Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 25 januari 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 25 janvier 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.25 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.25 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

 Jean-Marc Nollet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, étant donné que le ministre doit nous quitter dans une heure, je propose de transformer ma question n° 16122 en question écrite.

 

01 Vraag van de heer Koen Metsu aan de minister van Justitie over "het bezoekrecht in de gevangenissen" (nr. 15957)

01 Question de M. Koen Metsu au ministre de la Justice sur "le droit de visite dans les prisons" (n° 15957)

 

01.01  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb die vraag eigenlijk opgesteld in de sfeer van nieuws dat ons een paar weken geleden bereikt heeft. Het was in verband met het feit dat Oussama Atar in 2013 tot twintig keer toe de broers El Bakraoui bezocht zou hebben in de gevangenissen. Ik heb dat uit de pers gehaald. Ik heb dat niet uit een officieel document. Dat heeft ons wel aan het denken gezet.

 

Radicalisering en deradicalisering binnen de gevangenismuren is een heel issue, een zeer complexe taak die iedereen naar behoren probeert te volbrengen. Aan de andere kant moeten wij er ook op toezien dat die radicaliseringsinvloed niet van buitenaf geïmporteerd wordt in die gevangenissen. Ik heb al een paar keer in tussenkomsten verwezen naar de Kouachi-broers en naar Coulibaly. Zij zijn als gewone kleine straatcriminelen de gevangenis binnengetreden en hebben als moslimterroristen de gevangenis verlaten.

 

In die zin gaat mijn vraag over het bezoekrecht binnen de gevangenissen. Ik heb vier vragen.

 

Mijnheer de minister, bestaat er vandaag een verbod om bepaalde personen te bezoeken in de gevangenis? Is dit verbod wettelijk bepaald? Of kan dit verbod opgelegd worden door een rechter via een vonnis of een arrest?

 

Ten tweede, bestaan er interne richtlijnen binnen de gevangenissen die mensen verhinderen om op bezoek te komen?

 

Ten derde, zou u richtlijnen kunnen opstellen die een bezoek door bepaalde personen verbieden? Indien ja, zou het mogelijk zijn om personen die voorkomen op de geconsolideerde OCAD-lijst een bezoek aan een gedetineerde te weigeren?

 

Ten vierde, eigenlijk de hoofdzaak, is er überhaupt de mogelijkheid om de toegang tot de gevangenis bij wet, via een intern reglement van de gevangenis of een richtlijn uitgevaardigd door uzelf te beperken voor bepaalde personen of niet?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, het bezoekrecht van gedetineerden wordt geregeld door de bepalingen in Titel V, hoofdstuk III, van de wet van 12 januari 2005, zijnde de basiswet, meer bepaald in artikelen 58 tot en met 63.

 

Ze bepalen dat de gedetineerden standaard bezoekrecht hebben van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de voogd, de echtgenoot, de wettelijk of feitelijk samenwonende partner, de broers, de zussen, de ooms en de tantes, na van hun hoedanigheid te hebben doen blijken. De directeur kan aan deze personen het bezoekrecht voorlopig ontzeggen, wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen.

 

Het ligt voor de hand dat bijgevolg ook het ongestoord bezoek van deze personen tijdelijk kan worden beperkt, indien, ten eerste, de bezoeker of gedetineerde zich niet aan de bezoekregeling houdt, ten tweede, via het bezoek niet-toegelaten voorwerpen worden binnengebracht of, ten derde, de persoonlijkheid van de gedetineerde voor dat type bezoek gecontra-indiceerd is.

 

Aan de overige bezoekers dient de directeur een bezoektoelating te geven. Hij kan die toelating weigeren, indien de betrokken persoon geen gerechtvaardigd belang kan doen blijken of wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid in gevaar kan brengen.

 

Al deze bepalingen zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement van de gevangenis, dat bovendien gedragsregels beschrijft waaraan bezoekers en gedetineerden zich dienen te houden en die met een beperking of tijdelijke opschorting van het bezoekrecht kunnen worden gesanctioneerd, indien zij niet worden nageleefd.

 

Een beslissing tot verbod om bezoek te mogen ontvangen van de personen die u in uw derde vraag bedoelt, dient in de hierboven geciteerde bepalingen van de basiswet te kaderen.

 

U kan dus besluiten dat de basiswet inderdaad bepalingen bevat die het bezoekrecht kunnen inperken. Dergelijke beslissingen dienen uiteraard aan de algemene principes van die wet te beantwoorden, met name dat het om geïndividualiseerde beslissingen gaat, beperkt in de tijd en gemotiveerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

 

01.03  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u verwijst naar de wet van 2005.

 

Mag ik daaruit concluderen dat er geen wetswijziging aan de orde is of dat de regering niet speelt met het idee van finetuning van het bezoekrecht? Zullen wij gewoon de regels die wij al sinds jaar en dag kennen, blijven handhaven of worden ze kritisch bekeken?

 

Dat is een volgende vraag die ik zal stellen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 15960 de Mme Jadin est transformée en question écrite.

 

De samengevoegde vragen nr. 15996 van de heer Van Hecke en nr. 16133 van mevrouw Van Cauter zijn uitgesteld.

 

02 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de aanwezigheid van bovenmatig veel munitie in het Justitiepaleis te Brussel" (nr. 16012)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de aanwezigheid van bovenmatig veel munitie in het Justitiepaleis te Brussel" (nr. 16013)

- de heer Gautier Calomne aan de minister van Justitie over "de aanwezigheid van munitie in het Brusselse Justitiepaleis" (nr. 16082)

- mevrouw Özlem Özen aan de minister van Justitie over "de onder het Brusselse Justitiepaleis opgeslagen munitie" (nr. 16121)

02 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la présence de quantités excessives de munitions au Palais de Justice à Bruxelles" (n° 16012)

- Mme Annick Lambrecht au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la présence de quantités excessives de munitions au Palais de Justice à Bruxelles" (n° 16013)

- M. Gautier Calomne au ministre de la Justice sur "la présence de munitions au Palais de Justice de Bruxelles" (n° 16082)

- Mme Özlem Özen au ministre de la Justice sur "les munitions logées sous le Palais de Justice de Bruxelles" (n° 16121)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, het is een publiek geheim dat het justitiepaleis aan het Poelaertplein een risicogebouw is dat men op eigen risico betreedt. Maar inmiddels weten we uit de verklaringen van de heer Jean de Codt, eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, dat er in het gebouw nog andere gevaren op de loer liggen. Er is brandgevaar en potentieel zelfs ontploffingsgevaar. Volgens de verklaringen van de betrokkene ligt er onder het gebouw immers ongeveer vijf ton munitie als bewijsmateriaal, terwijl de exploitatievergunning maximaal 450 kilogram toelaat. Bovendien wordt de munitie in onveilige en zelfs onwettelijke omstandigheden opgeslagen.

 

Wat zijn de regels voor het bewaren van munitie en dergelijke in gerechtsgebouwen in het kader van het bewijsmateriaal? Wie houdt toezicht op de naleving van die regels en wie is verantwoordelijk voor eventuele ongelukken?

 

Weet u of er soortgelijke problemen zijn in andere gerechtsgebouwen? Zo ja, welke?

 

Op welke wijze zult u dat probleem aanpakken, mijnheer de minister?

 

02.02  Özlem Özen (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, il est apparu dans la presse, suite aussi aux déclarations du premier président de la Cour de cassation, que des explosifs, des balles et des détonateurs sont stockés au Palais de Justice. Ce sont plus de 5 tonnes de munitions qui sont logées à cet endroit alors que le permis d'exploitation n'est normalement valable que pour 450 kg. Qui plus est, les locaux du Palais de Justice ne sont pas dotés d'un système sécurisé garantissant la conservation de ces munitions dans de bonnes conditions: caméras de sécurité inopérantes, de serrures faciles à crocheter ou encore absence d'accès sécurisés.

 

Le premier magistrat du pays réclame l'évacuation du matériel et envisage de ne plus accepter de munitions au service des pièces à conviction. Ce dernier s'est notamment montré inquiet sur les risques que pouvait engendrer cette situation, comme des incendies ou des explosions. Il semblerait également que cette situation aurait d'ailleurs dû être régularisée avant le mois de septembre 2016.

 

Monsieur le ministre, comment pouvez-vous expliquer que le service des pièces à conviction du Palais de Justice compte actuellement plus de 5 tonnes de munitions alors que la limite autorisée est fixée à 450 kg? Quelles solutions préconisez-vous afin de remédier à cette situation illégale? Un déménagement est-il prévu? Le cas échéant, quand sera-t-il réalisable? Quels sont les endroits sécurisés où les munitions pourraient être logées? Que prévoit le Masterplan à cet égard? Des moyens sont-ils prévus dans le cadre du Masterplan pour sécuriser les espaces destinés à accueillir les pièces à conviction?

 

02.03 Minister Koen Geens: Madame Özen, mevrouw Lambrecht, in beginsel worden in beslag genomen zaken neergelegd in de griffie van de correctionele rechtbank, waar een griffier instaat voor de bewaring. Noch de procureur, noch de onderzoeksrechter is trouwens verplicht om de inbeslaggenomen zaak neer te leggen ter griffie. Die kan in functie van de aard van de inbeslaggenomen zaak ook op de plaats van inbeslagname bewaard blijven, in andere opslagplaatsen bij de politiediensten of om veiligheidsredenen aan DOVO worden overgedragen.

 

In het bijzonder aangaande de afvoer en de vernietiging van munitie en springstoffen bestaat de procedure erin dat er steeds een beroep moet worden gedaan op de ontmijningsdienst van Defensie. Daartoe werd er een protocol gesloten tussen Defensie, Binnenlandse Zaken en Justitie op 23 december 2014. Het protocol geldt voor onbepaalde duur en regelt de praktische wijze waarop de griffier voor de afvoer en vernietiging van munitie klein kaliber een beroep kan doen op DOVO. Dat protocol is bekend bij het College van het openbaar ministerie en bij het College van hoven en rechtbanken.

 

En ce qui concerne la situation à Bruxelles, une grande partie des munitions présentes au P1 est bien entreposée dans des armoires adaptées et renforcées qui se trouvent dans un local séparé, fermé et bien sécurisé.

