Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 10 mei 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 10 mai 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.28 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.28 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, welkom in onze commissie.

 

01 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de patrimoniale rechten en plichten van wettelijk en feitelijk samenwonenden" (nr. 18144)

01 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les droits et les devoirs patrimoniaux des cohabitants légaux ou de fait" (n° 18144)

 

01.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat dat er een duidelijk wettelijk kader komt voor de patrimoniale rechten en plichten van wettelijk en feitelijk samenwonenden. Dit werd de voorbije jaren ook in diverse beleidsnota’s aangekondigd.

 

Ik wil u vandaag gewoon vragen hoe de concrete uitwerking van die aangekondigde hervorming er zal uitzien, en wat de huidige stand van zaken ervan is.

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, er is ter zake een werkgroep opgericht. Die werkgroep heeft besloten eerst de hervorming van het erfrecht te behandelen, dan die van het huwelijksvermogensrecht en daarna die van het samenwoningsvermogensrecht.

 

De hervorming van het erfrecht werd eind 2016 bij wetsvoorstel ingediend bij de Kamer en zal vanaf volgende week of de week nadien behandeld worden in de Kamercommissie voor de Justitie.

 

De besprekingen over de hervorming van het huwelijksvermogensrecht zijn bijna afgerond. Daarna zullen de besprekingen over de hervorming van de wettelijke en de feitelijke samenwoning worden gevoerd. Het is de bedoeling in het najaar van 2017 aan de Kamer concrete teksten voor te leggen over de hervorming van het samenwoningsvermogensrecht.

 

Hoewel de hervorming van het samenwoningsvermogensrecht het laatste luik van de werkzaamheden van de werkgroep vormt, is de problematiek van de vermogensrechtelijke regeling voor wettelijke en feitelijke samenwoning reeds in verschillende vergaderingen van de werkgroep ter sprake gekomen.

 

Een mogelijke beleidspiste die vaak terugkomt, is de beperking van de wettelijke samenwoning tot affectieve relaties, mits een overgangsregeling.

 

Daarnaast wordt onderzocht of en in welke mate een meer verregaande bescherming in de wet moet worden ingeschreven voor zowel de wettelijke als de feitelijke samenwoning. Deze beleidspistes worden ook toegelicht in mijn tweede justitieplan “De sprong naar het recht voor morgen”, randnummer 115.

 

01.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor deze stand van zaken. Ik kijk uit naar het debat eind dit jaar.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over  "het opzijzetten van een deel van de inkomsten die gedetineerden genereren uit tewerkstelling tijdens hun detentie om recidive tegen te gaan" (nr. 18239)

02 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la retenue d'une partie des revenus engendrés par les détenus lors de leur détention afin de combattre la récidive" (n° 18239)

 

02.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, eind 2016 stelde ik u al eens een vraag over de tewerkstelling van gedetineerden. Die vraag kaderde in een bezoek van een aantal Parlementsleden aan de gevangenis van Ittre. Dat bezoek was gefocust op het thema van de recidive.

 

Tijdens het bezoek werd ons door de gedetineerden gesignaleerd dat een gebrek aan eigen middelen bij de vrijlating de kans op recidive vaak vergroot.

 

U antwoordde op mijn vraag dat u de administratie een analyse zou laten maken van de wenselijkheid en de haalbaarheid om een initiatief te nemen met betrekking tot het beheer van gelden van gedetineerden. Is die analyse intussen klaar? Zo ja, wat zijn de resultaten?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, de penitentiaire administratie heeft inderdaad een analyse van de wenselijkheid en de haalbaarheid van een spaarregeling uitgevoerd. Daaruit blijkt, ter inleiding, dat in het verleden op basis van artikel 30ter van het Wetboek van strafvordering een regeling bestond waarbij veroordeelden voor wie de arbeid verplicht was, geld stortten in een reservefonds. Het uitvoeringsbesluit bepaalde vervolgens dat zes tiende van de opbrengsten van de gevangenisarbeid in een reservefonds werd gestort. De helft van die zes tiende werd ter beschikking gesteld aan de gedetineerde bij zijn invrijheidstelling, de andere helft kon vrij worden besteed.

 

Met de invoering van de basiswet van 12 januari 2005 werd deze wettelijke basis geschrapt. De wet van 2005 stoelde immers onder andere op de principes van responsabilisering en normalisering. Een eerder patriarchale plicht tot sparen strookte dan ook niet meer met de letter en de geest van de wet. Ook de Europese minimaregels met betrekking tot de gevangenissen geven in de aanbevelingen 26.1 en 26.12 duidelijk aan dat het de vrije keuze is van de gedetineerde om te werken.

