Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 10 mei 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 10 mai 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.07 uur en voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.07 heures et présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

01 Question de M. Richard Miller au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et européennes, chargé de Beliris et des Institutions culturelles fédérales, sur "les rapports entre le président de la BCE et le Groupe des Trente" (n° 16862)

01 Vraag van de heer Richard Miller aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, over "de relaties tussen de voorzitter van de ECB en de G30" (nr. 16862)

 

01.01  Richard Miller (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, ce n'est pas la première fois que les rapports entre le président de la BCE, M. Draghi, et le Groupe des Trente sont évoqués, voire critiqués.

 

Cette fois, cependant, une enquête a été ouverte par la médiatrice européenne Mme O'Reilly, enquête qui trouve son origine dans une plainte déposée par une ONG installée à Bruxelles, à savoir la Corporate Europe Observatory, qui est spécialisée dans la surveillance des rapports entre les lobbies et les institutions européennes.

 

Selon les responsables de l'ONG, les banquiers centraux ne devraient pas avoir de liens structurés avec les banquiers afin d'éviter tout risque de conflits d'intérêts.

 

Certains estiment, au contraire, qu'un échange d'informations entre banquiers et banquiers centraux est nécessaire. La BCE doit, en effet, pouvoir évaluer l'impact sur le secteur et le fonctionnement de celui-ci des mesures monétaires qu'elle prend. Pour ce faire, la BCE estime que le G30 est un interlocuteur pertinent.

 

Monsieur le ministre, en partant de cet exemple ponctuel et au vu de votre expérience européenne, je souhaiterais connaître votre point de vue sur le fonctionnement de la BCE ainsi que sur la façon optimale d'organiser le rapport entre banquiers centraux et autres banquiers.

 

01.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Miller, comme vous le savez, les traités européens prescrivent l'indépendance de la Banque centrale européenne et le fait que ni la BCE ni ses dirigeants ne peuvent solliciter ni recevoir des instructions. Je m'abstiendrai, dès lors, de tout commentaire relatif au fonctionnement de la BCE et de son président en particulier.

 

En ce qui concerne les interactions entre les banquiers centraux et les banquiers en général, je pense qu'il est de l'intérêt des dirigeants des banques centrales de prendre part à des échanges ayant trait à leur activité, que ce soit dans des forums publics ou privés. Je rejoins donc le point de vue du médiateur européen qui, par le passé, a estimé que la participation à de tels débats permet de recueillir et de comprendre des informations importantes, éléments essentiels pour exercer leur mandat.

 

Comme l'indique la BCE, la participation ou l'appartenance à un groupe de discussion ne peut être perçue comme un soutien aux publications des organisations en question.

 

01.03  Richard Miller (MR): Je remercie M. le ministre pour sa réponse très claire et pour sa référence au point de vue du médiateur européen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Raf Terwingen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de jaarlijkse taks op vzw's" (nr. 17489)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de controles met betrekking tot de patrimoniumtaks" (nr. 17685)

02 Questions jointes de

- M. Raf Terwingen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxe annuelle sur les ASBL" (n° 17489)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les contrôles dans le cadre de la taxe patrimoniale" (n° 17685)

 

De voorzitter: De heer Deseyn is niet aanwezig.

 

02.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de voorzitter, met goedkeuring – hopelijk – van de heer Deseyn zal ik toch mijn vraag stellen.

 

Mijnheer de minister, sinds 1 juli 2003 zijn verenigingen zonder winstoogmerk en private stichtingen onderworpen aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van successierechten, de zogenaamde patrimoniumtaks. Die federale taks bedraagt 0,17 % op de som van de roerende en onroerende goederen van een vzw.

 

In het kader van de jaarlijkse taks op vzw’s bestaat er ook een vrijstelling voor patrimoniaal beheer. De vraag is of die vrijstelling standhoudt, indien in de praktijk een aantal vzw’s delen van een onroerend goed ter beschikking stellen van andere verenigingen, bijvoorbeeld jeugdverenigingen. De vrijstelling van patrimoniaal beheer was immers vooral bedoeld voor de vzw-structuren achter scholen.

 

Geldt bijvoorbeeld de vrijstelling als een school een gedeelte van haar onroerend goed ter beschikking stelt van andere verenigingen, waaronder jeugdverenigingen?

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Terwingen, de inrichtende machten van het Gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs zijn vrijgesteld van de taks tot vergoeding der successierechten voor de onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs en de verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot doel hebben om onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.

 

In de voorbereidende werken is een ruime interpretatie gegeven aan het begrip “uitsluitend bestemd voor onderwijs” en zijn volgende voorbeelden opgesomd: een conciërgewoning bij een schoolgebouwencomplex, een zwembad in een school dat voornamelijk voor schoolactiviteiten is bestemd maar ook toegankelijk is voor het publiek, en een geïntegreerde kapel in een schoolinstelling die in de week voor eucharistievieringen met de leerlingen wordt gebruikt.

 

De betreffende onroerende goederen moeten dus in de eerste plaats bestemd zijn voor onderwijs, maar wanneer zij daarnaast, op bijkomstige wijze, ook voor andere doeleinden worden gebruikt, blijft de vrijstelling van de taks behouden. Er zal dus geval per geval worden onderzocht of de onroerende goederen voldoen aan de ruime interpretatie “uitsluitend bestemd voor onderwijs” en bijgevolg aan de vereiste directe band met de onderwijsfunctie.

 

Indien een aantal lokalen van de school in de weekends en de vakantie aan een andere vereniging ter beschikking worden gesteld, bijvoorbeeld aan de jeugdwerking, kan dat als “uitsluitend bestemd voor onderwijs” worden beschouwd.

 

02.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, dat betekent dan ook dat, wanneer een schoolgebouw structureel of bijna dagelijks aan jeugdverenigingen wordt toebedeeld, men de vrijstelling niet kan genieten. Misschien moeten wij er samen over denken – ik kan misschien wat dat betreft een voorstel doen – om de regeling uit te breiden, omdat men op die manier toch een aantal leegstaande onderwijsgebouwen aantrekkelijker kan maken voor jeugdverenigingen.

 

Ik zal aan de voorzitter van de commissie vragen om, als wij een voorstel in die zin formuleren, dat als eerste te ondertekenen, zodat wij wat meer gezag aan het voorstel kunnen geven om het erdoor te krijgen.

 

Dank u alvast voor het duidelijk antwoord, mijnheer de minister.

 

De voorzitter: Het is geen garantie dat een wetsvoorstel met de naam Van Rompuy zal goedgekeurd worden, integendeel. (Gelach) Zet Van Biesen dan maar als eerste.

 

02.04  Raf Terwingen (CD&V): De naam Van Biesen zal ik er zeker uit laten. (Gelach)

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la Banque asiatique d'investissement dans les infrastructures" (n° 17678)

03 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de Asian Infrastructure Investment Bank" (nr. 17678)

 

03.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, la Banque asiatique d'investissement dans les infrastructures (AIIB), lancée par Pékin, a annoncé fin mars avoir approuvé l'adhésion de treize nouveaux membres, dont la Belgique et le Canada.

 

Cette nouvelle banque de développement, née en 2015 d'une initiative chinoise, a approuvé l'intégration, entre autres, de Hong Kong, de trois États européens (Belgique, Irlande, Hongrie), du Venezuela, du Pérou et du Canada. Ils rejoindront officiellement la AIIB après avoir réalisé leur premier dépôt de capital et finalisé les procédures internes propres à chaque pays, a indiqué l'institution, qui comptera alors septante membres. Le gouvernement belge avait marqué son accord à cette adhésion en juin 2015 et la candidature officielle de la Belgique avait été introduite en janvier 2016.

 

Quelles raisons ont-elles poussé la Belgique à participer à cette banque d'investissement? Selon quels critères? Quel sera le montant du premier dépôt de capital belge? Ce budget proviendra-t-il de votre département?

 

03.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Madame Grovonius, sur la base du constat que la Banque asiatique d'investissement pour les infrastructures (AIIB) se positionne comme un grand fournisseur de crédit en ce domaine - crédit nécessaire dans la région -, notre pays a estimé qu'une adhésion à celle-ci s'imposait. Notre participation va renforcer le poids des États européens au sein de l'institution et confirme notre attachement à une collaboration multilatérale.

 

La part belge s'élèvera à 284,6 millions de dollars, soit 0,285 % du capital. Sur ce montant total, une contribution de 56,9 millions de dollars sera libérée sur cinq ans. Cela représente un montant annuel de 11,38 millions de dollars.

 

La première tranche doit être payée en 2018 après présentation de l'adhésion devant le parlement. Ces sommes sont inscrites au budget du SPF Finances, qui assumera également la gestion de nos relations avec la AIIB.

 

03.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De heer Klaps komt later. Hij heeft gevraagd om zijn vraag nr. 17689 even uit te stellen. Hij woont momenteel een andere commissievergadering bij.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de invulling van het mobiliteitsbudget volgens de sociale partners" (nr. 17692)

- de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het mobiliteitsbudget" (nr. 17768)

- de heer Gautier Calomne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het mobiliteitsbudget" (nr. 18350)

04 Questions jointes de

- Mme Karin Temmerman au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la concrétisation du budget de mobilité selon les partenaires sociaux" (n° 17692)

- M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le budget mobilité" (n° 17768)

- M. Gautier Calomne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le projet du budget mobilité" (n° 18350)

 

04.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, begin april werden de sociale partners het eens over de invulling van het mobiliteitsbudget. Opvallend is dat zij hun veto stelden tegen het omzetten van bedrijfswagens in cash.

 

Vorige week raakten de plannen van het Brussels Gewest en van de federale regering bekend. Het Brussels Gewest wil vanaf 2018 werkgevers verplichten om werknemers met een salariswagen ook een abonnement voor het openbaar vervoer of een bedrijfsfiets aan te bieden. Door de werkgevers op hun verantwoordelijkheid inzake het mobiliteitsprobleem te wijzen, hoopt de Brusselse regering aan 38 000 personen een alternatief te bieden. De werkgevers zijn het daarmee niet meteen eens.

 

De federale regering wil enkel de salariswagens inruilen voor een maandelijks nettobedrag, wat niet helemaal hetzelfde is als wat het Brussels Gewest wil. SD Worx heeft daarvoor een ontwerp opgesteld. Dat ontwerp laat echter geen enkele mogelijkheid om de salariswagen in te ruilen voor een treinabonnement en/of een fiets.

 

Vakbonden en werkgevers waren het er unaniem over eens dat de volledige omzetting van de bedrijfswagen loon is en geen oplossing biedt voor het mobiliteitsprobleem. In een unaniem advies stellen zij dat het mobiliteitsbudget ook echt aan mobiliteit moet worden besteed.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, hoe moet het nu verder? De regering zegt altijd dat zij heel veel respect heeft voor het sociaal overleg, maar wordt vandaag geconfronteerd met het unaniem negatief advies van de sociale partners om bedrijfswagens in te ruilen voor een meer ecologisch verantwoord vervoersalternatief.

 

Dit is een andere invulling van het mobiliteitsbudget dan het eerdere voorstel van de regering. Zijn er nog andere voorstellen? Zal men rekening houden met dit advies of niet?

 

Wanneer wordt het ontwerp voorgelegd aan het Parlement?

 

In welke mate zijn de plannen van de Gewesten en de federale regering compatibel? Wordt daarover overleg gepleegd met de drie Gewesten?

 

04.02  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, présenté en son temps comme une alternative à la voiture de société, la réflexion sur le projet du budget Mobilité a quelque peu évolué dernièrement.

 

Ainsi, le Conseil Central de l'Économie et le Conseil National du Travail ont récemment émis un avis commun sur la thématique. Ceux-ci ont plaidé en faveur d'un scénario hybride où le travailleur, dans la mesure où il accepte librement de renoncer à son véhicule de société, bénéficierait d'un package reposant, au choix, sur des moyens de transports durables, une voiture plus petite et moins polluante, un accès aux transports publics et un solde financier qui, non consacré à la mobilité, pourrait être versé en cash.

 

Aussi, sur base de ces éléments, je souhaiterais faire le point avec vous sur ce dossier et vous poser les questions suivantes. Pourriez-vous nous communiquer les recommandations qui vous ont été formulées et nous indiquer les pistes qui recueillent éventuellement votre préférence? Quel est, à ce stade, l'état du chantier du budget Mobilité? Certaines avancées ont-elles été engrangées au niveau de la réflexion globale? Qu'en est-il au point de vue de la concertation avec les partenaires sociaux et de la discussion avec le secteur de la mobilité? Enfin, quel est le calendrier prévu pour aboutir dans ce dossier?

 

04.03 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Temmerman, mijnheer Calomne, ik heb inderdaad kennisgenomen van het gemeenschappelijk advies van de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven met betrekking tot het mobiliteitsbudget, waarin inderdaad wat hen betreft een aantal prioriteiten en preferente parcours worden uitgestippeld.

 

Comme cela été rappelé, le gouvernement a effectivement l'intention d'instaurer un budget Mobilité afin d'accorder la possibilité aux travailleurs de renoncer à leur voiture de société. Le gouvernement travaille encore à la mise au point de ce régime et à la définition de ce qui pourra être offert. Comme ce n'est pas encore terminé, je ne vais pas exprimer d'avis à ce sujet maintenant. Nous verrons quels seront les résultats du travail actuellement en cours. Il faut au moins attendre encore quelques jours. Je vous remercie.

 

De voorzitter: Even geduld dus, mevrouw Temmerman.

 

04.04  Karin Temmerman (sp.a): “Even”, dat is natuurlijk relatief.

 

Mijnheer de minister, op het einde van uw antwoord had u het over enkele dagen. Heb ik dat goed begrepen?

 

“Au moins quelques jours“, zei u.

 

Wat is de vooropgestelde termijn?

 

04.05 Minister Johan Van Overtveldt: Liever iets langer om goede voorstellen uit te werken dan snel met iets komen aandraven dat nadien moet worden geremedieerd.

 

04.06  Karin Temmerman (sp.a): Daar ben ik het mee eens, maar het is altijd goed om een timing voorop te stellen. Ik weet ook hoe deze discussies verlopen.

