Commissie voor de Sociale Zaken

Commission des Affaires sociales

 

van

 

Dinsdag 21 maart 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 21 mars 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.21 uur en voorgezeten door de heer Vincent Van Quickenborne.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.21 heures et présidée par M. Vincent Van Quickenborne.

 

De voorzitter: Collega’s, op de agenda van deze namiddag staan de vragen aan minister Peeters.

 

Een aantal vragen zijn omgezet in schriftelijke vragen, namelijk vraag nr. 12858 van de heer Kir, nr. 13901 van de heer Kir en de samengevoegde vragen nr. 14277 van mevrouw Cassart-Mailleux, nr. 14662 van de heer Daerden, nr. 15310 van de heer Friart en nr. 17312 van de heer Hedebouw.

 

01 Questions jointes de

- M. Benoît Friart au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les travailleurs détachés" (n° 14566)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le nombre record de travailleurs détachés" (n° 17316)

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Benoît Friart aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de gedetacheerde werknemers" (nr. 14566)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het recordaantal gedetacheerde werknemers" (nr. 17316)

 

01.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, Belgische bedrijven hebben vorig jaar 662 000 keer een buitenlandse werknemer via detachering ingeschakeld. In 109 000 gevallen lieten zij een zelfstandige overkomen. Het gaat om het hoogste aantal ooit en zelfs om een verdubbeling op vijf jaar tijd.

 

Werknemers die via detachering aan de slag gaan, zijn veel goedkoper dan werknemers uit eigen land. Immers, hoewel zij onder Belgische arbeidsomstandigheden werken, betalen zij de socialezekerheid­bijdragen in hun thuisland.

 

Het probleem is niet dat buitenlandse werknemers bij ons komen werken. Het probleem is dat de rechten van die werknemers massaal worden omzeild en fors met voeten worden getreden. De uitbuiting is enorm. De wettelijk bepaalde lonen worden niet betaald, laat staan dat de overuren en de sociale bijdragen worden betaald. De buitenlandse werknemers moeten ongebreideld overuren kloppen en leven in mensonwaardige omstandigheden.

 

Het massaal misbruik is u evenzeer bekend als ons. Werkelijk op alle vlakken loopt het fout, en het meest frappant zijn het totaal gebrek aan controle en de afbouw van de inspectiediensten.

 

Ter illustratie, vorige week nog ontving ik een mail over de inbreng van de ConstruBadge in de bouwsector. De verplichte registratie op de werven wordt zo goed als nergens correct opgevolgd. De badges worden niet zichtbaar gedragen. Kortom, heel wat getuigenissen wijzen erop dat er weinig controle is. Vorige vrijdag nog kreeg ik een van de meest frappante getuigenissen binnen van een arbeider, naar aanleiding van de opgezette staking bij Holcim Beton. Het ging over een buitenlandse interimvrachtwagenchauffeur, die een maand zijn rijbewijs had en al drie dagen zo goed als continu met beton aan het rondrijden was tijdens een hittegolf. De man zag er niet meer uit, kon niet meer op zijn benen staan en beschikte over geen enkel vereist attest. Hij was vanzelfsprekend ook niet correct geregistreerd of wat dan ook. Ik krijg heel wat dergelijke verhalen binnen.

 

Mijnheer de minister, komende vrijdag voert de vakbond ABVV aan het Europees Parlement actie tegen de sociale dumping. De eisen zijn de volgende. Ten eerste, een verscherpte wetgeving en versterkte inspectiediensten. Ten tweede, voor iedereen dezelfde en degelijke loonvoorwaarden en sociale bescherming. Ten derde, gelijke behandeling van alle Europese werknemers. Ten vierde, dat van de strijd tegen sociale dumping een absolute prioriteit wordt gemaakt.

 

Mijnheer de minister, hoe reageert u op die acties en eisen van de vakbond? Zult u zelf naar de actie komen? Dat mag immers. U bent welkom.

 

Welke maatregelen zult u nemen, om de sociale rechten van werknemers beter te beschermen?

 

De voorzitter: De heer Friart is niet aanwezig.

 

Mijnheer de minister, ik geef u dus het woord.

 

01.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Hedebouw, ik heb de vakbondsdelegatie ontvangen. Ik kom daarop straks terug, maar ik doe dus meer dan u denkt.

 

Ik kan u meedelen dat Europees commissaris Thyssen inderdaad heeft aangekondigd dat de Commissie haar voorstel tot herziening van de detacheringsrichtlijn zal aanhouden, ondanks de gelekaartprocedure die werd ingesteld door een aantal, voornamelijk Oost-Europese, lidstaten. De besprekingen over dat voorstel zijn momenteel lopend op Europees niveau. In dat kader verdedigen wij de Belgische belangen en zullen wij het streven naar gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats blijven ondersteunen, wat toch zeer belangrijk is, mijnheer Hedebouw.

 

Het Maltese voorzitterschap werkt momenteel op constructieve wijze aan een compromisvoorstel en heeft de ambitie om tegen de zomer van dit jaar tot een algemene oriëntatie te komen. Daarnaast werden ook de besprekingen over de verordening 883/2004 met betrekking tot de sociale zekerheid opgestart. Dat neemt niet weg dat wij op Belgisch niveau maatregelen kunnen en zullen blijven nemen in de belangrijke strijd tegen sociale dumping. In dat kader kan ik bijvoorbeeld verwijzen naar de verdere uitvoeringsbepalingen van de wet van 11 december 2016, houdende diverse bepalingen inzake de detachering van werknemers.

 

In de Nationale Arbeidsraad ligt momenteel ter advies een KB voor dat bijkomende gegevens vaststelt die de buitenlandse werkgever in de LIMOSA-aangifte moet opnemen, bijvoorbeeld de gegevens van de verbindingspersoon die aangeduid moet worden.

 

Voor het overige kan ik u verwijzen, mijnheer Hedebouw, naar het actieplan 2016 inzake de strijd tegen de sociale fraude en sociale dumping van deze regering, evenals naar de verschillende vragen die in dat kader reeds door de staatssecretaris bevoegd voor de bestrijding van de sociale fraude en door mijzelf in deze commissie beantwoord werden en waarin onder de meer de dagelijkse inspanningen van de inspectiediensten in de strijd tegen sociale dumping uitvoerig toegelicht werden. Daaruit blijkt, zoals expliciet werd opgenomen in het regeerakkoord, dat de strijd tegen sociale dumping een prioriteit is van de regering.

 

Dat is dan ook de boodschap die ik meegegeven heb aan de ABVV-delegatie, die ik samen met minister Borsus op 7 maart heb ontvangen.

 

01.03  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, ik heb twee bedenkingen.

 

Ten eerste, het gaat veelal over regels, maar uit veel getuigenissen blijkt dat de regels niet toegepast worden op het terrein. Dat is een van de grote problemen van dat type dossiers, op veel werven, maar niet alleen op werven, en in veel sectoren. Ter zake moeten er meer spijkers met koppen geslagen worden.

 

Ten tweede, ik vind dat België veel meer druk moet uitoefenen op Europees vlak. Op dit moment, in elk geval volgens informatie in de pers, worden de maatregelen niet echt strenger. Het lijkt meer op een veralgemening van de liberalisering van de sector. Daarbij wordt er nog altijd met twee stelsels gewerkt, onder andere op het vlak van sociale bijdragen. Zolang die competitie niet evenwichtig is, zullen wij blijvend dumping meemaken. Daarom hoop ik dat Europees commissaris Thyssen een krachtsverhouding kan opbouwen. Vanuit de in het oosten gelegen landen bestaat er helemaal geen politiek akkoord omtrent die maatregelen. Ik hoop daarom dat uw optimisme goedgeplaatst is en dat wij in de maand juni of juli effectief een positieve boodschap krijgen van de Europese Commissie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Egbert Lachaert aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "loonvorming en anciënniteit" (nr. 14730)

- de heer Stefaan Vercamer aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de anciënniteitsverloning" (nr. 14803)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de aanval op de automatische anciënniteitsverhoging van de lonen" (nr. 17310)

- de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de koppeling tussen loon en anciënniteit" (nr. 17362)

02 Questions jointes de

- M. Egbert Lachaert au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la formation des salaires et l'ancienneté" (n° 14730)

- M. Stefaan Vercamer au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la rémunération en fonction de l'ancienneté" (n° 14803)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'attaque contre l'augmentation salariale automatique pour ancienneté" (n° 17310)

- M. Vincent Van Quickenborne au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la liaison entre salaire et ancienneté" (n° 17362)

 

02.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat een passage over een evaluatie van de loonevolutie en de anciënniteit, waaraan men in ons land nog veel belang hecht. In tal van sectorale cao’s is het loon inderdaad aan de anciënniteit gekoppeld. Ook de overheid is een heel slecht voorbeeld en baseert zich vaak alleen op de anciënniteit. Enige tijd geleden werd gezegd dat er werk zou worden gemaakt van aangepaste regels. Ik besef dat dat een gevoelig punt is, omdat het gaat over de essentie van het sociaal overleg, met name loononderhandelingen.

 

Mijnheer de minister, valt er de komende tijd nog iets te verwachten zoals een aanpassing van het wetgevend kader of andere afspraken met de sociale partners als het gaat over het afstemmen van loon op de anciënniteit?

 

De voorzitter: De heer Vercamer is niet aanwezig.

 

02.02  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, ik heb dezelfde vraag als de heer Lachaert, maar dan vanuit een andere invalshoek. Heeft de regering nog plannen met betrekking tot de anciënniteit?

 

De trapsgewijze loopbaan met anciënniteit is in veel sectoren heel belangrijk. In sommige distributieketens begint men met een brutoloon van 1 800 euro. Dat is 2 650 euro bruto twintig jaar later. Dat maakt echt deel uit van de loopbaan.

 

Als men daarop terugkomt, kijk naar de cijfers van de productiviteit, zal men conflicten tussen de generaties wekken, waarbij de jongeren harder zullen kunnen werken en de oudere werknemers aan de kant zullen worden geschoven. Ik denk dat dat geen goede benadering is. De oudere werknemers hebben bovendien veel ervaring.

 

Ik denk dat het individualiseren van het loon, alleen gelinkt aan productie, meer concurrentie in het bedrijf zal genereren, wat heel slecht is voor de sfeer in het bedrijf. Bovendien straft men de oudere werknemers.

 

Ik denk dat dat van een van de meest productieve economieën van de wereld zoals België een heel slecht signaal zou zijn.

 

Mijnheer de minister, komt er de komende weken nog iets van het project en dient u een voorstel in of houdt u dat in de koelkast? Dan denk ik dat u die koelkast goed gesloten moet houden.

 

02.03  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, ik heb een gelijkaardige vraag ingediend. U hebt intussen een belangrijk deel van het regeerakkoord uitgevoerd met de wet omtrent werkbaar en wendbaar werk. Een ander element in dezelfde passage van het regeerakkoord verwijst uitdrukkelijk naar de koppeling van loon en anciënniteit, waarbij in het nieuw model werknemers een loon zullen ontvangen dat meer overeenstemt met hun competenties en productiviteit, in plaats van dat het loon lineair toeneemt naar gelang van de leeftijd en de anciënniteit.

 

Die passage staat in het regeerakkoord, omdat wij er niet in slagen om onze werkgelegenheidsgraad significant te verhogen. Wij zitten nu op 67,7 %. De jongste tien jaar is dat percentage met 0,5 % gestegen, terwijl Europa ons voorhoudt om dat op 72 % te brengen. De belangrijkste reden voor die beperkte stijging is terug te vinden bij de groep van plus-55-jarigen, waar wij diep onder het Europees gemiddelde blijven steken. De redenen daarvoor zijn veelzijdig. Het heeft te maken met veel te gemakkelijke uitstapsystemen, waartegen nu al opgetreden wordt door onder andere de verstrenging van het SWT, maar het heeft ook te maken met de lineaire koppeling tussen loon en anciënniteit.

 

In mei vorig jaar hebt u aangekondigd dat u daar werk van wilde maken, maar intussen zijn we bijna een jaar verder. De tijd loopt; we zijn meer dan halfweg deze legislatuur.

 

Mijnheer de minister, kunt u ons de stand van zaken meedelen? Is er daarover al gesproken met de sociale partners? Wanneer zult u daaromtrent voorstellen voorleggen?

 

02.04 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, ten eerste, ik ken het regeerakkoord, wat volgens mij een goede zaak is.

 

Mijnheer de voorzitter, ten tweede, wij hebben inderdaad al heel veel maatregelen in verband met mijn bevoegdheden uitgevoerd. Nog niet zo lang geleden zijn er twee wetten goedgekeurd en de wet inzake werkbaar en wendbaar werk is op 15 maart in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Eigenlijk vraagt u mij om heel het regeerakkoord uit te voeren, terwijl de heer Hedebouw mij net vraagt om het regeerakkoord niet helemaal uit te voeren.

 

Er zijn alvast goede redenen om terdege rekening te houden met de expertise van de sociale partners en de inzichten van recent onderzoek bij de eventuele hervorming van de loonopbouw in de sectoren en ondernemingen. Voor bediendelonen wordt momenteel, naast de functie-inhoud, het niveau en het arbeidsregime, ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit voor het bepalen van de minimumlonen in de sectoren. Dat heeft ontegensprekelijk een kostenverhogend effect op de tewerkstelling van oudere bedienden.

 

Voor de andere helft van de werknemers, die wij vroeger werklieden of arbeiders noemden, geldt de anciënniteitsopbouw niet. De vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt is bij hen nochtans hoger.

 

Het advies van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid uit 2014, waarnaar u beiden verwijst in de schriftelijke neerslag van de vraag, was erg genuanceerd zowel wat de impact op de werkgelegenheidskansen als de relatie met de productiviteit betreft. Het advies gaf aan dat die loonstijging niet de voornaamste oorzaak is van de geringe arbeidsparticipatie van oudere werknemers. Mogelijkheden tot vervroegde uittreding, het gebrek aan voortgezette beroepsopleiding en de geringe functiemobiliteit zijn belangrijkere factoren volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid.

 

Het aangehaalde onderzoek van het Steunpunt Werk en Sociale Economie uit 2013 komt tot analoge bevindingen, namelijk dat de looneisen van oudere werknemers slechts voor 9 % de lagere kans verklaren om opnieuw aan het werk te geraken.

 

Recent doctoraatsonderzoek dat aan de Universiteit van Antwerpen gebeurde, in samenwerking met SD Worx, waarschuwt tegen het zomaar terzijde schuiven van de anciënniteitsgekoppelde lonen. Een dergelijk loonbeleid draagt immers ook bij aan een grotere leeftijdsdiversiteit in de ondernemingen en die leidt op haar beurt tot een productiviteit die gemiddeld 2 % hoger ligt, dankzij een betere overdracht van kennis en ervaring.

 

Prestatielonen bieden slechts in bepaalde omstandigheden een valabel alternatief, met name voor de kortetermijn motivering van werknemers in pure productiebedrijven. In organisaties zoals het leeuwenaandeel van de dienstensectoren, waar de prestaties nauwelijks of niet kunnen worden gemeten, werken prestatielonen zelfs contraproductief, zo concludeert men.

 

Een laatste serie onderzoeken, die ik wil aanhalen, zijn de recente analyses van de OESO, het IMF en de International Labour Organisation of IAO, die allemaal concluderen dat de grote dekkingsgraad van de werknemersbevolking door cao-bepalingen inzake bezoldigingen en minimumlonen en het feit dat die cao’s door de overheid algemeen bindend worden verklaard, tot een samenleving met minder ongelijkheid leiden.

 

Een paritair comité kan elk gebruik van anciënniteit uit de loonbarema’s en bijhorende premies en vergoedingen bannen, waardoor de nadruk op de toelatingsvoorwaarden tot elke categorie en op de kwaliteit van de uitoefening ervan komt te liggen.

 

Een voorbeeld daarvan is paritair comité 209 voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid. Tot nu toe heeft dat precedent op sectoraal vlak evenwel nog maar weinig navolging gekregen. Resultaatgebonden bezoldigingssystemen kunnen daarom aanvullend in eerste instantie op ondernemingsvlak worden uitgewerkt. De ondernemingen die de minimumlonen die de sector heeft vastgelegd, naleven, kunnen nu reeds aanvullende prestatiegebonden financiële prikkels toevoegen. De bonusplannen die met uitvoering van cao nr. 90 steeds vaker worden toegekend, vormen ter zake een geschikt middel.

 

Ik ga ervan uit dat alle genoemde elementen, die de vraagstellers natuurlijk kennen – ik heb immers niets nieuws gezegd –, de voorzichtige formulering van het thema in het regeerakkoord en in mijn beleidsverklaring rechtvaardigen. Het onderwerp behoort bij uitstek tot het domein van de sociale partners.

 

Een bijkomend argument daarvoor is dat de experimentele mogelijkheid die sinds het Generatiepact in 2005 bestaat om specifiek afwijkende loonbarema’s toe te passen voor nieuwe intreders in de onderneming, namelijk loonbarema’s die kunnen afwijken van de cao-lonen, niet één keer is toegepast.

 

Ik voer het regeerakkoord echter uit. De vraagstellers hebben dus terecht gevraagd hoe ver het dossier staat. Alle onderzoek noopt echter tot enige voorzichtigheid ter zake, zeker wanneer boute uitspraken worden gedaan die onvoldoende genuanceerd zijn, wat ik betreur. Ik zal de sociale partners, meer bepaald de voorzitter van de sectoren, uitnodigen en per sector een overzicht van de loonspanning bezorgen. Voorts zal ik ook vragen om tijdens de sectorale onderhandelingen specifieke aandacht voor het dossier te hebben.

 

Dat is een eerste, zeer pragmatische actie.

 

Ten tweede zal ik een wetgevend initiatief stimuleren, natuurlijk na het advies van de sociale partners, zoals in het regeerakkoord staat. Ik wil de kwestie dus stapsgewijs aanpakken. De vergadering met de voorzitters van de sectoren is gepland op 28 maart. Ik wil daar dus echt wel werk van maken.

 

Wij hopen dat het werk van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid en het doctoraatsonderzoek ter zake, waarvoor wij een toelichting van de professor-auteur hebben gevraagd, een bijdrage kunnen leveren tot het debat dat daarover mogelijk op een bepaald moment in de commissie gevoerd zal worden.

 

02.05  Egbert Lachaert (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. Dat het verhaal van de loonanciënniteit verschillende nuances heeft, daarin zal ik hem zeker bijtreden. Trouwens, het feit dat de anciënniteit tot in zekere mate gehonoreerd wordt, leidt ook tot enige stabiliteit, zoals collega Hedebouw meegaf.