 

Andere argumenten die nopen te besluiten dat een plicht tot sparen niet aangewezen is, zijn de beperkte tewerkstellingsmogelijkheden, waardoor maar een deel van de gedetineerden zou kunnen worden bereikt, alsook de dermate geringe vergoeding voor tewerkstelling in de gevangenis dat minstens een substantieel deel tot het gehele bedrag opgaat aan uitgaven die de gedetineerden doen om het gevangenisleven te verzachten, met inbegrip van het bekostigen van behoeften met betrekking tot onder andere hun lichaams- en omgevingshygiëne.

 

Het blijft uiteraard een meerwaarde om te voorzien in spaarmogelijkheden voor gedetineerden met het oog op hun invrijheidstelling. Ik sluit mij dan ook aan bij het voorstel van de administratie om in te zetten op het responsabiliseren van de gedetineerden in het kader van het detentieplan en het reclasseringsplan, en het aanbieden van spaarformules, trainingen in budgetbeheer enzovoort, die kunnen kaderen in de detentie- en reclasseringsplanning.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de erkenning van moskeeën" (nr. 18149)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'agrément des mosquées" (n° 18149)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, tijdens het ATV-programma Wakker op zondag stelde Vlaams minister Liesbeth Homans voorlopig geen moskeeën te willen erkennen. Ze zegt dat ze te weinig informatie krijgt van de federale overheid over de werking van de gebedshuizen. "Ik wil die niet erkennen als ik niet voldoende informatie heb. Ik sluit geen compromissen als het over veiligheid gaat", zei ze.

 

Welke informatie hebt u in de verschillende erkenningsdossiers ondertussen reeds doorgezonden aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur?

 

Bent u van oordeel dat de federale overheid daarmee gedaan heeft wat ze moest doen?

 

Wat zal u nog verder ondernemen om uit die impasse te geraken?

 

03.02 Minister Koen Geens: Het samenwerkingsakkoord van 2 juli 2008 betreffende de erkenning van de erediensten geeft geen nadere precisering omtrent het advies dat de minister van Justitie op voorstel van zijn dienst Erediensten moet verlenen over de erkenning van de lokale geloofsgemeenschappen. In de praktijk wint die dienst relevante info in bij de Veiligheid van de Staat en vraagt ze een begrotingsakkoord.

 

Op 23 december 2016 heb ik in naleving van dit samenwerkingsakkoord Vlaams minister Homans positieve adviezen bezorgd inzake de erkenning van twintig islamitische geloofsgemeenschappen.

 

Op 17 januari 2017 heb ik minister Homans in een brief gemeld dat de Veiligheid van de Staat altijd bereid was om minister Homans dossier per dossier toelichting te geven bij de gevoerde onderzoeken. Een dergelijke vergadering tussen het kabinet-Homans en de Veiligheid van de Staat heeft plaatsgevonden op 7 februari, nadat de Veiligheid van de Staat eerder al, eind december 2016, met het kabinet-Homans had samen gezeten over de erkenning van moskeeën.

 

Vervolgens heb ik op 13 februari 2017 de fiches van de Veiligheid van de Staat over elk van de twintig moskeeën bezorgd aan minister Homans.

 

Tot slot stond een derde vergadering tussen de Veiligheid van de Staat en het kabinet-Homans gepland op 19 april, ditmaal ook in aanwezigheid van mijn kabinet. Het kabinet-Homans heeft die vergadering op het laatste moment geannuleerd. Op 2 mei heb ik in een brief aan minister Homans erop aangedrongen om de geplande maar geannuleerde vergadering met de Veiligheid van de Staat eerstdaags te laten doorgaan om de twintig moskeeën nogmaals onderling te bespreken. In antwoord op die brief is er een contact geweest tussen beide beleidscellen en werd een nieuwe overlegdatum vastgelegd.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Ik dank de minister voor zijn antwoord. We wachten af wat er uit die vergadering voortkomt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre de la Justice sur "le fonctionnement du système de sécurité au sein des prisons" (n° 18162)

04 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Justitie over "de werking van het veiligheidssysteem in de gevangenissen" (nr. 18162)

 

04.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, je me permets de vous questionner sur le fonctionnement du système de géolocalisation au sein des prisons. Chaque gardien, dans certaines prisons, est détenteur de ce système qui, lorsqu’il appuie sur un bouton, permet à ses collègues de le localiser et de lui venir en aide en cas de nécessité à l’intérieur de la prison.

 

Ce système semble toutefois connaître des défections au sein de la prison de Ittre. Un premier incident était intervenu début avril et un nouvel incident est survenu le 27 avril, quand un gardien a été pris à partie par plusieurs détenus. Lorsque le gardien a voulu prévenir ses collègues en appuyant sur le bouton de son eBox, il semblerait que le système n’ait pas fonctionné.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous me faire un débriefing du dernier incident survenu à la prison d’Ittre le 27 avril? Pouvez-vous me donner davantage de détails sur la source du problème?

