Commissie voor de Sociale Zaken

Commission des Affaires sociales

 

van

 

Dinsdag 14 maart 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 14 mars 2017

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.05 uur en voorgezeten door de heer Vincent Van Quickenborne.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.05 heures et présidée par M. Vincent Van Quickenborne.

 

Le président: Monsieur le ministre, les intervenants pour les six premières questions sont absents. Or, il importe d'être ponctuel. Il en va de même dans le monde communiste.

 

Ik stel voor dat we beginnen met punt 7 op de agenda. Het woord is aan de heer Spooren.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Servais Verherstraeten aan de minister van Pensioenen over "de communicatie van de Federale Pensioendienst" (nr. 16288)

- de heer Jan Spooren aan de minister van Pensioenen over "de inhaalpremie" (nr. 17206)

01 Questions jointes de

- M. Servais Verherstraeten au ministre des Pensions sur "la communication du Service fédéral des Pensions" (n° 16288)

- M. Jan Spooren au ministre des Pensions sur "la prime de rattrapage" (n° 17206)

 

01.01  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de minister, de regering besliste vorig jaar de minimum­pensioenen voor gepensioneerden die een volledige loopbaan achter de rug hebben als werknemer of zelfstandige, met 0,7 % te verhogen. Wij hebben die maatregel, die erop neerkomt dat werk beter wordt beloond, ten volle gesteund.

 

De verhoging met 0,7 % is ingegaan in januari 2017. Voor wie in 2016 ook recht op die stijging had, werd echter een eenmalige inhaalpremie uitbetaald. Bij de communicatie over de inhaalpremie is er blijkbaar toch een en ander fout gelopen. Vele gepensioneerden wisten niet dat het om een eenmalige premie ging en meenden dat het ging om een effectieve stijging van hun pensioen. Daardoor werd heel wat onnodige bezorgdheid gecreëerd toen de gepensioneerden de brief ontvingen met daarin het pensioenbedrag voor januari 2017, dat lager was, waardoor het leek alsof zij dit jaar minder pensioen zouden ontvangen. Zij maakten immers de vergelijking met december 2016 zonder rekening te houden met de inhaalpremie. Wij werden gecontacteerd door heel wat gepensioneerden, die verkeerdelijk meenden dat hun pensioenbedrag gedaald was in plaats van gestegen.

 

Psychologisch is het pensioen voor de mensen een zeer gevoelige materie. Het is dus belangrijk dat dit wordt rechtgezet, zodat de getroffen gepensioneerden zich niet benadeeld voelen. Bovendien mag duidelijk gecommuniceerd worden dat de regering de laagste pensioenen effectief doet stijgen.

 

Plant u een informatiecampagne om de getroffen gepensioneerden correct te informeren? Worden er voor de toekomst maatregelen genomen om onduidelijke communicatie te vermijden?

 

01.02 Minister Daniel Bacquelaine: Ik begrijp het, ik was heel boos om de communicatie.

 

Ik ben het er volledig mee eens dat de communicatie van de Federale Pensioendienst over de verhoging met 0,7 % van het minimumpensioen die wordt toegekend voor een volledige loopbaan helemaal niet duidelijk was. Ik betreur de verwarring en de ongerustheid die de brief van de FPD heeft veroorzaakt bij de burgers. Bij het lezen van die brief zou men inderdaad kunnen geloven dat het pensioen van de betrokken personen is gedaald, terwijl het in werkelijkheid is gestegen.

 

Zodra ik op de hoogte werd gebracht van het probleem en de brief van de FPD had gelezen, heb ik onmiddellijk contact opgenomen met de administrateur-generaal van de FPD, met de vraag om een rechtzetting in verband met de verhoging van 0,7 % van het minimumpensioen te sturen naar alle begunstigden. De brief met de toelichting werd ondertussen opgestuurd. Ik heb eveneens gevraagd om er in de toekomst over te waken dat elke aanpassing goed wordt uitgelegd, zodat dergelijke problemen zich niet meer voordoen.

 

01.03  Jan Spooren (N-VA): Ik ben tevreden te horen dat u snel gereageerd hebt en dat de uitleg ter correctie al vertrokken is. Meestal moeten wij iets vragen dat nog moet gebeuren, in dit geval kunt u bevestigen dat het gebeurd is. Dat is belangrijk, zeker omdat uzelf en de regering heel veel goede maatregelen hebben genomen op het vlak van de pensioenen. Het is jammer dat door een communicatie soms het omgekeerde effect wordt bereikt van wat wij allemaal voor ogen hadden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Aan de orde is vraag nr. 16410 van de heer Janssens, maar die is niet aanwezig. De vragen nrs 17023 van de heer Blanchart, 17036 van mevrouw Dumery en 17045 van mevrouw Fonck worden uitgesteld.

 

02 Vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Pensioenen over "de hoorzitting inzake de aanvullende pensioenen" (nr. 17180)

02 Question de M. Vincent Van Quickenborne au ministre des Pensions sur "la séance d'audition relative aux pensions complémentaires" (n° 17180)

 

02.01  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, wij hebben vorige week, in het gezelschap van uw  woordvoerders, een interessante hoorzitting gehad over de aanvullende pensioenen. De onmiddellijke aanleiding was het debat over het vrij aanvullend pensioen voor de werknemers dat door velen van de Academische Raad niet echt wordt gesmaakt, maar u vindt in mij wel een bondgenoot. Prijs u dus gelukkig. Er kwamen ook andere thema’s aan bod, namelijk de theoretische onderbouwing voor een systeem bestaande uit evenwichtige pijlers, de verhouding tussen kapitalisatie en repartitie, de fiscaliteit, de pensioensplit, de versterking van de tweede pijler en de zogenaamde eerste pijler bis.

 

Ik wou graag weten wat u ervan vond, mijnheer de minister? Interessant aan hoorzittingen is dat men achteraf hoort wat de minister ervan vond. Zo zou een parlement in theorie ook moeten werken, maar helaas is dat niet altijd het geval. Daarom stel ik deze vraag.

 

Mijnheer de minister, een van de belangrijkste uitdagingen is hoe wij voor de aanvullende pensioenen het bijdragepercentage naar 3 % kunnen krijgen. Het is de doelstelling van de Academische Raad om dit te doen binnen de 15 jaar en dit in alle private sectoren. Daarvoor hebben wij de sociale partners nodig. Jammer genoeg komen wij tot de vaststelling dat zij in het IPA dat net is gesloten niet in bijkomende inspanningen voor het aanvullend pensioen hebben voorzien. Wij betreuren dat, uiteraard samen met u, mijnheer de minister.

 

Frank Vandenbroucke stelde voor om met hen een akkoord te sluiten. Hij deed een interessant voorstel, waarbij de regering een verlaging van de lasten op de laagste Ionen zou doorvoeren in ruil voor bindende afspraken omtrent de aanvullende pensioenen. Dat is een voorstel out of the box, vintage Frank Vandenbroucke. Lagere lasten, nog meer belastingverlaging, daar zijn wij natuurlijk voor, mijnheer Spooren.

 

02.02  Jan Spooren (N-VA): Kunnen wij daarover niet stemmen vandaag?

 

02.03  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Met veel plezier. Het zou snel gaan.

 

Mijnheer de minister, wat is uw mening over dat voorstel, waarbij de sociale partners zich engageren voor een bijkomende inspanning voor de aanvullende pensioenen in ruil voor een commitment om de lasten op de laagste lonen verder – met de taxshift doen wij al heel veel – te verlagen?

 

Een tweede vraag gaat over het vrij aanvullend pensioen voor werknemers.

