Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 20 februari 2019

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 20 février 2019

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 36 et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.36 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van de heer Koen Metsu aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de Syriëstrijders" (nr. 28862)

01 Question de M. Koen Metsu au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les combattants partis en Syrie" (n° 28862)

 

01.01  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de minister, de Verenigde Staten vragen de Europese landen om de 800 IS-strijders die momenteel in Syrië gevangen­zitten, over te nemen.

 

Ik heb een aantal korte en concrete vragen in verband met de Syriëstrijders en de familieleden die de Belgische nationaliteit hebben.

 

Ten eerste, van hoeveel hebben we weet dat ze nog niet zijn teruggekeerd en nog in leven zijn? Hoeveel van hen zitten in gevangenschap? Graag kreeg ik een opdeling in mannen, vrouwen, kinderen. Weten we waar zij zich exact bevinden en wat hen ten laste wordt gelegd? Bestaan hier lijsten van?

 

Ten tweede, hoeveel van hen zijn bij verstek veroordeeld door een Belgische rechtbank? Voor welke misdrijven zijn ze veroordeeld en welke straffen zijn uitgesproken? Hoeveel van hen zitten in Syrië opgesloten? Ook hier kreeg ik graag een opdeling in mannen en vrouwen. Hoeveel van hen zijn ondertussen teruggekeerd, zitten hun straf uit of hebben hun straf reeds uitgevoerd? Opnieuw kreeg ik graag een onderscheid tussen zij die reeds een straf hebben uitgezeten, en zij die nog vastzitten.

 

Ten derde, het federaal parket waarschuwt dat de Syriëstrijders die nog niet zijn veroordeeld, voor de onderzoeksrechter zullen moeten worden voorgeleid. Het parket zal de onderzoeksrechter vragen hen onder aanhoudingsmandaat te plaatsen en het onderzoek voort te zetten, maar de grote moeilijkheid bestaat erin om bewijzen te verzamelen. Op welke manier kunt u verzekeren dat die personen niet op vrije voeten komen, als ze eenmaal hier aankomen?

 

01.02 Minister Koen Geens: Ten eerste, het Coör­dinatie­orgaan voor de dreigingsanalyse heeft mij het volgende meegedeeld.

 

Op 15 februari 2019 zouden 292 geïdentificeerde personen, die voor hun afreis in België verbleven, zich nog steeds in het jihadistische conflictgebied in Syrië en Irak bevinden, de zogenaamde FTF categorie 1. Van 142 van die 292 personen wordt vermoed dat ze overleden zijn. Er worden twee personen vastgehouden in Irak en 26 in Syrië in een gebied dat wordt gecontroleerd door de Syrian Democratic Forces (SDF). Het gaat om zeventien vrouwen, acht volwassen mannen en een minder­­jarige, ouder dan twaalf jaar, die als FTF worden aangezien. Een van de vrouwen en twee van de mannen hebben de Belgische nationaliteit niet, maar worden in België vervolgd. Het OCAD heeft momenteel weet van zes Belgische volwas­sen mannen, die in Syrië worden vastgehouden. In totaal zouden zich ook 31 minderjarige kinderen bevinden in Syrische vluchtelingenkampen, onder controle van de SDF. De rapporten met onder meer informatie over hun precieze locatie zijn geclassificeerd.

 

Wat uw tweede vraag betreft, zijn volgens informatie ter beschikking van het OCAD acht van de 26 FTF in Syrië bij verstek in België veroordeeld: zes vrouwen en twee mannen. Zeven van hen, zes vrouwen en één man, zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor terroristische feiten. Een van hen is geen houder van de Belgische nationaliteit. De achtste persoon is veroordeeld tot 15 jaar, eveneens voor feiten van terrorisme. Het valt niet uit te sluiten en het is zelfs waarschijnlijk dat een hogere straf kan worden opgelegd na hun terugkeer, op basis van additionele informatie, die aantoont dat andere misdrijven werden gepleegd. Zodra het over de voorbereiding van terroristische aanslagen of van een ander gewelddadig misdrijf gaat, wordt de strafmaat beduidend hoger. Een levenslange gevangenisstraf behoort tot de mogelijkheden.

