Commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw

Commission de l'Économie, de la Politique scientifique, de l'Éducation, des Institutions scientifiques et culturelles nationales, des Classes moyennes et de l'Agriculture

 

van

 

Dinsdag 9 mei 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 9 mai 2017

 

Matin

 

______

 

 


De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 10.39 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Jean-Marc Delizée.

Le développement des questions et interpellations commence à 10.39 heures. La réunion est présidée par M. Jean-Marc Delizée.

 

01 Question de M. Paul-Olivier Delannois au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les modalités de résiliation des contrats de leasing pour les PME" (n° 17296)

01 Vraag van de heer Paul-Olivier Delannois aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de opzeg-gingsmodaliteiten van leasingcontracten voor kmo's" (nr. 17296)

 

01.01  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, je souhaiterais pointer du doigt une problématique qui touche les PME dans le cadre des contrats de leasing, problématique dont les répercussions financières, en cas de faillite, peuvent être considérables pour ces entreprises. Ces contrats peuvent plonger les entrepreneurs de ces dernières dans la pauvreté, dans la mesure où, dans ce cadre, le consommateur est mal protégé.

 

Le principe du leasing implique la PME, une société de leasing et un fournisseur. La PME utilise un bien acheté au fournisseur via la société de leasing et verse des loyers mensuels ou trimestriels à cette dernière. Pendant la durée du contrat, la PME est considérée comme étant la propriétaire économique du bien.

 

Vraisemblablement, lorsqu'une PME conclut un contrat de leasing avec une quelconque société, il n'est plus possible, pour elle, de le résilier en cas de cessation d'activité. Ce contrat continue, par conséquent, de courir et le paiement des frais qui en découlent incombe à ladite PME.

 

Par ailleurs, ce système va à l'encontre du développement d'un entrepreneuriat de la seconde chance. Trop peu d'attention est en effet portée aux entrepreneurs ayant connu l'échec. Il s'agit d'une situation désastreuse à laquelle sont exposés certains entrepreneurs de petites sociétés qui doivent, en outre, faire face à la faillite de leur entreprise.

 

Monsieur le ministre, vous êtes-vous déjà penché sur cette problématique? Quelle est la politique menée en la matière? La durée minimale de ces contrats est de deux ans. Ne serait-il pas possible d'instaurer un mécanisme pour mieux protéger le consommateur quant à ce type de contrat ou, du moins, instaurer des clauses résolutoires qui éviteraient à ces PME de s'enliser dans un marasme financier?

 

Le président: Chers collègues, je vous demande de bien vouloir écouter les intervenants et le ministre. Il en va ici du respect de chacun.

 

01.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chers collègues, monsieur Delannois, les sociétés qui pratiquent le leasing financier entre parties professionnelles doivent être agréées en vertu de l'arrêté royal n° 55 du 10 novembre 1967 qui fixe les conditions d'agrément des sociétés de leasing. Cet arrêté ne concerne pas la relation contractuelle entre la société de leasing et le preneur de leasing.

 

La relation contractuelle relève, à l'heure actuelle, quasi intégralement de la liberté contractuelle des parties. Une résiliation anticipée du contrat de leasing pour quelle que raison que ce soit ne libère pas le preneur de leasing de ses obligations à l'égard de la société de leasing. En effet, il s'agit d'un engagement à long terme pour une durée fixe et irrévocable avec la possibilité de devenir propriétaire du bien loué moyennant la levée de l'option d'achat au terme de la location.

 

En ce qui concerne l'impossibilité de résilier le contrat de leasing en cas de cessation d'activité volontaire, je fais remarquer que le client dispose d'alternatives pour être libéré de sa dette, comme transférer son contrat de leasing vers un nouveau débiteur accepté par le donneur de leasing.

 

De plus, je vous informe également du fait que la législation protectrice du 21 décembre 2013 relative au financement des petites et moyennes entreprises prévoit un droit de remboursement anticipativement. À ce moment, le prêteur ne peut que réclamer une indemnité de réemploi limitée.

 

Mon ambition est de revoir l'arrêté royal relatif au leasing, qui date de 1967 et qui est désormais obsolète. Dans le cadre de cette ambition, je pourrais être amené à examiner si une extension de son champ d'application à d'autres formes de financement comme le leasing financier est opportune.

 

01.03  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Je pense que vous faites le même constat que moi. Vous avez l'ambition d'essayer de trouver des solutions. Je ne peux que vous encourager.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 17302 de M. Daerden est reportée.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de schadebedingen bij minnelijke invorderingen" (nr. 17436)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les clauses de dédommagement en cas de recouvrement à l'amiable" (n° 17436)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, in minnelijke invorderingen overeenkomstig de wet van 20 december 2002 is er vaak sprake van schadebedingen. Overeenkomstig een vaste rechtspraak zijn dergelijke bedingen evenwel slechts toegelaten, wanneer ze niet meer vergoeden dan de potentiële schade ten gevolge van de wanbetaling. In de praktijk wordt echter vastgesteld dat in dossiers van minnelijke invordering van schulden vrijwel nooit aangegeven wordt waaruit die potentiële schade bestaat. Veelal zijn de personen met schulden evenwel niet op de hoogte van die rechtspraak. Er komt ook geen rechter tussenbeide om overdreven schade-bedingen te temperen.

 

Mijnheer de minister, bent u, ten eerste, op de hoogte van die praktijken?

 

Ten tweede, overweegt u om tegen die praktijken op te treden?

 

Ten derde, acht u het gepast om naar analogie van de wetgeving consumentenkrediet maximale percentages of bedragen vast te leggen?

 

02.02 Minister Kris Peeters: Collega Lambrecht, ik heb er zeker kennis van dat er soms problemen zijn met betrekking tot de hoogte van de schade-vergoedingen die in rekening worden gebracht.

 

Conform de wet van 20 december 2002 mogen geen vergoedingen worden aangerekend waarin de overliggende overeenkomst niet heeft voorzien. Het is meestal bij die overeenkomst, dat het schoentje knelt. Het probleem dat u schetst, is niet vanzelfsprekend. Het is namelijk belangrijk dat er een goed evenwicht wordt bewaard tussen de bescherming van de consument, enerzijds, en de bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de onderneming om een betaling te ont-vangen voor de geleverde prestaties, anderzijds.

 

Daarom achtte ik het opportuun om de Raad voor het Verbruik om advies te vragen in verband met de herinneringskosten, de kosten van ingebreke-stelling en de nalatigheidsintresten. De raad heeft eind januari een eerste tussentijds advies verstrekt, dat vooral een beschrijving geeft van een aantal problemen. Hij vroeg mij om voort te kunnen beraadslagen over een aantal concrete oplossingen. Gisteren heb ik reeds het ontwerp van advies, goedgekeurd door het Bureau van de Raad voor het Verbruik, ontvangen. Het moet natuurlijk nog door de plenaire vergadering van de Raad voor het Verbruik worden gevalideerd. Ik wil dat advies nu nader bestuderen, om dan te be-kijken hoe wij, zo snel als mogelijk, kunnen inter-veniëren in de problematiek die u geschetst hebt, rekening houdend met het advies van de Raad voor het Verbruik.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u voor uw positief antwoord, mijnheer de minister. Wanneer kunnen wij daarover meer nieuws verwachten? Spreken we over weken of maanden?

 

02.04 Minister Kris Peeters: (…)

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het toezicht bij minnelijke invorderingen" (nr. 17437)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la surveillance du recouvrement à l'amiable" (n° 17437)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, overeenkomstig de wet van 20 december 2002 is het toezicht door de FOD Economie beperkt tot de zogeheten incassobureaus en niet tot advocaten en gerechtsdeurwaarders. In het geval van ver-meende onregelmatigheden door deze beroeps-groepen kan de consument zich dus niet wenden tot een onafhankelijke klachteninstantie, maar moet hij zich richten tot de tuchtinstanties van de respectieve beroepsgroepen. Uit de praktijk blijkt dat echter niet altijd tot bevredigende oplossingen te leiden.

 

Mijnheer de minister, bent op de hoogte van deze situatie? Overweegt u om initiatieven te nemen? Welke mogelijkheden ziet u om een onafhan-kelijke klachteninstantie aan te duiden om in der-gelijke dossiers alsnog tussen te komen?

 

03.02 Minister Kris Peeters: Mevrouw Lambrecht, ik ben inderdaad op de hoogte van deze situatie. Het toezicht op gerechtsdeurwaarders en advocaten wordt geregeld in het Gerechtelijk Wetboek, zoals u aangaf in uw vraag. Mij lijkt het niet aangewezen dat de FOD Economie in afwijking hiervan een bijzonder toezicht zou uitoefenen. In ieder geval behoort deze problematiek tot de bevoegdheid van de minister van Justitie.

