Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt

Commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique

 

van

 

Dinsdag 28 maart 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 28 mars 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.03 uur en voorgezeten door de heer Christoph D'Haese.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.03 heures et présidée par M. Christoph D'Haese.

 

01 Vraag van mevrouw Barbara Pas aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "hiaten in de wet inzake de melding van integriteitsschendingen" (nr. 17072)

01 Question de Mme Barbara Pas au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les lacunes dans la loi relative à la dénonciation des atteintes à l'intégrité" (n° 17072)

 

01.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, 3,5 jaar geleden, op 17 juli 2013, werd ook in de federale Kamers, in navolging van in Vlaanderen, een wetsontwerp betreffende de melding van veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door hun personeelsleden aangenomen.

 

Volgens sommigen die betrokken zijn bij de toepassing ervan, vertoont de wet een aantal structurele gebreken en is zij voor een groot stuk inefficiënt en ondoelmatig. Dat wordt ook bevestigd in het jaarverslag van 2015 van de federale ombudsman. Daarin staat immers dat er bij de toepassing van de wet theoretische problemen rijzen, die ondertussen al werden bevestigd bij de toepassing in de praktijk. Er zijn ook nog andere problemen aan het licht gekomen. Zo vermeldt het verslag een mogelijke aanpassing van de wet tegen midden 2016, hoewel dat ondertussen nog niet is gebeurd. Wat ook opvalt in het jaarverslag, is dat er voor het jaar 2015 een heel duidelijk verschil is tussen het aantal Nederlandstalige meldingen, namelijk 25, en het veel lagere aantal Franstalige meldingen, namelijk vier. Er is dus duidelijk een mentaliteitsverschil wat dat betreft tussen de taalgroepen.

 

Vanuit het werkveld werden mij verschillende gebreken van de wet aangemeld.

 

Ten eerste, de vertrouwenspersonen Integriteit controleren meldingen op hun ontvankelijkheid en spelen die in dat geval door aan het Centrum Integriteit van de federale ombudsman. Dat beoordeelt dan de meldingen en geeft er het nodige gevolg aan, onder meer door middel van een schriftelijk verslag en een aangevuld schriftelijk verslag. Volgens artikel 10, §2, van de wet moet het die handelingen en beslissingen motiveren. Hier rijst echter het probleem dat de federale ombudsman, die onder de diensten van de Kamer valt, niet motiveringsplichtig is, en hij leidt daaruit af dat hij ook in integriteitszaken zijn motivering niet kenbaar hoeft te maken, ook niet aan de personen betrokken bij de zaak. Samen met de vaststelling dat er geen inzagerecht is in het verslag en advies van de federale ombudsman, betekent dit alles dat er geen controlemogelijkheid bestaat op de motivering van de handelingen, ook niet voor de betrokkenen. Dat lijkt mij toch geen gezonde situatie.

 

Een tweede probleem is dat het advies, in tegenstelling tot de beslissingen, enkel gegeven wordt aan de leidende ambtenaar, die dan bekijkt of er al dan niet verder iets mee wordt gedaan. Ook dat lijkt mij geen goed uitgangspunt, als men onverkwikkelijke zaken wil uitspitten.

 

Een ander minpunt is dat er geen beroepsmogelijkheid bestaat om tegen de beslissing van de federale ombudsman in beroep te gaan.

 

Ten slotte, is ook de duur van de beschermingsmaatregelen voor de melders, namelijk twee jaar, wel heel kort en verhindert dat in een aantal gevallen niet dat er toch represaillemaatregelen worden genomen tegen melders.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, hebt u er zicht op hoe vaak er in 2016 meldingen werden gedaan per taalgroep? Welk gevolg hebben die meldingen gekregen? Kunt u besluiten trekken uit het feit dat er, voor 2017, althans volgens het recentste verslag dat ik beschikking had, een groot verschil bestaat op dat vlak tussen de taalgroepen?

 

Ten tweede, in het jaarverslag 2015 verwijst men naar de evaluatie van de wet. Hoe ver staat het daarmee? Wanneer kunnen wij een concreet wetsontwerp verwachten dat al die gebreken zal wegwerken?

 

Ten slotte, werden de pijnpunten, die ik heb aangehaald en die mij vanuit het werkveld werden gemeld, reeds bij de evaluatie gedetecteerd? Welke concrete oplossingen wil men daaraan geven?

 

01.02 Minister Steven Vandeput: Mevrouw Pas, de cijfers van 2015, waarnaar u verwijst, dus de 25 Nederlandstalige en de vier Franstalige, betreffen het totale aantal dossiers. Er moet in de dossiers evenwel een onderscheid worden gemaakt tussen de gewone informatieaanvragen en de officiële aanvragen tot voorafgaand advies, die aanleiding kunnen geven tot een melding. In 2015 waren er van de 29 dossiers in totaal 24 informatieaanvragen, 20 Nederlandstalige en vier Franstalige, en vijf officiële vragen om voorafgaand advies. Alle vijf waren Nederlandstalig.

 

In 2016 opende het Centrum Integriteit bij de federale ombudsman 31 dossiers, waarvan 18 Nederlandstalige en 13 Franstalige. In zoverre men het geheel over taalrollen zou willen verdelen, zou dat procentueel uitkomen – let op, we zitten met kleine getallen – op een verhouding 60/40. Er blijft in 2016 nog wel een verschil tussen de taalgroepen inzake de officiële aanvragen om voorafgaand advies die bij het Centrum Integriteit werden ingediend, want het gaat om 11 Nederlandstalige vragen tegenover 5 Franstalige. Daarnaast kunnen sinds 2016 meldingen ook rechtstreeks binnenkomen na een gunstig advies van een vertrouwenspersoon Integriteit (VPI). Dat waren er vijf in 2016, met name twee Nederlandstalige en drie Franstalige.

 

Wij stellen vast dat er in 2016 een stijging is van het aantal dossiers, zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige zijde. Ongeacht of u een toename al dan niet goedvindt, bewijst de toename in elk geval wel dat betrokkenen de weg vinden naar de procedure. Dat is ook te danken aan de aanstelling van de eerste vertrouwenspersoon Integriteit en een uitgebreide communicatiecampagne ten aanzien van alle ambtenaren eind 2015.

 

Inzake de evaluatie van de wet kan ik u meedelen dat mijn kabinet in samenwerking met het kabinet van mijn collega van Begroting recent die oefening heeft afgerond. Ik wens te benadrukken dat die evaluatie gebeurde in nauwe samenspraak met de actoren op het terrein. In dat verband werd zowel de federale ombudsman als het bureau voor ambtelijke ethiek en deontologie betrokken. Het is nogal evident om in een evaluatie ook de actoren van het veld te betrekken.

 

Mevrouw Pas, volgens u zou die evaluatie talrijke mankementen blootleggen, maar dat aantal mankementen durf ik toch enigszins te relativeren. Op basis van die evaluatie zal ik wel dit jaar nog een wetswijziging indienen met een aantal optimalisaties en de uitbreiding van het veld.

 

Inzake de door u aangehaalde pijnpunten kan ik meegeven dat het de bedoeling is om een grotere transparantie te realiseren ten opzichte van het politiek niveau, alsook de klokkenluider beter te beschermen. Ik denk daarbij onder meer aan het optrekken van de duur van de beschermingsprocedure, maar ook aan het mogelijk maken van tijdelijke tewerkstelling in een andere overheidsorganisatie, hetgeen op zichzelf natuurlijk een sterke bescherming van de betrokkene zou betekenen, maar uiteraard enkel en alleen op uitdrukkelijke vraag van de klokkenluider zelf.

 

01.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

De cijfers van 2016 waren voor mij nog niet voorhanden, maar die nuanceren toch een en ander. Er is een verschil met 2015 merkbaar.

 

Ik noteer dat de evaluatie van de wet is afgerond en dat wij dit jaar van u voorstellen tot wetswijziging mogen verwachten. Het verheugt mij dat een aantal pijnpunten die ik heb opgesomd, zoals de korte beschermingsperiode voor de melders, mee in de evaluatie is opgenomen.

 

Ik zal het dossier opvolgen en wacht uw wetsontwerp af. Indien de actoren op het terrein, zoals het hoort, erbij betrokken zijn, mag ik ervan uitgaan dat een aantal pijnpunten al in uw voorstel vervat zullen zijn. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal ik er tijdens de bespreking van de wet op terugkomen.

 

01.04 Minister Steven Vandeput: Mevrouw Pas, indien dat wel het geval is, zal u het dan ook mee goedkeuren?

 

01.05  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, wanneer iets goed is, keuren wij het altijd mee goed.

 

U kent ons principe. In tegenstelling tot de fractie van de N-VA, die alles van ons systematisch wegstemt, bekijken wij alles inhoudelijk en oordelen wij op basis van de inhoud.

 

De voorzitter: Mevrouw Pas, let op, want er is een getuige.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag nr. 15703 van de heer Gautier Calomne en vraag nr. 17490 van mevrouw Catherine Fonck worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

02 Question de M. Emir Kir au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la formation des médecins-fonctionnaires" (n° 17530)

02 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de opleidingen voor de artsen-ambtenaren" (nr. 17530)

 

02.01  Emir Kir (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, lors des auditions relatives au projet de loi sur le 9ter concernant la régularisation médicale des médecins, un médecin nous a fait part du déficit de formation à leur portée, ayant ainsi une incidence sur la qualité de leur travail.

 

En effet, il nous a été dit que dans un certain nombre de situations médicales auxquelles ces médecins sont confrontés, ils ont dû chercher par eux-mêmes des formations adéquates car aucune n'était prévue ou organisée dans ce sens. Ces propos interrogent quant au respect de la loi, sachant que l'article 11, § 2, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'État stipule que: "L'agent de l'État a droit à la formation utile à son travail de même qu'à la formation continue en vue du développement de sa carrière professionnelle. L'agent de l'État suit, avec attention et la volonté de développer ses compétences, les formations nécessaires à l'exercice de ses fonctions." Or ces médecins sont, en tant que fonctionnaires de l'État, sous statut fédéral soumis aux dispositions du présent arrêté.