 

Ik hoop dat men niet alleen rekening houdt met het advies van de sociale partners maar ook met het grote mobiliteitsprobleem dat ons land kent, zeker in de steden. Men moet dus niet alleen naar de begroting kijken, maar ook naar de toekomst van onze samenleving inzake milieu. Ik hoorde u in dat verband zeggen dat deze regering zich ertoe verbonden heeft om de doelstellingen van Parijs te bereiken voor 2020. Wij zullen daar bij lange niet in slagen, om niet eens te spreken van de doelstellingen die wij daarna moeten bereiken. U weet ook dat mobiliteit op dat vlak een zeer belangrijke factor is en dat alle elementen zullen moeten worden meegenomen, ook de fiscale.

 

04.07  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour ses réponses à ces différentes questions au cœur de l'actualité. J'ai bien pris note que vous êtes en cours de discussion et que des travaux se déroulent encore aujourd'hui. Je ne vous demanderai dès lors pas où ils en sont puisque vous nous avez demandé de patienter encore au moins quelques jours. Il n'était pas question ni de mois ni de semaines. Prenez le temps nécessaire pour peaufiner ce dossier car il est attendu, je pense! Ce dossier a valeur de symbole et il est donc important. Nous reviendrons vers vous avec des questions plus précises lorsque le projet aura abouti.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 17820 de M. Gilkinet est transformée en question écrite.

 

05 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale controles van erkende en niet-erkende moskeeën" (nr. 17861)

05 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les contrôles fiscaux des mosquées agréées et des mosquées non agréées" (n° 17861)

 

Dat is een delicaat onderwerp.

 

05.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, zoals u weet, is niet alleen het financieren van ieder terroristisch misdrijf strafbaar. Sedert kort is ook het financieren van een terrorist op zich een strafbaar feit geworden.

 

U weet ook dat onze aandacht en bezorgdheid de voorbije jaren en maanden is uitgegaan naar de financiering van gebedshuizen door een aantal derde landen. Die bezorgdheid heeft absoluut niets te maken met godsdienstvrijheid of het beleven van de eigen geloofsovertuiging. Ze is echter ingegeven door radicalisering en het eventueel via de gebedshuizen onrechtstreeks financieren van terroristische activiteiten.

 

Mijnheer de minister, tijdens een van de hoorzittingen met open deuren van de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016 werd de directeur van de Grote Moskee gehoord. Op de vraag of de Grote Moskee aan fiscale controles werd onderworpen, antwoordde de betrokkene mij dat hij een Belgische boekhouder had. Het gegeven van fiscale controles was hem blijkbaar onbekend.

 

Daarom heb ik de volgende vragen.

 

Mijnheer de minister, zijn de uitspraken van de directeur van de Grote Moskee in overeenstemming met de werkelijkheid? Zijn er nooit fiscale controles voor de Grote Moskee geweest?

 

Worden bij erkende en niet-erkende moskeeën fiscale controles uitgevoerd? Is er een verschil in aanpak?

 

Over hoeveel controles spreken wij desgevallend? Werden daarbij misdrijven vastgesteld? Hoe verloopt de opvolging daarvan? Mag ik aannemen dat ze desgevallend aan het parket worden gemeld?

 

05.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Van Cauter, de bepalingen inzake het beroepsgeheim verbieden mijn administratie om te verduidelijken of de Grote Moskee het voorwerp heeft uitgemaakt van een specifieke fiscale controle. Mijn administratie bevestigt mij dat er geen specifieke controleactie gericht op moskeeën heeft plaatsgevonden, wat niet wil zeggen dat er geen mogelijke controles hebben plaatsgevonden.

 

Iedere ambtenaar die in de uitvoering van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf moet de bevoegde procureur des Konings daarvan in kennis stellen en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten bezorgen.

 

Gaat het om feiten die strafrechtelijk zijn op basis van de fiscale wetten en uitvoeringsbesluiten, dan kan die kennisgeving door de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Inning en invordering, van de Patrimoniumdocumentatie en van de BBI niet gebeuren zonder de machtiging van hun adviseur-generaal. In dat geval zal de fiscale administratie het dossier verder opvolgen met het oog op het vestigen of invorderen van de verschuldigde belasting. De fiscale administratie kan daartoe de toelating vragen aan het openbaar ministerie om het gerechtelijk dossier in te zien en zelfs kopieën ervan te nemen.

 

Gaat het daarentegen niet om een fiscaal misdrijf, dan is de machtiging van de adviseur-generaal voor kennisgeving aan de procureur des Konings niet vereist.

 

De ambtenaren van het openbaar ministerie moeten de minister van Financiën onmiddellijk inlichten wanneer het onderzoek indiciën van ontduiking inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt.

 

Voorts dient in dat kader ook gewezen te worden op de rol van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). De ambtenaren van de FOD Financiën die feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat zij verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de CFI daarvan op de hoogte brengen volgens de daartoe voorgeschreven procedures. Wanneer uit de analyse van de CFI blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn van het witwassen van geld of van de financiering van terrorisme, dan stuurt zij die inlichtingen naar de bevoegde procureur des Konings of naar de federale procureur.

 

05.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik begrijp dat u geen nadere gegevens kunt verstrekken over een individueel dossier. De algemene procedure zoals bepaald in artikel 29, de administratieve procedure en de werking van de CFI zijn mij bekend, maar ik dank u om ze nog eens te bevestigen en in herinnering te brengen.

 

Ik noteer dat er mogelijkerwijze controles zijn geweest bij de geloofsgemeenschappen. Ik moet het misschien veralgemenen, maar u zegt dat er tot op heden geen specifieke acties zijn ondernomen.

 

Mijnheer de minister, cijfers kunt u mij niet geven? Of moet ik daarvoor een schriftelijke vraag stellen?

 

Tot slot, gelet op de problematiek van de bestrijding van terrorisme, die ons allemaal zeer na aan het hart ligt, zou ik u toch willen vragen om eens na te denken over specifieke acties op het vlak van de financiering van terrorisme. Misschien moet dat breder worden bekeken dan alleen de geloofsgemeenschappen? Ik heb het misschien te eng geformuleerd.

 

Ik meen dat het beperkte instrument, zoals we dat tot voor kort kenden, op ons voorstel terecht en noodzakelijk werd uitgebreid. Alle misdrijven zijn strafbaar, ook het onderhouden van een terrorist is een strafbaar feit. Fiscale controles kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot het opsporen van dergelijke laakbare feiten. Misschien moet dan ook eens worden nagedacht over het opzetten van een dergelijke actie?

 

05.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Van Cauter, ik wil toch nog even vermelden dat wij komende zondag een bijzondere Ministerraad hebben rond een aantal veiligheidsaspecten. Deze problematiek zal daar zeker aan bod komen. Ik kan natuurlijk nog niet vooruitlopen op de uitkomst, maar dit staat in elk geval op de agenda.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belastingvermindering voor kinderen ten laste bij buitenlands inkomen" (nr. 17689)

06 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réduction d'impôt pour enfants à charge sur les revenus étrangers" (n° 17689)

 

06.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, bedankt voor het lichtjes aanpassen van de agenda.

 

Mijnheer de minister, wie in België woont maar in het buitenland werkt, is verplicht dat buitenlands inkomen in de Belgische aangifte op te geven. Dat buitenlands inkomen wordt dan wel niet effectief belast in België, maar het heeft tot gevolg dat eventuele andere inkomsten, die wel in België worden belast, in een hogere belastingschijf terechtkomen. Wie enkel over een buitenlands inkomen beschikt, betaalt dus geen belasting in België. Het probleem daarbij is dat een belastingplichtige in deze situatie dan ook geen effectieve belastingvermindering geniet voor kinderen ten laste.

 

Gehuwden en wettelijk samenwonenden worden in deze context benadeeld ten opzichte van feitelijk samenwonenden. Deze laatsten kunnen de kinderen desgevallend immers ten laste zetten van de partner die in België werkt om zo alsnog de belastingvermindering voor kinderen ten laste te genieten. Wie gehuwd is of wettelijk samenwoont, heeft deze vrijheid echter niet. Kinderen zijn dan sowieso ten laste van de persoon met het hoogste inkomen. Als dat de persoon is die in het buitenland werkt, zal het gezin geen effectieve belastingvermindering voor kinderen ten laste genieten.

 

Omdat dit vooral voor grensarbeiders zeer nadelig is, kreeg ik van u graag een antwoord op de volgende vragen.

 

Bent u op de hoogte van deze oneerlijke situatie? Zal u proberen deze situatie te verhelpen?

 

Zo ja, wat zal u doen en wat is uw planning?

 

06.02 Minister Johan Van Overtveldt: Op uw eerste twee vragen is het antwoord bevestigend.

 

Wat uw derde vraag betreft, werkt de administratie momenteel, in afwachting van een wettelijke oplossing voor de geschetste problematiek, een geautomatiseerde regeling uit die tegemoetkomt aan de bezwaren van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Grondwettelijk Hof tegen de huidige wettelijke regeling, waardoor samen belaste gehuwden en wettelijk samenwonenden het belastingvoordeel voor personen ten laste geheel of gedeeltelijk kunnen verliezen als de echtgenoot of de partner met het hoogst belastbaar inkomen vrijgestelde buitenlandse inkomsten heeft die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.

 

Die geautomatiseerde regeling moet vermijden dat de betrokken belastingplichtigen nog een bezwaarschrift moeten indienen. Het is de bedoeling om ze toe te passen voor het aanslagjaar 2017.

 

06.03  Johan Klaps (N-VA): Dat is bijzonder goed nieuws, waar de betrokkenen zeer blij om zullen zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 17871 de M. Benoît Dispa est reportée.

 

Vraag nr. 17875 van de heer Roel Deseyn wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Dan hebben we een hele reeks vragen van de heer Luk Van Biesen.

 

07 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de interne inspectie binnen de FOD Financiën en de AAFisc" (nr. 17888)

07 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'inspection interne au SPF Finances et à l'AGFisc" (n° 17888)

 

07.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, in het bestuursplan 2016 van de FOD Financiën staat op pagina 28: “In 2016 plant de AAFisc volgende initiatieven: de proceseigenaars van de volgende vier processen zullen hun nieuwe beheersingsmaatregelen opnemen in een actieplan dat ter validatie aan het beheerscomité van de AAFisc wordt voorgelegd.” Dat gaat over proces 115 inzake de interne inspectie, proces 34, proces 38, proces 42 enzovoort. Het gaat mij voornamelijk over het eerste proces 115, de interne inspectie.

 

Het was de bedoeling om eind 2016 alle processen van de AAFisc voor een eerste keer te hebben geanalyseerd en te beschikken over de door het beheerscomité van de AAFisc gevalideerde actieplannen met nieuwe beheersingsmaatregelen.

 

Een jaar later zijn wij uiteraard geïnteresseerd in die maatregelen. Werd de eerste procesanalyse van de AAFisc afgerond, meer bepaald die van de interne inspectie? Wat waren de belangrijkste conclusies van de eerste analyse? Kan men nu beschikken over de door het beheerscomité van de AAFisc gevalideerde actieplannen met nieuwe beheersingsmaatregelen? Wat zijn de kernelementen van het actieplan en de nieuwe beheersingsmaatregelen met betrekking tot de interne inspectie bij de FOD Financiën?

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, met uitzondering van proces 112, dat betrekking heeft op het businessbeheer van de toepassingen en waarvoor een procesbeschrijving ontbrak, werden alle processen van de AAFisc voor de eerste maal geanalyseerd eind 2016. Uw vraag betreft alle risico’s van alle bedrijfsprocessen van de AAFisc. Ik kan bevestigen dat heel wat nieuwe maatregelen werden genomen en projecten opgestart om het management de redelijke zekerheid te geven dat zijn doelstellingen kunnen worden behaald en dat de geplande acties effectief worden opgevolgd.

 

Zo werd de procesanalyse van het proces “interne inspectie” al in 2015 afgerond. Net zoals voor alle andere processen heeft de proceseigenaar in samenwerking met de medewerkers die betrokken zijn bij de uitvoering van het proces, op systematische wijze alle risico’s in kaart gebracht en geëvalueerd en de bestaande beheersingsmaatregelen geïdentificeerd. Vervolgens werden voor de belangrijkste risico’s nieuwe beheersingsmaatregelen gedefinieerd. Die zullen ook worden opgevolgd.

 

Een van de belangrijke risico’s van het proces “interne inspectie” was bijvoorbeeld dat klachten te laat werden doorgestuurd door de dienst Coördinatie Klachten van de FOD Financiën. Om dat risico te beheersen, werden volgende nieuwe beheersingsmaatregelen genomen: het proces “klachten” werd geïntegreerd in het proces “interne inspectie” en een nieuwe geautomatiseerde tool werd in gebruik genomen, waardoor de klachten vlugger kunnen worden doorgestuurd. De key performance indicators worden nu gedefinieerd en opgevolgd met betrekking tot de termijnen waarbinnen klachten moeten worden doorgestuurd naar de betrokken administraties.

 

07.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Zijn de conclusies louter voor intern gebruik of kan men die ergens terugvinden?

 

07.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik denk dat die voor intern gebruik zijn, maar ik zal mij daarover informeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Cel Interne Inspectie" (nr. 17890)

08 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la Cellule Inspection interne" (n° 17890)

 

08.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, dit is een vraag in dezelfde lijn als mijn vorige vraag. Ik verontschuldig mij ervoor dat ik mij bijzonder interesseer voor interne en externe controle. Het is wellicht een afwijking vanuit een vroegere beroepswerkzaamheid, toen ik nog lesgaf over interne en externe audits.

 

Sinds maart 2015 werd de interne controle binnen de Algemene Administratie van de Fiscaliteit versterkt door het oprichten van drie nieuwe diensten, de Cel Organisatiebeheersing, de Cel Interne Controle en de Cel Interne Inspectie. Het besluit ter zake van de voorzitter van het directiecomité verscheen in het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2015.