 

Alleen, op een bepaald moment wordt een en ander wel problematisch. Dat blijkt ook uit verschillende studies. Als de anciënniteit eenvoudigweg lineair doorgetrokken wordt, kan er nog maar moeilijk met andere parameters rekening gehouden worden. Ook dat leidt tot spanningen op de werkvloer, namelijk tussen jongere en oudere werknemers. Wie al tien jaar goed werkt, verwacht daarvoor een bepaald loon. Van wie dat werk al twintig jaar langer uitvoert, wordt dan eigenlijk verwacht dat hij twee keer zo goed presteert, aangezien hij twee keer zo duur is. Dat leidt tot spanningen op de werkvloer; ook de jongeren zijn daar niet altijd gelukkig mee.

 

De vraag is dus niet om het systeem van de dienstanciënniteit gewoon overboord te gooien. Dat is overigens ook niet de geest van het regeerakkoord. Dat zou onverstandig zijn. De vraag is wel dat ook andere criteria een rechtvaardige plaats in de loopbaanopbouw en in de loonopbouw in ons model zouden krijgen.

 

Dat debat wordt nu niet voor de eerste keer gevoerd. Ik merk zelf ook dat communicatie daaromtrent zeer gevoelig ligt.

 

Het zit ook een beetje in onze cultuur ingebakken dat men er soms van uitgaat dat hoe ouder men wordt, hoe meer men gaat verdienen, terwijl dat nefast is voor de tewerkstellingscreatie van ouderen. Als wij ouderen kansen willen geven op de arbeidsmarkt, zullen we moeten leren begrijpen dat men niet kan verwachten dat de bomen tot in de hemel blijven groeien. Op een gegeven moment is anciënniteit geen relevante factor meer en stopt de opbouw op basis van anciënniteit en moeten er andere criteria zijn.

 

Dit is een dossier dat inderdaad reeds een tijd aansleept. Ik ben blij dat u nu een aantal overlegmomenten hebt om daaromtrent eventueel iets te doen. Ik ben vrij pessimistisch als het gaat over de vraag of daar de komende tijd nog iets concreets gaat uitkomen, maar als u dat toch kunt doen, zou ik dat ten zeerste toejuichen. Sowieso hebben wij het over een toekomstig loopbaanmodel. Ik wil het nog eens benadrukken, men moet er geen heksenjacht in zien alsof wij aan de huidige lonen gaan raken. Het gaat over een toekomstig loopbaanmodel voor nieuwe werknemers. Wij zullen voor hen toch echt andere criteria moeten inbouwen, anders gaan wij er niet in slagen om ouderen langer aan de slag te houden.

 

Naast u aan te porren op het vlak van de private sector wil ik u ook nog meegeven dat u met uw collega van Ambtenarenzaken moet overleggen. Die opbouw met anciënniteit en leeftijd bij de overheid is eigenlijk het slechtste voorbeeld van allemaal, want ongeveer alle lonen bij de overheid, of het nu federale overheid, Vlaamse overheid of lokale overheid is, zijn enkel en alleen gebaseerd op anciënniteit. Beste collega’s, wij geven dus echt zelf het slechte voorbeeld. Als wij een eerste stap willen zetten om de private sector te motiveren, moeten wij misschien ook dringend iets doen aan het loopbaanmodel van onze ambtenaren in de toekomst.

 

02.06  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, als er een debat moet plaatsvinden over hoe de lonen van de jongeren moeten opgetrokken worden, ben ik natuurlijk bereid om een werkgroep op te starten, zodat wij die lonen kunnen verhogen. Er zijn verschillende manieren, zoals een beginnersloon voor jongeren. Er zijn heel veel pistes. Ik ben echt te vinden voor een veralgemening van het optrekkenn van de lonen voor jongeren. Ik vind dat ook effectief een probleem. Ik zou niet willen dat er in bedrijven bepaalde nervositeit zou ontstaan omdat jongeren niet genoeg verdienen. Laten wij de jongeren meer laten verdienen en laten wij daaraan werken.

 

Ten tweede, ik ben het met u eens. Vele studies tonen aan dat het geen goed idee is om de lonen te koppelen aan de productiviteit en concurrentie. Ik volg u in die redeneringen. Ik vind het een goede en wijze beslissing van de regering om daarmee nu niet te beginnen.

 

Die koppeling zou ons een stap achteruit laten maken. De productiviteitsbinding met de lonen zou echt een achteruitgang betekenen. Men gaat dan eigenlijk terug naar een zekere vorm van stukloon: hoe meer men produceert en werkt, hoe meer loon men krijgt. Dat heeft niets met modernisering van de arbeidsmarkt te maken, maar is eigenlijk meer een redenering van achteruitgang. Men kan nog altijd teruggaan naar de jaren waarin men een aantal kilo’s maakte in de mijnen, en dan werd men betaald per kilo. Lonen die gelinkt worden met productiviteit, hebben eigenlijk niets met modernisering te maken, maar zijn vooral een stap achterwaarts tegenover alle cao’s die er juist voor zorgen dat men zijn leven kan plannen, dat men weet dat men meer gaat verdienen omdat men meer ervaring heeft, omdat men ook verschillende noden heeft in de jaren die volgen. Ik vind het dus positief dat de regering niet vol doorramt, mijnheer de minister. Dat is wijs.

 

02.07  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, uw voorgangster, mevrouw De Coninck, die bij mijn weten nog altijd lid is van de socialistische partij, heeft in de vorige legislatuur zelf duidelijk gemaakt dat zij voorstander is van het ombuigen van de salariscurve. Zij heeft dat toen gedaan met de steun van mijn partij en met die van Groen, van de heer Calvo. Daar zijn artikelen over terug te vinden.

 

De ambitie moet zijn om op langere termijn het systeem te hervormen zodat jonge mensen iets meer kunnen verdienen, want op jonge leeftijd wordt men geconfronteerd met de meeste kosten – dat is de realiteit – en dat mensen op oudere leeftijd wat minder gaan verdienen. Zo wordt de verdeling eerlijker en ook correcter. Met andere woorden, het is inderdaad een debat dat nuance behoeft, maar het is niet iets waar maar één bepaalde fractie voorstander van zou zijn en dat u bij andere partijen geen steun zou vinden.

 

U zegt dat het debat zal starten op 28 maart. Als u het regeerakkoord echter goed leest, dan was het eigenlijk de bedoeling om de anciënniteitsdiscussie onder te brengen in het kader van het nieuwe loopbaanmodel, de fameuze wet over wendbaar/werkbaar werk. Dat is niet gebeurd. Dat is door de sociale partners afgewezen, als ik het goed heb begrepen. U begint nu dus het debat daarover. Uiteraard moet er aan de sociale partners advies worden gevraagd – dat is evident – maar het regeerakkoord is wel duidelijk: er moet op een genuanceerde manier in worden opgetreden.

 

U hebt heel veel argumenten opgesomd om het niet te doen of om daar zeer genuanceerd naar te kijken. Ik had ook gehoopt van u te kunnen horen waarom het wel een goed idee zou zijn. Maar goed, dat zullen we waarschijnlijk horen tijdens de debatten hier in onze commissie.

 

02.08 Minister Kris Peeters: Voorzitter, ik wil nog even iets zeggen. U hebt misschien niet de nuances begrepen die collega Lachaert duidelijk wel begrepen heeft.

 

Ik heb niet gezegd dat ik het niet zal doen. Ik heb gewoon meegegeven dat wij met de studies die u ook kent voorzichtig en behoedzaam moeten opereren. Dat zal ik ook doen.

 

Trouwens, in het regeerakkoord, dat ik net als u goed ken, staat een uitdrukkelijke verwijzing naar de sociale partners. Het gaat hier over loonvorming en loonnegotiatie, uitdrukkelijk de bevoegdheid van de sociale partners.

 

Ik heb de tekst bij de hand. Ik zal hem u voorlezen: “Na advies van de sociale partners wordt een nieuw loopbaanmodel ingevoerd dat bedrijven… enz”. U merkt dat deze paragraaf begint met “na advies van de sociale partners.” Laat mij daar hard aan werken. Ik hoop dat u mij niet verkeerd begrepen hebt. Laten wij ons voor misverstanden behoeden. Ik zal daar verder werk van maken, maar op een genuanceerde manier. Het regeerakkoord zegt uitdrukkelijk: “na advies van de sociale partners.”

 

02.09  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Dat zeg ik ook: na advies. Ik stel alleen vast dat er tot nu toe niets gebeurd is op dat terrein. Het was eigenlijk de bedoeling dit te bespreken in de context van het nieuwe loopbaanmodel. Zo staat het in het regeerakkoord. Dus: in de context van de wet op werkbaar en wendbaar werk. Dat is niet gebeurd.

 

Nu moeten wij daar wel mee starten. Ik ben ook zeer genuanceerd, maar er moet wel iets gebeuren. Ik heb de indruk, en ik volg het allemaal, dat het zal eindigen zoals de heer Hedebouw voorspelt: in de koelkast, en later in de diepvries. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Wat in het regeerakkoord staat, moet worden uitgevoerd.

 

Maar u zult dat doen, u hebt mij gerustgesteld. Dank u.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Questions jointes de

- M. Stéphane Crusnière au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et européennes, chargé de Beliris et des Institutions culturelles fédérales, sur "les modifications des conditions d'accès au chômage après expatriation" (n° 15037)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le droit aux allocations de chômage des coopérants" (n° 15038)

- Mme Evita Willaert au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les allocations de chômage après avoir travaillé à l'étranger" (n° 15842)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le droit aux allocations de chômage des coopérants" (n° 16028)

- Mme Catherine Fonck au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le nouvel arrêté royal en matière de chômage" (n° 16744)

03 Samengevoegde vragen van

- de heer Stéphane Crusnière aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, over "de gewijzigde voorwaarden voor het recht op een werkloosheidsuitkering voor personen die in het buitenland hebben gewerkt" (nr. 15037)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het recht op een werkloosheidsuitkering voor coöperanten" (nr. 15038)

- mevrouw Evita Willaert aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de werkloosheidsuitkeringen na buitenlandse tewerkstelling" (nr. 15842)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het recht op een werkloosheidsuitkering voor coöperanten" (nr. 16028)

- mevrouw Catherine Fonck aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het nieuwe koninklijk besluit inzake werkloosheid" (nr. 16744)

 

03.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, mon collègue Stéphane Crusnière est en commission des Relations extérieures. Je vais donc synthétiser nos deux questions.

 

Monsieur le ministre, depuis le 1er octobre 2016, les prestations réalisées à l'étranger, y compris pour le compte de l'Agence belge de développement, ne sont prises en compte pour l'octroi de l'assurance chômage qu'à deux conditions: d'une part, il faut que ces journées de travail soient prestées dans les limites des conventions bilatérales et internationales et, d'autre part, le travailleur doit, une fois de retour au pays, travailler au moins trois mois comme salarié. Ces modifications ont des effets dramatiques pour les expatriés belges qui n'ont pas assez travaillé en Belgique, car ils sont exclus de l'assurance chômage, et nuisent certainement au secteur de la coopération belge au développement.

 

Monsieur le ministre, j'ai eu l'occasion de vous interroger à ce propos le 23 novembre 2016, en particulier sur la suppression des allocations de chômage pour les coopérants. Vous m'avez alors confirmé que les jeunes qui partent à l'étranger dans un organisme belge directement après leurs études, sans avoir travaillé en Belgique auparavant, n'auraient plus droit au chômage à leur retour en Belgique étant donné les conditions que je viens de citer.

 

Vous avez également déclaré que "l'objectif de cette nouvelle mesure gouvernementale est clairement de lutter contre la fraude dans la mesure où il a été constaté que de nombreuses personnes ont été admises au chômage sur la base de prestations à l'étranger dont la véracité n'a pu être vérifiée". Vous avez cependant ouvert une porte et ajouté que vous étiez en train de chercher une solution avec Mme De Block concernant les personnes qui travaillent spécifiquement dans la coopération au développement.

 

Monsieur le ministre, avez-vous trouvé des solutions avec Mme De Block pour répondre aux attentes des travailleurs de la coopération au développement?

 

Vous avez justifié cette mesure comme étant une mesure de lutte contre la fraude. Comment justifiez-vous le fait qu'on ne puisse pas vérifier la véracité de l'information lorsqu'il s'agit de jeunes qui s'investissent dans la coopération dans un organisme public ou financé par la DGD? En la matière, selon toute vraisemblance, des contrats de travail et des échanges sont tout à fait connus. On peut donc vérifier la véracité des informations.

 

De voorzitter: Mevrouw Willaert had een vraag over hetzelfde onderwerp maar zij is afwezig wegens ziekte.

 

03.02  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, il y a effectivement des effets sur nos expatriés. L'exemple des jeunes qui participent à des projets de coopération belge est particulièrement interpellant.

 

Je souhaiterais vous interroger sur l'arrêté royal que vous avez pris, et en particulier sur la conformité de celui-ci avec le droit européen. En la matière, vous avez prévu, dans le premier arrêté royal, qu'à dater du 1er octobre 2016, le travail effectué à l'étranger ou assimilé serait pris en considération uniquement s'il répondait à l'exigence de constituer un travail de salarié d'au moins trois mois, selon la réglementation belge.

 

Cependant, la réglementation européenne en la matière me semble très claire. Il s'agit de la réglementation 883/2004 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale. Je m'interroge véritablement sur la conformité de votre arrêté royal du 11 septembre 2016 avec ce règlement européen. Je m'interroge d'autant plus que j'ai pu constater, à la date du 27 janvier 2017, que vous aviez corrigé cet arrêté royal d'une manière particulière. Dans le fond, vous ne l'avez pas supprimé, vous ne l'avez pas modifié pour le mettre en phase avec la réglementation européenne ou avec le droit européen, mais vous en avez reporté l'entrée en vigueur au 1er janvier 2019. Jusqu'à cette date, il convient d'appliquer l'ancienne disposition. Il n'y a donc pas de nouvelle règle, et la condition d'avoir travaillé pendant au moins trois mois comme salarié ne doit pas être remplie pour pouvoir obtenir les allocations.

 

Monsieur le ministre, je m'interroge à plusieurs titres: d'abord, sur le fond, par rapport à la spécificité de nos jeunes et des personnes qui travaillent pour des projets de coopération belges. Ensuite, je m'interroge politiquement sur la manière avec laquelle vous avez voulu, avec l'ensemble du gouvernement probablement, expressément ne pas respecter la législation européenne lorsque vous avez pris votre arrêté royal du 11 septembre 2016.

 

Vous l'avez corrigé depuis. Je ne sais pas si c'est en raison d'un avis du Conseil d'État. Il serait d'ailleurs intéressant d'avoir son avis sur cet arrêté royal de 2016. À moins, bien sûr, que vous ne l'ayez demandé en urgence, auquel cas le Conseil d'État se limite à vérifier la base juridique, mais ne procède à aucun examen sur le fond et à moins qu'il n'y ait eu entre-temps des procédures de recours en annulation. Quoi qu'il en soit, je trouve étonnant de votre part et de la part des services du SPF Emploi d'avoir pris des dispositions contraires au droit européen, à moins qu'il ne s'agisse de dispositions purement idéologiques.

 

03.03  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chers collègues, je vous confirme que la réglementation du chômage a été modifiée au 1er octobre 2016 en exécution d'une mesure décidée par le gouvernement dans le cadre des mesures anti-fraude prises lors du conclave budgétaire de 2016.

 

De arbeidsprestaties in het buitenland komen vanaf nu in aanmerking om toegelaten te worden tot het stelsel van werkloosheidsuitkeringen voor prestaties uitgevoerd in een land waarmee België verbonden is via een internationale conventie en indien – tweede punt – na de in het buitenland uitgevoerde arbeid de werknemer arbeidsprestaties heeft verricht als loontrekkende in België en dit voor een periode van minimum drie maanden.

 

L'objectif de ces nouvelles mesures décidées par le gouvernement est clairement de lutter contre la fraude dans la mesure où, par le passé, il a été constaté que de nombreuses personnes ont été admises au chômage sur base de prestations faites à l'étranger et dont la véracité n'a pu être vérifiée.

 

Deze maatregelen hebben inderdaad een invloed op geëxpatrieerde werknemers die geen enkele voorafgaande arbeidsprestatie hebben verricht in België en, overeenkomstig de socialezekerheidsregelgeving, geen werkloosheidsrechten hebben kunnen opbouwen via buitenlandse werkprestaties voor bijvoorbeeld een Belgische ontwikkelingsorganisatie. Dit nieuwe stelsel wijzigt de regels niet die een werknemer toelaten om zijn rechten op een werkloosheidsuitkering te behouden als hij voorafgaand voldoende werkdagen heeft gepresteerd in België.

 

En effet, la période de référence peut être prolongée de quinze ans au maximum et la période de trois ans de dispense de stage peut être prolongée de douze ans au maximum. Le travailleur expatrié qui démontre des prestations entièrement suffisantes en Belgique ou dans un pays lié par une convention peut invoquer ces deux dispositions et être admis sur la base de ses prestations antérieures.

 

Er rees echter een specifiek probleem voor de mensen die door een Belgische instelling voor ontwikkelingssamenwerking werden uitgestuurd. Daar werd vorige keer ook reeds naar verwezen. Voor deze specifieke groep hebben wij een overgangsmaatregel uitgewerkt, waardoor zij, net zoals tot 30 september 2016 het geval was, hun rechten op werkloosheidsuitkering openen na één dag tewerkstelling in België, en dit voor zover zij hun uitkeringsaanvraag indienen voor 1 januari 2019.

 

Un élargissement à l'assurance chômage du régime facultatif en matière de sécurité sociale d'outre-mer auprès de l'Office national de Sécurité sociale, et donc une solution structurelle, pourrait être envisagé pour ce groupe de travailleurs. Cet élargissement relève de la compétence du ministre des Affaires sociales et requiert une adaptation de la législation. Il ne peut donc pas être instauré immédiatement. Je peux toutefois vous assurer y être favorable. Avec la ministre des Affaires sociales, je cherche une solution structurelle rapide.

 

L'arrêté royal du 11 septembre 2016 est conforme au règlement (CE) n° 883 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale. La prise en compte des périodes d'assurance ou de l'emploi accompli dans un autre État membre est régie par les dispositions particulières de l'article 61 du règlement. Or, le paragraphe 2 de cet article prévoit expressément que les prestations de travail accomplies dans un autre État membre de l'Union européenne ne peuvent être prises en compte pour l'admission au bénéfice des allocations belges que si elles ont été suivies d'une période de travail en Belgique.