 

Wat uw derde vraag betreft, deelt het federaal parket mij mee dat sinds 2015 ongeveer 150 foreign terrorist fighters (FTF) werden veroordeeld voor terroristische misdrijven, terwijl zij op het moment van het vonnis nog in het jihadistische conflictgebied Syrië-Irak verbleven. Het gaat dus om veroordelingen bij verstek. Sommigen van hen zijn teruggekeerd en onder­gaan nu hun straf. Een procedure op verzet is uiteraard mogelijk. Elke terugkeerder maakt het onderwerp uit van een strafdossier. Elke persoon die naar een jihadistische conflictzone is afgereisd, wordt geseind en bij aantreffen – dat is bij terugkomst – gearresteerd. Indien nog geen veroordeling is uitgesproken, beslist de onder­zoeks­rechter over een eventuele aanhouding. Naast de veroordelingen bij verstek, werden ook nog 50 foreign terrorist fighters bij terugkeer voor de eerste maal veroordeeld. In enkele gevallen besliste de rechter tot een levenslange opsluiting. Wij hebben de mogelijkheden om tot voorlopige detentie te beslissen. Voor de raadkamer wordt dat vergemakkelijkt in het geval van terreur­misdrijven ten opzichte van andere misdrijven, in die zin dat niet moet worden vastgesteld dat er vluchtgevaar, recidive of collusie denkbaar is.

 

01.03  Koen Metsu (N-VA): Dank u, mijnheer de minister.

 

Dat zijn veel cijfers en volledige antwoorden op de vragen. We weten niet waar ze zich exact bevinden, want dat is geclassificeerd, zegt u.

 

Weten wij wat hen ten laste wordt gelegd? Ik weet niet of ik die subvraag nog kan stellen, maar daarop heb ik nog geen antwoord gehoord. Bestaan er lijsten van wat hen ten laste wordt gelegd? Dat is mij nog onduidelijk. Dat kan ik nadien nog vragen, als u daar nu niet op zou kunnen antwoorden.

 

01.04 Minister Koen Geens: Ik kan daar geen precies antwoord op geven en ik probeer alleen precieze antwoorden te geven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "advocaten en insolventie" (nr. 28869)

02 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'insolvabilité des avocats" (n° 28869)

 

02.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat ditmaal niet over wapens maar over de advocatuur. Wij ontvangen immers signalen dat een en ander grondig mis loopt met advocaten die failliet worden verklaard.

 

Het Parlement heeft de oude faillissementswet en de oude wet betreffende de continuïteit van onder­nemingen afgeschaft en door de nieuwe insol­ventie­wet vervangen. Die wet is op 1 mei 2018 in werking getreden. In de nieuwe insolventiewet wordt onder meer de tweede kans centraal gesteld. Ondernemers en zelfstandigen, die in het leven een tegenslag kunnen hebben, verdienen een tweede kans. Daarbij wordt benadrukt dat de gefailleerde onmiddellijk zijn activiteit opnieuw kan opstarten en dat nieuwe inkomsten, in tegenstelling tot voorheen, niet aan de boedel maar aan de gefailleerde zelf toekomen.

 

De OVB heeft in zijn reglement betreffende de advocaat en insolventie, die daags vóór de inwerkingtreding van de insolventiewet in werking is getreden, onder meer de ambtshalve weglating van het tableau in geval van faillissement opgenomen. De Ordre des barreaux franco­phones et germanophone heeft dat daarentegen niet in zijn reglement opgenomen. Nu heeft de Nederlandstalige Orde van Advocaten te Brussel tegen voormeld reglement van de OVB cassatie­beroep aangetekend, onder meer omdat ingevol­ge het reglement een ongelijke behan­deling tussen Nederlandstalige en niet-Nederlandstalige advocaten in Brussel zou ontstaan en ook omdat de regels aangaande de opname of weglating op het tableau een prerogatief van lokale ordes van advocaten en niet van de OVB zou zijn.

 

Het nevengevolg van het hangende cassatie­beroep is het ontstaan van een patstelling, waarbij een aantal advocaten momenteel wordt geweigerd van een hernieuwde opname op het tableau. De curatoren van de betrokken advo­caten blijven dientengevolge, en geheel tegen de geest van de insolventiewet in, al verschillende maanden alle nieuwe beroepsinkomsten blokkeren. Bepaalde advocaten worden op die manier op de rand van de afgrond gebracht. De mentaal en financieel penibele toestand waarin zij zijn gebracht en worden gehouden, is een rechtsstaat onwaardig. De toestand is ernstig en acuut. De gerezen patstelling dient dringend te worden doorbroken.

