Commissie voor de Sociale Zaken

Commission des Affaires sociales

 

van

 

Dinsdag 16 mei 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 16 mai 2017

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.40 uur en voorgezeten door mevrouw Evita Willaert.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.40 heures et présidée par Mme Evita Willaert.

 

De voorzitter: Goedemorgen collega’s, aan de orde zijn de vragen aan de minister van Sociale Zaken, mevrouw De Block. Welkom, mevrouw de minister.

 

Ik wil beginnen met een dienstmededeling. Wegens de recente cyberaanval hebben de diensten gisteren besloten om uit veiligheidsoverwegingen alle computers los te koppelen van het netwerk. Daardoor konden sommige ingediende vragen niet meer worden doorgespeeld. Die vragen worden uitgesteld tot de volgende bijeenkomst. Het betreft de volgende vragen: nr. 18502 van mijzelf, nrs 18473 en 18466 van de heer Delizée, nr. 18469 van de heer Hedebouw en nrs 18465 en 18464 van de heer Daerden.

 

Een van de vragen van de heer Daerden wou de minister zeker toevoegen aan de eerste reeks samengevoegde vragen, omdat die over hetzelfde onderwerp gaan, maar de heer Daerden is daarvan natuurlijk niet op de hoogte. Het zou niet fair zijn om die vraag te laten vervallen. Ik stel dus voor dat wij die vraag toch uitstellen tot de volgende bijeenkomst, ook al handelt die over hetzelfde thema als de eerste samengevoegde vragen.

 

01 Questions jointes de

- M. Philippe Blanchart à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "l'augmentation du nombre de malades de longue durée" (n° 17019)

- M. Raoul Hedebouw à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "l'instauration de sanctions financières à l'égard des malades de longue durée" (n° 17168)

- M. Vincent Van Quickenborne au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le glissement du chômage vers l'invalidité" (n° 17382)

- M. Éric Massin à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "les malades de longue durée et les sanctions prises à leur égard" (n° 17701)

- M. Raoul Hedebouw à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "le nombre record de malades de longue durée" (n° 18090)

- Mme Véronique Caprasse à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "les trajets de réintégration et les sanctions des malades de longue durée" (n° 18280)

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Philippe Blanchart aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de stijging van het aantal langdurig zieken" (nr. 17019)

- de heer Raoul Hedebouw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het invoeren van financiële sancties ten aanzien van langdurig zieken" (nr. 17168)

- de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de verschuiving van de werkloosheid naar de invaliditeit" (nr. 17382)

- de heer Éric Massin aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de sancties voor langdurig zieke werknemers" (nr. 17701)

- de heer Raoul Hedebouw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het recordaantal langdurig zieken" (nr. 18090)

- mevrouw Véronique Caprasse aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de re-integratietrajecten en de sancties voor langdurig zieken" (nr. 18280)

 

Drie sprekers zijn afwezig: de heer Blanchart, de heer Van Quickenborne en de heer Massin.

 

01.01  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mevrouw de minister, het aantal langdurig zieken neemt in ons land elk jaar toe. Het langdurig ziektepercentage is op vijftien jaar tijd zelfs verdrievoudigd. Dat blijkt uit onderzoek van de HR-dienstverlener Securex.

 

Het valt op dat niet alleen ouderen maar ook steeds meer dertigers en veertigers langdurig afwezig zijn op het werk. Het langdurig ziektepercentage is bij dertigers op vijf jaar tijd verdubbeld en op tien jaar tijd bijna verdrievoudigd.

 

Bij de veertigers is het percentage op vijf jaar tijd met meer dan de helft verhoogd, bij vijftigers en jonge zestigers met ongeveer een derde.

 

Dat dit aantal jaarlijks verhoogt, getuigt van een stijgende trend, die vermoedelijk de komende jaren zal aanhouden. Het voorbije jaar nam het aantal langdurig afwezigen vooral toe bij werknemers tussen 35 en 44 jaar. De belangrijkste oorzaken van die stijging zijn de verlenging van de beroepsloopbaan door de hogere pensioenleeftijd en chronische stress door zware arbeidsomstandigheden. Wij zien enorm veel mensen met psychische ziektes, zoals burn-outs en depressies, en mensen met problemen met spieren en gewrichten, bijvoorbeeld cts (carpal tunnel syndrome), tendinitis enzovoort.

 

Vooral bij de arbeiders stijgt het aantal zieken sterk door de lange beroepsloopbaan, omdat bij hen de fysieke belasting langer doorgaat. Onder de oudere werknemers zijn ook veel meer vrouwen ziek door de verhoging van de pensioenleeftijd tot 65 jaar in 2009.

 

De verhoging van de werkdruk en het toenemen van de flexibilisering zorgden ook voor meer onveiligheid. De mensen hebben daardoor minder vat op hun eigen werk, wat bijzonder nefast is voor hun mentale gezondheid.

 

De toepassing van de wet-Peeters, de wet betreffende werkbaar en wendbaar werk, zal die situatie nog erger maken, menen wij.

 

Op 31 maart kwam de regering tot een akkoord over het plan voor de responsabilisering van langdurig zieken. Het komt erop neer dat langdurig zieken gesanctioneerd kunnen worden indien zij niet voldoende meewerken aan een re-integratietraject.

 

U stelt dat het doel van uw plannen is om zowel de langdurig zieke werknemers als de werkgevers te responsabiliseren, maar in feite werkt u met twee maten en twee gewichten. De werkgever kan een administratieve boete oplopen, maar die boetes voor werkgevers zijn blijkbaar ontworpen om nooit uitgevoerd te worden.

 

Ik kom tot mijn vragen, mevrouw de minister.

 

Welke maatregelen plant u om de stijging van het aantal langdurig zieken terug te dringen?

 

Hoe wilt u in voldoende aangepast werk voorzien en de werkgevers aansporen om in aangepast werk te voorzien?

 

Bent u bereid voorstellen te onderzoeken in verband met arbeidsduurvermindering met loonbehoud teneinde chronische stress te verminderen, de werkomstandigheden te verbeteren, voor iedereen de combinatie werk-gezin te verbeteren en ruimte te maken voor de creatie van volwaardige jobs?

 

01.02  Véronique Caprasse (DéFI): Madame la présidente, madame la ministre, dans le cadre de la discussion du projet de loi portant dispositions diverses en droit du travail liées à l'incapacité de travail, vous aviez précisé que l'arrêté royal qui devait être pris en vue de mettre en oeuvre les trajets de réintégration ne contiendrait pas de sanctions, mais que l'instauration de sanctions en cas de mauvaise volonté ou d'absence de collaboration était envisagée. Il n'a pas fallu attendre bien longtemps, puisque le 31 mars dernier, vous confirmiez par communiqué de presse qu'un accord sur les sanctions était intervenu au sein du gouvernement.

 

Les employeurs qui ne feraient aucun effort risquent d'être sanctionnés pour un montant forfaitaire de 800 euros par dossier individuel. Les travailleurs qui manqueraient à leurs obligations administratives risquent de voir leur indemnité rabotée de 5 %; ceux qui ne se rendraient pas à un entretien auraient une pénalité de 10 %; et ceux qui refuseraient de coopérer risquent de perdre la totalité de leur indemnité, ce qui est d'ailleurs déjà le cas aujourd'hui.

 

Sans remettre en cause la nécessité de sanctionner les abus et d'encourager la réintégration, il nous semble que les questions laissées dans l'ombre et les premiers résultats du trajet de réintégration sont de nature à susciter quelque inquiétude: 72 % des décisions des médecins du travail déclareraient les travailleurs définitivement inaptes à reprendre le travail. Cela amènerait les employeurs à licencier les malades pour force majeure médicale. Ce qui fait dire à une organisation représentative des travailleurs que ces trajets sont en fait des machines à licencier sans indemnités.