 

Voor de consument bestaat wel de mogelijkheid om een strafklacht in te dienen op grond van artikel 15 van de wet van 20 december 2002 wanneer de specifieke bepalingen tot bescher-ming van de consument worden overtreden.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal deze vraag aan minister Geens voorleggen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de betalingsfaciliteiten in aanmaningen tot betaling van achterstallige schulden" (nr. 17537)

04 Question de Mme Annick Lambrecht au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les facilités de paiement lors des rappels de paiement d'arriérés de dettes" (n° 17537)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ten gevolge van een ver-slechterde financiële toestand overwegen con-sumenten vaak om rekeningen of facturen te laten liggen. Dat geldt inzonderheid voor facturen van nutsbedrijven. Vaak leidt het laten liggen van reke-ningen en facturen tot niet-betaling en wordt door de schuldeisers een herinneringsbrief gestuurd.

 

Bedrijven die regelmatig met achterstallige be-talingen geconfronteerd worden, gaan veelal akkoord om de schuldenaars de achterstal in schijven te laten voldoen. Nochtans wordt van die mogelijkheid zelden gewag gemaakt in de herin-neringsbrieven of aanmaningen.

 

Mijnheer de minister, acht u het niet raadzaam om bedrijven en dienstverleners te verplichten om in de herinneringsbrieven de betrokkenen te infor-meren over de mogelijkheden tot het bekomen van betalingsfaciliteiten?

 

04.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, het is een beetje een suggestieve vraag en ik denk dat wij op dit vlak van mening verschillen. Volgens mij zou het geen goede zaak zijn aan ondernemingen die handelen met consumenten, een algemene verplichting op te leggen om reeds vanaf de eerste herinnering inlichtingen te verschaffen over de betalings-faciliteiten. Er is trouwens geen verplichting voor ondernemingen om aan consumenten betalingsfaciliteiten toe te kennen. Bovendien heb-ben ondernemingen ook een rechtmatig belang om betaling te krijgen.

 

Ik ben er ook niet van overtuigd dat zo’n maatregel het belang van de consument zou dienen. Mogelijk ontstaat er een omgekeerd ef-fect, waarbij de overmatige schuldenlast nog zou stijgen. De aard van de schuld en de oorzaak van de betalingsachterstand kunnen immers heel uiteenlopend zijn.

 

Mevrouw Lambrecht, daarom denk ik dat u niet echt gelukkig bent met mijn antwoord, maar daar-over valt verder mogelijk te discussiëren. U wilt iets doen voor de consument, wat ik volledig begrijp, maar ik ben er niet van overtuigd dat dit in alle omstandigheden een goede zaak zou zijn voor de consument en, zoals ik reeds zei, voor de ondernemingen die niet verplicht zijn om beta-lingsfaciliteiten te verschaffen.

 

04.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben inderdaad niet zo gelukkig met uw antwoord, maar ik dank u toch voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les Cellules Brevets en 2016" (n° 17242)

05 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de Octrooicellen in 2016" (nr. 17242)

 

05.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, il est parfois difficile pour les PME de protéger leurs inventions. C'est la raison pour laquelle le SPF Économie a créé des "cellules brevets" afin d'informer les PME sur la propriété intellectuelle. À cet égard, en 2015, on comptabilisait quatre cellules brevets établies au sein de trois centres collectifs de recherche et d'une fédération professionnelle. Le SPF Économie a par ailleurs soutenu financièrement ces quatre cellules brevets à hauteur de 75 % de leurs frais pour un montant de 535 000 euros en 2015.

 

Dans une précédente réponse à une question parlementaire, vous déclariez que les cellules brevets enregistraient un franc succès auprès des PME puisque, en 2015, elles avaient répondu à plus de 400 questions spécifiques sur les droits de propriété intellectuelle. Vous ajoutiez que 10 000 personnes avaient participé aux sessions d'information qu'elles avaient organisées et que leurs sites internet avaient reçu plus de 20 000 visites.

 

Monsieur le ministre, je souhaite faire le point avec vous sur ce dossier et disposer des derniers chiffres dans le domaine.

 

Le succès était-il toujours au rendez-vous l'année dernière? Pouvez-vous me communiquer des chiffres à cet égard? Le nombre de quatre cellules brevets est-il toujours d'actualité? Une cinquième cellule est-elle envisageable? Pouvez-vous me dire s'il existe une demande en ce sens? En ce qui concerne le financement de ces cellules brevets, le SPF Économie les soutenait en 2015 à hauteur de 75 % de leurs frais pour un montant total de 535 000 euros. Quels sont les chiffres pour l'année 2016? Le taux de participation du SPF Économie est-il le même chaque année? Sur quelle base est-il déterminé?

 

05.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, madame Cassart-Mailleux, les cellules brevets constituent le point de contact auquel toutes les entreprises d'un secteur donné peuvent s'adresser pour obtenir un conseil personnalisé et gratuit au sujet de la propriété intellectuelle.

 

Le succès de cette action auprès des petites et moyennes entreprises se confirme. L'année dernière, elles ont répondu à 552 questions sur les droits de propriété intellectuelle. Plus de 3 000 personnes ont participé aux sessions d'information. En outre, les sites internet de ces cellules ont reçu plus de 18 000 visites.

 

Pour le moment, quatre cellules sont opérationnelles. Mes services n'ont pas reçu de demande pour la création de cellules supplémentaires.

 

Un montant de 541 000 euros a été alloué à leur financement en 2016. Le taux de participation du SPF Économie est fixé à 75 % depuis 2004 et se situe à la même hauteur que le soutien apporté aux antennes normes qui, depuis 1998, sensibilisent les petites et moyennes entreprises à la normalisation et les informent à propos des normes existantes et en projet. 

 

05.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses complètes à toutes mes questions.

 

Je me réjouis de cette poursuite et des chiffres qui m'ont été fournis.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les concertations en vue d'une éventuelle procédure unique pour les litiges relatifs à la protection du consommateur" (n° 17384)

06 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het overleg over de mogelijke invoering van één enkele procedure voor consumentengeschillen" (nr. 17384)

 

06.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le ministre, je suis déjà intervenue par le passé concernant une éventuelle procédure unique pour les litiges relatifs à la protection du consommateur. À cet égard, vous avez rencontré votre collègue, M. Geens, afin de vous concerter et de voir si une seule procédure unique est bien envisageable.

 

Je souhaite aujourd’hui faire le point avec vous.

 

Que ressort-il de la concertation avec le ministre de la Justice, M. Geens? Avez-vous avancé dans ce dossier? Pouvez-vous me dire ce qu’il faut en retenir à l’heure actuelle? Une procédure unique pour les litiges relatifs à la protection du consommateur est-elle envisageable?

 

06.02  Kris Peeters, ministre: Madame Cassart-Mailleux, mon cabinet a en effet eu l'occasion d'exposer le dossier aux collaborateurs du ministre de la Justice. Ce que vous proposez est une éventuelle procédure écrite simple pour les litiges de consommation, à l'instar de la procédure prévue par le règlement européen, instituant une procédure européenne de règlement des petits litiges. Une telle procédure sort toutefois des compétences du ministre de l'Économie, étant donné que cette procédure concerne l'organisation des cours et tribunaux. Je vous renvoie donc vers mon collègue de la Justice.

 

06.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Merci, monsieur le ministre. Une fois encore, je vois que vous suivez bien vos dossiers.

 

La concertation a eu lieu et je reviendrai vers le ministre de la Justice au sujet de cette procédure simplifiée qui me semble tout à fait opportune pour la protection du consommateur.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Mme Caroline Cassart-Mailleux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la vérification des prix des polices d'assurance des jeunes par l'Observatoire des prix" (n° 17598)

07 Vraag van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de controle van de prijzen van autoverzekeringen voor jongeren door het Prijzenobservatorium" (nr. 17598)

 

07.01  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, dans votre note de politique générale, volet Économie, nous pouvons lire que "depuis 2009, la Commission des assurances a été chargée d'évaluer la loi dite RC auto. La mission principale de cette commission consistait à moderniser la législation et à l'adapter à l'évolution de la jurisprudence. Dans son avis, la commission a aussi constaté un nombre de lacunes et d'incohérences dans le cadre légal".

 

Ce projet de modernisation n'a malheureusement jamais vu le jour et, huit ans plus tard, il me paraît grand temps d'aboutir enfin dans ce dossier.

 

À ce sujet, il convient d'être très attentif aux jeunes conducteurs et à la difficulté que ceux-ci éprouvent pour trouver une assurance à un prix abordable sur le marché. Il est convenu qu'une fois l'entrée en vigueur de la modification de la loi, l'Observatoire des prix effectue annuellement une vérification des prix des polices d'assurance des jeunes.

 

Monsieur le ministre, quand pouvons-nous espérer la modification de cette loi tant attendue? Pourquoi l'Observatoire des prix n'a-t-il pas déjà vérifié les prix des polices d'assurance des jeunes? Qu'adviendra-t-il du rapport annuel de l'Observatoire des prix? Des sanctions sont-elles envisageables? À défaut, comment lutter contre les discriminations et mieux protéger les consommateurs? Ce problème rencontré par les jeunes pour assurer un véhicule est un dossier qui me tient à cœur. Les surprimes actuelles provoquent, dans la plupart des cas, des dérives pour payer moins cher, notamment dans le chef des parents. Quand il ne se passe rien, aucun souci. On paie l'assurance. Tout roule. Mais, en cas de problème, ces dérives n'étant pas légales, on se retourne contre les parents.