 

Kan u mij daarom een antwoord geven op de vijf hiernavolgende vragen?

 

Ten eerste, bent u op de hoogte van de actuele problemen inzake advocaten en insolventie­procedures? Sinds wanneer en op welke manier werd u desgevallend van de problemen op de hoogte gebracht?

 

Ten tweede, kan de insolventieverklaring van een advocaat volgens u als een deontologische inbreuk worden beschouwd? Mag desgevallend bovendien en louter omwille van de insolventie­verklaring, een tuchtonderzoek naar een insolven­te advocaat worden gevoerd?

 

Ten derde, hebt u reeds met de OVB en desgeval­lend ook met de OBFG overleg gepleegd over de wijze van behandeling van dossiers betreffende de advocaten in insolventie­procedures? Zo ja, wat is het resultaat?

 

Ten vierde, ziet u binnen afzienbare tijd een oplossing voor de patstelling waarin de getroffen advocaten zich bevinden? Tegen wanneer ziet u die oplossing?

 

Ten slotte, bent u bereid, indien een oplossing voor de getroffen advocaten nog lang zou uitblijven, stappen te ondernemen om ook voor hen het wettelijke recht op een tweede kans te vrijwaren? Welke stappen acht u mogelijk, bijvoorbeeld een omzendbrief, een bijeenkomst met de OVB of OBFG, die tot een oplossing van de patstelling moet leiden, of enige andere nuttige actie van uwentwege.

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Degroote, sedert de inwerkingtreding van de nieuwe insolventiewet op 1 mei kunnen ook beoefenaars van vrije beroepen, derhalve ook advocaten, failliet worden verklaard, zoals u aangaf.

 

Ik heb vastgesteld dat de bepalingen waarnaar u verwees, aan de deontologische codex van advocaten werden toegevoegd door middel van een reglement, dat goedgekeurd werd op 28 maart 2018 en gepubliceerd werd op 30 april.

 

De OVB, met wie ik contact heb gehad, informeer­de mij dat het doel van voornoemd reglement erin bestaat na te gaan wat de onderliggende redenen zijn van het faillissement. Volgens de OVB laat een schrapping toe dat de raad van de orde kan nagaan of er geen deontologische inbreuken zijn die hebben geleid tot het faillissement. Als wordt vastgesteld dat die deontologische inbreuken er niet zijn, kan de raad van de orde de advocaat onmiddellijk opnieuw opnemen op het tableau zodat hij een doorstart kan nemen.

 

Ik benadruk dat ik van de OVB noch van de OBFG klachten heb ontvangen, noch van de Nederlands­talige Orde van Advocaten bijvoor­beeld hier in Brussel.

 

Terzijde wil ik opmerken dat het uitvaardigen van deontologische regels binnen een beroepsgroep tot de autonome bevoegdheid van die beroeps­groep zelf behoort en dat de minister van Justitie geen enkele voogdijbevoegdheid heeft ten aan­zien van de advocatuur.

 

02.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u zegt dat als blijkt dat er geen deontologische inbreuken zijn, men onmiddellijk opnieuw opgenomen kan worden op het tableau. U bedoelt dan dat het de plaatselijke orde is, bijvoorbeeld die van de balie te Gent, die de advocaat terug op het tableau kan zetten? (Instemming van de minister)

 

Ik hoop dat er in bepaalde gevallen tot een oplos­sing gekomen kan worden. Uit de gevallen die mij bekend zijn, leid ik af dat de doelen van de insolventiewet, namelijk het geven van een tweede kans, het onmiddellijk kunnen herbegin­nen en de nieuwe inkomsten na faillis­sement, totaal worden uitgehold en dat het voor die mensen in plaats van een tweede kans na faillisse­ment, een tweede nachtmerrie wordt.