 

La Cour de justice a récemment rappelé cette règle dans un arrêt du 7 avril 2016. Aucun recours en annulation n'a d'ailleurs été introduit auprès du Conseil d'État sur la base d'une éventuelle non-conformité de l'arrêté royal du 11 septembre 2016 au règlement (CE) n° 883.

 

En outre, le 13 décembre 2016, la Commission européenne a elle-même proposé, dans le cadre d'une révision de la réglementation de l'Union européenne relative à la coordination de la sécurité sociale, qu'une période minimale d'assurance de trois mois dans l'État membre de la dernière activité soit exigée pour l'ouverture d'un droit à la totalité des prestations. Madame Fonck, je peux vous donner les coordonnées exactes de cette décision.

 

03.04  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, objectivement, la prochaine fois, épargnez-vous le mal de relire la réponse que vous m'avez déjà formulée quelques semaines ou quelques mois auparavant! Faites-y juste référence, ce sera plus simple! C'était vraiment la lecture mot pour mot de la réponse qui a été formulée le 23 novembre.

 

Je veux quand même être positive. J'entends néanmoins que le débat est en cours et que vous cherchez une solution avec Mme De Block. J'ai envie de vous faire confiance. En tout cas, j'espère que ces discussions vont aller bon train et qu'une solution pourra être trouvée rapidement. Comptez sur moi pour revenir auprès de vous prochainement afin de connaître l'état d'avancement de ces discussions.

 

03.05  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le ministre, ma réplique a deux volets. Pour ce qui concerne notamment les projets, les coopérants, etc., l'arrêté royal que vous avez pris le 27 janvier 2017 et qui corrige ou qui renvoie à la décision après le 1er janvier 2019, permet-il de prendre en compte la réalité des coopérants? Le cas échéant, vous avez un peu de temps devant vous, c'est-à-dire jusqu'au 1er janvier 2019, pour trouver une solution structurelle.

 

Sur le plan du volet européen, j'entends ce que vous me dites. J'ai effectivement connaissance de cette proposition de la Commission européenne de modifier les règlements de coordination et qui prévoit ce principe d'une certaine prestation de travail. En même temps, selon moi, c'est une proposition de la Commission européenne qui n'est pas encore d'application. En l'état, la modification éventuellement à venir de la Commission européenne ne modifie pas encore la manière dont la législation belge doit être prise en accord avec le droit européen d'application aujourd'hui.   

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Jan Spooren aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het koninklijk besluit van 28 oktober 2016 over het re-integratieplan voor arbeidsongeschikte werknemers" (nr. 15300)

04 Question de M. Jan Spooren au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'arrêté royal du 28 octobre 2016 relatif au plan de réintégration des travailleurs en incapacité de travail" (n° 15300)

 

04.01  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het recente koninklijk besluit dat u hebt uitgevaardigd betreffende de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers, stipuleert bij het in te voegen artikel 73/1 dat het re-integratietraject niet van toepassing is op wedertewerkstelling bij arbeidsongeval of beroepsziekte.

 

Ik heb de volgende vragen betreffende deze specifieke clausule. Waarom wordt er een onderscheid gemaakt op basis van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid? Waarom wordt het instrument van het re-integratieplan niet gebruikt bij deze groepen? Voor hen is een re-integratie toch even belangrijk als voor andere arbeidsongeschikten.

 

Een tweede, veeleer technische vraag is of het arbeidsongeval of de beroepsziekte effectief moet erkend zijn door de arbeidsongevallenverzekering, het Fonds voor Arbeidsongevallen of het Fonds voor de Beroepsziekten alvorens de specifieke clausule in artikel 73/1 van toepassing is, of is dat al van toepassing vanaf het ogenblik van de aangifte van het arbeidsongeval of de beroepsziekte? Ik stel deze vraag omdat het bij arbeidsongevallen en beroepsziekten in een groot aantal gevallen relatief lang duurt, tot zelfs enkele maanden, alvorens er duidelijkheid is over aanvaarding of weigering. Bij beroepsziekten kan dit zelfs oplopen tot meer dan een jaar.

 

04.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Spooren, ik weet dat u dit dossier in al zijn facetten van heel nabij volgt, en deze interessante vraag mocht u aldus niet overslaan.

 

In het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers zoals ingevoegd in het koninklijk besluit van 28 oktober 2016 is inderdaad bepaald dat het re-integratietraject niet van toepassing is op wedertewerkstelling bij arbeidsongeval of beroepsziekte.

 

Het is niet de bedoeling om werknemers die definitief ongeschikt zijn voor hun werk als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte uit te sluiten van het doorlopen van een re-integratietraject maar wel om een duidelijk onderscheid te maken tussen de nieuwe re-integratieprocedure in het KB gezondheidstoezicht, enerzijds, en de bestaande procedure inzake wedertewerkstelling bij tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte, anderzijds.

 

Om de invoering van de nieuwe regels rond re-integratie voor arbeidsongeschiktheid niet langer te moeten uitstellen heb ik, samen met mijn collega, minister De Block, beslist om voorlopig niet te raken aan de bestaande wedertewerkstellingsprocedure bij arbeidsongeval of beroepsziekte. Daarbij zijn immers nog andere actoren betrokken zoals de arbeidsongevallenverzekeraar of –verzekeraars, Fedris enzovoort. Collega De Block en ikzelf zijn echter van plan om zo snel mogelijk werk te maken van het verder stroomlijnen van de regels inzake re-integratie in het KB gezondheidstoezicht en in de wetten inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten. U kunt ons uw inzichten ter zake meedelen aangezien u ook zeer actief bent in dat dossier.

 

Deze harmonisering zal een aantal van uw vragen beantwoorden. U weet dat wij de laatste dagen en het voorbije weekend zeer intensief bezig zijn geweest met de re-integratie. Ik ga er dus vanuit dat dit een volgende stap is die mijn collega De Block en ik zelf zullen zetten.

 

04.03  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de minister, eerst en vooral, ik volg dit dossier inderdaad heel nauw op, soms iets te nauw en iets te snel, waarvoor mijn excuses.

 

Ik ben vooral blij te horen dat het effectief de bedoeling is om dit in een volgende fase ook aan te pakken en het re-integratieplan daarop van toepassing te maken. Ik meen — en ik neem aan net zoals uw collega De Block en uzelf — dat men vooral moet kijken naar de doelstelling, dus de re-integratie, veeleer dan naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid. Ik kan het alleen toejuichen dat u dat op korte termijn zult aanpakken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Anne Dedry aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de resolutie van het Vlaams Parlement betreffende mantelzorg" (nr. 15495)

05 Question de Mme Anne Dedry au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la résolution du Parlement flamand concernant les soins de proximité" (n° 15495)

 

05.01  Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, zoals de heer Spooren altijd terugkomt op zijn thema, zo kom ik ook altijd terug op mijn thema Mantelzorg.

 

In het Vlaams Parlement werd een resolutie door de meerderheid voorgesteld en goedgekeurd om de ondersteuning van mantelzorgers te verbeteren. Dit is een lovenswaardige aanzet. Het is alleen vreemd dat de resolutie komt na de aankondiging van de 110 actiepunten van minister Vandeurzen. De vraag is dan waarom men de minister nog met een resolutie achter de veren moet zitten?

 

Ik las in de resolutie een aantal belangrijke aanbevelingen, waarbij een die ik al veelvuldig onder de federale aandacht bracht, met name om de goede praktijken voor een mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid bij de overheid en de ondernemingen te inventariseren en ter beschikking te stellen van werkgevers zodat die via maatwerk hun werknemers kunnen ondersteunen om hun taak als mantelzorger te combineren met hun professionele activiteiten zonder dat de werking van de onderneming in het gedrang komt.

 

Er beweegt dus heel wat aan Vlaamse zijde, al vind ik wel dat het de laatste maanden op dit vlak federaal erg stil is gebleven. Vandaar mijn vragen aan u, mijnheer de minister. Ik heb ook andere aanbevelingen aan minister De Block voorgelegd. We kunnen elkaar maar bevruchten en van elkaar leren.

 

Er werd trouwens ook bij minister Vandeurzen een motie ingediend door Elke Van den Brandt om in te zetten op de draagkracht van mantelzorgers.

 

Mijnheer de minister, welke garanties zult u federaal bieden opdat de mantelzorger werk en mantelzorg kan combineren? Bent u het met mij eens dat wanneer een mantelzorger daadwerkelijk als zodanig is erkend, ongelimiteerd tijdskrediet mogelijk moet zijn?

 

U hebt plannen met betrekking tot de verzekering voor mantelzorgers. U hebt mij gezegd dat dit bijna rond was. Hoe ver staat u daarmee? Zelf vind ik dit een vorm van juridisering, waarvan ik mij afvraag of dit wel past in het plan van minister De Block tot hervorming van KB 78, waarmee zij net een aantal zaken met betrekking tot de mantelzorg wil vereenvoudigen?

 

Op federaal niveau is er een statuut waarvoor nog uitvoeringsbesluiten nodig zijn. Ik begrijp dat men het in deze regering nog niet eens is over wat een “zwaar zorgbehoevende patiënt” is. Dit meen ik althans te begrijpen uit het antwoord van minister De Block in de commissie vorige week. Zijn jullie het al dan niet eens?

 

Staat u op dezelfde lijn als uw collega, minister De Block, in verband met de adempauze respijtmogelijkheden?

 

05.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, na twee jaar weet men waar parlementsleden sterk mee bezig zijn.

 

Ik weet, mevrouw Dedry, dat mantelzorg een dossier is dat u na aan het hart ligt. Ik heb daar veel respect voor trouwens. U hebt mij daarover al veel vragen gesteld en u zult er ongetwijfeld nog veel stellen. Ook daarvan ben ik overtuigd. Terecht trouwens, want dit is een heel belangrijke sector en activiteit.

 

Ik zal trachten op uw vragen te antwoorden. De eerste vraag met betrekking tot de voorgelegde problematiek inzake de combinatie tussen werk, gezin en mantelzorg. Op dat vlak zijn er meerdere verlofstelsels die vandaag al heel wat mogelijkheden bieden om tijdelijk de arbeidsprestatie volledig of gedeeltelijk te onderbreken teneinde personen met bepaalde zorgnoden bij te staan.

 

Een eerste verlofstelsel dat in dit verband van belang is, is het recht op gemotiveerd tijdskrediet dat de sociale partners hebben vastgelegd in cao nr. 103. In dat kader heeft een werknemer momenteel recht op een tijdskrediet van 36 maanden om voor zijn kind te zorgen tot de leeftijd van 8 jaar, voor het verlenen van palliatieve zorgen en voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een zwaar ziek gezins- of familielid.

 

Voor de twee volgende motieven heeft de werknemer momenteel recht op een tijdskrediet van 48 maanden: om zorg te dragen voor een kind met een handicap tot de leeftijd van 21 jaar en voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een minderjarig zwaar ziek kind of een minderjarig zwaar ziek kind dat gezinslid is.

 

Door de wetgeving inzake werkbaar werk en door een recente wijziging van cao nr. 103 zullen deze zorgkredieten binnenkort evenwel worden opgetrokken tot 51 maanden.

 

Naast het recht op gemotiveerd tijdskrediet dat wordt toegekend door cao nr. 103 kan een werknemer/mantelzorger zich bovendien desgevallend ook nog beroepen op twee thematische verloven: enerzijds de regelgeving inzake medische bijstand die aan de werknemer het recht geeft om die prestaties gedurende twaalf maanden of vierentwintig maanden – het ene is volledig, het andere is gedeeltelijk – afwezig te zijn om medische bijstand te geven aan een zwaar ziek gezins- of familielid, anderzijds de regelgeving met betrekking tot het palliatief verlof, op basis waarvan de werknemer het recht heeft om gedurende twee maanden volledig of gedeeltelijk afwezig te zijn van het werk om bijstand te geven aan een terminaal zieke persoon.

 

Merk op dat er ook voor dat palliatief verlof in een uitbreiding wordt voorzien. De wet werkbaar en wendbaar werk breidt dit verlof inderdaad uit met één maand, met ingangsdatum 1 februari 2017. Ook hier zal het KB dat de uitkering regelt, zo snel mogelijk in werking treden.

 

Tot slot ook nog het volgende. De sociale partners zijn er in principe toe gehouden om jaarlijks een evaluatie op te maken van de regeling rond tijdskrediet, artikel 26 van de wet van 10 augustus 2001. De voorliggende problematiek zou desgevallend uiteraard mee aan bod kunnen komen bij een volgende evaluatie door de sociale partners.

 

Ik ben wat mantelzorgverzekering betreft ingegaan op een vraag vanuit het veld zelf. De sector kon geen verzekeraar vinden die een pakket verzekeringen aanbood dat voor hen adequaat was. Daarom ben ik als facilitator opgetreden tussen de verzekeraars en de mantelzorgverenigingen. Ik heb drie verzekeraars bereid gevonden een pakket op maat aan te bieden, maar ik ben natuurlijk zelf niet tussengekomen in het afsluiten van die verzekeringen. Die verzekeringen zijn er, daar hebben wij voor gezorgd, maar het afsluiten is een zaak van de verenigingen zelf, die met de verzekeraars rond de tafel moeten zitten om die verzekeringen of die polissen af te sluiten. Dat is bij mijn weten ook gebeurd. Wat mij betreft heb ik mijn werk gedaan. De drie verzekeraars zijn er met enige stimulansen toe aangezet om een verzekeringsproduct aan te bieden.

 

Over het mantelzorgstatuut is er nog geen akkoord binnen de regering, dat is juist. Daar moet verder aan worden gewerkt.

 

Ten slotte, het initiatief respijtzorgmogelijkheden kunnen wij alleen maar ondersteunen. Het is belangrijk dat mantelzorgers een beroep kunnen doen op respijtverlof, zodat zij kunnen ontspannen of uitrusten en achteraf de mantelzorg kunnen voortzetten, met behoud van levenskwaliteit.

 

Ook mijn collega Maggie De Block is daar erg bezorgd over. Zij probeert op het vlak van mantelzorg vooruitgang te boeken.

 

Ik ben het met u eens dat er nog wel wat werk op de plank ligt en dat wij er nog verder aan moeten werken, samen ook met onze regionale collega’s.

 

05.03  Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uit onderzoek dat door uw collega-minister Vandeurzen en de Studiedienst van de Vlaamse Regering is aangestuurd, blijkt dat de gemiddelde duur dat mensen mantelzorg combineren, acht jaar is.

 

Dat is de reden waarom ik, ondanks mijn pluim voor het geven van extra mogelijkheden om het ene of het andere zorgverlof met een maand, twee maanden, drie, vier of vijf maanden uit te breiden, toch voor een verbetering pleit. Uit die cijfers blijkt immers dat de bestaande uitbreiding niet voldoende is en dat wanneer iemand het statuut van mantelzorger heeft en eenmaal daarin is erkend, ongelimiteerd tijdkrediet zou moeten kunnen krijgen.

 

Ik zal dan ook op het dossier terugkomen.

 

Tot slot, het is erg jammer dat de regering het niet eens geraakt over de manier waarop het mantelzorgstatuut moet worden ingevuld of over de definitie van zwaarzorgbehoevende. Immers, wanneer die knoop is doorgehakt, kunnen wij ook de andere zaken die ik vraag, op een gemakkelijke manier regelen. Zij vloeien dan immers voort uit de uitvoeringsbesluiten. In voorkomend geval zijn mijn vragen overbodig en zal ik u niet meer lastigvallen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Jan Spooren aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de werkgeversgroeperingen" (nr. 15502)

06 Question de M. Jan Spooren au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les groupements d'employeurs" (n° 15502)

 

06.01  Jan Spooren (N-VA): Mijnheer de minister, u kent deze materie veel beter dan ikzelf. U weet dus dat een werkgeversgroepering – een groep ondernemingen samen – personeel kan aanwerven, wat hun de mogelijkheid geeft administratieve taken en beheerstaken onderling te verdelen. De werknemers kunnen dan flexibel, naar behoefte, in de verschillende aangesloten ondernemingen ingezet worden. Vooral voor kmo’s met beperkte financiële slagkracht verlagen deze werkgeversgroeperingen de drempel voor het in dienst nemen van personeel.

 

In de wet van 25 april 2014 en het bijbehorend koninklijk besluit van 8 juli 2014 werden het toepassingsgebied en de mogelijkheden voor werkgeversgroeperingen fors uitgebreid. Zo werd het toepassingsgebied uitgebreid van werknemers met een bepaalde afstand tot de arbeidsmarkt naar elk type werknemer. Het werd voor werkgeversgroeperingen ook mogelijk gemaakt werknemers deeltijds te werk te stellen of te werk te stellen voor een bepaalde duur. Ook werd de mogelijkheid ingebouwd om naast het economisch samenwerkingsverband (ESV) ook de vorm van een vzw te gebruiken om een werkgeversgroepering op te richten.

 

Na iets meer dan twee jaar vragen wij ons echter af in welke mate de wijziging van de regelgeving al vruchten heeft afgeworpen. Heel concreet: zijn er sindsdien meer werkgeversgroeperingen opgericht?

 

Mijn tweede vraag vervalt, gelet op de discussies die wij gevoerd hebben in verband met de wet op werkbaar en wendbaar werk. Die vraag luidde als volgt. Zijn er nog verdere aanpassingen in de regelgeving gepland? Wij hebben dat gezien. Laten wij hopen dat zij vruchten zullen afwerpen. Ik meen dat zij dat zullen doen.

 

06.02 Minister Kris Peeters: U ziet, mijnheer Spooren, dat u op uw wenken wordt bediend.

 

Sinds de aanpassing van de wet op de werkgeversgroeperingen, op 1 februari 2014, werden 12 werkgeversgroeperingen opgericht aan wie de toelating werd verleend werknemers ter beschikking te stellen van hun leden. Met andere woorden: 12 goedgekeurde werkgeversgroeperingen werden opgericht over een periode van 3 jaar. Daarnaast is op dit ogenblik nog één aanvraag in behandeling. Er kan dus een duidelijke stijging van het aantal aanvragen worden vastgesteld ten opzichte van de periode voor de aanpassing van de wetgeving. Over de totale tijdsspanne van ruim 13 jaar werden slechts 13 werkgeversgroeperingen opgericht en erkend.

