Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 22 februari 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 22 février 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.35 heures et présidée par M. Philippe Goffin

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.35 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de werkstraffen" (nr. 16701)

01 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les peines de travail" (n° 16701)

 

01.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, sinds juli 2014 worden degenen die veroordeelden een plaats aanbieden om hun werkstraf uit te voeren, daarvoor vergoed. Er zou – op dat ogenblik was dat toch het tarief – in 50 euro per werkstraf worden voorzien en op die manier zouden openbare diensten, vzw's, musea of bibliotheken toch een beperkte vergoeding ontvangen voor de kosten die zij hebben om veroordeelden tewerk te stellen. Als men veroordeelden tewerkstelt, moet men immers toch een aantal zaken doen, zoals het voorzien van veiligheidskledij eventueel, medische controles en dergelijke. De bedoeling van de kleine vergoeding was ook om meer werkplaatsen te creëren. De vergoeding zou dus een stimulans moeten zijn om meer werkplaatsen te creëren.

 

In uw antwoord van 11 januari 2017 op mijn schriftelijke vraag hierover gaf u mee dat voor de prestaties van 2014 ongeveer 27 000 euro werd uitbetaald en voor 2015 55 354 euro, gesplitst over de verschillende Gewesten.

 

Als wij het cijfer voor 2015 nemen, leert een snelle berekening dat het eigenlijk gaat om een vergoeding voor 1 108 werkstraffen. Laten wij dat eens vergelijken met het aantal uitgesproken werkstraffen. Het laatste cijfer dat ik van u heb gekregen, dateert uit 2012 met 10 000 uitgesproken werkstraffen. Ik heb al enige tijd een schriftelijke vraag hangende om recente cijfers te krijgen over het aantal werkstraffen sinds 2012, dus in 2013, 2014 en 2015, maar ik heb op die vraag, die dateert van 4 april 2016, nog altijd geen antwoord gekregen.

 

Het voorziene budget voor het jaar 2014 om de vergoeding uit te betalen, bedroeg initieel 600 000 euro, maar gelet op het laag percentage prestatieplaatsen dat een schuldvordering indient, werd het voor 2016 op maximaal 100 000 euro geraamd. Voor het werkgebied van de Nederlandstalige justitiehuizen waren er in 2014 2 003 prestatieplaatsen en in 2016 2 004 plaatsen. Voor het werkgebied van de Franstalige justitiehuizen waren er in 2014 2 500 prestatieplaatsen en in 2016 is dat cijfer hetzelfde gebleven. Voor het werkgebied van de Brusselse justitiehuizen waren er in 2014 25 prestatieplaatsen en in 2016 58 plaatsen. Daar was dus wel een stijging gerealiseerd.

 

Ik heb drie vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, kunt u de hierboven vermelde cijfers toelichten? Bedraagt de vergoeding vandaag nog steeds 50 euro? Gezien de discrepantie tussen de vermelde uitbetaalde bedragen aan vergoedingen en het te verwachten totaal aantal werkstraffen, is de incentive van de vergoeding eigenlijk voldoende bekend?

 

Ten tweede, wanneer mag ik een antwoord verwachten op mijn schriftelijke vraag over het aantal werkstraffen uitgesproken sinds 2013?

 

Ten derde, overweegt u andere maatregelen om het aantal prestatieplaatsen op te drijven?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, bij ministerieel besluit van 24 juni 2014 is door mijn voorgangster een forfaitair bedrag van 50 euro bepaald dat binnen de beschikbare kredieten per werkstraf kan worden toegekend per justiciabele die met de prestatieplaats en de justitiehuizen een overeenkomst werkstraf of een overeenkomst dienstverlening heeft gesloten vanaf 1 januari 2014.

 

Voor deze maatregel was geen specifieke noch extra begroting vooropgesteld, dus zijn de kosten ervan aangerekend op het deel van de opbrengst van het Verkeersveiligheidsfonds dat aan Justitie toekomt.

 

In uitvoering van de zesde staatshervorming zijn de bevoegdheden inzake justitiehuizen sinds 1 juli 2014 overgedragen aan de Gemeenschappen. De antwoorden op de schriftelijke vragen inzake werkstraffen die u tot dusver hebt bekomen, zijn gebaseerd op de gegevens waarop de FOD Justitie vooralsnog beschikt sinds de zesde staatshervorming. Voor verdere details moeten de Gemeenschappen worden bevraagd waartoe de justitiehuizen behoren sinds 1 juli 2014.

 

De evaluatie van het aanbod van mogelijke werkstraffen en van andere begeleidende maatregelen, de opvolging ervan en de werking van de justitiehuizen gebeuren in het kader van een specifiek daartoe opgerichte Interministeriële Conferentie Justitiehuizen, samen met de Gemeenschappen.

 

Om tegemoet te komen aan de bekommernissen van de lokale actoren zijn op vraag van de Gemeenschappen eind vorig jaar in de wet van 20 december 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken de beginselen aangepast die het mogelijk moeten maken de betalingsvoorwaarde beter te doen aansluiten bij het aanbod dat elke Gemeenschap wenst te verbeteren.

 

Zowel het toepassingsgebied ratione personae, wat betoelaagbare instellingen betreft, als ratione materiae, wat betreft de in aanmerking te nemen kosten, is aangepast.

 

Om dit verder te concretiseren, worden op dit ogenblik samen met de Gemeenschappen uitvoeringsbesluiten voorbereid die op een eerstvolgende interministeriële conferentie zullen worden besproken.

 

01.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik onthoud dat het sinds de staatshervorming ingewikkelder geworden is en dat ik op mijn duidelijke vragen ook vandaag geen antwoord kan krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de gevolgen van de besparingen binnen Justitie" (nr. 16706)

02 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les conséquences des mesures d'économie au sein de la Justice" (n° 16706)

 

02.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik herinner me nog heel goed de hervorming van de gerechtelijke arrondisse­menten in 2014. Bij die hervorming werd het aantal arrondissementen verlaagd van 27 naar 12. Er kwamen arrondissementen op provinciaal niveau. Naar aanleiding van die hervorming werd duidelijk gesteld dat de organisatiestructuur grondig gewijzigd zou worden, maar dat de bestaande zittingplaatsen behouden zouden blijven in het belang van de nabijheid van de rechtsbedeling. Ik citeer uit de website van de FOD Justitie: “De rechtzoekende zal steeds blijvend terechtkunnen op de vertrouwde adressen in de nabije omgeving".

