Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 19 april 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 19 avril 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.31 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.31 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De voorzitter: Vraag nr. 17568 van mevrouw Van Vaerenbergh is uitgesteld.

 

01 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Justitie over "de hervorming van de vredegerechten en de financiële impact hiervan voor de stad Geel" (nr. 17606)

01 Question de Mme Griet Smaers au ministre de la Justice sur "la réforme des justices de paix et l'impact financier pour la ville de Geel" (n° 17606)

 

01.01  Griet Smaers (CD&V): Ik stel deze vraag met gemengde gevoelens. Wij hebben lang gewacht op de hervorming, waarvan sommigen hadden gehoopt dat ze er niet zou komen. Hoe dan ook, om redenen van efficiëntie en afgaand op kosten-batenanalyses denk ik dat de hervorming van de vredegerechten er wel moest komen. Dus steun ik ten volle dat u die oefening hebt voorbereid en uitgevoerd, ook al zijn er altijd winnaars en verliezers.

 

Ook wat het kanton Geel betreft, worden er heel wat vragen gesteld. Er zijn immers een aantal wrange kanttekeningen bij het dossier te maken. Overlopen we even de historiek. Met de goedkeuring van de hervorming heeft het kernkabinet beslist het kanton Geel te behouden, maar de rechtbank ergens anders te huisvesten.

 

Zo zal het vredegerecht van Geel met de griffie worden ondergebracht op de zetel van het vredegerecht van het kanton Mol.

 

Dat is natuurlijk een beetje wrang voor de stad Geel. Immers, al in 2009 vatte de stad Geel gesprekken met het ministerie van Justitie aan over een nieuwe locatie voor het vredegerecht van Geel, zoals blijkt uit de briefwisseling en de stukken van de dienst Patrimonium van de stad Geel. Vanaf 2013 had de stad Geel als gesprekspartner in de kwestie de Regie der Gebouwen, omdat de bevoegdheid over de huisvesting dan in haar handen was gekomen. Toen werd met de Regie, die vragende partij was, onderhandeld over een koopovereenkomst met de stad Geel, die de investeringen voor een nieuwbouw op de nieuwe locatie voor het vredegerecht van Geel vervolgens heeft geprefinancierd.

 

Dat gebouw is ondertussen al een paar jaar helemaal klaar, met inrichting en al en beëdigde schatters hebben de waarde van het ingerichte gebouw geschat.

 

Nadien heeft de Regie aan de stad Geel gevraagd om te onderhandelen over een huurovereenkomst in plaats van een koopovereenkomst. Er werd ook weer een hele tijd onderhandeld over de juiste modaliteiten ervan, tot er op een gegeven moment een kant-en-klare huurovereenkomst was. Daar zijn verschillende contacten en briefwisselingen over geweest. Het laatste bericht dat de stad Geel van de Regie der Gebouwen heeft gekregen midden 2015, was dat de Regie, ondanks het akkoord over de huurovereenkomst, geen handtekening kon zetten gelet op de aangekondigde hervorming van de vrede­gerechten door de minister van Justitie.

 

Het contact werd vervolgens voor een tijdje verbroken en men moest wachten op de hervorming van de vredegerechten. Nu blijkt dat het vredegerecht van Geel niet naar de nieuwe locatie kan verhuizen, terwijl daar wel voor ongeveer 1,2 miljoen euro aan investeringen is gebeurd, waarvan 585 483,67 euro aan inrichtingswerken met bijvoorbeeld parketvloeren op specifiek verzoek van het vredegerecht van Geel. Dat kan gestaafd worden aan de hand van het dossier.

 

Als mede-inwoner en als beleidsmaker in de stad Geel betreur ik die investeringen en vind ik het niet meer dan normaal dat er wordt onderhandeld over een faire vergoeding, nu de hervorming van de vredegerechten is goedgekeurd.

 

Mijnheer de minister, is de beslissing tot de hervorming van de vredegerechten, ten eerste, definitief? Kan de vrederechter van het kanton Geel nog zitting houden in Geel? Ik begrijp dat het mogelijk zou zijn, als de stad Geel daartoe een locatie ter beschikking stelt.

 

Ten tweede, wat is de verdere timing voor de hervorming en de herlokalisatie van het vredegerecht van Geel?

 

Ten derde, kunt u zich ertoe engageren, gezien het verloop van dat dossier, om mee vanuit de federale overheid een schadeloosstelling van de stad Geel te bepleiten voor de gedane investeringen in de bouw en de specifieke inrichting van het vredegerecht in het project Ecodroom?

 

Tot slot, wie is bevoegd voor de studie van een dergelijke schadeloosstelling en financiële compensatie?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Smaers, ik heb er uiteraard alle begrip voor dat de beslissing voor uzelf en de stad Geel zwaar valt. Het dossier moet uiteraard nog aan de Ministerraad voorgelegd worden en de wet moet in het Parlement worden aangepast, maar de principiële beslissing is inderdaad genomen.

 

Uiteraard bestaat de mogelijkheid voor een stad van een dubbelkanton zoals het uwe om, zoals ik al meermaals heb toegelicht, een zittingszaal sous l’arbre aan te houden. De definitie daarvan is ingeschreven in het wetsontwerp dat bekendstaat als het ontwerp van wet “Potpourri V”, dat op dit ogenblik in de commissie voor de Justitie wordt behandeld.