 

À cette inquiétude vient s'ajouter l'explosion du nombre de malades de longue durée. Selon l'ONSS, l'an passé, près de 392 000 personnes étaient en congé de maladie depuis plus d'un an, soit 20 000 de plus qu'en 2015.

 

Madame la ministre, les malades de longue durée pourront-ils justifier leur absence de suivi du trajet de réinsertion? Il me semble qu'une personne réellement malade, qui ne peut pas compter sur une assistance régulière, peut de bonne foi rater un courrier ou une convocation ou ne pas être en mesure de s'y rendre.

 

Pouvez-vous garantir que les moyens nécessaires ont été mis en oeuvre pour apprécier les situations au cas par cas et en assurer le suivi administratif? Ces moyens tiennent-ils notamment compte de l'augmentation du nombre de malades de longue durée?

 

Quels sont les premiers constats faits depuis l'entrée en vigueur du trajet de réinsertion? Ne vaudrait-t-il pas mieux instaurer une période d'observation, de détection d'effets pervers et des abus avérés, avant d'envisager des sanctions?

 

01.03 Minister Maggie De Block: Mevrouw de voorzitter, ik zal het antwoord ook voor de heer Daerden geven. We hebben zijn vraag nagekeken. Hij kan ze nog stellen, maar ik zal dan toch verwijzen naar dit uitvoerig antwoord.

 

Monsieur Hedebouw, madame Caprasse, depuis le 1er décembre dernier, de nouvelles mesures relatives à l'accompagnement et au soutien des personnes reconnues en incapacité et visant à l'établissement d'un trajet de réinsertion socio-professionnelle sont entrées en vigueur. Elles sont définies dans l'arrêté royal du 8 novembre 2016 portant insertion d'une nouvelle section VIquater dans le chapitre III contenu dans le Titre III de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.

 

Dans le cadre de ces nouvelles mesures, un trajet de réinsertion socioprofessionnelle pourra dorénavant être envisagé en faveur des personnes qui disposent de capacités restantes suffisantes, pour autant que cela soit compatible avec leur état de santé. Cet accompagnement impliquera pour le travailleur salarié concerné de coopérer raisonnablement en vue de l'établissement de ce trajet.

 

En ce qui concerne le nombre de personnes reconnues en invalidité, je peux vous le communiquer par voie écrite. À cet effet, je vais transmettre le tableau à Mme la présidente. En tout cas, entre 2005 et 2015, leur augmentation s'élevait à quelque 8 % par an.

 

Le Conseil des ministres a décidé, le 31 mars dernier, de la direction à prendre pour la responsabilisation des employeurs et des titulaires. Les employeurs qui ne fournissent pas assez d'effort sur le plan de la réinsertion des travailleurs en incapacité risquent de recevoir une amende de huit cents euros. Quant aux titulaires, s'ils manquent à leurs obligations relatives à leur réinsertion, par exemple en ne remplissant pas les questionnaires ou en ne se présentant pas à l'examen médicosocial sans raison valable, ils pourraient perdre 5 à 10 % de leur indemnité pendant un mois. Enfin, les médecins traitants qui prescrivent des périodes d'incapacité trop longues seront interrogés à ce sujet.

 

Wat de responsabilisering van de werkgevers betreft, beseffen wij dat niet alle werkgevers over evenveel mogelijkheden beschikken om aangepast werk aan te bieden aan arbeids­ongeschikte werknemers.

 

Daarom heeft de regering beslist dat werkgevers die tot 50 werknemers tewerkstellen geen sanctie riskeren in het kader van de socioprofessionele re-integratie. Men mag immers aannemen, en de cijfers bevestigen dat ook, dat kleine en middelgrote ondernemingen over minder mogelijkheden beschikken om ander, aangepast werk aan te bieden dan een grotere onderneming. Bovendien ligt het absenteïsme wegens langdurige ziekte daar gevoelig lager.

 

We starten met een bescheiden responsabilisering, ook bij de werkgevers. Dat is een bewuste keuze. Een verregaande responsa­bilisering kan ook averechtse effecten hebben op de arbeidsmarkt en er moet daarmee rekening worden gehouden.

 

Wat de vraag naar de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens medische over­macht betreft, ben ik niet bevoegd om daarop te antwoorden. In het kader van de toepassing van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers behoort dat tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Werk.

 

Concernant la responsabilisation des titulaires, je conteste fermement l'idée suivant laquelle celle-ci aurait un effet contre-productif sur le processus de guérison d'une personne en maladie de longue durée. Seuls les titulaires qui refusent manifestement de coopérer risqueront de perdre 10 % de leur indemnité. De plus, le fait de remplir le questionnaire dont question au cours du deuxième mois d'incapacité de travail aura précisément un effet positif sur le processus de guérison du travailleur en incapacité.

 

L'incapacité de travail ne dépend pas uniquement de la maladie dont souffre la personne en question. Il y a au moins treize facteurs différents à prendre en compte en cas d'incapacité de travail. Une grande partie de ces treize facteurs existe déjà depuis longtemps.

 

Le travailleur a l'impression qu'il n'a personne vers qui se tourner pour adresser ses plaintes. Le questionnaire permet donc de lui donner un signal lui permettant de savoir que ses plaintes seront désormais bel et bien entendues et prises au sérieux. Cela pourra avoir un effet positif important sur le processus de guérison.

 

Par ailleurs, je souhaite une nouvelle fois signaler que mon but n'est nullement de priver un maximum de titulaires de leur indemnité. La grande majorité d'entre eux souhaitent reprendre le travail dès que possible. Il n'est donc nullement nécessaire de procéder par la force. Ce groupe de travailleurs a plutôt besoin d'un accompagnement sur mesure. Seul un petit groupe de titulaires, malgré une capacité restante, refusent de retourner au travail. Ce n'est que ledit groupe que je veux mettre davantage sous pression.

 

Wat de responsabilisering van de behandelend artsen betreft, zullen er ook richtsnoeren komen rond de redelijke duur van de voorgeschreven arbeidsongeschiktheid. Daarbij zal worden gewerkt met een vork met een minimum- en een maximumduur. Deze richtsnoeren zullen worden opgemaakt door het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid. In dit orgaan zijn alle artsengroepen vertegenwoordigd. De behan­delend artsen die substantieel van de richtsnoeren afwijken, de zogenaamde outliers inzake voorschrijfgedrag, zullen daarop ook aangesproken worden.

 

We pinnen ons inzake de responsabilisering niet vast op een datum. De re-integratieregeling zal zeker al een hele tijd in voege zijn vooraleer alle wetteksten, de dialoog met de sociale partners en de ziekenfondsen en het parlementair debat achter de rug zullen zijn. Daarom was het ook belangrijk om nu al hierover te beslissen, omdat tussen het moment van de beslissing in de Ministerraad en de uitwerking en toetsing ervan op het terrein met de betrokken actoren er nog heel wat maanden verlopen.

 

In het kader van het recentste interprofessioneel akkoord hebben de sociale partners er zich ook toe geëngageerd om ook inzake de problematiek van de burn-out de nodige onderzoeken uit te voeren. Deze dialoog tussen de sociale partners wil ik ook actief steunen met de medewerking van de instellingen die onder mijn verantwoordelijkheid vallen, zoals de Hoge Gezondheidsraad, het RIZIV en Fedris, dat ter zake veel expertise heeft.

 

En ce qui concerne la responsabilisation, je me réfère à l'article 69 de la convention n° 102 de 1952 de l'Organisation internationale du Travail concernant les normes minimales de sécurité sociale. Conformément à ces dispositions, l'indemnité de maladie peut être suspendue lorsque le titulaire ne fournit pas assez d'efforts dans le cadre de la réinsertion socio-professionnelle.