 

Enkele jaren na de hervorming merken we echter dat die belofte alsmaar vaker onder druk komt te staan. Daarom wil ik daarover meer duidelijkheid krijgen.

 

Ik geef het voorbeeld van de arbeidsrechtbanken in de provincies West- en Oost-Vlaanderen. Er wordt gezegd dat het directiecomité op korte termijn wil komen tot twee arbeidsrechtbanken per provincie. Dat zouden de afdelingen Kortrijk en Brugge zijn voor West-Vlaanderen en de afdelingen Gent en Dendermonde voor Oost-Vlaanderen. Voor West-Vlaanderen zou dat betekenen dat in een eerste fase de afdelingen Veurne en Roeselare, die nu al twee dagen per week gesloten zijn, zouden opgaan in die van Ieper en Kortrijk. In een tweede fase zou de afdeling Ieper dan opgaan in Kortrijk. Er zouden dus nog slechts twee arbeidsrechtbanken overblijven in de provincie. Voor Oost-Vlaanderen betekent het dat in een eerste fase de afdelingen Aalst en Sint-Niklaas zouden opgaan in die van Dendermonde, en in een tweede fase de afdeling Oudenaarde zou opgaan in die van Gent.

 

Men geeft als verklaring dat het wegens een personeelstekort onmogelijk is om de griffies te bemannen en de afdelingen open te houden.

 

Het gerucht gaat dat, aangezien de rechters en griffiers die met pensioen gaan, promoveren of overlijden, niet meer automatisch vervangen worden, de zittingsplaatsen niet zullen kunnen worden behouden en men gebouwen zal moeten sluiten. Natuurlijk is er hierover enige ongerustheid. Mijnheer de minister, ik hoop dat u de rust kunt terugbrengen.

 

Bent u op de hoogte van de noodkreet? Hebt u dergelijke signalen ontvangen? Wat is er van aan?

 

Wat is uw reactie op de ongerustheid over de zittingsplaatsen? Zult u de eerstvolgende maanden gebouwen moeten sluiten?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, er gaan geruchten over eventuele sluitingen van deze of gene afdeling bij de arbeidsrechtbank van Gent. Tot op heden ben ik echter niet formeel in kennis gesteld van een beslissing of een verzoek van het directiecomité om een of meer afdelingen in Gent te sluiten. Ik begrijp dat de betrokken voorzitter de rechtbank zo efficiënt mogelijk met de toegekende middelen probeert te organiseren om de rechtzoekende ten dienste te staan. De arbeidsrechtbank van het ressort Gent telt tien afdelingen verspreid over Oost- en West-Vlaanderen tegenover vijf voor de arbeidsrechtbank van Antwerpen, die Antwerpen en Limburg omvat. Voor alle duidelijkheid, het directiecomité noch een rechtbankvoorzitter is bevoegd om afdelingen te sluiten. Zij kunnen niet tot de sluiting van een rechtbank overgaan.

 

Binnen de budgettaire ruimte worden er met vaste regelmaat vacatures gepubliceerd. Afgelopen maandag werden er verscheidene vacante plaatsen voor magistraten gepubliceerd. Binnenkort volgt een publicatie met circa 150 vacatures voor gerechtspersoneel. Voor de arbeidsrechtbank van Gent worden vier vacatures voorgesteld. Die vacatures worden gebundeld in vacatureplannen. Soms moet er immers gewacht worden op de resultaten van algemene Selor-examens, opdat er voldoende kandidaten zouden zijn die kunnen postuleren voor die vacatures. Bovendien vragen de selecties tijd en investeringen vanwege de rechtbank­verantwoordelijken. Ook voor hen proberen we dat zo efficiënt mogelijk te organiseren.

 

De vacatureplannen worden steeds overlegd met de colleges. Daarbij kunnen de colleges desgevallend aanpassingen voorstellen. Voor het huidige vacatureplan voor het gerechtspersoneel zouden de colleges vandaag hun feedback geven.

 

02.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Het klopt, mijnheer de minister, dat een directiecomité niet kan beslissen over een sluiting. De sleutel daarvoor ligt hier in ons huis. Ik hoop dan ook dat de belofte die werd gedaan naar aanleiding van de hervorming van de gerechtelijke arrondissement, meer bepaald dat zittingplaatsen niet zullen worden gesloten, zal worden nagekomen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. David Clarinval au ministre de la Justice sur "le dépôt des actes de sociétés via le tribunal de commerce de Dinant" (n° 16719)

03 Vraag van de heer David Clarinval aan de minister van Justitie over "het neerleggen van vennootschapsakten via de rechtbank van koophandel van Dinant" (nr. 16719)

 

03.01  David Clarinval (MR): Monsieur le ministre, je souhaiterais attirer votre attention sur plusieurs problèmes existant actuellement au sein du tribunal de commerce de Dinant. Depuis quelque temps et en raison, entre autres, d'un manque de personnel et de la défaillance du système informatique, le dépôt des actes de sociétés ne peut plus se faire directement au greffe du tribunal de commerce de Dinant. Le service aurait d'ailleurs été supprimé.

 

Les documents peuvent toujours être déposés à Dinant mais ils sont ensuite transférés à Namur où ils sont traités. Toutefois, en raison d'un manque de personnel au sein des services de Namur, seules les urgences seraient réellement traitées. Ce système est source de perte de temps. Le personnel de Dinant est chargé de transférer les actes déposés à Namur. Ce système augmente également le risque de perte de documents et représente un frein pour les personnes morales désireuses de se maintenir en ordre administrativement. Monsieur le ministre, allez-vous prendre des mesures pour remédier à ce problème important?

 

Par ailleurs, je souhaiterais vous suggérer une idée intéressante à examiner dans le cadre de la réorganisation en cours. Serait-il possible d'envisager un transfert des services dévolus aux personnes morales vers le SPF Économie qui gère déjà la Banque-Carrefour des Entreprises? En 2003, lors de la mise en place de celle-ci, cette idée avait été émise mais n'a pas été concrétisée. Aujourd'hui, une étude de faisabilité avec les gens qui, sur le terrain, sont confrontés aux aléas de l'organisation disparate des services évoqués, pourrait s'avérer nécessaire. Monsieur le ministre, que pensez-vous de cette idée? Allez-vous l'étudier avec votre collègue de l'Économie?

 

Je vous remercie d'avance pour les réponses que vous allez m'apporter.

 

03.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Clarinval, vous signalez les raisons pour lesquelles des actes de sociétés ne pourraient plus être déposés au greffe du tribunal de commerce de Dinant, parmi lesquelles des problèmes d'informatique. Suite à votre question, j'ai fait vérifier si l'application rencontrait un problème technique. Le greffe de Dinant m'a confirmé qu'il n'y en avait pas.