 

U weet, Frank Vandenbroucke heeft dat ook al gezegd, dat zij daarin een bedreiging zien van het collectieve karakter van de tweede pijler.

 

J'attire ici votre attention sur le fait que M. Vandenbroucke s'est exprimé à titre personnel en réponse à une question que je lui avais posée. Il n'a jamais dit qu'il répondait au nom du Conseil académique.

 

De Academische Raad heeft bij monde van de heer Yves Stevens bevestigt dat zij daar absoluut tegen zijn. Ik heb nog getracht hen op betere gedachten te brengen door hen te vragen dit ook eens positief te bekijken, maar zij willen er niets van weten. Zij houden vast aan het collectief karakter. Ik heb, zoals u weet, tegengas gegeven. Immers, naast het collectieve heeft ook het individuele zijn rechten en als een werknemer vindt dat hij of zij een deel van zijn of haar loon aan de kant wil zetten voor een pensioen, dan moet dat kunnen.

 

Mijnheer de minister, hebt u al overleg gepleegd met de Academische Raad over het thema van de vrij aanvullende pensioenen? Zo ja, wat is daarvan het resultaat?

 

Ik kom dan bij een derde punt.

 

Wat ik persoonlijk het meest interessante vond, collega Spooren, is de uiteenzetting van professor de Callataÿ over de fiscaliteit. Hebt u dat gevolgd? Mevrouw Becq was aanwezig tijdens de hoorzitting over de aanvullende pensioenen en zij heeft geluisterd naar het betoog over de fiscaliteit van de aanvullende pensioenen.

 

02.04  Sonja Becq (CD&V): (…)

 

02.05  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Ik vond dat persoonlijk zeer interessant omdat hij bijvoorbeeld stelde, mijnheer de minister, dat bepaalde topmanagers – hij heeft geen bedrijf willen noemen – zeer hoge aanvullende pensioenbijdragen, soms zelfs meer dan 100 000 euro op jaarbasis, hanteren als onderdeel van een fiscale optimalisatie van hun loonpakket. Met andere woorden, ik ben voorstander van het fiscaal stimuleren van de aanvullende pensioenen, maar men optimaliseert dermate dat men loon eigenlijk omzet in pensioen.

 

Kort, voor het nieuwe Kamerlid, het volgende.

 

Bij bepaalde overheidsbedrijven zijn er loonplafonds afgesproken voor de CEO. Men voegt aan dat loon een soort pensioenbijdrage toe die eigenlijk neerkomt op een loon waardoor men het plafond kan overschrijden en men gebruik kan maken van de fiscaal voordelige behandeling van het aanvullend pensioen.

 

Mijnheer de minister, de vraag is hoe u deze situatie beoordeelt? De heer de Callataÿ zegt eigenlijk dat door het fiscaal relatief voordelig behandelen van de aanvullende pensioenen, men ervoor zorgt dat sommigen de beste weg vinden op fiscaal vlak. Men kan zich daar uiteraard vragen bij stellen.

 

Tot zover mijn vragen, mijnheer de minister.

 

02.06 Minister Daniel Bacquelaine: Mijnheer de voorzitter, het voorstel van de heer Frank Vandenbroucke, voorzitter van de Academische Raad, om een akkoord te sluiten met de sociale partners, waarbij zij zich ertoe verbinden de tweede pijler te ontwikkelen in ruil voor een verlaging van de lasten op de laagste lonen, overstijgt de limieten van het regeerakkoord en mijn bevoegdheden als minister van Pensioenen. Het regeerakkoord bepaalt dat aan de sociale partners zal worden gevraagd te onderzoeken in welke mate een bepaald percentage van de loonsverhogingen kan worden aangewend voor de stortingen van bijdragen in aanvullende pensioenplannen om in elke sector een bijdrageniveau van minstens 3 % van het loon te halen. Dat heb ik tijdens het meest recente interprofessioneel akkoord ook gedaan.

 

Ik heb de sociale partners uitgenodigd het punt op de agenda van hun gesprekken over het IPA te plaatsen. Het resultaat van het IPA 2017-2018 is spijtig genoeg niet zo dwingend als wij hadden kunnen hopen. In het akkoord van de sociale partners van 2017-2018 kan echter desondanks een specifiek aandachtspunt worden waargenomen over de afschaffing van de verschillen in behandeling inzake aanvullende pensioenen tussen de arbeiders en de bedienden. Er mag worden gehoopt dat de volgende IPA’s dwingender zullen zijn op het vlak van de ontwikkeling van de tweede pijler.

 

Ik hou mij dus aan het regeerakkoord.

 

Dit gezegd zijnde, kan ik mij te persoonlijken titel vinden in het idee van een initiatief van de regering, dat verder gaat dan de taxshift, met het oog op het voortzetten van de verlaging van de loonlasten en het versterken van de tweede pijler door het invoeren van een verband tussen beide.

 

Het overleg met de Academische Raad over het vrij aanvullend pensioen voor werknemers is gepland op 13 april 2017, dus over een maand.

 

J'attends maintenant que les discussions s'engagent concrètement sur le sujet, même s'il existe des divergences importantes entre les membres du Conseil académique. De la discussion jaillira la lumière!

 

Ik heb kennisgenomen van de verklaringen van de heer de Callataÿ betreffende de fiscaliteit van de aanvullende pensioenen. Ik wil herhalen dat er reeds een aantal regels bestaat die een buitensporige opbouw van het aanvullend pensioen beperken, zoals de regel van 80 %, voorwaarden voor de fiscale aftrekbaarheid van de werkgeverspremies, de bijzondere socialezekerheidsbijdrage van 1,5 % verschuldigd indien men bij de opbouw van het aanvullend pensioen bepaalde grenzen overschrijdt.

 

Dit gezegd zijnde verdient het standpunt van de heer de Callataÿ de nodige reflectie, maar de discussie moet worden gevoerd met alle betrokken partners en meer bepaald met de minister van Financiën.

 

02.07  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. L'espoir fait vivre, c'est le moins qu'on puisse dire!

 

Quoi qu'il en soit, l'issue de l'accord interprofessionnel, notamment pour ce qui concerne les pensions, est décevante et il est regrettable que les partenaires sociaux aient toujours tendance …

 

Het is een beetje zoals het verschil tussen de krekel en de mier. Kent u dat verhaal? De ene eet alles snel op en de andere legt voorraden aan om op termijn te kunnen sparen voor het pensioen. De sociale partners gedragen zich als een krekel, terwijl u de mier bent, mijnheer de minister.

 

Ik vind het goed dat u het persoonlijk idee van de heer Vandenbroucke toejuicht. Hopelijk kan de combinatie van persoonlijke ideeën tot iets leiden. Als wij de sociale partners niet dwingender aanzetten tot het reserveren van een bepaald deel van het loon voor het aanvullend pensioen, zullen wij nooit aan die 3% geraken.

 

Het verhaal van de krekel en de mier is ook interessant als het gaat over het vrij aanvullend pensioen. Ik ben ervan overtuigd dat het absoluut noodzakelijk is dat mensen individueel zich spaarzaam gedragen door een deel van hun loon te reserveren voor hun toekomstig pensioen, dus het vrij aanvullend pensioen voor werknemers. Men kan zich niet blijven verschuilen achter het collectieve idee dat als niemand vooruit wil, zoals de sociale partners, de individuele mensen zich daarbij moeten neerleggen.