 

Kortom, in de 13 jaar voor 2014 werden er 13 werkgeversgroeperingen opgericht. Sinds 2014 is er een aantal bijgekomen. Zoals u echter terecht hebt aangehaald, hebben wij in de wet van 5 maart 2017 op werkbaar en wendbaar werk een aantal belangrijke wijzigingen aangebracht waarvan ik hoop dat heel wat kleine en middelgrote ondernemingen van werkgeversgroeperingen gebruik zullen kunnen maken, net als in Frankrijk waar zij een groot succes zijn.

 

Het geldt nu voor vijftig werknemers. De Koning kan die drempel evenwel verhogen. Nu de regelgeving zo soepel is geworden, hoop ik dat er verder heel wat initiatieven genomen zullen worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Wouter Raskin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het statuut van het ambassadepersoneel in België" (nr. 15505)

07 Question de M. Wouter Raskin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le statut du personnel d'ambassade en Belgique" (n° 15505)

 

07.01  Wouter Raskin (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag werd eind vorig jaar ingediend, maar het blijft de moeite om erop terug te komen.

 

Het gaat over het statuut van het ambassadepersoneel. De voorbije jaren zijn honderden dossiers geopend over sociale fraude bij de ambassades in ons land. Om de wantoestanden aldaar aan te pakken werd in 2013 de Commissie van Goede Diensten opgericht, waarin naast de vakbonden, ook vertegenwoordigers van de sociale administraties en van de FOD Buitenlandse Zaken aanwezig zijn.

 

Volgens de adviseur-generaal bij de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten wordt deze commissie echter geconfronteerd met het probleem van het onduidelijk statuut van de ambassades en hun personeel. Deze onduidelijkheid heeft gevolgen op het terrein, zoals het ontbreken van loonbarema's, werkuren die niet geregeld zijn en soms zelfs personeelsleden die niet worden aangegeven bij de sociale zekerheid, enzovoort.

 

In mei 2015 sprak u uw steun uit voor de eis van het ambassadepersoneel voor een beter statuut. U engageerde zich ook om op zoek te gaan naar een oplossing. Mijn concrete vraag is wat de stand van zaken is van uw onderzoek naar een oplossing voor het juridisch onduidelijke statuut van het ambassadepersoneel in België. Hebt u al plannen voor concrete initiatieven?

 

07.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Raskin, wat betreft het juridisch statuut van het ambassadepersoneel in België, worden momenteel een aantal pistes verder onderzocht. Dit is dus een opvolgingsvraag.

 

De Commissie van Goede Diensten is van mening dat de uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités een goede oplossing zou zijn. Hiervoor moet artikel 2, 3° van dezelfde wet met het ambassadepersoneel worden aangevuld.

 

Een andere piste kan het creëren van een statuut sui generis zijn, vergelijkbaar met dat van toepassing op het ambassadepersoneel gevestigd op Italiaans grondgebied. Dit laatste moet worden onderhandeld met de sociale partners en met mijn collega’s bevoegd voor Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken en Financiën.

 

Volgens mij is de beste oplossing de uitbreiding van de wet van 5 december 1968. Wij bereiden momenteel een wet houdende diverse bepalingen inzake werk voor en hebben de intentie om daarin een bepaling omtrent het ambassadepersoneel op te nemen. U zult kortelings in deze commissie verder van gedachten kunnen wisselen over een oplossing ter zake. De oplossing is dus nabij, althans al u het ermee eens zult zijn.

 

07.03  Wouter Raskin (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik ken uw concrete oplossing nog niet, maar u hebt wel geantwoord op mijn vraag over de stappen, de timing en de richting die wij volgens u moeten uitgaan. U bent duidelijk. U geeft de voorkeur aan een aanpassing van de wet van 1978.

 

Ik noteer dat er al concrete stappen worden gezet.

 

07.04 Minister Kris Peeters: Het gaat om de wet van 1968, niet van 1978.

 

07.05  Wouter Raskin (N-VA): Inderdaad, het is de wet van 1968. U hebt al concrete stappen gezet, in die mate zelfs dat wij verheugd mogen zijn om daar kortelings meer informatie en duiding over te krijgen. Daar kijken wij met zijn allen naar uit.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions nos 15536 et 15537 de M. Raoul Hedebouw sont transformées en questions écrites à sa demande.

 

08 Question de M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les pratiques parasalariales des banques et le système de rémunération prévu dans le plan Vision 2020 de BNP Paribas Fortis" (n° 15669)

08 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het loonbeleid van de banken en het verloningsysteem in het plan Visie 2020 van BNP Paribas Fortis" (nr. 15669)

 

08.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, dans le cadre de son plan "Vision 2020", la direction de la banque BNP Paribas Fortis envisage diverses modifications du système de rémunération. Parmi celles-ci, on peut découvrir, dans un document interne, la volonté de recourir davantage au système des UNITS. Il s'agit, dans le jargon interne de la banque, d'unités permettant "d'acquérir des biens matériels, des services, des formations ou une conversion en cash" au détriment d'une rémunération classique. Ainsi, la partie du salaire dépassant 4 700 euros par mois ou encore le treizième mois (qui serait mensualisé) seraient payés en UNITS. L'objectif étant, tout le monde l'aura compris, de ne pas payer de cotisations sociales sur les montants salariaux au-delà de 4 700 euros.

 

Une telle évolution, si elle se confirme, soulève des questions sur le plan de la légalité et quant à l'impact sur le financement de la sécurité sociale, dès lors que des montants de salaires bruts (avec paiement de cotisations sociales) seraient transformés en avantages nets (sans contribution à la sécurité sociale).

 

Ce n'est pas la première fois que le secteur bancaire en général et BNP Paribas Fortis en particulier recourent à ce type d'opération et à des pratiques parasalariales, sans réaction du gouvernement fédéral, malgré mes précédentes interpellations. Je pense notamment aux plans "cafétéria" mis en place dans plusieurs banques.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si la transformation de salaire en UNITS ou en d'autres unités de ce type, non soumis à la sécurité sociale, est bien légale? Ce type d'accord doit-il faire l'objet d'un ruling préalable du SPF Emploi? Sous quelle forme? BNP Paribas Fortis a-t-elle sollicité un tel accord? Quelle réponse lui a-t-elle été donnée?

 

L'impact de ce dispositif sur le financement de la sécurité sociale peut-il être évalué? Quel serait-il? Comptez-vous réagir de manière proactive vis-à-vis de la direction de BNP Paribas Fortis par rapport à ce volet de son plan "Vision 2020" pour l'informer de votre désaccord sur cette manière de faire?

 

De façon générale, disposez-vous d'une évaluation relative à ces pratiques parasalariales développées notamment dans le secteur bancaire? Entendez-vous mettre en place une stratégie pour les prévenir? Ou allez-vous compter les points depuis votre poste d'observation ministériel?

 

08.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, monsieur Gilkinet, je vous présente mes excuses, car je ne dispose que du texte néerlandais de la réponse. J'ai demandé à ce que la version française vous soit transmise.

 

Ik heb hier het antwoord in het Nederlands, maar ik bezorg u zo dadelijk een antwoord in het Frans. Mijn excuses hiervoor.

 

De loonbeschermingswet is zeer restrictief inzake betaling in natura. Het loon wordt in principe betaald in geld en slechts in enkele gevallen mag het in natura, bijvoorbeeld in verband met woonst of maaltijden. Ik wil ook opmerken dat er een verschil is dus flexibel verlonen en loonoptimalisatie.

 

Het uitgangspunt van een flexibel verloningsplan is eenvoudig. Per werknemer wordt een overzicht opgemaakt van het totale loonpakket en het budget dat daarmee overeenstemt. Op basis daarvan kunnen bepaalde looncomponenten, alleen wat wettelijk kan, ingewisseld worden voor andere voordelen uit een keuzemenu. De keuzeoptimalisatie staat hierbij centraal, wat leidt tot een grotere tevredenheid van de werknemer.

 

Loon en loonkostenoptimalisatie daarentegen gaan erover aan de werknemer de specifieke looncomponenten aan te bieden die een maximaal rendement geven aan de werknemer met minimale kosten voor de werkgever. De overheid heeft verschillende looncomponenten een apart sociaal en fiscaal statuut toegedicht, om de werknemers- en de werkgeversbijdragen te verlichten. Die voordelen zijn wettelijk verankerd. Dat is de algemene toelichting, die u terugvindt in de wet van 12 april 1965.

 

Alle afwijkingen op de loonbeschermingswet op het terrein zijn het gevolg van de ruime interpretatie in de socialezekerheidswetgeving en in de fiscale wetgeving. Op die domeinen heeft men reeds meer aanvaard dan in het arbeidsrecht.

 

Voor de specifieke vraag met betrekking tot de behandeling van die units en hun omzetting naar voordelen of geld, verwijs ik naar de minister van Sociale Zaken. Ik zal met collega De Block samen bekijken welke innovatieve ontwijkings- en optimalisatietechnieken vandaag worden ontwikkeld door werkgevers in het kader van de harmonisering van het loonbegrip.

 

Het is zeker nodig om dat van nabij te bekijken en te onderzoeken. Wat het aangehaalde geval betreft, onderstreep ik met klem dat mijn administratie nooit een voorafgaand akkoord heeft verleend. Het enige wat mijn administratie kon terugvinden, was een gelijkaardige vraag gesteld door een advocatenbureau in naam van een andere bank dan BNP Paribas Fortis.

 

Het antwoord was duidelijk. De FOD WASO is niet bevoegd om bij wijze van ruling uitspraken te doen over individuele dossiers. Mijn administratie verleent slechts algemene informatie en een niet-bindend advies. In geval van betwisting zal alleen de bevoegde rechter definitief uitsluitsel kunnen geven. Het is het vaste standpunt van mijn administratie dat bij de invoering en toepassing van een zogenaamd cafetariaplan in een onderneming alle hogere rechtsnormen moeten worden nageleefd, waaronder de bepalingen in de artikelen 3, 4 en 6 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, alsook de bepalingen van alle algemeen verbindend verklaarde cao’s die op die materie betrekking hebben.

 

Wanneer er geen expliciete mogelijkheid is om loon op een andere wijze uit te betalen, moet het in geld worden uitbetaald. Ik heb er daarom ernstige twijfels over of de uitbetaling in units wel conform de loonbeschermingswet is en zal daarom ook mijn inspectiediensten verder onderzoek laten verrichten.

 

Ik heb alle begrip voor de wens van de ondernemingen om hun loonkosten te optimaliseren. De regering levert daarvoor ernstige inspanningen, via lastenverlagingen en andere competitiviteitsmaatregelen. Alle andere manieren om de loonkosten te beperken, moeten conform de geest en de letter van de wetgeving blijven. Voor de specifieke vraag naar de onderwerping aan de sociale bijdragen en fiscaliteit verwijs ik nogmaals door naar de minister van Sociale Zaken en de minister van Financiën.

 

Ondertussen zit de Franse vertaling van mijn antwoord al in uw mailbox, mijnheer Gilkinet. U hebt het sneller dan ik. Ik hoop dat mijn antwoord duidelijk is geweest.

 

08.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Je note surtout que vous avez, tout comme moi, de sérieux doutes sur la légalité de ce dispositif et que vous avez saisi les services d'inspection du SPF Emploi à ce sujet. Monsieur le ministre, ma question a été déposée au mois de janvier et je constate que depuis le mois de janvier, vous n'avez pas pu faire traduire la réponse. Mais j'espère au moins, et c'est ce qui importe, que quelque chose s'est mis en mouvement et que le doute que vous avez se transformera en action.

 

Je vous encourage à solliciter le plus rapidement possible votre collègue, la ministre des Affaires sociales. Je l'interrogerai évidemment aussi. Mais si vous laissez faire, il s'agira d'un précédent particulièrement grave et potentiellement coûteux pour la sécurité sociale. Vous ne pouvez pas laisser un employeur décider de ne plus payer de cotisations sociales sur les salaires au-delà, en l'occurrence, de 4 700 euros. C'est très grave. Cela pourrait déséquilibrer totalement notre système de sécurité sociale; ce dernier pourrait être encore plus déséquilibré qu'il ne l'est.

 

Quand demain, on constatera qu'il y a un déficit dans la sécurité sociale, on nous dira à nouveau qu'il faut faire des économies sur les dépenses de ce secteur, plutôt que de vérifier que les cotisations soient bien payées. On ne peut pas considérer que le secteur bancaire soit un secteur particulièrement nécessiteux. BNP Paribas Fortis vient de publier ses derniers résultats. Très régulièrement, c'est une banque qui réalise des bénéfices au-delà du milliard d'euros, parfois deux milliards d'euros. Elle les renvoie à son actionnaire principal en France, à Paris. Je n'accepte pas que cela ait lieu sur le dos de la sécurité sociale et sans réaction du gouvernement.

 

J'ai pris note du fait que vous aviez demandé à vos services d'inspection de mener l'enquête sur le sujet. Je reviendrai très rapidement sur la question et j'interrogerai de la même façon Mme la ministre De Block.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde vragen van

- de heer Peter Vanvelthoven aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de werkzoekenden met een verminderde arbeidsgeschiktheid of met een medische of psychiatrische problematiek die hun inschakelingsuitkering verloren hebben of dreigen te verliezen" (nr. 15715)

- de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het recht op een inschakelingsuitkering voor uitkeringsgerechtigden met een erkende blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 %" (nr. 15926)

- de heer Stefaan Vercamer aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de inschakelingsuitkering in geval van arbeidsongeschiktheid" (nr. 16441)

- de heer Éric Massin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de afschaffing van de inschakelingsuitkeringen voor personen met een handicap" (nr. 16548)

09 Questions jointes de

- M. Peter Vanvelthoven au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les demandeurs d'emploi présentant une aptitude au travail réduite, un problème médical ou psychiatrique et qui ont perdu ou qui risquent de perdre leurs allocations d'insertion" (n° 15715)

- M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le droit aux allocations d'insertion pour les allocataires reconnus comme ayant une inaptitude permanente de minimum 33 %" (n° 15926)

- M. Stefaan Vercamer au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'allocation d'insertion en cas d'incapacité de travail" (n° 16441)

- M. Éric Massin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la suppression des allocations d'insertion des personnes porteuses d'un handicap" (n° 16548)

 

09.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, un citoyen souffrant d'une inaptitude permanente au travail a interpellé l'ONEM concernant la prolongation du droit de percevoir les allocations d'insertion. Il lui a été indiqué que "l'arrêté royal prolongeant d'une année supplémentaire le droit aux allocations d'insertion pour tous les allocataires d'insertion reconnus comme ayant une inaptitude permanente au travail de 33 % au moins ou qui présentent des problèmes de type MMPP et qui bénéficient sur cette base d'un élargissement de leur droit aux allocations d'insertion, n'a pas encore été publié au Moniteur belge".

 

Il apparaît que, dans l'attente de cette publication, vous avez demandé à l'ONEM de "prendre, sans attendre la publication au Moniteur belge, toutes les mesures nécessaires pour que cette prolongation puisse être octroyée sans retard, ceci afin d'éviter une interruption de l'indemnisation des chômeurs concernés". Le correspondant du citoyen en question a clairement indiqué que cette prolongation était octroyée automatiquement et ne nécessitait dès lors aucune démarche particulière de l'intéressé. Néanmoins, l'absence d'arrêté royal prolongeant ce droit est particulièrement inquiétante en termes de sécurité juridique pour toutes les personnes concernées.

 

Monsieur le ministre, pour quelles raisons cet arrêté royal n'était-il pas encore publié au moment où je déposais ma question? Quelles sont les conséquences de cette non-publication pour les citoyens concernés?

 

Confirmez-vous que l'ONEM a bien reçu la consigne de transmettre l'information quant à la prolongation de fait du droit sans base légale aux citoyens et citoyennes concernées et d'appliquer cette règle malgré tout, c'est-à-dire d'appliquer la poursuite des allocations d'insertion pour les personnes handicapées ou inaptes? Comment les bénéficiaires sont-ils ou ont-ils été informés?

 

Quelle conduite le gouvernement va-t-il adopter pour les années suivantes? Comptez-vous mettre en place des solutions structurelles pour éviter ces inquiétudes parmi des allocataires particulièrement fragiles en l'occurrence? Pourquoi cet arrêté est-il prolongé d'année en année et non à durée indéterminée?

 

09.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, monsieur Gilkinet, inzake de problematiek van werkzoekenden met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 33 % of behorende tot de MMPP, besliste de regering het recht op een inschakelingsuitkering voor die personen met één jaar te verlengen, in afwachting van een structurele oplossing. Het koninklijk besluit is gepubliceerd op 1 februari 2017, met uitwerking vanaf 1 januari 2017, zodat er geen onderbreking in de uitbetaling van de uitkeringen was.

 

Une proposition de loi visant à remédier aux problèmes des personnes atteintes d'un handicap ou d'une incapacité de travail d'au moins 33 %, en supprimant la limitation dans le temps des allocations d'insertion pour tous leurs bénéficiaires, ne me semble pas constituer une bonne piste.

 

L'objectif initial de cette mesure de limitation des allocations d'insertion à trente-six mois était d'inciter les jeunes à chercher encore plus activement un emploi. S'ils savent dès le début de la période d'indemnisation que leur droit expire à un certain moment, on peut supposer que cela entraînera un effet positif dans leur recherche d'emploi. Cette responsabilisation leur rappelle aussi que les allocations d'insertion sont octroyées sur la base des études, et non sur celle du travail, et que le bénéfice de telles allocations sans avoir contribué soi-même au financement de la sécurité sociale ne peut pas s'éterniser.

 

Dit wil niet zeggen dat wij deze personen niet moeten helpen om een passende job te vinden. De bevoegde bemiddelingsdiensten hebben hun inspanningen aanzienlijk verhoogd om werkloze jongeren bij te staan, dit onder andere in het kader van het Europese Jeugdgarantieplan.

 

In het jaarverslag van de RVA over 2015 en 2016 vinden wij indicaties over de uitstroom naar tewerkstelling voor de werkloze wiens inschakelingsuitkeringen einde recht zijn. In 2015 hebben 50 % van hen binnen de daaropvolgende zes maanden gewerkt. Voor 2016 ging het over 53,5 %. Aan het einde van die zes maanden was respectievelijk nog 35 % in 2015 en 40,3 % in 2016 aan het werk.

 

Ik meen dat het inderdaad onaanvaardbaar is dat personen met MMPP, of 33 % arbeidsongeschiktheid, én die geneigd zijn te werken, geen enkel recht meer hebben op een inkomen na afloop van hun krediet van inschakelingsuitkeringen. In veel gevallen komen zij niet in aanmerking voor een vervangingsinkomen van de FOD Sociale Zekerheid.