 

Quand des parents achètent une voiture à leurs enfants, parfois à cause d'un problème de mobilité dans les communes rurales, et que ceux-ci effectuent les trajets, notamment pour se rendre à l'école, et que la voiture est enregistrée à leur nom, je trouve anormal de leur appliquer des primes d'assurance de 3 000 ou 4 000 euros. On doit pouvoir trouver des solutions. C'est tout un cheminement à faire.

 

07.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, madame Cassart, nous avons eu l'occasion d'en parler le 2 mai quand nous avons approuvé le projet de loi en commission. À ce moment-là, j'ai déjà indiqué à la commission que le monitoring est lié à l'entrée en vigueur du projet de loi. En effet, le Bureau de tarification offrira un tarif spécifique pour les jeunes. Il est ainsi important de connaître l'évolution des prix sur le marché privé.

 

Après le développement d'une méthodologie et la collecte des données de recherche, l'Observatoire des prix pourra évaluer les effets de la modification de la loi.

 

L'Observatoire transmet des conclusions aux autorités compétentes comme l'Autorité belge de la Concurrence et la Direction générale de la Réglementation économique. Il appartiendra donc aux autorités compétentes en cette matière d'examiner, le cas échéant, s'il est possible et souhaitable de sanctionner.

 

Il est également important que nous informions les jeunes sur les droits et possibilités qui existent sur le marché des assurances. Sur le site internet du SPF Économie, des informations sont déjà disponibles à ce sujet.

 

Madame Cassart, c'est une problématique très importante pour nous tous et vous avez raison de poser des questions concernant les jeunes. Comme vous, je souhaite travailler dans cette direction.

 

07.03  Caroline Cassart-Mailleux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Je prendrai connaissance des informations qui se trouvent sur le site du SPF Économie. Vous êtes conscient du problème et vous allez vous en occuper. C'est aussi mon rôle de parlementaire de vous inviter à faire évoluer ce dossier. Notre objectif est commun, il faut trouver des solutions pour ces jeunes.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Benoît Piedboeuf au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les intoxications au monoxyde de carbone" (n° 17585)

08 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "koolstofmonoxidevergiftigingen" (nr. 17585)

 

08.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, le mois dernier, j'ai perdu deux amis, qui sont morts pendant la nuit, intoxiqués par le monoxyde de carbone. On sait que c'est une cause fréquente de décès en Belgique. En 2015, 402 accidents causés par le CO ont été recensés.

 

Pour prévenir les intoxications au monoxyde de carbone, certains soulignent l'importance de doter les logements à risque de détecteurs de CO. En l'occurrence, il ne s'agissait pas d'un logement à risque, puisque le CO a été émis par une chaudière tout à fait normale.

 

Monsieur le ministre, plusieurs études du SPF Économie auraient été diligentées ces dernières années afin d'évaluer la fiabilité des détecteurs de monoxyde de carbone présents sur le marché. Quelles étaient les principales conclusions de ces études?

 

Une nouvelle génération de détecteurs combinant la détection d'incendies et de monoxyde de carbone serait sur le marché. Quelle est l'efficacité de ces nouveaux détecteurs? À quel point sont-ils utilisés dans notre pays?

 

Les compagnies d'assurance encouragent-elles l'acquisition de ce type d'appareils? Votre administration dispose-t-elle de chiffres ou d'études en la matière?

 

08.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, monsieur Piedboeuf, en 2006 et 2009, mon administration a réalisé deux campagnes de contrôle des détecteurs de monoxyde de carbone. Les résultats n'étaient malheureusement pas positifs. Ensuite, les produits dangereux ont été modifiés ou retirés du marché. Je peux vous donner les rapports finaux de ces campagnes de contrôle, ainsi qu'à tous les membres de la commission, monsieur le président.

 

Je n'ai pas d'indication quant à l'efficacité de ces nouveaux détecteurs. Je ne dispose pas non plus de statistiques quant à leur utilisation.

 

Sur leur site web, certains assureurs conseillent effectivement l'utilisation de détecteurs de CO ou offrent même ces produits. Des statistiques sur ces aspects ne sont toutefois pas disponibles.

 

08.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

Cela signifie très clairement qu'on n'en est nulle part. Peut-être faudrait-il s'en préoccuper. Le monoxyde de carbone tue chaque année. S'il y a des moyens techniques d'éviter cela, il faudrait peut-être diligenter de nouvelles recherches.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de regeling voor zelfstandige kantoorhouders van ING en Record Bank" (nr. 17649)

09 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les mesures concernant les gérants d'agence indépendants d'ING et de Record Bank" (n° 17649)

 

09.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, sta me toe om u voorafgaand aan het stellen van mijn vraag mee te delen dat collega Van Camp mij heeft laten weten dat zij niet aanwezig kan zijn om haar vraag nr. 17696 onder agendapunt 14 te stellen, aangezien zij momenteel een andere com-missievergadering bijwoont. Zij verzoekt om haar vraag in een schriftelijke vraag om te zetten. Als de minister mij eventueel het voorbereid schrif-telijk antwoord kan meegeven, dan kan ik haar dat straks overhandigen.

 

De voorzitter: Waarvan akte, mijnheer Klaps.

 

09.02  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, dank u wel.

 

Mijnheer de minister, met het dossier van de reor-ganisatie bij ING en Record Bank zijn we al een tijdje bezig. Het sociaal plan voor de betrokken werknemers is ondertussen goedgekeurd.

 

Nog altijd veel minder duidelijk is echter wat er zal gebeuren met de zelfstandige kantoorhouders van zowel ING als van Record Bank. In het kan-torennet wordt er immers ook serieus gesnoeid en de zelfstandige kantoorhouders zijn vaak betrok-ken partij. Zij vallen niet onder de wet-Renault en evenmin onder het onderhandeld sociaal plan. Zij blijven dus met heel veel vragen zitten.

 

Mijnheer de minister, daarom wil ik van u een stand van zaken vernemen.

 

Kunt u ons meer duidelijkheid verschaffen over het gegeven of de zelfstandige kantoorhouders ook een akkoord hebben met de bank?

 

Welk initiatief kunt u eventueel nemen of hebt u al genomen om de rechten van de zelfstandige kan-toorhouders te beschermen?

 

09.03 Minister Kris Peeters: Mijnheer Klaps, ik zal even recapituleren.

 

ING heeft op 3 oktober 2016 een trans-formatieplan aangekondigd. Een van de ele-menten van dat plan is de integratie van het kantorennetwerk van Record Bank in het ING-netwerk. Enerzijds, zal daardoor het kantoren-netwerk van ING en Record Bank, dat vandaag samen ongeveer 1 200 bankkantoren omvat, gere-duceerd worden tot zowat 650 kantoren. Anderzijds, is ING in de toekomst wel van plan om een groter aantal kantoren te laten openhouden door zelfstandige agenten. Voor zover ik weet, gaat het daarbij om ongeveer 450 kantoren op het totaal van 650 kantoren.

 

De voorbije maanden hebben wij vanuit de re-gering meermaals contact gehad met ING en eveneens met de organisaties van zelfstandige agenten. De integratie van het zelfstan-digennetwerk van Record Bank in ING dient te gebeuren in het kader van de wet-Renault. Vanuit ING kregen wij signalen dat er om juridische redenen enkele beperkingen waren bij de uit-werking van de voorstellen die mogelijks een impact hadden op het personeel van de bank. De nieuwe CEO van ING heb ik daarover bevraagd, omdat er heel wat negatieve reacties waren op de ontstane asymmetrische informatiepositie, om het mooi uit te drukken.

 

Sinds begin mei is de procedure inzake de wet-Renault afgerond bij ING. Er staat nog weinig in de weg om onderhandelingen op te starten. Ik heb overigens vernomen dat er op 3 mei een gesprek heeft plaatsgevonden tussen BZB en de directie van ING Record Bank inzake de uitvoering van de voorgenomen plannen van ING. In alle discretie wordt er aan een aantal pistes gewerkt.

 

De komende weken zijn nog dergelijke ge-sprekken gepland. Ik heb ook laten weten dat als de dialoog binnen de onderneming goed verloopt, ik mijn neus daar niet tussen zal steken, maar dat als er problemen opduiken, ze mij wel zullen tegenkomen. En u mogelijk ook, mijnheer Klaps.

 

Tot slot, kan ik u meedelen dat ik momenteel werk aan een gedragscode voor de tussenpersonen en de banksector. Hierbij zullen er duidelijke afs-praken worden gemaakt omtrent hun onderlinge relatie, bijvoorbeeld inzake de vergoedings-regeling voor gemaakte kosten voor infrastructuur door de zelfstandige bankagent bij stopzetting. Ik heb morgen hieromtrent nog een vergadering met beide partijen en ik heb de ambitie het project einde juni af te ronden. Ik hoop dat u daar dan ook heel positief op zult reageren, maar dat valt nog af te wachten. Het is ook nog geen juni.