 

De Cel Interne Inspectie heeft als taken het onderzoeken van klachten en meldingen die betrekking hebben op schendingen of vermoedelijke schendingen van de integriteit en het voeren van preventieve en correctieve acties in het kader van het integriteitsbeleid. Inzake die cel, de Cel Interne Inspectie, wil ik de volgende vragen formuleren.

 

Mijnheer de minister, kunt u mij een meer gedetailleerd overzicht te geven van de opdracht, de rechten en de plichten van de Cel Interne Inspectie? Bestaat er een circulaire of een nota waarin de opdracht van de Cel Interne Inspectie uitvoerig beschreven staat?

 

Is de Cel Interne Inspectie verplicht, in het kader van de openbaarheid van bestuur en de motiveringsplicht, om in geval van een klacht of een melding te communiceren over de uitkomst van het gevoerde onderzoek aan de indiener van de klacht? Indien ja, gebeurt dat steeds? Wat zijn de mogelijkheden voor een klachtindiener wanneer hem dat recht ontzegd wordt? Indien neen, waarom gebeurt dat niet of waarom kan dat niet?

 

Welke zijn de toetsingscriteria waaraan de Cel Interne Inspectie eventuele klachten en meldingen tegen ambtenaren afweegt?

 

Wat zijn de preventieve en correctieve acties die in het kader van het integriteitsbeleid door de Cel Interne Inspectie genomen kunnen worden?

 

Kunt u mij een gedetailleerd overzicht geven van de laatste periode over de werking van de Cel Interne Inspectie, het aantal klachten en meldingen, de soort van klachten, de ontvankelijkheid ervan en dergelijke?

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: In het proces “interne inspectie” voert de Cel Organisatiebeheersing van de AAFisc het beheer uit van de klachten en meldingen die zij ontvangt via verschillende kanalen. Dat beheer omvat de registratie, de analyse, de prioritisering en de toewijzing voor onderzoek van de ontvankelijk beschouwde klachten en meldingen. Anderzijds worden ook de verschillende preventieacties geregistreerd die zullen worden ondernomen in het kader van de uitvoering van het integriteitsbeleid van de FOD Financiën.

 

De strategische beleidslijnen van de voorzitter van de FOD en van het directiecomité op het vlak van de integriteit worden automatisch geïntegreerd in het proces “interne inspectie” en worden vertaald naar acties op het operationele niveau, met bijzondere aandacht voor de specifieke kenmerken die nu eenmaal eigen zijn aan de AAFisc en de daarbij horende ambtenaren.

 

Wat het onderzoek van klachten zelf betreft, geldt de regel dat in de ontvangstmelding de indiener ervan in kennis wordt gesteld dat de AAFisc hem geen informatie noch resultaten kan meedelen, gelet op de vertrouwelijkheid van het gevoerde onderzoek en de bescherming van de privacy van de geviseerde ambtenaar.

 

Als antwoord op uw derde vraag, kan ik u zeggen dat de toetsingscriteria inderdaad onder meer de deontologische code voor federale ambtenaren en de leidraad van de FOD Financiën ter zake zijn.

 

Wat uw vierde vraag betreft, is preventie inderdaad de speerpunt van het integriteitsbeleid dat de FOD Financiën voert. Het is de basis voor het vertrouwen van de burgers en de ondernemingen in de AAFisc. Instrumenten voor dit preventief integriteitsbeleid zijn onder meer het opstellen, toelichten en communiceren van een ethische code; het ontwikkelen en communiceren van gedragsindicatoren voor de ambtenaren die gelinkt zijn aan de normen en waarden die gehanteerd worden; het cultiveren van een open gesprekscultuur over integriteit bij ambtenaren; de integratie van integriteit in bestaande opleidingen; het aanreiken van een checklist, zodat ambtenaren zelf kunnen identificeren of er zich al dan niet een integriteitsprobleem voordoet; het bewerkstelligen van een functieroulatie en de functiescheiding goed organiseren; goed uitgewerkte procedures voor kwetsbare activiteiten; goed organiseren van een beleid inzake onverenigbaarheden; het beleid inzake het al dan niet aanvaarden van giften, geschenken of beloningen klaar en duidelijk vastleggen; de ontwikkeling van een systeem van rapportage door de ambtenaren van de AAFisc, waarbij zij zelf mogelijke probleemsituaties kunnen aankaarten; een meldpunt voor niet-integer gedrag enzovoort.

 

In antwoord op uw vijfde vraag kan ik u zeggen dat in 2014 bij de AAFisc 100 klachten ontvankelijk verklaard zijn. In 2015 waren dat er 175 en in 2016 waren dat er 195. Het leeuwendeel had betrekking op de schending van het principe van de kwaliteitsvolle dienstverlening.

 

In 2014, 2015 en 2016 werden respectievelijk vijf, vier en drie klachten niet ontvankelijk bevonden. Ze waren ofwel anoniem, betroffen gepensioneerde ambtenaren of viseerden het gevoerde beleid van de politieke overheid.

 

Er werden reeds vier preventieacties georganiseerd bij de AAFisc. Thema’s die aan bod kwamen, zijn onder meer telefonie, privacy en het beroepsgeheim, pesten, de vertrouwenspersoon, integriteit, discriminatie en racisme.

 

Er werden geen correctieacties ondernomen in de periode 2014-2016. In 2017 werden tot op heden twee correctieve acties ondernomen.

 

Cijfers van vóór 2014 zijn niet beschikbaar.

 

08.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Aangezien ik geen nieuws heb van mevrouw Lalieux, is haar vraag nr. 17904 geschrapt. Vraag nr. 17942 van mevrouw Becq wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

 

09 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de uitkering van dividenden" (nr. 17946)

09 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la distribution de dividendes" (n° 17946)

 

09.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, kleine vennootschappen kunnen een verlaagde roerende voorheffing genieten voor dividenden die voortkomen uit nieuwe aandelen op naam uitgegeven ingevolge een inbreng in geld na 1 juli 2013. Indien de dividenden verleend zijn uit de winstverdeling van het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng, bedraagt de roerende voorheffing 15 %.

 

Kan men ook vorige reserves of overgedragen resultaten in dat derde boekjaar en volgende als dividend uitkeren aan 15 %? Of bedoelt men alleen de winst van het derde boekjaar en volgende?

 

09.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, de door u aangehaalde verlaagde aanslagvoet inzake roerende voorheffing van 15 % is slechts van toepassing op dividenden die zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling van het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng van nieuw kapitaal waaruit die dividenden voortkomen.

 

De wettelijke bepalingen schrijven niet voor op welke wijze de winstverdeling moet gebeuren, al dan niet door de algemene vergadering, of wat de oorsprong van de dividenden moet zijn, al dan niet de winst van het lopende boekjaar of vorige boekjaren.

 

09.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, uit dat antwoord kan men concluderen dat de winsten van de vorige boekjaren wel degelijk bij de dividenduitkering kunnen worden gebruikt. Dat is goed nieuws voor de betrokkenen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de erbarmelijke staat van het Jubelparkmuseum" (nr. 17947)

10 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'état pitoyable du Musée du Cinquantenaire" (n° 17947)

 

De voorzitter: Deze vraag bevat wellicht ook fiscale implicaties, want anders had u ze beter gesteld aan staatssecretaris Demir, die volgens mij bevoegd is ter zake.

 

10.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb deze vraag aan verschillende regeringsleden gesteld. U kent de problematiek van het Jubelparkmuseum en het Jubelpark als dusdanig. Wij zitten daar onder andere met de Grote Moskee. Er zijn daar ook mooie en zeldzame beeldhouwwerken te bewonderen.

 

Het Jubelparkmuseum is in totaal meer dan 60 000 m² groot en omvat onder andere ook het Hallepoortmuseum, het Muziekinstrumenten­museum, de Musea van het Verre Oosten, het Chinees Paviljoen en de Japanse Toren. Het museum kan rekenen op een groot aantal bezoekers, vooral bij tijdelijke exposities die er plaatsvinden.

 

Het aantal bezoekers buiten de tijdelijke exposities is veeleer laag. Dit heeft niets te maken met het aanbod van dit museum met volstrekt unieke stukken, maar wel met de erbarmelijke staat ervan. Daardoor blijven de bezoekers weg. Op verschillende plaatsen regent het zelfs binnen.

 

Budgettair tracht het museum het te stellen met 7,8 miljoen voor de vier musea. Jaarlijks gaat er van deze 7,8 miljoen 2 % af, zodat het budget daalt. Deze daling probeert men op te vangen door de giften die men ontvangt. Ook deze inkomsten zijn echter redelijk beperkt omdat de meeste giften van particulieren afkomstig zijn en tussen 40 en 50 euro bedragen. Naar verluidt mocht het museum in 2016 ongeveer 15 000 euro aan giften ontvangen. Hiermee kan men die musea uiteraard niet onderhouden.

 

Het grote struikelblok hier is de fiscale aftrekbaarheid van giften, die voor de meeste belastingplichtigen of vennootschappen niet zo aantrekkelijk is. De toestand waarin het museum zich momenteel bevindt, levert niet alleen imagoschade op, het zorgt ook voor enorm veel gemiste kansen op onder andere economisch vlak. Musea trekken mensen naar de stad door hun uitstraling en hun aanbod, en dat is ook goed voor de economie in de stad en voor de toeristische sector.

 

Mijnheer de minister, bent u het ermee eens dat de musea in Brussel, ingevolge hun erbarmelijke staat, heel wat inkomsten verliezen? Acht u het nodig om bijkomende maatregelen te treffen, binnen de budgettaire mogelijkheden, voor de herstellingswerken? Ik weet dat terzake bepaalde van uw collega’s ook bevoegd zijn.

 

Uit de cijfers blijkt duidelijk dat de problemen niet kunnen worden opgelost via giften. Een bedrag van 15 000 euro is immers fundamenteel te weinig om deze musea terug in orde te krijgen.

 

10.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, zoals al werd aangegeven door de voorzitter, vallen noch de betrokken musea noch de Regie der Gebouwen onder mijn bevoegdheid. Ik moet u dus voor de meeste onderdelen van uw vraag verwijzen naar de bevoegde regeringsleden.

 

Wat uw laatste fiscaal geïnspireerde vraag betreft, het regeerakkoord voorziet niet in een wijziging van het systeem van de fiscale aftrekbaarheid van giften, waardoor ik uw vraag op dit moment niet kan inwilligen.

 

10.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik hoop dat u deze vraag meeneemt naar de verschillende toekomstige begrotingsconclaven, want de erbarmelijke toestand van de musea is geen fraai uithangbord voor onze hoofdstad.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de herzieningstermijn inzake de btw op gebouwen" (nr. 17976)

11 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le délai de révision en matière de TVA sur les bâtiments" (n° 17976)

 

11.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, volgens de Btw-handleiding, meer bepaald het randnummer 394, beschouwt de btw-administratie het vergroten van een loods en het toevoegen van aanhorigheden aan gebouwen die voor beroepsdoeleinden worden gebruikt als veranderingen en verbeteringen aangebracht aan een bedrijfsmiddel. De herzieningstermijn inzake btw voor veranderingen en verbeteringen aan bestaande bedrijfsmiddelen bedraagt vijf jaar.

 

Het komt inderdaad vaak voor dat bestaande bedrijfsgebouwen worden uitgebreid. Ik geef twee voorbeelden. Ten eerste, een werkplaats of opslagruimte wordt vergroot door toevoeging van een bijkomende zijbeuk. Ten tweede, een industriegebouw wordt uitgebreid met een bureaugedeelte.

 

De kenmerken van beide typevoorbeelden zijn per hypothese identiek. Ik verduidelijk.

 

Ten eerste, de structuur van de bestaande gebouwen wordt niet gewijzigd, behoudens uiteraard het maken van de noodzakelijke doorgang tussen het bestaande en het nieuwe gedeelte van het gebouw.

 

Ten tweede, door vergroting van het bestaande gebouw wordt de oppervlakte niet verdubbeld.

 

Ten derde, de bijgebouwde gedeelten kunnen niet los functioneren van de bestaande gedeelten, waar ze aldus functioneel één mee zijn.

 

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat in de aangehaalde typevoorbeelden de herzieningstermijn van toepassing op de uitbreiding telkens vijf jaar bedraagt? Zo niet, kunt u ons uw motivering met betrekking tot die beslissing meedelen? Waarom is de herzieningstermijn van vijf jaar dan niet van toepassing?

 

11.02 Minister Johan Van Overtveldt: Bij het oprichten van een gebouw is er een herzieningstijdvak van vijftien jaar. Bij het omvormen en verbeteren van een gebouw is dat beperkt tot vijf jaar, tenzij de uitgevoerde werken zo belangrijk zijn dat er in feite een nieuw gebouw ontstaan is. Zo kunnen bepaalde werkzaamheden met betrekking tot gebouwde onroerende goederen wegens hun aard en omvang aanleiding geven tot de totstandkoming van een nieuw gebouw, zelfs indien de oppervlakte niet wijzigt.

 

Het onderscheid tussen omvormings- en verbeteringswerken en de totstandkoming van een nieuw gebouw is daardoor een feitenkwestie. Wanneer een constructie wordt opgericht die paalt aan een bestaand gebouw, zal onder meer worden nagegaan of deze nieuwe constructie inzake aanwending één geheel vormt met het bestaand gebouw en of dat nieuw gedeelte al dan niet onafhankelijk kan functioneren van het oude gedeelte. Het feit dat er geen afzonderlijk kadastraal inkomen aan wordt toegekend of dat er een doorgang wordt gemaakt, is op zich niet doorslaggevend.

 

De beoordeling gebeurt uiteindelijk op basis van een geheel van feitelijke elementen. Wanneer u een concreet geval beoogt, laat ik dat graag door mijn administratie onderzoeken, rekening houdend met het voorgaande.

 

11.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs 17980 en 17981 van de heer Vanvelthoven worden uitgesteld. Dan komen we opnieuw bij de heer Van Biesen, voor zijn vraag nr. 18009.

 

11.04  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, kunt u even iemand anders een vraag laten stellen, want ik moet een dringend telefoontje doen.

 

De voorzitter: Geen probleem.

