Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 15 maart 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 15 mars 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 15.07 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 15.07 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het verlenen van strafvermindering mits een gift aan een goed doel" (nr. 17117)

01 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'octroi d'une réduction de peine moyennant un don caritatif" (n° 17117)

 

01.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, politierechter Peter Vandamme verklaarde bereid te zijn om een dronken bestuurder strafvermindering te geven, als die bestuurder met een gulle gift het fonds voor verkeersslachtoffers steunt. Er wordt een signaal gegeven dat, mits men er iets voor wil betalen, ook al is het aan een mooie en goede organisatie, de rechter een mildere straf toekent.

 

Niet iedereen heeft geld over. De vraag is of het gaat om een schending van het gelijkheidsprincipe.

 

Eigenlijk luidt dan de boodschap dat het niet zo erg is, indien men rijdt en drinkt, zolang men maar spijt betoont, en als men dan bovendien geld over heeft en dat aan een goed doel geeft, ontloopt men de straf die men anders zou krijgen.

 

Naar mijn mening is dat een slag in het gezicht van iedereen die zich reeds jarenlang inzet voor de BOB-campagnes, waarin wij altijd horen dat rijden en drinken nooit samengaan.

 

Mijnheer de minister, graag had ik uw mening over die kwestie gekend.

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, als minister van Justitie onthoud ik mij van iedere vorm van commentaar op concrete gerechtelijke behandelingen en uitspraken door een strafrechter, uitgesproken bij volledige kennis van het dossier. In het door u aangehaalde geval heeft de politierechter de zaak uitgesteld voor verdere behandeling en dus is er nog geen definitieve uitspraak gedaan in openbare zitting.

 

De rechter heeft de plicht om bij de motivering van de schuld en de toemeting van de straf rekening te houden met alle relevante feiten en omstandigheden, eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de beklaagde. Dat is het principe van de individuele behandeling in het strafrecht.

 

Uit de gegevens die u mij aanreikt, leid ik allerminst af dat de rechter de straffeloosheid benaarstigt of een discriminatie zou invoeren.

 

Beleidsmatig kan ik u meegeven dat ik samen met collega Bellot, minister van Mobiliteit, ernstige verkeersdelicten, waaronder alcoholintoxicatie, efficiënter wil aanpakken, met de mogelijkheid voor de rechter tot een strengere bestraffing. Morgen worden die voorstellen besproken in een interkabinettenwerkgroep.

 

01.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de investeringen in de informatisering van Justitie" (nr. 17038)

02 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les investissements réalisés dans l'informatisation de la Justice" (n° 17038)

 

02.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, mijn vraag handelt inderdaad over de investeringen in de informatisering bij Justitie. De informatisering gaat met sprongen vooruit, in die zin dat bijna honderd procent van de uitspraken van hoven van beroep en arbeidshoven elektronisch beschikbaar zal zijn vanaf 1 januari 2018. Dit moet ook gelden voor de lagere rechtbanken.

 

In het kader van dit dossier inzake informatisering zou ik nog eens willen terugblikken op de gemoedelijke periode van 2005, toen het contract met het bedrijf Unisys werd ontbonden. Wij zijn intussen twaalf jaar verder en ik had graag eens een stand van zaken gekregen in dit dossier.

 

Is dit volledig afgesloten? Heeft dit een invloed gehad op de snelheid en kwaliteit van de informatisering van de Rechterlijke Orde? Welke stappen zijn er in deze legislatuur al ondernomen om die achterstand ongedaan te maken?

 

Wanneer ik kijk naar de begroting van Justitie, is het onderscheid moeilijk te maken tussen de investeringen in het domein Rechterlijke Orde, enerzijds, en het gevangeniswezen, anderzijds. De kredieten voor ICT lijken allemaal samengenomen te zijn.

 

Daarom had ik de volgende concrete vragen. Hoeveel werd en zal worden gespendeerd tijdens deze legislatuur aan kredieten voor ICT van de Rechterlijke Orde, enerzijds, en van het gevangeniswezen, anderzijds?

 

02.02 Minister Koen Geens: De verbreking van het contract met Unisys en de daaropvolgende gerechtelijke procedure is een complex juridisch dossier dat ik heb geërfd uit de vorige legislaturen. De raadslieden van beide partijen zijn actief in overleg om een oplossing te vinden. Om deze besprekingen een maximale kans op slagen te geven, is het aangewezen dat ik de vertrouwelijkheid van de onderhandelingen respecteer.

 

U hebt gelijk als u aangeeft dat het mislukken van het Phenix-project, dat specifiek de digitalisering van de werkprocessen van de Rechterlijke Orde beoogde, ons vele jaren tijd heeft doen verliezen op dat vlak. Met ambitie en doorzettingsvermogen, maar vooral ook met bescheidenheid, trachten wij het tij te keren.

 

Zoals u aangaf in uw verwijzing naar de media, maken wij vooruitgang, maar meer dan wie ook weet ik dat de weg nog lang is. Desalniettemin worden nu steeds meer stappen voorwaarts zichtbaar. Het zou ons te ver leiden om in het kader van deze mondelinge vraag een volledige toelichting te geven over de ICT-strategie en haar uitvoering. Liever verwijs ik op regelmatige tijdstippen naar de verwezenlijkingen. Er is e-Deposit en VAJA, waarnaar u verwees. Op 1 april treedt RegSol, het elektronisch platform voor faillissementsdossiers in werking om onze griffiers te ontlasten van de 200 000 neerleggingen van schuldvorderingen per jaar. Over enkele weken zal ook het elektronisch platform voor elektronische betekeningen opstarten.

 

Het is correct dat de begrotingsposten voor ICT van Justitie werden samengevoegd in de begroting van 2016 en 2017 en dat zal ook zo zijn in de volgende jaren. De investeringen en recurrente kosten inzake ICT van de verschillende entiteiten binnen Justitie zijn immers sterker met elkaar verbonden dan men denkt. Zo gebruiken nu alle diensten dezelfde gebruikersomgeving, qua desktop, laptop en Windows-basisgebruikerssoftware. De contracten inzake datalijnen, datacenters, de firewall enzovoort zijn gemeenschappelijk.

 

In het kader van de redesign zullen bovendien deze aankopen en dienstverleningscontracten in de toekomst steeds meer met de andere FOD’s worden gedeeld. Daarom werden ook alle begrotingskredieten inzake ICT van Justitie samengebracht om tot een meer coherent gebruik ervan te komen. Naarmate we steeds meer standaardiseren en schaalvoordelen opzoeken, is het onderscheid immers artificieel.

 

Door deze manier van werken hebben wij in de afgelopen jaren reeds enkele miljoenen euro’s aan besparingen kunnen realiseren.

 

02.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik onthoud dat de onderhandelingen inzake de ontbinding van dat contract nog altijd lopen. Ik hoop dat dit binnenkort op een voor de overheid succesvolle manier kan worden afgerond.

 

Ik zal het antwoord nog eens aandachtig nalezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het slachtofferfonds" (nr. 17039)

03 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "le Fonds d'aide aux victimes" (n° 17039)

 

03.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, we weten allemaal dat iemand die in strafzaken veroordeeld wordt tot een boete vanaf 26 euro daarbovenop een bijdrage dient te betalen aan het slachtofferfonds. Ik heb de tijd nog gekend toen het ging om 100 euro, maar dat is nu verhoogd naar 200 euro. Het bedrag werd verhoogd omdat er op een bepaald moment tekorten waren bij het fonds. Er was onvoldoende geld om alle slachtoffers te kunnen uitbetalen.

 

De bedragen waartoe veroordeelden gehouden zijn, zijn heel fel verhoogd. In de cijfers zien we dat er de voorbije jaren overschotten zijn bij het fonds. Ik heb de cijfers bij mijn vraag vermeld. Zo was er in 2015 een overschot van 13,7 miljoen euro in het slachtofferfonds.

 

Vorig jaar werd over een wetswijziging gestemd die erop neerkomt dat de reguliere hulp opgetrokken werd tot 125 000 euro en de dringende hulp tot 30 000 euro, dat meer slachtoffers een beroep kunnen doen op het fonds en dat de rechtsplegingsvergoeding voortaan valt onder procedurekosten die vergoed kunnen worden.

 

Daarom heb ik een aantal vragen voor de minister.

 

Is het mogelijk om de cijfers te geven van ontvangsten en uitgaven voor het jaar 2016 en het aantal ingediende verzoeken en positieve beslissingen?

 

Is het mogelijk een vergelijking te maken sinds 2012 tussen de gerealiseerde inkomsten en het toegekende bedrag?

 

Is er al een mogelijke evaluatie van de wetswijziging van juni 2016, met in het bijzonder de nieuwe wijze van aangifte? Mensen kunnen voortaan ook elektronisch bij het fonds terecht voor hun verzoek.

 

Een aantal nabestaanden van slachtoffers klagen over de papierwinkel die ze toch nog steeds moeten verzamelen om hulp en vergoedingen te krijgen. Slaan die klachten evenzeer op dit fonds? Is de elektronische mogelijkheid nog onvoldoende bekend tot vandaag?

 

03.02 Minister Koen Geens: De commissie nam in 2016 1 464 beslissingen voor een totaal bedrag van 11 513 482 euro, waarvan 1 101 865 euro voor slachtoffers van terrorisme.

 

Hierbij moet onmiddellijk worden opgemerkt dat de beslissingen van de commissie niet noodzakelijk in hetzelfde jaar worden betaald en vereffend. De reden hiervoor vindt zijn oorzaak in het feit dat het rekeningnummer waarop de toegekende financiële hulp wordt gestort, niet altijd onmiddellijk volgt na de betekening van de beslissing. Dit kan soms meerdere maanden aanslepen. Voor 2016 werden de ontvangsten geraamd op 40,8 miljoen euro.

 

De stand van zaken in 2016 vóór de wetswijziging ziet er als volgt uit. Er volgen nu heel veel cijfers. Mag ik u die zo meedelen, want het is onlees­baar? Allemaal interessante cijfers natuurlijk.

 

Wat de vraag naar de papierwinkel voor de slachtoffers betreft, kan ik melden dat de slachtoffers van de aanslagen zeer tevreden zijn over de rol van het slachtofferfonds. Er werd onmiddellijk na de aanslagen een uniek telefoonnummer en mailadres gecreëerd dat 24 op 24 en 7 dagen op 7 beschikbaar was. Het slachtofferfonds is zeer proactief tewerkgegaan, heeft de slachtoffers zelf gecontacteerd alsook de ambassades voor de buitenlandse slachtoffers, om ondersteuning te bieden bij de samenstelling van het dossier. Men moet begrijpen dat een minimum aan gegevens nodig is om adequate financiële hulp te kunnen bieden. Het volstaat bovendien dat de slachtoffers één dossier indienen bij het slachtofferfonds om in aanmerking te worden genomen voor het statuut van nationale erkenning. Op de website van de FOD zijn er meerdere modelverzoekschriften terug te vinden.

 

Wat de elektronische procedure betreft, worden de resultaten van de e-box binnen Justitie afgewacht, om verspilling van de middelen en afwijkende procedures te vermijden.

 

03.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Dank u voor dit antwoord. Ik zal de cijfers aandachtig bekijken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het recente arrest van het Grondwettelijk Hof in verband met de verbeurdverklaring in strafzaken" (nr. 17070)

04 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "le récent arrêt de la Cour constitutionnelle relatif à la confiscation en matière pénale" (n° 17070)

 

04.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, vandaag verplicht onze strafwet alle rechters om de zaken die hebben gediend om een misdrijf te plegen, alsook de vermogensvoordelen die zich in het patrimonium van de veroordeelde bevinden, verbeurd te verklaren.

 

In drugszaken betekent dit bijvoorbeeld dat de wagen die diende om de drugs te vervoeren, verbeurd wordt verklaard, evenals de omzet die werd gerealiseerd dankzij deze drugshandel. Deze omzet — en niet de winst — kan honderdduizenden tot miljoenen euro's bedragen. In de praktijk betekent dit dat deze bedragen, die middels bijzondere verbeurdverklaring op effectieve wijze worden aangerekend, vaak onmogelijk terug te betalen zijn door de veroordeelden. Daarom neemt de rechter soms zijn toevlucht tot een deel voorwaardelijke en een deel effectieve verbeurdverklaring.

 

In de eerste helft van vorige maand heeft het Grondwettelijk Hof in dit verband beslist dat de huidige wet en de verplichte verbeurdverklaring de Grondwet schenden. Rechters moeten rekening kunnen houden met de financiële toestand van de beklaagde, als zij over een bijzondere verbeurdverklaring oordelen. Zij mogen daar niet meer automatisch toe overgaan omdat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het ongestoord genot van ieders eigendom beschermt. Elke aantasting daarvan moet billijk zijn.