 

09.04  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik heb inderdaad dezelfde signalen gekregen dat de onderhandelingen momenteel lopen. We moeten structureel wel eens kijken naar de opmerking van de zelfstandigen en de banken dat men niet kon onderhandelen vooraleer de wet-Renault was afgerond voor bedienden. Ik ben zelf geen jurist en niet bevoegd in sociaal recht en ik ga daar dus geen uitspraken over doen, maar in de praktijk creëerde dit voor die mensen wel een heel lange periode van onzekerheid die misschien niet nodig was. We moeten misschien eens onderzoeken of daaraan in de toekomst iets kan gebeuren.

 

Mijnheer de minister, ik zal bijzonder blij zijn als de gedragscode er vóór de zomer is. U weet dat ik een wetsvoorstel heb ingediend, waarbij ik aan de stakeholders heb gezegd dat als ze er zelf uit geraken, dat des te beter is en de te verkiezen weg vormt. Lukt dat niet tegen de zomer, dan zullen we na de zomer moeten bekijken of we daar wetgevend werk rond moeten verrichten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 17696 de Mme Van Camp est transformée en question écrite. La question n° 17954 de M. Senesael est reportée.

 

Vraag nr. 17703 van de heer Dedecker wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de onbetaalde schoolfacturen" (nr. 17740)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les factures scolaires impayées" (n° 17740)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, scholen nemen steeds vaker een incassobureau onder de arm om ouders onbetaalde rekeningen te doen vereffenen. In 2012 waren het er 600, vorig jaar al 1 400. Uit nieuwe cijfers blijkt nu dat de scholen in totaal 10 570 claims hebben inged-iend, goed voor 4 % van de schoolfacturen. Al die onbetaalde rekeningen slaan samen een put van net geen 2,3 miljoen euro.

 

Kinderen met een stapel onbetaalde rekeningen met een herinnering naar huis sturen, biedt zelden een oplossing. Integendeel, door het stigma komt het welzijn in het gedrang. De inschakeling van incassobureaus moet volgens ons te allen tijde vermeden worden bij schulden op school. Een incassobureau biedt hiervoor geen oplossing. Het gevolg ervan zijn extra kosten en vaak zit het kind het jaar nadien op een andere school, waar de-zelfde carrousel kan herbeginnen, zonder dat de school het geld ooit ziet. Zo is het kind opnieuw de dupe.

 

Wij zijn er dan ook van overtuigd dat er andere manieren moeten worden gezocht om onbetaalde schoolfacturen aan te pakken. Een belangrijke taak ter zake ligt ongetwijfeld bij uw collega’s, de ministers van Onderwijs, maar ook Justitie kan ingrijpen door de interventie van incassobureaus maximaal te ontmoedigen of zelfs uit te sluiten en door de kosten tot een absoluut minimum te beperken.

 

Daar mijn vraag aan de commissie hier is toegewezen, stel ik ze hier, in plaats van in de commissie voor de Justitie, waar ik ze eerst had ingediend.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de problematiek? Zult u initiatieven nemen om die maatschappelijke problematiek aan te pakken? Zo ja, dewelke?

 

10.02 Minister Kris Peeters: Collega Lambrecht, ik ben net als u zeer bezorgd om de kinderen en de ouders die bepaalde schoolfacturen spijtig genoeg niet kunnen betalen. Mocht u hierover nog tweeten – ik volg alle tweets die van hier vertrekken – moet u dat zeker meegeven.

 

Dat gezegd zijnde, scholen hebben zoals elke schuldeiser recht op de betaling van schulden. Zij zijn zelf ook schuldenaars en moeten hun facturen natuurlijk zelf kunnen betalen. Blijft de betaling uit, dan kan een school verdere stappen ondernemen. Dat kan op diverse manieren, bijvoorbeeld door een beroep te doen op gespecialiseerde orga-nisaties die aan bemiddeling doen, zoals MyTrustO.

 

Er kan ook worden overgegaan tot minnelijke invordering en zelfs tot de inschakeling van een incassobureau. Dat is natuurlijk niet echt de beste manier om dat te doen; wat dat betreft, daar kan ik u in bijtreden. Zoals bepaald in de wet op de minnelijke invordering van schulden van de consument kunnen enkel de invorderingsschulden in rekening gebracht worden waarin de onderlig-gende overeenkomst voorziet. Bij scholen zal dat vaak het schoolreglement zijn, dat de ouders hebben ontvangen en aanvaard.

 

De vraag is of wij op het federale niveau nog bijkomende stappen kunnen doen, als dat op schoolniveau op een goede manier wordt aan-gepakt.

 

Mevrouw Lambrecht, misschien was uw vraag al ingediend, vooraleer de Vlaamse minister van Onderwijs het project heeft gelanceerd om scholen te helpen omgaan met armoede en het menswaardige innen van facturen? Ik vind dat een heel terecht en waardevol initiatief, dat wij alleen maar kunnen ondersteunen en toejuichen. Daarbij ligt het accent op de preventie met de beheersing van de onderwijsfactuur en op het uitbouwen van een goede communicatie. Daarnaast wordt ook ingezet op toeleiding naar relevante actoren van de hulpverlening, waaronder het OCMW en de schuldbemiddelingssector.

 

Ik denk dat dat de juiste aanpak is. Op federaal niveau moeten wij geen bijkomende initiatieven nemen, zeker omdat het project nog maar pas werd opgestart en we het alle kansen willen geven. Hopelijk kan het project worden uitgebreid, zodat wij op federaal niveau geen initiatieven hoeven te nemen. Het probleem van de incasso-bureaus wordt op die manier ook op zeer ef-ficiënte manier aangepakt.

 

10.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Ik heb mijn vraag inderdaad ingediend vóór de bekendmaking van dat initiatief. Het verheugde mij dat op Vlaams niveau dat project werd opgestart, maar het gaat pas om een proefproject in 30 scholen. We moeten dus de resultaten afwach-ten.

 

Net als velen met mij hoopte ik dat het federale beleidsniveau scholen zou verbieden om te wer-ken met incassobureaus, omdat er genoeg andere manieren zijn om geld in te vorderen dan de zeer agressieve manier van de invordering door incassobureaus. Ik meen uit uw antwoord te be-grijpen dat op dat vlak in eerste instantie niet echt stappen zullen worden gezet.

 

10.04 Minister Kris Peeters: Nee, en nog belangrijker is dat mijn antwoord overlegd is met de bevoegde minister. Wij willen het pilootproject alle kansen geven. Mocht er toch nog sprake zijn van een ern-stig probleem, dan ben ik graag bereid om op federaal niveau ter zake stappen te overwegen in de richting die u zelf aangeeft. Ik wil het project nu alle kansen te geven, zoals mijn collega in de Vlaamse regering ook te kennen gaf.

 

10.05  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel, mijnheer de minister.

 

11 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de rapportering van de overnachtingscijfers 2016 op stedelijk niveau" (nr. 17607)

11 Question de Mme Karin Temmerman au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le rapportage relatif au nombre de nuitées 2016 au  niveau urbain" (n° 17607)

 

11.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, u weet dat toerisme in ons land een belangrijke economische factor is. De activiteiten wordt gemeten aan de hand van verschillende indicatoren. De belangrijkste en meest gebruikte indicator is het aantal aankomsten en overnach-tingen op een bestemming.

 

De Vlaamse kunststeden zijn veruit de belangrijkste toeristische bestemmingen van ons land. Samen met Brussel staan zij in voor meer dan 30 % van het aantal overnachtingen in België.

 

De overnachtingcijfers worden systematisch opgevraagd en verwerkt door de FOD Economie. Via Toerisme Vlaanderen worden die cijfers dan met de Vlaamse kunststeden gedeeld. Heel wat kunststeden maken gebruik van deze cijfers om het beleid en de promotie te bepalen, te evalueren en eventueel bij te sturen indien zich trend-wijzigingen voordoen.

 

Sinds kort krijgen die steden de voorlopige cijfers alleen nog op provinciaal niveau, in tegenstelling tot vroeger toen ze deze maandelijks op stedelijk niveau kregen. Het probleem is nu dat zij met een rapportering op provinciaal niveau niet kunnen werken. De toeristische markt van een inter-nationale kunststad is immers specifiek en zekere niet te veralgemenen tot landelijke bestemmingen.

 

De Vlaamse kunststeden en Brussel maken deel uit van de European Cities Marketing, een Euro-pees samenwerkingsverband van de belangrijkste toeristische steden. Deze organisatie stelt jaarlijks een benchmarking van de overnachtingcijfers op zodat internationale vergelijkingen mogelijk wor-den.

 

Ten laatste op 30 april moesten de overnachtingdata vanuit elke stad aan de European Cities Marketing worden bezorgd. We zijn dus al over tijd.