 

Wat de timing betreft, verwijs ik ook naar eerdere antwoorden. Het is een complex en omvangrijk dossier en de administratie is momenteel bezig om alle noodzakelijke stappen te nemen voor de uitvoering en de opmaak van de daarmee samenhangende planning. Het onderhandelen over de huisvesting is de verantwoordelijkheid van de Regie der Gebouwen. Zij dient die aspecten met de stad Geel op te nemen. Ik zal van mijn zijde hierover wel contact laten opnemen om de concrete details van uw geval te belichten. Ik engageer mij ertoe om bij collega Jambon te bepleiten dat een en ander in voor uw stad zo goed mogelijke omstandigheden zou kunnen gebeuren.

 

01.03  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Natuurlijk hopen sommigen in de stad dat het vredegerecht alsnog in onze stad zal worden gehuisvest. Ik begrijp echter dat u om redenen van efficiëntie bij Justitie een bepaalde beslissing neemt.

 

Ik dank u in elk geval voor uw engagement om bij uw collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen, een oplossing te bepleiten die erin kan bestaan een compensatie uit te betalen voor de investeringen die in een wederzijdse overeenkomst tussen de stad Geel, het vredegerecht Geel en de federale overheid zijn gedaan. De kwestie wordt dus vervolgd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de buitengerechtelijke aanpak van schulden" (nr. 17619)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'approche extrajudiciaire de l'endettement" (n° 17619)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, u heeft zich in het verleden al herhaalde malen voorstander getoond van een alternatieve, buiten­gerechtelijke geschillenbeslechting, inzonderheid bemiddeling. Ik kan dat alleen maar bijtreden omdat op deze manier een gedragen oplossing voor elke partij in het geschil tot stand komt. Tevens wordt zo tegemoetgekomen aan uw uitgangspunt om minder geschillen voor de rechter te brengen.

 

Mijn vragen zijn dan ook de volgende.

 

Overweegt u initiatieven in het kader van buitengerechtelijke oplossingen inzake de schuldproblematiek? Zo ja, welke zijn dat?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, zoals u terecht aanhaalt, ben ik voorstander van het oplossen van een aantal geschillen buiten de rechtbank. Meestal wint iedereen daarbij, zowel de partijen als de overheid.

 

Dit geldt ook voor betwistingen in verband met de schuldproblematiek. Ik ben voorstander van de vele initiatieven die er bestaan om mensen die met een overmatige schuldenproblematiek worden geconfronteerd, te begeleiden en te ondersteunen. Deze initiatieven, uitgaande van bijvoorbeeld OCMW’s of private organisaties, vallen niet onder mijn bevoegdheid. Ik ben echter voorstander van deze aanpak, op voorwaarde dat hij efficiënt en effectief is, wat in vele situaties het geval is.

 

Met de invoering van de procedure tot de invordering van onbetwiste schulden, met de wet van 19 oktober 2015 – de Potpourri I, in voege getreden in juli 2016, toen het platform klaar was – hebben we een belangrijke stap gezet om deze procedures maximaal buiten de rechtbank te houden, met vele voordelen voor de schuldenaren. Het is een procedure die de schuldenaar informeert, veel minder kosten veroorzaakt die ten laste zouden vallen van deze schuldenaar, een maximumgrens stelt aan de eisbare bijkomende kosten en die in vele gevallen leidt tot afbetalingsafspraken tussen partijen, die daartoe zonder de procedure niet zouden zijn gekomen.

 

Hoewel de eerste signalen positief zijn, is het nog te vroeg om al een globale evaluatie van deze nieuwe procedure te maken. Daarvoor moet ze voldoende ingeburgerd zijn.

 

Ik hoop nog voor het reces de tweede stap in de modernisering van de collectieve schuldenregeling te kunnen zetten. In Potpourri IV werd het digitaal platform goedgekeurd. De tweede stap is het aanpassen van de procedure voor de schuldbemiddeling aan de digitale omgeving. Ook hier moet een belangrijke kostendaling en efficiëntiewinst worden geboekt in het voordeel van diegenen die geconfronteerd worden met een overdadige schuldenlast en in het voordeel van de overheid.

 

Tot slot wil ik verwijzen naar het wetsontwerp inzake insolvabiliteit dat ik volgende week zal toelichten in de commissie belast met de Problemen inzake Handels- en Economisch Recht. Ook deze ontwerpen bevatten maat­regelen, zoals snellere verschoonbaarheid en het scheiden van toekomstige inkomsten van de failliete boedel, die mensen helpen om zich te bevrijden uit een schuldenprobleem waarin ze zijn terechtgekomen.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de rechtsplegingsvergoeding bij gerechtelijke invordering van schulden" (nr. 17620)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'indemnité de procédure en cas de recouvrement judiciaire de créances" (n° 17620)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, niet-betaalde facturen worden soms snel gerechtelijk ingevorderd. De intellectuele arbeid die hierbij komt kijken, is zeer beperkt. Tenzij een betwisting wordt opgeworpen, worden er standaarddocumenten gebruikt die vooral administratief werk vereisen. Het lijkt ons dan ook niet logisch dat voor dit soort stan­daardinvorderingen de gewone rechtsplegings­vergoeding ontvangen wordt.