 

Des tests réguliers sont-ils effectués dans chaque prison afin de s’assurer que le système soit à 100 % opérationnel dans toute la prison? Des problèmes identiques à ceux observés à la prison d’Ittre ont-ils été enregistrés dans d’autres prisons? Une formation à l'utilisation de cette eBox a-t-elle été prévue ou est-elle prévue pour les différents gardiens?

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Crusnière, selon les informations fournies par mes services, l'incident à Ittre serait à mettre en lien avec une erreur de manipulation de l'outil. Cet incident ne serait donc pas de nature à remettre en cause la fiabilité du système qui se révèle être une amélioration de la communication au sein des établissements pénitentiaires.

 

Des tests réguliers sont effectivement prévus. De manière générale, lorsqu'un dysfonctionnement est signalé, la firme qui a installé l'outil est contactée pour régler le problème. Il ne faut pas nier le fait que des problèmes apparaissent, mais ils sont résolus au fur et à mesure.

 

Il est vrai que des problèmes ont été observés ailleurs mais je répète que ces problèmes techniques sont difficilement évitables avec du matériel informatique. Tout est mis en œuvre pour les régler au plus vite lorsqu'ils se présentent.

 

04.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

J'ai également eu des contacts avec les syndicats de la prison de Ittre. Ces derniers ne sont pas convaincus que ce problème soit dû à une erreur de manipulation. Ils attirent également l'attention sur le problème de réseau et de localisation au sein de la prison.

 

Je suis bien conscient que ce type de problème est inévitable lors du lancement d'un système avec du matériel informatique. Cependant, il s'agit d'un sujet important et on ne peut pas jouer avec la sécurité des gardiens. Je souhaite que tout soit mis en œuvre pour que les problèmes soient résolus le plus rapidement possible, d'autant qu'ils se sont déjà posés dans d'autres prisons.

 

Comme vous avez dit qu'il s'agirait d'un problème de manipulation, il s'avère nécessaire que des formations soient organisées. Si le problème est dû à une mauvaise manipulation, c'est peut-être que les agents n'ont pas eu l'occasion de se former.

 

Enfin, je voudrais préciser qu'il serait plus opportun, pour résoudre en partie ces problèmes de sécurité des gardiens, malgré tous ces systèmes de localisation et de boutons d'urgence, qu'ils se déplacent en binômes dans la prison.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de gebrekkige statistiek binnen Justitie" (nr. 18163)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le manque de statistiques au sein de la Justice" (n° 18163)

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een woordvoerder van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie laakte onlangs het gebrek aan een geïntegreerde statistiek bij Justitie. Aanleiding was het ontbreken van de cijfers over de strijd tegen fraude en belastingontwijking. Uzelf reageerde dat u bij uw aantreden hebt moeten vaststellen dat er veel cijfers ontbraken waarop u uw beleid wilde baseren. Als oorzaken verwees u naar een zwakke informatisering en een te kleine ambitie in het verleden om het beleid ook vanuit de cijfers te laten vertrekken. U stelde een nationaal ketengericht datamodel in het vooruitzicht.

 

“Meten is weten, het is intussen een veelgehoorde boutade. Toch kan de relevantie van cijfergegevens en hun analyse moeilijk overschat worden. Dat een dergelijke oefening tijd en veel vlijt kost, spreekt voor zich.” Met deze woorden begon de publicatie Justitie in cijfers, editie 2012, meteen de laatste editie die men terugvindt op de website van de FOD Justitie. Voor het jaar 2013 vindt men enkel nog gegevens op de website, zonder veel duiding. Voor 2014 is er enkel een grafiek van het budget en voor de volgende jaren is er niets.

 

Met de publicatie Justitie in cijfers kreeg de lezer aan de hand van een hele resem cijfergegevens een overzicht van het budget, het aantal betrokken medewerkers en de activiteiten van Justitie. Naast het openbaar ministerie en de instanties van de zetel, kwamen ook de penitentiaire inrichtingen en de Justitiehuizen aan bod.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, waarom werd de publicatie Justitie in cijfers niet voortgezet?

 

Ten tweede, worden de cijfers die in deze publicatie waren opgenomen, nog steeds bijgehouden? Zo ja, waar kunnen deze gegevens worden geconsulteerd? Zo nee, waarop baseert u uw beleid?

