Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 15 februari 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 15 février 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.34 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.34 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de oprichting van een recidivemonitor" (nr. 16405)

01 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la création d'un moniteur de la récidive" (n° 16405)

 

01.01  Sophie De Wit (N-VA): Al sedert de jaren zeventig voert Nederland heel regelmatig gestandaardiseerde metingen uit om op die manier de effectiviteit van straffen en alternatieve maatregelen te kunnen bepalen. Op die manier probeert men dan ook de recidive te meten. Daarnaast bestudeert men de typische criminele carrière en het profiel van daders. De recidivemonitor is een belangrijk instrument geworden in het strafbeleid in Nederland. Dankzij het nauwgezet bewaren en analyseren van die statistische gegevens heeft men dan ook gericht het beleid kunnen bijsturen.

 

Die resultaten mogen er vandaag ook zijn en we mogen er ook een beetje jaloers op zijn. Al enkele jaren op rij daalt in Nederland de recidive, zowel bij de volwassenen als bij de minderjarigen.

 

Het verschil met België kon niet groter zijn. Dat is natuurlijk niet zozeer uw fout, de geschiedenis speelt daar ook een rol in mee. Tot voor 2011 werden zelfs geen cijfers van recidive bijgehouden. Nochtans hebben ze mij altijd geleerd dat meten weten is.

 

Wat zijn de recidivecijfers in België voor de voorbije jaren? Is er een positieve evolutie merkbaar?

 

Voor welke misdrijven is het percentage recidive het hoogst in België?

 

Overweegt u misschien ook de oprichting van zo’n objectieve recidivemonitor naar Nederlands voorbeeld?

 

Overweegt u om een instantie bevoegd te maken voor de verzameling van alle cijfers rond recidive en het meten van de effectiviteit van het strafbeleid?

 

Mijnheer de minister, ik denk dat enkel op basis van die gegevens echt een degelijk en efficiënt strafbeleid zal kunnen worden gevoerd. Ik ben dan ook ten zeerste geïnteresseerd in uw antwoord.

 

01.02 Minister Koen Geens: De ingebruikneming van een effectieve recidivemonitor is een wens die ik als minister van Justitie verantwoordelijk voor het strafrechtelijk beleid, koester. De recidivemotor zou immers toelaten om de effectiviteit van de strafrechtelijke reactie op verkeerd gedrag beter op te volgen en te meten. Aangezien een dergelijk instrument tot op heden niet bestaat, kan ik op uw eerste twee cijfervragen geen antwoord geven.

 

Ik kan u wel verwijzen naar de recente studie van het NICC van begin 2015 over de algemene recidive. De studie was te beperkt om een evolutie door de jaren heen te kunnen vaststellen, aangezien ze gebaseerd was op de veroordeelden in één specifiek referentiejaar. De studie toonde wel de mogelijkheden aan van een recidivemonitor als beleidsinstrument.

 

Het ruime project werd voorlopig on hold gezet wegens budgettaire beperkingen. Maar het NICC voert wel meer specifiek recidiveonderzoek naar bepaalde deelfenomenen, zoals het effect van een nultolerantiebeleid op recidive inzake partnergeweld. Er is voorts een lopend recidiveonderzoek naar seksuele delinquenten en een naar de criminele loopbaan van personen die als geradicaliseerd worden bestempeld.

 

Met de ervaringen die het NICC reeds heeft opgedaan inzake recidiveonderzoek, is die instantie volgens mij het best geplaatst om op termijn een dergelijk monitoringinstrument uit te werken. Een recidivemonitor vergt echter ook de broodnodige brondata. De verdere informatisering en de uitrol van eenzelfde informaticasysteem voor alle parketten, correctionele rechtbanken en hoven, waarin de gegevens inzake veroordelingen worden geïntegreerd, zijn daarom cruciaal.

 

Het is een proces, dat zich stap voor stap voltrekt en waar wij prioriteit aan verlenen, zowel om beleidsredenen als om operationele redenen.

 

01.03  Sophie De Wit (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

Het is niet alleen uw wensdroom, het is ook al veel langer die van mij, want ik heb die vraag ook herhaaldelijk aan uw voorgangers gesteld. Ik kan bijna niet begrijpen dat de cijfers ook vandaag nog niet beter bijgehouden kunnen worden. Zo ondergraaft u voor een stuk uw eigen beleid, want cijfers kunnen sturend zijn.

 

Ik hoop dat wij door de informatisering, die er natuurlijk ook al veel langer had moeten zijn, de cijfers wel zullen kunnen bijhouden. Zo moeilijk kan dat niet zijn. De gegevens zijn er, want ze worden uiteindelijk altijd ook ergens op een inlichtingenbulletin neergeschreven. Meestal zijn er pv’s opgemaakt. Die gegevens zijn er dus. Ze moeten gewoon voor eens en altijd samengebracht worden, zodat wij een en ander in kaart kunnen brengen en er effectief iets mee kunnen doen, niet alleen voor de deelmateries die u aanhaalt, maar veel ruimer.

 

Dat is de enige manier om gepast te kunnen reageren en door uw beleid de recidive te kunnen doen dalen. Dat is natuurlijk de bedoeling. Ik vind dus dat wij stilaan meer mogen doen dan alleen dromen en wensen. Wij moeten die zaken dringend in gang proberen te zetten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Questions jointes de

- M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la politique de poursuites des parquets en matière d'infractions de roulage" (n° 16533)

- M. Philippe Blanchart au ministre de la Justice sur "les poursuites des infractions de roulage" (n° 16690)

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "het vervolgingsbeleid van de parketten inzake verkeersovertredingen" (nr. 16533)

- de heer Philippe Blanchart aan de minister van Justitie over "de vervolgingen bij verkeersovertredingen" (nr. 16690)

 

02.01  Philippe Blanchart (PS): La tendance est à la prolifération des appareils répressifs. Nous l'aurons tous constaté. Beaucoup de concitoyens y voient des objectifs éloignés de la sécurité routière. Les radars sont des instruments de prévention et de lutte contre les excès de vitesse. Dans certaines zones du pays, certains contrevenants échappent parfois à la sanction car les parquets sont débordés et ne peuvent pas tout traiter. Ainsi, il semblerait que les excès de vitesse inférieurs à 149km/h, l'usage du gsm au volant et le non-port de la ceinture de sécurité pour les adultes ne soient pas toujours poursuivis.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous donner davantage d'informations sur les chiffres de traitement des dossiers de poursuite? Quels sont les critères pour ne pas poursuivre alors que des radars vont continuer à proliférer, que les services de poursuite des infractions sont déjà débordés et le seront encore davantage? Quelles sont les mesures envisagées en concertation avec votre collègue de l'Intérieur afin de remédier à cette situation?

 

02.02  Philippe Goffin (MR): La politique de poursuites du parquet de Liège, en particulier en matière d'infractions de roulage a fait la une de la presse la semaine dernière. Les journaux du groupe Sudpresse affirmaient que certaines infractions n'étaient plus poursuivies, comme les excès de vitesse en dessous de 149km/h, le non-port de la ceinture de sécurité par les adultes ou encore l'utilisation du gsm au volant.