 

Une autre raison que vous invoquez est un problème de personnel. L'organisation et la répartition du personnel appartiennent au président du tribunal et au greffier en chef. Je pars du principe qu'ils organisent leur tribunal et leur greffe de la meilleure manière possible. En tant que ministre, je ne peux m'immiscer dans ces questions.

 

Il est exact qu'en 2003 une modernisation de l'ensemble du flux de dépôts des actes de sociétés a été lancée. Cette numérisation en constitue un aspect important. Le dépôt des actes de constitution établis par des notaires et leur enregistrement dans la BCE se font de manière totalement électronique depuis quelques années. Presque 100 % des actes de constitution sont déposés de manière électronique mais il est exact qu'après l'achèvement de ce volet, le projet s'est complètement arrêté.

 

Dans les premiers mois de cette législature, j'ai pris l'initiative de numériser l'ensemble du service Actes de sociétés et donc, d'aller plus loin que le projet initial. Je l'ai indiqué dans le Plan Justice et dans mon exposé en matière d'ICT au sein de cette commission. J'en ai également informé les présidents des tribunaux de commerce. Le projet porte le nom de BCE+.

 

De nombreux partenaires y sont impliqués: le SPF Économie; l'Agence pour la simplification administrative; le SPF Budget; les services du collègue Borsus, chargés des Classes moyennes et des Indépendants, mais aussi responsables pour les guichets d'entreprise; ainsi que le ministre De Croo, responsable pour l'Agenda numérique.

 

Exposer l'ensemble du projet en réponse à une question orale m'emmènerait beaucoup trop loin.

 

La première réalisation suivante, importante et sensible, dans nos greffes est prévue pour la fin de cette année ou le début de l'année prochaine. Les changements apportés aux actes des sociétés se dérouleront alors également de manière totalement numérique.

 

Je tiens à vous faire observer que le nombre de modifications est un multiple du nombre de constitutions et que nous accomplirons ainsi une avancée majeure.

 

03.03  David Clarinval (MR): Monsieur le ministre, ma réponse sera double.

 

Tout d'abord, en ce qui concerne la deuxième question, je me réjouis d'entendre que vous avancez bien dans votre projet et que vous allez même au-delà de l'idée initiale. Je vous encourage donc à poursuivre dans cette direction.

 

En revanche, s'agissant de ma première question, il n'y a plus moyen de déposer les actes à Dinant. Des navettes sont devenues nécessaires pour les transférer à Namur, où ils sont censés être enregistrés, mais le manque de temps complique cette procédure. Le problème n'est pas d'ordre informatique. Il est devenu impossible d'enregistrer les actes à Dinant. C'est donc un véritable recul. J'imagine que lorsque le projet numérique entrera en exécution, ces problèmes seront résolus. J'imagine que le transfert des actes vers Namur sera alors supprimé.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de aanwervingsprocedure voor cipiers" (nr. 16708)

- de heer Philippe Blanchart aan de minister van Justitie over "de nieuwe aanwervingsprocedure voor cipiers" (nr. 16854)

04 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la procédure de recrutement des gardiens de prison" (n° 16708)

- M. Philippe Blanchart au ministre de la Justice sur "la nouvelle procédure de recrutement des gardiens de prison" (n° 16854)

 

04.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, wie cipier wil worden, moet zich eerst en vooral registreren op de website van Selor. Men laat er zijn cv achter, waarop men in een databank terechtkomt. Eén of twee keer per jaar wordt men uitgenodigd om aan selectieproeven deel te nemen.

 

Tussen augustus en december 2016 werden er, per uitzondering, negen sollicitatiesessies georganiseerd. Meer dan 10 000 geïnte­resseerden uit de databank werden uitgenodigd om deel te nemen aan de testen. Slechts 12 %, 1 346 personen, kwam werkelijk opdagen voor de testen. Daarvan slaagden er 646. Van die groep daagden er slechts 328 op voor de medische controle. Uiteindelijk bleken 278 kandidaten geschikt. Vorig jaar konden 169 mannen of vrouwen beginnen als cipier in een van onze gevangenissen. Men startte dus met een groep van 10 000, waarvan er uiteindelijk 169 effectief geëngageerd werden als cipier.

 

Kloppen de door mij geciteerde cijfers?

 

Dat slechts 12 % van de wervingsreserve kwam opdagen, doet twijfels rijzen over de aanwervingsprocedure voor cipiers en, in de eerste plaats, over de databank die wordt aangelegd. Wordt die databank op een of andere manier up-to-date gehouden? Zo ja, hoe?

 

Moet er volgens u gesleuteld worden aan de aanwervingsprocedure voor cipiers? Zo ja, in welke zin?

 

Wat is de situatie vandaag? Hoeveel openstaande vacatures voor cipiers zijn er in onze gevangenissen?

 

Wie neemt de beslissing om een selectieproef voor cipiers te organiseren en wie legt de timing vast? Op basis van welke gronden wordt die beslissing genomen? Wie beslist om een aanwervingsstop te houden?

 

04.02  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le ministre, à la suite du protocole d'accord signé en mai, à l'issue des grèves dans les prisons, la nouvelle procédure de recrutement des gardiens de prison a été lancée en ce mois de février. La nouvelle méthode de sélection semblerait être le screening standard du Selor, qui évalue les compétences des futurs gardiens de prison. Dans un premier temps, les candidats passent des tests informatisés pour être ensuite confrontés à la réalité de la fonction dans le milieu carcéral.

 

Comme vient de l'évoquer ma collègue avant moi, les résultats, ou en tout cas le nombre de lauréats, semblent ne pas être suffisants pour répondre à la demande, et donc au protocole d'accord signé.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous m'en dire plus sur la situation? Envisagez-vous éventuellement de relancer une procédure, étant donné qu'il ne semble pas y avoir, vu le nombre de candidats, d'adéquation entre les critères de sélection et ce que l'on attend? Envisagez-vous de changer la procédure?

 

04.03 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, mijnheer Blanchart, de cijfers die u citeerde uit de krant, zijn de cijfers die mijn perscel heeft gecommuniceerd aan de pers op 7 december 2016. Tegen het einde van 2016 zijn er nog een aantal laureaten extra medisch gekeurd geweest, namelijk 378 in totaal. Van die groep zijn er 322 geschikt verklaard om te starten als penitentiair bewakingsagent, 18 definitief ongeschikt en 38 tijdelijk ongeschikt bevonden, maar die laatsten kunnen op termijn ook geschikt worden bevonden.