 

Je veux trouver, pour ce groupe spécifique, une solution structurelle dans les limites de la sécurité sociale large et ouvrir, de ce fait, un débat sur le sixième pilier. Ce ne sera pas la première fois qu'un tel débat sera mené.

 

Deze keer hoop ik echter, in overleg met alle betrokken federale en regionale ministers, tot een duurzame en afdoende oplossing te komen, waarbij een waardig vervangingsinkomen gekoppeld wordt aan een maximale ondersteuning voor de integratie op de arbeidsmarkt.

 

En ce qui concerne votre question sur l'étude de la KUL, je puis vous informer que je viens d'en recevoir les conclusions provisoires. Elles sont, en ce moment, examinées par mes services. J'ai appris que la KUL publierait le rapport le vendredi 24 mars prochain.

 

09.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, il y a deux débats. Le premier est d'ordre général et porte sur la limitation dans le temps des allocations d'insertion pour les jeunes, que vous présentez comme une mesure qui doit les encourager à chercher du travail. Mais assumez, avec le gouvernement, qu'il s'agit uniquement d'une mesure d'économie prise au détriment d'une population fragile. Il suffit, au demeurant, de consulter les statistiques d'exclusion pour s'apercevoir que certaines régions se trouvent dans une situation de non-emploi. On peut chercher tant qu'on veut un emploi qui n'existe pas, on ne le trouvera pas. Comme en témoignent les dernières statistiques, publiées tout récemment, il en résulte que des dizaines de milliers de jeunes ont été exclus du bénéfice des allocations d'insertion. Cela vous permet de déclarer ensuite que le taux de chômage s'améliore. Or il s'améliore, non parce que des emplois sont créés, mais en raison des exclusions. Il n'y a donc pas de quoi se réjouir!

 

S'agissant des allocations d'insertion qui devraient être garanties de façon indéterminée aux personnes qui se trouvent dans l'incapacité de travailler pour cause de handicap ou qui subissent une incapacité structurelle au travail, il n'est pas acceptable que leur situation soi remise en cause annuellement et que les arrêtés royaux établissant une base légale soient publiés tardivement et prennent effet de façon rétroactive, installant de la sorte de l'insécurité. Comme vous l'avez dit, il faut trouver une solution structurelle pour ce public. J'espère que nous ne devrons pas revoir, au début 2018, la même situation que celle qui est vécue en ce moment. De même, j'espère que je pourrai compter sur votre engagement et celui de la ministre des Affaires sociales pour élaborer un cadre permanent au bénéfice de ce public trop éloigné du marché de l'emploi qui peut, dès lors, légitimement bénéficier d'un système de protection ad hoc. Je vous remercie de votre attention.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Question de M. Richard Miller au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'évaluation de la commission Artistes" (n° 15836)

10 Vraag van de heer Richard Miller aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de evaluatie van de Commissie Kunstenaars" (nr. 15836)

 

10.01  Richard Miller (MR): Monsieur le ministre, la réglementation relative au statut d'artiste a été revue en profondeur et est d'application depuis le 1er avril 2014. Elle avait pour but de réformer et de renforcer le statut social de cette catégorie spéciale de travailleurs. Par ailleurs, cette réforme a permis la création d'une Commission Artistes depuis le 1er juin 2015 au sein du SPF Sécurité sociale, dont la mission principale relève de l'information des droits et obligations des artistes, mais aussi de la délivrance de documents comme le visa artiste, la carte artiste ou la déclaration d'indépendant.

 

J'aurais aimé savoir, monsieur le ministre, si on a procédé à une évaluation du travail réalisé par cette commission. La Commission Artistes remplit-elle sa mission? Donne-t-elle satisfaction aux artistes qui s'adressent à elle? Dans le cas contraire, est-il prévu de procéder à une évaluation de cette structure?

 

Existe-t-il, à votre connaissance, des points qui pourraient être améliorés? Depuis sa mise en place, pourriez-vous m'indiquer le nombre d'artistes qui se sont adressés à cette commission afin d'obtenir la reconnaissance de leur statut et le nombre de demandes ayant reçu une réponse favorable, ainsi que le nombre de refus?

 

Dernier point, les artistes sont considérés comme des travailleurs à part entière mais bénéficient toutefois d'une réglementation plus souple en matière de droits au chômage. Il me revient que nombre d'entre eux, en fonction de droits perçus a posteriori, se voient réclamer le remboursement total ou partiel des indemnités de chômage a posteriori de la prestation artistique réalisée et déclarée. Cela amène, vous vous en doutez, monsieur le ministre, un certain nombre de problèmes de remboursement, de non-versement d'allocations, etc. C'est un domaine un peu difficile.

 

Pourriez-vous me communiquer le nombre de dossiers ayant fait l'objet d'une mesure rétroactive durant les deux dernières années? Quel est le montant moyen de la créance à récupérer par l'ONEM? Pensez-vous qu'il soit possible d'améliorer encore le système, tout en garantissant bien entendu la philosophie première du système d'allocations de chômage? Est-il possible d'apporter des améliorations afin de soutenir au maximum la créativité? Si oui, comment?

 

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour les réponses que vous voudrez bien m'apporter.

 

10.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chers collègues, d'abord il convient de préciser que les questions relatives au fonctionnement de la Commission Artistes et à son évaluation sont de la compétence de ma collègue, la ministre des Affaires sociales, Mme De Block.

 

En ce qui concerne la réglementation du chômage, il faut préciser qu'en cas de revenus sans cotisations ONSS, en vertu de la réglementation chômage, les artistes peuvent cumuler l'exercice d'une activité artistique avec les allocations de chômage et ce, sans limitation dans le temps. Ce cumul est toutefois soumis à une limite de revenus en ce sens que les revenus nets imposables provenant de l'activité artistique dépassant 4 274,40 euros - limite annuelle -, sont déduits du montant des allocations de chômage. Ce calcul s'effectue annuellement sur la base de l'avertissement-extrait de rôle. Mais, pour éviter les récupérations, le montant des allocations de chômage est provisoirement adapté sur la base des revenus présumés déclarés par l'artiste. Celui-ci peut à tout moment produire une nouvelle déclaration de ses revenus afin d'adapter le montant des allocations et, ainsi, éviter les récupérations. L'ONEM ne dispose pas de chiffres séparés en fonction du type d'activités, artistiques ou non, entraînant l'application de cette disposition.

 

En cas de salaire normal avec cotisations ONSS ou de salaire en tant que statutaire, la période de travail n'est pas indemnisable.

 

Il y a une troisième situation: l'artiste reçoit une rémunération à la tâche, sur laquelle les cotisations ONSS ont été prélevées. Une autre disposition est appliquée, vu que cette rémunération ne couvre pas seulement la journée de prestation, mais également le travail de préparation, les répétitions, etc. La règle de conversion détermine la période qui est considérée comme couverte par la rémunération à la tâche. Cette période est déterminée en divisant la rémunération à la tâche par un salaire de référence. Les jours que l'artiste a déjà mentionnés sur sa carte de contrôle comme étant des jours de travail sont déduits de ce résultat. Le résultat final du calcul détermine une période couverte par la rémunération, située dans le futur, qui ne peut être cumulée avec les allocations de chômage. Si l'artiste mentionne sur sa carte de contrôle le nombre de jours auxquels correspond sa rémunération à la tâche, il évite qu'en application de la règle de conversion, une période future soit déclarée comme non indemnisable.

 

10.03  Richard Miller (MR): Monsieur le ministre, merci pour ces précisions. Vous ne pouviez répondre à une partie de ma question puisqu'elle dépend de votre collègue Mme De Block. Je réintroduirai ma question à ce sujet.

 

Un aspect n'a peut-être pas été traité, mais je relirai l'ensemble de votre réponse, qui est extrêmement précise. Il s'agit des droits ultérieurs dont a bénéficié l'artiste pour un travail qu'il a presté à un certain moment. L'exemple-type est celui d'un comédien qui joue un rôle dans un film, voire dans une publicité. Le produit est bien vendu et, longtemps après, il reçoit des droits issus de ce travail-là. Je pense que cela pose un problème au niveau de la récupération des allocations. Je reviendrai sur cet aspect après avoir lu attentivement votre réponse.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het verdere verloop in het dossier betreffende de wet-Major" (nr. 15848)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het verdere verloop van de klachten tegen de wet-Major" (nr. 17311)

11 Questions jointes de

- M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le suivi du dossier de la loi Major" (n° 15848)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la suite des plaintes contre la loi Major" (n° 17311)

 

11.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik kom nog eens terug op een dossiertje dat u uiteraard ook al van binnen en van buiten kent, de wet-Major. Wij hebben daar al stappen in gezet maar dit is een opvolgvraag. Wat is de stand van zaken? Commissaris Bulc heeft u schriftelijk laten weten dat de Europese Commissie haar ingebrekestelling met betrekking tot de wet-Major zou stoppen. Zo zou er na lange tijd toch schot in deze zaak komen.

 

Er was nog een tiental klachten lopende van enkele havenbedrijven tegen de aanpassingen van de wet-Major die werden doorgevoerd. Deze bedrijven zouden als eersten nog mogen reageren op het standpunt van de Europese Commissie. Als we dit conflict kunnen uitklaren is er – zoals we al de hele tijd gezegd hebben – nog altijd geen concrete oplossing voor de logistiek en de e-commerce in de haven.

 

Dit is dus eigenlijk opnieuw een opvolgvraag naar de stand van zaken. Kunnen we een kopie inkijken van de brief die u van Commissaris Bulc gekregen hebt?

 

In welke mate hebben de lopende klachten van de havenbedrijven invloed op de lopende procedure?

 

Hebt u een zicht op de volgende concrete stappen in dit dossier, de timing en het verdere verloop? Wat is het plan om de resterende problematiek van de logistieke sector en de e-commerce aan te pakken?

 

11.02  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, ik volg dit dossier ook en ik vond het belangrijk om met de heer Klaps een medeopvolging te doen van dit dossier. Hij lijkt mij echt wel belangrijk. In november heb ik u in de commissie voor de Sociale Zaken nog bevraagd over de klacht van de Europese Commissie tegen de wet-Major.

 

Ik ben blij dat er goed nieuws is gekomen voor de havenarbeid. Het is zeker een stap in de goede richting dat Commissaris Bulc zich eigenlijk schriftelijk engageert om de klacht te laten vallen.

 

Nu zullen we zien wat 2017 brengt. We zien in heel Europa diverse aanvallen op de rechten van de dokwerkers. De tegenstanders van de wet-Major zullen een andere tactiek moeten gebruiken, maar ze zullen de strijd niet opgeven. Zo zijn er nog een tiental klachten lopende van enkele havenbedrijven tegen de aangepaste wet-Major. Deze bedrijven zouden ook nog reageren op het standpunt van de Europese Commissie.

 

Ondertussen rijst de vraag of tegenwoordig Spanje en België aan elkaar gekoppeld worden door de Europese Commissie. Zoals u weet, is er in Spanje heibel omdat er een vergaande liberalisering wordt voorgesteld door de regering als antwoord op de veroordeling door het Europees Hof van Justitie. Er lopen uiteindelijk al boetes. Het laatste wapenfeit is nu dat het Spaans Parlement het voorstel van de regering heeft verworpen. Dat is zeer opmerkelijk.

 

Wij lazen in de pers dat de vakbond BTB van het kabinet Peeters ook de verzekering kreeg dat de Europese Transportcommissaris, Violeta Bulc, ik citeer: “… op geen enkele manier het Belgische dossier aan dat van Spanje wenst te koppelen.”

 

Kan de minister bevestigen dat de Europese Commissie de klacht tegen de wet-Major definitief heeft begraven?

 

Denkt de minister dat de lopende klachten van verschillende havenbedrijven zoals Katoennatie nog invloed zullen hebben op de lopende procedure?

 

Hoe ziet de minister het verdere verloop van dit dossier?

 

Kan de minister bevestigen dat het Spaanse en Belgische dossier niet aan elkaar gekoppeld zullen worden?

 

11.03 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, collega Hedebouw en collega Klaps, u volgt dit dossier uitermate op, wat zeer goed is gezien het een belangrijk dossier is, en u bekijkt zelfs de Spaanse situatie van nabij. Wij doen dat ook trouwens. Ik hoop dat het in Spanje tot een goed einde wordt gebracht, maar, zoals u daarjuist hebt gezegd, mijnheer Hedebouw, heeft het parlement het daar verworpen. Men zit daar met een groter probleem dan hier.

 

Wat is de situatie van het dossier over de wet-Major hier in België? Zoals u zelf hebt aangegeven, mijnheer Klaps, heeft commissaris Bulc in december vorig jaar een brief aan de klagers gestuurd, waarin wordt gezegd dat de commissaris de intentie heeft om de procedure af te sluiten en waarop zij nog mochten reageren. Zo gaat dat in Europa.

 

Ik heb ook vernomen dat de klagers ruim de tijd hebben genomen om hierop te antwoorden, maar dat dat intussen toch gebeurd is. De commissaris moet nu, conform de procedure, antwoorden, de antwoorden analyseren en het volledige dossier voorleggen aan het College van commissarissen, dat de finale beslissing neemt, mogelijks tegen eind april.

 

Kortom, nadat de commissaris gezegd had het dossier te zullen sluiten, heeft zij de klagers conform de procedure de mogelijkheid geboden te reageren, wat zij op het einde van de periode hebben gedaan met de indiening van uitgebreide teksten. Die teksten zijn nu geanalyseerd. Wij zitten nu aan de vooravond van de afsluiting van het dossier met een finale beslissing. Ik houd hout vast; dat zou eind april kunnen gebeuren.

 

Er is mij al meegegeven dat bij de afsluiting van het dossier zoals gebruikelijk wordt meegedeeld dat de procedure heropend kan worden, indien de hervormingen niet zoals afgesproken worden uitgevoerd. Het is uiteraard onze vaste wil en ook die van de sociale partners om het akkoord loyaal uit te voeren. Er is niemand van de sociale partners die er niet van overtuigd is. Wij zitten dus in de laatste rechte lijn.

 

Enkele bedrijven hebben inderdaad een beroep bij de Raad van State ingediend. De procedure werkt niet schorsend. Op het terrein is men reeds bezig met de implementatie van de gewijzigde regelgeving. Zo dienen onder andere de logistieke werknemers alleen nog een veiligheidscertificaat te verkrijgen en worden vragen tot afwijking op ploegensamenstelling sneller afgehandeld.

 

Uiteraard beslist de Europese Commissie autonoom over de ingebrekestelling.

 

Wat de logistieke sector en de e-commerce betreft, neemt de regering volop maatregelen om de competitiviteit en de eerlijke concurrentie te versterken in die en andere sectoren. Naast de algemene maatregelen om de loonkostenontwikkeling te matigen, werken wij op Europees niveau ook aan strengere regels inzake detachering en coördinatie van de sociale zekerheid met een bijzondere aandacht voor de transportsector.

 

Ook op nationaal niveau is daarvoor aandacht, met recent een actie van het federaal parket in samenwerking met de sociale-inspectiediensten tegen sociale dumping in de transportsector. Dat hebt u samen met mij kunnen vaststellen.

 

Een andere maatregel is de toelating van nachtarbeid voor e-commerceactiviteiten. Wij hebben daartoe het wettelijk kader gecreëerd en het komt nu de ondernemingen toe om daarvan gebruik te maken en zich commercieel te ontwikkelen.

 

De logistieke sector in het havengebied wordt met specifieke vragen geconfronteerd, waarvan wij ons wel bewust zijn. Ik wijs erop dat er nu logistieke werknemers zonder erkenning aangeworven kunnen worden, dankzij de nieuwe wetgeving.

 

Het is effectief mijn intentie om in sociaal overleg nog bijkomende initiatieven te nemen in de havengebieden en daarbuiten. Mijnheer Klaps, eerst wil ik, zoals ik altijd heb gesteld, een oplossing bereiken voor de ingebrekestelling inzake de wet-Major; wij hebben alvast voorzichtig gesprekken gevoerd met bepaalde actoren in de logistieke sector om te kijken wat er moet gebeuren.

 

Ik heb de indruk dat naarmate ik harder werk, ik des te meer aangemoedigd word om nog harder te werken. In grote bescheidenheid wil ik toch zeggen dat de wet inzake werkbaar en wendbaar werk en de hervorming van de wet van 1996 heel wat energie hebben gekost van de medewerkers op mijn kabinet. Wij hebben ook maar vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week.

 

Ook die problematiek zullen wij echter aanpakken. Om dat kansen van slagen te geven, is het nodig dat wij discreet kunnen werken en overleggen met de sociale partners.

 

Mijnheer Hedebouw, ik ga ervan uit dat de Spaanse situatie geen impact heeft op de finale die eind april in de Europese Commissie zal plaatsgrijpen. Ik hoop dat men in Spanje een voorbeeld kan nemen aan wat wij hier in België hebben gerealiseerd via het sociaal overleg. De rust en kalmte van de parlementsleden hier kunnen misschien ook stichtend zijn voor uw Spaanse collega’s.

 

11.04  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en uw voortdurende cursus in Europese besluitvorming. Er blijft blijkbaar toch nog altijd ergens een procedure over die moet worden afgerond. We worden nu al een hele tijd geconfronteerd met het bericht dat het in orde is, maar er volgt steeds een “maar”.

 

Ik noteer nu de datum van eind april. We zullen zien wat er eind april zal gebeuren. Het is uiteraard best dat die periode van onzekerheid op de een of andere manier wordt afgesloten. Ik meen dat we het daar allemaal over eens kunnen zijn.

 

Ik wil ook van de gelegenheid gebruikmaken om u te feliciteren met de wet wendbaar en werkbaar werk en de wet van 1996. Beiden zijn goede wetten. U hebt nu weer de handen vrij om u volledig op de haven van Antwerpen te richten. U zult het met mij eens zijn dat er op dat vlak nog heel wat werk aan de winkel is. Ik zal dan ook niet nalaten om u af en toe om een stand van zaken te vragen.

 

11.05  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, ik ben geen specialist op het vlak van die procedures van de Europese Commissie. Ik heb het gevoel dat er twee soorten procedures bestaan. Alles wat te maken heeft met sociale verworvenheden duurt steeds maar langer. Dat is blijkbaar een speciale procedure. Alles wat te maken heeft met de afbraak van die sociale verworvenheden gaat heel vlug.

 

Ik weet niet of hiervoor ergens een handleiding bestaat. Bij de procedure voor de wet-Major wordt steeds weer een extra maand gevoegd. Ik ben een beetje ongerust moet ik eerlijk zeggen. Ik heb het gevoel dat er een strategie bestaat om dit te laten aanslepen. Ik hoop dat u gelijk hebt en dat alles goed komt. Wij zullen dit van nabij opvolgen.