 

Ces affirmations ont été rapidement réfutées par le procureur du Roi de Liège, qui reconnaît cependant que le parquet de Liège travaille, avec les zones de police de son ressort, dans l'optique d'une verbalisation dite "intelligente": il s'agit de verbaliser moins les petites infractions pour se concentrer sur les plus importantes, « de privilégier le qualitatif au quantitatif », je cite, « tout en garantissant une suite utile à toute infraction ». Le procureur du Roi de Liège regrette que nos parquets ne disposent pas d'une procédure entièrement automatisée, comme c’est le cas, semble-t-il, chez nos voisins hollandais, de Maastricht entre autres, ou d'une organisation qui permette aux magistrats de se consacrer aux véritables priorités comme à Paris.

 

En réponse à une question parlementaire que je vous avais adressée le 15 juin dernier, vous indiquiez qu'un projet visant à une plus grande automatisation et optimalisation du traitement des infractions de roulage était développé. Vous disiez à ce moment-là que "ce projet a, entre autres, comme but de supprimer les pratiques des quotas. Le pari est de pouvoir garantir une efficacité maximale et d'éviter un sentiment d'impunité dans le chef des citoyens."

 

Quelle est actuellement la politique de poursuites des parquets de notre pays en matière d'infractions de roulage? Dans quels parquets le système de quotas et de verbalisation "intelligente" a-t-il été mis en place? Quels résultats donne ce système s'il est mis en oeuvre? Pouvez-vous nous donner davantage d'infor­mations sur le développement du projet visant à une plus grande automatisation et optimalisation du traitement des infractions de roulage, que vous annonciez au mois de juin dernier? Où en est le développement de ce projet? Les bonnes pratiques de nos pays voisins servent-elles d'inspiration pour vos services?

 

02.03  Koen Geens, ministre: En ce qui concerne la question relative à la politique des poursuites des parquets en matière de roulage, il appert qu'en ce qui concerne la vitesse mentionnée en premier lieu dans la question de M. Goffin, la politique des parquets est encadrée par la COL numéro 11/2006, laquelle définit une politique uniforme de contrôle, de constatation, de recherche et d'orientation des poursuites en matière d'infractions.

 

Ce texte prévoit notamment que lorsque les appareils sont destinés à fonctionner comme équipements fixes sur la voie publique, en l'absence d'agents qualifiés, leur emplacement et les circonstances de leur utilisation sont déterminés lors de concertations organisées par les autorités judiciaires, administratives et policières compétentes, dont les gestionnaires de la voirie. Cette concertation est indispensable afin d'établir les modalités de contrôle les plus efficaces quant au moment, à la durée, à la fréquence, à la densité de circulation, quant au débit du trafic, aux lieux et aux intervenants policiers et autres. Elle est également essentielle, dans l'attente de la mise à disposition de personnel et de moyens techniques supplémentaires.

 

Lorsque le procureur du Roi de Liège fait état d'une approche qualitative, c'est d'une politique de constatation, de recherche et de poursuites concertée et efficace des infractions de vitesse, telles que définies dans la COL numéro 11/2006 qu'il s'agit.

 

Pour les infractions autres que la vitesse, la question de M. Goffin telle que formulée pourrait donner le sentiment que des quotas seraient établis indistinctement pour tous types d'infractions de roulage. Or ce sont singulièrement les contrôles de vitesse qui provoquent un afflux important de procès-verbaux vers les parquets de police, et c'est en cette matière que les concertations doivent avoir lieu, conformément à la COL numéro 11/2006.

 

Dans le cadre du projet pour automatiser et optimaliser le traitement des infractions de roulage, une nouvelle plate-forme de gestion de la perception des amendes sera mise en place et fonctionnera de la manière suivante. La police constatera l'infraction et transmettra les données au SPF Justice par voie électronique. Le système informatique du SPF Justice, MaCH, ordonnera l'impression et l'envoi dans un même courrier, envoyé au nom de la police, d'une copie du procès-verbal ou, pour les contrevenants étrangers européens, de la lettre de notification et de la lettre de perception immédiate. La nouvelle plate-forme pour la gestion des infractions de roulage traitera automatiquement les paiements. En cas de non-paiement ou de paiement erroné, la plate-forme ordonnera, en respectant les règles définies par le procureur du Roi et/ou le collège des procureurs généraux, l'impression et l'envoi d'un rappel puis, le cas échéant, une proposition de transaction et un ordre de paiement, qui seront envoyés par pli judiciaire.

 

En fonction de la politique en matière de sécurité routière, déterminée par le procureur du Roi et/ou le collège des procureurs généraux, certaines infractions ou certains profils de récidivistes pourraient faire l'objet d'une citation directe. Le contrevenant national européen pourra payer son amende via virement ou via un site internet. En cas de questions administratives, le contrevenant national européen pourra s'adresser à un call center ou par écrit à un back-office. Ceci réduira la charge de travail administrative de la police et de la Justice. Toutes les données seront transférées de la plate-forme vers MaCH, tandis que tous les documents transmis seront scannés et également mis à disposition dans MaCH.

 

Tout comme le système actuel, la nouvelle plate-forme pour le traitement des infractions de roulage sera également gérée par bpost dans le cadre du contrat de gestion entre l'État belge et bpost. Le SPF Justice et les différentes parties prenantes ont commencé fin 2016 à travailler sur les exigences détaillées nécessaires pour le développement de la nouvelle plate-forme. Cette phase d'analyse et d'étude est presque terminée, et nous prévoyons, après validation finale, de démarrer les développements ICT concrets.

 

Concernant les pratiques des parquets étrangers, j'observe que l'ordre de paiement automatisé s'inspire des législations de nos voisins français et néerlandais.

 

Concernant la question relative aux chiffres de traitement des dossiers de poursuites, je peux vous informer que ceux-ci pourraient être extraits par le service d'encadrement ICT du SPF Justice, mais il s'agira d'une consultation purement technique de la banque de données opérationnelle du système informatique MaCH des parquets de police.

 

Les chiffres ne peuvent donc être ni contextualisés ni validés par le ministère public. Leur fiabilité n'est donc pas assurée.

 

Répondre à la question concernant les critères retenus par les parquets de police pour ne pas poursuivre nécessiterait une interrogation systématique des parquets de police. Il est impossible d'y répondre dans un délai si court, ce que vous comprendrez.

 

02.04  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses tout à fait claires et complètes. Il ne faut toutefois pas perdre de vue qu'en matière de sécurité routière, cette prolifération de radars devait avoir un impact pour contrer la vitesse et diminuer le nombre de tués. Malheureusement, ce n'est au contraire pas le cas. Par contre, il n'y a pas une réelle diminution du nombre de victimes de la route, même si c'est un succès au niveau des recettes. C'est un peu paradoxal.

