Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 30 november 2016

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 30 novembre 2016

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 15.15 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 15.15 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De voorzitter: Vraag nr. 15196 van mevrouw De Wit wordt uitgesteld.

 

01 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de deradicalisering in de gevangenissen" (nr. 15206)

01 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la déradicalisation dans les prisons" (n° 15206)

 

01.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, in het kader van de Nationale Dagen van de Gevangenis brachten we met aan aantal Parlementsleden – mijnheer de voorzitter, u was ook aanwezig – op 18 november een bezoek aan de gevangenis van Ittre.

 

Er was tijdens dat bezoek ook speciale aandacht voor de Deradexsectie. In deze deradicaliserings­vleugel zijn 20 plaatsen voor geradicaliseerden, waarvan er op dat ogenblik 14 bezet waren. Volgens de directeur is het niet evident om die cellen gevuld te krijgen. Wij hoorden daar dat er vandaag een gebrek aan begeleiding zou zijn of aan een poging om hen te deradicaliseren.

 

Bovendien werd ons gezegd dat de vleugel een bepaalde invloed zou laten gelden ten aanzien van de andere bewoners van de gevangenis; meer gevangenen zouden gaan praktiseren. Er werd ons ook gezegd dat er af en toe spanningen zijn in de bezoekerszaal. Er wordt een amalgaam gemaakt van de gevangenis als zouden er allemaal geradicaliseerden zitten. Ik spreek in de zou-vorm, want het gaat over informatie die ons werd gegeven.

 

Mijnheer de minister, enige tijd geleden stelde u uw deradicaliseringsplan voor. Een essentieel punt daarbij is het voorzien in voldoende speciale en specifieke begeleiding voor deze gedeti­neerden.

 

Ten eerste, bent u op de hoogte van de geschetste situatie in de gevangenis van Ittre?

 

Ten tweede, komen dezelfde problemen voor in andere gevangenissen met een dergelijke vleugel?

 

Ten derde, welke initiatieven zijn gepland op het vlak van een meer gepaste begeleiding en op welke termijn?

 

01.02 Minister Koen Geens: Momenteel verblijven er inderdaad 14 gedetineerden op de Deradex­afdeling in Ittre en 9 in Hasselt.

 

Inzake het aantal gedetineerden op deze afdelingen wil ik onderstrepen dat het opvullen van deze afdelingen tot hun volledige capaciteit geen doel op zich is. Elke plaatsing is het resultaat van een doorgedreven screening. Alleen de gedetineerden die om veiligheidsredenen niet in de gewone gevangenissen kunnen verblijven, worden naar de Deradexafdelingen overgebracht.

 

Zoals in het actieplan “Aanpak radicalisering in gevangenissen” is aangegeven, past deze plaatsingspolitiek inzake geradicaliseerden in een tweesporenbeleid. Dat voorziet er in eerste instantie in dat deze gedetineerden maximaal op de gewone afdelingen worden geïntegreerd, voor zover geoordeeld wordt dat het radicaliserings­proces kan worden beheerst.

 

Wanneer dit niet mogelijk is en wanneer de gedetineerde een ernstig risico op het vlak van radicalisering vormt, actief of passief, en wanneer die zich verder engageert in een gewapende strijd vanuit ideologische motieven, kan de gedetineerde worden doorverwezen naar een afdeling waar in een gespecialiseerde aanpak kan worden voorzien. De plaatsing op de Deradex­afdeling moet met andere woorden dus niet de regel zijn.

 

Wanneer 23 geradicaliseerden op deze afdeling verblijven, tegenover ongeveer 160 gedetineerden die momenteel wegens feiten hieraan gerelateerd in de gevangenissen verblijven, dan getuigt de gevoerde plaatsingspolitiek van deze ambitie.

 

Dat het gegeven over een dergelijke afdeling in een gevangenis te beschikken een impact heeft op andere gedetineerden, valt niet te ontkennen, maar deze invloed merken wij ook op in andere inrichtingen waar gedetineerden met dergelijke profielen verblijven.

 

Het spreekt voor zich dat het fenomeen van het extremisme en het radicalisme breed in de schijnwerpers staat en het bijgevolg de geesten beroert. Er zijn ongetwijfeld gedetineerden die zich spiegelen aan deze highprofilegedetineerden en een zekere mate van copycatgedrag willen vertonen en op die manier bijdragen tot een perceptie van de omvang van een fenomeen dat onvoldoende door andere gegevens kan worden geobjectiveerd.

 

Ik kan echter niet zeggen dat de inrichtingen in Hasselt en Ittre meer en zwaardere incidenten kennen door de aanwezigheid van Deradex­afdelingen dan andere.

 

Het actieplan waarnaar ik verwees, voorzag inderdaad ook in een gespecialiseerde omkadering met het oog op een geïndividualiseerde aanpak en op de uitbouw van deradicaliserings- en disengagementprogramma’s als cruciale pijlers. Het klopt ontegensprekelijk dat er op dat domein nog belangrijke stappen moeten worden gezet. De ontwikkeling van die begeleiding is een bevoegdheid die ik deel met mijn collega’s van de Gemeenschappen, die instaan voor de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden.

 

Ik kan u bevestigen dat wij aan een gemeenschappelijk draaiboek werken waarin alle initiatieven die moeten worden genomen om aan het probleem van het extremisme en radicalisme het hoofd te bieden, en in het bijzonder hoe de samenwerking tussen de federale en de Gemeenschapsdiensten kan worden geopti­maliseerd, zullen worden opgenomen. Bovendien is dat initiatief op mijn voorstel geagendeerd op de Interministeriële Conferentie Justitiehuizen van 5 december eerstkomend.

