vérifier? A-t-elle demandé de réaliser une simple enquête ou sa demande est-elle précise et relative à des éléments en particulier?

 

Ma dernière question est relative à des graphiques présentés par Myria. Je pense en particulier à celui qui montre les cinq nationalités principales ayant obtenu des visas humanitaires. Pour la Syrie, 91 % des visas sont demandés, non pas par la procédure classique via l'Office des Étrangers, mais sont délivrés d'office par le poste diplomatique. Il n'y a pratiquement pas, voire pas du tout, de cas de ce genre pour l'Afghanistan, la Somalie et l'Irak.

 

Comment expliquez-vous cette différence? Pourquoi ce qui est vrai pour la Syrie ne l'est pas pour les autres pays?

 

02.19  Monica De Coninck (sp.a): Er werd hier verschillende keren gevraagd of er mensen gered werden. Uiteraard werden er mensen gered en niemand heeft de bedoeling om reddingsoperaties ter discussie te stellen. Hier is het echter wrang, omdat we vaak gevraagd hebben om mensen te redden waarbij we dan in de hoek van de softe mensen die de grenzen willen openstellen, werden gezet. Dat is nochtans niet het geval. Zeer velen van ons pleiten voor een streng maar vooral rechtvaardig asielbeleid.

 

Ik sluit mij volledig aan bij de opmerkingen van de heer Vuye over alles wat te maken heeft met Twittergedrag. Ik heb vaak de indruk dat wij hier in het Parlement proberen hard te werken maar dat men het beter de dag voordien in de krant zet of via Twitter op het moment zelf verspreidt. Dan krijgt men veel meer aandacht.

 

Ten derde, men mag het kind, de procedure met humanitaire visa, niet met het badwater weggooien. Ik heb dat twee weken geleden al gezegd in de plenaire vergadering. De kwaliteit van die procedure hangt echter heel sterk samen met de integriteit en de wijsheid van de politicus die ze moet gebruiken. Het moet een uitzonderlijke procedure blijven. Men kan niet alles voorzien, want de wereld verandert voortdurend maar men moet wel een persoon hebben die met die procedure gebalanceerd mee omgaat. We moeten bekijken hoe we dat kunnen garanderen. De politieke partijen moeten daarover nadenken.

 

Wat de resolutie betreft, klopt het dat Fatma Pehlivan en ik ons onthouden hebben bij de stemming. Ik wil het hier niet partijpolitiek spelen maar er is toen heel uitdrukkelijk gevraagd of dat alleen over christenen ging. Als ik mij niet vergis, was Peter Luykx de indiener van deze resolutie. Hij heeft toen geantwoord dat het zeker niet alleen en prioritair over christenen moest gaan maar eigenlijk over heel veel minderheden.

 

Ik heb mij toen onthouden, omdat ik weet dat in de moslimwereld atheïsten ook vaak geviseerd worden. Men kan zich daar zelfs niet voorstellen wat een atheïst is. Die groep personen was in de resolutie niet meegenomen. In de praktijk merk ik dat men alleen over christenen praat. Voor alle duidelijkheid, ik heb niets tegen christenen. Maar ik heb wel een hart voor een gebalanceerde kijk op de realiteit en voor rechtvaardige systemen voor verschillende groepen van mensen.

 

Ten vierde, alle systemen en procedures kunnen ontsporen. Dat is gewoon de realiteit. Men moet daarmee als goede bestuurder steeds rekening houden. Om dat te voorkomen, kan men preventief werken door sluitende procedures en controle te ontwikkelen, maar men kan ook auditsystemen achteraf en verslaggeving inzetten. Het gaat dan om verslaggeving die transparantie geeft, maar die ook op basis van cijfers bepaalde tendensen kan aantonen waarbij men vraagtekens kan plaatsen.

 

De procedure van de humanitaire visa werd in het verleden ook toegepast met de uitreiking van dergelijke visa als resultaat. Maar dat aantal is vanaf 2015 enorm gestegen. Ofwel is de procedure, aangezien ze zo vaak wordt gebruikt, niet meer exclusief, en moet er dus een bijkomend instrument worden gecreëerd. Ofwel moeten er bij de gehanteerde procedure vraagtekens worden geplaatst.

 

Zijn daarover ooit vragen gesteld? Is daarop ooit antwoord gekomen? Overigens, sommige commissieleden hebben daar inderdaad vaak vragen over gesteld, maar nooit een zicht op de cijfers gekregen. Voor alle duidelijkheid, ik kan mij veel voorstellen bij de situatie in Aleppo in 2015, maar waarschijnlijk niet alles. In 2017 en 2018 is de situatie in een aantal landen, om niet te spreken over Syrië, veranderd. De invulling van de termen uitzonderlijke procedure, nood, kwetsbaarheid, kan verschillen.

 

Mijnheer Roosemont, ik viel bijna van mijn stoel toen u zei dat sommige mensen zelfs geen paspoort hebben en dat er een soort van laissez-passer moet worden gecreëerd, dat is ook zo, maar ik heb in heel veel dossiers al gehoord dat mensen die geen paspoort hadden werden beschuldigd van fraude. Hun dossier kon niet worden vervolledigd waardoor zij geen visum kregen. Er is uiteraard ook altijd voortschrijdend inzicht in dezen.

 

Mijn vraag is ook of alle mensen die nu een humanitair visum hebben gekregen kwetsbaar waren. Wie heeft een humanitair visum gekregen? Wie heeft nadien een asielprocedure aangevraagd? Wie heeft een verblijfsvergunning gekregen? Wie is er verdwenen? Wie heeft dat niet gedaan? Wie is doorgereisd? Ik hoor dat sommige mensen naar Zweden zijn doorgereisd. Een van de criteria voor een humanitair visum was echter een link met België, met familieleden hier. Hoe kan men dat met elkaar rijmen?

 

Wat stoort mij voorts in het kader van de internationale context? Ik heb met een aantal mensen van de commissie een aantal keer de problematiek van de vluchtelingenkampen aangekaart. We hebben heel dikwijls gezegd dat een migratiebeleid op internationale afspraken moest worden gebaseerd. Wij hebben dikwijls gezegd dat Europa een beter migratiebeleid moest uittekenen. Zij hebben daar een poging toe gedaan. Lidstaten hebben onder elkaar zelfs afspraken gemaakt met betrekking tot resettlement. Veel Europese afspraken werden echter niet nageleefd door de lidstaten, waarmee het afgesproken beleid op de helling werd gezet. De kwetsbare mensen die het meest recht op een resettlement hebben krijgen dat niet.

 

Finaal is er dan geen duurzaam asielbeleid.

 

Mijn vragen zijn de volgende.

 

Ten eerste, de DVZ stelt dat inzake de controle van de dossiers, dossier per dossier enkel een veiligheidscontrole werd gedaan.

 

Deed de DVZ echter nooit een inhoudelijke controle, namelijk op kwetsbaarheid, en een toetsing aan de verschillende criteria?

 

Is er een verschil geweest in de rol die de DVZ heeft gespeeld bij de reddingsoperatie-Aleppo in 2015 en de dossiers nadien? Bent u bij Aleppo 2015 meer betrokken geweest dan bij de dossiers nadien?

 

Ten tweede, wie ondertekende eigenlijk de beslissing tot uitreiking van humanitaire visa? Was dat de staatssecretaris zelf? Was dat de DVZ of de DVZ samen met de staatssecretaris of misschien nog iemand anders?

 

Ten derde, sinds wanneer bestaat volgens u het systeem met tussenpersonen? Bestond dat ook tijdens de vorige legislatuur? Indien dat toen bestond, was de DVZ er toen wel of ook niet bij betrokken? Indien de DVZ wel betrokken was, op welke manier was de dienst er dan bij betrokken?

 

Wordt nu, vandaag, een intern onderzoek gestart of wanneer zal u een onderzoek starten? Op basis waarvan? Is dat naar aanleiding van de misbruiken die zijn gesignaleerd? Wanneer wordt het eventuele onderzoek afgerond?

 

Circuleerden er bij de DVZ verhalen over mogelijke wantoestanden in het systeem via tussenpersonen of elders? Sinds wanneer circuleerden ze? Heeft Myria weet van wantoestanden? Hoe is daarop gereageerd?

 

Tot wanneer precies werden humanitaire visa via het systeem van zogenaamde tussenpersonen en via het Mechelse systeem in het bijzonder uitgereikt?

 

Met Sant' Egidio werd er een overeenkomst gesloten over de modaliteiten van selectie en opvolging. Is dat ook gebeurd met de andere organisaties die erbij betrokken geweest zijn, bijvoorbeeld het Mechelse netwerk? Waarom is dat niet gebeurd? Als men met Sant' Egidio al een soort van modelovereenkomst had, waarom werd die dan niet systematisch gebruikt, ook bij die andere tussenorganisaties?

 

Wat weet u over de samenwerking met Buitenlandse Zaken? Ik heb begrepen dat er voor de operatie Aleppo wel heel sterk met buitenlandse ambassades werd samengewerkt, niet direct in de rol van uitreiker van humanitaire visa. Klopt het dat wanneer een diplomatieke post een visum uitreikt, de diplomaat of consul niet optreedt als vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken, maar wel als vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken en zijn staatssecretaris van Asiel en Migratie? Wanneer men zelf visa uitreikt dus.

 

Dan over de kosten van de visumaanvraag. Dat is 180 euro voor minderjarige aanvragers, plus een administratieve bijdrage van 350 euro per persoon. Dat zijn veel kosten. Wie betaalde dat? Betaalden individuen dat of betaalden de tussenpersonen? Hoe werd dat gestort? Hebt u daar een rekeningnummer van bij de DVZ? Kon dat een indicatie zijn dat het in feite niet om individuen ging, maar een groep, een persoon die blijkbaar de financiële zaken regelde?

 

Hoeveel humanitaire visa, buiten die van Sant' Egidio en van de hervestigingen, werden sinds het begin van deze legislatuur uitgereikt via het zogenaamde systeem van tussenpersonen? Kunt u dat per netwerk geven? De personen die zijn gekomen via Sant' Egidio hebben allemaal een asielprocedure gestart om erkenning te krijgen. Ik heb het daarjuist al gevraagd, maar via de Panoreportage en de pers horen we dat een aantal mensen ook al vertrokken is naar het buitenland.

 

Ik kom tot mijn slotvraag voor de dienst Vreemdelingenzaken. Jarenlang hebt u lijvige jaarverslagen gemaakt, vaak met heel veel cijfermateriaal, en indertijd hebt u ook veel informatie op de website gezet, ook over humanitaire visa. In de jongste jaren is de verslaggeving echter heel beperkt. Kunt u het jaarverslag opnieuw op een uitgebreide manier, zoals in het verleden, opstellen?

 

Nu kom ik tot mijn vragen voor het Commissariaat-Generaal. Ik heb al gevraagd in welke mate jullie met elkaar communiceren over de vraag wie er een asielaanvraag indient of een asielprocedure opstart.

 

Wij hebben gezien dat de dossiers via tussenpersonen rechtstreeks bij het kabinet toekwamen en dat er op het kabinet werd beslist, waarna de lijst doorgegeven werd aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Is het voor de toekomst denkbaar dat het commissariaat voorafgaandelijk indicatief advies verstrekt, of is er een andere manier van samenwerking mogelijk om een en ander te onderbouwen met het oog op de kwetsbaarheid van personen die via een humanitair visum uitzonderlijk naar ons land komen? Een volledig sluitend systeem is misschien niet mogelijk, maar er kunnen mogelijk meer garanties gecreëerd worden.

 

Ook voor Myria heb ik nog enkele vragen.

 

Hebt u zicht op wie er, onder de mensen die via het Mechels netwerk toekwamen, eventueel al naar andere landen is getrokken?

 

Weet Myria of, via tussenpersonen, mensen werden vrijgesteld van administratieve bijdragen? Welke tussenpersonen konden daar eventueel voor zorgen?

 

Welke buitenlandse best practices bestaan er? Welke mogelijkheden biedt het Canadese systeem, waar private resettlements via geaccrediteerde organisaties en een transparante selectieprocedure binnen een bepaald quotum kunnen worden geregeld? Is een dergelijk systeem in ons land mogelijk, eventueel via de ambassades, zodat de mensen geen gevaarlijke wegen hoeven te volgen om hier te geraken? Hoe zit het met de moeilijkheidsgraad, de kostprijs en de kansen op succes van het opstarten van een dossier op de ambassades?

 

Ten slotte heb ik nog een vraag. Er is het gerucht dat de tussenpersonen, een zevental, mekaar zouden hebben ontmoet in een platform. Er zou daar een verdeling zijn afgesproken over het aantal mensen of dossiers dat men kon opstarten.

 

Heeft iemand daarop zicht of heeft iemand daarover iets gehoord? Het zou een platform zijn geweest van vooral religieuze organisaties.

 

02.20  Véronique Waterschoot (Ecolo-Groen): Madame la présidente, je serai brève puisque suffisamment de questions ont déjà été posées à nos invités.

 

Néanmoins, je voudrais revenir sur quelques éléments. Avec l'éclatement de ce scandale, on a eu droit, tous les jours, à un flux d'informations via les réseaux sociaux et les tweets de M. Francken. Je voudrais, ici profiter de l'occasion, pour remercier nos invités qui ont apporté quelques éléments de réponses. Mais ils ont aussi soulevé d'autres questions.

 

De nombreuses interrogations restent en suspens; toutes ne pourront pas trouver réponse aujourd'hui. Je pense ici en particulier à l'intervention de M. Francken et de son cabinet, mais aussi des relations qu'ils entretenaient avec les deux institutions que sont l'Office des étrangers et le CGRA.