 

Dès lors, je souhaiterais vous poser quelques questions.

 

Confirmez-vous les propos de ce médecin fonctionnaire suivant lequel des formations continues ne sont pas organisées pour les médecins fonctionnaires? Si oui, quelles sont les initiatives prises pour corriger cette situation? Si non, quelles sont celles prévues pour les médecins-conseils de l'Office des Étrangers?

 

Combien de médecins en ETP (équivalents temps plein) travaillent-ils en tant que fonctionnaires au sein de la Fonction publique? Pourriez-vous en donner une répartition par SPF/administration? Quels sont ceux bénéficiant de ces formations? Pourriez-vous lister plus particulièrement les formations médicales suivies? Quel est le budget consacré annuellement à ces formations?

 

D'avance, monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

02.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur le député, l'IFA (Institut de Formation de l'Administration fédérale) offrait des formations afin de développer les compétences génériques des fonctionnaires. L'IFA est de ma compétence. L'IFA agit complémentairement aux initiatives de formation prises par les différents services au sein de l'administration fédérale. Ne disposant pas des données relatives au titre académique et à la fonction des participants, l'IFA ne peut les identifier en tant que médecins et ne peut donc dire combien de médecins ont participé à ces formations.

 

Les formations médicales relèvent de la compétence des organisations auxquelles les médecins appartiennent.

 

En ce qui concerne les chiffres, mon administration ne dispose que de données partielles, notamment le nombre de médecins qui ont des fonctions uniquement accessibles en unités physiques et qui ont été enregistrés dans l'outil pour une évaluation Crescendo. C'est la seule façon de disposer de données sur les médecins. On trouve trente et un médecins à l'INAMI, un au SPF Intérieur, un au SPF Justice, onze au SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, y compris Empreva (comme vous le savez Empreva va ressortir sous le nouveau SPF BOSA), vingt-six au SPF Sécurité sociale.

 

02.03  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre vous êtes en charge de la Fonction publique. J'entends bien que l'IFA n'organise pas de formation particulière pour des fonctionnaires médecins.

 

Je vous ai expliqué la difficulté d'identifier … 

 

02.04  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Kir, je vous ai expliqué que l'IFA n'organise pas de cours pour les médecins. L'IFA intervient en complément des services spécifiques et il est responsable en matière de formations génériques.

 

02.05  Emir Kir (PS): Je vous ai interpellé en tant que ministre de la Fonction publique dans le cadre de laquelle travaillent des agents qui relèvent de l'arrêté royal de 1937 et qui ont besoin de formations. Il faudrait peut-être répondre à ce besoin.

 

J'entends bien que l'IFA ne donne pas ces formations car il lui est difficile d'identifier les fonctionnaires qui sont des médecins. De plus, comme vous l'avez dit tout à l'heure, cela ne relève pas de ses compétences. On se trouve donc confronté à un problème.

 

Selon vous, qui devrait organiser ces formations pour ces fonctionnaires médecins travaillant actuellement à l'Office des Étrangers? Pensez-vous que cela doit s'organiser au sein de ce dernier ou pensez-vous qu'une initiative devrait être prise à votre niveau?

 

02.06  Steven Vandeput, ministre: Je crois avoir stipulé dans ma réponse qu'il relève de la responsabilité des SPF concernés de s'assurer que leurs agents disposent des compétences techniques nécessaires.

 

02.07  Emir Kir (PS): D'accord. Mais si l'on suit le raisonnement logique de la loi et de l'arrêté royal, tout agent fédéral a le droit de suivre une formation pour améliorer et compléter ses compétences.

 

Dans ce cas de figure, il s'agit d'agents fédéraux d'un statut un peu particulier puisque ce sont des médecins. À la question de savoir où ils peuvent suivre ces formations, pour vous, c'est plutôt directement auprès de l'Agence elle-même, donc de l'Office des Étrangers.

 

02.08  Steven Vandeput, ministre: C'est toujours la même chose, monsieur Kir. Quand il y a une discussion entre mon groupe et le vôtre, il s'agit de qui fait quoi. Qui doit organiser des formations pour les médecins? Si vous me le demandez, je crois qu'il n'est pas nécessaire que l'État fédéral les organise lui-même. Il y a sur le marché tant de formations offertes aux médecins. Je crois que c'est aussi une question de responsabilité. Je ne nie pas que l'agent a le droit de se tenir informé et formé. Je ne remets pas cela en cause, mais la loi ne dit pas que c'est l'IFA qui doit elle-même organiser ces formations.

 

02.09  Emir Kir (PS): Vous avez raison, ce sont des formations spécialisées qui nécessitent des compétences qui ne doivent pas spécialement venir de l'État. Il y a des centres de formation, des universités, des lieux qui s'y prêtent. Au niveau de la prise en charge de la formation des agents, si je résume un peu, vous pensez que cela devrait relever de l'Office des Étrangers.

 

02.10  Steven Vandeput, ministre: C'est le SPF concerné qui est responsable de l'enveloppe des salaires de ses agents et donc aussi de l'enveloppe des formations.

 

02.11  Emir Kir (PS): Cet échange m'a permis d'identifier la responsabilité. Elle relève donc du secrétaire d'État en charge de l'Asile et la Migration. C'est bien à lui à prévoir les crédits pour permettre la formation de ces agents.

 

02.12  Steven Vandeput, ministre: Dans ma réponse, je vous ai bien stipulé qu'au niveau de l'Asile et la Migration, je crois qu'il n'y a pas de médecins identifiés.

 

02.13  Emir Kir (PS): C'est justement très grave puisqu'en fait, actuellement, plus d'une dizaine de médecins travaillent à l'Office des Étrangers dans le cadre de l'article 9ter et ils n'arrivent pas à bénéficier de formations. Lorsque nous avons organisé les auditions en commission des Affaires intérieures, ce problème a été souligné par beaucoup de participants. On voit bien qu'il y a un problème au niveau de l'identification du statut des fonctionnaires de l'État qui sont dans un statut un tout petit peu différent puisqu'ils sont aussi médecins. Je vais donc poser la question à M. Francken.

 

Je vous remercie pour cet échange.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Wij hebben geen bericht gekregen van de heren Gilkinet en Frédéric. Vraag nr. 17245 van de heer Gilkinet wordt ingetrokken, net zoals vraag nr. 17396 van de heer Frédéric.

 

Vraag nr. 17288 van de heer Vanden Burre zal worden behandeld in de commissie voor de Landsverdediging.

 

Le développement des questions et interpellations est suspendu de 14.24 heures à 16.28 heures.

De behandeling van de vragen en interpellaties wordt geschorst van 14.24 uur tot 16.28 uur.

 

Voorzitter: Monica De Coninck.

Présidente: Monica De Coninck.

 

03 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de Antwerpse politie" (nr. 17500)

03 Question de Mme Nahima Lanjri au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la police anversoise" (n° 17500)

 

03.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, ondanks verschillende pogingen in het verleden om stereotypering en racisme binnen het Antwerpse politiekorps aan te pakken, kwamen afgelopen dagen weer nieuwe, weinig fraaie feiten aan het licht. Ik herinner eraan dat nog geen jaar geleden in Antwerpen het diversiteitcharter werd afgesloten.

 

Er kwam recent aan het licht dat binnen een whatsappgroep een 25-tal Antwerpse agenten seksistische en racistische uitlatingen hebben gedaan over inwoners, gevangenen, maar ook pestgedrag vertonen ten aanzien van collega’s en machogedrag en homofoob gedrag tentoonspreiden. Het gaat zo ver dat een agent is overgeplaatst. Hij werd regelmatig gepest. Een agent heeft tot tweemaal toe een zelfmoordpoging gedaan. Tegen vier agenten loopt een tuchtprocedure.

 

Ondanks klachten van collega’s werd in eerste instantie niet door de oversten ingegrepen. Volgens getuigen ging de reactie van de commissaris niet verder dan: mannekes, pas een beetje op. In 2016 is het chatgroepje opgedoekt, maar tot op vandaag ging dat rustig verder in een nieuw groepje dat voornal de obscene toer opging.

 

Wij verwachten van onze politiemensen uiterste integriteit,daarover bestaat geen twijfel. Intern Toezicht is al enkele maanden met een onderzoek bezig. Ook het parket is nu gestart met een onderzoek naar wat in die de whatsappgroep is gebeurd.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen aan u zijn de volgende.

 

Wat is de stand van zaken van het probleem? Wat hebt u al gedaan of kunnen doen om het probleem concreet aan te pakken en het in de toekomst te vermijden? Zal ook door het Comité P een onderzoek naar de problematiek worden gevoerd? Hoe komt het dat mensen met zo’n een profiel toch nog door de rekrutering geraken? Hoe komt het dat de leidinggevenden blijkbaar zo lauw reageren? Blijkbaar heerst er een zwijgplicht of omerta in het korps. Hoe komt het dat de leidinggevenden niet of amper hebben ingegrepen?

 

Ten tweede, wordt in de politieopleiding ook op de deontologie gefocust? Hoe wordt ervoor gezorgd dat die deontologie niet zomaar bij de theorie blijft maar ook effectief wordt toegepast? Is er ter zake nog ruimte voor verbetering? Worden de politiemensen tijdens hun loopbaan voldoende bijgeschoold? Het is immers niet voldoende dat jonge agenten die nu aan hun opleiding beginnen, een mooie opleiding krijgen, maar dan, eens zij bij het korps belanden, met een totaal andere of een gebrek aan deontologie worden geconfronteerd.