 

En ce qui concerne la responsabilisation des travailleurs, je renvoie à l'article 6 du Pacte international de 1966 relatif aux droits économiques, sociaux et culturels. Cette disposition garantit le droit au travail. Ce droit implique entre autres que les personnes ayant un handicap professionnel et les personnes en incapacité de travail de longue durée en font partie et doivent pouvoir trouver un job sur le marché de l'emploi régulier afin de pouvoir gagner leur vie pour subvenir à leurs besoins mais aussi en vue de pouvoir développer leurs talents.

 

L'État a l'obligation de veiller à ce que les entreprises du secteur privé coopèrent à cet effet, s'il faut en menaçant de les sanctionner.

 

Om een duidelijker beeld te krijgen van de afzonderlijke invloed van de verschillende factoren werd in het studieprogramma 2017, dat het kenniscentrum van de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV opstelde, ook dat onderwerp meegenomen. Meer bepaald zal ook worden onderzocht welke de specifieke interacties zijn tussen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit en de andere takken van de sociale zekerheid. Daarenboven zal de studie ook focussen op de simulatie van het effect van potentiële toekomstige veranderingen binnen andere takken van de sociale zekerheid op de intrede in de invaliditeit en het budget van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De studie vangt aan in de zomer van 2017.

 

Een betere kennis van die interacties tussen de verschillende poten van onze sociale zekerheid moet ons ook in staat stellen om de budgettaire gevolgen van hervormingen in die verschillende takken van de sociale zekerheid, zowel naar inkomsten als naar kosten, op voorhand beter in te schatten. Dat zal onze leidraad moeten zijn als er verdere ingrepen komen inzake de verlenging van de loopbaan, het verminderen van de arbeidsduur enzovoort. Al die parameters kunnen worden meegenomen.

 

Het is een uitvoerig antwoord, mevrouw de voorzitter. Dat is niet de gewoonte, maar het is echt een heel belangrijk onderdeel waarin een evenwicht moet worden gezocht. Wij zijn trouwens ook een van de laatste landen in Europa die eindelijk eens op een moderne manier kijken naar wat er loos is, waarom er zo’n exponentiële stijging blijft en hoe dat te remediëren is.

 

01.04  Raoul Hedebouw (PTB-GO!): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw lang antwoord. U hebt veel gezegd, maar het is schrijnend dat u bijna niets zegt over de oorzaken van de stijging van het aantal langdurig zieken in ons land. Kijk maar naar de dertigers en de veertigers. Daar is toch iets aan de hand.

 

U hebt gelijk dat minister Peeters ook bevoegd is. Ik zal de vraag dan ook aan hem stellen.

 

Als men het aantal langdurig zieken wil verminderen, moet er echter toch iets aan de oorzaken gebeuren. Ik had het over het werkritme, het aantal werkuren. Het verwondert mij dat u daarover niets zegt.

 

Uit een studie van het ABVV blijkt dat de arbeidsgeneesheer in 72 % van de gevallen oordeelt dat de werknemer definitief ongeschikt is. In die zin is het een instrument om mensen uit te sluiten van de arbeidsmarkt. Dat kan men allesbehalve sociaal noemen.

 

C'est surtout une machine à exclure qui est en marche, ce qui, à mon sens, est regrettable. Il faudrait, je pense, être beaucoup plus inclusif et résoudre les vrais problèmes, c'est-à-dire la cause de ce nombre sans cesse croissant de malades de longue durée.

 

01.05  Véronique Caprasse (DéFI): Madame la ministre, nous sommes bien entendu d'accord pour détecter et sanctionner les abus mais deux aspects nous dérangent dans l'approche de votre gouvernement: le premier est d'ordre idéologique et, le second, d'ordre méthodologique, ces deux aspects étant liés.

 

Les représentants des patients, tant néerlandophones que francophones, ont beau rappeler que quatre malades de longue durée sur cinq préfèreraient retourner au travail, vous voulez d'emblée prévoir des sanctions. Nous aurions préféré une période d'observation des résultats du parcours de réintégration afin de mieux cerner les problèmes, les éventuels effets pervers (comme le licenciement des malades déclarés définitivement inaptes) et envisager des adaptations. Nous attendons le tableau que vous avez proposé, ce qui me semble utile pour, peut-être, peaufiner notre analyse dans le futur. Je vous remercie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 17020 van de heer Blanchart is uitgesteld.

 

02 Question de Mme Sybille de Coster-Bauchau au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la capacité des enseignants non statutaires à travailler en qualité de flexi-jobs durant les vacances d'été" (n° 17257)

02 Vraag van mevrouw Sybille de Coster-Bauchau aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de mogelijkheid voor niet-vastbenoemde leerkrachten om in de zomervakantie een flexi-job uit te oefenen" (nr. 17257)

 

02.01  Sybille de Coster-Bauchau (MR): Madame la présidente, madame la ministre, ma question était initialement adressée au ministre de l'Emploi. Je ne sais pas pourquoi elle arrive chez vous, mais c'est ainsi!

 

Nos jeunes enseignants, que ce soit au Nord ou au Sud, disposent souvent d'un statut quelque peu précaire en attendant leur nomination définitive ou leur accès à la qualité de statutaire. Ces enseignants sont rémunérés à la prestation et connaissent de nombreux "trous" dans leurs occupations, notamment en raison des vacances scolaires. Parfois ils sont employés à temps partiel, parfois par plusieurs écoles à la fois.

 

Mais il y a une période où ils ne travaillent effectivement pas: durant les vacances scolaires d'été, soit les deux premiers tiers du troisième trimestre de l'année, ce qui a son importance. De ce fait, les enseignants non statutaires, y compris ceux ayant quelques contrats stables pour une partie de leur temps dans des établissements scolaires, ne peuvent prester de flexi-jobs pendant tout le deuxième trimestre de l'année, faute d'avoir travaillé suffisamment durant cette période cruciale qui va du 1er juillet au 30 septembre de l'année précédente. En effet, c'est ce trimestre, appelé T3, qui sert de référence pour définir si la personne peut être engagée ou non sous le régime des flexi-jobs.

 

Ce problème a-t-il été relevé par vos services? Est-il prévu de le résoudre?

 

02.02  Maggie De Block, ministre: Chère collègue, conformément à l'accord de gouvernement, les flexi-jobs ont été créés spécifiquement pour les travailleurs salariés qui ont déjà au moins une occupation de 4/5èmes. La mesure est délibéré­ment axée sur les travailleurs salariés qui ont déjà une activité principale afin de leur rendre les à-côtés dans le secteur horeca plus attrayants. Le gouvernement vise ainsi, d'une part, à soutenir le secteur en lui permettant d'occuper d'une manière intéressante d'un point de vue fiscal et parafiscal la main-d'œuvre flexible nécessaire et, d'autre part, à lutter contre le travail au noir.

 

Afin de pouvoir contrôler cette condition de base d'une occupation préalable à 80 %, il a été prévu que ces prestations doivent être fournies au cours du trimestre T3. C'est le délai nécessaire dont l'ONSS a besoin afin de pouvoir disposer des données consolidées.

 

Dans le cas que vous évoquez, la condition de prestation à concurrence d'au moins 80 % durant le trimestre de référence aura en effet pour conséquence qu'un enseignant non statutaire ne remplira pas cette condition s'il souhaitait être occupé comme flexi-job dans le secteur horeca durant le premier trimestre de l'année qui suit une période de vacances d'été.

 

Nous n'avons pas tenu compte de la situation des enseignants. Il me semble souhaitable d'examiner cette problématique spécifique des enseignants contractuels lors de l'évaluation prévue des flexi-jobs et, si possible, de trouver une solution pour eux. J'imagine que les flexi-jobs conviendraient bien à leur situation, puisqu'ils ont quand même de longues vacances.