 

Ten derde, hoe uit uw grote ambitie zich concreet om het beleid ook vanuit cijfers te laten vertrekken? Waarin verschilt uw ambitie met de naar uw zeggen “kleine ambitie” van uw voorgangers?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, de publicatie Justitie in cijfers werd tot 2013 samengesteld en uitgebracht door de dienst Communicatie van de FOD. De voorzitter van de FOD bevestigde mij dat het na die datum voor de dienst Communicatie niet meer mogelijk is geweest deze publicatie te verzorgen.

 

Intussen werd binnen de diensten van de voorzitter een nieuwe cel opgericht, belast met het beheer van statistische informatie. Deze cel is er tot nu toe in geslaagd cijfermateriaal tot en met 2015 te bundelen. De cijfers die ze verzamelt, komen uit diverse bronnen.

 

Binnen Justitie beschikt elke entiteit over een eigen systeem. De diverse methodologieën en telregels moeten op elkaar worden afgestemd. Het is dan ook de ambitie om de vulgarisatie van de kerncijfers voort te zetten. Een nieuwe publicatie zou binnenkort moeten verschijnen. Momenteel zijn de cijfers voor 2016 nog niet beschikbaar. In de toekomst hopen de betrokken diensten echter een nieuw publicatieritme te vinden.

 

Mijn ambitie met betrekking tot de productie van gerechtelijke statistieken hangt vanzelfsprekend nauw samen met de informatiseringsprojecten bij Justitie. De verdere uitrol van MaCH in de correctionele parketten en rechtbanken en de inhaalbeweging bij de dienst Centraal Strafregister, noodzakelijk om de dienstverlening aan de steden en gemeenten na de afschaffing van de lokale strafregisters te kunnen waarmaken, zijn nu prioritair en zullen alvast op termijn een grote meerwaarde betekenen voor de kwaliteit van de criminaliteitsstatistieken. Ze zullen bijgevolg een beter cijfermatig onderbouwd beleid mogelijk maken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. Gautier Calomne au ministre de la Justice sur "la lutte contre le vol dans les commerces" (n° 18189)

06 Vraag van de heer Gautier Calomne aan de minister van Justitie over "de bestrijding van winkeldiefstallen" (nr. 18189)

 

06.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, selon des informations parues dans la presse, vous seriez ouvert à un débat sur la mise en place, en Belgique, d'un système comparable au système d'application aux Pays-Bas pour le payement d'indemnités en cas de vols dans les commerces.

 

Chez nos voisins, le dispositif Afrekenen met winkeldieven repose sur l'obligation pour l'auteur d'un vol de dédommager le commerçant à hauteur d'un montant forfaitaire de 181 euros pour le préjudice subi. Pour bénéficier de cette indemnité, la victime doit déposer plainte auprès des services de police et, une fois le procès-verbal établi, elle peut communiquer le numéro du PV à une fondation chargée d'encaisser le montant et de le reverser au bénéficiaire. Lancée en 2003, cette mesure semble porter ses fruits, puisque 75 % des plaintes donneraient lieu à une indemnisation complète.

 

Interrogé dans les médias, vous avez déclaré ceci: "le règlement amiable immédiat est déjà d'actualité dans certains parquets et est l'une des pistes que nous examinons. Il en existe d'autres, apparentées à la comparution immédiate et au règlement amiable. J'ai appris par la presse que l'UNIZO souhaitait suivre l'exemple des Pays-Bas. En tout état de cause, j'estime que le droit pénal doit rester d'application pour les affaires graves. Nous avons contacté l'UNIZO pour connaître leurs propositions et en peser les avantages et les inconvénients. Nous verrons quelles suites leur réserver".

 

Aussi, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Pouvez-vous expliciter votre positionnement quant à ce dispositif? Quels sont les avantages et les inconvénients qui ont déjà été identifiés par vos services?

 

Quel calendrier des concertations a-t-il été fixé dans ce dossier? Allez-vous consulter d'autres représentations sectorielles et, le cas échéant, lesquelles?

 

Quelles sont les autres pistes envisagées pour mieux lutter contre les vols dans les commerces, qui représentent aujourd'hui entre 900 millions et 1 milliard d'euros par an de manque à gagner pour les commerçants belges? Qu'en est-il, par exemple, du Retail Information Network, plate-forme permettant l'échange d'informations entre les autorités et les commerçants, proposée par la Fédération du commerce et des services Comeos?

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur le député, le dispositif néerlandais Afrekenen met winkeldieven est une manière d'exiger réparation par une action civile pour les dommages indirects subis par le commerçant lors du traitement d'un vol commis dans son établissement.

 

En Belgique également, le vol dans les commerces est à la fois un fait punissable et un acte dommageable. En effet, en vertu de l'article 1382 du Code civil, la réparation du dommage qui résulte d'une faute peut être poursuivie dans le chef de l'auteur de la faute. Une telle réparation est indépendante des poursuites pénales exercées par la justice.