 

Ik denk dat men moet combineren, maar ik ga er wel mee akkoord dat we het systeem van het vrij aanvullend pensioen voor werknemers niet dermate opzetten dat het ten koste gaat van het collectief pensioen. U begrijpt dat ook van mijn kant. Het ene moet met het andere kunnen worden gecombineerd en wij moeten in voldoende waarborgen voorzien zodat het collectieve verder kan groeien. Ik denk dat daarmee rekening moet worden gehouden. Misschien kan een lichtjes verschillende fiscale behandeling werkgevers alsnog ertoe aanzetten om te kiezen voor het collectief aanvullend pensioen.

 

Ten derde, in verband met de heer de Calattaÿ.

 

Il est vrai qu'il existe des limites. Je pense ici notamment à la règle des 80 %. Mais vous savez comme moi que, selon la Cour des comptes, l'application de cette règle est difficilement contrôlable.

 

02.08  Daniel Bacquelaine, ministre: On va la revoir.

 

02.09  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Je vous écoute!

 

02.10  Daniel Bacquelaine, ministre: On va la revoir. Elle ne sera plus calculée sur la base de la dernière année de salaire. En effet, il suffit de "gonfler" une année. Dorénavant, elle sera calculée sur la base de trois années de salaire, plutôt que sur une seule et ce, en temps réel.

 

02.11  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Temps réel! Qu'est-ce que cela veut dire?

 

02.12  Daniel Bacquelaine, ministre: Cela veut dire qu'il sera tenu compte de la réalité des salaires dans les trois années qui précèdent l'année du versement.

 

02.13  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Espérons que cela donnera quelques résultats!

 

En tout cas, la réflexion de M. de Callataÿ sur la fiscalité des pensions complémentaires est intéressante. En effet, il a déclaré qu'une sorte de flat tax sur les pensions complémentaires avait été introduite par un socialiste sous le gouvernement Dehaene, à savoir M. Vandenbroucke. C'est intéressant de le savoir.

 

Il a plaidé en faveur d'une augmentation de ces taxes. Selon moi, il faut faire attention. En effet, au niveau mondial, nous sommes déjà les champions en matière de taxes. C'est une question sur laquelle le prochain gouvernement devra se pencher.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Sonja Becq aan de minister van Pensioenen over "de regularisatie van studiejaren" (nr. 16237)

03 Question de Mme Sonja Becq au ministre des Pensions sur "la régularisation des années d'études" (n° 16237)

 

De voorzitter: Mevrouw Becq, u had verwittigd dat u later zou zijn, dus zijn wij zeer mild voor u.

 

03.01  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik wist niet dat de eerste vijf collega’s er niet zouden zijn, anders was ik direct gekomen. Ik kom uit de commissie voor de Justitie en ik moet er zo meteen terug heen, want anders is er geen quorum.

 

Mijnheer de minister, mijn vraag over de regularisatie van de studiejaren dateert van 27 januari. Ik heb eigenlijk ook nog wat bijkomende vragen bij mijn schriftelijke neerslag, maar ik zal het hierbij laten.

 

Er is het systeem voor de regularisatie van de studiejaren, een stukje als compensatie voor de bonificatie die wordt afgebouwd bij de ambtenaren. Om dit op een gelijke manier, zo heb ik het toch begrepen, voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren te kunnen laten functioneren, is er ook in een systeem voorzien van regularisatie van studiejaren voor die drie groepen, waarbij effectief het aantal studiejaren voor één diploma regulariseerbaar is en waarbij tegelijkertijd ook in een overgangsperiode zou worden voorzien. Die overgangsperiode geeft wel wat aanleiding tot discussie, vooral over de onderlinge solidariteit tussen de oudere generatie en de jongere generatie en over wat dit betekent.

 

In de oorspronkelijke voorstellen was de leeftijdsgrens voor regularisatie op 21 jaar vastgelegd, terwijl er toch vragen rijzen of die studiejaren ook omlaag regulariseer­baar zouden moeten zijn, zodat het niet pas vanaf 21 jaar of misschien 20 jaar zou kunnen – ik weet niet wat het nu is – maar ook vanaf 18 jaar. Er zijn daar immers ook zware opleidingen die dan niet regulariseerbaar zouden zijn.

 

Een bijkomend argument dat ik in mijn vraag aanhaal is dat het soms om knelpuntberoepen gaat. Ik wil nog een bijkomend argument geven, al is dat misschien wat bij de haren getrokken. Als men vaststelt dat mensen die langer studeren vaak ook langer leven, dan zou dat eigenlijk ook een argument moeten zijn om ervoor te zorgen dat degenen die minder lang gestudeerd hebben, en dat is niet omdat ze dommer zijn, en die op 18 jaar begonnen zijn en een diploma gehaald hebben vóór hun 21ste, zeker gebruik zouden kunnen maken van zo’n regularisatie.

 

Daarom gaat mijn vraag vooral over die groep mensen, werknemers. In hoeverre is het juist dat er voor die opleidingen voorlopig niet in een mogelijkheid tot regularisatie is voorzien? Wilt u dit eventueel aanpassen en hierover eventueel overleggen met de Gemeenschappen? Als er een aanpassing komt, is die dan gelijkaardig voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen?

 

03.02 Minister Daniel Bacquelaine: De Ministerraad van 24 februari laatstleden heeft de wetteksten aangenomen die de harmonisering beogen van de regularisatie van de studieperiodes binnen de drie pensioenstelsels.

 

De regering heeft besloten dat de regularisatie van de studieperiodes enkel mag plaatsvinden voor de studies voltooid in het hoger onderwijs. Er wordt echter in een uitzondering voorzien voor de leercontracten. Aangezien de leerling werkt, maar geen pensioenrechten opbouwt tijdens die periode, wilde de regering hem de mogelijkheid geven om pensioenrechten op te bouwen door in een regularisatie te voorzien, verbonden aan het leercontract. Die aanpassingen gelden voor de drie pensioenstelsels. De regularisatie verbonden aan het leercontract zal kunnen plaatsvinden in het stelsel van de werknemers, de zelfstandigen en de ambtenaren. Hoewel het onderwijs een Gemeenschaps­bevoegdheid is, valt de pensioenreglementering exclusief onder de bevoegdheid van de federale regering.

 

De algemene regel tijdens de overgangsperiode van drie jaar wordt inderdaad de leeftijdsgrens van 20 jaar. Dat is vandaag al het geval voor de werknemers en de zelfstandigen. Na de overgangsperiode na de drie eerste jaren, wordt de regel de leeftijdsgrens van 18 jaar voor iedereen in alle stelsels, dus het stelsel van zelfstandigen, van werknemers en van ambtenaren, zonder discriminatie. De leeftijdgrens van 20 jaar is dus enkel van tel tijdens de eerste drie jaar, dus in de overgangsperiode.

 

De deelstaten hebben wel deelgenomen aan de gesprekken die in het comité A hebben plaatsgevonden over het voorontwerp van wet inzake de publieke sector.

 

03.03  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, ten eerste, ik heb begrepen dat u zegt dat er overleg geweest is met de Gemeenschappen over het ambtenarenstatuut. Ik vroeg u inderdaad naar het overleg met de Gemeenschappen, omdat men hier te maken heeft met onderwijsdiploma’s. Uiteraard weet ik dat de pensioenen een volledig federale materie zijn, maar de opleidingen worden erkend door de Gemeenschappen, en ook de diploma’s worden erkend door de Gemeenschappen. Daarom meen ik dat er over de diplomabonificaties overlegd zou worden. Ik zie uw medewerkers knikken. Dat is een antwoord op mijn vraag.