 

Vu la grande quantité, ce lieu d'entreposage adapté ne s'applique pas à la totalité des 5 tonnes de munitions évoquées par le premier président de la Cour de cassation. Plutôt que de prévoir des armoires ou de l'espace supplémentaire, il faut investir dans l'évacuation de ces munitions.

 

Le greffe correctionnel du tribunal de première instance francophone peut donc, sur la base de ce protocole pour l'évacuation des munitions pour lequel le parquet a déjà pris une décision d'enlèvement et de destruction, contacter le service de déminage de la Défense pour planifier la destruction.

 

En outre, depuis 2014, le procureur du Roi peut, à tout stade de la procédure, ordonner la destruction de certains biens saisis, par exemple, si l'entreposage peut comporter un risque grave et donc anticiper plus facilement des situations de stockage dangereuses. Il faut donc que les instances judiciaires exploitent également pleinement ces instruments de travail mis à leur disposition.

 

Tot slot wil ik benadrukken dat het een van de prioriteiten van mijn beleid blijft dat maximaal vermeden moet worden dat gevaarlijke stoffen zoals drugs, chemische reagentia, munitie en wapens nog binnen de muren van een gerechtsgebouw worden bewaard. Sinds meerdere jaren is er daaromtrent een sensibilisering op gang gebracht om in meer ruime zin de instroom van overtuigingsstukken, de bewaringswijze en de uitstroom ervan beter en dynamischer te maken en te bewaken. Dat sensibiliseringsproces vergt echter zijn tijd.

 

De creatie van meer centrale en beter beveiligde depots per arrondissement voor de bewaring van minder gevaarlijke overtuigingsstukken is een ander aanvullend initiatief tot betere beheersing van de overtuigingsstukken. Dat zal ook worden opgenomen in het masterplan Gerechtsgebouwen. Er wordt gewerkt aan de traceerbaarheid van de overtuigingsstukken via de applicatie PACOS.

 

Al die maatregelen moeten de gerechtelijke instanties ondersteunen om zo een dynamisch beheer van de inbeslaggenomen zaken en overtuigingsstukken te ontwikkelen.

 

02.04  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel.

 

02.05  Özlem Özen (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes les explications que vous avez données.

 

Vous dites qu'un protocole d'accord a été signé entre l'Intérieur et la Justice, en 2014, en vue de sensibiliser à la nécessité d'avoir des armoires sécurisées, etc. Mais, selon moi, le but, c'est la destruction de ces munitions. La politique doit être menée de la même façon qu'en matière de drogue. Il y a des armes lourdes, des explosifs qui représentent un danger. Les stocker dans des armoires n'a pas de sens. Cela a un coût parce que cela prend de la place. Comme on a pu le constater lors de l'incendie qui a frappé l'INCC, même s'il y a des armoires sécurisées, la sécurité des personnes qui travaillent dans ces lieux n'est pas assurée. Il est inadmissible de laisser les choses en l'état.

 

Quoi qu'il en soit, je n'ai toujours pas reçu de réponse à ma question. Un stockage au niveau de la police ne résoudra pas le problème. Il faut tout simplement procéder à une destruction des munitions.

 

02.06  Koen Geens, ministre: (…)

 

02.07  Özlem Özen (PS): Sauf s'il y a des traces ADN.

 

02.08  Koen Geens, ministre: (….)

 

02.09  Özlem Özen (PS): Comment expliquez-vous la présence de 5 tonnes de munitions, monsieur le ministre?

 

02.10  Koen Geens, ministre: La question ne doit pas uniquement m'être posée, madame. J'espère que ce n'est pas à moi de les "dégager".

 

02.11  Özlem Özen (PS): Je peux comprendre que, pour une partie, les affaires sont toujours en cours et que des traces ADN doivent éventuellement être recherchées, mais dans les autres cas, une destruction s'impose puisque l'on est dans l'illégalité. Je vous rappelle que les 450 kg sont dépassés. Il est ici question de votre responsabilité.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de voorwaardelijke vrijlating van een persoon veroordeeld voor pedofilie" (nr. 16014)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la libération conditionnelle d'une personne condamnée pour pédophilie" (n° 16014)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de voorbije dagen heeft de geschreven pers uitvoerig stilgestaan bij de vrijlating onder voorwaarden van een kleuterleider veroordeeld voor diverse zeer zware feiten van pedofilie. De feitenrechter had de man een gevangenisstraf van 6 jaar en een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank voor 5 jaar opgelegd. De commotie ging over het feit dat de betrokkene reeds na 2 jaar, dus na een derde van de opgelegde straf, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, vrijgelaten is door de strafuitvoeringsrechtbank, weliswaar onder voorwaarden. Aangezien een van die voorwaarden, namelijk een behandeling in een gespecialiseerde instelling, voorlopig niet kan gebeuren, moet de man in de gevangenis blijven.

 

Mijnheer de minister, oordeelt u niet dat er een discrepantie is tussen enerzijds, de door de feitenrechter uitgesproken bestraffing en anderzijds, de snelle vervroegde vrijlating na een derde van de straf in een zwaar dossier van pedofilie?

 

Kunt u zich aansluiten bij de bedenking dat dergelijke dossiers de geloofwaardigheid van gevangenisstraffen ondergraven?

 

Is het normaal dat beslist wordt dat iemand vrijgelaten wordt, maar toch in de cel moet blijven, omdat een van de voorwaarden voor vrijlating niet ingevuld kan worden?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, op grond van de wet van 17 mei 2006 met betrekking tot de externe rechtspositie van veroordeelden is het mogelijk dat de strafuitvoeringsrechtbank vanaf de uitvoering van een derde van de straf een veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid stelt, tenzij het een veroordeling betreft in staat van bepaalde herhaling. Die multidisciplinair samengestelde rechtbank onderzoekt daarbij grondig of er een adequaat reclasseringsplan is en of er geen tegenindicaties zijn, zoals het gevaar dat de veroordeelde nieuwe feiten zal plegen, de slachtoffers zal verontrusten of zich zal onttrekken aan de controle van het openbaar ministerie, de politie en/of de justitiehuizen.

 

De wetgever beoogde in 2006, net vanwege de geloofwaardigheid van de strafrechtelijke keten, om de beslissingen tot een vervroegde invrijheidstelling toe te kennen aan een rechter in de strafuitvoering, omdat er inderdaad wordt ingegrepen in de aard en de duur van de straf opgelegd door een rechter ten gronde. Trouwens, de wet definieert de voorwaardelijke invrijheidstelling expliciet als een modaliteit van de uitvoering van de straf, aangezien de veroordeelde gedurende de proeftijd voorwaarden moet naleven. In mijn recent plan tot hercodificatie van de wetboeken heb ik voorgesteld om de tijdsvoorwaarden voor een vervroegde invrijheidstelling in principe te brengen op de helft van de straf.

 

Met betrekking tot uw laatste vraag, de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteiten betekent niet dat die onmiddellijk aanvangt. Het vonnis is uitvoerbaar, zodra het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarden voor de toegekende invrijheidstelling voldoet. De strafuitvoeringsrechtbank kan echter een latere datum vastleggen door een voorwaarde te bepalen die eerst moet worden gerealiseerd. Wanneer aan de voorafgaande voorwaarden wordt voldaan, brengt de directeur de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank onmiddellijk op de hoogte en wacht hij tot de rechtbank bevestigt dat de beslissing uitvoerbaar is. Het is dus niet abnormaal dat dat gebeurt.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik vind het zeer abnormaal dat men een kernpedofiel zomaar vrijlaat en beslist dat hij psychiatrisch moet behandeld worden, waarna de betrokkene toch in de gevangenis moet blijven, omdat men niet aan de voorwaarde kan voldoen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de minister van Justitie over "de Kansspelcommissie en de zaak rond Anderlechtspeler Deschacht en zijn broer" (nr. 16023)

04 Question de M. Brecht Vermeulen au ministre de la Justice sur "la Commission des jeux de hasard et l'affaire relative au joueur d'Anderlecht Deschacht et son frère" (n° 16023)

 

04.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geografisch gezien zit ik dichter bij Club Brugge dan bij Anderlecht, maar daarom stel ik de vraag niet. Mijn bezorgdheid gaat uit naar matchfixing.

 

Mijnheer de minister, ik heb u daarover in deze commissie al ondervraagd. U antwoordde dat het inzetten op eigen wedstrijden door een kapitein, een speler of een trainer van een voetbalploeg verboden is door artikel 4, § 3, van de Kansspelwet, dat duidelijk bepaalt op welke manier men het resultaat van de betreffende wedstrijd kan beïnvloeden. Daders van een inbreuk op de bepaling van artikel 4, § 3, worden bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een boete van honderd tot honderdduizend euro, te vermenigvuldigen met opdeciemen.

 

Op 18 januari 2017, vrij recent dus, maakte de Kansspelcommissie bekend dat zij de intentie had om Anderlechtspeler Olivier Deschacht en zijn broer Xavier elk een boete van honderdduizend euro op te leggen voor hun illegale gokgedrag. Het verhaal van Deschacht kende de voorbije maanden al heel wat wendingen. In september 2016 onderzocht men in hoeverre hij verschillende seizoenen na elkaar zou gegokt hebben op voetbalwedstrijden, waaronder sporadisch ook matchen van zijn eigen ploeg. Eerst ontkende hij alles, dan was het zijn broer, dan was het niet op eigen wedstrijden, dan was het enkel op winst en dan was het ook bij wedstrijden waarin hij zelf was opgesteld. Hij maakte gebruik van nicknames en had accounts doorgegeven. Toen raakte bekend dat hij effectief op eigen wedstrijden had gegokt, zelfs op verlies. Dat is niet alleen verboden door het strafrecht, maar ook door de cao’s die met de spelersbonden zijn gesloten, door individuele arbeidsovereenkomsten en door de bondsreglementen van de Voetbalbond. Ludwig Sneyers van de Pro League heeft ook zoiets bekendgemaakt.

 

De Gentse afdeling van het Oost-Vlaamse parket stelde in december 2016 inbreuken vast. Men had het dossier van de Kansspelcommissie gekregen. Conform artikel 15/1, § 2; van de Kansspelwet keek men of de Kansspelcommissie een administratieve boete zou kunnen bepalen voor de door het parket weerhouden inbreuken. Deze heeft nu de administratieve geldboete bepaald op honderdduizend euro per persoon.

