Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 14 december 2016

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 décembre 2016

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.29 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.29 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "een ontsnapte geïnterneerde die nieuwe feiten pleegt" (nr. 15293)

01 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "un détenu en cavale ayant commis de nouveaux faits" (n° 15293)

 

01.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, zeer recent konden we in de pers lezen dat een geïnterneerde die in 2006 werd geïnterneerd, na een penitentiair verlof niet terugkeerde en nieuwe feiten pleegde in 2013. Volgens de pers kan het gerecht niet zeggen wanneer hij precies was gevlucht en onder welke omstandigheden.

 

Hij werd opnieuw aangehouden en geïnterneerd. Tijdens een penitentiair verlof pleegde hij opnieuw een verkrachting. Hij werd inmiddels aangehouden en verblijft in hechtenis, nog altijd volgens de pers.

 

Mijnheer de minister, is het juist, zoals de pers bericht, dat de man de eerste keer voortvluchtig was en men niet precies weet vanaf wanneer hij voortvluchtig was? Is hij daarvoor geseind, nationaal en internationaal?

 

Welke stappen heeft Justitie ondernomen om hem terug te vinden? Werd bijvoorbeeld FAST ingeschakeld? Zo nee, waarom niet?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Cauter, zowel in 2012 als in mei 2016 verkreeg de betrokken geïnterneerde enkele uitgaansvergunningen vanwege de Commissie tot bescherming van de maatschappij, een rechtscollege onder voorzitterschap van een magistraat, dat in alle onafhankelijkheid aan betrokkene uitgaansvergunningen had verleend. Uiteraard moesten de diensten van het Gevangeniswezen uitvoering geven aan die rechterlijke beslissingen.

 

Ik heb de interneringswet van 5 mei 2014 grondig gerepareerd, samen met u, met de wetswijziging van 4 mei 2016, de zogenaamde potpourri 3-wet. De nieuwe wet is op 1 oktober 2016 in werking getreden en de volgende bepalingen van die wet zijn belangrijk. Voortaan is een echte rechtbank bevoegd voor het nemen van alle beslissingen tot uitvoering van de internering, namelijk de multidisciplinair samengestelde kamers voor de bescherming van de maatschappij bij de strafuitvoeringsrechtbanken. Dat wil zeggen één rechter en twee assessoren, waaronder een klinisch psycholoog. Dat moet meer professionele garanties geven.

 

Bovendien bepaalt de wet in artikel 27 voortaan uitdrukkelijk dat een uitgaansvergunning of verlof pas kan worden toegekend als er geen tegenaanwijzingen zijn. Die contra-indicaties hebben betrekking op het gevaar dat de geïnterneerde persoon zich aan de uitvoering van de internering zou onttrekken, op het risico dat hij strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers lastig zou vallen. In artikel 47 bepaalt de wet uitdrukkelijk dat voor personen die geïnterneerd zijn voor zedendelicten, een verplicht gemotiveerd advies van een gespecialiseerde dienst voorhanden moet zijn, alvorens uitvoeringsmodaliteiten kunnen worden overwogen of ertoe beslist, zoals een beperkte detentie en vrijstellingen op proef.

 

Naast die wettelijke verbeteringen zet ik mij dagelijks in om de geïnterneerden te laten plaatsen in andere beveiligde settings dan de penitentiaire instellingen, zoals het FPC en de forensische ziekenhuizen, waar de mogelijkheden om van dergelijke personen een psychiatrische diagnose te stellen, veel groter zijn. Daar komen die personen ook in een context terecht die gericht is op therapie en dus het vermijden van recidive. Ook de operationalisering van de nieuwe interneringswet moet dergelijke incidenten, die inderdaad zeer ernstig zijn, vermijden.

 

In mijn beleidsnota en in mijn stand van zaken over de hercodificatie heb ik trouwens duidelijk te verstaan gegeven dat ook het Strafrecht en de strafuitvoering nog meer verscherpte aandacht moeten hebben voor de aanpak van de zeden- en geweldmisdrijven, dus ook voor de opvolging, controle en begeleiding van dergelijke veroordeelde delinquenten. In afwachting daarvan heb ik trouwens al een instructie gegeven aan de penitentiaire administratie om veroordeelden voor verkrachting met straffen tot drie jaar op dezelfde manier te behandelen als zedendelinquenten op minderjarigen. Het betekent dat ze alleen kunnen vrijkomen na een gespecialiseerd advies en mits garantie van effectieve begeleiding en opvolging.

 

Voor veroordeelden met straffen boven 3 jaar is de strafuitvoeringsrechtbank, die wettelijk gezien reeds op dezelfde manier werkt, bevoegd. Ik kan u bevestigen dat wanneer een geïnterneerde zich onttrekt aan een maatregel van uitgang of wanneer hij ontvlucht, dat meteen gemeld wordt aan de Commissie tot bescherming van de maatschappij, dus thans aan de Kamer voor de bescherming van de maatschappij en aan het openbaar ministerie. De gevangenis meldt dat ook meteen aan de politie. In casu werd dat gedaan; de betrokkene werd nationaal geseind, maar de dienst FAST werd niet ingeschakeld.

 

Sta mij toe wat FAST betreft, te verwijzen naar mijn antwoord op uw specifieke vraag hieromtrent, die eveneens vandaag geagendeerd is.

 

01.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik ben mij uiteraard bewust van de inspanningen, die zijn geleverd om niet alleen het wettelijk kader te verbeteren maar ook om – dit is het belangrijkste – het in uitvoering te brengen. Ook op het terrein zet men zich in om te zoeken naar geschikte plaatsen voor geïnterneerden.

 

Dat neemt echter niet weg dat betrokkenen nauwgezet moeten worden opgevolgd, wanneer er inderdaad maatregelen of uitgangsvergunningen worden verleend. U bevestigt dat het onmiddellijk wordt gemeld aan het openbaar ministerie, zodra men zich onttrekt, en dat de persoon in kwestie wordt geseind.

 

Het is jammer dat er zich opnieuw feiten hebben moeten voordoen. We spreken hier van een dubbele herhaling, mijnheer de minister.

 

Ik vraag dus bijzondere aandacht voor de controle van de opvolging door de gedetineerden van voorwaarden en voor het nauw opvolgen van seiningen, en niet alleen naar aanleiding van het voorbije incident. Wij moeten in de media nog al te vaak kennis nemen van dergelijke incidenten, die eigenlijk beter niet plaats zouden vinden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de opsporing van voortvluchtigen" (nr. 15341)

02 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la recherche de fugitifs" (n° 15341)

 

02.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, mijn vraag gaat specifiek over het FAST team. Ons land beschikt inderdaad reeds sinds ongeveer 16 jaar over een team van de politie dat gespecialiseerd is in het opsporen van voortvluchtigen. Dat zijn er trouwens nogal wat, zoals u dat zeer goed weet, mijnheer de minister. Vroeger konden ontsnapte gevangenen en voortvluchtige veroordeelden enkel gearresteerd worden naar aanleiding van een toevallige controle. Veel zware criminelen die hun voortvluchtigheid organiseerden, bleven op die manier buiten schot en wachtten de verjaring af om daarna opnieuw straffeloos hun intrede te maken in de samenleving.

 

Sinds 2000 wordt met de oprichting van FAST ingezet op een actieve opsporing van voortvluchtigen, zowel in eigen land als in het buitenland.

 

De werkwijze van FAST bevat onder meer de actie die opgezet werd rond de lancering van de website most wanted criminelen. FAST is effectief belast met een actieve opsporing en het vatten van een aantal categorieën van veroordeelden, al dan niet terugkerend uit penitentiair verlof, met betrekking tot personen die de voorwaarden van hun voorwaardelijke vrijlating niet naleven, voortvluchtige geïnterneerden, enzovoort.

 

Hierover heb ik een aantal specifieke vragen voor u.

 

Kunt u verduidelijken op basis waarvan het FAST team een voortvluchtige begint op te sporen?

Heeft een seining van een voortvluchtige in dit verband automatisch een opsporing door FAST tot gevolg? Indien dit niet het geval is, meent u dat dit aangewezen is?

 

Is er ter zake een verschil naargelang nationale, Europese of internationale seining? Is er een verschil naargelang de categorie van voortvluchtige? Welke acties kan FAST ondernemen en over welke middelen beschikken zij?

 

Is er ter zake een verschil naargelang de categorie van voortvluchtige en dringt er zich ter zake een wijziging van het regelgevend kader op? Zou er met andere woorden ook een strafuitvoeringsonderzoek moeten komen om voortvluchtigen op te sporen?

 

Kunt u mij per categorie van voortvluchtige zeggen hoeveel er nog op de vlucht zijn en hoeveel er gevat zijn sinds de oprichting van het FAST-team, meer specifiek voor de periode 2015 en 2016.

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Cauter, het Fugitive Active Search Team van de federale politie, kortweg FAST, begint een voortvluchtige veroordeelde op te sporen wanneer het van het parket de vraag krijgt de voortvluchtige zowel nationaal als internationaal te seinen met het oog op arrestatie.

 

Opdat het FAST deze persoon internationaal zou kunnen signaleren, is een Europees aanhoudingsmandaat vereist. Dit wordt opgemaakt door de magistraat van het parket dat belast is met de strafuitvoering van de voortvluchtige.

 

Voortvluchtige veroordeelden die enkel nationaal gesignaleerd staan voor een uitstaande gevangenisstraf en waarvoor het parket geen Europees aanhoudingsmandaat heeft uitgevaardigd, zijn in principe geen targets voor het FAST. De recherche van de lokale en federale politie doen die opsporingen. De hoogte van de straf speelt daarin een rol.