 

02.05  Philippe Goffin (MR): De mon côté, je me réjouis de l'avancement de la mise en œuvre de cette plate-forme, ce qui me donnera l'occasion de revenir un peu plus tard pour voir ses effets, une fois qu'elle sera mise en place.

 

Par contre, monsieur Blanchart, je ne partage pas tout à fait votre opinion sur le fait que les radars n'auraient qu'un effet de perception d'amendes. La peur dite du gendarme ou la présence de radars dans des endroits stratégiques – car il ne faut pas mettre des radars n'importe où – est bien connue et a un effet de dissuasion. J'en suis témoin dans ma commune. Peut-être est-ce le cas chez vous aussi. Dans certains cas, cela a un effet très positif et utile.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de problemen bij het veiligheidskorps" (nr. 16553)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het veiligheidskorps" (nr. 16611)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "het veiligheidskorps" (nr. 16632)

03 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les problèmes du corps de sécurité" (n° 16553)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le corps de sécurité" (n° 16611)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "le corps de sécurité" (n° 16632)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onlangs las ik in de krant dat er enkele incidenten zijn geweest bij het Veiligheidskorps. Zo kon een gevangene door problemen bij het Veiligheidskorps in het Justitiepaleis zijn eigen zitting niet bijwonen. De man werd overgebracht uit de gevangenis van Nijvel door het veiligheidskorps van Nijvel. Dat zette hem echter af tot in het cellencomplex van het Justitiepaleis en niet verder. Volgens het korps was hem overbrengen naar de zittingszaal een taak voor het Veiligheidskorps van Brussel, dat echter naar eigen zeggen onderbemand was. Men vond er dan niets beter op dan de gevangene terug over te brengen naar Nijvel zonder daar iemand van op de hoogte te brengen.

 

Bij een ander incident kon een zitting niet ordelijk verlopen omdat het Veiligheidskorps van het Brusselse Justitiepaleis vroegtijdig de zitting heeft verlaten omwille van stiptheidsacties, zonder te wachten op vervanging door de federale politie.

 

Het parket-generaal is misnoegd over de gang van zaken. Blijkbaar wordt het verloop van zittingen al een aantal jaren ernstig verstoord door de gebrekkige werking van het Veiligheidskorps van de FOD Justitie.

 

Ik heb hierover twee vragen.

 

Op welke wijze kunnen volgens u dergelijke problemen in de toekomst vermeden worden, mijnheer de minister?

 

Wat is de stand van zaken betreffende de oprichting van de nieuwe 'Directie Bewaking en Bescherming' waarin het Veiligheidskorps op korte termijn geïncorporeerd zou worden?

 

Mijn volgende vraag sluit aan bij deze problematiek. In opvolging van mijn vorige vraag kom ik terug op de actie van afgelopen donderdag waarbij het overgrote deel van het Brusselse Veiligheidskorps zich ziek meldde. Hierdoor werd de dagdienst ontregeld en werd, tot frustratie van magistraat Michel de Grève, de start van een assisenproces volledig in de war gestuurd.

 

Blijkbaar zijn deze acties een gevolg van twee bekommernissen, die blijkbaar zo zwaar wegen dat het personeel zelfs niet meer luistert naar hun vakbonden. Het betreft enerzijds een prangend personeelstekort, maar anderzijds en bovenal een diepe onvrede over de onduidelijkheid omtrent het toekomstig personeelsstatuut. Meer bepaald zou het personeel minder gaan verdienen en zouden de promotiekansen ingeperkt worden.

 

Ook hierover heb ik twee vragen.

 

Mijnheer de minister, overweegt u om, zoals bij een vorige actie, een private bewakingsmaatschappij in te schakelen om de normale werking van het Brussels gerecht te garanderen?

 

Wat is de stand van zaken van de onderhandelingen met de vakbonden over dat toekomstig statuut en wat is uw houding daarin?

 

03.02  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, wie de Belgische Justitie volgt, kan er niet omheen: de werking van het Veiligheidskorps is al langer een heikel punt, zeker in Brussel. Ook de vorige weken waren er weer verschillende incidenten. Vroeger werd als reden van de incidenten vaak gesproken over de vertroebelde relatie tussen het Veiligheidskorps en de politie. Nu zou het dan weer nog steeds gaan over de invulling van het statuut.

 

Er zijn in het verleden reeds vele vragen gesteld over de werking en het statuut van het Veiligheidskorps. Zo meldde u mij in het verleden dat er vier werkgroepen werden opgericht die reeds bezig zijn met het uitwerken van een voorstel dat na goedkeuring in een stuurgroep samengesteld met vertegenwoordigers van de verschillende bevoegde ministers en diensten, voor onderhandeling zal worden voorgelegd aan de vakbonden.

 

U zei voorts dat een eerste aanzet werd voorgelegd op 18 mei 2016 en dat de personeelsleden geen schrik dienen te hebben voor loon- of jobverlies. Het is een heilig principe dat er niet minder verdiend mag worden bij een overplaatsing en bij de uitwerking van de reglementaire en wettelijke bepalingen zal daar nadrukkelijk naar worden gekeken.

 

In uw beleidsverklaring laat u het volgende optekenen: “Naar aanleiding van de ingebrekestelling door het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing en gelet op het protocolakkoord van het Sectorcomité III – Justitie nr. 351 van 2010 voeren wij een gegarandeerde dienstverlening in bij het Veiligheidskorps om zo de basisrechten van de gedetineerden te vrijwaren. De modaliteiten van de gegarandeerde dienstverlening zullen worden bepaald in overleg met de sociale partners.”

 

Ik heb hierover de volgende vragen, mijnheer de minister

 

Wat zijn de resultaten van de verschillende werkgroepen? In welke richting evolueren de gesprekken? Waar ligt het kalf gebonden om tot een akkoord te komen? Wat zijn voor de verschillende partijen de heikele punten? Wanneer voorziet u een oplossing?

 

Maakt de invoering van de gegarandeerde dienstverlening tevens deel uit van de gesprekken over het nieuwe statuut? Hoe zal dat worden gerealiseerd en binnen welke termijn?

 

Hoeveel personeelsleden telt het Veiligheidskorps momenteel? Hoeveel daarvan zijn langdurig ziek? Kunt u dat zo mogelijk opsplitsen per werkgebied?

 

03.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, mevrouw Van Vaerenbergh, op dit moment lopen er eenentwintig nieuwe personeelsleden van het Veiligheidskorps stage in Brussel. Van hen zullen er tien in Brussel blijven. Dat komt reeds ten dele tegemoet aan het personeelstekort dat was gesignaleerd.

 

De besprekingen over de overheveling van het personeel van het Veiligheidskorps naar de nieuwe directie Bewaking en Bescherming bij de federale politie worden eveneens voortgezet. Ik kan alleen maar hopen dat de transparantie waarin die besprekingen plaatsvinden het huidige personeel zal aanzetten tot de normale herneming van het werk zodat die besprekingen verder in een serene sfeer kunnen verlopen.