 

Mijn vraag is dan ook of u overweegt om een specifieke lagere rechtsplegingsvergoeding in te voeren voor dergelijke dossiers.

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, het systeem van de verhaalbaarheid van de erelonen van een advocaat werd ingevoerd door de wet van 21 april 2007, die een einde maakte aan de rechtsonzekerheid die ter zake was ontstaan naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004. De wetgever heeft uiteindelijk voor een forfait gekozen. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij — artikel 1023 van het Gerechtelijk Wetboek.

 

De logica van het forfait impliceert dat de precieze werkelijkheid van het geleverde werk en de specifieke kenmerken van elke procedure niet in aanmerking genomen kunnen worden.

 

Overigens is het bedoelde systeem niet louter forfaitair. De basis is wel forfaitair, maar de rechter beschikt binnen de marge tussen een maximum- en een minimumbedrag over een beoordelings­bevoegdheid. Indien de rechter afwijkt van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding heeft hij verschillende beoordelingscriteria te zijner beschikking waaronder de complexiteit van de zaak. Zo kan een partij de rechter steeds verzoeken de rechtsplegingsvergoeding te verminderen op grond van dat criterium, dat zowel tot een verhoging als tot een vermindering kan leiden. Op die manier kan er rekening gehouden worden met het werkvolume dat veroorzaakt wordt door de complexiteit van de zaak, om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen of te verminderen.

 

Mijn administratie bereidt momenteel een wetsontwerp en een koninklijk besluit voor die ertoe strekken de wet van 21 februari 2010 in werking te doen treden. Deze wet wijzigt de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat de basis forfaitair is en dat men via de rechter moet om de vergoeding te verminderen.

 

Eigenlijk was mijn vraag of het niet mogelijk is dat de forfaitaire vergoedingen voor zulke dingen worden bekeken, want die zijn toch heel hoog wanneer men gewoon een standaardformulier neemt. Misschien zal dit in de toekomst mogelijk zijn, teneinde de kosten naar beneden te krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het garanderen van de veiligheid in de gevangenis" (nr. 17683)

04 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la garantie de sécurité dans les prisons" (n° 17683)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, in tegenstelling tot andere gevangenissen in België, waar de populatie de laatste maanden van 2016 daalde, steeg het aantal gedetineerden in de gevangenis van Sint-Gillis tot een ongekende hoogte. Er verblijven nu om en bij de 900 gedetineerden. Dat is ver boven de maximumcapaciteit van 850.

 

De situatie is zowel voor het veiligheidspersoneel als voor de gedetineerden onhoudbaar geworden. Na twee maanden van cipierstakingen vorig jaar kondigde u aan van de gevangenis van Vorst een strafhuis en van de gevangenis van Sint-Gillis een huis van bewaring te maken. De maximumgrens voor de gevangenis van Sint-Gilis werd toen op 850 gedetineerden gelegd.

 

Eind vorige maand diende de overheidsvakbond ACOD voor het gevangenispersoneel van Sint-Gillis een nieuwe stakingsaanzegging van tien dagen in. De eis van de socialistische vakbond is slechts 850 gedetineerden in een gebouw dat eigenlijk een maximumcapaciteit van 620 gedetineerden heeft.

 

Volgens de burgemeester van Sint-Gillis, Charles Picqué, komt de veiligheid van de gedetineerden, de bezoekers en de bewakers in het gedrang. Hij kondigde aan de politie te zullen bevelen om elke nieuwe gedetineerde aan de gevangenispoort te weren zolang de maximumgrens van 850 gedetineerden niet wordt gerespecteerd. Vandaar mijn vragen.

 

Hoe verklaart u de stijging van het aantal gedetineerden in de gevangenis van Sint-Gillis?

 

Waarom wordt de maximumgrens van 850 gedetineerden niet gerespecteerd?

 

Welke maatregelen zult u nemen om de maximumgrens van 850 gedetineerden te respecteren en de veiligheid van gedetineerden, bezoekers en bewakers te garanderen?

 

Wat zult u doen als de burgemeester van Sint-Gillis de daad bij het woord voegt en zijn politie de opdracht geeft om gedetineerden te weigeren aan de gevangenispoort?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de fluctuatie in het bevolkingscijfer van de gevangenis van Sint-Gillis had in eerste instantie te maken met de reorganisatie van de Brusselse gevangenissen en meer bepaald met de herbestemming van de gevangenis te Vorst tot strafhuis. Het was dus even zoeken naar een mechanisme om de juiste veroordeelden vanuit de gevangenis te Sint-Gillis te leiden naar de gevangenis te Vorst.

 

Tegelijkertijd zijn wij in een periode terechtgekomen waarin het globale bevolkings­cijfer is toegenomen. Deels heeft dat te maken met de klassieke conjunctuur van het bevolkingscijfer, dat naargelang de periode van het jaar hoger of lager ligt. Los daarvan is echter ook de instroom van beklaagden toegenomen. Dat heeft uiteraard geleid tot een zoektocht naar mogelijkheden om gedetineerden uit te sterk overbevolkte gevangenissen te spreiden over gevangenissen die nog bijkomende gedetineerden konden ontvangen. De snelheid waarmee het bevolkingscijfer is gestegen, liet ons niet toe om de gevangenis van Sint-Gillis met gelijke tred te ontvolken.