 

Het parket en de Kansspelcommissie hebben in deze vrij snel gehandeld. De speler zal de sanctie nog in hetzelfde seizoen als waarin de inbreuken zijn vastgesteld, opgelegd krijgen. Ik lees ook dat de voorzitter van de Kansspelcommissie in oktober al had meegedeeld, toen de zaak pas bekend raakte, dat hij samen met u, de Pro League en de vergunde wetoperatoren zou nagaan in hoeverre het wedden op eigen wedstrijden voor topsporters beter kan voorkomen of bestreden worden.

 

Ik heb daarover een aantal vragen. Ten eerste, hebben de onderzoeken naar gokkende voetballers of topsporters — ik heb het immers niet enkel over voetbal, het gaat voornamelijk over voetbal maar in het verleden waren er ook zaken in het tennis en andere sporten — in 2016 ook geleid tot een administratieve sanctie? Over hoeveel personen ging het dan? Welke sanctie werd daarbij opgelegd? Werd die ook betaald of werd ze achteraf betwist?

 

Ten tweede, zijn er op basis van de onderzoeken rond Olivier Deschacht en andere gokkende profvoetballers vaststellingen gedaan die aanleiding hebben gegeven tot het aanpassen, verduidelijken of strikter toepassen van de wetgeving? Ik denk bijvoorbeeld heel concreet aan het gebruik van nicknames, het verplicht inloggen met een eID om dan het doorgeven van de accounts te bemoeilijken enzovoort.

 

Ten derde, zijn er afspraken gemaakt met de Kansspelcommissie — de voorzitter van de Kansspelcommissie heeft daar in oktober naar verwezen — met de Pro League, met de voetbalbond, eventueel met andere sportbonden en met de vergunde wedoperatoren, om het wedden op eigen wedstrijden door professionele sportbeoefenaars of trainers beter te voorkomen en/of beter te bestrijden?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vermeulen, in 2016 werden verschillende opsporingsonderzoeken gevoerd naar topsporters die gokten op wedstrijden waarop zij een rechtstreekse invloed konden uitoefenen. Voor elk van die dossiers liet de bevoegde procureur weten dat zonder het bestaan van de inbreuk in twijfel te trekken, geen gevolg zouden worden gegeven aan de feiten en dat door de Kansspelcommissie conform artikel 15/3 van de Kansspelwet kan worden overgegaan tot het opleggen van een administratieve geldboete.

 

In 2016 werden met het oog op het opleggen van administratieve geldboetes sanctieprocedures opgestart tegen vier personen. In de zitting van 18 januari 2017 werd beslist tot het opstarten van een sanctieprocedure tegen Olivier en Xavier Deschacht. Drie personen kregen ondertussen een effectieve administratieve geldboete van 3 000 euro opgelegd. De overige sanctieprocedures zijn nog lopende. Een betrokken topsporter ging ondertussen over tot betaling van de administratieve geldboete. De andere twee die een administratieve geldboete opgelegd kregen bevinden zich nog in de termijn waarbinnen beroep kan worden aangetekend. Het is niet geweten of deze spelers dat ook zullen doen.

 

Een goede identificatie van spelers overstijgt het onderzoek van deze zaak. Hun businessplan werd goedgekeurd in december 2015. Tegen het einde van dit jaar moeten de identificatieproblemen zijn opgelost. Ondertussen is de samenwerking hierover met de Privacycommissie opgestart. Heel wat operatoren zetten zelf al de nodige stappen om de kwaliteit van de profielen te verbeteren. Het gebruik van eID is momenteel niet aan de orde omdat de operatoren dan de toelating moeten krijgen van de Privacycommissie om de persoonsgegevens in het algemeen en het Rijksregisternummer in het bijzonder te capteren en door te sturen.

 

Er is een groeiend besef in België dat de aanpak van matchfixing best multidisciplinair kan gebeuren. Aanleiding daartoe vormde een verzameling van alle actoren rond dit fenomeen in opmars door Interpol en het Nationaal Olympisch Comité op 22 april van vorig jaar. Als minister van Justitie ben ik betrokken via het openbaar ministerie, de Kansspelcommissie en mijn administratie Wetgeving, die sinds enige tijd rond dit fenomeen werken.

 

De federale regering en de Gemeenschappen ondertekenden de Conventie STCE 215 op 29 november 2016 te Boedapest. Op 16 december 2016 werd hier bij ons reeds de intentieverklaring tot oprichting van het Nationaal Platform voor Matchfixing afgelegd. De bedoeling is een structureel overleg tussen alle betrokken actoren te organiseren, een actieplan op te stellen, best practices uit te wisselen en afspraken over een geïntegreerde, preventieve en repressieve aanpak te maken. Maken deel uit van het Nationaal Platform: de federale politie, de Voetbalcel, de administratie Wetgeving van de FOD, het openbaar ministerie, de Kansspelcommissie, de Gemeenschappen, Adeps, Agentschap Sport Vlaanderen en de Duitstalige Gemeenschap, en enkele sportfederaties.

 

04.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid en gedetailleerd antwoord.

 

Op een aantal punten volg ik u niet helemaal omdat de inbreuken die u aanhaalt te maken hebben met matchfixing, wat neerkomt op het overschrijden van de wetgeving inzake kansspelen met het doel fraude te plegen. In het geval van Olivier Deschacht lijkt het mij duidelijk dat hij de wetgeving heeft overtreden.

 

Ik zou eigenlijk de zaken zo vroeg mogelijk willen detecteren. Er moeten inzake identiteit zo hoog mogelijke kwaliteitseisen komen om te vermijden dat men tot matchfixing kan komen. Matchfixing moet worden beperkt tot het illegale circuit en niet voorkomen in het legale circuit van de gokoperatoren.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Marcel Cheron au ministre de la Justice sur "la possibilité pour les procureurs du Roi de proposer des formations alternatives aux perceptions immédiates" (n° 16015)

05 Vraag van de heer Marcel Cheron aan de minister van Justitie over "de mogelijkheid voor de procureurs des Konings om opleidingen als alternatief voor de onmiddellijke inning voor te stellen" (nr. 16015)

 

05.01  Marcel Cheron (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, les procureurs du Roi ont aujourd'hui la possibilité légale de proposer des formations en alternative au système dit des perceptions immédiates, essentiellement utilisées dans le cas des excès de vitesse.

 

Le ministre de la Mobilité, M. Bellot, que j'ai pris soin d'interroger, m'a dit qu'il existait un arrêté royal encadrant cette activité et qu'il serait publié après la mise en service du nouveau système de collecte des amendes sur lequel travaille le SPF Justice, système dénommé "Cross-border exchange". Je me permets donc – c'est logique – de vous interroger puisque le SPF Justice, si j'ai bien compris, c'est plutôt vous. On nous parle d'une mise en activité du service au 1er juillet 2017. Vous voyez, je vous fais déjà réfléchir aux vacances qui approchent!

 

Dans l'attente de ces arrêtés royaux, plusieurs procureurs continuent à proposer cette alternative telle qu'elle a été mise sur pied à l'origine et telle qu'elle a convaincu le législateur de la généraliser. C'est un système qui marche bien. Je suis allé voir sur le terrain.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous confirmer que ce système en cours de développement intégrera directement la possibilité pour les procureurs du Roi de proposer une alternative au paiement de l'amende, donc à la perception immédiate, en l'occurrence une formation visant un changement de comportement? On sait que dans ce domaine, le plus important, c'est la prise en compte du problème par soi-même.

 

Ab absurdo, si tel n'était pas le cas, cela n'impliquerait-il pas que la loi ne peut plus être appliquée puisque de facto, les procureurs n'auraient en fait plus de possibilité technique de proposer ces formations?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Cheron, le projet Cross-border prévoit une meilleure perception des amendes routières. Il a été décidé de simplifier au maximum la procédure de gestion des amendes en Belgique et d'éviter d'avoir deux procédures parallèles pour les infractions commises par les contrevenants belges et celles commises par les contrevenants étrangers européens.

 

On a profité de l'implémentation du système de perception des amendes internationales pour modifier la procédure de gestion de la perception des amendes nationales et mettre en place un seul système applicable aussi bien aux amendes encourues par les contrevenants belges qu'à celles encourues par les contrevenants étrangers européens.

 

Rien n'est explicitement prévu en ce qui concerne des mesures alternatives parce que cela n'a pas de lien avec l'objectif. La réglementation actuelle restera maintenue jusqu'à ce que mon collègue, le ministre Bellot, ait finalisé son projet d'arrêté royal. Les procureurs pourront donc continuer à proposer des mesures alternatives s'ils le jugent opportun. L'un n'exclut absolument pas l'autre.

 

05.03  Marcel Cheron (Ecolo-Groen): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour sa réponse. Je ne manquerai pas de retourner vers le ministre de la Mobilité en m'assurant qu'il ait bien perçu immédiatement la même réponse du ministre de la Justice, de manière à pouvoir réellement agir sur le terrain et avoir le même but. Vous voyez la difficulté: il faut que les procureurs soient bien conscients que le système est toujours possible et permis, et qu'à l'avenir, ils puissent toujours avoir la possibilité de recourir à ce système de formations sur le terrain. D'un point de vue pédagogique, il est, à mon avis, très utile

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de minister van Justitie over "de werking van de Kansspelcommissie" (nr. 16024)

06 Question de M. Brecht Vermeulen au ministre de la Justice sur "le fonctionnement de la Commission des jeux de hasard" (n° 16024)

 

06.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, in De Tijd van 17 januari las ik dat uw provincie- en partijgenoot Carl Devlies, voormalig staatssecretaris, zich nogal scherp heeft uitgesproken over de werking van de Kansspelcommissie. Hij liet noteren dat de Kansspelcommissie zich de voorbije jaren veeleer opstelde als stimulator dan als regulator en zich meer bekommerde over de rendabiliteit van de vergunde gokoperatoren dan over de bescherming van de speler.

 

Carl Devlies gaf enkele concrete voorbeelden van wat hij zelf dramatische toestanden noemde. Tal van vergunde websites zouden zowel casinospelen als weddenschappen aanbieden. Dat zou oogluikend worden toegestaan, hoewel dat door de wet verboden is. Er is voorts nog altijd geen uitvoeringsbesluit dat de onlinespeellimieten afbakent. Daarnaast, aangezien er met fictieve gegevens een spelersrekening kan worden geopend, schiet de controle op de leeftijd van de onlinegokkers tekort. Tot slot zou de Kansspelcommissie te laks omgaan met gokreclame.