 

Il est un autre point me semble "saillant" et totalement incompréhensible. Je veux parler des nombreuses confusions qui subsistent quant aux chiffres. Ces derniers sont totalement inacceptables et ont amené Myria à effectuer un travail de fourmi en tant qu'enquêteur. Notre commission doit donc continuer à se pencher sur cette question. En effet, il n'est pas logique que nous ignorions sur la base de quels chiffres et de quelles informations nous travaillons.

 

L'objectif d'Ecolo-Groen est, bien évidemment, de comprendre comment un tel trafic au détriment de personnes vulnérables a pu se mettre en place, d'établir les faits en parallèle et en complément du travail effectué par la justice, de circonscrire la responsabilité politique de M. Francken, voire du gouvernement MicheI dans son ensemble. En effet, on peut se demander pourquoi, en quatre ans et demi de législature, le ministre de l'Intérieur, également membre de la N-VA, ou l'ensemble du gouvernement ne se sont jamais penchés sur cette question. Notre objectif est, last but not least, d'agir législativement pour que cela ne puisse plus se reproduire.

 

J'entends qu'il y a certaines autres volontés politiques qui voudraient que l'on avance sur une proposition de loi. Notre groupe a déposé un texte et je me réjouis à l'idée qu'avec une volonté politique partagée, nous pourrons mener à bien un texte, durant cette période quelque peu particulière d'affaires courantes.

 

Effectivement, même si les chiffres restent quelque peu nébuleux, ils attestent d'une augmentation claire du nombre de visas humanitaires décernés pendant cette législature. Monsieur Roosemont, monsieur Van den Bulck, durant cette législature, avez-vous été amenés à vous prononcer, sur demande du cabinet, de M. Francken ou du gouvernement, sur l'outil des visas humanitaires? Vous a-t-on demandé d'évaluer l'utilisation de la procédure des visas humanitaires? Vous a-t-on demandé pourquoi elle augmentait et dans quelle mesure elle posait de nouvelles questions ou répondait à un nouveau besoin? De manière générale, M. Francken est-il venu vers vous pour solliciter un avis, une évaluation? Le cas échéant, quelle a été votre réponse? Cette commission pourrait-elle éventuellement prendre connaissance d'avis que vous auriez émis?

 

Le rôle précis de l'Office des étrangers reste, pour moi, un peu obscur dans l'octroi de ces visas humanitaires via les listes de M. Francken. Notamment, par voie de presse, l'Office des étrangers aurait – je dis bien "aurait" – évoqué le fait que "les réfugiés qui se trouvaient sur les listes provenant du cabinet étaient moins bien contrôlés quant au critère de vulnérabilité". Confirmez-vous ces propos? Le cas échéant, pour quelle raison étaient-ils moins bien screenés? Avez-vous reçu des indications du cabinet d'agir de la sorte? Le cas échéant, quand et de qui venaient ces instructions?

 

Monsieur Roosemont, si j'ai bien saisi, vous êtes intervenu en 2015 dans le cas des 244 Syriens provenant d'Alep et de la procédure de sauvetage. Dans ce cadre, une procédure a été élaborée en concertation avec le cabinet. Est-ce à dire qu'avant, il n'existait aucune procédure? Quelle spécificité à la procédure a-t-elle été mise en route par M. Francken en concertation avec vous? Pensez-vous que cette nouvelle procédure ait pu intervenir dans les dérives observées ultérieurement et qui nous réunissent aujourd'hui dans cette commission?

 

Monsieur Roosemont également, si je comprends bien, après ce cas des Syriens d'Alep, vous avez été écarté de tout avis ou de toute intervention dans l'octroi des visas humanitaires provenant des listes du cabinet de M. Francken. Comment appréciez-vous cet écartement? Cela vous paraît-il logique? Avez-vous une opinion à ce propos?

 

Monsieur Van den Bulck, si j'ai bien saisi, un avis juridique en 2015 ou un avis tout court vous a été demandé sur la possibilité même de délivrer plus de visas humanitaires, notamment sur la base d'expériences qui se déroulaient dans d'autres pays, à savoir la France et l'Allemagne.

 

Vous avez, dans ce cadre, remis un avis sur les critères d'octroi. Cette commission parlementaire pourrait-elle disposer de cet avis? Qu'il soit juridique ou pas, vous me préciserez la nature de cet avis. Je trouve intéressant d'avoir cette pièce qui, au début de l'exercice du mandat de M. Francken, fait le point sur cette procédure

 

Une question a déjà été soulevée par l'ensemble des membres de cette commission et s'adresse à l'Office des étrangers et au CGRA. Avez-vous été informés des rumeurs concernant les agissements plus qu'inquiétants de M. Kucam? Le cas échéant, par quelle voie avez-vous été informés de ces rumeurs? Quand? Avez-vous réagi à ce que vous entendiez? Avec qui l'Office des étrangers était-il en contact au cabinet? De qui receviez-vous les listes? Comment les avez-vous précisément traitées?

 

Une autre question déjà soulevée par mes collègues: l'ensemble de ces personnes arrivées en Belgique ont-elles demandé l'asile? Ont-elles introduit une demande d'asile? Sont-elles encore en Belgique? Sont-elles parties vers d'autres États membres ou pays? Quelles sont les données précises à ce sujet?

 

Enfin, je terminerai par deux petites questions plus spécifiques pour Myria. Je remercie au passage ce centre pour son travail d'enquête. Vous avez, dans l'exercice de vos missions, la possibilité de vous porter partie civile dans des affaires de trafic d'êtres humains. Comptez-vous activer cette faculté? Cela vous permettrait d'avoir accès au dossier d'instruction. Si vous ne comptez pas le faire, quelle en est la raison?

 

Je souhaiterais aussi vous entendre sur les propositions de lois qui sont en gestation d'une part du côté du cdH avec mon collègue Dallemagne et, d'autre part, du côté d'Ecolo-Groen avec M. Wouter De Vriendt et moi-même. Un contrôle parlementaire, la fin des intermédiaires individuels et le travail avec des ONG et associations qui seraient accréditées par le gouvernement vous semblent-elles des voies intéressantes qui méritent d'être suivies?

 

En conclusion, aujourd'hui même, sans savoir si des hommes ou des femmes ont été payés de manière injuste dans ce trafic de visas, je pense qu'il reste totalement inacceptable que le favoritisme et le clientélisme s'immiscent dans cette procédure d'octroi de visa à des personnes éminemment vulnérables. Les travaux de cette commission et du Parlement doivent absolument empêcher que cela ne se reproduise.

 

Voorzitter: Philippe Pivin.

Président: Philippe Pivin.

 

Le président: Le moment est venu de donner la parole aux orateurs pour leurs réponses.

 

02.21  Freddy Roosemont: Mijnheer de voorzitter, ik heb veruit de meeste vragen gekregen, dus ik dacht dat ik wel mocht beginnen.

 

Mevrouw Smeyers, u vroeg of er een alternatief was voor de procedure- Aleppo. Neen. Ik was er zelf bij. Ik heb de eerste twee vergaderingen meegemaakt met de heer Geleyn en andere leden van een aantal organisaties, die opkwamen voor die mensen. Wij hebben nagedacht over de manier waarop dit moest worden gedaan. Het moest snel gaan. Het mocht geen dure, complexe en ingewikkelde operatie worden. De collega's van Myria bestempelen dit als gewone aanvragen via het consulaat in Beiroet. Het moest snel en efficiënt zijn. Mensen zaten in de frontlinie. Dagelijks zagen wij tv-beelden van vernielde huizen en wijken. Er was op dat ogenblik dan ook geen andere mogelijkheid dan te werken met die lijsten.

 

De namenlijsten kregen van het kabinet een naam. Ik zeg maar wat: lijst-Roosemont, lijst-x of lijst-y. DVZ had op geen enkel ogenblik een idee waar de namen vandaan kwamen, van de tussenpersonen. Deze tussenpersonen zijn hier al vaak aan bod gekomen. Men kon vermoeden, aangezien de staatssecretaris daar geen geheim van maakte, dat het ging over mensen uit Syrië met een christelijke achtergrond. De Syrische kerken in België en Nederland speelden daar een belangrijke rol in. Dat is ons niet meegedeeld en eerlijk gezegd hebben wij daar ook niet naar gevraagd.

 

Wisten wij iets van de geruchten over die mogelijke malversaties en de betaling om op zo'n lijst te komen? Absoluut niet! Ik heb nooit zo'n gerucht gehoord. Ik veronderstel dat dit ook geldt voor mijn collega's want anders hadden zij dit vermoedelijk wel aan mij komen melden. In onze business gaan de geruchten vaak snel, maar daarover hebben eerlijk gezegd totaal niets gehoord.

 

Er wordt hier vaak gesproken over de DVZ-procedure van de individuele aanvraag en de humanitaire aspecten van die aanvraag. Natuurlijk gaat het over humanitaire aspecten. Ik kom dan bij mevrouw Van Cauter terecht. Er is in een aantal gevallen sprake van een lichte uitbreiding van de regels van de gezinshereniging. Ik denk dan aan een meerderjarig kind, de grootouders of een inwonend kind dat uiteindelijk geen familie blijkt te zijn, maar er al vijftien jaar bijwoont. Dit zijn voor mij ook humanitaire aspecten. Ze zijn in elk geval menselijk. Zijn dat mensen die onmiddellijk moesten vluchten omdat de bommen rond hun hoofd vlogen? Neen!

 

Het humanitaire is op een ander niveau aanwezig. Is dat een omzeiling van de regels op de gezinshereniging? Voor een stuk wel, want de gezinshereniging is strikt en in de toepassing van artikel 10 of artikel 40 op de gezinsherenigingen zullen wij veel strikter zijn dan in de artikel 9-gevallen. Er is natuurlijk wel een grote controle op onze beslissingen. Al onze negatieve beslissingen moeten bestand zijn tegen een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Als wij op voorhand weten dat wij een negatieve beslissing er toch niet door zullen krijgen, dan kijken wij liever vooruit en staan wij de machtiging tot het verblijf op basis van artikel 9 wel toe. Dat zijn de meeste van de gevallen die tot bij ons komen. De meeste spontane aanvragen komen van mensen die al in een vluchtelingenkamp zitten of ergens in veiligheid zijn. Het kan ook gaan om mensen die hun situatie in Irak, Afghanistan of Syrië proberen te ontmijnen door een uitgebreide gezinshereniging.

 

Voorzitter: Monica De Coninck.

Président: Monica De Coninck.

 

Waar komen de cijfers vandaan? Zoals ik in mijn inleiding heb gezegd, komen die van de databank van Buitenlandse Zaken. Het zijn de consuls zelf die de gegevens inbrengen. Wij hebben geen absolute databank. Niemand heeft die. Wij werken met een elektronisch dossier, maar dat is geen databank waar iedereen in zit. Voor ons is de databank waar iedereen in zit het Rijksregister, het vreemdelingenregister of het bevolkingsregister, maar voor mensen die nog niet in België zijn, die nog op komst zijn, bestaat er geen dergelijke databank. Ik heb van in het begin gezegd dat het bij ons, bij een individuele aanvraag, over de groep diversen gaat. Dat zijn mensen die niet komen in het kader van studies, gezinshereniging of werk.

 

De heer Pivin heeft volkomen terecht dezelfde redenering gemaakt voor de artikelen 9bis en 9ter. Artikel 9ter betreft het verblijf om medische redenen, artikel 9bis het verblijf om andere redenen. Men kleeft er de naam humanitaire redenen op, maar eigenlijk is het een gewone machtiging tot verblijf. De plaats van de aanvraag is geen diplomatieke post; de aanvraag gebeurt via de burgemeester.

 

Myria werkt met dezelfde cijfers als wij. Zij zullen waarschijnlijk de capaciteit en het personeel hebben om die veel nauwkeuriger uit te vlooien dan wijzelf. Bij ons gaat de meeste aandacht naar het behandelen van aanvragen. Wij hebben zo al werk genoeg. Wij kunnen niet dezelfde gedetailleerde analyses maken als Myria. Daarvoor zijn zij er. Het is een van hun taken. Wij steken niets weg voor Myria. Wij hebben geregeld overleg over allerlei cijfers: asiel, terugkeer en regularisatie, zowel 9bis als 9ter.

 

Wat wij hebben, heeft Myria ook. Myria gebruikt dat waarschijnlijk voor andere doeleinden dan wij.

 

Hoe werken de visa voor kort verblijf? Er worden elk jaar ongeveer 200 000 visa afgegeven. Daarvan wordt 75 % ambtshalve gegeven, zonder tussenkomst van de DVZ. Buitenlandse Zaken kan ja zeggen, als het dossier goed is, maar kan geen neen zeggen. Alle dossiers waarover het departement twijfels heeft, worden naar Brussel gestuurd. Dat zijn er jaarlijks 45 000 à 50 000. Wij bekijken ze individueel. We analyseren ze en vragen eventueel bijkomende info bij referentiepersonen in België. Van die 50 000 zullen wij er in het algemeen twee derde weigeren, vaak op basis van het negatief advies van Buitenlandse Zaken, en een derde toch toestaan.

 

Buitenlandse Zaken kan wel instemmen, maar niet weigeren. Weigeren behoort ons toe. Wij zijn dus op dat vlak enigszins de boeman. Als een beambte van Buitenlandse Zaken, een consul of een visa-ambtenaar een visum uitreikt, dan gebeurt dat conform de wet van 15 december 1980, onder de bevoegdheid van de staatssecretaris of minister bevoegd voor Asiel en Migratie.