 

Il est vrai que nous n'avons pas tenu compte des enseignants. Vous savez qu'ils ont un statut un peu particulier. Mais une évaluation est prévue et nous allons examiner cette question.

 

02.03  Sybille de Coster-Bauchau (MR): Madame la ministre, je vous remercie. Comme vous l'avez dit, il n'en a pas été tenu compte. C'est une situation particulière et je pense que ce sont typiquement des personnes rentrant dans les conditions du flexi-job qui peuvent prester un travail intéressant dans l'horeca, en particulier durant la période des vacances, la plus touristique au Nord comme au Sud. Tous ces jeunes enseignants seraient contents d'avoir un travail complémentaire, d'autant qu'ils ne sont pas rémunérés durant cette période. Je vous remercie donc d'avoir relevé cette situation et d'annoncer qu'elle sera évaluée. Je ne manquerai pas d'y revenir.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 17267 van mevrouw Kitir is uitgesteld.

 

03 Vraag van mevrouw Monica De Coninck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het raamakkoord tussen RIZIV en VDAB/GTB" (nr. 17289)

03 Question de Mme Monica De Coninck à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "l'accord-cadre entre l'INAMI et le VDAB/GTB" (n° 17289)

 

03.01  Monica De Coninck (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mevrouw de minister, sinds 2012 bestaat er een akkoord tussen het RIZIV en de VDAB, waarbij door de medische adviseurs geselecteerde werknemers met een erkende arbeidsongeschiktheid die zich aanbieden voor begeleiding naar een nieuwe tewerkstelling, worden geholpen door de VDAB en de GTB, zijnde een gespecialiseerde trajectbepaling en –begeleidingsdienst.

 

Voor 2016 bepaalde het raamakkoord dat de medische adviseurs 1 250 personen zouden toeleiden. Uiteindelijk bleken er spontaan bijna 4 000 kandidaten te zijn, wat meteen illustreert dat zowel bij werknemers als bij medische adviseurs er wel degelijk een grote bereidheid is om op vrijwillige basis herintegratie-inspanningen te leveren.

 

Een substantieel aandeel van het toeleiden bestaat uit een opleiding, waarbij bij een gedeelte de opleiding wegens medische redenen moet worden stopgezet. Wij moeten dus realistisch blijven. Het slaagpercentage bij de beëindigde opleidingen is echter heel hoog.

 

Globaal zien wij trouwens dat een groot deel van de betrokkenen na de projectdeelname worden gecatalogiseerd als afgeschreven wegens ziekte. Dus, andermaal, realisme blijft geboden.

 

Zowat 40 % van de kandidaten die het traject voltooiden, stroomden uit naar werk. Van hen heeft 35 % vierentwintig maanden na de beëindiging van het traject nog steeds werk. Daarmee wordt de in het raamakkoord afgesproken doelstelling net behaald.

 

Een dergelijke samenwerking is dus nuttig en wenselijk en zou eigenlijk moeten worden verruimd. De cijfers tonen echter aan dat realisme geboden is.

 

Wat mij evenwel verrast, is dat het RIZIV voor 1 250 toeleidingen in 2016, 6 miljoen euro toekende aan de VDAB. Daar er in 2016 spontaan 4 000 toeleidingen waren, werd in het akkoord voor 2017 de doelstelling naar 3 750 personen opgetrokken en werd ook het toegekende bedrag tot 18 miljoen euro opgetrokken. Nochtans heeft de VDAB de opdracht iedere werkzoekende, ook de werkzoekende met een arbeidshandicap en de vrijwillig ingeschrevenen werkzoekenden, te begeleiden.

 

Ik heb de volgende vragen.

 

Past een dergelijke financiering vanuit een federale sociale parastatale naar een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling nog in het kader van de staatshervorming? Deelt u mijn mening dat het hier gaat over dure begeleiding? Bestaat er ook een dergelijke overeenkomst met Actiris en Forem?

 

03.02 Minister Maggie De Block: Mevrouw de voorzitter, mevrouw De Coninck, de evaluatie van het raamakkoord dat in 2016 werd gesloten tussen het RIZIV, het VICO, GTB en VDAB is positief. De overstap naar het raamakkoord heeft geleid tot een betere instroom van werkzoekenden in de VDAB-projecten en heeft ook voor een betere activering gezorgd. De communicatie tussen de verschillende actoren is ook verbeterd en de actoren op de werkvloer vinden elkaar beter, wat heeft geleid tot efficiëntiewinsten. Ik deel echter uw voorzichtigheid. Het kan altijd nog beter.

 

De kwantitatieve parameters die in het raamakkoord voor 2016 werden ingeschreven zijn gehaald. Op het vlak van de instroom zijn deze ruimschoots overschreden. In het raamakkoord werd afgesproken dat de adviserend geneesheren van de betrokken verzekeringsinstellingen zich ertoe engageerden om 1 250 arbeidsongeschikte erkende gerechtigden die in aanmerking komen voor begeleiding naar werk via dienstverlening van de VDAB en zijn partners door te verwijzen. In de praktijk werden bijna vierduizend personen genoteerd. Dit betekent op jaarbasis een verdrievoudiging van het initieel vooropgestelde aantal.

 

Ook op het vlak van de uitstroom zijn er goede resultaten. Van het aantal volledig beëindigde projectdeelnames stroomt 39,2 % uit naar werk. Bovendien blijkt dat twee jaar na het verstrijken van het traject nog steeds meer dan 35 % aan het werk is. Het engagement van de VDAB om te streven naar een maximale uitstroom naar werk van de doorverwezen groep, waarbij een percentage van 35 % als realistisch werd beschouwd, werd dan ook gehaald.

 

In de visie- en afsprakennota bij het raamakkoord voor 2016 werd een clausule opgenomen die stelt dat, en ik citeer, “bij een onderbenutting of een overschrijding van de instroom met meer dan 10 %, in onderling overleg via de Vlaamse stuurgroep dient bepaald te worden wat de gevolgen zijn voor het volgend kalenderjaar”. Zoals reeds aangegeven, bedroeg het aantal aanmeldingen driemaal het vooropgestelde aantal waarop het budget voor 2016 was gebaseerd. Voor 2017 wordt nog een groei verwacht, maar minder uitgesproken. De toename van het budget staat in verhouding tot de in 2016 werkelijk bereikte aantallen.

 

Op jaarbasis zou dit inderdaad neerkomen op een instroom van bijna 3 750 dossiers. Aan een kostprijs van 4 800 euro per dossier dient hiervoor inderdaad een budget van 18 miljoen te worden uitgetrokken.

 

Ik verwijs ook naar de algemene conclusie van het rapport “Activering uit arbeidsongeschiktheid. Hoe de dubbele handicap overwonnen wordt – maatschappelijke doelmatigheid in haar sociale en economische aspecten”. Dit is een rapport van 2016 van Annelies De Coninck, Frederic De Wispelaere, de gekende Jozef Pacolet en Miet Lamberts. Het betreft een onderzoek in opdracht van de Vlaamse minister bevoegd voor Werk, in het kader van het VIONA-onderzoeksprogramma.

 

Een belangrijke conclusie uit het rapport is de volgende, en ik citeer: “Het betekent dat de kost van de bemiddeling in de samenwerkings­overeenkomst gemiddeld of voor de totale groep, snel terugverdiend zou kunnen zijn. Reeds na één kwartaal zou deze budgettaire kost gecompenseerd kunnen worden en wordt de return on investment nog beter bij een ruimere definitie van de sociale kosten-batenanalyse, waarbij ook het verhoogde inkomen van de werknemer wordt meegeteld. De verhouding baten versus kosten wordt nog gunstiger naarmate men meer kwartalen in rekening neemt. Het vinden van werk stijgt ook nog een aantal kwartalen nadat de trajecten zijn afgerond.” Men noemt dat het “na-ijleffect”. “De nieuw gevonden job blijkt ook duurzaam van aard, niet-substantieel minder wat het inkomen betreft en vermoedelijk zelfs ook kwaliteitsvoller in de betekenis dat de job meer aangepast is aan de competenties van de persoon die voorheen arbeidsongeschikt was.”

