Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen

Commission des Relations extérieures

 

van

 

Dinsdag 14 februari 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 14 février 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.10 uur en voorgezeten door de heer Dirk Van der Maelen.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.10 heures et présidée par M. Dirk Van der Maelen.

 

De voorzitter: Goede middag, collega’s. Ik stel voor dat we de vergadering aanvatten. Ik neem aan dat collega Fonck ons in de loop van de namiddag nog zal vervoegen.

 

Vraag nr. 15590 van de heer Van Hees wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

01 Questions jointes de

- M. André Frédéric au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les économies dans les trois programmes fédéraux de sensibilisation à la citoyenneté mondiale : Annoncer la Couleur, Trade for Development Centre et les Infocycles" (n° 15780)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les économies dans le cadre du programme 'Annoncer la Couleur'" (n° 16241)

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les projets d'Action Nord" (n° 16254)

- Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la suppression de l'Infocycle de la CTB" (n° 16464)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le programme de l'Infocycle" (n° 16577)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'impact des restrictions budgétaires sur la CTB et la probable suppression de l'Infocycle" (n° 16615)

- M. Wouter De Vriendt au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les économies dans le cadre du programme 'Annoncer la Couleur'" (n° 16691)

01 Samengevoegde vragen van

- de heer André Frédéric aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de besparingen in de drie federale programma's over sensibilisering voor het wereldburgerschap : Kleur bekennen,Trade for Development Centre en de Infocyclussen" (nr. 15780)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de besparing op het programma 'Kleur Bekennen'" (nr. 16241)

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de projecten van de Noordwerking" (nr. 16254)

- mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de afschaffing van de BTC-Infocyclus" (nr. 16464)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het programma van de Infocyclus" (nr. 16577)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de impact van de budgettaire beperkingen op de BTC en de mogelijke afschaffing van de Infocyclus" (nr. 16615)

- de heer Wouter De Vriendt aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de besparingen op het programma 'Kleur Bekennen'" (nr. 16691)

 

De heer Frédéric heeft gevraagd zijn vraag nr. 15780 om te zetten in een schriftelijke vraag. Eigenlijk kan dat niet. Hij is verontschuldigd, laat ik het zo zeggen.

 

01.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, wij zijn via de sociale media door een aantal ngo’s en middenveldorganisaties op de hoogte gebracht dat zij bezorgd zijn naar aanleiding van berichten dat het programma Infocyclus stopgezet zou worden.

 

Samen met het programma Kleur Bekennen levert het programma Infocyclus een belangrijke bijdrage in het vormen van vooral jonge mensen tot wereldburgers, mensen die zich bewust zijn van internationale solidariteit.

 

Ik heb dat programma ooit zelf gevolgd, en ik vond het een nuttig programma. Toen duurde het nog twee weken.

 

Er zijn nu geen andere programma’s die op die tijd en op dat niveau worden aangeboden door hogescholen of universiteiten.

 

Kortom, er is onbegrip omdat dat programma afloopt, terwijl er nog veel interesse voor is. Vele mensen volgden het ook niet alleen omdat ze in de internationale samenwerking wilden gaan werken, maar puur uit interesse. Ik meen dat op die manier het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking verder uitgebreid en ontwikkeld kan worden.

 

Het programma bereikt een duizendtal jongeren. De jongste evaluatie was positief. Vandaar mijn vragen.

 

Wat was de aanleiding voor deze beslissing? Op basis van welke parameters zijn er, eventueel betere, alternatieven uitgewerkt? Waarom werd na de positieve evaluatie toch beslist het programma eventueel – want wij spreken nog in de voorwaardelijke wijs – af te voeren? U kondigde toch aan dat u burgerschapseducatie en sensibilisering van groot belang vindt, zowel in uw strategienota over ontwikkelingssamenwerking, als naar aanleiding van de Belgische engagementen inzake de SET-agenda en in de verantwoording voor de algemene uitgavenbegroting?

 

Hoe rijmt u de nieuwsberichten daarmee? Zijn er al contacten geweest met de actoren die deze acties ontwikkelen?

 

Zijn er al contacten geweest met de betrokken actoren, die de acties ontwikkelen? Wat heeft dat voor gevolg voor de strategie inzake ontwikkelingseducatie?

 

De voorzitter: Mevrouw Van Hoof, hebt u ook uw vraag over de infocyclus meegenomen? Zij staat daar immers ook bij. U had twee vragen. Hebt u ze allebei gesteld? (Instemming.)

 

01.02  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mevrouw Van Hoof heeft de situatie al geschetst.

 

Naar aanleiding van de in de pers opgedoken berichten over een geplande afbouw van de Noordwerking heb ook ik enkele vragen voor u.

 

Is het correct dat u het financieringsbeleid rond de Noordwerking opnieuw wil bekijken? Welk beleid wenst u ter zake te voeren?

 

Zal u de Noordwerking op federaal niveau echt afbouwen zoals in de pers wordt vermeld? Wat zijn eventueel uw argumenten voor die afbouw? Op welke wijze zal een en ander worden geïmplementeerd?

 

Wat is het standpunt over de bevoegdheidsverdeling inzake de Noordwerking? Hoort ze op het federale niveau of op het deelstaatniveau thuis? Hoe beargumenteert u dat?

 

Werd of wordt over de uitvoering van de Noordwerking nog overleg met de bevoegde ministers van de deelstaten gepleegd? Op welke manier gebeurt dat overleg?

 

De voorzitter: Mevrouw Pehlivan is door griep geveld en is thuis. Zij kan ons niet vervoegen, om haar vraag nr. 16464 te stellen.

 

Mijnheer De Vriendt, u had een vraag.

 

01.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, via een brief aan de BTC van 31 oktober 2016 legde u de BTC een significante besparing in de Noordwerking op. De projecten Kleur Bekennen; Infocyclus en Trade for Development Centre zouden moeten besparen, met name 1,25 miljoen euro in 2017. Er is ook sprake van 2,5 miljoen euro voor 2018-2019, wat bijna 40 % van het budget van die drie projecten is.

 

Vooral het project Kleur Bekennen is bekend als belangrijkste structuur voor wereldburgerschapeducatie, het vroegere vak Mondiale Vorming, op scholen.

 

De provincies fungeren daarbij als tussenpersoon en het is in onze optiek belangrijk dat leerlingen via dergelijke programma’s hun blik op de wereld wat kunnen verruimen en dat ook het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking toeneemt hier in het Noorden.

 

U hebt toen de BTC gevraagd om een besparingsvoorstel op te stellen. Dat is natuurlijk niet echt van een leien dakje gegaan. Een vraag die ik daarbij heb, is waarom u het eigenlijk aan de BTC overlaat om besparingsvoorstellen te doen. Als u een visie zou hebben op die programma’s zou u weten wat er fout loopt en waar er eventueel bespaard kan worden zonder dat er aan efficiëntie of resultaat wordt ingeboet. Een eerste voorstel is dan geweigerd en het tweede voorstel is wel aanvaard. Als ik goed geïnformeerd ben zou het grootste deel van de besparing afgewenteld worden op de infocyclus.

 

Meer fundamenteel dringt zich de vraag op of een dermate ingrijpende besparing wel nodig is. De Noordwerking omvat slechts een fractie van het totale budget van Ontwikkelingssamenwerking, minder dan 1 %. In absolute termen is die besparing dus niet groot maar proportioneel gezien is dat wel enorm voor de betrokken programma’s.

 

Mijnheer de minister, kunt u een stand van zaken geven? Om hoeveel besparing gaat het nu? Hebben alle betrokkenen, ook de provincies, bijvoorbeeld al hun antwoord geformuleerd? Wat is de reden voor die besparing op de Noordwerking? Wat is uw visie op de Noordwerking? In welke mate is die belangrijk voor u? Zou het niet beter zijn om die besparingen uit te stellen, als dat eventueel nodig zou zijn, tot die visie op punt staat? Dan weten we waarmee we bezig zijn en op welke vlakken er eventueel efficiëntiewinst kan worden geboekt.

 

01.04  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, depuis cinquante ans, la Coopération au développement belge organise une série de formations en français et en néerlandais en Belgique, voire même en Europe. L'Infocycle s'est continuellement adaptée au fil des années au changement de vision du développement. Ce qui avait démarré comme une préparation obligatoire pour les futurs coopérants en partance pour des missions sur le terrain a évolué vers une formation de plus large envergure, contribuant à une meilleure compréhension des enjeux mondiaux actuels et stimulant l'engagement des citoyens. Le programme actuel semble entièrement cohérent avec les objectifs de développement durable souscrits par la communauté internationale en septembre 2015.

 

Depuis 2001, plus de 16 000 participants ont suivi l'Infocycle, donné par plus de 500 conférenciers venant du secteur privé, du milieu académique, des ONG et de la société civile au sens large. Le fait que cette formation unique soit organisée par une institution publique démontre non seulement l'engagement de notre pays dans les problématiques sociétales mondiales, mais renforce aussi le dialogue entre les pouvoirs publics et la société civile.

 

En plus des restrictions budgétaires qui visaient, déjà l'année passée, les programmes Sud de la CTB, les programmes Nord sont maintenant pris pour cible. Il semblerait que vous menaciez de faire disparaître ce programme unique, tout comme les autres programmes Nord de la CTB, qui seraient également sévèrement touchés.

 

Monsieur le ministre, je souhaiterais dès lors vous interroger sur ce point. Pourriez-vous me confirmer cette information? Quel avenir réservez-vous à l'Infocycle, ainsi qu'aux autres programmes Nord? Outre l'impact sur la sensibilisation des jeunes à la coopération au développement, quel impact cela aura-t-il sur le personnel de la CTB?

 

01.05  Alexander De Croo, ministre: Chère collègue, je vous remercie de votre intérêt pour l'éducation au développement. Avant toute chose, permettez-moi de préciser que, bien que le programme Trade for Development Centre comporte un volet de sensibilisation à la thématique du commerce équitable et durable, notamment par l'organisation de la semaine annuelle du commerce équitable, et par la production d'études de marché, seuls les programmes "Annoncer la Couleur - Kleur Bekennen" et l'Infocycle sont des programmes d'éducation au développement.

 

Voyons d'abord de quoi il s'agit. Il y a trois programmes, régis par trois conventions, et ils sont tous les trois mis en oeuvre par la CTB. D'abord, Trade for Development Centre est régi par une convention de quatre ans, de 2014 à 2017, avec un budget global de 13 millions d'euros. Je viens d'en parler.

 

Puis, il s'agit du programme "Annoncer la Couleur - Kleur Bekennen", régi par une convention de cinq ans, de 2014 à 2019, pour un budget total de près de 13 millions d'euros. Élaboré en partenariat avec les provinces, ce programme s'adresse aux élèves. Il n'a pas encore été évalué, car il se trouve à peine à mi-parcours.

 

Enfin, il y a l'Infocycle, régi par une convention de quatre ans (2014-2017), avec un budget de 53 millions d'euros. Ce programme est organisé dix fois par an, chaque fois pendant huit jours, et accueille une centaine de participants. Il a été évalué positivement l'année dernière quant à sa pertinence. Cependant, l'évaluation a été plus critique concernant les synergies avec d'autres interventions, leur durabilité et leur impact, le coût élevé du programme et la communication.

 

Net zoals de interventies in partnerlanden, zijn wij dus ook bezig met een review van de interventies in het Noorden. Daarbij gaan wij na wat de resultaten zijn van de programma’s, of er veel vertraging op zit en of er efficiëntiewinsten kunnen worden gerealiseerd. Het lijkt mij normaal dat alle interventies die wij financieren, van tijd tot tijd kritisch tegen het licht worden gehouden. Hierbij speelt ook de doelstelling om in 2019 de helft van de Belgische ODA in de minst ontwikkelde landen te besteden. Dat impliceert dus een verschuiving van de interventies in het Noorden naar de interventies in het Zuiden. Wat ook meespeelt, uiteraard, is de budgettaire context, dat weet u ook. Nu wij over minder middelen beschikken, moeten alle programma’s wat inleveren.

 

Étant donné la situation budgétaire, des économies sur la majorité des lignes budgétaires doivent être réalisées. Les programmes Nord ont été épargnés jusqu'à présent. J'ai donc demandé que des mesures d'économie soient prises sur ceux-ci, comme sur les programmes Sud. Par une lettre datée du 31 octobre 2016, j'avais demandé au président du comité de direction de la CTB des propositions concrètes pour réaliser ces économies. Cela me paraît la bonne façon de travailler. Je détermine le cadre budgétaire et je demande à la CTB de formuler des propositions concrètes sur lesquelles je me prononcerai.

 

Une première proposition, formulée par la direction de la CTB en décembre 2016, reprenait une réduction linéaire des trois programmes concernés. Cette proposition a été refusée par le conseil d'administration qui a demandé à la direction de la CTB de refaire son travail et de formuler de nouvelles propositions. Ces nouvelles propositions ont été discutées par le conseil d'administration le 23 janvier 2017 et ont été soumises par écrit le 26 janvier 2017. La décision date également du 26 janvier 2017. Il fallait lever l'incertitude pour l'année en cours.

 

Pour 2017, les économies suivantes seront réalisées sur les trois programmes. Cent septante-six mille euros pour "Annoncer la Couleur - Kleur Bekennen". Le budget restant pour cette année est de 2,6 millions d'euros. Ce montant a été décidé en concertation avec les provinces. Mon cabinet a tenu deux réunions avec les représentants des provinces flamandes et wallonnes. Les provinces ont d'ailleurs marqué, par écrit, leur accord avec cette réduction qui est une somme modeste de leur budget. Cinquante-deux mille euros ont été alloués à l'Infocycle. Le budget restant pour cette année est de 1,3 million d'euros. Cette réduction est modeste, à peine 4 %. Trade for Development Centre reçoit 562 630 euros. Le budget restant pour cette année est de 3,1 millions d'euros. J'ai suivi la proposition de la CTB.

 

En ce qui concerne le moyen et le long termes, les conventions relatives à la mise en œuvre de Trade for Development Centre et de l'Infocycle se terminent en 2017. Dans ma lettre du 31 octobre 2016, j'avais demandé à la CTB de me soumettre des propositions à ce sujet. J'ai rappelé cette demande dans une lettre datée du 26 janvier 2017.

 

Er hebben daarover verschillende vergaderingen plaatsgevonden met de betrokken actoren en nog enkele vergaderingen zijn gepland, over zowel de wijze om de besparing door te voeren in 2017 als over de voorstellen vanaf 2018.

 

Inzake het programma "Kleur Bekennen – Annoncer la Couleur", wordt de bestaande overeenkomst verder uitgevoerd. Deze loopt tot augustus 2019. Mijn beslissing om de globale enveloppe van het programma te verminderen van 12,9 miljoen naar 12 miljoen euro, heb ik in overleg met de provincies genomen. De provincies hebben schriftelijk hun akkoord betuigd met die maatregel. Het gaat om een besparing van 7 %. Ik citeer uit de brief die ik ontving van de Vereniging van de Vlaamse Provincies: “Wij beseffen dat dit scenario heel wat gunstiger is dan de vroegere plannen, voorgesteld door het BTC. Daarom laten wij u weten, met pijn in het hart, dat de Vlaamse provincies akkoord gaan met dit voorstel.”

