Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 27 februari 2019

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 27 février 2019

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 13.03 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 13.03 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Sarah Smeyers aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het secretariaat van de Kansspelcommissie" (nr. 28800)

01 Question de Mme Sarah Smeyers au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le secrétariat de la Commission des jeux de hasard" (n° 28800)

 

01.01  Sarah Smeyers (N-VA): Mijnheer de minister, de bevoegdheden van de Kansspelcommissie werden door de wetswijziging van 2010 heel erg uitgebreid. Vanmorgen hebben wij geleerd dat de Kansspelcommissie niet alleen verantwoordelijk is voor de bescherming van de spelers, maar ook voor het beheer van vergunningen voor casino's, speelautomatenhallen, cafés, plaatsers en herstellers van kansspeltoestellen en personeel in kansspelinrichtingen in de reële wereld, maar bijkomend ook voor onlinekansspelen, de weddenschappen, zowel online als offline, en de mediaspelen. Bovendien treedt de Kansspelcommissie ook op tegen illegale kansspelen, eveneens zowel online als offline.

 

Die fors uitgebreide opdracht impliceert ook een relevante toename van het personeelsbestand. Daar knelt blijkbaar het schoentje. Die uitbreiding laat echter al jaren op zich wachten. De Kansspelcommissie is al geruime tijd vragende partij voor bijkomend personeel voor het secretariaat van de Kansspelcommissie, met het oog op precies de uitvoering van de bijkomende bevoegdheden.

 

Pas midden december 2018 vond in dat kader de eerste indiensttreding van een nieuw personeelslid plaats. Voor het overige zag het secretariaat van de Kansspelcommissie zijn personeelsbestand de voorbije jaren echter alleen maar slinken.

 

Zoals gezegd, is er sinds eind 2018 beweging gekomen in de aanwervingen voor het secretariaat van de Kansspelcommissie. De Kansspelcommissie is voor nieuwe aanwervingen echter volledig aangewezen op de selectiedienst van de FOD Justitie en partner Selor, zonder zelf zeggenschap te hebben in de selectieprocedures. Nochtans is de materie van kansspelen heel specifiek en heeft de Kansspelcommissie dus nood aan heel functiegerichte profielen.

 

Een bepaald personeelslid was eind 2018 geslaagd voor een selectieprocedure via Selor, maar kwam omwille van door de FOD Justitie bepaalde voorwaarden niet in aanmerking voor opname op een reservelijst waaruit de Kansspelcommissie kan putten.

 

Mijnheer de minister, in dat kader heb ik de hiernavolgende vragen voor u.

 

Waarom kan een geslaagde sollicitant met de nodige expertise niet worden aangeworven door het secretariaat van de Kansspelcommissie?

 

Zou het niet wenselijker zijn de Kansspel­commissie zelf meer zeggenschap te geven in de selectieprocedures?

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het aanwerven van meer personeelsleden om de Kansspelcommissie extra slagkracht te geven?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Smeyers, de betrokken kandidaat was geslaagd in de algemene screening, maar mocht niet doorstromen naar het tweede gedeelte van de functie, zijnde de specifieke screening. Rekening houdend met het aantal jobs, meer bepaald drie, zijnde twee jobs voor de centrale diensten en één job voor de Kansspelcommissie, werden immers enkel de eerste 25 geslaagden tot de volgende proef toegelaten.

 

Van de uiteindelijk dertien deelnemende kandidaten slaagden er zeven. De betrokkene stond niet gerangschikt bij de eerste 25.

 

Men kan de selectieregels niet en cours de route aanpassen omdat men opmerkt dat een contractueel personeelslid niet bij de eerste 25 geslaagden is. Uiteindelijk zijn er wel zeven kandidaten geslaagd voor drie vacante plaatsen.

 

De Kansspelcommissie heeft zeggenschap met betrekking tot de selectieprocedures voor specifieke profielen die enkel bij haar worden gezocht. Op dat vlak zit ze samen met de stafdienst P&O van de FOD Justitie en eventueel met Selor om te bekijken welke de functiespecifieke competenties zijn die moeten worden getest en welke testen daaraan dienen te worden verbonden.

 

Voor de meer generieke profielen sluit de Kansspelcommissie aan bij de generieke publicaties van de FOD. Door actief deel uit te maken van de selectiecommissie krijgt de Kansspelcommissie meer zeggenschap in het aanwerven van haar medewerkers.

 

Op 26 februari 2019 was de stand van zaken met betrekking tot de aanwervingen voor de Kansspelcommissie als volgt. Vanaf 1 maart zal een administratief deskundige P&O in dienst treden om zelf meer selecties te kunnen organiseren volgens de methodologie van Selor en in samenwerking met de FOD Justitie.

 

De functies van niveau C, Franstalig en Nederlandstalig, zijn ingevuld of aangeboden aan de laureaten. Van de vijf vacante plaatsen zijn er nu drie ingevuld, is in een vierde invulling voorzien vanaf 1 april en dient één plaats opnieuw te worden gelanceerd.

 

De selectie voor de functies van administratief deskundige zijn lopende. Voor twee geslaagden zal binnenkort de indiensttreding worden vastgelegd. Voor twee andere vacante betrekkingen staan er interviews gepland voor deze en volgende week.

 

Voor het directiesecretariaat dient opnieuw een selectie te worden gelanceerd. Deze proef is gepland voor 1 maart.

 

Voor de functies binnen niveau A treden twee attachés in dienst op 1 maart en dient met de attaché-jurist nog een datum te worden afgesproken. Voor de andere functies A1 attaché webbeheer, attaché beheer netwerken en externe publicaties en attaché boekhouding bevordering wordt de selectie deze week gelanceerd.

 

De functies A2, A3 en A4 worden op 15 maart opengesteld via promotie.

 

01.03  Sarah Smeyers (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

U bent meester in snel lezen. Ik heb niet zo snel kunnen noteren, dus misschien kunt u mij uw antwoord op papier bezorgen.

 

Ik heb begrepen dat er vanaf 1 maart een wijziging is in de manier van aanwerving, namelijk dat er meer zeggenschap komt voor de Kansspel­commissie. Of heb ik dat willen horen?

 

01.04 Minister Koen Geens: (…)

 

01.05  Sarah Smeyers (N-VA): Dan dank ik u voor uw antwoord. U hebt heel specifiek geantwoord, dus het zou mij plezier doen mocht ik die specifiëring op papier kunnen krijgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la situation des personnes désirant changer de sexe" (n° 28802)

02 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de situatie van personen die van geslacht willen veranderen" (nr. 28802)

 

02.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, la loi sur les transgenres est désormais – j'en suis particulièrement fier – bien ancrée dans les mœurs. L'autodétermination est à présent prégnante.

 

Néanmoins, il y a de cela plusieurs mois, l'application de cette loi connaissait parfois quelques difficultés. Dans plusieurs provinces, en effet, les contrôles pouvant être réalisés auprès de ces personnes avaient été reconnus comme  légèrement abusifs.

 

J'étais intervenu à l'époque auprès de vous pour dénoncer des contrôles systématiques et des questions parfois intrusives de la part de certains magistrats. Vous aviez alors pris conscience de cette problématique et rappelé certains magistrats à l'ordre lors d'un Collège des procureurs généraux.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur la situation? Á votre connaissance, de nouveaux cas de magistrats trop "zélés" ont-ils été observés? Êtes-vous en contact avec des associations de défense des personnes transgenres? Dans l'affirmative, quel est leur retour sur la situation actuelle?

 

02.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Flahaux, suite à mon intervention, le Collège des procureurs généraux s'est prononcé sur cette question lors de sa réunion du 29 mars 2018.