 

12 Vraag van de heer Jef Van den Bergh aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fietsvergoeding en de fiscale aftrek voor speedpedelecs" (nr. 18088)

12 Question de M. Jef Van den Bergh au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'indemnité vélo et la déductibilité fiscale des speed pedelecs" (n° 18088)

 

12.01  Jef Van den Bergh (CD&V): Mijnheer de minister, het gaat hier om de speedpedelecs, de elektrische fietsen die tot een snelheid van 45 km/uur trapondersteuning kunnen bieden. Ik heb u hierover al enkele keren een vraag gesteld en ik blijf u hiermee lastigvallen tot het geregeld is. Mijn vraag is eigenlijk heel kort en eenvoudig. Hoever staan we hiermee? Wanneer kunnen de gebruikers terug rekenen op een fietsvergoeding? Dikwijls hebben zij die vroeger wel gekregen omdat zij er net als de werkgevers van uitgingen dat het een fiets was. Zij hebben het gevoel dat die vergoeding hen werd afgepakt. De geschiedenis is natuurlijk een ander verhaal. Er is een specifieke regeling gekomen, waardoor ze wettelijk niet langer in aanmerking konden komen voor de fietsvergoeding. Nogmaals, heel eenvoudig, hoever staan we en wanneer mogen we daarop rekenen?

 

12.02 Minister Johan Van Overtveldt: Ik heb er alle begrip voor – meer dan dat zelfs – dat u mij daarmee blijft achtervolgen. U weet dat ik zelf ook een verwoed fietser ben, zij het niet met een pedelec. Dat is voor als het grijze haar er helemaal is.

 

Alle gekheid op een stokje, op vorige vragen van u betreffende de speedpedelecs antwoordde ik dat het inderdaad zinvol lijkt om de fiscale behandeling te herzien of aan te passen. Ik blijf dat verdedigen. Het onderzoek dat door mijn administratie werd gevoerd in samenspraak met de collega’s van Mobiliteit en Sociale Zaken is ondertussen afgerond. Ik kan echter – u kunt zich daarbij onmiddellijk de achtergrond van een aantal hangende dossiers inbeelden – geen precieze timing vooropstellen, gelet op de besprekingen die in het kader van de mobiliteit op dit moment volop plaatsgrijpen binnen de regering. Ik heb zonet echt niet overdreven toen ik zei dat er rond het mobiliteitsbudget op dit eigenste moment in de kantoren van Financiën een IKW aan de gang is waarbij een aantal elementen aan de orde komen.

 

12.03  Jef Van den Bergh (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het zal u niet verbazen dat ik u zal blijven achtervolgen zolang hierover geen duidelijkheid bestaat.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le tax shelter pour PME" (n° 18079)

13 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de taxshelter voor start-ups" (nr. 18079)

 

13.01  Benoît Piedboeuf (MR): Le gouvernement a fait du soutien aux PME et à la création d'activités économiques une priorité absolue, en proposant notamment des mesures de financement alternatif, comme le crowdfunding et les prises de participations dans le capital de PME débutantes. L’investissement direct dans une société starter permet de bénéficier de la réduction d’impôt depuis le 1er juillet 2015.

 

À côté de cet investissement direct, depuis le 1er février 2017, on peut aussi investir dans les PME débutantes via une plateforme de crowdfunding et ce, soit directement, soit indirectement. Ce régime fiscal favorable est en vigueur depuis le 1er février 2017. La procédure d’agrément est toujours en cours, mais les premiers projets sont déjà lancés.

 

Monsieur le ministre, disposez-vous déjà de chiffres relatifs aux montants investis en 2015 dans des PME starters et donnant droit à la réduction d’impôt de 30 % et 45 %? Votre administration peut-elle, en fonction de ces données chiffrées, établir le profil des personnes physiques qui ont bénéficié de la réduction d’impôt?

 

13.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur  Piedboeuf, le tax shelter PME a été instauré par la loi programme du 10 août 2015. Je me réjouis du fait que les premiers projets crowdfunding fiscalement avantageux voient le jour. Il est important pour nos starters de collecter du capital en phase de démarrage. Comme il s'agit de données statistiques, la collecte des données que vous demandez prend un peu de temps, mais je vous transmettrai ces données par écrit dès qu'elles seront systématiquement disponibles pour moi.

 

13.03  Benoît Piedboeuf (MR): Merci, monsieur le ministre. Il s'agissait seulement de rajouter un élément complémentaire à tous les bilans positifs de l'action du gouvernement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van de heer Dirk Van Mechelen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "hobbybrouwers" (nr. 18062)

14 Question de M. Dirk Van Mechelen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les brasseurs amateurs" (n° 18062)

 

14.01  Dirk Van Mechelen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de hobbybrouwers. Ik heb in mijn vraag het kader omschreven. Wij zijn bij uitstek een bierland met heel wat handelsmerken en ongeveer 1 400 bieren. Wij hebben niet alleen professionele brouwerijen, maar ook een aantal hobbybrouwers. In de gemeente die wij delen, mijnheer de minister, is er trouwens zeer recent een hobbybrouwer bijgekomen met het mooie bier De Legende, dat ik u bijzonder aanraad. Zij vallen onder een specifieke wetgeving, namelijk de wet van 7 januari 1998, waardoor zij geen accijnzen betalen op de door hen geproduceerde hoeveelheden bier. In tegenstelling tot commerciële brouwers moet een hobbybrouwer ook niet beschikken over de vergunning van erkend entrepothouder.

 

Recent verscheen een brochure met betrekking tot accijnzen, Bier brouwen van de FOD Financiën. Daarin wordt de definitie van hobbybrouwer als volgt gedefinieerd: “Een particulier die bier brouwt voor eigen gebruik, mits er geen verkoop plaatsvindt.”

 

Dan worden een aantal zaken opgesomd die niet mogen: “Zijn brouwactiviteiten ontwikkelen als zelfstandige ondernemer met een btw-nummer.” Dat spreekt uiteraard voor zich.

 

Vervolgens staat er: “Op regelmatige basis degustaties organiseren, die zelfs gratis kunnen zijn, of het deelnemen aan wedstrijden of proeverijen.”

 

Het eerste punt lijkt mij logisch. Het tweede en het derde punt liggen iets complexer.

 

Mijnheer de minister, wat wordt bedoeld met regelmatige degustaties? Is het de bedoeling om de wetgeving te verstrakken? Waarom is het niet toegelaten aan hobbybrouwers om deel te nemen aan wedstrijden en proeverijen? In welke wetten of besluiten vinden de beperkingen voor de hobbybrouwers hun grondslag?

 

14.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Mechelen, het begrip “regelmatige degustaties” is omschreven als het “op regelmatige basis degustaties organiseren, zelfs gratis, onder het voorwendsel dat de deelnemers ervan de gasten zijn van de producent”. Met regelmatige degustaties worden dus degustaties bedoeld die dagelijks, wekelijks, maandelijks of jaarlijks worden gehouden onder deelnemers die niet worden beschouwd als leden van de huishoudelijke kring van de producent.

 

Het concept “hobbybrouwer” bestaat wettelijk niet. In de wetgeving wordt alleen gesproken over de persoonlijke of particuliere consumptie.

 

In alle andere gevallen moet men voldoen aan de gewone regels. Het wordt hobbybrouwers als dusdanig niet verboden om deel te nemen aan wedstrijden of proeverijen, maar wanneer zij dat doen, worden zij niet meer beschouwd als een particulier, maar wel als een professionele of commerciële brouwer, omdat zij de huiselijke sfeer van de bierbrouwer verlaten en er toeschouwers aanwezig zijn die niet als gasten van het gezin van de bierbrouwer kunnen worden beschouwd.

 

Er zijn geen wetten of besluiten die de beperkingen van de hobbybrouwers specificeren, maar die volgen uit de interpretatie van de bepaling van artikel 7 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, die voorziet in een vrijstelling van accijnzen voor bier dat door een particulier wordt geproduceerd en dat door die particulier, de leden van zijn gezin of zijn gasten wordt verbruikt, mits er geen verkoop plaatsvindt.

 

Een aanpassing of verduidelijking van de wetgeving kan zeker worden overwogen, maar vereist uiteraard een akkoord in de regering. Daarbij dient tevens met respect voor de vigerende accijnswetgeving gehandeld te worden. Ik ben bereid, mijnheer Van Mechelen, om – ik zie u al glimlachen – de kwestie vast te nemen.

 

14.03  Dirk Van Mechelen (Open Vld): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik wil zeer duidelijk zijn over de reden van de vraag. Er is in Vlaanderen een nieuwe trend. Het hobbybrouwen kent een eerste proces, totdat men een biertje ontwikkelt dat in de smaak valt. Dan gaat het naar een professionele brouwerij, die het al of niet commercialiseert, volgens de spelregels. Het gaat dus niet over het ontwijken van accijnzen, maar wel om een soort laboproefproject om tot een nieuw bier te komen. Dank u, mijnheer de minister, om het punt nader te bekijken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale schuldbalans" (nr. 18009)

15 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le bilan fiscal" (n° 18009)

 

15.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in het jaarverslag 2016 van de Vlaamse Ombudsdienst, dat op 8 maart 2017 werd ingediend, stelt de Vlaamse Ombudsman het volgende: “Verheugend is dat het vernieuwde Vlaams Fiscaal Platform een mogelijkheid biedt voor compensatie tussen belastingen die door VLABEL worden geïnd. Tussen de erfbelasting, registratiebelasting en de boetes kilometerheffing, werd er zo al 2 miljoen euro gecompenseerd. Het systeem wordt uitgebreid naar de andere Vlaamse belastingen en het overleg loopt om op termijn ook te kunnen compenseren met belastingen van andere overheidsniveaus. Dat laatste is een essentiële stap om dat ene portaal te realiseren, waarop een burger exact zijn tegoeden en schulden kan zien.”

 

Het voorstel om een regelgevend en operationeel kader uit te werken dat de compensatie zou mogelijk maken van vorderingen en teruggaven van belastingen tussen belastingadministraties onderling, zowel federale als gewestelijke, heeft vooral als doel een administratieve vereenvoudiging door te voeren.

 

Om de betaling van openstaande fiscale schulden van een belastingplichtige te verkrijgen, kan een overheid vandaag beslag leggen op de fiscale tegoeden van dezelfde belastingplichtige bij een andere overheid. Daarvoor dient momenteel echter een formele beslagprocedure te worden opgestart.

 

Op de vergadering van de Waarnemingspost gewestelijke fiscaliteit van 30 juni 2016 werd het voorstel door de Vlaamse Belastingdienst toegelicht. De federale administratie stelde tijdens die vergadering dat eerst het wettelijk kader moest worden gecreëerd om een vereenvoudigde compensatie over de grenzen van de federale en gewestelijke administraties heen mogelijk te maken.

 

Mijnheer de minister, in antwoord op de mondelinge vraag nr. 4710 van 8 juli 2015 wees u ook reeds op het gebruik van de fiscale balans voor de invordering van onbetaalde penale boetes.

 

Mijnheer de minister, graag vernam ik van u het volgende.

 

Wat is uw standpunt aangaande het voorstel tot invoering van de fiscale schuldbalans, waarin fiscale schulden en tegoeden bij de fiscale administraties van de Gewesten en de federale overheid worden opgenomen?

 

Heeft reeds overleg plaatsgevonden met de drie Gewesten over het voorstel en hebt u desgevallend kunnen vaststellen dat de drie Gewesten het voorstel steunen?

 

Is reeds een werkgroep samengesteld waarin de betrokken overheden zijn vertegenwoordigd, om het voorstel uit te werken? Hoever zijn de werkzaamheden van die werkgroep desgevallend gevorderd?

 

Welke timing plant u desgevallend om de gesprekken over het voorstel op te starten? Wanneer verwacht u dat de fiscale schuldbalans effectief operationeel zal zijn?

 

15.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, de aanvraag van VLABEL werd inderdaad toegelicht tijdens de vergadering van de werkgroep Staat-Gewesten van 30 juni 2016 bij de Waarnemingspost gewestelijke fiscaliteit.

 

In het licht van voorafgaande besprekingen binnen de federale overheidsdienst Financiën is gebleken dat de invoering van een fiscale schuldbalans tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten moeilijk kan worden gerealiseerd.

 

Schuldvergelijking tussen niet-geïntegreerde systemen creëert een enorme, manuele werklast omdat er geen realtime gegevensuitwisseling mogelijk is. Binnen de werkmethode die gevolgd wordt binnen de FOD Financiën, zou de FOD bij de externe partner steeds de schuldtoestand moeten navragen, zonder de garantie dat de inhoudingen correct zijn.

 

Bijkomende aandachtspunten daarbij zijn de volgende.

 

Ten eerste, het recht op informatie van de burger. Als men schulden vergelijkt en daardoor minder tegoeden terugbetaalt, moet men dit volledig kunnen motiveren aan die burger. De FOD Financiën heeft echter weinig tot geen informatie over de aard van de schuld.

 

Ten tweede, het risico op het opnemen van externe schulden in het overzicht van schulden en tegoeden die niet erg actueel zijn, waardoor de correctheid van de informatie onbetrouwbaar is.

 

Ten derde, de aanwendingsregels en volgorde die zullen worden toegepast op wat vandaag het overzicht van schulden en tegoeden wordt genoemd. Deze aanwendingsregels – bijvoorbeeld welke kosten eerst worden gerecupereerd – kunnen verschillen tussen het Gewest en de federale overheid, en moeten bijgevolg op elkaar worden afgestemd.

 

Dergelijke compensaties vormen derhalve een operationeel risico voor het door de FOD gehanteerde proces en dit omwille van de vele manuele interventies en manipulaties.

 

In het kader van de doelstelling om een efficiëntere overheid te ontwikkelen, dient een eventuele samenwerking met de drie Gewesten grondig te worden voorbereid om ervoor te zorgen dat de vier systemen compatibel zijn. Ik zal mijn administratie de opdracht geven om samen met de geïnteresseerde Gewesten te bekijken hoe zo’n systeem zou kunnen worden opgezet.

