Commissie voor de Landsverdediging

Commission de la Défense nationale

 

van

 

Woensdag 14 december 2016

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 décembre 2016

 

Matin

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 10.07 heures et présidée par M. Benoit Hellings.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.07 uur en voorgezeten door de heer Benoit Hellings.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Veli Yüksel aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de aankoop van fregatten en mijnenjagers" (nr. 14960)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van de fregatten en mijnenjagers" (nr. 15045)

01 Questions jointes de

- M. Veli Yüksel au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'achat de frégates et de chasseurs de mines" (n° 14960)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le remplacement des frégates et des chasseurs de mines" (n° 15045)

 

01.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, intussen een maand geleden werd aangekondigd dat België en Nederland hun mariene samenwerking zouden uitdiepen door gezamenlijke aankopen van vier fregatten en twaalf mijnenjagers. België neemt de leiding van de aankoop van de mijnenjagers en Nederland neemt de leiding van de aankoop van de fregatten. De totale kostprijs van de aankoop zou vier miljard euro bedragen.

 

Wij weten allemaal dat u ondertussen met uw Nederlandse collega daarover een samenwerkingsakkoord hebt ondertekend.

 

Mijnheer de minister, ik heb de hiernavolgende vragen voor u.

 

Ten eerste, tegen wanneer is de aankoop van die fregatten en mijnenjagers gepland?

 

Ten tweede, op welke manier zullen de kosten voor de aankoop alsook de kosten voor het latere onderhoud worden verdeeld?

 

Een gezamenlijke aankoop zal en moet het kostenplaatje doen dalen.

 

Kunt u, zowel op het vlak van de aankoop als op het vlak van het onderhoud, een inschatting van de kostenbesparingen geven die de gezamenlijke aankoop zal opleveren?

 

Ten derde, welke impact zal dit hebben op het personeel, met name op de bemanning en het statuut van onze mariniers maar ook op de training?

 

01.02  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, Nederland en België hebben samen de eerste stap gezet voor de vervanging van de mijnenjagers. De afspraak is dat voor de vervanging van de fregatten de projectleiding in Nederlandse handen ligt. Voor de vervanging van de mijnenjagers ligt die leiding in Belgische handen.

 

Op 30 november 2016 hebt u samen met uw Nederlandse collega een letter of intent ondertekend.

 

Daarom kreeg ik graag een antwoord op de hiernavolgende vragen.

 

Ik laat enkele vragen vallen, aangezien de letter of intent ons intussen reeds via het commissiesecretariaat is bezorgd, waarvoor ik u dank.

 

Ten eerste, het valt mij op dat de aantallen waarvan steeds sprake is, in totaal vier fregatten en twaalf mijnenjagers over beide landen, niet in die brief zijn vastgelegd. Kan het aantal doorheen de procedure nog worden aangepast of staat dat nog niet vast?

 

Hebt u de verdeling van de kosten reeds besproken? Streeft u naar een 50/50-verdeling?

 

De processen voor vervanging liepen in België en Nederland de voorbije maanden niet gelijk. De vervanging lijkt bij ons al heel concreet. In Nederland is dat blijkbaar nog niet het geval. België voorzag reeds in een budget voor de vervanging van de fregatten en van de mijnenjagers. Nederland trekt 700 miljoen euro uit voor de vervanging van de fregatten. Hebt u reeds navraag gedaan wanneer Nederland de overige geraamde 1,3 miljard euro zal begroten?

 

U voorziet in 932 miljoen euro voor de vervanging van de mijnenbestrijders. Volgens sommige bronnen is dit zwaar overschat. Zo kocht de Finse marine onlangs drie mijnenjagers voor 250 miljoen euro. Hoe kunt u het verschil in de ramingen verklaren? Of gaat het over totaal verschillende types en uitrustingen van deze vaartuigen?

 

01.03 Minister Steven Vandeput: Op 30 november 2016 heb ik inderdaad met mijn Nederlandse collega een letter of intent ondertekend waarin beide landen formeel hun intentie bekrachtigen om gezamenlijk de mijnenbestrijdingsvaartuigen en de fregatten te vervangen.

 

Het uitgangspunt van deze LOI is niet alleen een samenwerking op het gebied van de verwerving maar ook op het domein van het onderzoek, de ontwikkeling en de instandhouding van de vervangende capaciteit van de fregatten en mijnenbestrijding.

 

De LOI werd op 8 december aan de leden van de commissie voor de Landsverdediging bezorgd.

 

Conform de strategische visie worden de investeringen voor de aankoop van de fregatten en de mijnenbestrijdingsschepen gepland in de periode 2017-2030. Dit laat een vervanging van de mijnenbestrijdingscapaciteit toe vanaf 2023 en van de fregatten vanaf 2025.

 

Het investeringsbudget, waarbij wij uitgaan van een constante euro in 2015, is 1,29 miljard euro voor de fregatten en 932 miljoen euro, ook in constante euro in 2015, voor de mijnenbestrijdingscapaciteit.

 

De budgettering in Nederland is momenteel lopende. Zij kennen een ander proces dan wij. Wij hebben onze behoefteanalyse gemaakt in de Strategische Visie en hebben op basis daarvan bepaald dat we voor 6 plus 2 gaan. De Nederlanders zijn die oefening nog aan het maken.

 

De lastenboeken moeten nog worden opgemaakt. Dat lijkt mij evident. Dat staat ook in de letter of intent. Het is niet mogelijk om concrete cijfers te plakken op de besparingen, maar het is wel duidelijk dat de gezamenlijke verwerving met Nederland een schaalvoordeel moet bieden, met een positief effect op de kosten.

 

De grootste besparing verwacht ik in de werkings-, personeels- en infrastructuurkosten doordat de ondersteunende diensten aan wal – zowel het operationeel commando, de stafdiensten, de scholen als de onderhoudsbedrijven – worden gecentraliseerd in een van beide landen en ondersteuning bieden aan de binationale vloot, zoals dat vandaag het geval is.

 

Door deze gezamenlijke aankoop en het gezamenlijk gebruik kunnen de diepgaande synergieën op alle vlakken, die actueel al bestaan tussen onze beide marines en die een mondiale benchmark zijn wat defensiesamenwerking betreft, worden bestendigd.

 

De vergelijking met het Finse programma is moeilijk omdat het contract waarbij Finland drie kustmijnenbestrijdingsvaartuigen heeft aangekocht, dateert van 2006 en de techniek en het operationeel concept intussen fel geëvolueerd zijn, wat de kostprijs zal beïnvloeden.

 

Feit is dat het MCM-concept dat wij aangaan, een concept is waarbij bijvoorbeeld geen logistieke ondersteuningsschepen meer nodig zijn. De Godetia komt daarin te vervallen. In de realiteit zullen wij door het nieuwe concept eenzelfde ambitieniveau kunnen aanhouden met zes nieuwe MCM-vaartuigen, in plaats van vandaag acht plus een steunschip.

 

01.04  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik begrijp dat een aantal zaken nog verder moet worden uitgeklaard met de Nederlanders. Het spreekt voor zich dat wij daar een eerlijke verdeling van lasten en lusten zullen hebben.

 

01.05 Minister Steven Vandeput: Inderdaad. Neem me niet kwalijk dat ik u onderbreek, maar dat lijkt mij zo evident, dat ik vergeet op dat deel van de vraag te antwoorden. Het spreekt voor zich dat elkeen uiteindelijk opdraait voor de kosten van zijn vaartuigen. Dat is een gerede verdeling.

 

In de letter of intent hebt u kunnen lezen dat er ook op het vlak van de participatie van de wederzijdse economische partners afspraken gemaakt zijn.

 

01.06  Veli Yüksel (CD&V): Zonder ons over de Nederlanders uit te spreken, denk ik dat wij niet alleen over het ambitieniveau moeten waken, maar ook over de verdeling van de kosten, die transparant moeten zijn. Dat is een belangrijk domein dat op andere terreinen in zekere zin ook in de toekomst aan bod zal komen. Daarom is het belangrijk om daar voldoende over te waken. Ik heb er uiteraard alle vertrouwen in dat u dat op een goede manier zult doen.

 

Wat ons ook zeer interesseert, is de efficiëntie die zal worden bereikt door die schaalvergroting. Wij kijken uit naar de cijfers die zullen volgen.

 

01.07  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Ik meen uit uw antwoord begrepen te hebben dat de Nederlanders de aantallen nog niet definitief vastgelegd hebben, omdat u zegt dat het nog lopende is. Aangezien de eerste investeringsuitgaven gepland zijn in de periode 2017-2030, denk ik dat er van Nederlandse zijde, ondanks de verkiezingen in april 2017 in Nederland, snel verdere stappen moeten worden gezet.

 

Immers, de verdeling van de kosten is daar wel aan gekoppeld. Als de Nederlanders plots zouden besluiten om minder vaartuigen in dienst te nemen, waardoor de verhouding wijzigt, dan heeft dat invloed op de verdeling van de kosten. Er kunnen wel kosten per vaartuig toegewezen worden, maar kosten voor onderzoek en ontwikkeling vallen moeilijker zo precies op te delen en in te schatten.

 

Net als u ben ik ervan overtuigd dat een schaalvergroting en de samenwerking tussen beide landen wel degelijk rationeel is. De cijfers zullen in de toekomst aangeven of dat inderdaad klopt.

 

Uw antwoord inzake de vaartuigen van Finland volstaat voor mij. Ik zal de details in de verschillen nog nader bekijken, maar ik kan wel begrijpen dat de kosten verschillen.

 

01.08 Minister Steven Vandeput: Ik vind het belangrijk dat wij elkaar hierin goed verstaan. Wat vandaag getekend is, is een letter of intent. Wij verbinden ons ertoe om dat proces samen aan te gaan. Dat is een eerste internationale stap, om daarna de volgende stap te zetten.

 

Wat kunnen wij nu doen? Er wordt momenteel gewerkt aan de voorbereiding van de MOU’s over kostenverdeling enzovoort. In Nederland heeft men een eigen budgettering. Bij hen worden die middelen onmiddellijk vastgelegd. Dat is een ander proces. Zij werken voor dit soort zaken rechtstreeks via het Parlement.

 

Dat is wat er gaat gebeuren. Ik twijfel daar niet maar, maar als u mij een inschatting van aantallen vraagt heb ik niet het vermoeden dat Nederland, dat toch iets meer kust en havens heeft als wij, drastisch zal terugschroeven in aantallen, integendeel.

 

Zij hebben wel al een aantal programma’s op stapel staan zoals de vervanging van F-16’s. Zij hebben ook de keuze gemaakt om hun capaciteit onder zee te bewaren, waarvoor zij ook middelen nodig hebben.

 

Het is minder een kwestie van gerede aandelen te nemen in wie wat gaat doen, maar meer oog te hebben voor de timing. Wie gaat voor wie komen en wanneer? Dat zijn zaken waarover duidelijke afspraken moeten worden gemaakt.

 

Op basis van deze LOI kunnen wij in elk geval onze projectteams samenstellen, die dan aan de uitwerking van dit verhaal kunnen beginnen.