 

De beleidsnota ontwikkelingseducatie blijft van toepassing en wordt uitgevoerd. Naast de programma’s inzake ontwikkelingseducatie, die worden uitgevoerd door het BTC, beschikt mijn administratie over een eigen budget voor sensibilisering en financiert het Belgisch ontwikkelingsbeleid ook via de niet-gouvernementele organisaties sensibiliseringsprogramma’s. In 2016 bedroeg de subsidie aan de niet-gouvernementele actoren voor dat soort van programma’s bijna 30 miljoen euro. Het klopt dus niet dat ik de programma’s inzake ontwikkelingseducatie en sensibilisering afschaf of dat ik daarop geen visie zou hebben. Ik verminder de budgetten, zoals alle budgetten die op dit ogenblik onder druk staan, maar de percentages die ik zonet heb aangehaald, tonen toch duidelijk aan dat het niet over massieve besparingen gaat.

 

De conventie voor de infocyclus loopt eind dit jaar af. Wij moeten dus in ieder geval beslissen of wij daarmee verdergaan en zo ja, onder welke vorm. Is dat nog een kerntaak van de overheid, nu tal van universiteiten en hogescholen dergelijke informatiecursussen aanbieden en ook de ngo’s belangrijke programma’s inzake ontwikkelingseducatie hebben? Het BTC zit op dit ogenblik in een soort van monopoliepositie, aangezien het volgen van een infocyclus bij het BTC een reglementaire verplichting is om in aanmerking te komen voor een aantal jobs in bepaalde ontwikkelingsorganisaties. Is zo’n monopolie eigenlijk wel gerechtvaardigd en vormt dat geen oneerlijke concurrentie met andere instellingen en organisaties die ook dergelijke cursussen aanbieden? Wat denken de deelstaten daarover, die uiteindelijk toch bevoegd zijn inzake Onderwijs? Moet de overheid in tijden van budgettaire beperkingen niet de voorrang geven aan de armste en meest fragiele landen en de interventies in België aan andere organisaties en instellingen overlaten?

 

Dit zijn allemaal vragen die de volgende weken en maanden zullen moeten worden beantwoord. Er zijn nog geen beslissingen genomen voor de periode na 2017.

 

De raad van bestuur van het BTC heeft gisteren de toekomst van Infocyclus besproken. Er was unanimiteit rond de tafel over het feit dat er zeker ook in de toekomst behoefte is aan een vormingsprogramma, maar dat dit programma, indien het wordt voortgezet, grondig moet worden herdacht en aangepast aan het huidige ontwikkelingsparadigma. Ook moet veel meer gebruik worden gemaakt van moderne technologieën. Over hoe zo’n programma er dan moet uitzien vanaf 2018 bestaat op dit ogenblik geen consensus binnen de raad van bestuur.

 

Wel werd afgesproken dat hierover dit jaar verder zal worden nagedacht met het oog op een nieuw programma vanaf 2018. Dat programma zal er wellicht anders uitzien dan de afgelopen tien jaar het geval was, maar dit lijkt mij ook normaal. De wereld staat immers niet stil!

 

Voor de monopoliepositie, zoals ik die daarnet omschreef, lijkt er geen draagvlak meer. De directeur-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp heeft gisteren tijdens de raad van bestuur van het BTC aangekondigd dat de verplichting om Infocyclus te volgen als rekruteringsvoorwaarde wordt geschrapt.

 

Opgelet, laat hierover geen misverstand bestaan! Ik vind het heel nuttig dat jonge mensen een vorming volgen over de problematiek van internationale ontwikkeling en de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. Ook in de toekomst wil ik dit aanmoedigen en zelfs gedeeltelijk financieren. Ik vind wel dat de jongeren zelf moeten kunnen kiezen waar zij die vorming volgen. Ongetwijfeld kan mijn administratie een lijst van vormingsprogramma’s opstellen die van goede kwaliteit zijn. Daaruit kan dan worden gekozen door mensen die een vorming wensen te volgen.

 

Ik verwacht tegen het einde van de maand een schriftelijk voorstel van de raad van bestuur van het BTC.

 

01.06  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, het is duidelijk dat het nog allemaal niet is afgerond, toch zeker inzake Infocyclus en Kleur Bekennen. Het was mij ook al duidelijk geworden dat het inderdaad een besparing is, zoals er overal besparingen gebeuren, al is ze vrij beperkt. Ik ben blij dat het programma kan worden verdergezet. Uiteraard is actualisering af en toe wel nodig. U hebt er een handje van weg om het debat rond ontwikkelingssamenwerking open te breken naar de landen die iedereen uiteindelijk wel aanvaardbaar vindt. Ik heb er geen probleem mee om iets in vraag te stellen. De infocyclus kan misschien wel geactualiseerd worden, wat ik wel belangrijk vind voor het draagvlak. Ik maak er mij geen illusies over: ontwikkelingssamenwerking zal de komende decennia nog evolueren en het is best mogelijk dat het meer investeren wordt dan subsidiëren.

 

Ik acht het wel belangrijk dat als mensen willen investeren in ontwikkelingssamenwerking, er een zeker draagvlak is. Dat gebeurt zowel in het onderwijs als via de Infocyclus. Als die zaken worden weggenomen zonder dat er alternatieven zijn, vind ik dat een probleem. Het is dus van belang wanneer wij actualiseren dat er iets komt dat up-to-date is en dat ertoe bijdraagt dat mensen openstaan voor ontwikkelingssamenwerking en dat er begrip komt voor andere culturen. Dat gebeurt via onderwijs en vorming. Als we dat wegnemen zonder alternatief, vind ik dat geen goede zaak.

 

Uiteraard hoop ik dat het debat via BTC of misschien al Enabel – u zei zelf nog BTC – goed zal verlopen en dat er positieve alternatieven uit de bus zullen komen.

 

01.07 Minister Alexander De Croo: Vanaf 1 januari volgend jaar verdwijnt BTC als naam. Tot hiertoe gebruik ik het nog.

 

01.08  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, ik ben blij dat het niet om een afbouw gaat. Uiteraard zijn wij het volledig eens met het feit dat, gezien de economische en de financiële situatie, er overal moet worden bespaard, dus ook in Ontwikkelingssamenwerking.

 

Uiteraard zijn wij ook grote voorstander van efficiëntiewinsten. Een monopolie is ook voor ons moeilijk te aanvaarden.

 

Wat wel belangrijk is voor ons, is dat het draagvlak rond internationale samenwerking zo groot mogelijk blijft en zelfs nog wordt vergroot, ook in het Noorden. Programma’s rond ontwikkelingseducatie dragen daar inderdaad toe bij. Daarop heeft mevrouw Van Hoof echter ook al gewezen.

 

Ik ben dan ook erg tevreden dat u de provincies hebt gecontacteerd, om de beslissing en de vraag bevestigd te krijgen en dat zij hun instemming hebben gegeven.

 

01.09  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat mij echter erg verontrust. U gaat op een aantal vlakken heel ver.

 

Ten eerste, het feit dat binnen Ontwikkelingssamenwerking wordt bespaard, is geen ongeschreven wet. Het is uw beslissing en de beslissing van de regering, om dat te doen. Het wordt zowat als een deus ex machina gebruikt, maar het is volledig uw eigen beslissing, om zo diep te snijden.

 

Ik blijf mij afvragen waarom niet van een evaluatie van de Noordwerking en van de programma’s wordt vertrokken, om vervolgens te bekijken waar en hoe bepaalde zaken kunnen worden verbeterd, zonder daarom aan het budget te raken. Ik begrijp niet waarom, indien iets kan worden verbeterd, de programma’s moeten worden gesanctioneerd met minder budget. Dat is een heel vreemde werkwijze.

 

Aan de ene kant zegt u dat de besparing van 7 % minimaal is. Gelukkig is het zwaarste afgewend. Aan de andere kant, in het tweede deel van uw antwoord, stelt u echter een aantal fundamentele dingen in vraag. U vraagt waarom die Noordwerking en de sensibiliseringsprojecten rond ontwikkelingssamenwerking nog een kerntaak van de overheid zouden moeten zijn. Waarom zou dat niet voor de ngo’s zijn? U snijdt echter ook in het vel van de ngo’s in ontwikkelingssamenwerking. Iedereen wordt geraakt door uw budgetvermindering.

 

Bovendien, we spreken hier over 1 % van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking. Zelfs daarvan zegt u dat u het gaat verschuiven naar de Zuidwerking. Wij zullen ons blijven verzetten, met de hakken in het zand, tegen besparingen in de Noordwerking. Dat is sensibilisering van onze jonge mensen in de scholen. Dit verruimt hun blik, dit leert hen de wereld kennen. Wij aanvaarden niet dat dit wordt ingeperkt, zeker niet als u zo ver gaat als u hebt gezegd in uw antwoord. U stelt immers alles fundamenteel in vraag.

 

Wij gaan dat niet aanvaarden en wij gaan daar blijven tegen protesteren.

 

01.10  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse. Contrairement à certains de mes collègues, je ne me réjouis pas des mesures prises ni des éléments de réponse que vous apportez. Je constate qu'il s'agit en effet d'économies, que l'on utilise encore une fois la Coopération au développement comme un simple composant d'ajustement budgétaire. Malheureusement, c'est un cercle vicieux. Couper dans les programmes Nord, diminuer leurs budgets alors qu'ils permettent de sensibiliser la population à la Coopération au développement, c'est faire en sorte que de moins en moins de personnes et de jeunes seront à l'avenir conscients de ses enjeux, de moins en moins de personnes s'y intéresseront et en conséquence, seront de moins en moins porteuses de projets et d'investissement dans ce département. Cela permettra de faire davantage d'économies sur cette composante. Je répète que je regrette ce cercle vicieux et que, contrairement à mes collègues, cela ne me réjouit pas. Vous avez facilement beau jeu de responsabiliser le conseil d'administration. Mais ce dernier doit faire avec les moyens qui lui sont octroyés et par vous en l'occurrence. Et ils se réduisent comme peau de chagrin.

 

01.11 Minister Alexander De Croo: Mijnheer De Vriendt, u zegt dat het gaat over 1 % van het budget. Dat is niet juist. Ongeveer 30 miljoen euro bij de ngo’s gaat daar naartoe. Ongeveer 10 tot 13 miljoen euro binnen het BTC gaat daarover. Het gaat over iets meer dan 40 miljoen euro, wat ongeveer 3 % van het budget is. Zeggen dat het om iets klein gaat, is dus niet juist; het is drie keer groter dan wat u vermeldt.

 

01.12  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, wij spreken hier over de programma’s binnen het BTC. U bespaart binnen de programma’s, binnen het BTC.

 

U verantwoordt dat door te zeggen dat men die middelen naar de Zuidwerking gaat verschuiven. Wij hebben het hier wel degelijk over 1 % van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking, waarvan u het nodig vindt om dat te verschuiven naar het Zuiden, terwijl het BTC een expertise heeft die wij allemaal toch moeten erkennen.

 

Nogmaals, de Noordwerking is essentieel. Ik begrijp niet waarom u daaraan wil raken. Als het kan worden verbeterd, doe het, maar waarom telkens die besparing? U bent de kampioen in het besparen in uw eigen departement en het uitkleden van uw eigen departement. Is dat de track record waarmee u uw ambt als minister wil afsluiten in 2019? Ik begrijp dat niet goed. Een minister van Ontwikkelingssamenwerking zou moeten vechten voor zijn budget, Noord en Zuid.

 

01.13 Minister Alexander De Croo: Ik stel vast dat u de ngo’s niet vertrouwt op het gebied van het verlenen van ontwikkelingseducatie. Vandaag doen ngo’s dat zeer goed. U gaat ervan uit dat alleen het BTC dat kan. Dat ngo’s dat vandaag voor ongeveer 30 miljoen euro doen, is in uw ogen niet hetzelfde. Ik stel dat alleen vast.

 

Zeggen dat ik mijn beleid herleid tot het doorvoeren van besparingen, dat is oneerlijk. Ik meen dat wij een heel ander beleid voeren. Ondanks besparingen voeren wij een beleid waarbij wij thans in heel wat domeinen leidend zijn in de hele wereld.

 

Wij hebben de discussie aangetrokken om de nadruk te leggen op de minst ontwikkelde landen. Andere vormen van financiering aantrekken, dat zijn wij die dat doen. Zorgen dat de Gag Rule wordt teruggeschroefd, dat zijn wij die dat doen samen met Nederland. Het is een andere rol. In een aantal domeinen nemen wij de leiding in de plaats van te volgen zoals dat in het verleden te veel is gebeurd.

 

Dat heeft in mijn ogen weinig met budget te maken. Het heeft te maken met de ambitie die men toont en met zich aanpassen aan een wereld die vandaag een heel andere wereld is, een wereld die men graag ziet maar waarbij alles zich beperkt tot de evaluatie van hoeveel men uitgeeft. Mijn evaluatie is anders en heeft betrekking op de impact die ik heb. U kijkt naar de input, ik kijk naar de output.

 

01.14  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik meen dat wij niet moeten besparen in de Noordwerking, noch bij het BTC, noch bij de ngo’s. U pakt nu een element aan, een dimensie, het BTC, en volgens mij is dat niet goed. Ik denk aan onze jongeren in onze scholen, die dergelijke projecten kunnen blijven gebruiken.

 

Wat de besparingen betreft, het volgende. Ik ben niet te beroerd om te zeggen dat een aantal van uw hervormingen goed is. Doe die hervormingen dan echter met hetzelfde budget. Waarom zou u moeten snijden in dat budget? Doe goede dingen maar met hetzelfde budget. Dan zou de output nog veel beter zijn. Voor ons primeert de output. Men kan per definitie minder output hebben met minder geld. Als u 1 miljard euro bespaart in vijf jaar, dan kunt u niet zeggen dat dit geen impact zal hebben op de output.

 

Dat blijft trouwens ook een grote blinde vlek in het beleid. Hoewel een aantal van uw hervormingen goed is, vraag ik elk jaar bij de bespreking van de beleidsnota’s om met een duidelijke impactevaluatie naar het Parlement te komen. Toon ons welke goede impact uw projecten allemaal hebben. Dat blijft echter een blinde vlek ook onder uw beleid inzake Ontwikkelingssamenwerking.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de M. Stéphane Crusnière au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'accord du 31 décembre en RDC" (n° 15810)

02 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het akkoord van 31 december in de DRC" (nr. 15810)

 

02.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je me permets de vous interroger au sujet de l’accord conclu en RDC à la fin du mois de décembre en vue d’une transition inclusive et de l’organisation de nouvelles élections - espérons-le – en 2017.

 

Cet accord prévoit notamment que le président Kabila, dont le mandat s’est terminé le 19 décembre dernier, reste à la tête du pays et qu’il ne sera remplacé qu’après l’élection de son successeur. En contrepartie, l’opposition a obtenu satisfaction sur deux points: la création d’un Conseil national de transition, qui aurait dû être présidé par l’opposant historique Étienne Tshisekedi, qui est malheureusement décédé, et la nomination d’un premier ministre issu de la coalition dite "Rassemblement de l’opposition" ou G7.

 

Votre collègue Didier Reynders s’est réjoui de la conclusion de cet accord et a déclaré que "la Belgique sera attentive à la mise en œuvre de ce texte, ainsi qu’aux mesures qui seront prises en vue d’un rétablissement de l’espace démocratique et des droits et libertés, afin que toutes les opinions trouvent à s’exprimer dans le pays et que les élections puissent constituer le reflet authentique des aspirations du peuple congolais".

 

Monsieur le ministre, dans votre note de politique générale dont nous avons débattu, vous aviez indiqué: "Avec les trois pays partenaires situés en Afrique centrale que sont le Burundi, la République démocratique du Congo et le Rwanda, de nouveaux programmes de coopération seront seulement conclus lorsque ces pays auront organisé des élections présidentielles fiables et transparentes et, ce faisant, respecteront les dispositions relatives à la limitation du nombre de mandats prévue dans leur Constitution et les accords internationaux".