 

Le Collège s'est mis d'accord sur le fait que le ministère public doit remplir les missions que la loi lui confie dans la plus grande discrétion, que l'avis du ministère public doit être préparé discrètement, sans inquiéter la personne, et qu'une enquête plus poussée ne doit avoir lieu qu'en cas de fraude.

 

Depuis cette prise de position, je n'ai plus été informé de situations mettant en difficulté les personnes concernées.

 

02.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, votre réponse est courte et brève et est celle que j'attendais. Je suis donc extrêmement content.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. Michel Corthouts au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la création d'un guichet unique pour les métis coloniaux" (n° 28822)

03 Vraag van de heer Michel Corthouts aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de oprichting van één enkel loket voor de metissen uit de periode van de Belgische kolonisatie in Afrika" (nr. 28822)

 

03.01  Michel Corthouts (PS): Monsieur le ministre, je me permets de vous interpeller en ce qui concerne les mesures prises pour aider les métis coloniaux dans leurs différentes recherches relatives à l'état civil, au certificat de naissance, à l'acte de mariage, au recouvrement de la nationalité belge, etc.

 

La résolution adoptée par tous les partis démocratiques en mars dernier formulait plusieurs demandes au gouvernement, parmi lesquelles des mesures nécessaires afin d’aider les métis coloniaux à résoudre leurs problèmes liés aux actes de naissance et de mariage notamment.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m’exposer les mesures qui ont été prises depuis l’adoption de la résolution en mars 2018? Pouvez-vous me confirmer qu’un guichet unique sera mis en place prochainement?

 

03.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Corthouts, je me réfère à la réponse qui vous a été donnée à ce propos par le ministre des Affaires étrangères, M. Reynders, le 15 janvier 2019 en commission des Relations extérieures. Plusieurs réunions ont eu lieu entre les administrations et les cellules stratégiques concernées mais également avec les représentants de l'Association Métis de Belgique afin d'examiner comment mettre en œuvre cette résolution point par point.

 

Selon les informations reçues lors des réunions du groupe de travail, une petite dizaine de cas seraient concernés par des problèmes liés à l'état civil. L'Association Métis de Belgique a déjà fait part à cet égard d'une liste de doléances. De même, les intéressés qui rencontrent des difficultés relatives à leur demande d'acquisition de la nationalité belge sont invités à soumettre individuellement leur demande étayée par un dossier pertinent et complet auprès d'un point de contact établi au sein du SPF Justice qui l'examinera, dans les limites des compétences de mon département.

 

En ce qui concerne les problèmes liés aux actes de l'état civil qui doivent entre autres être présentés dans les dossiers de nationalité, mes services ont rappelé que la législation (en particulier les articles 46 et 70 du Code civil) prévoit actuellement la possibilité de remplacer des actes manquants par un jugement ou par un acte de notoriété.

 

J'ai par ailleurs saisi le Collège des procureurs généraux en ce qui concerne les éventuelles difficultés rencontrées par les personnes métisses issues de la colonisation belge dont les parquets auraient connaissance dans le cadre des procédures individuelles en cours. Mes conseillers sont en contact avec l'Association Métis de Belgique afin de la rencontrer d'ici peu.

 

03.03  Michel Corthouts (PS): Monsieur le ministre, je prends bonne note des réponses que vous nous avez apportées. Je note également qu'hier en commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique, le premier ministre a déclaré se tenir à disposition du Parlement pour prononcer une déclaration solennelle. J'espère qu'elle pourra se réaliser avant la fin de la législature.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de terugkeer van Syrië­strijders" (nr. 28881)

04 Question de M. Raf Terwingen au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le retour de combattants partis en Syrie" (n° 28881)

 

04.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag over heel de polemiek van vorige week komt misschien wat laattijdig. President Trump liet opeens verstaan dat hij het de verantwoordelijkheid vindt van de Europese landen om de opgesloten Syriëstrijders terug te halen en hen te berechten. Er volgde daarop een discussie over waar dit moet gebeuren en wie daarvoor de verantwoordelijkheid moet opnemen.

 

Ik ga mijn inleiding niet verder aflezen. Ik kom onmiddellijk tot mijn twee vragen.

 

Ten eerste, in welke mate meent u dat een Europese oplossing aangewezen is voor de terugname van Syriëstrijders en hun berechting? Of moet worden gedacht aan een internationale oplossing binnen de VN? Wat is uw visie ter zake?

 

Ten tweede, wat met de kinderen van Belgische Syriëstrijders in die kampen? Er is zelfs sprake van een aantal weeskinderen. Heeft u daarover bepaalde gegevens en cijfers over? Hoe vindt u dat wij met deze kinderen moeten omgaan?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Terwingen, de regering heeft duidelijk aangegeven dat zij een internationale oplossing verkiest voor Belgische foreign fighters die worden vastgehouden in Syrië. Verschillende opties zijn naar voren gebracht, onder meer door academici. Deze omvatten het creëren van een ad hoc internationale jurisdictie of vervolging en berechting door de nationale jurisdicties in de regio.

 

Geen van de opties is eenvoudig. Er zijn immers belangrijke geopolitieke en juridische obstakels. Het is daarom van essentieel belang om dit met onze internationale partners te bespreken. Er worden ter zake contacten gelegd.

 

Vervolging op het niveau van de Europese Unie lijkt om juridische redenen uitgesloten, maar raadpleging van onze Europese partners is uiteraard van essentieel belang. De oplossing moet als doel hebben de veiligheid te waarborgen en te voorkomen dat deze mensen in de natuur verdwijnen. De diensten en de overheid houden de situatie nauwlettend in het oog, inclusief de aankondiging van de terugtrekking van Amerikaanse troepen en de mogelijke impact op het toezicht op de Belgische en Europese foreign fighters.

 

Met betrekking tot de kinderen blijft de positie van de overheid duidelijk. Er is geen recht op terugkeer, maar de regering heeft niettemin toegezegd maatregelen te zullen nemen om de terugkeer van alle Belgische kinderen onder de tien jaar mogelijk te maken. Voor kinderen ouder dan tien jaar wordt de situatie geval per geval bekeken. Het gaat om ongeveer dertig kinderen waarvan er slechts twee ouder zijn dan tien. De contacten vallen voornamelijk onder de verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken.

 

04.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik ga niet meer repliceren. Bedankt voor de informatie en de standpuntinname.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de baremieke verhoging voor de categorie penitentiair ploegchef" (nr. 28891)

05 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'augmentation barémique pour la catégorie chef d'équipe pénitentiaire" (n° 28891)

 

05.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, in het koninklijk besluit tot vaststelling van de administratieve en geldelijke bepalingen van de loopbaan van verschillende personeelsleden van de FOD Justitie die deel uitmaken van de bewaking, techniek en logistiek, bepaalt artikel 9: "De penitentiair bewakings­assistent ploegchef die ten minste acht jaar graadanciënniteit heeft, kan de weddeschaal 20EP bekomen binnen de grenzen van 35 % van de totaliteit van de betrekkingen voorzien in het personeelsplan in de graad van penitentiair bewakingsassistent ploegchef. De penitentiair technisch assistent ploegchef die ten minste acht jaar graadanciënniteit heeft, kan de weddeschaal 20EP bekomen binnen de grenzen van 35 % van de totaliteit van de betrekkingen voorzien in het personeelsplan in de graad van penitentiair technisch assistent ploegchef."

 

Uit de praktijk blijkt echter dat de baremieke verhoging voor de categorie penitentiair bewakingsassistent ploegchef en vooral voor de categorie penitentiair technisch assistent ploegchef erg weinig toegekend wordt. Daarvoor is in het verleden nochtans al vaker actie ondernomen, inclusief middels stakingen. Er zou afgesproken zijn dat de weddeschaal 20EP automatisch toegekend zou worden als aan de voorwaarden voldaan wordt, binnen de grenzen van 35 %.