 

Er zijn natuurlijk afspraken met Buitenlandse Zaken. Voor bepaalde groepen vragen wij wel een systematische voorlegging aan Brussel, voor andere hebben we dat absoluut niet nodig. Dat geldt niet alleen voor de visa voor kort verblijf, maar ook voor de visa voor lang verblijf. Het is simpelweg ondoenbaar om de 200 000 aanvragen voor visa voor kort verblijf en de 20 000 à 30 000 aanvragen voor visa voor lang verblijf hier in Brussel te behandelen.

 

De diverse groep is ook de reden waarom er bij ons bij de 210 toegestane visa voor 2018 slechts 74 Syriërs zitten. Het is een diverse groep, 74 Syriërs, 39 Irakezen, 27 Afghanen en de rest zijn andere nationaliteiten die gebruik hebben gemaakt van de procedure. Dat de procedure lang duurt, is deels juist. Ze duurt te lang naar ieders zin, maar men moet middelen hebben om dat heel snel te doen. Het is eveneens juist dat het vaak een restgroep is. Ik betwijfel dat ze duur is, want enkel voor de administratieve last, de visa fee, de vertalingen van sommige documenten en het rolrecht moet er betaald worden. Maar de meeste procedures, ook die in België, hebben een gelijkaardige kostprijs.

 

Hoe werkte men vroeger met lijsten? Als ik mij niet vergis, werden in 1994 ten tijde van de genocide in Rwanda ook lijsten van mensen die familie in België hadden en gered en geëvacueerd moesten worden, zelfs door middel van vluchten van het Belgische leger, aan het kabinet van de heer Tobback bezorgd. Het andere voorbeeld dat ik aanhaalde, dateert uit 2010 en heeft betrekking op adoptiekinderen na de aardbeving in Haïti. Toen is een lijst bezorgd door Kind en Gezin aan het kabinet van Melchior Wathelet, de toenmalige staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Dus, als het snel moet gaan, als het een procedure is, die heel ingrijpend is, zijn lijsten de enige optie.

 

Meerdere keren werd ook gevraagd wat wij nu met die dossiers aan het doen zijn en wat mevrouw De Block ons heeft gevraagd. Op dit moment zijn wij alle dossiers aan het kopiëren voor de politie van Antwerpen. Mevrouw De Block wil vooral weten wat er met al die mensen is gebeurd. Zijn ze toegekomen? Dat is een vraag, die hier meermaals is gesteld. Hebben ze asiel aangevraagd of zijn ze gewoon naar de gemeente gegaan? Zijn ze in België gebleven? Daarop wenst zij een antwoord. Dat is geen klein werk, dat is een werk dat een aantal weken in beslag zal nemen. Maar die vraag lijkt mij wel gerechtvaardigd. Wij zijn daarmee volop bezig en wij hopen zo snel mogelijk klaarheid daarin te hebben.

 

Mevrouw Lanjri, u pleit voor een tussenkomst van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen in elke individuele aanvraag voor een humanitair visum. Ik denk eerlijk gezegd dat wij dan aan overkill zouden doen. Dat is ondoenbaar en ook niet opportuun. Wij werken op basis van de aanbeveling en melding van de minister of staatssecretaris. Wij doen de individuele benadering van de dossiers, dat doet hij niet, dat is juist, maar wij werken wel in grote lijnen samen met de staatssecretaris. Dat was niet alleen zo bij de heer Francken, dat is nu ook zo bij mevrouw De Block en was ook vroeger bij mevrouw De Block zo. Dat allemaal voorleggen aan de Commissie lijkt mij veel te complex. Dat betekent immers dat er ook een vertegenwoordiger of advocaat moet zijn. Er kunnen dan misschien vijf of zes gevallen per zitting gebeuren, terwijl er één of twee zittingen per maand zijn. Dat lijkt mij veel te complex.

 

Over de uitgebreide gezinshereniging heb ik het reeds gehad. Mevrouw Van Cauter, u bent daar vrij streng op. Maar stel het volgende. Een gezin komt volledig over naar België, bijvoorbeeld omdat de man of vrouw hier is gevestigd. Dan kan de gewone gezinshereniging spelen, maar die is beperkt tot 18 jaar. Hierdoor zou de 19-jarige dochter volledig alleen in het land van oorsprong achterblijven. Het lijkt mij onmogelijk om haar te weigeren.

 

Zelfs als we die intentie zouden hebben, geraakt die beslissing nooit voorbij de raad. Dan trekken wij daar de lessen uit en staan wij dat toe.

 

Hoe komt men op de lijst? Dat zult u aan de staatssecretaris moeten vragen. Van die tussenpersonen kenden wij niemand. Wij hebben daar ook nooit contact mee gehad. Wij kregen een lijst met namen toegestuurd. Wat wisten wij wel? Wij hadden een wekelijkse vergadering met de heer Francken op maandagmorgen en wij hebben die ook met mevrouw De Block. Er is overleg met de politieke overheid, met onze baas, de staatssecretaris of de minister, maar niet over individuele gevallen. De ex-staatssecretaris heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij iets speciaals deed voor de Syriërs die christelijk waren. Volgens ons weten waren dat allemaal Syriërs, ik denk dat niemand daaraan twijfelt. Zij waren ook christelijk, want de aanvoer kwam voor een deel uit de christelijke kerken.

 

Was het nodig dat de DVZ daar een bijkomende controle deed? Eerlijk gezegd niet, want dat zou totaal zinloos zijn geweest. Wij kenden geen enkele van die Syriërs. De Veiligheid van de Staat en het OCAD hebben die lijsten ook nagekeken en die kenden er ook geen van. Dat zijn mensen die waarschijnlijk nooit in Europa zijn geweest en die geen referentiekader hadden. Wij vermeden liever het checken van een namenlijst.

 

We hebben het al gehad over de geruchten. Het nagaan van de kwetsbaarheid is niet onze taak. Als de staatssecretaris of de bevoegde minister vraagt om aan die mensen een machtiging tot verblijf af te geven, dan doen wij dat, of ze nu kwetsbaar zijn of niet. Dat is zijn beslissing en niet die van de DVZ. Als we zelf moeten beslissen, zullen we dat in overweging nemen en zullen we ons oordeel daar eventueel op baseren, maar als de staatssecretaris zelf zegt dat er een lijst van mensen is waar een machtiging aan moet worden gegeven, dan zijn wij niet de instantie die moet zeggen dat we de ene helft doen en de andere niet, mijnheer Vuye.

 

Ik dacht niet dat dat geheim was. De staatssecretaris heeft dat in de Kamer gezegd. Hij heeft in de media gezegd dat hij die actie aan het doen was, in evenwicht met de spontane asielaanvragen die voor van 95 tot 99 % afkomstig zijn van mensen die de islam praktiseren.

 

De Panouitzending was inderdaad bizar. Ik heb daarin ook gezien dat een privépersoon paspoorten of laissez-passer op straat stond uit te delen. Dat is zeker niet normaal. Normaal gezien moeten die reisdocumenten individueel aan de betrokkenen worden overhandigd aan het loket van de diplomatieke post door de visa-agent, de consul of de persoon wiens taak dat is.

 

Ik veronderstel dat men gemakkelijkheidshalve en om ervan af te zijn dat aan een privépersoon heeft gegeven ter ronddeling. Is dat volgens het reglement? Ik denk van niet.

 

In de aanvragen die de DVZ behandelde, speelde de staatssecretaris geen rol. Dat deed de DVZ autonoom als gemachtigde. Daarin kwam de staatssecretaris niet tussen. Zowel de weigeringen als de toegestane machtigingen kwamen er na een heel gedetailleerde en ingrijpende analyse.

 

Een vraag van de heer Dallemagne was of die lijsten een normale procedure waren. De voormalige staatssecretaris heeft zowel hier als in de media duidelijk gesteld wat zijn bedoeling was. Hij neemt de beslissingen, dus wij hebben ons daarbij geen vragen gesteld. Het is niet onze rol om vragen te stellen bij beslissingen die de staatssecretaris of de regering nemen.

 

Waren wij op de hoogte van de mogelijke fraude? Absoluut niet. Vanwaar kwamen de namen? De lijsten kregen een naam. Dat was de eerste keer dat wij de naam Melikan hebben gezien. Alleen het kabinet had contact met de tussenpersonen. Dat moet u aan de voormalige staatssecretaris zelf vragen.

 

Over de vergaderingen hebben wij het al gehad.

 

De cijfers van 2016 zijn inderdaad veel hoger, maar dat heeft meerdere redenen. Op pagina 1 van de nota die ondertussen is rondgedeeld, ziet u de gestegen cijfers voor hervestiging. Dat is een deel van de verklaring voor de hogere cijfers.

 

Uit de cijfers van Myria, die ik ook in De Standaard en intern heb gezien, heeft de staatssecretaris gezegd dat hij 1 501 visa op die manier heeft afgeleverd. Dat is gemiddeld 500 visa op drie jaar. Dat samen met de gestegen hervestiging zorgt voor de hogere cijfers.

 

Is mevrouw De Block van plan om hetzelfde te doen? Ik twijfel daar sterk aan. Zij heeft in elk geval zowel in de media als tegen mij gezegd dat zij zeker niet met lijsten zal werken en dat zij alleen met UNHCR zal werken.

 

De cijfers voor hervestiging zijn cijfers die uit een Europees project komen. Ze worden vaak binnen de regering besproken, niet alleen door de minister van Asiel en Migratie.

 

Mijnheer Van Hees, u vroeg wat het onderzoek van mevrouw De Block inhoudt.

 

Mevrouw De Block wil vooral weten wat met die mensen is gebeurd. Zijn zij het land binnengekomen? Indien zij het land zijn binnengekomen, wat voor de grote meerderheid het geval is, wat is dan met hen gebeurd op het vlak van asielaanvragen, erkenning, inschrijving en dies meer?

 

Mevrouw De Coninck, over het jaarverslag hebt u volkomen gelijk. Het jaarverslag van de DVZ is al een aantal jaar flink beperkt. De reden is gewoon een kwestie van middelen. Om alle cijfers voor een jaarverslag te verzamelen, zijn mensen nodig die dat doen. Zij moeten dan van de gewone werking worden weggehaald, wat steeds minder mogelijk is. U mag niet vergeten dat wij ondertussen ook met een stijging van het aantal asielaanvragen kampen, waarin wij heel veel energie stoppen om te proberen dat aantal op de ene of de andere manier enigszins stabiel te houden. De behandeling van de dossiers heeft bij de DVZ nog altijd absolute voorrang.

 

Hoe wordt het rolrecht betaald?

 

Het rolrecht moet worden betaald en gestort op rekening van de DVZ. Het is onbelangrijk wie de betaling doet. Dat kan het individu zelf zijn; dat kan een organisatie zijn; dat kan iemand anders zijn. Het moet alleen worden gestort. Het is een deel van het dossier.

 

Aleppo was vóór het rolrecht. Aleppo was ook geen machtiging maar een gewoon visum.

 

Het is echter niet onwaarschijnlijk, ook niet voor de hervestigingen, dat het rolrecht door een organisatie in één keer voor een volledige groep wordt gestort. Dat is nu eenmaal zo. Dat is vastgelegd in de wetgeving. Dat geldt ook voor alle processen. Het rolrecht is een deel van het volledige dossier.

 

De kosten voor het rolrecht bedragen 350 euro voor volwassenen. Visa via Buitenlandse Zaken kosten 180 euro.

 

Over de verhoging (verhoring?) heb ik al gesproken.

 

Op de vraag over de rol van de DVZ in de benadering van de kwetsbaarheid kan ik antwoorden dat wij dat niet deden. Wij ontvingen de lijsten en stuurden ze door naar de Veiligheid van de Staat en het OCAD. Wanneer ze terugkwamen, stuurden wij ze terug naar het kabinet. Dat is in een nota beschreven. Op het ogenblik waarop een kabinetsmedewerker meldde dat wij ze mochten laten afgeven, werden de lijstjes naar de post in kwestie doorgestuurd, in heel veel gevallen naar Beiroet.

 

Het is ook voor ons die in principe werken op aanvragen, niet zo opportuun om daar een rol in te spelen.

 

Wie nam de beslissingen? De hervestigingen werden getekend door de staatssecretaris zelf en de reddingsoperaties werden door een kabinetslid doorgestuurd.

 

Ik denk dat ik alle vragen heb gehad. Als er nog zijn, u weet mij zitten.

 

02.22  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer Roosemont, u moet ons eventueel hier niet antwoorden, maar kan dat bij het verslag laten voegen. Ik heb u ook nog gevraagd om ons de cijfers te geven, globaal en per categorie. We hebben die wel in De Standaard gelezen, maar ik zou willen weten of dit klopt. Kunt u dus aan het verslag nadien nog de cijfers laten toevoegen?

 

Ten tweede heb ik u ook nog gevraagd of u bereid was de namen van wie een humanitair visum heeft gekregen, door te geven aan de heer Van den Bulck. Zo kan worden nagegaan wie er asiel heeft gevraagd en wie niet. Ik had u ook gevraagd of er mensen waren die geen asiel hebben gevraagd, maar humanitaire regularisatie. Daar heb ik geen antwoord op gekregen.