 

Ten tweede, u zei dat de regering de beslissing op 22 februari genomen heeft. Mijn vraag dateert zoals gezegd van eind januari. Dit geeft mij de gelegenheid om u nog eens te vragen of dit rendabel is. U weet dat daar veel ongerustheid over is. Zelfstandigen kunnen vandaag al weten of het voor hen rendabel is, omdat dit voor hen berekend wordt. Ooit heb ik u gevraagd of er ook voor de publieke sector in een berekeningstool wordt voorzien door uw ministerie. Ik wil het u niet te moeilijk maken, en ik wil ook geen reclame maken voor kranten, maar De Tijd heeft ooit zo’n tool op zijn website gezet. Ik heb mij laten vertellen dat deze gesuperviseerd werd door een groot kantoor. Als u deze tool valideert als een hele goede, en als deze vrij toegankelijk blijft, is dat voor mij ook een oplossing. Anders blijft de vraag op welke manier die mensen worden ondersteund om te weten of dit voor hen zinvol is of niet, zowel in de overgangsperiode als nadien, wel wetend dat er uiteraard geen voorspelling kan worden gemaakt voor het leven en de loopbaan van mensen.

 

03.04  Daniel Bacquelaine, ministre: Bien entendu, l'administration du Service fédéral Pensions va mettre au point une méthodologie pour donner les meilleures informations. J'ai demandé à ce qu'on étudie la possibilité d'inclure dans mypension.be un simulateur pour calculer les droits que génère le rachat des années d'études.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 15822 van de heer Vanvelthoven wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

04 Vraag van de heer Dirk Janssens aan de minister van Pensioenen over "de diplomabonificatie" (nr. 16410)

04 Question de M. Dirk Janssens au ministre des Pensions sur "la bonification pour diplôme" (n° 16410)

 

04.01  Dirk Janssens (Open Vld): Mijnheer de minister, u bent een hervorming van de diplomabonificaties aan het voorbereiden.

 

We vinden het vanzelfsprekend positief dat de gratis diplomabonificatie van ambtenaren wordt afgeschaft. Zo komt er een einde aan de regeling waarbij de studiejaren van ambtenaren gratis meetellen voor het pensioen, maar de studiejaren van werknemers en zelfstandigen niet. Die regeling werd door veel mensen terecht als onrechtvaardig aangevoeld. In de plaats komt er dus een nieuwe regeling waarbij iedereen, ongeacht zijn statuut, tegen betaling zijn studiejaren kan laten meetellen voor het pensioen.

 

Die regeling is het onderwerp geweest van heel wat krantenartikels en we hebben er ook bij de bespreking van uw beleidsnota heel wat aandacht aan besteed. Er zijn echter nog heel wat burgers die met concrete vragen zitten. Voorlopig is er weinig transparantie over de maatregel. Naast het principe zijn er namelijk ook heel wat concrete modaliteiten. Het is toch wel belangrijk dat we over die modaliteiten enige duidelijkheid krijgen.

 

Mijn vragen betreffen de diploma’s die in aanmerking zullen komen voor de diplomabonificatie. In uw beleidsnota staat – ik citeer: “Alle diploma’s, zelfs deze die niet vereist zijn voor de functie, kunnen aanleiding geven tot het in aanmerking nemen ervan voor de pensioenberekening. Een enkel diploma kan geregulariseerd worden en dit enkel voor de geslaagde studiejaren”.

 

Ten eerste, kan er slechts een maximumaantal jaren worden geregulariseerd? Zo ja, om hoeveel jaar gaat het dan?

 

Ten tweede, waarom kan er slechts een diploma worden geregulariseerd?

 

Ik geef een voorbeeld.

 

Een arts die zes jaar studeert, zal zes jaar kunnen afkopen, tenzij er een lager maximum is. Iemand die echter eerst zijn masterdiploma behaalt en vervolgens nog een jaar studeert via master na master, zal enkel de periode die overeenkomt met het eerste diploma, kunnen afkopen, vier jaar dus en geen vijf jaar. Dat lijkt me toch niet logisch. Heel wat studenten behalen tegenwoordig – dat is ook heel positief – een tweede diploma.

 

Hoe zit het met de jaren van de opleiding tot huisarts – twee jaar – of tot de vele specialisaties in de opleiding geneeskunde die volgen op de zes jaar durende basisopleiding? Zullen die dan ook kunnen worden geregulariseerd? Kunt u specifiek voor de huidige en toekomstige houders van een diploma van arts de regeling even verduidelijken?

 

04.02 Minister Daniel Bacquelaine: Op basis van de teksten, die binnenkort zullen worden voorgelegd aan het Parlement, zal de regularisatie van de studiejaren mogelijk zijn ten belope van het minimumaantal studiejaren vereist voor het behalen van het diploma. Bovendien, wanneer men bepaalt dat slechts een diploma geregulariseerd kan worden, begrijpt men hieronder het einddiploma met inbegrip van alle vorige diploma’s na het secundair onderwijs die vereist waren voor het behalen van het einddiploma in kwestie. Een master na master mag dus eveneens worden geregulariseerd.

 

De periode voor de beroepsstage vervuld door artsen, zal worden geregulariseerd, indien cumulatief wordt voldaan aan de drie voorwaarden die door het wetsontwerp worden bepaald. Ten eerste, het behalen van een diploma is een voorafgaande voorwaarde om de stage te vervullen. Ten tweede, na de stage moet een personeelslid een wettelijk erkende beroeps­codificatie behalen. Ten derde, de stage komt niet in aanmerking voor de berekening van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse socialezekerheidsstelsels.

 

04.03  Dirk Janssens (Open Vld): Dat is duidelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 16747 van mevrouw Becq wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

05 Vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Pensioenen over "de aanvullende pensioenen" (nr. 17181)

05 Question de M. Vincent Van Quickenborne au ministre des Pensions sur "les pensions complémentaires" (n° 17181)

 

05.01  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, ik heb u al eens een vraag gesteld over de aanvullende pensioenen op 14 december vorig jaar. U herinnert zich dat wellicht levendig. U hebt toen geantwoord en ik heb de tijd genomen om uw antwoorden te analyseren. Wil mij niet kwalijk nemen dat ik, als lid van de meerderheid, niet tevreden ben met uw antwoord.

 

Collega’s, ik probeer het in mensentaal uit te leggen.

 

Het aanvullend pensioen werd aangepast omdat het niet langer kan worden opgenomen vanaf 60 jaar, maar vanaf 65 jaar, omdat men de regels van het wettelijk pensioen volgt. Dat is terecht. Het is evident dat men de wettelijke pensioenleeftijd niet op 65 jaar kan leggen en het aanvullend pensioen kan toekennen vanaf 60 jaar. Het is dus evident dat men die leeftijd optrekt. Het probleem is — ik probeer het heel helder te formuleren — dat door die aanpassing mensen op 65 jaar uiteindelijk minder aanvullend pensioen zullen krijgen dan op 60 jaar.

 

Hoe komt dat? Dat heeft te maken met het feit dat als men kiest voor de DB-pensioenplannen, Defined Benefit, die zijn uitgedrukt in rente maar waarbij de mogelijkheid wordt geboden om de waarde op te nemen in kapitaal, de omzetting op 65 jaar minder voordelig is dan op 60 jaar. Waarom? Na 65 jaar is de gemiddelde levensverwachting nog 15 jaar, terwijl deze na 60 jaar nog 20 jaar is. Uw omzettingscoëfficiënt is dus minder interessant, met als gevolg dat het bedrag, het kapitaal, dat men krijgt na 65 jaar lager zal zijn dan wat men krijgt na 60 jaar.