 

Ik heb in dit verband drie vragen.

 

Ten eerste, heeft uw kabinet ondertussen dit arrest geanalyseerd en de gevolgen ervan kunnen bekijken?

 

Ten tweede, wil u op termijn een ontwerp voorstellen inzake dit probleem?

 

Ten derde, is het volgens u een optie om artikel 43bis, laatste lid van het Strafwetboek, zodanig te wijzigen dat de daarin vervatte matigingsbevoegdheid van de rechter uitgebreid wordt naar de zaken bedoeld in artikel 42, 1° en eventueel artikel 42, 2°?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, het arrest van het Grondwettelijk Hof en de gevolgen ervan op het terrein worden momenteel besproken door het expertisenetwerk strafrechtspleging van het College van procureurs-generaal. Ik wens dan ook graag de zienswijze van het College te kennen alvorens een concrete aanpassing van de betreffende wetsbepalingen voor te stellen.

 

In zijn arrest nr. 12/2017 van 9 februari 2017 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de verplichte bijzondere verbeurdverklaring, bij toepassing van artikel 43 van het Strafwetboek, slechts een schending inhoudt van artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, in zoverre het de rechter ertoe verplicht een straf op te leggen die dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie deze is opgelegd dat zij een schending van het eigendomsrecht inhoudt.

 

De rechter zal dus voortaan nagaan of de bijzondere verbeurdverklaring de financiële situatie van de persoon niet dermate aantast dat er een onbillijk evenwicht ontstaat tussen het algemeen belang en de grondrechten van het individu.

 

Het komt mij voor dat ook het openbaar ministerie met de billijkheid en de proportionaliteit van deze bijzondere straf rekening zal moeten houden in de strafvordering. Het klopt dat voor de vermogensvoordelen uit het misdrijf en de goederen en de waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, bedoeld in artikel 42, 3° van het Strafwetboek, een dergelijke aanpassing werd opgenomen in het laatste lid van artikel 43bis van het Strafwetboek. Een mogelijke oplossing bestaat erin een soortgelijke bepaling in artikel 43 op te nemen. Prima facie lijkt het mij echter beter dit niet in artikel 43bis op te nemen, aangezien heel dit artikel uitsluitend de verbeurdverklaring van de zaken in artikel 42, 3° betreft.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice sur "le rapatriement à Bagdad d'un suspect de terrorisme" (n° 17094)

05 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie over "de repatriëring van een terreurverdachte naar Bagdad" (nr. 17094)

 

05.01  Emir Kir (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, en février dernier, j'ai interpellé le secrétaire d'État, M. Francken, sur le rapatriement à Bagdad d'un suspect de terrorisme. L'homme aurait eu des contacts avec des suspects de terrorisme en Allemagne et aurait été renvoyé de force de Belgique vers l'Irak. Le secrétaire d'État m'a alors répondu que cette question ne relevait pas de ses compétences ni de celles de l'Office des Étrangers et qu'elle devait être posée aux ministres de la Justice et de l'Intérieur.

 

J'avoue que nous étions en plein débat sur la loi du 9 février sur l'expulsion des étrangers. Cette loi a été déposée par M. Francken, alors qu'elle était présentée sous le signe de la sécurité. Je lui avais alors fait observer que ces matières relevaient de vos compétences et de celles du ministre de l'Intérieur, M. Jambon. Mais ne faisons pas de formalisme.

 

Monsieur le ministre de la Justice, je voudrais vous poser les questions suivantes. Des concertations avec les pays concernés sont-elles prévues dans ce genre de cas? En l'espèce, les autorités allemandes ont-elles été contactées, voire ont-elles donné leur aval, avant cette expulsion?

 

Pouvez-vous nous confirmer que les enquêtes nécessaires, quant à l'existence d'éventuels réseaux terroristes en Union européenne et en Belgique, ont été faites avant l'expulsion?

 

Nous sommes évidemment soucieux comme vous de la sécurité nationale et de celle de tous nos concitoyens mais, au vu des éléments avancés dans la presse, on parle de quelqu'un qui a eu des contacts avec des personnes suspectes. Qui détermine-t-il et contrôle-t-il le fait qu'une personne constitue effectivement une menace pour la sécurité nationale?

 

Par ailleurs, notre pays dispose désormais de toute une série d'instruments judiciaires visant à lutter contre le terrorisme, mais c'est au final l'option "expulsion" qui a été retenue ici. Comment la décision finale est-elle prise dans ce genre de cas?

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Kir, je regrette de devoir indiquer que votre question ne me permet pas d'identifier le cas individuel concerné et que, de toute façon, je ne pourrais pas commenter si une procédure pénale est en cours. Elle ne me permet pas non plus de déterminer le type de situation qui est visé.

 

Je crois comprendre qu'il s'agit d'une expulsion, donc une mesure administrative vis-à-vis d'une personne connue, d'une manière ou d'une autre, pour terrorisme. Je n'ai pas d'indication sur le type de procédure liée au terrorisme qui serait visée ni même s'il existe ou s'il a existé une procédure pénale.

 

Dans un récent cas d'expulsion vers l'Irak, il s'agissait d'une personne ayant été condamnée en Belgique mais qui avait purgé sa peine et était sortie de prison. La décision d'expulsion est donc une décision purement administrative sans lien avec la procédure pénale en Belgique, puisque celle-ci est clôturée. Si la personne dont l'expulsion est envisagée par l'Office des Étrangers fait l'objet d'une enquête pénale, l'expulsion requiert l'accord du ministère public ou du juge d'instruction.

 

Si la personne dont l'expulsion est envisagée par l'Office des Étrangers a été condamnée et est en train de purger une peine de prison de plus de trois ans, l'expulsion nécessite une décision du tribunal d'application des peines et le ministère public est entendu. Si la peine, en train d'être purgée, est de moins de trois ans, l'accord de l'administration pénitentiaire suffit.

 

L'administration pénitentiaire est évidemment sensibilisée aux besoins de la lutte antiterroriste et est en contact permanent avec les services de police et de renseignements. Des règles précises existent pour assurer la relation entre la procédure d'expulsion et la procédure pénale, en particulier dans les dossiers de terrorisme, afin d'éviter les contradictions entre les différentes décisions.

 

S'agissant de la relation entre les mesures administratives belges d'éloignement du territoire, d'une part, et d'une enquête pénale dans un État membre de l'Union européenne, d'autre part, il est ici aussi difficile de se prononcer sans mieux connaître le type de situation visée. Néanmoins, si la personne est suspecte dans une procédure pénale dans un autre État européen et emprisonnée sur notre territoire, l'État européen en question aura le plus souvent émis un mandat d'arrêt européen afin de s'assurer de garder le contrôle de la personne une fois la peine belge purgée. L'exécution du mandat d'arrêt européen prime sur la procédure administrative d'éloignement du territoire.

 

Enfin, s'agissant du motif de l'éloignement du territoire, cette question relève du secrétaire d'État à l'Asile et la Migration.

 

05.03  Emir Kir (PS): Monsieur le président, je remercie le ministre pour la réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. Éric Thiébaut au ministre de la Justice sur "l'avenir de la police scientifique de Mons-Tournai" (n° 17112)

06 Vraag van de heer Éric Thiébaut aan de minister van Justitie over "de toekomst van de wetenschappelijke politie van Bergen-Doornik" (nr. 17112)

 

06.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, c'est peu dire que le projet du gouvernement de réduire le nombre de laboratoires de la police technique et scientifique de quatorze à cinq pour toute la Belgique suscite d'énormes inquiétudes auprès du personnel concerné.

 

Si je prends l'exemple des agents de la police judiciaire fédérale de Mons - Tournai, c'est l'incompréhension et la crainte qui dominent. Ils vivent déjà une situation compliquée du fait d'un désinvestissement chronique de leur service, tant en personnel qu'en matériel. Ils ne sont ainsi que dix-sept personnes à travailler au sein du laboratoire de Mons - Tournai alors qu'ils devraient être au moins trente-quatre, selon le cadre.

 

Dès lors, lorsque votre collègue ministre de l'Intérieur affirme que "pour un pays d'une surface réduite tel que la Belgique, il va de soi qu'une organisation composée de cinq laboratoires accrédités est réaliste pour l'exécution de ces tâches", cela passe assez mal.

 

Le risque que les délais d'intervention s'allongent et nuisent à la qualité du travail des enquêteurs est réel. Dans leur avis rendu l'an dernier, le Conseil des procureurs du Roi, suivi par le Collège des procureurs généraux, ne s'y trompent pas: ils souhaitent qu'il y ait au minimum un laboratoire par police judiciaire fédérale, soit, au minimum quatorze laboratoires pour le pays. C'est essentiel pour le travail tant de la police que de la justice.

 

Dès lors, monsieur le ministre, voici mes questions.

 

Quel est l'objectif réel visé par ce projet? Ne risque-t-il pas de détériorer encore davantage un service en faveur des citoyens et le travail des enquêteurs sur le terrain? Quelle serait la plus-value de la réduction du nombre de labos?

 

Défendez-vous auprès du ministre de l'Intérieur l'avis conjoint du Collège des procureurs généraux et du Conseil des procureurs du Roi qui plaide pour le maintien de quatorze laboratoires sur tout le pays?

 

Quelle réponse pouvez-vous apporter aux agents concernés qui craignent pour leur avenir et leurs conditions de travail?

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Thiébaut, le principe de la réforme des laboratoires de la police technique et scientifique n'est pas un but en soi mais une nécessité juridique imposée par l'Europe avec la décision-cadre 2009/905/JAI du 30 novembre 2009.

 

L'obligation de l'accréditation constitue une garantie formelle pour la qualité de l'analyse de traces, de la fiabilité des résultats et d'un échange aisé avec d'autres pays de l'Union européenne soumis identiquement à cette norme.

 

Pour ce qui concerne les laboratoires de la police, le champ d'application de la décision-cadre européenne se limite à l'analyse des empreintes digitales effectuées dans les locaux de la police en tant que back office. La décision-cadre ne s'applique donc pas au relèvement des traces sur le terrain par ce qu'on appelle le front office.

 

On compte actuellement quatorze laboratoires de la police, dont celui de Mons - Tournai, répartis sur vingt-six sites. S'y ajoutent le laboratoire central et les services d'identification judiciaire de la direction centrale de la police technique et scientifique.

 

Du fait de l'obligation européenne d'accréditation, la police fédérale a élaboré différents scénarios pour atteindre les normes de qualité imposées. Comme cette accréditation entraîne évidemment un coût budgétaire supplémentaire, chaque scénario tient compte du management, des ressources humaines, de l'ICT, de la logistique et de l'infrastructure. À la demande de mon collègue M. Jambon et de moi-même, un certain nombre de scénarios sont encore en cours d'élaboration. C'est pourquoi je ne peux pas faire maintenant de déclaration définitive sur une éventuelle répartition entre front et back office, sur le nombre et sur l'implantation au sein du paysage policier.

 

Je suis conscient que c'est cet aspect surtout qui préoccupe le personnel des laboratoires. Je peux néanmoins déjà vous confirmer que l'absolue nécessité d'atteindre la norme de qualité en matière d'accréditation imposée par l'Europe sera conciliée, aussi bien que possible, avec un service à la population et aux divers partenaires de la police aussi efficace que possible.

 

06.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Vous n'avez pas beaucoup répondu à mes questions, mais je prends acte.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het zelf bekostigen van een defibrillator" (nr. 17118)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le financement d'un défibrillateur par fonds propres" (n° 17118)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, onlangs hebben de magistraten van het hof van beroep van Antwerpen zelf een automatische defibrillator in hun hal bekostigd. Zij hebben onder meer een pannenkoekenslag moeten organiseren om het geld voor zo'n toestel bijeen te krijgen.

 

De FOD Justitie is blijkbaar momenteel niet in staat om automatische, externe defibrillators te plaatsen in de gerechtsgebouwen van het land. Dat is het zoveelste voorbeeld waaruit blijkt dat de FOD Justitie de grootste moeilijkheden heeft om te voorzien in een basisinfrastructuur in de gerechtsgebouwen, in het belang van zowel het gerechtspersoneel als de rechtzoekenden. Volgens de Arbowet is de werkgever verplicht om voor de veiligheid en het welzijn van de werknemers en de bezoekers te zorgen. Men kan dus opperen dat het plaatsen van een defibrillator in openbare gebouwen daaronder valt.