 

Er is natuurlijk al zeer lang sprake van een structureel personeelsprobleem bij de Kansspelcommissie. Het aantal personeelsleden nam sedert 2011 ook elk jaar af. Elk jaar verschijnt er wel een alarmerend bericht over het personeelstekort en het financieel tekort bij de kansspelcommissie. Eigenlijk ontstonden de problemen van de Kansspelcommissie in 2010, het jaar waarin een wetswijziging werd doorgevoerd die de taken van de Kansspelcommissie meer dan verdubbelde. De organisatie werd vanaf dat moment echter ook geacht toezicht te houden op de enorme sector van de weddenschappen en van de onlinecasino’s, zonder extra middelen om die taken te kunnen uitvoeren.

 

Dat staat ook ongeveer elk jaar in het jaarverslag van de Kansspelcommissie te lezen. In het jaarverslag van 2015 staat het volgende: ”Op personeelsgebied stond de KSC in 2015 voor een moeilijke opdracht. Ondanks de verdubbeling van het takenpakket en de stijgende inkomsten en budgettaire overschotten, zat de KSC eind 2015 in een situatie waarin reeds enkele jaren niet meer geïnvesteerd wordt. Het besef groeide dat de tijd rijp is om als KSC te evolueren naar een onafhankelijk statuut. In 2015 kon de KSC niet meer al haar kerntaken vervullen, zoals de bescherming van de spelers en de controle op de legale en illegale kansspelsector. De jarenlange ondermaatse investering bleef echter onopgemerkt voor de buitenwereld, dankzij het secretariaat dat ondanks de moeilijkheden zeer geëngageerd bleef werken".”

 

Ik ben niet de enige die al vragen heeft gesteld over de Kansspelcommissie. Ook collega Thiébaut deed dat. In het antwoord op zijn schriftelijke vraag nummer 712 wees u erop dat er in de begroting van 2016 een structurele financiering van de Kansspelcommissie zou komen door middel van een fonds met een recurrent bedrag van 610 000 euro aan kredieten.

 

Daarnaast zeiden de mensen van de ACOD – die zijn niet altijd mijn vrienden, maar hier hebben ze toch een punt – dat de Kansspelcommissie niet mag worden verlamd. Als men taken wil toewijzen aan de Kansspelcommissie, moeten natuurlijk ook het personeel en de werkingsmiddelen daarvoor aanwezig zijn. Er moet ook voor worden gezorgd dat de sector voldoende kan worden gereguleerd.

 

Deelt u de mening van de heer Devlies dat de Kansspelcommissie zich onvoldoende op haar taken richt en meer over de belangen van de gokoperatoren waakt?

 

Ervaart u ook dramatische toestanden in de goksector? Zo ja, op welke wijze zult u hieraan remediëren?

 

Hoe is het personeelsbestand bij het secretariaat van de Kansspelcommissie geëvolueerd in 2016? Het jaarverslag is uiteraard nog niet bekend. Is er voldoende personeel om de taken te kunnen blijven uitvoeren?

 

U hebt voor 610 000 euro aan bijkomende kredieten aangekondigd. Hebt u ze ook effectief kunnen toevertrouwen in 2016? Volstaat dat om het financieel tekort en het personeelstekort op te vangen?

 

Vindt u dat de Kansspelcommissie haar werk onvoldoende uitvoert? Vindt u dat zij verantwoordelijk is voor de mistoestanden, waarover ze overigens zelf bericht in haar jaarverslagen?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Vermeulen, wat uw eerste twee vragen betreft, vraag ik sinds mijn aanstelling de samenwerking van de Kansspelcommissie over een eerste pakket aan maatregelen tot bescherming van de speler. Ik denk dan met name aan het sluitend maken van de identificatie van de spelers en de spelersaccounts, voornamelijk wat de onlinekansspelen betreft, de inperking van de reclame voor gokken, de inperking van het aantal wedkantoren en een beschermend regelgevend kader voor de virtuele weddenschappen die door de Kansspelcommissie sinds 2012 werden gedoogd, zonder reglementaire basis.

 

Daarnaast heb ik gevraagd de internet-KB’s dringend te actualiseren. Ze werden in 2010 immers opgenomen maar nooit genomen, zodat dat regelgevend werk kan worden gefinaliseerd om het hoofd te bieden aan de evolutie in de sinds 2010 groeiende onlinekansspelmarkt.

 

Het interkabinettenwerk rond die thema’s heeft sinds december 2016 een aanvang genomen, met de bedoeling in het voorjaar een eerste pakket aan maatregelen te hebben afgewerkt. De Kansspelcommissie verleent haar volledige medewerking.

 

Wat uw derde vraag betreft, ten opzichte van 2015 noteerde het secretariaat van de Kansspelcommissie in 2016 een daling van haar personeelsbestand met twee personeelsleden tot 33 personen. Daarnaast zijn twee gedetacheerde politiemensen actief bij het secretariaat. In het kader van de interdepartementale provisie terrorisme en deradicalisering, worden twee politiecontrolemedewerkers bijgezocht voor de kansspelcommissie. Er vonden in 2016 geen andere aanwervingsinitiatieven plaats.

 

De Kansspelcommissie ontbreekt vandaag accurate knowhow met betrekking tot de internetspelen, de weddenschappen, de administratieve afhandeling van de vergunningen D en de controleactiviteiten op het terrein.

 

Op uw vierde vraag kan ik zeggen dat in 2016 bij de hervorming van de organieke fondsen een bedrag van 610 000 euro aan het fonds van de Kansspelcommissie werd toegevoegd vanuit het fonds Kansspelen van de FOD Economie, dat ermee bij de programmawet van 26 december 2015 werd eengemaakt. Daarnaast werd het uitgavenplafond van het fonds Kansspelen bij de FOD Justitie gelijkgesteld met de jaarlijkse te verwachten inkomsten, hetgeen een verhoging van het uitgavenplafond ten opzichte van 2015 met zich bracht, voor een bedrag van 2,565 miljoen euro.

 

Dankzij de bijkomende middelen uit de retributies gegenereerd door de technische cel van de Kansspelcommissie, en het verhoogde uitgavenplafond steun ik de Kansspelcommissie in de verhoging van haar personeelsbestand wat de controle op de onlinekansspelmarkt betreft en voor de ontwikkeling van een sluitend spelersaccountsysteem. Aangezien het de werving van ICT-profielen betreft, zal het niet gemakkelijk zijn de juiste profielen op de arbeidsmarkt te vinden. De oplossing ligt echter niet enkel in de werving van bijkomend personeel, maar ook in de reorganisatie van de regelgeving, die sluitender moet worden en meer gericht op de strikte organisatie van de uitzonderingen op het verbod van kansspelen in samenwerking met de kansspelsector.

 

Wat uw vijfde vraag betreft, de Kansspelcommissie zal opnieuw worden samengesteld, zodat ze slagkrachtiger wordt in het beheer en het beleid van de gokmarkt met het oog op de bescherming van de speler. Daarna zal nagedacht worden, met zes bevoegde ministers, over een organisatorisch meer efficiënte inbedding van die activiteiten in het federaal overheidslandschap, zodat de gokmarkt effectiever gereguleerd en gecontroleerd kan worden, nu de onlinemarkt sinds 2010 zo sterk is geëvolueerd.

 

06.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u. Ik hoor geruststellende zaken als u de nieuwe samenstelling aankondigt en voor reorganisatie kiest, zowel inzake de regelgeving als inzake organisatie zelf, om zo efficiënt mogelijk te werken.

 

Natuurlijk is een van de zaken die altijd terugkomen, dat men zijn taken niet meer kan uitvoeren, omdat er wordt bespaard. Daar ben ik het helemaal niet mee eens. In geval van besparingen moet men zich in de eerste plaats op de kerntaken richten en ervoor zorgen dat die zo goed mogelijk worden uitgevoerd. Wanneer er andere taken dan de kerntaken overblijven, wettelijk vastgelegd, dan moet men er natuurlijk wel voor zorgen dat er daarvoor voldoende middelen zijn.

 

De grootste uitdaging zit inderdaad niet in het klassieke gokpatroon maar wel in het onlinegokpatroon. Er is ook het risico van en de gemakkelijke toegang via het internet tot illegale gokkantoren, ook in dit land. Ik heb echter gehoord dat u daar goed aan zult werken. Ik zal u daar in de toekomst zeker nog over bevragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de minister van Justitie over "de bestraffing voor de onterechte niet-indiening van een vermogensaangifte of mandatenlijst" (nr. 16039)

07 Question de M. Brecht Vermeulen au ministre de la Justice sur "la sanction infligée pour le non-dépôt injustifié d'une déclaration de patrimoine ou d'une liste de mandats" (n° 16039)

 

07.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, sinds 1 januari 2005 zijn de gewone en bijzondere wetten van 2 mei 1995 betreffende de verplichting een lijst van mandaten, ambten en beroepen alsmede een vermogensaangifte in te dienen, alsook de gewone en bijzondere uitvoeringswetten van 26 juni 2004, van kracht. Die wetten hebben als uitgangspunt dat een goedwerkende democratie enkel werkt dankzij voldoende transparantie en dankzij het beginsel van gelijke behandeling.

 

De verplichting om een mandatenlijst in te dienen geeft de burger ook de mogelijkheid na te gaan waar een mandataris vertegenwoordigd is. Daardoor is het een middel om de schijn van belangenverstrengeling te verkomen. Zowel het Staatsblad als de gespecialiseerde website www.cumuleo.be geven informatie over de mandaten van elke persoon die onderworpen is aan de bovengenoemde wetten.

 

De wet voorziet in strafrechtelijke sancties van 600 tot 6 000 euro voor elke nalatigheid over de indiening van een mandatenlijst of vermogensaangifte. Het jaarverslag van het Rekenhof vermeldt elk jaar hoeveel personen er aangifteplichtig waren en hoeveel personen er geen mandatenlijst of geen vermogensaangifte hebben ingediend.