 

Op het moment dat ik mijn vraag indiende - misschien hebt u voor mij ook goed nieuws - beschikten de Vlaamse kunststeden voor het jaar 2016 nog over geen enkel overnachtingcijfer op stedelijk niveau, wel al op provinciaal niveau.

 

Mijnheer de minister, is de FOD Economie klaar met de verwerking van de overnachtingcijfers van 2016? Wanneer zullen deze cijfers aan de Vlaam-se kunststeden worden bezorgd? Zult u de nodige maatregelen nemen zodat een snelle rapportering van de overnachtingstatistieken op stedelijk ni-veau weer mogelijk wordt? Kunnen deze cijfers op stedelijk niveau opnieuw automatisch worden bezorgd bij de toekomstige rapportering aan de regionale overheden?

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, hebt u goed nieuws voor mevrouw Temmerman?

 

11.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, ik doe mijn uiterste best om iedereen gelukkig te maken, maar ik ben natuurlijk ook afhankelijk van mijn diensten. Hun wordt reeds heel wat toe-vertrouwd en ze worden natuurlijk ook met dead-lines geconfronteerd. Mevrouw Temmerman, ik kan u niet helemaal gelukkig maken, vrees ik. Maar ik ga toch proberen.

 

Zoals elk jaar worden de definitieve overnach-tingcijfers op gemeentelijk niveau gepubliceerd in de loop van de maand juli. Ondertussen werden er voorlopige cijfers op provinciaal niveau gepubli-ceerd, zoals u hebt aangehaald, voor de maanden januari tot en met oktober 2016. Tijdens de laatste week van april verschenen ook de cijfers op nationaal niveau voor de maanden november en december.

 

De voorlopige cijfers voor het jaar 2016 voor de Vlaamse kunststeden en Brussel werden reeds op 4 april 2017 gecommuniceerd aan Toerisme Vlaanderen. In het kader van de werkzaamheden van het Interfederaal Instituut voor de Statistiek wordt momenteel onderzocht op welke wijze in de toekomst voorlopige en gedetailleerde maan-delijkse resultaten gepubliceerd kunnen worden. Hierbij zal wel rekening gehouden worden met het Europese verankerde principe van de statistische geheimhouding en vertrouwelijkheid. Dit betekent dat het detail van de meegedeelde cijfers niet mag toelaten de betrokken ondernemingen te iden-tificeren.

 

Mevrouw Temmerman, nog even geduld, maar het komt eraan.

 

11.03  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik apprecieer ten zeerste uw poging om mij gelukkig te maken, maar ik heb begrepen dat ik toch nog even zal moeten wach-ten om het volledige geluk te verkrijgen.

 

Iedereen is ervan overtuigd dat die cijfers belang-rijk zijn, zeker voor de steden en zeker in Euro-pees verband. Ik hoop dat u de administratie erop attent maakt dat dit belangrijk is voor de econo-mische factor in ons land die toerisme toch is. Ik hoop dan ook dat het snel wordt opgelost.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de Mme Nawal Ben Hamou au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les assurances pour les animaux domestiques" (n° 17584)

12 Vraag van mevrouw Nawal Ben Hamou aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de verzekeringen voor huisdieren" (nr. 17584)

 

12.01  Nawal Ben Hamou (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, j'aimerais vous interpeller au sujet d'une problématique qui semble très peu réglementée dans le droit belge: les assurances et mutuelles pour animaux. En effet, certaines personnes sont très attachées à leurs animaux domestiques au point de dépenser de vraies fortunes pour les soigner. Et il apparaît que certaines sociétés, spécialisées dans les mutuelles pour animaux, en profitent pour pratiquer des prix très élevés. De plus, ces mutuelles ne couvrent généralement pas tous les frais qu'un animal peut occasionner comme, par exemple, les frais en cas de gestation et ceux de certains vaccins. On peut donc se demander quelles initiatives peuvent être prises pour protéger les personnes qui souscrivent ces assurances.

 

Monsieur le ministre, quelle est votre opinion et quelles sont vos intentions par rapport à cette problématique? Êtes-vous disposé à agir pour limiter les montants des primes pour animaux? Pourrait-on imaginer, comme cela existe dans d'autres secteurs, l'introduction d'un indice limitant de manière impérative les hausses des primes?

 

12.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chers collègues, la consultation de la FSMA, du service Ombudsman et d'Assuralia révèle qu'il n'y a pratiquement pas de plaintes connues à l'encontre de telles assurances. Le problème des assurances pour animaux domestiques dont j'ai pris connaissance concernait un seul intermédiaire qui, entre-temps, a été radié. Cependant, si vous possédez des informations spécifiques ou avez connaissance de situations particulières, je vous invite à me tenir au courant afin que j'en informe les instances compétentes pour l'examen de la situation qui vous préoccupe.

 

En ce qui concerne les soins de santé pour les personnes, l'augmentation des prix est liée à l'indice de consommation ou l'indice médical. Il est très difficile d'introduire un tel système d'assurance pour les animaux étant donné qu'il n'existe pratiquement pas de statistiques de dommages. En outre, le risque dépend du type d'animal en question. Si l'assurance pour l'animal devenait une assurance de type courant et établi, la concurrence entre assurances augmenterait peu à peu en fonction du nombre d'assureurs offrant le produit, ce qui pourrait alors modérer l'effet sur les prix.

 

12.03  Nawal Ben Hamou (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de veiligheid voor de werknemers van de proefbank te Luik" (nr. 17830)

13 Question de M. Koenraad Degroote au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la sécurité des travailleurs du Banc d'épreuves des armes à feu de Liège" (n° 17830)

 

13.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, u weet dat ik de problemen opvolg die zich voordoen bij de proefbank in Luik. Enkele maanden geleden heb ik problemen aangehaald in verband met de fiscaliteit aldaar: als we iets willen doen aan rechtvaardige fiscaliteit, zal daar moeten worden opgetreden.

 

Vorige maand bereikten ons berichten over een heel andere, zeer ingrijpende problematiek, met name de gezondheid van de werknemers die zijn blootgesteld aan loodvergiftiging. De waarden die daar in het bloed worden gemeten, zijn alar-merend. Erger nog, reeds drie jaar vragen de mensen daar om de noodzakelijke veiligheids-voorschriften te volgen, maar dat gebeurt niet. Men stelt zelfs dat er geen geld voor zou zijn. Die mensen zien dus geen andere uitweg dan klacht in te dienen bij diverse inspectiediensten. Er werd ook gedreigd met staking, waarop een verga-dering volgde met de belofte dat er maatregelen zouden worden genomen. Na een maand blijkt dat niet het geval te zijn. Daarom heb ik vorige maand deze vraag aan u ingediend.

 

Wat zult u doen om op korte termijn de veiligheid van de werknemers bij de proefbank te Luik te waarborgen? Wat zult u, meer algemeen, doen om het statuut sui generis dat zij hebben inge-volge die verouderde wetgeving, aan te pakken?

 

13.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Degroote, ik heb dat toen ook gehoord. Wij hebben onmiddellijk de nodige informatie ingewonnen en actie onder-nomen. In overeenstemming met de wet wordt de gezondheid van de werknemers van de proefbank voor vuurwapens te Luik opgevolgd door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, die door de proefbank is aangesteld. In dit geval is dat CESI. Die dienst moet de medische opvolging van de werknemers uitvoeren en met name de bepaling van de loodgehaltes bij werknemers die beroepsmatig worden bloot-gesteld.

 

Wij hebben onmiddellijk geïnformeerd bij CESI, gezien de informatie die ook publiek werd gemaakt en de zorg die de werknemers hadden en waarrond wij, gezien de ernst ervan, de nodige acties hebben ondernomen. CESI heeft bevestigd, dat is belangrijk, dat de gemeten gehaltes bij de werknemers die zich hebben aangeboden, niet hoger waren dan de toegelaten waarden. Dit geldt ook voor de werknemers die zich door hun eigen dokter hebben laten onderzoeken. Ik vind het een wat eigenaardig voorval, maar de meetwaarden waren in een verkeerde eenheid uitgedrukt, waar-door ze onterecht de indruk gaven te hoog te zijn. Niettemin zullen de betrokken inspectiediensten de toestand bij de proefbank van nabij opvolgen en optreden indien nodig. CESI heeft zijn werk gedaan. De informatie die ik van hen heb gekre-gen, geef ik u mee. Wij blijven dit met onze in-spectiediensten van zeer nabij volgen, gezien de ernst van die informatie.

 

13.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, wat ik hoor op het werkterrein is het vol-gende:

 

"Depuis lors, rien n'a été fait. On leur avait même promis que la médecine du travail, chargée de la sécurité et du contrôle des travailleurs, allait venir faire des prélèvements et leur faire des prises de sang. Rien, toujours rien n'a été fait. Alors, dans quel monde vivons-nous?"