 

De federale politie heeft reeds heel wat voorbereidend werk geleverd. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de besprekingen met de vakbonden van de wettelijke tekst omtrent de oprichting van de dienst en de reglementaire teksten, waarmee een aantal modaliteiten wordt vastgelegd, zoals de creatie van nieuwe graden en de overheveling van de personeelsleden van de BIAC-luchthavenbewaking en de militairen voor de bewaking van de nucleaire sites.

 

De bespreking van de reglementaire tekst die ervoor moet zorgen dat het personeel van het Veiligheidskorps wordt overgeheveld naar de nieuwe dienst, is nog niet opgestart, maar in de rand van de bespreking van de reglementaire tekst waarmee de nieuwe graden worden opgericht, zijn er natuurlijk reeds enkele principes op tafel gelegd. Het personeelslid behoudt het recht op zijn huidige weddeschaal als die gunstiger is dan de nieuwe waarin hij of zij geïntegreerd wordt. Er worden garanties geboden aan wie geslaagd is voor een loopbaanexamen. Er wordt een loopbaanevolutie in het vooruitzicht gesteld, wat tot nu toe niet bestaat. Er worden garanties gegeven inzake het kunnen behouden van de huidige standplaats, de huidige taken en de huidige arbeidstijdenregeling. Er worden garanties gegeven inzake de reeds opgebouwde pensioenrechten. Er is een schriftelijk engagement om de overuren uit te betalen die voor de overheveling niet kunnen worden opgenomen.

 

Het is dan ook betreurenswaardig dat er nog steeds actie wordt gevoerd, net op een moment dat reeds aan een aantal eisen werd voldaan, zoals de opname van een specificiteittoelage in de wedde, net zoals voor de collega’s van het bewakingspersoneel van de gevangenissen voor wie dat reeds het geval was vanaf 1 januari 2005, de bijkomende aanwervingen in het kader van de strijd tegen terrorisme, 51 bevorderingen door verandering in graad naar veiligheidsassistent, waarvan er 8 reeds sedert 2011 geslaagd waren, en 29 baremieke verhogingen binnen de graag van veiligheidsassistent en hoofdveiligheidsassistent.

 

Met de vakbonden werden er reeds akkoorden gesloten, maar enkele agenten beslisten om verder actie te voeren door hun werkzaamheden te beperken tot 7 uur en 36 minuten per dag. In de gevallen waarin dat neerkomt op het negeren van een bevel, wordt er opgetreden door de administratieve hiërarchie.

 

Met de overheveling naar het nieuw korps bij de federale politie zal het personeel onder het politiestatuut vallen en zal men onder eenheid van commando komen, wat tot nog toe niet het geval is. Zodoende wordt de rechtsgang steeds gegarandeerd.

 

Er werd op één moment even een beroep gedaan op de private bewakingsfirma die gelast is met de beveiliging van de hoofdingang van het Justitiepaleis om de juryleden voor een assisenzaak binnen te laten. Het is niet te bedoeling om systematisch op die firma een beroep te moeten doen.

 

Het Veiligheidskorps telt momenteel 427 personeelsleden, tewerkgesteld in 28 eenheden, verspreid over het grondgebied. In het jaar 2016 waren er 25 personeelsleden langdurig ziek, gespreid over de helft van de eenheden.

 

Ik wil van de gelegenheid ook gebruikmaken om de federale politie te bedanken voor de inspanningen die ze levert om positief te antwoorden op onze vragen om bijstand op momenten dat het nodig is om de rechtsgang te garanderen.

 

03.04  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb nog één vraag. Hebt u een timing wanneer die onderhandelingen afgerond zullen zijn en er duidelijkheid zal zijn voor de mensen?

 

03.05 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, zoals steeds, zo snel mogelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de videoconferentie in strafzaken" (nr. 16631)

04 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la vidéoconférence en matière pénale" (n° 16631)

 

04.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de wet die het mogelijk maakt in strafzaken verhoren voor de raadkamer te laten plaatsvinden via videoconferentie werd reeds enige tijd geleden goedgekeurd in het Parlement.

 

De wet treedt in werking op 1 september 2017, binnen zeven maanden dus. Dit maakt ook onderdeel uit van uw beleidsnota. In uw beleidsnota voor dit jaar stelt u als volgt: "In afwachting van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de vordering tot vernietiging van de wettelijke basis voor het gebruik van videoconferentie als mogelijkheid voor de verschijning voor de raadkamer, rollen wij videoconferentie uit als vergadertool en verruimen wij de piloot in burgerlijke zaken Antwerpen-Hasselt naar de andere ressorten."

 

Mijnheer de minister, ik wil u de volgende vragen stellen in verband met de stand van zaken met betrekking tot de concrete voorbereiding ter uitvoering van deze wet.

 

Op wettelijk gebied, hoever staat het met het koninklijk besluit dat uitvoering moet geven aan deze wet? In welke modaliteiten voor videoconferentie wordt er voorzien?

 

Op praktisch gebied, in welke budgetten wordt ter uitvoering van deze wet voorzien in de begroting? Welke middelen zullen worden uitgetrokken voor de parketten en de gevangenissen, voor het plannen van videoconferentie? Welke specifieke instructies kregen zij?

 

Welke planning is er met betrekking tot de uitrol van de infrastructuur die videoconferentie mogelijk moet maken? Wat is de stand van zaken van de uitrol van videoconferentie als vergadertool? Wat is de stand van zaken en planning om de piloot in burgerlijke zaken te verruimen naar de andere ressorten?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, de opmaak van het koninklijk besluit wacht op de uitspraak van het Grondwettelijk Hof, naar aanleiding van de vordering tot vernietiging die tegen de wettelijke basis werd ingesteld door avocats.be.

 

In het breder kader van videoconferentie binnen de FOD Justitie, niet alleen in strafzaken, werden volgende investeringsvoorstellen opgemaakt en voorgelegd ter goedkeuring aan het DirCom, in het verruimde DirCom met de rechterlijke orde.

 

Kritische prioriteit, investering in licenties en videomateriaal, part 1: 250 000 euro. Hoge prioriteit, investering in licenties en videomateriaal part 2: 250 000 euro. Hoge prioriteit investering in licenties en videomateriaal part 3: 250 000 euro.

 

Omdat moet worden gewacht op het reglementair kader dat voortvloeit uit de wet in het KB is het nog niet mogelijk om over te gaan tot een bestelling of aanbesteding van installaties, nuttig voor de verschijning voor de raadkamer.

 

Het contract waarin de huidige installaties as a service worden opgenomen, zou eventueel ook dienstig kunnen zijn voor de eerste proefinstallatie die in het kader van de raadkamer zal worden gebruikt. Dat betekent dat een relatief korte periode van enkele maanden nodig zal zijn omdat in het reglementair kader is bepaald de installatie in test te nemen.

 

Er werden zeven meetingrooms uitgerust met videoconferentieapparatuur, die zich bevinden bij het College van hoven en rechtbanken, het College van procureurs-generaal, het kabinet van de minister van Justitie en bij de procureurs-generaal van de ressorten Gent, Antwerpen, Bergen en Luik.