 

01.09  Veli Yüksel (CD&V): Voor de volledigheid, tegen wanneer zou men met die MOU’s klaar zijn?

 

01.10 Minister Steven Vandeput: Ik heb al meermaals aangegeven dat ik de intentie heb om een aantal trajecten effectief op te starten. Ik ga ervan uit dat wij die studie in 2018 zouden moeten kunnen aanbesteden. Dat wil zeggen dat de MOU’s in 2017 rond zouden moeten zijn. Een en ander is natuurlijk afhankelijk van het verloop van de verkiezingen in Nederland.

 

Het is wel mijn ambitie om de studie nog tijdens deze legislatuur aan te vatten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de M. Sébastian Pirlot au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le projet de loi de programmation militaire et les investissements militaires" (n° 14987)

02 Vraag van de heer Sébastian Pirlot aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het wetsontwerp houdende de militaire programmering van investeringen voor de periode 2016-2030" (nr. 14987)

 

02.01  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, comme ma question date déjà du 15 novembre, vous me permettrez de l'actualiser quelque peu.

 

Le 16 novembre dernier, selon l'ordre du jour de notre commission de la Défense nationale devait avoir lieu un débat sur votre projet de loi relatif à la programmation militaire des investissements pour la période 2016-2030. Suite à un avis juridique des services de la Chambre demandé par mon groupe sur celui-ci, vous avez décidé de faire reporter ce point.

 

Si je reviendrai évidemment sur le fond d'un tel projet dans les débats lors de son retour en commission, j'aimerais, monsieur le ministre, vous poser les questions suivantes sur la forme. Comment expliquez-vous l'absence d'un avis du Conseil d'État dans le cadre d'un tel projet à plus de 9 milliards d'euros lors de son dépôt sur nos bancs? Quelles suites comptez-vous réserver à l'avis pour le moins clair rendu depuis par le Conseil d'État estimant que les gouvernements suivants ne seront pas liés par les décisions actuelles?

 

Vous annoncez aussi, je pense, vouloir conclure un maximum de contrats d'ici à la fin de la législature. Auxquels pensez-vous en particulier?

 

02.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur le président, monsieur Pirlot, bien que la loi de programmation militaire ne remplace pas la loi budgétaire annuelle, comme il est d'ailleurs indiqué dans l'exposé des motifs, il est clair que cette loi est de nature budgétaire puisqu'il s'agit d'investissements, comme vous le précisez dans votre question.

 

De plus, à mes yeux, c'est une loi purement formelle. Le vade-mecum du Conseil d'État stipule à ce sujet, à la page 5: "La section de législation n'est en principe pas compétente pour donner des avis sur des propositions ou projets législatifs qui ne constituent pas des lois matérielles ou, autrement dit, qui ne contiennent pas de normes obligatoires de portée générale, à savoir qui ne visent pas un groupe indéterminé de citoyens. Ainsi, la section de législation n'est pas compétente pour des propositions ou projets législatifs portant sur le budget, les comptes, etc."

 

Lors de la discussion en Conseil des ministres, ce point de vue a été approuvé. Le projet de loi a entre-temps été transmis au Conseil d'État. Nous avons reçu les commentaires et nous travaillons maintenant à la modification du projet en fonction de cet avis du Conseil d'État.

 

Het oordeel van de Raad van State is voor mij niet onoverkoombaar.

 

02.03  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, quand vous évoquiez la conclusion d'un maximum de contrats d'ici à la fin de la législature, pensiez-vous à certains contrats en particulier?

 

02.04  Steven Vandeput, ministre: Il s'agit du remplacement des F-16, de navires, de drones et de grands investissements au niveau de la Composante Terre.

 

02.05  Sébastian Pirlot (PS): Je vous remercie de votre réponse.

 

Vous ne m'enlèverez pas de l'idée que le Conseil d'État a bien dit que les prochains gouvernements ne seraient pas nécessairement liés aux présentes décisions. Mais il s'agit, sans doute, ici d'une différence d'interprétation!

 

02.06  Steven Vandeput, ministre: Pour ce qui me concerne, je suis confronté à la question des Airbus A400M au sujet de laquelle j'ai une opinion que je ne souhaite pas exprimer.

 

02.07  Sébastian Pirlot (PS): Vous commencez à vous comporter comme un membre du CD&V!

 

02.08  Steven Vandeput, ministre: En tout cas, je paie déjà et je continuerai à payer durant les années à venir. Je suis certain que l'on assistera à leur déploiement.

 

02.09  Sébastian Pirlot (PS): Nous en reparlerons.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vergoeding voor militairen in operatie" (nr. 15051)

03 Question de M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'indemnité pour les militaires en opération" (n° 15051)

 

03.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de vergoeding voor militairen in operatie. Wanneer militairen worden ingezet in operatie, krijgen zij een vergoeding die afhangt van de deelstand waarin zij zich bevinden. Aan deze deelstand is een coëfficiënt gekoppeld die de hoogte van de vergoeding bepaalt.

 

Zo is een trainingsmissie actieve militaire bijstand aan coëfficiënt 2 gekoppeld. Een force protection-opdracht is dan passieve gewapende inzet, met coëfficiënt 4. Zo kan het zijn dat een trainingsopdracht in de onstabiele Centraal-Afrikaanse Republiek beduidend minder wordt vergoed dan een force protection-opdracht in het evenzeer onstabiele Mali

 

Ik stelde u hierover een schriftelijke vraag en u antwoordde mij dat het wettelijk kader alleen toelaat om de aard van de opdracht in overweging te nemen bij het bepalen van de deelstand van de militair en dus van de hoogte van de vergoeding en dus niet het risico van de opdracht. Het zou dus gaan om de aard van de opdracht die allesbepalend is.

 

Ten eerste, vindt u dit een fair systeem? Het objectieve risico dat militairen in opdracht lopen is uiteraard niet uitsluitend afhankelijk van de aard van de opdracht.

 

Ten tweede, bent u bereid eventuele andere factoren mee te nemen in het bepalen van de hoogte van de vergoeding zoals bijvoorbeeld de duur van de opdracht, de uithuizigheid en vooral de veiligheidssituatie?

 

Ten derde, is de ACOS in staat om veiligheidsinschattingen te maken van de inzetzones van onze militairen? Kunnen deze gebruikt worden om in te schatten welk gevaar onze militairen lopen tijdens hun opdracht, eventueel mits ijking en harmonisering van de rapportering?

 

Ten vierde, bent u bereid een wetswijziging in deze zin te overwegen of te steunen? Waarom wel of waarom niet?

 

03.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, mijnheer De Vriendt, de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldende rechten van de militairen alsook het KB van 18 maart 2003 betreffende de bezoldiging van de militairen zijn onderhandeld en overlegd met de vakorganisaties. Defensie past deze wet en dit KB rigoureus toe.

 

De operationele inzet van militairen in het buitenland waarmee de toekenning van een financieel statuut gepaard gaat, wordt bovendien goedgekeurd door de Ministerraad. Zoals reeds aangehaald in mijn antwoord op uw schriftelijke vraag 799 van 27 juli 2016 is het zeer moeilijk om de verschillen in veiligheidsmaatregelen tussen verschillende opdrachten eenduidig op te lijsten. De veiligheidsrisico’s die een militair zou lopen worden niet enkel geëvalueerd aan de hand van de veiligheidssituatie ter plaatse, maar onder andere ook aan de hand van de omstandigheden waarin de militair zijn opdracht moet uitvoeren – ik geef het voorbeeld werken vanuit een compound of niet – en van de reacties die van militairen worden verwacht bij het uitvoeren van hun opdracht, bijvoorbeeld tussenbeide komen in eerste lijn of niet.

 

U vraagt of ik zinnens ben om daar op korte termijn verandering in aan te brengen. Ikzelf heb die ambitie niet, mijnheer De Vriendt. Ik erken de problemen die u aanhaalt, maar ik erken ook de elementen die ik juist in mijn antwoord heb gegeven en vooral ook het feit dat de wet en het KB zelf tot stand zijn gekomen na onderhandelingen met de sociale partners. Bovendien is het resultaat uiteindelijk iets dat werkbaar en eenduidig is.

 

Als u initiatieven dienaangaande wilt nemen, zal ik die met alle welwillendheid bekijken en daarbij advies geven. Neem echter aan dat deze soort reglementen het resultaat is van een lange voorbereiding, het continu zoeken naar evenwichten en dergelijke meer.

 

03.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, stel dat er binnen de vakorganisaties bereidheid zou zijn om dit te herbekijken?

 

03.04 Minister Steven Vandeput: Ik denk dat inzake het verhogen van vergoedingen er bij de vakorganisaties altijd wel bereidheid zal zijn.

 

03.05  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Maar binnen dezelfde enveloppe?

 

03.06 Minister Steven Vandeput: Ik wil voorstellen bekijken. Ik zeg alleen dat ik een aantal werven heb en ik heb vroeger van mijn grootvader geleerd dat men moet opletten hoeveel hooi men op zijn vork neemt. Die mens werkte nog met een hooivork. Ik heb geleerd met op te letten om te veel hooi op de vork te nemen.

 

U weet dat ik de gewoonte heb om met de vakorganisaties vrij kort op de bal te spelen en te proberen een aantal dingen te bereiken en samen te werken. Bij het begin van de legislatuur hebben wij gevraagd welke de elementen zijn waarin zij problemen zagen en die ze op korte termijn wilden oplossen. Aan die lijst wordt gewerkt.

 

Als er andere initiatieven zijn, wil ik ze graag beoordelen. Ik hou alleen indachtig dat we niet te veel hooi op de vork mogen nemen. Zelf ga ik ter zake geen initiatief nemen.

 

03.07  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Dat begrijp ik uiteraard en ik begrijp ook dat dit moet afhangen van het sociaal overleg. Maar net vanuit een aantal vakorganisaties hebben wij het signaal gekregen dat er onrechtvaardigheden zijn in de huidige regeling en dat het eigenlijk logischer zou zijn om het risico van de opdracht als criterium te hanteren, meer dan de aard van de opdracht. De ACOS-IS maakt sowieso ook veiligheidsrapporten. Misschien kunnen we ons daarop baseren?

 

03.08 Minister Steven Vandeput: Ik ben echt niet onwillend.

 

03.09  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik begrijp het en interpreteer het ook zo.

 

03.10 Minister Steven Vandeput: Maar u moet wel aannemen dat de aard van de opdracht bepaald is voor heel de opdracht. Het risico van de opdracht is zeer volatiel. Men moet daarmee rekening houden als men meer rekening wil houden met het risico.

 

De deelstand wordt toegekend op basis van een KB, overlegd in Ministerraad. Het moet ook een systeem zijn dat enige rechtszekerheid biedt en hanteerbaar is. U kunt zich inbeelden dat bepaalde situaties het risiconiveau van dag tot dag enorm kunnen doen wijzigen. In de huidige werkwijze is het niet evident om daar telkens rekening mee te houden.

 

Ik kijk uw initiatieven graag tegemoet. Ik wil daarover graag advies verlenen, maar het is niet eenvoudig.