 

Naast de zonet genoemde specifieke begeleidingsprogramma’s wordt er echter ook, niet minder belangrijk, ingezet op een aanbod van meer reguliere activiteiten voor die gedetineerden. Sport, tewerkstelling en andere regimeactiviteiten worden gaandeweg ook voor die gedetineerden aangeboden. Tevens worden negen islamconsulenten bijkomend aangeworven die momenteel samen met de reeds aanwezige islamconsulenten deelnemen aan een intensieve individuele en collectieve opleiding inzake radicalisering door een internationaal team van experts. Zij zullen vervolgens vanuit hun specifieke invalshoek een bijdrage kunnen leveren in de globale aanpak van die gedetineerden.

 

01.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor de stand van zaken. Ik hoop dat het gemeenschappelijk draaiboek, dat nog opgesteld moet worden, er op korte termijn kan komen, net als de islamconsulenten. Het is natuurlijk de bedoeling dat dergelijke gedetineerden de gevangenis minder gevaarlijk buitenkomen dan ze er binnengegaan zijn. Dat is een belangrijke taak, die nog moet uitgevoerd worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de persoonlijke verschijning van de partijen in familiezaken" (nr. 15176)

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de persoonlijke verschijning in familiezaken" (nr. 15246)

02 Questions jointes de

- M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "la comparution personnelle des parties en matière familiale" (n° 15176)

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la comparution personnelle en matière familiale" (n° 15246)

 

De voorzitter: De heer Terwingen is afwezig.

 

02.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, via de wet op de familierechtbank, in voege sinds 1 september 2014, werden een aantal grondige wijzigingen doorgevoerd. Een van de bepalingen is de persoonlijke verschijning van partijen als er over de kinderen wordt gesproken.

 

In de praktijk wordt deze wetsbepaling heel verschillend toegepast. In sommige rechtbanken wordt geëist dat de partijen op elke zitting aanwezig zijn, ook deze waarop de zaak alleen maar in staat wordt gesteld, terwijl andere rechtbanken beslissen dat de partijen slechts moeten aanwezig zijn op het moment dat de zaak wordt gepleit.

 

Vandaar dat het Parlement een initiatief nam tot wetswijziging, in die zin dat de persoonlijke verschijning niet langer vereist is op de zitting waarop de zaak alleen maar in staat wordt gesteld. Het advies van de Orde van Vlaamse balies wijst op de grote verscheidenheid van werkwijzen, en stelt dat het zowel voor de advocatuur als voor de rechtzoekende moeilijk is om de juiste werkwijze te kennen, en dat in bepaalde gevallen ook aan de rechtszekerheid wordt geraakt.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de suggestie in het wetsvoorstel? Plant u eventueel enig initiatief om de uiteenlopende praktijken te stroomlijnen?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, ik ben op de hoogte van de uiteenlopende toepassing van artikel 1253ter/2 van het Gerechtelijk Wetboek in de verschillende arrondissementen, zoals ook gebleken is uit de bevraging door de Kamer bij verschillende familierechtbanken in alle arrondissementen, die werd georganiseerd naar aanleiding van het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtlijk Wetboek wat de persoonlijke verschijning in familiezaken betreft, ingediend door volksvertegenwoordigers Lahaye-Battheu, Van Cauter, Becq, Goffin en Van Vaerenbergh.

 

Deze uiteenlopende toepassing is op zich niet zo verbazingwekkend. De wetgever heeft namelijk aan de familierechtbanken heel wat beleidsruimte gegeven om zelf de goede werking ervan te organiseren. Ook inzake de organisatie van de inleidingszitting en het horen van de minderjarige, de werking van de kamer voor minnelijke schikking en, recent opgeworpen, de mededeel­baarheid in familiezaken bij minderjarigen, is er geen sprake van een uniforme toepassing in de praktijk.

 

De eis tot persoonlijke verschijning van de partijen in familiezaken en aldus de verschillende toepassing van artikel 1253ter/2 van het Gerechtelijk Wetboek in de praktijk houdt evenwel rechtstreeks verband met de wijze waarop de familierechtbank in kwestie haar inleidingszitting organiseert. Zo zijn er, enerzijds, arrondisse­menten of rechtsgebieden waar op de inleidings­zitting uitsluitend de zaak in gereedheid wordt gebracht en waarbij men zou kunnen stellen dat een persoonlijke verschijning van de partijen niet veel zin heeft. Anderzijds zijn er ook arrondissementen of rechtsgebieden waar de inleidingszitting net wordt aangegrepen als een moment om de partijen te ontmoeten en om ze te horen. Sommige magistraten pogen ook reeds op de inleidingszitting te schikken.

 

Uit de voormelde bevraging gedaan bij de twaalf rechtbanken van eerste aanleg naar aanleiding van het wetsvoorstel met betrekking tot de persoonlijke verschijning, blijkt echter dat deze maatregel van persoonlijke verschijning van de partijen tot meer akkoorden leidt, wat alleen maar kan worden aangemoedigd. Er is dus duidelijk een positieve tendens in familiezaken waar te nemen, vooral in die gevallen waarin partijen onmiddellijk verschijnen voor de rechtbank en de inleidings­zitting niet systematisch wordt herleid tot de instaatstelling van de zaak. Deze vooruitgang ligt in de lijn van de bedoelingen van de wetgever die in familiezaken voorrang heeft willen geven aan minnelijke oplossingstrajecten zoals bemiddeling en minnelijke schikking. Zie onder andere artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek.

 

Het is in die optiek moeilijk te voorspellen wanneer een inleidingszitting enkel de instaatstelling van de zaak betreft, tenzij de rechtbank zo georganiseerd zou zijn dat enkel aandacht wordt besteed aan de instaatstelling op deze zitting. Ik acht een wetswijziging in die zin dan ook niet aangewezen. Dit neemt niet weg dat de verdere stroomlijning van de praktijk en de implementatie van goede praktijken bij alle familierechtbanken inderdaad wenselijk zijn.