 

ln mei 2015 publiceerde het Rekenhof zijn jaarverslag 2014. In het hoofdstuk ‘Tien jaar controle op de indiening van mandatenlijsten en vermogensaangiften’ zegt het Rekenhof dat het parket door de publicatie van de lijsten die geen mandatenlijst of vermogensaangifte hebben ingediend, automatisch op de hoogte is van de overtredingen, maar dat ze meestal geen informatie krijgt over de vervolgingen die het parket instelt. Het concludeerde ook dat strafrechtelijke vervolging vooral fragmentarisch gebeurt en dat het zich niet kan uitspreken over de opportuniteit van strafrechtelijke sanctionering. Het kan bijgevolg ook de vraag niet beantwoorden of administratieve sancties doeltreffender zouden zijn.

 

Wat mij bekend is uit antwoorden op vroegere vragen en uit rapporten van het Rekenhof, is dat het aantal vervolgingen en veroordelingen zeer beperkt is. Ik heb daarover al een aantal vragen aan de eerste minister gesteld. Inzake het probleem van het koppelen van een strafrechtelijke sanctie aan het al dan niet indienen van een mandatenlijst of vermogensaangifte vroegen wij ons af of het niet nodig is om administratieve sancties in te stellen. Daarover wens ik u een aantal vragen te stellen.

 

ln hoeveel gevallen is het parket overgegaan tot vervolging in 2015 en 2016 wegens het onterecht niet-indienen van een mandatenlijst en/of vermogensaangifte? ln hoeveel gevallen is er een veroordeling uitgesproken en welke boetes werden daaraan gekoppeld? Werden die al geïnd?

 

Vindt u het een goed idee om de strafrechtelijke sanctie geheel of gedeeltelijk al dan niet onder bepaalde voorwaarden te vervangen door of aan te vullen met een administratieve sanctie? ln welke richting ziet u dat dan? Zou u een eventueel parlementair initiatief daarin steunen?

 

Denkt u dat de bovengenoemde wetten van 2 mei 1995 en 26 juni 2004 moeten worden gewijzigd om die beter nageleefd te zien?

 

Hebt u, los van een eventuele wetswijziging, andere voorstellen om die wetten beter te doen naleven?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Vermeulen, het College van procureurs-generaal kan in het kader van een mondelinge vraag de cijfers niet aanreiken in gevolge de daarmee gepaard gaande werklast. Er zijn ook geen specifieke richtlijnen voor het strafrechtelijk vervolgingsbeleid ter zake.

 

Wat betreft de strafbaarstelling zelf ben ik er in algemene termen voorstander van om inbreuken, die niet strafwaardig zouden zijn, niet langer penaal te sanctioneren, maar via de burgerlijke of administratieve weg te handhaven. De wetgever heeft in het verleden echter geoordeeld dat een penale sanctie op het niet-naleven van de aangifteverplichting moest worden gesteld. Deze eerdere keuze kan in vraag worden gesteld, gelet op de prioriteiten van het strafrechtelijk beleid, de beschikbare capaciteit en de vraag of het strafrecht het juiste instrument is. In sommige gevallen van niet-aangifte gaat het immers om onachtzaamheid of onwetendheid, hetgeen de aangifteplichtige weliswaar niet vrijpleit.

 

Ik meen dat het nuttig is om in het kader van de toekomstige besprekingen van het nieuwe strafwetboek ook deze bijzondere strafwetgeving tegen het licht te houden.

 

07.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, ik vond het al bijzonder verdacht dat er op een eerdere schriftelijke vraag geen antwoord werd gegeven. Ik vroeg daarin naar het aantal zaken met betrekking tot deze materie en het eventuele aantal veroordelingen. Ik vind het spijtig dat omwille van werklast daarover geen cijfers kunnen worden gegeven.

 

Ik betreur de keuze die destijds werd gemaakt door de wetgever om enkel te kiezen voor een strafrechtelijke aanpak. Ik ben het met u eens dat wij die keuze zeer grondig in vraag moeten stellen en kijken hoe dit beter kan. Ik laat in het midden of hiervoor een aanpassing nodig is van het Strafwetboek. Ik zou eerder opteren voor een andere aanpak. U hebt er daarnet immers ook op gewezen dat het vooral gaat over een administratieve nalatigheid, een vergetelheid en eerdere beperkte aantallen. Om ervoor te zorgen dat de wetgeving correct wordt nageleefd zonder een zware impact te leggen op het parket zou ik opteren voor een andere, snellere aanpak die niet meteen repressief hoeft te zijn.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Gautier Calomne au ministre de la Justice sur "la loi sur la collecte et la conservation des données des télécoms" (n° 15884)

08 Vraag van de heer Gautier Calomne aan de minister van Justitie over "de wet betreffende de inzameling en bewaring van telecommunicatiegegevens" (nr. 15884)

 

08.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, l’Ordre des barreaux francophones et germanophone a récemment formulé des critiques à l’égard de la nouvelle loi relative à la collecte et à la conservation des données des télécoms.

 

Votée au mois de mai 2016 et publiée au Moniteur belge quelques mois plus tard, la nouvelle législation ne satisferait pas les avocats, qui y voient des violations de la vie privée des citoyens et du secret professionnel régissant les relations entre un avocat et son client. Pour ces raisons, ils ont introduit un nouveau recours en annulation devant la Cour constitutionnelle.

 

Je cite à ce propos le président d’Avocats.be, qui a déclaré dans un quotidien bien connu, malgré l’annulation de la première loi: "Le législateur belge s’est entêté et a réintroduit une nouvelle loi qui ne tient pas compte des critiques émises par la Cour constitutionnelle. Les seules avancées sont liées aux modalités d’accès des autorités et aux modalités de conservation et de sécurisation des données."

 

Nonobstant le respect du traitement de ce dossier par la Cour constitutionnelle, je souhaiterais faire le point sur cette problématique.

 

Pouvez-vous nous communiquer un état des lieux de ce dossier, en ce compris à la lumière de l’appréciation du Data retention par la Cour européenne de justice?

 

Y a-t-il des discussions entre votre cabinet et les représentants du barreau précité, mais aussi avec ceux de la Ligue des droits de l’homme qui semble également avoir introduit un recours en justice? Dans l’affirmative, quel est l’état de celles-ci? Quels sont les éléments qui leur ont été présentés pour les rassurer sur la démarche du gouvernement et, partant, sur la pertinence du cadre voté?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur le député, la Ligue des droits de l'homme et Avocats.be avaient déjà fait part de leurs critiques vis-à-vis de la nouvelle loi et le recours n'est pas une surprise. Mon cabinet est toujours prêt à discuter avec les différents acteurs mais nous n'avons pas eu de demande dans ce sens.

 

Les critiques de ces organisations sont connues et ont été prises en compte.

 

Le gouvernement et le parlement ont débattu de ce dossier, l'option qui a été prise est de maintenir le principe de la conservation des données, mais avec des garanties renforcées concernant l'accès aux données et leur sécurisation.

 

Ces deux organisations contestent le principe même d'une conservation des données. La Commission de la Protection de la vie privée et le Conseil d'État n'ont pas remis en cause ce principe mais ont plutôt confirmé l'approche suivie dans ce qui a débouché sur une nouvelle loi Data retention.

 

Dans une affaire récente, l'avocat général auprès de la Cour européenne de justice a également largement confirmé le bien-fondé de cette approche. L'élément nouveau dans ce dossier n'est pas tellement le recours devant la Cour constitutionnelle mais bien plus l'arrêt de la Cour de justice de l'Union européenne du 22 décembre dernier dans deux affaires, l'une britannique et l'autre suédoise. Je l'ai abordé en séance plénière du parlement le 22 décembre dernier. Il influencera sans aucun doute la position de la Cour constitutionnelle belge.

 

Dans cet arrêt, la Cour européenne de Justice s'écarte, ce qui est assez rare, de l'avis de l'avocat général et se montre plus restrictive.

 

Tous nos principaux partenaires européens sont concernés car ils ont tous une législation similaire à la nôtre. Nos experts sont donc en contact pour déterminer la portée de l'arrêt et voir s'il faut modifier la législation et dans quel sens.

 

J'ai aussi demandé d'en discuter directement avec les autres ministres de la Justice lors du Conseil informel Justice et Affaires intérieures de cette semaine à Malte. Le dossier reste donc l'objet de travaux intenses. Il retient toute mon attention.

 

08.03  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous resterons évidemment attentifs à ce dossier qui devrait encore évoluer au cours des prochains jours.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 15765 de Mme Kattrin Jadin est transformée en question écrite.

 

09 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de uitoefening van het ambt van plaatsvervangend magistraat na de oppensioenstelling" (nr. 15935)

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het systeem van de plaatsvervangende rechters" (nr. 15938)

09 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "l'exercice de la fonction de magistrat suppléant après une mise à la retraite" (n° 15935)

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "le système de juges suppléants" (n° 15938)

 

09.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in verband met ons systeem van plaatsvervangende rechters is al heel veel inkt gevloeid. Er zijn adviezen uitgebracht door de Hoge Raad voor de Justitie, onder andere in 2006 en 2011. Het ging om kritische adviezen over het systeem.

 

Het is tegenwoordig nog altijd zo dat plaatsvervangers in bepaalde rechtbanken onontbeerlijk zijn om de continuïteit van de dienst te verzekeren. De bezoldiging van plaatsvervangers wordt geregeld door artikel 378 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en er is slechts in een bepaald aantal gevallen in voorzien. Plaatsvervangers zouden ook niet verzekerd zijn tegen bijvoorbeeld arbeidsongevallen. Sommigen zeggen dan ook dat de functie van plaatsvervangend rechter vooral gebruikt wordt om te beschikken over gratis magistraten.

 

Plaatsvervangers die het uithouden tot de pensioenleeftijd van 67 jaar worden bovendien slechts eervol met pensioen gestuurd als zij vooraf een aanvraag indienen bij de FOD Justitie. De manier waarop dat moet gebeuren, is evenwel weinig bekend, waardoor veel plaatsvervangers dat initiatief niet nemen of het vergeten en vaststellen dat zij, na vele jaren Justitie gratis te hebben gediend, in het Belgisch Staatsblad als ontslagen worden vermeld.