 

Op het einde van het jaar waren er 191 hun stage begonnen als penitentiair bewakingsagent, van wie 42 ex-contractuelen. Voorts hebben 41 geslaagden afgehaakt en niet meer de stage begonnen en zijn er ook 7 stagiairs uitgevallen tijdens de startperiode van hun stage. Tegelijk zijn er ook nog 42 stagiairs gestart in andere graden.

 

Al die mensen komen uit de inschrijvingslijst die bestond bij Selor en waar een kleine 20 000 personen op stonden. Volgens de geldende regelgeving dienen de personen die zich het eerst hebben ingeschreven, eerst te kunnen deelnemen aan de selectietest. Dat verklaart dan ook dat van de groep die het eerst werd uitgenodigd, er zo weinig effectief hebben deelgenomen. Zij waren vaak niet meer geïnteresseerd.

 

Op het eind van vorig jaar was voor sommige regio’s de lijst volledig geraadpleegd en was het noodzakelijk om gedurende twee weken de inschrijvingen opnieuw mogelijk te maken. Voor die selecties was het deelnamepercentage dan ook veel hoger. Kort daarna heeft Selor een nieuwe selectieronde gelanceerd, waarbij nieuwe testen worden gebruikt en waarbij opnieuw in een interview is voorzien op het einde van de procedure. Om ervoor te zorgen dat er een continuïteit is in de aanwervingen diende de vorige methode dus nog kort te worden gebruikt.

 

Op vandaag zijn er langs Nederlandstalige kant nog 262 plaatsen in te vullen en langs Franstalige kant nog 168 plaatsen.

 

De beslissing om selecties te organiseren, ligt bij de FOD Justitie zelf. De timing wordt in samenspraak met Selor vastgelegd.

 

Er wordt op basis van de te voorziene behoeftes beslist selecties te organiseren. Het feit dat nu een inhaalbeweging wordt gemaakt, heeft te maken met de weerslag van een algemene wervingsstop, die op een departement als Justitie door zijn grote turn-over een grotere invloed heeft. In het DG EPI gaat het namelijk over gemiddeld meer dan 400 vertrekkers per jaar.

 

Les nouvelles méthodes de sélection des assistants de surveillance pénitentiaire sont celles qu'utilisent le Selor pour toutes les sélections pour un emploi à l'administration fédérale. Concrètement, cela suppose trois étapes.

 

Premièrement, il s'agit des tests génériques informatisés. Plusieurs possibilités sont offertes. Les candidats qui ne disposent pas d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur doivent d'abord passer les tests visant à mesurer les compétences de base et les compétences cognitives équivalentes à un diplôme de niveau C. En cas de réussite, ils peuvent alors participer aux tests du screening générique. Ceux qui en disposent peuvent les passer directement. Ceux qui sont déjà fonctionnaires fédéraux statutaires de niveau C en sont dispensés.

 

La deuxième étape est le test informatisé spécifique. Ce module mesure les exigences propres à la fonction et se présente sous la forme de tests informatisés spécifiques basés sur la réalité de la fonction dans un contexte carcéral: tests d'observation ou vidéo sur mesure dans le contexte d'un assistant de surveillance pénitentiaire, tests de jugement situationnel pour évaluer la capacité à résoudre les problèmes, faire preuve de respect et de fiabilité.

 

La troisième étape consiste en une épreuve écrite, suivie d'un entretien. Ici, les compétences testées sont la motivation et l'image de la fonction, son contexte, la gestion du stress, le travail en équipe, la communication orale et écrite. Le jury de cet entretien est composé d'un président, qui est un directeur de prison, d'un attaché P&O, de deux assesseurs, qui sont des agents dirigeants du cadre de la surveillance technique. Les candidats seront classés suivant les points obtenus à l'issue de la sélection.

 

La nouvelle méthode de sélection se fonde sur un nouveau modèle de compétences, dont les critères clefs sont les suivants: atteindre les objectifs, travailler en équipe, s'auto-développer, faire preuve de fiabilité et agir de manière orientée service.

 

04.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

04.05  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le ministre, merci pour toutes ces précisions. Cette description exhaustive de la définition des compétences semble tout à fait adaptée.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. David Clarinval au ministre de la Justice sur "le Registre Central de la Solvabilité" (n° 16720)

05 Vraag van de heer David Clarinval aan de minister van Justitie over "het Centraal Register Solvabiliteit" (nr. 16720)

 

05.01  David Clarinval (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, la loi du 1er décembre 2016 modifiant le Code judiciaire et la loi du 8 août 1997 sur les faillites en vue d'introduire le Registre Central de la Solvabilité, a été publiée au Moniteur belge le 11 janvier 2017. Le grand nombre de dossiers de faillite – 10 605 en 2015 – implique une charge de travail élevée pour les tribunaux. À cet effet, vous avez proposé que les dossiers de faillite soient entièrement traités par voie électronique. Pour y parvenir, un Registre Central de la Solvabilité a été créé par le biais de la loi précitée.

 

Selon mes sources, les effets de cette loi tarderaient à se concrétiser au sein des instances concernées. Il semblerait que le système soit provisoirement inopérant et que les employés, des greffes des tribunaux de commerce notamment, n'aient pas bénéficié de formations ni d'informations suffisamment concrètes à cet égard.

 

Monsieur le ministre, en avril prochain, il est attendu que le système soit opérant. Confirmez-vous les faits que je vous rapporte? Si oui, quelles démarches comptez-vous mettre en œuvre pour donner son opérativité au dispositif, qui était particulièrement bienvenu en l'occurrence?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Clarinval, lors de la dernière réunion du comité de pilotage, le gestionnaire du Registre Central de la Solvabilité nous a confirmé qu'il disposait de la capacité nécessaire pour résoudre les difficultés organisationnelles restantes. En ce qui concerne la formation du personnel, je puis vous communiquer que l'Institut de Formation Judiciaire a déjà dûment informé les greffiers, les magistrats et les juges en matière commerciale en décembre de l'an dernier. Lors de la réunion du groupe de pilotage, il a été décidé que la capacité nécessaire serait prévue pour le helpdesk, que des outils de formation supplémentaires – comme, par exemple, des vidéos d'instructions – seraient mis à disposition et que les greffes s'assisteraient mutuellement dans ce passage au travail numérique.

 

En ce qui concerne le fonctionnement du système, la première version de la plate-forme est déjà opérationnelle.