 

Monsieur le ministre, considérez-vous que l’accord trouvé en décembre dernier va dans ce sens et permettra la reprise de la coopération avec la République démocratique du Congo? Est-il envisageable, selon vous, que la Belgique soutienne financièrement la préparation - notamment via la société civile - et l’organisation des élections en République démocratique du Congo? Si oui, y avez-vous mis des conditions? Dans le cas contraire, quelles sont les raisons qui pourraient vous faire changer de position?

 

02.02  Alexander De Croo, ministre: Monsieur Crusnière, le 31 décembre dernier, un compromis a été trouvé entre les différentes parties congolaises à l'issue d'un dialogue mené sous la médiation de la Conférence épiscopale nationale du Congo.

 

Tout comme le ministre des Affaires étrangères, je me réjouis de cet accord qui devrait ouvrir la voie à une transition consensuelle devant favoriser une résolution pacifique de la crise actuelle. Cependant, il importe de rester vigilant quant au respect de cet accord et notamment quant au timing de l'organisation d'élections libres qui devront se tenir, comme le prévoit l'accord, avant la fin de l'année 2017.

 

Du point de vue de la Coopération au développement, j'ai décidé début 2016 d'effectuer une diminution budgétaire de 48 millions d'euros sur le programme de coopération bilatérale avec la RDC. Cette décision se situait, d'une part, dans le contexte d'un examen critique du résultat et de la pertinence de nos interventions et, d'autre part, dans le contexte budgétaire qu'on connaît. Sur base d'une évaluation critique de nos interventions en cours pour l'ensemble des pays partenaires de la coopération gouvernementale, j'ai décidé de ne pas mettre en œuvre certains programmes et de diminuer les budgets de certains projets.

 

Dans l'état actuel de la situation, la Belgique maintiendra ses engagements en cours. Il est important de souligner que la Belgique n'a pas suspendu sa coopération avec la RDC. Les projets approuvés dans le cadre du programme de coopération 2010-2016 et du programme intermédiaire 2014-2015 sont en cours d'exécution et seront poursuivis. À titre d'exemple, trois projets concernant l'extension et la consolidation de la gestion des systèmes d'approvisionnement en eau potable et l'assainissement du Maniema, du Kasaï-Oriental et du Sud-Kivu ont été signés avec la RDC en décembre 2016.

 

Il convient également de noter que nous sommes en contact permanent avec notre ambassade à Kinshasa et que nous suivons la situation de près, notamment la situation sécuritaire concernant le personnel travaillant dans nos projets de coopération. Par contre, le Congo se trouvant dans une situation de transition politique, il n'y aura pas de préparation d'un nouveau programme de coopération entre nos deux pays avant la tenue d'élections libres et la mise en place d'un nouveau gouvernement issu des urnes.

 

Concernant l'organisation des élections congolaises en 2017, la Belgique a prévu d'y apporter un soutien financier. À ce stade, un montant de 5 millions d'euros a été prévu pour le soutien au processus électoral. Ce soutien s'inscrira dans un effort global des partenaires extérieurs, notamment au niveau européen. À ce titre, la Belgique plaide pour une étroite concertation des bailleurs de fonds. Le déboursement de ce financement devra être lié à des avancées concrètes dans la préparation des échéances électorales: présentation par la Commission électorale nationale indépendante d'un budget transparent, publication d'un calendrier électoral réaliste, engagement des autorités congolaises.

 

La Belgique appuie également au niveau européen l'idée de l'envoi d'une mission d'experts sur place.

 

02.03  Stéphane Crusnière (PS): Je vous remercie pour vos réponses. Il est en effet important que la Belgique, en toutes ses dimensions - relations extérieures, défense et coopération - soutienne le processus démocratique qui tente de se mettre en place en RDC. Il faut bien évidemment être prudent et attendre la concrétisation de l'accord et sa mise en place concrète. On sait que la formation du nouveau gouvernement prend un peu de retard. Le décès de Tshisekedi retarde aussi les choses. Mais je me réjouis que des montants soient prévus. Le ministre des Affaires étrangères nous l'avait aussi dit.

 

Je comprends qu'il faut un calendrier clair et transparent pour ces élections, mais je rappelle aussi que notre Parlement avait voté, en son temps, en juillet de l'année dernière, une résolution permettant un financement par tranches. Je rappelle que ceci peut être utilisé de façon intelligente, avec un premier volet qui devrait permettre de lancer le processus électoral, avec des évaluations à la clé. Ainsi, notre partenaire congolais ne pourra pas dire qu'il ne reçoit pas de financement pour l'organisation des élections et prendre cela comme excuse pour reporter ces dernières. Cette piste devrait être envisagée. Elle permettrait d'avancer dans le processus électoral.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Interpellation et question jointes de

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste sur "le financement de Feronia par BIO" (n° 194)

- Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'investissement de BIO dans l'entreprise Feronia (RDC)" (n° 15961)

03 Samengevoegde interpellatie en vraag van

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius tot de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de financiering van Feronia door BIO" (nr. 194)

- mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de investering van BIO in het bedrijf Feronia (DRC)" (nr. 15961)

 

03.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 23 décembre 2016, BIO, la Société belge d'Investissement pour les pays en voie de développement a signé un financement à Feronia de 11 millions d'euros, malgré la sonnette d'alarme tirée, quelques mois plus tôt, par la société civile à l'occasion de la diffusion d'un rapport intitulé Agrocolonialisme au Congo dénonçant des pratiques illégales de l'entreprise Feronia.

 

Ce 2 novembre 2016, des ONG en Belgique et ailleurs (France, Grande-Bretagne, Canada, Allemagne, Espagne) ont sorti un nouveau rapport, qui apporterait des preuves nouvelles des infractions qui seraient commises par l'entreprise Feronia dans ses activités de production industrielle d'huile de palme en République démocratique du Congo.

 

Monsieur le ministre, interrogé à plusieurs reprises à ce sujet, vous avez notamment répondu, le 9 novembre dernier, que vous suiviez le dossier de très près et que jusqu'à présent, vous ne disposiez d'aucun élément vérifiable et vérifié portant à croire que BIO devrait se retirer de ce dossier mais que, s'il s'avérait, dans les semaines ou les mois à venir, que ces accusations étaient bel et bien fondées, vous demanderiez à BIO de reconsidérer son appui à cette société.

 

Monsieur le ministre, dans ce cas, pouvez-vous m'indiquer ce qui existe aujourd'hui comme évaluation externe et indépendante du respect du contrat entre Feronia et BIO? Est-il possible d'associer le parlement et la société civile à ce processus?

 

03.02  Alexander De Croo, ministre: Chers collègues, j'ai effectivement déjà répondu à quelques reprises au sujet de ce dossier. Comme vous le savez, BIO a signé un contrat de prêt pour un montant de 11 millions de dollars avec la société Plantations et Huileries du Congo (PHC), filiale de Feronia, qui tente de contribuer à la relance de l'agriculture en RDC, notamment en réhabilitant les plantations historiques tombées en ruine et dont l'apport, dans le contexte de la RDC, est significatif en termes de sécurité alimentaire et de développement économique.

 

Cette opération s'est réalisée dans le cadre d'une syndication impliquant plusieurs bailleurs internationaux. Pour rappel, l'institution de financement du développement britannique CDC détient 67 % des actions de Feronia et les institutions de financement du développement allemande et néerlandaise ont également octroyé des prêts à PHC-Feronia.

 

Les relations entre Feronia et les prêteurs sont bien sûr régies par le contrat de prêt. Il est important de souligner que ce contrat apporte, entre autres, une série d'obligations en matière sociale et environnementale, qui ont été validées par un expert indépendant mandaté par les prêteurs. Ces obligations ont été soumises et approuvées par les organes de décision de BIO. Ce contrat de prêt prévoit notamment que la société Feronia doit se conformer à un plan d'action environnemental et social qui définit précisément les résultats à atteindre et sous quel délai.

 

Un expert indépendant est chargé de vérifier que la société respecte effectivement ses obligations. En effet, les prêteurs, dont BIO, attachent énormément d'importance à la bonne implémentation de ce plan qui est au cœur de leur intervention.

 

Zoals reeds eerder aangegeven, zal ik dit dossier verder blijven opvolgen. Mijn kabinetschef en mijn beleidsmedewerkster, gespecialiseerd in steun aan de lokale private sector, hebben op 7 november 2016 een ontmoeting gehad met de CEO van Feronia. Op 13 december 2016 hebben ze een delegatie ontvangen van de ngo’s die een kritisch rapport hadden opgesteld. Tot die delegatie behoort ook een Congolese vrouw, die behoort tot de betrokken gemeenschappen. Op 13 december 2016 vond een ontmoeting plaats tussen deze delegatie en de raad van bestuur van BIO. Deze namiddag had ook een overleg plaats tussen BIO en CNCD-11.11.11. Het resultaat is dat CNCD en 11.11.11 zullen deelnemen aan een zending naar de DRC, waar een bezoek zal gebracht worden aan de hoofdzetel van Feronia in Kinshasa en aan een aantal plantages. BIO, CNCD en 11.11.11 zullen die zending samen voorbereiden.

 

Het dossier werd ook besproken op de raad van bestuur van BIO op 7 februari 2017 naar aanleiding van de goedkeuring van de tweede tranche van de lening aan Feronia. Op mijn instructie heeft mijn regeringscommissaris de volgende voorwaarden aan deze tweede tranche verbonden. Op dit ogenblik wordt slechts de helft van de tranche van 4 miljoen euro vrijgemaakt. De tweede helft wordt pas doorgegeven nadat de achterstallige lonen zijn uitbetaald en op voorwaarde dat in maart, april en mei de lonen op tijd worden uitbetaald. Er komt een bijkomende zending dit voorjaar van de consultant die het naleven door Feronia van de sociale en leefmilieuvoorwaarden moet onderzoeken. Een vertegenwoordiger van de ngo’s zal uitgenodigd worden om deze zomer deel te nemen aan een bezoek van Feronia en de DRC, daarover hebben we het juist gehad. De raad van bestuur van BIO heeft hiermee ingestemd.

 

Ondertussen is ook contact gelegd met de andere Europese financieringsinstellingen die in dit project zijn gestapt, om de houding van BIO toe te lichten. Een aantal van de kritieken die door de betrokken ngo’s werden geformuleerd, zijn ideologisch van aard. Deze organisaties zijn principieel gekant tegen deze soort grootschalige investeringen in de landbouwsector. Op dat vlak ben ik het niet met hen eens. Dit project ligt binnen het mandaat van BIO: het schept werkgelegenheid, het herstelt waardevolle plantages, het komt tegemoet aan de reële nood inzake voedselzekerheid in de DRC en het draagt bij tot een productieve landbouwsector.

 

Ik ben het wel met hen eens dat Feronia de sociale en leefmilieuwetgeving moet volgen en dat Feronia zijn werknemers volledig en tijdig moet betalen. Indien Feronia daar vanaf maart niet toe in staat is of, erger nog, niet toe bereid zou zijn, dan zal het voor BIO niet mogelijk zijn om een investering in Feronia aan te houden.

 

03.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse. Je constate que les éléments que vous avez développés vont dans le sens de la motion déposée suite à l'interpellation. L'organisation de cette mission est donc très positive, tout comme le fait d'y associer la société civile ainsi que la poursuite de l'analyse des problèmes soulevés et des décisions qui pourraient être prises s'il devait s'avérer que Feronia ne respectait pas ses obligations en matière de droit social, environnementale mais aussi en matière d'éthique. La motion est déposée et je me réjouis qu'elle corresponde à l'orientation donnée et bien évidemment, nous suivrons ce dossier et reviendrons vers vous afin de prendre connaissance de l'évolution et des décisions qui seront prises dans le cadre de ce dossier.

 

Moties

Motions

 

Le président: En conclusion de cette discussion les motions suivantes ont été déposées.

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

 

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Gwenaëlle Grovonius et est libellée comme suit:

“La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Gwenaëlle Grovonius

et la réponse du vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l’Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste,

demande au gouvernement

1. de faire en sorte que (a) les titres fonciers en ce compris les cahiers des charges qui auraient été signés avec les communautés locales et (b) les comptes de la société Feronia et de ses différentes filiales (existantes ou passées) soient effectivement accessibles à tous ceux qui souhaitent en prendre connaissance et en vérifier la légalité, à la fois dans la région où est implanté Feronia et en Belgique;

2. de lancer une mission d'évaluation indépendante, selon des termes de référence fixés de commun accord entre BIO et la société civile belge et par un expert désigné après concertation entre eux, afin d'évaluer dans quelle mesure la société Feronia respecte effectivement les termes du contrat qui la lie aux IFD et les bonnes pratiques communément admises dans le secteur du développement;

3. de présenter au parlement les résultats de cette évaluation et les éventuelles décisions prises par BIO sur base de celle-ci pour garantir que l'action menée dans le dossier Feronia est conforme à la loi qui fonde son action;

4. de tirer les conclusions sur la base des éléments identifiés par l'enquête et si la décision était éventuellement d'opter pour un arrêt des financements, garantir une stratégie de sortie qui permette de minimiser au maximum l'impact de l'arrêt éventuel du financement de l'entreprise sur les employés et les communautés et d'indemniser les travailleurs et les communautés pour les dommages éventuellement subis du fait des pratiques et comportements de l'entreprise Feronia."

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Gwenaëlle Grovonius en luidt als volgt:

“De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Gwenaëlle Grovonius

en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post,

vraagt de regering

1. erop toe te zien dat (a) de eigendomstitels met inbegrip van de bestekken die ondertekend zouden zijn met de lokale gemeenschappen en (b) de rekeningen van Feronia en de verschillende (huidige en vroegere) dochterondernemingen effectief toegankelijk zouden zijn voor iedereen die er kennis wil van nemen en de wettigheid ervan in de regio waar Feronia gevestigd is en in België wil controleren;

2. een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren, overeenkomstig referentievoorwaarden die overeengekomen zijn tussen BIO en het Belgisch middenveld, door een in onderling overleg aangestelde deskundige om te beoordelen in hoeverre Feronia daadwerkelijk de bepalingen van de overeenkomst die het bedrijf aan de DFI’s bindt en de in de sector van de ontwikkelings­samen­werking algemeen gangbare goede praktijken naleeft;

3. het parlement de resultaten van die evaluatie te bezorgen evenals de beslissingen die BIO op basis daarvan zou hebben genomen om ervoor te zorgen dat die investeringsmaatschappij in het dossier-Feronia handelt in overeenstemming met de wet waarop haar handelen gebaseerd is;

4. de nodige besluiten te trekken op grond van de gegevens die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen en, als men eventueel zou beslissen de financiering stop te zetten, voor een exitstrategie te kiezen die het mogelijk maakt de impact van de eventuele stopzetting van de financiering van het bedrijf voor de werknemers en de gemeenschappen zoveel mogelijk te beperken en de werknemers en gemeenschappen te compenseren voor de schade die ze eventueel geleden hebben als gevolg van de praktijken en handelingen van Feronia.“

 

Une motion pure et simple a été déposée par Mmes Rita Bellens, Annemie Turtelboom et Els Van Hoof et par M. Jean-Jacques Flahaux.

Een eenvoudige motie werd ingediend door de dames Rita Bellens, Annemie Turtelboom en Els Van Hoof en door de heer Jean-Jacques Flahaux.

 

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

 

La question n° 15985 de M. Philippe Blanchart est reportée.