 

Om die reden wordt dit punt verder besproken op de volgende vergadering van de werkgroep die werd opgericht en is samengesteld uit verschillende actoren uit de praktijk — vertegenwoordigers van de verschillende ordes van advocaten, de Kinderrechtencommissaris, de Délégué aux droits de l’enfant, de Hoge Raad voor de Justitie en de leden van mijn administratie — alsook binnen de werkgroep Familierechtbank binnen de Rechterlijke orde. Beide werkgroepen analyseren en bespreken deze manier van werken in de verschillende arrondissementen met als doel meer uniformiteit te bereiken in de werking van de familierechtbanken, dit in het licht van de geest van de wet die minnelijke oplossingen aanmoedigt.

 

02.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik heb aandachtig geluisterd naar uw antwoord. Ik kan alleen zeggen dat het in de praktijk, op het terrein, moeilijk uit te leggen valt aan rechtsonderhorigen dat zij persoonlijk aanwezig moeten zijn op een zitting om negen uur en daar soms moeten wachten tot halftwaalf of twaalf uur om dan alleen maar te horen dat er een kalender is vastgesteld in hun zaak en dat de zaak drie maanden later zal worden gepleit.

 

U hebt zelf gezegd dat sommige rechtbanken de gewoonte hebben om zaken enkel in gereedheid te stellen, te regelen wanneer de kinderen worden gehoord en wanneer conclusies worden uitgewisseld. Welnu, op het terrein heb ik gehoord dat ook in dergelijke gevallen de persoonlijke verschijning soms wordt vereist. Dan maakt het mij triest om deel uit te maken van Justitie, want dat kan ik niet uitleggen aan de mensen. Zij worden daar bovendien opstandig van.

 

Ik doe dus een oproep om daar echt iets aan te doen. Ik dacht dat het voorstel een correcte weergave is van hoe wij het beiden zien. U hebt ook gezegd dat de mensen eigenlijk niet moeten aanwezig zijn op de zitting waarop de zaak alleen in gereedheid wordt gebracht. Dat was eigenlijk de inhoud van het voorstel. Ik ben wel blij dat u deze kwestie niet zonder meer aan de kant schuift en dat het overleg voortgaat.

 

Ik kan u wel zeggen dat er vandaag heel veel frustratie is bij degenen die drie of vier keer verlof moeten nemen om te verschijnen voor de familierechtbank, terwijl zij er eigenlijk maar één keer zouden moeten zijn, meer bepaald als de zaak wordt geschikt of als er wordt gepleit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de harmonisering van de wetgeving omtrent de leeftijd van seksuele meerderjarigheid" (nr. 15207)

03 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "l'harmonisation de la législation relative à l'âge de la majorité sexuelle" (n° 15207)

 

03.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verwijs naar het regeerakkoord, waarin staat dat de wetgeving omtrent de leeftijd van de seksuele meerder­jarigheid zal worden geharmoniseerd. Ik verwijs ook naar een aantal aankondigingen van u, laatst nog in december van vorig jaar.

 

Graag had ik geweten wat de stand van zaken is.

 

Zult u een initiatief nemen? Zal er een wets­ontwerp komen? Zo ja, wat is de timing?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, het onderwerp van de seksuele meerderjarigheid wordt besproken en voorbereid in het kader van de werkzaamheden van de experts in de Commissie tot hervorming van het strafrecht. De strafbepalingen en strafmaten voor boek II van het Strafwetboek worden momenteel besproken. Een coherent voorstel zal door de experts worden voorbereid. Op dit ogenblik verkies ik hun bevindingen af te wachten.

 

03.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor het antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het opzij zetten van een deel van de inkomsten die gedetineerden genereren uit tewerkstelling tijdens hun detentie om recidive tegen te gaan" (nr. 15208)

04 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la retenue d'une partie des revenus engendrés par les détenus lors de leur détention afin de combattre la récidive" (n° 15208)

 

04.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ook deze vraag werd geïnspireerd door het bezoek aan de gevangenis van Ittre. Dit bezoek was toegespitst op het thema recidive, waarop we geen goede cijfers halen met ons land. Uit cijfers waarover Het Laatste Nieuws berichtte in oktober blijkt dat het aantal veroordeelden dat opnieuw het slechte pad opgaat op vijf jaar tijd is verdubbeld. In concreto is dat in één op twintig gevallen.

 

In tegenstelling tot andere Europese landen hebben wij bij mijn weten nog altijd geen onderzoek gedaan naar de oorzaken van de toegenomen recidive. Er wordt onder andere verwezen naar het gebrek aan strafuitvoering. Tijdens ons bezoek werd ook gewezen op het gebrek aan eigen middelen waarover gedetineerden beschikken als ze worden vrijgelaten, wat de kans op recidive vergroot. Men hoort bij wijze van spreken de gevangenisdeur achter zich dichtslaan en moet opnieuw zijn rol spelen in de maatschappij, maar men heeft vaak geen spaarpotje om de nodige eerste kosten te financieren.

 

Zou het niet goed zijn om systematisch een bepaald percentage van de inkomsten die heel wat gedetineerden genereren uit gevangenis­arbeid, te blokkeren tot aan hun vrijlating? Dan is er toch een spaarpotje om het leven in onze maatschappij te hervatten.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover dit voorstel? Wat is het gemiddelde dat een gedetineerde kan verdienen op maandbasis?

 

Met betrekking tot het toenemend aantal recidivisten heb ik twee vragen. Wat zijn volgens u de hoofdoorzaken en welke maatregelen overweegt u eventueel dienaangaande?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, het is moeilijk om rele­vante informatie te bezorgen over de ver­goedingen die gedetineerden kunnen ontvangen, omdat de reële inkomsten van gedetineerden aan te veel variabelen onderhevig zijn. Ik bezorg u wel de verschillende tarieven van vergoedingen die momenteel gangbaar zijn. Voor het volgen van een gekwalificeerde beroepsopleiding ontvangt de gedetineerde tussen 0,62 euro en 0,75 euro per uur, voor de uitvoering van huishoudelijke taken tussen 0,80 en 2 euro per uur, met een gemiddelde van 1 euro per uur, voor werken in de werkplaats in opdracht van externe bedrijven tussen 1,5 euro en 3 euro per uur, met een gemiddelde van 2,20 euro per uur. Indien de vergoeding berekend wordt in functie van de productie, het zogenaamde stukwerk, kan de vergoeding tot 4 euro per uur oplopen.