 

Ik hoop dat de beslissing niet zal veranderen door het ingestelde beroep.

 

Vous avez expliqué que ce recours était introduit pour les entreprises.

 

Ik hoop dat het allemaal goed komt eind april. Dan kunnen wij terug beginnen discussiëren over de wet inzake werkbaar werk, om misschien eventueel een stapje achteruit te doen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Questions jointes de

- M. Éric Massin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'affaire Royal Boch" (n° 15971)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'affaire Royal Boch" (n° 17315)

12 Samengevoegde vragen van

- de heer Éric Massin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de zaak-Royal Boch" (nr. 15971)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de zaak-Royal Boch" (nr. 17315)

 

12.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le ministre, le 12 janvier 2017 l'instance d'appel du tribunal du travail décidait que Patrick De Meyer, le dernier propriétaire de l'entreprise Royal Boch, n'avait pas à rembourser les indemnités de chômage perçues en 2009. C'est la société Royal Boch qui est censée rembourser l'ONEM. "Censée", car le problème est que cette société est en faillite et risque bien de ne pas pouvoir rembourser les 72 000 euros, auquel cas les anciens travailleurs de la faïencerie risquent de devoir payer eux-mêmes.

 

Le PTB a ainsi décidé de marquer son soutien aux anciens travailleurs de la manufacture en organisant une manifestation à l'entrée du parking, (aujourd'hui public, anciennement parking des travailleurs) face au site où se trouvait l'usine avant d'être démolie.

 

Ce jugement montre une fois de plus que la loi est faite pour les plus riches. Les travailleurs de Boch, ils n'ont rien! Ils sont au chômage. Ils ont déjà été punis une fois en perdant leur travail et on les punit une seconde fois. Pour le PTB, il est hors de question que les anciens travailleurs paient la facture. Ce serait impensable qu'ils doivent rembourser. On parle quand même de sommes allant de 1 000 à 8 000 euros par personne.

 

Monsieur le ministre, quels sont les plans du gouvernement pour éviter que les anciens travailleurs paient la facture? Quelles sont les possibilités pour l'ONEM de renoncer à ces sommes allant de 1 000 à 8 000 euros par personne pour ces travailleurs?

 

12.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur Hedebouw, lors de la faillite de l'entreprise Royal Boch en février 2009, la plupart des employés ont continué à être occupés par la curateur. Par contre, 39 membres du personnel ont été licenciés par le curateur sans préavis ni indemnités et ont été admis au bénéfice des allocations de chômage provisoires.

 

De werkloosheidsreglementering voorziet in de mogelijkheid om voorlopig te worden toegelaten op voorwaarde dat de werknemer van de werkgever de vergoeding eist waarop hij recht heeft. Als de werknemer de opzeggingsvergoeding waarop hij recht heeft, verkrijgt, dan gaan de voorlopige uitkeringen terug naar de RVA.

 

Het bedrijf Royal Boch werd overgenomen door Manufacture Royal Boch. Bij de overname werd er overeengekomen dat de 39 personen in kwestie opnieuw in dienst zouden worden genomen, op voorwaarde dat zij zouden afzien van hun opzeggingsvergoeding. Door afstand te doen van hun opzeggingsvergoeding verloren de werknemers tevens hun recht op de overbruggingsvergoeding betaald door het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen in geval van overname na een faillissement. Een werknemer die geen opzeggingsvergoeding vraagt of die er afstand van doet, kan geen recht hebben op de overbruggingsvergoeding ten laste van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen.

 

De fabrieksonderneming Royal Boch had zich er tevens toe verbonden een sociaal fonds op te richten om het voor de werknemers mogelijk te maken hun voorlopige werkloosheidsuitkeringen terug te betalen de dag waarop de RVA ze zou terugeisen. Jammer genoeg werd dat fonds nooit opgericht en werd de fabrieksonderneming Royal Boch op 7 april 2011 tevens failliet verklaard. De RVA heeft vervolgens beslist om de voorlopige werkloosheidsuitkering die de betrokken werknemers hadden ontvangen, terug te vorderen. Die beslissing werd opgeschort in afwachting van de afloop van de lopende juridische procedure.

 

De arbeidsrechtbank van Bergen heeft op 12 januari 2017 de verplichting voor de werknemers bevestigd en stelt dat zij de ontvangen voorlopige werkloosheidsuitkeringen persoonlijk dienen terug te betalen aan de RVA. De arbeidsrechtbank veroordeelde tevens de onderneming Manufacture Royal Boch tot schadeloosstelling van de betrokken werknemers voor een bedrag dat overeenkomt met de sommen die zij aan de RVA moeten terugbetalen. Het totale bedrag van de schuldvordering van de RVA bedraagt ongeveer 75 000 euro. Het beheerscomité van de RVA kan afzien van de terug te vorderen sommen, indien de werknemer die voorlopige uitkeringen heeft ontvangen, de betaling van de opzeggingsvergoeding of de schadevergoeding waarop hij recht heeft, niet kan verkrijgen.

 

Hij moet aantonen dat hij of zij alle nodige stappen heeft ondernomen om de opzeggingsvergoeding waarop hij recht heeft te bekomen. Dit is hier niet het geval, vermits de werknemers ervan afgezien hebben om deze vergoeding op te eisen.

 

Tot op het heden heeft het beheerscomité zich nog niet moeten uitspreken over een dergelijke situatie. Gezien het specifieke karakter van dit dossier, onderzoeken de diensten van de RVA momenteel hoe dit dossier zou kunnen worden opgelost op een manier die voor de betrokken werknemers niet schadelijk is. Ondertussen en tot nader order blijft de terugvordering van de voorlopige uitkering bij de werknemers opgeschort.

 

12.03  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le ministre, si j'ai bien compris, "opgeschort" signifie suspendu. Je crois que c'est une sage décision. Si les travailleurs ont renoncé à leur préavis, c'est pour relancer l'entreprise. La situation était paradoxale, dans la mesure où les travailleurs faisaient déjà des sacrifices. Ensuite, lorsqu'une société finalement ne fonctionne pas, on leur demande de rembourser au niveau de l'ONEM tout en renonçant à leur prime de départ. La suspension est donc une bonne nouvelle, mais nous suivrons le dossier de près pour s'assurer qu'on n'exigera pas de gens qui ont déjà perdu leur travail et renoncé à leur prime de départ, de rembourser parfois jusqu'à 8 000 euros. On espère que cet argent ne leur sera jamais réclamé.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter:  Vraag nr. 16079 van de heer Calomme wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

13 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de opname van het ouderschapsverlof" (nr. 16155)

13 Question de Mme Nahima Lanjri au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la prise du congé parental" (n° 16155)

 

13.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, deze vraag betreft een onderwerp dat toevallig deze morgen in de commissie ook aan bod kwam. Wij bespraken immers het wetsvoorstel dat ik heb ingediend om het ouderschapsverlof te kunnen opnemen in één tiende. Momenteel is het mogelijk om dat voltijds op te nemen vier maanden of deeltijds twintig maanden of één vijfde, een dag per week. Mijn voorstel was om het per één tiende te laten opnemen.

 

Ik ben blij dat er op 20 december 2016 van de sociale partners een akkoord is gekomen om dat één tiende te steunen en ik heb daarover nog een paar vragen. Zowel het Parlement als de sociale partners zien er de meerwaarde van in dat de mensen dit flexibeler kunnen opnemen. Dat leidt ook tot een efficiëntere manier van opnemen, want nu zijn ouders misschien verplicht om een volle dag op te nemen, terwijl ze misschien maar nood hebben aan een halve dag, wat beter zou uitkomen voor zowel de werknemer als de werkgever. Daarnaast zal het ook mogelijk worden om met 2 deeltijdse jobs die samen een voltijdse job vormen, toch ouderschapsverlof op te nemen.

 

Op dit moment moet iemand die halftijds ouderschapsverlof wil opnemen dat minstens voor 2 maanden doen. In welke mate is het mogelijk en wenselijk om het ook mogelijk te maken halftijds ouderschapsverlof op te nemen voor 1 maand? Zo wordt meer flexibiliteit ingebouwd in de opnamemodaliteiten. Het gaat niet over een uitbreiding van het verlof, maar over de mogelijkheid om de opnamemodaliteiten te beperken van twee maanden naar één maand. Dit zou ook haalbaar moeten zijn in het licht van de ontwikkeling van de loopbaanrekening, die een beter zicht moet geven op de verlofrechten die werknemers hebben.

 

Mijn tweede vraag is een algemenere vraag. In welke mate kunt u zich als minister vinden in een verdere flexibilisering van alle vormen van tijdskrediet en thematisch verlof, zodat niet alleen het ouderschapsverlof kan worden opgenomen in een tiende? Momenteel hebben wij dat in het wetsvoorstel beperkt tot het ouderschapsverlof, maar vanuit de praktijk en de sector weet ik dat ook in andere vormen van tijdskrediet de vraag bestaat om dat in halve dagen te kunnen opnemen. Dat kan momenteel nog niet. Het kan momenteel enkel voor het ouderschapsverlof, omdat de sociale partners enkel daarover een akkoord gesloten hebben. Ik heb mijn oor ook al te luisteren gelegd bij actoren op het terrein. Daar wordt gesteld dat het niet om een uitbreiding, maar gewoon om een flexibilisering gaat. Daarom wil ik u vragen hoe u daartegenover staat en of wij dat eventueel in een volgende fase kunnen realiseren.

 

13.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Lanjri, de Nationale Arbeidsraad spreekt zich in zijn advies nummer 2014 enkel gunstig uit over de invoering van de een tiende loopbaanvermindering in het kader van het ouderschapsverlof, met de bijkomende voorwaarde dat dit voor akkoord moet worden voorgelegd aan de werkgever. Daarnaast vraagt de NAR om, in lijn met de aanpassingen op het vlak van tijdskrediet, de een vijfde loopbaanvermindering bij ouderschapsverlof onder bepaalde voorwaarden ook toe te kennen aan werknemers die twee deeltijdse functies cumuleren bij twee werkgevers, waarvan de som minstens overeenstemt met een voltijdse betrekking.

 

Beide voorstellen zijn opgenomen in de ontwerpen van koninklijk besluit, die op zeer korte termijn aan de Ministerraad ter goedkeuring zullen worden voorgelegd.

 

Over een verdere flexibilisering van de opnamevormen van het ouderschapsverlof werd geen uitspraak gedaan. Voor het overige verwijst de Nationale Arbeidsraad naar zijn rapport nummer 76 betreffende de bestaande verlofstelsels en in het bijzonder naar de aanbevelingen met betrekking tot de initiatieven op het vlak van verlofstelsels die hij in het kader van dat rapport heeft uitgebracht.

 

De Nationale Arbeidsraad dringt er in het advies nummer 2014 ook uitdrukkelijk op aan om het wetsvoorstel inzake de een tiende loopbaanvermindering aan te passen opdat het enkel ouderschapsverlof beoogt. Bovendien voorziet de cao nummer 103ter tot aanpassing van cao nummer 103 die het recht op tijdskrediet regelt niet in de invoering van een tiende regeling.

 

De beoogde flexibilisering op het vlak van het ouderschapsverlof en de andere thematische verloven zouden dus alleszins ter advies moeten worden voorgelegd aan de NAR terwijl een flexibilisering inzake tijdskrediet een nieuwe aanpassing van de cao nummer 103 door de sociale partners in de NAR vereist.

 

13.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, ik heb begrepen dat de NAR het wel eens is met het wetsvoorstel dat ik een paar jaar geleden heb ingediend en dat we vorig jaar in de commissie besproken hebben, om een tiende ouderschapsverlof toe te laten. Daar werken we nu verder aan. De NAR heeft zich daarmee akkoord verklaard. We hebben ook in een aantal amendementen voorzien. Ik had in de memorie ook opgenomen dat het uiteraard in overleg met de werkgever moest gebeuren, dus dat er toestemming moest zijn van de werkgever wat de een tiende betreft.

 

U zegt dat het nu beperkt zal worden tot een tiende ouderschapsverlof. We zullen dan ook in stappen werken, eerst dit realiseren en vervolgens bekijken of deze flexibiliteit niet kan worden uitgebreid naar andere verlofstelsels. Het gaat immers niet om een uitbreiding maar over een gewone flexibilisering. Ik meen dat dit ook past in het kader van werkbaar en wendbaar werk. Dat past daar volledig in. Ik heb er echter uiteraard geen enkel probleem mee om het eerst nog eens uit te werken en dan nog eens voor te leggen aan de sociale partners.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De heer Geerts is er niet, de heer Vercamer ook niet.

 

14 Samengevoegde vragen van

- de heer Raf Terwingen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de sluiting van JLG te Maasmechelen" (nr. 16438)

- de heer Éric Massin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de ontslagen bij Blokker" (nr. 16713)

- de heer Éric Massin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de sluiting van filialen van Blokker" (nr. 16714)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de herstructurering bij Blokker en het misbruik van stagecontracten voor jongeren" (nr. 17309)

14 Questions jointes de

- M. Raf Terwingen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la fermeture de JLG à Maasmechelen" (n° 16438)

- M. Éric Massin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les licenciements chez Blokker" (n° 16713)

- M. Éric Massin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la fermeture de magasins chez Blokker" (n° 16714)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la restructuration chez Blokker et l'abus des contrats de stage pour les jeunes" (n° 17309)

 

14.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, volgens het herstructureringsplan van Blokker zouden in Vlaanderen 36 winkels dichtgaan, waaronder die van Aarschot, Deinze, Diksmuide, Eeklo, Gent en Hasselt. In Wallonië zijn het er 25 en in Brussel 7.

 

Toen het bericht bekend raakte, ging Brussels volksvertegenwoordiger Youssef Handichi van de PVDA onmiddellijk poolshoogte nemen bij de werknemers. Voor de werknemers betekent de dreigende sluiting verwarring en onzekerheid. Zij vertelden ook over de onmenselijke werkomstandigheden. Een bediende zegt bijvoorbeeld: "In onze winkel zijn er tien vaste werknemers, maar ook die hebben maar een contract voor twaalf uur. De uren die we meer presteren, zijn bijvoegsels bij ons contract die elke maand veranderen: soms 8 uur, soms 10 uur. Blokker heeft ook voortdurend jongeren op stage. Zij krijgen 600 euro van de VDAB, of Actiris in Brussel en Forem in Wallonië, en 200 euro van Blokker. Voor Blokker zijn dat zeer goedkope arbeidskrachten. Zij hebben een contract van drie maanden. Blokker belooft hun altijd een contract van onbeperkte duur, maar dat krijgen die mensen nooit."

 

Blokker schakelt massaal jongeren in met sterk gesubsidieerde stagecontracten via het Brusselse systeem van de jongerengarantie of via een individuele beroepsopleiding (IBO), waarbij zij naast hun werkloosheidsuitkering alleen maar een productiviteitspremie betaald krijgen. De PVDA heeft die stages altijd beschouwd als cadeaus aan de werkgevers en heeft herhaaldelijk gevraagd dat stagiairs betaald worden zoals andere werknemers volgens de barema's van de collectieve arbeidsovereenkomst in de sector.

 

Ik heb hierover de volgende vragen.

 

Hebt u zicht op het aantal stagiairs die gewerkt hebben in de winkels van Blokker onder het mechanisme van de jongerengarantie, IBO of andere gesubsidieerde stagecontracten?

 

Hoeveel geld hebben de gewestelijke tewerkstellingsdiensten Actiris, VDAB en Forem, de RVA of het OCMW daaraan uitgegeven en wie heeft ervoor gezorgd dat Blokker kan profiteren van zwaar gesubsidieerde werknemers?

 

Bent u bereid te onderzoeken hoe de sociale bescherming van die werknemers uitgebreid zou kunnen worden en hoe zij beter beschermd zouden kunnen worden tegen ontslag?

 

Bent u bereid om in overleg met de Gewesten te onderzoeken hoe de toegekende steun in het kader van stageprogramma’s kan worden teruggevorderd van een bedrijf dat een grootschalige herstructurering doorvoert?

 

14.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Hedebouw, ik kan vrij kort zijn, alhoewel dit een zeer spijtige zaak is.

 

Zoals ik gebruikelijk doe wanneer er een collectief ontslag wordt aangekondigd, heb ik de directie bij mij uitgenodigd voor tekst en uitleg. Ik heb dit een goede maand geleden ook gedaan in het dossier-Blokker.

 

Men heeft toen tekst en uitleg gegeven. Men zal overgaan tot collectief ontslag en met respect voor de wet-Renault zal het overleg met de vakbonden worden opgestart. Ik ga ervan uit dat dit overleg ondertussen is opgestart.

 

Bij dergelijke dossiers hanteer ik steeds dezelfde stelling. Ik intervenieer niet als, in het kader van de wet-Renault, het sociaal overleg in de onderneming correct verloopt. Vanaf het moment dat dit niet het geval is, wordt de directie opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. Nadien worden ook de vakbonden uitgenodigd om hun kijk op de zaak te geven.

 

Na het overleg heb ik geen verdere vragen gekregen. Ik beschik ook niet over de informatie die u vraagt. Het dossier wordt op mijn kabinet opgevolgd. Ik intervenieer echter niet zolang er geen incidenten zijn in de sociale dialoog binnen de onderneming. Ik wil het overleg alle kansen geven.

 

Van zodra u of anderen over informatie beschikken die een interventie nodig maken, zal ik dit ook doen. Tot nader order is dit echter niet het geval.

 

14.03  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Il appartient effectivement aux organisations syndicales et aux pourvoyeurs d'emplois de discuter entre eux.

 

Cela étant dit, un bilan devrait être fait à partir du fédéral et du régional. En effet, cette entreprise a reçu énormément d'aides. Je pense ici notamment aux aides à l'emploi. Or, cette multinationale licencie aujourd'hui pour optimiser son chiffre. Il serait donc opportun d'examiner la nécessité de conditionner l'octroi de ce type d'aide. Nous suivrons ce dossier de près.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Question de M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les conséquences du rejet par la direction de Caterpillar du plan alternatif élaboré par des cadres" (n° 16475)

15 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de gevolgen van de verwerping door de directie van Caterpillar van het alternatieve plan van een aantal kaderleden" (nr. 16475)

 

15.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, nous avons convenu de tenir une réunion conjointe des commissions Affaires sociales et Économie, dans quelques semaines, pour faire le point sur ce dossier. Je voudrais cependant vous entendre dès aujourd'hui sur une question que j'ai déposée le 6 février, vu les délais relatifs entre le dépôt des questions et les réponses.