 

Il existe déjà des formes de traitement d'un dommage via un formulaire standard, par exemple, comparé aux dommages causés par des accidents de la route.

 

En outre, la Belgique connaît aussi la figure de la transaction. L'article 2044 du Code civil précise que la transaction est un contrat par lequel les parties terminent une contestation née ou préviennent une contestation à naître, et que celui-ci doit être rédigé par écrit.

 

J'ai pris connaissance de la proposition d'UNIZO. À mon sens, un tel système pourrait également être instauré en Belgique sans devoir procéder à des modifications législatives. Cependant, le cas échéant, il me paraît opportun qu'un protocole soit conclu avec le ministère public qui, d'une part, contiendrait l'accord, et d'autre part préciserait de manière transparente comme il doit être appliqué. Il importe en effet – et certainement dans le cas des récidivistes – que la plainte et les poursuites pénales demeurent possibles, même après le règlement des intérêts civils et la réparation des dommages directs.

 

La lutte contre les vols mineurs dans les commerces figure également parmi les mesures du plan fédéral pour les PME de mon collègue Borsus. Ce plan prévoit cette lutte soit par une extension des initiatives qui permettent de traduire les auteurs devant des chambres de comparution immédiate, soir par la proposition systématique d'une transaction aux délinquants.

 

Je suis tout à fait disposé à soumettre d'éventuelles propositions pour examen au Collège des procureurs généraux.

 

06.03  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n°18202 de Mme Jadin sera posée en commission de l'Infrastructure.

 

07 Question de M. Gautier Calomne au ministre de la Justice sur "les sources de financement des ASBL" (n° 18207)

07 Vraag van de heer Gautier Calomne aan de minister van Justitie over "de financieringsbronnen van vzw's" (nr. 18207)

 

07.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, la presse s'est fait l'écho récemment de l'obligation future des ASBL de révéler la source de leurs financements. Des clubs de football aux centres d'activités culturelles pour les seniors en passant par les lieux de culte, toutes les associations seront tenues d'indiquer, dans leurs comptes annuels, l'identité de leurs bailleurs de fonds et les montants ainsi perçus. Certes, les ASBL doivent déjà déposer leurs comptes annuels au greffe du tribunal de commerce mais cette mesure va permettre de renforcer l'effort de transparence et de bonne gouvernance dans le secteur associatif, en ce compris dans le contexte de la lutte contre le terrorisme et le grand banditisme.

 

Monsieur le ministre, mes questions seront les suivantes. Pouvez-vous nous préciser les contours exacts de cette disposition? Quel est l'agenda prévu pour la mise en oeuvre de cette nouvelle obligation pour les ASBL? Enfin, quelles sont les sanctions retenues pour les acteurs associatifs qui ne se plieraient pas à cette nouvelle réglementation?

 

07.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Calomne, l'article 17 de la loi du 27 juin 1921 relative entre autres aux ASBL me permet de revoir les dispositions relatives aux comptes annuels des ASBL. Brièvement, les ASBL devraient créer une liste dans laquelle elles devront indiquer l'origine et le montant de chaque don d'un même donateur qui dépasse une certaine limite. Pour l'instant, la limite envisagée est de 40 000 euros mais les discussions avec la Commission des Normes comptables et le secteur vont clarifier les choses en la matière.

 

La charge administrative pour les ASBL restera limitée parce qu'elles disposent déjà de ces informations. Le but de la mesure est de faciliter l'accès des services publics à ces informations. Il n'y aura pas de sanction spécifique. La règle générale que les administrateurs sont responsables si l'association ne respecte pas ses obligations légales reste évidemment valable.

 

07.03  Gautier Calomne (MR): Merci pour votre réponse, monsieur le ministre.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "kinderbedelarij" (nr. 18256)

08 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la mendicité des enfants" (n° 18256)

 

08.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, wij kennen het beeld van mensen die bedelen, terwijl zij kinderen bij zich hebben. Vaak gaat het over jonge moeders, die de kinderen niet zelf laten bedelen, maar ze meenemen, om op die manier bij de voorbijgangers medelijden op te wekken en aldus gemakkelijker in hun doel te slagen.

 

Mijnheer de minister, indien ik goed ben ingelicht, is de ouder die zijn of haar kind meeneemt om te bedelen, niet strafbaar. Wel is strafbaar, wanneer de ouder het kind zelf laat bedelen of wanneer ouders hun kinderen ter beschikking van een bedelaar stellen. In dat geval is de strafwet wel degelijk van toepassing.

 

In ons Strafwetboek zijn twee vergelijkbare bepalingen daarop van toepassing, namelijk artikel 433ter van het Strafwetboek inzake uitbuiting van de bedelarij en artikel 433quinquies inzake mensenhandel met het oog op uitbuiting van de bedelarij.