 

05.03  David Clarinval (MR): Monsieur le président, je remercie M. le ministre d'avoir fait le point sur l'évolution du dossier. Je ne doute pas que les efforts qu'ils a entrepris porteront leurs fruits très prochainement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van de wet van 28 april 2015 betreffende de rol- en griffierechten" (nr. 16740)

06 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'annulation par la Cour constitutionnelle de la loi du 28 avril 2015 relative aux droits de mise au rôle et aux droits de greffe" (n° 16740)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, het Grondwettelijk Hof heeft de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28 april 2015 vernietigd omdat ze het gelijkheidsbeginsel schenden, in die zin dat de rol- en griffierechten verschillen in hoogte al naargelang de waarde van het geding.

 

Opmerkelijk is dat het Hof zich daarmee aansluit bij een opmerking van de Raad van State waarmee geen rekening werd gehouden. Het advies van de Raad van State luidde: "Evenmin kan de verantwoording voor die onderscheiden worden gevonden in de eveneens in de toelichting vermelde eerlijke verhouding tot de vermoede inspanning voor Justitie.

 

De werklast die de behandeling van een zaak met zich meebrengt en de moeilijkheidsgraad van een zaak hangen immers niet af van de financiële waardering van de eis.

 

De in het ontworpen artikel 269, ten eerste, ten tweede en ten derde, van het Registratiewetboek vervatte regeling doorstaat derhalve ook niet de toets van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie."

 

Volgens mij heeft het Grondwettelijk Hof zich helaas tot die vaststelling beperkt en zich niet uitgesproken over de vraag of de maatregel van dien aard is dat de toegang tot de rechter erdoor wordt belemmerd, inzonderheid ten aanzien van rechtzoekenden met beperkte financiële middelen, ermee rekening houdend dat de bestreden maatregelen bijkomend zijn ten aanzien van andere recente maatregelen vermeld in B.9, die de financiële drempels voor de toegang tot Justitie verhogen.

 

Om de mogelijke problemen inzake de rol- en griffierechten op te vangen, behoudt het Grondwettelijk Hof die rechten wel tot een wijziging door de wetgever en dat uiterlijk tot 31 augustus 2017.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vraag. Welke initiatieven zult u naar aanleiding van deze uitspraak nemen?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, het Grondwettelijk Hof heeft inderdaad in zijn arrest 13/2017 van 9 februari 2017 de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen vernietigd.

 

Hetzelfde arrest handhaaft evenwel tot het optreden van de wetgever uiterlijk tot 31 augustus 2017 de gevolgen van de vernietigde bepalingen ten aanzien van de vorderingen die bij een rechtscollege zijn ingesteld tot die datum.

 

In dit arrest stelt het Grondwettelijk Hof vast dat het criterium van de waarde van de vordering niet pertinent is om de doelstelling te verwezenlijken die de wetgever op het oog heeft in het kader van de hervorming, met name de rolrechten in verhouding brengen met de werkingskosten van de rechtspraak.

 

In samenwerking met mijn administratie en de FOD Financiën heb ik een overleg opgestart over de wijze van hervorming van de griffierechten, rekening houdend met de vervaldatum van 31 augustus 2017 en met de doelstellingen die de hervorming op het oog heeft.

 

Het schijnt mij inderdaad belangrijk dat het voorgestelde mechanisme de toegang tot een rechter waarborgt en tevens rekening houdt met het belang van de betwisting.

 

Beide administraties zijn momenteel het arrest aan het analyseren en stellen me binnenkort een oplossing voor. Ik dank u.

 

06.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vermoed dat “binnenkort” hier verwijst naar vóór de datum van 31 augustus.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice sur "la relocalisation de la justice de paix du canton Saint-Josse-ten-Noode" (n° 16640)

07 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie over "de verhuizing van het vredegerecht van het kanton Sint-Joost-ten-Node" (nr. 16640)

 

07.01  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, en juillet dernier, j'ai attiré l'attention de votre collègue, M. Jambon, en charge de la Régie des Bâtiments, sur la mise à disposition de nouveaux locaux pour la justice de paix du canton de Saint-Josse-ten-Noode, et I'agenda de sa relocalisation.

 

Il m'a alors répondu ceci: "Fin 2015, début 2016, une nouvelle prospection du marché locatif a été entamée. Cette prospection du marché locatif a généré une shortlist de trois bâtiments. Les négociations avec les propriétaires sont en cours de sorte qu'aucune future adresse ne peut être communiquée. Un des immeubles jouit de la préférence et l'on espère achever prochainement les négociations. Dès que les négociations aboutissent à un projet de contrat de location, cette nouvelle prise en location devra encore être soumise à l'approbation du Conseil des ministres". Ensuite, la Régie des Bâtiments, dans un courrier daté du 29 novembre 2016, indiquait son souhait de prévoir le déménagement de la justice de paix pour le début du mois de juin 2017 au sein du bien immeuble sis au 27, avenue de l'Astronomie.

 

Je tiens aussi à vous rappeler que le souhait de la commune de Saint-Josse, propriétaire des lieux, est de permettre à la justice de paix de travailler dans des locaux salubres et adaptés. C'est pourquoi nous avons fait des efforts considérables en délocalisant certains bureaux, malgré les frais occasionnés. Pour rappel, la commune ne perçoit aucun loyer ni la moindre indemnité pour l'occupation dudit bâtiment par le service de la justice de paix, et ce contrairement à d'autres communes. En outre, en sus de représenter une menace quant au maintien de la salubrité publique, ce bâtiment représente également un danger pour la santé et le bien-être de l'ensemble des personnes devant s'y rendre, ainsi que des travailleurs.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous confirmer cette information? Ou en avez-vous d'autres à ce sujet? Où en sont les négociations avec les propriétaires du nouvel hébergement? Un contrat de location a-t-il été signé? Dans l'affirmative, quel est le timing pour le déménagement? Dans le cas contraire, dans quel délai comptez-vous l'effectuer? Quels seraient les budgets mis à disposition de ce projet?

 

07.02  Koen Geens, ministre: L'hébergement actuel de la justice de paix de Saint-Josse-ten-Noode est inacceptable, tout le monde s'accorde à le dire. C'est aussi pour cette raison que j'insiste depuis longtemps auprès de la Régie des Bâtiments pour qu'elle prévoie un hébergement adapté. Une concertation mensuelle a lieu entre la Justice et la Régie lors de laquelle l'urgence de ce dossier est chaque fois rappelée. Ainsi, lors de la dernière réunion, ma cellule stratégique a appris que le dossier serait incessamment soumis à l'Inspection des finances.