 

Tot slot vereist de invoering van een dergelijke fiscale schuldbalans hoe dan ook wetgevende maatregelen want dit kan niet enkel op administratief vlak worden geregeld.

 

15.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Ik moet eerlijk zeggen dat ik u volg in uw argumentatie dat dit grondig moet worden voorbereid en dat men zeker moet zijn dat bepaalde vorderingen en schulden worden gecompenseerd. Het kan toch niet dat België, door toedoen van een staatshervorming die bepaalde fiscale bevoegdheden op verschillende niveaus heeft gelegd, er niet in slaagt om de verschillende systemen op elkaar af te stemmen?

 

Ik zou in het algemeen belang van alle burgers erop willen wijzen dat het te gek voor woorden is dat de federale overheid in de personenbelasting geld teruggeeft aan een ingezetene terwijl diezelfde persoon nog schulden heeft bij de Vlaamse administratie. Ik meen dat niemand begrijpt dat dit vandaag nog kan gebeuren omwille van de complexiteit van onze systemen.

 

Een tweede element dat me wel wat verrast, maar dat ik uiteraard samen met u zal opnemen, is het ontbreken van de wettelijke maatregelen die nog vereist zijn om een dergelijke schuldbalans in te voeren. Ik denk wel, mijnheer de minister, dat we daartoe nog een aantal initiatieven zullen moeten nemen. De meeste mensen begrijpen namelijk niet dat iemand geld terugkrijgt van entiteit A terwijl hij nog geld schuldig is aan entiteit B. Dat moeten we uit de wereld helpen. Zoals u al gezegd hebt, moet dat grondig en correct gebeuren. Laten we daaraan samen verder werken en hopen dat dit vrij snel gerealiseerd kan worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "loontrekkenden en ambtenaren die zich vestigen als zelfstandige in bijberoep" (nr. 18060)

16 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les salariés et les fonctionnaires qui s'installent comme indépendants à titre complémentaire" (n° 18060)

 

De voorzitter: Mijnheer Van Biesen, ik had gedacht dat u het over het voorstel van mevrouw Rutten zou hebben?

 

16.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Neen, ik heb daarstraks in het adviescomité voor de Europese Aangelegenheden al gehoord dat u daarover laaiend enthousiast was. Ik zal u daarom nu niet de kans geven om uw standpunt daarover opnieuw uit de doeken te doen. Ik stel voor om nu rustig te blijven en over te gaan tot mijn vraag over de zelfstandigen in bijberoep.

 

De voorzitter: U ontwijkt de vraag.

 

16.02  Luk Van Biesen (Open Vld): Eigenlijk vraagt u naar mijn persoonlijke visie over het standpunt dat mevrouw Rutten vandaag verdedigd heeft?

 

De voorzitter: Ja.

 

16.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Ik stel voor dat u die vraag schriftelijk indient! (hilariteit)

 

Mijnheer de minister, loontrekkenden en ambtenaren die in voldoende mate een betrekking hebben, kunnen zich vestigen als zelfstandige in bijberoep. Als zelfstandige in bijberoep kan men btw op zijn aankopen aftrekken en ook het eventueel verlies dat men jaarlijks lijdt aftrekken van de normale belastbare inkomsten van de hoofdactiviteit. Zo kan men in theorie een mooi bedrag aan belastingen recupereren.

 

Die situatie valt meermaals vast te stellen bij zelfstandigen in bijberoep. In hoofdberoep zou de betrokkene immers, na verschillende jaren met verlies, niet ver komen.

 

Mijnheer de minister, hoeveel respectievelijk loontrekkenden en ambtenaren geven een inkomen uit een bijberoep aan?

 

Hoeveel van die zelfstandigen in bijberoep geven een negatief inkomen, dit wil zeggen een verlies, aan, respectievelijk als loontrekkende of als ambtenaar?

 

Kunt u een algemene inkomensverdeling geven voor de inkomens uit een bijberoep?

 

16.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, ik heb voor u een hele batterij aan cijfers bij. Ik denk dat het in eenieders belang en vooral in mijn belang is dat ik u die cijfers overhandig zonder ze allemaal af te ratelen.

 

16.05  Luk Van Biesen (Open Vld): Ik stel voor dat de cijfergegevens uitgedeeld worden aan de leden van de vergadering.

 

De voorzitter: Wij zullen kopieën laten maken.

 

16.06  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister in ieder geval voor het uitvoerig antwoord op de verschillende vragen.

 

Ik weet dat het niet de gewoonte is om in een mondelinge vraag naar cijfergegevens te vragen. Normaal gesproken is dat typisch het onderwerp van een schriftelijke vraag.

 

Mijnheer de minister, gelet op het belang van die vraag voor bijzondere werkzaamheden in de nabije toekomst, denk ik dat de antwoorden ons zullen helpen om het beleid verder te onderbouwen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het diamantstelsel" (nr. 18061)

17 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime diamant" (n° 18061)

 

17.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, de wijzigingen in de wet houdende diverse bepalingen van december 2016 brengen een oplossing voor de werkbaarheid van het gewijzigde diamantstelsel via onder meer een oplossing voor de problematiek van de voorraadopvolging en –waardering.

 

De wijziging aan het diamantstelsel spruit voort uit het overleg met de Europese Commissie, die aandrong op een minder invasief regime en er derhalve voorstander van was om het diamantstelsel te beperken tot de invoering van een berekeningsregel voor de vaststelling van de kostprijs van de verkochte goederen op basis van de gerealiseerde omzet. Deze kostprijs bedraagt 97,9 % van de omzet, zodat fiscaal een gerealiseerde brutomarge van 2,1 % van de omzet in aanmerking wordt genomen.

 

Zoals uitdrukkelijk vereist door de Europese Commissie, grijpt het alternatieve diamantstelsel enkel in op het niveau van de brutomarge. Hierdoor vormt onder andere de aftrekbaarheid van beroepskosten door de diamanthandelaars een onzekere factor inzake de budgettaire haalbaarheid van dit stelsel. Het al te creatief omspringen met beroepskosten zou immers een negatieve impact op het rendement van het stelsel kunnen hebben. Dit zou op zich opnieuw kunnen uitmonden in oeverloze en moeilijke fiscale controles in de diamantsector. Om dit te vermijden – de stabiliteit en de rechtszekerheid zijn immers de grondvesten van het nieuwe regime – werd er echter voor geopteerd een minimum floor in te bouwen. Er wordt met andere woorden aanvullend voorzien in een te behalen minimum netto belastbare grondslag, die forfaitair werd vastgelegd op 0,55 % van de gerealiseerde omzet. Voor alle duidelijkheid wordt herhaald dat de aldus berekende minimum belastbare grondslag als dusdanig niet kan worden verminderd met bijvoorbeeld de notionele-intrestaftrek, de aftrek van overgedragen verliezen of de overgedragen notionele-intrestaftrek.

 

Ik kom dan bij mijn vragen.

 

Is aan de vereiste van uitbetaling van een minimale bedrijfsleidersvergoeding voldaan indien de minimale bedrijfsleidersvergoeding wordt uitbetaald aan een vennootschap die op haar beurt doorstort aan een andere vennootschap die dan deze minimumvergoeding aan een natuurlijke persoon doorstort in wiens hoofde deze vergoeding belastbaar is in de personenbelasting? U ziet, iets wat alle dagen voorkomt.

 

Betreffende verwerkende bedrijven die zowel uit voorraad verkopen als diamanten slijpen voor derden wordt in de memorie van toelichting vermeld dat de kosten opgedeeld worden in functie van het werkvolume voor elk van beide verwerkingsactiviteiten gemeten in karaat aan afgeleverde geslepen diamant. We denken dan met name aan de verwerkingskosten zoals slijperslonen, zaaglonen enzovoort. Kan deze verdeelsleutel ook gebruikt worden voor de opdeling van de andere kosten in de resultaatrekening zoals elektriciteit, verzekeringen en huur?

 

17.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, wat uw eerste vraag betreft, meen ik dat de wettekst met betrekking tot het belastingstelsel op ondernemingen in de diamantsector voldoende duidelijk is. Immers, de huidige bepalingen stellen dat aan de vereiste van uitbetaling van een minimale bedrijfsleidersvergoeding voldaan is als de geregistreerde diamanthandelaar de bedoelde vergoeding betaalt aan de vennootschap-bedrijfsleider, die ze op haar beurt doorstort aan een natuurlijke persoon waarvan die vergoeding belastbaar is als beroepsinkomen in de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen. In het door u aangehaalde geval is niet voldaan aan die vereiste, aangezien een andere vennootschap die de bedoelde vergoeding betaalt aan de natuurlijke persoon niet optreedt als de vennootschap-bedrijfsleider van de geregistreerde diamanthandelaar, maar als een entiteit die louter tussenbeide komt bij de doorstorting van die vergoeding.

 

Wat uw tweede vraag betreft, blijkt uit de parlementaire stukken van de wet van 18 december 2016 dat het totaal van de verwerkingskosten voor een gemengde verwerking, verwerking voor eigen rekening en voor rekening van derden, kan worden verdeeld in functie van het werkvolume voor elk van beide verwerkingsactiviteiten, gemeten in karaat aan afgeleverde geslepen diamant. In dat geval heeft zo’n verdeelsleutel uitsluitend betrekking op de kosten die verbonden zijn aan de verwerking van diamanten, aangezien zij niet met zekerheid kunnen worden verbonden aan de een of andere verwerkingsactiviteit.

 

17.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de gemiddelde aanslagvoet op het aanslagbiljet" (nr. 18097)

18 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le taux moyen d'imposition mentionné dans l'avertissement-extrait de rôle" (n° 18097)

 

18.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de komende weken zullen de belastingplichtigen weer in grote getale hun bruine envelop binnenbrengen bij de daarvoor geschikte diensten. Gelukkig neemt dat aantal af en worden de inkomsten steeds vaker via Tax-on-web aangegeven.

 

Op het aanslagbiljet dat iedere belastingplichtige na de aangifte ontvangt, staat duidelijk vermeld wat de gemiddelde aanslagvoet is. Door de maatregelen van de regering in het kader van de taxshift zou die gemiddelde aanslagvoet bij een vergelijkbaar inkomen gedaald moeten zijn ten opzichte van vorig jaar. Collega Vanvelthoven is daar nog niet van overtuigd, maar de rest van de collega’s wel, denk ik.

 

Uit de berekening van het aanslagbiljet blijkt dat echter niet het geval te zijn. Ik heb vernomen dat verschillende belastingplichtigen die hun aangifte reeds via Tax-on-web 2017 hebben gedaan, hebben vastgesteld dat de gemiddelde belastingdruk zou zijn gestegen ten opzichte van het inkomstenjaar 2015, aanslagjaar 2016.

 

Aangezien dat indruist tegen de verwachtingen nadat de regering verschillende maatregelen heeft genomen om de belastingdruk te doen dalen, wil ik weten hoe het mogelijk is dat de gemiddelde aanslagvoet, zoals die op het aanslagbiljet staat, bij verschillende personen is gestegen, niettegenstaande hun inkomen vergelijkbaar is met dat van vorig jaar?

 

18.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Klaps, de gemiddelde aanslagvoet wordt niet alleen door het inkomen beïnvloed, maar ook door tal van andere factoren, zoals de personen ten laste en de uitgaven die in aanmerking komen voor een belastingvoordeel. Zonder kennis van alle feitelijke gegevens van de betrokken belastingplichtigen kan ik dan ook geen pasklare verklaring geven voor elk concreet geval waarin die gemiddelde aanslagvoet zou zijn gestegen.

 

Los daarvan wil ik uw aandacht wel vestigen op de volgende wijziging, die een algemene draagwijdte heeft. Op de aanslagbiljetten van de aanslagjaren 2015 en 2016 waren telkens twee gemiddelde aanslagvoeten vermeld, één in het begin vlak boven het detail van de berekening en één helemaal op het einde.

 

De eerste, die gewoon “gemiddelde aanslagvoet” werd genoemd, was de gemiddelde aanslagvoet die voor de aanslagjaren 2015 en 2016 van toepassing was op inkomsten van 2014 en 2015, die belastbaar waren tegen de gemiddelde aanslagvoet van de aanslagjaren 2015 of 2016. Bij de berekening van die gemiddelde aanslagvoet werd, bij wijze van overgangsmaatregel ingevoerd door de wet van 8 mei 2014, rekening gehouden met zowel de gewestelijke belastingverminderingen als de federale belastingverminderingen, behalve de vermindering voor inkomsten uit het buitenland.

 

De tweede, “gemiddelde aanslagvoet vanaf aanslagjaar 2017” genoemd, was de gemiddelde aanslagvoet die vanaf aanslagjaar 2017 van toepassing zou zijn op inkomsten verkregen vanaf 2016 die tegen de gemiddelde aanslagvoet van de aanslagjaren 2015 of 2016 belastbaar zouden zijn. Bij de berekening van die gemiddelde aanslagvoet werd er echter geen rekening meer gehouden met de gewestelijke belastingverminderingen om te vermijden dat de gewestelijke fiscale regels een impact zouden hebben op de belastingenstaat.

 

Nu er een einde is gekomen aan de overgangsmaatregel voor de inkomsten van 2014 en 2015, wordt op het aanslagbiljet van aanslagjaar 2017 alleen nog de gemiddelde aanslagvoet vermeld die berekend wordt, zonder dat rekening wordt gehouden met de gewestelijke belastingverminderingen. Als men de belastingdruk op de gezamenlijk belastbare inkomsten in de aanslagjaren 2016 en 2017 objectief wil vergelijken, moet men dus de gemiddelde aanslagvoet vermeld op het aanslagbiljet van het aanslagjaar 2017, vergelijken met die op het einde van het aanslagbiljet van aanslagjaar 2016 vermelde gemiddelde aanslagvoet vanaf aanslagjaar 2017. De effecten van de taxshift komen dus wel degelijk tot uiting, wanneer de feitelijke omstandigheden voor de betrokkene geen noemenswaardige veranderingen hebben ondergaan.