 

De nodige beslissingen tot overplaatsing zijn nu genomen en worden uitgevoerd. De komende weken en maanden komt er bijkomende capaciteit in bestaande inrichtingen beschikbaar.

 

Ook worden na de zomer de eerste geïnterneerden opgenomen in het Forensisch Psychiatrisch Centrum van Antwerpen en zullen bijkomend en in samenwerking met mijn collega bevoegd voor Volksgezondheid nog andere plaatsen voor geïnterneerden in zorginstellingen worden gerealiseerd.

 

Dit alles zal dus de druk op de gevangenis­capaciteit doen afnemen en ertoe bijdragen dat de grens van 850 gedetineerden in de gevangenis van Sint-Gillis zal kunnen worden bewaakt.

 

04.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor dit enigszins geruststellend antwoord.

 

Wij blijven wel met de vraag zitten wat er zal gebeuren als de politie de gedetineerden zal weigeren aan de gevangenispoort. Zult u dan optreden? Waar moeten de gedetineerden dan naartoe?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de gezondheidsproblemen in gerechtsgebouwen" (nr. 17734)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les problèmes sanitaires dans les bâtiments judiciaires" (n° 17734)

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ingevolge de perikelen in Tongeren, waar een aantal gerechtsmedewerkers ziek zijn geworden door schimmels in de papierstapels, weten wij dat in de archieven van rechtbanken wel meer gevaren om de hoek loeren dan ontplofbare tuigen, zoals een tijd geleden hier in Brussel. Gelet op de toestand van diverse gerechtsgebouwen en archieven is het maar de vraag of de situatie in Tongeren, die volgens verklaringen op Radio 1 nu onder controle zou zijn, een uitzondering op de regel is.

 

Mijnheer de minister, vermits gerechtsgebouwen naar onze mening een gezonde werkplek moeten zijn, is mijn vraag welke maatregelen u neemt of kunt nemen om soortgelijke problemen in de toekomst te voorkomen.

 

05.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, eerst en vooral moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen levend en dood archief. Het levend archief wordt bewaard op de griffie of op het secretariaat van de jurisdictie. Het wordt opgeslagen in ruimten die geconcipieerd zijn als bureauruimte. In dergelijke ruimten doen zich bijgevolg zelden of zelfs nooit problemen voor van schimmelvorming. Het dood archief wordt doorgaans opgeslagen in kelders of op zolders van gerechtsgebouwen. Kelders vormen helaas geregeld vochtige ruimtes zonder voldoende luchtcirculatie waardoor omstandig­heden kunnen ontstaan die gunstig zijn voor schimmelvorming.

 

Wanneer dergelijke problemen opduiken contacteert het departement de collega’s van de Regie met het oog op het aanpakken van de dieperliggende oorzaak, vermits deze dienst instaat voor het beheer van de overheids­gebouwen. Daarnaast staat Justitie zelf in voor desgevallend doorgedreven wetenschappelijk onderzoek naar het type schimmel en de aard van de contaminatie, alsook voor het tijdelijk verzamelen van de gecontamineerde dossiers in afgesloten lokalen als tijdelijke en bewarende maatregel. Justitie zorgt ook voor infosessies voor het personeel door de interne dienst voor preventie en bescherming en de arbeids­geneesheer. Justitie zorgt eveneens voor de terbeschikkingstelling van de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen voor het personeel. Tot slot staat Justitie in voor de sanering van de archiefbescheiden volgens de best passende methode na prospectie naar de mogelijke behandelingsmethodes.

 

Aangezien de rechterlijke organisatie over een bijzonder groot aantal lopende kilometers archief beschikt, is verder een initiatief genomen om de bewaartermijnen die erop rusten te evalueren en te herzien.

 

In samenwerking met het Algemeen Rijksarchief is dan ook een voorstel tot herziening van deze bewaartermijnen opgesteld. De validatie ervan zal zeer binnenkort kunnen plaatsvinden. Deze herziening zal op relatief korte termijn kunnen zorgen voor een daling van de behoeften aan opslag voor dood archief en daardoor mee het risico van schimmelvorming en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s doen afnemen.

 

05.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dank u wel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de toepassing van de taalwetgeving in de Belgische gevangenissen" (nr. 17735)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de taalwetgeving in de gevangenissen" (nr. 17846)

- mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "het taalgebruik in de gevangenissen" (nr. 17859)

06 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'application de la législation linguistique dans les prisons belges" (n° 17735)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la législation linguistique dans les prisons" (n° 17846)

- Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "l'emploi des langues dans les prisons" (n° 17859)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, recent verbood een Brusselse rechter de Belgische Staat in kort geding om een Franstalige gedetineerde langer vast te houden in de gevangenis van Brugge. Dit zou in strijd zijn met de taalwetgeving. De Belgische Staat werd veroordeeld tot het betalen van een dwangsom per dag dat de Franstalige gedetineerde nog langer in Brugge werd vastgehouden.