 

Verder investeren in de samenwerkings­overeenkomst loont, niet alleen omdat het op relatief korte termijn kostenbesparend is, maar ook omdat het aan de arbeidsongeschikte gerechtigde perspectief biedt op een duurzame en aan zijn competenties aangepaste job. De goede samenwerking tussen alle actoren – de adviserend geneesheer, als specialist in de arbeidsongeschiktheid; het RIZIV, dat in het kader voorziet waarbinnen de overeenkomst kan worden uitgevoerd; VDAB en GTB, de arbeidsmarkt­specialisten – verhoogt in belangrijke mate de efficiëntie en heeft bijgedragen tot het substantieel verhogen van het aantal toeleidingen. De door het RIZIV voorziene extra financiering van zowel de oriëntering als de opleiding is, gelet op een snel terugverdieneffect, zeker te verantwoorden. De interactie tussen het federale en regionale niveau biedt in dit dossier een meerwaarde.

 

Ik kom dan tot uw laatste vraag. Er werd een raamakkoord gesloten met de VDAB. Op 15 januari werd een gelijwaardig akkoord gesloten met Forem en op 5 november met Actiris.

 

03.03  Monica De Coninck (sp.a): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat vooral bestond uit het verdedigen van activering en begeleiding, vanuit verschillende perspectieven, van personen met een arbeidshandicap en ziekte. Mensen kansen en een aangepaste begeleiding geven, daar sta ik achter. Dat weet u. Ik merk echter, mevrouw de minister, dat minister Muyters en de heer Fons Leroy in de Vlaamse pers heel duidelijk verklaren dat er een volgende staatshervorming moet komen en dat Vlaanderen het recht moet hebben om alles inzake begeleiding te doen.

 

Daar valt misschien iets voor te zeggen, maar ik merk ook dat zij dikwijls met een dubbele tong spreken. Enerzijds willen zij dat allemaal doen, anderzijds vraagt men wel geld aan de federale overheid om het te doen, terwijl zij het allemaal veel beter kunnen en er ook de centen voor hebben. Hier wordt er voortdurend gediscussieerd over besparingen in de sociale zekerheid. Zij zouden die voor een groot stuk kunnen doen, als zij maar hun werk doen.

 

Het stoort mij onvoorstelbaar dat zij altijd roepen, terwijl zij beter eerst zelf hun job goed zouden doen, met de middelen die zij hebben.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Monica De Coninck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het overleg en de samenwerking tussen arbeidsgeneesheren, adviserend geneesheren en behandelend geneesheren" (nr. 17290)

04 Question de Mme Monica De Coninck à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "la concertation et la collaboration entre les médecins du travail, les médecins-conseils et les médecins traitants" (n° 17290)

 

04.01  Monica De Coninck (sp.a): Mevrouw de minister, wat ik als een belangrijke stap vooruit evalueerde bij de nieuwe wetgeving en uitvoeringsbesluiten inzake de herintegratie van mensen met een arbeidsongeschiktheid, waarop trouwens ook de sociale partners steeds zwaar hebben gehamerd in hun voorafgaande adviezen, was de multidisciplinaire aanpak.

 

Het is bij de vorige vraag ook besproken. Het is bijna een schande te moeten vaststellen dat die drie artsen, die elk op hun manier en voor hun opdracht met dezelfde patiënt in contact komen, nauwelijks of vaak niet met elkaar communiceren. Vaak gebeurt het zelfs dat de adviserend geneesheer niet weet wie de arbeidsgeneesheer is, zeker indien het bedrijf werkt met een externe preventiedienst. Herinschakeling en optimalisatie van de kansen daartoe zijn meestal helemaal niet het onderwerp van een eventuele communicatie.

 

Nochtans vraagt een deel van de huisartsen, Domus Medica, vanuit de specifieke rol van de huisarts bij soms conflicterende verwachtingen, met name de bewaking van de gezondheid van de patiënt, enerzijds, en de verwachting van liefst zo snel mogelijke werkhervatting vanwege de werkgever en de ziekenfondsen, anderzijds, al langer dat huisartsen meer richtsnoeren en houvast zouden krijgen bij de vervulling van hun rol. Ik vermoed dat u zich daarbij wel iets kunt voorstellen.

 

Daarbij zouden periodieke, plaatselijke samenkomsten tussen vertegenwoordigers van de drie beroepsgroepen zeer leerrijk kunnen zijn, in de zin dat best practices en wederzijdse verwachtingen en ervaringen kunnen worden uitgewisseld en gedeeld.

 

Nochtans moeten wij vaststellen dat dergelijke overlegmomenten tot op vandaag niet structureel zijn uitgebouwd. Gelukkig hebben een aantal artsen in Wallonië en Brussel naar aanleiding van een colloquium, dat in 2012 door SSST, SSMG en ASMA werd georganiseerd, de handen in elkaar geslagen, wat uitmondde in het TRIO-project.

 

Als ik het juist heb, dan heeft de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad van het RIZIV medio 2015 beslist een kleine financiële ondersteuning van 55 000 euro toe te kennen. Dat is een nobel initiatief, waarbij de artsengroepen worden samengebracht op huisartsenkring- of LOK-niveau, met als doel de verschillende re-integratietrajecten die kunnen worden aangeboden, te leren kennen en die af te toetsen aan de bij huisartsen bekende reële beperkingen van de patiënten, waarbij opleidingsmodules worden uitgewerkt. Desondanks kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat veel afhangt van het voluntarisme en de inzet van enkele bevlogen artsen.

 

Zij moeten immers dikwijls zelf op zoek gaan naar geïnteresseerde huisartsenkringen en naar tools om onderling te communiceren. Einde 2016 zouden pogingen opgezet zijn om ook in Vlaanderen iets van de grond te krijgen. Bij hun activiteiten proberen zij ook invulling en vorm te geven aan wat de nieuwe regelgeving inzake herintegratie hen brengt.

 

Eigenlijk vind ik het bedroevend dat dergelijke belangrijke initiatieven zeer afhankelijk zijn van de creativiteit van enkele individuen met een al te beperkt bereik.

 

In de nieuwe regelgeving wordt ook veel verwacht van de adviserend geneesheren. Voor de werknemers waarvoor zij het realistisch achten, worden zij geacht herintegratietrajecten uit te werken, maar bij de bespreking van het wetsontwerp heb ik al opgemerkt dat zij weinig of geen tools aangereikt krijgen over hoe zij daartoe moeten komen. Ik heb al vaker gezegd dat ieder project om te komen tot een verhoogde graad van integratie van arbeidsongeschikte werknemers na snelheid in contactnames ook investeringen zal vergen.

 

Mevrouw de minister, deelt u mijn oordeel dat de re-integratie van werknemers zou gebaat zijn bij meer structureel overleg en ervaringsuitwisseling tussen de drie betrokken artsen en dat projecten als TRIO eigenlijk een structurele verankering en veralgemeende uitrol in het hele land, naar alle LOK’s of huisartsenkringen, zouden moeten krijgen?

 

Deelt u mijn mening dat zulks vereist dat het RIZIV daarin substantieel investeert, ook met een toereikend budget?