 

02.23  Freddy Roosemont: Geen enkel probleem. Ik heb de cijfers van de DVZ inzake humanitaire regularisaties alleen van 2018 bij. Van andere jaren kunnen we die opzoeken, die staan ook in het jaarverslag. We kunnen dat opzoeken en ik zal u dat bezorgen. Of we die lijsten zullen doorsturen aan de Commissaris-generaal? Heel zeker, dat is al afgesproken. Uw derde vraag was of er iemand van die groep om humanitaire regularisatie heeft gevraagd. Ik heb daar nog niemand van gezien.

 

02.24  Georges Dallemagne (cdH): Je voudrais revenir au moins sur une question précise. En effet, j'ai demandé s'il était exact que l'Office des Étrangers avait envoyé un mail ou émis un ordre de mission, ce qui expliquerait que l'on ait estimé à l'ambassade de Belgique à Beyrouth que Melikan Kucam était en mission officielle.

 

02.25  Freddy Roosemont: Le nom Melikan se retrouvait sur huit listes, six datant de 2018 et deux de fin 2017. Le nom de référence était indiqué. Mais on ne connaissait nullement ce monsieur. Il y avait la liste Sant'Egidio, la liste Melikan, etc. En tout cas, si un mail a effectivement été envoyé, il ne provient pas de l'Office des Étrangers. 

 

02.26  Georges Dallemagne (cdH): J'ai reçu une information qui me dit le contraire.

 

02.27  Freddy Roosemont: Montrez-moi ce mail! En tout cas, je n'ai jamais entendu parler d'un tel mail. Honnêtement, on ne connaissait pas cette personne. Je ne comprends donc pas comment il a pu être délégué officiellement.

 

02.28  Georges Dallemagne (cdH): C'était pendant sa mission en septembre 2018.

 

Mais si vous pouviez procéder à une vérification, monsieur Roosemont, j'en serais satisfait.

 

02.29  Freddy Roosemont: Si vous me montrez une copie du document, je pourrais vous dire …

 

02.30  Georges Dallemagne (cdH): Je ne suis pas en possession d'une copie du mail. Je dispose simplement de l'information selon laquelle un mail a été envoyé. Je souhaiterais simplement que vous procédiez à une vérification.

 

02.31  Freddy Roosemont: Comme je l'ai dit, on ne connaissait pas cette personne. L'agent de l'Office qui traitait généralement ce genre de liste et qui l'envoyait au poste est un fonctionnaire francophone de Liège qui n'a aucun lien ou qui n'a aucune connaissance de Malines. Je serais très étonné que cela provienne de chez nous. Quelqu'un d'autre l'a peut-être envoyé. Je n'en sais rien. Mais pour le dire, il faudrait avoir accès au mail.

 

À part pour les chrétiens d'Alep en 2015 avec Mark Geleyn, un ancien directeur général des Affaires étrangères belges – je le connaissais car je l'ai rencontré dans le cadre de ses fonctions, il y a longtemps – les gens de l'Office n'ont jamais eu connaissance d'intermédiaires et n'en ont donc jamais rencontré physiquement.

 

02.32  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer Roosemont, begrijpt u mij niet verkeerd. Wij zijn niet tegen het verlenen van humanitaire visa. In die zin heb ik helemaal niets willen insinueren of suggereren.

 

U zegt dat het verlenen van humanitaire visa een uitbreiding of het omzeilen van de strenge wet op de gezinshereniging kan betekenen. Daarmee zegt u, ten eerste, dat een humanitair visum terecht verleend kan worden vanwege een prangende humanitaire situatie, en ten tweede, dat er een niet-conforme situatie van familieverband is met degene die naar België komt. Als er echter geen materieel en grondig onderzoek gebeurt naar het dossier, en als iemand enkel op voorspraak van een familielid op een lijst terechtkomt, dan zetten we de achterdeur open terwijl we de voordeur legistiek hebben gesloten. Daar zit naar mijn aanvoelen nu net het probleem. U zegt dat een humanitair visum sowieso niet aan een familielid kan worden ontzegd, maar dan geldt er precies om die reden toch een materiële en formele motiveringsplicht? Als geen grondig onderzoek wordt verricht, als niet alle elementen gewikt en gewogen worden, en als niet gemotiveerd wordt waarom er wordt geweigerd, dan zien wij dikwijls…

 

02.33  Freddy Roosemont: Maar dan zijn wij het roerend met elkaar eens. Wij hebben mekaar misschien verkeerd begrepen.

 

02.34  Carina Van Cauter (Open Vld): Dan is het goed. Ik dacht ook dat we elkaar verkeerd begrepen hadden.

 

02.35  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer Roosemont, hebt u op geen enkel moment geruchten van misbruik opgevangen?

 

02.36  Freddy Roosemont: Neen, absoluut niet.

 

Het jongste gerucht dat rondgaat, is een bericht in het kader van de invoering van de permis unique op 1 januari waarbij de Marokkaanse gemeenschap in België en vooral ook in Marokko denkt dat er opnieuw een regularisatie op basis van werk zal worden doorgevoerd. Dat gerucht is via media en verschillende andere kanalen tot bij ons gekomen en wij reageren daarop via sociale media door het als onjuist te kwalificeren.

 

Over de hele problematiek van tussenpersonen hoorden wij eigenlijk heel erg weinig. Daarbij moet ik ook zeggen dat christelijke kerken, hetzij in Mechelen, hetzij elders, niet zo mijn ding zijn.

 

02.37  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik begrijp ook dat u telkens de namen van de tussenpersonen kon zien op de lijst die u vanuit het kabinet werd bezorgd. De naam Melikan Kucam hebt u dus een aantal keren zien passeren.

 

02.38  Freddy Roosemont: Alleen Melikan. Er zijn 5 lijsten met Melikan, en er zijn er 3 met Melikan-Delvaux. Dat betekent, volgens de analyse en de verklaring van de heer Delvaux naderhand, dat die zaken zijn samengevoegd.

 

De heer Delvaux heeft, meen ik, in de krant gezegd: ik heb inderdaad 32 namen doorgegeven. Er is geen enkele lijst-Delvaux met 32 namen. Die zijn dus ergens vermengd geraakt.

 

02.39  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Hebt u die namen dan nooit gecheckt? Hebt u zich daar nooit vragen bij gesteld? Hebt u nooit een lastige vraag gesteld aan de staatssecretaris, bijvoorbeeld naar aanleiding van de piek in 2018, over die tussenpersoon of over zijn werkwijze? Hebt u ooit een kritisch signaal gegeven aan de staatssecretaris over zijn werkwijze?

 

02.40  Freddy Roosemont: Ik heb geen lastige vragen gesteld aan de staatssecretaris want hij maakte er ook geen geheim van wat de bedoeling was: mensen uit Syrië laten overkomen, en vooral christelijke mensen uit Syrië laten overkomen. Ik wist dat. Ik ging de staatssecretaris niet over de aantallen ondervragen. Dat was zijn beslissing. Wij voerden die uit. Of er nu 10 of 5 of 30personen op zo'n lijst stonden, voor mij was dat totaal van ondergeschikte orde.

 

Behalve in 2015, met de zaak-Aleppo. Toen die procedure ontwikkeld is, is daar heel weinig communicatie over geweest. Dat was iets wat liep. Dat liep goed. Dat kon verder lopen.

 

Het grote probleem, ik meen dat iedereen het daarover eens is, is niet dat kwetsbaren gered moeten worden. Niemand is tegen het redden van mensen. Het probleem is eerder wat het gerecht nu aan het onderzoeken is over die tussenpersonen, en of die daar geld voor vroegen en wat die met dat geld allemaal deden. Dat is het probleem vooral, meen ik.

 

Kon het gewerkt hebben zonder tussenpersonen? Zonder kerken in ieder geval niet. Is een Syrische priester dan een tussenpersoon? Vermoedelijk wel. In ieder geval, die hebben wij nooit gezien.

 

Is dat bij mij een gebrek aan kritische geest? Misschien, naderhand beschouwd, wel. In ieder geval, in het begin en ook tijdens de procedure wisten wij wat liep. Het was trouwens niet alleen het aantal van die groep dat steeg, ook het aantal hervestigingen steeg. Het aantal relocaties daalde. Er was dus wel een evenwicht.

 

Wij zaten toen, eind 2017 en in de eerste helft van 2018, ook in een periode met dalende asielcijfers. Met een gemiddeld aantal aanvragen toen tussen 1 500 en 1 700 was het natuurlijk een andere situatie dan nu, met een gemiddeld aantal tussen 2 500 en 2 700.

 

02.41  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer Roosemont, ik heb u daarnet letterlijk horen zeggen dat u doet wat de minister u vraagt. U hebt die lijsten gekregen en u kreeg ook niet meer dan die lijsten. U hebt zelf gezegd dat u niets kon doen met lijsten waarop alleen maar namen stonden. Men kan dan maar weinig checken.

 

Dit in tegenstelling tot de aanvragen die rechtstreeks van de families naar DVZ werden gestuurd. Deze aanvragen waren gemotiveerd. Bij die aanvragen kon u wel nakijken over wie het ging, of er sprake was van familiebanden en of de betrokkenen kwetsbaar waren. U hebt gezegd dat u die kwetsbaarheid niet kon nagaan omdat het enige wat u kreeg een lijst met namen was.

 

Dat is congruent met wat uw woordvoerder heeft verteld op de televisie. De staatssecretaris stond erop dat hij daarover kon beslissen. Hij gaf die lijsten aan zijn administratie en zei dat de mensen op die lijsten een visum moesten krijgen. Hij kon dit omdat het in de wet is bepaald. In de wet staat niet dat het verboden is om de administratie om advies te vragen. De staatssecretaris had ook volledige dossiers kunnen doorgeven met een motivering voor de aanvraag. Op dat moment had hij DVZ kunnen inschakelen om te kijken of de aanvraag gerechtvaardigd was. U zegt zelf dat u van de andere dossiers, die wel rechtstreeks bij u terechtkomen, tweederden afwijst. In die dossiers bent u streng. Misschien is dit ook terecht want niet iedereen is even kwetsbaar. U wijst tweederden van de aanvragen af, terwijl u bij de andere lijst, met aanvragen die via het kabinet zijn ingediend, niets kon controleren, behalve dan een snelle veiligheidscheck.

 

Ik heb uw woordvoerder ook horen verklaren dat hij ervan uitging dat het kabinet een check deed. Dat is eigenlijk ook niet gebeurd want zij kregen die namen ook door van een privépersoon waarin de staatssecretaris blijkbaar vertrouwen had. Nu zien we waar men komt met vertrouwen stellen in de eerste, de beste persoon. Ik zeg niet dat men geen contactpersonen mag hebben, maar het gaat er vooral over dat mensen op dezelfde manier moeten worden behandeld. Men moet even grondig te werk gaan, zeker als het over zoiets delicaat gaat. Eigenlijk wordt er over leven en dood beslist door mensen daar al dan niet weg te halen. Wie haal je daar weg? Blijkbaar waren het degenen met de juiste contacten die een shortcut namen naar het kabinet en onmiddellijk een visum kregen, zonder dat daarbij vragen werden gesteld. Zij die niet de juiste contacten hadden, deden de aanvraag via de normale weg, via DVZ. Daar vindt wel een grondige screening plaats.

 

02.42  Freddy Roosemont: Met één klein verschil, de mensen die via de lijst gekozen zijn, waren allemaal Syriërs. Bij de mensen die bij ons de aanvraag doen, is er maar een minderheid Syriërs.

 

02.43  Nahima Lanjri (CD&V): Christelijke Syriërs, moet u er misschien nog bij zeggen, maar het zijn Syriërs, dat klopt.

 

02.44  Freddy Roosemont: Dat onderscheid maakten wij niet.

 

02.45  Nahima Lanjri (CD&V): Dat moet ook niet gemaakt worden. Ik vind dat het moet gaan over de vraag welke mensen kwetsbaar zijn en wat wij eraan kunnen doen. Men moet kunnen controleren, maar u hebt niet kunnen controleren, omdat u geen enkel dossier van die mensen had. Als er voor elke naam ook maar een fiche met een omschrijving geweest was, dan had u nog iets kunnen nagaan. U hebt echter niets gekregen. U kon dus ook niets nagaan.

 

02.46  Julie Fernandez Fernandez (PS): Je suis assez choquée. On nous dit qu'il faut juger de la vulnérabilité des gens en difficulté pour octroyer des visas. On nous dit ensuite que pour les listes du secrétaire d'État, il ne vous appartenait pas de savoir s'ils étaient vulnérables ou pas. C'est d'une violence inouïe.

 

Vous nous dites que par le fait du prince, par le fait qu'on apparaissait sur une liste émise par un membre du gouvernement, on n'avait pas à être vulnérable ou pas et, dès lors, on devait être protégé plus que les autres sans qu'il y a vraiment de raison pour l'être. C'est violent et c'est extrêmement choquant.

 

Hormis les listes de chrétiens syriens dont vous avez parlé, y a-t-il eu, durant les trois dernières années, d'autres listes qui reprenaient des personnes avec d'autres spécificités, religieuses ou géographiques? Je connais la réponse.

 

02.47  Freddy Roosemont: Il n'y avait des Syriens d'origine chrétienne sur les listes. Je le sais parce que le secrétaire d'État l'a déclaré lui-même. Il y avait un nom, un prénom, une date de naissance et, parfois, un numéro de passeport.

 

02.48  Julie Fernandez Fernandez (PS): Je ne remets pas en cause le fait qu'on soit venu en aide à des gens. Tant mieux si on a sauvé des vies. Mais je trouve qu'au regard des dizaines de discussions et d'échanges que nous avons eus ici et des questions parlementaires déposées par des membres de la Chambre, ce que nous avons entendu est d'une violence inouïe. Je dirais même qu'on frôle l'indécence car au vu des sommes annoncées, j'ai envie de dire que ces gens-là avaient les moyens par rapport à d'autres, peut-être non chrétiens. Nous vacillons dangereusement!