 

04 Questions jointes de

- M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la position du gouvernement belge sur les négociations post-Cotonou" (n° 15990)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'accord de Cotonou" (n° 16669)

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het standpunt van de Belgische regering in de onderhandelingen in het post-Cotonoutijdperk" (nr. 15990)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Akkoord van Cotonou" (nr. 16669)

 

04.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, les acteurs européens – pays membres et institutions européennes – et les pays ACP se préparent à la négociation d’un nouvel accord UE-ACP pour les vingt ans à venir, à partir de 2020. C’est l’occasion de faire un bilan avec vous de l’actuel accord de Cotonou et de voir les points clés sur lesquels la Belgique veut insister au sein de cette négociation pour avoir un nouveau partenariat ambitieux avec les pays ACP.

 

Monsieur le ministre, je vous interrogerai sur le volet du bilan d’abord.

 

Premièrement, quel bilan faites-vous de la mise en oeuvre des accords de Cotonou par rapport aux espérances fortes exprimées en 2000 à la suite de l’adoption des objectifs du Millénaire et de l’ouverture des négociations de l’OMC à Doha, plus marquées sur le développement?

 

Deuxièmement, sur le plan commercial, les préférences commerciales non réciproques permettant aux partenaires ACP d'accéder au marché de l'UE devaient être remplacées par des accords de partenariat économique (APE) compatibles avec les règles de l'OMC. Ce processus est toutefois très lent et très lourd, et est critiqué par les pays ACP. Comment rendre une certaine souplesse à ce processus et accélérer sa mise en oeuvre?

 

Troisièmement, le dialogue politique s’est illustré par la mise en oeuvre des articles 96 et 97 en cas de violation des droits de l’homme, notamment au Burundi par exemple. Mais quel est le côté positif de ce dialogue politique? A-t-il permis, selon vous, le développement du principe d’appropriation dans le chef des ACP?

 

Monsieur le ministre, j'en viens à présent aux prospectives.

 

Premièrement, comment introduire les objectifs de développement durable de 2030 dans ce cadre UE-ACP sans faire de doublons avec les organes de l’ONU?

 

Deuxièmement, comment renforcer la bonne gouvernance dans les pays ACP, au-delà de l’aide financière et de l’observation des processus électoraux, par exemple, dans la lutte contre la corruption - article 97? Comme le Parlement européen, j’appelle de mes vœux un recours plus efficace et plus systématique au dialogue politique, qui doit être utilisé en amont pour prévenir les crises politiques.

 

Troisièmement, le secteur privé peut jouer un rôle de premier plan dans le financement de projets. Comment s’assurer que les investissements seront réalisés dans le respect des populations, des droits de propriété et de celui de l'environnement?

 

Quatrièmement, comment aider les pays ACP à exploiter au mieux leurs ressources intérieures, notamment par un renforcement des systèmes fiscaux, une bonne gestion des ressources naturelles ainsi que le développement de l'industrialisation et de la transformation des matières premières sur leur territoire?

 

Cinquièmement, comment répondre aux inquiétudes des pays ACP qui craignent que le principe de différenciation réduise les ressources disponibles et "punisse" les pays qui s'en sortent le mieux?

 

Sixièmement, la question du contrôle des flux migratoires fera partie des questions centrales des relations UE/ACP 2020-2040. L'article 13 de l'accord actuel évoque une coopération sur les questions de migration. Comment organiser au mieux ces déplacements de population qui sont, dans leur ampleur, d'abord des migrations Sud-Sud?

 

Je me rends compte de l'importance de la thématique abordée. Je pense qu'il est bon de s'y prendre suffisamment à l'avance, dans la perspective de la conclusion de ces accords en 2020.

 

04.02  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het Akkoord van Cotonou is een heel belangrijk Europees instrument voor ontwikkelingssamenwerking en omvat zowel akkoorden over hulppakketten, handelsakkoorden als politieke relaties tussen de Europese Unie en de partnerlanden in kwestie. De Europese Commissie heeft over dat akkoord een belangrijke mededeling gedaan op 22 november 2016, waarin zij richtinggevende signalen zichtbaar maakt voor een mogelijke derde herziening van dat akkoord.

 

De Commissie lijkt er de voorkeur aan te geven om tot een gemeenschappelijke sokkel te komen waarbij per regio een aparte pijler met beleidsprioriteiten wordt gebouwd. Die sokkel met drie pijlers zal tijdens de Europese Raad, voorzien op 16 maart 2017, en tijdens de Europese Raad, voorzien op 19 mei 2017, verder worden uitgewerkt. Enkele knopen zullen nog moeten worden doorgehakt. In dat verband heb ik de volgende vragen.

 

Welk standpunt zult u ter zake innemen? Wat zal het Belgisch standpunt zijn? Welke elementen uit de mededeling van de Europese Commissie neemt u mee in dat Belgisch standpunt? Kiest u voor een bindend of niet-bindend akkoord? Kiest België voor de opname van nieuwe landen of niet?

 

Welke belangrijke principes wil België opnemen in een nieuw akkoord? Ik denk maar aan de private sector. Op welke manier komt dat in het Belgisch standpunt tot uiting? Op welke manier wordt dat gekoppeld aan de SDG’s? Wordt er ook aandacht besteed aan het lot van kleine lokale boeren in de betreffende landen?

 

Uit de mededeling van de Europese Commissie blijkt een accentverschuiving aangaande de visie op internationale samenwerking, onder andere met veel minder aandacht voor internationale solidariteit en armoedebestrijding. Zult u dat namens België aankaarten tijdens die onderhandelingen? Welke elementen zult u op tafel leggen om armoedebestrijding en internationale solidariteit mee op te nemen in het herziene akkoord?

 

04.03  Alexander De Croo, ministre: Monsieur le président, chers collègues, l'accord de Cotonou couvre des domaines qui dépassent la Coopération au développement. Dans les discussions qui ont lieu sur ce qui succédera à cet accord après 2020, il s'agit donc de suivre une approche globale alliant à la fois développement économique et politique.

 

Sur le plan des bilans, de nombreux rapports et études ont été rendus publics. Le European Centre for Development Policy Management a ainsi produit des analyses souvent assez critiques qui alimentent également notre réflexion. De notre point de vue, on peut relever spécifiquement que la conclusion d'accords de partenariat économique conformes aux règles de l'OMC est cruciale pour assurer la continuité des accès au marché de l'Union européenne aux pays ACP, aux revenus moyens qui ne bénéficient pas du programme Everything but Arms accordé aux pays les moins avancés.

 

De tels accords ont déjà été conclus avec les pays des Caraïbes et du Pacifique. Les négociations avec les partenaires africains réunis en cinq régions ont demandé plus de temps. Toutefois, la récente conclusion de l'accord de partenariat économique avec la Communauté de développement d'Afrique australe et son entrée en application provisoire d'octobre 2016 démontre que la patience porte ses fruits.

 

La base juridique actuelle pour le dialogue politique au niveau des pays est aussi un outil précieux mais devrait être renforcée et élargie, par exemple aux questions de la migration qui, jusqu'à présent, avaient été écartées du programme politique avec les pays ACP.

 

De plus, ce dialogue politique a été engagé uniquement avec les gouvernements des pays ACP, laissant de côté un certain nombre d'acteurs avec lesquels l'Union européenne pourrait pourtant également s'engager: les organisations régionales, les parlements, les gouvernements locaux, la société civile et le secteur privé. En se focalisant uniquement sur les gouvernements qui manquent parfois de légitimité, ce dialogue politique dépend trop de la bonne volonté politique de ses interlocuteurs. Il convient enfin de relever que ce dialogue pourrait aussi être plus stratégique et plus efficace.

 

Wat de voorbereiding van post-Cotonou betreft, de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Externe Actie publiceerden in november 2016 een gemeenschappelijke mededeling. De onderhandelingen tussen de lidstaten over de verschillende aspecten van die mededeling zijn aan de gang, in verschillende raadsformaties van de Europese Unie. Zowel de ministers van Buitenlandse Zaken als de ministers van Ontwikkelingssamenwerking bespreken dit dossier.

 

De onderhandelingen gaan onder meer over een mogelijke geografische uitbreiding van het toepassingsgebied van niet-ACP-landen, het nut van het juridisch bindend karakter en het formaat van het akkoord met sterke geografische pijlers.

 

De standpunten van de lidstaten liggen nog ver uiteen. België tracht een bruggenbouwer te zijn door tegengestelde opinies dichter bij elkaar te brengen. Ons land wenst verder te bouwen op het acquis van het bestaande Cotonou-akkoord, dat 79 ACP-landen en 28 EU-lidstaten verenigt, en wil het laten evolueren naar een strategisch partnerschap tussen partijen op gelijke voet, veeleer dan tussen donoren en begunstigden. Daarmee willen wij tegemoetkomen aan de uitdagingen van de 21e eeuw en de geest van de Agenda 2030, die een universeel karakter heeft.

 

Ik denk dus niet dat er in de lopende onderhandelingen te weinig aandacht is voor internationale solidariteit en armoedebestrijding, niet alleen omdat de armoedebestrijding de eerste van de 17 SDG’s is, maar ook omdat de Agenda 2030 vertrekt vanuit een standpunt dat een alomvattende aanpak de sleutel tot ontwikkelings­vooruitgang vormt. De Cotonou-overeenkomst omvat domeinen die verder gaan dan ontwikkelingssamenwerking. In de debatten over de opvolger van die overeenkomst is het dus van belang een overkoepelende visie inzake ontwikkeling, economie en politiek na te streven.

 

België is voorstander van een alomvattende aanpak, die de drie delen van Cotonou beter integreert en zich inbedt in de bredere externe relaties van de Europese Unie. Tijdens de laatste bijeenkomst van de EU-ministers van Ontwikkelingssamenwerking in november onderstreepte ik de bijzondere aandacht die moet worden gegeven aan de minst ontwikkelde landen, enerzijds, en de thematische kwesties van vrede, veiligheid, de rechtsstaat, migratie, de strijd tegen de klimaatverandering, duurzame economische groei, waardig werk en de ondersteuning van private ondernemingen, anderzijds.

 

Ik wil ook in de volgende maanden proberen om die rol van bruggenbouwer tussen de uiteenlopende standpunten te blijven spelen en op die manier de sterktes van het bestaande akkoord te bewaren, maar tegelijk de zeer terechte kritiek die werd geformuleerd niet uit de weg te gaan.

 

04.04  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée. Une des choses que vous avez dites me paraît fondamentale: c'est une thématique qui dépasse la seule Coopération au développement. Comme ma collègue Mme Els Van Hoof, je veux par ce biais conscientiser le parlement à ce grand débat. Certes, l'Union européenne est déjà confrontée à de nombreuses difficultés, notamment avec le Brexit; mais nous ne devons pas pour autant laisser la place vide. Il faut s'engager résolument dans les discussions.

 

Dans le cadre du post-Cotonou, il faudra bien entendu tenir compte de la sortie de la Grande-Bretagne de l'Union européenne, puisque certains des États ACP sont d'anciennes colonies britanniques ou membres du Commonwealth. Il serait intéressant de connaître le positionnement de ces pays dans ce contexte. Je vous remercie.

 

04.05  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uw antwoord smaakt naar meer.

 

Er komen twee belangrijke Europese Raden aan. U bent een bruggenbouwer. Het interesseert mij en zeker ook anderen wat de tendensen in de armere Europese landen rond Ontwikkelingssamenwerking zijn. Wij leven immers niet op een eiland. De principes die u inzake Ontwikkelingssamenwerking aanneemt, leven ook in de andere Europese landen.

 

Mijnheer de voorzitter, daarom zou het nuttig zijn naar aanleiding van de beslissingen van de Europese Raad of van de aanbevelingen die zullen komen, in de commissie na te gaan op welke manier wij ons hebben gepositioneerd en welke richting wij met Ontwikkelingssamenwerking, ook op Europees niveau, uitgaan.

 

De voorzitter: Mevrouw Van Hoof, ik dank u voor uw suggestie en ben graag bereid om ze op te pikken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "Enabel" (n° 16152)

05 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "Enabel" (nr. 16152)

 

05.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, lors de votre discours à l'occasion des vœux de la CTB, vous avez annoncé au personnel et aux membres du secteur présents le changement de nom de la future BDA, pas assez sexy ni original selon vos dires, en Enabel. On ne sait d'ailleurs pas trop comment il faut le prononcer.

 

Vous avez par ailleurs insisté sur la prononciation et le champ sémantique anglais de la nouvelle agence. Tout un programme!

 

Monsieur le ministre, comment êtes-vous arrivé au choix de ce mot comme nouvelle appellation d'une agence fédérale de la Coopération au Développement? Ce nom pourrait prêter à confusion avec le mot anglais unable, qui a une signification opposée. Du possible à l'impossible, il n'y a qu'un pas à franchir. Comment le grand public pourra-t-il faire le lien entre la Coopération au Développement belge et ce nom?

 

05.02  Alexander De Croo, ministre: Madame Grovonius, la liste des objectifs de développement durable repris dans l'Agenda 2030 adopté en septembre aux Nations unies forme le cadre de la coopération internationale pour les quinze prochaines années. Ils sont censés apporter une réponse au double objectif de lutte contre la pauvreté et de développement durable.

 

Dans ce contexte, la Belgique entend adopter un profil de développement plus clair de sorte à pouvoir assumer un rôle et des responsabilités spécifiques au sein de la communauté internationale. C'est ainsi qu'en date du 15 avril 2016, le Conseil des ministres a, sur ma proposition, endossé les axes prioritaires et les principes de la réforme de l'agenda belge de développement.

 

L'Agence belge de Développement (CTB) appuie, déjà depuis 1999, des programmes de développement dans une vingtaine de pays, principalement en Afrique. Par ailleurs, la CTB exécute aussi des tâches pour le compte d'autres bailleurs.

 

Depuis plusieurs années déjà, l'appellation d'origine de l'Agence ne reflète plus vraiment la réalité. Cela fait longtemps que l'organisation ne se limite plus à la coopération technique. D'où la nécessité d'une nouvelle appellation censée coller à la réalité actuelle et future.

 

Dès le début de la réforme en 2016, un nom de travail a été choisi, en l'occurrence, comme vous l'avez dit, la Belgian Development Agency pour pouvoir indiquer dans le texte et les documents de la réforme la différence entre l'ancienne CTB et la nouvelle Agence.

 

Le nouveau nom de l'Agence a été développé par la CTB en concertation avec un bureau spécialisé suite à un marché public lancé par la CTB. Le nouveau nom devait notamment répondre aux critères suivants: un nom porteur de sens, d'une signification correspondant à la vision de la coopération gouvernementale belge, un nom qui s'écrit et se prononce comme un mot identique dans toutes les langues, pas d'abréviation, un url .be disponible pour indiquer qu'il s'agit d'une organisation belge.

 

Parmi plus de 300 idées, c'est le nom Enabel qui a été sélectionné. Enabel est une variante belge du mot anglais unable. Il se prononce comme le terme anglais, mais se termine par BEL pour Belgique, soit une référence claire et indépendante du langage utilisé. Enabel est un nom unique utilisé dans toutes les langues, ce qui est une bonne chose pour asseoir la marque de l'Agence, faciliter la reconnaissance et renforcer la cohérence à tous les niveaux. Enabel est un mot et non une abréviation. En faisant le lien avec l'anglais, le nouveau nom de l'Agence revêt aussi toutes les significations du terme anglais qui pointent toutes vers le contenu des activités de la nouvelle Agence belge de développement. Enabel signifie, en effet, permettre, faciliter, autonomiser, ce que fait précisément l'Agence belge de développement. Elle met ses partenaires en mesure de faire ce qui est nécessaire pour que le développement durable devienne une réalité dans leur pays. Elle doit contribuer à mettre en place les conditions permettant le développement. Elle doit donner un petit coup de pouce. Elle motive, encourage, promeut, réunit les partenaires dans les organisations afin de mettre les choses en mouvement et réaliser le changement.