 

Toen ik u een vorige keer over deze problematiek ondervroeg, meldde u dat er een Meldpunt Integriteit bestaat waar integriteitschendingen gemeld kunnen worden. Ook het nieuwe Netwerk Integriteit heeft reeds een sensibiliseringscampagne opgezet binnen het korps zelf. Ondanks deze acties blijven we geconfronteerd met dit soort gedrag. Wat wordt er concreet ondernomen om dit te vermijden?

 

Een andere belangrijke vaststelling uit een rapport van het Comité P is dat het volgens hen belangrijk is om het middenkader goed te betrekken bij zowel deontologie als diversiteitsbeleid. Welke concrete inspanningen zal men op dit vlak nog uitwerken om hieraan uitvoering te geven?

 

03.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Lanjri, zeg niet zomaar banaan tegen een chiquita. Ik bedoel daarmee: zeg niet zomaar agent tegen een politie-inspecteur of een hoofdinspecteur.

 

Ten tweede, u spreekt over 25 politiemensen. Ik wil dit ontkennen. Ik kan u enkel antwoord geven op vragen over de betrokken politieambtenaren. Voor de betrokken leden van het veiligheidskorps neem ik aan dat u mijn collega Koen Geens zult ondervragen met dezelfde intensiteit als bij mij; daar ga ik althans van uit.

 

Dit werd dossier gisteren op de gemeenteraad van Antwerpen omstandig toegelicht. Alle elementen die konden worden meegedeeld, gelet op het onderzoek dat nog lopende is, werden ook meegedeeld. Ik kan u, enerzijds, dus verwijzen naar de verslagen van de gemeenteraad. Anderzijds, is het onderzoek naar de betrokken medewerkers nog lopende.

 

Wat uw tweede vraag betreft, telkens een veiligheids- of een ander probleem aan de orde is, wordt het aandeel van de politieopleiding hierin bevraagd. Al geef ik telkens aan dat de rekrutering, de selectie en de opleiding het startpunt vormen, toch is wat later in de organisatie gebeurt van even groot belang. Ik heb het hier dan over de uitgeschreven processen en procedures, de aansturing en de opvolging ervan door de leidinggevenden, de rechtstreekse rol en de voorbeeldfunctie van elke politiemedewerker, en zeker van de leidinggevenden, de middelen op het vlak van het personeel, van de materiële en de financiële middelen, maar ook de mindset of nog de cultuur binnen de organisatie. Ik kan u perfect aangeven waarin voorzien is in de opleiding, maar wat in het korps gebeurt, is van even groot belang.

 

Er zijn specifieke opleidingen voor de lokale politie Antwerpen gegeven in campus Vesta, een werkshop integriteit en diversiteit, een workshop over communicatie, vooroordelen en discussie. Voor de geïntegreerde politie: holocaust, politie en mensenrechten voor alle personeelsleden, politioneel functioneren in een superdiverse context, eveneens voor alle personeelsleden.

 

Er zijn momenteel zeven standaardopleidingen Diversiteit die gegeven worden door Unia via een conventie van het centrum met de federale politie. In de basismodule gaat het om de antiracisme- en antidiscriminatiewetgeving, identiteit, diversiteit en seksuele geaardheid, interculturele communicatie, het concreet beheren van diversiteit in de eenheid, de integratie van diversiteit in het HRM-beleid, integratie van de diversiteit in elke politieopleiding, een vorming voor lesgevers en alle betrokkenen in het opleidingsproces van de geïntegreerde politie en het reageren op discriminerende uitlatingen van collega’s.

 

Op uw derde vraag kan ik antwoorden dat integriteit doorlopend een prioriteit is voor de politiezones, ook voor de politiezone Antwerpen. De integriteitscoördinator die verbonden is aan de afdeling kwaliteitszorg, heeft de volgende zaken al gerealiseerd, specifiek in Antwerpen. Ten eerste, het organiseren en uitbouwen van een Netwerk Integriteit. Dat is een denktank en informatieorgaan dat onder andere gericht is op integriteit en dat de daaraan gekoppelde issues bespreekbaar maakt binnen het korps en informatie-uitwisseling over dat thema bevordert. Ten tweede, het ontwerpen en uitrollen van interne campagnes Integriteit. Dat gebeurt onder andere aan de hand van intranetberichten, posters, banners en een screensaver met de slagzin ‘Integriteit is het juiste doen, ook wanneer niemand kijkt.’ Ten derde, de uitvoering van de projecten van het bestuursakkoord inzake integriteit over de integratie van integriteit in het aanwervings- en selectieproces en de uitbouw van een meldingsprocedure om te fungeren als een middel om deontologische inbreuken te verminderen en tegelijkertijd informatie te verzamelen om rond deontologische issues te kunnen werken. Ten vierde, verplichte vormingen voor leidinggevenden over diversiteit en racisme, een workshop integriteit en diversiteit, een inleefervaring voor alle leidinggevenden die zich richt op effectieve bewustwording in het omgaan met verschillen en de invloed van mind bugs. In 2016 hebben 91 leidinggevenden deelgenomen, inclusief de korpschef.

 

Naast de integriteitswerking dragen ook alle ondernomen activiteiten van de beleidscel Diversiteit bij tot de integriteit van het korps. Op 21 maart 2016, naar aanleiding van de internationale dag tegen racisme en discriminatie, werd het jaarverslag Diversiteit 2016 voorgesteld. Het volledig rapport is terug te vinden op de website van de politie van Antwerpen.

 

Ten slotte, uw vierde vraag. Het vertrouwen in de politie wordt sterk aangetast wanneer politiemensen zelf de wetten overtreden die ze moeten doen respecteren. Het vertrouwen van de overheid of de burgers versterkt of neemt af op basis van de geloofwaardigheid van de politie. Daarom is integriteit een van de meest fundamentele waarden voor de politie. Het is dan ook aangewezen dat leidinggevenden hierover reflecteren en de organisatie en de bedrijfscultuur onder de loep durven nemen om blijvende aandacht en focus te hebben voor deze materie. Met deze opleidingen krijgen leidinggevenden de mogelijkheid om vaardigheden te ontwikkelen om op een integere, deontologisch verantwoorde en maatschappelijk aanvaardbare manier om te gaan met ethische dilemma’s. Volgende opleidingen worden gegeven aan leidinggevenden: ten eerste, inleiding tot een beleidsmatig omgaan met integriteit, ethiek en organisatiecultuur; ten tweede, integriteitbeleid en de rol van de leidinggevende; ten derde, integriteitmanagement en, ten slotte, holocaust, politie en mensenrechten voor leidinggevenden, dus dat wil zeggen concreet omgaan met integriteit in de dienst.

 

In de toekomst wordt verder ingezet op responsabilisering van het middenkader door een vervolgtraject op deze opleidingen uit te werken. Dat wat de politie betreft maar ik zeg het u, de betrokkenen waren ook actief in het veiligheidskorps.

 

03.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, dank u wel.

 

Om het met uw woorden te zeggen, er zijn verschillen in bananen, er zijn chiquitabananen, er zijn fair-tradebananen – die zijn ook heel lekker – en het klopt dat er inderdaad zowel agenten bij zijn als mensen van het veiligheidskorps. Uiteraard gelden de opmerkingen voor beide. U mag gerust zijn, ook uw collega Geens zal hierover worden aangesproken.

 

Mijnheer de minister, ik stel vast dat ondanks alles, ondanks wat er in het bestuursakkoord staat, ondanks wat er in verschillende rapporten staat, ondanks het diversiteitcharter dat nog geen jaar geleden is ondertekend door de politie in Antwerpen, ondanks al die opleidingen – u hebt een hele reeks opleidingen en vormingen genoemd – het korps van Antwerpen regelmatig in opspraak komt. Dat is eigenlijk wat ons zorgen moet baren. Er is natuurlijk de theorie, er is het kader – ik zeg niet dat er niets gebeurt, er gebeuren allerlei dingen – maar toch stelt men vast dat dit korps keer op keer in opspraak komt. Het is niet de eerste keer.

 

Ik geef u gelijk, integriteit is van groot belang maar dan moet men er ook voor zorgen dat het middenkader en de leidinggevenden er een rol in spelen, anders verzeilt men terug in deze cultuur. Men zegt heel vaak dat niet heel het korps een probleem heeft – dat wil ik ook gerust beamen – maar dat het vaak gaat over een aantal rotte appels. De vraag is ook – blijkbaar duiken er steeds opnieuw een aantal rotte appels op – hoe wij kunnen vermijden dat de appels rot worden.

 

De leidinggevenden of het middenkader hebben daarin een heel belangrijk rol. Ik vind het goed dat er opleidingen worden georganiseerd om het middenkader op zijn rol te wijzen, maar het zal ook gecontroleerd moeten worden. Het middenkader kan eventueel bijgestaan worden in het opnemen van die rol. Hen treft ook een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij kunnen ervoor zorgen dat integriteit niet bij loze woorden blijft, maar in daden wordt omgezet. Ik hoop dat u daarop kunt aandringen, bij elk korps en uiteraard ook bij het korps van Antwerpen dat in een paar jaar tijd helaas al een paar keer in opspraak is gekomen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- M. Gilles Vanden Burre au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le potentiel attentat évité à Anvers et la réaction du bourgmestre Bart De Wever" (n° 17513)

- Mme Monica De Coninck au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la conférence de presse du bourgmestre d'Anvers et les doutes quant à la motivation terroriste" (n° 17524)

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Gilles Vanden Burre aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de mogelijke aanslag die in Antwerpen werd verijdeld en de reactie van burgemeester Bart De Wever" (nr. 17513)

- mevrouw Monica De Coninck aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de persconferentie van de burgemeester van Antwerpen en de twijfels over het terreurmotief" (nr. 17524)

 

04.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, comme vous le savez, des événements graves et interpellants ont eu lieu à Anvers le jeudi 23 mars dernier, qui ont fait penser à un potentiel nouvel attentat sur notre sol.