 

Mijnheer de minister, acht u een defibrillator noodzakelijk in een gerechtsgebouw?

 

Bent u van plan om binnenkort budget vrij te maken om te voorzien in defibrillators in de gerechtsgebouwen?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik verwijs naar het antwoord dat ik in de commissie al een aantal keer heb gegeven en dat nog steeds toepasselijk is. Ik wil het gerust nog even herhalen.

 

Het plaatsen van een AED-apparaat is actueel geen wettelijke verplichting. Het is ook niet standaard geïnstalleerd in de gerechtgebouwen. Dat neemt niet weg dat de correcte inzet van dergelijke toestellen bij bepaalde acute hartaandoeningen onmiskenbaar een levensreddend karakter kan hebben. Daarbij zijn mijn diensten een optie aan het uitwerken om een samenwerkingsverband aan te gaan met een vzw, om via een gedeelde financiering toch toestellen te kunnen installeren. Dat voorstel wordt binnenkort ter akkoord voorgelegd aan het gemeenschappelijk beheerscomité met de gerechtelijke diensten, waarna het nog de normale validatieprocedure moet doorlopen.

 

Tot slot wil ik nog meegeven dat zo’n installatie alleen maar nuttig is indien ook wordt voorzien in de nodige omkadering qua opleiding, nazicht en onderhoud van de toestellen.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Als het toestel er hangt, spreekt het voor zich dat de mensen een toelichting moeten krijgen bij de werking ervan. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook in de sporthallen in Brugge.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de voorwaardelijke celstraf voor de verkrachting van een minderjarige met een mentale handicap" (nr. 17132)

08 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la peine d'emprisonnement avec sursis pour le viol d'une mineure atteinte d'une déficience mentale" (n° 17132)

 

08.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de correctionele rechtbank in Turnhout heeft een eenentwintigjarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van veertig maanden veroordeeld voor verkrachting en aanranding van een minderjarige van vijftien jaar met een mentale achterstand. Zij hebben elkaar leren kennen op een jongerenkamp in 2015, waarna het seksueel misbruik voortduurde tot in de zomer van 2016. De man moet zich enkel aan bepaalde voorwaarden houden en moet niet terug naar de gevangenis. Hij mag geen enkel contact hebben met het slachtoffer en haar ouders. Hij mag niet deelnemen aan activiteiten die gericht zijn op minderjarigen, of deze organiseren. Hij moet een begeleiding volgen voor zijn seksuele problematiek.

 

Daarover heb ik twee vragen. Bent u van oordeel dat dit een gepaste veroordeling is voor seksueel misbruik bij een minderjarige met een mentale achterstand? Oordeelt u niet dat ons gerechtelijk systeem ondermaats presteert inzake veroordelingen van verkrachtingen?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, als minister van Justitie onthoud ik mij van iedere vorm van commentaar op concrete gerechtelijke uitspraken. In de straftoemeting kiest de rechter de meest doeltreffende straf met het oog op de bescherming van de maatschappij en de slachtoffers en het vermijden van recidive door bijvoorbeeld het opleggen van strikte voorwaarden in het kader van therapie en begeleiding.

 

Beleidsmatig kan ik u verwijzen naar talrijke projecten die wij in deze legislatuur reeds hebben opgestart om het strafrechtelijk beleid inzake verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld te versterken.

 

Naast concrete richtlijnen aan de parketten nemen we initiatieven om de aangiftebereidheid te verhogen, om beter bewijsmateriaal te verkrijgen en om een optimale opvang en ondersteuning van de slachtoffers te waarborgen. In het kader van het nieuwe Strafwetboek worden door de expertencommissie ook de strafbepaling en de strafmaat onder de loep genomen om tot een meer coherent en accuraat instrumentarium te komen.

 

08.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de verkoop van een onroerend goed via e-mail" (nr. 17149)

09 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la vente d'un bien immobilier par e-mail" (n° 17149)

 

09.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, bij het kopen of verkopen van een huis wordt er vaak via e-mail onderhandeld over een bod, of wordt op basis daarvan een verkoopovereenkomst opgemaakt. Het Antwerpse hof van beroep heeft nu geoordeeld dat de overeenkomst tussen koper en verkoper per mail geen enkele juridische waarde heeft. Deze beslissing druist in tegen de filosofie van de digital act, waarbij men digitale documenten op gelijke voet plaatst met papieren tegenhangers.

 

Tegenwoordig kan men e-mails niet meer wegdenken. Het lijkt mij dus frappant dat de wetgeving ter zake nog niet is aangepast.

 

Minister De Croo wil ingrijpen en de wet aanpassen, zodat een verkoopovereenkomst ook kan worden afgesloten via digitale weg.

 

Mijnheer de minister, bent u het eens met het voorstel van uw collega De Croo, die bereid is een wetgevend initiatief te nemen om het mogelijk te maken dat men per e-mail contracten kan afsluiten?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik wil u er in eerste instantie op wijzen dat specifiek voor het tot stand komen van vastgoedtransacties, naast de algemene rechtsprincipes van contractrecht en bewijsrecht, ook bijzondere regels gelden die zowel vervat zijn in de federale wetgeving, bijvoorbeeld de voorafgaande identiteitscontrole en het verstrekken van informatie, als in de gewestelijke decreten, bijvoorbeeld aangaande de bodemtoestand, de stedenbouwkundige informatie en het verstrekken van voorafgaande informatie ter zake.

 

Los hiervan kan worden opgemerkt dat e-mail en andere vormen van elektronische communicatie in de huidige maatschappij inderdaad niet meer weg te denken zijn bij het afsluiten van contracten. Zoals ik reeds in december van vorig jaar heb aangegeven in mijn plan tot hercodificatie van de basiswetgeving, is het bewijsrecht in burgerlijke zaken in het algemeen verouderd en niet aangepast aan de technologische ontwikkeling.

 

De vraag tot aanpassing rijst niet enkel in deze specifieke zaak waarover het hof van beroep te Antwerpen moest oordelen, maar ook in het bewijsrecht, vervat in het Wetboek van economisch recht, dat aan de oorzaak van het probleem ligt.

 

Ik deel dan ook uw bezorgdheid met betrekking tot de nood de wetgeving op dit vlak te moderniseren. Ik zal elk initiatief in die zin ondersteunen. Tegelijk zal ik ook de werkgroep die belast is met de hervorming van het bewijsrecht vragen bij de globale hervorming van de bewijsregels in het Burgerlijk Wetboek de nodige aandacht aan dit vraagstuk te willen besteden.

 

09.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dank u wel. Ik ben een beetje gerustgesteld, maar ik heb niet helemaal begrepen of minister De Croo daarvoor de nodige stappen zal ondernemen of dat dit verder via u gaat. Dat was niet heel duidelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Justitie over "de code voor statistische gegevens" (nr. 17170)

10 Question de M. Johan Klaps au ministre de la Justice sur "le code des données statistiques" (n° 17170)

 

10.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, om een dossier inhoud te geven, zijn cijfers en statistieken uiteraard van cruciaal belang. Op die manier krijgen wij een beeld van een bepaalde problematiek en kunnen wij daarop zo nodig inspelen. De cijfers moeten dan uiteraard wel beschikbaar zijn. Als plaatsvervanger in deze commissie heb ik slechts beperkt nood aan statistieken uit de commissie. Ik vraag dan ook enkel cijfers op als zij noodzakelijk zijn voor een dossier in een andere commissie of als zij betrekking hebben op de stad waar ik woon.

 

Zo stelde ik onlangs een vraag naar cijfers met betrekking tot het beroepsverbod bij veroordeelden. Het antwoord hierop was dat voor de bijkomende straf die het artikel 4, § 3 van de drugswet omvat, in geen specifieke strafcode is voorzien voor statistische gegevens op basis van het strafregister. Het is in dit geval de nomenclatuurcommissie die beslist om al dan niet een code aan te maken.

 

Gezien het belang van die cijfers, maar ook van andere cijfers, had ik graag het volgende geweten.

 

Op basis van welke criteria beslist de nomenclatuurcommissie of een code voor statistische gegevens al dan niet wordt aangemaakt?

 

Wat is de volledige procedure voor het aanmaken van een dergelijke code?

 

Kunnen er van buiten de nomenclatuurcommissie suggesties worden gedaan om bepaalde straffen van een code te voorzien met het oog op verdere opvolging? Zo ja, hoe moeten wij dat dan doen? Zo niet, vindt u dat dit mogelijk zou moeten zijn?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, in de tweede helft van de jaren ’90, toen er nog diverse politiediensten waren, zoals de gemeentepolitie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij het parket, richtten de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie een nomenclatuurcommissie op met als doel de uniformiteit in de nomenclatuur te behouden tussen de verschillende diensten, zoals politie en parket, alsook de politionele basisnomenclatuur af te stemmen met de overige niveaus in de strafrechtsbedeling, zoals het parket en de griffie.

 

De nomenclatuurcommissie is echter niet bevoegd voor de nomenclatuurcodes van het strafregister. Het strafregister bevat codes op basis van de uitgesproken straffen, die op hun beurt verwijzen naar het betrokken artikel uit de wet dat het feit strafbaar stelt. Zo is er ook een code voor het beroepsverbod, met name code 700, met subcodes. De codetabel wordt opgesteld door de dienst van het strafregister, die deel uitmaakt van de FOD Justitie, en hij wordt bij elke wetswijziging betreffende strafbare feiten aangepast. De codetabel is een intern instrument voor de dienst van het strafregister. Buitenstaanders kunnen er geen wijzigingen in aanbrengen.

 

10.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, wij moeten toch eens zoeken naar een systeem om het eventueel wel consulteerbaar te maken, want in verschillende beroepscategorieën is een beroepsverbod een van de elementen op basis waarvan wordt beoordeeld of iemand al dan niet een licentie krijgt om zijn beroep uit te voeren. Als buitenstaanders daar weinig of geen informatie over krijgen, dan rijst in de praktijk wel een groot probleem. Ik roep u dus op om daar toch eens naar te kijken en een oplossing voor te leggen aan de commissie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "l'annulation de la loi réformant les droits de greffe par la Cour constitutionnelle" (n° 17126)

11 Vraag van de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van de wet tot hervorming van de griffierechten" (nr. 17126)

 

11.01  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le président, monsieur le ministre, je sais que Mme Lambrecht est déjà intervenue à ce sujet et que nous connaissons les circonstances de l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 9 février dernier annulant la loi du 28 avril 2015, portant réforme des droits de greffe, ce qui, à l'époque, avait été largement contesté. En somme, celle-ci s'inscrit dans la logique juridique de l'avis du Conseil d'État et, en conséquence, je ne reviendrai pas sur les aspects juridiques.

 

Par contre, je reviendrai sur un élément de réponse que vous aviez donné à Mme Lambrecht, lors de son intervention du 22 février dernier en commission, lorsque vous avez déclaré avoir initié une concertation en vue d'examiner la manière de régler cette question avant le 31 août 2017, délai imposé par la Cour constitutionnelle, et que votre administration proposerait prochainement une solution. J'ose le croire!

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir quels acteurs sont-ils concernés par cette concertation? Les barreaux seront-ils représentés - ils sont quand même à la base de cet arrêt? Dans le cas où vous me répondriez que la réflexion est en cours, ce dont je me doute, n'y a-t-il pas lieu de prendre des engagements précis pour peut-être énoncer un de ces principes exorbitants qui voulait que la perception de droits de greffe soit fixée "demandeur par demandeur" et non plus "cause par cause", ce qui engendrait des conséquences préjudiciables quant à l'accès à la justice.

 

11.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Maingain, comme déjà énoncé en commission de la Justice le 22 février dernier, je réfléchis avec mon administration et le SPF Finances à la manière de réformer la législation relative aux droits de greffe suite à l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 9 février 2017. La réflexion est toujours en cours mais je peux néanmoins déjà confirmer que les différents acteurs concernés par cette réforme seront consultés en temps utile et que l'accès à la justice restera un objectif poursuivi par la réforme.