 

03.11  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik begrijp dat dit zeker een element is dat meespeelt, maar we zullen het verder bekijken.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Tim Vandenput aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de toekomst van BruMil binnen de uitbreidingsplannen van Brussels Airport" (nr. 15188)

- de heer Sébastian Pirlot aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de stationering van de A400M's" (nr. 15437)

- de heer Peter Buysrogge aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de samenwerking met de privésector in verband met de A400M" (nr. 15454)

04 Questions jointes de

- M. Tim Vandenput au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'avenir de BruMil dans les projets d'extension de Brussels Airport" (n° 15188)

- M. Sébastian Pirlot au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'accueil des A400M" (n° 15437)

- M. Peter Buysrogge au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la collaboration avec le secteur privé dans le cadre de l'A400M" (n° 15454)

 

04.01  Tim Vandenput (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de civiele luchtvaartsector zal de volgende decennia wereldwijd groeien. Op donderdag 17 november laatstleden stelde Brussels Airport Company zijn uitbreidingsplannen voor de Belgische internationale luchthaven voor. Het wil tegen 2040 de luchthaven economisch laten groeien, dus meer bewegingen, meer vluchten, grotere vliegtuigen aantrekken. Dat is goed, vinden wij, want het zal voor meer jobs en dus meer welvaart zorgen in de regio en in ons land.

 

De militaire luchthaven BruMil is ook gelegen op en/of naast Brussels Airport en maakt gebruik van alle aanwezige infrastructuur van Brussels Airport. In de groeiplannen van Brussels Airport wordt echter niet gesproken over BruMil. Dat vind ik een beetje vreemd, want er zou toch een win-winsituatie kunnen komen indien BruMil mee kan groeien of haar terreinen gedeeltelijk of geheel ter beschikking zou kunnen stellen van Brussels Airport.

 

In dat kader heb ik de volgende vragen voor u.

 

Is er overleg geweest tussen uzelf en de minister van Mobiliteit over een mogelijke verdere integratie van de terreinen van BruMil in Brussels Airport?

 

Zijn er gesprekken gevoerd tussen de defensiestaf en Brussels Airport Company over een mogelijke verdere samenwerking? Zo ja, wat waren de resultaten van dat overleg?

 

U hebt een plan klaar om een aantal vestigingen van Defensie te sluiten, te verhuizen of uit te breiden. Is er in dat kader onderzocht om de terreinen van BruMil verder te integreren in Brussels Airport en de activiteiten zoals onderhoud van — en ik richt mij ook tot de heer Pirlot — de nieuwe A400M-toestellen elders, bijvoorbeeld in Beauvechain, te laten uitvoeren?

 

04.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vandenput, er is geen overleg geweest tussen mijzelf en de minister van Mobiliteit over de mogelijke verdere integratie van de terreinen van BruMil in Brussels Airport.

 

De ontwikkeling van Brussels Airport heeft volgens de informatie waarover wij beschikken, geen impact op de activiteiten van BruMil. De Defensiestaf heeft onder andere in het kader van de aankomst en de huisvesting van de A400M-toestellen gesprekken gevoerd met de bevoegde diensten van Brussels Airport Company voor de strategische ontwikkeling van de luchthaven. Daaruit is telkenmale gebleken dat de militaire luchthaven voor deze ontwikkeling geen belemmering vormt, wat ik net al zei.

 

De Strategische Visie 2040 van Brussels Airport Company ligt in de lijn van de gevoerde gesprekken.

 

Zoals eerder gemeld in de commissie van 21 september 2016 en vele malen eerder, is het implementatieplan over de evolutie van de toekomstige geografische spreiding van de kwartieren prioritair voor de regering. Hierbij zal worden rekening gehouden met de Strategische Visie, het regeerakkoord en het welzijn van het personeel.

 

Het voorstel ter zake wordt momenteel geactualiseerd teneinde een definitieve politieke beslissing te kunnen nemen, maar ik denk dat ik daarop nog verder inga in een latere vraag, vandaag.

 

04.03  Tim Vandenput (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik dring erop aan dat BruMil initiatieven neemt om met BAC samen te zitten. Ik weet dat BAC een aantal vragen heeft van luchtvaartmaatschappijen om onderhoudswerken te laten uitvoeren in loodsen die het vandaag helemaal niet heeft.

 

Ik denk dat wij op dat vlak naar een moderne privaatpublieke samenwerking kunnen gaan en dat de grote loodsen die u toch van plan bent te bouwen enkel en alleen voor de A400M, ook voor civiele luchtvaartdoeleinden zouden kunnen worden gebruikt.

 

Als u of misschien BAC het initiatief zou nemen om daarover te praten, zonder dat de luchthaven BruMil moet verdwijnen, kan er toch naar synergieën worden gekeken. Ik denk dat dit goed zou zijn, ook voor de tewerkstelling binnen en buiten Defensie.

 

04.04 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de Vandeput, ik zal u daarop antwoorden bij het agendapunt 16. Ik kan u dan veel meer verduidelijking geven. Het is jammer dat de twee vragen niet werden samengevoegd.

 

Mijnheer de voorzitter, ik mag normaal gezien niet interveniëren in de werkzaamheden, maar mag ik een suggestie doen met betrekking tot de agenda? Eigenlijk was agendapunt 16 beter samengevoegd met deze vraag. Als de leden het goed vinden, kunnen wij dit debat afronden door nu de vragen nrs. 15437 en 15454 te stellen. De heren Buysrogge en Pirlot zijn immers allebei aanwezig.

 

Le président: D'accord. Monsieur Pirlot, vous pouvez poser votre question dès maintenant.

 

04.05  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, lors de la réunion de notre commission du 31 novembre dernier, je vous interrogeais sur votre budget et notamment sur les 9,2 milliards d'investissements qui figurent dans votre note de politique générale et plus particulièrement, sur les 88,6 millions d'euros qui seront dégagés en 2017 sur les 200 millions promis par le gouvernement. À cette occasion, je vous interrogeais quant à savoir où nous en étions avec la construction des hangars nécessaires à l'accueil imminent des A400M. Lors de nos répliques communes avec mon estimé collègue Alain Top, vous nous répondiez, je cite: "Les A400M subissent en effet un certain retard mais des mesures sont prises pour pouvoir maintenir les C-130 opérationnels en attendant les A400M". Cette réponse légitimement synthétique au vu du contexte général des travaux m'a interpellé et je souhaiterais dès lors en savoir plus sur ce sujet spécifique. Pouvez-vous compléter cette information? Y a-t-il un retard dans la livraison des A400M, ou s'agit-il de retards dans la construction des hangars destinés à les accueillir ou bien les deux? Quelles sont les avancées dans le dossier de l'accueil des A400M sur le sol belge et leur implantation et des travaux que cela implique? De nouvelles études sur les différentes implantations possibles (et leur impact logistique en termes de coûts) vont-elles être demandées ou une décision finale a-t-elle été prise par le gouvernement? D'avance je vous remercie pour vos réponses.

 

04.06  Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, het klopt inderdaad dat de gestelde vragen en mogelijks ook uw antwoord voortbouwen op de vraagstelling van collega Vandenput.

 

Collega Pirlot, ik denk dat er een klein foutje werd gemaakt. Bij mijn weten bestaat 31 november niet. Het ging dus om de commissievergadering van 30 november.

 

04.07  Sébastian Pirlot (PS): Par rapport au retard annoncé des A400M, on n'est pas à un jour près! Mais je suis content que vous me lisiez. (Rires)

 

04.08  Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, ik beperk mij tot mijn punctuele vragen, die voortbouwen op het antwoord dat al gegeven is.

 

Ten eerste, werden er al firma’s aangeschreven over een mogelijke samenwerking met het oog op het militair luchttransport? Zo ja, hoeveel? Wanneer verwacht u antwoorden?

 

Ten tweede, behoort een privaatpublieke samenwerking tot de mogelijkheden? Is daarvoor in een budget voorzien?

 

Ten derde, beschouwt u de exploitatie van de A400M en de commerciële vliegtuigen, ook de witte vloot genoemd, en het aangekondigde multiroletankervliegtuig in deze samenwerking als aparte dossiers? Kijkt u uit naar een totaaloplossing met één privépartner?

 

Ten vierde, zullen deze activiteiten nog steeds in Melsbroek plaatsvinden of is een gehele of gedeeltelijke delokalisatie mogelijk?

 

04.09 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, bedankt voor uw samenwerking. Ik vind het belangrijk dat wij deze vragen samen behandelen. Zo krijgt de heer Vandenput meer informatie in antwoord op zijn vraag.

 

Monsieur Pirlot, la production et la livraison des A400M progresse bien. Il existe cependant un certain retard dans la livraison des A400M.

 

Conformément à la vision stratégique, la Défense a débuté l'étude des différentes pistes quant au financement du projet d'infrastructure, en ce compris un partenariat public-privé pour la construction des dites infrastructures. Une étude de faisabilité a été effectuée à ce propos et une prospection militaire est actuellement en cours.

 

Een informatievraag werd gestuurd naar een niet-exhaustieve lijst van een 15-tal firma’s die mogelijk een oplossing kunnen bieden op het vlak van de infrastructuur en op het vlak van de technische ondersteuning van de vliegtuigen. Het gaat dus om een combinatie van beide. De antwoorden worden verwacht in de loop van het eerste trimester van 2017.

 

Les avancées relatives à la préparation de la livraison des A400M sur le sol belge sont nombreuses et suivent le calendrier prescrit. Pas mal de décisions relatives au support technico-logistique seront prises dès 2017, comme entre autres, l'équipement des supports au sol, le système de documentation, le support logistique international, la réservation des créneaux d'entraînement pour le personnel navigant et non navigant.

 

De commerciële vliegtuigen, ook de witte vloot genoemd, en het aangekondigde multiroletankervliegtuig worden als aparte dossiers beschouwd. Een totaaloplossing met één privépartner voor al deze verwervingen is niet aan de orde.

 

Zoals u weet voeren wij een haalbaarheidsanalyse uit met betrekking tot de witte vloot, met een andere soort partner dan voor het onderhoud van de operationele vliegtuigen. Voor het multiroletankervliegtuig waarvan sprake, is de instap in het Europeses project dienaangaande lopend. U zult begrijpen dat de schaalgrootte, of wij nu instappen voor één vliegtuig of voor een aantal uren van één vliegtuig, niet van die aard is dat wij zelf de volledige logistieke backbone zouden opzetten.

 

Zoals ik altijd gezegd heb, en zoals ook geschreven staat in de Strategische Visie, wordt het multiroletankervliegtuig vooral gezien in een Europese context, samen met andere, zoals onze witte vloot eigenlijk ook al ingeschreven is in het EATC.

 

Nu komt het grote nieuws.

 

De A400M en de commerciële vloot zullen in principe vanuit Melsbroek opereren.

 

04.10  Sébastian Pirlot (PS): Je voudrais simplement poser une petite question complémentaire. Est-ce que vous avez une idée du délai approximatif des premières livraisons d'A400M?

 

04.11  Steven Vandeput, ministre: Aujourd'hui, il y a quelques difficultés au niveau de la réception pour les dernières spécificités. Mais les choses suivent leur cours. Normalement, ce sera à partir de 2019.

 

04.12  Sébastian Pirlot (PS): Merci pour ce complément d'information.

 

04.13  Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw specifieke, concrete antwoorden op mijn vraag.

 

Dit dossier zal in de loop van 2017 zeker worden gevolgd om te weten hoe de concrete samenwerking dan zal verlopen. Ik ben alleszins tevreden hier te kunnen vernemen dat er ter zake het engagement is dat de A400M vanuit Melsbroek zal kunnen blijven vliegen. Dat is belangrijk voor de luchthaven in de ruime zin van het woord, als men ziet dat bijvoorbeeld ook het vrachtvervoer onder druk staat.