 

Volgens mijn informatie zijn er recent twintig personen in de loonschaal 20EP met pensioen gegaan. Pas na actie van het personeel werden zestien personen benoemd. Volgens de bestaande afspraken zouden dat er twintig moeten zijn om de vooropgestelde 35 % te halen.

 

Mijnheer de minister, kunt u, ten eerste, bevestigen dat er afgesproken werd om de bevorderingen aan te vullen tot 35 %? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd? Zo niet, op welke basis wordt er over bevordering beslist?

 

Ten tweede, er zijn verschillende personen met elf jaar graadanciënniteit, die volgens de administratie toch niet aan de voorwaarden voor verhoging naar 20EP zouden voldoen. Welke voorwaarden hanteert de administratie? Op basis waarvan werden die vastgelegd?

 

Ten derde, kunt u verklaren waarom de promotie wel werd uitgevoerd voor de categorie PBA-P maar slechts heel beperkt voor de categorie PTA-P?

 

Ten vierde, beschikt u over cijfers met betrekking tot de bevorderingen tot loonschaal 20EP?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, met uitvoering van protocol 464 van 22 februari 2018, waarin de baremieke bevorderingen zijn opgenomen, wordt de bevordering zesmaandelijks uitgevoerd. In mei vorig jaar werden baremieke bevorderingen naar weddeschaal 20EP uitgevoerd voor 33 penitentiair bewakingsassistent ploegchefs met effect vanaf 1 juni 2018. In september 2018 werden er bijkomend 58 penitentiair bewakingsassistenten ploegchefs en 6 penitentiair technisch assistenten ploegchefs bevorderd naar de weddeschaal 20EP met terugwerkende kracht tot 1 juni 2018.

 

De analyse van de maand december heeft een kleine vertraging opgelopen, maar die wordt momenteel door de administratie uitgevoerd. De bevorderingen zullen effect hebben vanaf 1 december 2018.

 

Er werden dus 91 penitentiair bewakingsassistent ploegchefs en zes penitentiair technisch assistent ploegchefs bevorderd naar de weddeschaal 20EP in de loop van het jaar 2018. Er zullen wellicht nog enkele volgen met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2018.

 

Het is onze duidelijk intentie is om die baremieke bevordering voor ploegchefs twee keer per jaar op te volgen, volgens de gemaakte afspraken opgenomen in het protocol 464 en dus volgens de bepalingen, opgenomen in het door u geciteerde artikel 9 van het KB van 12 november 2009.

 

De administratie voert de bevorderingen uit op basis van het gemelde artikel 9. Zij zorgt ervoor dat 35 % van de totaliteit van de betrekkingen in het personeelsplan in de graad van penitentiair bewakingsassistent ploegchef en in de graad van penitentiair technisch assistent ploegchef naar de weddeschaal 20EP wordt bevorderd. De onderlinge rangschikking gebeurt op basis van anciënniteit.

 

De technische ploegchefs vormen een kleinere ploeg bij het personeel van DG EPI, ongeveer 104 fulltime-equivalenten. Dat is de reden waarom het aantal bevorderingen veel lager ligt dan bij de bewakingsgraad van ploegchefs, waar het gaat om ongeveer 616 fulltime-equivalenten.

 

05.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord met de vele cijfers. Ik zal het rustig nalezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "een hiaat in de wetgeving inzake onklare vuurwapens" (nr. 28884)

06 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "une lacune dans la réglementation relative aux armes à feu neutralisées" (n° 28884)

 

06.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, op 19 december 2015 werd een Europese verordening gepubliceerd, die van kracht werd op 6 januari 2016, betreffende onklaar gemaakte vuurwapens. Die verordening zorgt ervoor dat in Europa ingrepen op wapens uniform gebeuren. Het gaat om operaties als het uitfrezen van de loop, het vastlassen van laders, het uitfrezen van kamers en het afslijpen van grendels. Dat is een goede zaak, want zo zijn er waarborgen over de grenzen heen.

 

Er bereiken mij echter berichten waaruit blijkt dat er op dat vlak ook problemen bestaan. Personen die onklaar gemaakte wapens bezitten – onklaar conform de Belgische norm, met een attest van de Proefbank voor vuurwapens – kunnen die behouden, maar niet doorverkopen of overdragen. Om die over te dragen, moet het wapen onklaar gemaakt zijn conform EU-normen, met een EU-attest. Zo zijn bezitters niet geschaad in hun patrimonium, want zij hebben in het verleden reeds aan de proefbank betaald om die ingrepen te doen, zodat het wapen vrij verkrijgbaar was.

 

Er zijn echter nog enkele wapens die volgens de oude procedure onschadelijk gemaakt werden, met bijhorende kosten, maar die niet doorverkocht werden voor 6 januari 2016. Die wapens zijn hun waarde kwijt, terwijl de eigenaars gewoon de wet hebben gevolgd. Indien de proefbank die gewoon verder zou behandelen conform de Europese normen, zou er geen probleem zijn, maar blijkbaar wenst de proefbank die handelingen niet te doen. De  proefbank stelt: "Une arme neutralisée ne peut pas à nouveau être neutralisée."

 

Het kan toch niet de bedoeling zijn dat plichtsbewuste burgers, die de wet volgen, gestraft worden? Klopt het dat er daarvoor nog steeds geen overgangsregeling bestaat? Volgt de proefbank volgens u de juiste koers? Wat is uw boodschap voor de wapenbezitters die daarvan vandaag de dupe zijn?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Degroote, de neutralisering van vuurwapens wordt geregeld door een Europese uitvoeringsverordening van 15 december 2015 en door een gewijzigd koninklijk besluit van 20 september 1991. Op basis van die regelgeving worden alle neutraliseringen in België erkend die op of na 8 april 2016 in een lidstaat zijn uitgevoerd volgens de strengere technische voorschriften in de bijlage van de genoemde uitvoeringsverordening.

 

Wapenbezitters die hun wapens voor 8 april 206 lieten neutraliseren door de Belgische Proefbank voor vuurwapens, te bewijzen met een attest, mogen die blijven bezitten als vrij verkrijgbare wapens. Als zij die wapens echter willen overdragen of naar andere lidstaat willen overbrengen, moeten zij aan de nieuwe Europese normen voldoen. De proefbank meldt mij dat zij geval per geval nagaat of het wapen een tweede keer kan worden geneutraliseerd volgens die normen. Blijkt dat technisch onmogelijk, dan kan de oorspronkelijke bezitter het wapen alsnog voor zichzelf houden of het overdragen aan een persoon die een geldige vergunning of erkenning bezit voor het vuurwapen.

 

06.03  Koenraad Degroote (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het komt erop neer dat de proefbank gewoon nagaat of er technisch een oplossing mogelijk zou zijn. Mensen melden mij dat zij van het kastje naar de muur gestuurd worden of geen oplossing krijgen, zelfs als die technisch mogelijk is. Ik weet niet of de proefbank wel altijd de juiste informatie verstrekt. Ik meen dat daarvoor enige waakzaamheid geboden is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de Brusselse vredegerechten" (nr. 28948)

07 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les justices de paix bruxelloises" (n° 28948)

 

07.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, met betrekking tot de samensmelting van de vredegerechten in Etterbeek, Oudergem en Sint-Pieters-Woluwe, welke timing stelt u voorop en welke acties worden momenteel al ondernomen?

 

Momenteel zijn er heel wat verplaatsingen van personeel binnen de Brusselse vredegerechten. Welke specifieke oorzaken zijn daaraan verbonden? Met welk doel vinden die verplaatsingen plaats?

 

Op het vredegerecht van Oudergem, dat naar verluidt een lage werklast heeft, is er momenteel zowel een afgevaardigd hoofdgriffier als een waarnemend hoofdgriffier. Acht u dat noodzakelijk en, zo ja, welk nuttig voordeel ziet u hiervan? Hoeveel afgevaardigd griffiers tellen de vredegerechten van het arrondissement Brussel momenteel?