 

Het idee van het aanleggen van een spaarpot was de realiteit in een nog niet zo ver verleden. In toepassing van de artikelen 66 tot en met 69 van het KB van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen en in toepassing van het artikel 105 van het ministerieel besluit van 12 juli 1971 houdende algemene instructie voor de strafinrichtingen, bepaalde een ministeriële omzendbrief immers dat de gelden van de gedetineerde opgesplitst werden in, enerzijds, gedeponeerde gelden of deze die de gedetineerde bij zich had op het moment van de opsluiting en, anderzijds, de beschikbare gelden verworven via tewerkstelling of ontvangen via de familie, en ten slotte het voorbehouden gedeelte, het percentage van de vergoedingen verworven via tewerkstelling dat deels door de gedetineerde en deels door de directeur werd bepaald en dat slechts bij vrijstelling aan de gedetineerde mocht worden overhandigd.

 

Bij het invoeren van de wet van 12 januari 2005, de zogenaamde basiswet, en meer specifiek artikel 46, is deze opsplitsing opgeheven en kan de gedetineerde vrij over de gelden die op zijn rekening staan beschikken. Deze optie past in de algemene principes waarop de basiswet is gebaseerd en deze met betrekking tot de normaliserings- en responsabiliseringsbeginselen in het bijzonder.

 

Het afzwakken van deze logica dient dan ook met de grootste omzichtigheid te gebeuren. Niettemin deel ik uw bezorgdheid dat gedetineerden best maximaal worden voorbereid voor de terugkeer naar de maatschappij en dat alles in het werk moet worden gesteld opdat het reclasseringsplan waaraan tijdens de detentie intensief is gewerkt, niet wordt gehypothekeerd door risico’s die de maatschappelijke re-integratie kunnen bemoei­lijken.

 

Het niet beschikken over enige financiële draagkracht is met zekerheid een dergelijk risico. Ik laat de administratie dan ook een analyse maken van de wenselijkheid en de haalbaarheid om met betrekking tot het beheer van de gelden van de gedetineerden een initiatief te nemen, weliswaar met respect voor de beginselen waarop de basiswet is gebaseerd.

 

Op uw tweede vraag wil ik het volgende zeggen. Zonder degelijk wetenschappelijk onderzoek lijkt het mij niet evident om uitspraken te doen over de oorzaken van recidive. Het lijkt mij echter voor de hand liggend dat hier een amalgaam van elementen meespeelt dat zich niet beperkt tot het gevangeniswezen.

 

Het mag duidelijk zijn dat voor de begeleiding van gedetineerden nog heel wat inspanningen moeten worden geleverd op het vlak van de begeleiding en de bejegening van de gedetineerden tijdens de detentieperiode. Dit is een opdracht die ik deel met mijn collega’s van de Gemeenschappen, die bevoegd zijn voor de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden en waaraan wij gezamenlijk hard werken.

 

Het lijkt mij een voor de hand liggende doelstelling om alle maatschappelijke voorzieningen die met daders van misdrijven zijn begaan of vanuit een inclusieve maatschappijvisie begaan zouden moeten zijn, nog meer samen te brengen om na te gaan op welke wijze de begeleiding van daders van misdrijven in het algemeen en van gedetineerden in het bijzonder kan worden geopti­maliseerd.

 

Instrumenten zoals casemanagement lijken hiertoe in sommige andere landen erg nuttig te zijn, maar tonen aan dat de continuïteit in de begeleiding cruciaal is en, om succesvol te zijn, zich moet situeren voor, tijdens en na de detentie.

 

04.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik dank u vooral voor de aankondiging dat u een analyse zult laten uitvoeren om na te gaan in hoeverre het spaarpotje dat voor 2005 bestond weer kan worden heringevoerd, natuurlijk met respect voor de huidige wetgeving.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Dan komen we aan uw vraag nr. 15210 over het juridisch taalgebruik.

 

04.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik zou mijn vraag willen omzetten in een schriftelijke vraag.

 

05 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het innen van verkeersboetes" (nr. 15211)

05 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la perception des amendes routières" (n° 15211)

 

05.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, de voorbije weken werd inzake verkeersboetes heel wat aangekondigd.

 

Door de politie voorgestelde onmiddellijke inningen verhogen of worden 5 % duurder in 2017. De boetes die de rechter oplegt, worden nu met factor 6 en zouden vanaf 2017 met factor 7 worden vermenigvuldigd. Wie een verkeersboete niet betaalt, zal dat bedrag vanaf juli 2017 met 35 % verhoogd zien. De wanbetaler krijgt bovendien een bevel tot betaling, dat door het parket is opgesteld, zodat de FOD Financiën een gedwongen betaling kan eisen.

 

In uw communicatie benadrukte u ook de administratieve briefwisseling via bpost en niet langer via politie en parket te laten verlopen, zodat politie en parket zich op hun kerntaken kunnen focussen, wat een goede zaak is.

 

Volgens experts zullen hogere boetes evenwel weinig invloed op de verkeersveiligheid hebben. Onze politierechters wijzen erop dat de boetes nu al erg hoog zijn in vergelijking met de boetes in correctionele zaken.

 

Tijdens een zitting van de Kamercommissie voor de Justitie in oktober 2016 heb ik u al op die kritiek gewezen. Wij hebben nood aan straffen op maat, die worden uitgesproken binnen een redelijke termijn tussen de overtreding, enerzijds, en de bestraffing, anderzijds.