 

Je rappelle brièvement les faits: jeudi dernier, à 10 h 45, une Citroën break immatriculée en France attire l'attention d'une patrouille de militaires circulant sur la rue du Meir. Le véhicule se déplace à toute allure, obligeant les piétons à s'écarter pour ne pas être touchés. Les militaires tentent d'intercepter sans succès la voiture. Avertie, la police locale d'Anvers parvient finalement à immobiliser le véhicule sur le Sint-Michielskaai, soit près de 1,5 kilomètre plus loin. Sous influence d'alcool ou de drogue, le conducteur n'opposera pas de résistance lors de son interpellation. L'homme est connu en France dans des dossiers de port d'armes prohibées mais n'est pas signalé pour terrorisme ou radicalisme. Dans le coffre de son véhicule, les démineurs découvrent alors un riot-gun, plusieurs armes blanches et un bidon contenant un produit devant encore être analysé.

 

À 13 h 30, toujours le jeudi 23 mars, le bourgmestre d'Anvers, par ailleurs président de la N-VA, a convoqué les médias pour les tenir informés de l'intervention policière sur le Meir un peu plus tôt dans la journée. Il n'hésita pas à ce moment-là à parler d'un "attentat déjoué" pour évoquer les faits. Le parquet fédéral lui avait pourtant déconseillé de s'exprimer, ne disposant pas de suffisamment d'informations. Par ailleurs, on craignait encore que d'éventuels complices de l'homme arrêté, un certain Mohamed R., comme c'est relaté dans la presse, en profitent pour disparaître dans la nature ou pire, agissent dans la précipitation, à l'image de ce qui s'était passé à Bruxelles et à Zaventem le 22 mars 2016.

 

Les services de sécurité auraient apparemment tout fait pour dissuader Bart De Wever de s'exprimer, jusqu'à dix minutes avant sa présentation devant la presse. Ils estimaient en effet que c'était dangereux du fait qu'on n'avait pas assez d'informations, mais le bourgmestre d'Anvers a quand même tenu sa conférence de presse. Le lendemain, vendredi dernier donc, le suspect interpellé, Mohamed R., a été auditionné par une juge d'instruction anversoise. Mais toujours selon ce qui est relaté, le suspect n'a pas livré d'explications sur son comportement de la veille.

 

Selon ce qu'on peut lire ces derniers jours, il semble que cette personne était sous l'emprise de l'alcool, est grand consommateur de drogues également et ses explications étaient tout à fait incohérentes. L'homme a finalement été inculpé du chef de tentative d'assassinat à caractère terroriste, tentative de coups et blessures à caractère terroriste et infractions à la législation sur les armes.

 

Néanmoins, le parquet fédéral confirme que rien n'indique que Mohamed R. s'est engagé dans l'artère commerçante avec l'intention de faucher des piétons. Vendredi dernier, le lendemain de la conférence de presse de M. Bart De Wever, le porte-parole du parquet fédéral, M. Eric Van Der Sypt, déclarait: "Pour le moment, on ne confirme pas du tout cet attentat terroriste."

 

Monsieur le ministre, pouvez nous communiquer les informations mises à jour sur ce dossier, cette situation? Quel est, le cas échéant, le chef d'inculpation? Quel est l'avancement de l'enquête? Quelles directives les bourgmestres doivent-ils respecter dans ce genre de situation? Ont-ils l'obligation de suivre les recommandations du parquet fédéral en termes de communication vers l'extérieur? Quelles sont les recommandations, les lignes directrices en la matière?

 

Approuvez-vous l'attitude du bourgmestre d'Anvers qui a communiqué contre l'avis du parquet et des autorités compétentes, alors que tous les éléments n'étaient pas connus? Le problème, c'est qu'une telle communication aurait pu avoir un impact important sur la sécurité, sur l'ordre public. À 13 h 30, au moment où le bourgmestre M. Bart De Wever s'exprime, tous les éléments ne sont pas connus. Plus grave, le parquet lui avait apparemment demandé de ne pas communiquer. C'est ce que le parquet fédéral lui-même a déclaré par après.

 

Selon vous, une telle communication n'a-t-elle pas justement un impact important, voire dangereux, sur la sécurité et l'ordre public? C'est cela qui est important ici.

 

Vous êtes-vous entretenu avec le bourgmestre d'Anvers de la situation et des dispositifs de sécurité et de communication? Si oui, qu'en est-il ressorti? À l'avenir, les comportements ou les manières de communiquer vont-elles évoluer? Je vous remercie.

 

04.02  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de minister, het is jammer dat mevrouw Lanjri al verdwenen is, want ik heb uw antwoord op haar vragen wel geapprecieerd, vooral omdat de burgemeester gisteravond in de gemeenteraad ongeveer een halfuur lang de situatie heeft uitgelegd en zich uitgebreid heeft toegespitst op het zeer begrijpbaar maken van de houding van de politiemensen en de reden waarom zij zo hebben gehandeld, zonder dat hij hun communicatie en houding expliciet heeft veroordeeld.

 

Ik kom tot mijn vraag.

 

Afgelopen donderdag is tijdens de plenaire vergadering een man opgepakt die met hoge snelheid op de Meir reed, nadat militairen hem hadden tegengehouden. Het is hoogst onduidelijk of de man een aanslag wilde plegen. Evenmin waren er aanwijzingen dat hij extremistische ideeën koesterde. Wel staat vast dat de man in Frankrijk bekend is voor wapendracht en dat hij eerder is opgepakt voor openbare dronkenschap.

 

Burgemeester Bart De Wever en korpschef Serge Muyters riepen evenwel inderhaast een pers-conferentie bij elkaar. Een verhoogde waakzaamheid in de stad door politie en militairen werd aangekondigd. Volgens berichtgeving naderhand had het federaal parket nochtans gezegd dat het te vroeg was om te communiceren, maar burgemeester De Wever legde dat advies naast zich neer. Binnen het uur na de persconferentie zou het coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) al hebben gemeld dat het geen aanwijzingen had dat het om een dader met terroristische motieven ging.

 

Mijnheer de minister, u zult het zich wel herinneren, want er werd u een vraag gesteld tijdens de plenaire vergadering en u stond daar het Belgabericht naar aanleiding van de persconferentie op – dacht ik – uw iPhone voor te lezen. Nochtans bent u als minister verantwoordelijk voor de veiligheid.

 

04.03 Minister Jan Jambon: Wat u zegt, is niet correct.

 

Ik heb de persmededeling van het federaal parket voorgelezen in de plenaire vergadering, geen communicatie van de burgemeester. Ze was trouwens in het Frans. U zult het met mij eens zijn dat de burgemeester van Antwerpen niet met mij in het Frans communiceert, of toch zeer zelden.

 

04.04  Monica De Coninck (sp.a): Hebt u niet gezegd dat het een Belgabericht was?

 

04.05 Minister Jan Jambon: Het was een Belgabericht, verspreid door het federaal parket.

 

04.06  Monica De Coninck (sp.a): Excuseert u mij in dat geval. Dat is dan uitgeklaard.

 

Ik heb de volgende vraag.

 

Wat vindt u ervan dat een burgemeester een persconferentie over een mogelijk met terrorisme gerelateerde aangelegenheid houdt, die via Belga bovendien wordt aangekondigd als een mogelijk verijdelde aanslag, nog voor het OCAD de mogelijkheid heeft gehad om de zaak na te gaan?

 

04.07  Jan Jambon, ministre: Chers collègues, comme vous le savez, je ne puis communiquer aucune information sur le déroulement de l'enquête, vu le principe de secret de l'enquête. Le ministre compétent auquel il convient de vous adresser à ce sujet est mon collègue Koen Geens.

 

En ce qui concerne les autres questions de M. Vanden Burre et la question de Mme De Coninck, je puis vous préciser ce qui suit.

 

Le bourgmestre est compétent en matière de sécurité et d'ordre public dans sa ville ou sa commune. S'il estime nécessaire de communiquer des informations pour éviter tout mouvement de panique, il a le loisir de le faire. Il est toutefois tenu de conclure des accords clairs avec le parquet. J'ai entendu que cela avait été le cas en l'espèce.

 

Vu l'importance des médias sociaux et de la rapidité de l'information, je peux comprendre que le bourgmestre d'Anvers ait jugé nécessaire de partager des informations correctes avec la population au sujet des mesures prises suite à l'interception du véhicule qui roulait à grande vitesse sur le Meir, une artère commerçante fort fréquentée, et à la mobilisation policière renforcée sur place.

 

Wanneer de bevolking over die gebeurtenissen vragen stelt en maatregelen vraagt, is het niet meer dan logisch dat de burgemeester communiceert. De communicatie was ook doorgesproken met het federaal parket, zodat het onderzoek niet in gevaar zou komen.

 

Er is, naar ik achteraf heb vernomen, inderdaad contact geweest tussen de burgemeester en het federaal parket. Het federaal parket had liever niet dat de burgemeester communiceerde. Toen de burgemeester dat toch nodig achtte, heeft het zich met de inhoud van de communicatie wel akkoord verklaard, opdat die communicatie het onderzoek niet in gevaar zou brengen.

 

Het federaal parket is meestal aarzelend om te communiceren. Echter, na de aanslag in Londen met eenzelfde modus operandi is communiceren met de juiste informatie op zijn plaats, om paniek te vermijden.

 

Ik blijf erbij dat de burgemeester het best is geplaatst om dergelijke inschatting te maken.

 

04.08  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le fait de communiquer parce que des événements graves et inquiétants se passent sur le Meir à Anvers, artère commerçante importante, me paraît tout à fait logique. Mais qualifier le fait d'attentat déjoué, cela provoque l'effet inverse. Cela provoque un émoi – surtout le 23 mars – inutile.