 

Wij hebben vandaag het nieuws gehoord dat in Zaventem een aantal vluchten zou verdwijnen. Het engagement dat vandaag wordt genomen is dus belangrijk voor de toekomst van de luchthaven en van Defensie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het contract tussen Lockheed Martin en de Zuid-Koreaanse luchtmacht" (nr. 15199)

05 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le contrat entre Lockheed Martin et la force aérienne de Corée du Sud" (n° 15199)

 

05.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, op 21 november 2016 publiceerde Lockheed Martin een bericht op zijn website waarbij het bedrijf aankondigde dat het een contract heeft afgesloten met Zuid-Korea om 134 F-16’s te upgraden. Volgens Lockheed Martin zijn de upgrades cruciaal voor de Zuid-Koreaanse defensie.

 

De voorbije jaren toonden niet enkel Zuid-Korea, maar ook Griekenland, Turkije, Egypte, Taiwan en Singapore interesse in een upgrade van hun F-16’s. Lockheed Martin verwacht dat er de komende jaren nog veel contracten zullen bijkomen.

 

Het contract met Zuid-Korea bepaalt dat de 134 gevechtsvliegtuigen voor 1,2 miljard dollar zullen worden geüpdatet. Per vliegtuig is de kostprijs dus bijna 9 miljoen dollar. 60 vliegtuigen updaten komt dan neer op een kostprijs van ongeveer 540 miljoen dollar. Het aantal vlieguren wordt verlengd tot 12 000 vlieguren, wat volgens de ramingen zeker goed is voor een extra gebruik van 20 jaar.

 

Ten eerste, bent u op de hoogte van het contract tussen Lockheed Martin en Zuid-Korea?

 

Ten tweede, bent u bereid om meer inlichtingen te vragen bij Lockheed Martin om te bekijken of dergelijke upgrade ook voor onze defensie mogelijk is?

 

05.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, ik dacht dat we die discussie nu wel zowat hadden gehad, maar goed, ik ga er nogmaals op in.

 

Het contract tussen de Zuid-Koreaanse luchtmacht en Lockheed Martin is mij bekend. Het gaat over een upgrade van vliegtuigen die 20 jaar jonger zijn dan die van ons en fundamenteel anders zijn. Het betreft updates die enige tijd geleden al op onze eigen Belgische F-16’s werden geïntegreerd, zodat de toestellen op het einde van het volgende decennium operationeel relevant zouden kunnen blijven. Wat dat betreft, mag u het Zuid-Koreaanse contract dus gerust als een inhaalbeweging beschouwen.

 

Wat het modificatieprogramma betreft, verwijs ik naar mijn antwoorden op mondelinge parlementaire vragen nr. 10975 van volksvertegenwoordiger Wouter Devriendt van 21 april 2016, nr. 11258 van volksvertegenwoordiger Georges Dallemagne van 2 mei 2016 en nr. 11938 van volksvertegenwoordiger Caroline Grosemans van 27 mei 2016.

 

05.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor het antwoord, maar rond een zaak gaat u met een grote bocht heen of probeert u te ontwijken.

 

U hebt in uw antwoord verwezen naar een aantal antwoorden en gezegd dat u op de hoogte bent van de recente gebeurtenissen, dat de betreffende vliegtuigen jonger zijn en dat er updates worden voorgesteld zoals onze vliegtuigen gekregen hebben. In dat bericht stond echter ook dat de levensduur van de vliegtuigen van 8 000 naar 12 000 vlieguren wordt uitgebreid. Dat antwoord heb ik niet gekregen.

 

05.04 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, lees de antwoorden die ik reeds gegeven heb! Het gaat over fundamenteel een ander soort vliegtuig. Onze F 16’s zijn van 1980 en zijn ondertussen 36 jaren oud. Die van hen zijn van de jaren 2000. Dat is een ander vliegtuig.

 

05.05  Alain Top (sp.a): Dan blijft u bij de stelling dat onze vliegtuigen niet kunnen geüpdatet worden tot 12 000 vlieguren.

 

05.06 Minister Steven Vandeput: Dat heb ik gezegd in mijn antwoord op vragen nr. 11938, nr. 11258 en nr. 10975. Ik heb geen reden om vandaag een ander antwoord te geven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de overstap van personeel naar private firma's" (nr. 15236)

06 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le départ de personnel vers les firmes privées" (n° 15236)

 

06.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, 20 van de 82 piloten op Melsbroek zouden reeds plannen hebben om de overstap naar de privé te maken. Dat zou een rechtstreeks gevolg zijn van de intenties van de regering om de pensioenleeftijd voor militairen mogelijks te verhogen tot 63 jaar. De voordelen voor militairen zijn hiermee weg, waardoor zij een overstap naar de private sector overwegen.

 

Een militair verdient niet spectaculair veel en moet in moeilijke omstandigheden werken. Bij private firma’s hoeft men, bijvoorbeeld als piloot, niet boven een oorlogsgebied te opereren en heeft men een vaster uurrooster.

 

Wel zou Defensie de mogelijkheid hebben om ontslagen te weigeren wanneer de operationaliteit in gevaar is.

 

Ik had graag een antwoord op de volgende vragen.

 

Is er nu reeds een duidelijke stijging zichtbaar van het personeel dat zijn ontslag geeft sinds de regeerverklaring in oktober?

 

Heel wat expertise, zoals de expertise van piloten en technici, dreigt Defensie te verlaten. Indien dat scenario zich zou voordoen, welke maatregelen zult u dan nemen?

 

Kunt u bevestigen dat Defensie ontslagen kan weigeren? Indien ja, wie of wat bepaalt wanneer de operationaliteit in gevaar komt?

 

Bent u van plan om gerichter te rekruteren? Hoe kunt u dat doen?

 

06.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, ik begrijp dat u uw vraag stelt naar aanleiding van mensen die plannen zouden hebben om Defensie te verlaten, omdat zij tot na hun 56 jaar zouden moeten werken en om dan zeker tot na hun 63 jaar te moeten werken. De logica zit daar helemaal goed.

 

In 2015 bedroeg het aantal uitwervingen op aanvraag, dus het ontslag op aanvraag, pensioen op aanvraag of verbreking op aanvraag, 147. Voor de periode van 1 januari 2016 tot 30 november 2016 bedroeg het aantal uitwervingen op aanvraag 177. Er is dus over het jaar beschouwd een stijging van het aantal uitwervingen op aanvraag, maar er kan absoluut niet worden gezegd dat die iets te maken heeft met de regeerverklaring van oktober, want er is geen substantiële stijging vast te stellen sinds midden oktober.

 

Het ontslag van de militair wordt geregeld in artikel 52 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht. Hierin wordt bepaald dat ontslagen kunnen worden geweigerd indien zij strijdig zijn met het dienstbelang.

 

Het zijn de overheden, bevoegd om dit ontslag goed te keuren of te weigeren, die oordelen over de eventuele strijdigheid met het dienstbelang. De wet voorziet er wel in dat het ontslag steeds strijdig is met het dienstbelang wanneer de betrokken militair minder dan drie jaar heeft gediend na zijn basisvorming, of een vorming die aanleiding geeft tot het presteren van een rendementsperiode. Wanneer de betrokken militair zijn rendementsperiode heeft gepresteerd, wordt het ontslag enkel uitzonderlijk geweigerd.

 

Bij de behandeling van de ontslagdossiers wordt er steeds gekeken of betrokkene zijn rendementsperiode heeft gepresteerd. Dat lijkt me nogal evident. Indien dit het geval is, wordt enkel overgegaan tot weigering indien het vertrek van de betrokkene de goede werking van Defensie in gevaar zou kunnen brengen.

 

De druk op het budget van Defensie, gecombineerd met de noden in de verschillende domeinen zoals investering, functionering en personeel, heeft er voor gezorgd dat men de laatste jaren voor de prioritaire functies werft en niet defensiebreed. Ten gevolge van de aankondiging van de pensioenmaatregelen moeten de verschillende elementen van de pensioenplannen van dichtbij worden opgevolgd. Ook evident. Er zijn inderdaad militairen die, zoals men zou kunnen zeggen, kiezen voor de vlucht vooruit, maar er zijn ook militairen die willen werken of langer willen werken.

 

Dit gezegd zijnde, ik krijg ook veel vragen van mensen die vandaag verplicht op pensioen gaan, maar die graag langer zouden willen blijven, om welke reden ook. Ik heb inderdaad via sociale media, e-mail en officiële wegen ook al van heel veel militairen de vraag gekregen langer te mogen werken en in dienst te blijven.

 

06.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, dank u voor de omstandige uitleg over de reglementering in geval van ontslag.

 

Ik wil op één punt repliceren. Het gaat niet louter en alleen om de stijging van de pensioenleeftijd in dit geval of de keuzes die militairen of anderen in dergelijke situaties maken. Een werknemer maakt zijn keuze niet alleen op basis van de effectieve pensioenleeftijd, maar wel op basis van de som van alles. Dat gaat over arbeidsomstandigheden, loon, sfeer en zekerheid van werkomstandigheden. Als men daaraan twijfelt, gaat men die keuzes maken. Dat gaat niet louter en alleen over pensioenleeftijd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Samengevoegde vragen van

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het voortbestaan van de eenheid 1 EMI in Lombardsijde" (nr. 15277)

- de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de sluiting van 1 EMI" (nr. 15412)

07 Questions jointes de

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le maintien de l'unité 1 EMI à Lombardsijde" (n° 15277)

- M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la fermeture du 1EMI" (n° 15412)

 

07.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik citeer een passage uit uw strategische visie op pagina 140: "Na deze strategische visie zal een implementatieplan voor de evolutie van de geografische inplanting van de kwartieren voor de duur van de strategische visie worden voorgelegd aan de Ministerraad. Het is belangrijk dat de vakbonden, de korpscommandanten, korpsadjudanten en korpskorporaals als vertegenwoordigers van de betrokken personeelsleden meedenken over de implementatie van deze aanpassingen."

 

Het personeel van het 1 Element voor Medische lnterventie in Lombardsijde werd erover geïnformeerd dat de eenheid mogelijks zal sluiten midden 2017. De personeelsleden dienen te muteren. Aangezien er gesproken wordt over een collectieve sluiting, dienen de vakorganisaties daarbij betrokken te worden, zoals voorzien in artikel 42 van de wet G1.

 

Mijnheer de minister, waarom zal die eenheid mogelijk sluiten in 2017?

 

Indien die beslissing genomen wordt, vraag ik mij af hoe de medische steun zal worden verzekerd voor de eenheden in die regio.

 

Waar zal het betrokken personeel in de toekomst tewerkgesteld worden en over welke timing spreken we dan effectief?

 

Tegen wanneer zal er een actieplan voor de mutaties van het personeel worden uitgewerkt?

 

Wat is de reden tot eventuele sluiting? Er zou een tekort zijn aan officieren in de vakrichtingen Medische Steun en Medische Technieken. Nochtans blijkt uit de tabel die ik heb opgevraagd met een parlementaire vraag dat er toen nog 52 officieren Medische Steun en 164 officieren Medische Technieken waren. Waar is dat personeel op dit ogenblik dan naartoe?

 

Wanneer zullen de vakorganisaties betrokken worden en waarom is dit nog niet eerder gebeurd?

 

07.02  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, de commandant van de medische component stelt aan de Chef Defensie voor om de 1 EMI te sluiten en het personeel te laten muteren vanaf midden 2017. Dat blijkt uit een interne nota van 28 oktober 2016, gericht aan human resources en ACOS Operaties en Training.