 

Veel opsporingsmethodes, waaronder huiszoeking, telefoontap, bankonderzoek en de bijzondere opsporingsmethode van observatie en infiltratie mogen enkel worden toegepast bij de opsporing van misdrijven. Wanneer een veroordeelde voortvluchtig is of wanneer hij is ontsnapt uit de gevangenis loopt er geen gerechtelijk onderzoek meer, waardoor de vernoemde opsporingsmaatregelen niet kunnen worden toegepast.

 

Voortvluchtig zijn of ontsnappen is niet strafbaar, tenzij er andere feiten zijn gepleegd. De wetgever probeerde deze belangrijke lacune in de wet reeds in 2005 gedeeltelijk op te lossen door in een regeling te voorzien die beperkt was tot de bijzondere opsporingsmethode. Het Grondwettelijk Hof formuleerde enkele fundamentele bezwaren en ging over tot vernietiging.

 

Ik heb de voorbereidende werkzaamheden aangevat die moeten leiden tot een alomvattend en juridisch sluitend regime voor de toepassing van opsporingsmethodes in het kader van de strafuitvoering en dus de opsporing van veroordeelden. Een wetsontwerp zal in 2017 aan het Parlement worden voorgelegd.

 

Het FAST heeft slechts een beperkte database en kan enkel de volgende cijfers voorleggen. Momenteel spoort het FAST 1 608 voortvluchtige veroordeelden op waarvoor het van de parketten een Europees aanhoudingsmandaat heeft gekregen.

 

Het FAST spoort 16 voortvluchtige personen op waarvoor ze van de Belgische strafuitvoeringsrechtbanken een Europees aanhoudingsmandaat heeft gekregen omdat zij de voorwaarden van hun voorwaardelijke vrijlating niet hebben nageleefd.

 

Het FAST spoort 95 internationaal gesignaleerde personen op die in België zouden verblijven en die worden opgespoord door een ander land.

 

Het FAST heeft sinds zijn oprichting 3 397 voortvluchtigen gevat of laten vatten. In 2015 werden er 364 personen gevat, in 2016 tot op heden 308.

 

Zoals ik reeds heb aangekondigd ben ik voorstander van een nog meer gedreven opvolging van de strafuitvoering vanwege het openbaar ministerie, in nauw overleg met de politie, en ben ik voorstander van de uitbreiding van de capaciteit van het FAST. Ondertussen werd recentelijk de website Most Wanted geactiveerd. Dat heeft al geleid tot twee arrestaties op een eerste lijst van 20.

 

02.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het is inderdaad van het grootste belang dat de strafuitvoering wordt opgevolgd. Ik hoor u graag bevestigen dat u werkt aan de mogelijkheden om over te gaan tot een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek. Dat is heel belangrijk, vooral omdat zich onder die voortvluchtigen een aantal criminelen bevindt dat is veroordeeld voor terroristische activiteiten. Van hen weten wij dat zij uiterst gevaarlijk zijn en het is noodzakelijk dat wij alle middelen kunnen inzetten om ook die mensen in te rekenen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. Willy Demeyer au ministre de la Justice sur "l'usage de la contrainte par des fonctionnaires de police" (n° 15359)

03 Vraag van de heer Willy Demeyer aan de minister van Justitie over "het gebruik van dwang door politieambtenaren" (nr. 15359)

 

03.01  Willy Demeyer (PS): Monsieur le ministre, je sais que vous avez déjà répondu en séance plénière à une question similaire, mais la mienne avait été déposée antérieurement et porte sur un aspect que vous n'avez pas abordé.

 

Deux circulaires récentes, l’une du procureur général et l’autre du procureur du Roi de Liège, ont pour objet de régler l’usage de la contrainte par des fonctionnaires de police. Ces circulaires se fondent sur la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'Homme et édictent des directives en cas d’emploi de la contrainte physique par un fonctionnaire de police.

 

D’emblée, je tiens à préciser que je trouve légitime dans un État de droit que tout policier doive répondre de manière transparente de ses actes. En ma qualité de bourgmestre, je suis responsable sur le plan disciplinaire et responsable aux yeux des citoyens. Je trouve donc normal que la régularité d’une enquête soit garantie en cas d’usage de la contrainte. Toutefois, il me semble important de souligner que certains principes énoncés dans la circulaire sont perçus comme excessifs. Les policiers ont, au demeurant, manifesté - avec respect, je le précise - sur la place Saint-Lambert.

 

La circulaire préconise, pour éviter les soupçons de collusion et pour raccourcir les délais, de convaincre le policier de renoncer à son droit de consultation d’un avocat dans un délai de dix jours. Les forces de l'ordre estiment cette recommandation excessive. On leur demande de renoncer anticipativement à certains droits issus de la législation Salduz, puisqu’on les met devant le choix suivant: soit les policiers renoncent au droit de consulter un avocat, soit ils sont mis en état d’arrestation pour audition.

 

Mes questions sont donc les suivantes. Cette circulaire n’entre-t-elle pas en contradiction avec des règles de droit supérieures? Peut-on imposer une telle renonciation aux policiers? Ne pouvait-on pas se contenter de la circulaire actuelle du Collège des procureurs généraux dans un domaine qui, de toute évidence, nécessite une approche uniforme sur le territoire national?

 

03.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Demeyer, la première précision importante que j'aimerais formuler, c'est que la circulaire du procureur du Roi de Liège relative à l'usage de la contrainte par des fonctionnaires de police, datant du 25 octobre 2016, est devenue obsolète à la suite de la nouvelle législation relative à Salduz bis. Chaque policier, qui serait impliqué dans un dossier d'usage de la contrainte ayant entraîné des lésions graves, a le droit de consulter un avocat avant d'être entendu. Il n'est donc pas question que les policiers renoncent à leurs droits.

 

Des réunions au niveau du comité supérieur de négociation des services de police – que je copréside avec le ministre de l'Intérieur – ont abordé le sujet. Un projet de COL du collège des procureurs généraux est en discussion, comme ce fut le cas le 6 décembre à Bruxelles et le lendemain à Liège. Les représentants du collège ont rencontré des organisations syndicales avant d'écouter leurs revendications et les craintes des policiers. Cette COL sera nationale et aura pour effet d'uniformiser les procédures à suivre en cas d'incident de tir par les policiers.

 

Je tiens à préciser que le monde judiciaire et moi-même avons beaucoup de considération pour les policiers et le travail qu'ils font. Dans le présent dossier, comme dans tous les autres, nous travaillons ensemble à trouver des solutions dans le respect de la loi et des droits tant des policiers que des citoyens.

 

03.03  Willy Demeyer (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je me permettrai de poser une question additionnelle, à laquelle je ne vous demande pas de répondre maintenant. Je serais très heureux d'une réponse écrite.

 

Plus précisément, "dans le cas de l'usage de la contrainte par arme à feu ayant entraîné des blessures graves ou la mort du suspect, il serait important", me disent les policiers et les syndicats, "d'avoir un magistrat référent au sein de chaque arrondissement judiciaire." Les organisations représentatives aimeraient que ce magistrat soit sensibilisé aux pratiques enseignées et dispensées au personnel policier selon la GPI 48.

 

Voilà une remarque complémentaire! Je vous remercierai d'en tenir compte autant que possible.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Willy Demeyer au ministre de la Justice sur "la situation au sein du tribunal du travail de Liège" (n° 15388)

04 Vraag van de heer Willy Demeyer aan de minister van Justitie over "de situatie bij de arbeidsrechtbank van Luik" (nr. 15388)

 

04.01  Willy Demeyer (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, ce lundi 5 décembre, une audience de la division du tribunal du travail de Liège a dû être reportée au 27 mars 2017, en raison de l'incapacité inopinée d'un juge et de l'impossibilité pour les juges suppléants et professionnels, tous surchargés, d'assurer cette audience. C'est une situation regrettable.

 

Actuellement à Liège, le cadre des juges est rempli à presque 89 %. Un juge est en incapacité depuis fin septembre 2016 et en réalité, ils sont donc 23 sur un cadre légal de 27, soit 85 % du cadre. La situation ne va pas s'améliorer. Suite aux départs à la retraite de deux juges début 2017, ils seront au mieux 22 juges. Une seule place vacante a été publiée au Moniteur belge du 19 octobre 2016, malgré les demandes et justifications adressées aux autorités compétentes. Ils seront au mieux à 85 % du cadre légal en mai 2017.

 

Le gouvernement a pris la décision de réduire l'effectif du personnel à 90 %. Même cette décision est rencontrée avec difficulté. Depuis des mois, les juges du tribunal du travail de Liège et d'autres également alertent le monde politique et avancent des données objectives, aggravées par la charge de travail qu'ils connaissent. Ce que les juges et ceux du tribunal du travail de Liège en particulier demandent, c'est qu'on remplisse les cadres.

 

Les statistiques 2015 publiées sur le site internet du Collège des cours et tribunaux montrent que, dans le contentieux affaires sociales, le tribunal du travail de Liège reçoit plus de 22 % des nouveaux dossiers au niveau national, alors qu'il ne dispose que de 17 % des juges à ce niveau. Dans le contentieux du règlement collectif de dettes, le tribunal prend en charge plus de 20 % des nouveaux dossiers et 29 % des dossiers en cours, charge à assumer avec seulement 17 % des juges au niveau national.

 

Monsieur le ministre, que pouvons-nous répondre aux juges liégeois quand ils avancent ces données objectives? Quand serez-vous en mesure de publier de nouvelles places vacantes pour les tribunaux de Liège et celui du travail en particulier? Pourriez-vous débloquer des moyens à court terme pour résoudre ces difficultés?

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Demeyer, le but est en effet de ventiler les places vacantes et, donc, les nominations, afin que les cadres soient partout remplis à concurrence de 90 % dans les différents tribunaux.