 

Quel est l'objectif du bourgmestre d'Anvers à ce moment-là en qualifiant cet acte d'attentat terroriste alors qu'on n'a pas les éléments pour le dire? Je pense qu'il est extrêmement dangereux et malvenu qu'un bourgmestre s'exprime de la sorte tant qu'il n'a pas tous les éléments.

 

M. De Wever a-t-il voulu faire de la communication? A-t-il voulu se montrer en charge de sa ville et gonfler ses muscles? Je ne sais pas. Mais franchement, cette séquence est extrêmement malheureuse et le parquet le dit lui-même! Je pense que tous les bourgmestres devront s'en tenir à des comportements plus stricts et ne pas profiter de ce type d'événement pour faire de la communication.

 

Monsieur le ministre, je ne le souhaite pas mais j'aurais aimé avoir votre réaction s'il ne s'était pas agi du bourgmestre d'Anvers mais du bourgmestre de Bruxelles ou d'une ville en Wallonie. Je me demande si vous n'auriez pas été plus strict dans votre réaction! Je pense que oui, mais j'espère qu'on ne le saura jamais car je n'ai pas envie de vous poser des questions sur d'autres événements de ce type.

 

Je trouve que votre réaction en tant que ministre de l'Intérieur est très légère! Je ne suis pas totalement surpris mais je tenais à vous le dire!

 

04.09  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de minister, dat een burgemeester communiceert om paniek te vermijden, daar kan ik inkomen. Wat bij mij echter paniek veroorzaakt, is het volgende.

 

De politie wordt opgeroepen, omdat die man zijn vrouw mishandelt. Ze nemen hem niet mee. De politie wordt opgeroepen, omdat hij zijn roes ligt uit te slapen in zijn auto, een auto met in de kofferbak een riotgun en andere wapens. Ze nemen hem niet mee. Er wordt geconstateerd dat hij illegaal in het land is, maar ondanks het mantra van onze staatssecretaris Francken dat alle illegalen die iets verkeerd doen, opgepakt worden, nemen ze hem niet mee. Pas op het moment dat hij met zijn auto de Meir oprijdt, wordt hij verklaard als terrorist. Dan onderneemt men iets en zet men een grote mediacampagne op. Dat zorgt bij mij voor paniek, niet de communicatie van een burgemeester die paniek wilt vermijden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La présidente: Madame Poncelet, vous avez deux questions aux point  24 et 25 de l'ordre du jour.

 

04.10  Isabelle Poncelet (cdH): Merci, madame la présidente.

 

J'ai aussi une question (n° 17472) au point 23 de l'ordre du jour qui est jointe à une question (n° 17450) de M. Devin. Comme M. Devin a dû partir et qu'il n'est pas là, je transforme ma question en question écrite.

 

05 Question de Mme Isabelle Poncelet au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la plateforme informatique de la planification d'urgence dans les communes" (n° 17473)

05 Vraag van mevrouw Isabelle Poncelet aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "het IT-platform voor de noodplanning in de gemeenten" (nr. 17473)

 

05.01  Isabelle Poncelet (cdH): Madame la présidente, monsieur le ministre, suite à I'arrêté royal de 2006 relatif à la planification d'urgence et aux différents retours d'expérience en matière de gestion d'urgence, de nombreuses communes, provinces, zones de police ou zones de secours ont fait développer de leur côté des systèmes informatiques pour partager et gérer les informations nécessaires en matière de planification d'urgence et lors d'une gestion de crise.

 

Devant la diversité de ces systèmes informatiques et afin de disposer d'un outil commun et multidisciplinaire pour l'ensemble du pays, un marché a été mis en place pour la création d'un portail fédéral unique qui doit répondre à différents besoins tant au niveau de la planification que de la gestion de crise. Cette plateforme web porte le nom d'Incidient and Crisis Management System, dont l'acronyme est ICMS.

 

L'année dernière, le Centre de Crise fédéral a eu l'occasion de présenter ce projet aux différentes communes et utilisateurs lors de colloques ou de réunions en indiquant que cette plateforme serait fonctionnelle à partir de janvier de cette année. Si effectivement celle-ci semble être accessible aux différents utilisateurs qui ont obtenu et validé leurs codes d'accès, il me revient que certaines questions se posent et restent sans réponse.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous dire où en est l'intégration dans cette plateforme des plans d'urgence et des informations pratiques liées aux risques et à la cartographie? Il aurait été dit que les informations seraient d'abord injectées par le niveau provincial avant de solliciter le niveau communal. Pourriez-vous me dire ce qu'il en est concrètement? Quand, comment et à quelle fréquence seront formés les utilisateurs de cette plateforme? Je pense aux fonctionnaires PLANU dans nos communes, qui sont de plus en plus sollicités de part et d'autre et, en particulier, dans les petites et moyennes communes. L'utilisation de cette plateforme sera-t-elle obligatoire et quelles en seront les conditions?

 

05.02  Jan Jambon, ministre: Madame Poncelet, concernant votre première question, les plans d'urgence existants peuvent être téléchargés par les fonctionnaires de planification d'urgence sur le portail. Actuellement, 290 plans sont d'ores et déjà disponibles via le portail, tant des plans généraux d'urgence et d'intervention, les PGUI, que des plans particuliers d'urgence et d'intervention, les PPUI.

 

Les données introduites – et j'en viens à votre deuxième question – peuvent également être visualisées sur la carte, par exemple les hôpitaux, les entreprises SEVESO, etc. Le but est de pouvoir afficher également des données cartographiques venant d'autres sources via des services web comme, par exemple, les lignes à haute tension, les égouts, les conduites de gaz, etc. Celles-ci sont souvent déjà fournies par les communes auprès des services régionaux comme le géoportail de la Wallonie.

 

Toujours concernant votre deuxième question, sur base des données disponibles et dans la mesure où elles sont relevantes pour la gestion de crise, beaucoup de données ont été introduites par le Centre de Crise. Il s'agit des organisations, par exemple les communes, des infrastructures, par exemple les entreprises SEVESO, et des entités de contact, par exemple les écoles.

 

Pour chacune de ces données, des personnes de contact peuvent également être indiquées afin de pouvoir contacter rapidement les bonnes personnes. Il est prévu que ces données soient par la suite actualisées par les personnes elles-mêmes via une demande de vérification de leurs coordonnées qui leur sera envoyé.

 

Beaucoup de données, au niveau supra-local, sont donc déjà disponibles. Des données spécifiques au niveau communal peuvent être rajoutées par les fonctionnaires de planification d'urgence. Afin de veiller à la bonne qualité de ces données introduites seulement une fois, il a cependant été demandé d'attendre les formations qui devraient commencer fin avril.  

 

Quant à votre troisième question, la meilleure formation à l'outil réside dans son utilisation. En utilisant la plateforme dans leur travail quotidien, les utilisateurs vont pouvoir se familiariser davantage avec ICMS. Vu que la plateforme vient d'être lancée, une attention particulière doit maintenant surtout être donnée à la formation de ses utilisateurs. Des cours seront donnés dans les mois prochains pour les utilisateurs tant par la société que par le Centre de Crise et ce, en collaboration avec les services fédéraux des gouverneurs. Il s'agit de l'utilisation des outils de gestion de crise, comme le logbook, la carte, etc. et de la consultation des données. 

 

Les fonctionnaires de planification d'urgence recevront en outre une formation spécifique sur l'input des données.

 

En termes de continuité, il serait intéressant de pouvoir intégrer ces formations à ICMS dans les cours des écoles de sécurité dans chaque province. Cette piste n'est pas encore établie mais nous semble être la meilleure garantie pour une formation permanente. Par ailleurs, je répète qu'il est important que les autorités et services fassent régulièrement des exercices.

 

En ce qui concerne votre quatrième question, en plus des investissements réalisés pour le développement de softwares et la disponibilité du portail (hardware et hosting), le SPF Intérieur met également des accès à disposition de chaque commune et pour chaque discipline. Une première formation sera également offerte dans les prochains mois. Un document d'adhésion au portail sera envoyé aux différentes entités (communes, zones de secours, zones de police, etc.).

 

Des accords d'utilisation sont aussi élaborés et seront diffusés avec la convention. Il s'agit, par exemple, d'accords sur qui peut activer un logbook, qui peut manipuler la carte, etc. Même s'il n'y a pas d'obligation pour le moment, le but est de collaborer ensemble de manière multidisciplinaire en planification d'urgence et gestion de crise. Il serait dommage de ne pas y participer. Nous recevons des demandes pour le rendre obligatoire dans le but d'encourager cette collaboration. Si, pour le moment, ce n'est pas encore à l'ordre du jour, ce n'est toutefois pas exclu dans le futur. Cela dépendra des réponses des communes à cette offre.

 

05.03  Isabelle Poncelet (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

On ne doute pas du bien fondé de cette plateforme. Elle a énormément d'utilité et les PLANU l'attendent avec beaucoup d'impatience.

 

C'était annoncé pour le début d'année mais il n'y a pas encore d'activation complète de toute la plateforme. Vous avez dit que des formations allaient suivre dans quelques mois mais c'est assez imprécis. Nous aurions aimé que ce soit proposé plus rapidement car c'est vraiment attendu.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Mme Isabelle Poncelet au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "l'identification et l'accréditation des personnes chargées de la planification d'urgence dans les communes" (n° 17474)

06 Vraag van mevrouw Isabelle Poncelet aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de identificatie en accreditatie van de personen die instaan voor de noodplanning in de gemeenten" (nr. 17474)

 

06.01  Isabelle Poncelet (cdH): Madame la présidente, déjà depuis près de dix ans, les communes sont légalement tenues d'établir un plan d'urgence et d'intervention (PUI) ainsi que de disposer d'au moins un fonctionnaire en charge de la planification d'urgence, communément appelé "fonctionnaire PLANU". Malgré le fait que la réglementation actuelle soit très peu explicite sur le rôle et les missions de ces PLANU, il faut bien reconnaître que ceux-ci sont chargés de réaliser de nombreuses tâches pour le compte de l'autorité et de la Cellule de sécurité. Et, visiblement, ils seront de plus en plus sollicités.