 

11.03  Olivier Maingain (DéFI): Je remercie le ministre pour sa réponse totalement évasive. Mais il ne nous dit toujours pas quels acteurs seront associés à sa concertation. Ce serait souhaitable. Mais j'entends qu'il garde le silence sur le sujet. On verra bien le résultat. Plus il concertera, plus il préviendra les risques juridiques.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "les 'boîtes à bébés' et la nécessité d'un cadre légal sur l'accouchement anonyme ou discret" (n° 17127)

12 Vraag van de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de vondelingenschuiven en de nood aan een wettelijk kader inzake anoniem of discreet bevallen" (nr. 17127)

 

12.01  Olivier Maingain (DéFI): Le sujet est très différent, il faut le reconnaître. Je n'aime pas l'expression "boîte à bébés". Je le dis tout de suite, bien qu'elle soit en usage. Récemment, monsieur le ministre, une telle boîte a été installée à Evere, fin janvier. On en connaît le principe. On sait que cette pratique crée la polémique. Le délégué général aux droits de l'enfant en Communauté française considère que ces boîtes constituent un palliatif malheureux à l'absence de possibilité légale d'accoucher dans la discrétion en Belgique.

 

Au niveau international, les Nations unies ont également considéré que ce mode d'accueil des bébés constituait une entrave au droit des enfants à connaître leurs origines. Plus concrètement, il faut bien avouer que ces boîtes posent problème, en ce que les bébés sont abandonnés avec l'impossibilité totale d'obtenir des informations sur leur patrimoine génétique ou sur d'éventuelles anomalies.

 

L'Allemagne en a tenu compte et a adopté en 2013 une loi permettant l'accouchement dans la discrétion, garantissant l'anonymat de la femme qui donne naissance tout en assurant la transmission d'informations médicales importantes et la possibilité pour l'enfant, à ses seize ans, de solliciter auprès d'un juge la levée de cet anonymat. On sait que la France a également légiféré, plutôt en privilégiant l'accouchement anonyme.

 

Si ce système n'est pas exempt de critiques, on observe malgré tout que, sur les 600 femmes qui accouchent annuellement sous X en France, entre 50 et 100 d'entre elles seraient de nationalité belge. Il y a donc une attente en Belgique pour la mise en place d'un cadre légal, sans compter que, sans celui-ci et sans des soins périnataux de qualité, les accouchements clandestins, de même que les infanticides à la naissance, resteront malheureusement une réalité, même si, heureusement, on ose le croire, celle-ci est totalement marginale. Elle n'est cependant pas totalement inexistante.

 

Monsieur le ministre, avez-vous une idée du nombre de bébés qui sont ainsi recueillis chaque année, notamment dans d'autres boîtes, dont celle qui existe à Borgerhout? Constatez-vous une évolution de ce mode d'abandon des enfants – puisqu'il faut bien parler d'abandon? A-t-on une idée du nombre d'infanticides à la naissance enregistrés par an en Belgique? J'ose espérer que la statistique sera quasiment nulle. Prendrez-vous l'initiative de modifier le Code civil pour aller vers une législation proche de celle qui a été adoptée en France et en Allemagne ou assez similaire à celle-ci, ou laisserez-vous ce soin au Parlement, avec une réelle marge d'initiative? Avez-vous éventuellement constitué un groupe d'experts, un réseau d'information, à ce propos? Bref, je souhaiterais connaître votre position sur cette problématique.

 

12.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Maingain, dans ma réponse, je m'inspirerai largement de la réponse que j'ai donnée à une question écrite de Mme Fonck le 10 mars 2017.

 

Selon les chiffres qui m'ont été communiqués, l'officier de l'état civil de la ville d'Anvers, district Borgerhout, a dressé et inscrit en 2007 un procès-verbal d'abandon dans les registres de naissance. Il a dressé un procès-verbal en 2009, deux en 2012, un en 2014, deux en 2015 et un en 2017.

 

Le Collège des cours et tribunaux n'a pas été en mesure de me communiquer en temps utile le nombre d'infanticides par année. Néanmoins, les statistiques du service de la politique criminelle me permettent de déterminer le nombre de condamnations pour infanticide de ces dernières années: un cas en 2009, deux cas en 2010, deux cas en 2011, pas de cas en 2012, un cas en 2013, pas de cas en 2014, un cas en 2015.

 

Plusieurs propositions de loi qui visent à permettre l'accouchement discret ont déjà été introduites au Parlement et sont toutes traitées en commission de la Justice. Plusieurs parlementaires partagent en effet vos préoccupations concernant la création d'un cadre législatif pour l'accouchement anonyme ou discret. Cette question doit cependant être examinée avec attention.

 

Comme vous l'indiquez, il convient de tenir compte de l'article 7 de la Convention relative aux droits de l'enfant et de l'article 8 de la Convention européenne des droits de l'Homme qui consacrent respectivement le droit des enfants de connaître leurs origines et le droit à l'identité. Par ailleurs, il faut que le droit au respect de la vie privée et familiale des parents, fondé sur l'article 8 de la Convention européenne des droits de l'Homme, soit également respecté. En outre, il faut examiner soigneusement si l'introduction de ce régime ne comporte pas d'autres conséquences indésirables. Ainsi, il est susceptible d'ouvrir la porte à la cession d'enfants à des fins qui ne sont pas visées par un tel régime, tels des motifs commerciaux dont il peut être question en cas de gestation pour autrui. De même, le recours à semblable régime pourrait avoir lieu dans des situations autres que des cas de force majeure.

 

Certes, l'expérience à l'étranger est indubitablement utile dans ce débat, mais je rappelle qu'il existe déjà pas mal de mécanismes d'accueil, comme l'assistance organisée par les Communautés.

 

Vu ce qui précède, il me semble indiqué que le débat se poursuive en commission de la Justice en prenant en compte les différents facteurs énoncés ci-dessus.

 

12.03  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de minimale dienstverlening in gevangenissen" (nr. 17131)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de stand van zaken van de invoering van de gegarandeerde dienstverlening in de gevangenissen" (nr. 17240)

13 Questions jointes de

- Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "le service minimum dans les prisons" (n° 17131)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "l'état d'avancement de l'instauration du service garanti dans les prisons" (n° 17240)

 

13.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, eind vorig jaar werd de Belgische Staat door het hof van beroep te Luik veroordeeld tot het betalen van dwangsommen aan gedetineerden in de gevangenis van Lantin. Dat was de uitkomst van een procedure die werd ingesteld door enkele gedetineerden naar aanleiding van de cipiersstaking in mei en juni 2016.

 

De dwangsommen waren aanzienlijk. Mijnheer de minister, mijn fractie dringt al geruime tijd aan – wij hebben daarvoor verschillende voorstellen ingediend – op de invoering van een gegaran­deerde dienstverlening in de gevangenissen. De afwezigheid van die regeling werd al een aantal keer opgemerkt door het Europees Comité ter preventie van foltering en mensonwaardige behandeling.

 

In december 2016 verklaarde u dat u hopelijk op korte termijn zou kunnen communiceren over een gegarandeerde dienstverlening. Wij zijn ondertussen andermaal een aantal maanden later. Wij wachten op uw antwoord.

 

Mijnheer de minister, wanneer heeft het Europees Comité ter preventie van foltering en mensonwaardige behandeling ons land nog aangesproken over de afwezigheid van de minimale dienstverlening in de gevangenissen? Welke timing hebt u toen vooropgesteld om te komen tot een dergelijke regeling?

 

Wanneer kunnen wij effectief een ontwerp tot invoering van de minimale dienstverlening verwachten? Kunt u duidelijkheid geven over de eventueel opgelopen vertraging?

 

Hoe vaak werd ons land in het verleden al veroordeeld tot de betaling van dwangsommen aan gedetineerden naar aanleiding van het ontbreken van de minimale dienstverlening? Over welke bedragen spreken wij dan?

 

13.02  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik ga nog een beetje verder terug in de tijd dan mevrouw Van Cauter, namelijk naar het regeerakkoord, waarin de gegarandeerde dienstverlening is opgenomen. Wij moeten die invoeren, om de basisrechten van gedetineerden te vrijwaren, te meer daar het Europees Comité ter preventie van foltering en mensonwaardige behandeling ons land in gebreke heeft gesteld.

 

Bovendien is er het protocolakkoord nr. 351, dat het Sectorcomité III intussen al sinds 2010 heeft gesloten. Ik herinner mij de vragen en antwoorden daarover met uw voorganger De Clerck nog zeer levendig.

 

Er werd steeds gezegd dat modaliteiten van de gegarandeerde dienstverlening zouden worden bepaald in overleg met de sociale partners. Dat die nodig is, hebben de stakingen in de gevangenissen vorig jaar nog maar eens aangetoond. Nu moet de Belgische Staat zelfs dwangsommen of schadevergoedingen betalen aan een aantal van die gedetineerden ten gevolge van die stakingen.

 

Bovendien moet bij een staking in de gevangenis de politie inspringen en deze keer moest af en toe ook het leger ingezet worden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. De gegarandeerde dienstverlening biedt een essentieel antwoord en maakt het mogelijk dat iedereen bij zijn kerntaken blijft en geen taken moet uitvoeren die de zijne niet zijn. Trouwens, de politie heeft wel andere prioriteiten.

 

Mijnheer de minister, ik heb u hierover reeds regelmatig vragen gesteld. Ook in december heb ik er nog eentje gesteld. U bevestigde mij toen dat u reeds geruime tijd overleg voerde met de vakbonden over de gegarandeerde dienstverlening en dat u daarover op korte termijn concreet wilde communiceren.

 

Ondertussen zijn wij iets meer dan drie maanden verder. Hoever staat het nu met de invoering van de gegarandeerde dienstverlening?

 

Zult u erin slagen om ze in overleg met de sociale partners in te voeren? Als dat niet zo is, zal het Parlement immers een initiatief moeten nemen.

 

Ten slotte, zijn er sinds mijn vraag van december gerechtelijke procedures afgerond waarbij de Belgische Staat veroordeeld werd tot een definitieve schadevergoeding of dwangsom?

 

13.03 Minister Koen Geens: Het European Committee for the Prevention of Torture heeft ons op 17 november van vorig jaar gevraagd naar pertinente informatie betreffende het installeren van een gegarandeerde dienstverlening in gevangenissen. De regering heeft geantwoord de ambitie te hebben om tegen de komende zomer een kaderovereenkomst rond te hebben die de organisatie van de continuïteit van de detentie waarborgt. Het is mijn overtuiging dat wij hiertoe kunnen komen in overleg met de sociale partners.

 

In zijn antwoord van 13 maart jongstleden laat het CPT weten dat het op basis van de evolutie van het dossier tijdens zijn plenaire vergadering van 6 tot 10 maart 2017 beslist heeft om geen public statement uit te vaardigen en het dossier verder op te volgen. In de context van het bezoek van vertegenwoordigers van het CPT aan België in de komende weken zullen zij trouwens hierover met mij overleg plegen.

 

Er wordt continu gewerkt aan het bereiken van de doelstelling.

 

Wat het bedrag van de dwangsommen betreft, kan ik u op dit moment enkel een overzicht geven voor 2016. Naar aanleiding van de stakingen in Brussel en in de Franstalige gevangenissen zijn er twee soorten procedures tegen de Belgische Staat opgestart: eenzijdige verzoeken en kort gedingen. Die twee acties resulteerden in 135 veroordelingen van de Belgische Staat om ervoor te zorgen dat de detentieomstandigheden in overeenstemming zouden zijn met de menselijke waardigheid en dat op straffe van dwangsommen. De bedragen en de details van de dwangsommen zijn variabel, van 20, 250, 300, 500, 1 000, 2 000 of in één geval 10 000 euro per dag voor de niet-naleving van of de inbreuk op het bevel, in alle gevallen vanaf de datum van betekening van het bevel. In de overgrote meerderheid van de gevallen heeft de Belgische Staat derdenverzet aangetekend en/of is hij in beroep gegaan tegen de beslissing. Een groot deel van de zaken is nog aan de gang en de besluiten zijn nog niet definitief.

 

In de gevallen waarin de Belgische Staat derden­verzet heeft aangetekend, werden 24 vorderingen op eenzijdige verzoeken ingetrokken en derhalve de dwangsommen opgeheven. In de zaken waarin de Belgische Staat in beroep is gegaan, hetzij rechtstreeks na een beslissing in kort geding, hetzij na een ongunstige beslissing na het derden­verzet, hebben 34 zaken tot nu toe geleid tot een herziening van het oorspronkelijke bevel en dus tot de opheffing van de dwangsom. In ongeveer 50 % van de zaken in hoger beroep werd er nog geen arrest afgeleverd. Alle beslissingen in hoger beroep zijn nog steeds vatbaar voor beroep.

 

Vandaag heeft de Belgische Staat nog geen enkele dwangsom betaald met betrekking tot een zaak ten gevolge van de stakingen in de lente van 2016.