 

Le service du personnel "Magistrature" du SPF Justice est en concertation permanente avec le Collège des cours et tribunaux pour la détermination des places vacantes à publier. Le service du personnel établit un état des lieux des cadres et une liste des places à publier en fonction de l'évolution dans les tribunaux. Il soumet ensuite celle-ci au Collège, lequel, comme à l'accoutumée, consulte alors les comités de direction afin de vérifier les données.

 

Pour ce qui concerne le tribunal du travail à Liège, 25 magistrats y sont actuellement nommés, soit 93 % du cadre. Mais un magistrat est délégué à la cour du travail sur décision du premier président et un autre est actuellement en maladie. Ces absences temporaires ne peuvent être compensées par des nominations temporaires. La solution repose davantage sur une réorganisation interne.

 

Le service du personnel est au courant des départs annoncés pour 2017. Une place vacante a déjà été publiée en octobre. L'effet de ces départs sera intégré dans l'état des lieux que le service du personnel établit ce mois de décembre et qui sera discuté avec le Collège début janvier. Les services du Collège ont déjà fait savoir au président du tribunal que son information concernant les prochains départs est reprise dans la discussion.

 

04.03  Willy Demeyer (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je voudrais faire une remarque complémentaire et pourrais recevoir une réponse écrite dans la foulée. Les magistrats du tribunal du travail de Liège rappellent que le cadre légal a été fixé dans les années 70 sur base de la population. Depuis, la situation sociale a évolué. Le tribunal du travail, avec les compétences et attributions qui sont les siennes, voit un certain nombre de contentieux exploser dans les centres urbains. Je vous ai dit qu'on avait 17 % de magistrats à Liège et que, selon les contentieux, il y avait de 20 à 29 % de nouveaux dossiers ou de dossiers à traiter. Pensez-vous que, dans un futur proche, vous pourrez tenir compte de ces nouvelles réalités?

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice sur "la détention des détenus de nationalité étrangère" (n° 15406)

05 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie over "de opsluiting van buitenlandse gedetineerden" (nr. 15406)

 

05.01  Emir Kir (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, selon un article paru dans la presse en octobre dernier, le nombre de détenus de nationalité étrangère a baissé de près d'un demi-millier ces dix derniers mois. En effet, il est passé de 5 304 détenus en janvier à 4 823 en octobre, soit une diminution de 481 unités. Parmi eux, le nombre de détenus étrangers en situation illégale a baissé de 3 270 en janvier à 2 917 en octobre. En septembre, 123 détenus étrangers ont ainsi été renvoyés dans leur pays.

 

Votre collègue, M. Francken, y voit le résultat d'une collaboration fructueuse avec les ministères de la Justice et de l'Intérieur. Sur la base de ces informations, monsieur le ministre, je voudrais vous poser les questions suivantes.

 

Confirmez-vous ces chiffres? Combien de détenus de nationalité étrangère sont-ils incarcérés dans nos prisons? Combien le sont-ils sans titre de séjour? Quel est leur pourcentage au sein de la population carcérale? Quels sont les accords internationaux permettant à un détenu de nationalité étrangère incarcéré en Belgique d'être renvoyé dans son pays d'origine afin d'y purger sa peine? Quels sont les pays sujets à ces accords? Combien de détenus étrangers purgent-ils leur peine dans leurs pays d'origine? Quels sont les motifs d'incarcération? La Belgique vérifie-t-elle les conditions de détention dans les pays d'accueil ou dispose-t-elle de garanties à cet égard? Les accords internationaux permettent-ils à la Belgique de s'assurer concrètement de ces conditions de détention? Enfin, quel est le coût annuel de ces transfèrements?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Kir, les informations relatives au premier point de votre question sont les suivantes. Hier, au 13 décembre 2016, 4 484 détenus de nationalités étrangères étaient présents en prison; 2 887 étrangers étaient sans titre de séjour. Le pourcentage d'étrangers sans titre de séjour dans la population pénitentiaire totale représente dès lors 27,8 %.

 

Nous ne pouvons donc pas confirmer les chiffres de janvier et octobre fournis dans la question pour les raisons suivantes: d'une part, si l'on prend les chiffres d'étrangers au premier du mois, on n'obtient pas les mêmes résultats: 4 835 étrangers au 1er janvier 2016; 4 417 étrangers au 1er octobre 2016. D'autre part, on ne dispose pas de l'historique de la situation de séjour dans la base de données (…).

 

Ainsi, parmi les 4 835 étrangers présents au 1er janvier 2016, 1 400 avaient une autre situation de séjour à cette date que celle qu'on leur connaît maintenant ou à leur libération. Le nombre de sans droit au séjour au 1er janvier 2016 serait donc entre 2 412 situations de séjour sans droit au séjour qui n'ont pas été modifiées depuis et 3 812. Vous recevrez les chiffres, monsieur Kir. C'est logique mais ce n'est pas évident.

 

Il existe différents cadres législatifs pour transférer les détenus étrangers vers leur pays d'origine, afin qu'ils y poursuivent leur peine. Dans le cas de transfèrement, il convient toujours d'établir une distinction entre les transfèrements avec consentement du détenu et les transfèrements sans consentement du détenu.

 

Des transfèrements avec le consentement du détenu sont possibles en application de la convention de Strasbourg du 21 mars 1983. De tels transfèrements sont également possibles sur la base des conventions bilatérales comme celles qui existent avec Hong Kong, le Maroc, la Thaïlande et la République dominicaine.

 

Enfin, avec la mise en œuvre de la décision-cadre 2008/909/JAI, il est prévu un règlement de transfèrement entre États membres de l'Union européenne, à savoir une loi du 15 mai 2012.

 

Le transfèrement sans consentement du détenu peut être effectué sur la base du protocole additionnel du 18 décembre 1997 à la convention sur le transfèrement du 21 mars 1983. Le transfèrement ne dépend plus dans ce cas du consentement du condamné, mais de son statut d'étranger illégal susceptible d'être éloigné du territoire.

 

Dans un cadre bilatéral, des transfèrements sans consentement du détenu sont possibles avec le Maroc et l'Albanie. L'accord du pays d'origine reste cependant nécessaire. La décision-cadre règle le transfèrement avec consentement mais aussi sans consentement.

 

Je tiens à votre disposition une liste des pays avec lesquels un transfèrement est possible conformément à la base légale.

 

Dans le cadre de la convention du 21 mars 1983, c'est-à-dire les transfèrements avec consentement, deux transfèrements ont eu lieu en 2016 de la Belgique vers l'étranger, à savoir la Turquie et la Bulgarie.

 

Dans le cadre du protocole additionnel de la convention précitée, il s'agit d'un seul transfèrement vers l'étranger, en l'occurrence la Bulgarie.

 

Enfin, pour la décision-cadre 2008/909 du JAI, le nombre de transfèrements vers l'étranger est de 34 avec consentement (Pays-Bas: 22, Slovaquie: 1, Roumanie: 2, Italie: 3, Lituanie: 1, Espagne: 1 et France: 4) et de 6 transfèrements sans consentement (Roumanie: 1, France: 1, Pays-Bas: 1 et Lituanie: 1).

 

Dans les dossiers de transfèrements, il s'agit essentiellement de faits liés aux stupéfiants, suivis pas le vol. Les autres faits sont l'association de malfaiteurs, la participation à une organisation criminelle, la traite des êtres humains, la prostitution, le viol, le meurtre, l'assassinat, les faux en écriture et le recel.

 

Dans le cadre de la convention de 1983, du protocole additionnel et des conventions bilatérales, les deux pays doivent consentir au transfèrement. Il n'y a aucune obligation de transfèrement pour les États concernés. En d'autres termes, il y a une marge d'appréciation maximale. La principale raison pour les deux pays de décider le transfèrement est la possibilité de réintégration sociale. Avec la décision-cadre, il existe un système plus ou moins uniforme pour les 28 États membres de l'Union européenne. Pour la première fois, le transfèrement devient davantage une obligation de principe. Les exceptions entraînant le refus sont contenues dans les motifs limitatifs de refus.

 

Le fichier informatique ne permet pas de déterminer le coût moyen d'un transfèrement.

 

05.03  Emir Kir (PS): Oui, je vais prendre la peine d'analyser les chiffres. Vous ne pouvez pas me répondre au sujet du coût. Peut-être un budget est-il prévu pour ce type d'opérations?

 

05.04  Koen Geens, ministre: Ce n'est pas moi qu'il faut interroger à ce sujet!

 

05.05  Emir Kir (PS): C'est M. Francken. Je lui poserai la question. Je vous remercie pour vos réponses.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 15407 van de heer Stefaan Van Hecke is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

06 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre de la Justice sur "les avis du parquet en matière de déclaration de nationalité" (n° 15453)

06 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Justitie over "de adviezen van het parket inzake nationaliteitsverklaring" (nr. 15453)

 

06.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, il nous est revenu qu’en matière de déclaration de nationalité, les dossiers de nombreux citoyens européens, tout particulièrement britanniques, exerçant une activité professionnelle au sein des institutions européennes feraient l’objet d’avis négatifs des parquets du procureur du Roi. Ces décisions seraient pourtant réformées par les différents tribunaux belges sur la base du droit européen.

 

Le problème se pose plus particulièrement pour des citoyens européens qui disposent d’un séjour permanent en Belgique et qui - préalablement à l’obtention d’un tel séjour permanent - bénéficiaient d’une carte d’identité spéciale. Pour ces catégories de citoyens européens, les parquets considèrent qu’ils ne bénéficiaient pas d’un séjour légal sur le sol belge pour la période précédant directement leur demande au sens de l’article 7 bis, § 2, 2° du Code de la nationalité belge et de l’arrêté royal d’application du 14 janvier 2013.