 

België telt 34 gevangenissen, waarvan 16 in Vlaanderen, 16 in Wallonië en 2 in Brussel. Het gevangenispersoneel wordt op de Nederlands­talige of op de Franstalige taalrol aangeworven. Daarover heb ik enkele vragen.

 

Wat zijn de gevolgen van deze uitspraak, zowel voor de gedetineerden als voor het gevangenis­personeel?

 

Hoe wordt de correcte toepassing van de taalwetgeving in de Belgische gevangenissen gegarandeerd?

 

06.02  Barbara Pas (VB): Ik ga de problematiek niet herhalen van de Franstalige die uit Brugge zou moeten overgeplaatst worden naar een Franstalige gevangenis op straffe van het betalen van 300 euro per dag. Wanneer een gedetineerde de taal van de regio waar de gevangenis is gelegen niet begrijpt, staat het mij voor dat de directeur van de gevangenis tot nu toe een beroep deed op elk redelijk vertaalmiddel, zodat hij de inlichtingen en de inhoud die hem worden verstrekt tenminste kan begrijpen. Dan kan men op van alles een beroep doen: de tussenkomst van een personeelslid, externe personen, leden van de ambassade enzovoort. Indien er geen alternatieven zijn en de tussenkomst van een tolk noodzakelijk is, vallen de kosten daarvan ten koste van het gevangeniswezen. Daarover heb ik enkele vragen.

 

Strookt deze regeling met de taalwetgeving? Laat de huidige taalregeling die van toepassing is op de penitentiaire inrichtingen toe dat personeel van die instellingen een andere taal gebruikt dan de taal van het taalgebied?

 

Welke zijn de gevolgen van dit vonnis? Werd er eerst concreet aan dit vonnis gevolg gegeven? Welke zijn de gevolgen ervan voor het onderbrengen van anderstaligen in penitentiaire inrichtingen in het Nederlandstalige of Franstalige taalgebied in het algemeen? Heeft dit een invloed op de organisatie van het gevangeniswezen?

 

Welke zijn de gevolgen voor de gespecialiseerde afdelingen? Blijkbaar is er in Franstalig België geen enkele gevangenis met een gelijkaardig veiligheidsniveau als die van Brugge. Welke zijn voor hen de concrete gevolgen van dit vonnis?

 

06.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, collega's, vooreerst wil ik onderstrepen dat de beschikking van de kortgedingrechter geenszins de verdere opsluiting van Franstalige gedetineerden in Brugge heeft verboden, laat staan heeft verboden dat Franstalige gedetineerden zouden worden gevangen gehouden in Vlaamse gevangenissen.

 

De rechter heeft zich uitgesproken in een individueel dossier en zijn uitspraak kadert daarin. De zaak had betrekking op het detentieregime van betrokkene, meer bepaald over zijn veiligheidsregime en over de toepassing van de taalwet op de procedure tot oplegging van die veiligheidsmaatregelen. De rechter beschouwt gevangenissen immers als uitvoeringsdiensten van de FOD Justitie, waarvan de werking zich uitstrekt tot het gehele grondgebied omdat ze gedetineerden van het hele land kunnen ontvangen.

 

Het volstond dus niet dat de beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van het regime aan de gedetineerde in het Frans werd bezorgd, maar de rechter oordeelde dat overeenkomstig de taalwetgeving ook de daaraan voorafgaande handelingen in het Frans hadden moeten zijn gesteld met het oog op een adequate uitoefening van de rechten van de verdediging van de gevangene.

 

Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de gevangenissen in staat moeten zijn om de dossiers van de gedetineerden te behandelen in elk van de drie nationale landstalen. Op dit ogenblik is de gevangenis van Brugge de enige gevangenis met een Afdeling Individuele Bijzondere Veiligheid. Er was tot enkele jaren geleden ook een gelijkaardige afdeling in Lantin, maar die is vernield en werd niet opnieuw geopend.

 

Er werd geen beroep aangetekend tegen deze beschikking, nu deze in de lijn ligt van een eerder arrest van de Raad van State en van een eerdere beschikking van een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg. De beschikking heeft geen gevolgen voor de gedetineerden, noch voor het personeel.

 

Ik zal de administratie uiteraard de opdracht geven de nodige richtlijnen uit te werken opdat de taalwetgeving in gelijkaardige situaties zou worden toegepast conform de bepalingen van het vonnis.

 

Het Directoraat-Generaal EPI heeft geen weet van klachten uit de Brusselse gevangenis. De samenstelling van het personeelsbestand in deze gevangenis zag er op 1 maart 2017 als volgt uit: 622 personeelsleden behoren tot de Franse taalrol en 316 tot de Nederlandse taalrol.

 

06.04  Annick Lambrecht (sp.a): Ik dank u, mijnheer de minister.

 

06.05  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het voorrecht van rechtsmacht" (nr. 17778)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le privilège de juridiction" (n° 17778)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onlangs werd bericht dat de Oostendse vrederechter tegen wie een klacht werd ingediend, voor de strafrechter moet verschijnen, samen met een aantal kompanen. Daartoe is een bijzondere procedure gevolgd, met name het voorrecht van rechtsmacht, vastgelegd in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering. Deze procedure wordt gevolgd voor de berechting van magistraten, rechters en parketmagistraten, en hoge functionarissen.