 

Bovendien moeten straffen uitvoerbaar zijn. Onze wetgeving moet tot meer discipline en niet tot meer strafontwijking leiden.

 

Er wordt van uitgegaan dat politierechters meer naar alternatieve straffen, zoals werkstraffen, zullen grijpen. Uit antwoorden op schriftelijke parlementaire vragen uit het verleden blijkt dat Waalse politierechters veel meer dan Vlaamse rechters van die alternatieve straffen gebruikmaken.

 

Ik heb sinds begin april 2016 nog een schriftelijke vraag hangende, om de cijfers voor 2013 tot en met 2015 te verkrijgen op het vlak van werkstraffen die door politierechters zijn uitge­sproken.

 

Bovendien organiseert de afdeling Driver Improvement van het BIVV sensibiliserings­cursussen.

 

Ik heb in dat verband vier vragen.

 

Ten eerste, kunt u de maatregelen in detail toelichten?

 

Ten tweede, hoe anders zal de administratieve afhandeling verlopen? Vanaf wanneer zal ze veranderen? In welke mate is er ter zake overleg met de minister van Binnenlandse Zaken?

 

Ten derde, plant u, behalve ingrepen met betrekking tot boetes, ook initiatieven om alternatieve straffen te stimuleren?

 

Ten vierde, kan u in globo al de evolutie van het aantal werkstraffen in ons land schetsen?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, tijdens het jongste begrotingsconclaaf heeft de regering vier belangrijke maatregelen goed­gekeurd die de inning en de invordering van verkeers- en penale boetes moeten verbeteren.

 

Een eerste maatregel bestaat uit de verhoging van de penale boetes met 70 opcentiemen, wat betekent dat de vermenigvuldigingsfactor van alle geldboetes die door de rechter worden uitgesproken stijgt van maal zes naar maal acht. Teneinde de verkeersboetes mee te treffen, worden alle verkeersboetes vanaf 1 januari 2017 verhoogd met 5 %. De gewone boete bedraagt dan 52,50 euro in plaats van 50,00 euro.

 

Naast de verhoging van de tarieven is er beslist over het cross-borderproject dat, naast het efficiënter maken van het werkproces van de inning van de verkeersboetes voor Belgen en buitenlanders, drie maatregelen bevat voor een betere afdwinging. Ten eerste, de inzet van de ANPR-scanners van de douane kan voortaan voor alle geldstraffen en niet enkel voor de verkeersboetes. Ten tweede, de staten 204 van Financiën naar Justitie worden elektronisch overgezonden, zodat Justitie de vervangende gevangenisstraf kan uitvoeren. Ten derde, vanaf midden 2017 zal het openbaar ministerie bevelen tot betaling kunnen uitvaardigen, wat aan Financiën een krachtige uitvoerbare titel geeft om desnoods gedwongen in te vorderen. In de fase van het bevel tot betaling wordt de boete inderdaad met 35 % verhoogd. Het is dus aan te raden om snel de onmiddellijke inning, de rappel ervan of de minnelijke schikking te betalen.

 

Voorheen moesten niet-betalers voor de politierechter worden gebracht, die een uitvoerbare titel opstelde bij wijze van vonnis, wat een bijzonder arbeidsintensieve wijze is om vervallen geldschulden gedwongen te kunnen invorderen. Het vernieuwd werkproces van het cross-borderproject moet toelaten om de vervolgingsquota’s af te schaffen die momenteel bij de politie en de parketten worden gehanteerd om de werklast haalbaar te maken. De volledige informatisering zorgt ervoor dat er nog maar weinig manueel werk overblijft voor zowel politie als parket, waardoor beide zich op hun kerntaken kunnen concentreren, zijnde de vaststellingen door de politie en de vervolgingen en het voor de rechter brengen indien nodig door het parket.

 

De administratieve taken die nog resten, zoals het printen en verzenden van de onmiddellijke inningen, minnelijke schikkingen en bevelen tot betalen, worden door bpost uitgevoerd. De vaststelling blijft een kerntaak van de politie en het vervolgingsbeleid blijft een kerntaak van het openbaar ministerie.

 

Voortaan zal het openbaar ministerie over een authentieke databank beschikken waarin de boetes van elkeen worden vermeld, zodat beter tegen recidive kan worden opgetreden en rekening kan worden gehouden met de al dan niet betaling van eerdere boetes door de overtreder.

 

Het nieuwe werkproces realiseert tevens een administratieve vereenvoudiging, die de kosten aanzienlijk drukt. Het proces-verbaal en het voorstel tot onmiddellijke inning zullen in één enveloppe naar de overtreder worden opgestuurd, in tegenstelling tot vandaag; nu gebeurt dit in twee zendingen.

 

Om te antwoorden op uw vragen over alternatieve straffen: de bestraffing in verkeerszaken heeft steeds als doel gedrag te wijzigen met het oog op een betere verkeersveiligheid. Daarom financiert Justitie nog steeds de begeleiding van alternatieve strafmaatregelen in het kader van het verkeer. Via de Gemeenschappen subsidieert Justitie het BIVV en Pro Velo, de steden en gemeenten en vzw’s die een begeleidingsdienst voor alternatieve gerechtelijke maatregelen hebben opgericht.

 

Door de afschaffing van de vervolgingsquota zal er meer beboet worden en zal een zero tolerance kunnen gelden voor verkeersovertredingen van welke aard dan ook. Het blijft tot de wijsheid van de onafhankelijke rechter behoren om alternatieve bestraffingen op te leggen, indien uit het individuele geval blijkt dat dit de meest aangewezen oplossing is om iemand tot verkeersveilig gedrag te dwingen.

 

05.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 15214 de Mme Özlem Özen est reportée.