 

Er bestaat in de rechtspraak blijkbaar – dit wordt ook in de rechtsleer aangehaald – mogelijke confusie over de verschillende bepalingen. Hierdoor willen blijkbaar een aantal steden en gemeenten de problematiek middels het politiereglement aanpakken.

 

Mijnheer de minister, klopt het dat kinderbedelarij enkel strafbaar is wanneer de kinderen effectief zelf bedelen? Klopt het dus dat ouders hun kind kunnen meenemen bij het bedelen, met alle gevolgen van dien?

 

Zou een wetgevend initiatief om ook strafbaar te stellen dat mensen hun kind tijdens het bedelen bij zich hebben, volgens u een goede zaak zijn? Indien ja, plant u zo’n initiatief, mogelijkerwijze in het kader van de herziening van het materiële Strafwetboek?

 

Plant u een ander initiatief, met name een richtlijn inzake strafrechtelijk beleid, om een en ander te verduidelijken, in het bijzonder met betrekking tot de toepassing van beide artikelen?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Cauter, de exploitatie van de bedelarij is een misdrijf op grond van artikel 433ter van het Strafwetboek. Het artikel is meer bepaald van toepassing in de situatie waarin de ouder het kind aanzet tot bedelen en waarin de ouder het kind ter beschikking van een derde stelt om te bedelen. Het hof van beroep te Brussel heeft in het arrest van 26 mei 2010 geoordeeld dat die bepaling niet van toepassing is in de situatie waarin de ouder bedelt met zijn kind in de armen, voor zover het kind niet deelneemt aan de activiteit.

 

Artikel 433quinquies van het Strafwetboek betreft mensenhandel met het oog op de exploitatie van de bedelarij. Elk misdrijf heeft eigen constitutieve bestanddelen, die moeten vervuld zijn. Dat neemt niet weg dat een en dezelfde gedraging soms meerdere misdrijven kan uitmaken, zoals dat ook voor bedelarij het geval kan zijn.

 

Inzake het strafrechtelijk beleid over bedelarij bestaan er verschillende richtlijnen van het College van procureurs-generaal, die de problematiek duidelijk en uitgebreid regelen. Die richtlijnen besteden ook aandacht aan de beide artikelen van het Strafwetboek, die u hebt aangehaald, net om een uniforme aanpak en toepassing in België te verzekeren en een willekeurige toepassing te vermijden.

 

Daarenboven hebben de richtlijnen bijzondere aandacht voor minderjarigen. De aanpak van situaties van bedelarij door een minderjarige of in het bijzonder met een minderjarige behoort tot de prioriteiten van het strafrechtelijk beleid. De maatregelen van het strafrechtelijk beleid laten de magistraten van de parketten toe om beter te bepalen in welke situaties een gerechtelijke vervolging moet gebeuren en op welke wettelijke basis. Wanneer ik al die overwegingen in ogenschouw neem, lijkt mij een wetgevend initiatief ter zake niet dringend noodzakelijk.

 

08.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik zou u dankbaar zijn, mocht u me de richtlijnen kunnen bezorgen.

 

08.04 Minister Koen Geens: Die zijn vertrouwelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "minderjarige (potentiële) terroristen" (nr. 18257)

09 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "les mineurs terroristes (potentiels)" (n° 18257)

 

09.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, via de pers vernamen wij dat op de Belgische lijst van foreign fighters blijkbaar 22 minderjarigen zouden staan, van wie er nog vier in Syrië verblijven, één persoon naar ons land terugkeerde, vijf al probeerden af te reizen en de overige nog in België zijn maar geradicaliseerd zijn en plannen hebben om naar Syrië te gaan. Voorts zouden nog 35 minderjarigen in Syrië of andere strijdgebieden in het Midden-Oosten verblijven.

 

Vanwege hun leeftijd mag het federaal parket hun dossiers niet zelf behandelen. Gerechtelijke dossiers betreffende minderjarigen worden behandeld door de lokale parketten en alleen wanneer er meerderjarigen betrokken zijn bij het dossier mag het federaal parket de zaak behandelen.

 

U zou in dit kader hebben verklaard dat minderjarigen bij ernstige feiten kunnen worden berecht als volwassenen en dat de arrondissementele terrorismemagistraat informatiekanalen kan delen met het federaal parket. Dat is ongetwijfeld juist, maar ik denk dat het efficiënter zou zijn, zeker wanneer het gaat over terroristische misdrijven, als het federaal parket zich rechtstreeks over die dossiers zou kunnen buigen.