 

Ik ben echter blij dat u zegt dat, als er geen deontologische inbreuken zijn, de plaatselijke orde hen opnieuw kan opnemen op het tableau.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de informatie aan terreurslachtoffers" (nr. 28871)

03 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les informations fournies aux victimes d'actes de terrorisme" (n° 28871)

 

03.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, een van de speerpunten uit de aanbevelingen van de parlementaire onderzoeks­commissie die zich bezighield met het onderzoek naar de terroristische aanslagen van 22 maart, was de verbetering van de positie van de slachtoffers op allerlei vlakken. Het ging daarbij onder andere over infor­matie­verstrekking. Er werden hiervoor twee websites opgestart, maar deze zijn momenteel blijkbaar niet toegankelijk.

 

Hoe komt het dat er op dit ogenblik geen toegang is tot die websites? Sinds wanneer en tot wanneer is de toegang tot die websites afgesloten? Welke informatie bevatten die websites? Op welke wijze kunnen betrokkenen, als zij op zoek zijn naar informatie, op een alternatieve wijze informatie bekomen?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaeren­bergh, op 8 februari werden de vier wetten inzake financiële hulp aan slachtoffers in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Diezelfde dag nog heeft mijn administratie gezorgd voor een grondige aanpassing van haar algemene website. Daardoor hebben slachtoffers vanaf dag één toegang gehad tot up-to-date informatie en dit op een overzichtelijke manier.

 

De oude links waarnaar u verwijst, zijn sinds de aanpassing van de site niet meer geldig. De nieuwe webpagina's zijn voor iedereen toegan­kelijk door op de website justitie.belgium.be te klikken op het woord "slachtoffer". De recht­streekse link naar de onthaalpagina zullen mijn medewerkers u graag bezorgen.

 

03.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, dan is het probleem intussen opgelost en heeft iedereen toegang tot de nodige informatie want dat is uiteraard zeer belangrijk voor de slachtoffers.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 28766 de Mme Van Cauter, de même que les questions n° 28818 et n° 28860 de Mme Lambrecht sont transformées en questions écrites.

 

04 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le malaise des interprètes au Palais de Justice de Bruxelles" (n° 28804)

04 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het ongenoegen bij de tolken in het Brusselse Justitiepaleis" (nr. 28804)

 

04.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, j'ai une question à propos du malaise des interprètes au Palais de Justice de Bruxelles.

 

Ceux-ci font partie intégrante de l’appareil judi­ciaire. Les magistrats savent également combien ils sont particulièrement précieux au quotidien, lors d’interrogatoires, lors d’écoutes télépho­niques, à l’audience lors de procès. Il est très souvent impossible de faire sans eux puisque, comme vous le savez aussi, les criminels arrêtés dans notre pays ne s’expriment pas uniquement en néerlandais ou en français.

 

Les interprètes-traducteurs, présents pour répon­dre aux désignations des magistrats instructeurs et aux sollicitations des forces de l’ordre, sont également susceptibles de travailler à toute heure du jour ou de la nuit, en semaine comme le week-end.

 

D’après mes informations, monsieur le ministre, il me revient que la situation est particulièrement tendue au Palais de Justice de Bruxelles entre une vingtaine d’interprètes et le président du tribunal de première instance, lequel bloquerait depuis plusieurs années un nombre très important de factures. Certains de ces interprètes ont pris un avocat pour faire respecter leurs droits. Des actions en justice sont en cours contre l'État belge pour obliger le président du tribunal de première instance de Bruxelles à honorer ces dizaines de factures qui représentent des montants considé­rables pour ces interprètes. Ces factures datent, pour certaines, de 2016.

 

Toujours d’après mes informations, le président du tribunal de première instance de Bruxelles refuserait systématiquement de payer aux interprètes les heures qui ont été prestées le soir ou le week-end, et cela dans tous types de dossiers, y compris des dossiers de terrorisme, alors que ces prestations ont été dûment deman­dées par des magistrats.

 

S'il ne s'agit pas de nous immiscer dans une procédure judiciaire en cours, cette situation pose néanmoins plusieurs questions.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous ces informa­tions? Quelles sont les règles du travail du week-end qui s'appliquent aux interprètes en matière judiciaire? Avez-vous connaissance du montant des arriérés réclamés par les interprètes?

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Goffin, en 2017, le président du tribunal francophone de première instance de Bruxelles a demandé au service central des frais de justice de diminuer le montant budgété de plusieurs états de frais, en raison de soupçons d'irrégularité dans l'application de la réglementation en vigueur en matière de frais de justice.