 

18.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, het antwoord is duidelijk, maar de lengte ervan bewijst dat de fiscaliteit zeer complex is. Ik heb daarvoor ook geen pasklare oplossing, want anders zou ik u die graag bezorgen. Het mysterie is alvast opgelost.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs 18156 en 18157 van mevrouw Kattrin Jadin worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

Vraag nr. 18101 van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu vervalt.

 

19 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-tarief voor geconventioneerde woningen" (nr. 18170)

19 Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le taux de TVA applicable aux logements conventionnés" (n° 18170)

 

19.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een belangrijke vraag voor het werkveld van de sociale huisvesting. Mijn vraag is misschien ruimer dan uw antwoord, maar ik ga u mijn vraag toch voorleggen.

 

Mijnheer de minister, bijlage XXXVI bij het btw-KB nr. 20 voorziet inzake sociale huisvesting in ruime zin in een verlaagd btw-tarief van 6 %. Private ontwikkelaars die onder de toepassing van het deels vernietigde Vlaams decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid zelf een sociaal aanbod in natura creëerden, genoten dat verminderde btw-tarief.

 

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet betreffende het grond- en pandenbeleid, is omtrent bovenvermeld btw-regime het volgende gesteld, ik citeer: “In casu komt de bevoegdheid op het vlak van de bepaling en de omschrijving van de btw-tarifering binnen het stelsel van de bijzondere financieringswet toe aan de federale overheid. De federale overheid kan op grond van deze competentie beslissen dat inzake sociale huisvesting specifieke lagere tarieven gelden, met name 6 % in plaats van 21 %. Eens zij dergelijke beslissing genomen heeft, dient zij de concrete afbakening van het concept ‘sociale huisvesting’ evenwel over te laten aan de Gewesten. Luidens artikel 6, § 1, IV van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen komt de bevoegdheid inzake huisvesting aan de Gewesten toe, waarbij deze term conform de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet zeer ruim moet worden opgevat. Men dient vast te stellen dat het btw-KB nr. 20 zulks met zoveel woorden bevestigt: er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en naar de door hen erkende maatschappijen. Het Vlaamse Gewest kan dus effectief op indirecte wijze het toepassingsgebied van de 6 %-regeling verruimen door het door private actoren, binnen het voor de sociale huisvestingsmaatschappijen geldende normatief kader, gecreëerde sociaal woonaanbod te beschouwen als zijnde gecreëerd door een sociale huisvestingsmaatschappij, in zoverre de VMSW de nodige attesten heeft afgeleverd.”

 

In plaats van de vernietigde socialelastenregeling, wordt in de praktijk thans gewerkt met geconventioneerde woningen, zoals uitgewerkt door het Vlaamse niveau. Hierbij worden woningen gerealiseerd overeenkomstig het typebestek van de VMSW, waarbij de woningen worden verkocht of verhuurd aan een prijs die niet hoger is dan deze die wordt toegelaten door de reglementering op de sociale koop- of huurwoningen. Het typebestek van de VMSW heeft thans normatieve waarde, aangezien het vastgelegd is bij het ministerieel besluit van 14 mei 2013.

 

De realisatie van woningen conform het typebestek van de VMSW als gewestelijke sociale huisvestingsmaatschappij, impliceert wat het betrokken project betreft als het ware een erkenning door deze huisvestingsmaatschappij.

 

De woningen worden daarnaast aangeboden aan doelgroepen conform de prijsnormeringen die de gewestelijke overheid binnen het sociaal woonaanbod aanvaardt, te weten de prijsnormering conform de regelingen die gelden voor de sociale huisvestingsmaatschappijen.

 

Ik wil u daarom enkele eenvoudige vragen stellen.

 

Kunt u bevestigen dat dergelijke geconventioneerde woningen zoals bepaald en aangehaald in mijn vraag onder bijlage XXXVI bij het KB nr. 20 ressorteren? Indien niet, waarom niet?

 

19.02 Minister Johan Van Overtveldt: Uw vraag heeft betrekking op één van de voorwaarden voor de toekenning van het verlaagde btw-tarief voor sociale huisvesting, met name de erkenning als gewestelijke huisvestingsmaatschappij of als een door hen erkende huisvestingsmaatschappij voor sociale huisvesting.

 

Bij arrest van 7 november 2013 heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen die betrekking hebben op de normen inzake sociaal woonaanbod en de sociale lasten van het Vlaams decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid met terugwerkende kracht vernietigd.

 

De sociale last verplichtte de verkavelaar of bouwheer handelingen te stellen opdat een aandeel sociaal woonaanbod zou worden gerealiseerd in bouw- en verkavelingsprojecten van bepaalde omvang. Een van de mogelijke uitvoeringswijzen van de sociale last was de invoering in natura, waarbij de ontwikkelaars ervoor konden opteren om zelf sociale huur- of koopwoningen te realiseren. Het door het Grondwettelijk Hof vernietigde artikel van dat Vlaams decreet voorzag er uitdrukkelijk in dat het sociale gedeelte van het bouwproject geacht werd te zijn verwezenlijkt door een sociale huisvestingsmaatschappij. Hierdoor was van rechtswege voldaan aan een van de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief.

 

De gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof werden in het voorjaar van 2014 besproken door de beleidscel van mijn voorganger en vertegenwoordigers van de bevoegde Vlaamse minister. Dit overleg leidde tot een consensus over het feit dat ingevolge het schrappen van de kwestieuze bepaling een onderscheid moet worden gemaakt wanneer de ontwikkelaar ervoor heeft geopteerd om de hem opgelegde sociale last in natura uit te voeren. De verkoop door de ontwikkelaar van door hem gebouwde sociale huurwoningen aan erkende maatschappijen voor sociale huisvesting kan onder het verlaagd btw-tarief van 6 %, mits aan de overige voorwaarden ook voldaan is.

 

De levering van sociale koopwoningen door een ontwikkelaar rechtstreeks aan de sociale doelgroep is daarentegen niet beoogd wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden inzake uitdrukkelijke erkenning als sociale huisvestingsmaatschappij.

 

Het respecteren door de verkavelaar van het Vlaams ministerieel besluit van 14 mei 2013 tot vaststelling van de technische normen waaraan sociale woonkavels moeten voldoen, houdt op zich geen erkenning in.

 

19.03  Griet Smaers (CD&V): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik zal het nog eens bekijken en nagaan in welke mate we daarop kunnen terugkomen met het oog op de sociale huisvesting onder particuliere bouw. Om nog meer sociale huisvesting te kunnen creëren, zou het goed zijn om ook de bouw die valt onder de normering voor sociale huisvesting van de gewestelijke VMSW tegen een verlaagd tarief van 6 % te kunnen laten bouwen, als voordeel voor private woningbouw inzake erkende sociale huisvesting.

 

De voorzitter: Mijnheer Van Mechelen, het mag niet, maar we zijn nu toch onder ons.

 

19.04  Dirk Van Mechelen (Open Vld): De filosofie van het decreet was altijd dat op deze manier private bedrijven op hun beurt in het kader van de sociale lasten die sociale woningen zouden realiseren. Eigenlijk was de filosofie dat via de Vlaamse Confederatie van de bouwnijverheid een sociaal erkende huisvestingsmaatschappij zou opgericht worden voor de private sector om die woningen te realiseren.

 

Mijnheer de minister, ik denk dat u misschien eens met de Vlaamse Confederatie moet nagaan of die mogelijkheid niet op die manier kan worden gecreëerd, want dat was de filosofie van het decreet die ik mij nog herinner.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

20 Questions jointes de

- M. Gautier Calomne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'enregistrement des acteurs de l'économie collaborative" (n° 18191)

- M. Gilles Vanden Burre au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'agrément accordé à de nouvelles plateformes collaboratives" (n° 18235)

20 Samengevoegde vragen van

- de heer Gautier Calomne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de registratie van de actoren van de deeleconomie" (nr. 18191)

- de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de erkenning van nieuwe deelplatformen" (nr. 18235)

 

20.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, le gouvernement serait sur le point d'aboutir dans le dossier relatif à l'arrêté royal sur l'agrément de plates-formes d'économie collaborative. En effet, pour pouvoir bénéficier du régime fiscal allégé récemment mis en place, il a été demandé aux opérateurs de s'enregistrer auprès des services du SPF Finances. Aujourd'hui, certains acteurs économiques ont déjà pris les devants en prélevant 10 % sur les revenus des utilisateurs, et ce en vue de la concrétisation du cadre légal.

 

D'emblée, monsieur le ministre, permettez-moi de me réjouir de cette situation et de saluer l'aboutissement d'un dossier capital pour la promotion de l'économie numérique dans notre pays. Je tiens aussi à souligner la nécessité de ne pas relâcher les efforts et de renforcer les acquis déjà engrangés.

 

Monsieur le ministre, quel est exactement le nombre d'opérateurs enregistrés à ce jour? Qu'est-il prévu pour les acteurs économiques qui se lanceront à l'avenir dans ce secteur d'activités particulier? D'autres arrêtés sont-ils prévus? Enfin, selon les informations à votre disposition, quel est le nombre d'utilisateurs qui pourraient être concernés à l'heure actuelle par ce régime fiscal allégé?

 

20.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Calomne, des arrêtés royaux datés du 26 avril 2017 et publiés dans le Moniteur belge du 8 mai 2017 ont agréé huit plates-formes en ce qui concerne le nouveau régime fiscal d'économie collaborative. En outre, quatre autres plates-formes ont passé toutes les étapes administratives et sont reprises dans un projet d'arrêté qui sera prochainement soumis à la signature du Roi. Donc, douze en tout.

 

Enfin, mon administration m'informe que d'autres plates-formes ont introduit une demande d'agrément. La procédure administrative est toujours en cours.

 

Les informations dont je dispose actuellement ne me permettent pas d'estimer le nombre d'utilisateurs qui pourraient être concernés. Toutefois, en se basant sur les chiffres publiés par huit des douze premières plates-formes agréées, on peut estimer qu'au minimum 6 500 personnes sont déjà potentiellement concernées. Je vous remercie.

 

20.03  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 18209 de Mme Sybille de Coster-Bauchau est transformée en question écrite.

 

21 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les fichiers des douanes" (n° 18252)

21 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de douanebestanden" (nr. 18252)

 

21.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, à la suite de l'effondrement du Rana Plaza en avril 2013, une prise de conscience internationale est née sur les conditions de production de l'industrie textile mondialisée. Un certain nombre d'efforts ont été entrepris pour soutenir le respect des droits des travailleurs de l'habillement, mais ces efforts tendent aujourd'hui à s'essouffler. C'est dans ce contexte que des ONG, comme la plate-forme achACT, relancent le combat pour exiger la transparence sur l'ensemble de cette industrie. Aujourd'hui, il reste impossible pour un consommateur de savoir qui a fabriqué ses vêtements, dans quelle usine et dans quelles conditions. Comme cette plate-forme, monsieur le ministre, je considère que ce n'est pas normal.

 

J'aimerais dès lors vous poser les questions suivantes. Quelles sont exactement les informations contenues dans les fichiers des douanes? Est-ce qu'on peut savoir, sur base de ces fichiers, d'où proviennent de manière précise certains produits importés en Belgique? Qui a accès à ces fichiers? Est-ce que ces informations sont transmises au SPF Économie? Est-ce que ces informations peuvent être rendues publiques d'une manière ou d'une autre, soit publiées, soit consultées par des associations et/ou des parlementaires? Et existe-t-il une forme d'harmonisation des fichiers au niveau européen? Donc sur le plan européen, quel type d'informations va-t-on trouver dans ces fichiers? Merci d'avance pour vos réponses.

 

21.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Madame Grovonius, quatre questions, donc quatre réponses. Premièrement, la douane dispose des données qui doivent être complétées dans la déclaration en douane PLDA en vue de l'application des dispositions régissant le régime douanier pour lequel les marchandises sont déclarées, et des documents d'accompagnement qui, le cas échéant, doivent être en la possession du déclarant et à la disposition des autorités douanières au moment du dépôt de la déclaration en douane pour l'application des dispositions régissant le régime douanier pour lequel les marchandises sont déclarées.

 

En ce qui concerne votre deuxième question, un certain nombre de données sont extraites des déclarations PLDA pour alimenter deux banques de données distinctes: Eurostat, d'une part, et le système de surveillance tarifaire de la DG TAXUD d'autre part. Les données Eurostat sont adressées par PLDA à la Banque nationale, qui les transmet à son tour à Eurostat. Les données surveillance sont adressées directement via l'interface CCN-CSI (common communications network – common system interface) à la Commission. Il n'y a pas de liaison directe avec le SPF Économie.

 

Pour répondre à votre troisième question, les données compilées par Eurostat sont librement consultables sur un site web dont je vous transmets l'adresse, tandis que les données Surveillance sont de nature confidentielle.

 

Quant aux énonciations devant figurer sur les déclarations en douane, elles sont établies par des réglementations européennes. Les données en matière de surveillance sont les mêmes pour tous les États-membres.

 

21.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Merci, monsieur le ministre, pour les éléments de réponse dont je vais pouvoir prendre connaissance de manière approfondie quand j'aurai le texte sous les yeux.

 

La question principale à laquelle j'aurais souhaité avoir une réponse, que je ne perçois pas, est la suivante: avec tous les éléments collectés, est-ce que, en tant que consommatrice ou en tant que parlementaire, je peux, pour un produit qui arrive en Belgique - en l'occurrence, des vêtements - savoir où il a été fabriqué du début à la fin de la chaîne? Je n'ai pas compris si c'était le cas. Je reviendrai éventuellement avec une question additionnelle puisque c'est là que se pose la difficulté aujourd'hui. Si on veut avoir une transparence et si, quand un événement comme celui du Rana Plaza se produit, on veut savoir quelles sont les firmes qui avaient des travailleurs et des fabrications à cet endroit-là. On n'arrive pas à le déterminer aujourd'hui. Ces éléments peuvent-ils être retrouvés dans les fichiers des douanes? Sinon, comment obtenir ces informations? Je reviendrai donc éventuellement avec des questions additionnelles.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

22 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le piège à la pension" (n° 18281)

22 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de pensioenval" (nr. 18281)

 

22.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, dans une série de cas, une personne dont le montant brut de la pension augmente voit le montant net de sa pension stagner ou, pire, diminuer. C’est ce que l’on appelle le "piège à la pension". Cela résulte du fait que, pour les ménages ne disposant pas d’autre type de revenus, les pensions et les revenus de remplacement sont exonérés fiscalement dans la mesure où ils ne dépassent pas un montant maximum. Le problème se pose lorsque ce dernier est atteint, car les centimes additionnels communaux ne sont pas suffisamment neutralisés. Il s’agit d’une situation paradoxale et particulièrement injuste. Toute revalorisation de la pension brute devrait, en effet, conduire à une revalorisation nette.