 

Dat heeft gevolgen voor een aantal bedrijven in ons land, waarbij het volgens de krant onder meer zou gaan over Proctor & Gamble, een ‘klein’ bedrijf met 1 200 werknemers. Zij dreigen nu allemaal minder pensioen te krijgen door die regel. Ik vertel dat niet zomaar, dat werd uitdrukkelijk bevestigd. Het probleem is niet dat het bedrijf niet in die bedragen heeft voorzien, integendeel, in die bedragen is voorzien, maar het mag ze niet uitkeren, althans niet in totaliteit.

 

Vandaar, mijnheer de minister, wil ik met alle vriendelijkheid mij eigen, vragen om de wetgeving op dat punt punctueel aan te passen.

 

Het gaat over artikel 63/5 van de wet, waarvan het laatste lid stipuleert: “De inwerkingtreding van een bepaald artikel kan in geen enkel geval leiden tot een vermindering van de verworven reserves die op de inwerkingtredingsdatum ervan bestonden.” Dat artikel is onvoldoende om de garantie te bieden dat mensen geen pensioen zouden verliezen.

 

Mijnheer de minister, klopt het dat in deze gevallen het kapitaal, uitgekeerd op 65 jaar, lager is dan het kapitaal dat op 60 jaar zou worden uitgekeerd? Zo ja, bent u dan bereid om het desbetreffende artikel aan te passen zodat wij voor die werknemers de garantie kunnen bieden dat zij het pensioen krijgen dat hen was beloofd? Immers, daarover gaat het. De werkgever doet een belofte over het pensioen, maar door een regel in de wetgeving wordt dat nu plots minder pensioen. Ik vind dat niet correct. Men moet de beloftes die men doet, niet alleen in de politiek maar ook in zaken, waarmaken.

 

05.02 Minister Daniel Bacquelaine: Mijnheer de voorzitter, inderdaad, wanneer het pensioenplan in een vaste prestatie in rente voorziet, ligt het vestigingskapitaal van de rente minder hoog op 65 jaar dan op 60 jaar. Dit is in geen geval het gevolg van de wet van 18 december en artikel 63 van die wet. Dit is het resultaat van de actuariële berekeningen die van toepassing zijn op alle pensioenplannen in rente. De hoogte van de door de werkgever beloofde rente wordt in geen geval door de wet aangepast.

 

In het geval dat u vermeldt, heeft de werkgever, hoewel het een pensioenplan in rente betreft, de werknemer toegelaten het vestigingskapitaal van de rente op te vragen met de gevolgen die dit met zich brengt en die inherent zijn aan het pensioenplan in rente. Indien een werkgever een prestatie aan zijn werknemers in kapitaal wou uitkeren, had de werkgever ervoor moeten zorgen dat de prestatie een kapitaal was en geen rente.

 

Het is trouwens op dit ogenblik niet in het voordeel van de werknemers om voor het vestigingskapitaal van de rente te kiezen. Het vestigingskapitaal hangt inderdaad af van de tarifaire regels die in een pensioenreglement zijn vastgelegd. Indien bijvoorbeeld het vestigings­kapitaal op basis van een intrestvoet van 3,25 % en de sterftetafel wordt berekend, zal de aangeslotene ten persoonlijken titel met dat vestigingskapitaal de door de werkgever beloofde rente niet kunnen kopen bij een financiële instelling – bank of verzekeringsmaatschappij – door de lage intrestvoeten en de beter wordende levensverwachting.

 

Aangezien die optie tot het storten van het vestigingskapitaal niet in het voordeel van de aangeslotene is en niets met de wet van 18 december 2015 te maken heeft, lijkt het mij niet nodig de wet aan te passen. Bovendien herinner ik u eraan dat deze het voorwerp heeft uitgemaakt van het akkoord van de Groep van Tien.

 

05.03  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Je suis déçu. Vous dites que ce n'est pas la conséquence. Ce n'est pas la conséquence directe, mais c'est la conséquence indirecte de cette loi qui a fait passer l'âge de 60 à 65 ans.

 

Vous dites qu'il fallait que ces employés choisissent un autre plan pour ne pas être affectés par ce changement. Je trouve cela choquant: on leur a promis un montant et ce montant va maintenant être diminué. Ce n'est pas acceptable! Vous dites que c'est le Groupe des Dix qui a confirmé cette approche mais j'imagine que, malgré sa grande sagesse, il n'a pas dû tenir compte de l'exemple que je prends!

 

PensioPlus, qui est le représentant des fonds de pension, soutient notamment ce que je viens de dire. Donc, j'insiste, sans vous attaquer – vous savez que je vous apprécie –, sur le fait que vous examiniez bien cette mesure. Il ne faut peut-être pas changer encore la loi mais il faudrait que nous trouvions une solution pour ces quelques milliers de personnes.

 

05.04  Daniel Bacquelaine, ministre: Le but de la loi est de retarder la sortie du marché du travail.

 

05.05  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Oui, mais pas de diminuer le montant de la pension. C'est ce qu'il se passe ici!

 

05.06  Daniel Bacquelaine, ministre: Sauf s'ils continuent  à travailler plus longtemps.

 

05.07  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Monsieur le ministre, lorsqu'ils arrêtent de travailler à 65 ans, ils reçoivent une pension complémentaire qui est inférieure à  ce qui a été promis! Il y a un problème!

 

Je n'ai pas de souci à arrêter à 65 ans au lieu de 60, mais on ne peut pas leur dire que leur pension sera inférieure à celle à laquelle ils auraient eu droit à 60 ans! C'est ce qui arrive aujourd'hui! J'espère que vous comprenez mon souci!

 

Je propose que vous vous penchiez sur ce problème pour trouver une solution consensuelle.

 

Je pense que vous avez compris tout ce que je viens de dire, la problématique que j'ai décrite. Tout ceci sera confirmé par PensioPlus, je ne vous raconte pas des blagues!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Jan Spooren aan de minister van Pensioenen over "de invoering van het gemengd pensioen" (nr. 17207)

06 Question de M. Jan Spooren au ministre des Pensions sur "la mise en place de la pension mixte" (n° 17207)

 

06.01  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze en ook mijn volgende vraag hebben betrekking op een aantal belangrijke pensioenhervormingen die nog moeten worden uitgevoerd. Ik heb daarnet gezegd dat er al veel is gebeurd, maar er staat nog wel wat te gebeuren.

 

In het regeerakkoord is er sprake van de invoering van het gemengd pensioen voor ambtenaren. U hebt dat ook vermeld in uw beleidsnota 2017. Dat zou een belangrijke stap vooruit zijn op het vlak van de harmonisatie van de pensioenstelsels. Het zorgt ervoor dat iemand die tijdens zijn loopbaan bij de overheid wordt benoemd een proportioneel ambtenarenpensioen zal ontvangen. Hij zal van een werknemerspensioen genieten voor de jaren gepresteerd als contractueel personeelslid en van een pensioen van de publieke sector voor de jaren gepresteerd als ambtenaar na zijn benoeming. Dit zal een halt toeroepen aan de problematiek van de late benoemingen van contractuele ambtenaren in de publieke sector. De VVSG is dan ook al lang vragende partij voor de invoering van dit gemengd pensioen. Zoals u hebt aangekondigd, moet dit worden gekoppeld aan de ontwikkeling van een aanvullend pensioen voor contractuele ambtenaren.

 

Mijnheer de minister, ik heb dan ook de volgende vragen.

 

Ten eerste, kunt u mij een stand van zaken geven betreffende de invoering van het gemengd pensioen? Ten tweede, ik heb vernomen dat er gesprekken zijn met de sociale partners. Hoe verlopen die? Wat zijn daar de voornaamste obstakels? Ten derde, wat is de timing? Wanneer denkt u dit gemengd pensioen in te voeren?