 

Une telle définition du séjour légal s'avère plus restrictive que la définition de séjour légal contenue dans la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers. En effet, bien que cette dernière loi ne définisse pas le séjour légal, elle détermine le séjour dit "illégal" en son article 1er, 4° comme étant "la présence sur le territoire d'un étranger qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'accès au territoire ou de séjour". Or il convient d’indiquer que les citoyens européens susvisés remplissent les conditions d’accès au territoire ou de séjour en Belgique, en vertu de dispositions internationales - dans le cas présent, les traités européens -, ce qui n’est nullement exclu par la loi. Le séjour ne pouvant, en conséquence, être qualifié d’illégal, il ne peut, subséquemment, qu’être qualifié de légal.

 

Monsieur le ministre, permettez-moi de vous poser les questions suivantes. Confirmez-vous le constat selon lequel certaines catégories de ressortissants européens - dont de nombreux fonctionnaires européens - sont bel et bien inscrits au registre de la population, conformément à l’article 1er de l’arrêté royal du 16 juillet 1992 et bénéficient d’un séjour légal en vertu du droit européen des traités? Eu égard à ces éléments, et au regard du droit européen, entendez-vous, par une quelconque voie, préciser la définition de séjour légal contenue dans le Code de la nationalité belge afin que celle-ci intègre les années de séjour en Belgique des citoyens européens ayant été titulaires d’une carte d’identité spéciale délivrée sur la base du Protocole sur les privilèges et immunités des Communautés européennes du 8 avril 1965, approuvé par la loi du 13 mai 1996? Enfin, entendez-vous prendre une initiative afin de clarifier une situation qui s’avérerait être préjudiciable pour de nombreux ressortissants européens désirant acquérir notre nationalité? Je vous remercie par avance de vos réponses.

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Laaouej, l'acquisition de la nationalité belge par déclaration de nationalité est prévue à l'article 12 bis du Code de la nationalité belge et prévoit comme condition que les demandeurs bénéficient d'un séjour légal en Belgique, tel que défini par l'article 7 bis du Code de la nationalité belge.

 

Il existe de nombreuses situations de séjour légal. Néanmoins, seuls les séjours légaux définis à l'article 7 bis du Code de la nationalité belge peuvent être pris en compte en matière de nationalité. En effet, dans le cadre de l'acquisition de la nationalité belge, le demandeur doit, au moment de l'introduction de la demande, avoir été admis ou autorisé en séjour illimité dans le Royaume ou à s'y établir en vertu de la loi sur les étrangers. Les preuves de ce séjour illimité sont listées à l'article 3 de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 qui a été rédigé en collaboration avec l'Office des Étrangers.

 

Il convient de constater que la carte d'identité spéciale délivrée aux fonctionnaires européens n'est pas reprise à la liste des titres de séjour énumérés de manière exhaustive à l'article 3. De ce fait, un fonctionnaire européen titulaire d'une carte d'identité spéciale ne peut introduire une procédure d'acquisition de la nationalité belge, sauf s'il y a une demande au préalable d'une attestation d'enregistrement, c'est-à-dire une carte E ou un document attestant de la permanence du séjour, carte E+. Dans ces cas, il satisfera à la condition de séjour illimité requise au moment de l'introduction de la demande par l'article 7 bis, & 2, 1er du Code de la nationalité belge.

 

De plus, le demandeur doit, pour la période qui précède sa demande et qui est légalement requise à l'article 12 bis, prouver qu'il a été admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou autorisé à s'y établir conformément à la loi sur les étrangers ou à la loi de régularisation.

 

Les modes de preuve de ce séjour sont énoncés à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 janvier 2013 qui ne reprend pas non plus la carte d'identité spéciale délivrée aux fonctionnaires européens. Contrairement à l'attestation d'enregistrement (carte E) ou au document attestant de la permanence du séjour (carte E+), ces derniers ne peuvent donc être pris en considération dans les calculs du séjour préalable.

 

Néanmoins, le fait que le séjour sur carte d'identité spéciale n'entre pas dans la définition du séjour légal nécessaire dans le cadre d'une procédure d'acquisition de la nationalité belge, ne signifie pas que les fonctionnaires européens ne bénéficient pas d'un séjour légal en Belgique.

 

Enfin, il y a lieu de relever que cette problématique est actuellement examinée en concertation avec les autres départements concernés, à savoir le SPF Intérieur, l'Office des Étrangers et le SPF Affaires étrangères. Je n'exclus pas qu'un assouplissement des conditions en matière de séjour puisse être proposé. Vous comprendrez que je ne peux pas donner de certitudes à ce stade.

 

06.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, je me réjouis de la dernière partie de votre intervention. Je ne peux que vous encourager à aller dans ce sens. Plusieurs milliers de personnes sont potentiellement concernées par cette situation, d'autant qu'elles ont en Belgique un ancrage plus que durable. Ce sont en général des gens qui ont exercé pour les institutions européennes pendant parfois plusieurs dizaines d'années.

 

Il demeure qu'il y a manifestement des divergences d'interprétation des textes actuels entre le parquet et les juges du fond, puisqu'à plusieurs reprises, les juges du fond ont adopté une décision différente des thèses du parquet. Il y a clairement, dans le chef du parquet, une interprétation qui semble restrictive par rapport aux analyses et aux jugements rendus par les juridictions de fond.

 

J'espère que nous aurons rapidement l'occasion, monsieur le ministre, d'avoir connaissance de l'issue du travail que vous allez mettre en place. Je n'ai pas entendu qui allait présider et coordonner ces travaux. J'imagine que c'est vous, puisque vous avez la Justice dans vos attributions, et partant, le Code de la nationalité.

 

J'espère aussi que, si je reviens dans quelque temps avec une nouvelle question, vous pourrez me donner une mise à jour des informations.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la participation de la Cour au délibéré sur la culpabilité dans les procès d'assises" (n° 15457)

07 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de deelname van het Hof aan het beraad over de schuld in assisenprocessen" (nr. 15457)

 

07.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, la loi du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice, aussi appelée loi pot-pourri II, a apporté des modifications particulièrement importantes à la procédure devant la Cour d’assises, avec la présence des magistrats lors du délibéré du jury.

 

Depuis l’entrée en vigueur de la loi du 21 décembre 2009, qui a adapté la procédure d’assises aux exigences d’un procès équitable, les décisions du jury doivent être motivées par la Cour. J'ai quelques questions précises à vous poser, maintenant que nous avons un peu de recul.

 

Monsieur le ministre, partagez-vous la position selon laquelle la participation de la Cour au délibéré du jury sur la culpabilité relève de la présence passive, destinée à permettre aux magistrats professionnels de prendre connaissance des raisons qui ont motivé la décision des jurés? Le cas échéant, comment s’assurer que la participation des magistrats se limite à ce rôle passif? Des directives ont-elles été communiquées aux magistrats qui siègent en assises depuis l’entrée en vigueur de la nouvelle procédure?

 

Malgré que la nouvelle procédure ne soit d’application que depuis peu de temps, quels enseignements peuvent-ils déjà être tirés de la participation de la Cour au délibéré sur la culpabilité? Quels sont les retours de terrain à cet égard? Des difficultés d’application se posent-elles? La question fait écho à un article qui avait été publié dans Sudpresse, sur le sujet de la présence et de l'action des magistrats dans ce contexte.

 

07.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, la manière dont la Cour participe à la délibération sur la culpabilité est précisée aux articles 326 à 337 du Code d'instruction criminelle. Comme vous le savez, la participation du juge professionnel à la délibération sur la culpabilité a été instaurée par la loi pot-pourri II parce que, suite à la réforme de la procédure en assises par la loi du 21 décembre 2009 induite par l'arrêt de la Cour européenne des droits de l'homme dans l'affaire Taxquet, une situation artificielle avait vu le jour, la Cour devant motiver son arrêt alors qu'elle ne peut pas assister à la délibération du jury. C'est la raison pour laquelle les juges professionnels peuvent dorénavant assister à la délibération et avoir ainsi une meilleure compréhension des prises de position du jury appelé à répondre à la question de la culpabilité.

 

Il ne peut pas être dérogé à cette procédure strictement définie. Les magistrats de la Cour ont l'obligation de ne pas intervenir dans le vote sur la culpabilité. Après, le Collège, à savoir la Cour plus les douze membres du jury, formule les principales raisons de la décision du jury.

 

Je pars du principe que les magistrats respectent strictement la loi et que leur rôle dans le processus de vote et les décisions se limite effectivement au prescrit légal.

 

Je n'ai pas connaissance que des directives sur cette nouvelle procédure ont été communiquées aux magistrats qui siègent en assises. Il est également prématuré de tirer des conclusions, même prudentes, sur l'application de la nouvelle procédure. Le nombre d'affaires traitées sur la base de celle-ci est trop faible pour pouvoir en tirer des enseignements. À ce jour, on ne m'a pas signalé de difficultés d'application concernant la nouvelle réglementation en cette matière.

 

07.03  Philippe Goffin (MR): Merci, monsieur le ministre, pour ces précisions. Quand il y aura un peu plus de recul, je reviendrai vers vous.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de territoriale bevoegdheid in het kader van de bewindvoering" (nr. 15486)

08 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la compétence territoriale dans le cadre de l'administration provisoire" (n° 15486)

 

08.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, het indienen van een aanvraag voor bewindvoerder gebeurt in het kanton waar de te beschermen persoon op dat moment verblijft. Dat wordt heel letterlijk opgevat. Ik heb weet van families die hun aanvraag in twee of zelfs drie kantons moesten hernemen omdat de te beschermen persoon inmiddels vanuit de thuissituatie naar een ziekenhuis en vervolgens naar een gespecialiseerde instelling of woonzorgcentrum was overgebracht.

 

Vooral bij meerdere opnames in een ziekenhuis kan de aanvraag de facto stilliggen, omdat de vrederechter van het kanton van het ziekenhuis ervan uitgaat dat dit verblijf te tijdelijk is om de aanvraag volledig af te werken tot en met de oproeping en aanstelling van de bewindvoerder en eventueel de vertrouwenspersoon.