 

Nous avons déjà tenté d’apporter une solution structurelle à ce problème. En effet, en 2015, j’avais déjà déposé une proposition de loi pour majorer de 9 % le montant de l’exonération afin de tenir compte des centimes additionnels communaux. Cette solution a pu être adoptée par amendement à la loi-programme du 10 août 2015 Cependant, si une amélioration substantielle a pu de la sorte être apportée, il est apparu que cette mesure ne couvrait pas tous les cas et que des personnes étaient toujours victimes de cette situation injuste.

 

Monsieur le ministre, dans la mesure où votre majorité s’apprête à adopter une loi permettant aux travailleurs de payer une cotisation dans le but de racheter leurs années d’étude et, ainsi, de revaloriser le montant de leur pension, cette question revêt une importance capitale - vous comprendrez évidemment que ma remarque s'adresse davantage à M. Bacquelaine. En effet, avec le système actuel, certains travailleurs auront payé une cotisation pour avoir une pension nette moins élevée.

 

Dans un premier temps, le gouvernement avait déclaré que vous trouveriez une solution avant le vote du projet de loi. Finalement, il n’en sera rien. Lors des débats en commission des Affaires sociales, le ministre des Pensions a déclaré que des discussions avaient alors lieu entre les experts des cabinets des Pensions et des Finances. Il a également indiqué que vous étiez chargé de proposer une solution structurelle, mais seulement pour le prochain contrôle budgétaire. Nous en sommes proches.

 

Monsieur le ministre, mes questions sont donc les suivantes. Quels sont les problèmes observés? Qu’en est-il des discussions entre les experts de votre cabinet et des Pensions? Des pistes ont-elles déjà été évoquées? Si oui, quelles sont-elles? Surtout, quand une solution pourra-t-elle être présentée?

 

22.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, comme déjà indiqué dans votre question, ou plutôt dans votre analyse, les experts du cabinet du ministre des Pensions et de mon cabinet se sont concertés concernant cette question très importante. Ils ont proposé une modification de l'article 154 § 3/1, du Code des impôts sur les revenus 92, qui empêche qu'une augmentation de la pension brute ne conduise à une diminution du revenu net après impôts. Cette proposition développée et bien analysée est actuellement discutée au sein du gouvernement. Nous aurons prochainement une décision à ce sujet.

 

22.03  Ahmed Laaouej (PS): Très bien! Je remercie M. le ministre des Finances pour la réponse et j'en prends bonne note.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

23 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de DVB" (nr. 18293)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de benoemingsprocedure voor het college van de Dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken" (nr. 18363)

23 Questions jointes de

- Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le SDA" (n° 18293)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la procédure de nomination pour le collège du Service des Décisions anticipées en matières fiscales" (n° 18363)

 

23.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, wij hebben de voorbije weken vernomen dat de Raad van State de benoeming van drie Franstalige collegeleden van de rulingdienst heeft tegengehouden, blijkbaar na een klacht van een ex-lid van het college, dat naar de Raad van State is gestapt omdat hij ten onrechte aan de kant zou zijn geschoven.

 

Het arrest van de Raad van State dateert van 28 april en sindsdien komt het college van de rulingdienst kennelijk niet meer samen. Belgische belastingplichtigen, of het nu particulieren of bedrijven zijn, kunnen dus geen rulings meer verkrijgen op dit moment, zolang die zaak niet is opgeklaard. Dat komt uiteraard de rechtszekerheid en de continuïteit van de dossiers van particulieren en bedrijven niet ten goede. Voor de fiscale rechtszekerheid en continuïteit is het van belang dat het college zo snel mogelijk opnieuw operationeel is en kan werken.

 

Vandaar mijn vragen, mijnheer de minister.

 

Wat hebt u al ondernomen en wat zult u nog ondernemen om de dienst zo snel mogelijk weer operationeel te hebben?

 

Kunt u verduidelijken of de dienstverlening, de continuïteit en de rechtszekerheid ten aanzien van de belastingplichtigen momenteel in het gedrang komen?

 

23.02  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, on me charge de poser une question.

 

Il apparaît que les membres francophones du Collège du Service des Décisions anticipées en matière fiscale voient leurs mandats remis en cause par une décision récente du Conseil d'État. Selon mes sources, un appel à candidature est publié ce mercredi 10 mai pour relancer une procédure de nomination à ce sujet.

 

Il est singulier, monsieur le ministre, de constater que la procédure envisagée n'est pas celle prévue dans la réglementation relative au fonctionnement dudit Service et dans laquelle n'est programmé aucun examen oral. De plus, celui-ci n'a pas été imposé aux membres néerlandophones du Collège.

 

Ne craignez-vous pas, monsieur le ministre, d'entraîner de facto une nouvelle annulation de la procédure de nomination en agissant ainsi de manière contra legem? Comment justifiez-vous cette procédure, plutôt que celle qui est prévue dans la réglementation concernée? Je suis certain de pouvoir vous remercier pour vos réponses.

 

23.03 Minister Johan Van Overtveldt: Het klopt inderdaad dat de Raad van State in zijn arrest van 28 april jongstleden de benoeming van de drie Franstalige collegeleden bij de Dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, de rulingdienst, heeft vernietigd. Aangezien de rulingdienst, zoals ook door jullie aangegeven, uitermate belangrijk is voor de fiscale rechtszekerheid van particuliere ondernemingen, kmo’s, grote ondernemingen en vzw’s, heb ik mijn administratie onmiddellijk de opdracht gegeven om deze situatie zo snel mogelijk te remediëren. Op 10 mei, vandaag dus, is een nieuwe oproep tot kandidaten verschenen in het Belgisch Staatsblad. Dat gebeurde effectief. Binnen de tien werkdagen moeten de kandidaturen worden ingediend.

 

Nous mettons donc tout en œuvre pour que des décisions puissent être, à nouveau, prises. Dans l'intervalle, des demandes peuvent toujours être introduites et les dossiers seront examinés par les collaborateurs du Service. Les projets de décisions seront également préparés par les collaborateurs de sorte qu'une décision pourra être prise dès que le Collège sera, à nouveau, opérationnel.

 

Tot slot is het ook belangrijk om op te merken dat het arrest van de Raad van State geen enkele invloed heeft op de rechtszekerheid van de beslissingen die door het college werden genomen vanaf 1 mei 2015. Voor de aanvragers is dit een heel belangrijke boodschap die ik dan ook graag extra wil onderstrepen.

 

23.04  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik hoop dat de procedure zo snel mogelijk kan worden doorlopen en dat het college zo snel mogelijk terug operationeel en voltallig kan zijn, zodat de werking verder gegarandeerd is. Het is ook goed dat u de rechtsgeldigheid hebt onderstreept van beslissingen die de afgelopen maanden werden genomen.

 

23.05  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, je remercie M. le ministre pour sa réponse.

 

Le président: Avez-vous obtenu des réponses à vos questions?

 

23.06  Benoît Piedboeuf (MR): Non, c'est décevant, mais ce n'est pas grave! (Rires)

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

24 Questions jointes de

- M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le projet de privatisation de Belfius" (n° 18108)

- M. Georges Gilkinet au premier ministre sur "la privatisation de Belfius" (n° 17966)

24 Samengevoegde vragen van

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de plannen voor een privatisering van Belfius" (nr. 18108)

- de heer Georges Gilkinet aan de eerste minister over "de privatisering van Belfius" (nr. 17966)

 

24.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, cette question vous a déjà été posée en séance plénière, mais il y avait quelques éléments supplémentaires que je voulais vous soumettre. De plus, en séance plénière, vous n'aviez pas donné beaucoup de réponses.

 

Depuis, un mouvement citoyen intitulé "Belfius est à nous" a tenu une assemblée générale à Bruxelles pour s'opposer à cette privatisation. Par ailleurs, nous avons entendu que le CD&V semble s'opposer à une telle privatisation en l'absence de solution pour ARCO.

 

Le président: Non, c'est beaucoup plus nuancé.

 

24.02  Marco Van Hees (PTB-GO!): Heureusement que vous êtes là, monsieur le président!

 

Monsieur le ministre, je vous soumets donc les questions suivantes. Même si le plan concret de privatisation ne lui a pas encore été soumis, le gouvernement a-t-il marqué un accord de principe sur la privatisation de Belfius? Je pense que la réponse est positive, mais je voudrais l'entendre.

 

Quel est le but de cette privatisation?

 

Disposez-vous d'une projection chiffrée faisant la balance des pertes et gains financiers de l'État en cas de vente d'une partie du capital de Belfius? Par exemple: d'un côté, les pertes de dividendes pour l'État; de l'autre, la réduction des intérêts à payer sur la dette? Il m'a semblé comprendre que, dans le cas de BNP Paribas, vous aviez dit que le bilan financier était négatif. Est-ce le cas ici aussi?

 

La question d'ARCO est-elle présente dans votre dossier de la privatisation de Belfius? Si oui, de quelle manière?

 

Que répondez-vous au mouvement citoyen "Belfius est à nous", qui défend une banque réellement publique, axée sur les bienfaits que son activité peut générer pour la population et l'économie de notre pays, plutôt que sur la recherche du profit pour ses actionnaires? Cela pose aussi la question de la situation sociale au sein de l'entreprise, notamment pour le personnel de Belfius.

 

Enfin, quel bilan tirez-vous de la privatisation des institutions publiques de crédit dans les années 1990, notamment le Crédit communal et la CGER qui ont donné lieu à des catastrophes après leur privatisation?

 

24.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Van Hees, à l'heure actuelle, le gouvernement n'a encore pris aucune décision précise en ce qui concerne la privatisation de Belfius. Les dossiers font l'objet d'une analyse et d'un suivi minutieux.

 

Dans le cadre d'une privatisation, les objectifs suivants revêtent une importance majeure:

1. la stabilité du secteur financier;

2. la banque doit satisfaire en interne aux conditions de vente;

3. le centre de décision de l'établissement financier doit être maintenu en Belgique;

4. limiter les effets sociaux négatifs, notamment au niveau de l'emploi et du développement économique;

5. contribuer à l'assainissement des finances publiques et à la réduction de l'exposition dans le secteur financier;

6. tendre à récupérer les moyens investis.

 

Comme vous ne l'ignorez certainement pas, les dividendes de Belfius s'élèvent actuellement à 215 millions d'euros. En cas de vente d'actions, ils baisseront de manière proportionnelle dans le cas où le dividende par action reste inchangé. La baisse des intérêts à payer sur la dette dépend de la valeur à laquelle les actions peuvent être vendues. Cette valeur exacte n'est pas connue à cet instant précis.

 

De manière plus générale, je suis d'avis qu'il est possible de concevoir des méthodes de privatisation dans le cadre desquelles les intérêts tant des actionnaires que des autres acteurs peuvent converger. Une privatisation intelligente bien pensée rend cela possible. Une privatisation intelligente peut faire augmenter la taille du gâteau, de sorte que tous les acteurs terminent avec une plus grande part. Tout le monde est alors satisfait. L'image selon laquelle une seule partie sort gagnante d'une privatisation en s'octroyant la plus grande part du gâteau n'est pas correcte.

 

24.04  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie. Sur ARCO, pas de commentaires? N'auriez-vous pas oublié une partie de la question?

 

24.05 Minister Johan Van Overtveldt: (…)

 

24.06  Marco Van Hees (PTB-GO!): Bon. Je m'en tiendrai à cela sur la question ARCO.

 

Pour le reste, je ne peux pas marquer mon accord sur votre vision de la privatisation. Par contre, j'apprécie l'inventivité de votre réponse. Le fait de parler de privatisation intelligente, c'est assez intéressant comme formule. Le bilan des privatisations en Belgique est plutôt négatif. Que l'on se rappelle la privatisation de Fortis ou la CGER. Pendant 130 ans, la CGER a fonctionné sans problème. Dix ans après avoir été privatisée, c'était la quasi faillite de Fortis en 2008. Je pense que le bilan est négatif. On pourrait dire la même chose pour le Crédit communal et Dexia, même s'il s'agissait d'actionnaires publics.

 

Il faut croire, monsieur le ministre, qu'aucune de ces privatisations n'était intelligente. Heureusement, vous arrivez avec cette notion de privatisation intelligente. J'espère qu'on pourra noter l'ironie qui se trouve dans mon propos.

 

24.07  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, je suis tenté de poser la question suivante à M. Van Hees: quelle est alors son analyse de ce qui s'est passé avec Dexia? C'est une banque publique, pas privée, avec laquelle quelques incidents se sont passés. Mais je n'ai pas le droit de poser des questions.

 

24.08  Marco Van Hees (PTB-GO!): J'allais le dire! Voilà un retournement de procédure intéressant. Vous posez les questions. Mais je pourrais vous répondre. C'est d'ailleurs le problème de la plate-forme "Belfius est à nous". Ils font la même constatation; Belfius est aujourd'hui une banque à capitaux publics, mais qui fonctionne comme une banque privée, ce qui est normal puisqu'on lui donne comme mission d'être privatisée. Il faut donc que la mariée soit belle pour être privatisée.

 

Ce qui s'est passé avec Dexia relève du même problème. Les capitaux avaient beau être publics, il y avait tout de même une introduction en bourse, ce qui a tout de même un effet qui n'est pas anodin. Elle ne fonctionnait donc pas comme une société publique. Elle fonctionnait selon la logique des entreprises privées, avec un profit à faire à tout prix, plutôt que de satisfaire les besoins de la population ou ceux du personnel. Voilà le problème de Dexia.