 

Certaines de ces tâches peuvent nécessiter que les PLANU se rendent sur le terrain pour y rencontrer d'autres intervenants dans le cadre de la planification d'urgence. Lors d'une crise, les PLANU doivent rencontrer l'autorité et le Comité de coordination afin de pouvoir assurer les tâches requises. Ces déplacements peuvent nécessiter de devoir passer auprès de policiers ou d'autres personnes chargées de limiter, voire bloquer, les accès à une zone déterminée dans laquelle peut se trouver le Centre de crise communal ou provincial.

 

Malheureusement, dans les faits, il s'avère que certains PLANU se sont déjà vu freinés, voire empêchés de rejoindre leur autorité, sous prétexte qu'ils ne disposaient d'aucun moyen d'identification ou d'accréditation, contrairement à d'autres personnes comme les pompiers, les policiers, les ambulanciers, voire les journalistes.

 

Voici quelques années, les communes ont reçu différentes chasubles pour leur personnel communal amené à intervenir en qualité de Dir-Log/Dir-Log adjoint ou Dir-lnfo/Dir-lnfo adjoint.

 

Par contre, rien n'a été fourni pour les PLANU, les coordinateurs psychosociaux locaux (CPSL) et les autres intervenants agissant dans le cadre du Plan d'intervention psychosocial.

 

Il me revient que le gouverneur de la province de Namur a pris l'initiative de faire réaliser des cartes d'accréditation, afin de régler les problèmes de mobilité en donnant ainsi une légitimité à ces personnes.

 

Monsieur le ministre, considérant que la réglementation liée à la planification d'urgence est une matière fédérale, qu'il y a lieu d'assurer une cohérence et une uniformité sur le territoire national et qu'il convient de faciliter la reconnaissance des PLANU, il serait opportun de fournir à ceux-ci et à leurs adjoints une carte d'accréditation et une chasuble d'identification. Que comptez-vous faire pour répondre à ce besoin et dans quel délai?

 

06.02  Jan Jambon, ministre: Madame Poncelet, le rôle du fonctionnaire responsable de la planification d'urgence est effectivement décrit de façon très succincte dans l'arrêté royal du 16 février 2006 relatif aux plans d'urgence et d'intervention. Dans la réalité, nous constatons que le rôle du fonctionnaire de planification d'urgence s'est beaucoup développé au cours de ces onze dernières années dans de nombreuses communes.

 

Cet arrêté royal, qui traite principalement de la planification d'urgence et de la gestion de la crise locale, fait actuellement l'objet d'un travail de révision mené en étroite collaboration avec les autorités locales et les disciplines, notamment en vue de mieux faire correspondre le rôle du fonctionnaire de planification d'urgence à la réalité.

 

En ce qui concerne spécifiquement ce rôle, des workshops ont été organisés les 17 et le 23 juin 2016 avec des fonctionnaires de planification d'urgence communaux et provinciaux et avec les responsables des disciplines. Plusieurs propositions soumises lors de ces workshops ont été retenues et serviront de base à une réunion de travail qui aura lieu après-demain, le 30 mars. L'objectif est de transposer ces propositions dans une description concrète et réaliste du contenu de la fonction et des rôles possibles du fonctionnaire de planification d'urgence.

 

Un fonctionnaire de planification d'urgence n'a pas d'adjoint. Actuellement, le fonctionnaire de planification d'urgence ne doit pas se déplacer vers le terrain d'intervention. Il doit, toutefois, avoir la possibilité de se rendre vers le comité de coordination communal.

 

J'ai également appris, lors de ces workshops, qu'il y a parfois des problèmes lors des contrôles d'accès aux locaux consacrés à la gestion de crise. La proposition de mes services consiste dès lors, dans le cadre d'un nouvel arrêté royal, d'intégrer dans cet arrêté royal une carte d'accès reconnue au niveau national pour le fonctionnaire de planification d'urgence. Une chasuble spécifique pour le fonctionnaire de planification d'urgence n'est cependant pas prévue et n'a, selon moi, aucune utilité. Des chasubles sont prévues dans le cadre de la planification d'urgence afin de reconnaître les directeurs des disciplines et des services sur le terrain d'intervention, mais pas au comité de coordination.

 

06.03  Isabelle Poncelet (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces précisions.

 

Nous allons attendre les modifications. Les PLANU m'ont cependant fait part de leur impatience. Je suis ravie qu'ils puissent recevoir une carte d'accès. Néanmoins, pour les chasubles, c'est dommage. En effet, le métier va encore évoluer. Comme vous l'avez indiqué, il a fortement changé en onze ans. Certes, la situation n'est pas toujours très grave, mais la chasuble leur serait utile quand ils partent en mission. C'est, en tout cas, ce qu'ils me rapportent.

 

Je ne puis donc que vous encourager à accélérer dans ce volet du dossier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: De vraag nr. 17525 van de heer Delannois wordt uitgesteld. De vraag nr. 17527 van de heer Kir wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

 

07 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de opvolging van de door de Algemene Inspectie uitgevoerde audit" (nr. 17531)

07 Question de M. Wouter De Vriendt au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "les suites réservées à l'audit réalisé par l'Inspection générale" (n° 17531)

 

07.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, de audit van de Algemene Inspectie van de federale politie en de lokale politie, over de verwijderingsopdrachten van 2016 verdient absoluut opvolging; u weet dat ook. Een aantal maanden geleden is dat rapport uitgekomen. Wij hebben daar een discussie over gehad en de kritiek is niet min. Er staan een aantal aanbevelingen in en wij moeten dit aanpakken. Het gaat om vaststellingen rond onaangepast gedrag, solliciteren naar seksuele diensten, alcoholmisbruik enzovoort. De conclusies zijn op zich verregaand, maar het valt wel op dat de mate van detail nogal beperkt is in het rapport 2016. Dat is nogal vreemd.

 

Wat is de stand van zaken om werkelijk zicht te hebben op de omvang van de problematiek? Ik heb begrepen dat er een nieuw onderzoek werd besteld om wat meer uit te spitten wat er eigenlijk aan de hand is. Een eerste vraag die ik mij stel is waarom dit niet onmiddellijk werd onderzocht in het rapport 2016, zoals eigenlijk in een soortgelijk administratief onderzoek van 2006 wel het geval was?

 

Er wordt ook een gebrek aan leiding in de dienst vastgesteld. In welke mate wordt dat verholpen?

 

Ik heb ook een aantal vragen in verband met het rapport van 2006. Uiteraard weten wij allemaal dat u toen geen minister was. Het gaat over uw voorgangers, over mensen die u wellicht nooit hebt gekend vanuit uw huidige functie. Toch zijn er vragen die wij moeten stellen. Hoe kunt u verklaren dat een aantal conclusies uit het rapport 2016 eigenlijk nog altijd dezelfde zijn als deze uit het rapport 2006? Met andere woorden, er lijkt heel weinig veranderd te zijn in deze dienst. Kunt u toelichting geven over wat er is gebeurd en in hoeverre de problemen zijn aangepakt, tussen 2006 en 2016? Welke stappen zijn gezet? Waarom kon, naar uw inschatting, in die tien jaar tijd geen gevolg gegeven worden aan de kritiek uit 2006?

 

Tot slot, bestaan er verschillende versies van het rapport uit 2006? Zo ja, wat is de reden van de aanpassingen? In de laatste versie, deze die is overhandigd aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, zouden alle verwijzingen naar leidinggevenden zijn geschrapt. Het gaat soms om personen met naam en toenaam. Die zijn verwijderd uit het rapport dat aan de politiek is overhandigd. Dat is erg bitter, wetende dat tien jaar later veel van de toen vastgestelde problemen nog altijd niet zijn aangepakt en dat de situatie nog altijd niet is verbeterd.

 

07.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw de voorzitter, mijnheer De Vriendt, het is, ten eerste, belangrijk het onderscheid te maken tussen een audit en een administratief onderzoek. Gelet op de verschillende finaliteit, zijn de toegepaste methodes voor de uitvoering ervan ook duidelijk verschillend.

 

Bij de uitvoering van een audit toetsen de auditoren door middel van een methodologie, gebaseerd op een internationaal referentiekader, de invulling van de processen van de organisatie aan de wettelijke normen en kwaliteits-standaarden. Zij wijzen de geauditeerde op de risico’s die beletten de doelstelling van de organisatie te halen. Dat is dus een audit. Een administratief onderzoek heeft tot doel na te gaan in welke mate personeelsleden fouten of tekortkomingen hebben begaan. De audit gaat dus veeleer over werkprocedures en -processen, die worden geauditeerd. Daaruit kunnen dan aanbevelingen voortspruiten, die tot een administratief onderzoek nopen.

 

In het auditverslag van 2016 wordt letterlijk het volgende vermeld: "Er zijn zeer sterke vermoedens van onaangepast gedrag, die losstaan van de verwijderingopdrachten op zich, bijvoorbeeld het solliciteren van seksuele diensten tijdens zendingen in het buitenland, fraude bij het opmaken van administratieve documenten, alcoholmisbruik, chantage. Dergelijk gedrag kan, ongeacht de omvang ervan, grote schade aan de organisatie en de professionaliteit aanrichten en getuigt van normvervaging." Mochten duidelijke, concrete feiten zijn vastgesteld, dan hadden de auditoren hieromtrent de gerechtelijke overheden en/of de tuchtoverheid geïnformeerd; dat is hun rol. Een audit heeft niet tot doel dieper te graven en op zoek te gaan naar bewijzen. De auditbevindingen betreffende zeer sterke vermoedens van onaangepast gedrag zijn evenwel te belangrijk om niet te vermelden. Het toont de risico’s van een cultuur van normvervaging aan. Ook het feit dat er een perceptie van onaangepast gedrag leeft, is een risico op zich.