 

Enabel implique également certains efforts. Son concept suppose en effet une certaine forme de responsabilisation. Il indique que tout un chacun doit, à un certain moment, assumer sa responsabilité. C'est un mot moderne censé résister à l'usure du temps, puisqu'il ne se réfère à aucune notion à forte connotation historique et quasiment désuète telle que "coopération au développement", "aide" ou encore des termes trop limitatifs comme "coopération technique", qui ne font que susciter une impression de déjà vu. Résolument tourné vers l'avenir, Enabel tranche avec le passé. Ce nom entend induire un sentiment positif, inspirant confiance et foi dans l'avancement et le progrès – et ce, aussi dans des circonstances difficiles et imprévisibles, dans les États fragiles et les pays les moins avancés.

 

Lors d'une réunion du middle management de la CTB, ce nom a été approuvé unanimement par les cinquante membres du personnel présents. M'appuyant sur ce consensus, j'ai annoncé ce nouveau patronyme lors de la réception de Nouvel An de cet organisme.

 

05.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Peut-être est-ce en raison de ma sensibilité francophone, mais après avoir entendu les uns et les autres, il m'apparaît que le rapport entre ce nom et le rôle de la CTB est opaque. J'entends que vous voulez une appellation qui puisse évoluer dans le temps et qui ne soit pas attaché nécessairement à un concept tel que "coopération au développement". Nos points de vue divergent, mais je peux le comprendre.

 

Ensuite, on peut très facilement en arriver à prononcer "unable" – qui a une tout autre signification. L'image qui en ressort est évidemment tout de suite moins attirante.

 

Objectivement, le lien avec les missions de la CTB n'est pas clair. C'est un choix, mais il ne me convainc pas. C'est le cas d'autres personnes. Malgré tout, j'espère que nous parviendrons à faire entendre sur la scène internationale, mais aussi chez nous, ce qui se cache derrière ce nom peu évocateur pour le commun des mortels.

 

05.04  Alexander De Croo, ministre: Cela prouve deux choses. D'abord, je pense que vous n'écoutez pas vraiment. Pendant cinq minutes, j'ai expliqué tous les éléments de mon raisonnement. Peut-être n'êtes-vous pas d'accord avec ce raisonnement mais vous ne pouvez pas dire que je n'ai pas donné un raisonnement qui explique ce nom-là. Quant à votre autre référence, cela prouve tout simplement que vous êtes de mauvaise foi. Aller faire un lien entre le mot que vous utilisez là et Enabel n'est pas un lien logique, c'est un lien purement politique que vous faites. Quand vous dites qu'on essaye de saboter ce nom pour des raisons politiques: dites-le. Mais faire un lien entre l'autre mot anglais et Enabel est un lien qui, pour moi, n'est pas du tout logique. C'est faire preuve de mauvaise foi.

 

05.05  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je ne vois pas du tout pourquoi vous vous énervez de la sorte. Objectivement, je ne fais absolument pas de politique et je ne suis certainement pas de mauvaise foi. Au contraire, je vous parle en toute sincérité d'un sentiment. Je n'ai pas de difficultés vis-à-vis de cela. Nous ne ressentons pas les choses de la même manière. J'ai entendu votre explication mais je ne pense pas que nous ayons l'occasion d'expliquer à l'ensemble des personnes tout le raisonnement qui se cache derrière ce nom. Les gens verront juste le nom qui est "Enabel" et derrière cela, ils devraient d'instinct comprendre tout le raisonnement que vous avez mis effectivement cinq minutes à m'expliquer. Je ne pense pas qu'ils pourront le comprendre et je ne pense pas que, d'office, en voyant le nom ou en l'entendant, ils comprendront de quoi on parle.

 

J'entends bien votre raisonnement et cela ne me pose pas de difficultés. Quand j'entends votre raisonnement, je me dis que c'est logique. Je dis juste que le problème est que ce nom n'est pas suffisamment clair par rapport au travail que la CTB fait aujourd'hui. Je ne fais pas de politique, je ne suis pas de mauvaise foi. Je vous parle juste d'un sentiment, en toute sincérité. Je ne comprends vraiment pas l'énervement que cela suscite chez vous.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de subsidies voor de ANGS’en" (nr. 16346)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de subsidies voor de ANGS’en" (nr. 16637)

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de effecten van de besparingen bij de ANGS'en" (nr. 16653)

06 Questions jointes de

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les subsides destinés aux ACNG" (n° 16346)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les subsides destinés aux ACNG" (n° 16637)

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les effets des économies pour les ACNG" (n° 16653)

 

06.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, het koninklijk besluit van 11 september 2016 stipuleert dat u uiterlijk op 15 februari van het aanvangsjaar van een programma uitsluitsel moet geven over de financiering voor de niet-gouvernementele samenwerking. Dat is morgen.

 

Voorafgaand hebt u ook gezegd dat u sectorbreed een besparing van 8,6 % zou doorvoeren. Tegelijkertijd gaf u aan dat u die besparing zou richten op uw beleid. De organisaties die voldoende nauw bij uw beleid aansluiten, zouden minder moeten besparen.

 

In het kader van de hervorming van de ANGS’en hebt u een evaluatie laten uitvoeren bij het middenveld om te bepalen welke organisaties fit for purpose zijn.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, welke criteria hebt u gehanteerd om te bepalen of een organisatie fit for purpose is? Indien organisaties niet door de controle zijn geraakt, worden deze dan geweerd uit de subsidieronde?

 

Ten tweede, welke criteria hebt u gehanteerd om de financiering te bepalen? Haalt u de doelstelling van 8,6 % besparing die u had vooropgesteld?

 

Ten derde, in welke mate hebben de evaluaties van de ANGS’en in 2016 een impact op de financiering van de door hen ingediende programma's?

 

Ten vierde, zullen organisaties die nauwer aansluiten bij het door u uitgestippelde beleid minder moeten besparen?

 

Ten vijfde, blijft u houden aan 15 februari als uiterlijke datum waarop de programmafinanciering moet worden bekendgemaakt?

 

Naast die 8,6 % besparing is er in het kader van behoedzaamheid in de begroting ook nog vooruitgeschoven dat er een extra 30 miljoen euro zou bijkomen. Die extra besparing kan mogelijks een invloed hebben op de programma's van de ngo's die reeds in september waren ingediend.

 

Vandaar volgende vragen.

 

Hebt u in overleg met de sector kunnen bepalen welke programma’s er zullen worden geschrapt? Is de nodige flexibiliteit ingebouwd overeenkomstig de doelstellingen van de GSK’s waarin die programma’s zijn opgericht?

 

Zult u in de evaluatie en monitoring van de GSK’s rekening houden met de invloed van het wegvallen van sommige van die programma’s?

 

Op welke wijze hebt u rekening gehouden met de gevolgen op de impact door het wegvallen van programma’s?

 

De ngo’s laten weten dat in het raamakkoord was afgesproken dat zij 10 % aan vrije ruimte kregen voor de realisatie van hun programma’s. Een aantal van hun programma’s in die vrije ruimte vallen nu weg. Welke argumenten hebt u voor het wegvallen van de programma’s in Ghana en Malawi?

 

06.02  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijn vraag sluit aan bij deze van collega Bellens.

 

Morgen moet, op basis van het KB van 11 september 2015, uitsluitsel worden gegeven over de financiering van de uit te voeren programma’s. Heel wat ngo’s hebben al zicht op wat zij zullen krijgen voor de periode van de komende vijf jaar. Dit past ook in de besparingsronde van 8,5 % voor de gehele sector.

 

Die besparingen zullen, conform uw communicatie, gericht gebeuren. Dit moet worden begrepen als in de eerste plaats gericht op organisaties die niet voldoende aansluiten bij uw prioriteitenbeleid of visie. Ter zake werden afgelopen jaar dan ook evaluaties uitgevoerd bij het middenveld om te bepalen of de betreffende organisaties fit for purpose zijn.

 

Mijn vragen zijn de volgende.

 

Ten eerste, betreffende de beoordeling van de meerjarenprogramma’s, welke criteria werden gebruikt bij de beoordeling van deze programma’s? Wordt het initiatiefrecht van de ngo’s gerespecteerd? Er is vooral enige bezorgdheid over de middeninkomenslanden, zoals collega Bellens reeds aanhaalde. De ngo’s mogen 10 % op sectorniveau buiten de 33 gemeenschappelijke strategische kaders werken.

 

Hebt u dit gerespecteerd? Waarom dan niet de programma’s inzake Malawi, Ghana, China en Tunesië, waarvan blijkt bij nazicht dat deze niet meer zullen gefinancierd worden? Dat is een stukje tegen de gemaakte afspraken in. Op welke gronden heeft men zich dan gebaseerd?

 

Ten tweede, het budget. U hebt met de sector een afspraak gemaakt over die 8,5 % de komende vijf jaar. Hoe zal dit concreet gebeuren? Wat de onderbenutting betreft, gaat u nog dit jaar 17 miljoen euro onderbenutten. Er werd reeds aangehaald dat dit boven op de 8,5 % van het gesloten akkoord komt. Hoe zult u garanderen dat dit de komende jaren niet meer het geval zal zijn?

 

06.03 Minister Alexander De Croo: De criteria voor de toetsing van de beheerscapaciteit van de organisaties die een erkenning hebben aangevraagd, zijn bepaald in artikel 2 van het KB van 11 september 2016. Het gaat om het financiële beheer, het strategisch beheer, het procesbeheer, het resultaatgericht beheer, het beheer van de partnerschappen, rekening houdend met de transversale thema’s van gender en milieu, het risicobeheer, het personeelsbeheer en de transparantie, gecombineerd met het niveau van complexiteit van de organisatie. Met niveau van complexiteit wordt bedoeld: de grootte van de organisatie, de geografische en thematische spreiding, de diversiteit van de partners, de spreiding van de opdrachtgevers en het aantal medewerkers.

 

105 organisaties hebben zich aan de toetsing van hun beheerscapaciteit onderworpen, waarvan er 85 slaagden: 74 ngo’s, 9 institutionele actoren en 2 federaties. 20 organisaties zijn niet geslaagd. Aangezien deze organisaties niet langer erkend zijn, hebben zij ook geen nieuwe subsidie kunnen aanvragen voor de programma’s 2017-2021. Ik heb er bewust voor gekozen om de identiteit van deze organisaties niet bekend te maken. Ik wil hun de reputatieschade besparen van een publieke bekendmaking van de resultaten, die negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor hun fondsenwerving.

 

Ik vind het absoluut normaal dat organisaties die elk jaar meer dan 200 miljoen euro subsidies van de overheid ontvangen, van tijd tot tijd op hun beheerscapaciteit worden geëvalueerd. Ik vind het resultaat trouwens echt bemoedigend: 81 % van de getoetste organisaties blijkt over voldoende beheerscapaciteit te beschikken om zijn programma’s uit te voeren. Alle organisaties die geslaagd waren in de toetsing, hebben een erkenning gekregen, waardoor zij in aanmerking komen voor subsidie. Al deze organisaties hebben in september 2016 een programmavoorstel ingediend voor de periode 2017-2021. Al deze voorstellen, 416 in totaal, werden door mijn administratie geanalyseerd en beoordeeld.

 

Bij die beoordeling werd in de eerste plaats rekening gehouden met de kwaliteit van het dossier. Er werd daarbij geen onderscheid gemaakt tussen het feit dat een programma in een middeninkomensland of in een minst ontwikkeld land wordt uitgevoerd. Het initiatiefrecht van de organisaties werd dus gerespecteerd. De administratie heeft bij die beoordeling de criteria gebruikt die door de wet van 19 maart 2013 en door het koninklijk besluit van 11 september 2016 zijn bepaald, namelijk relevantie, doeltreffendheid, doelmatigheid, duurzaamheid, partnerschap, synergieën en geleerde lessen.

 

Vervolgens werd rekening gehouden met de mate waarin de organisatie rekening houdt met mijn beleidsprioriteiten. Ook werd nagegaan of de gevraagde subsidiebudgetten niet buitensporig hoger lagen dan de ontvangen subsidies in de periode 2014-2016.

 

Maximaal tien procent van alle programma’s mag buiten de gemeenschappelijke strategische kaders worden ingezet. De organisaties hebben dat percentage gerespecteerd bij hun programmavoorstellen.

 

Er werd in 2015 inderdaad een besparing van 8,5 % gecommuniceerd. De organisaties hebben echter programmavoorstellen ingediend die 26 % meer middelen vragen dan wat de begroting toeliet. Het is de eerste keer dat er een zo groot verschil is tussen de totale subsidievraag en het beschikbaar budget. Er moet dus een serieuze oefening gebeuren om de vraag binnen het budgettair kader te brengen. De administratie heeft dat gedaan op basis van de beoordeling van de kwaliteit van de voorstellen: hoe hoger de kwaliteit, hoe vollediger de financiering.

 

Daarenboven werden er ondertussen binnen de regering nieuwe afspraken gemaakt over onderbenutting en budgettaire behoedzaamheid. Ik heb daarom de vertegenwoordigers van de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking tweemaal ontmoet. Op het einde van die gesprekken heb ik met hen een akkoord gesloten over een bijkomende lineaire besparing van 17 miljoen euro voor de kredieten van 2017. De raden van bestuur hebben dat akkoord bevestigd.

 

Op 3 februari 2017 werden alle 85 organisaties individueel ingelicht over het subsidiebedrag dat hen toegekend wordt. De organisaties bekijken momenteel op welke manier zij de besparingen in hun programma tussen de landen en de budgetrubrieken kunnen verdelen. Op 6 en 7 februari heeft de administratie naar alle organisaties een budgettabel gestuurd waarin de nodige besparingen lineair worden toegepast. De organisaties moesten tegen 9 februari laten weten of zij daarmee akkoord gaan. Zo ja, dan kan de administratie het ministerieel besluit onmiddellijk klaar maken en voorleggen aan de Inspectie van Financiën en zal de datum van 15 februari gerespecteerd worden.

 

Voor de organisaties die een andere budgetverdeling wensen voor te stellen, zal de uiteindelijke datum afhangen van het moment waarop zij aan de administratie hun definitieve budgetverdeling doorgeven.

 

Bij de beoordeling van de kwaliteit van de ingediende programmavoorstellen werd wel degelijk rekening gehouden met de evaluaties die in 2016 waren uitgevoerd. Organisaties die in een nieuw programma met de aanbevelingen van de evaluaties rekening houden en dat ook in hun nieuwe programma aantonen, hebben een hogere kwaliteitsscore en bijgevolg een hogere financiering gekregen.

 

De hoogte van de subsidies werd bepaald aan de hand van scores op het gebied van kwaliteit van het dossier, die meetellen voor maximaal 100 punten alsook aan de hand van de score in synergie met mijn beleidsprioriteiten, die meetellen voor maximaal 20 punten. Organisaties die in een programma nauwer bij mijn beleidsprioriteiten aansluiten, zoals duurzame en inclusieve groei, rechtenbenadering met inbegrip van vrouwen- en kinderrechten, vrede en veiligheid, migratie en klimaatverandering, krijgen dus een hogere subsidie toegekend. Niettemin blijft het gewicht van die beleidsprioriteiten beperkt tot 20 punten ten opzichte van 100 punten voor de kwaliteit van het dossier.

 

Ik ben van mening dat wij op die manier een goed evenwicht hebben bewaard tussen de beleidsprioriteiten, enerzijds, en de autonomie van de organisaties, anderzijds.