 

Vraag nr. 15215 van de heer Stefaan Van Hecke wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

06 Questions jointes de

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "la date de prescription potentielle dans le dossier Chodiev" (n° 15247)

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "la publicité de la procédure devant la chambre des mises en accusation et les préventions retenues à charge des prévenus dans le dossier Chodiev" (n° 15248)

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "le montant et le détail de la transaction pénale dans le dossier Chodiev" (n° 15249)

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "la transmission d'une fiche de la Sûreté de l'État au ministre français de l'Intérieur" (n° 15250)

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "l'utilisation du dépassement du délai raisonnable pour justifier la légalité de la transaction et de l'arrêt de la Cour d'appel du 30 juin 2011 dans le dossier Chodiev" (n° 15251)

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "des visites d'avocat au domicile du ministre de la Justice" (n° 15252)

06 Samengevoegde vragen van

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "de mogelijke verjaringsdatum in het dossier-Chodiev" (nr. 15247)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "de openbaarheid van de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling en de tenlasteleggingen tegen de beklaagden in het dossier-Chodiev" (nr. 15248)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "het bedrag en de details van de minnelijke schikking in het dossier-Chodiev" (nr. 15249)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "het doorspelen van een fiche van de Veiligheid van de Staat aan de Franse minister van Binnenlandse Zaken" (nr. 15250)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "het aanvoeren van de overschrijding van de redelijke termijn om de wettigheid van de minnelijke schikking in het dossier-Chodiev en van het arrest van het hof van beroep van 30 juni 2011 te verantwoorden" (nr. 15251)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "bezoeken van advocaten bij de minister van Justitie thuis" (nr. 15252)

 

06.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vais revenir sur le dossier qui nous occupe depuis maintenant trois commissions. Vous me donnez à chaque fois des informations intéressantes, ce qui suscite de nouvelles questions.

 

J'en reviens, tout d'abord, à la date de prescription potentielle dans le dossier dit Chodiev, sur base des éléments que vous m'avez donnés le 23 novembre. Plus précisément, vous avez indiqué que le procureur général de Bruxelles a fait savoir que l'analyse de la prescription éventuelle a été menée par la chambre du conseil, laquelle est parvenue à la conclusion que le dernier acte interruptif de prescription était le réquisitoire du procureur du Roi en date du 29 février 2008.

 

Étant entendu que le délai de prescription est de cinq ans dans de telles affaires financières, cela signifierait dès lors que l'affaire dont question n'aurait pu être prescrite, en l'absence de nouvel acte interruptif valable (qui aurait pu prolonger le délai de prescription) qu'en mars 2013, bien après le moment où la transaction pénale a été conclue, soit juin 2011.

 

Par contre, on peut s'étonner du délai de trois ans entre le 29 février 2008 (dernier acte posé) et le 23 décembre 2012 (inscription de l'affaire pour la première fois en audience de la chambre du conseil avant d'aboutir à une ordonnance de renvoi).

 

Monsieur le ministre, en fonction des éléments ci-dessus, pouvez-vous confirmer la date de mars 2013 comme étant celle à laquelle, toutes choses restant égales par ailleurs, la prescription aurait été acquise dans le dossier Chodiev?

 

Pouvez-vous m'indiquer ce qui explique le délai de près de trois ans entre le réquisitoire du procureur du Roi et la mise à l'ordre du jour de ce dossier à la chambre du conseil? Est-il dû à des initiatives des avocats des prévenus ou trouve-t-il son explication ailleurs? Quel est le délai moyen, au parquet de Bruxelles, entre le réquisitoire du procureur du Roi et la décision de la chambre du conseil, en particulier dans les dossiers financiers? C'était ma première question.

 

Ma deuxième question a trait, monsieur le ministre, à la publicité de la procédure devant la chambre des mises en accusation et les préventions retenues à charge des prévenus dans le dossier Chodiev.

 

Vous avez notamment indiqué, citant le procureur général de Bruxelles, que la procédure devant la chambre des mises en accusation se déroule à huis clos et est donc couverte par le secret professionnel, mais que vous pouviez toutefois préciser que les préventions retenues à charge des prévenus n'étaient pas de nature fiscale.

 

Je m'étonne, tout d'abord, du fait que le procureur général de Bruxelles considère que la procédure devant la chambre des mises en accusation est couverte par le secret professionnel. Ne confond-il pas huis clos et secret professionnel?

 

Je constate, en tout cas, qu'en ce qui concerne l'affaire SocGen que nous avons abordée en commission, son collègue d'Anvers est beaucoup plus précis sur les raisons qui ont amené à une transaction pénale, malgré l'existence d'une même procédure à huis clos. Malgré qu'il estime que cela relève du secret professionnel, le procureur général de Bruxelles nous précise que les préventions retenues à charge des prévenus n'étaient pas de nature fiscale.

 

Monsieur le ministre, qu'en est-il de la publicité, à l'égard du parlement, des débats devant la chambre des mises en accusation? À vos yeux, la procédure à huis clos justifie-t-elle le secret professionnel? Quelles sont les informations qui peuvent être ou non être communiquées au parlement?

 

Par ailleurs, si on sait que les préventions retenues à charge des prévenus n'étaient pas de nature fiscale, on ne sait pas ce qu'elles étaient in fine? Le procureur général de Bruxelles peut-il le préciser ou, encore mieux, pouvez-vous le préciser? Les faits de faux et d'usage de faux étaient-ils retenus à ce stade? Quels autres faits pénalement punissables étaient-ils retenus à ce stade de la procédure?

 

J'en arrive ainsi à ma troisième question qui a trait à l'utilisation du dépassement du délai raisonnable pour justifier la légalité de la transaction et de l'arrêt de la cour d'appel du 30 juin 2011 dans le même dossier.

 

À ce sujet, vous avez cité le parquet général de Bruxelles en m'indiquant que l'article 216bis, tel que modifié par l'article 84 de la loi du 14 avril 2011 portant des dispositions diverses, lu conjointement avec l'article 21ter du Code d'instruction criminelle (dépassement du délai raisonnable) constituait bien une base légale suffisante pour justifier le recours à la procédure de transaction dans ce dossier particulier tel qu'il se présentait en juin 2011. L'analyse juridique a été faite par le parquet général et a été partagée par la chambre des mises en accusation de la cour d'appel de Bruxelles qui a constaté l'extinction de l'action publique.