 

Inzake de plaatsvervangende rechters is er recent een adviesrapport uitgebracht van de GRECO, opgericht door de Raad van Europa. Daarin wordt onder andere gesteld dat ons land naar aanleiding van een vorig verslag werd opgeroepen om de voorwaarden te verbeteren om plaatsvervangend rechter te mogen zijn. Thans stelt men vast dat dit niet is gebeurd. Tegen eind oktober zou België een nieuw rapport moeten presenteren, waarin de geboekte vooruitgang op dat punt wordt uiteengezet.

 

Mijnheer de minister, hoe reageert u op de kritiek in verband met het loon van plaatsvervangende rechters?

 

Ten tweede, klopt het dat plaatsvervangers geen verzekering genieten?

 

Ten derde, klopt het geschetst parcours inzake de pensionering of het ontslag van plaatsvervangers? Is er dienaangaande enige verbetering mogelijk?

 

Ten vierde, hoe reageert u op de jongste kritiek van de GRECO binnen de Raad van Europa?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, aangezien beide vragen op plaatsvervangende rechters slaan, zijn ze samengevoegd.

 

De maatregel waardoor magistraten na hun pensionering nog kunnen zetelen als plaatsvervangend magistraat, wordt in de praktijk vrij vaak toegepast in een aantal rechtsmachten. Sommige magistraten die aldus worden ingezet, leveren haast dagelijks prestaties. In andere gevallen gaat het om punctuele of sporadische prestaties.

 

In 2015 werd de maatregel uitgebreid naar magistraten die vervroegd met pensioen vertrokken. Aangezien het gaat om een zeer recente mogelijkheid, is het moeilijk om na te gaan of er een rechtstreekse correlatie is met het terugdringen van de gerechtelijke achterstand. De ratio legis was trouwens in de eerste plaats de kennis en de expertise van de magistraten ook na hun pensionering nog te kunnen inzetten ten bate van de rechterlijke orde, indien zij daar zelf toe bereid zijn.

 

Ten tweede, de aanwijzing als plaatsvervangend magistraat kan twee maal worden vernieuwd tot de betrokkene de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt. Omdat het een recente maatregel is, zijn er vooralsnog geen statistische gegevens beschikbaar tot wanneer deze betrokken plaatsvervangende magistraten aan de slag blijven. In de praktijk is dat meestal rechtstreeks afhankelijk van de specifieke situatie, de aard van de taken, de functionele noden en de werklast binnen de rechtsmacht, wanneer zij als plaatsvervangend magistraat worden aangewezen.

 

De bezoldigingsregels voor de plaatsvervangende magistraten voorzien ofwel in de helft van de wedde die verschuldigd is voor de periode waarin de plaatsvervangend rechter optreedt om iemand tijdelijk te vervangen, ofwel in een vergoeding per geleverde prestatie. Voor deze laatste gevallen geldt een maandelijkse vergoeding die evenredig is aan de geleverde prestaties. Het komt mij voor dat het gaat om een correct loon, gelet op de duur en de aard van de geleverde prestaties. Het is niet correct te spreken van een gratis magistraat.

 

Wat de vierde vraag betreft, met betrekking tot de arbeidsongevallen, de reglementering inzake de arbeidsongevallen is wel degelijk van toepassing op de plaatsvervangende magistraten. Dat wordt geregeld door het KB van 18 juli 1973.

 

Ten vijfde, bij elke pensionering neemt de administratie steeds het initiatief om advies aan te vragen aan de rechterlijke overheden voor eervol ontslag, al of niet met de eretitel van het ambt.

 

Ten zesde, met de bekommernissen van de Raad van Europa om eerder een beroep te doen op werkende magistraten dan wel op plaatsvervangers wordt wel degelijk rekening gehouden. De Raad heeft trouwens geen bezwaar tegen het inzetten van op rust gestelde magistraten. Specifieke maatregelen inzake opleiding, onverenigbaarheden, supervisie en sancties worden opgevolgd en verder uitgewerkt.

 

09.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, u stelt het een beetje rooskleuriger voor dan het in de praktijk is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de opbrengst van de btw op het ereloon van advocaten" (nr. 15936)

10 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les recettes de la TVA sur les honoraires des avocats" (n° 15936)

 

10.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, over de btw op het ereloon van advocaten is al heel veel gezegd. In een schriftelijke vraag aan uw collega-minister van Financiën heb ik om de opbrengst gevraagd. In 2014 was dat 70,3 miljoen euro en in 2015 122,5 miljoen euro.

 

Volgens de OVB, de Orde van Vlaamse Balies, zou er sinds de invoering van de btw minder werk zijn voor advocaten, aangezien de factuur voor de rechtszoekenden heel wat is verhoogd en zou ook de toegang tot het gerecht voor de middenklasse beperkt zijn.

 

Mijnheer de minister, ik heb hierover een aantal vragen. Ten eerste, erkent u de link tussen de btw en de problemen binnen de advocatuur?

 

Ten tweede, hoe reageert u op de stelling dat door de invoering van de btw de toegang tot het gerecht voor de middenklasse wordt beperkt?

 

Ten derde, is er geen mogelijkheid om die grote bedragen, die de btw heeft opgebracht voor de Schatkist, aan te wenden in het kader van het pro-Deosysteem?

 

Voor mijn vierde vraag ben ik wellicht bij de verkeerde minister. U zult niet kunnen antwoorden op mijn vraag over de opbrengst van de btw in 2016. Die vraag laat ik dus vallen.

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, vanaf 1 januari 2014 moeten advocaten 21 % btw op hun erelonen aanrekenen.

 

Onder Europese druk werd de wetgeving aangepast, naar analogie van de invoering van de btw voor notarissen en gerechtsdeurwaarders in 2012, omdat België het enige land was waar nog een vrijstelling van btw voor advocaten bestond. Deze regeling betekent tevens dat advocaten voortaan ook btw kunnen aftrekken.

 

De rechtsplegingsvergoeding die in 2007 werd ingevoerd en waardoor de verliezende partij de gerechtelijke procedure en een deel van de advocatenkosten van de winnende partij moet betalen, valt niet onder deze regeling.

 

Kosten zoals griffie en rolrechten en expeditie van vonnissen of arresten die een advocaat voorschiet en daarna doorrekent aan zijn cliënten, zijn evenmin onderworpen aan deze btw-regeling. Hetzelfde geldt voor de kosten die een notaris of gerechtsdeurwaarder verplicht maakt in sommige dossiers. Op het moment dat de advocaat deze kosten doorrekent aan zijn cliënt, geldt de zogenaamde voorschotregeling, waardoor de btw slechts een keer wordt betaald.

 

Het aantal zaken voor een advocaat kan verminderen omwille van verschillende redenen, die niet per definitie te maken hebben met de btw-invoering op de erelonen van advocaten, zoals de grotere toegankelijkheid van bemiddeling door niet-advocaten.

 

Ten tweede, om de toegang tot het recht te garanderen, liggen verschillende initiatieven op de plank. Zo finaliseer ik een voorontwerp van wet met betrekking tot de rechtsbijstandsverzekering. Dit ontwerp beoogt een vlottere toegang tot het recht in hoofde van de rechtszoekende.

 

Ten derde, ik breng graag in herinnering dat de begroting een eenheid is. De begroting maakt het mogelijk de ontvangsten en uitgaven in hun geheel met elkaar te vergelijken, net als de kredieten bestemd voor diverse beleidsdomeinen.

 

Ik ben er steeds in geslaagd om de vergoeding van de pro-Deoadvocaten binnen de gesloten enveloppefinanciering aan te vullen. Zo werd de waarde van het punt in 2015 in twee fases vastgelegd. Op 1 juni van dat jaar bedroeg de waarde van het punt 24,76 euro en werd een totaalbedrag van 71 932 000 euro besteed aan de vergoeding van de pro-Deoadvocaten.

 

Vervolgens werd de vergoeding bij ministerieel besluit van 28 december 2015 met 1 euro verhoogd, waardoor de waarde van het punt in 2015 finaal 25,76 euro bedroeg. Het totaalbedrag van de bijkomende vergoeding bedroeg 2 978 000 euro. Het totale budget bedroeg op die manier inderdaad 74,9 miljoen euro.

 

Op 15 maart 2016 werd de waarde van het punt vastgesteld op 25,02 euro, goed voor een totaalbedrag van 72 795 000 euro. Met aanvullende kredieten werd de waarde van het punt verhoogd met 0,99 euro. De waarde van het punt zal dus voor 2016 26,01 euro bedragen. Het totale budget bedroeg op die manier niet 72,8 maar 75,8 miljoen euro.

 

Voor uw laatste vraag verwijs ik u door naar de minister van Financiën.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 16046 de Mme Ben Hamou est reportée. La question n° 16047 de M. Van Hecke ainsi que les questions n°s 16061 et 16065 de Mme Jadin sont transformées en questions écrites.

 

11 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het vrijlaten van verdachten door procedurefouten" (nr. 16089)

11 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la libération de suspects en raison de vices de procédure" (n° 16089)

 

11.01  Annick Lambrecht (sp.a): Op vrijdagochtend 30 december 2016 rukte de brandweer van Herve uit voor een brand in een gezinswoning in het Luikse Soumagne. In het huis vonden ze drie lichamen. Voor de twee meisjes kwam alle hulp te laat. Achteraf bleek dat ze al dood waren voor de brand. Hun vader lag bewusteloos in huis met overgesneden polsen. De dokters konden hem op het nippertje redden. Alles wees meteen in de richting van een gezinsdrama. De vader had zijn dochtertjes omgebracht met een mes, stak vervolgens het huis in brand en probeerde tevergeefs een einde te maken aan zijn leven.

 

Inmiddels is de man vrijgelaten vanwege een procedurefout: het aanhoudingsbevel werd te laat aan betrokkene afgeleverd. In mensentaal, de beslissing is niet op tijd op papier en aangetekend afgegeven. Dat kan gebeuren door de onderzoeksrechter zelf, maar ook door de griffier, de politie of de gevangenisdirectie. Een termijn van 24 uur is ook 24 uur. Eén minuut later betekent vrijlating.

 

In juristentaal wordt dan wel eens gezegd dura lex sed lex. Ik vertaal dat als: men moet wettelijke regels respecteren.

 

Wie was verantwoordelijk voor het te laat afleveren van het aanhoudingsmandaat?

 

Zijn er tucht- of andere maatregelen genomen ten aanzien van de verantwoordelijke?