 

1 EMI bestaat uit ongeveer 230 personeelsleden, verspreid: in Lombardsijde werken er zowat 180 personeelsleden, in Zeebrugge een 40-tal en enkele in Koksijde en in Poelkapelle. Na de sluiting is de dichtstbijzijnde medische eenheid die van Peutie, op 130 kilometer afstand.

 

Ten eerste, de interne nota bestaat, is beschikbaar en raadpleegbaar. Kunt u het voorstel van de commandant van de medische component bevestigen? Is er al een antwoord op de brief van de generale staf of van u, de chef van Defensie?

 

Ten tweede, wat zal er gebeuren? Steunt u het voorstel van de commandant van de medische component om de medische eenheid daar te laten verdwijnen?

 

Ten derde, welke implicaties zou dit hebben voor de performantie van de medische component in het algemeen en meer specifiek van de SAR in Koksijde of de mariene component in Zeebrugge?

 

Ten vierde, waarom zou de medische eenheid daar moeten verdwijnen? Er worden een aantal argumenten opgesomd in de brief. De heer Top heeft er een aantal uiteengezet. Kunt u daarover meer toelichting geven?

 

Ten vijfde, dit voorstel werd bekendgemaakt zonder enig overleg met het personeel en zou de tweede grote herstructurering op zes jaar tijd betekenen. Hoe is dat mogelijk? Dit getuigt van weinig respect voor de militairen, want men is perfect op de hoogte van het bestaan van het voorstel en die nota. Dat zorgt voor veel ongerustheid.

 

Ten zesde, welke toekomst heeft defensie nog in West-Vlaanderen? Waarom kan niet van de mariene component worden vertrokken, die per definitie gelieerd is met West-Vlaanderen, langs de kust en in de provincie, om van daaruit een sterke unieke aanwezigheid van defensie op te bouwen?

 

Ten zevende, gaat u ermee akkoord dat een verankering en een goede spreiding van de eenheden, de basissen, de kazernes in België een factor van betekenis is om nieuwe mensen en jongeren aan te werven?

 

07.03 Minister Steven Vandeput: Geachte collega’s, met de interne nota, die wij inderdaad op de website van de heer De Vriendt hebben kunnen raadplegen, hebben wij gezien dat kennelijk de commandant van de medische component aan geadresseerden – daarbij stond niet de minister van Defensie, noch het kabinet van de minister van Defensie of een medewerker van de minister van Defensie – heeft gevraagd om een gezamenlijke oplossing voor een personeelsprobleem in 2017 te vinden.

 

Navraag leert mij dat het proces momenteel aan de gang is.

 

De Medische Component wil zich de komende jaren beter op zijn opdracht voorbereiden door nauwer samen te werken met de klanteenheden door middel van geïntegreerde trainingen binnen de gesteunde eenheden.

 

Anderzijds wil de Medische Component besparen op het vlak van ondersteunende taken door te centraliseren en uit te besteden waar mogelijk, een algemene beweging bij Defensie. Een centralisatie kan tot gevolg hebben dat het aantal staven en eenheden zal verminderen naar gelang van de inplanting van de klanteenheden.

 

De nota, waartoe u gemakkelijker toegang hebt dan ik, vermeldt ook duidelijk dat het personeelsprobleem een officierenprobleem is. Het kan u verbazen, maar ik benoem niet elke officier. In het verleden gebeurde dat misschien. Ik ken ministers waar dat op bierviltjes gebeurde na het weekend, maar bij mij is dat niet het geval.

 

Op korte termijn is er een tekort aan officieren in de Medische Component. Er werd de voorbije jaren bijkomend gerekruteerd, maar de gevolgen zullen pas zichtbaar zijn in de eenheden vanaf 2030 door de opleiding van officieren.

 

Het kritieke tekort aan officieren in de vakrichting medische technieken wordt vandaag gedeeltelijk opgevangen door gecontracteerde burgerdokters. Een aantal van de officieren met een medische vakrichting, dus de medische steun of de medische technieken, is eveneens noodzakelijk in de joint structure van Defensie. Zij bevinden zich dus buiten de Medische Component, waardoor niet kan worden voldaan aan de volledige behoefte van de Medische Component zelf.

 

Mijnheer Top, een aantal van de officieren, waarover u het had, zijn dus ook in andere componenten en staven tewerkgesteld.

 

Midden 2017 zal de situatie het schrijnendst zijn voor de officieren van de vakrichting medische steun in 1 EMI. 1 EMI zal bijgevolg mogelijk worden gereorganiseerd in 2017. Van een collectieve sluiting is evenwel geen sprake.

 

De actie aangezet door de medical component commander, heeft op geen enkele manier te maken met het voorstel met betrekking tot de toekomstige inplanting van Defensie, dat vandaag ter discussie ligt bij de regering.

 

De reorganisatie wordt momenteel onderzocht in de Medische Component.

 

Er zal op geen enkel moment geraakt worden aan de performantie van de Medische Component an sich, aangezien de medische steun aan de kerntaken van Defensie absolute prioriteit heeft, ongeacht de component of capaciteit die gesteund wordt. 1 EMI levert vandaag territoriale medische steun ten voordele van de eenheden in de provincies Oost- en West-Vlaanderen en operationele medische steun voornamelijk ten voordele van de marine.

 

De mogelijke reorganisatie van 1 EMI in 2017 zal geen invloed hebben op die twee types van medische steun. Een deel van het bestaande personeel zal dus ter plaatse blijven om de steun te blijven leveren, altijd. Ongeacht de beslissing die genomen wordt, zal er volk ter plaatse moeten zijn om ook effectief medische steun te leveren. Dat lijkt mij evident.

 

De Medische Component verkiest een oplossing waarbij de grote meerderheid van het huidige personeel van 1 EMI in 2017 ter plaatse kan blijven. Het actieplan met betrekking tot de mogelijke overplaatsing van het personeel van de Medische Component zal kaderen binnen het globaal actieplan van Defensie. Zoals aangegeven, mijnheer De Vriendt, zal in de strategische visie – en onze discussie van daarstraks over de nieuwe vaartuigen maakte dat ook duidelijk – de Belgische Defensie blijven inzetten op een maritieme capaciteit, uiteraard. Ik bevestig dat opnieuw. Dat zal opnieuw in West-Vlaanderen zijn. Ook de ondersteunende diensten zoals de medische steun zullen in de nabijheid van die capaciteit gelokaliseerd blijven.

 

De interne nota van 28 oktober 2016 was een aanzet om de mogelijke denksporen te bekijken naar aanleiding van het personeelsprobleem, zo is mij aangegeven door de redacteurs van dat document. Zodra de verschillende opties duidelijk zijn, kan er met de vakorganisaties en het betrokken personeel gecommuniceerd worden. Er zullen evenwel geen onnodige herstructureringen of mutaties voorgeschreven worden.

 

Mijnheer De Vriendt, laat ik heel duidelijk zijn. Er is een nota, waarop nog geen actie gevolgd is. Laat ik het vergelijken met een situatie waarbij personen die bezig zijn met het management van een zaak, een bedrijfje, voorstellen doen aan de hogere echelons. Het betreft nog geen dossier. Trouwens, een en ander passeert uiteindelijk via mij. Op dat ogenblik kan ik nog altijd een opportuniteitanalyse doen.

 

Het is enigszins vervelend als dat soort van interne beleidsdocumenten of beleidsvoorstellen op die manier naar buiten komen. In het kader van de beslissing inzake de geografische inplanting, die de regering moet nemen, heb ik gevraagd om de bewegingen tot een minimum te beperken. Dit lijkt mij een gerede vraag van mij als minister. Wij moeten de mensen laten waar ze zijn tot de beslissing over de definitieve situatie.

 

Tot slot wil ik te persoonlijken titel nog aangeven dat ik op uw laatste vraag positief kan antwoorden. Ik ben ervan overtuigd, zoals ik al eerder zei, dat een goede geografische spreiding van de Belgische defensie belangrijk is voor het welbevinden van de militairen en de rekrutering. Dat element heb ik zeker in aanmerking genomen bij de voorbereiding van mijn voorstel.

 

07.04  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik ben blij u te horen bevestigen dat u achter de geografische spreiding staat van onze verschillende diensten en kazernes over het grondgebied. Dat is een van de punten waarop uw visie gebaseerd zal zijn.

 

U begrijpt dat er ongerustheid ontstond, toen de nota bekend werd.

 

07.05 Minister Steven Vandeput: De vraag is of interne nota’s op die manier moeten worden verspreid.

 

07.06  Alain Top (sp.a): Als die nota op een onoordeelkundige manier wordt verspreid, zonder de nodige toelichting, dan kan er inderdaad ongerustheid ontstaan. Ik zou dan ook willen pleiten voor de nodige aandacht en sereniteit bij degenen die dergelijke maatregelen voorbereiden. Bovendien zou men daar ook rekening mee moeten proberen te houden. Gevoelige informatie vindt nu eenmaal soms haar weg naar buiten en kan voor ongerustheid bij het personeel zorgen.

 

Ten slotte, ik wil nadrukkelijk uw blijvende inzet vragen voor de aanwervingsproblematiek in specifieke functies, waar er kritieke tekorten ontstaan. Er moeten inspanningen worden geleverd om de lege plaatsen of tekorten in te vullen en het nodige personeel aan te werven. Het mag niet zo ver komen dat bepaalde diensten uitgerookt worden, waardoor men uiteindelijk besluit dat een dienst gesloten moet worden door een tekort aan personeel.

 

Dat is de vraag van de kip en het ei. Als er voldoende militairen worden aangeworven en als men voldoende inspanningen levert opdat er personeel aanwezig is, dan zullen er geen tekorten zijn.

 

07.07 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, ten eerste, u neemt voor waar aan dat dergelijke nota's worden verspreid, maar ik accepteer dat niet. Ik vind het niet normaal dat voorstellen voor beslissingen, dus geen beslissingen, openbaar gemaakt worden. Op die manier valt elke studie weg. Men moet een aantal zaken kunnen overwegen, soms ook het ergste. Dat is nu eenmaal zo. Ik wil een dergelijke situatie niet aanvaarden. Ik ben not amused.

 

Ten tweede, wat de aanwervingen betreft, ik heb u gezegd dat er een inhaalbeweging aan de gang is. Wij hebben het specifiek over officieren. Zij hebben nu eenmaal een opleidingstermijn. Er is een lacune, waarvoor een aantal jaren geleden in een oplossing voorzien had moeten worden. Dat is niet gebeurd. Wij kunnen nu wel ageren, maar men kan nieuwe officieren, specifiek in medische ondersteuning, niet uit de boom halen. Het zijn geen medici. Medici kan men erbij halen, maar het zijn specifieke officieren in de ondersteuning. Wij maken een inhaalbeweging, maar men kan niet sneller dan snel gaan.

 

07.08  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik ben toch al voor een stuk gerustgesteld door uw antwoord. U zegt dat het normaal is dat er voorstellen worden gedaan. Dat is juist, maar hier ging het om de commandant van de Medische Component die één voorstel had, met name de sluiting van deze medische eenheid. Het is dus niet zo dat de commandant van de Medische Component een aantal pistes op een rijtje zette met de pro’s en de contra’s. Dit was het voorstel aan de generale staf, wat toch zwaarwichtig is.