 

Binnen de Brusselse vredegerechten hanteert men momenteel de techniek van korte contracten van drie à zes maanden gevolgd door een contract van onbepaalde duur. Het zou toch mogelijk moeten zijn om, in plaats van extra personeel aan te nemen, eerder intern personeel te verschuiven van vredegerechten met een goede personeelsbalans naar die met een minder goede personeelsbalans, waar er een tekort is. Dat zou kunnen gebaseerd worden op de werklastmeting.

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de werklastmeting van de vredegerechten in het algemeen?

 

Ten slotte, men maakt soms gebruik van een voorlopig directiecomité. Wat is de juridische waarde daarvan? Hoe lang kan men in dezen de term voorlopig hanteren, wie maakt hier deel van uit en wat zijn precies hun taken?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, de vredegerechten van de kantons Etterbeek, Oudergem en Sint-Pieters-Woluwe blijven als juridische entiteit bestaan en behouden hun territoriale bevoegdheid in een context van stedelijke kantons. Met het oog op een betere inzet van het personeel wordt evenwel een samenvoeging van verschillende griffies in zes pools onderzocht in samenspraak met de voorzitters van de twee rechtbanken van eerste aanleg.

 

De wetgever heeft ervoor geopteerd om, in tegenstelling tot de andere arrondissementen, in het arrondissement Brussel geen figuur van voorzitter van de politierechtbanken en vredegerechten aan te stellen, noch een overkoepelende hoofdgriffier bevoegd voor het arrondissement. Binnen de contouren van de diverse evenwichten die werden ingesteld met de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel oefenen beide voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg in consensus de bevoegdheid uit ten aanzien van de vredegerechten in het Brussels Gewest. Het Grondwettelijk Hof bevestigde deze organisatiewijze van de vredegerechten te Brussel in het arrest 97/2018 van 25 juni 2015.

 

Deze specifieke organisatie van het beheer van de vredegerechten heeft geleid tot de uitbouw van een informele bovenstructuur of een voorlopig directiecomité voor de vredegerechten van Brussel. Daarbij laten de bevoegde voorzitters zich bijstaan door hoofdgriffiers om diverse operationele aspecten te behandelen, onder andere de implementatie van de eengemaakte griffies in het arrondissement Brussel of bijvoorbeeld de uitrol van de gestandaardiseerde modellen van de MaCH-applicatie te Brussel. Het is vanuit die benadering dat ook personeels­beslissingen worden genomen om afwezigheden op te vangen of de bezetting van de diverse griffies te verzekeren.

 

In het vredegerecht te Oudergem is er op dit moment geen titularis-hoofdgriffier benoemd. De laatst gepubliceerde vacature leverde geen kandidaten op. Daarom wordt er vanuit andere kantons een hoofdgriffier deeltijds afgevaardigd om de taken van hoofdgriffier uit te oefenen in Oudergem.

 

Wat de vraag naar het aantal afgevaardigde griffiers betreft, op dit moment zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel 46 personeelsleden aangewezen als afgevaardigde griffiers. De wet voorziet in één vrederechter per kanton. Bij de hervorming van de kantons heb ik mij daartoe geëngageerd. Voor de andere rechtbanken en het gerechtspersoneel ben ik er voorstander van de wettelijke kaders te vervangen door een geobjectiveerd allocatiemodel voor de verdeling van de middelen met het oog op de overeengekomen  doelstellingen en werklast.

 

Aan de Colleges is gevraagd een voorstel te doen voor een dergelijk model. Tot op heden hebben de Colleges nog geen definitief model voorgesteld.

 

07.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Mme Véronique Waterschoot au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'enquête de l'ONU sur la mort de Dag Hammarskjöld et les archives de la Sûreté de l'État" (n° 28909)

08 Vraag van mevrouw Véronique Waterschoot aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "het VN-onderzoek naar de dood van Dag Hammarskjöld en de archieven van de Veiligheid van de Staat" (nr. 28909)

 

08.01  Véronique Waterschoot (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, en décembre dernier, à New York, le Secrétariat général des Nations Unies rendait publiques les conclusions préliminaires du juge tanzanien Othman, chargé de faire toute la lumière sur le crash d'avion, non élucidé, qui coûta la vie au secrétaire général de l’ONU Dag Hammarskjöld et à quinze autres personnes, le 18 septembre 1961.

 

Pour la Belgique, c’est le président du Comité R, M. Guy Rapaille, actuellement retraité, qui avait été désigné par vous et le ministre de la Défense en tant que responsable de haut niveau chargé d'effectuer les recherches nécessaires dans les archives belges. Il était assisté par le professeur Kris Quanten. Un premier rapport a été transmis par M. Rapaille au juge Othman le 25 septembre 2018, indiquant que ses recherches n’avaient pas pu être exhaustives dans le temps imparti.

 

Le nom du pilote belge Jan Van Risseghem avait été cité immédiatement après le crash. Selon certaines sources, il aurait en effet abattu l'avion du secrétaire général de l’ONU. Jusqu'ici notre pays, sauf erreur, a informé le juge Othman que, selon un rapport de la Sûreté de l’État datant de 1961, M. Van Risseghem était en Belgique lors de ce crash. Bruno Struys, un journaliste du journal De Morgen, vient toutefois d'avoir accès aux archives de la Sûreté de l’État, mettant au jour des éléments différents que ceux révélés par M. Rapaille. Dans un article publié par le journaliste, il affirme avoir trouvé des notes de travail de la Sûreté, rédigées immédiatement après le crash de l'avion, informant que Jan Van Risseghem était parti vers le Katanga avant l’accident. Le rapport transmis par les autorités belges en 1961 disait pourtant le contraire.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous l'existence de documents de la Sûreté de l’État disant que Jan Van Risseghem était parti au Katanga avant l’accident? Avez-vous – vous ou M. Rapaille – transféré ces nouvelles informations importantes au juge Othman et à quelle date? Pourquoi la Sûreté de l’État n'a-t-elle pas informé sa tutelle, en 1961, de la présence de M. Van Risseghem au Katanga lors de l’accident d’avion, et a-t-elle au contraire affirmé qu'il était en Belgique? M. Rapaille ayant pris sa retraite, qui sera chargé de répondre aux éventuelles demandes supplémentaires qui pourraient être adressées à la Belgique dans le cadre de l’enquête onusienne? Un remplaçant est-il déjà désigné? Dans la négative, quand le désignerez-vous?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, madame Waterschoot, je rappelle qu'un mécanisme indépendant a été installé par les Nations Unies, sous la direction du juge Othman. Il me semble que nous devons le laisser accomplir leur travail.

 

Je rappelle aussi que, le 25 septembre 2018, M. Rapaille a transmis un premier rapport à M. Othman, tout en indiquant que les recherches n'avaient pas pu être exhaustives en raison des délais imposés. En réaction à ce rapport, le juge a remercié la Belgique pour son excellente coopération. Il a qualifié le rapport intermédiaire de "rapport fouillé, qui indique le travail substantiel des auteurs".

 

Le Comité R, chargé de collaborer au nom de la Belgique avec le juge Othman, dispose de l'autorité et de l'indépendance nécessaires pour obtenir les informations jugées utiles auprès de la Sûreté de l'État.

 

Il y a donc toutes les raisons d'être rassuré quant au sérieux et à la transparence de la collaboration avec le juge. La Sûreté coopère elle-même pleinement avec le président du Comité R. Il existe des notes relatives aux déplacements de Jan Van Risseghem, qui ont été évidemment communiquées par la Sûreté au Comité R. Vu l'enquête en cours, il me semble préférable de laisser l'analyse et l'interprétation de ces documents au président dudit Comité et au juge Othman. Le premier agit de manière indépendante dans sa collaboration avec ce dernier. Je ne suis toutefois pas en mesure de préciser quelles ont été les informations communiquées dans ce cadre.   