 

In de toelichting bij uw begroting 2017 en uw beleidsbrief stelde u dat u ook de behandelend geneesheren wil responsabiliseren voor hun voorschrijfgedrag. Eerder heeft mijn fractie dat idee ook al aangebracht, waarbij in eerste instantie zelfs niet sanctionerend moet opgetreden worden; naar het voorbeeld van wat destijds is gebeurd rond antibiotica, zou er een peer review onder artsen kunnen gebeuren volgens aandoeningen. In een volgende fase zouden eventuele outliers dan kunnen aangesproken worden om zich te verantwoorden. Bent u dat denkspoor uit uw beleidsbrief aan het concretiseren?

 

Bent u het met mij eens dat daartoe vooraf plaatselijke overlegmomenten zoals het TRIO-project moeten worden uitgebouwd?

 

04.02 Minister Maggie De Block: De TRIO-projecten zijn inderdaad mee de inspiratie geweest voor het uitwerken van de multidisciplinaire re-integratietrajecten. Het is proefondervindelijk aangetoond dat het contact tussen de drie artsen inderdaad een positieve impact heeft op de begeleiding van de patiënt.

 

Wanneer de behandelend arts, de contactpersoon van de preventiedienst, soms de arbeidsgeneesheer en de adviserend arts contact hebben over de volgende mogelijke stappen van een patiënt bij wie nog een restcapaciteit tot werken is vastgesteld, heeft een herintrede op de arbeidsmarkt een veel grotere kans dan wanneer er geen contact is en ze alle drie op een andere golflengte zitten.

 

In het nieuwe KB inzake de re-integratie wordt het structureel overleg tussen de drie betrokken artsen expliciet vermeld. Daartoe is het RIZIV samen met eHealth bezig met de ontwikkeling van een elektronische applicatie, eForms, ook wel MyBox genoemd, die het overleg zal faciliteren.

 

Concreet zal de huisarts automatisch via eForms een signaal kunnen sturen naar het ziekenfonds of de preventiedienst met de vraag of een re-integratie kan worden gestart. Hij vraagt aan de patiënt of dat voor hem kan.

 

Er zijn uiteraard een aantal medische elementen die vertrouwelijk en versleuteld worden gecommuniceerd. Dat wil zeggen dat die gegevens alleen kunnen worden geopend door de collega-arts, die zich eveneens aan het beroepsgeheim moet houden.

 

Dan is er ook nog het persoonlijk aanvoelen over de mogelijkheden en de aandachtspunten van het traject, met eventueel een eerste voorstel van re-integratie in overleg met en alleen met de goedkeuring van de patiënt.

 

Ziekenfondsen en preventiediensten staan vervolgens klaar om de aanvragen voort op te volgen. Op die manier wordt de communicatie tussen de artsen op een structurele manier mogelijk gemaakt in het hele land. Zo zal elke arts automatisch een communicatie naar zijn of haar tegenhanger kunnen sturen, zonder daarin heel veel tijd te moeten steken.

 

De communicatietool bestaat alleen tussen de drie artsen, waarbij het beroepsgeheim volledig wordt gerespecteerd.

 

De TRIO-projecten zijn opgestart in Wallonië en Brussel en daar algemeen uitgerold. Op initiatief van het Kenniscentrum voor Arbeids­ongeschiktheid van de Dienst voor uitkeringen werd begin 2017 ook een pilootproject gestart in Vlaanderen. Op basis van de rapportering door de TRIO-partners zal in de komende maanden worden geëvalueerd in welke mate een verdere uitrol kan gebeuren en of een verdere verankering in bestaande initiatieven, zoals de LOK-groepen, opportuun is.

 

De TRIO-projecten werden financieel ondersteund door het Kenniscentrum voor Arbeids­ongeschiktheid van de Dienst voor uitkeringen. U vermeldde verkeerdelijk de Hoge Commissie. Het gaat wel degelijk om de Dienst voor uitkeringen. Ook voor de ontwikkeling van de tool en de experts die evalueren of de tool goed functioneert, hebben wij middelen uitgetrokken.

 

De responsabilisering van artsen is natuurlijk ook een belangrijke aanvulling en was voorheen nooit gebeurd. U pleitte voor richtsnoeren rond de redelijke duur van de voor te schrijven arbeidsongeschiktheid voor de meest voorkomende pathologieën. Die zullen worden uitgewerkt in de vorm van een vork met een minimum- en maximumduur door het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid, waarin ook artsengroepen vertegenwoordigd zijn. Behandelend artsen die substantieel van de richtsnoeren afwijken, de zogenaamde outliers, zullen op hun afwijkend voorschrijfgedrag worden aangesproken.

 

Ik refereer ook aan de aanpassing die wij al hebben gedaan, met name de vermelding van de aanvang en de einddatum van de arbeidsongeschiktheid op de formulieren. Volgens een studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen zou alleen de vermelding van de einddatum door de arts al hebben geresulteerd in een verkorting van de arbeidsongeschiktheid met negen dagen, gewoon doordat de arts al enigszins wordt geresponsabiliseerd op het moment dat hij beslist hoelang de patiënt afwezig zal zijn. Dat moest hij vroeger niet doen. Dat heeft de artsen alvast sterker geresponsabiliseerd. Het zal ons ook toelaten om profielen te maken volgens het voorschrijfgedrag.

 

04.03  Monica De Coninck (sp.a): Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

De responsabilisering van de artsen is volgens mij een van de discussiepunten. Een deel van de artsen gaat met kwesties van arbeids­ongeschiktheid in grote verantwoor­delijkheid om, maar andere artsen niet. De artsen worden dikwijls ook onder druk gezet door patiënten. Soms is echter moeilijk te voorspellen wanneer iemand niet meer ziek zal zijn.

 

Zelfs de artsen die daarin veel verantwoordelijkheid opnemen, zijn geen maatschappelijk werkers. Zij weten dikwijls niet welke mogelijkheden er bestaan omtrent de herintrede op de arbeidsmarkt bij verlies van bepaalde competenties. De ontwikkeling van een tool of een platform lijkt mij zeker nodig, een soort van black box. Er zou aangegeven moeten worden waar, wanneer en via welke procedures men ergens terecht kan voor alternatieve tewerkstelling. Veel artsen hebben daar absoluut geen zicht op en dat hoefde ook niet, maar nu misschien wel. Daarom denk ik dat u de informatie in dat verband best organiseert en er netwerken rond ontwikkelt. De artsen moeten het immers aangeven en de perspectieven zien.

 

Als ik afga op wat er in Antwerpen gebeurt, waar heel veel alternatieve, sociale en aangepaste tewerkstelling systematisch afgebouwd wordt, dan vraag ik mij eigenlijk af waar die mensen naartoe moeten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De samengevoegde vragen nrs 17389 van de heer Van den Bergh en 17507 van de heer Geerts worden in schriftelijke vragen omgezet.

 

Aan de nu aanwezige collega’s vraag ik of zij het goed vinden dat mevrouw Fonck haar vraag eerst stelt.

 

04.04  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Cela fait une heure que je suis là à attendre mon tour. J'ai aussi autre chose à faire.

 

La présidente: C'est pour cela que je vous pose la question. Vous pouvez poser votre question maintenant, si vous voulez.

 

04.05  Catherine Fonck (cdH): Je ne voulais pas. C'est parce que je suis venue tout à l'heure. J'avais une question mais j'avais commission en même temps. Merci beaucoup.

 

La présidente: Monsieur Gilkinet, vous avez la parole.