 

Monsieur le ministre, depuis l'annonce de la fermeture du site de Caterpillar à Gosselies, des cadres de l'entreprise se sont investis dans l'élaboration d'un projet de maintien d'une activité sur place. Ils escomptaient ainsi préserver 350 emplois directs ainsi qu'une centaine d'emplois chez les sous-traitants. Malheureusement, la direction de Caterpillar a balayé d'un revers de main cette proposition en laquelle les travailleurs du site, comme ceux des sous-traitants, avaient placé leurs espoirs. Parmi les 44 entreprises sous-traitantes dénombrées par la Wallonie, certaines se sont déjà engagées dans des procédures de licenciement collectif - par exemple les logisticiens Yusen et Eutraco -, ou de procédures de réorganisation judiciaire, comme l'entreprise Carwall à Sombreffe.

 

Monsieur le ministre, de quelles informations disposez-vous quant à l'évolution des discussions sur l'avenir du site? Pouvez-vous m'indiquer quelles conséquences en termes d'emploi vous attribuez au rejet par Caterpillar du plan alternatif proposé par des cadres de l'entreprise? D'autres pistes que celles élaborées par ces cadres sont-elles étudiées? Bénéficient-elles de votre soutien ou de celui du SPF Emploi? Je sais que des questions ont été posées ce jour même au Parlement wallon, sur le sujet, à votre collègue Marcourt.

 

Quelles démarches avez-vous entreprises pour soutenir ces projets de relance ou de maintien de l'activité? Quelles mesures d'accompagnement ont-elles déjà été mises en œuvre ou ont-elles été prévues pour les travailleurs de Caterpillar et ses sous-traitants? Quels sont les moyens budgétaires et humains dégagés par l'État fédéral et le SPF Emploi pour soutenir les travailleurs concernés et, indirectement, leurs familles?

 

15.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, cher collègue, en ce qui concerne l'avenir du site, les discussions sont menées par les autorités publiques wallonnes et les forces vives de la région.

 

Le rejet du plan alternatif proposé par les cadres aura pour conséquence la fermeture totale du site ainsi que le licenciement des 1 367 ouvriers et 788 employés, soit 2 155 travailleurs, entre avril et juillet 2017.

 

À notre connaissance, il n'y a pas d'autre piste permettant de sauver des emplois. Un plan social pour les employés et les ouvriers a entre-temps été conclu. À l'heure qu'il est, les CCT concernées sont en cours de rédaction. Une demande de RCC à partir de 55 ans a, en outre, été introduite. Elle sera examinée par la commission en avril. La première vague de licenciements est prévue pour la fin avril. La deuxième vague aura lieu fin mai.

 

Quant aux moyens dégagés pour soutenir les travailleurs, au niveau de mon administration, trois conciliateurs et un secrétaire de commission paritaire ont soutenu les négociations entre les employeurs et les organisations syndicales. Ils restent à disposition pour soutenir la suite du processus, si nécessaire. Sur la base de nos compétences fédérales, un collaborateur de mon cabinet prend, en outre, activement part à la task force.

 

15.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le risque de drame social se confirme puisque 2 155 travailleurs devraient perdre leur emploi d'ici juillet. C'est énorme pour une région qui connaît déjà d'extrêmes difficultés sur le plan économique et de l'emploi. Pour rappel, c'est dans cette même région que vous obligez des jeunes qui bénéficiaient d'une allocation d'insertion à trouver de l'emploi.

 

L'État fédéral et les entités fédérées doivent absolument collaborer sur ce dossier. Je m'étonne de l'information dont vous m'avez fait part et selon laquelle, à votre connaissance, il n'y a aucun projet de reprise alors que, tout à l'heure, le ministre Marcourt faisait savoir à mon collègue Philippe Henry, au parlement wallon, que deux potentiels repreneurs partiels discutaient actuellement avec la Région wallonne. Force est donc de constater qu'on se retrouve, une nouvelle fois, face à un déficit en termes de coordination.

 

Puisqu'un collaborateur de votre cabinet participe à la task force, je l'encourage à récolter des informations au niveau wallon car il serait dommageable de ne pas saisir une opportunité de recréation d'emplois.

 

Pour le reste, je m'inquiète du peu de moyens actuellement dégagés (trois conciliateurs et un secrétaire) par rapport à la potentielle perte d'emploi de plus de 2 000 personnes, que je n'espère évidemment pas, vous l'avez compris. Je m'étonne de, et je regrette le manque d'engagement, à ce stade, quant à des solutions en termes de régime de chômage RCC (ce qu'on appelait précédemment la prépension).

 

J'espère que des solutions seront trouvées, l'idéal étant effectivement de sauver le plus possible d'emplois sur un site qui ne manque pas de qualités et d'atouts, de par son équipement et sa position géographique, au-delà de la haute qualification des travailleurs concernés. Cela doit être pour vous, monsieur le ministre, un dossier prioritaire.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Questions jointes de

- M. Georges Gilkinet au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la pose d'une puce sous la peau de travailleurs" (n° 16476)

- Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la mise en place d'une puce électronique sous la peau" (n° 16545)

16 Samengevoegde vragen van

- de heer Georges Gilkinet aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het chippen van werknemers" (nr. 16476)

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het chippen van personen" (nr. 16545)

 

16.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je voudrais vous interroger sur la pose de puces électroniques sous la peau des travailleurs. Selon la presse – et j'ai moi-même pu le constater de visu lors de reportages télévisés – huit travailleurs d'une société malinoise viennent de se voir implanter sous la peau une puce RFID. Ces employés participent à l'expérience sur une base volontaire. Un des dirigeants de l'entreprise a indiqué que le dispositif ferait office de "clé" servant "à ouvrir la porte d'entrée et à donner accès à l'ordinateur des concernés".

 

Si la technologie n'est pas neuve, il s'agit, semble-t-il, d'une première en Belgique. Cette mesure soulève inévitablement, en tout cas dans mon chef, des questions notamment en termes de préservation de la vie privée et sur le plan sanitaire. La Ligue des droits de l'homme s'est d'ailleurs, à juste titre, inquiétée des dérives potentielles de l'utilisation de ces puces.

 

Monsieur le ministre, cette pratique vous apparaît-elle conforme au droit belge et au droit européen? Qu'en est-il en particulier de la conformité aux lois belges en matière de respect de la vie privée de ce "puçage" des travailleurs? La mesure a-t-elle fait l'objet d'une concertation au sein de l'entreprise concernée? Le cas échéant, au sein de quel organe cette concertation a-t-elle été mise en œuvre? Quel en a été le résultat? N'y a-t-il pas lieu de saisir le Conseil national du Travail d'une question de principe sur le sujet? Il me semble qu'il s'agit d'une évolution majeure, inquiétante au sujet de laquelle, vous pourriez prendre l'initiative d'interpeller le Conseil national du Travail pour essayer d'avoir un avis spécifique qui peut conduire à une législation. Comptez-vous légiférer pour interdire ce type de pratiques dans le futur et pour protéger les travailleurs d'une potentielle généralisation?

 

16.02  Kris Peeters, ministre: Je vais essayer de donner quelques informations concernant votre question.

 

Une entreprise belge, New Fusion, à Malines, a fait placer une puce dans la main de quelques travailleurs volontaires. Dotés de cette puce, ils peuvent notamment ouvrir les portes de l'entreprise et échanger des informations. Bien que cette technique ne soit pas neuve, elle suscite de nombreuses discussions entre autres en matière de sécurité et de vie privée.

 

Dans le cadre du présent problème belge, je répète qu'il s'agit d'une expérience entièrement volontaire. Toutes les dispositions légales en matière de protection de la vie privée doivent être respectées. Dans ce dossier, nous devons nettement distinguer le traitement de données et l'implantation de la technologie.

 

La situation relative au traitement des données est claire. La loi du 8 décembre 1992, relative à la protection de la vie privée et à l'égard des traitements de données à caractère personnel, prévoit en premier lieu que la finalité du traitement doit être déterminée et légitime. En second lieu, les données traitées doivent être pertinentes par rapport à cette finalité. Ensuite, le travailleur doit avoir été informé du traitement et avoir donné son consentement libre.

 

Enfin, je me réfère aux règles plus spécifiques existant dans le cadre des relations de travail avec deux conventions collectives protégeant la vie privée des travailleurs: la convention collective 68 relative à la protection de la vie privée à l'égard de la surveillance par caméra sur les lieux de travail et la convention collective 81 relative à la protection de la vie privée des travailleurs à l'égard du contrôle des données de communication électronique en réseau.

 

C'est donc dans ce cadre réglementaire qu'il convient d'examiner la légalité de cette pratique. Si, à notre connaissance, la Cour européenne ne s'est pas encore prononcée sur l'hypothèse de puces implantées à des travailleurs, rien n'exclut qu'elle puisse conclure à la violation de l'article 8, qui porte sur le droit au respect de la vie privée, ou de l'article 3, relatif au droit à l'intégrité physique, de la Convention européenne des droits de l'homme s'il existe le moindre doute quant à la liberté de consentement du travailleur vis-à-vis de l'implant lui-même ou de ses finalités dans le cas d'une généralisation éventuelle du système.

 

De plus, la question de la proportionnalité entre les moyens employés et le but visé devra être placée au cœur de la réflexion, comme le veut la jurisprudence européenne. En l'espèce, la Cour pourra analyser l'intérêt de l'entreprise à une facilité de gestion et la mettre en balance avec l'intérêt du travailleur à porter en permanence un identifiant sous la peau.

 

Le deuxième aspect se rapporte à l'implantation de la technologie. Selon la Food & Drug Administration, le placement de la puce peut également entraîner des risques pour la santé. La personne concernée pourrait présenter des réactions de rejet contre la puce sous la forme d'une infection ou de réactions allergiques. La puce pourrait être installée de manière incorrecte, se détacher et circuler dans le corps. Elle pourrait également se briser.

 

Toutefois, mes services vont d'ores et déjà examiner les différents aspects de tels implants. Vu qu'il est possible et probable que l'employeur souhaiterait utiliser de tels implants comme moyen de contrôle, je solliciterai un avis du Conseil national du Travail afin d'obtenir une position claire des partenaires sociaux en la matière. En outre, un large débat devra être mené au sein de la Commission pour la protection de la vie privée, à laquelle d'éventuelles propositions seront soumises.

 

16.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je note avec satisfaction que vous allez demander un avis au Conseil national du Travail sur ce précédent. Vous suivez en cela ma suggestion. Je m'étonne que vous ne l'ayez pas fait d'initiative, comme vous n'avez pas, d'initiative, saisi la Commission de la vie privée ou alors j'ai mal compris votre réponse. Je trouve que c'est le rôle d'un ministre de l'Emploi d'être proactif par rapport à cela. C'est aussi le rôle d'un député de vous interpeller par rapport à une telle nouveauté inquiétante.

 

Je pense que vous ne pouvez pas laisser ce précédent sans réaction, que vous ne pouvez pas vous cacher derrière le consentement libre des travailleurs concernés et qu'il est urgent d'avoir un avis sur le sujet et de donner un signal à l'égard de l'employeur concerné et à l'égard de tous ceux qui voudraient l'imiter, de façon à éviter une dérive au regard de la protection de la vie privée et de l'impact sur l'intégrité physique des personnes. C'est réellement inquiétant. Nous devrons suivre ce dossier dans les tout prochains jours.

 

Avez-vous déjà demandé l'avis au CNT ou allez-vous le faire?

 

16.04  Kris Peeters, ministre: (…)

 

16.05  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Incessamment? Demain? En rentrant à votre cabinet?

 

16.06  Kris Peeters, ministre: La lettre est prête.

 

16.07  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): La lettre est prête. Je veux bien la cosigner si vous le souhaitez, monsieur le ministre.

 

16.08  Kris Peeters, ministre: Elle sera envoyée demain. Êtes-vous d'accord?

 

16.09  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Je suis entièrement d'accord. Cette question a été déposée il y a déjà quelques semaines et l'histoire a fait l'objet de divers reportages audiovisuels ou écrits. J'aurais voulu que vous ayez déjà posé cet acte. Mais mieux vaut tard que jamais, monsieur le ministre. Je serai attentif au suivi que vous donnerez à cette initiative d'interroger le Conseil national du Travail.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Questions jointes de

- M. Frédéric Daerden au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'extension des flexi-jobs aux pensionnés" (n° 16543)

- M. Raoul Hedebouw au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la possible extension des flexi-jobs aux pensionnés ou autres secteurs" (n° 17308)

- M. Vincent Van Quickenborne au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'extension des flexi-jobs aux pensionnés" (n° 17364)

17 Samengevoegde vragen van

- de heer Frédéric Daerden aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de uitbreiding van het systeem van de flexi-jobs tot de gepensioneerden" (nr. 16543)

- de heer Raoul Hedebouw aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de mogelijke uitbreiding van de flexi-jobs naar gepensioneerden of andere sectoren" (nr. 17308)

- de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de uitbreiding van de flexi-jobs naar gepensioneerden" (nr. 17364)

 

17.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mijnheer de minister, staatssecretaris De Backer wil het systeem van flexi-jobs in de horeca openstellen voor gepensioneerden. Nu moet men al viervijfde werken bij een andere werkgever om in de horeca te kunnen bijklussen via dit voordelige systeem waarbij men slechts een sociale bijdrage van 25 % betaalt. Die voorwaarde is een garantie dat het systeem geen reguliere arbeid vernietigt. De Backer wil ze nu echter schrappen voor gepensioneerden. Bij de invoering van de flexi-jobs heeft mijn collega Marco Van Hees zich fel verzet tegen deze maatregel.

 

Je le cite: “Het moet duidelijk zijn, dit is de invoering van Macjobs in België die onderbetaald zijn en nulurencontracten gebruiken, een wet op de maat van de grote spelers in de sector. De nieuwe flexi-contracten voorzien geen werkduur of vaste uurroosters, ze zijn onderbetaald met lonen van 8,82 euro per uur, ver onder het laagste barema in een sector dat 11,24 euro per uur bedraagt. Het is een messteek voor ons sociaal model dat klassieke arbeidscontracten, sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en het sociaal overleg op losse schroeven zet. Als deze maatregel erdoor komt kan de bres die in ons sociaal systeem wordt geslagen zich verbreden naar andere sectoren”.

 

Mon collègue Marco Van Hees avait évoqué la possibilité d'élargir les flexi-jobs. C'était il y a un an. Aujourd'hui, il apparaît que mon collègue avait vu juste et que les libéraux proposent d'élargir le système des flexi-jobs.

 

Mes questions sont donc les suivantes.

 

Ten eerste, de minister verklaarde in de pers een studie te hebben besteld over de flexi-jobs. Zijn daarvan al resultaten gekend? Hoe beoordeelt de minister het invoeren van de flexi-jobs in de horecasector?

 

Ten tweede, hoe staat de minister tegenover het uitbreiden van de flexi-jobs naar andere sectoren, naast de horeca? Hoe staat de minister tegenover het invoeren van flexi-jobs voor gepensioneerden?

 

Ten derde, de vakbonden ABVV HORVAL en ACV Voeding en Diensten hebben een procedure ingeleid bij het Grondwettelijk Hof tegen de flexi-jobs. Wat is de stand van zaken? Wat is het standpunt van de minister ter zake?

 

17.02  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, ik heb hier ook een aantal vragen over, zij het in de tegengestelde richting als de heer Hedebouw. Dat zal u niet verwonderen.

 

De flexi-jobs werden eind 2015 ingevoerd. Ze blijken een succes te zijn in de horeca. Er zijn nogal wat horecabedrijven die ervan gebruikmaken, vooral de kleinere bedrijven.

 

Mijnheer Hedebouw, als u af en toe eens deelneemt aan een staking moet u eens een pintje gaan drinken bij een horecabaas en hem vragen wat hij vindt van de flexi-jobs. Ik heb nog geen enkele horecabaas ontmoet die er tegen is. Het is goed dat u wat meer ervaringen opdoet, en vóór of na de betogingen een pintje of een cola gaat drinken. Het mag trouwens ook een watertje zijn.

 

Bovendien zijn er ondertussen nogal wat mensen in het systeem aan de slag. Meer dan 20 000 mensen hebben zo’n flexi-job uitgeoefend. De vaste tewerkstelling in de horeca is ook gestegen wat betekent dat er geen sprake is van een verdringingseffect waarbij flexi-jobs de vaste tewerkstelling zouden vervangen.

 

Mijnheer de minister, de vraag is of dit systeem kan worden uitgebreid naar andere sectoren en groepen. Een van de ideeën is om het uit te breiden naar de gepensioneerden. Dit zijn mensen die heel hun leven hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid en in ruil daarvoor een pensioen hebben opgebouwd.

 

Die mensen vinden het vaak onrechtvaardig dat wanneer zij een bijverdienste hebben de overheid een groot deel van die inkomsten afroomt. We krijgen vaak berichten van gepensioneerden die een belastingfactuur van meerdere duizenden euro krijgen. Dat heeft vaak te maken met het feit dat geen bedrijfsvoorheffing werd ingehouden.

 

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen. Wanneer voorziet de regering een evaluatie van het systeem van de flexi-jobs, zoals voorzien in het regeerakkoord? Bent u het met mij eens dat een uitbreiding van het systeem van flexi-jobs naar de gepensioneerden het onderzoeken waard is?

 

17.03 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega's, ik heb deze vraag al eerder gekregen, ook in deze commissie.

 

Ik blijf in alle omstandigheden zo rustig mogelijk. Ik heb toen geantwoord dat het wijselijk is, en trouwens ook afgesproken in de regering, om de flexi-jobs in de horeca eerst grondig te evalueren alvorens het systeem uit te breiden naar andere sectoren.

 

Ik heb recentelijk de studie die ik had gevraagd, bekendgemaakt en ze staat nu ook op de website van de FOD WASO. Deze studie kan bijdragen tot een evaluatie van de flexi-jobs in de horeca.

 

Ik heb die kwantitatieve studie bezorgd aan de sociale partners met de vraag om commentaar te geven en ze aan te vullen met kwalitatieve elementen. Ik heb hen gevraagd om mij hun antwoord te bezorgen tegen 15 april. Het lijkt mij verstandig om de evaluatie van de studie door de sociale partners af te wachten om dan hier met kennis van zaken hierover verder van gedachten te wisselen.

 

Er is nog een tweede element. Er loopt een procedure tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof. We moeten eerst duidelijkheid krijgen of dit systeem de toets van het Grondwettelijk Hof kan doorstaan en daarna het debat rustig voeren.