 

Pour le moment, rien ne confirme ou n'infirme que la Sûreté de l'État n'aurait pas informé sa tutelle en 1961. Je ne suis, a fortiori, pas en mesure d'expliquer pourquoi, si c'était le cas, elle aurait décidé de ne pas transmettre cette information. Une note de l'administrateur adjoint de l'époque au ministre des Affaires étrangères, datée du 12 octobre 1962, semble indiquer qu'il y a bien eu communication d'informations.

 

Comme cela fut le cas l'année dernière – ce qui conduisit à la désignation de M. Rapaille –, les ministres compétents enverront sous peu un courrier au Comité R l'invitant à désigner un successeur pour poursuivre cette collaboration avec M. Othman.

 

08.03  Véronique Waterschoot (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Je partage totalement votre observation selon laquelle il faut laisser M. Othman, le Comité R et la Sûreté de l'État accomplir leur travail. Ma question ne visait pas du tout à remettre cela en question. Je suis rassurée que vous désigniez sous peu un successeur. 

 

Vous avez mentionné l'existence de notes relatives aux déplacements de M. Van Risseghem. Il me semble que, si elles n'ont pas été transmises au juge Othman, il conviendrait qu'elles le soient.

 

Bref, je vous encourage à poursuivre dans cette voie, parce que les informations divulguées par De Morgen posent question. De plus, certains estiment que la Sûreté de l'État aurait pu fabriquer un alibi pour M. Van Risseghem. C'est pourquoi il serait bon pour tout le monde que la clarté soit faite dans ce dossier.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de inning van de rolrechten" (nr. 28949)

09 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la perception des droits de mise au rôle" (n° 28949)

 

09.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen voert een nieuw systeem voor rolrechten in vanaf 1 februari 2019.

 

Sommigen zien dat als een cadeau voor de gerechtsdeurwaarders. Zo wordt gesteld in De Juristenkrant van 16 januari 2019 dat de gerechtsdeurwaarders de rolrechten niet langer meer zullen moeten voorschieten. Ook in de inning van de verschuldigde rolrechten ziet de auteur een cadeau, want die zouden mogelijks goed zijn voor 33,5 miljoen euro per begrotingsjaar. De procespartij die tot betaling van de rolrechten wordt veroordeeld, zal dus het bezoek krijgen van een gerechtsdeurwaarder indien hij dit bedrag niet wilt betalen.

 

De gerechtsdeurwaarders zelf zien hierin helemaal geen voordeel. Zo stelt gerechts­deurwaarder Francis Snoeck in een reactie in De Juristenkrant op 30 januari 2019 het volgende: "De bijkomende inningsprocedure is absoluut geen cadeau. Storend daaraan is dat men de gerechtsdeurwaarders eerst afschildert als de baarlijke duivel van de schuldenindustrie, om dan vervolgens met een weinig doordachte maatregel de kosten ten aanzien van de schuldenaar te verdubbelen. Lang nadat de schuldeiser het vonnis liet uitvoeren, komt de ontvanger van de niet-fiscale inkomsten ook aankloppen. Leg dat als gerechtsdeurwaarder maar eens uit aan de burger".

 

Los van die discussie bestaat er ook twijfel of het nieuwe systeem voor de inning reeds voldoende op poten staat. Zo zouden er zeker de eerste maanden enorm veel problemen zijn met de inning en zou men in het begrotingsjaar 2019 enorme sommen geld mislopen. Die blijven weliswaar verschuldigd, maar kunnen dus nog niet geïnd worden.

 

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op de problemen met betrekking tot de inning van de rolrechten?

 

Hoe komt het dat de informaticasystemen van de verschillende actoren in een dergelijke inningprocedure nog niet op mekaar afgestemd zijn? Tegen wanneer zal dat verholpen zijn?

 

Bij gebrek aan een informaticasysteem, hoe worden de rolrechten momenteel geïnd? Loopt men hier op korte termijn geen inkomsten mis, die men dan achteraf moet innen?

 

Door de rolrechten pas op het einde te laten betalen, verhoogt men de kans dat ze niet meer zullen geïnd worden en dat men dus minder inkomsten zal verkrijgen. Op welke wijze werd hiermee rekening gehouden bij de invoering van het nieuwe systeem?

 

Vindt u het normaal dat de deurwaarder twee keer dient langs te komen, een keer voor de door de gerechtelijke uitspraak verschuldigde sommen en dan nog een tweede keer voor de gerechtskosten? Begrijpt u dat men op die wijze de schuldenaar meer schulden bezorgt en dat dat een kleine onbetaalde factuur plots kan doen verveelvoudigen? Wat zult u eraan doen om de procedure te wijzigen en de schuldenlast onder controle te houden?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, met uw inleiding geeft u te kennen dat het werkveld nog niet vertrouwd is met de concrete praktijk, die het gevolg is van de nieuwe wet, en de vernieuwing nog altijd niet juist inschat. De wetsaanpassing is geen geschenk, tenzij aan de rechtszoekende die gelijk heeft en gedwongen wordt zijn gelijk via de rechtbank te halen. Het is een stap in de uitvoering van de visie "Court of the future", die bij de voorstelling ervan op een groot draagvlak en goedkeuring kon rekenen. Het opzet is immers de drempel tot de toegang voor justitie te verlagen. Vroeger moest een partij die haar gelijk wilde halen, de rolrechten voorschieten, omdat zij een procedure startte, zelfs als zij honderd procent gelijk had. Nadien moest zij het betaalde bedrag dan nog zien te recupereren van de verliezende tegenpartij. Door de nieuwe wet vallen de rolrechten ten laste van de verliezer. Dat is veel rechtvaardiger en houdt mensen om financiële redenen niet langer tegen om hun recht te halen.

 

De idee dat de inning zal geschieden via de deurwaarder en dat die dus tweemaal zal langskomen, is fout. De inning gebeurt door de FOD Financiën, die naast het versturen van een betalingsuitnodiging ook de mogelijkheid heeft om bij niet-betaling compensatiemechanismen en andere dwangprocedures in te schakelen. In uitzonderlijke gevallen waarbij hardnekkig wordt geweigerd te betalen, kan het zijn dat een gerechtsdeurwaarder in de uitvoeringsfase wordt ingeschakeld. Dat was niet anders in de situatie vóór 1 februari, indien de verliezende partij de voorgeschoten rolrechten en kosten weigerde terug te betalen.

 

De aanpassing aan de informaticasystemen van Justitie werd reeds uitgevoerd. De uitwisseling van informatie tussen Justitie en Financiën is in een testfase. Aangezien de nieuwe manier van werken pas wordt gehanteerd voor procedures gestart na 1 februari, zijn er nog maar weinig uitspraken waarop de nieuwe regeling van toepassing is. Er worden dus nu ook geen inkomsten misgelopen. Hoogstens zullen de eerste betalingsuitnodigingen iets later worden verzonden. Het zijn er, zoals gezegd, in de eerste maanden maar weinig. Over een tweetal maanden zal ook het controle­mechanisme op de betaling voor wie in beroep gaat, gedigitaliseerd zijn. Maar ook in dat verband zijn er in de eerste maanden weinig concrete casussen te zien.

 

Bij de inning van de rolrechten in burgerlijke zaken aan het einde van de procedure mag een hoog betalingspercentage worden verwacht. Bij niet-betaling is immers in boetes voorzien en zal Financiën de verdere inningsprocedure en compensatie aanwenden. Aangezien in strafzaken niet op voorhand wordt betaald, is hier geen enkel effect op de inningsgraad.