 

Je me suis étonné, monsieur le ministre, en séance, de cette créativité et de cette utilisation de l'article 21ter du Code d'instruction criminelle qui revient à donner au juge des pouvoirs spéciaux et qui ne pallie pas, à mes yeux, l'illégalité de la transaction. J'ai été rejoint à ce sujet par divers juristes dont Me Chomé qui s'est exprimé dans La Libre Belgique de ce week-end. Je le cite: "Cela ressemble fort à une explication fabriquée après coup." Vous conviendrez avec moi que Me Chomé est quelqu'un qui fait autorité.

 

Par ailleurs, suivant le Code d'instruction criminelle, c'est bien le juge de fond qui peut éventuellement, selon la jurisprudence de la Cour de cassation, tenir compte d'un éventuel dépassement du délai raisonnable. Ce n'est donc pas au parquet d'en préjuger, comme cela a, semble-t-il et suivant la réponse que vous m'avez fournie, été le cas dans ce dossier, à tout le moins au moment de la transaction pénale, le 17 juin. Je souhaiterais obtenir quelques précisions, si possible de votre part et non pas de la part du parquet général de Bruxelles, sur cette explication juridique.

 

Monsieur le ministre, est-il d'usage d'utiliser une lecture "conjointe" de l'article 21ter du Code d'instruction criminelle avec d'autres articles du Code pour atténuer la portée desdits articles du Code? Dans combien d'affaires pénales, cela a-t-il été réalisé au cours des cinq dernières années?

 

Selon vous, l'argument du dépassement du délai raisonnable peut-il pallier l'absence d'une base légale en vue d'un arrêt de la cour d'appel confirmant une transaction pénale au 30 juin 2011? Confirmez-vous que, le cas échéant, seul le juge, et non le ministère public, pouvait (sans obligation) établir un dépassement du délai raisonnable? N'estimez-vous pas, en l'occurrence, que le parquet général a commis une erreur en signant, le 17 juin 2011, une transaction amiable dans un dossier impliquant notamment un usage de faux, et donc une potentielle peine d'emprisonnement, que la loi ne couvrait pas à cette date?

 

J'en viens à ma quatrième question jointe qui concerne le montant et le détail de la transaction pénale dans le dossier Chodiev. Dans le cadre de notre échange de mercredi passé, vous n'avez pas souhaité me confirmer le montant de 23 millions d'euros qui est régulièrement cité dans ce dossier comme étant celui correspondant à la transaction pénale. Je souhaite y revenir.

 

Après quelques recherches, il s'avère que le 13 novembre 2012, en réponse à une question de mon excellent collègue, Stefaan Van Hecke, la ministre Turtelboom avait confirmé que la première transaction pénale conclue au parquet de Bruxelles concernant sept prévenus avait été conclue pour un montant de 22 194 226 euros. Tout le monde en avait déduit qu'il s'agissait du dossier Chodiev, ce qui n'a pas été démenti depuis lors.

 

Selon les informations publiées ce vendredi 25 novembre par le Vif/L'Express et De Standaard, cette transaction pénale n'aurait rapporté que 3,5 millions d'euros à l'État et non pas près de 23 millions d'euros.

 

Selon le texte de la transaction que ces deux médias ont pu consulter, M. Chodiev et les six autres inculpés ont payé une amende de 522 500 euros chacun, sommes auxquelles s'ajoutent des frais de justice de 251 000 euros. Selon ces journaux, la confusion avec le montant de 23 millions d'euros précédemment cité proviendrait d'un accord conclu avec le fisc au milieu des années 2000. M. Chodiev et ses associés auraient donc payé au total 26,5 millions d'euros à l'État belge, mais seulement 3,5 millions d'euros dans le cadre du dossier pénal.

 

Via une communication à l'agence Belga, vendredi en fin de journée, le parquet de Bruxelles affirme, en revanche, qu'un montant de 22 millions d'euros a été payé par les inculpés par transfert bancaire après abandon d'avantages patrimoniaux. Cet argent a été versé sur le compte du receveur des amendes pénales, soutient le parquet général. Le versement de cette somme était l'une des conditions émises par le ministère public. Celui-ci fait savoir que l'exécution de ces conditions a été constatée par la chambre des mises en accusation. Vous conviendrez, monsieur le ministre, qu'un chat n'y retrouverait pas ses jeunes.

 

Il est important, vu le caractère sensible de ce dossier de faire toute la clarté et de distinguer l'impôt dû, le supplément d'impôt et l'amende pénale payée.

 

Monsieur le ministre, qu'en est-il de la somme effectivement versée par les différents prévenus dans le dossier dit "Chodiev"? Pouvez-vous détailler cette somme par prévenu en fonction des impôts dus, des éventuels suppléments d'impôts, des amendes pénales et des frais de justice? Confirmez-vous que cette transaction comportait également un volet "saisie immobilière"? Quelles étaient les propriétés visées? Qu'en est-il ensuite advenu? Ont-elles été revendues? Si oui, quand et pour quel montant? Cet accord de transaction a-t-il fait l'objet d'un accord formel de l'ISI? Afin de faire toute la lumière sur ce dossier, le parquet général peut-il transmettre au parlement le texte de la transaction? Cela nous évitera de jouer au chat et à la souris via différentes questions.

 

Enfin, j'en viens à un aspect qui n'a pas encore été abordé, à savoir la transmission d'une fiche de la Sûreté de l’État au ministre français de l'Intérieur par M. De Decker, qui était alors sénateur.