 

Het voorafgaand onderzoek dat in het kader van de tuchtwetgeving door de commissaris-generaal van de federale politie aan de Algemene Inspectie werd gevraagd is lopende. Op basis van de audit, waaruit ernstige aanwijzingen blijken, kan men zeggen dat diepgaander onderzoek vereist is. Ter informatie, dit onderzoek wordt gevoerd door personeelsleden van de directie Individuele Onderzoeken en niet door de auditoren die de audit hebben uitgevoerd.

 

Het parket Halle-Vilvoorde heeft aan het Comité P opgedragen een onderzoek te voeren naar eventuele strafrechtelijke feiten.

 

Er lopen dus twee onderzoeken: een intern door de dienst Individuele Onderzoeken en een door het Comité P.

 

Wat uw volgende vraag betreft, een essentieel onderdeel in de uitvoering van een audit is natuurlijk de opvolgingsfase. Concreet heeft de federale politie op basis van het auditverslag een verbeteringstraject ontwikkeld om een antwoord te bieden op de verschillende in het auditverslag vermelde aanbevelingen. De aanbevelingen betreffende leiderschap vallen uiteraard hieronder. Dit verbetertraject zal op basis van een afgesproken timing tussen de federale politie en de Algemene Inspectie op geregelde tijdstippen worden opgevolgd. Ik heb het nu over het auditverslag 2016, dat een vervolgtraject is en dat regelmatig wordt opgevolgd, mede door de Algemene Inspectie.

 

De volgende maatregelen werden ondertussen reeds genomen.

 

Er is een nieuwe hiërarchische lijn met een nieuwe leidinggevende aan het hoofd van de luchtvaartpolitie Zaventem. Ten gevolge van de genomen inwendige ordemaatregelen binnen de LPA op Brunat, de nationale luchthaven, en de dienst Verwijderingen zijn drie personeelsleden tijdelijk afwezig. Zij zijn daar weggehaald naar aanleiding van de audit.

 

Bij de dienst Grenscontrole werden de diensten herschikt zodat het personeel zijn eigen individuele escortes niet meer kan boeken. De plaatselijke leidinggevende moet toezien op het naleven van de maatregelen getroffen in de nota DIR/LPA2017.300.

 

Er werd een supervisor aangeduid om de dienst LPA Brunat/GC/Verwijderingen te begeleiden en ervoor te zorgen dat er wel degelijk een verbeterplan wordt opgesteld. Hij zal, waar nodig, onmiddellijke beheersmaatregelen aanbevelen. De exitroute volgen tot en met het doorlopen van de douanepost, of het verbieden om cash of alcohol te overhandigen als relatiegeschenk zijn voorbeelden daarvan. De dagelijkse leiding blijft in handen van de bestaande hiërarchie.

 

Er werden in de tussentijd vier personeels-, twee task force en twee BOC- (Bijzondere Overlegcomités) vergaderingen gehouden waarin de audit werd besproken. In deze vergaderingen werd ook duidelijk gecommuniceerd wat kan en wat niet kan op de werkvloer.

 

Er heeft een eerste bespreking plaatsgevonden met de Dienst Vreemdelingenzaken over de audit en hun aandeel in het bevorderen van een ethische cultuur. De audit is intern ter beschikking gesteld van alle escorteurs en ook aan iedere vakvereniging via het Basisoverlegcomité 198 onder statuutartikel 59 van de syndicale wet, de vertrouwelijkheidsgraad.

 

Inzake de opvolgingstabel van de 13 strategische aanbevelingen, werd al een eerste aanzet gegeven om de piloten en copiloten aan te duiden. Die laatste zullen bijvoorbeeld een eigen werkgroep kunnen samenroepen om per aanbeveling de nodige acties te overwegen en te bepalen. Er wordt een nota opgesteld waarin duidelijk gesteld wordt dat terugkomende escorteurs de gewone exitroute moeten volgen en zo de douanecontroles niet omzeilen, alsook dat het verboden is, zelfs op vraag van de Dienst Vreemdelingenzaken, om alcohol of cash geld te overhandigen aan officials in derde landen tijdens een verwijderingsopdracht. De correcte verdeling van de escortes wordt maandelijks opgevolgd door de hoofdcommissaris van politie Grenscontrole. De LPA-directie is bezig met de aanpassing van richtlijnen, waaronder de nota Buitenlandse Opdrachten LPA en het nieuwe protocol tussen de federale politie en de Dienst Vreemdelingenzaken. Het gaat om criteria voor onder andere businessvluchten en bijvoorbeeld veiligheid, welzijn, werkbelasting en niet-geringe meerprijs of duurtijd van de heenvlucht.

 

Dan zijn er de contextgegevens die een gematigde en opbouwende aanpak aanraden: de huidige opdracht en de huidige werklast, bijvoorbeeld nieuwe perimeterbeveiliging, het bijzondere nood- en interventieplan of BNIP, de herdenking van de aanslagen van 22 maart; het bezoek van Trump in mei 2017; de hogere doelstellingen 2017 inzake repatriëring en inlijving en vorming van een groot aantal nieuwe rekruten.

 

Er is het feit dat vele escorteurs zich vandaag niet aangesproken voelen, omdat de vermoedelijke feiten door een minderheid werden gepleegd en volgens hun perceptie in het verleden. De audit zegt dat zij hun werk goed doen en niet willen betalen voor de fouten van voorgangers. Ze begrijpen wel dat betere beheersmaatregelen nodig zijn om de blootstelling aan kritiek te verminderen en de transparantie te verhogen. De individuele fouten moeten door de overheid onderzocht worden en de daders aangesproken of vervolgd worden. De huidige leiding moet de tijd krijgen om 20 jaar achterstand op gebied van management bij te benen. Dat vraagt tijd en standvastigheid. De leiders moeten steun genieten om in de toekomst verbeteringen door te voeren. Er is geen onderdeel van de werking van de politie op Zaventem, waar er geen crisisachterstand inzake beheer bestaat, los van de verwijderingen.

 

Het stuurbord aanbevelingen audit 2016 zal, eens goedgekeurd en vastgelegd tegen juni 2017, dienen als opvolgingstool, maar wij mogen zeker niet uit het oog verliezen dat de PZ- en GC-werking ook voor verbetering vatbaar zijn. Dat legt uit waarom er vanuit LPA, dus de luchtvaartpolitie in Zaventem, enige weerstand leeft om projectmatig aan de slag te gaan, gezien hun standpunt dat er een gebrek is aan omkadering om boven de operationele projecten bijkomende beheersmatige projecten te initiëren. De supervisor zal hierin verder faciliteren. De toekomstige houding van de syndicale partners ten opzichte van de verbeteringen zal een key success factor zijn. Er valt zeer moeilijk in te schatten of die al dan niet ondersteunend zal zijn.

 

Voor het stuurbord aanbevelingen audit 2016 kan ik u meedelen dat in de mate van het mogelijke de volgende planning is vooropgesteld.

 

In maart 2017 worden de piloten en de copiloten aangesteld, per aanbeveling. In april en mei 2017 zullen er initiatieven komen van de piloten en de copiloten: analyse, consultatie, redactie en werkgroepen. In mei en juni van dit jaar zal er een voorstel van acties komen aan de stuurgroep door de piloten. In juni 2017 zal de voorzitter van de stuurgroep aan de AIG het geheel van taken en acties voorleggen en definitief vastleggen. Daarna komt er een semesteriële opvolging, in juni en december, tot juni 2019.

 

Wat de vorming van nieuwe escorteurs betreft, blijkt bij ANPA wel degelijk dat de functie van begeleider verwijderingen opgenomen is in het KB van 10 oktober 2014 als betrekking waarvoor een bijzondere bekwaamheid is vereist en als dusdanig wordt beschouwd door ANPA. In 2015 werden 11 escorteurs opgeleid. De stage van de laatste escorteur is afgerond in januari van dit jaar. Vooral de periode waarin zij hun vier stagevluchten dienen af te leggen, neemt zeer veel tijd in beslag om organisatorische redenen. In 2016 hebben twee kandidaten deelgenomen aan de selectie. Een van hen is geslaagd en in afwachting van de opleiding. De gebeurtenissen op 22 maart 2016 met alle gevolgen van dien hebben roet in het eten gegooid. In het najaar van 2016 werd een nieuwe oproep gedaan. Ondertussen hebben zich al 13 kandidaten gemeld. Die 13 komen in aanmerking voor de volgende selectieprocedure, zodra die door de Directie Rekrutering opgestart kan worden.

 

Ten vierde, de versie die ter inzage aan het Parlement werd overhandigd, betreft de definitieve versie van het verslag van de AIG. Die versie werd opgevraagd bij de AIG naar aanleiding van het verzoek van het Parlement tot inzage.

 

De AIG bevestigt mij formeel dat de versie die destijds in 2006 aan de minister werd bezorgd, 28 pagina’s telde. Andere versies waaronder een die 53 pagina’s telde, waren alleen interne werkdocumenten. Het document dat dus destijds in 2006 door de AIG aan de toenmalige minister werd bezorgd, is ook het document dat ik na de heisa rond de audit aan het Parlement heb bezorgd. Blijkbaar bestaat ook een werkdocument, dat ruimer was, maar dat niet door de AIG als een definitief rapport werd bezorgd.