 

De programma’s voor Malawi en Ghana werden geschrapt, omdat dat anders tot een te grote versnippering zou leiden. De inzet van Ontwikkelingssamenwerking in Malawi en Ghana zou minder dan 0,1 % van de totale middelen van de niet-gouvernementele samenwerking zijn geweest, zonder enige opportuniteit tot synergie of complementariteit. Vanuit het oogpunt van goed bestuur kunnen die interventies niet met subsidies uit de Belgische ontwikkelingsbudgetten worden ondersteund. Uiteraard kunnen de betrokken organisaties die interventies met niet-gouvernementele middelen uitvoeren.

 

De programma’s in China en Tunesië werden geschrapt, omdat de kwaliteit van die programma’s te laag lag.

 

Tot slot, ik begrijp dat de besparingen onaangenaam zijn voor de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking. Het leek mij evenwel niet billijk hen van de budgetvermindering vrij te stellen, omdat zulks zou betekenen dat nog sterker in de budgetten van alle andere actoren zou moeten worden ingegrepen.Uiteindelijk hebben de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking zich solidair met de andere actoren getoond, wat ik toejuich. Daarom ben ik blij dat wij met de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking een modus vivendi hebben kunnen vinden, om in 2017 een extra inspanning van 17 miljoen euro in de vereffeningkredieten te doen.

 

Indien ik in 2018 opnieuw een budgettaire inspanning van dezelfde grootteorde als in dit jaar moet doen, zal een gelijkaardige inspanning van de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking onvermijdelijk zijn.

 

Indien ik een kleine inspanning moet leveren volgend jaar, dan wordt de niet-gouvernementele samenwerking de eerste begunstigde van de marges.

 

Indien ik de budgetvermindering lineair had doorgevoerd, zou dat een besparing van 28 miljoen euro betekend hebben. Uiteindelijk werd het een vermindering van 17 miljoen euro.

 

Het staat de niet-gouvernementele actoren vrij om te beslissen op welk deel van hun programma zij de bijkomende besparing leveren. De onderdelen die een te lage score kregen inzake kwaliteit, kunnen evenwel niet worden opgevist.

 

De gemeenschappelijke strategische kaders zijn goedgekeurd voor vijf jaar. Het beoordelingsproces, dat nu is ingevoerd, zal ongetwijfeld gevolgen hebben voor de volgende GSK’s. Wij hebben nu vier jaar de tijd om lessen te trekken uit het proces, dat gevoerd is, en verbeteringen voor te stellen.

 

Ik geef tot slot enkele cijfers, om toch de ordes van grootte in het debat scherp te stellen. BTC ontvangt dit jaar 150 miljoen euro voor het operationeel budget. De vrijwillige bijdragen in de multilaterale partnerorganisaties bedragen dit jaar 94 miljoen euro. De bijdrage aan de Internationale Ontwikkelingsassociatie van de Wereldbank bedraagt dit jaar 42 miljoen euro. De bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds bedraagt dit jaar 128 miljoen euro. De subsidies voor de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking bedragen dit jaar 215 miljoen euro.

 

Het blijft dus toch nog steeds een belangrijk budget.

 

06.04  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik denk dat u in de zomer terecht fier was op uw raamakkoord met de ANGS’en. De ngo’s hebben toegestemd in de besparing en zijn meegegaan in het verhaal. Ik denk dat dat belangrijk is voor de nog op stapel staande hervormingen.

 

De extra besparing van 17 miljoen euro, waar zij ook nog in meegaan, is niet onbelangrijk. Ik denk dat het voor uw beleid zeer belangrijk is om voldoende draagvlak met het middenveld te houden. Ik hoor u zeggen dat een en ander in 2018 zal afhangen van het feit of u al dan niet opnieuw zult moeten besparen. Als u dan opnieuw bij de ngo’s moet passeren, is het belangrijk dat u de dialoog constructief kunt houden en kunt blijven rekenen op een goede samenwerking met de ngo’s.

 

06.05  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

 

De ngo’s waren begin dit jaar een beetje verbaasd over de bijkomende besparing, net als iedereen trouwens, omdat een en ander al in het raamakkoord overeengekomen was. Ik ben vooral bezorgd om de situatie dit jaar, aangezien volgend jaar, op basis van de onderbenutting van dit jaar, zal worden nagegaan of er al dan niet verder wordt bespaard. We kunnen nu al stellen dat sommige budgetten in bepaalde landen niet zullen worden aangewend. Is het dan geen idee om proactief een deel van de budgetten voor fragiele landen zoals Burundi en Congo, toe te wijzen aan ngo’s die wel gemakkelijker werken in fragiele landen in plaats van aan de bilaterale sector? Op die manier zal er minder onderbenutting zijn en worden die organisaties niet de dupe van het feit dat er in bepaalde fragiele landen geen budgetten worden uitgegeven.

 

De keuze voor fragiele landen was een zeer moedige beslissing, maar dat maakt wel dat we globaal tot een onderbenutting komen van 120 miljoen euro. We moeten wel een strategie ter beschikking hebben om ons budget uit te geven. Voor fragiele landen is er altijd een risico. De risicotaxatie moet eigenlijk vroeger gebeuren, opdat bepaalde budgetten effectief voor ontwikkelingssamenwerking worden uitgegeven, ook dit jaar, en andere sectoren, zoals de ngo’s, als een donderslag bij heldere hemel geen besparingen opgelegd krijgen zoals dat deze keer het geval was. We moeten vanuit Ontwikkelingssamenwerking een strategie ontwikkelen om dat te voorkomen.

 

U hebt een nieuwe visie ontwikkeld inzake ontwikkelingssamenwerking. Het is belangrijk dat de ngo’s ook op de hoogte zijn. Nu is een en ander al duidelijker geworden, maar ik heb bij de bespreking van de beleidsnota wel gemerkt dat er prioriteiten verdiept of toegevoegd werden en dat die ook aan de ngo’s werden opgelegd bij de beoordeling. Het is dan moeilijk voor hen om een proactief beleid te voeren. Als u in het kader van actieplannen kredieten vermindert, moeten de ngo’s ook weten waaraan u belang hecht. Zij moeten daar voldoende lang van tevoren inzicht in krijgen.

 

Ik heb genoteerd dat de kwaliteit van de programma’s voor de middeninkomenlanden niet voldoende was. Dat was een beoordeling van uw administratie en daar kunnen we dan ook weinig tegen inbrengen. Dat moeten de ngo’s dan zelf doen voor de eigen programma’s.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega Laaouej komt misschien straks nog langs. Indien dat niet lukt, heeft hij gevraagd om zijn vraag nr. 16359 uit te stellen.

 

07 Samengevoegde vragen van

- mevrouw An Capoen aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de 'Global Gag Rule'" (nr. 16428)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de internationale fondsenwerving 'She Decides'" (nr. 16616)

07 Questions jointes de

- Mme An Capoen au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le 'Global Gag Rule'" (n° 16428)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la collecte de fonds mondiale 'She Decides'" (n° 16616)

 

07.01  An Capoen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, over president Trump kunnen wij veel zeggen, maar ook veel beter niet zeggen. Ondertussen is hij al enkele weken verkozen en wij moeten hem beoordelen op zijn prestaties, zijn ideeën en op de opdrachten die hij effectief geeft in de Verenigde Staten.

 

Nagenoeg onmiddellijk na de vrouwenmanifestaties in de Verenigde Staten en zelfs in de rest van de wereld heeft hij jammer genoeg de Global Gag Rule nieuw leven ingeblazen. Deze rule kennen wij al langer, zowel Reagan als Bush hebben hem ingevoerd, maar de democraten hebben hem gelukkig elke keer ongedaan gemaakt.

 

Wij kennen ondertussen allen de inhoud van de Global Gag Rule, namelijk dat ngo’s die actief zijn in de gezondheidszorg en dergelijke ervoor moeten zorgen dat zij geen informatie verstrekken over abortus, anders dreigen zij hun subsidies te verliezen. Het probleem is natuurlijk dat zo’n ngo zich ook buigt over de basisgezondheidszorg van talrijke vrouwen. Als deze fondsen ineens verdwijnen, zijn het vooral de vrouwen die het kwetsbaarst zijn die het hardst getroffen zullen worden. Geen advies meer verstrekken over anticonceptie en eventueel niet meer overgaan tot abortus, veroorzaakt een hoger aantal zwangerschappen en duwt deze vrouwen richting clandestiene abortussen, die vaak onveilig worden uitgevoerd hetgeen aan meer vrouwen het leven kan kosten.

 

Daarna kwam er wel snel goed nieuws. Naar aanleiding van deze beslissing kondigde uw Nederlandse collega mevrouw Ploumen aan initiatieven te zullen nemen om het eventueel wegvallen van de financiering door de Verenigde Staten, toch wel een van de grootste donoren, ook op het vlak van basisgezondheidszorg en seksuele en reproductieve gezondheid, op te vangen.

 

Naar aanleiding daarvan stelde u een nieuw crowdfundingplatform voor, genaamd She Decides. Daarover heb ik enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Wat is het officiële standpunt van de regering over deze beslissing van president Trump?

 

Welke impact, in concrete cijfers, heeft de beslissing?

 

Zal het platform She Decides de schade voldoende kunnen opvangen?

 

Hoe groot schat u de financiële slagkracht in van She Decides?

 

Wat is het mandaat van dit crowdfundingplatform? Is dit louter om financiering op te halen of gaat het ook een beleid ontwikkelen?

 

Op welke wijze wordt de opgehaalde financiering ingezet? Door toevoeging aan bestaande gouvernementele middelen of op een andere wijze? Als het op een andere wijze zal gebeuren, kunt u deze dan specificeren?

 

Wij hebben gemerkt dat het platform She Decides een Nederlands rekeningnummer hanteert. Komt er een soortgelijk platform met een rekening in ons land? Wat zijn de redenen daarvoor?

 

Op welke wijze sluit dit initiatief aan bij uw eerder initiatief van februari 2016 over bedrijven en SDG’s?

 

Welke bijdrage zal ons land voorlopig leveren aan dit crowdfundingplatform? Is deze vooral financieel of velleer logistiek van aard?

 

Kunt u mij meer details geven over de conferentie die u gepland hebt binnen twee weken?

 

Ten slotte, zult u, eventueel samen met Nederland, andere initiatieven nemen, naast de reeds aangekondigde initiatieven en de conferentie inzake de seksuele en reproductieve gezondheid?

 

07.02  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, l'élection du nouveau président américain, M. Trump, entraîne déjà de lourdes conséquences sur la défense des droits sexuels et reproductifs dans le monde, étant donné son approche extrêmement conservatrice en la matière et le rétablissement par son administration de la politique de Mexico ou "règle du bâillon mondial".

 

Les organisations qui oeuvrent dans la santé sexuelle et reproductive au sens large ne peuvent pas pratiquer d'avortements même lorsque l'avortement est légal dans leur propre pays. En outre, elles ne peuvent, en aucune façon, offrir de l'information sur l'avortement, ni orienter les femmes vers un service d'aide adapté. Elles ne peuvent pas non plus s'immiscer dans le débat public, qui plaide pour la liberté de choix des femmes, en cas de grossesse non planifiée.

 

Pour mon groupe et moi-même, auteure de plusieurs textes et amendements en la matière, c'est évidemment inacceptable. J'ai appris avec plaisir, qu'au nom de la Belgique, vous aviez promis 10 millions d'euros à l'initiative globale de collecte de fonds appelée "She decides", qui mène une action en faveur des droits des filles et des femmes, en particulier de leur santé et de leurs droits sexuels et reproductifs.

 

Monsieur le ministre, quand ces 10 millions d'euros seront-ils débloqués pour cette initiative "She decides"? D'où proviendront ces fonds? Comment notre pays et ses partenaires européens comptent-ils défendre l'importance des droits sexuels et reproductifs, face aux prises de position, toujours plus conservatrices en la matière, de cette nouvelle administration américaine? Sur quoi mettrez-vous le focus, dans ce contexte difficile, dans les programmes et projets à venir?

 

07.03 Minister Alexander De Croo: De regering betreurt de beslissing van het Witte Huis om de financiering van hulporganisaties die vrouwen in ontwikkelingslanden informeren omtrent gezinsplanning, voorbehoedsmiddelen en veilige abortus te schrappen. De organisaties die actief zijn op het terrein, zullen een aanzienlijke bijdrage verliezen. De bijdrage van de Verenigde Staten voor reproductieve rechten en gezondheid bedraagt naar schatting jaarlijks zowat 530 miljoen dollar. De Verenigde Staten zijn een soeverein land en hoewel ik die beslissing betreur, hebben de Verenigde Staten natuurlijk het recht om die beslissing te nemen.

 

Aangezien mensenrechten, vrouwenrechten en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid prioriteiten zijn voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking, ondersteun ik het initiatief She Decides, dat door Nederland gelanceerd werd. Het is onze ambitie om zoveel mogelijk bijdragen te verzamelen opdat de organisaties hun werk op het terrein kunnen voortzetten. Wij hadden op de barricade kunnen staan en schreeuwen dat het een schande is, maar wij gebruiken een andere methode, met name door de mouwen op te stropen en ervoor te zorgen dat de impact op het terrein zo klein mogelijk is.

 

Het is nog te vroeg om in te schatten wat de financiële draagkracht van het platform She Decides zal zijn en of op die manier de impact van de beslissing van de nieuwe Amerikaanse president volledig zal kunnen worden opgevangen. Momenteel hebben drie landen een concreet bedrag toegezegd: België, Nederland en Denemarken hebben elk 10 miljoen euro toegezegd. Daarnaast heeft Nederland een crowdfundingplatform gelanceerd dat gericht is op de ophaling van financiële middelen. Er wordt niet verwacht dat er vanuit dat platform een politiek beleid ontwikkeld zal worden.

 

Het is trouwens niet de bedoeling dat er een afzonderlijk platform voor België gecreëerd wordt. Met één enkel rekeningnummer kunnen de inkomsten gemakkelijker gecentraliseerd worden.

 

De taakverdeling met mijn Nederlandse collega Ploumen is duidelijk. Nederland organiseert de crowdfunding, wij organiseren de internationale conferentie op 2 maart.

 

Elk land zal individueel beslissen hoe de toegezegde bedragen zullen worden ingezet. Vanuit België zullen wij zoveel mogelijk de bestaande kanalen gebruiken en aanvullen. Het is dus niet de bedoeling om parallelle systemen te creëren, zodat een deel van de toegezegde 10 miljoen euro de vorm aanneemt van een verhoogde bijdrage aan UNFPA. Over de precieze verdeling van die 10 miljoen euro heb ik nog geen beslissing genomen.

 

Het SDG-charter betrekt in het algemeen de private sector bij de SDG’s. Seksuele en reproductieve rechten en gezondheid zijn geïntegreerd in de SDG’s. In die context richt She Decides zich dus ook tot privébedrijven, in het bijzonder zij die anticonceptiva produceren.

 

Ik hoop dat een aantal van die bedrijven aanwezig zal zijn op de conferentie van 2 maart.

 

Wij zullen vervolgens onze actie op internationaal niveau voortzetten om de seksuele en reproductieve rechten en gezondheid te promoten, vooral op de fora van de Verenigde Naties en de Europese Unie.

 

Wij gaan trouwens verder met onze strategische partnerschappen, en in het bijzonder met UNFPA, UN-Women, de WHO, en UNAIDS, om de seksuele en reproductieve rechten en gezondheid te promoten op het terrein.