 

Dans un article du Vif/L'Express, sous le titre "Le déjeuner chez Claude Guéant", citant des sources françaises, le journaliste Thierry Denoël indique qu'à l'occasion d'un déjeuner début 2011 avec le ministre français de l'Intérieur de l'époque, Claude Guéant, M. Armand De Decker, alors sénateur, "a remis à M. Guéant une fiche de la Sûreté de l’État belge sur un individu, "V".

 

De toute évidence, si les faits sont confirmés, il y a là un non-respect de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité et, plus précisément, de ses articles 23 et 24 relatifs au secret, que je mentionne dans la version écrite de ma question.

 

Confirmez-vous que la transmission d'une fiche de la Sûreté de l'État belge est illégale? Pouvez-vous me dire si M. De Decker disposait au début 2011 d'une habilitation de sécurité? Le cas échéant, M. De Decker disposait-il à la même époque d'un mandat officiel pour remettre une fiche de sécurité au ministre français de l'Intérieur, M. Guéant? Pouvez-vous m'indiquer les procédures internes à la Sûreté de l'État relatives à l'impression et à la diffusion de telles fiches de sécurité? Est-il possible de contrôler a posteriori de quelle façon une telle info aurait été mise à disposition de M. De Decker afin qu'il la remette lui-même à M. Guéant? Ce contrôle a-t-il été réalisé? Sur la base des informations publiées par Le Vif, une enquête spécifique a-t-elle été diligentée pour clarifier ces faits précis et, le cas échéant, appliquer les sanctions prévues à l'article 24 de la loi à l'encontre du ou des responsables de cette violation du secret? Le cas échéant, par quelle instance judiciaire et où en est cette procédure?

 

Monsieur le ministre, je voulais aussi vous interroger sur les visites d'avocats au domicile personnel du ministre de la Justice. Dans le dossier Chodiev, il est avéré que les avocats des prévenus ou ceux qui se déclaraient être les avocats des prévenus ou une partie d'entre eux, ont rendu visite au domicile personnel du ministre de la Justice de l'époque. C'était un dimanche et le ministre était Stefaan De Clerck. Ces faits sont avérés, admis, y compris par les intéressés.

 

La nouvelle avocate de M. De Decker, interrogée sur Bel RTL, a relativisé les faits en disant qu'elle aussi avait déjà rencontré un ministre par rapport à un dossier précis. Cela n'a pas manqué de m'étonner, en tant que citoyen et Représentant.

 

Monsieur le ministre, depuis que vous êtes ministre de la Justice, avez-vous déjà reçu des visites d'avocats à votre domicile, relativement à des dossiers en cours? Combien? Un dimanche ou en semaine? Quelle est votre attitude en ce cas?

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Gilkinet, en réponse à vos questions, hormis la dernière, le procureur général de Bruxelles m'a fait parvenir le message suivant: "La commission de la Justice a adopté ce 29 novembre le principe de la création d'une commission parlementaire d'enquête portant notamment sur les circonstances entourant la transaction pénale élargie du 17 juin 2011. Il semble acquis que la Chambre votera cette proposition en séance plénière jeudi prochain. Dans ce contexte, j'entends dès lors réserver mes réponses à la commission parlementaire d'enquête, cadre plus approprié pour clarifier les questions que M. le député Gilkinet se poserait encore malgré mes réponses précédentes".

 

Pour ma part, dans la mesure où vos questions touchent toutes, de manière directe ou indirecte, le dossier Chodiev, et que pour partie, elles ont déjà été posées au cours des commissions qui se sont tenues ces trois dernières semaines, vous comprendrez que je vous renvoie au compte rendu de ces séances où j'ai répondu, vous le savez, de la manière la plus complète possible. Ces réponses pourront être précisées, commentées et contextualisées au cours de la commission d'enquête que le parlement va instituer, ce qui permettra non seulement d'apporter toute la clarté voulue, mais également d'offrir le temps nécessaire afin d'approfondir les explications des mécanismes juridiques complexes qui ont été mis en oeuvre dans le cadre de ce dossier.

 

En ce qui concerne votre dernière question, qui m'est adressée personnellement, je peux répondre "non" à la première question, et la deuxième est dès lors sans objet.

 

06.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, c'est décidément une mauvaise habitude, au parquet général de Bruxelles, d'appliquer la loi avant qu'elle soit d'application et avant qu'elle existe. En l'occurrence, le président de cette commission n'en est pas témoin parce qu'il l'avait quittée, mais il est informé, comme nous tous, qu'il y a eu effectivement un accord hier en commission de la Justice pour la création d'une commission d'enquête. Mais l'acte qui la crée effectivement sera posé par un vote de l'assemblée plénière ce jeudi. Cette question est posée, et mercredi, c'est avant jeudi, dans notre calendrier. Elle est tout à fait valable, et n'est pas couverte par l'existence future et potentielle - plus que potentielle - d'une commission d'enquête.

 

Par ailleurs, vous me permettrez de considérer que si certaines de mes questions visent à préciser le propos qui a été tenu mercredi dernier, d'autres sont nouvelles, notamment celle qui est relative à la transmission par M. De Decker d'une fiche de sécurité au ministre de l'Intérieur d'un État voisin. C'est un thème qui n'a pas encore été traité. Je ne doute pas qu'il le sera dans le cadre de la commission d'enquête, mais il méritait en tout cas une réponse de votre part. J'espère ne pas être le seul au sein de cet État à m'inquiéter d'un acte qui est aussi peu conforme, non seulement à nos lois, mais également à la bienséance - eu égard à des données aussi délicates.

 

Enfin, s'agissant de la seule question à laquelle vous avez bien voulu nous répondre, je prends acte que, depuis votre entrée en fonction, la norme n'est pas que des avocats se présentent au domicile du ministre de la Justice pour l'entretenir d'un dossier particulier. Cela me semble, à dire vrai, parfaitement normal.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 15242 de Mme Jadin est transformée en question écrite.

 

La réunion publique de commission est levée à 16.00 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.00 uur.