 

05 Question de M. Georges Gilkinet à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "les pratiques parasalariales des banques et le système de rémunération prévu dans le plan Vision 2020 de BNP Paribas Fortis" (n° 17442)

05 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het loonbeleid van de banken en het verloningsysteem in het plan Visie 2020 van BNP Paribas Fortis" (nr. 17442)

 

05.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Madame la présidente, madame la ministre, dans le cadre de son plan "Vision 2020", la direction de BNP Paribas Fortis envisage diverses modifications de son système de rémunération. Parmi celles-ci, j'ai notamment pu découvrir, dans un document interne, la volonté de recourir davantage au système des units. Il s'agit, dans le jargon interne de la banque, d'unités permettant "d'acquérir des biens matériels, des services, des formations ou une conversion en cash" au détriment d'une rémunération classique. Ainsi, la partie du salaire dépassant 4 700 euros par mois ou encore le 13e mois (qui serait mensualisé) seraient payés en units.

 

Une telle évolution, si elle se confirme, soulève des questions à la fois sur le plan légal mais aussi quant au financement de la sécurité sociale, dès lors que des montants de salaires bruts (avec paiement de cotisations sociales) seraient transformés en avantages nets, sans contribution à la sécurité sociale.

 

Ce n'est pas la première fois que le secteur bancaire en général - BNP Paribas Fortis -, recourt à ce type d'opérations et à des pratiques parasalariales, sans réaction du gouvernement fédéral.

 

En réponse à la question que je lui ai posée sur le sujet, ce mardi 21 mars, le ministre de l'Emploi m'a renvoyé vers vous en ces termes: "Quant à la question spécifique relative au traitement de ces units et à leur transformation en avantages ou en espèces, je vous renvoie à la ministre des Affaires sociales. Avec ma collègue ministre, Mme De Block, nous allons examiner quelles techniques d'évasion et d'optimisation sont aujourd'hui développées par les employeurs, et ce dans le cadre de l'harmonisation de la notion de rémunération. Cela doit certainement être examiné et étudié de plus près." Tout en déclarant ceci: "J'émets dès lors de sérieux doutes quant à la conformité de ce paiement en units avec la loi concernant la protection de la rémunération des travailleurs et chargerai aussi mes services d'inspection d'un examen plus approfondi. Voilà pourquoi les entreprises telles que BNP Paribas Fortis, qui travaillent avec des fonds publics, doivent précisément faire l'objet d'une étude plus approfondie."

 

Madame la ministre, la transformation du salaire en units ou en d'autres unités de ce type, non soumises à la sécurité sociale, est-elle bien conforme, selon vous, à la loi concernant la protection de la rémunération des travailleurs? Ce type d'accord doit-il faire l'objet d'un accord préalable du SPF Sécurité sociale? Sous quelle forme? A-t-il été sollicité par BNP Paribas Fortis? Quelle réponse a-t-elle été donnée? Sur quelle base? L'impact de ce dispositif sur le financement de la sécurité sociale peut-il être évalué? Quel en serait le coût pour la sécurité sociale? Comptez-vous réagir de manière proactive vis-à-vis de la direction de BNP Paribas Fortis par rapport à ce volet de son plan "Vision 2020" pour entreprendre une mission d'inspection à ce sujet ou l'informer de votre désaccord sur cette manière d'agir? Vous êtes-vous concertée avec votre collègue en charge de l'Emploi sur cette question? À quelle date? Avec quel résultat? D'une façon générale, disposez-vous d'une évaluation relative à ces pratiques parasalariales développées notamment dans le secteur bancaire? Entendez-vous mettre en place une stratégie pour les prévenir ou pour les interdire?

 

05.02  Maggie De Block, ministre: Madame la présidente, cher collègue, l'accord salarial que BNP Paribas Fortis a conclu avec ses travailleurs peut être considéré comme s'inscrivant dans une tendance plus globale selon laquelle employeurs et travailleurs recherchent des moyens de rendre la rémunération plus flexible et plus individualisée. Néanmoins, cette nouvelle forme de rémunération provoque parfois une certaine tension avec notre sécurité sociale actuelle. En effet, la rémunération constitue la base de l'assujettissement à la sécurité sociale. Si des avantages sont accordés sous quelque forme que ce soit, il doit être tenu compte de la réglementation existante en la matière.

 

Pour définir la rémunération, la sécurité sociale se base sur la notion décrite dans la loi concernant la protection de la rémunération des travailleurs, qui est une des lois de base du droit du travail. Ainsi, chaque avantage, sous quelque forme que ce soit, qui est accordé à un travailleur salarié et auquel ce dernier a droit à charge de l'employeur en raison de son engagement est, en principe, une rémunération sur laquelle des cotisations de sécurité sociale sont dues.

 

Pour ce qui concerne la question de savoir si la transformation du salaire en units du plan "Vision 2020" de BNP Paribas Fortis à laquelle vous faites référence dans votre question est bien conforme à la loi relative à la protection de la rémunération des travailleurs, je me vois obligée de vous renvoyer à mon collègue Kris Peeters, qui est compétent pour ce qui concerne la réglementation spécifique en matière de notion de rémunération et plus précisément pour ce qui concerne la loi relative à la protection de la rémunération.

 

Par ailleurs, il est clair que les principes de cette loi de base en matière de rémunération interfèrent également dans la sécurité sociale en raison du fait que des règles de renvoi figurent à ce propos dans la réglementation relative à la sécurité sociale.

 

Dès lors, je suis également de très près les évolutions en la matière. C'est ainsi que je suis en mesure de vous informer qu'une étude va être lancée, laquelle analysera les évolutions en matière de rémunération qui sont constatées sur le marché du travail et leur impact sur la sécurité sociale.

 

À partir des recommandations politiques qui seront formulées dans cette étude, le gouvernement pourra décider de la réponse la plus adéquate à apporter à ces évolutions.

 

Les accords salariaux sont conclus exclusivement entre employeurs et travailleurs salariés et ne font en aucun cas l'objet d'accords préalables du SPF Sécurité sociale ou de l'ONSS. En tout cas, de tels accords salariaux doivent, quel que soit le secteur concerné, invariablement respecter la réglementation existante. Dans ce cadre, ils sont toujours soumis à un éventuel contrôle des services d'inspection compétents.

 

05.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Madame la ministre, je prends acte, avec intérêt, du fait qu'une étude et une analyse concernant cette pratique de plus en plus répandue dans le secteur bancaire seront réalisées. Je voudrais vous dire de vous dépêcher, parce que le gouvernement est dépassé par les faits. Vous me confirmez qu'il n'y a pas eu d'accord préalable de votre administration quant à cette façon de faire.

 

Je ne sais pas ce que nous attendons pour procéder à un contrôle au sein de l'entreprise concernée, puisque vous me confirmez également la discordance entre cette pratique et les lois sur la protection salariale et le paiement de cotisations sociales. Vous me renvoyez par ailleurs au ministre de l'Emploi, qui me renvoie à la ministre des Affaires sociales. Je vais poursuivre ma quête d'une réponse, et surtout d'une réaction du gouvernement à ce sujet.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 17470 van mevrouw Smaers wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

06 Vraag van mevrouw Barbara Pas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de gebruiksonvriendelijkheid van de e-Box" (nr. 17482)

06 Question de Mme Barbara Pas à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "le manque de convivialité de l'e-Box" (n° 17482)

 

06.01  Barbara Pas (VB): Mevrouw de minister, de diensten van de Sociale Zekerheid hebben een systeem ingevoerd voor de werkgevers, een soort e-Box, om via elektronische weg met hen te kunnen communiceren. Op zich is dit een goede zaak omdat alles dan op een efficiëntere en milieuvriendelijkere manier kan gebeuren, sneller en goedkoper ook.

 

Op dit moment moeten nieuwe ondernemingen zich op eigen initiatief registreren om toegang te krijgen tot dat systeem. Zij krijgen dan een persoonlijke postbus bij de RSZ.

 

Ik heb vanuit het werkveld verschillende reacties gekregen waaruit blijkt dat vele ondernemers zich helemaal niet registreren. Zij vragen geen wachtwoord aan en krijgen dan ook geen toegang tot hun e-Box. Daar zijn verschillende redenen voor. Vele werkgevers weten niet eens dat zij het moeten doen. Ofwel zijn zij te laks.