 

Ik ben mij er zeer van bewust dat ingevolge de zesde staatshervorming het jeugdbeschermingsrecht grotendeels een bevoegdheid van de Gemeenschappen is geworden en dat de Gemeenschappen mee kunnen werken aan richtlijnen voor het opsporingsbeleid, maar de federale overheid blijft wel bevoegd voor de procedureregels zoals de organisatie, de territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor jeugdrechtbanken. Ook de burgerlijke en strafrechtelijke regels blijven een federale bevoegdheid.

 

Mijnheer de minister, wat staat er in de weg om het federaal parket ook dossiers van minderjarigen te laten behandelen? Welke ingrepen zijn er desgevallend nodig om het federaal parket bevoegd te maken voor deze dossiers? Hebt u de intentie om dat te doen?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Cauter, ingevolge de Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 worden minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, voor de jeugdrechtbank en voor de jeugdkamers bij het hof van beroep gebracht. De leden van het openbaar ministerie die daarbij optreden, moeten conform het Gerechtelijk Wetboek een daartoe gespecialiseerde opleiding bij het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding hebben genoten. Zij moeten ook specifiek worden aangewezen. De jeugdbeschermingswet heeft immers geen gerechtelijke finaliteit maar is gericht op de bescherming, behoeding en opvoeding van de minderjarige en wijkt dan ook af van de regels van strafvordering. Minderjarigen die verdacht worden van betrokkenheid bij terroristische feiten worden dan ook door de arrondissementele parketten of door de parketten-generaal voor de jeugdrechtbank of de jeugdkamers bij het hof van beroep gebracht.

 

De federale procureur verklaarde op 21 september 2016 tijdens zijn publieke hoorzitting voor de parlementaire onderzoekscommissie naar de terroristische aanslagen dat hij geen voorstander is van de aanpassing van de bevoegdheid van het federaal parket inzake jeugdzaken. Ik volg de federale procureur in zijn mening, die hij ook vandaag nog steeds aanhoudt. Het federaal parket is immers wel betrokken bij de terrorismeonderzoeken naar minderjarigen. Ingevolge artikel 144sexies van het Gerechtelijk Wetboek is het federaal parket belast met de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering in overleg met de bevoegde procureurs des Konings, ook indien het onderzoek betrekking heeft op meerdere minderjarigen die onder de bevoegdheid van verschillende lokale parketten vallen.

 

In federale dossiers waarbij in de loop van het gerechtelijk onderzoek elementen opduiken ten laste van één of meer minderjarigen zal de federale procureur in uitvoering van een standpunt van het College van procureurs-generaal en de federale procureur de reeds gevatte onderzoeksrechter vorderen om een gerechtelijk onderzoek op te starten met betrekking tot die minderjarigen, op basis van artikel 49 van de jeugdbeschermingswet. Daarnaast zal het federaal parket in overleg met de bevoegde jeugdparketten de schriftelijke eindvordering voor de minderjarige opstellen en het openbaar ministerie vertegenwoordigen bij de regeling van de procedure ten aanzien van deze minderjarige in het kabinet van de onderzoeksrechter.

 

Wat de uithandengeving betreft, kan de jeugdrechtbank ingevolge artikel 57bis van de jeugdbeschermingswet minderjarigen vanaf zestien jaar voor wie zij een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, en die een terroristisch misdrijf hebben gepleegd, uit handen geven, teneinde ze te laten vervolgen voor een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank, die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast. Dit kan enkele indien de betrokken minderjarige reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een of meer maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod van de jeugdrechtbank.

 

Sinds de zesde staatshervorming zijn de Gemeenschappen bevoegd voor het vaststellen van de regels inzake de uithandengeving.

 

09.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, toen ik hierover de pers las, had ik de indruk dat de federale procureur van mening veranderd was. Misschien heb ik het artikel onvoldoende goed gelezen, of werden zijn woorden niet goed weergegeven. Ik las in de pers toch een ferme waarschuwing van de federale procureur als hij het heeft over de coördinatieproblemen die rijzen wanneer minderjarigen betrokken zijn in dossiers inzake terroristische misdrijven.

 

Ik begrijp dat minderjarigen een specifieke aanpak vereisen. Wij spreken dan ook over jeugdbeschermingsrecht en niet over jeugdsanctierecht, precies omwille van de niet-strafrechtelijke finaliteit van deze materie. Tot daar kan ik u volgen, maar ik denk dat men een en ander van nabij zal moeten opvolgen. U weet dat het coördineren en het laten doorstromen van informatie niet altijd evident is. Als minderjarigen bij terroristische misdrijven betrokken zijn, en dat kan over zeer ernstige feiten gaan met potentieel zeer ernstige gevolgen, dan meen ik dat een eenheid van onderzoek aangewezen is. Trouwens, een van de redenen waarom destijds het federaal parket werd opgericht, was precies om in dossiers met een internationale en arrondissementsoverschrijdende betrokkenheid een goede coördinatie en een goed verloop van het onderzoek te kunnen verzekeren.