 

Ook door de herschikking van de vredegerechten zullen heel wat bewindvoerders bij een gefusioneerd vredegerecht terechtkomen, wat voor een eenvormige werkwijze van de griffies zal zorgen of wat minstens toch gewenst is.

 

Mijnheer de minister, naar aanleiding daarvan heb ik de volgende vragen. Ten eerste, hebt u zicht op hoe vaak er meermaals aanvraag moet worden gedaan? Wat zijn de instructies voor de griffies in die gevallen?

 

Ten tweede, wanneer de aanvraag al dan niet tijdelijk wordt stilgelegd, wat gebeurt er dan met de geldigheidsduur van het medisch verslag? Moet dit opnieuw worden opgemaakt?

 

Ten derde, zal er bij de fusie van de vredegerechten inderdaad eenzelfde werkwijze van de griffies worden opgelegd, wat het voor de familiale bewindvoerder eenvoudiger zal maken? Neemt u dat mee in uw overweging?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, mijn administratie beschikt niet over cijfers die aangeven hoe vaak een aanvraag tot aanstelling van een bewindvoerder wordt stilgelegd omdat de te beschermen persoon van verblijfplaats wijzigt. Hierover bestaan op dit ogenblik geen instructies voor de griffiers. Op basis van artikel 628, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, is de rechter van de verblijfplaats bevoegd voor de verzoeken aangaande de buitengerechtelijke bescherming en de rechterlijke beschermingsmaatregelen met betrekking tot de persoon. De vrederechter die een beschermingsmaatregel heeft bevolen, blijft bevoegd, tenzij hij beslist heeft de zaak uit handen te geven ten voordele van de vrederechter van het kanton van de nieuwe hoofdverblijfplaats, indien de beschermde persoon het kanton verlaat om die hoofdverblijfplaats duurzaam in een ander kanton te vestigen.

 

De wetgever heeft dus een regeling uitgewerkt voor de overbrenging van het dossier als de beschermde persoon waarvoor een beschermingsmaatregel werd bevolen een nieuwe duurzame hoofdverblijfplaats heeft. Teneinde het stilleggen van een dossier te vermijden, is het aangewezen dat de eerst gevatte vrederechter, meestal deze van de thuissituatie, een bewindvoerder aanstelt en de nodige beschermingsmaatregelen beveelt. Deze vrederechter is ook bevoegd op het ogenblik van het indienen van het verzoek. Vanaf het ogenblik dat hij een beschermingsmaatregel heeft bevolen, kan hij beslissen om de zaak uit handen te geven aan de vrederechter van de nieuwe hoofdverblijfplaats. Deze mogelijkheid tot uithandengeving van een dossier is overigens een uitzondering op de algemene regel met betrekking tot de territoriale bevoegdheid.

 

Overeenkomstig artikel 1241, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, mag de omstandige geneeskundige verklaring ten hoogste 15 dagen oud zijn. In de wet is niet voorzien in een mogelijke verlenging van de geneeskundige verklaring en deze is dus na 15 dagen niet meer geldig. Een nieuwe geneeskundige verklaring zal dan vereist zijn. De artikelen 1241, vijfde en zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, regelen tenslotte de gevallen waarin geen geneeskundige verklaring kan worden voorgelegd in geval van dringendheid of de absolute onmogelijkheid om dit te doen. In dat geval zal de vrederechter een geneesheerdeskundige aanstellen.

 

De geldigheidsduur van het medisch verslag is hier niet de oorzaak van het probleem, maar wel het veranderende territoriaal bevoegdheidscriterium, het zogenaamde conflit mobile. De beoordeling van elke zaak behoort uiteraard tot de exclusiviteit van de rechterlijke macht, doch de hervorming van de vredegerechten zal logischerwijze bijdragen aan de harmonisatie van de verschillende werkwijzen.

 

Tijdens de tweede fase van de hervorming zullen de verschillende vredegerechten eenzelfde griffie delen. In de derde fase zal de territoriale bevoegdheid van de kantons hertekend worden. Dit zal noodzakelijkerwijze leiden tot een meer uniforme manier van werken binnen hetzelfde vredegerecht, maar ook tussen de verschillende vredegerechten onderling.

 

Ik bekijk ook verder in het kader van de vereenvoudiging van de wetgeving inzake de bewindvoering hoe de behandeling in deze situaties nog kan worden versneld.

 

08.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, intussen is er de nieuwe wet van 17 maart 2013. In de praktijk blijkt er nog een aantal hiaten te zijn, die ook al in de Driekoningenbrief van 6 januari 2016 werden opgeworpen. Daarover hebben we ook al een aantal keren in de commissie van gedachten gewisseld.

 

De vrederechter dient uiteraard nog steeds een nabijheidsrechter te zijn. De wet zegt dat de verblijfplaats de territoriaal bevoegde vrederechter bepaalt. In de praktijk is het dan ook niet abnormaal dat men niet de woonplaats maar de effectieve verblijfplaats beschouwt, zeker wanneer familieleden ook nog aanvragen indienen. Dat heeft de wetgever ook willen benadrukken.

 

Als ik het goed begrepen heb tijdens eerdere sessies, komt er hoe dan ook een evaluatie. Ik ben van mening dat we dit zeker moeten meenemen, aangezien de medische verslagen niet verlengd worden. Het kan niet de bedoeling zijn om de administratieve rompslomp in dergelijke zaken te verhogen, maar wel degelijk te verlagen.

 

De fusie van de vredegerechten zal hier mogelijk ook wel voor een stuk aan tegemoetkomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Meryame Kitir aan de minister van Justitie over "de controlemechanismen op de integriteit van personen onder voogdij" (nr. 15456)

09 Question de Mme Meryame Kitir au ministre de la Justice sur "les mécanismes de contrôle de l'intégrité des personnes sous tutelle" (n° 15456)

 

09.01  Meryame Kitir (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onlangs was er in het Vlaams-Brabantse Geetbets het dramatische voorval van een man die al dertien jaar overleden was, en niemand die daar van wist. De man had een fysieke en verstandelijke handicap, en hij was onder voogdijschap van zijn zus geplaatst. Die zus heeft het overlijden de hele periode verborgen gehouden voor de maatschappij, waardoor ook het vervangingsinkomen voor de betrokken man verder bleef lopen.

 

Uiteraard zullen wij ons niet uitspreken over dit particuliere dossier, waarvoor het onderzoek nog loopt. Niettemin heb ik een aantal vragen bij het feit dat het overlijden meer dan een decennium onder de radar bleef.

 

De wettelijke bepalingen inzake voogdij zijn federaal vastgelegd onder drie voorwaarden. Ten eerste, er moet een toeziende voogd zijn. Ten tweede, er moet jaarlijks verslag worden uitgebracht over het beheer van de goederen en de toestand van de persoon onder voogdij. Ten derde, de vrederechter kan zich te allen tijde informeren over de persoon onder voogdij.

 

Mijn vragen zijn de volgende. Welke controlemechanismen zijn er om ervoor te zorgen dat het overlijden van een persoon onder voogdij tijdig gedetecteerd kan worden? Is er op het moment van neerlegging van het jaarlijkse verslag van het beheer van goederen en de toestand van een persoon onder voogdij, nergens een moment waarop de fysieke integriteit van de betrokken persoon in levende lijve gecontroleerd kan worden? Werkt het gerecht niet samen met sociale en gemeentelijke diensten, en/of politie om te vermijden dat mensen zo lang onder de radar kunnen verdwijnen?

 

Ik kijk alvast uit naar uw antwoord.

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Kitir, eerst en vooral wil ik benadrukken dat uw vragen rechtstreeks verband houden met een individueel dossier, waarover ik, gelet op het principe van de scheiding der machten, geen uitspraak kan en mag doen. Bijgevolg ben ik ook niet op de hoogte van de feitelijke situatie en heb ik geen kennis van de mogelijke beschermingsmaatregelen waaronder de man in kwestie zou zijn geplaatst. Niettemin kan ik u wel het volgende meedelen wat betreft uw vragen over de controlemogelijkheden binnen de voogdij.

 

Bij elke voogdij wordt door de vrederechter een toeziende voogd benoemd, die toezicht houdt op de voogd. Indien deze vaststelt dat de voogd tekortschiet in de uitoefening van zijn voogdij, dan moet hij de vrederechter daarvan onverwijld in kennis stellen. De voogd moet op zijn beurt alle medewerking verlenen opdat de toeziende voogd zijn taak zou kunnen uitoefenen. De voogd moet jaarlijks de voogdijrekeningen en een voogdijverslag bezorgen aan de vrederechter, de toeziende voogd en de onder voogdij geplaatste persoon, ouder dan 15 jaar. De wet voorziet bij de jaarlijkse neerlegging van de voogdijrekeningen en het voogdijverslag niet in een verplichte controle van de fysieke integriteit van de betrokken persoon. Dit belet niet, zoals u terecht aangeeft, dat de vrederechter ten allen tijde alle maatregelen kan nemen om zich te vergewissen van de familiale, morele en materiële toestand van de onder voogdij geplaatste persoon, alsook van diens leefomstandigheden.

 

Hij kan daarbij ook de procureur des Konings verzoeken om, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, over al deze punten alle nuttige inlichtingen in te winnen. De wet, en meer bepaald artikel 412 van het Burgerlijk Wetboek, voorziet dus reeds in een aantal controlemechanismen.

 

Ik wil erop wijzen dat, sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving ter bescherming van meerderjarige kwetsbare personen op 1 september 2014, er nog meer rekening wordt gehouden met de controle op de fysieke integriteit van de te beschermen persoon. Alle oude beschermingsstatuten voor meerderjarigen, waaronder de voogdij over personen die gerechtelijk onbekwaam of verlengd minderjarig werden verklaard, zullen overigens uiterlijk tegen 1 september 2019 worden omgezet in het nieuwe beschermingsstatuut en worden geëvalueerd door de vrederechter.