 

Dat bericht heb ik gisteren gekregen, mijnheer de minister. Het is van het grootste belang dat de bericht-geving correct gebeurt. Op dat gebied zit-ten wij op dezelfde golflengte, maar het zal van groot belang zijn dat deze zaak blijvend opgevolgd wordt. Op het terrein heb ik zeker niet de indruk dat men akkoord gaat met hetgeen gezegd wordt.

 

Alles is het gevolg van een zeer verouderde wet-geving, waaronder de proefbank valt. Zo kan het niet verder.

 

13.04 Minister Kris Peeters: Mijnheer Degroote, ik zal, rekening houdend met uw informatie, opnieuw contact opnemen, want het kan niet zijn dat de informatie die mij is verstrekt niet tot op de werk-vloer is doorgedrongen of niet dezelfde is. In de loop van de dag zal ik dus opnieuw contact op-nemen, met de informatie die u nu hebt gegeven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, en aan de minister van Justitie over "de directeur bij de proefbank te Luik" (nr. 17831)

14 Question de M. Koenraad Degroote au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, et au ministre de la Justice sur "le directeur du Banc d'épreuves des armes à feu de Liège" (n° 17831)

 

14.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag sluit aan bij mijn vorige vraag. Mijn vraag is gericht zowel aan u als aan de minister van Justitie. U antwoordt, en dat vind ik fijn.

 

U herinnert zich de situatie van de directeur van de proefbank in Luik, die zes weken in de gevangenis van Lantin verbleven heeft wegens onregelmatigheden met wapens, die moesten worden vernietigd. Ondertussen is de man ge-schorst en werd er een directeur ad interim aange-steld. Tot daar geen probleem.

 

Er bestaat echter ongenoegen over het gegeven dat de directeur geen toegang heeft tot de bedrijfslokalen, maar niettemin zijn volledige wedde geniet, de bedrijfswagen mag gebruiken, alsook de tankkaart en de gsm. Dat is de informatie die mij ter ore komt. U begrijpt dat zulks kwaad bloed zet bij de werknemers.

 

Mijnheer de minister, hebt u dat laten onder-zoeken? Zal er iets gebeuren om dergelijke toestanden uit de wereld te helpen?

 

14.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Degroote, de directeur van de proefbank voor vuurwapens maakt het onderwerp uit van een gerechtelijk onderzoek, dat nog niet is afge-sloten. Vandaar dat ik met deze zaak voorzichtig moet omspringen. Tot nu toe is betrokkene im-mers niet veroordeeld door een rechtbank. Hij geniet dus het vermoeden van onschuld, wat een van onze fundamentele grondrechten is. Hij be-houdt ondertussen de rechten die gepaard gaan met zijn functie, ook al heeft de onderzoeksrechter beperkende voorwaarden opgelegd.

 

En volgend belangrijk punt — en daarover hebt u in het verleden al een vraag gesteld — is dat ik, samen met collega Geens, hard werk aan de hervorming van het wettelijk statuut betreffende de organisatie van de proefbank, waarbij het aspect van de governance van de proefbank aan bod zal komen.

 

Aangezien de directeur nog niet veroordeeld is en gelet op het vermoeden van onschuld, is het niet evident om anders te handelen dan wij nu doen.

 

14.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp uiteraard als geen ander wat het vermoeden van onschuld inhoudt. De directeur heeft momenteel echter geen toegang tot het bedrijf. Volgens mij wordt er te mild omgegaan met de prioriteiten die aan betrokkene worden ver-leend.

 

Ik zal kort een reactie voorlezen om aan te geven hoe het werkveld daar tegenover staat.

 

"Quand nous savons que le fameux Stassen est relevé de ses fonctions, qu'il n'a même plus le droit d'accès ni celui de se présenter au banc d'épreuves et qu'il touche toujours son salaire et des avantages en nature tels qu'une voiture de société, une carte de carburant, un gsm, etc., qu'on explique alors au personnel pourquoi ce triste individu vit toujours comme un seigneur et pourquoi il n'y a pas un euro à consacrer à la sécurité du personnel."

 

Dat zijn toch treffende woorden. Ik vind het frap-pant dat die mensen zich tot Vlamingen moeten wenden om gehoor te krijgen.

 

14.04 Minister Kris Peeters: Het is uiteraard de onderzoeksrechter die de beperkende voorwaar-den, zoals het niet-betreden van de bedrijfs-lokalen, heeft opgelegd en ik moet die respec-teren.

 

Ik begrijp ook wel de reactie van het personeel, die u hebt voorgelezen, maar de vraag is welke juridische mogelijkheden ik heb om bijvoorbeeld de bedrijfswagen of andere zaken af te nemen, zolang betrokkene het voorwerp uitmaakt van een onderzoek, maar nog niet is veroordeeld. Nog-maals, de beperkende maatregelen werden door de onderzoeksrechter opgelegd en ik kan niet an-ders dan ze respecteren.

 

14.05  Koenraad Degroote (N-VA): Dat begrijp ik volkomen, maar de beheersinstantie van de proefbank zou bijvoorbeeld wel kunnen zeggen dat als betrokkene van de onderzoeksrechter geen toegang krijgt tot de bedrijfslokalen, er ook geen reden is waarom hij nog de gsm, de tankkaart en de wagen zou gebruiken. U zou de beheersinstantie van de proefbank erop kunnen wijzen dat zij te mild is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het contact met Belfius aangaande de terugbetaling van negatieve rente bij woonkredieten" (nr. 17872)

15 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le contact avec Belfius dans le cadre du remboursement du taux d'intérêt négatif sur les crédits hypothécaires" (n° 17872)

 

15.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb hier ondertussen geleerd dat men soms lang op een spijkertje moet kloppen om dingen in bewe-ging te krijgen. We hebben het hier al verschil-lende keren over gehad. Door de herziening van de rentevoet op woonkredieten kan die negatief worden. Als de algemene voorwaarden dit niet uitsluiten, dan moet de bank ook het contract toepassen. Bij andere banken is daar al een akkoord over gekomen. Die hebben hun beleid ter zake aangepast. Belfius bleek echter eigenlijk als enige een alternatief standpunt te handhaven, ondanks het standpunt van Ombudsfin en ondanks eerdere brieven van uw kabinet. Voor het paasreces hebt u mij nog gezegd dat u opnieuw contact zou opnemen met Belfius om de bank er alsnog van te overtuigen de negatieve rente te betalen.

 

Dit is dan ook een opvolgvraag in de ware zin van het woord. Hebt u intussen contact gehad met Belfius? Wat is het standpunt van de bank onder-tussen? Wat zult u doen als men halsstarrig blijft weigeren om de regels toe te passen?

 

15.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, ik hoop dat ik de heer Klaps nog gelukkiger kan ma-ken dan hij nu al is.

 

Op 6 april heb ik een constructief gesprek gehad met de CEO van Belfius en de juristen omtrent de problematiek van de negatieve rentevoeten. Ik be-spaar u de discussie op het juridische vlak tussen de juristen van mijn kabinet en de juristen van Belfius. Het goede nieuws is dat Belfius zich be-wust is van de mogelijke negatieve invloed van haar standpunt over de negatieve rentevoet op haar reputatie en het dus gerechtvaardigd acht om in een aantal gevallen in een commerciële tussen-komst te voorzien. Zij verbindt zich ertoe om in die gevallen de opmerkingen van de cliënten indivi-dueel te onderzoeken en op basis van alle ele-menten in het dossier een voorstel tot regeling te formuleren.

 

Wij hebben hier dus na lang aandringen van u en van mijn kabinet een belangrijke stap vooruitgezet. Belfius wil een oplossing geven aan alle dossiers waarin er sprake kan zijn van een nega-tieve rentevoet, geval per geval.

 

15.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat men tot inzicht gekomen is bij de bank. Als men het natuurlijk geval per geval bekijkt, dan zullen we moeten afwachten wat de reactie is van de betrokken consumenten. We moeten nagaan of zij vinden dat de regels correct zijn toegepast.

 

Indien nodig, kom ik daar uiteraard later op terug.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van mevrouw Rita Gantois aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het overleg met Test-Aankoop en UNIZO" (nr. 18084)

16 Question de Mme Rita Gantois au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la concertation avec Test-Achats et UNIZO" (n° 18084)

 

16.01  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, eind maart heb ik u bevraagd over de praktijken bij Test-Aankoop. De organisatie biedt consumenten een platform aan om via haar website klachten over een welbepaalde onderneming naar die onderneming te sturen. Test-Aankoop biedt de no-dige ondersteuning en ondertekent de klacht bovendien in eigen naam, wat uiteraard voor meer impact zorgt.

 

Vervolgens wordt de klacht publiek gemaakt om zo meer druk te zetten bij het bedrijf om het al dan niet veronderstelde probleem aan te pakken. Dat kan een goede zaak voor consumenten zijn, in-dien de klacht terecht is, namelijk wanneer de consument daadwerkelijk benadeeld is geweest en de onderneming onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de klant in de schade tegemoet te komen. Het is echter een minder goede zaak wanneer de klacht niet geheel terecht is en de betrokken onderneming daarvan dus schade zou kunnen ondervinden.