 

13.04  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, het is in ieder geval een goede zaak dat u verder werkt aan de totstandkoming van een akkoord, maar u zult, samen met mij, moeten toegeven dat men nu toch al lang overleg aan het plegen is. Het is al in te voeren. Vandaag heeft de overheid al heel wat inspanningen geleverd om de werk- en leefomstandigheden in de gevangenissen zoveel mogelijk te verbeteren.

 

U moet gebruikmaken van de rust, die nu heerst op het terrein, nu de gemoederen niet verhit zijn, om gestaag voort te werken aan de gegarandeerde dienstverlening. Het heeft geen zin dat probleem verder voor ons uit te schuiven. Wij hebben nood aan die gegarandeerde dienstverlening en ik hoop dat u ze zo spoedig mogelijk zult invoeren. Wij blijven de kwestie uiteraard van nabij volgen.

 

13.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Ik heb genoteerd dat u tegen de zomer een kadernota wilt uitwerken met de sociale partners.

 

Ik kijk uit naar de zomer, zoals iedereen van ons, maar wanneer ik u over de aangehaalde kwestie hoor zeggen dat u tegen de zomer met een oplossing komt, dan is dat, eerlijk gezegd, voor mij een déjà vu. Dat hoor ik al sedert 2011 en 2012. Het jaar nadien zal het weer tegen de zomer zijn. Ondertussen is het al 2017 en is de gegarandeerde dienstverlening er nog steeds niet. Ik reken daar heel erg op.

 

Ik ben het eens met collega Van Cauter. Momenteel is er rust, gelukkig maar. U moet het ijzer smeden nu het heet is. Na de inspanningen van vorig jaar door uw medewerkers en uw kabinet is het ogenblik aangebroken om een oplossing te vinden voor de gegarandeerde dienstverlening, waarvan iedereen op termijn beter kan worden. Daar ben ik ten stelligste van overtuigd. Onze steun hebt u. Ik hoop echt dat ik hier volgend jaar samen met u niet zal moeten uitkijken naar de zomer van 2018 om die gegarandeerde dienstverlening te verkrijgen, maar dat het voor één keer deze zomer kan zijn. Er bestaat een liedje van Rob De Nijs “Het werd zomer”, welnu laat het de komende zomer worden alstublieft.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de onbetaalde gerechtskosten" (nr. 16873)

14 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "les frais de justice impayés" (n° 16873)

 

14.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een vraag waarvan ik uit het verslag heb begrepen dat ze reeds gedeeltelijk is beantwoord aan een collega. Het is een vraag die door mij werd gesteld naar aanleiding van de berichtgeving over een aantal forensische tanddeskundigen die niet betaald zijn voor prestaties die ze hebben verricht, onder meer naar aanleiding van de identificatie van de slachtoffers van 22 maart. Hun facturen zouden tot nu toe onbetaald zijn gebleven.

 

Mijnheer de minister, ik heb gelezen dat een aantal van die facturen inmiddels reeds betaald zijn. Er zou nog één factuur openstaan. Ik kan mij dan ook beperken tot de vraag of die resterende factuur ook effectief is betaald.

 

Mijn vraag heeft nog een tweede onderdeel en dat gaat meer in het algemeen over de problematiek van de achterstallige betalingen van de gerechtskosten.

 

Mijnheer de minister, men heeft inspanningen gedaan om in bijkomende middelen te voorzien, zodat de achterstallige facturen van Justitie konden worden betaald. Naar we kunnen lezen in de pers is er voor meer dan 140 miljoen euro aan achterstallige facturen betaald. We kunnen dit ook gedeeltelijk afleiden uit de bespreking van de begroting voor het afgelopen jaar.

 

Mijnheer de minister, ik weet dat u inspanningen hebt gedaan om enige uniformiteit en systematiek te krijgen in de registratie van de opdrachten, de facturen en de betaalopdrachten, zodat een en ander vlot kan verlopen. Blijft nog de vraag hoe het nu zit met die achterstallige facturen? Is er nog een achterstand in de betalingen? Zo ja, hoeveel bedraagt die achterstand? Hoeveel achterstallige facturen zijn er inmiddels betaald en dat voor de verschillende jaren, zoals ik dit schriftelijk heb gevraagd?

 

14.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Cauter, de aanstelling van een deskundige in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, waarbij bijkomende onderzoeksdaden moeten worden verricht, gebeurt op initiatief van het parket, van een onderzoeksrechter of van de politie.

 

De FOD Justitie kan kostenstaten enkel behandelen indien zij in een centraal boekhoudkundig systeem werden geregistreerd. Dat veronderstelt dat een opdracht aan een deskundige op een correcte manier op de griffie of op het parketsecretariaat werd geregistreerd. Dat veronderstelt dat een magistraat de vordering van een deskundige heeft gecontroleerd en dat de griffie de vraag tot betaling van de kostenstaat heeft geregistreerd.

 

De kostenstaten worden pas daarna voor controle en inbetalingstelling naar de dienst Gerechtskosten van de FOD Justitie doorgestuurd. Indien de kostenstaat door een griffie of parket niet wordt doorgegeven, is ze door de FOD niet gekend en kan ze dus ook niet worden betaald.

 

De drie tandartsen kregen hun opdrachten van twee onderzoeksrechters. Intussen werden de administratieve formaliteiten vervuld om alle facturen in betaling te stellen. De grootste facturen zijn inmiddels betaald. Ik verwijs voor nadere details graag naar het antwoord op vraag nr. 16808 van mevrouw Lambrecht.

 

De basisallocatie in de begroting van Justitie, waarin de kredieten voor de uitgaven inzake de gerechtskosten op strafzaken zitten, is letterlijk al jaren op rij onderhevig aan een onderfinanciering, waardoor in het verleden zowat elk jaar een niet onbelangrijk volume aan achterstallen naar een volgend jaar diende te worden meegenomen. Bij mijn aantreden in 2014 bleek dat volume van onbetaalde kostenstaten tot meer dan 62 miljoen euro te zijn opgelopen.

 

Door het verkrijgen van extra kredieten via de begroting voor de interdepartementale provisie en door interne herverdelingen op het budget van Justitie zelf, kon sinds 2014 de hiernavolgende evolutie worden gerealiseerd op de kredieten voor uitgaven inzake de gerechtskosten in strafzaken. In 2014 was er een initieel krediet van 87,5 miljoen euro, dat na een vastleggingskrediet tegen eind 2014 naar 100 miljoen euro evolueerde, waarbij concreet voor 97,3 miljoen euro kon worden vereffend, wat ten aanzien van het initiële budget 12,5 miljoen euro extra is.

 

In 2015 was er een initieel krediet van 70,9 miljoen euro, dat na een vastleggingskrediet tegen eind 2015 naar 146,3 miljoen evolueerde, waarbij concreet voor 147 miljoen euro werd vereffend, wat 75,4 miljoen euro extra is.

 

In 2016 was er een initieel krediet van 73 miljoen euro, dat na een vastleggingskrediet tegen eind 2016 naar 105,9 miljoen euro evolueerde, waarbij concreet voor 105,8 miljoen euro werd vereffend, wat 32,9 miljoen euro extra is.

 

In 2017 is er een initieel krediet van 77 miljoen euro, waarbij naar analogie van 2016 en ingevolge de opgedreven acties rond terreurbestrijding extra middelen uit de interdepartementale provisie zullen worden geput.

 

Ik doe er alles aan om tot een correcte kredietvoorziening op de begroting te komen die overeenstemt met het gemiddeld jaarlijkse consumptieniveau van ongeveer 106 miljoen euro aan gerechtskosten in strafzaken. Ik kan u echter meedelen dat er op dit moment geen belangrijke achterstallen bestaan.

 

14.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik noteer alvast, en dat is volgens mij een goede zaak, dat er geen achterstallen in de betalingen meer zijn, althans niet wat de geregistreerde en voor betaling doorgegeven facturen betreft. Ik weet niet of het eenmalig was of dat het gebruikelijk is dat tussen het overmaken van de factuur en de registratie ervan, de controle en vervolgens de opdracht tot betalen en de effectieve betaling een jaar verstrijkt. Als dit wel nog het geval is, blijft de perceptie bestaan dat er nog altijd niet correct wordt betaald.

 

Ik neem aan dat uw diensten dit opvolgen, mijnheer de minister. Het zou volgens mij Justitie sieren, mocht men op de ingeslagen weg doorgaan. Ook wat het tijdsverloop betreft tussen het aanleveren van de factuur, enerzijds, en de effectieve betaling, anderzijds, zou men nog wat bijkomende inspanningen kunnen leveren, zodat sneller kan worden overgegaan tot de betaling van de facturen.

 

Het is alvast een heel goede zaak dat de historische achterstand gaandeweg is weggewerkt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het sluiten van 34 vredegerechten in Vlaanderen" (nr. 17152)

- de heer Alain Top aan de minister van Justitie over "het hervormingsplan van de vredegerechten" (nr. 17153)

- de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Justitie over "de sluiting van het vredegerecht in Tubeke" (nr. 17210)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de sluiting van vredegerechten in de provincie Antwerpen" (nr. 17239)

15 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la fermeture de 34 justices de paix en Flandre" (n° 17152)

- M. Alain Top au ministre de la Justice sur "le plan de réforme des justices de paix" (n° 17153)

- M. Stéphane Crusnière au ministre de la Justice sur "la disparition de la justice de paix de Tubize" (n° 17210)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la fermeture des justices de paix dans la province d'Anvers" (n° 17239)

 

15.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is al eventjes bekend dat u een plan hebt om de gerechtelijke kantons te hertekenen op basis van wat u denkt dat een betere geografische verdeling en werklast kan zijn. In totaal gaan er 34 vredegerechten in Vlaanderen dicht, terwijl er in eerste instantie slechts sprake was van 29 sluitingen.

 

In West-Vlaanderen verdwijnen de vredegerechten van Diksmuide, Wervik en Harelbeke. In Geel wordt, op vraag van Justitie, zelfs een nieuw vredegerecht gesloten dat nog niet in gebruik genomen was.

 

Mijnheer de minister, zal de afstand tussen de burger en het gerecht hierdoor niet nog meer vergroten? Is het nu werkelijk de bedoeling dat de mensen de weg naar de vrederechter niet meer vinden?

 

Is al bekend wanneer deze vredegerechten zullen sluiten?

 

Wat gebeurt er met de gebouwen die dan zullen leegstaan?

 

15.02  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous pose aussi une question sur cette fermeture des justices de paix, plus spécifiquement celle de Tubize.

 

Dans le cadre de la réforme des justices de paix, vous avez donc décidé de fermer la justice de paix de Tubize. Cette décision est, pour moi, regrettable étant donné le caractère de proximité de cette juridiction. Les citoyens de Tubize, Ittre et Rebecq devront désormais se rendre à la justice de paix de Nivelles.

 

Dès lors, monsieur le ministre, pour aller droit au but, j'ai trois questions à vous poser.

 

Alors que les justices de paix de Nivelles, Braine-I'Alleud, Jodoigne et Wavre sont maintenues, quelles ont été les raisons qui vous ont poussé à fermer celle de Tubize? Sur base de quels critères objectifs avez-vous pris cette décision?

 

Pouvez-vous me dire quelle incidence cette décision aura en termes de perte d'emplois? Le personnel de la justice de paix de Tubize sera-t-il entièrement reclassé dans d'autres postes de travail?

 

Il ne faudrait pas que le justiciable soit le perdant de cette réforme des justices de paix. Que prévoyez-vous en matière de renfort pour la justice de paix de Nivelles, étant donné que celle-ci voit ses compétences élargies aux communes de Rebecq, Tubize et Ittre?

 

15.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij deze vragen van mijn collega’s. Ik heb de vraag van collega Annick Lambrecht wel niet gehoord. Het gaat evenwel in dezelfde zin.

 

In het voorjaar van 2015 hebt u uw justitieplan gelanceerd. Hierin werd ook een hoofdstuk gewijd aan de vredegerechten. Dit alles heeft aanleiding gegeven tot een grondige rationalisatieoefening en een driefasig plan voor de vredegerechten. Intussen hebt u besloten dat 34 vredegerechten de deuren zullen sluiten. Hierbij zijn ook de vredegerechten van Harelbeke, Diksmuide en Wervik in West-Vlaanderen, dit terwijl Wervik nog een spiksplinternieuw gebouw liet optrekken. Het gebouw is pas 2,5 jaar in gebruik. Er loopt een huurcontract waarin staat dat de Regie der Gebouwen het pand nog tot 2032 moet huren. Er werd nooit contact opgenomen met de burgemeesters van de betrokken steden en gemeenten. Ook over de sluitingsprocedure is niets geweten.