 

Certains traducteurs et interprètes ont intenté une procédure en justice afin d'obtenir le paiement de leurs frais incontestables. Jusqu'à présent, tant que le magistrat concerné ne valide pas les états de frais, ceux-ci ne peuvent pas être liquidés.

 

Le litige à Bruxelles concerne des prestations urgentes en dehors des jours ouvrables. L'arrêté royal du 22 décembre 2016 définit les prestations de nuit de traducteurs et interprètes comme étant des prestations effectuées entre 22 h 00 et 06 h 00. Pour ces prestations, le tarif horaire de 48 euros est doublé, et ce, pour la durée réelle de la prestation, qui s'exprime en nombre de minutes. Pour les prestations du samedi, entre 06 h 00 et 22 h 00, le tarif peut être majoré de 50 %. Pour les prestations du dimanche ou des jours fériés, le tarif horaire est doublé.

 

À cet égard, il convient encore de mentionner qu'il n'est plus pertinent de savoir si les magistrats requérants notent sur leur demande que la traduction est urgente. L'urgence et l'augmen­tation tarifaire y afférente doivent être calculées mathématiquement. Il est question d'urgence lorsque le traducteur doit traduire plus de 2 100 mots par jour pour respecter l'échéance.

 

Bien entendu, tous les magistrats requérants ont l'obligation de contrôler correctement si toutes les dépenses en matière de frais de justice se justifient bien. Cette obligation vaut également pour les prestations de week-end. Ces contrôles sont non seulement obligatoires mais aussi nécessaires. Ils exigent également une application adéquate qui ne conduit pas à des arriérés de paiements.

 

À l'heure actuelle, mes services ne connaissent pas encore précisément le montant de l'encours des arriérés en matière de frais de justice pour les traducteurs et les interprètes actifs au sein du tribunal francophone de première instance de Bruxelles, à cause d'un manque d'informations. Les états des frais imputés dans l'application de comptabilité ont été traités sans délai.

 

Le projet de loi relatif aux frais de justice en matière pénale et aux frais assimilés, approuvé en première lecture en commission de la Justice, prévoit une séparation stricte entre le magistrat requérant chargé de contrôler la qualité de la prestation et le bureau des frais de justice de l'arrondissement chargé de gérer la taxation et la liquidation des états de frais.

 

En outre, une nouvelle procédure d'appel est élaborée et permet d'aller en appel auprès du directeur général de l'organisation judiciaire qui doit rendre une réponse définitive endéans les deux mois. Dans le nouveau système, la partie non contestée de l'état de frais sera, quoi qu'il en soit, payée. Cela vise à éviter de longs blocages des états de frais à l'avenir.

 

04.03  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations et ces perspectives réjouissantes.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'accès des parties civiles au dossier des attentats de Bruxelles" (n° 28808)

05 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de toegang tot het dossier van de aanslagen in Brussel voor de burgerlijke partijen" (nr. 28808)

 

05.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, près de trois ans après les faits, le parquet fédéral a annoncé, à la mi-janvier, que les dossiers des attentats de Bruxelles étaient désormais théorique­ment consultables par les parties, que ce soit la défense ou les parties civiles.

 

Pour toutes les victimes de ces actes horribles, ce fut un réel soulagement d'apprendre qu'elles allaient pouvoir consulter leur dossier. Malheureu­se­ment, ce ne fut visiblement qu'un effet d'annonce puisqu'un accès réel et effectif n'est pas encore possible. Certains avocats de victimes précisent même qu'on leur a dit que cet accès ne serait pas envisageable avant le mois de septembre.

 

D'après les informations du SPF Justice, à ce jour, 682 victimes se sont manifestées. Pour avoir accès au dossier, elles devront non seulement s'être constituées parties civiles, mais aussi avoir formulé une demande d'accès au dossier en bonne et due forme. Une fois ces formalités remplies, elles devront, bien sûr, respecter le secret de l'instruction toujours en cours.

 

On sait, aujourd'hui, que ce dossier comporte déjà près de 60 000 pages et que pour le consulter, les victimes ne disposeraient que de dix jours ouvrables, ce qui représente 6 000 pages par jour, sachant qu'aucune copie dvd ou copie papier ne sera délivrée. C'est donc évidemment tout à fait infaisable.