 

Als desktopoplossing wordt momenteel Skype for Business uitgerold. Naast enkele proof of concepts die reeds lopende zijn, zal deze collaboration tool standaard ter beschikking worden gesteld op de 6 000 nieuwe laptops die in de komende maanden binnen de rechterlijke orde zullen worden uitgerold. Een proefproject loopt sedert een tweetal maanden op de rechtbanken van koophandel, waar deze tool vooral wordt gebruikt om vergaderingen en besprekingen te voeren tussen de verschillende afdelingen op het niveau van rechters en griffiers.

 

Ik verwacht binnen de tien dagen van de vertegenwoordigers van de rechterlijke orde de voorstellen voor de plaatsing van zes nieuwe videoconferentie-installaties, zoals die worden gebruikt in de pilootprojecten in Antwerpen en Hasselt. Een aanvulling is dat deze zullen worden ingezet in de verschillende ressorten op het niveau van de hoven van beroep zoals de piloot Antwerpen en Hasselt.

 

04.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp dat wij wachten op de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Wat is de normale termijn waarbinnen het Grondwettelijk Hof een uitspraak doet? Ik hoor dat het ongeveer acht maanden is. Hopelijk is het alleszins binnen de termijn. Ik weet dat er tijdens de bespreking van dit wetsvoorstel discussie was. Een van die discussiepunten was of wij aan de verdachte moesten vragen om al dan niet instemming te verlenen om te verschijnen via een videoconferentie.

 

Los daarvan is het absoluut noodzakelijk dat wij alles in het werk stellen om de videoconferentie mogelijk te maken. In de ons omringende landen is dat al van toepassing. Ik denk niet dat wij nog moeten dralen met de voorbereidingen voor het KB, want de videoconferentie zal er sowieso in België komen.

 

Wij zullen deze zaak verder opvolgen. Ik hoop dat wij snel een uitspraak van het Grondwettelijk Hof krijgen. In feite ligt 1 september niet meer zo veraf als wij er willen voor zorgen dat de gevangenissen en de rechtbanken klaar zijn voor deze nieuwe applicatie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de koppeling tussen de gegevensbanken SIDIS, SISET en de databank van de federale politie" (nr. 16683)

05 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la connexion entre les banques de données SIDIS, SISET et la banque de données de la police fédérale" (n° 16683)

 

05.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb van u een antwoord gekregen op mijn schriftelijke vraag nr. 1563. Ik had nog graag wat toelichting gekregen bij uw antwoord.

 

Uit uw antwoord leid ik af dat SIDIS-suite is verbonden met de databank van de federale politie, alsook met de databank SISET van de Gemeenschappen. Kunt u mij zeggen sedert wanneer deze koppelingen tussen de verschillende databanken beschikbaar zijn?

 

In uw schriftelijk antwoord vermeldt u tevens het aantal terrogedetineerden, opgesplitst per locatie en nationaliteit. Graag had ik van u enige verduidelijking bekomen daar mijn vraag peilde naar het aantal geradicaliseerden. Hoeveel geradicaliseerden zijn er? In de tabel zag ik het aantal terrogedetineerden. Misschien kunt u verklaren op welke manier u mijn vraag hebt beantwoord.

 

05.02 Minister Koen Geens: In november 2016 werd de verbinding tussen de databank SIDIS-suite en de databank Fedpol officieel in gebruik genomen. De databank SIDIS-suite en SISET zijn sinds 2014 officieel met elkaar verbonden. Onder terro-gedetineerden worden vier categorieën verstaan.

 

In categorie A zitten de terroristen. Dat zijn alle gedetineerden die verdacht worden van, veroordeeld werden of geïnterneerd werden voor feiten die verband houden met terrorisme, zoals vermeld in artikel 137 tot 141 van het Strafwetboek.

 

Categorie B zijn de gelijkgestelden. Dat zijn alle gedetineerden die niet in hechtenis zijn voor feiten die juridisch gekwalificeerd werden als terroristisch, maar waarbij een duidelijke link is met terrorisme zoals blijkt uit de detentietitel, of doordat de betrokkene via woord of daad aantoont sterk aan te sluiten bij het profiel van de gewelddadige extremist. De Cel extremisme beslist op basis van de beschikbare informatie welke gedetineerde als gelijkgestelde moet worden beschouwd.

 

Categorie C bevat de foreign terrorist fighters. Dat zijn de gedetineerden die werden opgenomen in de databank foreign terrorist fighters van het OCAD.

 

Gedetineerden waarbij een vermoeden bestaat dat ze zich radicaliseren of anderen radicaliseren behoren tot categorie B gedetineerden die tekenen vertonen van radicalisering of het radicaliseren van andere gedetineerden.

 

05.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Dank u wel voor de verduidelijking.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. André Frédéric au ministre de la Justice sur "les formations dans la manipulation des défibrillateurs" (n° 16694)

06 Vraag van de heer André Frédéric aan de minister van Justitie over "de opleidingen in het manipuleren van defibrillatoren" (nr. 16694)

 

06.01  André Frédéric (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, fin novembre, la presse a fait état d'une situation particulière. Les secouristes des différents palais de justice ont reçu une formation organisée par l'Institut de formation judiciaire afin de les former à la manipulation des défibrillateurs. Il s'agit en effet d'une très belle initiative!

 

Mais le problème est que dans le palais de justice de Verviers, il n'y a pas de défibrillateurs mis à disposition.

 

Or on compte que dix mille personnes sont frappées par an en Belgique d'un arrêt cardio-vasculaire, il est donc important que cet appareil puisse être à la disposition des secouristes en cas d'accident.

 

Plusieurs initiatives de la magistrature et du personnel de l'ordre judiciaire pour récolter des fonds ont donc été lancées. Dans certains arrondissements, les barreaux d'avocats y ont contribué financièrement. Une situation que le SLFP-Ordre judiciaire s'est empressé d'ailleurs de qualifier d'inacceptable. Monsieur le ministre, selon le syndicat, vous auriez refusé de débloquer les fonds nécessaires à cet achat pourtant bien utile, ce qui met en péril la vie des gens qui, tous les jours, côtoient ce bâtiment de justice.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer l'absence de défibrillateurs dans le palais de justice de Verviers? Qu'en est-il des autres palais de justice en Belgique? Quelles sont les raisons de cette absence? Avez-vous refusé cette installation? Comptez-vous remédier à cette triste situation? Si oui, quand?

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Frédéric, le SPF Justice n'a pas installé de défibrillateur au palais de justice de Verviers. Il en est de même dans les autres palais du pays. Étant conscients de l'utilité de ces appareils, mes services étudient la possibilité d'un partenariat avec une asbl en vue d'un cofinancement qui permettrait d'installer à moyen terme des appareils DEA dans les bâtiments stratégiques.

 

En effet, l'analyse a démontré le caractère réalisable de ce projet. Le dossier sera, au demeurant, soumis prochainement pour accord au comité de gestion commun avec les services judiciaires, puis à l'Inspection des Finances, avant d'être déployé sur le terrain.