 

Op mijn vraag hebt u daarover op 4 april een overleg georganiseerd met de organisaties Test-Aankoop en UNIZO. Mijnheer de minister, hoe is dat overleg verlopen? Waarover werd er concreet overlegd? Zijn er beslissingen genomen? Zo ja, welke?

 

16.02 Minister Kris Peeters: Het is altijd goed dat de leden van deze commissie zeer nadrukkelijk de zaken opvolgen.. God zij dank – dit is natuurlijk niet meer dan normaal – worden die ook door mijzelf van zeer nabij opgevolgd.

 

Op 4 april heeft er dus inderdaad een vergadering plaatsgevonden met Test-Aankoop over het onderwerp dat u hebt aangekaart. Wij hebben eerst wat verduidelijking gekregen van Test-Aankoop zelf. Volgens de uitleg die werd verschaft, is het de consument die beslist gebruik te maken van het platform dat Test-Aankoop aanbiedt en die beslist of zijn of haar klacht al dan niet publiek zichtbaar is.

 

Het platform laat toe een klacht gestructureerd te formuleren. Volgens Test-Aankoop wordt er dus een platform aangeboden. De consument gaat zelf op dat platform en kan daar zelf oordelen of zijn klacht al dan niet publiek zichtbaar wordt. Een onderneming die via dat platform wordt gecon-tacteerd, kan ervoor kiezen de discussie niet via het publieke platform te voeren. Een onderneming die oordeelt dat een klacht onterecht is, kan Test-Aankoop vragen de klacht te verwijderen. Test-Aankoop neemt dan contact op met de klager, die beslist of de klacht mag worden verwijderd.

 

Het is ook de consument die de status aanpast en doorgeeft of een dossier is afgesloten. U hebt de vraag gesteld of men er zich wel van bewust is dat klachten gemakkelijk of te gemakkelijk blijven openstaan omdat de consument nalaat de status te veranderen wanneer de klacht een oplossing heeft gekregen.

 

De consumentenorganisatie was trouwens al aan het onderzoeken hoe het systeem kan worden aangepast om die situatie te verbeteren. In de toekomst zal er automatisch een bericht verzon-den worden naar de klager zodra de status van de klacht een bepaalde tijd ongewijzigd gebleven is. Deze wijziging moet nog geïmplementeerd worden in het informaticasysteem.

 

Wij hebben UNIZO op de hoogte gebracht van het overleg met Test-Aankoop. Wij bekijken nu hoe snel Test-Aankoop die wijziging kan aanbrengen in het programma. Wij hopen dat UNIZO, dat daar nu ook van op de hoogte is, zich daarin kan vinden, zodat een en ander beter georganiseerd wordt en zodat toestanden die u in uw eerste vraag vermeldde voorkomen kunnen worden.

 

16.03  Rita Gantois (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw initiatief. Dit lijkt mij in ieder geval een stap in de goede richting.

 

Ik vrees wel een beetje dat als het aan de consument blijft om initiatief te nemen om iets van het platform te halen, dit een moeilijkheid zal blijven. Ik meen dat wij dit moeten blijven opvolgen. Wij moeten bekijken hoe goed deze maatregel opgevolgd wordt. Wanneer Test-Aankoop ermee start, moeten wij kijken wanneer er gebruik van gemaakt wordt en of er op de juiste manier gebruik van gemaakt wordt zodat bedrijven van die website gehaald worden als zij recht in hun schoenen staan.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le Jury d'Éthique Publicitaire" (n° 17883)

17 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de Jury voor Ethische Praktijken inzake reclame" (nr. 17883)

 

17.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, dernièrement, j’ai découvert une publicité impliquant une petite fille de dix ans qui rassemblait tout à fait les stéréotypes que de nombreuses femmes courageuses combattent au jour le jour. L’industrie publicitaire devrait, à mes yeux, montrer le bon exemple et prendre plus de responsabilités à ce sujet.

 

Comme cette publicité allait à l’encontre de mes convictions et surtout à l’encontre de la lutte pour l’égalité des genres, j’ai décidé de porter plainte devant le Jury d’Éthique Publicitaire. Cependant, lorsque j’ai voulu compléter le formulaire en ligne, il m’est apparu que ledit formulaire n’était pas proposé en langue allemande. Monsieur le ministre, serait-il possible de rendre ce formulaire disponible en allemand?

 

17.02  Kris Peeters, ministre: Danke sehr!

 

Chers collègues, madame Jadin, le Jury d'Éthique Publicitaire (JEP) est un organisme privé. C'est un organe d'autodiscipline du monde la publicité, créé par le Conseil de la Publicité. Le règlement sur lequel il se base n'est pas défini ni approuvé par l'État.

 

Je me suis cependant mis en contact avec le président du JEP suite à votre demande et il m'a confirmé qu'il voulait bien ajouter le formulaire de plainte en langue allemande, bien qu'il soit assez rare qu'une plainte soit introduite en allemand. Il a également confirmé que les plaignants qui le souhaitaient explicitement recevaient une réponse en allemand.

 

17.03  Kattrin Jadin (MR): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour les efforts que vous avez entrepris.

 

C'est important, surtout dans le cas d'une personne qui ne parlerait pas d'autre langue. Il faut le dire: tout le monde ne parle pas toutes les langues. Chez moi, ils ne parlent pas très bien le français ni le néerlandais. Donc, parfois, de telles préoccupations sont importantes.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

18 Question de Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la surestimation de la consommation électrique par les compteurs électriques intelligents" (n° 17894)

18 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de overschatting van het elektriciteitsverbruik door de intelligente elektriciteitsmeters" (nr. 17894)

 

18.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, suite à la réponse de Mme la ministre de l'Énergie à ma question écrite n° 17338 relative à la surestimation de la consommation électrique par les compteurs électriques intelligents, je souhaitais attirer votre attention sur les procédés d'évaluation de la conformité des instruments de mesure aux exigences réglementaires actuelles.

 

Selon votre collègue, votre département de la Métrologie serait chargé de cette évaluation. Dans un article paru dans L'Echo du 17 mars 2017, il était fait état d'une étude néerlandaise qui estime que les mesures données par les compteurs électriques intelligents seraient erronées. Elles pourraient apparaître jusqu'à 582 % supérieures à la réalité, ce qui n'est pas négligeable! La cause principale relèverait, selon les chercheurs, de la conception du compteur, inadaptée aux ampoules basse consommation et LED.

 

Monsieur le ministre, quel serait l'impact de cette surestimation pour le consommateur? Comment remédier à ce problème? Quelles mesures envisagez-vous?

 

18.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, madame Jadin, lors de l'utilisation de certains compteurs électroniques d'énergie électrique et dans certaines conditions, il n'est pas exclu qu'une consommation trop élevée soit facturée au consommateur.

 

Un consommateur doutant du bon fonctionnement de son compteur peut contacter son gestionnaire de réseau et demander un contrôle technique. Le demandeur doit néanmoins prendre en considération le fait que si, après examen, il apparaît que le compteur fournit une juste mesure, le gestionnaire de réseau peut facturer les frais relatifs au contrôle technique.

 

L'examen et l'évaluation de la conformité des compteurs d'énergie électrique sont réglés au niveau européen. Si les résultats de l'étude se confirment, cela peut indiquer que les normes techniques utilisées pour les tests des compteurs d'énergie électrique ne prennent pas suffisamment en considération les appareils électriques modernes.

 

Mon administration abordera prochainement la question au niveau européen pour vérifier si les résultats de l'étude sont confirmés par d'autres États membres. Le cas échéant, elle se concentrera sur les modifications à apporter aux procédures de tests utilisées pour l'évaluation des compteurs d'énergie électrique.

 

18.03  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

Vous entreprenez exactement ce que j'attendais.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de modernisering van het opzeggen van verzekeringen" (nr. 18098)

19 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la modernisation des règles en matière de résiliation d'assurances" (n° 18098)

 

19.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de Ombudsman van de Verzekeringen ontvangt de voorbije jaren steeds meer klachten over de opzeg van een verzekeringscontract. Dat is te lezen in het meest recente jaarverslag dat onlangs werd gepubliceerd.

 

De problemen die zich vormen, zijn vaak het gevolg van de communicatievorm die door de wet wordt opgelegd, namelijk de aangetekende brief.

 

Consumenten zijn dikwijls niet op de hoogte van het feit dat zij een aangetekende brief naar hun verzekeringsmaatschappij in plaats van naar de tussenpersoon moeten sturen. Ook gebeurt het vaak dat verzekeringsnemers de aangetekende brieven van hun maatschappij niet ontvangen, waardoor de communicatie vroegtijdig stopt.

 

De Ombudsman van de Verzekeringen vraagt zich af of, gezien de wet van 21 juli 2016, die het juridische kader voor onder andere de elek-tronische handtekeningen en de elektronische aangetekende zending vastlegt, de huidige wet-telijk bepaalde formaliteiten voor de opzeg van een verzekeringscontract niet te zwaar zijn en ook of het nog logisch is te eisen dat een ver-zekeringscontract, dat bijvoorbeeld online werd gesloten, per aangetekende brief moet worden opgezegd.