 

Pour toutes les questions relatives aux négociations (contrat de bail, montant, etc.), je vous invite à vous adresser à mon collègue Jambon en charge de la Régie des Bâtiments. Je tiens encore à préciser que, dans le passé, ce sont les communes qui étaient compétentes pour l'hébergement des justices de paix.

 

Elles pouvaient toutefois obtenir une indemnité d'occupation si elles en faisaient la demande. En pratique, la commune établissait des factures au SPF Justice qui les réglait. Depuis 2014, cette obligation a pris fin et c'est l'État fédéral qui est responsable, par l'entremise de la Régie des Bâtiments en l’espèce. Il convient donc de vous adresser également à mon collègue M. Jambon pour les questions concernant cet élément.

 

07.03  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, j'aurais voulu savoir si vous déteniez une information allant dans le bon sens. Avez-vous eu vent de cette information qui nous est venue par l'intermédiaire de la Régie des Bâtiments, le 29 novembre dernier? Avez-vous reçu davantage d'éléments?

 

07.04  Koen Geens, ministre: Hors rapport, je ne commente pas sur des vents que j'aurais reçus. Il faut demander à M. Jambon.

 

07.05  Emir Kir (PS): Nous recevons, au niveau communal, un courrier de la Régie des Bâtiments expliquant que le 29 novembre, le bâtiment situé 27 avenue de l'Astronomie pourrait convenir pour le déménagement et le nouvel hébergement. Et vous, vous ne recevez aucun courrier au niveau de votre département? Je poserai les questions à M. Jambon. Dont acte.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Questions jointes de

- M. Denis Ducarme au ministre de la Justice sur "l'application Weeder" (n° 16746)

- Mme Nawal Ben Hamou au ministre de la Justice sur "l'application Weeder" (n° 16837)

08 Samengevoegde vragen van

- de heer Denis Ducarme aan de minister van Justitie over "de app Weeder" (nr. 16746)

- mevrouw Nawal Ben Hamou aan de minister van Justitie over "de app Weeder" (nr. 16837)

 

Le président: Monsieur Ducarme ne sera pas présent.

 

08.01  Nawal Ben Hamou (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, une nouvelle application nommée "Weeder" a été créée au mois de janvier à Bruxelles. Les créateurs de l'application décrivent celle-ci comme une application d'entraide entre fumeurs de cannabis. Ces pourvoyeurs de "dépannages" sont situés sur une carte interactive de Bruxelles en temps réel. L'anonymat est garanti à chaque utilisateur. L'application existerait également en France. Le parquet de Bruxelles a averti les concepteurs du site, hébergé en France, qu'ils pourraient aussi faire l'objet de poursuites.

 

J'aimerais dès lors, monsieur le ministre, vous poser les questions suivantes. Quel est votre regard sur cette application? Des contrôles ciblant cette application vont-ils être mis en place? Une concertation est-elle en cours avec les autorités françaises?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Madame Ben Hamou, une telle application me paraît illégale dans la mesure où elle semble clairement faciliter l'usage de produits stupéfiants. Les créateurs, les exploitants et les utilisateurs actifs de l'application pourront faire l'objet de poursuites sur la qualification de faciliter à autrui l'usage de stupéfiants, éventuellement avec la circonstance aggravante d'association. Ils pourront éventuellement être également poursuivis pour complicité de détention, acquisition, vente. Les utilisateurs passifs ne verront en principe pas leur situation pénale modifiée par l'utilisation de l'application. Ils restent punissables du chef d'acquisition, détention, le cas échéant, de l'usage personnel. Toutefois, l'utilisation seule de l'application sans preuve d'une transaction aboutie mais avec la preuve qu'il s'agissait des intentions de l'utilisateur peut être punissable au titre d'acte préparatoire.

 

Je peux également vous confirmer que le parquet de Bruxelles, qui a déjà émis un communiqué pour déclarer étudier les diverses options de poursuite possibles, a ouvert une information pénale.

 

En ce qui concerne l'éventuelle concertation avec les autorités françaises, ces éléments relèvent du secret de l'information.

 

08.03  Nawal Ben Hamou (PS): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour ses réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Koen Metsu aan de minister van Justitie over "de nood aan een verbeterde procedure tot herziening van strafrechtelijke veroordelingen" (nr. 16761)

09 Question de M. Koen Metsu au ministre de la Justice sur "la nécessité d'une procédure améliorée de révision des condamnations pénales" (n° 16761)

 

09.01  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de minister, rechtspreken is en blijft mensenwerk. Rechters zijn ook maar mensen, die zich kunnen vergissen wanneer zij oordelen over de schuld of onschuld van iemand die terechtstaat voor een misdrijf. Nochtans zijn er in ons land nagenoeg geen gevallen bekend van gerechtelijke dwalingen waarbij onschuldige mensen definitief veroordeeld werden voor een misdrijf dat zij niet begaan hebben.

 

Het tegendeel is het geval in het buitenland. Niet alleen in Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, maar ook in de meeste andere Europese landen, zijn verschillende rechtszaken aan het licht gekomen waarbij personen vaak jarenlang in de gevangenis hebben gezeten na een definitieve veroordeling door de rechterlijke macht, terwijl nadien blijkt dat de veroordeelden onschuldig waren.

 

De huidige procedure in België om een rechtszaak te herzien, zou wel eens ten grondslag kunnen liggen van de schijnbaar perfecte rechtspraak in ons land. Om een herziening van een veroordeling te kunnen vragen, zijn er immers heel wat grendels ingebouwd in het Wetboek van strafvordering, met name artikel 443 en volgende. Zo moet bij een herzieningsverzoek ook een gunstig advies gevoegd worden van drie advocaten bij het Hof van Cassatie of van drie advocaten bij een hof van beroep, die tien jaar ingeschreven zijn aan de balie. Dat lijkt een overbodige en dure vereiste die enkel kapitaalkrachtige verzoekers toelaat om een dergelijk verzoek in te dienen en die de toegang tot het recht op die procedure onnodig belemmert. De interventie van een advocaat bij het Hof van Cassatie die het verzoek indient, zou moeten volstaan.