 

Mijnheer de minister, graag kreeg ik een antwoord op enkele vragen. Vierendertig vredegerechten zullen sluiten. Op basis van welke criteria hebt u beslist welke gerechten de deuren moeten sluiten? In antwoord op een parlementaire vraag van de heer Goffin bleek dat bij de keuze voor de nieuwe zetel de volgende criteria zouden worden gehanteerd: de geografische ligging, de staat en de status van het gebouw, de voorkeur van de betrokken vrederechters en voorzitters, waarbij rekening wordt gehouden met de meest praktische plaats en de werklast. Hebt u op basis van diezelfde criteria een beslissing genomen?

 

Ten tweede, als dat het geval is, hoe verklaart u dan dat het nieuwe gebouw in Wervik niet meer zal worden gebruikt? Weegt het ene criterium eventueel zwaarder door dan het andere?

 

Ten derde, in welke mate hield u rekening met het voorstel van de voorzitters van de vredegerechten?

 

Ten vierde, wat zal er gebeuren met het nieuwe gebouw in Wervik, dat nog vijftien jaar gehuurd moet worden?

 

Ten vijfde, wat zal de toekomst zijn van de vrederechters die wel degelijk voor een vredegerecht in een welbepaald kanton werden benoemd dat nu wordt gesloten?

 

Ten slotte, werd deze beslissing reeds goedgekeurd door de Ministerraad?

 

15.04  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb niet de gewoonte om heel lokale vragen te stellen, maar vorige week was ik enigszins verrast toen ik het bericht over de sluiting van de vredegerechten hoorde. Verrast is eigenlijk niet het juiste woord, want ik wist dat u van plan was om een efficiëntieoefening te doen. Toen ik hoorde om welke vredegerechten het ging, specifiek in het Antwerpse – ik ken die regio natuurlijk het beste –, heb ik toch een paar keer vreemd opgekeken. Mijn man vond toch dat ik heel raar keek aan tafel, toen ik dat aan het lezen was. Met mijn iPad aan tafel, ik mag dat eigenlijk niet doen.

 

Ik schrok een beetje, want in Antwerpen gaat het over de sluiting van Hoogstraten, Arendonk, Herentals, Geel, Borgerhout, Berchem, Ekeren en Schilde. Dat is toch heel wat.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn gelukkig wel algemeen. Ik had graag van u vernomen welke besparing u eigenlijk realiseert met die sluiting. Hoeveel is dat voor heel het land en hoeveel specifiek ook voor het Antwerpse? Die cijfers mag u mij altijd geven natuurlijk.

 

Wat heel belangrijk zal zijn in de communicatie – die vragen komen natuurlijk ook binnen – is op basis van welke objectieve criteria besloten werd welke vredegerechten openblijven en welke er gesloten zouden worden.

 

Bovendien, welke toekomst krijgen die gebouwen? Er zijn immers, naar ik meen, gebouwen bij die eigendom zijn van de Belgische Staat. Wat gaat er dan met die gebouwen gebeuren?

 

Ten slotte, heel belangrijk in uw communicatie ook, werden de lokale besturen van de betrokken steden en gemeenten op voorhand door uw kabinet op de hoogte gebracht van de beslissing of is dat niet het geval?

 

Ik weet dat men binnen de vredegerechten en tussen de verschillende zetels op voorhand overleg had gepleegd en zelf voorstellen had gedaan. Deze beslissing wijkt daarvan toch een beetje af. Ik had daarbij graag enige toelichting gekregen van u.

 

15.05 Minister Koen Geens: Goede collega’s, over deze derde fase van het plan vredegerechten, waarover ik al in het justitieplan van maart 2015 heb gesproken was er sedert enige tijd een politiek akkoord bereikt. Daarover is er een ruime consultatie geweest, zowel met de voorzitters van de vrederechters als met de partijverantwoordelijken. Uiteraard is dit een kwestie waarin nooit iedereen gelukkig wordt. Ik zou toch durven zeggen dat dit zo goed gebeurd is als onder de omstandigheden mogelijk was. Iedereen lang op voorhand verwittigen die niet gekend is door zijn eigen instanties levert alleen gevaren op voor grote lekken. Zo werkt dat. Diegenen onder u die ooit verantwoordelijkheid genomen hebben weten dat.

 

De regering is in het kernkabinet hiermee akkoord gegaan. Het is geen persoonlijke beslissing van uw dienaar. Het is een politieke beslissing van heel de regering. Ze moet nog in de Ministerraad passeren op het ogenblik waarop wij het wetsontwerp klaar hebben – heel binnenkort – over de wijziging van de grenzen van de kantons die, zoals u weet, in de bijlage bij het Gerechtelijk Wetboek staan. Dit zal dus via het Parlement moeten passeren. U weet ook dat de afstanden van onze kantons berekend zijn op de afstand die een paard met kar in één dag kan afleggen. Dat brengt met zich mee dat een zekere actualisering dus wel mogelijk was. De meesten onder u zullen zich realiseren dat een reductie met 10 % in deze derde fase absoluut geen overdrijving is, absoluut niet.

 

Er is ook in de mogelijkheid van sous l’arbre voorzien, wat hier ook al meermaals werd toegelicht. Dat is een bepaling die in potpourri V is opgenomen en die nu voor advies naar de Raad van State is verzonden. Ze zal het mogelijk maken de nabijheid te behouden in die plaatsen waar het vredegerecht wordt afgeschaft.

 

De betrokken gemeenten hebben allemaal onmiddellijk na de bekendmaking een persoonlijke brief en een mail ontvangen. Er is, zoals ik al aanhaalde, uitvoerig contact geweest tussen alle regeringspartijen.

 

De criteria die werden gebruikt voor de definitieve lijst sommen de meesten onder u terecht op, zoals de werking, de werklast, de ligging, de staat en het statuut van het gebouw, de economische activiteit, de oppervlakte, het inwonersaantal en dies meer.

 

Het is zeldzaam dat al deze criteria naar een en dezelfde plaats verwijzen. Dat is nogal moeilijk, wanneer zes criteria worden gebruikt. Er moet dan een keuze worden gemaakt.

 

Voor het vredegerecht te Wervik zal mijn administratie contact opnemen met de Regie der Gebouwen, die de verbreking met de eigenaar zal dienen te onderhandelen. Zoals voor alle gebouwen is dat de bevoegdheid van de Regie der Gebouwen.

 

Wanneer het vredegerecht een gebouw verlaat, zal Justitie het opnieuw aan de Regie der Gebouwen overdragen, waarna de Regie der Gebouwen het nodige zal doen om dat gebouw te valoriseren door de opzegging van het huurcontract, door het te verkopen of door er een andere nuttige invulling aan te geven.

 

Het is daar dat de grootste besparing voor de federale overheid ligt, naast een aantal vrederechtersmandaten, die op lange termijn zullen verdwijnen. Het cijfer zal dus later beter kunnen worden ingeschat door de heer Jambon, die voor de Regie der Gebouwen bevoegd is.

 

En ce qui concerne la justice de paix de Tubize, je comprends que cela soit difficile, mais il en va ainsi de tous les sites où une justice de paix sera fermée. On a d'ailleurs déjà reçu le juge de paix de Tubize depuis lors.

 

Ici aussi, les critères généraux ont été appliqués. Pourquoi l'une et pas l'autre? Cela est et reste une question d'appréciation des pour et des contre. Il est tenu compte autant que possible de tous les arguments disponibles, mais à un moment donné, il faut trancher.

 

Nu de beslissing is genomen, is mijn administratie de concrete toepassing aan het uitwerken. Het gaat hier onder andere over een aanpassing van de wet. Het bijvoegsel van het Gerechtelijk Wetboek bevat de opsomming van alle kantons en dat moet worden gewijzigd. Ook een aantal overgangsbepalingen zijn nodig.

 

Dit dossier zal langs de Ministerraad passeren.

 

Lorsque ce travail préparatoire aura été achevé – ce qui sera bientôt le cas –, un calendrier concret sera communiqué. L'objectif est de réaliser le déploiement complet sur environ deux ans. Un plan détaillé sera également établi pour tous les membres du personnel et on examinera où ils seront réaffectés, là où les besoins sont les plus grands mais en tenant compte, dans la mesure du possible, des souhaits.

 

15.06  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, velen betreuren, samen met mij, dat de nabijheid van Justitie flink verslechtert, en dan nog op het niveau waarop de meest kwetsbaren ermee in contact komen. Ik hoor de vergelijking van een afstand die een paard met kar in één dag aflegt. Dat is natuurlijk een mooie boutade, maar veel mensen beschikken niet over een eigen wagen en zullen nu in veel moeilijker omstandigheden het vredegerecht, dat Justitie toch vertegenwoordigt, kunnen bereiken.

 

Ik hoop dat niet alles zo definitief is als het nu lijkt te zijn.

 

15.07  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik wil aanvullen wat mijn collega zegt. Sommige mensen beschikken niet over een voertuig of over de mogelijkheid zich te verplaatsen met het openbaar vervoer. Zij beschikken ook niet over paard en kar. Ik vind het jammer dat deze vergelijking gemaakt wordt.

 

Ik wil wel even ingaan op de besparing.

 

15.08 Minister Koen Geens: Excuseer mij, ik weet dat ik niet mag onderbreken, maar ik vind het niet zo netjes mij op dat paard met kar te pakken. Het is heel evident dat wij op een aantal plaatsen de nabijheid zullen verzekeren. Daar waar het openbaar vervoer problematisch is, zeker.

 

15.09  Alain Top (sp.a): Ik wil even ingaan op de andere punten. Als u het dan toch over besparen en herstructureren hebt, kijk dan naar de twee lokale situaties waarnaar ik verwezen heb.

 

Ik zal beginnen met Wervik. Mijn collega heeft er ook naar verwezen. Daar staat een nieuwbouw die, als ik het goed voorheb, gebouwd is door de stad Wervik, en waarvoor de Regie der Gebouwen nu een huurovereenkomst heeft lopen voor twintig jaar, waarvan al tweeënhalf jaar afgelopen zijn.

 

Dit betekent dat er de volgende 17,5 jaar nog verder betaald zal moeten worden. Ik maak de opmerking dat, enerzijds, deze huur verder betaald zal moeten worden, terwijl de samenvoeging wordt voorgesteld met Menen, waar de Regie der Gebouwen op zoek is naar een geschikte locatie voor uw diensten omdat het vredegerecht daar moeite heeft een plaats te vinden. Ik begrijp dus niet de beslissing om het vredegerecht over te brengen naar Menen, waar er geen geschikte locatie is, terwijl in Wervik nog een huur loopt voor 17,5 jaar.

 

Ik wil ook verwijzen naar het overleg. Ik begrijp dat er discretie aan de dag moet worden gelegd, maar ik begrijp niet dat tot voor een paar maanden in mijn eigen stad, Harelbeke, mensen van uw diensten actief op zoek waren naar een nieuwe locatie voor het vredegerecht. Dat is dus verloren moeite geweest voor die mensen. Het kwam ook als een donderslag bij heldere hemel dat de vrederechter in Harelbeke hiermee werd geconfronteerd.

 

Meer, en dat is dan de volgende vraag waarop ik vandaag geen antwoord heb gekregen of dat ik niet zo duidelijk heb begrepen. Sommige vrederechters worden benoemd op de locatie zelf. Als ik het goed voorheb, zijn de meeste vredegerechten die nu op de lijst staan voor samenvoeging en die zullen verdwijnen, plaatsen waar de vrederechters binnenkort met pensioen gaan of niet benoemd zijn in het kanton zelf, maar op een andere wijze, waardoor ze kunnen worden verplaatst. Heel specifiek is dit voor Harelbeke niet het geval, dus kan men daar geen besparing realiseren.

 

Een laatste bemerking. Ik heb een persaankondiging van de meerderheid gelezen over de strafbaarstelling van krakers. Wie wordt daar genoemd? De vrederechter die in deze zaak meer bevoegdheid krijgt om op te treden. Dat is wel een contradictie: enerzijds wordt de nabijheid van de rechtbank in vraag gesteld, anderzijds pleit de meerderheid er vandaag in een persmededeling voor om de vrederechter inzake krakers meer bevoegdheden te geven.