 

Wij blijven financiële steun geven aan programma’s op het terrein, vooral in de partnerlanden.

 

Het is van cruciaal belang dat vrouwen en meisjes het recht hebben te kiezen en dat zij toegang hebben tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten. Om deze redenen is She Decides zo belangrijk.

 

La conférence du 2 mars aura lieu au Palais d'Egmont. Elle sera présidée par la Belgique et co-organisée par les Pays-Bas, la Suède et le Danemark. D'autres pays comme le Luxembourg, la Finlande, le Canada et le Cap-Vert se sont déjà ralliés à l'initiative.

 

La conférence réunira des ministres, des parlementaires, des organisations internationales et non gouvernementales et le secteur privé.

 

Toute femme doit avoir la possibilité de décider elle-même si elle souhaite avoir des enfants, quand et combien. Pour les filles surtout, il est important d'aller à l'école, de terminer leurs études et d'acquérir des connaissances et compétences nécessaires pour s'assumer elles-mêmes.

 

Lors de la conférence internationale qui se déroulera à Bruxelles, nous unirons nos forces et nous apporterons notre soutien à toutes les initiatives menées sur le terrain pour que la santé ainsi que les droits sexuels et reproductifs deviennent une réalité pour des millions de femmes.

 

07.04  An Capoen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Als arts kan ik alleen maar zeggen dat naast het stellen van een diagnose het probleem ook gewoon moet worden opgelost. Voor de N-VA is de seksueel reproductieve gezondheid erg belangrijk. Als de Verenigde Staten wegvallen als donor moet de rest van de wereld die leegte opvullen, willens nillens.

 

Wij steunen dus zeker het initiatief dat u samen met Nederland heeft genomen.

 

07.05  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je le répète: bravo pour cette initiative!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de belemmering van het Belgisch ondersteund humanitair programma op de Westbank" (nr. 16480)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de heropbouw van Gaza" (nr. 16628)

08 Questions jointes de

- Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les entraves au programme humanitaire soutenu par la Belgique en Cisjordanie" (n° 16480)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la reconstruction de Gaza" (n° 16628)

 

De voorzitter: Collega Pehlivan is ziek.

 

08.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, l'opération Bordure protectrice est le nom de code qui a été donné par Israël à l'opération militaire menée à Gaza durant 51 jours, du 8 juillet au 26 août 2014. Ce conflit, qui opposait Israël à des groupements palestiniens armés, a semé la désolation et causé une souffrance humaine immense dont les traces sont encore visibles aujourd'hui.

 

D'après les chiffres des Nations unies, 2 220 Palestiniens sont décédés, parmi lesquels 1 492 civils, dont 551 enfants. Le conflit a par ailleurs fait environ 110 000 blessés, dont 70 % de civils. Du côté israélien, 66 soldats et 6 civils ont trouvé la mort, et plus de 2 000 personnes ont été blessées.

 

Or, l'argent promis par les donateurs internationaux lors de la Conférence du Caire, à l'automne 2014, n'arrive que trop lentement. Les Israéliens ont permis l'entrée de matériaux de construction, par le poste d'Erez. Mais les habitants n'ont souvent pas les moyens d'acheter le nécessaire pour reconstruire leurs habitations détruites. De plus, cela se fait de manière extrêmement limitée. Jusqu'à présent, très peu des matériaux de construction requis pour la reconstruction de Gaza sont entrés par le biais du Gaza Reconstruction Mechanism. À ce rythme, il faudra plus d'un siècle pour reconstruire Gaza.

 

Monsieur le ministre, je souhaiterais dès lors vous interroger sur ce point. Quelles actions sont-elles actuellement menées par la Belgique afin de tenter de faciliter et surtout de rendre effective la reconstruction de Gaza? Dans ce contexte, ne trouvez-vous pas quelque peu ironique de faire de la numérisation et du projet Block by Block une priorité alors que les matériaux nécessaires pour reconstruire Gaza ne peuvent toujours pas entrer sur le territoire?

 

08.02  Alexander De Croo, ministre: Madame Grovonius, la Belgique contribue à la reconstruction de Gaza en utilisant plusieurs instruments de financement. En ce qui concerne la coopération gouvernementale, la Belgique appuie la reconstruction de Gaza par la réhabilitation d'écoles avec un apport de 12 millions d'euros au fonds commun Joint Financing Arrangement pour l'ensemble des secteurs de l'éducation dans le territoire palestinien.

 

Par le biais de ces fonds, les bailleurs ont investi quatre millions de dollars dans la réhabilitation de 109 écoles de Gaza. Pour ce qui est de l'aide humanitaire à travers l'UNRWA Gaza Reconstruction, la Belgique a contribué, en 2015, à hauteur de 2,070 millions d'euros à la reconstruction d'habitations endommagées pendant les hostilités de l'été 2014 et a octroyé des subsides à la location pour les plus démunis.

 

Ce fonds a été rehaussé de 2 millions d'euros en 2016-2017. La Belgique a également financé des kits pour isoler les habitations à l'approche de l'hiver, à travers le fonds flexible humanitaire géré par OCHA, à hauteur de 5 millions d'euros pour les années 2016-2017.

 

En plus, la Belgique soutient le droit à l'éducation pour les enfants de réfugiés palestiniens à travers l'UNRWA Education in emergencies (2 millions d'euros pour 2016-2017); la relance du secteur de la pêche et la libre circulation des biens et des personnes à travers Oxfam pour un montant de 1,2 millions d'euros en 2016; l'amélioration de l'accès aux soins de santé à travers Caritas pour un montant de 1 million d'euros en 2016; le fonctionnement du bureau local de OCHA pour un montant de 1 million d'euros en 2016-2017; et finalement, l'assistance alimentaire à travers le PAM pour 1 million d'euros en 2016-2017.

 

La plate-forme Block by block fait partie du projet Utilizing digital tools to promote human rights and create inclusive public spaces in the Gaza strip, financé par la Belgique et mis en œuvre par UN Habitat. Le projet se focalise surtout sur l'amélioration de la participation des jeunes, filles et garçons dans les efforts de reconstruction à Gaza. Il est crucial d'impliquer les jeunes dans ce défi.

 

Le projet prévoit une série d'activités qui peuvent être mises en œuvre dans les contraintes du contexte actuel: sensibilisation et formation des jeunes sur la participation civique; formation des femmes architectes sur les droits humains; la prévention de la violence basée sur le genre; une cartographie des espaces publics existants et détruits; l'implication des jeunes dans la conception des espaces publics; l'utilisation des applications numériques; et permettre de signaler les cas de violence envers les femmes.

 

La construction des espaces publics est considérée comme faisable dans le contexte actuel et correspond à la priorité de renforcer la protection des femmes et la cohésion sociale.

 

Veuillez noter que la politique D4D (Digitalisation pour le développement) belge n'envisage pas le numérique comme un objectif en soi mais comme un vecteur transversal permettant d'obtenir de meilleurs résultats pour un plus grand nombre de personnes dans le besoin.

 

08.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Vous n'avez pas donné beaucoup d'éléments sur la manière dont on peut améliorer concrètement la reconstruction de Gaza et faire en sorte que les matériaux nécessaires puissent effectivement y arriver. Peut-être est-ce parce que vous n'avez pas trop envie d'aborder cet élément qui aurait pu mettre notre pays dans une situation diplomatique inconfortable après la visite de M. Michel sur place?

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la clôture de la campagne 'Protection Sociale'" (n° 16629)

09 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het afsluiten van de campagne Sociale Bescherming voor Iedereen" (nr. 16629)

 

09.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, dans le cadre de la clôture de la campagne de plaidoyer "Protection Sociale", j'ai été interpellée au sujet de vos engagements en la matière, qui paraissent bien faibles. En effet, il semblerait que vous n'ayez ni souscrit aux revendications portées par la campagne, ni mentionné d'engagement concret concernant la politique belge de coopération au développement en matière de protection sociale. Cette position attentiste me semble à tout le moins incohérente avec la résolution, portée par la majorité et adoptée par notre assemblée en mai 2016, visant à intégrer et à ancrer le droit à la protection sociale dans la politique belge de coopération au développement. Et ce, alors même que vous avez déclaré lors de votre rencontre avec les représentants de la campagne "Protection Sociale": "La protection sociale est un droit universel. Si l'on veut que les personnes prennent leur vie en main, elles ont besoin de protection sociale. Je veux voir comment nous pouvons faire de ceci une réalité dans les pays partenaires de la Belgique."

 

Monsieur le ministre, quels engagements concrets comptez-vous prendre en la matière? Par le biais de quelles stratégies précises pensez-vous "faire de la protection sociale une réalité dans les pays partenaires"? Comment expliquez-vous le fait de ne pas avoir, semble-t-il, souscrit aux revendications portées par la campagne "Protection Sociale" portée par les deux coupoles belges, le CNCD-11.11.11 et 11.11.11?

 

09.02  Alexander De Croo, ministre: Madame Grovonius, je rappellerai, en premier lieu, toute l'importance que j'accorde à la protection sociale pour sa contribution à la croissance inclusive et sa capacité d'amortissement face aux chocs socioéconomiques. Je vous rappelle que j'ai par ailleurs coprésidé avec la Banque mondiale et l'Organisation internationale du Travail, en septembre à New York, le lancement du partenariat mondial pour une protection sociale universelle.

 

En concertation avec les pays partenaires, la Coopération belge finance déjà des aspects de la protection sociale via de nombreux projets dans le domaine de la santé. Nous portons ainsi une attention particulière au financement et à l'accessibilité financière des soins de santé. Nous appuyons des stratégies de couverture universelle de soins de santé pour tous, par exemple, au Sénégal. En outre, j'ai soutenu l'excellente campagne "Protection Sociale" menée par le CNCD-11.11.11.

 

Suite à la résolution du Parlement du 4 mai 2014, mon administration a tenu plusieurs réunions avec les organisations de la société civile afin de rédiger une position paper pour mieux intégrer la protection sociale dans la coopération au développement et renforcer la collaboration entre les différents acteurs.

 

J'ai rencontré, le 24 janvier dernier, les responsables de cette campagne à mon cabinet lorsqu'ils sont venus présenter les résultats de la campagne. D'ailleurs, j'ai bien soutenu la campagne parce que je les ai rencontrés dans ma commune à Brakel. Comme à tout le monde, on m'a demandé de signer le document, ce que j'ai fait.

 

09.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse qui sont très succincts vu l'étendue des questions qui vous étaient posées. Je note que, selon vous, vous avez soutenu cette campagne et que, dès lors, les interpellations que j'ai reçues du secteur sont, sans doute, fausses.

 

Il est tout de même très étrange que des personnes du secteur me reviennent en me disant qu'il n'y a pas eu de soutien de votre part et que vous ayez un discours totalement opposé. Cherchez l'erreur, comme dirait l'autre!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 16529 van mevrouw Thoron wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

10 Vraag van mevrouw An Capoen aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "interlandelijke adopties" (nr. 16641)

10 Question de Mme An Capoen au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les adoptions internationales" (n° 16641)

 

10.01  An Capoen (N-VA): Mijnheer de minister, interlandelijke adopties zijn de voorbije jaren vrij moeilijk verlopen. Het voorbeeld bij uitstek daarvan is de Oeganda-kwestie van enkele maanden geleden. De bevoegdheid hiervoor zit natuurlijk op Vlaams niveau, maar de adoptiebureaus zijn eigenlijk weinig in aantal en grotendeels onderbemand met telkens slechts een handvol mensen. De bureaus kampen vooral met een tekort aan informatie en expertise van de lokale, wettelijke toestand in elk afzonderlijk land.

 

Daarom stel ik u de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Hoe vaak worden onze diplomatieke posten geconsulteerd inzake interlandelijke adoptiedossiers per jaar? Komt dat vaker voor bij landen die ook onze partners zijn in ontwikkelingssamenwerking? Is dat ook het geval voor adviseurs ontwikkelingssamenwerking omwille van hun specifieke kennis van de partnerlanden en contacten met lokale ngo’s?

 

Is uw departement op de hoogte van eventuele moeilijkheden of vertragingsmanoeuvres in interlandelijke adopties in onze partnerlanden in de periode 2014-2016?

 

Ziet u persoonlijk eventueel een meerwaarde in het koppelen van de vooruitgang in adoptiedossiers aan de ontwikkelingssamenwerking in onze partnerlanden? Zijn er eventueel al cases geweest waarin Ontwikkelingssamenwerking een meerwaarde kon vormen in de afwikkeling van de dossiers?

 

Tot slot, ziet u de mogelijkheid voor betere of meer informatie-uitwisseling tussen de diensten van Ontwikkelingssamenwerking en de adoptiebureaus om zo tot betere case-per-case informatie en expertise te komen van de huidige situatie en de wettelijke kaders voor adopties in onze partnerlanden?

 

10.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Capoen, de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp beschikt niet over informatie hoe vaak onze diplomatieke posten worden geconsulteerd inzake interlandelijke adopties. Ik verwijs dan ook naar de minister van Buitenlandse Zaken om deze vraag te beantwoorden. De vraag situeert zich in de consulaire dienstverlening aan onze landgenoten vanwege de ambassades en die behoort eveneens tot de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken. De Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp beschikt niet over specifieke informatie over de aangehaalde problematiek.

 

De inwerkingtreding van de geamendeerde Oegandese wetgeving met betrekking tot adopties op 2 juni 2016 die de mogelijkheden voor adoptie door buitenlandse adoptieouders heel erg heeft ingeperkt, heeft een tiental Belgische gezinnen in een zeer hachelijke situatie gebracht, wat veel weerklank vond bij de Belgische publieke opinie.

 

Uiteraard heb ik alle begrip voor de zeer moeilijke situatie waarin deze gezinnen zich bevinden. Mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken, heeft in de marge van de Ministeriële Week van de Verenigde Naties in New York, in september 2016, hierover een onderhoud gehad met de Oegandese president. Dit onderhoud luidde het begin in van een oplossing voor de laatste vier geblokkeerde gezinnen die Oeganda hebben kunnen verlaten.

 

Mijn departement streeft voortdurend naar meer beleidscoherentie en een geïntegreerde aanpak. Toch lijkt het mij niet opportuun om individuele gevallen van adoptie met het algemeen beleid inzake ontwikkelingssamenwerking op een ander niveau te vermengen. Voor zover mij bekend zijn er geen cases geweest waar Ontwikkelingssamenwerking een meerwaarde kon vormen in de afwikkeling van dossiers inzake adoptie.

 

Ontwikkelingssamenwerking is als beleidsdomein geïntegreerd in de werking van de Belgische diplomatieke posten. Informatie-uitwisseling met adoptiebureaus dient dus op het niveau van de diplomatieke posten te gebeuren.

 

10.03  An Capoen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik wens de minister gewoon te bedanken voor zijn antwoorden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de impactevaluatie" (nr. 16654)

11 Question de Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'évaluation d'impact" (n° 16654)

 

11.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u hebt reeds meermaals, ook vandaag nog, gezegd dat output in uw beleid belangrijker is dan input. Laat het duidelijk zijn, onze fractie is het daar volledig mee eens. Wij moeten er anderzijds ook niet flauw over doen, impact is moeilijk te meten. Dat is nauw verbonden met kwalitatieve aspecten en deze zijn zeer moeilijk in cijfers te vertalen.

 

Naar verluidt zou u zijn gestart met een proefproject rond impactevaluatie, een samenwerking tussen de DGD, de DBE en de ANGS-federaties, met als doel een bruikbare methodologie uit te werken.