 

Daarenboven, indien het verzoek tot herziening steunt op een nieuw feit of op een omstandigheid die de betrokkene tijdens de rechtszaak nog niet kon aantonen, wordt de zaak naar een hof van beroep verwezen voor bindend advies, volgens artikel 445 van het Wetboek van strafvordering. Dat kan dus ook het hof van beroep zijn waarvan een kamer uitspraak heeft gedaan over de veroordeling zelf. Dat komt de geloofwaardigheid van de procedure uiteraard niet ten goede. Het onderzoek door een buitengerechtelijke instantie lijkt hier meer aan te bevelen. In het buitenland bestaan er ook gespecialiseerde commissies die betrokken worden bij het onderzoek naar mogelijke gerechtelijke dwalingen. In Engeland bestaat een Criminal Cases Review Commission; in Nederland is er de Adviescommissie Afgesloten Strafzaken, maar niets van dat alles momenteel in België.

 

Die problematiek is ook al een tijdje bekend. De Nederlandstalige Advies- en Onderzoeks­commissie van de Hoge Raad voor de Justitie schreef in dat verband al op 16 december 2013 een brief aan de toenmalige minister van Justitie waarin zij wetgevende initiatieven ter verbetering van de huidige procedure inzake herziening aanbeval en waarin zij daartoe uitdrukkelijk verwees naar de wetgeving in Nederland en het wetsvoorstel.

 

Met uitvoering van het regeerakkoord stelt u in uw justitieplan dat u de problematiek van de herziening van strafzaken zal aanpakken. Op 10 juni 2015 hebt u als minister van Justitie advies gevraagd aan de Hoge Raad voor de Justitie over de verbetering van de herzieningsprocedure in strafzaken. Op 22 juni 2016 heeft de Hoge Raad voor de Justitie dan zijn advies verleend.

 

Mijnheer de minister, hoeveel aanvragen tot herziening van een strafzaak werden er de voorbije tien jaar ingediend bij het Hof van Cassatie?

 

Ten tweede, hoeveel van die aanvragen werden er gegrond geacht en hebben tot een verbreking van het oorspronkelijke vonnis of arrest geleid?

 

Ten derde, wanneer mag de Kamer het wetsontwerp ontvangen dat de nodige aanpassingen aanbrengt om ook in België werkelijke strafzaken te kunnen herzien?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Metsu, de herziening in strafzaken is een uitzonderlijke procedure, die volgens onze huidige wetgeving slechts beperkt kan worden toegepast. Het is niet de bedoeling om een derde aanleg te creëren in de rechtsgang, maar slechts om rechtsherstel mogelijk te maken in zaken waarin onomstotelijk kan worden aangetoond dat er bij de beslissing van de rechter ten gronde een fout is gebeurd.

 

Tot heden is de herziening beperkt tot drie gronden, met name een onverenigbaarheid tussen veroordelingen wegens een zelfde feit, de veroordeling van een getuige à charge wegens het afleggen van een valse getuigenis in de te herziene zaak en/of een nieuw feit dat op het ogenblik van de veroordeling niet bekend was aan de rechters en waaruit de onschuld of de toepassing van een minder strenge strafwet schijnt te volgen. Kritiek op de beoordeling van de feiten door de volledig geïnformeerde rechter valt niet onder het begrip van nieuw feitelijk gegeven.

 

Uit eerder opgevraagde cijfers blijken er bij het Hof van Cassatie in de jaren 2000 tot 14 juli 2015 in totaal 50 herzieningsaanvragen te zijn behandeld, waarvan 15 tot een herzienings­beslissing en 10 tot een effectieve vernietiging van het vonnis of arrest hebben geleid.

 

In het verleden werd er in de rechtsleer en naar aanleiding van concrete gevallen kritiek geformuleerd op de procedure voor het onderzoek van de nieuwe elementen, in het bijzonder wat het bindend advies van een hof van beroep aan het Hof van Cassatie betreft.

 

Met navolging van vroegere adviezen onder meer van de Hoge Raad voor de Justitie en de rechtsleer heb ik inmiddels een voorontwerp van wet opgesteld dat de procedure op een aantal punten zal verbeteren en objectiveren. De tekst voorziet grosso modo in drie nieuwigheden die de onafhankelijke beoordeling nog meer benadrukken. Het Hof van Cassatie zelf zal via de procureur-generaal van het Hof van Cassatie vragen dat er bijkomend onderzoek gebeurt. Er kan een onafhankelijk en niet-bindend advies worden gevraagd door het Hof van Cassatie. Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat er sprake is van nieuwe elementen, verwijst het de zaak voor nieuwe behandeling verplicht naar een andere rechtbank of hof dan hetgeen voorheen de zaak heeft behandeld.

 

De tekst werd reeds een eerste maal besproken op regeringsniveau. Thans worden adviezen ingewonnen, onder andere van de nieuw samengestelde Hoge Raad voor de Justitie en de magistratuur. Afhankelijk daarvan hoop ik nog vóór de zomer van dit jaar de tekst op de Ministerraad te kunnen brengen, teneinde het advies van de Raad van State te vragen.

 

09.03  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het laattijdig uitbetalen van facturen" (nr. 16808)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le paiement tardif de factures" (n° 16808)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de afgelopen dagen las ik in de krant dat er problemen zijn met het betalen van facturen door de FOD Justitie aan rechthebbenden. Na de terreuraanslagen van 22 maart hebben vier zelfstandige tandartsen, die samenwerken met het Disaster Victim Identification Team van de federale politie, zich meteen op de identificatie van de slachtoffers op de luchthaven van Zaventem en in het metrostation van Maalbeek gestort. Dankzij hun deskundigheid was het mogelijk om de lichamen in zo’n korte tijd een naam te geven en met wetenschappelijke zekerheid te identificeerden. Hun honorariumnota werd vorig jaar in augustus ingediend. Ik vernam dat deze experts, nu bijna één jaar later, nog steeds niet betaald zijn voor hun werk. Blijkbaar is dit geen alleenstaand geval, en gebeurt dit regelmatig na een grote ramp waarbij experts moeten identificeren. Hierop volgend mijn vragen, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, u hebt op Radio 1 gezegd dat u de zaak zou uitvlooien. Graag vernam ik van u wat dit opgeleverd heeft.

 

Ten tweede, hoe kan het dat facturen blijven liggen of, volgens uw verklaringen, naar de verkeerde dienst worden gestuurd? Is er een duidelijke aanwijzing omtrent waar facturen naartoe dienen te worden gestuurd, en wie heeft daarover de verantwoordelijkheid?

 

Ten derde, wat is algemeen de stand van zaken bij achterstallige betalingen en wat is de termijn waarbinnen Justitie betalingen van facturen uitvoert? Welke achterstand is er? Binnen welke termijn zal worden betaald, vermits u stelt dat facturen vijf maanden na datum betaald zouden moeten zijn.