 

Binnen het kader van het nemen van een rechterlijke beschermingsmaatregel kan de vrederechter, overeenkomstig artikel 1244 van het Gerechtelijk Wetboek, alle nuttige inlichtingen inwinnen. Hij kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon. De vrederechter wint eveneens nuttige inlichtingen in bij de omgeving van deze persoon, waaronder in het bijzonder diens bloedverwanten tot de tweede graad, alsook de personen die belast zijn met de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon, of de personen die hem begeleiden. De vrederechter mag zich bovendien begeven naar de verblijfplaats van de te beschermen persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt.

 

Daarnaast beschikt de vrederechter over dezelfde mogelijkheden inzake controle als onder het huidig recht. Bovendien worden de rechterlijke beschermingsmaatregelen overeenkomstig artikel 492/4, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek geëvalueerd. De vrederechter kan ook een vertrouwenspersoon aanstellen. Onder het nieuwe bewind gaat dus veel meer aandacht uit naar het welzijn en de betrokkenheid van de beschermde persoon, evenals naar de betrokkenheid van het sociale netwerk.

 

Wat de regelgeving omtrent de aangifte van een overlijden betreft, kan ik u meedelen dat, indien men geen aangifte komt doen van een persoon die thuis overleden is, er geen specifieke controlemaatregelen bestaan. Dit soort van fraude wordt wel gesanctioneerd door artikel 233 van het Sociaal Strafwetboek dat onjuiste en onvolledige verklaringen betreffende de sociale voordelen bestraft. Meer specifiek bestraft artikel 233, §1, ten tweede en ten derde elke persoon die heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen, of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden, alsook elke persoon die een sociaal voordeel heeft bekomen waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of van het verstrekken van vereiste inlichtingen. Ik heb echter geen weet van toepassing van deze strafrechtelijke bepaling in de praktijk.

 

Wat de controlemechanismen tegen dergelijke sociale fraude betreft, wens ik erop te wijzen dat de FOD Sociale Zaken en de FOD Werkgelegenheid bevoegd zijn voor die materie.

 

Ik had graag een minder ambtelijk antwoord voorgelezen op zo’n schrijnende toestand, mevrouw Kitir, maar het is niet anders.

 

09.03  Meryame Kitir (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het is inderdaad een schrijnende toestand. Zoals ik al zei, dit is niet de plaats om dat dossier te beoordelen; het onderzoek zal uitsluitsel geven. Maar ik vind het wel een belangrijk maatschappelijk gegeven dat mensen die in een zeer kwetsbare situatie terechtkomen zo lang onder de radar kunnen blijven. Dat baart mij zorgen.

 

Ik heb uit uw antwoord begrepen dat de nieuwe wetgeving van 2014 een betere en nieuwe bescherming biedt en dat er via de vrederechter voldoende middelen zijn om te kunnen ingrijpen. Het zou misschien nuttig zijn om dit samen met de vrederechters te bekijken, zodat zij daarvoor wat attenter zijn. Ik zal niet zeggen dat zij dat niet zijn, maar misschien kan men de aandacht erop vestigen om in die gevallen de middelen die nu al ter beschikking zijn zoveel mogelijk te gebruiken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de M. Paul-Olivier Delannois au ministre de la Justice sur "le palais de justice de Tournai et sa sécurité" (n° 15395)

10 Vraag van de heer Paul-Olivier Delannois aan de minister van Justitie over "het gerechtsgebouw van Doornik en de veiligheid ervan" (nr. 15395)

 

10.01  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, le palais de justice de Tournai a récemment été victime d'une tentative de vol par effraction, notamment au niveau des locaux des greffes correctionnels et des pièces à conviction dans la nuit du jeudi 24 novembre. Plusieurs portes ont été fracturées par les auteurs de l'acte.

 

Monsieur le ministre, comment se fait-il qu'aucun système d'alarme ne permette de prévenir de ce genre d'intrusion? Il s'agit là d'objets et de pièces très importantes qui, vous en conviendrez, doivent être conservées avec la plus grande précaution. Que sait-on aujourd'hui à propos de cet acte? Des personnes ont-elles été interpellées? Que peut-on constater comme éléments volés?

 

Enfin, maintenant que votre masterplan III a été approuvé, quel est l'agenda prévu? Qu'en est-il pour le palais de justice de Tournai? Pour rappel, il était prévu de réaliser des travaux pour la fin de l'année 2015!

 

Le président: Merci, monsieur le député-bourgmestre de Tournai.

 

10.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur le bourgmestre de Tournai, je vous remercie de votre question.

 

Le SPF Justice a défini des normes de sécurité pour les palais de justice dans la directive générale "Les caractéristiques spécifiques d'un plan de sécurité pour les palais de justice" et les a transmises en septembre 2013 à la Régie des Bâtiments. Dans ce document sont fixées les normes destinées à sécuriser les palais ainsi que les locaux où les pièces à conviction sont conservées.

 

Il revient à la Régie des Bâtiments de prendre en charge, dans le cadre des travaux de première installation, les mesures décrites dans cette directive.

 

Dans le cas du palais de justice de Tournai, le dossier de sécurisation a été déposé auprès des services de la Régie depuis plusieurs années. Cette dernière a entrepris les travaux de sécurisation voici quelques mois. La première phase s'est achevée au début de ce mois. Il s'agissait de sécuriser la zone réservée aux détenus. La sécurisation des locaux où sont entreposées les pièces à conviction a également fait l'objet d'une demande d'intervention auprès de la Régie des Bâtiments. La procédure doit suivre son cours.

 

À toutes fins utiles, je précise que le masterplan III est celui des établissements pénitentiaires. Il ne concerne donc pas les palais de justice. Le masterplan de la réorganisation judiciaire est en cours d'élaboration et fera l'objet d'une communication en temps utile.

 

10.03  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

Cela dit, c'est un peu gênant. En effet, lorsque j'interroge la Régie des Bâtiments, elle me renvoie vers vous. Aujourd'hui, vous me remballez gentiment auprès de celle-ci. Je vais donc me tourner à nouveau de son côté. Jouer au ping-pong ne me pose pas de problèmes.

 

Pour le masterplan, vous m'aviez dit à la fin 2015 que vous m'apporteriez bientôt une réponse au sujet du palais de justice de Tournai. Je vous rappelle que les ministres Reynders et De Clerck sont venus poser la première pierre du nouveau bâtiment. Pour l'instant, nous nous trouvons devant un mur d'incompréhension. En effet, chaque fois que nous posons une question, il nous est répondu que nous aurons bientôt une réponse. Cela me fait quelque peu penser au sketch de Fernand Raynaud. Je ne sais pas si vous le connaissez. On pose la question: "Combien de temps le fût du canon met-il pour refroidir?" et, à la fin du sketch, la réponse est: "Un certain temps." J'ai l'impression qu'il en va de même dans ce dossier. Or cela commence tout doucement à urger.

 

Je suppose que vous êtes au courant que la Régie des Bâtiments a racheté un terrain qui appartient à la Défense nationale pour construire un nouveau palais de justice.

 

Et quand je demande au ministre qui a la Régie des Bâtiments dans ses attributions ce qu'il compte faire sur ce terrain, il répond qu'il ne sait pas. Mettez-vous à ma place, en tant que responsable municipal à Tournai. Nous ne savons pas, ce qui est particulièrement gênant!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de radicalisering in de gevangenissen" (nr. 15460)

11 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la radicalisation dans les prisons" (n° 15460)

 

11.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de verklaringen in de pers van de heer Raes, administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, waarin hij zijn bekommernis en ongerustheid over de radicalisering in de gevangenissen uitdrukt.

 

Mijnheer de minister, kunt u iets meer uitleg geven bij de reden waarom hij recent die verklaringen heeft afgelegd? Zijn er specifieke redenen daarvoor?

 

Intussen bestaat het Plan Radicalisme al meer dan tien jaar. Wat is sinds de opmaak van het plan op het vlak van de problematiek van de gevangenissen ondernomen, aangezien het probleem niet nieuw is?

 

Kunt u mij een lijst bezorgen van de concrete initiatieven en de maatregelen tegen radicalisme die door de leiding van het EPI werden uitgewerkt?

 

Welke maatregelen tegen radicalisering werden specifiek genomen tijdens de lange staking van eerder dit jaar?

 

Kunt u misschien melden hoeveel gevallen van radicalisering in de gevangenissen de voorbije vijf jaar werden vastgesteld?

 

Gezien de verklaringen van de heer Raes, welke rol speelt de Veiligheid van de Staat ter zake?

 

Sinds wanneer wordt daaromtrent actie ondernomen?

 

Hoeveel concrete initiatieven werden de voorbije vijf jaar ondernomen? Hoe en door wie wordt de efficiëntie van de initiatieven geëvalueerd?

 

Mijnheer de minister, ik dank u alvast voor uw antwoorden op een hele boterham van vragen.

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, de verklaring van de heer Raes kaderde in een ruimer interview naar aanleiding van de herdenking van de aanslagen in Parijs. Het is logisch dat hij als administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat bijzondere aandacht vraagt voor de problematiek van radicalisering in de gevangenissen.

 

Het actieplan Aanpak Radicalisering in Gevangenissen beschreef tien actiepunten. Het zou ons te ver leiden om op elk van die punten in te gaan, maar ik wil u toch de hoofdlijnen niet onthouden. Ten eerste, wat de kennis betreft over de omvang van de fenomenen radicalisering en proselitisme in de gevangenissen bestaat er een duidelijke procedure van informatiegaring en -uitwisseling tussen het gevangeniswezen en de inlichtingendiensten. De werkgroep Gevangenissen, waarvan de Veiligheid van de Staat in het kader van het actieplan waarnaar u verwijst de lead heeft, wisselt dus al geruime tijd informatie uit over het fenomeen, ook al toen het fenomeen in de gevangenissen misschien minder aanwezig was.