 

De ombudsman dringt aan op de erkenning van de geactualiseerde opzegmethode, die minder strikt en minder duur is dan de aangetekende brief die per post wordt verzonden. Er dringt zich volgens de ombudsman dus een aanpassing van de huidige wetgeving op, zonder dat daarbij af-breuk aan de rechtszekerheid wordt gedaan. Ook de uitwerking van een gedragscode of een aan-passing van de huidige verzekeringsconventie zou een mogelijke oplossing kunnen zijn.

 

Mijnheer de minister, er is tussen verze-keringsmaatschappijen onderling wel een af-spraak dat via mail opzegbrieven naar elkaar kunnen worden doorgestuurd. Dat is een systeem dat perfect werkt, maar wanneer de consument die opzeg rechtstreeks doet, is er nog steeds die logge procedure.

 

Ik wou dus eens informeren.

 

U hebt het advies ongetwijfeld ook op uw bureau gekregen. Wat is uw standpunt over de modernisering van de huidige wetgeving, zoals de ombudsman voorstelt? Denkt u nog aan andere pistes?

 

Hebt u daarover al overleg gehad met de sector? Zo ja, wat is uit dat overleg gekomen?

 

19.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Klaps, ik heb uiteraard kennis genomen van de aanbeveling van de Ombudsman van de Verzekeringen. Ik heb ook niet gewacht op de aanbeveling van de ombudsman om de problematiek aan te pakken.

 

Ik heb, om te beginnen, bij de codificatie van de verzekeringswetgeving van de gelegenheid al gebruikgemaakt om verheldering in en vereen-voudiging aan de toepasselijke regels aan te brengen. Een eerste pakket wetgeving over de codificatie zou ik in het najaar van 2017 aan de Ministerraad voorleggen.

 

Ook werk ik samen met mijn collega-minister van Digitalisering aan een wetsontwerp, dat tot doel heeft de formele vereisten van de verzekeringswet technologisch neutraal te maken, zodat zij geen belemmering voor de digitalisering van de verrichtingen kunnen vormen.

 

Over het wetsontwerp werd al het advies van de Commissie voor Verzekeringen ingewonnen.

 

Ik hoop dat u wel zult begrijpen dat ik ook voor-stander ben van een modernisering van de regle-mentering. Ik heb ook al met de sector daarover gesproken.

 

Het is duidelijk dat ook zij vragende partij zijn en dat is logisch, gezien de voordelen die eraan verbonden zijn zoals lagere beheerskosten en meer rechtszekerheid.

 

Ik herinner er ook aan dat de digitalisering naar aanleiding van ons wetsontwerp werd besproken in de commissie van de verzekeringen. Zij hebben in dat kader twee adviezen uitgebracht, het ene over het desbetreffende wetsontwerp, het andere meer algemeen over de reglementering van het verzekeringswezen, met het oog op een ver-betering van de digitalisering van verrichtingen. Deze adviezen zijn raadpleegbaar op de website van de FSMA, maar dat wist u al. De leden van deze commissie zijn de verzekeraars, de bemiddelaars, de consumenten en de experten. Ik ben op de hoogte van ieders standpunt en wensen. Daar wordt dus gestadig aan verder gewerkt en ik hoop dat met uw steun, mijnheer Klaps, zo snel mogelijk tot een goed einde te brengen.

 

19.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, u hebt daar absoluut mijn steun voor. Het is hoog tijd om die logge procedure te verbeteren. Zowel inzake werklast als in kostprijs is dat niet meer van deze tijd. Het opzet om naar technologisch neutrale opzegprocedures te gaan, kan ik alleen maar van harte onderschrijven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de voorwaarden bij het aanbieden van reisverzekeringen en verzekeringen alle risico's" (nr. 18099)

20 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les conditions auxquelles est soumise l'offre d'assurances voyages et d'assurances tous risques" (n° 18099)

 

20.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de inspiratie voor deze vraag komt uit hetzelfde jaarverslag van de Ombudsman van de Ver-zekeringen. Hij stelt dat er een toename is van het aantal klachten over de reisannulatieverzekering en de verzekering alle risico’s.

 

Bij die laatste is dat vooral toe te schrijven aan de verzekeringen alle risico’s met betrekking tot gsm, smartphone of tablet, waarvoor klanten vaak op aanraden van het toestel een verzekering nemen; reisverzekeringen worden vaak online of via een reisbureau gesloten. Dat komt omdat verkopers van dergelijke producten volgens de wetgeving niet als verzekeringstussenpersonen worden be-schouwd en dat brengt met zich dat ze ook niet aan dezelfde regels en voorwaarden moeten voldoen qua kennis, inschrijving, beroepsaan-sprakelijkheid, behoefteanalyse en het geven van advies. In dat geval is de verzekering immers slechts bijkomstig aan het hoofdproduct.

 

Dat laatste wordt een probleem, als een klant bij schade niet de bescherming geniet die hij of zij dacht te genieten. Omdat de toelichting van de ver-kopers louter mondeling gebeurt, heeft de klant ook geen bewijs van een te beperkte of zelfs foutieve uitleg. De Ombudsman van de Verze-keringen durft in sommige gevallen zelfs te stellen dat de aangeboden verzekeringen lege dozen zijn. Als dat klopt, is dat compleet onaanvaardbaar.

 

Om die reden geeft de ombudsman als advies een level playing field te creëren voor alle personen die verzekeringen verkopen. Dat kan door verkopers van reisannulatieverzekeringen en van de verzekering alle risico’s te onderwerpen aan dezelfde verplichtingen in de precontractuele fase als andere verkopers van verzekerings-producten. Voor onlineverzekeringsproducten raadt de ombudsman een digitaal vragenformulier aan.

 

Gezien het belang van een goede informatie-verschaffing bij verzekeringsproducten en de steeds strengere vereisten voor tussenpersonen die verzekeringen aanbieden, had ik graag uw standpunt vernomen over de aanbevelingen van de ombudsman.

 

Plant u een wetgevend initiatief? Wat vindt u van het idee van een level playing field? Eventuele aanpassingen zult u, veronderstel ik, aanbrengen in het kader van de omzetting van de Europese richtlijn betreffende de verzekeringsdistributie, die uiterlijk tegen februari 2018 moet gebeuren. Of hebt u een andere planning in gedachten?

 

20.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Klaps, net zoals u lees ik met veel aandacht de aanbevelingen van de Ombudsman van de Verzekeringen. Mijn kabinet heeft gisteren een overleg gehad met de ombudsman om het jaarverslag te bespreken.

 

Wat de door u aangehaalde punten betreft, moet krachtens de huidige verzekeringswet een tussen-persoon die als nevenactiviteit verzekeringen verkoopt, niet ingeschreven zijn in het register van de verzekeringstussenpersonen. De vrijstelling van inschrijvingsverplichting was de vertaling van een bepaling in de eerste richtlijn inzake verzekeringsbemiddeling, die in 2006 werd omge-zet.

 

De nieuwe richtlijn, die u aanhaalt en die tegen februari 2018 moet worden omgezet, sluit voor-melde nevenverzekeringstussenpersonen even-eens uit. Het verschil is echter dat de nieuwe richtlijn in nieuwe verplichtingen voorziet om de consumenten beter te beschermen. Zo moeten de verzekeringsondernemingen of verzekerings-tussenpersonen die met dergelijke vrijgestelde tussenpersonen samenwerken, aan de con-sument basisinformatie over het product ter beschikking stellen middels een gestan-daardiseerd informatiedocument over het verze-keringsproduct.

 

Daarnaast moeten zij, vooraleer de overeenkomst wordt gesloten, de consument informeren wie de verzekeraar is en waar en hoe de consument een klacht kan indienen in geval van problemen. Bovendien moeten zij handelen in overeen-stemming met de behoeften en de verlangens, demands and needs, van de klant.

 

Bij de omzetting zullen de bijkomende ver-plichtingen ook opgenomen worden in de Bel-gische wetgeving. Ik zal na implementatie van de richtlijn aan de FSMA vragen om een evaluatie te maken van de concrete toepassing ervan in de praktijk. Op basis hiervan kan de situatie opnieuw worden beoordeeld.

 

20.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, u bewandelt daarmee het juist pad. Wij moeten er-over waken niet te overdrijven. Tegelijk moeten we de gevolgen van de omzetting van de richtlijn op het terrein, op grond waarvan aan een gewone verzekeringstussenpersoon een hele procedure en allerhande kennisvereisten voor de verkoop van bijvoorbeeld een familiale verzekering, die vaak veel goedkoper is dan de extra polissen die worden aangeboden bij andere producten, worden opgelegd, evalueren.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Nous clôturons ainsi nos travaux de ce matin.

 

La réunion publique de commission est levée à 12.00 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.00 uur.