 

 

15.10  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour ses réponses. Je ne vous cache pas qu'elles me laissent un peu sur ma faim. Je vous demandais des précisions sur les critères; vous avez effectivement cité six critères généraux pour ces fermetures. J'entends bien, mais j'aurais voulu avoir un peu plus de détails sur la comparaison, selon ces différents critères, entre les différentes justices de paix, principalement évidemment dans ma circonscription du Brabant wallon. Je vous ré-interrogerai par écrit afin d'obtenir ces précisions car cela m'interpelle tout de même grandement, surtout qu'in fine, vous avez dit également que la décision était difficile, qu'il avait été compliqué de trouver un seul endroit. Il faut prendre des décisions, certes, mais ce qui me perturbe le plus, ce sont évidemment les consultations qui ont été faites. Vous avez dit avoir consulté les présidents des justices de paix - cela me paraît logique - mais également les responsables des partis; ce qui me semble nettement moins logique. J'ai l'impression que, spécifiquement pour le Brabant wallon, c'est effectivement une décision politique que vous avez prise, puisqu'on peut constater que toutes les justices de paix des villes dirigées par les ministres libéraux ont été maintenues, alors que celles qui le sont par un bourgmestre socialiste ont été supprimées.

 

Je vais donc vous reposer des questions écrites sur ces comparaisons. Comme ma collègue, je trouve que dans un dossier pareil, l'accès à la justice est rendu de plus en plus difficile. Il y a une nécessité, surtout dans les justices de paix, d'une certaine proximité. Je peux vous dire que pour les habitants de Rebecq qui devront se rendre devant la justice de paix de Nivelles, l'accès à la justice ne sera pas facile.

 

15.11  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ten eerste, collega’s van de sp.a, inzake het kraken: er wordt niet zozeer meer bevoegdheid aan de vrederechter gegeven, een snellere procedure is nog iets helemaal anders. Men zal daar sneller kunnen werken. Ik heb de voorbije dagen uitspraken van mensen van uw partij genoteerd. Ik weet dat u uit economische overtuiging het kraken liever toelaat in Gent, dat u het zelfs ziet als een oplossing voor een falend woonbeleid, maar dat geheel ter zijde.

 

Ten tweede, mijnheer de minister, het is misschien toch wel zinvol om sommige collega’s nog eens uit te leggen wat sous l’arbre eigenlijk is, het rechtspreken onder de boom, eigenlijk gewoon in lokalen, in gemeentehuizen. Ik heb u destijds gezegd dat ik mijn bureau als burgemeester ter beschikking stel van de vrederechter als die ter plaatse zou willen komen, als dat nodig zou zijn. Dat is pas een echte nabijheid, en een veel grotere nabijheid dan vandaag. Dat is een mooi principe waar wij aan tegemoet moeten komen.

 

Ten derde, wat uw beslissing zelf betreft, ik ga even helemaal terug naar mijn roots. Ik ben destijds begonnen aan de balie in Herentals, een van de vredegerechten die gaan sluiten. Ik begrijp de efficiëntieoefening. Had u mij op voorhand een pronostiek gevraagd, dan had ik gegokt op Geel of Mol en Herentals, maar ik had nooit gedacht dat Westerlo het zou halen. De beslissing dat Westerlo het haalt, zal waarschijnlijk met het gebouw te maken hebben. U haalt objectieve criteria aan, wat nabijheid, bereikbaarheid en contentieux betreft, maar ik vind het een heel rare oplossing. Herentals is een kleine stad – op mijn eerste werkdag op kantoor heb ik het een dorp durven noemen, wat uiteraard een vergissing was – met socialehuisvestingsmaatschappijen en ziekenhuizen, dus nabijheid en contentieux zou misschien een belangrijker criterium zijn geweest. Ik begrijp die beslissing dus niet goed. Het is echt belangrijk dat u hierover goed communiceert naar de actoren op het terrein en uitlegt waarom die keuze is gemaakt, want voor mij was het alleszins een verrassende keuze. Dat er eentje zou wegvallen, wist ik, maar dat het mooie maar kleinere Westerlo het zou halen op het grotere Herentals was voor mij wel een verrassing, en voor de mensen ter plaatse ook.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Justitie over "het aankaarten van de onbillijkheid van een betalingstermijn tussen ondernemingen op Europees niveau" (nr. 17171)

16 Question de M. Johan Klaps au ministre de la Justice sur "la mise en évidence de l'inégalité des délais de paiement entre les entreprises au niveau européen" (n° 17171)

 

16.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb u in het verleden al vragen gesteld met betrekking tot de betalingstermijn tussen ondernemingen. De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties werd met de invoering van Europese richtlijn 2011/7 verstrengd met als doel de kleine en middelgrote ondernemingen in Europa te ondersteunen. De betalingstermijn tussen ondernemingen werd hierdoor vastgelegd op maximaal zestig kalenderdagen, tenzij de termijn contractueel wordt verlengd. Ook de controle- en verificatietermijn werd wettelijk beperkt tot dertig dagen, tenzij het contract een langere termijn toelaat.

 

In de wet zijn echter enkele beperkingen ingebouwd die ervoor moeten zorgen dat grote bedrijven geen misbruik kunnen maken van hun machtspositie. Zo is het overschrijden van de maximumtermijn, zowel qua betaling als qua controle en verificatie, enkel mogelijk indien dat contractueel werd vastgelegd en mits er geen sprake is van een kennelijk onbillijk karakter van dat contract jegens de schuldeiser. Een rechter kan bij onbillijkheid de termijn inperken.

 

In het antwoord op vraag nr. 13512 van september vorig jaar antwoordde u dat uw diensten geen meldingen of klachten hadden ontvangen over ondernemingen die systematisch handig gebruikmaken van de wettelijk toegestane termijnen om zo een gunstig betalingscontract te verkrijgen.

 

Op de vraag hoeveel ondernemingen er vorig jaar naar de rechtbank zijn gestapt om de onbillijkheid van een betalingstermijn aan te tonen, was het antwoord dat hieromtrent geen gegevens ter beschikking zijn.

 

Niettemin is het een bestaand probleem dat het beste op Europees niveau kan worden aangepakt. De reeds vermelde Europese richtlijn is een belangrijke eerste stap, maar schiet duidelijk tekort in de uitvoering. Het is logisch dat er weinig gevallen zijn van onbillijke betalingstermijnen. Wanneer kleine bedrijven procederen tegen grote bedrijven, kunnen de kleine bedrijven namelijk belangrijke handelsrelaties en inkomsten verliezen, terwijl het voor de grote bedrijven relatief eenvoudig is om nieuwe leveranciers te vinden.

 

Een voorbeeld van die gang van zaken kwam onlangs naar boven in een persmededeling van Telenet. Het bedrijf stelde daarin dat zijn kasstroom was verhoogd, mede dankzij een leverancierskredietprogramma waardoor het de betalingstermijn bij bepaalde leveranciers heeft kunnen verlengen tot maar liefst 360 dagen.

 

Omdat die praktijk voor vele kleine en middelgrote ondernemingen voor liquiditeitsproblemen zorgt en een echte oplossing gevonden moet worden, had ik graag van u het volgende vernomen. Hebt u al contact gehad met de sector om een beter beeld te krijgen van het probleem? Zo niet, bent u van plan om met de sector in overleg te gaan?

 

Zult u de problematiek aankaarten bij uw Europese collega's om tot een oplossing te komen die ook in de praktijk werkt?

 

16.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst een punt van orde aanbrengen. Om 16 u 45 moet ik absoluut tien minuten buiten, omdat er een zendwagen van de radio wacht. Ik kom terug, maar als u uw antwoorden allemaal wilt voor 17 u 00, zal ik snel moeten lezen. Het is zoals u wilt. Men kan de vragen ook omzetten. Ik kom in elk geval terug, maar ik zeg het u maar, ik wil niet onbeleefd zijn.

 

Mijnheer Klaps, artikel 4 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties laat inderdaad ondernemingen toe een langere betalingstermijn overeen te komen dan dewelke in de wet is ingeschreven. Artikel 7 van dezelfde wet voorziet echter in de mogelijkheid voor de schuldeiser om de rechter te verzoeken een contractuele bedinging die, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een kennelijke onbillijkheid tegen hem behelst, te herzien.

 

Het voorbeeld dat u aanhaalt, namelijk de verlengde betalingstermijn die Telenet minstens met een aantal van zijn leveranciers is overeengekomen, in casu 360 dagen, wijst op zichzelf niet noodzakelijk op het ontstaan van onbillijkheden in de verhouding tussen de onderneming-schuldenaar en de onderneming-schuldeiser. Een kleine leverancier-schuldeiser zal immers niet automatisch in een zwakkere positie staan ten opzichte van een grote onderneming-schuldenaar waaraan desgevallend goederen of diensten worden geleverd.

 

16.03  Catherine Fonck (cdH): (…)

 

16.04  Koen Geens, ministre: Vous ne m'avez pas écouté. C'est parce qu'on m'attend.

 

16.05  Catherine Fonck (cdH): (…)

 

16.06  Koen Geens, ministre: L'interprète ne doit pas suivre; ce n'est pas nécessaire. J'ai dit pourquoi.

 

Je peux le faire en français, si vous le désirez.

 

16.07  Catherine Fonck (cdH): Non, non.

 

16.08 Minister Koen Geens: Veel zal immers afhangen van de vraag of de producten of diensten gemakkelijk door een gelijkaardig en evenwaardig alternatief kunnen worden vervangen.

 

Toch kan het inderdaad gebeuren dat een kleine onderneming-leverancier uit vrees om de commerciële relatie schade toe te brengen, haar rechten als schuldeiser niet steeds zal uitoefenen. Dat werd ondertussen erkend door de Europese Commissie in haar verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van de genoemde richtlijn en wordt door haar gezien als een factor die de doeltreffende toepassing van de richtlijn kan belemmeren.

 

De Commissie stelt echter dat die onevenwichtigheden, die inherent zijn aan de markt, niet volledig kunnen worden gecorrigeerd door wetgevende initiatieven alleen, zodat een meer systematisch gebruik van zachte maatregelen en buitengerechtelijke geschillenprocedures, zoals bemiddeling en alternatieve regelingen voor geschillenbeslechting, nuttig lijkt.

 

De Commissie beveelt in haar verslag dan ook aan de richtlijn in haar huidige vorm te behouden. Zij stelt ook vast dat er meer tijd nodig is, vooraleer alle effecten ervan zichtbaar zullen worden. De Commissie zal evenwel richtsnoeren verstrekken voor de vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van betalingstermijnen.

 

Aangezien de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad van de EU door het verslag op de hoogte zijn van de problematiek, lijkt het opportuun om de richtsnoeren van de Commissie ter zake af te wachten.

 

16.09  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Niemand verwacht hier van u een concrete oplossing binnen de maand. Dat is onmogelijk. Een eventuele oplossing moet op Europees niveau worden uitgewerkt. Ook dat is duidelijk.

 

Het feit dat er weinig klachten zijn, wil echter niet zeggen dat er geen probleem is. Het is nu eenmaal in de praktijk voor de kleine toeleveranciers bijna onmogelijk om hieraan zelf contractueel iets te doen, omdat zij afhankelijk zijn van de grote firma's, waarvoor zij vaak zelfs exclusief werken.

 

Ik vraag u met aandrang om het punt op de Europese agenda te houden en, indien mogelijk, stappen in de goede richting te zetten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de deradicalisering in de gevangenissen" (nr. 17178)

- de heer Koen Metsu aan de minister van Justitie over "de radicalisering in gevangenissen" (nr. 17219)

17 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la déradicalisation dans les prisons" (n° 17178)

- M. Koen Metsu au ministre de la Justice sur "la radicalisation dans les prisons" (n° 17219)

 

17.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, dit is een opvolgingsvraag, want in november van vorig jaar heeft de minister mij geantwoord dat op dat moment veertien gedetineerden verbleven op de afdeling Deradex van de gevangenis in Itter en negen gedetineerden in Hasselt. Ongeveer 160 gedetineerden, die op dat ogenblik wegens feiten gerelateerd aan radicalisering in de gevangenis verbleven, zaten toen opgesloten in gewone afdelingen.

 

Mijnheer de minister, u zei dat er op korte termijn werk zou worden gemaakt van een gemeenschappelijk draaiboek met alle initiatieven die worden genomen om het hoofd te bieden aan het probleem van het extremisme en radicalisme. In het bijzonder gaat het over de manier waarop de samenwerking tussen de federale diensten en de gemeenschapsdiensten kan worden geoptimaliseerd. Dit initiatief was geagendeerd op de Conferentie Justitiehuizen van 5 december. De lancering van uw actieplan, dat ook voorzag in een gespecialiseerde omkadering, lag toen al anderhalf jaar achter ons.