 

L'installation de cet appareil peut sauver des vies, pour autant qu'il soit employé dans les règles de l'art et accompagné des gestes ad hoc. C'est dans ce cadre que les formations données seront utiles.

 

06.03  André Frédéric (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je dois donc en conclure que ce n'est pas fait, mais que ce le sera rapidement. Je peux donc en informer le public, qui s'en réjouira.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Mme Muriel Gerkens au ministre de la Justice sur "les ASBL et les obligations relatives au rapport social" (n° 16539)

07 Vraag van mevrouw Muriel Gerkens aan de minister van Justitie over "vzw's en de verplichtingen betreffende de bekendmaking van de sociale balans" (nr. 16539)

 

07.01  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, c'est une question un peu technique. Je ne l'ai pas introduite via une question écrite car je pense que la réponse peut être relativement simple et il y a urgence pour les ASBL.

 

La transposition de la directive 2013/34 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 relative aux états financiers annuels, aux états financiers consolidés et aux rapports y afférents de certaines formes d'entreprises, modifiant la directive 2006/43 et abrogeant les directives 78/660 et 83/349 du Conseil, a été effectuée par la loi du 18 décembre 2015, qui a modifié le Code des sociétés, et par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 qui a modifié l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés.

 

Cette transposition a concerné les comptes annuels des seules entreprises et non ceux des associations et fondations.

 

Dans le cadre de cette transposition, le bilan social a dû être exclu de l'annexe aux comptes annuels des sociétés. Afin de maintenir la publication du bilan social, le législateur belge a adapté l'article 100 du Code des sociétés en prévoyant, au § 1er, 6°/2, que: "Dans les trente jours après l'approbation des comptes annuels et au plus tard sept mois après la date de clôture de l'exercice, sont déposés par les administrateurs ou gérants auprès de la Banque nationale de Belgique: (...) le bilan social prescrit par la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi."

 

Les sociétés doivent désormais publier leur bilan social sur un document séparé des comptes annuels et non plus de manière intégrée dans l'annexe aux comptes annuels. Cette modification est applicable à tous les exercices commencés à partir du 1er janvier 2016.

 

En ce qui concerne les associations et fondations, la législation en matière comptable qui leur est propre renvoie tant au Code des sociétés qu'à l'arrêté royal. Ces renvois se trouvent dans les articles 9 et 10 de l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations et fondations. Pour le bilan social, il s'agit des articles 91 et 94 de l'arrêté royal.

 

Plus particulièrement, l'article 10 de l'arrêté royal du 19 décembre 2003 précité indique que l'annexe du schéma complet comprend les renseignements relatifs au bilan social prévus au point B de la sous-section 3 de la section 2 du Chapitre III du Titre 1er du Livre II du Code des sociétés. Le contenu de ce point B a cependant été supprimé par l'article 21, 17° de l'arrêté royal du 18 décembre 2015 précité, qui stipule que: "Le titre du et le texte sous B, "Bilan social", sont abrogés".

 

Il en va de même pour le bilan social à intégrer dans le schéma abrégé.

 

Ces abrogations répondent au besoin de transférer, pour les sociétés, le bilan social dans un document séparé des comptes annuels, mais il n'a pas été tenu compte du fait que les dispositions abrogées étaient également utilisées pour les associations et fondations dont la réglementation n'a de son côté pas été modifiée, lors de la transposition de la directive comptable dont je parlais au début.

 

Il convient de remarquer par ailleurs que l'arrêté royal du 4 août 1996 relatif au bilan social impose, en son article 17, la publication du bilan social aux "autres personnes morales de droit privé" (entre autres donc, les associations et les fondations), mais cet arrêté se réfère lui-même à deux arrêtés royaux (l'arrêté royal du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises et l'arrêté royal du 25 novembre 1991 relatif à la publicité des actes et documents des sociétés et des entreprises) qui ont été abrogés par l'arrêté royal Code des sociétés.

 

Monsieur le ministre, la raison de cette question est que je suis interpellée parce qu'il en ressort qu'à ce jour, il n'existe plus de base juridique pour requérir la publication du bilan social des associations et fondations. Les schémas ASBL des comptes annuels publiés par la Banque nationale de Belgique, dont l'annexe reprend le bilan social, ne sont donc plus conformes à la loi dans son écriture actuelle.

 

Pouvez-vous me confirmer que l'analyse que je viens de vous faire et qui m'a été relayée par les acteurs de terrain, est correcte, et, le cas échéant, indiquer si vous prévoyez de proposer des mesures permettant de corriger rapidement cette problématique, par exemple en remplaçant dans l'article 10 de l'arrêté royal du 19 décembre 2003 dont j'ai parlé, la référence au fameux point B. des articles 91 et 94 de l'arrêté royal Code des sociétés, par une référence aux articles 191/2 et 191/3 du même arrêté royal? La situation est en effet urgente puisqu'elle concerne les comptes annuels clôturés au 31 décembre 2016.

 

Je suis désolée de la technicité de la question mais apparemment, c'est important pour les ASBL et les fondations.

 

07.02  Koen Geens, ministre: Madame Gerkens, après examen et consultation de la Commission des normes comptables, je peux vous indiquer que dans la situation qui nous occupe, c'est-à-dire celle d'une situation temporaire où les diverses législations ne concordent pas parfaitement, les praticiens doivent s'en tenir à une coordination implicite. Les associations et fondations qui entrent dans le champ d'application de l'arrêté royal du 19 décembre 2003 doivent continuer à établir un bilan social et le déposer à la Centrale des bilans. Un texte de loi doit être lu et doit avoir une signification dans le contexte du système juridique dans son ensemble.

 

En d'autres termes, il convient de conférer aux mots figurant dans le texte de loi une signification et une portée conformes aux principes juridiques prévalant dans la législation et la jurisprudence et cohérentes avec la problématique réglée par le texte à interpréter. Je souligne toutefois que la législation applicable aux associations et fondations fait l'objet d'un screening approfondi afin de déterminer les adaptations nécessaires. Il va de soi que l'objectif est, notamment, de rectifier à l'occasion de cet exercice les imperfections qui font l'objet de votre question.

 

07.03  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je suis tout à fait d'accord avec vous. Il réside quantité de soucis au niveau de la cohérence entre les articles et les différentes modifications législatives qui se sont succédé.

 

Je pense qu'il est important, et c'est la raison pour laquelle je vous pose la question, que les acteurs de terrain sachent que la manière dont ils vont pouvoir comprendre et interpréter les obligations existantes à leur égard ne va pas leur porter préjudice et qu'on ne va pas leur reprocher de ne pas avoir tenu compte de certains aspects, parce que l'on n'est pas d'accord sur les termes exacts. La jurisprudence nécessite des démarches qui n'appartiennent pas à la gestion quotidienne et habituelle des associations et fondations.