 

06.02 Minister Daniel Bacquelaine: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Spooren, ik heb uiteraard de intentie om het regeerakkoord uit te voeren. Daarin wordt de invoering van het gemengd pensioen voorzien.

 

Een ontwerp van tekst dat werd voorgelegd aan de Ministerraad wordt momenteel besproken in het comité A. Tijdens deze gesprekken hebben de vakbonden gevraagd om het deel dat aanpassingen aanbrengt aan de reglementering inzake aanvullende pensioenen aan het ontwerp toe te voegen. Het werk met betrekking tot de toevoeging van dit deel wordt momenteel afgerond. Ik zal in de komende weken dan ook het wetsontwerp, aangevuld met dit onderdeel, voorleggen aan het comité A.

 

06.03  Jan Spooren (N-VA): Als dit een kwestie van weken is, is dat goed nieuws. Dit is een vrij korte termijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Jan Spooren aan de minister van Pensioenen over "het deeltijds pensioen" (nr. 17208)

07 Question de M. Jan Spooren au ministre des Pensions sur "la pension à temps partiel" (n° 17208)

 

07.01  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de minister, onlangs was er heel wat commotie in de pers over de gelijkstelling van periodes van landingsbanen en tijdskredieten voor de pensioenopbouw. U hebt daar vorige week in de plenaire vergadering vragen over beantwoord.

 

De N-VA is een grote voorstander van de wetswijziging die ervoor heeft gezorgd dat enkel gemotiveerd tijdskrediet wordt gelijkgesteld voor pensioenopbouw. Op die manier is er toch meer een link tussen het bijdragen aan het pensioen en de uitkeringen, waar de regering in het algemeen naar streeft. Wij vinden echter ook dat het, zoals aangehaald in de plenaire vergadering, geen retroactief effect mag hebben, maar dat terzijde.

 

De pensioencommissie met Frank Vandenbroucke, die hier regelmatig wordt geciteerd, stelde in haar aanvullend advies van april 2015 dat het invoeren van een deeltijds pensioen een betere manier van werken is dan het huidige systeem met de landingsbanen. Ik citeer: “Als uitstapsysteem is deeltijds pensioen in principe logischer en meer coherent dan bestaande uitstapsystemen, zoals werkloosheid met bedrijfstoeslag of de zogenaamde landingsbanen. Enerzijds, kan deeltijds pensioen opengesteld worden voor iedereen, zonder onderscheid naar gelang van het bedrijf of de sector waarin men werkt, anderzijds, kan deeltijds pensioen toegekend worden zonder beperking in de tijd (dit wil zeggen zonder beperkingen die nu bijvoorbeeld gelden voor tijdskrediet), omdat deeltijds pensioen systeem gebaseerd is op pensioenrechten die mensen zelf hebben opgebouwd en omdat er een actuariële correctie gebeurt naar gelang het opnamemoment van dat pensioen”.

 

Het betreft een heel belangrijke en fundamentele verandering, nog belangrijker dan die in verband met het gemengd pensioen. Zij is dus waarschijnlijk niet makkelijk door te voeren.

 

Mijnheer de minister, hoe ver staat het daarmee? Wanneer plant u de invoering hiervan? Ik veronderstel dat dat geen weken zal duren, maar iets langer.

 

Zal het deeltijds pensioen compatibel zijn met gelijkstellingen voor eindeloopbaanregelingen, zoals tijdskrediet, landingsbaan of het verlof voorafgaand aan pensionering?

 

07.02 Minister Daniel Bacquelaine: Verwijzend naar het rapport van de commissie Pensioenhervorming 2020-2040, opgesteld in juni 2014, bepaalt het regeerakkoord het volgende – ik citeer: “De regering zal onderzoeken hoe een gedeeltelijke opname van het pensioen mogelijk kan worden gemaakt”.

 

In november 2014 heb ik de voorzitter van de Academische Raad gevraagd om de problematiek met betrekking tot de overgang van het actieve leven naar het pensioen met het oog op een verlenging van de loopbanen te verdiepen. De raad moest de voorwaarden voor de invoering van een deeltijds pensioen verduidelijken. Het aanvullend advies naar aanleiding van die vraag werd opgesteld in april 2015.

 

In overeenstemming met wat ik had aangekondigd in mijn algemene beleidsnota, werd het Nationaal Pensioencomité gevraagd de mogelijkheid te onderzoeken om een deeltijds pensioenstelsel in te voeren dat toegankelijk is vanaf de leeftijd voor het vervroegd pensioen.

 

De voorzitter van de Academische Raad werd gisteren, 13 maart, gehoord om zijn aanvullend rapport voor te stellen en om de vragen van de leden van het Nationaal Pensioencomité te beantwoorden. De vraag met betrekking tot de compatibiliteit van het deeltijds pensioen met de bestaande eindeloopbaanregelingen, meer bepaald het eindeloopbaantijdskrediet, is een van de fundamentele vragen die moeten worden onderzocht door de leden van het Nationaal Pensioencomité.

 

De regering zal zich daarna moeten uitspreken over de tekstontwerpen, die hopelijk vóór het einde van de legislatuur definitief goedgekeurd zullen worden.

 

07.03  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de minister, zoals ik verwacht had, is het geen kwestie van weken, maar veeleer van zowat twee jaar.

 

Begrijp ik het goed dat daarover gisteren uitleg is gegeven vanwege de Academische Raad aan het Nationaal Pensioencomité?

 

07.04 Minister Daniel Bacquelaine: Ja.

 

07.05  Jan Spooren (N-VA): Die documenten zal ik opvragen.

 

Zijn er bij die uiteenzetting nieuwe inzichten verspreid?

 

07.06  Daniel Bacquelaine, ministre: M. Vandenbroucke a exposé son document et les conclusions du Conseil académique devant le Comité national des Pensions hier. Tout le monde est d'accord sur le principe de la pension partielle mais la difficulté vient de ce que vous avez justement soulevé, à savoir qu'il faut évidemment régler le problème du crédit-temps, de l'interruption de carrière, de fin de carrière.

 

Par ailleurs, il y a tout le problème actuariel du calcul. C'est beaucoup plus complexe, parce qu'il faut qu'on ait un calcul actuariel de la pension partielle par rapport à l'espérance de vie qui reste après l'âge auquel on décide de prendre une partie de sa pension. C'est quelque chose de très compliqué.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Pensioenen over "de diplomabonificatie" (nr. 17211)

08 Question de M. Vincent Van Quickenborne au ministre des Pensions sur "la bonification pour diplôme" (n° 17211)

 

08.01  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de diplomabonificatie. Collega Becq en collega Janssens hebben reeds vragen gesteld, maar die gingen over iets anders. Ik heb een aantal punctuele vragen bij het akkoord dat is bekomen in de Ministerraad over de diplomabonificatie.

 

Ten eerste, in verband met de leeftijd, de leeftijd vanaf dewelke men het diploma kan omzetten in pensioen, het diploma kan afkopen. Ik heb vernomen dat de leeftijd voor werknemers en zelfstandigen 20 jaar zou zijn. Ik vind dat een beetje vreemd en ik ga u zeggen waarom. Bij de toelichting van uw beleidsnota hebt u uitdrukkelijk gezegd dat het zou kunnen vanaf de leeftijd van 18 jaar. Blijkbaar is het nu 20 jaar geworden. Ik vind dat vreemd, des te meer omdat in het wetsontwerp de leeftijd van 20 jaar wordt geschrapt. Ik begrijp het niet goed, de Ministerraad zegt dat het 20 jaar wordt maar in het wetsontwerp dat u zult indienen, staat dat de leeftijdsvoorwaarde van 20 jaar wordt geschrapt. Ik begrijp niet goed hoe u dat gaat oplossen, hoe u dat kunnen rijmen.