 

D'après mes informations, la situation serait encore plus difficile pour les avocats des victimes. Pour eux, la consultation du dossier serait limitée à une journée de six heures, ce qui représente, si vous calculez bien, une lecture de 10 000 pages par heure. Ici encore, c'est complètement impossible.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous que le dossier n'est toujours pas disponible pour les victimes des attentats de Bruxelles? Confirmez-vous que les victimes n'auront que dix jours pour le consulter? Confirmez-vous que les avocats des parties civiles n'auront qu'une seule journée pour consulter ce dossier? Si oui, comment justifiez-vous ce délai si court? Pouvez-vous nous préciser quelles sont les dispositions prévues à l'article 61ter du Code d'instruction criminelle? Des copies des dvd sont-elles prévues pour faciliter la consultation des parties? Dans l'affirmative, quand?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Goffin, le parquet fédéral m'a communiqué les informations suivantes. Il remarque que les informations reprises dans la question ne sont pas exactes. Suite à l'autorisation qu'ils ont accordée le 14 janvier 2019, les juges d'instruction ont chargé le service d'accueil des victimes d'informer les parties civiles quant à la possibilité de consulter les dossiers.

 

Une demande adressée au juge d'instruction doit, en effet, être introduite par l'intermédiaire du service d'accueil des victimes en complétant un simple formulaire annexé au courrier. Les parties civiles sont ensuite priées de retourner, si possible dans les quinze jours, ce document dûment rempli. Un courrier expliquant ce mode de fonctionnement a été envoyé le 30 janvier 2019, en français, en néerlandais ou en anglais, selon les besoins, aux avocats et aux 600 victimes qui se sont constituées parties civiles.

 

Dès réception de leur réponse, les intéressés sont repris dans une liste de personnes ayant exprimé le souhait de prendre connaissance du dossier. L'autorisation d'accès au dossier qui sera ensuite délivrée par les juges d'instruction aux parties civiles et aux avocats sera valable pour une durée de dix jours ouvrables, délai prolongeable sur simple demande. Les dates seront fixées en concertation avec les parties civiles. Cette manière de procéder a été décidée eu égard au grand nombre de parties civiles et à la nécessité d'organiser un agenda permettant à chacune d'elles de consulter les dossiers dans de bonnes conditions (le personnel présent pour apporter de l'aide, le nombre d'ordinateurs, l'assistance psychologique).

 

Les victimes ont également été informées que si elles ne se sentaient pas encore prêtes ou capables de venir consulter le dossier, d'autres moments seront prévus pour leur offrir cette possibilité. Pour les parties civiles, la lecture du dossier sous forme informatisée est minutieusement préparée et encadrée par les juges d'instruction, le greffe et le service d'aide aux victimes, avec l'appui du parquet fédéral. Chaque partie civile sera assistée par l'assistant de justice qui l'accompagne depuis le début de cette instruction. Une sélection des pièces les plus intéressantes à consulter pourra être faite conjointement avec la partie civile sur la base d'un inventaire du dossier mis à leur disposition. Des traductions dans les multiples langues des proches qui ne maîtrisent ni le français ni le néerlandais sont aussi en cours de réalisation.

 

En ce qui concerne la lisibilité de ce dossier très volumineux, il ne faut pas perdre de vue que quelques centaines de parties civiles ont déjà assisté aux deux sessions d'information organisées en octobre 2017 et avril 2018 par les juges d'instruction et le parquet fédéral, ce qui leur a déjà permis d'avoir une vue sur l'état d'avancement de l'enquête. La plupart des proches et plusieurs personnes gravement blessées ont d'ailleurs bénéficié de la possibilité de visionner les images des caméras de surveillance des lieux sinistrés.

 

Étant donné que l'instruction est toujours en cours, il s'agit toutefois d'un accès au dossier et non pas d'une possibilité d'en avoir une copie. À la clôture de cette instruction, les juges d'instruction communiqueront le dossier à toutes fins utiles au parquet fédéral, qui établira alors un réquisitoire de renvoi. Une nouvelle possibilité d'avoir accès et de prendre copie du dossier sera alors accordée aux parties civiles ainsi qu'à toutes les autres victimes ayant fait une déclaration de personne lésée.

 

Toute la procédure décrite concorde parfaitement avec les dispositions légales relatives à la consul­tation du dossier répressif du Code d'instruction criminelle.

 

05.03  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15 h 01.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.01 uur.