 

In essentie komt het erop neer dat tegen houders van het voorrecht van rechtsmacht geen klacht kan worden ingediend met burgerlijke partijstelling en dat zij ook niet rechtstreeks kunnen worden gedagvaard voor de strafrechter door een benadeelde. Het is immers enkel de procureur-generaal die kan beslissen om de strafvordering in te stellen tegen een houder van het voorrecht van rechtsmacht.

 

Het systeem van voorrang van rechtsmacht stuit op veel kritiek. Enerzijds omdat het minstens een zweem van letterlijk voorrecht of afscherming uitademt en zo het vertrouwen in de objectieve behandeling van de betrokkenen ter discussie komt, anderzijds omdat de procedure zelf anders verloopt, aangezien de berechting meteen plaatsvindt voor het hof van beroep. Op dat punt is het voorrecht dus helemaal geen voorrecht, omdat tegen de beslissing geen hoger beroep mogelijk is.

 

De Hoge Raad voor de Justitie publiceerde op 27 maart 2015 nog een advies over het voorrecht van rechtsmacht naar aanleiding van de toepassing ervan in de zaak-Jonathan Jacob. De Hoge Raad kwam tot het besluit dat de huidige regeling niet aangepast is aan de hedendaagse realiteit en de evolutie die onze maatschappij en justitie hebben doorgemaakt. Er werd ook vergeleken met het buitenland en er werd vastgesteld dat het Belgische systeem voorbijgestreefd is.

 

Ook het arrest van 20 oktober  2016 van het Grondwettelijk Hof toont aan dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht tot allerlei procedurele problemen aanleiding kan geven. Meer fundamenteel moet men zich afvragen of het wel nog verantwoord is om magistraten en hoge functionarissen en hun mededaders en medeplichtigen anders te berechten dan een gewone burger. In veel landen worden magistraten op dezelfde wijze als eenieder berecht, maar mogelijk wel in een ander rechtsgebied, zodat zij niet worden beoordeeld door de eigen collega’s. Het valt moeilijk in te zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Inmiddels werden bij arrest van 15 december 2016 van het hof van beroep te Gent vier nieuwe prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld met betrekking tot de vervolging van lagere magistraten en hun mededaders of mede­plichtigen.

 

Het verwondert mij, mijnheer de minister, dat u gelet op het voorgaande nog geen initiatief tot een wetswijziging hebt genomen. Overweegt u een wetswijziging? Zo ja, in welke zin?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, naar aanleiding van de zaak Jonathan Jacob heeft de Hoge Raad voor de Justitie inderdaad een rapport opgesteld, waarin onder meer een aantal aanbevelingen wordt geformuleerd betreffende de wettelijke regeling van het voorrecht van rechtsmacht. De Hoge Raad voor de Justitie beoordeelde dit systeem inderdaad als verouderd en stelt voor om in een systeem van vervolging, onderzoek en berechting van magistraten te voorzien dat aansluit bij de gemeenrechtelijke procedures. Daarbij dient, aldus de Hoge Raad, ervoor te worden gezorgd dat het op gang brengen van de strafvordering exclusief een bevoegdheid van het openbaar ministerie blijft en dat vervolging, onderzoek en berechting gebeuren in een ander gerechtelijk arrondissement dan dat waarin de beschuldigde magistraat werkzaam is. Tevens wordt aangeraden om de lijst van personen die het voorrecht van rechtsmacht genieten, te beperken.

 

Het lijkt mij zinvol om deze aanbevelingen voor te leggen aan de expertencommissie die door mij werd belast met de voorbereiding van een nieuw wetboek van strafvordering. Het betreft immers een aangelegenheid die met de nodige omzichtigheid moet worden behandeld en waarin voorzichtigheid boven dadendrang moet worden gesteld.

 

Bovendien wijs ik erop dat het huidige systeem in hoofde van de magistraten zowel voor- als nadelen kent en niet tot straffeloosheid leidt. Ik deel derhalve uw mening dat het voorrecht van rechtsmacht niet steeds een voorrecht voor de betrokkene is.

 

De voorstellen van onze experten zal ik desgevallend voor advies voorleggen aan de nieuwe Hoge Raad voor de Justitie, het College van procureurs-generaal, het College van de hoven en rechtbanken en het Hof van Cassatie.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, zit er niet meteen een wetswijziging aan te komen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de geboorteaangiften in het ziekenhuis en de digitalisering ervan" (nr. 17623)

08 Question de M. Brecht Vermeulen au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les déclarations de naissance à l'hôpital et leur numérisation" (n° 17623)

 

08.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik kom net uit een zaal waarin het heel warm en rumoerig is. Ik voel mij hier in de zaal alsof ik in een ziekenhuis ben, al was het maar wegens de stilte en de rust, die hier heerst.

 

Mijnheer de minister, ik kom uit Roeselare. In het AZ Delta in mijn stad kunnen de ouders de geboorte van hun baby sinds januari 2017 op de kraamafdeling zelf aangeven. Zij hoeven daarvoor niet langer naar het stadhuis te gaan. De ouders moeten de geboorte uiterlijk vijftien dagen na de bevalling aangeven in de stad of gemeente waar het kind is geboren.