 

Votre réponse leur permettra de se reposer dessus. Je vous encourage vivement à corriger et nettoyer les différents textes pour qu'ils retrouvent toute leur cohérence et leur harmonie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Aldo Carcaci au ministre de la Justice sur "le processus de réinsertion" (n° 16698)

08 Vraag van de heer Aldo Carcaci aan de minister van Justitie over "de resocialisatie" (nr. 16698)

 

08.01  Aldo Carcaci (PP): Monsieur le président, monsieur le ministre, les détenus ont des droits. Si nous l’ignorons, les droits de l’homme nous le rappellent régulièrement ainsi que la Cour européenne.

 

Notre société a le devoir de mettre tout en oeuvre pour réussir le processus de réinsertion. Néanmoins, il va sans dire que nos surveillants pénitentiaires méritent un maximum de sécurité sur leur lieu de travail. Nous sommes à l’ère d’internet, de Google et des réseaux sociaux tels que Facebook ou Twitter. Un juste équilibre doit donc être trouvé entre le processus de réinsertion et la sécurité des agents, en particulier, et de la société, en général.

 

Monsieur le ministre, les détenus ont-ils accès sans restriction à internet? Si oui, ont-ils accès aux réseaux sociaux tels que Facebook? Si oui, ne trouvez-vous pas qu’il est anormal, voire même insécurisant pour un détenu, de pouvoir communiquer comme bon lui semble avec le monde extérieur alors que nous vivons une période de radicalisation chez certains détenus? Comptez-vous prendre des mesures pour limiter ces accès qui peuvent nuire à la sécurité des agents, des policiers, voire des magistrats, et qui sont très choquants pour les personnes contactées par un détenu?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Carcaci, les détenus n'ont aucun accès à internet. Des accès à des sites tels que Facebook ont parfois été rapportés, mais cela passait par des smartphones introduits illégalement en cellule.

 

La Direction générale des Établissements pénitentiaires lutte très activement contre la présence de ce matériel en prison via des sweepings très réguliers au sein de tous les établissements, grâce à du personnel formé à cet effet et à des moyens d'interception désormais présents dans toutes les prisons.

 

Un accès à un paysage numérique sécurisé sera possible d'ici peu au moyen de la plate-forme Prison Cloud, mais il s'agira alors uniquement d'un accès strictement limité aux informations en rapport avec la réintégration des détenus (recherche d'emploi, de formation, de logement, etc.). Il ne sera possible en aucun cas de se connecter à des médias sociaux tels que Facebook par ce biais.

 

08.03  Aldo Carcaci (PP): Monsieur le ministre, je prends bonne note de votre réponse.

 

Si c'est dans le cadre d'une réinsertion future, on ne peut donc que l'approuver. Néanmoins, je reste assez méfiant et attentif aux possibles dérives engendrées par la présence clandestine de smartphones, permettant ainsi de communiquer avec l'extérieur.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n°16549 et 16557 de M. Koenraad Degroote ainsi que la question n° 16555 de M. Johan Klaps sont transformées en questions écrites.

 

09 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "het syndicaal verlof van vakbondsafgevaardigden in de gevangenissen" (nr. 16571)

09 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "le congé syndical des délégués syndicaux dans les prisons" (n° 16571)

 

09.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag heeft een hele voorgeschiedenis, die u intussen wel kent. Destijds heb ik ook de heer Stefaan De Clerck hierover ondervraagd. Het gaat over het syndicaal verlof dat in de gevangenis wordt opgenomen. Toen bleek al dat dit steeds maar steeg. Toen werd het nog gemeten met SP-Expert. Dat was niet zo evident, omdat niet elke gevangenis met SP-Expert werkte. Maar men kon toch vaststellen dat het steeg.

 

De vorige minister, mevrouw Turtelboom, heeft ook erkend dat er in de gevangenissen waar wel een vergelijking mogelijk was met SP-Expert een stijging van het syndicaal verlof kon vastgesteld worden.

 

Destijds gaf de heer De Clerck al aan dat het probleem de pan uitswingde en dat er maatregelen getroffen moesten worden. De vakbond voert hier controle op uit, maar eigenlijk zou de overheid dat evengoed moeten doen, net als het corrigeren indien nodig.

 

Het probleem is dat er soms oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt, wat we absoluut moeten vermijden. Waarom is het zo belangrijk om dit te vermijden? Welnu, als men afwezig is voor een vakbondsoverleg, is er onderbezetting op de werkvloer en draaien de andere collega’s hiervoor op. Op die manier organiseren de vakbonden precies datgene wat ze bestrijden.

 

Mevrouw Turtelboom heeft haar administratie dan de opdracht gegeven om al die regelgeving en procedures rond het syndicaal verlof uit te klaren. Er is dan een charter gekomen op 27 juni 2014, binnen de DG EPI. Daarin werden afspraken gemaakt tussen de FOD Justitie en de drie representatieve vakbondsorganisaties, die tweejaarlijks geëvalueerd worden.

 

Dat wil dus zeggen dat er vorig jaar een eerste evaluatie heeft plaatsgevonden. Ik heb daar al vragen over gesteld. We weten dat in 2013-2014 het aantal syndicale verlofdagen stagneerde rond 11 100 dagen. Het jaar 2015 kende dan weer een nieuwe piek met 13 825 dagen vakbondsverlof. Op 30 april 2016 werden reeds 5 612 vakbondsdagen toegestaan. Hier kan dus worden vermoed dat in 2016 mogelijk een record werd gebroken.

 

Dan is het project “anders werken” gekomen. Dat hebt u opgestart. In het licht daarvan is de discussie over het syndicaal verlof natuurlijk relevant, omdat heel wat afwezigheden op de werkvloer net door het syndicaal verlof worden veroorzaakt. Hierdoor kunnen anderen moeilijker hun verlof opnemen, omdat ze moeten invallen.

 

Zo vallen er ook gaten in het dienstrooster. In 2015 ontbraken er zo elke dag 59,48 voltijds equivalenten door opname van syndicaal verlof.

 

U hebt mij midden vorig jaar bevestigd dat het om hoge cijfers ging. U bent ook van mening dat het charter eerst moet worden geëvalueerd, om dan te kunnen inschatten of er een controle beter kan of een correctie mogelijk is.

 

Mijnheer de minister, normaal gezien zou die evaluatie inmiddels gebeurd moeten zijn. Vandaar mijn vragen. Kunt u mij de huidige cijfers geven met betrekking tot het syndicaal verlof binnen het gevangeniswezen? Hoeveel dagen werden er in 2016 uiteindelijk geregistreerd? Hoe evolueren deze cijfers vergeleken met de vroegere cijfers? Kunt u deze cijfers enigszins opsplitsen? Weet u of er ook een opsplitsing kan worden gemaakt per erkende vakbond? Zo niet, zou het dan geen suggestie kunnen zijn om het op die manier te gaan registreren zodat we weten welke vakbond het meest gebruikmaakt van dit systeem? Kunt u mij zeggen hoeveel voltijds equivalenten er dagelijks ontbreken op de werkvloer door syndicaal verlof op basis van de cijfers van 2016?