 

02.49  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Ik wil nog even wijzen op het statuut van de heer Roosemont. Er is bij de DVZ niets verkeerd gelopen. Als de heer Francken u zegt dat u zijn lijst moet gebruiken, dan doet u dat. Als de heer Francken zegt dat u de lijst op de ene of andere manier moet controleren, dan doet u dat ook. Dan zult u uw werk ongetwijfeld doen. Daar is het niet fout gelopen, a fortiori ook niet bij de heer Van den Bulck.

 

Het is hier in de Kamer fout gelopen, niet bij de DVZ, niet bij het CGVS. Dat het mogelijk is dat collega's vragen stellen aan de staatssecretaris en dat hij daar niet of ontwijkend op antwoordt, daar is het fout gelopen. Dat systeem heeft de meerderheid in stand gehouden.

 

Het is hier fout gelopen, want de controle moet hier gebeuren, niet bij de DVZ, want er was geen opdracht door de staatssecretaris.

 

02.50  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer Roosemont, u bevestigt hier dat er door uw diensten geen enkele controle op de kwetsbaarheid van die mensen was en dat de staatssecretaris compleet vrije baan had, samen met zijn tussenpersonen en dat er van uw kant een blind vertrouwen was.

 

U hebt ook op geen enkel moment een kritisch signaal gegeven in wat een normale wisselwerking zou moeten zijn tussen regering en administratie. De staatssecretaris gaf u een blanco cheque en u hebt dat ondertekend, zonder u daarbij vragen te stellen. Ik vind dat niet zo normaal.

 

Ik vind dat niet zo normaal. Als een administratie met een dergelijke werkwijze wordt geconfronteerd en zich zeer goed bewust is van de risico's op misbruik, die daarmee gepaard gaan, dan vind ik het de taak van een administratie om een signaal te geven aan de staatssecretaris, te meer omdat we nu weten dat zijn werkwijze, zeker in 2018, grondig verschilde van die in de voorgaande jaren. Dan is het toch logisch dat men in dialoog of debat gaat met de staatssecretaris? Ik vind dat niet zo normaal.

 

Wij zullen een wetsvoorstel voor een strakker kader indienen, dat hopelijk snel ter stemming zal worden voorgelegd. Vindt u niet, met wat u nu weet, dat het verstandig zou zijn van de politieke wereld om naar een strakker wetgevend kader te gaan? We kunnen nog discussiëren over de modaliteiten en de richting, maar vindt u, met uw ervaring, dat er iets op wetgevend vlak moet gebeuren?

 

02.51  Freddy Roosemont: Ik heb niet de blanco cheque geïnd. Ik heb hem misschien wel naar de bank gedragen. Dat was ook geen geheim bij de administratie. U stelt het voor alsof dat weggestoken werd, onder de mat geveegd werd. Iedereen, ook hier, wist dat toch. Ik wist het. Ik las de verslagen van de Kamer, ik las de kranten, ik volgde de media. Iedereen wist dat dat bezig was.

 

Het ging ook over Syriërs voor wie er nog steeds een erkenninggraad is van ongeveer 90 %. Syriërs die toekwamen, hadden bijna zeker een erkenning. Als het ging over mensen met een nationaliteit met een erkenninggraad van 20 of 30 %, dan hadden wij de haalbaarheid van een verder verblijf in het kader van asiel kunnen nagaan. Het ging hier echter om Syriërs, die kwamen uit een situatie die absoluut niet evident was, zeker in het begin.

 

Zijn wij tekortgeschoten in onze taak om te verwittigen? Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris wist wat hij deed. De rol van de tussenpersonen is bij ons nooit aan bod gekomen. Eerlijk gezegd, dat was ook mijn zaak niet en het is daar, dat het is fout gelopen, niet in het systeem.

 

Wij hebben vroeger ook met lijsten gewerkt, ten tijde van Rwanda en de adoptiekinderen uit Haïti, maar bijvoorbeeld ook in de Kosovocrisis van 1999-2000. Wij hebben toen mensen vanuit Kosovo laten overkomen op basis van lijsten, niet op basis van een individuele aanvraag in bijvoorbeeld de Belgische ambassade in Belgrado, in Servië, die toen bevoegd was voor Kosovo. Ook toen hebben wij dat gedaan. Dat is dus ongebruikelijk, maar niet zo uitzonderlijk.

 

Als het gaat over een wetgevend kader, dan hangt het ervan af wat dat is. Als u de regelgeving te streng maakt, zullen er steeds personen uit de boot vallen, wat zeer pijnlijk zou zijn. De tussenkomst van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen zie ik absoluut niet zitten, omdat een tussenkomst van een externe steeds vertragend is, steeds een zaak is met een discussie waarbij iedereen het vaak eens voor een positieve beslissing en dan kunnen wij het zelf doen, of het eens is voor een negatieve beslissing en dan kunnen wij het zelf weigeren.

 

Ik heb heel lang geleden, ergens in 1999-2000, nog in de Commissie voor regularisatie zitting gehad. Het ging toen over de regularisatieaanvragen die door zo'n commissie moesten worden behandeld. In 90% waren alle leden, DVZ, maar ook de ngo-vertegenwoordiger en de heer Leman zelf, het eens over de gevallen, zowel positief als negatief. Dat is geen waardeoordeel.

 

Kortom, die tussenkomst klinkt in theorie mooi, maar gezien de aantallen die wij moeten behandelen, zal zoiets in de praktijk helemaal niet werken.

 

Een intentieverklaring, bijvoorbeeld in een regeerakkoord, om dat te kaderen, lijkt mij een goede zaak. Op het moment dat een regeerakkoord wordt afgesproken, weet men natuurlijk niet wat er de volgende vijf jaar zal gebeuren. Een crisis in Rusland of Oekraïne, of een uit de hand lopende situatie in Afrika, bijvoorbeeld Congo, dat is iets nieuws. Overigens, een intentieverklaring, een politieke verbintenis van de bevoegde minister, zijnde de minister voor Asiel en Migratie, aan zijn collega's om meer te doen inzake hervestiging, wat gebeurd is, om eventueel kwetsbaarheid meer in het licht te zetten, is niet zo evident. Hoe zal dat, vooral voor mensen die geen individuele aanvraag indienen, worden beoordeeld en door wie? Mevrouw Lanjri heeft gelijk. Een individuele aanvraag betekent bewijsstukken, aktes, documenten, maar indien bijvoorbeeld Kinshasa ontploft, dan hebben wij geen individuele aanvragen noch bewijsstukken.

 

Hoe zal die kwetsbaarheid dan worden beoordeeld vanuit Brussel? Dat is heel moeilijk, zowel voor de commissie als voor DVZ. Kunnen daar tussenpersonen zijn? Misschien wel, misschien niet. Zijn het betrouwbare tussenpersonen? Die zijn absoluut nodig, maar dat is niet zo evident.

 

Spreekt men alleen over UNHCR, zoals mevrouw De Block het doet, dan is dat de meest veilige procedure, maar wij zullen er niet iedereen mee bereiken. Het is een heel complex probleem.

 

02.52  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur Roosemont, franchement, je suis vraiment choqué par les propos que vous venez de tenir en disant que tout le monde était courant. Non, nous n'étions pas au courant d'intermédiaires véreux, du prix payé, de l'absence d'examen de vulnérabilité, d'intermédiaires non professionnels. On suspectait du clientélisme mais on voyait la pointe émergée de l'iceberg. On ne voyait pas tout le reste. Arrêtons de dire qu'on était informé.

 

02.53  Freddy Roosemont: Mais je ne parle pas de cela.

 

02.54  Georges Dallemagne (cdH): Vous avez l'air de dire qu'on était tous au courant de ce qui se passait.

 

02.55  Freddy Roosemont: Je ne parle certainement pas du fait qu'on paie pour une intervention.

 

02.56  Georges Dallemagne (cdH): Donc, on n'était pas informé de tout cela.

 

02.57  Freddy Roosemont: Je parlais du fait que M. Francken faisait des actions spécifiques pour des chrétiens de Syrie. Et je suis certain que M. Francken a répondu à un certain nombre de questions parlementaires à cet égard.

 

02.58  Georges Dallemagne (cdH): C'est tout ce qu'on savait et on espérait au moins qu'il s'agissait d'opérations humanitaires ...

 

02.59  Freddy Roosemont: C'est ce que je savais aussi.

 

02.60  Georges Dallemagne (cdH): Mais on se rend compte que c'était du trafic d'être humains.

 

Monsieur Roosement, je voulais encore vous poser une question. Nous apprenons qu'il n'y aucun examen de vulnérabilité ni dans votre chef, ni dans celui du secrétaire d'État. Il y a quand même une loi qui prévoit que tout acte administratif - en l'occurrence, délivrer un visa, c'est un acte administratif - doit être formellement motivé. On avait donc là une procédure qui était parfaitement illégale sur le plan formel. Il n'y avait pas de motivation.

 

02.61  Freddy Roosemont: Personne ne pouvait le contester car c'était un accord.

 

02.62  Georges Dallemagne (cdH): Mais vous pouviez, dans vos fonctions et responsabilités, au moins exiger qu'il y ait une motivation, qu'il y ait quelque chose.

 

02.63  Freddy Roosemont: On n'utilise pas les motivations positives. Soyons clairs: ils ne sont pas soumis à l'autorité du tribunal.

 

02.64  Georges Dallemagne (cdH): N'estimez-vous pas ici, au regard de cette loi de 1991, que la procédure est illégale?

 

02.65  Freddy Roosemont: Pas vraiment. Qui sanctionne nos décisions? Le Conseil du contentieux, en tant que tribunal administratif. Une décision positive ne va jamais être soumise à ce contrôle.

 

02.66  Georges Dallemagne (cdH): J'aimerais avoir l'avis des autres intervenants. Cette manière de pratiquer ne me paraît pas du tout régulière. Le fait qu'il n'y ait aucune motivation, pas la moindre explication, ni dans votre chef ni dans celui du secrétaire d'État, pour la délivrance d'un acte administratif, cela ne me paraît pas conforme à la loi de 1991.

 

02.67  Nahima Lanjri (CD&V): Ik wil mij nog even aansluiten bij de woorden van de heer Dallemagne. U zei dat iedereen toch op de hoogte was. Ik wil heel duidelijk stellen dat wij op de hoogte waren van de humanitaire corridors. Daar hebben we vragen over gesteld. We waren op de hoogte van de resettlements en daar hebben we vragen over gesteld. We waren ervan op de hoogte dat er een mogelijkheid was voor individuele regularisatie en daar hebben we ook vragen over gesteld. We hebben daarbij telkens aangegeven dat er meer transparantie over moest komen. Ook al wisten we dat u een zekere lijn bewandelde, toch wilden we liefst nog meer transparantie.

 

Wat we echter helemaal niet wisten was dat er nog een andere weg was, een weg van via, via, van ons kent ons, van mensen die lijstjes doorgaven aan de staatssecretaris die dan nadien aan u werden doorgegeven. U kon daar niet inhoudelijk over oordelen. Dat wisten wij niet. Als we dat hadden geweten, dan hadden we onmiddellijk aan de noodrem getrokken en gezegd dat dit niet kon passeren.

 

Ik hoop dus dat u niet bedoelt dat wij daarvan op de hoogte waren. Dan zou u het verkeerd voorhebben. Wij wisten van de normale procedures maar niet van deze piste die eigenlijk tot misbruik heeft geleid. Ik ben sowieso al kritisch, als ik dat geweten had stond het kot wel op stelten.

 

02.68  Freddy Roosemont: Daar twijfel ik geen seconde aan. Begrijp mij echter niet verkeerd, ik bedoelde dat u ervan op de hoogte was dat hij iets speciaals deed voor christenen uit Syrië. De manier waarop dat gebeurde is een totaal andere zaak. U was ervan op de hoogte dat hij iets speciaals deed voor christenen uit Syrië, dat moet iedereen geweten hebben.

 

02.69  Nahima Lanjri (CD&V): Daar heeft niemand problemen mee. Integendeel, verschillenden van ons hebben zelfs gepleit voor meer resettlements. Wij hebben ook gezegd dat de humanitaire corridors een weg konden vormen voor mensen die niet weg raakten.

 

Bij de kwestie van die familie uit Syrië is er hier een heel debat geweest over de vraag of mensen eventueel in het land van herkomst een aanvraag moeten kunnen indienen, zonder dat we uiteraard zeggen dat dit geldt voor heel de wereld. Hoe pakt men dat aan? Daar zijn hier debatten over gehouden. Daar was geen enkel probleem mee, dat men kwetsbaren effectief een mogelijkheid moest geven om naar België of een ander land te komen.

 

02.70  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Mijnheer De Vriendt, de controle op het politiek handelen van de heer Francken en op zijn politieke beslissing om christelijke Syriërs te redden uit Aleppo kunt u toch niet doorschuiven naar de heer Roosemont? Dat is zijn taak niet.

 

02.71  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): (…)

 

02.72  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Dat hebt u wel gezegd.

 

Dat is de taak van de Kamer. De enige verplichting die op de heer Roosemont rust, als ambtenaar, is dat hij aangifte moet doen wanneer hij weet zou hebben van een misdrijf. Dat is zijn enige verplichting. U kunt toch aan hem niet vragen waarom hij niet gereageerd heeft op die lijsten? Dat is helemaal zijn taak niet. Dat is helemaal niet wat hij moet doen.