 

Wat ik u nu al kan meegeven, komt uit de studie en is daarin allemaal netjes uitgewerkt, zonder dat ik daar als minister zelf elementen aan toevoeg. De voorzitter heeft er ook al even naar verwezen.

 

Ten eerste, de studie stelt dat de voltijdse tewerkstelling in de horecasector stijgt. Dat is een goede zaak.

 

Ten tweede, het aantal flexi-jobs “blijft marginaal, bekeken binnen de totale tewerkstellingscijfers van de sector.” Dat is een letterlijk citaat uit die studie.

 

Ten derde, iets meer dan een derde van de werknemers actief in de flexi-jobs, heeft zijn hoofdactiviteit eveneens in de horeca.

 

Ten vierde, iets meer dan de helft van de flexi-jobwerknemers presteerde tijdens het kwartaal onder het stelsel van de flexi-jobs bij meer dan één werkgever.

 

Ten vijfde, de voltijdse tewerkstelling stijgt in België vooral in de eet- en drankgelegenheden, terwijl er in de andere landen vooral een stijging is bij de verschaffing van accommodatie.

 

De studie verstrekt ook gegevens omtrent de tijdelijke werkloosheid en in dat verband is vooral de Brusselse horecasector getroffen, ten gevolge van de aanslagen in maart 2016.

 

De berekening van de loonkosten van een kelner als gewone werknemer, als gelegenheidsmedewerker en als flexi-jobwerknemer is niet evident. De verschillen in sociale bijdragen zijn groot.

 

Dat blijkt allemaal uit die studie die, nogmaals, in grote onafhankelijkheid en met veel deskundigheid is opgesteld.

 

Ik herinner er ook aan dat een belangrijke voorwaarde voor de uitoefening van een flexi-job erin bestaat dat de werknemer elders minimaal vier vijfde tewerkstelling heeft. Een uitbreiding tot gepensioneerden zou tot gevolg hebben dat die voorwaarde voor hen zou wegvallen. Dat is natuurlijk alleen mogelijk indien voldoende beargumenteerd zou kunnen worden waarom dat dit geen discriminatie inhoudt tussen de gepensioneerden en anderen, die wel aan die voorwaarde zouden moeten blijven voldoen. Gelet op de reeds lopende klacht bij het Grondwettelijk Hof, is het des te belangrijker om die argumentatie, die desgevallend opgebouwd moet worden, zeer zorgvuldig te formuleren.

 

Recentelijk heb ik trouwens een reactie gekregen van OKRA. Het is altijd interessant om organisaties te horen die gepensioneerden groeperen. Ik citeer even wat ik heb ontvangen: “Het wettelijk pensioen is een rustpensioen en moet gepensioneerden toelaten om een menswaardig leven te leiden. Bijwerken moet mogelijk zijn voor zij die dat kunnen en willen, maar het mag niet de bedoeling zijn dat gepensioneerden met de laagste pensioenen zich gedwongen zien om bij te klussen omdat hun pensioen te laag is. Een hervorming van de regels inzake de sociale en fiscale bijdragen op die inkomens, bekomen uit professionele activiteiten na de pensioengerechtigde leeftijd, moet met de grootste voorzichtigheid benaderd worden. Enerzijds is er een gevaar van fiscale pensioenval, anderzijds mogen de kosten voor de overheid die de hervorming met zich zouden meebrengen, nooit hoger zijn dan de opbrengsten. Eventuele meeropbrengsten zouden steeds moeten bijdragen tot een versterking van het wettelijk pensioen. De regering moet prioritair inzetten op volwaardige tewerkstellingsactiviteiten voor bevolking op beroepsactieve leeftijd.”

 

Tot daar het citaat van OKRA, de organisatie van de gepensioneerden.

 

Ik wil er ook aan toevoegen dat gepensioneerden in de horeca kunnen werken met het statuut van gelegenheidswerknemer en met het statuut van gewone werknemer, voor zover zij de cumulatieregels respecteren. De voorstelling dat de toegang tot flexi-jobs voor gepensioneerden de enige weg zou zijn om eindelijk toegang te krijgen tot werk in de horeca, is dus een vorm van alternative facts of posttruthredenering, die spijtig genoeg ook in België af en toe ingang vinden.

 

Als minister van Werk ben ik wel de laatste om iemand te verbieden om te werken, want dat zou een contradictio in terminis zijn. Wel ben ik er verantwoordelijk voor dat dat gebeurt op een manier die juridisch correct is en met respect voor de regels die de bescherming van werknemers maar ook de eerlijke concurrentie waarborgen. Uiteraard moet het werk ook werkbaar blijven voor alle leeftijdsgroepen. Ik zie dus a priori niet in waarom dat niet zou gelden voor ouderen in de horeca.

 

In het algemeen weten wij ook dat de werkgelegenheid van ouderen en van jongeren complementair zijn. In landen waar de werkgelegenheid van jongeren hoog ligt, ligt die in de regel ook voor ouderen hoger. Meer ouderen aan de slag krijgen is nodig, maar dan bedoelen wij vooral degenen die de wettelijke pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt.

 

De regering streeft een hoog werkgelegenheidsniveau voor alle leeftijdsgroepen na, ook en vooral om de betaalbaarheid van ons sociaal stelsel te verzekeren. Wie na de pensioenleeftijd wil blijven werken, moet dat kunnen. Uiteraard moet het wettelijk pensioen wel voldoende hoog liggen, opdat mensen zich niet verplicht zouden voelen om nog langer te blijven werken.

 

De studie is er. U kunt die rustig bekijken. Mocht u nog vragen hebben, dan ben ik graag bereid daarop te antwoorden. Er is aan de sociale partners van de horeca gevraagd om daar een kwalitatief commentaar op te geven tegen 15 april. Ik heb begrepen dat het Grondwettelijk Hof voor de zomer een uitspraak zal doen.

 

Met al het materiaal dat wij dan zullen hebben, zullen wij een debat kunnen voeren. Door sommigen wordt daar nu al een voorafname op gedaan. Dat is hun volste recht, maar het debat kan dan worden gevoerd. Dat is ook de afspraak in de regering, waar ik mij aan houd.

 

17.04  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Monsieur le ministre, vous avez pointé du doigt, à juste titre, ces avis d'organisations de pensionnés. La première question posée est de garantir des pensions dignes. Nous risquons de nous retrouver dans un système où les personnes ayant les pensions les plus basses devront travailler. Cette mise en concurrence et ce fait de pousser des gens ayant droit à un repos mérité n'est pas porteur. C'est un problème fondamental. Cela ne serait pas positif d'envoyer le message que ce type de flexi-jobs pourrait être élargi aux seniors.

 

Le lien de cause à effet que vous réalisez entre un fort taux d'emploi dans certains pays chez les jeunes et chez les plus anciens ne repose sur aucune démonstration. Ce sont simplement des pays où il y a un fort taux d'emploi. Il faudrait comprendre pourquoi ce taux d'emploi est élevé. Par exemple, dans les pays scandinaves, les services publics sont très présents; c'est peut être une piste à étudier, plutôt que de diminuer de 10 % les budgets des différents services publics. En effet, il serait plus judicieux de les augmenter pour répondre à toutes les demandes. Un débat sociétal serait à mener sur cette question.

 

Nous attendons avec impatience l'avis de la Cour constitutionnelle sur la question de la discrimination, prévu pour le mois de juin. J'espère que l'élargissement de l'emploi au niveau des seniors n'aura pas lieu. Le but était que les gens puissent obtenir un contrat solide, et non des flexi-jobs, des "hamburger jobs". C'est une argumentation toujours facile d'analyser la situation par le prisme du travail au noir.

 

Monsieur Van Quickenborne, vous ne serez pas d'accord avec moi. Votre modèle est Mc Donald's et sa création d'emplois à bas coût pour réinsérer les jeunes. Je crois à un emploi de qualité, c'est une question d'option de société. Dans les semaines et mois à venir, nous continuerons notre débat sur les types d'emplois que nous désirons pour notre société.

 

17.05  Vincent Van Quickenborne (Open Vld): Mijnheer de minister, u wacht dus de antwoorden af van de sector, op 15 april, alsook van het Grondwettelijk Hof, wat volgens mij conform het regeerakkoord is.

 

Ten eerste, ik vind het eigenaardig dat sommigen de flexi-jobs marginaal noemen. Het is eigenaardig dat de creatie van 20 000 jobs met nul euro subsidie marginaal wordt genoemd. Dat doet mij denken aan de woorden van een andere minister over “significant”. Die jobs worden dus blijkbaar als marginaal beschouwd en dat betreur ik ten zeerste. Ik ben in de recente geschiedenis op zoek gegaan naar banenplannen die veel succes hebben gehad met weinig of nul euro subsidie. Wel, men vindt er niet veel.

 

Bovendien zouden de mensen van de sector zelf eens moeten worden bevraagd, dus de horeca-uitbaters en de werknemers in de horeca. Men zou eens moeten vragen wat zij ervan vinden. De percentages zouden zeer positief zijn. Ik heb immers geleerd dat organisaties niet altijd representatief zijn voor de individuele leden ervan.

 

Ten tweede, u verwijst naar OKRA, ook een organisatie die een bepaalde legitimiteit heeft en van een bepaalde strekking is. Deze organisatie waarschuwt ervoor dat een vijfenzestigplusser, niet bij zou moeten werken, om zijn of haar pensioen op niveau te houden, wat een correcte opmerking is. Ik zie deze opmerking echter niet als een vraag bij de flexi-jobs, maar bij het feit dat gepensioneerden eindelijk onbeperkt mogen bijverdienen. Dat heeft deze regering, de huidige meerderheid, eindelijk gecreëerd en mogelijk gemaakt. Ik hoop dus dat de kritiek van OKRA niet daarop slaat, want anders moeten wij misschien ook die maatregel in vraag stellen, wat niet de bedoeling kan zijn.

 

Ten derde, u hebt het over alternative facts. Ik heb mijn vraag gesteld zoals ik ze gesteld heb. Ik heb dus nergens gesteld dat de gepensioneerden na de leeftijd van 65 jaar nu niet in de horeca kunnen werken. Dat heb ik nooit beweerd. Ik merk echter wel op dat zij vandaag geen gebruik kunnen maken van het systeem van de flexi-jobs, dat door de horeca wordt geapprecieerd.

 

Mijnheer de minister, u hebt het over voorafnemingen. Het is maar hoe u het noemt. U kunt over voorafnemingen spreken, u kunt ook over voorstellen spreken. Ik stel vast dat in de regering ministers ook voorstellen doen, die niet altijd met de andere regeringsleden zijn doorgesproken, maar waarover nog moet worden gediscussieerd. Zijn dat dan voorafnemingen? Ik weet het niet. Het is in een democratie absoluut noodzakelijk dat mensen voorstellen doen en dat er een compromis wordt gevonden dat vervolgens wordt uitgevoerd.

 

Het verheugt mij zeer dat u zei dat in landen waar er veel tewerkstelling voor jongeren is, ook veel tewerkstelling voor ouderen is, iets wat natuurlijk wordt tegengesproken door onze communistische vrienden. Daar worden zij geconfronteerd met de werkelijkheid die hen tegenspreekt.

 

Professor Marx, die geen rechtse professor is, mijnheer Hedebouw, heeft gezegd dat er in dit land te weinig jobs zijn voor laaggeschoolden. Hij heeft daarin voor honderd procent. Alleen, het is hard om dat te moeten zeggen. En dan zijn er politici die McDonald’s, een bedrijf dat in ons land meerdere keren de prijs voor beste werkgever heeft gewonnen, onder vuur nemen niet omdat het werknemers tegen dumpinglonen of dumpingvoorwaarden tewerkstelt, maar omdat het een ideale opstap biedt naar ander werk. Kijk naar de tewerkstellingsgraad van nieuwe Belgen bij dergelijke bedrijven, die veel hoger is dan in veel andere bedrijven. Ik pleit voor een maatschappij waar iedereen recht heeft op werk, en niet alleen de happy few die in het systeem zitten waaraan de laaggeschoolden niet kunnen deelnemen door de rigiditeit ervan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, ik heb begrepen dat u moet vertrekken, maar mevrouw Ben Hamou is hier met een equipe van studenten en een camera. Is het mogelijk om haar vraag nog te beantwoorden als zij deze kort formuleert? Dan zal zij zeer gelukkig zijn, samen met de studenten die zullen filmen. (Instemming)

 

18 Question de Mme Nawal Ben Hamou au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les locaux de l'ONEM Chaussée de Charleroi à Bruxelles" (n° 16547)

18 Vraag van mevrouw Nawal Ben Hamou aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de RVA-lokalen op de Charleroisesteenweg te Brussel" (nr. 16547)

 

18.01  Nawal Ben Hamou (PS): Monsieur le ministre, comme vous le savez, les bureaux de l’ONEM, chaussée de Charleroi à Bruxelles ont récemment été rénovés. Depuis janvier, les membres du personnel travaillent et reçoivent les citoyens dans ces locaux, alors que ceux-ci sont toujours en travaux.

 

Le mardi 7 février dernier, certains fonctionnaires ont dénoncé ce déménagement qu’ils jugent précipité. Ces personnes, sous couvert d’anonymat, ont montré à la presse, photos et vidéos à l’appui, les conditions dans lesquelles elles devaient travailler: des faux plafonds non installés, des câbles qui pendent sur les bureaux du personnel, des matériaux entreposés à côté des sièges de la salle d’attente, des câbles au sol, de la moisissure sur les murs à côté des files d’attente, des seaux d’eau par terre pour les tuyaux non raccordés.

 

L’ONEM a dû gérer aussi un cambriolage. En effet, l’entrée temporaire du bâtiment, mal indiquée de surcroît, n’a pas échappé aux cambrioleurs, qui sont entrés dans le bâtiment. Ils ont forcé 95 casiers et volé pas moins de 45 ordinateurs.

 

Monsieur le ministre, ces conditions de travail sont tout à fait intolérables pour le personnel et donnent une image déplorable de cette institution. Il est aussi inacceptable de traiter ainsi les demandeurs d’emploi qui se rendent dans ce bâtiment et qui ont certainement le sentiment d’être considérés comme des citoyens de seconde zone, qu’on ne se donne pas la peine d’accueillir dignement.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous donner précisément la date de fin des travaux dans ce bâtiment? En attendant, quelles mesures ont-elles été prises ou vont-elles l'être, pour améliorer les conditions de travail et de sécurité du personnel, et accueillir les citoyens dans les meilleures conditions possibles? Je vous remercie pour vos réponses.

 

18.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chère collègue Ben Hamou, la rénovation du bâtiment de l'ONEM situé chaussée de Charleroi n° 60 à Bruxelles s'imposait en raison du fait que son état intérieur n'était plus approprié pour recevoir adéquatement les clients externes et proposer aux collaborateurs des conditions de travail meilleures et modernes. Le bâtiment ne répondait en effet plus aux normes actuelles en matière de sécurité et de confort. L'achèvement de la rénovation était prévu pour le 1er octobre 2016.

 

Pendant la durée des travaux, le bureau de chômage a été logé dans un immeuble situé près de la gare du Midi, loué pour une durée déterminée, le bail prenant cours le 1er juillet 2011 et se terminant le 31 décembre 2016. Les travaux de rénovation ont toutefois pris du retard en raison de circonstances imprévues. Une prolongation du bail s'est avérée impossible et louer d'autres locaux pour une courte durée s'est révélé fort difficile et uniquement possible moyennant un surcoût budgétaire considérable et injustifié.

 

Ce sont les raisons pour lesquelles l'unique option était de déménager dans le bâtiment rénové avant que la rénovation ne soit totalement achevée. Cette remise en service ne s'est toutefois faite qu'à partir du moment où les conditions de logement étaient suffisantes et que les prescriptions de sécurité en vigueur étaient respectées.

 

De plus, une concertation a été menée avec les représentants du personnel au cours de plusieurs réunions. L'ensemble du personnel a, en outre, été informé tant avant qu'après le déménagement. Dans la mesure du possible, il a enfin été tenu compte des suggestions formulées par le personnel.

 

Quant à l'état d'avancement actuel des travaux de rénovation, la situation se présente comme suit. Les travaux dans la zone réservée au personnel sont complètement achevés et c'est en ordre. Pour ce qui est de la zone réservée au public, seule une petite partie doit encore être achevée. Les premier, deuxième et cinquième étages et une partie du rez-de-chaussée sont entièrement prêts aussi. Les troisième et quatrième étages aussi ont été achevés et mis en service. Les travaux seront entièrement achevés en détail pour le 14 avril 2017.

 

Pour ce qui concerne le logement du personnel et l'accueil des visiteurs, la situation se présente comme suit. L'immeuble a un rez-de-chaussée et cinq étages. Fin décembre 2016, un premier groupe de collaborateurs a été logé dans les deux étages déjà achevés et une partie du rez-de-chaussée. Le logement de ce personnel s'est fait conformément à la norme fédérale de supervision et aux prescriptions de sécurité en vigueur. Une autre partie du personnel est actuellement occupée dans un autre immeuble de l'ONEM.

 

En outre, les possibilités de télétravail sont exploitées au maximum et les collaborateurs en font effectivement usage plusieurs jours par semaine.

 

L'ensemble du personnel s'est installé dans le bâtiment le 21 mars, aujourd'hui donc.

 

Pour ce qui est de la fourniture de services aux clients externes, les visiteurs utilisent une entrée provisoire au rez-de-chaussée. L'infrastructure d'accueil répond aux normes applicables en matière de sécurité et d'accès et dispose d'une installation sanitaire.

 

Je pense que, pour le reste, la direction de l'ONEM est parfaitement consciente du fait que les conditions de travail n'étaient pas complètement optimales pendant le premier trimestre mais qu'elles étaient toutefois suffisantes et de nature temporaire. La direction met tout en œuvre afin de mettre rapidement un terme à cette situation, de façon à ce qu'un bâtiment administratif entièrement rénové soit disponible à très brève échéance, mi-avril, avec un confort nettement amélioré pour le personnel et le public.

 

18.03  Nawal Ben Hamou (PS): Je remercie le ministre pour ses réponses complètes. Je voudrais simplement dire que je me réjouis que la situation se rétablisse et que les travailleurs et les demandeurs d'emploi pourront se rendre dans ces locaux en toute sécurité et travailler dans de bonnes conditions.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega’s, hiermee sluiten wij deze vergadering. Wij zullen de overblijvende vragen behandelen tijdens de volgende vergadering, waarvan de datum nog te bepalen is.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.10 uur.

La réunion publique de commission est levée à 17.10 heures.