 

Ik dank u alvast om deze problematiek te blijven opvolgen. U hebt zelf terecht de vraag gesteld hoe wij moeten omgaan met een minderjarige die wordt of zal worden vervolgd ingevolge terroristische misdrijven. Behandelen wij betrokkene als een slachtoffer dat moet worden beschermd of als iemand die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd? Zeker wanneer het over terrorisme gaat, is dat een moeilijke afweging. Ik verzoek u aldus nogmaals om de problematiek aandachtig te blijven opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het fenomeen van skin gambling en de maatregelen tegen internetgokken door minderjarigen" (nr. 18278)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le phénomène du skin gambling et les mesures prises contre les paris sur le web par les mineurs d'âge" (n° 18278)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, onlangs lazen we in de pers dat zich in de marge van online computergames een alternatief gokcircuit heeft ontwikkeld waarin Belgische tieners zonder enige controle of regulering hun zakgeld verspelen. Het gaat om het zogenaamde skin gambling. Spelers kopen skins, dat zijn kleurenpatronen waardoor de in het videospel gebruikte wapens meer opvallen, die ze vervolgens als fiches kunnen inzetten op goksites om mee te gokken. De duurste skins kosten duizenden euro’s, de goedkoopste een paar eurocent. Via diverse wegen is het mogelijk om het geld te storten, te handelen in skins, te gokken en je geld terug op je rekening te krijgen.

 

Volgens de kansspelwet is de exploitatie van kansspelen en kansspelinrichtingen in België verboden, behalve als het vergund is.

 

Vroeger was gokken op het internet volledig verboden. Sinds 2011 mogen bedrijven die van de Kansspelcommissie een vergunning gekregen hebben kansspelen uitbaten op het internet. Deze kansspelen zijn, zoals alle andere, verboden voor minderjarigen.

 

Een vertegenwoordiger van de Kansspel­commissie liet optekenen dat de aandacht voor online kansspelen binnen de Kansspelcommissie omgekeerd evenredig is aan hun forse groei. Meer nog, een werkgroep binnen de Kansspel­commissie die zich toelegde op de kansspelen via het internet zou reeds in 2015 zijn opgedoekt wegens gebrek aan capaciteit.

 

Ik heb hierover enkele vragen.

 

Heeft u kennis van het fenomeen van skin gambling? Beschikken de aanbieders van dergelijke kansspelen over een vergunning van de Kansspelcommissie?

 

Klopt het dat de werkgroep binnen de Kansspelcommissie die zich toelegde op het internetgokken bij gebrek aan mensen en middelen zijn activiteiten heeft gestaakt?

 

Welke maatregelen zult u nemen tegen internetgokken door minderjarigen?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, het fenomeen van skin gambling is bekend bij de Kansspelcommissie. De aanbieders van dergelijke kansspelen beschikken niet over een vergunning.

 

De werkgroep Internetgokken wordt inderdaad niet meer georganiseerd door de Kansspel­commissie. Een van de redenen was een gebrek aan competentie in die materie, waardoor een beroep moest worden gedaan op experts van de sector zelf, wat een probleem van belangen­vermenging met zich bracht.

 

De aanpak van online gokken is nochtans een prioriteit in de strijd tegen gokverslaving. Ik hecht veel belang aan een effectieve regulering van de markt van kansspelen en aan de bescherming van de minderjarigen. Momenteel lopen politieke besprekingen over concrete maatregelen die zullen worden genomen bij wetswijziging en koninklijke besluiten.

 

De Kansspelcommissie is nauw betrokken bij deze werkzaamheden. Op mijn vraag heeft de Kansspelcommissie zich toegelegd op de organisatie van een sluitende identificatie van gokkers op het internet. De bijdragen van de kansspelsector worden gestort in een organiek fonds.

 

In 2016 kreeg de Kansspelcommissie de toelating om een deel van het budget van de werkings­kosten over te hevelen naar het budget voor het personeel, maar aangezien het personeelsplan 2016 pas eind 2016 werd ingediend, leidde dit nog niet tot een uitvoering.

 

Het dossier wordt nu in het licht van de begroting 2017 herbekeken. Ik wens daarbij vooral in te zetten op de versterking van de controle op online gokken, zodat er sprake is van een effectieve regulering van de markten, ook van de alsmaar belangrijker wordende online markt, en op een betere bescherming van minderjarigen, vooral degenen die heel gevoelig zijn voor de nieuwe media.

 

10.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.07 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.07 uur.