 

09.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden. Of de procedure volgens het huidige systeem rechtvaardiger is, zal de praktijk uitwijzen. Ik plaats daar vraagtekens bij. We zullen dat binnenkort moeten evalueren. Misschien is iets niet altijd rechtvaardiger, omdat er minder een rem op procederen staat. Het is niet noodzakelijk rechtvaardiger, omdat de betaling pas op het einde van de rit komt.

 

Ik ben ook benieuwd naar de wijze waarop zal worden geïnd. U verwijst naar de strafprocedure, omdat daar blijkt dat op het ogenblik vele boetes niet worden geïnd. Zal dat zelfde ook niet gebeuren met de aangehaalde gerechtskosten? Hoe dan ook zullen we dat later evalueren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de MaCH-applicatie" (nr. 28950)

10 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'application MaCH" (n° 28950)

 

10.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de informatisering van Justitie is een werk van lange adem, waarbij steeds toekomstgericht moet worden gedacht. Wie vandaag informaticakeuzes maakt, moet ervoor zorgen dat ze ook morgen en overmorgen nog gedegen ondersteund worden en desnoods de gemaakte keuzes durven aanpassen, opdat ze actueel blijven met de stand van de informatica.

 

Zoals u weet, was de N-VA een koele minnaar van de invoering van het eBoxsysteem. Ons inziens bestonden er op de markt betere varianten, maar wij hebben u toen gesteund omdat u garandeerde dat de eBox snel resultaat zou opleveren. Als we echter kijken naar de snelheid waarmee de eBox de afgelopen jaren werd uitgerold, kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat een betere keuze met meer toekomstmogelijkheden mogelijk was. Keuzes met toekomstmogelijkheden hebben we nodig.

 

Het is dan ook wat bevreemdend dat u als minister volop de kaart trekt van de MaCH-applicatie, een programma waarover er binnen Justitie onder de gebruikers weinig tevredenheid bestaat. Ik citeer even uit enkele mails over dat systeem die ik van griffiers mocht ontvangen: "Breek mijn mond niet open over MaCH. We zeggen al jaren dat dit systeem hopeloos verouderd is. Iedereen klaagt over het systeem, maar wat doen ze als reactie op die kritiek? Overal snel snel uitrollen." Een andere gebruiker mailde mij het volgende: "Blijkbaar zou op een Ministerraad in december 2018 het budget voor de uitrol van MaCH rechtbank eerste aanleg burgerlijke rechtbanken zijn goedgekeurd. Hopelijk is dat niet waar. Ik beklaag die arme griffiers. Mijn ervaring met MaCH is negatief. Het is volledig achterhaald en een ramp om mee te werken." Dat zijn twee voorbeelden van berichten over dat systeem die ik mocht ontvangen.

 

Ondertussen wordt een goed werkende databank, VAJA genaamd, uitgedoofd, omdat ze niet in staat zou zijn om haar rol als verzendsysteem waar te maken. De reden die u daartoe aanhaalt is onder andere dat VAJA niet toelaat om digitaal te ondertekenen. Als alternatief kiest u ervoor om MaCH verder uit te rollen en een module te ontwikkelen die digitaal ondertekenen moet toelaten binnen MaCH.

 

Wie VAJA naast MaCH zet, ziet echter een wereld van verschil en kan moeilijk anders dan vaststellen dat VAJA moderner en ook gebruiksvriendelijker is. Daarenboven zal elke informaticus die met zijn tijd mee is u zeggen dat MaCH wordt ontwikkeld in een verouderde technologie die het moeilijk maakt om het programma te laten onderhouden door andere ondernemingen dan de onderneming die het programma ontwikkelde. MaCH wordt momenteel ondersteund door Oracle Forms, versie 11. Die versie wordt sinds eind vorig jaar niet meer ondersteund door Oracle, waardoor de omgeving kwetsbaar wordt met het oog op bugs en securitylekken. Reeds in september 2014, dus in de periode waarin u uw huidig ministerieel ambt aanvatte, voerde Deloitte een audit over MaCH uit, waarin een weinig fraai beeld van MaCH werd geschetst. In die studie staat duidelijk dat een kosten-batenanalyse dient te worden uitgevoerd om te zoeken naar alternatieven voor Oracle Webforms, aangezien die technologie op termijn risico's met zich meebrengt. Dat werd vijf jaar geleden vastgesteld, een eeuwigheid in de informatica.

 

Verder wordt gesteld dat MaCH kan worden overgedragen naar een andere firma, maar tegen een kostprijs en vooral dat de overdraagbaarheid moeilijk zal zijn omdat de ontwikkelaar zondigt tegen de goede praktijken die een overdraag­baarheid moet faciliteren. Er dient een roadmap te worden opgesteld.

 

MaCH zorgt tevens voor een uniforme werking tussen de verschillende rechtbanken. Om hieraan tegemoet te komen, werkt MaCH extra complex, wat alweer de overdraagbaarheid bemoeilijkt.

 

De architectuur en technologiestructuur werden gevalideerd door het directiecomité, maar niet toegepast binnen de FOD. MaCH kende destijds geen echte Service Oriented Architecture.

 

Het is duidelijk dat er keuzes moeten worden gemaakt. De vraag is dan ook welke rol MaCH daarin zal spelen. Wij moeten bij het maken van deze keuzes rekening houden met de technologie, de kostprijs en de gebruikers. Het is dan ook een risico verder te bouwen op een technologie die verouderd is en verder te werken met een firma die zich in een unieke machtspositie bevindt. Daarenboven weet ik dat de gebruikers niet tevreden zijn over deze applicatie.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Welke alternatieven zijn er binnen de ontwikkeling van MaCH voor het achterhaalde en kwetsbare Oracle Forms? Wanneer zullen deze worden gerealiseerd?

 

Wie zal betalen voor de omschakeling van een door de ontwikkelaar veel te lang in stand gehouden en achterhaalde technologie? Is de kosten-batenstudie naar de alternatieven intussen uitgewerkt? Indien ja, wat zijn de resultaten? Indien neen, waarom niet?

 

Is er een roadmap opgesteld om de overdraagbaarheid van MaCH naar een andere firma te vergemakkelijken? Indien neen, waarom niet?

 

Hoe hebt u de hinderpalen weggewerkt? Worden de architectuur en technologiestructuur die werden gevalideerd door het directiecomité intussen toegepast binnen de FOD? Heeft MaCH intussen een volledige Service Oriented Architecture?

 

Wanneer is de gebruiksdocumentatie voor het laatst bijgewerkt? Deloitte stelde in 2014 dat het toen al vier jaar geleden was. Welk specifiek onderdeel werd toen bijgewerkt?

 

Op welke wijze kunnen gebruikers input geven voor een verbeterde werking van MaCH? Hoe kunnen zij input geven over wat anders moet? Vinden er overlegmomenten plaats met effectieve gebruikers?

 

Wat is de stand van zaken inzake de digitale ondertekening van vonnissen en arresten met betrekking tot MaCH? Los van de technologische voordelen die men MaCH toedicht ten opzichte van VAJA, zal er effectief een tijdswinst worden gerealiseerd door de griffiers? Indien ja, welke?

 

10.02 Minister Koen Geens: Het is moeilijk om concreet te antwoorden omdat de veronderstellingen van waaruit uw vraag vertrekt, mijns inziens, niet juist zijn.

 

Het klopt dat de digitalisering van Justitie een werk van lange adem is. We hebben in deze legislatuur een enorme versnelling ingezet die nu dag na dag resultaten opleveren.