 

Zijn er beveiligingsmaatregelen genomen om de betrokkene op te volgen?

 

11.02 Minister Koen Geens: Sinds het begin van de legislatuur pleit ik al voor een uitbreiding van de arrestatietermijn van 24 uur naar 48 uur. Daarvoor is een wijziging van de Grondwet vereist. De uitbreiding van de termijn geeft de politie en de gerechtelijke autoriteiten meer tijd om de verplichte formaliteiten na te leven en ook om een betere inschatting te maken van ernstige aanwijzingen van schuld. Het zal u niet ontgaan zijn dat ik het naar aanleiding van het geval van de heer Van Eyken in het Vlaams Parlement in het kader van de Salduzwet bis mogelijk heb gemaakt om de nietigheid van een dossier waarin iemand zonder ondertekend aanhoudingsmandaat binnen de termijn werd aangehouden, alsnog te helen.

 

Ik vertel u dat, omdat u hier nieuw bent. Ik pleit er al lang voor om de termijn naar 48 uur op te trekken. Ik heb ook geprobeerd om de gebreken die op aanhoudingsmandaten binnen de 24 uur rusten, te helen. Dat is de Salduzwet bis, die op 27 november 2016 in werking is getreden.

 

Naar aanleiding van uw vraag over een individueel dossier onder leiding van een onderzoeksrechter heb ik de procureur-generaal van Luik bevraagd. Het feit dat het aanhoudingsmandaat buiten de 24 uur werd uitgevaardigd en ondertekend, heeft volgens de procureur-generaal te maken met een samenloop van omstandigheden.

 

Naast de wettelijke formaliteiten van het verhoor door de politie en de onderzoeksrechter, met bijstand van een advocaat, was er ook een medisch probleem bij de verdachte dat verhinderde om snel en binnen de tijd te werk te gaan. Over de concrete handelingen en het tijdverloop kan ik geen informatie geven gelet op het geheim van het strafonderzoek.

 

Ik heb geen weet van de opstart van tuchtprocedures. Dat behoort trouwens niet tot mijn bevoegdheden als minister.

 

Er kunnen in dit geval juridisch tijdens het vooronderzoek geen voorwaarden meer worden opgelegd. De slachtoffers worden wel ondersteund en het gerecht staat in contact met hen.

 

11.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel, mijnheer de minister. Wellicht ook omdat ik hier nieuw ben, ben ik nu niet helemaal mee als het erom gaat wie nu de verantwoordelijke is voor dat ernstig falen. Ik heb begrepen dat u niet bevoegd bent om na te gaan of er sancties worden genomen tegen wie dergelijke fouten maakt. Dus blijf ik met de vraag wie hier nu in de fout is gegaan: een persoon of verschillende personen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de rationaliseringsplannen in de gevangenissen" (nr. 16098)

12 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "les projets de rationalisation dans les prisons" (n° 16098)

 

12.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, in het voorjaar van 2016 brak een langdurige staking uit in de Franstalige gevangenissen. De reden daarvoor was dat het Franstalige gevangenispersoneel niet wou meegaan in uw rationaliseringsplannen. Daarbij viel vooral op dat in Vlaanderen weinig of niet werd gestaakt tegen dezelfde rationaliseringsplannen. Het Vlaamse gevangenispersoneel was wel bereid mee te gaan in uw plannen.

 

Om de staking bij het Franstalig gevangenispersoneel te doen stoppen, hebt u een akkoord gesloten, waarin u een aantal tegemoetkomingen hebt gedaan.

 

Wat is de stand van zaken betreffende de invoering van de rationaliseringsplannen in de gevangenissen? Dat was vertraagd.

 

Worden de besparingskaders in de Belgische gevangenissen ook daadwerkelijk gehaald? In welke gevangenissen is de personeelsbezetting momenteel lager dan het besparingskader vooropstelde?

 

De flexipremies die aan het gevangenispersoneel werden toegezegd zouden tot op heden nog altijd niet in voege zijn getreden. Kunt u dit bevestigen? Zo ja, wat is het probleem? Wanneer zal een oplossing worden uitgewerkt?

 

Ik denk dat ik dezelfde bezorgdheid deel als u in het opvolgen van de afspraken om stakingen zoals vorig jaar te vermijden.

 

12.02 Minister Koen Geens: Het invoeren van de rationaliseringsplannen in de gevangenissen verloopt volgens de afspraken. Het project “Anders Werken” werd in de FOD Justitie opgestart, zodat alles op een gestructureerde en coherente manier verloopt.

 

De tweede fase van het project is afgerond. Een expertengroep binnen het DG EPI heeft een theoretische oefening gemaakt in alle 37 gevangenissen, waarbij inrichting per inrichting de posten werden herbekeken en een nieuw theoretisch kader werd berekend.

 

Een aanzienlijk deel van de oefeningen werd reeds goedgekeurd tijdens de lokale overlegmomenten, in de basisoverlegcomités, waardoor de resultaten reeds worden geïmplementeerd. Dit zowel in Vlaanderen als in Wallonië.

 

De volgende fase zal in februari starten. Alle lokale oefeningen, lokaal goedgekeurd of niet, zullen met de vakorganisaties worden besproken op het hoog overlegcomité op nationaal vlak. De resultaten van dit overleg zullen uiteindelijk bepalen wat de gerationaliseerde kaders van de gevangenissen zullen zijn.

 

Ik wil niet spreken over besparingskaders als wij het hebben over anders werken. Het is wel zo dat men momenteel in een aantal inrichtingen onder het aantal personeelsleden zit dat volgens de expertenwerkgroep nodig is om correct te kunnen werken. Mijn administratie doet zijn uiterste best om voor deze plaatsen prioritair nieuw personeel aan te werven.

 

In de volgende inrichtingen heeft men minimaal een fulltime equivalent te kort: Antwerpen, Beveren, Brugge, Dendermonde, Hoogstraten, Ieper, Ruiselede, Jamioulx, Nijvel en Paifve. Dat zijn 9 inrichtingen van de 35.

 

Voor de entiteit Brussel is er door een transitie nog geen cijfer bekend.

 

Het ministerieel besluit betreffende de flexipremie werd op 19 december gepubliceerd. De verschuldigde bedragen werden eind vorig jaar uitbetaald.

 

12.03  Sophie De Wit (N-VA): Dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

 

Ik ben blij dat de flexipremie uiteindelijk in orde is gekomen. Ik noteer dat er nog werk aan de winkel is in die negen instellingen. Ik hoop dat u daarvan spoedig werk zult kunnen maken en dat de timing met betrekking tot de rationalisering ook wordt gehaald, zodat zowel in de Franstalige als in de Nederlandstalige gevangenissen in Vlaanderen stakingen kunnen worden vermeden en er een correct personeelskader is, in het belang van de veiligheid en de werkomgeving van iedereen.

 

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

 

12.04 Minister Koen Geens: Ik had slecht geteld, mijnheer de voorzitter. Het zijn er tien. Excuseert u mij.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de telefonie in de Belgische gevangenissen" (nr. 16099)

13 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la téléphonie dans les prisons belges" (n° 16099)

 

13.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in december heb ik al een vraag gesteld over de telefonie in onze gevangenissen en daarbij heb ik de bezorgdheid ook al meegedeeld dat het nodig is om de veiligheid in België op dat vlak meer te waarborgen. U weet dat de veiligheid in en rond onze gevangenissen een inherente zaak is.

 

Uw antwoorden tijdens de voorgaande vergadering hebben, zoals dat vaak het geval is, tot nieuwe vragen geleid, die ik u nu dan ook graag wil stellen.

 

Mijnheer de minister, om welke reden overweegt de FOD Justitie de overschakeling naar een nieuw telefoniesysteem en nieuwe oplossing?

 

Hoe ziet u de belangrijke veiligheidsaspecten van deze toekomstige telefonie in de gevangenissen?

 

Zullen veiligheidsmaatregelen, zoals voicebiometrie, reactieve en proactieve jamming, IMSl-catcher en dergelijke worden opgenomen in het bestek?

 

Bent u van plan om de jamming van gsm-signalen te gebruiken? Die oplossing is niet alleen mogelijk, maar ook wettelijk toegelaten, namelijk ingevolge artikel 33 van de wet van 13 juni 2005.

 

Zullen geavanceerde afluisterfuncties voor het onderscheppen van gesprekken door de politie, conform wat men in buitenlandse gevangenissen heeft ingevoerd of wenst in te voeren, ook in België ingang vinden?

 

Zal voor het nieuw telefoniesysteem een nieuw bestek worden opgemaakt of overweegt de FOD Justitie om met de huidige leveranciers het contract te heronderhandelen teneinde de nieuwe veiligheidsmaatregelen ingang te laten vinden?

 

13.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw De Wit, de overschakeling naar een modern telefoniesysteem, meer bepaald door het gebruik van de technologie Voice over IP, beantwoordt op een beveiligde wijze aan de hedendaagse normen inzake telefonie en in het bijzonder de telefonie in de gevangenis, met name als volgt.

 

Ten eerste, er kan een white- en blacklist opgesteld worden waarop aangegeven staat wie wel en wie niet gebeld mag worden. Daarbij bestaat de mogelijkheid tot kosteloos bellen naar een advocaat en de mogelijkheid tot registratie.

 

Ten tweede, in elke cel kan een telefoon geïnstalleerd worden, waardoor niet langer telefooncabines zullen moeten worden gedeeld, zoals nu het geval is. Dat zou helpen voor de normalisering van het gevangenisleven, maar ook voordelen teweegbrengen op het vlak van de veiligheid van de inrichtingen, bijvoorbeeld door verminderde spanningen omtrent die gedeelde cabines, alsook bij de implementatie van de nieuwe werkwijze “Anders werken”.

 

Ten derde, de kosten van de telefoongesprekken voor de gedetineerden worden gedrukt, aangezien de huidige prijzen nog steeds gebaseerd zijn op de tarieven van de telefooncabines uit 2002, die in het geheel niet in verhouding zijn tot de huidige opdracht. Daartoe zal sowieso een nieuwe overheidsopdracht worden gelanceerd, niet het minst conform de huidige wetgeving overheidsopdrachten. Deze aanvraag zal gebeuren op Europees niveau en zal worden opengesteld voor alle operatoren die zich wensen in te schrijven.