 

Ik benadruk dat er bovendien iets is fout gelopen met de interne communicatie en de mate waarin de nota beschikbaar was voor derden, want verschillende militairen waren op de hoogte van het bestaan van de nota. Zij was voor een stuk vrij raadpleegbaar bij Defensie.

 

07.09 Minister Steven Vandeput: Ik zal niemand verwijten, ook u niet, de elementen te gebruiken die men krijgt. Mijn probleem ligt dus niet bij u.

 

07.10  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik ben blij om dat eens te horen.

 

Het is uiteraard niet meer dan logisch dat militairen ongerust worden als zij deze nota zien, maar ik ben blij dat het voorstel voor de sluiting van de medische eenheid in Lombardsijde niet wordt gevolgd. U gaat naar een mogelijke reorganisatie in 2017. Dat is al iets anders dan een sluiting. Wij zullen dat uiteraard waakzaam blijven volgen, maar het is al deels geruststellend. U zei ook dat het grootste deel van het personeel daar zal kunnen blijven.

 

Naar verluidt zouden er al mutaties worden voorbereid vanuit de eenheid in Lombardsijde. Misschien klopt die informatie niet, maar zou u dat kunnen laten onderzoeken, zodanig dat men daar niet te voortvarend te werk gaat.

 

Tot slot, de aanwezigheid van Defensie in West-Vlaanderen is belangrijk. Het is een provincie die al heeft geleden onder vorige herstructureringen. Wij moeten zien dat alles fair verdeeld blijft. Zeker de aanwezigheid van de SAR, de Marinecomponent, is een unieke zaak voor Defensie. Iedereen is het daarover eens. Dat is eigenlijk per definitie gelieerd aan West-Vlaanderen.

 

07.11 Minister Steven Vandeput: We zullen echt geen nieuwe marinehaven bouwen in Gent of Luik; wat dat betreft, kan ik u geruststellen. Search and rescue zal altijd boven de zee uitrukken, vermoed ik, dus dat valt ook nog mee.

 

U hebt het erover dat mutaties voorbereid moeten worden. Ik heb gisteren een briefing gehad onder andere met betrekking tot mutaties het voorbije jaar. Ik licht dat even toe. Ondanks het feit dat we gezegd hadden dat het een luw jaar zou zijn inzake mutaties, zijn er toch 3 000 mutaties gebeurd. Nu kunnen mutaties ook inhouden dat men binnen een kwartier van de ene eenheid naar een andere gaat. U mag niet vergeten dat automatische mutaties inherent zijn aan de personeelsdynamiek bij Defensie, bijvoorbeeld omdat er bepaalde cursussen worden gevolgd. Een en ander maakt deel uit van het traject. Ik zal het laten nakijken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 15278 de Mme Renate Hufkens est reportée. Je ne vois pas Mme Jadin dans la salle. Nous allons l'attendre.

 

08 Question de M. Sébastian Pirlot au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la station polaire Princesse Elisabeth" (n° 15347)

08 Vraag van de heer Sébastian Pirlot aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het poolstation Prinses Elisabeth" (nr. 15347)

 

08.01  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 16 novembre dernier, je vous interrogeais quant à la mission scientifique de notre pays en Antarctique et à laquelle la Défense était censée participer. À cette occasion, vous me répondiez que "les coûts liés à cet appui sont entièrement supportés par la Politique scientifique et qu'il en sera ainsi pour les coûts déjà générés par la campagne en 2016-2017, qu'elle ait lieu ou pas." Vous m'invitiez à vous réinterroger un mois plus tard afin de connaître les montants exacts évoqués.

 

Comme je suis quelqu'un de très attentif aux promesses faites, je me permets dès lors de revenir vers vous afin que vous m'informiez de la manière la plus précise possible à ce sujet. Quel est le coût de cette mission avortée pour la Défense et dont la facture sera payée par la Politique scientifique?

 

08.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur le président, monsieur Pirlot, à la date du 9 décembre 2016, le coût de la mission à laquelle vous faites référence s'élève à 133 268 euros venant de la provision réservée par la Politique scientifique.

 

08.03  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse limpide.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de gasgranaten in zee" (nr. 15375)

09 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les grenades à gaz en mer" (n° 15375)

 

09.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in 1971 ontdekten duikers geheel toevallig het gasgranatenstort op de zandbank Paardenmarkt. Die zandbank ligt voor het strand van Knokke-Heist in het zicht van de Zeebrugse havenpier. Er ligt een zeer grote hoeveelheid springstoffen opgestapeld, deels op en deels onder de zeebodem. De granaten dateren van de Eerste Wereldoorlog en het gaat vermoedelijk om 35 000 ton granaten, waarvan geraamd wordt dat één op drie gasmunitie zou bevatten.

 

Na de ontdekking in 1972 gebeurde er relatief weinig met die kennis. In 1988 kwam het probleem terug op de agenda en werd er budget vrijgemaakt voor een voorbereidend onderzoek met de uiteindelijke bedoeling om dat verboden vis- en ankergebied te zuiveren. Al snel bleek dat het verwijderen van de granaten een gevaarlijke en tijdrovende operatie zou zijn. Heel wat granaten zitten verborgen onder een sliblaag. De operatie zou zeer veel geld en werkdagen kosten. De toenmalige regering schrok terug voor die gevaren en kosten, met als gevolg dat de munitie er vandaag nog steeds onaangeroerd ligt.

 

De voorbije dertig jaar koos België voor een don’t touch-aanpak in dit dossier. Op termijn zal er toch een duurzame oplossing noodzakelijk zijn. De risico's blijven altijd bestaan en bovendien ligt de zandbank nabij een erg drukke scheepsroute, vlakbij de haven van Zeebrugge.

 

Ik pleit zelf niet voor een berging van de munitie. De risico's voor de bevolking en het milieu zijn immers zeer groot. Wel zijn er verschillende alternatieve pistes, bijvoorbeeld de zandbank omgeven met dijken.

 

Er zou een wetenschappelijk verantwoord bewakingsmechanisme zijn opgezet door het ministerie van Landsverdediging, dat bestaat uit een tienjaarlijkse plaatsbepaling van de munitiestortplaats en een jaarlijkse monstername. Duikers-ontmijners van de DOVO gaan naar secuur bepaalde plekken op de zeebodem en brengen bodemstalen naar boven. Op die manier probeert men lekkages van gifgassen te controleren.

 

Mijnheer de minister, voert de DOVO nog steeds een jaarlijkse controle uit? De recentste stand van zaken uit parlementaire vragen spreekt over februari 2015. Van wanneer dateren de jongste controle en staalname? Wat is het resultaat daarvan?

 

Wanneer was de jongste plaatsbepaling?

 

Blijft de toestand van de oorlogsmunitie stabiel?

 

Ten slotte, indien de monitoring nog steeds nauwgezet wordt opgevolgd, worden alternatieve langetermijnoplossingen gezocht, nog steeds onderzocht of besproken?

 

09.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Top, de monitoring van de zandbank Paardenmarkt behoort tot de bevoegdheden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.

 

Het is dan ook op vraag van Volksgezondheid dat de DOVO duikt om de stalen op te halen. Die stalen worden vervolgens verzameld, gecontroleerd en in onze Defensielaboratoria geanalyseerd.

 

De meest recente staalname heeft een lange baard. Zij dateert immers van vorige week, namelijk van 6 december 2016. De analyses zijn net gestart en zullen meerdere maanden in beslag nemen.

 

De plaatsbepaling van de controles evenals de frequentie ervan, de interpretatie van het analyseverslag en de ontwikkeling van eventuele langetermijnoplossingen gebeuren onder de bevoegdheid van Volksgezondheid.

 

09.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord, dat voor mij voorlopig voldoende is.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de M. Sébastian Pirlot au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'impact pour la Défense de la mission princière au Texas" (n° 15410)

10 Vraag van de heer Sébastian Pirlot aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de impact voor Defensie van de prinselijke missie naar Texas" (nr. 15410)

 

10.01  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, comme vous le savez, du 3 au 11 décembre 2016 a eu lieu une mission économique et princière à destination du Texas.

 

Parmi les nombreuses possibilités de retombées générées par cette visite, la presse évoquait dernièrement les possibilités de nouveaux partenariats muséaux entre Bastogne et l'État du Texas, au regard bien évidemment de l'attrait que représente le tourisme de Mémoire aux yeux des Américains, et plus spécifiquement des Texans, dont un grand nombre ont combattu et sont morts dans nos Ardennes.

 

Dans cette optique, pouvez-vous nous dresser un bilan des impacts éventuels de cette mission pour la Défense nationale, avec un focus particulier sur cet aspect partenarial au niveau de la Mémoire?

 

10.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Pirlot, le 7 décembre 2016, la délégation de la mission économique au Texas a visité un preview d'une exposition appelée Texas Aggies Go to War. Cette exposition, qui a été organisée par le Bastogne War Museum en 2014 à Bastogne en l'honneur des militaires venant du Texas qui ont participé à la Battle of the Bulge, est transférée vers l'université Texas A&M de manière permanente. Ce sont des choses que j'ai reprises dans les journaux, car il s'agit d'une initiative du Bastogne War Museum. Or celui-ci ne fait pas partie du patrimoine militaire géré par la Défense. Comme ce sujet n'entre pas dans mes attributions, je vous renvoie vers le gouvernement wallon, la ville de Bastogne et l'État du Texas.

 

10.03  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, contrairement à ce qui était annoncé de manière un peu étrange par la presse, rien de concret n'est donc revenu vers le secteur de la Défense par rapport à cette visite. C'était le sens de ma question.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de M. Sébastian Pirlot au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le projet de loi modifiant la loi organique des services de renseignement et de sécurité du 30 novembre 1998 et particulièrement son article 21/1" (n° 15451)

11 Vraag van de heer Sébastian Pirlot aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het wetsontwerp tot wijziging van de wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van 30 november 1998 en inzonderheid artikel 21/1" (nr. 15451)

 

11.01  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, le projet de loi modifiant la loi organique des services de renseignement et de sécurité du 30 novembre 1998, actuellement en cours de discussion en commission de la Justice, pose plusieurs questions.

 

D’abord, il fait l’objet de vives critiques par les archivistes du Royaume en ce qu’il permet de déroger à la loi du 24 juin 1955 sur les archives. Celle-ci permet aux services de renseignement d’organiser leurs propres services d’archives historiques. En plus de permettre aux services de renseignements de s’autoréguler, le texte leur permet également de détruire des documents classifiés après une demande de restitution.

 

Ainsi, comme le souligne à juste titre l’association des archivistes francophones de Belgique, ce système bafoue les principes élémentaires de la démocratie et de la séparation des pouvoirs, dès lors qu’il crée un système dans lequel les services de renseignements et de sécurité gèrent les archives de la création à la destruction et deviennent ainsi incontrôlables.

 

Monsieur le ministre, permettez-moi donc de vous poser les questions suivantes. Partagez-vous les inquiétudes des archivistes selon lesquels un tel système pose véritablement problème au regard des principes démocratiques de notre État de droit? Le cas échéant, pensez-vous qu’il faille procéder à une modification par voie d’amendement, afin de supprimer l’article 21/1 du projet de loi?