 

Het digitaliseringproces is complex omwille van de specificiteit van de rechterlijke orde en de teleurstellingen uit het verleden, maar ook omdat samen met de digitalisering de wetgeving dient te worden aangepast. Dat dit niet eenvoudig is hebt u ook zelf ondervonden. De invoering in ons wetboek van de mogelijkheid om videoconferentie te kunnen gebruiken in de procedures voor de raadkamer is van uw hand, maar na de uitspraak van het Grondwettelijk Hof beschikt men nog steeds niet over een wettelijk kader dat toelaat om dergelijke installaties in dat specifiek geval te gebruiken. Ik nodig u uit om uw voorstel aan te passen aan de opmerkingen van het Grondwettelijk Hof en dit bij de bespreking van het wetsvoorstel inzake ICT nog als amendement in te dienen, zodat deze stap toch minstens in de volgende legislatuur kan worden gezet.

 

Ik heb weinig over de resultaten van de digitalisering gecommuniceerd en er zo weinig mogelijk over aangekondigd, omdat dit schijnbaar alleen controverse en weerstand opwekt. Er wordt in de publieke arena veel gesproken maar vaak met weinig kennis van het terrein en van de concrete uitdagingen.

 

We zijn ondertussen wel over het kritische punt heen en hebben nu een voorsprong genomen op de met onze Justitie meest vergelijkbare buurlanden. U zult weten dat Nederland het afgelopen jaar een Phenixmislukking heeft gekend en nu voor een belangrijk deel een nieuwe start moet nemen.

 

U haalt de eBox aan. Via dat systeem werden reeds honderdduizenden documenten verstuurd. Dit zullen er weldra miljoenen worden. Ook elektronisch ondertekende vonnissen en andere documenten kunnen via dit netwerk van elektronische brievenbussen worden verzonden. De eerste pilootsite start hiermee in de loop van april.

 

Als de testen geslaagd zijn, zal dit relatief snel over alle rechtbanken worden uitgerold. Daarmee zullen we de doelstelling om dit binnen de vijf dagen na het vonnis aan de advocaat te bezorgen tegen eind 2019, zoals bepaald in de wet, waar kunnen maken omdat het proces gedigitaliseerd is.

 

De rechtbanken waar MaCH is uitgerold komen als eersten aan de beurt, omdat deze applicatie in staat is om dit op een efficiënte manier te doen.

 

Ik prijs mij gelukkig dat we het eBox-project hebben doorgezet. Ik heb bij de bespreking van het eBox-project in de regering mijn akkoord gegeven om dit netwerk te laten vervangen door een overkoepelend netwerk van elektronische brievenbussen dat dezelfde functionaliteiten zou aanbieden en Gerechtelijk Wetboek-proof zou zijn. Tot op vandaag is er bij mijn weten zelfs geen aanbesteding of ontwikkeling opgestart om een dergelijk netwerk te beginnen.

 

U haalt citaten van gebruikers aan om de veronderstelling te wekken dat MaCH een slechte, ouderwetse applicatie zou zijn.

 

Dat is niet het geval. Ik kan op die anonieme getuigenissen bij gebrek aan informatie niet reageren. Ik kan u echter wel mededelen dat het College van het openbaar ministerie in december 2017 de vraag heeft gesteld heel zijn organisatie met MaCH uit te rusten. Dat is sedert de eerste week van februari 2019 een feit, met uitzondering van de parketten-generaal, die nu bijkomend vragende partij zijn.

 

Het College van de zetel heeft nooit officieel een dergelijke vraag gesteld. Officieel heeft het altijd zijn wantrouwen of niet-akkoord medegedeeld. Het overgrote deel van de rechtbankvoorzitters en -griffiers heeft verzocht de vernieuwingsstap naar MaCH te zetten.

 

Zo is nu ondertussen ook de hele strafrechtketen ten gronde met een zelfde applicatie MaCH uitgerust. De omschakeling van de burgerlijke keten boekt ook een goede vooruitgang.

 

Tussen mei en november 2019 zullen de ondernemingsrechtbanken zijn overgestapt en zal de pilootsite van de rechtbank van eerste aanleg zijn gestart.

 

Er rest nog de arbeidsrechtbanken, die hebben bevestigd te willen overstappen, maar nog om uitstel vragen.

 

Hoewel het College van de zetel niet formeel heeft bevestigd MaCH over zijn hele organisatie te willen uitrollen, is men op het terrein sterk vragende partij.

 

Dat de voorzitter van het College van de zetel stellig wou dat zijn rechtbank als pilootsite zou mogen optreden, is eveneens een signaal dat veel van wat wordt gezegd en geschreven, het gevolg van de weerstand tegen verandering is.

 

10.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij zijn het eens over het feit dat de informatisering van Justitie helemaal niet zo simpel is en dat wij er al heel lang op wachten.

 

10.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, het is inderdaad wachten. U haalt heel partijdige bronnen aan.

 

10.05  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik kan alleen maar opmerken dat u erop wijst dat heel veel kritiek komt van mensen die niet weten hoe het op het terrein eraan toegaat. Ik kan u alleen maar meegeven dat de kritiek die ik ontvang, van het terrein komt. Dat is misschien een contradictie in wat wij aangeven. Wij kijken echter verder uit naar hoe het eraan toegaat.

 

Ik kan alleen maar meegeven dat ik berichten ontvang dat het MaCH-systeem niet de moderne technologie is waarmee de betrokkenen zullen moeten werken en dat het op het terrein niet gebruiksvriendelijk is. Dat zijn de signalen die ik ontvang. U ontvangt misschien andere signalen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de onwettige benoeming van de nieuwe eerste voorzitter van het Brusselse hof van beroep" (nr. 28895)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de benoeming van een Franstalige voorzitter aan het tweetalige hof van beroep in Brussel" (nr. 28896)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de Nederlandsonkundige topmagistraat bij het Brusselse hof van beroep" (nr. 28947)

11 Questions jointes de

- Mme Barbara Pas au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la nomination illégale de la nouvelle première présidente de la cour d'appel de Bruxelles" (n° 28895)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la nomination d'une présidente francophone à la cour d'appel bilingue de Bruxelles" (n° 28896)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la haute magistrate ne maîtrisant pas le néerlandais à la cour d'appel de Bruxelles" (n° 28947)

 

De voorzitter: Mevrouw Van Vaerenbergh, u hebt een vraag nr. 28947 met mevrouw Pas en mevrouw Lambrecht. Zij zijn afwezig. U kan uw vraag stellen.

 

11.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik heb deze vraag inderdaad samen met de dames Pas en Lambrecht ingediend. Beiden zijn echter niet aanwezig.

 

Het is ook een problematiek die vorige week al aan bod is gekomen in de plenaire vergadering. Mevrouw Becq heeft toen een vraag gesteld over het feit dat het in Brussel nog altijd mogelijk is om een Nederlandsonkundige topmagistrate te benoemen bij het Brusselse hof van beroep. Wij weten dat dit hof tweetalig is. Het lijkt dan ook heel vreemd dat anno 2019 zoiets nog mogelijk is. Ik heb ook al aangekondigd dat wij ter zake een wetsvoorstel zullen indienen om de tweetaligheid van die topmagistraten te garanderen.

 

De vraag ging ook over het feit dat een letterlijke lezing van de wettekst leert dat die vacature niet mocht worden opengesteld voor iemand met een Franstalig diploma. Artikel 43bis, § 2 van de wet bepaalt dat deze functie toekomt aan een Nederlandstalige.

 

Ik heb dan ook volgende vragen aan u, mijnheer de minister.