 

Ten tweede, ik merk opnieuw een andere behandeling tussen werknemers en zelfstandigen, enerzijds, en ambtenaren, anderzijds. Bij de ambtenaren kan men het afkopen vanaf 18 jaar, bij werknemers en zelfstandigen pas vanaf 20 jaar. Ik vind dat niet eerlijk, ik vind dat discriminatoir. Ik begrijp niet waarom men bij de werknemers en zelfstandigen strenger is dan bij de ambtenaren.

 

Het derde probleem, mijnheer de minister, is dat men met de leeftijd van 20 jaar slechte studenten bevoordeelt ten opzichte van goede studenten. Waarom? Iemand die vanaf zijn 18e vier jaar studeert en afstudeert met 22 jaar, zal maar twee jaar kunnen afkopen. Iemand die vanaf zijn 18e studeert, twee jaar blijft zitten, en afstudeert met 24 jaar, zal vier jaar kunnen afkopen. Een slechte student wordt dus beter beloond dan een goede student. Ik vind dat niet aanvaardbaar, ik vind dat niet rechtvaardig, en ik vind dat ook niet passen in de geest van deze hervorming.

 

Kortom, de regel van 20 jaar vindt ik een problematische regel. Maar goed, u stelt voor in het wetsontwerp die regel te schrappen. Ik stel dus voor dat wij het gewoon houden bij het wetsontwerp. Dan zijn al vele problemen opgelost.

 

Ik hoor echter ook dat men verwacht dat de meerderheid een amendement zal indienen om die 20 jaar toch weer in te voeren. Ik vind dat niet evident, collega’s. Ik zeg dat nu al, in alle vriendelijkheid. De minister vindt dat ook niet echt nodig. Dat is positief, collega’s.

 

Ik weet trouwens van wie die vraag komt.

 

08.02  Daniel Bacquelaine, ministre: Je croyais que c'était une demande de l'Open Vld.

 

08.03  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Non, non. Pas de l'Open Vld. D'un autre parti, monsieur le ministre!

 

08.04  Daniel Bacquelaine, ministre: En tout cas de la N-VA, mais l'Open Vld aussi était d'accord.

 

08.05  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Oui. Mais il y a le gouvernement et il y a le parlement!

 

Pour ce qui est du financement, comme on a introduit la règle de vingt ans et on a continué à discuter au sein du gouvernement, cette mesure n'entrera en vigueur que le 1er juin au lieu du 1er mars.

 

08.06 Minister Daniel Bacquelaine: Ja, ik hoop het.

 

08.07  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Comme vous, je suis déçu. Tout à fait.

 

Mais, monsieur le ministre, le fait que cela n'entre en vigueur que le 1er juin au lieu du 1er mars a certainement des effets budgétaires. Vous aviez prévu une recette de 41 millions d'euros pour cette année-ci. Quel effet cette mesure aura-t-elle sur le budget? Peut-on dire qu'au lieu de 41 millions d'euros, on espère avoir…

 

Moeten wij de regel van drie toepassen en uitkomen op zowat 25 miljoen euro? Is daarmee rekening gehouden voor de begroting? Wij moeten de begroting immers op een ernstige manier voorbereiden.

 

Monsieur le ministre, ma troisième question vous avait déjà été posée par M. Spooren et moi-même. Il s'agit de la problématique du pensioenval, du piège à la pension: quand quelqu'un augmente sa pension en brut pour finalement recevoir moins en net. C'est absurde, mais ce n'est pas de votre faute. C'est la réalité actuelle. Je ne sais pas quand vous allez trouver une solution à cela, en collaboration avec le ministre des Finances. Je pense qu'il faut trouver une solution au plus tard le 1er juin, date d'entrée en vigueur du nouveau système. Quel est le timing?

 

Ma quatrième question rejoint celle de Mme Becq. Je soutiens bien évidemment cette mesure; mais vous savez très bien que c'est une mesure complexe et difficile. Ce serait une bonne chose que le site mypension propose un outil de simulation permettant de calculer si quelqu'un tire un avantage de cette mesure, ou non. Sinon, je crains que personne n'osera utiliser cette mesure et que les recettes budgétaires ne suivront pas. Je vous demande donc s'il est possible de prévoir un outil de simulation.

 

08.08  Daniel Bacquelaine, ministre: En fait, on a décidé, effectivement, de limiter le bénéfice de la régularisation, mais uniquement pendant la période transitoire. Trois ans. La règle générale, c'est dix-huit ans pour tout le monde.

 

De algemene regel is 18 jaar voor iedereen, zowel voor zelfstandigen als voor werknemers en ambtenaren. Voor de ambtenaren is dat nu al het geval.

 

Pour les indépendants et les salariés, pour le moment, c'est vingt ans. Il n'y a pas de discrimination, puisque l'on garde le système actuel pendant la période transitoire de trois ans. La règle générale sera bel et bien modifiée: ce sera dix-huit ans pour tout le monde. J'avoue qu'il s'agit d'un compromis. Nous en avons discuté en Conseil des ministres. Il y avait une demande très forte de la part de la N-VA sur la question. Elle ne s'en est pas cachée. Vous l'avez déjà exprimé à plusieurs reprises. Au demeurant, l'Open Vld était plutôt d'accord avec cette conception. Il a été acquis que la règle serait bien la même pour tout le monde. Je tenais absolument à aboutir à une véritable harmonisation. Voilà pour la règle générale! Toutefois, nous avons décidé, en partie pour une raison budgétaire, que, pendant la période transitoire, nous allions garder cette limite de vingt ans – comme c'est déjà le cas pour les indépendants et les salariés.

 

Les estimations budgétaires de l'administration, donc quarante et un et quarante-deux millions, tablaient sur dix-huit mille régularisations effectuées par le régime salarié pendant la période transitoire. Ces estimations reposaient sur le comportement qui avait été observé lors d'une précédente réforme, qui avait porté la période de régularisation de cinq à dix ans après la fin des études.

 

Mais, vu que la régularisation peut, dans le cadre de la réforme actuelle, s'effectuer jusqu'au terme de la carrière professionnelle, il a semblé plus prudent de prendre un nombre de régularisation supérieur à celui estimé par l'administration. C'est la raison pour laquelle la limite des 20 ans d'âge a notamment été prévue.

 

De impact op de begroting 2017, verbonden aan deze beslissing, wordt momenteel onderzocht in het kader van de werkzaamheden met betrekking tot de begrotingscontrole. Bovendien heeft de regering het Federaal Planbureau belast met het analyseren van de impact op de vergrijzingkosten op langere termijn. Er was geen enkele reden om deze analyse af te wachten, gezien de positieve budgettaire impact op langere termijn van de hervorming in haar geheel.

 

De beperking tot de leeftijd van 20 jaar heeft geen betrekking op de ambtenaren.

 

Il n'y a pas de discrimination. Les partenaires sociaux n'ont pas été consultés sur cette modification puisque la concertation avait déjà eu lieu. C'est intervenu en deuxième lecture, après que l'avis des partenaires sociaux ait déjà été rendu. L'avis rendu par le comité de gestion du Service fédéral Pensions en date du 21 décembre 2016 n'est pas un avis unanime. Il reprend un nombre important de considérations émanant tant des employeurs que des travailleurs.