 

Ensuite, ce projet de loi touche également aux compétences du SGRS. Le renforcement de nos services de renseignements doit être l’avenir et ces derniers doivent recevoir les structures et moyens adaptés à cette fin, mais cela doit se faire dans une réflexion globale sur la communauté belge du renseignement.

 

Monsieur le ministre, ne craignez-vous pas que ce nouveau projet instaure une zone grise entre les renseignements militaires et civils? Le SGRS disposera-t-il des moyens humains et budgétaires nécessaires aux nouvelles compétences et possibilités que lui donne ce projet ?

 

Comment pourrait-on mieux intégrer ISTAR, souvent accusé de faire cavalier seul et ce, sans contrôle démocratique, dans cette réflexion?

 

Le président: Merci, monsieur Pirlot. Pour information, un excellent amendement existe déjà à ce sujet!

 

11.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Pirlot, nous aurons beaucoup de temps pour discuter en commission.

 

En ce qui concernant l'article 21/1, je ne partage pas votre inquiétude.

 

Les services de renseignement ne créeront pas un service d'archives indépendant. Le § 2 de l'article 21/1 proposé prévoit clairement que "la conservation des archives des services de renseignement et de sécurité est sous la surveillance de l'archiviste général du Royaume (AGR) ou de ses délégués."

 

Le contrôle par l'archiviste général du Royaume est donc maintenu, même s'il n'y a plus d'obligation de lui transmettre ces archives.

 

Par ailleurs, le projet de loi prévoit que le public pourra consulter les archives dans les mêmes conditions qu'aux Archives de l'État.

 

Le projet de loi prévoit la restitution des documents aux services de renseignement, ce qui réduit le risque d'avoir des pièces classifiées se retrouvant dans d'autres archives. Il est également prévu que les services de renseignement et de sécurité pourront demander aux destinataires de détruire les documents dans certaines circonstances, plutôt que de les restituer, toujours après autorisation de l'AGR.

 

L'article 21/1 proposé contient suffisamment de mécanismes de contrôle qui garantissent le respect des principes démocratiques sans devoir être modifié.

 

En ce qui concerne la possible zone grise, le SGRS accomplit ses tâches en fonction des moyens qui sont mis à sa disposition et des priorités déterminées par le ministre de la Défense. L'accord de gouvernement prévoit qu'une étude sera effectuée sur le rôle, les compétences, l'organisation et les capacités du service de renseignement.

 

Quant à la question relative aux moyens nécessaires, la vision stratégique prévoit une évolution du SGRS vers un service militaire de renseignement moderne, en ce compris le personnel et les investissements nécessaires à l'accomplissement de ses tâches. La nouvelle organisation et la structure, y compris l'éventuelle intégration des unités, feront partie d'une autre étude au sujet de la réforme de l'état-major.

 

11.03  Sébastian Pirlot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il ne s'agissait pas de mes inquiétudes personnelles mais de celles des archivistes du Royaume. Vous m'avez fait une belle réponse de Normand parce que vous m'avez dit que "cela ne remettait rien en cause mais qu'il n'y avait plus d'obligation de transmission". Mais, de facto, aucun contrôle nécessaire n'aura lieu.

 

11.04  Steven Vandeput, ministre: Ce sera après autorisation de l'AGR!

 

11.05  Sébastian Pirlot (PS): Vous me permettrez d'être dubitatif par rapport à cet article 21/1. On ne peut pas être d'accord sur tout, monsieur le ministre!

 

Le président: Rendez-vous en commission de la Justice prochainement!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la privatisation de la Défense" (n° 15474)

- M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la privatisation de certaines tâches à la Défense" (n° 15478)

12 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de privatisering van Defensie" (nr. 15474)

- de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de privatisering van bepaalde taken bij Defensie" (nr. 15478)

 

Nous n'avons pas pu joindre Mme Jadin. Je donne donc la parole à M. De Vriendt.

 

12.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, vorige zaterdag stond in de pers dat er plannen zijn om het equivalent van ongeveer 5 000 jobs bij Defensie te privatiseren, onder meer betreffende horeca-activiteiten en informatica maar ook betreffende bewaking en technische steun. De militaire vakbonden maken zich hier zorgen over, zeker in combinatie met de beslissing om de pensioenleeftijd op te trekken.

 

Ten eerste, kunt u de cijfers in de pers bevestigen? Over welke termijnen spreken wij dan?

 

Ten tweede, welke taken en sectoren komen in aanmerking om uitbesteed te worden?

 

Ten derde, een fundamenteel punt. Toen ik dit las stelde ik mij de vraag hoe men dit kan rijmen met de doelstelling om — gezien uw voornemen om de pensioenleeftijd voor militairen op te trekken —militairen langer aan de slag te houden. De taken die misschien geprivatiseerd zullen worden zijn immers net diegene die in aanmerking komen om te worden uitgeoefend door oudere militairen.

 

Ten vierde, quid met het financiële plaatje? Is er een raming van de financiële impact van het uitbesteden van ongeveer 5 000 jobs? Is het wel zeker dat dit een besparing oplevert? Kunt u dat toelichten?

 

Le président: Je précise que la question n° 15474 de Mme Kattrin Jadin est sans objet, puisqu’elle est absente.

 

12.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, mijnheer De Vriendt, de vraag verbaast mij enigszins omdat ik ervan overtuigd was dat u als lid van deze commissie kennis had genomen van mijn strategische visie. Het grote nieuws van zaterdag was dus helemaal geen nieuws, maar ik feliciteer in elk geval de heer Pirlot met het behalen van de voorpagina.

 

De regering heeft beslist dat de Belgische Defensie tegen 2030 nog 25 000 functies zal tellen. Vandaag zijn er dat ongeveer 32 000. Vorige week hebben wij in deze commissie het contingent behandeld zonder burgers, dat is al minder. Zoals beschreven in de strategische visie die op 29 juni aan de Ministerraad werd voorgelegd, zal dit personeel in de eerste plaats worden ingezet op militair-specifieke functies voor operationele inzet. Bijstand van civiele dienstverlening voor ondersteunende taken en diensten zal dus nodig zijn.

 

Deze aanpak van outsourcing is niet nieuw voor Defensie maar wordt al toegepast op een aantal domeinen van Defensie, zoals bijvoorbeeld onderhoud, installatiewerken, kuisen, onderhoud van groen, commercieel transport, ontwikkeling van ICT, informaticamaterieel, eerstelijnsonderhoudstaken en onderhoud van schepen, vliegtuigen en commerciële voertuigen.

 

La Défense entend poursuivre cette politique de manière plus structurelle. Dans un souci d’efficience, elle évaluera pour chaque service "matériel et infrastructure", actuel ou futur, l’opportunité d’établir une coopération avec un partenaire civil ou public ou de recourir à l’outsourcing.

 

Wat wil dat zeggen? Wij hebben het over niet-militairspecifieke taken, zoals omschreven in de strategische visie. Wij moeten geval per geval bekijken op welke manier wij dat het efficiëntst kunnen doen en de meeste waar voor ons geld krijgen. Daar komt het op neer. In de strategische visie werd daarvoor gradueel een budget opgebouwd, in lijn met de daling van het personeelsbestand, om in regime te zijn tegen 2030.

 

Het gaat dus niet over het vervangen van 5 000 jobs. Ik zeg ook niet dat de private sector 5 000 jobs zal overnemen. Ik zeg alleen dat wij ervan uitgaan dat wij naar een leger gaan dat van 32 000 naar 25 000 evolueert, in de periode tot 2030.

 

Wij houden wel het ambitieniveau dat wij reeds hadden. Om dat verschil op te vangen zullen wij dan ook, als dat nodig is, een beroep doen op externe partners. Wij zullen het geval per geval bekijken. Ik heb het duidelijk over taken, niet over mensen. Dat is een heel belangrijk verschil.

 

Waarover gaat het? Wat heeft er blijkbaar de krant gehaald? Het zou erg zijn dat ik een plan zou maken zonder de implementatie en de uitvoering ervan te starten. Wij gaan daarbij niet over één nacht ijs. Wij hebben dus, samen met de staf, een aantal specifieke proefprojecten gedefinieerd. Die gaan wij nu aanbesteden, om daaruit, hopelijk tegen midden 2018, voldoende lering te hebben getrokken om te kunnen zeggen of wij daarmee al dan niet op die manier doorgaan. De syndicale organisaties waren daarvan op de hoogte en werden al op de hoogte gebracht van de initiatieven en proefprojecten die volgend jaar zullen worden opgestart.

 

Wat betreft uw bedenkingen over de mensen die langer bij Defensie zullen blijven dan vroeger misschien werd gedacht of voorzien, vestig ik er uw aandacht op dat die niet allemaal zomaar vanzelfsprekendheden zijn. Voor de functies en de outsourcing van de functies die wij voor ogen hebben, is het niet evident dat wij oudere militairen zouden inzetten.

 

Ik heb in de sociale media in zware bewoordingen serieuze commentaar gekregen op een vraag van de staf zelf om te bekijken hoe wij de bewaking van kwartieren in outsourcing kunnen laten uitvoeren. Ik zie dat niet zomaar overgenomen worden door mensen die langer zullen blijven. Ik zie dat niet zomaar gebeuren.

 

Als minister van Landsverdediging vind ik de wachtfunctie een essentieel onderdeel van Defensie. Dat is mijn overtuiging. Ik zie dat de wachtfunctie vandaag voor de operationele bataljons zwaar weegt, gelet op de statuten en principes bij Defensie met betrekking tot de inzet van het aantal mensen, recuperatie en dies meer. Het zijn die mensen die afgestaan worden voor de wacht, die door de recuperaties van avonddiensten, weekenddiensten enzovoort, niet ter beschikking staan van de normale werking van het bataljon, wat zwaar weegt.

 

Specifiek met betrekking tot het aspect bewaking is dit een project dat al 15 jaar geleden werd bestudeerd. Om allerhande redenen werd daarvan toen afgezien.

 

Wij gaan van 32 naar 25. Wij willen focussen op 24 000 militairen die daadwerkelijk inzetbaar zijn. Laten wij dus geval per geval bekijken hoe wij dat het beste doen, ofwel zelf ofwel met een partner.

 

12.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, vooral de plannen om de pensioenleeftijd voor militairen te verhogen interesseert mij en dat punt is hier relevant. U weet dat wij daar tegen zijn. Volgens mij heeft een militair een zwaar beroep, dat niet zomaar kan worden gelijkgeschakeld met een loopbaan of een beroep in een andere sector.

 

Bovendien werd volgens ons het paard voor de kar gespannen door eerst de pensioenleeftijd te verhogen en dan pas erover na te denken of bepaalde functies in het leger al dan niet een zwaar beroep zijn. Men heeft dat helemaal verkeerd aangepakt.

 

De verhoging van de pensioenleeftijd is een nieuw element in heel het debat over outsourcing. Een aantal taken die blijkbaar worden geoutsourcet, komen net meer dan andere in aanmerking om te worden uitgeoefend door oudere militairen. Ik ben het met u eens dat de bewaking van de kwartieren iets is dat door militairen moet kunnen worden uitgeoefend. Als u zegt dat dit een grote belasting is voor de operationele bataljons, dan moeten wij de operationele bataljons in het leger natuurlijk uitbreiden. Ik meen dat het ook uw ambitie is om het leger meer operationeel te maken en verder dan die kernopdrachten te gaan. Dan moeten wij die bataljons uitbreiden, zodat op zijn minst de bewaking van de kwartieren door militairen zelf verzorgd blijft.