 

Hetzelfde geldt voor de vraag van de heer Dallemagne. De wet op de motivering van administratieve handelingen, de wet-Cerexhe, mijn voorganger aan de universiteit van Namen, is hier van toepassing. Wie moest motiveren? De heer Francken, niet de heer Roosemont. Het is namelijk niet de heer Roosemont die de beslissing nam, maar wel de heer Francken. Ik vind het niet correct dat men probeert om zaken in de schoenen te schuiven van een ambtenaar die perfect binnen zijn bevoegdheden is gebleven, na alles wat ik hier van hem gehoord heb.

 

02.73  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer Vuye, ik vind dat u werkelijk een archaïsche visie hebt op de administratie. Wij houden hier heel vaak hoorzittingen met ambtenaren. Die ambtenaren getuigen van expertise. Als zij, met al hun expertise, een staatssecretaris zien opduiken die een dergelijk systeem installeert, dan is het mijn verwachting – ik meen dat die zeer logisch is – dat zij een advies of een signaal geven aan de politiek verantwoordelijke. Mij verwondert het enorm dat de heer Roosemont hier zegt dat hij dat signaal nooit gegeven heeft, dat hij nooit aan de alarmbel getrokken heeft en dat hij nooit een kritische vraag heeft gesteld.

 

Misschien hebben wij een andere visie op hoe ambtenaren dienen te functioneren, maar voor het overige ligt de politieke verantwoordelijkheid uiteraard bij Theo Francken. Daarover zijn wij het eens. Ik meen echter dat ik het recht heb om aan de heer Roosemont de vraag te stellen – ik sta daarmee niet alleen – hoe het komt dat hij bijna automatisch die blanco cheque niet heeft geïnd, maar wel telkens heeft getekend, zonder zich daarbij vragen te stellen ten aanzien van de staatssecretaris. Dat is het probleem.

 

02.74  Hendrik Vuye (Vuye&Wouters): Waarom moet mijnheer Roosemont aan de alarmbel trekken? Wat weet mijnheer Roosemont? Mijnheer Roosemont weet wat u ook weet en wat anderen weten, namelijk dat de heer Francken overal in de media, in de kranten en op Twitter aankondigt een noodbrug in te leggen voor de christenen in Aleppo. We wisten dat allemaal. U wilt toch niet zeggen dat hij daarvoor aan de alarmbel moet trekken!

 

02.75  Monica De Coninck (sp.a): Ik begrijp iedereen zijn positie, maar ik heb het er persoonlijk heel moeilijk mee dat we met verschillende mensen heel veel vragen hebben gesteld over de humanitaire visa. We hebben gewoon cijfers opgevraagd. Cijfers. Ik heb zestien schriftelijke vragen aan de staatssecretaris die niet werden beantwoord. Er zitten vier vragen bij, lange vragen, met heel veel vragen in, over humanitaire visa. Die werden niet beantwoord. Na anderhalf jaar zijn die niet beantwoord, hoewel ze verscheidene keren opnieuw werden gesteld. Ik heb de voorzitter van het Parlement, de heer Bracke, daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld. Ik heb een brief teruggekregen waarin hij stelde dat hij hem zou aanmanen tot het beantwoorden van die vragen. We hebben dat niet gekregen.

 

Daarom heb ik ook de vraag gesteld naar de verslaggeving, die vroeger veel uitgebreider was. U zegt dat u niet genoeg middelen heeft daarvoor, wat ik kan begrijpen, en dat prioriteit werd gegeven aan de dossiers. Indien men verslaggeving had verzorgd, had men gezien dat humanitaire visa geen uitzonderingsprocedure meer vormden, maar dat dit een regulier circuit werd, gewoon door de aantallen. Dan moet men zich vragen beginnen te stellen. Ten eerste, scheelt er iets aan onze andere middelen dat die niet gebruikt worden, maar alleen humanitaire visa? Of wordt dit voor iets gebruikt waar we eigenlijk niet over gediscussieerd hebben en consensus over hebben? Men kan op voorhand procedures vastleggen, maar ook a posteriori audits en controles doen. Er is zelfs een federaal auditkantoor bij ons. Men had perfect kunnen vragen om een audit te houden. Er is ooit een audit geweest over het uitzetten van mensen en de misbruiken die er daar zijn geweest. We hebben daar vragen over gesteld. Er is een audit geweest over medische redenen om hier verblijfsvergunningen te krijgen. We hadden dat moeten doen, er waren daar vragen bij te stellen. In 2018 ligt de piek van de humanitaire visa.

 

Wanneer waren de problemen het grootst in Syrië? In 2015, niet in 2018. Die humanitaire visa zijn dus gebruikt als een apart kanaal om mensen naar België te brengen. Wij weten niet of dat kwetsbare mensen waren, maar ik ga daarvan uit. Het waren kwetsbare christenen die naar België zijn gebracht, terwijl wij – ik kijk ook naar mevrouw Lanjri – bijna op onze knieën hebben gesmeekt om kwetsbare mensen uit vluchtelingenkampen naar hier te brengen en te hervestigen in het kader van de afspraken binnen Europa. Een migratiebeleid kan men immers alleen op internationaal niveau afspreken. Men verwijt Europa dat het geen beleid had, maar Europa had afspraken gemaakt, die echter niet werden nagekomen en bovendien werd er een apart circuit georganiseerd op een ander moment. Dat is een van de grote problemen die ik heb met dit verhaal.

 

Mijnheer Van den Bulck, u krijgt het woord om nog een aantal vragen te beantwoorden.

 

02.76  Dirk Van den Bulck: Mevrouw de voorzitter, ik zal mijn best doen om op alle vragen te antwoorden, kort maar toch zo volledig en pertinent mogelijk.

 

Op de eerste vraag heeft men al een aantal keer in mijn naam geantwoord. Ik kan nog eens heel duidelijk formeel zeggen dat de staatssecretaris op geen enkele manier is tussengekomen bij de behandeling van asielaanvragen. Dat is niet gebeurd inzake de dossiers van personen aan wie er een humanitair visum is gegeven, het is op geen enkele manier gebeurd, nooit. Ik heb dat ook al op andere momenten gezegd. De voormalige staatssecretaris, zoals ook andere ministers voor hem, heeft altijd op absolute wijze de onafhankelijkheid van het commissariaat gerespecteerd.

 

Terzijde, alle dossiers van personen afkomstig uit Syrië worden met voorrang behandeld. Alle aanvragen in het algemeen van personen uit Syrië zijn op korte termijn behandeld. Dat geldt voor personen die een visum hebben gekregen maar evenzeer voor anderen. Dat is het antwoord op een eerste vraag.

 

Een tweede vraag ging over de personen aan wie een zogezegd humanitair visum is gegeven. Ik moet daarbij een onderscheid maken tussen effectief de eerste groep van christenen uit Aleppo in 2015 en alle andere dossiers daarna.

 

Ik zal mij niet uitspreken over de vraag of zij op het vlak van nood aan bescherming en op het vlak van kwetsbaarheid verschillend waren. Ik kan dat niet, omdat ik op zich ook geen zicht heb op de andere dossiers.

 

Het enige is dat ik, anders dan voor de andere dossiers, wel een duidelijk zicht heb gehad, op zijn minst op het eerste aspect, namelijk de vraag of er al dan niet een bijzondere nood was. Wij hebben dat criterium behalve de individuele fiches ook in het algemeen onderzocht. Bepaalde personen zijn immers toen in de eerste plaats naar de staatssecretaris gestapt met de vraag om visa te verlenen aan een groep personen, met name aan een groep christenen in een bijzondere situatie in Aleppo.

 

Ik moet erop wijzen dat zij tengevolge de situatie op dat ogenblik in Aleppo, met name een omsingeling van de stad door voornamelijk rebellengroepen, in een steeds meer precaire situatie terechtkwamen.

 

Dat was een precaire socio-economische situatie maar er was ook het feit van toenemende bombardementen, enzovoort. Het werd steeds moeilijker om uit de stad weg te geraken. Ik ga niet alle elementen meedelen. Dat werd aangekaart. Dat hebben wij in de eerste plaats ook vooraf nagekeken. Hoe precair is de situatie? Wat is de mogelijkheid voor personen om uit de stad weg te geraken? Er was niet meer dezelfde mogelijkheid voor personen uit Aleppo om naar Turkije te vluchten, zeker en vast niet voor christenen.

 

Ik kom dan bij de vraag van mevrouw Smeyers of ze geen andere mogelijkheid hadden. Dat is altijd moeilijk te zeggen. Er waren ook nog wel mogelijkheden op een interne vlucht, binnen Syrië. Het was in elk geval duidelijk dat die groep op dat moment, maar eigenlijk alle 70 000 christenen die op dat moment nog aanwezig waren in de stad, in een heel bijzondere, acute situatie zaten. Dit had te maken met de conflictsituatie op dat moment.

 

Wij hebben toen de algemene situatie onderzocht. Wij hebben ook individuele fiches onderzocht, zij het niet noodzakelijk van iedereen. Ik heb hierbij al aangegeven dat wij niet echt een beoordeling kunnen geven op basis van een korte fiche die is opgesteld door de betrokkene zelf, of anderen, zonder een reëel onderzoek, met een interview, uit te voeren. Een aantal zaken zijn op dat moment ook beoordeeld.

 

Bij alle andere aanvragen van humanitaire visa is het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op geen enkele manier betrokken geweest. Ik kan ook niet zeggen hoe acuut de situatie was voor die personen aan wie een visum gegeven is. Op dit ogenblik kan ik ook niet zeggen of het in alle gevallen gaat om personen met een reële nood aan bescherming. Ik neem aan van wel, omdat het meestal gaat om Syriërs. Als ik de lijsten krijg, zal ik ook in relatief korte tijd kunnen nagaan welke beslissingen wij intussen genomen hebben.

 

Ik ga er immers vanuit dat voor degenen die effectief een asielaanvraag hebben ingediend, in de meeste gevallen intussen een beslissing genomen is. Dan zal ik dat ook kunnen zeggen. Op dat punt kunnen wij zeer snel cijfers, statistieken, leveren, over welke beslissingen wij genomen hebben in die dossiers, na de beoordeling van de situatie en de nood aan bescherming van die personen.

 

Ten derde, of de UNHCR in Aleppo en of Syrië aanwezig is, kan en durf ik op dit ogenblik niet te zeggen. Ik denk wel dat UNHCR er actief is.

 

Wat ik wel duidelijk kan zeggen, is dat in de regel resettlement als programma van UNHCR beperkt is tot personen die hun land van herkomst al verlaten hebben. Het gaat dan om vluchtelingen die verblijven in, doorgaans, buurlanden van het land dat zij ontvlucht zijn.

 

Dat heeft ook te maken met het mandaat en de definitie van vluchteling. Ik kan daar lang over doorgaan, maar kort, een van de voorwaarden om de status van vluchteling te krijgen conform de definitie van vluchteling in de Conventie van Genève is dat de betrokkene zijn land heeft verlaten. Zo'n programma sluit dus aan bij de definitie van vluchteling.

 

U vindt dit ook terug in de informatie die ik u heb bezorgd over UNHCR en de documenten van UNHCR zelf, namelijk resettlement is voor de UNHCR altijd een van de drie oplossingen en eigenlijk pas de derde oplossing in de reeks. Men gaat in de eerste plaats altijd na of er een mogelijkheid is tot terugkeer naar het land.

 

Ten tweede gaat UNHCR na of er al dan niet een reële mogelijkheid is van re-integratie in de regio. Pas in derde instantie, als die andere mogelijkheden er niet zijn, zal men in het kader van zoektocht naar een duurzame oplossing resettlement aankaarten.

 

Dan komen we ook bij de problematiek. Ik zal mij daar echter niet over uitspreken. Een keuze maken tussen resettlement van personen in buurlanden of het rechtstreeks laten overkomen van personen uit het land van herkomst, een keuze maken wie eerst, is niet evident. Dat is niet evident. Ik leg maar even op tafel dat er nu 60 miljoen vluchtelingen zijn. Wie eerst? Is de ene groep meer in nood dan de andere groep? Dat is niet evident.

 

Om op een bepaald moment toch een objectief gefundeerde keuze te maken, moet men een beroep doen op een professional die zicht heeft op de situatie van vluchtelingen in de wereld in zijn geheel. Dat is UNHCR. Voor mij is dat een argument om, als we ervoor willen kiezen om meer vluchtelingen te laten overkomen, in de eerste plaats te rekenen op de analyse en de keuzes van UNHCR.

 

UNHCR maakt elke jaar opnieuw keuzes, vanuit een totaal kader. Die info kan ik u bezorgen. De organisatie geeft aan welke groep – ik denk tussen 100 000 en 200 000 personen – op bepaald ogenblik in de meest acute situatie zit qua nood aan bescherming.

 

De UNHCR heeft daar een programma lopen. Het gaat over Syriërs, maar ook over vluchtelingen in andere delen van de wereld. Binnen dat kader maken België en ook andere lidstaten keuzes inzake resettlement. België kiest overigens niet alleen voor Syriërs, maar ook voor personen uit andere herkomstlanden, bijvoorbeeld uitdrukkelijk ook uit de regio van de Grote Meren in Afrika; er is dus geen beperking tot louter Syriërs. Een en ander sluit niet uit dat er voor bepaalde acute situaties toch nog een mogelijkheid gecreëerd kan worden. In het algemeen echter, wanneer men een systeem wilt creëren en verder uitwerken, dan is het volgens mij kwestie de resettlement meer plaats te geven, in plaats van veel meer bijkomende kanalen te creëren via andere organisaties die personen kunnen aanbrengen.