 

Sur la question de l'avantage financier procuré par le rachat des années d'études, les employeurs ne se prononcent pas, même s'ils disent souscrire à l'objectif global de la réforme. Les représentants des travailleurs indiquent que la mesure peut être positive pour certains travailleurs mais ils relèvent la problématique du pensioenval, du piège à la pension. C'est un problème qui date de quelques années et que l'on a du mal à résoudre. On a essayé de le résoudre au Parlement début 2016, à l'unanimité, mais cela n'a pas fonctionné. C'était une proposition de M. Laaouej et de Mme Wilmès, qui avaient essayé de trouver un système qui permette de résoudre ce pensioenval.

 

On l'a résolu en partie dans le sens où il n'y a pas vraiment de diminution de pension. Mais il y a le fait qu'une augmentation de pension brute peut très bien ne pas se répercuter sur la pension nette. On retrouve ce problème pour les pensions entre 15 518 et 16 600 euros bruts par an. Mais ce n'est pas un problème de rachat des années d'études, c'est vrai pour toute augmentation de pension, que ce soit l'indexation, l'enveloppe bien-être, le pécule de vacances, etc. Tous ceux qui se situent dans cette fourchette-là ne bénéficient pas de l'augmentation.

 

Nous avons donc mis en place, avec le ministre Van Overtveldt, un groupe de travail pour ce dossier, rassemblant mon cabinet et ceux des ministre Borsus et Van Overtveldt. J'espère que l'on arrivera rapidement à une solution technique à cet effet de seuil.

 

Vous le savez, dans le domaine des pensions, il y a une réduction d'impôts, qui est classique dans les allocations de remplacement, mais dont l'effet n'a pas été calculé en fonction de l'arrêt de la réduction. Cet arrêt implique que l'on se retrouve avec un taux beaucoup plus élevé. C'est à ce problème, qui est énorme puisqu'il concerne tout de même 128 000 personnes, qu'il faut aujourd'hui trouver une solution.

 

08.09  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): (…)

 

08.10  Daniel Bacquelaine, ministre: Il y a un coût budgétaire, puisque la solution impliquera une diminution des recettes.

 

08.11  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): (…)

 

08.12  Daniel Bacquelaine, ministre: Moins d'impôts pour les gens.

 

Donc, cela concerne 128 000 personnes et j'espère que l'on va pouvoir régler le problème pour le contrôle budgétaire de fin mars, c'est-à-dire … maintenant.

 

Overeenkomstig met wat in de teksten is opgenomen, zal de administratie alle nuttige informatie geven aan de personen die hun studiejaren wensen te regulariseren. Die informatie heeft onder meer betrekking op de pensioenrechten die uit de uitgevoerde regularisatie resulteren.

 

Ik zal de administratie bovendien vragen de mogelijkheid te onderzoeken om in dat verband een simulatietool in mypension.be te integreren.

 

08.13  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

Bien sûr, en politique, il faut faire des compromis. Mais il y a un argument auquel vous n'avez pas répondu – inconsciemment, je pense –, c'est celui selon lequel c'est injuste.

 

08.14  Daniel Bacquelaine, ministre: Je suis d'accord.

 

08.15  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Ma demande est la suivante: pourquoi ne pas dire, par exemple, qu'au lieu de vingt ans, on prend l'âge de dix-huit ans et on limite, notamment, le nombre d'années à régulariser? À ce moment-là, on peut donner la possibilité à tous les étudiants … 

 

08.16  Daniel Bacquelaine, ministre: Je ne veux pas réintroduire une situation discriminatoire. En fait, on garde le système actuel – c'est-à-dire dix-huit ans pour les fonctionnaires, vingt ans pour les indépendants et les salariés –, mais uniquement comme mesure transitoire. La règle générale, ce sera dix-huit ans pour tout le monde. Je ne veux pas inventer un nouveau système entre les deux. Parce qu'alors si j'invente un nouveau système positif, ce sera une discrimination.

 

08.17  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Pourquoi?

 

08.18  Daniel Bacquelaine, ministre: Parce qu'il n'y aura qu'un nombre limité pour les indépendants et les travailleurs salariés et il y aura le nombre normal pour les fonctionnaires.

 

08.19  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Qu'on le limite aussi pour les fonctionnaires.

 

08.20  Daniel Bacquelaine, ministre: C'est impossible! On l'a testé. On doit tenir compte des droits acquis. Prenons l'exemple d'un fonctionnaire qui a déjà accompli les trois quarts de sa carrière. Il a fait quatre ans d'études. Il aura automatiquement droit à trois années gratuites et à une année de régularisation pour les années qu'il doit encore prester.

 

Ce système n'est donc pas compatible avec une limitation du nombre d'années d'études dans la mesure où on serait confronté à un casse-tête chinois extrêmement difficile à régler.

 

Si on veut maintenir les droits acquis pour les années déjà effectuées par un fonctionnaire durant sa carrière, on doit lui permettre de bénéficier d'une régularisation gratuite des années correspondant à la proportion des années déjà réalisées. Selon moi, on ne peut pas revenir en arrière. Et, plus fondamentalement, il ne faut pas réinventer un nouveau système, au risque de compliquer tout le modèle. Les choses sont en effet déjà suffisamment compliquées.

 

Il est ici question d'une période transitoire de trois ans. Après ces trois années, les gens qui seront dans les dix premières années de leur carrière pourront racheter des années d'études qu'ils n'ont pas pu racheter. Par la suite, ils pourront toujours le faire, mais à la valeur actuarielle, ce qui me semble assez normal.

 

Comme vous l'avez soulevé, la limite de vingt ans ne figurait pas dans mon projet initial parce que je trouvais que c'était injuste par rapport aux élèves qui ne doublent pas. En effet, les élèves qui doublent seront favorisés. Autrement dit, on favorise les étudiants qui réussissent le moins bien, ce qui est un peu dommage.

 

08.21  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): C'est injuste et inexplicable.

 

08.22  Daniel Bacquelaine, ministre: Je l'ai dit. C'est la raison pour laquelle on a pris du retard.

 

En effet, je m'accrochais à l'idée selon laquelle il est plus logique de favoriser les élèves qui réussissent bien. Je souhaitais aussi que ce système puisse être applicable aux contrats d'apprentissage. Or, en général les contrats d'apprentissage ne visent pas les vingt ans, mais les dix-huit ou dix-neuf ans.

 

08.23  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Quand l'étude du Bureau fédéral du Plan sortira-t-elle?

 

08.24  Daniel Bacquelaine, ministre: On la leur avait demandée pour le 15 mars mais je ne sais pas où ils en sont aujourd'hui.

 

08.25  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Supposons que cette étude vous donne raison et dit que l'effet budgétaire est positif, tant à court terme qu'à long terme; il faudra éventuellement revoir cette mesure des vingt ans. Je regrette de devoir le dire mais nous aurons certainement aussi le débat au parlement.

 

08.26  Daniel Bacquelaine, ministre: Pour ma part, j'essaie de respecter les accords obtenus au gouvernement. Tout le monde connaissait ma position initiale. Maintenant, je me rallie à la solution de compromis qui a été trouvée par le gouvernement. Je trouve qu'il faut respecter cela. Voilà. Le parlement sera effectivement sollicité par rapport à un amendement sur ce dossier mais je répète que cela concerne uniquement la période transitoire. Ce n'est pas la règle générale.

 

08.27  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Nous verrons. Il est un peu prématuré de le dire mais, à présent, vous connaissez mes préoccupations qu'apparemment vous partagez, monsieur le ministre.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega’s, bedankt voor de vragen.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.20 uur.

La réunion publique de commission est levée à 11.20 heures.