 

Klopt het inderdaad dat dit initiatief is gestart? Wie neemt er deel aan? Welke methodologieën bestaan er op dit moment? Welke van deze methodologieën zijn volgens de betrokken organisaties compatibel met de manier waarop wij onze internationale samenwerking uitoefenen? Hebt u een idee wanneer het proefproject rond zou zijn? Hebt u eventueel een tijdlijn of planning wanneer u de resultaten verwacht van het project?

 

11.02 Minister Alexander De Croo: Mijnheer de voorzitter, er is inderdaad een initiatief genomen om de impactevaluatie te integreren in de nieuwe programma’s van niet-gouvernementele actoren in samenwerking met hun federaties. Het betreft een opdracht in twee fasen, waarbij de eerste fase een overheidsopdracht betreft om een aangepaste methodologie te maken van elk van deze deelnemers. Het is pas na het beëindigen van de eerste opdracht dat een tweede opdracht zal uitgeschreven worden voor de uitvoering van de evaluatie, waarin de finale selectie zal staan. De twee opdrachten zijn gescheiden om belangenvermenging te vermijden.

 

Er zijn zowel kwalitatieve, kwantitatieve als gemengde methoden voor impactevaluaties. Het is onmogelijk om op dit moment te bepalen welke methode de beste is, aangezien dat afhangt van geval tot geval. Daarom is ervoor gekozen om in een eerste fase experten aan te trekken, die een evaluatieontwerp zullen maken op maat van elke specifieke doelstelling. Het is dus niet zo dat er alleen kwantitatieve methoden zullen worden gebruikt. Het uitgangspunt is wel dat de informatie zo robuust en geloofwaardig mogelijk moet zijn. In bepaalde gevallen zal dat wellicht betekenen dat er met een controlegroep zal worden gewerkt, in andere gevallen zal dat onmogelijk zijn door de aard van de activiteiten.

 

Het is trouwens belangrijk op te merken dat er ook voor gekozen is om traditioneel moeilijke interventiedomeinen te weerhouden. Sensibilisering en capaciteitsversterking zijn twee voorbeelden waarbij het moeilijk is om de impact te evalueren. Door specifiek erop te focussen en specifieke expertise ervoor aan te trekken, willen wij een duidelijk zicht bekomen op de impact van dit type interventies. Uit de impactevaluaties van de Dienst Bijzondere Evaluatie is gebleken dat de impactevaluaties van bij de aanvang van de interventies gepland moeten worden.

 

Indien dat niet het geval is, worden de impactindicatoren niet in de baselinemeting opgenomen en moeten de gegevens op kunstmatige manier worden gerecreëerd om hun impact te kunnen meten. Daarom werd ervoor gekozen in impactevaluaties te voorzien van bij de start van de programma’s van de zeven organisaties, om ervoor te zorgen dat er goede impactindicatoren zijn en dat deze bij het begin worden gemeten. Dat betekent eveneens dat de impact pas duidelijk zal zijn, eens de interventies ten einde zullen zijn. Praktisch betekent zulks dat wij in 2021 de definitieve resultaten zullen kennen. Er is wel in een tussentijdse meting voorzien, waarmee voor de sturing door de betrokken actoren rekening kan worden gehouden.

 

11.03  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, het proefproject is belangrijk en het is een belangrijke stap in de zoektocht naar bruikbare methodologieën, om kwalitatief hoogstaande en vooral bruikbare evaluaties te maken.

 

Ik ben het volledig met u eens. In 2016 was er in Duitsland een conferentie rond impactevaluaties. Ook daar kwam het goede voorbeeld van de Duitsers, die vanaf dag één de impactevaluatie bij hun programmaopstart betrokken, waardoor de doelen van de programma’s veel realistischer worden gesteld en waardoor er uiteraard ook een impact kan zijn. Wanneer het vooropgestelde doel vanaf dag één niet realistisch is, wordt het immers heel moeilijk, om een impact te realiseren.

 

Ik kijk dus uit naar de resultaten van het proefproject, dat mij heel interessant lijkt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de administratieve vereenvoudiging voor de ANGS'en en het IATI-systeem" (nr. 16655)

12 Question de Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la simplification administrative pour les ACNG et le système IATI" (n° 16655)

 

12.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, een van de belangrijkste elementen in het raamakkoord was de administratieve vereenvoudiging. Zowel de ANGS’en als DGD zouden met een eenvoudiger systeem efficiëntiewinsten kunnen realiseren. De hierdoor vrijgekomen fondsen kunnen dan elders en hopelijk ook beter worden gespendeerd.

 

Naar verluidt zou een van de pistes het enten zijn van de jaarlijkse rapportage door de ANGS’en op het IATl-systeem. Hiermee sluit men dan ineens aan bij een systeem dat al door een aantal internationale partners wordt gebruikt.

 

Een nadeel van IATI is dan weer dat het de nadruk legt op de cijfers. Wij hebben daarnet al gezegd dat cijfers niet alles zeggen.

 

Wat zijn de voordelen van het systeem? Op welke wijze kan men er gebruik van maken en toch voldoende kwalitatieve rapportage leveren? Is het de bedoeling om het systeem ook te gebruiken voor de rapportage van de activiteiten van de gouvernementele actoren? Zo ja, wat zijn de resultaten daarvan? Hoe kunnen die worden toegepast op de ANGS’en?

 

12.02 Minister Alexander De Croo: IATI is een initiatief dat de transparantie moet bevorderen van organisaties die geld uitgeven voor ontwikkelingssamenwerking: donoren, uitvoerende agentschappen en ngo’s. De rapportage die daarmee gepaard gaat moet leiden tot publiek toegankelijke informatie van wie waar aanwezig is, hoeveel geld er wordt uitgegeven, wat er wordt gefinancierd en welke resultaten bereikt zijn.

 

Landen of individuele organisaties kunnen beslissen om volgens de IATI-standaard te rapporteren. IATI is de facto de standaard geworden voor de publicatie van ontwikkelinginterventiegegevens.

 

Deze informatie is in de eerste plaats van belang voor beleidsmakers in ontwikkelingslanden zelf die op die manier een beter overzicht krijgen van wat er in hun land gebeurt. Dat is tot nu toe lang niet altijd het geval. Daarnaast is de informatie op die manier nog beschikbaar voor het publiek in België, voor parlementsleden, onderzoekers, journalisten enzovoort. Op die manier bevordert IATI de volledige transparantie over wat er met de publieke middelen gebeurt.

 

Ik heb inderdaad beslist dat alle Belgische actoren van de ontwikkelingssamenwerking die vanuit mijn budget financiering ontvangen moeten rapporteren volgens de IATI-standaard. Het gebruik van de IATI-standaard biedt een grote mogelijkheid tot administratieve vereenvoudiging.

 

De administratie baseert haar informatievereisten op externe standaarden en niet langer op specifieke formats die enkel voor haar gelden. Zo kunnen alle actoren dezelfde informatie gebruiken in meerdere contexten en voor meerdere toepassingen en dus niet enkel voor DGD. De IATI-standaard is een rapportagenorm die in de eerste plaats gebaseerd is op kwantificeerbare gegevens. Het is echter steeds mogelijk om velden in de standaard toe te voegen, zoals voortgangsrapporten, foto’s of evaluaties. Het IATI-format vormt dus geen belemmering voor kwalitatieve rapportage.

 

Alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking zijn verplicht om een IATI-rapportage te doen, dus ook BTC. BTC heeft zich reeds geregistreerd als een rapporterende organisatie bij IATI en heeft een eerste rapportage achter de rug. Dat gebeurde, heel recent, om vertrouwd te raken met het systeem. Het is nog te vroeg om lessen te trekken voor de niet-gouvernementele actoren.

 

Met BIO zijn de gesprekken lopende over de IATI-rapportage omdat BIO een bepaalde specificiteit heeft, waardoor niet alle velden in de IATI-standaard even gemakkelijk toepasbaar zijn. Het gaat bijvoorbeeld over de rentevoeten voor leningen, die BIO niet zomaar publiek kan maken. Er worden momenteel afspraken gemaakt over een eerste beperkte rapportage door BIO.

 

12.03  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

De IATI-standaard is inderdaad een systeem om gemakkelijk rekenschap te geven, niet onbelangrijk om het draagvlak voor internationale samenwerking voldoende groot te houden en zelfs nog te vergroten, zoals ik daarstraks heb gezegd. Ik hoor dat er ook mogelijkheden zijn om meer kwalitatief te rapporteren, wat volgens mij alleen maar positief is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de screening door Deloitte en de certificatie door DBE van de ANGS'en" (nr. 16657)

13 Question de Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le screening des ACNG par Deloitte et leur certification par le SES" (n° 16657)

 

13.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, in 2016 hebt u Deloitte ingeschakeld om de ANGS’en te screenen in het kader van hun erkenning. Naar verluidt is de DBE nu ook gestart met een nagenoeg gelijkaardige opdracht, volgens sommige ngo’s. Zij vrezen eigenlijk dubbelwerk en de verhoging van de planlast.

 

Wat is het verschil tussen de screening door Deloitte en de opdracht van de bijzondere evaluator?

 

Kunnen elementen die bij Deloitte bekend zijn, eventueel worden overgenomen door de DBE met toepassing van het only-onceprincipe?

 

Werd er naast de screening van de ANGS’en ook een screening van de BTC, de BIO en de DGD uitgevoerd?

 

Welke actoren zal de DBE doorlichten: de ANGS’en en ook de gouvernementele actoren?

 

Wanneer verwacht u de resultaten van de DBE?

 

13.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Bellens, de certificering door de Dienst Bijzondere Evaluatie onderscheidt zich van de screening door Deloitte in die zin dat de certificering geen deel uitmaakt van een erkenningslogica, die al dan niet toegang geeft tot subsidies. De certificering zal enkel van toepassing zijn op de evaluatiesystemen van de actoren. De certificering wordt door de Dienst Bijzondere Evaluatie beschouwd als een continu verbeteringsinstrument en niet als een one-shottoepassing. De doelstelling is om de actoren te betrekken in een langetermijnverbeteringsproces van de evaluatiesystemen. In 2017 wordt een pilootfase opgestart voor de ontwikkeling van certificeringssystemen in nauwe betrokkenheid met de actoren zelf.

 

In die pilootfase zal worden bekeken in hoeverre de informatie die beschikbaar werd gesteld voor de screening, ook kan worden gebruikt in de context van certificering. Ik wil zo veel als mogelijk vermijden dat de actoren zelf de informatie nog eens moeten verzamelen, volgens het only-onceprincipe. Aangezien de logica en de filosofie van de twee oefeningen niet dezelfde zijn, is het mogelijk dat vanaf 2018 additionele informatie opgevraagd wordt.

 

Voor BTC en BIO wordt een andere methode gebruikt dan de screening. Die organisaties moeten in het kader van het beheerscontract kunnen aantonen dat zij fit and proper zijn. Dat zal niet op dezelfde wijze gebeuren als de screening van de niet-gouvernementele samenwerking, omdat BTC en BIO publieke entiteiten zijn.

 

De Dienst van de Bijzondere Evaluator zal vier categorieën actoren doorlichten in het kader van zijn opdracht: de organisatie van de civiele maatschappij, de institutionele actoren, BTC en BIO. De pilootfase voor het ontwikkelen en testen van het certificeringssysteem zal worden afgerond in november 2017. De certificering zelf zal plaatsvinden vanaf 2018, maar tijdens de pilootfase in 2017 moet nog worden vastgesteld hoe de certificering gepland zal worden. Het is niet zeker dat alle actoren meteen in 2018 gecertificeerd zullen worden. Een gefaseerde aanpak over een langere periode is dan ook mogelijk.

 

13.03  Rita Bellens (N-VA): Dank u voor uw antwoorden, mijnheer de minister. De zorg van de ngo’s is dat zij al eens uitgebreid bevraagd werden en dat zij nu alles opnieuw zouden moeten doen. Ik hoor u zeggen dat er eventueel additionele vragen gesteld zullen worden of dat de informatie bijgesteld zal worden. Dat zal voor de sector een geruststelling zijn.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de M. Stéphane Crusnière au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la lutte contre l'État islamique" (n° 16658)

14 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de strijd tegen IS" (nr. 16658)

 

14.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je me permets de vous interpeller concernant la participation de la Belgique à la coalition internationale dans le cadre de la lutte contre l'État islamique. Le président Assad s'est récemment exprimé sur la participation de la Belgique à la coalition. Le premier ministre et votre collègue en charge des Affaires étrangères ont, à juste titre, rejeté toutes les accusations. Je profite de cet incident pour faire le point avec vous sur l'intervention de la Belgique dans cette lutte.

 

Pouvez-vous faire le point sur l'implication de la Belgique dans cette lutte contre l'État islamique? Outre une intervention militaire, la Belgique compte-t-elle adopter une stratégie globale pour la Syrie? Beaucoup d'enfants souffrent en effet de malnutrition, l'accès à l'eau n'est pas optimal, beaucoup d'enfants ne sont plus scolarisés depuis le conflit et sont même recrutés dans l'armée dès leur plus jeune âge. Que compte faire la Belgique pour arrêter ce fléau? Est-ce d'actualité? Avez-vous des discussions avec vos collègues des Affaires étrangères et de la Défense afin que la Belgique puisse mettre en place une stratégie globale en la matière?

 

14.02  Alexander De Croo, ministre: Cher collègue, la Belgique a développé une approche globale de la lutte antiterroriste et de la prévention contre l'extrémisme violent pour s'acquitter de ses responsabilités à l'intérieur et à l'extérieur de ses frontières. La Belgique est un membre engagé de la coalition globale contre Daesh depuis le début. La Belgique participe activement aux cinq groupes de travail créés autour des axes d'action de la coalition: militaire, counter messaging, counter financing, le counter finance et la stabilisation. Vous pouvez noter que seul un de ces groupes fait de l'appui militaire, le travail de la coalition étant beaucoup plus large que cela.

 

Nous prônons une approche 3D mêlant de manière intégrée diplomatie, développement et défense. La Belgique est convaincue qu'une réponse uniquement militaire à la crise en Irak et en Syrie ne stabilisera pas la région sur le long terme. Par conséquent, la Belgique soutient l'ensemble des initiatives politiques et diplomatiques visant à résoudre la crise, en particulier celles de l'ONU, du groupe de soutien international à la Syrie et de l'Union européenne. Elles visent à trouver des solutions politiques durables au conflit en Syrie et à améliorer les conditions de vie des civils en Syrie et en Irak.

 

La Belgique apporte son soutien à l'Irak, à la Syrie et aux pays voisins pour faire face aux conséquences de la crise provoquée par Daesh et soulager le sort des personnes qui en souffrent. Tout en respectant les principes d'impartialité et de neutralité de l'aide humanitaire, la Belgique a augmenté l'aide humanitaire qu'elle fournit à la région. En 2015, 50 millions d'euros ont été versés à différents programmes et 75 millions d'euros supplémentaires ont été engagés pour la période 2016-2017.

 

La Belgique veut aussi contribuer à la stabilisation et à la reconstruction des zones précédemment occupées par Daesh et désormais libérées. Pour faciliter le retour des personnes déplacées et des réfugiés, 3,1 millions d'euros ont été versés au Fonds "dispositif pour le financement de la stabilisation immédiate du PNUD". Les travaux de restauration des infrastructures de base et le soutien aux projets locaux pour l'emploi sont prioritaires. Un projet de déminage avec Handicap International pour un montant de 500 000 euros est en cours. Notre pays estime que la stabilisation et le retour de la sécurité dans les territoires libérés sont cruciaux pour un succès durable.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Er moeten geen vragen meer worden gesteld. Ik dank de minister en de collega’s voor de vlotte samenwerking deze namiddag.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.23 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.23 heures.