 

Intussen raakte begin januari bekend dat een netwerk van experts tegen radicalisering en polarisering, met name UFUNGU, naar buitenlands voorbeeld werkt aan een nieuw programma. U gaf ook mee dat er negen islamconsulenten bijkomend zouden worden aangeworven.

 

Ik zou u vandaag de volgende opvolgingsvragen willen stellen.

 

Hoeveel gedetineerden verblijven momenteel in de deradicaliseringsvleugels? Wat is de respectievelijke maximumcapaciteit? Hoeveel gedetineerden, die worden verdacht van feiten in verband met radicalisering, verblijven in de gewone afdelingen van onze gevangenissen?

 

Is het gemeenschappelijk draaiboek intussen klaar? Zo ja, kunt u het toelichten?

 

Hoe staat u tegenover het initiatief van het netwerk UFUNGU? Hoe verhoudt een en ander zich tot het draaiboek?

 

Zijn de negen bijkomende islamconsulenten intussen aangeworven?

 

17.02  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik zal de context bij mijn vraag weglaten, want ik sluit mij volledig aan bij de vraagstelling van collega Lahaye-Battheu. Ik kom gewoon meteen tot mijn vragen.

 

Hoeveel gedetineerden zitten er momenteel in de gespecialiseerde vleugels in Ittre en Hasselt? Hoeveel gedetineerden met een risicoprofiel of terreurgerelateerde achtergrond zitten er momenteel in de gewone afdelingen? Hoeveel gedetineerden met een risicoprofiel of terreurgerelateerde achtergrond zitten er momenteel in de vijf satellietinstellingen? Is het mogelijk om een opsplitsing en dus een cijfer per instelling te krijgen?

 

Gebeurt het regelmatig dat een gedetineerde van de aparte vleugel terug naar het gewone regime verhuist? Zo ja, waarom? Betekent dit dan dat de gedetineerde volgens het gevangenispersoneel geen bedreiging meer vormt?

 

17.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Metsu, in Hasselt zitten momenteel tien gedetineerden op de bijzondere afdeling voor geradicaliseerden, de zogenaamde Deradex. In Itter zitten momenteel vijftien gedetineerden op die afdeling. De maximumcapaciteit van elke vleugel is twintig gedetineerden.

 

Sinds het opstarten van de afdelingen Deradex werden er nog geen gedetineerden teruggeplaatst van deze specifieke afdelingen naar het gewone regime. Het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen is momenteel wel bezig met het uitwerken van een procedure en de criteria die voor de door- en uitstroom van deze gedetineerden uit deze specifieke afdelingen moeten zorgen.

 

In de satellietinstelling te Brugge zitten momenteel elf gedetineerden die door Celex, de cel binnen het DG EPI die de aanwezigheid van geradicaliseerde gedetineerden monitort, worden opgevolgd. Tien gedetineerden verblijven in de satellietgevangenis te Gent, vijftien in Sint-Gillis, negen in Andenne en tien in Lantin.

 

In de andere gevangenissen is een meer gedetailleerde opsplitsing van de aanwezige geradicaliseerde gedetineerden nog niet te bezorgen, maar deze kan u worden bezorgd in een aparte tabel die ik ter beschikking stel van het secretariaat.

 

Er bestaan structurele contacten en overlegmomenten tussen het DG EPI en de Gemeenschappen. De uitwerking van samenwerkingsafspraken en draaiboeken tussen de partners over de opvolging van geradicaliseerde gedetineerden tijdens de detentie heeft daarin een centrale plaats. Omdat alle betrokken actoren, in het bijzonder de diensten van de gevangenissen, de diensten van de Gemeenschappen en de islamconsulenten, volop invulling geven aan hun opdrachten ten aanzien van deze populatie, kunnen deze nog niet gefinaliseerd worden, maar de werken vorderen.

 

In de gevangenissen zijn momenteel vijftien Nederlandstalige en veertien Franstalige islam­consulenten actief. Van het vastgelegde kader van 27 voltijdse equivalenten zijn er momenteel 22,7 voltijds werkzaam, inclusief drie islam­consulenten die binnenkort in dienst treden. De Moslimexecutieve heeft een versnelde procedure gelanceerd om de resterende 4,3 voltijdse equivalenten aan te werven.

 

Wat het UFUNGU-netwerk betreft, kan ik u bevestigen dat tijdens de gespecialiseerde opleiding van directieleden en medewerkers van de psychosociale diensten van de gevangenis met een Deradexafdeling, in dit geval deze te Hasselt, alsook in de Vlaamse satellietgevangenissen, de directeur van de Dossinkazerne als trekker van dit netwerkproject een opleidingsmodule heeft verzorgd met betrekking tot radicalisering en disengagement. In dat opzicht heeft dit netwerk dus bijgedragen tot de expertiseverwerving van het gevangeniswezen rond het fenomeen radicalisering.

 

Het draaiboek waarvan hierboven sprake, richt zich echter tot de samenwerking tussen de drie vermelde actoren wat de concrete initiatieven ten aanzien van de gedetineerden betreft.

 

17.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik verneem dat het draaiboek dat op korte termijn aangekondigd werd over de samenwerking van de federale diensten en de gemeenschapsdiensten er nog steeds niet is. Ik zou er toch op willen aandringen. Dat is namelijk erg belangrijk voor een zo efficiënt mogelijke aanpak van zulke gedetineerden. Men kan niet naast elkaar werken, men moet samenwerken, zo niet zijn de resultaten heel moeilijk te boeken.

 

17.05  Koen Metsu (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en wens u veel succes met uw radio-interview.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

18 Question de Mme Catherine Fonck au ministre de la Justice sur "la sécurité des médecins généralistes" (n° 17185)

18 Vraag van mevrouw Catherine Fonck aan de minister van Justitie over "de veiligheid van de huisartsen" (nr. 17185)

 

18.01  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le ministre, je ne suis pas sûre de pouvoir parler aussi vite que vous. Je vais d'ailleurs éviter de le faire, ne fût-ce que pour les services de traduction.

 

Au cours des dernières années, j'ai déjà eu l'occasion de poser plusieurs questions à ce sujet puisque nous avons malheureusement dû assister à plusieurs situations dramatiques. La violence vis-à-vis des médecins s'est encore accentuée ces derniers mois. L'Ordre des médecins a d'ailleurs mis en place un point de contact. De juin à septembre 2016, plus de vingt faits de violences graves ont été mis en évidence, sans compter les chiffres noirs pour des cas de violence moins sévères.

 

Par rapport à cela, deux avancées me semblaient importantes. D'une part, le volet de l'appel d'urgence avec une application 112 sur les smartphones, et d'autre part, la mise en place d'une liste de patients à risque de dérapage violent qui ne seraient reçus au cabinet que dans des conditions de sécurité renforcée et stricte.

 

J'ai donc appris que les médecins, et plus particulièrement l'ABSyM, avaient eu l'occasion de vous rencontrer il y a quelques jours. J'aurais voulu voir avec vous les conclusions que vous avez tirées de cette réunion avec la délégation de médecins. Au-delà de vous, comme ministre de la Justice, ne serait-il pas temps d'avancer au sein du gouvernement, avec les différents ministres concernés - l'Intérieur, la Santé - au moins en tout cas deux de vos collègues, pour qu'on puisse être plus efficace et surtout plus concret en termes d'actions et de décisions? Beaucoup de choses ont été dites mais les actes n'ont pas suivi. C'est évidemment l'occasion de refaire le point avec vous. Je vous remercie.

 

18.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, j'ai effectivement reçu une large délégation de médecins généralistes vendredi dernier, mais aussi d'autres prestataires de soins qui se sentent vulnérables lorsqu'ils tiennent des consultations et effectuent des visites à domicile. Ils sont effectivement confrontés de temps à autre à de l'agression verbale ou physique. Leur demande d'avoir davantage de sécurité me paraît justifiée. L'important point d'achoppement se situe ici dans l'échange d'informations entre les groupes professionnels concernés, tous soumis au secret professionnel, et les autorités administratives, policières et judiciaires.

 

Pouvoir communiquer aux prestataires de soins des incidents éventuels ou des pathologies qui accroissent le danger de comportements violents ou même des informations judiciaires aux prestataires de soins quand c'est pertinent, est important pour pouvoir évaluer correctement les risques pour les prestataires de soins et prévoir des mesures de sécurité. Toutefois, tant le secret professionnel que le secret de l'enquête l'empêchent dans une large mesure.

 

Donner aux prestataires de soins un accès direct aux bases de données judiciaires, par exemple le casier judiciaire ou à l'inverse, donner à la police et à la Justice l'accès aux fichiers des patients, se heurte évidemment à des objections sur le plan de la protection de la vie privée et va donc trop loin. Il en est de même sur la constitution de ce qu'on appelle les "listes noires" de patients à risque ou le refus de donner suite à certains appels à l'aide.

 

Compte tenu de ces éléments, je favoriserais une concertation régulière au niveau des zones de police locales, par exemple entre le coordinateur à la sécurité délégué des cercles de garde de médecins généralistes et autres prestataires de soins, et le triangle de sécurité que constituent le bourgmestre, le procureur du Roi et le chef de la police de la zone locale.

 

Pour répondre à la problématique du secret professionnel, une telle concertation pourrait être considérée comme une concertation de cas, au sens du nouvel article n° 458 ter du Code pénal en projet, comme je le propose au parlement dans ma cinquième loi "pot-pourri", à savoir une concertation mise en place en vue de la protection de l'intégrité physique et psychique de prestataires de soins. Lors d'une telle concertation, des accords discrets pourraient alors être pris sur la nécessaire sécurisation des visites à domicile présentant des risques, sur la révision d'un numéro d'appel central à la police, sur l'enregistrement de certains cas d'agression, etc. et ces informations peuvent être diffusées au sein des cercles de garde.

 

Les groupes professionnels concernés peuvent aussi être sensibilisés à déclarer d'éventuels faits de violence dont ils sont eux-mêmes devenus victimes et qu'ils peuvent eux-mêmes signaler à la police, nonobstant leur secret professionnel.

 

Sur la base de ma compétence, j'insisterai auprès du collège des procureurs généraux, une fois que ce motif d'exception 'secret professionnel' sera devenu loi, pour que les parquets soient également sensibilisés. D'autres initiatives, comme par exemple une sonnette d'alarme, l'organisation d'appels durant les services de garde ou des campagnes de sensibilisation contre la violence sur les groupes-cibles concernés, qui peuvent également contribuer à accroître la sécurité, relèvent plutôt des compétences de mon collègue de la Sécurité et de l'Intérieur et de ma collègue des Affaires sociales et de la Santé publique. J'espère réunir tôt ou tard les collègues sur le sujet en vue d'accords conjoints pour une approche plus intégrale de la problématique.

 

18.03  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le ministre, merci. Je veux déjà insister sur le fait que ça ne concerne pas seulement les visites à domicile mais également les consultations au cabinet. Un médecin généraliste a encore été très récemment agressé très gravement à son cabinet.

 

J'ai bien entendu les concertations régulières avec les polices locales, les autorités de justice, etc. Dois-je conclure, par ailleurs, que les accords discrets dont vous parlez offrent la possibilité d'obtenir une liste de patients à hauts risques de dérapages violents de manière à permettre de renforcer les conditions de sécurité des professionnels de la santé, quels qu'ils soient, lorsqu'ils sont amenés à avoir des contacts avec ces patients-là?

 

18.04  Koen Geens, ministre: Je ne peux pas y répondre trop en détail. Beaucoup de choses dépendront de la bonne collaboration entre la zone de police locale et la zone locale de garde des médecins. Si eux s'entendent bien, je crois que beaucoup de choses deviendront possibles sous la nouvelle loi.

 

18.05  Catherine Fonck (cdH): Je peux comprendre que vous ne vouliez pas vous exprimer plus avant sur ce point, mais je me permets tout de même de vous signaler que les contacts locaux ne vont pas suffire. Rien que dans les grandes villes, cela dépasse le quartier ou la zone d'une ville. Par ailleurs, cela peut concerner aussi des agressions commises envers les ambulanciers ou les hôpitaux. Les patients ne restent pas nécessairement dans leur quartier, dans leur commune, ni dans leur ville. Je crois vraiment, monsieur le ministre, qu'il faut envisager un système balisé. En effet, le secret professionnel est important mais on ne peut plus continuer à fermer les yeux sur ces dérapages violents qui ciblent de manière particulière les professionnels de la santé. Ceci est d'autant plus vrai que ces derniers ont une obligation d'intervention auprès des patients.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 16.47 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.47 uur.