 

Een volgend punt, en daarin kan ik heel duidelijk zijn, binnen het Commissariaat-generaal hebben wij geen indicaties of elementen opgevangen die wezen op misbruik. Bij mijn weten hebben personen binnen het Commissariaat-generaal geen geruchten over illegale activiteiten, misbruik of mensensmokkel opgevangen.

 

Ik kan daaraan toevoegen, dat het een heel duidelijke beleidslijn binnen het Commissariaat-generaal is dat, indien er indicaties zijn van misdrijf of gevaar voor de samenleving en voor de nationale veiligheid, die aan een bijzondere coördinator binnen het Commissariaat-generaal en aan mij moeten worden gesignaleerd. Van daaruit zullen die elementen worden gesignaleerd aan de bevoegde diensten. Dat kunnen, naar gelang de aard van de problemen, de inlichtingendiensten, de procureur des Konings of de politiediensten zijn.

 

Dat is een heel duidelijke lijn. Als die er is, dan is dat heel duidelijk omdat er indertijd vragen konden worden gesteld met betrekking tot het beroepsgeheim. Wij hebben indertijd dus gevraagd om de wet met betrekking tot het Commissariaat-generaal te wijzigen, om geen enkele twijfel te kunnen laten bestaan dat het signaleren van dit soort elementen aan politiediensten, inlichtingendiensten of procureur des Konings niet strijdig is met het beroepsgeheim, dat wij eveneens uiterst belangrijk vinden.

 

Het signaleren van die elementen is een duidelijke uitzondering daarop en is trouwens de enige uitzondering daarop.

 

Wij hebben daarvan dus geen weet. Als wij ervan weet hadden gehad, hadden wij het onmiddellijk gesignaleerd.

 

Wij hadden trouwens ook geen weet van het filmpje. Mijnheer De Vriendt, u hebt er uitdrukkelijk naar gevraagd. Wij hadden daarvan geen weet en wij hebben dat pas achteraf vastgesteld. Voor alle duidelijkheid en naar het onderzoek toe, de opdracht van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is om na te gaan of er nood aan bescherming is. In dat kader moet er natuurlijk een onderzoek gebeuren naar identiteit, herkomst enzovoort, maar wij richten ons onderzoek in de eerste plaats op de nood aan bescherming, om de status van vluchteling met status subsidiaire bescherming toe te kennen. Wij onderzoeken dus niet alle andere elementen wanneer deze niet direct relevant zijn voor het onderzoek.

 

Het volgende heb ik ook daarstraks reeds aangehaald. Op dit ogenblik hebben wij er geen zicht op of de personen die een visum gekregen hebben, allemaal een asielaanvraag, een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Ik kan dus ook niet zeggen welke beslissing wij genomen hebben in deze zaken.

 

Wij hadden op geen enkele manier zicht op de procedures en de wijze waarop, na de situatie met de eerste groep in 2015, de procedures waren uitgewerkt. Ik kan heel duidelijk zeggen dat de aspecten rond die procedure of andere op geen enkele manier ter sprake zijn gekomen met de staatssecretaris in mijn aanwezigheid. Ik heb ook geregeld vergaderingen met de staatssecretaris. In de eerste plaats gaat het dan om kwesties, die voor mij ook belangrijk zijn, als het budget. Wij moeten voldoende middelen hebben om te kunnen functioneren. Daarnaast kunnen ook andere vragen aan bod komen. Als mij een advies gevraagd wordt, dan geef ik dat. Zo heb ik ook een advies gegeven over de problematiek van de humanitaire visa, maar de punten die besproken worden met het commissariaat zijn relatief beperkt. Er wordt niet gesproken en ik leg geen verantwoording af over de wijze waarop ik asielaanvragen en de situatie in de landen van herkomst beoordeel. Die zaken zijn geen punt van discussie.

 

De onafhankelijkheid van het commissariaat brengt ook met zich mee dat het niet aan mij is om verantwoording te vragen over punten die buiten de bevoegdheid van het commissariaat liggen. Dat maakt ook dat punten die buiten de bevoegdheid van het commissariaat liggen in het algemeen ook niet besproken worden met mij of met experten van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.

 

Concernant la problématique, à l'époque, nous avons fait une courte étude juridique. Je peux mettre à votre disposition cette note, ainsi que la note rédigée reprenant un relevé des pistes de sponsorship qui, en 2015, étaient applicables dans d'autres pays.

 

Comme je l'ai déjà indiqué, début 2015, il y a eu une vraie discussion sur la problématique au sein du cabinet. Le secrétaire d'État voulait étudier de quelle manière on pouvait élaborer quelque chose et organiser un cadre. Un premier projet a été élaboré. Des représentants de la société civile ont été invités au cabinet. Je pense entre autres au Comité belge et au Vluchtelingenwerk. Mais après le premier projet, on n'en a plus discuté. Et de mon côté, je n'ai pas posé de questions car cela ne relevait pas des compétences du Commissariat.

 

Er was nog een interessante vraag over suggesties voor een eventueel wetgevend initiatief. Dat is een zeer interessante vraag, maar het is niet gemakkelijk om onmiddellijk op een blaadje een aantal elementen te geven. Ik kan dat wel doen, maar eigenlijk zou ik dat het liefst nog eens verder willen onderzoeken. Ik geef echter een aantal elementen mee.

 

Het lijkt mij dat men sowieso moet voorkomen dat als men een wetgevend kader uitwerkt, men op de ene of andere manier een regeling vastlegt waardoor een bijkomend subjectief recht ontstaat. Men kan op een bepaald moment ook wel criteria vastleggen, maar zoals ik daarnet heb aangegeven, is dat een tweede element. Indien men daar bepaalde rechten uit put, is het mogelijk om, om te voorkomen dat men dat onbeperkt kan, een quotum te bepalen of op zijn minst in de wet te bepalen dat de minister op dat moment een quotum kan vastleggen. Dat kan dan elke keer een politieke beslissing van de regering zijn, waarop parlementaire controle is, maar om dat te kunnen doen, moet men dat duidelijk vastleggen in de wet.

 

Een derde element is dat men in de wet kan vastleggen dat men op zijn minst een aantal elementen moet aantonen inzake nood aan bescherming en eventueel criteria inzake kwetsbaarheid, waar een aantal keer naar is verwezen. Ik maak daarbij de opmerking dat de eerste reeks van voorwaarden inzake kwetsbaarheid inhoudt dat men nagaat of er een nood aan bescherming is, want bijkomende regels inzake kwetsbaarheid zijn eigenlijk regels inzake het bepalen van voorrang eerder dan regels inzake nood aan bescherming.

 

Een ander element is dat al dan niet kan worden bepaald welke documenten eventueel moeten worden voorgelegd.

 

Zodoende heb ik op de meeste vragen een antwoord gegeven.

 

De voorzitter: Wij, parlementsleden, moeten misschien meenemen wat op het einde is vermeld. Dat is dat wij moeten nadenken over de crisis en dat daarover heel veel vragen zijn. Wij moeten ons ook afvragen wat wij met de toekomst moeten doen. Never waste a good crisis. Wij kunnen u eventueel nog eens uitnodigen om ideeën naar voren te brengen of ons aan te duiden waarop wij moeten letten, om voor de toekomst andere procedures en principes vast te leggen.

 

Mevrouw Fernandez Fernandez, u wou nog iets vragen.

 

02.77  Julie Fernandez Fernandez (PS): Madame la présidente, je souhaiterais que monsieur remette les différents documents demandés au secrétariat afin que nous puissions les consulter. Nous avons déjà obtenu certaines réponses à nos différentes questions mais les documents nous fourniront davantage de détails.

 

02.78  François De Smet: Nous avions moins de questions mais nous tenterons d'y répondre rapidement et succinctement.

 

Pour répondre à la question relative à la constitution de partie civile sur le trafic, Myria peut se constituer partie civile dans des dossiers de traite ou de trafic. Nous le faisons en général pour des motifs d'opportunité: y a-t-il des victimes à défendre qui ne peuvent le faire elles-mêmes? Le dossier est-il emblématique? Nous apportera-t-il une plus-value en termes d'analyse?

 

Dans le dossier Kucam, ce n'est pas exclu mais ce n'est pas certain. Je suis obligé de vous donner une réponse de Normand parce que nous avons une interrogation sur la constitution de la prévention de trafic. C'est un dossier de fraude et d'escroquerie et, en effet, le parquet d'Anvers poursuit également pour trafic.

 

Dans notre pratique en droit, l'infraction de trafic nécessite, pour être constituée, une aide au franchissement illégal d'une frontière contre rémunération au gain d'un avantage patrimonial. En ce cas, il y a certes constitution d'un avantage patrimonial et rémunération mais le franchissement de frontières est-il illégal? Cela ne paraît pas si évident car rien n'est plus légal que les titres par lesquels toutes ces personnes sont arrivées, quand bien même d'autres ont dû payer et payer cher pour les obtenir.

 

Il y a une sorte d'incertitude. Pour être francs, nous en débattons et rassemblons les informations pour comprendre le raisonnement du parquet d'Anvers qui possède nécessairement des informations que nous n'avons pas. Peut-être a-t-il un raisonnement qui se tient?

 

Nous y travaillons. Si, dans les semaines à venir, nous devions acquérir la conviction que la prévention de trafic est bel et bien constituée, c'est un sujet emblématique.

 

Et si nous avons la possibilité de voir que notre constitution de partie civile y apporte une plus-value, alors oui, j'en ferai la proposition à mon conseil d'administration. Nous pouvons nous constituer partie civile à différentes étapes de la procédure. Cela vaut donc le coup de tout examiner attentivement. Cela mérite réflexion et nous y réfléchissons.

 

02.79  Astrid Declercq: Ik wilde eerst nog reageren op de opmerking van mevrouw Van Cauter en van de heer Vuye, die er nu jammer genoeg niet meer is. Hij heeft uit ons rapport van vorig jaar fout afgeleid dat de humanitaire visa een omzeiling van de gezinshereniging zouden betreffen. Wij zien dat niet zo, omdat het altijd gaat om bijkomende humanitaire redenen die worden aangegeven. Als er niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden, waarbij er dus sprake is van omzeiling, dan wordt een dossier niet goedgekeurd; er moeten altijd bijkomende humanitaire redenen zijn. Noch in de DVZ-procedure en ook niet per se bij de reddingsoperaties via het kabinet ging het om een omzeiling van de gezinshereniging. Bij de reddingsoperaties via het kabinet was ons punt dat er een omkadering nodig is om willekeur en ook om een ongelijke behandeling te vermijden in het geval van familiebanden, de kabinetsweg en de DVZ-weg. Het gaat niet om een omzeiling.

 

De humanitaire omstandigheden kunnen inderdaad divers zijn. Dat gaat niet enkel over het feit dat iemand met een bijzondere beschermingsnood in Aleppo zit. Het kan ook gaan over een bijzondere situatie van overmacht, waardoor men niet meer voldoet aan de voorwaarden van gezinshereniging of zich in een bijzondere situatie bevindt. Het voorbeeld werd al aangegeven van een negentienjarige dochter die helemaal alleen in Libanon achterblijft. Dat is volgens ons een humanitaire reden, geen pure omzeiling van de procedure. Om nog een ander voorbeeld te geven, religieus getrouwde koppels of feitelijk geadopteerde kinderen die door omstandigheden zijn moeten vluchten naar een derde land, hebben vaak niet de mogelijkheid om hun huwelijk of adoptieband te officialiseren. Ook in die gevallen is de enige weg de humanitaire visumprocedure. Het kan bijvoorbeeld ook gaan over een Afghaanse moeder die naar een VFS-kantoor, een geoutsourcet kantoor, in Islamabad is gegaan om daar een aanvraag in te dienen om zich te kunnen herenigen met haar kind, een niet-begeleide minderjarige vluchteling.

 

Maar zij werd teruggestuurd. Het gebeurt wel vaker dat er foute informatie volgt en dat die persoon terugkomt maar dat de aanvraag bijvoorbeeld 5 dagen te laat wordt geregistreerd, nadat de niet-begeleide minderjarige 18 is geworden of na de termijn van 3 maanden die nu bestaat.

 

Ik vind het belangrijk om dat mee te geven. Ik geef ook het voorbeeld van een familielid dat niet binnen de tijd van 1 jaar de aanvraag heeft ingediend omdat de familieleden door de vlucht gescheiden zijn geraakt. Het valt soms voor dat er geen contact meer is met de echtgenoot, dat er via tracing contact wordt gezocht, maar dat ondertussen het jaar verstreken is. Na een jaar geldt de bestaansmiddelenvoorwaarde. In zulke gevallen gaat het volgens ons om overmacht.

 

Dat zijn bijzondere situaties, humanitaire situaties. Het gaat volgens ons niet om omzeiling van de procedure, omdat het noodzakelijke humanitaire element er is.

 

Ik hoop dat dit duidelijk uit het Verslag blijkt, zodat dit ook kan worden gelezen door de heer Vuye.

 

02.80  Carina Van Cauter (Open Vld): Ik nam graag het woord voor een persoonlijk feit, want u hebt mijn naam genoemd.

 

De voorzitter: Ik heb juist uitgelegd dat zulks hier niet aan de orde is. Laat haar eerst uitspreken.