 

Roeselare is blijkbaar de eerste stad in West-Vlaanderen waar de aangifte nu op de kraamafdeling mogelijk is. Te dien einde komt een ambtenaar van de burgerlijke stand drie voormiddagen per week naar de kraamafdeling. Ik heb een en ander uitgezocht en ontdekt dat ook in Antwerpen, in Genk en in andere steden een gelijkaardige regeling bestaat. Dat is al een vernieuwing, wat goed is.

 

In Nederland, waar ik de voorbije tijd een paar keer om professionele redenen ben geweest, bestaat ook de mogelijkheid dat de ouders de geboorte van hun kind digitaal vanuit het ziekenhuis of elders kunnen aangeven. De geboorteaangifteformulieren worden vervolgens naar de afdeling Burgerzaken van de gemeente doorgestuurd. Indien vóór een bepaald tijdstip het ingevulde aangifteformulier is verstuurd, komt de ambtenaar van de burgerlijke stand daags daarna naar het ziekenhuis om de geboorteakte te laten tekenen.

 

In België is een digitale handtekening vermoedelijk nog niet mogelijk. Gelet op de risico’s voor cybersecurity, met name risico's op hacking en informaticafraude, moet zeker wanneer het over registraties van geboortes en inschrijvingen in het Rijksregister gaat, heel zorgvuldig met digitalisering worden omgegaan.

 

Ten eerste, zijn er behalve Roeselare, Antwerpen en Genk nog andere steden of gemeenten waar de genoemde regeling geldt? Welke steden of gemeenten zijn dat desgevallend?

 

Ten tweede, kunnen wij nog verder gaan? Is er voor België een voornemen of plan, om geboortes van thuis uit of vanuit het ziekenhuis digitaal te laten registreren? Zijn de hoofdlijnen daarvan al bekend? Is daarvan al een stand van zaken?

 

Is al bepaald of daarvoor een proefopstelling met een of meerdere gemeentebesturen zal gebeuren? Hoe zult u het systeem tegen fraude of hacking beveiligen?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Vermeulen, de mogelijkheid tot geboorteaangifte in een kraamkliniek werd omkaderd in de omzendbrief van 3 november 2008 betreffende de aangifte van geboorte in dergelijke klinieken. Uit een bevraging van diverse verenigingen van ambtenaren van de burgerlijke stand blijkt dat momenteel in verschillende steden en gemeenten de ambtenaar van de burgerlijke stand zich een aantal keer per week naar de kraamkliniek begeeft voor een geboorteaangifte ter plaatse. Dat is het geval voor alle Antwerpse materniteiten, voor Brasschaat, Genk, Gent, Roeselare, Turnhout, alle Brusselse materniteiten, Sint-Lambrechts-Woluwe en Etterbeek. In een aantal andere steden en gemeenten wordt de mogelijkheid tot geboorte­aangifte in de kraamkliniek onderzocht. In Wallonië is er nog geen enkele gemeente die in de mogelijkheid voorziet.

 

In Nederland is het in enkele gemeenten mogelijk om vanuit het ziekenhuis de geboorteaangifte volledig digitaal te doen. Voor het overige is het in Nederland mogelijk om bijvoorbeeld van thuis uit online een geboorteaangifte te doen, maar dan moeten de ouders nog steeds op het stadhuis de geboorteakte ondertekenen binnen de drie dagen na de geboorte.

 

In België wordt op dit ogenblik gewerkt aan het project “Modernisering en informatisering van de burgerlijke stand”, dat als doel heeft om al de gemeentelijke registers van de burgerlijke stand en die van de Belgische consulaire posten in één centrale databank te integreren, de Databank Akten Burgerlijke Stand. De DABS moet dienen voor de centrale opslag, de bewaring en het beheer van de elektronische akten van de burgerlijke stand, zodanig dat hierop kan worden teruggevallen wanneer dat juridisch of internationaal is vereist, of wanneer er een betwisting is omtrent bepaalde gegevens, opgenomen in het Rijksregister. In dat project wordt de basis gelegd om eventueel in een latere fase te kunnen overgaan tot een elektronische aangifte.

 

De Ministerraad keurde op 9 december 2016 de algemene krachtlijnen, de doelstellingen, de taak­verdeling en het uitgewerkt tijdpad voor de modernisering en informatisering van de burgerlijke stand goed. Mijn administratie bereidt hierover momenteel een ontwerp van wet voor, die een samenwerking met de andere betrokken actoren inhoudt.

 

08.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer volledig antwoord, dat mij bovendien voldoening geeft.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions jointes n° 17762 de M. Olivier Maingain et n° 17845 de M. Georges Dallemagne sont reportées.

 

09 Question de M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "le financement des lieux de culte" (n° 17766)

09 Vraag van de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de financiering van de gebedshuizen" (nr. 17766)

 

09.01  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le président, monsieur le ministre, à la suite des travaux de la commission d'enquête parlementaire sur les attentats de Bruxelles, il s'est confirmé que le Centre Islamique et Culturel de Belgique (CICB), qui gère la Grande Mosquée du Cinquantenaire, reçoit ses moyens budgétaires - environ 1,2 million d'euros - de la Ligue Islamique Mondiale, dont le bailleur de fonds est l'Arabie saoudite et dont la conception de l'islam n'est pas tout à fait compatible avec certaines de nos valeurs démocratiques.