 

24.09  Johan Van Overtveldt, ministre: Il importe peu que l'actionnaire soit public ou privé.

 

24.10  Marco Van Hees (PTB-GO!): C'est une condition nécessaire, mais pas suffisante, dirons-nous.

 

Le président: Il faudra un jour écrire un article sur la "nationalisation intelligente". Que veut dire "nationaliser une économie"? Vous voulez en effet tout nationaliser - pas seulement les banques, mais aussi les entreprises.

 

24.11  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, nous ne voulons pas nationaliser le CD&V!

 

Le président: Je voudrais bien lire une dissertation à ce propos. Le coût budgétaire de votre programme s'élève à 50 milliards d'euros.

 

24.12  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, excusez-moi, mais ce qui a coûté cher à la Belgique, ce ne sont pas les banques publiques, mais les banques privées - c'est Fortis, en l'occurrence, qui a coûté aux finances publiques.

 

Le président: Oui, mais ne me renvoyez pas la balle. Que veut dire une "nationalisation intelligente de l'économie"? Et quel en est le coût budgétaire?

 

24.13  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, je ferai cela pour vous.

 

Le président: Je vous donnerai la parole à tout moment dans cette commission pour aborder cette question.

 

24.14  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: De vragen nrs 18266 en 18301 van mevrouw Karin Temmerman worden uitgesteld.

 

25 Question de M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'opposition des contrôleurs fiscaux à la polyvalence" (n° 18327)

25 Vraag van de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de weerstand van de belastingcontroleurs tegen polyvalentie" (nr. 18327)

 

25.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, un mouvement de grogne touche actuellement le SPF Finances, entre autres en raison de la polyvalence imposée aux contrôleurs fiscaux à cause du manque de personnel. Vous avez abordé cette question lors d'une rencontre ce 5 mai avec les représentants syndicaux du SPF. Par ailleurs, le front commun syndical vous a adressé une pétition sur internet. Les signataires constatent que: "À la suite de la pénurie de personnel et au manque d'agents de la TVA, le management a décidé d'imposer une polyvalence au sein de l'AGFisc, non pas une polyvalence des services, mais une polyvalence des agents. Cette polyvalence pose problème pour l'énorme majorité du personnel (formations insuffisantes et inadaptées, perte de crédibilité lors des contrôles, stress, frustration et démotivation,... ) et elle découlera à n'en point douter sur une baisse des recettes fiscales liées aux contrôles. Des agents spécialisés au SPF Finances sont nécessaires afin d'assurer un contrôle de qualité face à des spécialistes du chiffre. La juste perception et la lutte contre la fraude fiscale en dépendent."

 

Au-delà de la question centrale des effectifs du SPF, les signataires formulent diverses revendications par rapport auxquelles je désire connaître votre position. Êtes-vous d'accord que "lors des recrutements, une juste répartition des affectations dans les deux impôts (TVA et contributions directes) soit réalisée"? Que "la polyvalence des agents telle qu'envisagée actuellement au sein de l'AGFisc soit abandonnée"? Que "pour les services de contrôle, la charge de travail soit liée à la composition de chaque service"? Qu'"une plus grande autonomie soit accordée aux agents dans la sélection des contrôles"? Qu'"une véritable formation permanente soit donnée aux agents"? Que "l'autorité organise rapidement et structurellement des examens de carrière spécifique"?

 

25.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Van Hees, vous me posez six questions.

 

Pour répondre à la première, je vous indique qu'il n'y a pas de juste répartition des affectations dans les deux impôts. L'objectif de l'administration est de contrôler les questions qui sont portées au jour. Celles-ci peuvent varier avec le temps et, en particulier, selon l'évolution de la société.

 

Les nouveaux stagiaires de PME et de grandes entreprises recevront une formation polyvalente. Ensuite, en fonction des besoins, une formation spécifique sera consacrée à l'un ou l'autre impôt.

 

Au cours de mon entretien avec les syndicats, conformément à ma note de politique générale, j'ai indiqué que je soutenais la demande d'expertise ciblée.

 

En réponse à votre deuxième question, comme je l'ai déjà annoncé dans ma note de politique générale du 28 octobre dernier, la polyvalence des agents telle que l'envisage actuellement l'AGFisc doit être abandonnée. Sur ce plan, ceux qui sont chargés des PME et des grandes entreprises resteront spécialisés dans un impôt, mais recevront une formation adéquate à l'autre impôt afin de pouvoir établir le lien dans la gestion d'un dossier ou lors d'un contrôle et en vue de pouvoir opérer des rectifications dans les deux impôts dans certains cas limités et bien définis en termes de contrôle du chiffre d'affaires.

 

Par ailleurs, l'approfondissement de la polyvalence par certains agents pourrait s'organiser sur une base volontaire. L'agent sera alors aidé dans sa démarche par des formations appropriées.

 

En troisième lieu, c'est d'abord dans la composition globale du Centre régional qu'il convient d'évaluer la charge de travail et de la répartir, le cas échéant, en fonction des compétences disponibles dans les services composant le Centre. Il n'est, toutefois, pas justifiable d'un point de vue structurel de réserver à des contribuables qui présentent un même niveau de risque un traitement différent. Dès lors, si la répartition des compétences des agents est répartie inégalement, un rééquilibrage devra être opéré le plus vite possible, par exemple au moyen de mécanismes de mobilité, de recrutements ou encore de formations.

 

Quatrièmement, les agents disposent d'une autonomie de 20 % dans leur plan de travail. Une autonomie trop importante serait en contradiction avec l'égalité de traitement des contribuables sur l'ensemble du territoire. Il ne serait pas logique, par exemple, que, dans un centre, parce qu'un spécialiste de l'horeca est disponible, que le secteur connaisse un nombre de contrôles beaucoup plus important que dans le reste du pays. Dans ce cas de figure, la solution est de mutualiser la connaissance et d'organiser une action de contrôle générale qui pèsera de la même manière en fonction d'un même risque sur chaque contribuable, quelle que soit la Région où il se trouve et le centre dont il dépend.

 

Cinquièmement, une véritable formation technique permanente est essentielle. En ce moment, l'AGFisc offre à ses agents un package de formations techniques (formation de base pour les stagiaires, formation de base pour les collaborateurs devant apprendre une autre manière dans le cadre du basculement et formation de base pour des collaborateurs devant faire des actions polyvalentes spécifiquement pour les tâches de gestion ou de contrôle).

 

Sixième question. Des procédures de promotion et d'accession sont régulièrement organisées, ce qui permet aux collaborateurs d'avancer dans leur carrière, soit comme dirigeant, soit comme expert. Dans le cadre de ces procédures, les compétences techniques des collaborateurs sont testées de façon approfondie. Actuellement, à l'AGFisc, 386 places sont ouvertes en promotion ou en accession, ce qui démontre une réelle possibilité de faire carrière au sein de l'AGFisc.

 

25.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces réponses assez complètes. En ce qui concerne les deux derniers points, la formation et les possibilités de carrière, vous semblez dire que cela existe déjà. On se demande, dès lors, pourquoi les syndicats revendiquent ce qui existe déjà.

 

Sur l'autonomie de la sélection des dossiers, vous affirmez que c'est une question d'égalité de traitement. Mais on observe quand même que les dossiers ainsi sélectionnés ont un rendement moindre que les dossiers sélectionnés par les agents. Cela pose quand même un problème.

 

Plus fondamentalement, je prends note, de manière plutôt positive, que vous dites clairement que la polyvalence des agents doit être abandonnée. C'est une réponse qui me satisfait comme principe général, en espérant, évidemment, que ce soit réalisable pratiquement, vu les effectifs qui diminuent. Ceci est une transition parfaite pour la question suivante.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

26 Question de M. Marco Van Hees au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le manque de personnel au SPF Finances" (n° 18328)

26 Vraag van de heer Marco Van Hees aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het personeelstekort bij de FOD Financiën" (nr. 18328)

 

26.01  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le président, mes deux questions sont liées. C'est parce qu'il y a trop peu de personnel que nous avons un problème de polyvalence imposée à des agents, par exemple, des Contributions directes, à qui l'on demande de s'occuper de matières liées à la TVA et qu'ils ne maîtrisent pas.

 

Les travailleurs du SPF Finances sont en colère contre le manque de personnel au sein de leur ministère. Ce n'est pas un fait neuf: le problème ne cesse de s'amplifier. Ils constatent, entre autres, que ce manque a une influence négative sur la qualité de leur travail, par exemple, par l'imposition de la polyvalence, sujet que l'on vient de traiter.

 

Les syndicats du SPF Finances ont lancé plusieurs initiatives. Ils vous ont rencontré ce 5 mai pour vous communiquer leurs griefs. Ils ont lancé une pétition et l'on évoque aussi de possibles arrêts de travail au moment où les contribuables viendront remplir leur déclaration fiscale dans les locaux du SPF Finances.

 

Selon le site internet pdata (site officiel) qui fournit les statistiques du personnel public fédéral, l'évolution des effectifs au SPF Finances est la suivante. Le nombre d'ETP au 1er janvier 2007 était de 31 723; au 1er janvier 2015, il était de 24 471; au 1er janvier 2017, ce chiffre est passé à 22 583! Cela signifie que, sur deux années de la présente législature, près de 2 000 emplois ont été perdus. Sur dix ans, ce sont plus de 9 000 emplois!

 

Les baisses de personnel sont généralement justifiées par l'informatisation des processus. Existe-t-il une étude objective sur l'impact de l'informatisation - assez laborieuse - du SPF Finances sur les besoins (ou réduction des besoins) en personnel? Avez-vous obtenu un accord sur les effectifs du SPF Finances lors de votre entrevue avec les syndicats?

 

À votre connaissance, existe-t-il une possibilité pour que des contribuables ne puissent venir remplir leur déclaration fiscale cette année, donc avant le 30 juin, en raison d'une réaction du personnel?

 

Quelle sera l'évolution de l'effectif du SPF Finances au cours de ce qu'il reste de la législature, par exemple au 1er janvier 2018 et au 1er janvier 2019? Pouvez-vous garantir que le nombre d'ETP au 1er janvier 2017 ne baissera pas, voire augmentera?

 

26.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Van Hees, en ce qui concerne votre première question, le SPF Finances a une longue histoire d'automatisation de ses processus de travail au profit des citoyens. De nombreuses applications ont été créées au sein du SPF afin de gérer de manière optimisée la complexité de la législation fiscale. Cela a permis d'absorber, au moins en partie, les réductions successives du nombre de fonctionnaires du SPF, accentuées par la courbe de départs naturels.

 

Le SPF ne s'arrête cependant pas à la création d'applications mais continue également à progresser en optimisant des services électroniques et en offrant une meilleure interaction entre lui et les autres services publics. L'administration exécute toujours à l'heure actuelle une série de tâches à moindre valeur ajoutée, comme la recherche d'informations et le classement. Un programme interne de digitalisation est entamé afin d'automatiser ces tâches et de faire face aux économies de crédits de personnel à venir.

 

Le SPF Finances essaie par ailleurs de mesurer l'impact de ces projets depuis quelques années. La mesure de la charge de travail est l'un des outils essentiels sur lesquels nous travaillons actuellement, à présent que les processus de travail ont été décrits dans les différentes administrations qui composent le SPF Finances.

 

Les projets qui, en première instance, permettront de réduire la charge de travail administratif du SPF sont le développement d'interfaces web ainsi que le scanning complet et intelligent des documents à l'entrée. Avec le temps de travail ainsi épargné, le SPF a pour ambition de renforcer ses tâches de contrôle et son service aux citoyens et aux entreprises.

 

Pour ce qui concerne votre deuxième question, dans l'accord sectoriel du SPF Finances, je me suis engagé à soumettre au gouvernement un dossier ayant pour but le remplacement un pour un des fonctions de contrôle déterminées comme telles. Je m'engage à continuer à défendre ce dossier.

 

Pour ce qui concerne votre troisième question, l'administration générale de la fiscalité mettra tout en œuvre afin de ne pas mettre en péril les prestations de service pour le remplissage des déclarations.

 

Finalement, en ce qui concerne votre quatrième question, le nombre de membres du personnel du SPF Finances a diminué de 11 % sur ces cinq dernières années. Vu que la pyramide des âges au sein du SPF Finances entraîne des départs annuels élevés, une diminution est encore à prévoir dans les prochaines années.

 

En 2016, notre taux de remplacement était de 75 %. Il n'est actuellement pas possible de fournir des chiffres exacts sur l'évolution future du personnel, considérant que ces chiffres dépendent de différents paramètres inconnus.

 

26.03  Marco Van Hees (PTB-GO!): Monsieur le ministre, veuillez excuser l'étonnement que suscite en moi votre réponse au dernier point. La pyramide des âges est telle qu'il y a beaucoup de départs naturels, mais les remplacer n'est guère difficile. Il suffit d'engager des personnes. En outre, ce phénomène est tout à fait prévisible puisque la pyramide des âges est connue bien à l'avance. Il me semble que les autres types de départ ne sont pas immenses au SPF Finances. Autrement dit, s'il existait une volonté de maintenir le personnel, ce serait tout à fait faisable. Il ne faut pas se protéger derrière des arguments pseudo-techniques.

 

Je note que, pour les fonctions de contrôle, le remplacement sera de l'ordre de un pour un. Au passage, cela contredit votre réponse à ma quatrième question puisqu'il est donc possible, dans ce cas, de remplacer un départ par une embauche. La question qu'on peut se poser est: pourquoi est-ce impossible pour les autres fonctions? Cela dit, c'est au moins quelque chose de garanti.

 

Enfin, pour revenir à la première partie de ma question, vous expliquez que le SPF essaie de mesurer l'impact de l'informatisation. Bon, il essaie; c'est bien. Vous me confirmez donc qu'aucune étude objective n'a été rédigée pour évaluer les conséquences réelles de l'informatisation sur le personnel. On l'invoque pour justifier la compression de personnel, mais nous ne disposons pas d'analyses objectives et scientifiques à cet égard. Vous avez dit vous-même que l'informatisation pouvait absorber, au moins en partie, la réduction de personnel, mais nous ne savons pas dans quelle proportion.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.22 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.22 heures.