 

12.04 Minister Steven Vandeput: Ik wil hier nog iets aan toevoegen. Ik wil niet de discussie voeren over de pensioenen, want u hebt daarover geen vraag ingediend. Die vraag is ertussen geglipt.

 

Het is wel een feit dat outsourcing kansen biedt op outplacement en dat wij in het kader van onze overgang naar BDL, waarbij mensen Defensie veel vlugger zullen verlaten, ook zullen moeten zoeken om daar op lange termijn outplacementstrajecten te kunnen opstarten.

 

U kunt dat van een kant bekijken. Ik begrijp heel goed dat wij meerderheid en oppositie zijn, maar ik wil graag wat meer rijd besteden om van gedachten te wisselen over het HR-aspect. U kunt dat voorstellen als allemaal losstaand, maar dat is niet het geval. Het verhaal hangt wel op de een of andere manier samen.

 

Vanaf 2019 zullen de eerste BDL'ers Defensie verlaten. Ik wil er tegen dan staan met een systeem waar wij die mensen, naast het veiligheidskorps van minister Jambon, ook andere mogelijkheden kunnen bieden om door te vloeien naar een nieuwe functie buiten Defensie.

 

12.05  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): De vraag is dan waarom u dat nog zou moeten doen. Als bij Defensie een aantal taken kan worden uitgeoefend door oudere militairen, waarom dan outsourcen?

 

Oudere militairen zullen dan inderdaad gemakkelijker aan de slag kunnen, maar hou ze gewoon bij Defensie; hou die taken bij Defensie. In het kader van uw gemengde loopbaan zult u inderdaad oudere militairen verliezen bij Defensie doordat zij naar andere sectoren zullen doorstromen, maar als het gaat over taken bij Defensie die door oudere militairen kunnen worden uitgeoefend, hou ze dan bij Defensie.

 

12.06 Minister Steven Vandeput: Wij zullen case by case evalueren.

 

12.07  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Het laatste woord is natuurlijk nog niet gezegd.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de M. Benoit Hellings au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la participation de la Défense à la probable future enquête de la Cour pénale internationale sur les crimes commis en Afghanistan depuis 2003" (n° 14988)

13 Vraag van de heer Benoit Hellings aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de deelname van Defensie aan het onderzoek dat het Internationaal Strafhof waarschijnlijk zal instellen naar de sinds 2003 in Afghanistan gepleegde misdaden" (nr. 14988)

 

13.01  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, Fatou Bensouda, la procureure de la Cour pénale internationale (CPI), a affirmé, le 14 novembre dernier, "avoir une base raisonnable permettant de croire" que les forces armées américaines, la CIA, les talibans et leurs alliés ainsi que les forces gouvernementales afghanes auraient commis des crimes de guerre.

 

Cette déclaration intervient après un long examen préliminaire sur les atrocités commises en Afghanistan durant la guerre qui y sévit depuis 2003. Dans son rapport préalable, nécessaire à l'ouverture d'une enquête, la procureure affirme que des membres des forces armées américaines auraient infligé "à au moins 61 détenus des actes de torture, traitements cruels, des atteintes à la dignité de la personne sur le territoire afghan".

 

Elle ajoute qu' "au moins 27 détenus" auraient subi les mêmes traitements, infligés par des représentants de la CIA en Afghanistan mais aussi dans d'autres pays parties au Statut de Rome, comme la Pologne, la Roumanie et la Lituanie. Les talibans seraient quant à eux responsables de la mort de plus de 17 000 civils et auraient commis des crimes contre l'humanité et des crimes de guerre. Le rapport mentionne des attaques contre des endroits protégés, notamment des écoles, des bureaux des autorités civiles, des hôpitaux, des lieux saints et des mosquées.

 

Monsieur le ministre, j'ai deux questions. Premièrement, la Défense est présente depuis 2003 en Afghanistan, au travers de sa participation à diverses missions de l'OTAN. De nombreux militaires belges non seulement ont fréquenté de très près le terrain et les conflits afghans, mais en connaissent surtout les protagonistes. La Défense, par les témoignages de ses membres, mettra-t-elle tout en œuvre pour aider la CPI dans son long et difficile travail d'enquête sur les conséquences de cette guerre? Si oui, sous quelle forme?

 

Deuxièmement, selon un rapport de l'Open Society Justice Initiative, publié le 4 février 2013, 54 pays (dont la Belgique) ont aidé la CIA dans son programme de détention secrète et d'interrogatoires de suspects de terrorisme après les attentats du 11 septembre. La Belgique aurait ainsi ouvert son espace aérien pour des vols secrets. Entre fin 2001 et fin 2005, les appareils de la CIA nommés N829MG et N1HC auraient fait quatre arrêts dans des aéroports belges.

 

En 2006, une commission spéciale du Sénat avait conclu qu'elle ne peut pas exclure non plus "que des vols aient eu lieu sur le territoire belge". N'est-il pas temps pour la Défense en général, au SGRS et à la Composante Air (en charge du Air Traffic Control Center de Semmerzake) en particulier, de fournir à la Cour pénale internationale toutes les informations en leur possession pour enfin éclairer d'un jour nouveau ces affaires pénibles?

 

Je vous remercie pour vos réponses.

 

13.02  Steven Vandeput, ministre: Cher collègue, je vais donner une réponse unique pour les deux questions posées.

 

En application du Statut de Rome de la Cour pénale internationale, ratifié par la Belgique, et la loi du 29 mars 2004 relative à la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, l'Autorité centrale, c'est-à-dire les services du droit international humanitaire du SPF Justice, est seule compétente pour recevoir les demandes d'entraide de la Cour qui sont alors transmises à l'autorité belge compétente pour leur exécution.

 

Dans les situations évoquées, les actes posés sont de la compétence des pouvoirs judiciaires et il ne revient pas à la Défense de s'immiscer dans les enquêtes menées par la Cour.

 

Il convient ici de préciser que la Défense coopère de manière étroite avec les juridictions pénales internationales au travers de la Belgian task force for international criminal justice où elle est représentée et effectue le transport aérien de détenus vers La Haye.

 

13.03  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, sur d'autres dossiers, on sait qu'aujourd'hui, en Irak, en Syrie, mais aussi en Afghanistan, il y a l'enjeu de gagner la guerre des images. Pour pouvoir contrer les groupes terroristes – Al-Qaïda en Afghanistan, EI en Irak et en Syrie –, il faut gagner cette guerre grâce à la transparence, c'est-à-dire savoir ce qui s'est fait, savoir ce qui se fait. C'est le meilleur moyen pour lutter contre la théorie du complot et la propagande djihadiste qui aujourd'hui foisonne à tout va, en particulier depuis l'émergence des réseaux sociaux.

 

J'entends que la Défense coopère via le SPF Justice, etc. Je vous encourage, si jamais le SPF Justice était saisi par la Cour pénale internationale, à faire en sorte que tous nos membres de la Défense puissent coopérer à l'enquête en cours si elle avait lieu. Je pense que l'ouverture des archives de Semmerzake, donc du Air traffic control de la Défense, pourrait aider en particulier à en savoir plus sur ces histoires de vols de la CIA.

 

C'était un des points sombres de l'enquête du Sénat en 2006. On pourrait, à l'occasion de l'ouverture de cette enquête de la CPI, faire la lumière sur ce qu'il s'est réellement passé.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de M. Benoit Hellings au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les déclarations du président élu des États-Unis concernant le programme F-35" (n° 15443)

14 Vraag van de heer Benoit Hellings aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de uitspraken van de president elect van de Verenigde Staten betreffende het F-35-programma" (nr. 15443)

 

14.01  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le président élu des États-Unis, Donald Trump, - il faut s'y habituer - a déclaré sur Twitter ce lundi 12 décembre que les coûts du programme du chasseur bombardier F-35 étaient "hors de contrôle". Il a ajouté que "des milliards de dollars peuvent - et vont - être économisés sur des achats militaires et autres après le 20 janvier". Le 20 janvier étant la date de sa prestation de serment.

 

À cette occasion, la presse a rappelé que le programme F-35 est le plus cher des programmes d'armement de l'histoire militaire américaine, avec un coût estimé au total à près de 400 milliards de dollars, pour à peine 2 500 appareils à produire par le constructeur Lockheed Martin, dont nous parlions précédemment. Or, cet appareil est en lice, comme nous le savons tous ici, pour le remplacement des F-16 belges.

 

D'où, monsieur le ministre, mes questions. Cette sortie tonitruante du futur commandant en chef des forces armées américaines n'est-elle pas de nature à vous rendre méfiant vis-à-vis de l'un des cinq candidats actuellement pressentis pour l'achat de 34 chasseurs-bombardiers belges? Donald Trump estimant que le programme F-35 est hors de contrôle, votre futur cahier des charges, actuellement en rédaction, concernant ce marché public, mentionnera-t-il des balises claires et fermes veillant à éviter toute mauvaise surprise au moment de la passation du marché, mais aussi après, pour l'entretien de ces appareils? Quelles sont les balises envisagées? Dans ces circonstances, le F-35 fait-il toujours partie des candidats crédibles au remplacement des F-16?

 

14.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Hellings, merci pour vos questions.

 

À votre première question, la réponse est non.

 

Pour votre question 2, après l'envoi du request for government proposal, la Défense recevra des propositions de la part des agences gouvernementales. Il apparaît prématuré de tirer des conclusions avant même d'avoir envoyé le request for government proposal, d'avoir reçu et évalué les propositions.

 

L'évaluation des propositions mettra en avant les coûts de possession sur une période de quarante ans – cela a déjà été expliqué devant cette commission – y compris les frais de fonctionnement et d'entretien.

 

14.03  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Nous attendons ce cahier des charges avec impatience, monsieur le ministre. J'espère qu'il arrivera bientôt sur nos bancs. En tout cas, nous sommes prêts à l'analyser dans le détail, ce qu'il faudra faire compte tenu des circonstances. Le choix qui interviendra après l'analyse du cahier des charges devra tenir compte non seulement de l'achat – vous l'avez dit –, de l'entretien et des coûts cachés, dont on pressent pour le F-35 qu'ils seront – d'après le président élu – hors de contrôle. Il faudra être extrêmement attentif, puisqu'il y a un précédent, à savoir le marché du F-35 pour les États-Unis eux-mêmes.

 

Dans un souci de bonne gouvernance, il conviendra de se méfier des signaux d'alerte lancés par des gens dont je ne partage pourtant absolument pas les valeurs, ni le programme politique.

 

 

14.04  Steven Vandeput, ministre: Cela veut-il dire, monsieur Hellings, qu'il faut davantage se méfier du F-35 que des autres? Vous savez bien que j'aime la discussion et ce qu'on essaye de me faire dire.

 

14.05  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Pas du tout! Je ne vous ai prêté aucun propos!

 

14.06  Steven Vandeput, ministre: Je le sais bien. Justement, pour la bonne compréhension, dois-je me méfier davantage du F-35 que des autres?

 

14.07  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Techniquement et politiquement, oui. Il y a beaucoup de ratés dans le programme F-35. Mais si vous voulez suivre le point de vue des Verts sur cette question, n'en achetez pas du tout. Cela vous fera faire une économie gigantesque, qui vous permettra de faire de véritables choix stratégiques dans d'autres secteurs.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 11.50 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.50 uur.