 

Cette information a relancé le débat relatif à l'introduction du financement des cultes par des États qui ne respectent pas les droits de l'homme ou qui soutiennent le terrorisme. Je ne parle pas dans ce cas précis de l'Arabie saoudite quoique, par un passé plus lointain, on puisse s'interroger. J'ai d'ailleurs déposé en avril 2016 une proposition de révision de la Constitution à ce propos.

 

Cette information a encore relancé le débat relatif à l'organisation du culte musulman en Belgique sur le modèle des fabriques d'église. Elle pose en outre des questions plus précises qui sont les suivantes. Combien de lieux de culte seraient financés par un État étranger et ce, par confession religieuse? En ventilant par lieu de culte concerné, quel est l'État à la base de ce financement? Quel est le montant déclaré et/ou présumé par vos services? Ces montants ont-ils évolué et, dans l'affirmative, dans quelle mesure et à quelle période? En ventilant par année depuis 2014, combien de dossiers de reconnaissance de mosquées ont été introduits par l'Exécutif des Musulmans de Belgique? Combien ont reçu un avis positif et dans quel délai?

 

09.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Maingain, selon le culte et la région concernée dans laquelle la communauté religieuse locale reconnue se trouve, il incombe aux communes, aux provinces ou aux Régions de suivre et d'approuver les finances de ces communautés.

 

Une autorisation du ministre de la Justice est, il est vrai, prévue pour les donations faites à des ASBL par acte notarié et supérieures à 100 000 euros, conformément à l'article 16 de la loi sur les ASBL.

 

Les dons manuels, les dons bancaires et les donations entre personnes morales poursuivant un but similaire ne sont pas visés.

 

J'élabore actuellement des règles visant à étendre les comptes annuels des ASBL conformément à la loi sur les ASBL de sorte que chaque ASBL doive faire connaître de quels dons et de quels financements elles bénéficient ainsi que leur provenance.

 

L'Exécutif des Musulmans de Belgique a introduit, en tant qu'organe représentatif du culte agréé par l'autorité fédérale, des demandes d'agrément des communautés religieuses locales auprès des Régions. En tant que ministre de la Justice, je suis saisi dans ces cas pour rendre un avis à leur sujet. Depuis 2014, trente mosquées ont fait l'objet d'un avis positif dans ce cadre.

 

Vous n'êtes peut-être pas sans savoir que, récemment, j'ai eu un entretien avec le secrétaire général de la Ligue Islamique Mondiale, un ancien ministre de la Justice de l'Arabie saoudite, qui m'a promis de veiller à ce que la Grande Mosquée pratique des coutumes qui sont en conformité avec notre tradition et nos valeurs européennes, sinon de procéder, comme il l'a déjà fait dans plusieurs pays, à la fermeture de cette mosquée. J'ai publié un communiqué de presse à ce sujet, il y a six semaines.

 

Si vous désirez des réponses plus détaillées, nous y répondrons par écrit.

 

09.03  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le ministre, oui, il faudra un jour qu'on reparle de manière approfondie des modalités de financement des cultes. J'entends qu'il y a des initiatives législatives en préparation.

 

Je ne suis pas pour l'abrogation pure et simple de tout mode de financement de l'autorité publique à l'égard des lieux de culte mais je crois qu'il est temps d'adapter nos mécanismes de contrôle à des réalités qui sont plus actuelles que ce qui n'avait été conçu à une certaine époque où il n'existait pas une telle diversité des cultes reconnus et surtout pas le même contexte international.

 

J'ai lu dans la presse que vous aviez rencontré le secrétaire général de la Ligue islamique. Il y aurait une sorte d'accord sous-jacent mais je ne sais pas quelle forme prend cet accord ou cet engagement du secrétaire général de veiller au respect des principes démocratiques de pays qui accueillent les lieux de culte que finance par ailleurs la Ligue islamique. Je continue cependant à penser que des modalités de contrôle doivent être concrétisées. Cela fera l'objet d'un large débat sur lequel nous reviendrons certainement, soit à l'occasion de l'examen du projet de loi dont vous nous faites part, soit dans d'autres circonstances à la suite, notamment, des conclusions des travaux de la commission d'enquête parlementaire sur les attentats. Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 17641 de M. Stefaan Van Hecke ainsi que la question n° 17659 de M. Georges Dallemagne sont transformées en questions écrites. Les questions jointes n° 17663 de Mme Annick Lambrecht et n° 17865 de Mme Sabien Lahaye-Battheu sont reportées. La question n° 17675 de M. Stefaan Vercamer est transformée en question écrite. Les questions nos 17779 et 17817 de M. Stefaan Van Hecke sont transformées en questions écrites. La question n° 17843 de M. Paul-Olivier Delannois est reportée. Les questions nos 17843, 17853,17854 et 17855 de Mme Sabien Lahaye-Battheu sont également reportées.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.22 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.22 uur.