 

02.81  Astrid Declercq: Over dat punt ben ik momenteel uitgesproken. Ik zou nu naar het volgende willen gaan.

 

02.82  Carina Van Cauter (Open Vld): Mevrouw Declercq, ik begrijp wat u zegt, laat daar geen twijfel over bestaan. Het is niet omdat men een gezinslid is dat men geen recht zou hebben op een humanitair visum. Als de situatie precair is en het humanitair visum verantwoordt, dan maakt het niet uit of dat nu een tante, een oom of een kind van iemand is. Men moet die gunst dan kunnen krijgen. Dat is geen enkel probleem.

 

Als men echter op voorspraak van een familielid, een kennis of weet ik wie op een lijst komt en er niet kan worden nagegaan of men zich daadwerkelijk in een precaire situatie bevindt, dan zijn we fout bezig. Dan zijn we de goedgekeurde strenge wetgeving op de gezinshereniging aan het omzeilen en zetten we de achterdeur open. Dat kan niet de bedoeling zijn.

 

Dat heeft niets met u te maken maar de wet op de gezinshereniging wordt nu eenmaal gekenmerkt door strenge criteria. Sommigen hebben wel heel hard geroepen dat we daar zeker niet aan mochten tornen, weet u?

 

02.83  Astrid Declercq: Bij ons is het punt inzake de reddingsoperaties veeleer dat er te weinig omkadering was waardoor er eigenlijk een willekeurige behandeling was. Men heeft er dan inderdaad geen idee van welke kwetsbaarheden effectief in rekening zijn genomen. Natuurlijk is er voor Syriërs inderdaad een hoog erkenningspercentage en op het eerste gezicht is dat dus in orde.

 

02.84  Carina Van Cauter (Open Vld): U zegt op het eerste gezicht, maar er is zelfs geen controle van de identiteit.

 

02.85  Astrid Declercq: Daar zitten we op dezelfde lijn. Dat is exact het punt, wat wij ook maken. Ik wil wel de termen "omzeiling van de regels voor gezinshereniging" niet hanteren, omdat het daar niet per se om gaat. Als er bijkomende humanitaire redenen zijn, ook al zijn er familiebanden, dan gaat het niet meer om een omzeiling. Dat is het enige punt wat ik wou maken.

 

De voorzitter: Ik wil daar wel iets over zeggen.

 

Eigenlijk zijn humanitaire visa an sich een omzeiling van alles, want daarvoor is het systeem gecreëerd. In zeer uitzonderlijke situaties kan men hierdoor een andere beslissing nemen, een beslissing die men normaal niet zou nemen. Dat kan een familie- of gezinshereniging zijn, maar dat kan ook om medische redenen gaan. Het kan van alles zijn, maar het mag geen regel worden want dat is een probleem.

 

Ik meen dat collega Van Cauter waarschijnlijk heel hard reageert omdat wij altijd gehoord hebben dat er een heel streng en rechtvaardig beleid werd gevoerd, terwijl wij nu zien dat dit toch niet altijd het geval was, afhankelijk van de portemonnee, de achtergrond, de kennissenkring, enzovoort. Ik meen dat wij allemaal begrijpen wat u zegt.

 

02.86  Astrid Declercq: Ik wou misschien nog verder ingaan op de vragen van mijnheer De Vriendt en mevrouw Lanjri naar meer objectivering en transparantie, eventueel via een wetgevend initiatief.

 

Wij hebben in onze nota pistes aangereikt, zowel voor de gangbare, klassieke procedure waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken inhoudelijk beoordeelt, als voor de situatie waarbij meer sprake is van ad-hocinitiatieven. Wij menen dat het echt nodig kan zijn om die pistes te bekijken. Soms is er immers snel een antwoord nodig op een eminente situatie die morgen heel anders kan zijn dan vandaag. Voor beide situaties is het sowieso nodig om een parlementair debat te hebben over de gemaakte keuzes. Er moet een jaarlijks verslag komen zodat transparantie wordt geboden.

 

Daarnaast menen wij dat ad-hocinitiatieven, om een antwoord te bieden op eminente situaties, anders kunnen verlopen dan de manier waarop het nu is gegaan. Wij hebben dit al gezegd. Dit systeem heeft een sterkere omkadering nodig en kaderakkoorden met organisaties die op het terrein een selectie doorvoeren. Dat zijn allemaal pistes waarin wij ons kunnen vinden. Het moeten in elk geval erkende organisaties zijn die betrouwbaar zijn. Wij menen dat beide zaken kunnen worden verenigd: enerzijds de wens om willekeur en misbruik te voorkomen en meer omkadering te bieden, en anderzijds om snel een antwoord te bieden aan meer eminente situaties waarvoor de procedure van de Dienst Vreemdelingenzaken misschien niet altijd de beste procedure is. Tegelijkertijd moet binnen de procedure van de Dienst Vreemdelingenzaken de indiening en de beoordeling door DVZ gebeuren. Wij hebben al opgelijst op welke vlakken wij een facilitering vragen op het vlak van de indiening en lagere kosten.

 

Specifiek over het objectiveren van de procedure denken wij ook aan openbaar gemaakte beleidslijnen, die als leidraad voor de administratie en ook voor de betrokkenen kunnen dienen. Ze moeten van een niet-verordenend en niet-bindend karakter zijn. Ze moeten veeleer worden aanzien als niet-exhaustieve toetsstenen, waarbij de DVZ nog steeds geval per geval kan beoordelen, maar afwijkingen moet motiveren.

 

Er kan inderdaad ook aan een adviesorgaan worden gedacht, zij het in eerste instantie veeleer aan een adviesorgaan dat uitleg geeft of kan meedenken over de beleidslijnen. Misschien is een denkpiste zelfs te bekijken of in een dergelijk adviesorgaan ook het Commissariaat-generaal of iemand van UNHCR kan plaatsnemen, wanneer het over het geven van advies over de beschermingsnoden van bepaalde groepen gaat.

 

Bovendien kan eventueel naar het verlenen van advies in bepaalde typedossiers worden gekeken. Ik weet niet of het wenselijk is om in elk individueel dossier advies te geven. Misschien kan het veeleer over bepaalde typedossiers gaan, maar in eerste instantie vooral over het mee vorm geven van de beleidslijnen.

 

Ik heb nog enkele kleine antwoorden.

 

Myria had geen weet van misbruik en wantoestanden. Wij hebben er nooit van gehoord.

 

Uiteraard wisten wij ook van de wens van staatssecretaris Francken om iets voor Syrische christenen te doen. Wanneer individuele aanvragers ons contacteerden over de kansen op slagen bij een humanitair visum via de indiening op de ambassade, gaven wij soms mee dat wij wisten dat staatssecretaris Theo Francken initiatieven nam, bijvoorbeeld met Sant'Egidio om Syriërs over te brengen. Daar spraken wij dan natuurlijk ook over. Op die manier hebben zij waarschijnlijk ook met het kabinet of met Sant'Egidio contact opgenomen. Dat was immers de enige organisatie waarvan wij weet hadden.

 

Wij wisten echter niets van geruchten over misbruik of over betalingen om op dergelijke lijsten te komen.

 

Met betrekking tot de kosten van de procedure, we weten dat Sant'Egidio alle kosten heeft gedragen voor de degenen die met de humanitaire corridor zijn gekomen. Dat is een betaling op rekening van de DVZ, maar zij hebben dat gedragen. Ik denk dat Fedasil bij een hervestiging de kosten van de administratieve bijdrage draagt. Dat is op een contactvergadering gezegd, maar dat kan nog altijd nagevraagd worden.

 

Voor de rest van de initiatieven tasten wij in het duister wie de kosten droeg. Voor de gewone humanitaire visa via de DVZ-procedure weten we dat alle kosten op de schouders van de aanvragers komen.

 

Wij hebben inderdaad kennis van het initiatief in Canada, maar we kennen de exacte draagwijdte daarvan niet. Dat is zeker ook een aanbeveling die wij hebben hernomen om dergelijke initiatieven verder te onderzoeken en te werken via betrouwbare organisaties als dergelijke initiatieven worden uitgewerkt.

 

Ik heb ook geen weet van het platform met de religieuze organisaties dat zou hebben plaatsgevonden.

 

02.87  Ina Vandenberghe: Mevrouw de voorzitter, ik zou nog een aantal zaken willen aanvullen.

 

Ik wil nog iets zeggen over de omzeiling van de gezinshereniging. Ik wil even de cijfers meegeven. Bij gezinshereniging gaat het over ongeveer 50 000 mensen per jaar en ongeveer de helft daarvan zijn derdelanders. Bij de DVZ-procedure, die een vorm van uitgebreide gezinshereniging is, gaat het voor 2018, volgens onze data, die dan nog niet alleen over die categorie gaan, over 550 mensen, alle nationaliteiten samen. Ik geef dat even mee om de grootteorde te kennen. Dit is eigenlijk klein bier ten opzichte van dat grote kanaal van gezinshereniging.

 

Met betrekking tot de cijfers wil ik nog heel even terugkomen op deze slide. Er werd op een bepaald moment gezegd dat Myria niet op basis van officiële cijfers zou werken, omdat wij daartoe geen toegang zouden hebben. Ik wil dat nog eens formeel ontkennen. De analyses die wij maken zijn op basis van de visumdatabank, op basis van gegevens die ons ter beschikking zijn gesteld door de FOD Buitenlandse Zaken. Het is effectief zo dat wij voor de interpretatie ervan, voor de dingen die wij eruit halen, overleggen met de FOD Buitenlandse Zaken. Over allerhande cijfers hebben wij regelmatig contact en vergaderingen met de statistische cel van DVZ. Wij hebben dus diezelfde gegevens, maar hier hebben wij effectief een oefening gemaakt, hoewel wij de categorieën niet hebben.

 

Ik wil daar nog bij zeggen dat in de visumdatabank, op vraag van de dienst Vreemdelingenzaken, stickers zijn toegevoegd in de operationele databank om te bekijken of het gaat over een hervestiging of over die reddingsoperaties. Dat zijn data die niet statistisch exploiteerbaar zijn en waartoe wij ook geen toegang hebben. Vandaar onze heel duidelijke aanbeveling, reeds gedurende jaren, om daaromtrent wel duidelijkheid te scheppen.

 

Bij de gegevens die wij hier verzameld hebben, wordt geduid of het gaat over een humanitair visum dat is afgegeven na het akkoord van DVZ of over een ambtshalve aflevering. Daaruit kunnen dan conclusies worden getrokken, rekening houdend met de wissels kort- en langverblijf. Op basis daarvan komen wij tot dit geheel.

 

Op basis daarvan zien wij dit geheel, dat wij in percentages hebben gezet, om de eenvoudige reden dat wij weten dat het niet 100 % correct is en dat het tendensen zijn. In de cijfers voor 2018 voor Syriërs komen wij aan 52 % hervestiging. De andere moeten wij kunnen verklaren door reddingsoperaties.

 

Als wij het geheel van de hervestigingen per jaar bekijken, komt dat overeen met de data die wij van andere, officiële bronnen, zoals Fedasil, hebben gekregen.

 

Waar het gaat over de reddingsoperaties, zien wij dat het geheel voor de jaren 2015-2018 op een cijfer komt van een goede 1 600, iets wat in de lijn ligt van de 1 501 waarover de voormalige staatssecretaris heeft gecommuniceerd.

 

Wat kan dat verschil nog verklaren? Dat er buiten de reddingsoperaties ongetwijfeld nog voor niet-christelijke Syriërs op basis van de discretionaire bevoegdheid humanitaire visa zijn toegekend, maar dat is een heel klein verschil over al die jaren heen.

 

Dat sterkt ons in de overtuiging dat onze interpretatie toch niet totaal uit de lucht is gegrepen.

 

In verband met de reddingsoperaties, nog een punt. Wij waren niet op de hoogte van fraude. Wat wij wel hebben aangekaart, en wij hebben er een grote paper over geschreven in mei 2017, is dat wij wisten van de reddingsoperaties die in de media werden gecommuniceerd, maar dat wij daar heel duidelijk de vraag naar transparantie hebben gesteld omdat wij vaststelden dat grote aantallen ambtshalve werden afgegeven, dus het kon niet anders dan op basis van lijstjes zijn. Wij hadden grote vragen bij het kader waarbinnen dat gebeurde.

 

In die zin hebben wij dat minstens twee jaar geleden wel aangekaart.

 

Over de cijfers zelf moeten wij duidelijk nog verder samen zitten met de andere diensten. Er zijn bepaalde zaken die niet helemaal overeenkomen. Volgens onze informatie zijn bijvoorbeeld de relocaties niet inbegrepen, maar dat moeten wij nader bekijken.

 

Er is ook gezegd dat de piek in de zomer heel duidelijk aan de reddingsoperaties gekoppeld moet zijn. Ik wil toch nog even herhalen dat het ook om hervestigingen gaat. Die ambtshalve afleveringen zijn dus voor zowel de reddingsoperaties als voor de hervestigingen.

 

De databank zelf is een rijke databank. Wij kunnen daar heel wat uithalen. Wij zien dus ook dat er op heel veel verschillende momenten grote lijsten op dezelfde dag aangevraagd en afgeleverd zijn. Het gaat dus over een heel snelle procedure. Dat kan niet anders, op basis van dergelijke lijsten.

 

De voorzitter: Ik stel voor om de hoorzitting hier af te ronden. Ik wil de sprekers nog eens uitdrukkelijk bedanken. Afhankelijk van wat wij als commissie beslissen, zou het kunnen dat zij ooit nog wel eens uitgenodigd worden om voort te werken.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.27 uur.

La réunion publique de commission est levée à 19.27 heures.