 

Waarom hebt u volgehouden de vacature open te stellen voor Franstaligen, zelfs toen u erop werd gewezen dat dit verkeerd was en u nog de kans had om dit recht te zetten? Hoe kan iemand bekwaam worden verklaard voor een functie als die persoon achteraf assistentie nodig heeft van een andere raadsheer om die functie goed te kunnen uitoefenen? Hoe rijmt u de assistentie door een raadsheer met een efficiënte personeelsinzet? Zijn dit prioritaire noden? ls er momenteel een procedure hangende tegen de benoeming van de eerste voorzitter bij het Brussels hof van beroep voor de Raad van State? Volgens mijn informatie wel. Voor de benoeming van de eerste voorzitter bij het arbeidshof is er ook een procedure opgestart bij de Raad van State. Ook hier hebt u ervoor gekozen de vacature open te stellen voor mensen met een Franstalig diploma. Welke wettelijke basis hebt u hiervoor gebruikt en met welke interpretatie?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, zoals vorige week in de plenaire vergadering toegelicht, geldt in Brussel het beginsel van taalevenwicht bij de opvolging van de eerste voorzitter van het hof van beroep en de procureur-generaal van Brussel, telkens voor periodes van tien jaar. Dit beginsel is sinds 1998 opgenomen in de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken van 1935 en in het artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek bekrachtigd, bijvoorbeeld indien het mandaat tijdens de eerste of tweede termijn van vijf jaar wordt onderbroken.

 

Zelfs indien de heer Maes zijn mandaat had verlengd en bij het bereiken van zijn leeftijdsgrens in 2022 zou vertrekken, dan zou hij nog, conform artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek, voor het resterende deel van zijn tweede mandaat moeten worden vervangen door een Franstalige eerste voorzitter, en dit tot het einde van de tien jaar.

 

Omdat de Franstalige eerste voorzitter Maes zijn mandaat niet wenste te verlengen, kwam het taalevenwicht in het gedrang. De Nederlandstalige procureur-generaal wenste zijn mandaat immers wel te verlengen voor een tweede termijn.

 

Er werd dus beslist een Franstalige vacature voor eerste voorzitter uit te schrijven. De inmiddels als eerste voorzitter voorgedragen magistrate heeft slechts één periode van vijf jaar voor de boeg omdat zij dan verplicht moet worden opgevolgd door een Nederlandstalige eerste voorzitter. Op dat ogenblik zal de procureur-generaal worden opgevolgd door een Franstalige magistraat. Anders handelen zou in dit geval betekenen dat het taalevenwicht in het hof van beroep te Brussel zou worden verbroken.

 

Een vergelijkbaar taalevenwicht bestaat er ook tussen de federaal procureur en de procureur-generaal te Brussel. Ook zij zullen binnen vijf jaar, na een ambtsuitoefening van tien jaar, worden opgevolgd door respectievelijk een Nederlands­talige en een Franstalige.

 

De adviezen van mijn administratie over deze kwestie zijn gedeeld met het kabinet van de premier en het kabinet van de vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken. Een verklarende nota werd aan de top van de regering bezorgd. Tegen de vacature van de eerste voorzitter bij het Brussels hof van beroep voor een eenmalige periode van vijf jaar is bij mijn weten geen beroep bij de Raad van State aangetekend.

 

Aangezien de functie van eerste voorzitter van het arbeidshof eveneens wordt vermeld in datzelfde artikel van het Gerechtelijk Wetboek diende ook hier deze regeling te worden toegepast. De voordrachten voor de aanwijzing van korpschefs gebeuren volstrekt autonoom door de Hoge Raad voor de Justitie, in dit geval door de Franstalige benoemingscommissie. Er geldt inderdaad en helaas geen wettelijke tweetaligheidsvoorwaarde. De Hoge Raad heeft in zijn voordracht het belang benadrukt dat de voorgedragen magistrate de Nederlandse taal beter zou leren. Ze heeft zich daartoe ook geëngageerd.

 

Indien de commissie voor de Justitie het wenst ben ik bereid het debat aan te gaan over een aanpassing van de wettelijke taalvoorwaarde voor de eerste voorzitters in Brussel.

 

11.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik had al aangekondigd dat we een wetsvoorstel zouden indienen met betrekking tot de tweetaligheidsvereisten. Ik vind het echt hallucinant dat daarvoor een wet nodig is bij de benoeming van een topmagistraat. Het  zou eigenlijk een evidentie moeten zijn dat kandidaten voor een dergelijke functie in Brussel tweetalig zijn. Dat lijkt mij de logica zelf.

 

Ten tweede, u weet dat wij uw interpretatie van de wet niet delen. Die informatie is misschien gedeeld maar de N-VA is alleszins nooit akkoord gegaan met uw visie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la dette du SPF Justice envers l'Université de Liège" (n° 28873)

12 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie, belast met de Regie der Gebouwen, over "de schuld van de FOD Justitie ten aanzien van de ULiège" (nr. 28873)

 

 

12.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, nous venons d'apprendre que l'Université de Liège allait introduire une procédure judiciaire pour récupération de créances contre l'État belge, puisque le SPF Justice accuse des retards de paiements à hauteur de près d'un million d'euros envers l'Institut médico-légal de l'Université liégeoise. Un million d'euros, cela représente des années et des années de factures impayées pour des autopsies et pour des analyses diverses diligentées dans le cadre d'instructions judiciaires.

 

D'après la directrice financière de l'Université de Liège, les rappels de paiement ont été envoyés, toutes les voies de conciliation ont été exploitées et il n'y a pas de contestation de la part du SPF Justice sur le fait que ces expertises ont été demandées par les parquets et qu'elles ont été réalisées.

 

D'après le Pr Boxho, professeur de médecine légale à l'Université de Liège, il y avait, en l'an 2000, 42 médecins légistes en Belgique. En 2015, on n'en compterait plus que 21. Le SPFJustice impose des tarifs peu élevés: 76,73 euros bruts pour une descente sur les lieux en cas de décès suspect et 469,36 euros pour une autopsie, avec la rédaction d'un rapport, travail qui dure des heures.

 

Monsieur le ministre, comment expliquez-vous ces retards de paiement du SPF Justice envers l'Institut médico-légal de Liège? Quels sont les remboursements effectués par le SPF Justice dans le cadre d'instructions judiciaires ces dix dernières années? Cela sera sans doute une question à poser par écrit. Enfin, comment expliquer les tarifs fixés, qui paraissent effectivement très bas par rapport au travail à fournir?

 

12.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Goffin, selon vos informations, un état de frais de l'ordre d'environ un million d'euros serait encore dû au laboratoire de l'Université le Liège. Il s'agirait d'état de frais portant sur plusieurs années.

 

Après vérification de l'application de paiement dans laquelle l'ensemble des états de frais doivent être introduits dès réception par un service judiciaire, il y a pour l'instant un total de 448 713,90 euros d'états de frais non liquidés antérieurs au 1er janvier 2019.

 

Il n'existe aucun aperçu sur les états de frais qui n'ont pas encore été enregistrés dans l'application de comptabilité par les services de l'ordre judiciaire. Ceux qui sont enregistrés et en possession du service des frais de justice sont traités sans délai. Mes services prendront contact avec l'Université de Liège afin de demander des informations supplémentaires et d'apurer le montant dû.

 

Les montants suivants ont été payés à ladite université: en 2018: 1,8 million d'euros; en 2017: 2,038 millions d'euros; en 2016: 1,4 million d'euros; en 2015: 2,2 millions d'euros; en 2014: 2,3 millions d'euros; en 2013: 1,9 million d'euros; en 2012: 1,3 million d'euros. Aucune donnée antérieure à 2012 n'est disponible dans l'application de paiement.

 

Il est ici question d'une indemnisation que l'État souhaite verser à un expert pour la prestation que ce dernier a effectuée dans le cadre de l'intérêt commun afin d'assister le pouvoir judiciaire dans la recherche de la vérité lors d'affaires pénales. Il ne s'agit donc pas du paiement d'un salaire. Nous parlons ici des tarifs de base, qui peuvent encore être complétés en fonction du moment auquel la prestation doit être effectuée. Par exemple, le tarif est supérieur lorsque les prestations ont lieu la nuit ou durant le week-end.

 

12.03  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je relaierai votre réponse aux services de l'Université de Liège par rapport aux compléments d'informations souhaités.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 14.05 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.05 uur.