 

De problematiek is pas echt geëscaleerd eind 2014, begin 2015 en was dan ook aanleiding tot de opmaak van een specifiek plan met betrekking tot radicalisering in de gevangenissen, zoals dat in maart 2015 vorm heeft gekregen. De instructies voorzien in adequate observatie- en rapportage-instrumenten die moeten bijdragen tot het beoordelen van risicogedrag. De informatie die via die instrumenten wordt vergaard, wordt tevens gedeeld met de Staatsveiligheid. De expertise met het oog op risicotaxatie is binnen de organisatie gebracht en in het verlengde daarvan is een belangrijk aantal personeelsleden opgeleid. Dat gebeurde aan de hand van opleiding, in het bijzonder dewelke gericht is op het gebruik van het risicotaxatie-instrument dat ontwikkeld werd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Daarnaast werd uiteraard opleiding georganiseerd om begrippen als radicalisering en extremisme te kunnen plaatsen en correct te interpreteren.

 

Opleidingen richten zich tot medewerkers van de psychosociale dienst, bewakingsassistenten, directieleden en islamconsulenten. Dankzij dat alles is men momenteel bij het DG EPI bij machte om relatief betrouwbare inschattingen te maken van de mate waarin en de wijze waarop radicaliseringtendensen in gevangenissen zich manifesteren, binnen welke netwerken van personen binnen en buiten de inrichtingen en van het besmettingsgevaar.

 

Ten tweede, wat de interne classificatie van terrogedetineerden betreft, leidt de schikking uit punt 1 effectief tot de plaatsing van terrogedetineerden in de driedelige structuur zoals bepaald, met name in reguliere gevangenissen, in satellietgevangenissen en in deradicsafdelingen. Vertrekkend van de idee dat de aanpak van het fenomeen radicalisering maximaal geïntegreerd dient te worden in de werking van alle gevangenissen, bestaat het plaatsingsbeleid dan ook uit een getrapt systeem. Daarbij worden in eerste instantie de geïnterneerden opgevolgd binnen de gewone gevangenissettings. Wanneer er, ten tweede, echter een meer gerichte aanpak nodig is, worden de geïnterneerden doorgestuurd naar een satellietgevangenis. Daar volgt een specifiek opgeleid team de personen intensiever op, maar worden ze vervolgens nog wel maximaal geïntegreerd in de gewone werking van de gevangenissen in kwestie. Ten derde, indien de dreiging te reëel is of indien er tekenen zijn dat medegedetineerden actief gerekruteerd zijn binnen een geradicaliseerd netwerk, dan worden de protagonisten daarvan naar de D-Rad:ex-afdeling overgebracht.

 

De D-Rad:ex-afdeling is in infrastructuur reeds afgewerkt en in gebruik sinds april 2016. Voor de D-Rad:ex-afdeling in Hasselt bestaat een specifiek huishoudelijk reglement. Voor de afdeling te Ittre wordt dat momenteel afgewerkt. Met het huishoudelijk reglement wordt uitvoering gegeven aan artikel 16 van de basiswet van 2005. Zo’n huishoudelijk reglement bevat in grote lijnen alle rubrieken van de basiswet en vertaalt ze naar de wijze waarop en via welke procedures, ze in lokale gevangenis dienen worden georganiseerd, in casu naar de specifieke doelgroep van geradicaliseerde geïnterneerden.

 

Ten derde, wat specifieke begeleidingsprogramma’s voor die gedetineerden betreft, dat is zonder twijfel de meest complexe pijler, waaraan momenteel en in de directe toekomst de meeste aandacht wordt besteed. Het betreft enerzijds de begeleiding van de gedetineerden naar gelang van hun detentietraject en anderzijds specifieke programma’s met het oog op disengagement en deradicalisering. Hieromtrent wordt intensief samengewerkt tussen de diensten van het Gevangeniswezen en die van de Gemeenschappen, waarmee wij de bevoegdheden delen. Ook in die context geldt de regel dat maximaal het gewone dienstenaanbod moet worden ingezet om de detentieperiode van de gedetineerden vorm te geven, aangevuld met specifieke begeleidingstechnieken, waarin ook de islamconsulenten een aandeel hebben. Wat die laatste betreft, kan ik bevestigen dat het overgrote deel van hen intussen in dienst is en een specifieke opleiding volgt met betrekking tot het omgaan met die gedetineerden.

 

Ten vierde, een stakingsperiode kenmerkt zich door een erg beperkte interne mobiliteit van de gedetineerden in de gevangenissen en bevordert daarmee niet het risico op radicaliseringsprocessen. De erg beperkte contacten die de gedetineerden konden hebben met personen van buiten de gevangenissen, zullen een temperend effect hebben gehad. Een periode van staking lijkt mij dan ook niet direct bijkomende problemen te doen rijzen, waarvoor specifieke bijkomende maatregelen in het kader van de radicaliseringsproblematiek zouden moeten worden genomen.

 

Ten vijfde, wat het aantal vaststellingen van radicalisering binnen de gevangenissen betreft, is het uiteraard moeilijk om vast te stellen hoeveel processen van radicalisering zich in de gevangenissen hebben voltrokken. Vanuit de gevangenis werden in 2015-2016 ongeveer 300 meldingen gemaakt. De VVSE gaat er momenteel vanuit dat in totaal een 450-tal gedetineerden met een sterk wisselend risicoprofiel op het vlak van islamradicalisering aanwezig is. Het aandeel daarvan dat tijdens de detentie werd geradicaliseerd en dat voordien niet was geradicaliseerd, kan moeilijk worden becijferd, omdat het radicaliseringsproces nu eenmaal geen exacte wetenschap is. Ook het evalueren van de aanpak is mijns inziens voorbarig. De ultieme vraag zou kunnen zijn in welke mate het fenomeen afneemt, maar er spelen hiertoe te veel factoren mee die de invloedssfeer van Justitie in het algemeen en het Gevangeniswezen in het bijzonder overstijgen om daar relevante uitspraken over te doen.

 

11.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw omstandig antwoord. Als u mij toestaat, dan neem ik straks de voorbereide tekst van uw antwoord mee, omdat het wat snel ging om alles goed te kunnen volgen.

 

Iedereen beseft dat wij daar blijvend op moeten inzetten, gelet op het belang van de problematiek, maar het verwondert mij enigszins wel dat er geen extra maatregelen zijn genomen of dat u de staking niet als een extra gevarenfactor beschouwt in verband met het proces van radicalisering. Daarop zal ik uw antwoord nog in detail nalezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de loondelegatie bij het niet-betalen van onderhoudsbijdragen" (nr. 15487)

12 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la délégation de salaire en cas de non-paiement des contributions alimentaires" (n° 15487)

 

12.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van de berekening van een objectieve onderhoudsbijdrage bepaalt dat wanneer de schuldenaar een van de opgelegde verplichtingen van de aangegane verbintenis niet nakomt, de schuldeiser of onderhoudsgerechtigde de tenuitvoerlegging van het vonnis kan doen machtigen om de verschuldigde geldsom te ontvangen. De schuldeiser of onderhoudsgerechtigde richt zich hiervoor opnieuw tot de rechtbank.

 

De rechter staat de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee al dan niet opeenvolgende maanden in de loop van twaalf maanden heeft onttrokken aan zijn verplichting tot betaling van onderhoudsbijdragen. Hiermee kan de schuldeiser vragen aan de werkgever of een andere instantie die nog geld aan de schuldenaar moet uitbetalen om de geldsom rechtstreeks te ontvangen.

 

Mijnheer de minister, hoe dikwijls gaat iemand die twee maanden geen onderhoudsbijdragen heeft ontvangen opnieuw naar de rechtbank om een machtiging te vragen, graag per Gewest?

 

Kan er niet, naar analogie van wat voor DAVO bestaat, een vermelding in het vonnis worden opgenomen die de rechtsonderhorigen wijst op de mogelijkheid van machtiging?

 

12.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, mijn administratie beschikt niet over cijfers die aangeven hoe vaak iemand die twee maanden geen onderhoudsbijdrage heeft ontvangen op basis van artikel 203 ter van het Burgerlijk Wetboek opnieuw naar de rechtbank gaat om een machtiging te vragen om de verschuldigde geldsommen te ontvangen. Die cijfergegevens zijn namelijk niet opgenomen in de publicatie van de activiteitsstatistieken van het College van hoven en rechtbanken. De cijfers kunnen daarenboven ook niet worden berekend op basis van gegevens uit de applicatie die gebruikt wordt op de griffies van de familierechtbanken.

 

De suggestie om nog een extra vermelding in het vonnis op te nemen die de rechtszoekenden wijst op hun mogelijkheid om een dergelijke machtiging te bekomen, is zeker een debat waard. Ik acht het net als u belangrijk dat burgers goed zijn geïnformeerd. De vraag rijst echter of dat de meest efficiënte manier is. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat de taak van een rechter in de eerste plaats is om recht te spreken en geschillen te beslechten. Het kan niet de bedoeling zijn om in een vonnis steeds de partijen voor te lichten over hun rechten en plichten, want dat is in de eerste plaats de taak van de juridische bijstand, onder andere justitiehuizen, advocaten, gerechtsdeurwaarders enzovoort.

 

Het lijkt mijns inziens belangrijker om de betrokkenen te leiden naar de juridische bijstand, eerder dan hen te wijzen op alle mogelijke uitvoeringsmodaliteiten in de rechterlijke beslissing. In die optiek heeft de vermelding van de gegevens van de Dienst voor Alimentatievorderingenn – met opgave van de opdracht van die dienst in rechterlijke beslissingen die onderhoudsbijdragen voor kinderen vaststellen zoals bepaald in artikel 1321, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek – ook tot doel om de betrokkenen te leiden naar een vorm van juridische bijstand.