 

Naar aanleiding van de persberichten die vanmorgen zijn verschenen en waarin onder meer staat dat het verslag opzettelijk zou zijn gecensureerd, wil ik er de aandacht op vestigen dat het Comité P na de verspreiding van het verslag eind 2006 in 2007 en 2008 een onderzoek heeft gevoerd naar een door de AIG uitgevoerd administratief onderzoek. Er is dus een onderzoek van het onderzoek gebeurd. Het Comité P heeft hiervoor alle stukken die aanleiding hebben gegeven tot het eindverslag, met de conclusies opgevraagd en onderzocht. Begin 2009 heeft het Vaste Comité P in plenaire vergadering beslist om het dossier te klasseren.

 

Dat zijn de feiten, die ik heb kunnen achterhalen.

 

07.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord.

 

Ik heb een aantal vaststellingen.

 

Ten eerste, blijkbaar was de audit 2016 ernstig genoeg om een aantal bijkomende onderzoeken op te starten, een strafrechtelijk onderzoek en een onderzoek van de dienst Individuele Onderzoeken.

 

Ten tweede, de verbeteringen aangebracht sedert 2006 volstonden blijkbaar niet om een dergelijk kritisch, negatief auditrapport 2016 onmogelijk te maken. Het auditrapport 2016 was dus kritisch genoeg om de vragen te stellen hoe het komt dat in tien jaar tijd de zaak niet ten gronde kon worden aangepakt en hoe het komt dat bepaalde vaststellingen op systeemniveau en methodologisch niveau eigenlijk dezelfde zijn gebleven als in het administratief onderzoek van 2006.

 

Dat is nog een extra vraag die ik tot u richt. Hoe komt het dat na die tien jaar een dergelijk negatief auditrapport 2016 nog altijd mogelijk was?

 

Ik heb nog een tweede vraag.

 

Ik weet inderdaad dat het rapport uit 2006 het definitieve rapport was dat aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken is overhandigd, ter inzage in het Parlement is gelegd en ook aan u is bezorgd. Het is echter bijzonder vreemd dat er blijkbaar een versie bestaat die exact hetzelfde is als de officiële versie, met als enige verschil dat er een aantal korte passages in staan die duiden op de verantwoordelijkheid en de betrokkenheid van leidinggevenden. Het enige verschil is dat er in de prefinale, ongecensureerde versie verantwoordelijkheden worden toegewezen. Zelfs een naam wordt genoemd. Het gaat dus niet op om het rapport zomaar te bestempelen, zoals de Algemene Inspectie blijkbaar doet, als een werkdocument, vermits het enige verschil is dat daar kort en to the point verantwoordelijkheden worden toegewezen.

 

Ik kan op zich begrijpen dat het Comité P dat heeft geklasseerd, maar ik wil u, mijnheer de minister, vragen of het niet de moeite loont om de prefinale versie van het rapport, met als enig verschil dat daarin de verantwoordelijkheden wel duidelijk worden toegewezen, op te vragen, zodanig dat u dan ook duidelijk kunt zien waar de mogelijke verantwoordelijkheden lagen en welke lessen uit het verleden kunnen worden geleerd om het in de toekomst beter te doen.

 

Ik vind het ook wel straf dat de Algemene Inspectie blijkbaar een rapport finaliseert enkel door het weglaten van een aantal verantwoordelijkheden en leidinggevenden, met naam en toenaam. Gebeurt dat ook in andere rapporten? De politiek moet toch op een neutrale, onafhankelijke Algemene Inspectie kunnen rekenen, die de verantwoordelijkheden van leidinggevenden niet zomaar schrapt — dat was het enige wat was geschrapt — en daarna aan de minister een gekuiste versie geeft. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken had wellicht heel graag geweten waar de verantwoordelijkheden lagen.. Alleen heeft hij bijna exact hetzelfde rapport gekregen waarin de verantwoordelijkheden waren geschrapt.

 

Mijnheer de minister, wil u dat nader onderzoeken? Wil u de prefinale versie van het rapport opvragen? Wil u onderzoeken wat bij de Algemene Inspectie is foutgelopen? Waarom precies werd aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken het rapport overgemakat waarin de verantwoordelijkheden van de toenmalige leidinggevenden  waren geschrapt?

 

Indien mogelijk krijg ik dus graag nog een antwoord op deze bijkomende vragen.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, wenst u op deze vragen nog te antwoorden?

 

07.04 Minister Jan Jambon: Wat er zou zijn fout gegaan, ik meen dat het de verantwoordelijkheid van de toenmalige top van de federale politie en van de voogdijminister is om te bekijken wat hij daarmee heeft gedaan. Ik kan moeilijk de film van de geschiedenis terugdraaien.

 

Dat sluit ietwat aan bij uw tweede vraag. Ik kan nu twee zaken doen. Ofwel onderzoeken waarom destijds enzovoort, wetende dat er al een onderzoek van het Comité P is gebeurd naar het onderzoek. Ofwel zeggen dat ik de meest recente audit ter harte neem en de huidige wantoestanden zo snel mogelijk probeer in orde te brengen. Samen met de commissaris-generaal van de politie heb ik voor het tweede gekozen en te zeggen dat, als er aanleiding is om te denken dat de wantoestanden er zijn, wij dat zullen aanpakken. Ik denk dat ik een indrukwekkende lijst heb gegeven van zaken die nu al op de sporen zijn gezet, dus we zullen die situatie rechttrekken.

 

Wat de situatie vandaag is en wat de situatie van 2006, 2007 en 2008 was, de politiek heeft tools om daarop toe te zien. Het Parlement heeft dat ook, met het Comité P, en heeft dat destijds ook ingezet. Ik neem aan dat er toen een debat plaatsgevonden heeft of had kunnen plaatsvinden met het Comité P over de reden waarom dat geklasseerd werd.

 

Ik zie nu eerlijk gezegd het nut niet goed in om daar veel tijd in te steken, om na te gaan wat de toenmalige AIG ter zake gedaan heeft. Ondertussen zijn die mensen ook allemaal vervangen. Binnen de veronderstelling dat daar nu nog dezelfde mensen werken als toen, zouden er vragen gesteld kunnen worden omtrent het vertrouwen in de huidige AIG over de vraag of de AIG wel goed werkt. De betrokkenen zijn ondertussen echter allemaal vervangen. Er werken nu andere mensen. In de huidige AIG, waar ik mee moet werken, heb ik wel vertrouwen.

 

07.05  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, tenzij het probleem bij de Algemene Inspectie natuurlijk ruimer gaat dan die twee mensen. Ik vind de manier waarop dit verlopen is niet normaal. Ik vind dat we moeten kunnen rekenen op een Algemene Inspectie die zeer onafhankelijk en zeer correct te werk gaat. Wat daar is gebeurd, vind ik niet normaal. Wij hadden kunnen leren uit de toegewezen verantwoordelijkheden. Dit gaat niet over extra onderzoeken naar de dienst Verwijderingen. Ik meen dat het probleem zich toespitst op wat er is gebeurd in de Algemene Inspectie. Zijn we wel zeker dat dit enkel te maken heeft met de twee personen die ondertussen met pensioen zijn?

 

Ik zou u dan ook willen vragen om dit nader te onderzoeken. We moeten die rapporten van de Algemene Inspectie ten volle kunnen vertrouwen. Er worden vaak rapporten opgesteld en ik zou niet willen dat daar sprake is van een probleem op organisatorisch niveau.

 

07.06 Minister Jan Jambon: Ik heb geen enkel probleem, ik pas die transparantie altijd toe. Ik heb mijn contacten met het AIG, maar waarom kan de commissie voor de Binnenlandse Zaken de verantwoordelijke van het AIG niet eens uitnodigen om naar de werkwijze te vragen en te vragen of men daar vertrouwen in kan hebben? Jullie kunnen het Comité P aanspreken. Ik heb er geen enkel probleem mee dat er een onderzoek gebeurt door de controlerende macht op dat vlak. Ik sta daarvoor open.

 

Ik kan maar zeggen dat ik als lid van de uitvoerende macht en verantwoordelijke voor de uitvoerende macht, op de vraag of ik vertrouwen kan hebben in die mensen, ja antwoord. Ik kan erin komen dat mijn antwoord u niet voldoende overtuigt. Er zijn methodieken om dat te doen.

 

07.07  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Nog één zin.

 

Ik denk dat de controle op wat er precies fout is gelopen, langs twee sporen moet verlopen: enerzijds, via u als bevoegde minister, anderzijds, via het Parlement.

 

Ik zal daartoe een initiatief nemen binnenkort.

 

De voorzitter: Als ik daar ook nog iets over mag zeggen, aangezien alle regelgeving hier nu toch niet wordt gerespecteerd.

 

U kunt ook een forensische audit doen, omdat u zegt dat een audit dit nooit kan onderzoeken. U kunt dit in opvolging van de resultaten van een audit doen. Ik vind audits ontzettend belangrijk, dat heb ik al eens uitgelegd in de commissie. Mijn ervaring met audits richt zich vooral op de mate dat aanbevelingen of constateringen worden opgevolgd. Dat is dikwijls het grote probleem: men heeft een verslag en dat vliegt in de kast, zonder dat er systematisch aan wordt gewerkt. Dat is natuurlijk ook een functie van de Algemene Inspectie, die nadien moet kijken in welke mate wordt voortgewerkt aan de aanbevelingen die zijn gedaan.

 

07.08 Minister Jan Jambon: Mevrouw De Coninck, dat heb ik juist in mijn antwoord vermeld.

 

Die machin is geïnstalleerd. De Algemene Inspectie heeft de opdracht gekregen de opvolging te doen en rapporteert elke zes maanden aan de commissaris-generaal over de voortgang. Er is dus een boordtabel. Op basis van die boordtabel wordt elke zes maanden niet door de LPA maar door de Algemene Inspectie aan de commissaris-generaal gerapporteerd.

 

De voorzitter: Dat is goed nieuws, maar in de decalage tussen 2006 en nu moet er ergens toch iets fout zijn gelopen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De vergadering wordt gesloten om 17.35 uur.

La séance est levée à 17.35 heures.