 

In termen van veiligheid, maar ook van telefoniebeheer, zal het nieuw systeem tal van verbeteringen inhouden, zoals een dynamisch en gecentraliseerd beheer van de toegangen en individualisering van de toegankelijke telefoonnummers. Momenteel kunnen wij nog niet zeggen welke technologieën geïncorporeerd zullen worden, aangezien sommige, meer bepaald de biometrie, nog in een testfase verkeren.

 

De telefonieopdracht, die zal worden gelanceerd, voorziet wel duidelijk in de vereiste dat het systeem kan worden gekoppeld aan de interceptiecentrale van de politie en de inlichtingendiensten.

 

13.03  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, volgens mij hebt u niet op al mijn vragen geantwoord. Er was nog een vraag over Jamming.

 

13.04 Minister Koen Geens: Aangezien een aanzienlijk deel van de Belgische inrichtingen in stedelijke omgevingen gelegen zijn, houdt de volledige jamming enorme technische problemen in. In gevangenissen zoals Leuven-Centraal zou jamming doorheen de hele inrichting eveneens leiden tot een verstoorde communicatie voor alle personen die in de naaste omgeving van de gevangenis leven of er passeren. Een dergelijke oplossing is overigens zeer duur en moet onophoudelijk worden. Om die reden heeft het directoraat-generaal EPI geopteerd voor een aanpak waarbij het gsm-gebruik wordt opgespoord via zeer regelmatige sweepings binnen alle inrichtingen.

 

13.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp dat er vooral problemen zijn met jamming. Voor het overige lijkt het mij vooral belangrijk dat dit op een adequate manier gebeurt. Wij zullen dit dossier, om te komen tot veilige en adequate telefonie in onze gevangenissen, zeker opvolgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 16103 de Mme Özlem Özen et la question n° 16122 de M. Jean-Marc Nollet sont transformées en questions écrites.

 

14 Question de Mme Özlem Özen au ministre de la Justice sur "la suppression de justices de paix" (n° 16123)

14 Vraag van mevrouw Özlem Özen aan de minister van Justitie over "de afschaffing van vredegerechten" (nr. 16123)

 

14.01  Özlem Özen (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, ma question fait suite aux questions que je vous avais déjà posées sur les justices de paix. Ce lundi 23 janvier, nous avons appris par voie de presse qu'une vingtaine de justices de paix avaient d'ores et déjà fermé leurs portes. En fin d'année 2015, votre volonté de rationalisation du nombre de justices de paix a conduit à la décision d'en supprimer 29 sur l'ensemble du territoire. Cela avait d'ailleurs causé bon nombre de questionnements.

 

Aujourd'hui, la question qui nous taraude concerne les critères objectifs qui induisent la décision de supprimer ou non une justice de paix. D'après les dires de votre porte-parole, vous supprimez les justices de paix qui ont "trop peu de travail". D'une part, l'expression est assez vague et ne renvoie en rien à une méthode scientifique de calcul de la charge de travail. D'autre part, votre cabinet subirait la pression de la part d'élus locaux désireux de garder leur justice de paix.

 

Monsieur le ministre, comment calculez-vous la charge de travail de chaque justice de paix? Quels sont les critères qui vous amènent à supprimer certaines justices de paix plutôt que d'autres? Quelles justices de paix supprimez-vous et pourquoi avez-vous fait ce choix? Quel sera l'impact pour l'arrondissement de Charleroi? Quelles justices de paix comptez-vous supprimer dans l'arrondissement de Charleroi?

 

14.02  Koen Geens, ministre: Madame Özen, j'ai déjà exposé ici à diverses reprises le plan relatif aux justices de paix. Mais je remarque que quelques aspects ne sont toujours pas clairs.

 

Le plan en question s'articule en trois phases. La nouvelle à laquelle vous faites allusion porte toutefois sur la première phase, qui avait été décidée fin 2015. Il s'agit de la fermeture des doubles et triples cantons, à savoir la centralisation des cantons qui disposent de deux ou trois sièges et donc de plusieurs bâtiments.

 

Lors du choix de l'emplacement pour la centralisation, les éléments suivants ont été pris en compte: la situation géographique, l'état et le statut du bâtiment, la préférence exprimée par les juges de paix concernés en tenant compte du plus pratique emplacement et de la charge de travail, et l'efficacité en termes de coût.

 

Les phases 2 et 3 seront exécutées en 2017. La phase 2 porte sur la fusion d'un certain nombre de greffes, généralement de cantons qui se situent dans un même bâtiment. Deux juges de paix, un greffe, une comptabilité.

 

La phase 3 a trait au remodelage des cantons. C'est surtout dans ce cadre que la charge de travail entre en ligne de compte. Pour ce faire, nous nous basons sur l'input des personnes de terrain. Les critères pour cette troisième phase sont plus larges que ceux pour la première phase. Il sera complémentairement également tenu compte du nombre d'habitants, de la superficie, de la densité, du nombre d'affaires (donc de la charge de travail), des centres d'habitation et de soins, des centres psychiatriques et des hôpitaux, de données économiques comme le revenu moyen et le taux de chômage.

 

Pour la troisième phase, il ne m'est actuellement pas possible de donner de plus amples détails, pour la simple raison que je dois évidemment réserver ce plan au gouvernement et qu'aucune décision définitive n'a encore été prise.

 

14.03  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Vous avez en partie répondu à ma question. Je n'hésiterai pas à revenir vous interroger au cours des différentes phases.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 16124 de Mme Özen Özlem est transformée en question écrite.

 

15 Question de Mme Özlem Özen au ministre de la Justice sur "la gestion des détenus radicalisés en prison" (n° 16130)

15 Vraag van mevrouw Özlem Özen aan de minister van Justitie over "het omgaan met geradicaliseerde gedetineerden" (nr. 16130)

 

15.01  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, le lundi 16 janvier, trois directeurs d’établissement pénitentiaire sont venus exposer leurs craintes en commission "Attentats" à la Chambre. Ils ont tenu à souligner leurs difficultés à mettre en oeuvre le plan "anti-radicalisation" et, plus précisément, les carences effectives en matière de formation des agents ainsi que les problèmes de communication entre les différentes cellules et leurs établissements.

 

Si le regroupement des détenus radicalisés semble bénéfique, la formation du personnel pénitentiaire est loin d’être adéquate. Seul un petit nombre de gardiens ont eu l’opportunité d’être formés. Ce sont pourtant eux qui sont en première ligne pour détecter les signes de radicalisation chez un détenu. De plus, ces agents communiquent les comportements suspects aux directeurs d’établissement pénitentiaire qui en informent ensuite la Celex (Cellule Extrémisme). Celle-ci décrypte alors ces informations et les communique à l’OCAM lorsque cela se révèle nécessaire.

 

L’entièreté de la chaîne de renseignements repose donc sur les agents pénitentiaires, lesquels ne possèdent pas les clefs pour déchiffrer de manière optimale le comportement de ce genre de détenus.

 

Enfin, les directeurs d’établissement pénitentiaire regrettent que l’information sur les détenus potentiellement radicalisés ne soit diffusée que dans un seul sens. En effet, ils se retrouvent la plupart du temps tout seuls face à leurs suspicions, sans savoir comment gérer ces détenus.

 

Monsieur le ministre, avez-vous connaissance de ces difficultés? Sont-elles, selon vous, uniquement dues à un manque de moyens? Comment expliquez-vous ces dysfonctionnements? Qu’avez-vous mis en place jusqu’à présent pour y remédier? Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

 

15.02  Koen Geens, ministre: Madame Özen, comme vous le savez, l'approche de la DG EPI relative à la radicalisation est double: la prévention de la radicalisation durant la détention, d'une part, et le confinement ainsi que l'encadrement des détenus radicalisés, d'autre part.

 

La prévention de la radicalisation relève de la responsabilité de tout le personnel pénitentiaire. Il est nécessaire pour la DG EPI de sensibiliser et de former celui-ci à la question de la radicalisation afin qu'il puisse en détecter les signes.

 

Il est toutefois évident que tout le personnel de surveillance ne peut être formé en même temps. Un module "radicalisme" a néanmoins été intégré dans la formation de base destinée aux nouveaux agents. La DG EPI travaille actuellement au développement d'un module de formation e-learning, qui leur permettra d'apprendre selon leur propre rythme dans un contexte de formation professionnelle continuée.

 

De toute façon, le personnel de surveillance des sections D-Rad:Ex de Hasselt et Ittre ainsi que le directeur et les membres des services psychosociaux référents pour ces sections ont suivi une formation spécialisée. Plusieurs membres du personnel pénitentiaire des prisons satellites l'ont également suivie. Cela représente, pour les sections D-Rad:Ex, 56 membres du personnel de surveillance, quatre membres de la direction et sept membres des services psychosociaux.

 

Pour les prisons satellites: vingt membres du personnel de surveillance, huit de la direction et seize des services psychosociaux.

 

En ce qui concerne la question de la communication de l'information, il a été décidé que l'information devait être concentrée au niveau décisionnel et que celle transmise serait basée sur le principe du need to know.

 

Enfin, une amélioration des délais de transmission de l'information est attendue grâce à un renfort en personnel au niveau de la division centrale au sein d'EPI en charge de la problématique.

 

15.03  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, la problématique est vraiment importante et touche bon nombre de prisons. Vous parliez de confinement mais, lors de la semaine des prisons, nous avons eu l'occasion de visiter la prison d'Ittre par exemple, où l'objectif par rapport au confinement n'était pas atteint. Les détenus radicalisés pouvaient communiquer avec les autres des étages supérieurs ou à l'extérieur. À ce sujet, il réside un problème.

 

Par ailleurs, les agents formés pour ces détenus travaillent avec les radicalisés mais également avec tous les autres détenus. Suite à une discussion au cours d'une entrevue avec le personnel pénitentiaire qui n'est pas en contact direct avec les radicalisés, il nous disait constater un changement de façon de faire et de comportement à l'égard des autres détenus. Il faudrait donc élargir cette formation à tout le personnel et ne pas la limiter au personnel des détenus radicalisés parce que, dès qu'ils sont radicalisés, il est trop tard. Il faut prendre le problème à la source afin que les détenus non encore radicalisés ne le deviennent pas au contact des détenus radicalisés.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.44 uur.

La réunion publique de commission est levée à 15.44 heures.