 

12.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, een tijdje geleden heb ik u een schriftelijke vraag gesteld naar de cijfers omtrent familieverlating of klachten wegens het niet-betalen van onderhoudsbijdragen. Dat bleken er gemiddeld zeven per dag te zijn.

 

Het is juist dat er moet worden ingezet op het informeren van onderhoudsgerechtigden omtrent hun middelen. Wat voor DAVO geldt, kan volgens mij minstens ook voor loondelegatie gelden. We zijn het erover eens dat rechtstreeks dagvaarden de ultieme remedie moet zijn om tot betaling te komen.

 

We zien dat dat in de praktijk ook zo is. In verband daarmee hebt u mij geantwoord dat er op dit moment wegens familieverlating nog maar één intrekking van het rijbewijs is geweest. Als ik uw repliek op de beleidsnota gisteren goed begrepen heb, hebt u naar aanleiding van een aantal zaken die daarover opgeworpen wordt, haatmails ontvangen van onderhoudsplichtigen die daarover hun zegje wensten te doen.

 

Dat vind ik eerlijk gezegd de wereld op zijn kop. Mensen die veroordeeld worden tot het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van hun eigen kinderen, maar die niet betalen, gaan zich dan ook nog eens kwaad maken of sturen haatmails over de gang van zaken.

 

Volgens mij zijn het eerder de onderhoudsgerechtigden die in de kou blijven staan en ook de kinderen zijn daarvan de dupe. Daarop zullen we toch eerder onze pijlen moeten richten. Daarin kan de commissie ter objectivering van de onderhoudsbijdrage haar taak vinden om zowel voor de onderhoudsplichtige als onderhoudsgerechtigde een aanvaardbaar systeem uit te werken waarbij het systeem van de onderhoudsbijdragen veel meer gedragen wordt. Zo zullen er geen klachten meer nodig zijn en zou een strafrechtelijke veroordeling ook niet meer mogelijk zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "onroerende goederen bij EOT" (nr. 15489)

13 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "les biens immobiliers dans le cadre d'un divorce par consentement mutuel" (n° 15489)

 

13.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een vrij lange en technische vraag.

 

Een echtscheiding door onderlinge toestemming verplicht koppels om een regeling op te stellen omtrent hun wederzijdse rechten en omtrent de familierechtelijke overeenkomst, onder andere over de omgangsregeling met de kinderen, het onderhoudsgeld en dergelijke.

 

Deze overeenkomsten worden in één document met bijlagen aan de rechtbank van eerste aanleg voorgelegd. Artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt enkel dat een letterlijk uittreksel van dergelijke regelingsakte moet worden overgeschreven op het bevoegde hypotheekkantoor, voor zover deze ook betrekking heeft op onroerende goederen.

 

De vraag of een dergelijke regelingsakte in het kader van een EOT met betrekking tot onroerende goederen onderhands kan worden opgemaakt, levert verschillende standpunten op. Een deel van de rechtsleer verdedigt de mogelijkheid om de regelingsakte in een dergelijk scenario onderhands op te maken, maar verplicht dan wel om na de definitieve echtscheiding, bij de notaris een authentieke akte te laten opmaken die dan moet worden overgeschreven op een hypotheekkantoor.

 

Dit standpunt wordt niet gevolgd door onder andere de rechtbank van Luik en het hof van beroep in Antwerpen, die menen dat de regelingsakte noodzakelijkerwijs in authentieke vorm moet worden opgemaakt. Een onderhandse akte zou volgens hen niet volstaan, omdat na de definitieve echtscheiding een van de echtgenoten zou kunnen weigeren de notariële akte te verlijden waardoor er, met andere woorden, in dit geval geen rechtszekerheid zou zijn.

 

Er is een tendens in de rechtsspraak om de regelingsakte voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming met overdracht van onroerende goederen enkel te bekrachtigen indien deze in authentieke vorm werd opgesteld. Eén uitzondering bestaat daarop, vooral in de praktijk, waar de echtgenoten beslissen om het onroerend goed in onverdeeldheid te houden in afwachting van verkoop. Ook daar heb ik al meegemaakt dat de rechtbank dit niet wil aannemen. Dan moet er geen authentieke akte worden verleden indien de verkoop plaatsvindt alvorens de partijen moeten verschijnen voor de familierechtbank. Zoals ik al zei, ben ik daar ook al teruggemoeten met mijn verzoekschrift of regelingsakte wegens vormgebrek.

 

Bent u het eens met de vaststelling dat de huidige wettekst hierover onvoldoende duidelijkheid verschaft en aldus ruimte laat voor beide interpretaties?

 

Kan een onderhandse akte waarin alle regelingen omtrent onroerende goederen zijn opgenomen en die bekrachtigd is door de familierechtbank, niet volstaan als rechtsgeldig document?

 

13.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, ik ben als minister van Justitie niet bevoegd om wetten te implementeren. Die bevoegdheid komt toe aan de hoven en rechtbanken.

 

Onder dit voorbehoud, mevrouw Uyttersprot, kan ik u evenwel het volgende meedelen.

 

De bepaling waarnaar u verwijst, artikel 1287, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: “Een letterlijk uittreksel van de akte waaruit het bestaan van de overeenkomsten blijkt moet, voor zover het betrekking heeft op onroerende goederen, overgeschreven worden op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn op de wijzen en binnen de termijnen, bepaald in artikel 2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913”.

 

Dit artikel bepaalt niet expliciet een tijdstip waarop het uittreksel moet worden overgeschreven, in het geval er onroerende goederen zijn, doch uit samenlezing met het vierde lid van voornoemd artikel met de andere leden dient te worden geconcludeerd dat het verlijden moet gebeuren voor de echtscheiding is voltrokken. Het eerste lid van hetzelfde artikel bepaalt immers dat de echtgenoten die besloten hebben over te gaan tot echtscheiding met onderlinge toestemming hun wederzijdse rechten vooraf, dus vóór de echtscheiding is voltrokken, moeten regelen.

 

De tweede vraag die u stelt moet beantwoord worden in het licht van artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat uitdrukkelijk bepaalt dat een letterlijk uittreksel van de akte, voor zover dit betrekking heeft op onroerende goederen, noodzakelijkerwijze moet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn. In het geval van aanwezigheid van onroerende goederen lijkt een onderhandse akte derhalve niet te volstaan.

 

13.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het duidelijk antwoord waaruit blijkt dat een onderhandse akte niet volstaat.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "l'octroi de l'aide juridique aux personnes morales" (n° 15458)

14 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de toekenning van de juridische bijstand aan rechtspersonen" (nr. 15458)

 

14.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, la Cour constitutionnelle a récemment considéré que les personnes morales avaient, elles aussi, droit à l'aide juridique de deuxième ligne. Le Code judiciaire prévoit pourtant aujourd'hui qu'il faut entendre par aide juridique de deuxième ligne "l'aide juridique accordée à une personne physique sous la forme d'un avis juridique circonstancié ou l'assistance juridique dans le cadre ou non d'une procédure ou l'assistance dans le cadre d'un procès".

 

L'appréciation de la Cour constitutionnelle portait sur la question de savoir si, au regard de l'importance des accusations susceptibles d'être portées contre une personne morale, de son aptitude personnelle à se défendre et de la nature de la procédure susceptible de la concerner, les intérêts de la justice peuvent requérir qu'une personne morale dont les ressources sont insuffisantes bénéficie d'une assistance judiciaire gratuite. Cette appréciation s'est faite notamment à la lumière de la Convention européenne des droits de l'homme, qui garantit le droit de l'accusé n'ayant pas les moyens de rémunérer un défenseur à être assisté gratuitement par un avocat pro deo.

 

Selon la Cour constitutionnelle, une personne morale poursuivie pénalement qui n'a pas les moyens de rémunérer un défenseur satisfait aux conditions imposées par la Convention européenne des droits de l'homme. C'est pourquoi, monsieur le ministre, je souhaite vous soumettre les questions suivantes.

 

Comment comptez-vous mettre en conformité notre droit avec cet arrêt de la Cour constitutionnelle qui admet l'octroi de l'aide juridique aux personnes morales? Allez-vous prendre une initiative législative afin de modifier le Code judiciaire?

 

Selon quelles modalités l'octroi de l'aide juridique aux personnes morales pourrait-il être réalisé? Quelles pourraient être les conditions d'octroi de l'aide juridique aux personnes morales?

 

L'impact de l'octroi de l'aide juridique aux personnes morales a-t-il déjà été estimé, en termes de nombre de dossiers, mais aussi en termes budgétaires?

 

14.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, j'ai pris connaissance avec intérêt de l'arrêt du 17 novembre 2016 rendu sur la question préjudicielle par la Cour constitutionnelle. Il va de soi que j'entends y donner le plus rapidement possible des suites. À ce stade, j'envisage toutes les pistes afin de mettre notre droit en conformité avec cet arrêt, et particulièrement la piste d'une initiative législative.

 

Cette analyse étant toujours en cours dans mes services, vous comprendrez qu'il est prématuré de donner une réponse sur les modalités ou les conditions d'octroi de l'aide juridique aux personnes morales, ainsi que sur l'impact en termes du nombre de dossiers ou sur l'évolution du budget de l'aide juridique. J'aurai le plaisir d'y revenir plus tard, à votre meilleure convenance.

 

14.03  Philippe Goffin (MR): Merci, monsieur le ministre. Ce sera donc un dossier que nous traiterons en 2017 dans cette même commission.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 15477 de Mme Kattrin Jadin est transformée en question écrite.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.49 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.49 uur.