 

Heeft de evaluatie van het charter reeds plaatsgevonden? Zo ja, hoe luidt die evaluatie? Zo neen, hoe komt het dat dit nog niet gebeurd is?

 

Acht u voorts bijkomende maatregelen nodig om het syndicaal verlof beter te controleren en eventueel te corrigeren teneinde het oneigenlijk gebruik ervan tegen te gaan gelet op de evaluatie van het charter?

 

Tot slot, deelt u het standpunt van uw partijgenoot en voormalig minister van Justitie De Clerck dat het aantal syndicale verlofdagen wel heel hoog ligt in België? Als we de cijfers vandaag zien stellen we immers vast dat we een verdubbeling hebben ten opzichte van de cijfers die Stefaan De Clerck toen eigenlijk al bijzonder hoog vond en waarvoor hij toen al aan de alarmbel trok.

 

09.02 Minister Koen Geens: Mevrouw De Wit, we zijn het jaar 2016 geëindigd met 12 735 dagen vakbondsverlof. Dat is globaal gezien een daling ten opzichte van 2015 met 13 825 dagen vakbondsverlof, maar het is meer dan in 2014 met 11 093 dagen vakbondsverlof. Men kan niet zeggen dat dit een trend is die zich in elke gevangenis doorzet, want er zijn gevangenissen waar er meer dagen vakbondsverlof werden toegekend in 2016 en in 2015. Een opsplitsing per erkende vakbond kan niet uit het systeem worden gehaald. Op dit moment overweeg ik nog geen aanpassing van het systeem, omdat er andere prioriteiten zijn inzake ICT-toepassingen en –aanpassingen.

 

In het jaar 2016 ontbraken er dagelijks 68,28 fulltime equivalenten op de werkvloer omwille van het opnemen van vakbondsverlof. De evaluatie van het charter dient nog te gebeuren. Een aantal gegevens werd reeds opgevraagd om dit degelijk te kunnen doen. Er werd prioriteit gegeven aan een aantal andere, dringende zaken zoals de uitvoering van het protocol dat we hebben afgesloten op 30 mei vorig jaar.

 

Ik kan pas oordelen over de noodzaak tot een betere controle of correctie na evaluatie van het charter. Dit zijn hoge cijfers, dat is waar, maar ik leef het syndicaal statuut na. Ook in dezen kan ik eigenlijk maar een antwoord geven na evaluatie van het charter.

 

09.03  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp dat die evaluatie moet gebeuren en hoop dat dit spoedig kan, want het is toch wel belangrijk. Ik besef heel goed dat de vakbonden hun verdiensten hebben en nodig zijn, dat is één zaak.

 

Aan de andere kant verlang ik ook, uit eerlijkheid tegenover de collega’s, dat er een correcte opname gebeurt van die syndicale verlofdagen. Het mag niet dat men een vergadering van twee uren heeft en dan de ganse dag wegblijft. Dat klagen uiteraard de niet-gesyndicaliseerde collega’s aan, die dan geen verlofdagen kunnen opnemen.

 

Het zou fijn zijn als die evaluatie binnen afzienbare tijd gebeurde, zodat we kunnen zien wat daarmee kan worden gedaan. Is er geen probleem, des te beter, dan kunnen we voort. Is er wel een probleem, dan kan worden geremedieerd. Ik hoop dat het spoedig gebeurt, zoniet weet u dat u van mij over enige tijd een gelijkaardige vraag kan verwachten.

 

Wij volgen dit zeker op.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n°16701 et 16706 de Mme Sabien Lahaye-Battheu sont reportées. La question n°16640 de M. Emir Kir est reportée.

 

10 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la réglementation de la publicité dans le secteur des jeux de hasard" (n° 16534)

10 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de regelgeving inzake reclame in de sector van de kansspelen" (nr. 16534)

 

10.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous interroge sur la problématique de la publicité dans le secteur des jeux de hasard. Il s’agit à cet égard de trouver un équilibre entre deux enjeux: d’une part, la protection des joueurs contre le risque d’assuétude, et d’autre part la canalisation des joueurs vers l’offre légale et donc encadrée.

 

Plusieurs pistes de réglementation de la publicité dans le secteur des jeux de hasard ont été explorées au cours de ces derniers mois. À votre demande, la commission des jeux de hasard a organisé des réunions avec les acteurs du secteur. Sans l’accord de tous (opérateurs, Loterie nationale, associations de lutte contre l’assuétude au jeu), certains opérateurs de jeux ont pris une initiative d’autorégulation, articulée autour, je cite, "d’une convention pour une publicité et un marketing éthiques et responsables".

 

Face à l’échec de cette tentative de concertation, la commission des jeux de hasard s’est mise à travailler à un cadre réglementaire contraignant, qui devrait être traduit dans un arrêté royal, annoncé pour la fin de l’année 2016. En l’absence de texte, les opérateurs de jeux s’interrogent sur le sort qui leur sera réservé.

 

Quid de l’état des lieux de la réflexion et de la discussion concernant la réglementation de la publicité dans le secteur des jeux de hasard? Où en est la rédaction du projet d’arrêté royal évoqué ci-avant? Pouvez-vous nous en donner à ce stade les orientations principales? Quels sont les éléments de rapprochement ou au contraire de divergence avec la "convention pour une publicité et un marketing éthiques et responsables"? Le texte du projet d'arrêté royal a-t-il fait l’objet d’une concertation avec tous les acteurs du secteur? L’impact de la réglementation de la publicité dans le secteur des jeux de hasard sur la viabilité du secteur et sur la rentabilité de l’offre légale a-t-il été estimé?

 

10.02  Koen Geens, ministre: La Commission des jeux de hasard a été saisie d'un projet d’avis à l’arrêté royal en sa séance du 26 octobre 2016. Ce sujet sera prochainement discuté sur le plan politique. Ladite commission doit encore se prononcer sur la base d'un projet consolidé.

 

Le projet de texte vise à limiter l'offre de publicité d'une manière cohérente et à éviter que les joueurs vulnérables ne soient inutilement sollicités à jouer. Il veille aussi à l'ordre public et au champ d'application de ce qui est perçu comme une publicité ou une promotion.

 

Le Jury d'Éthique publicitaire n'est pas compétent pour le volume et la détermination du moment de passage de la publicité à la télévision. La convention, qui n'a de sens que si le Jury les applique, doit être portée par le secteur dans sa grande majorité. Cette instance n'a pas encore exprimé sa position sur la question de la suffisante représentativité du secteur qui défend la convention.

 

Le projet de texte n'a, jusqu'à présent, pas fait l'objet de discussions avec le secteur. L'objectif est de tendre à une synthèse avant de le consulter. Les effets économiques de la réglementation n'ont pas encore été examinés d'une manière scientifique. Six ministres sont compétents pour la question des jeux de hasard. Outre les incidences économiques, des éléments liés à la sécurité, à la santé publique et à la justice entrent également en ligne de compte dans le processus décisionnel politique.

 

Le président: Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Ceci clôture nos travaux de cet après-midi.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.31 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.31 uur.