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrechts, het federaal parket dat de kostenstaten inzake terrorisme verzamelt, heeft navraag gedaan bij de onderzoeksrechters die de tandartsen hebben aangesteld. Het federaal parket stuurt de kostenstaten daarna naar de dienst Gerechtskosten van de FOD Justitie die ze na controle in betaling zet. De drie tandartsen kregen hun opdrachten van twee onderzoeksrechters.

 

In het centraal boekhoudkundig systeem is voor 2017 een factuur terug te vinden van 5 715,75 euro op naam van de eerste tandarts. Hij werd, nadat de nodige interne controles werden uitgevoerd, op 16 februari 2017 door de FOD Justitie betaald. Dat is dus vorige week, merkwaardig genoeg was dat één dag voordat ik op de radio ben geweest; maar dat wist ik toen niet.

 

Voor de tweede tandarts is er een factuur van 3 494,84 euro. Deze kostenstaat werd eveneens op 16 februari 2017 voor betaling doorgestuurd.

 

Van de derde tandarts werd één factuur behandeld op 28 december 2016, maar nog niet betaald.

 

De laatste factuur werd na controle teruggestuurd omdat er fouten in stonden.

 

Gemiddeld waren die facturen niet meer dan zes maanden oud.

 

De aanstelling van een deskundige in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waarbij bijkomende onderzoeksdaden moeten worden verricht, gebeurt op initiatief van het parket, van een onderzoeksrechter of van de politie.

 

De FOD Justitie kan de kostenstaten alleen behandelen als ze werden geregistreerd in het centraal boekhoudkundig systeem. Dat veronderstelt dat een opdracht aan een deskundige op een correcte manier werd geregistreerd op de griffie of het parketsecretariaat, een magistraat de vordering van de deskundige heeft gecontroleerd en ten slotte de griffie de vraag tot betaling van de kostenstaat heeft geregistreerd.

 

De kostenstaten worden doorgestuurd naar de dienst Gerechtskosten van de FOD Justitie voor controle en inbetalingstelling. Indien de kostenstaat niet werd doorgegeven door de griffie of door het parket, is die niet gekend bij de FOD Justitie en kan hij dus ook niet betaald worden.

 

Kosten vallen steeds ten laste van de FOD Justitie indien de deskundige zijn taken heeft uitgevoerd in opdracht van een magistraat, tenzij hij op initiatief van de politie wordt aangesteld en het dossier geen gerechtelijk gevolg krijgt.

 

Voor de aanslagen van 22 maart bevestigt het NICC, het Nationaal Instituut voor de Criminalistiek en de Criminologie, dat alle wetsdokters op een correcte wijze werden aangesteld door de onderzoeksrechters.

 

10.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Mij lijkt de procedure zeer omslachtig. Ik vind het dan ook logisch dat er daarin fouten sluipen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de M. Philippe Blanchart au ministre de la Justice sur "le nouvel investissement dans le numérique" (n° 16853)

11 Vraag van de heer Philippe Blanchart aan de minister van Justitie over "de nieuwe investering in de digitalisering" (nr. 16853)

 

11.01  Philippe Blanchart (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, un dégagement de 750 000 euros pour des investissements dans le numérique a été prévu. Ainsi, 6 000 nouveaux ordinateurs portables seront acquis afin de mener des audiences en visioconférence. Il est également question que, dès septembre, des prévenus en cours de procédure pénale pourront comparaître devant la chambre du conseil grâce à ce système.

 

Ce type de technologie permettant à un prévenu de comparaître depuis la prison pose des questions quant au respect de la présomption d'innocence. L'enceinte d'un établissement pénitentiaire peut, en effet, altérer l'indépendance du juge lorsqu'il devra, par exemple, décider du prolongement ou non de la détention d'un prévenu ou d'un inculpé. Si les vidéoconférences permettent de gagner en efficacité, il n'en demeure pas moins qu'il est primordial que la justice garde sa dimension humaine. Il est notamment apparu que la présence d'une caméra pouvait modifier le comportement des justiciables, soit dans le sens d'une plus grande paralysie, soit dans le sens contraire. À cette fin, leur usage doit donc bien être encadré afin d'éviter toute dérive susceptible de dénaturer la justice en portant atteinte au droit à un procès équitable.

 

Pour quels types de procédures les vidéoconférences peuvent-elles être utilisées? Quelles sont les conditions pour qu'une vidéoconférence puisse avoir lieu? Sur base de quels critères son usage est-il défini? Quels sont les coûts de tels investissements? Cette réforme est-elle pensée afin de réaliser des économies? Le cas échéant, pouvez-vous les chiffrer? Quels sont les résultats des tests menés à ce sujet?

 

11.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Blanchart, la semaine dernière, j'ai répondu dans cette commission à une question de notre collègue Van Vaerenbergh. Je renvoie également à ma réponse à cette question. J'ai constaté qu'à l'occasion de cette question, des articles sont parus dans les médias qui n'étaient pas toujours corrects au niveau des détails. Ceci a probablement été à l'origine de quelques erreurs. L'investissement de 750 000 euros n'a rien à voir avec l'achat de 6 000 ordinateurs portables dans le cadre du programme de modernisation.

 

Cet investissement nous permet d'étendre aux autres ressorts le pilote en matière de vidéoconférence dans des affaires civiles qui, depuis quelques années déjà, se déroulent avec succès au niveau de la cour d'appel d'Anvers, en liaison avec les installations techniques au palais de justice de Hasselt. L'usage de la vidéoconférence a lieu à la demande des parties.

 

Le projet d'utiliser la vidéoconférence pour les comparutions en chambre du conseil est provisoirement suspendu en attendant l'arrêt de la Cour constitutionnelle. Avocats.be a intenté cette procédure contre la loi, qui a été adoptée après examen au sein de cette commission, suite à une proposition de loi en la matière. J'attends l'arrêt de la Cour constitutionnelle avant de faire une quelconque déclaration sur l'exécution ultérieure de la loi.

 

11.03  Philippe Blanchart (PS): Je vous remercie pour ces précisions. Je m'inquiétais un peu, étant donné le besoin, parfois, de solennité d'un tribunal.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n°16820 de Mme Carina Van Cauter est reportée. La question n°16822 de M. Johan Klaps est transformée en question écrite. Les questions nos 16838, 16839 et 16840 de Mme Julie Fernandez Fernandez sont reportées. MM. Vanvelthoven et Vercamer n'ayant pas signalé leur présence, leur absence ou leur volonté de transformer ou de reporter leurs questions, nos travaux sont donc clôturés.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.27 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.27 uur.