 

Ook is de aanvraag voor die registratie blijkbaar vrij complex. Dit heeft het negatieve gevolg dat de niet-geregistreerde ondernemers heel wat essentiële informatie missen. Het lijkt mij nochtans dat er eenvoudigere alternatieven bestaan, bijvoorbeeld door deze procedure te vereenvoudigen. Als een nieuwe werkgever zich aanmeldt en een RSZ-nummer toegewezen krijgt of als zijn oud RSZ-nummer opnieuw wordt geactiveerd, zou de administratie automatisch een wachtwoord naar zijn mailadres kunnen sturen, met een klein woordje uitleg. Op die manier is de werkgever al zeker op de hoogte, zodat hij later niet kan beweren dat hij niets ontvangen heeft of dat hij niet wist dat hij zich moest registreren. Zo moet hij in elk geval minder moeite doen om de registratie aan te vragen.

 

Ik kom tot mijn vragen aan u, mevrouw de minister.

 

Hoeveel ondernemingen beschikken op dit moment over een actieve e-Box? Hoeveel procent maken zij uit van het totale aantal ondernemingen dat daarover theoretisch kan beschikken?

 

Deelt u de mening van de mensen op het werkveld dat het huidige systeem een beetje te complex is? Overweegt u het te vereenvoudigen, bijvoorbeeld op de manier die ik daarnet gesuggereerd heb?

 

Ik ben benieuwd naar uw antwoord.

 

06.02 Minister Maggie De Block: Mevrouw Pas, op dit ogenblik hebben 109 000 RSZ-werkgevers toegang tot hun e-Box, op een totaal van 247 000.

 

Na 1 januari 2016 hebben 52 000 RSZ-werkgevers zich minstens één keer op hun e-Box aangemeld. In 2017 hebben 2 900 RSZ-werkgevers ervoor gekozen documenten enkel digitaal te ontvangen.

 

Wat de evolutie van het aantal publicaties betreft van documenten in de e-Box in de onder­nemingen, in 2012 waren er 2 100 000 publicaties. Dat cijfer steeg met 14 % in 2013, met 33 % in 2015 en nogmaals met 33 % in 2016. De tussentijdse status in april 2017 bedraagt 1 600 000 publicaties, een stijging met 88 % in vergelijking met 2015.

 

De activeringsprocedure van de e-Box voor een onderneming verloopt als volgt. Een wettelijke vertegenwoordiger van de onderneming moet via CSAM een hoofdtoegangbeheerder aanstellen. Er moet een mailadres van de onderneming worden doorgegeven. Dat is belangrijk voor het verzenden van notificaties. Bovendien beschikte men voordien niet over een e-mailadres om de onderneming te contacteren. Vanaf dat ogenblik is de e-Box voor de ondernemer beschikbaar. De hoofdtoegangbeheerder kan vanaf dat moment eventueel andere toegangbeheerders of gebruikers aanstellen en hun toegangsrechten bepalen. Dat is belangrijk voor het verzenden van de notificaties waarmee de onderneming verwittigd wordt van nieuwe berichten in de e-Box.

 

Er komt een mail met de mededeling dat er post in de e-Box zit. Men zou ook elke dag in de brievenbus moeten kijken, maar er zijn mensen die die laten uitpuilen en de post door de wind laten meedragen. In dit geval krijgt men evenwel nog steeds de mededeling dat er een nieuw bericht zit in de e-Box.

 

Ik ga ermee akkoord dat het beheer van de toegansbeheerders een continu verbeterings­proces is. Sinds 2016 is het voor 80 % van de ondernemingen een eenvoudig proces, met twee schermen en volledig automatische validaties, maar tegen eind 2017 zal een automatische doorverwijzing tussen de e-Box en de activeringsprocedure ingesteld worden, zodat het nog eenvoudiger wordt voor een wettelijke vertegenwoordiger van een onderneming die zijn e-Box nog niet geactiveerd zou hebben. In de meeste gevallen controleert men of de onderneming haar e-Box wel degelijk heeft geactiveerd alvorens daarin een document te publiceren. De e-Box kan dus worden gebruikt. Men beschikt over een e-mailadres om de ontvangst van een nieuw document te signaleren.

 

Op dit ogenblik is er nog geen wettelijke verplichting om de e-Box te gebruiken en doen de ondernemingen dat louter op vrijwillige basis. Het is belangrijk een duidelijk engagement van de ondernemingen te verkrijgen. Zij dienen op de hoogte te zijn en er zich van bewust te zijn dat hun officiële mededelingen via dat kanaal worden doorgegeven.

 

Heel recent, namelijk sedert eind 2016, kan elke onderneming bijvoorbeeld haar goedkeuring geven om de beschikbare documenten uitsluitend digitaal via de e-Box te ontvangen, zijnde een zogenaamde opt-in. Het doel is een kritische massa van ondernemingen te bereiken die overtuigd en klaar zijn om de e-Box te gebruiken, vooraleer wij het gebruik ervan zullen verplichten.

 

Ter ondersteuning van de verschillende digitaliseringsstrategieën stelt de RSZ verschillende soorten ondersteuningen voor om de ondernemingen optimaal te helpen begeleiden.

 

Met name de website samendigitaal.be verzamelt alle praktische informatie over de activering van de e-Box en het digitaliseringsproces in het algemeen. Er staan tips op de website en men begeleidt ook de onderneming bij de activering van de e-Box en het beheer van de ontvangen elektronische documenten. Het gaat om gerichte informatie, die in samenspraak met de eindgebruikers geleidelijk aan via verschillende gebruikersgroepen en via de feedback die door de gebruikers wordt gegeven, ook nog wordt verbeterd.

 

De website samendigitaal.be herneemt tevens de lijst van documenten die binnenkort digitaal beschikbaar zullen zijn en bevat ook een link naar andere beschikbare onlinediensten.

 

Er is ook een quick start in enkele eenvoudige stappen om de e-Box via de activeringsprocedure van CSAM te kunnen gebruiken.

 

Er is ook een mededeling via andere kanalen om de digitaliseringsstrategieën optimaal te ondersteunen, zoals flyers, promotiedocumenten voor een gemengde campagne, aankondigingen op de portaalsite van de Sociale Zekerheid en een herhaalde publicatie in de nieuwsbrief.

 

Er worden ook continue verbeteringen aan de e-Box aangebracht. Zij zijn eveneens gebaseerd op de feedback van de gebruikers. Er gebeuren interviews van gebruikers en telefonische enquêtes. Er worden ook focusgroepen gebruikt. Dat is belangrijk bij het bepalen van de prioriteit van nieuwe functionaliteiten.

 

Ik ga er dus mee akkoord dat een en ander altijd kan worden verbeterd. Er wordt ook hard aan gewerkt. Er wordt ook altijd teruggekoppeld. Het gebruik zit in een stroomversnelling. Er wordt hard op ingezet. De mensen zullen ook via mond-tot-mondreclame moeten worden overtuigd dat het systeem voor een onderneming veel gemakkelijker en sneller is om alle documenten te kunnen krijgen, alsook dat de documenten ook direct worden opgeslagen.

 

06.03  Barbara Pas (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw omstandig antwoord. Als ik in dit Huis vragen stel, krijg ik meestal niet op alle vragen een antwoord. Bij u krijg ik niet alleen een antwoord op mijn vragen, maar daarnaast ook nog veel meer uitleg in de marge rond vragen die ik niet eens heb gesteld. Ik dank u nogmaals voor uw omstandige uitleg.

 

U gaf veel cijfergegevens. Ik zal deze rustig nalezen, maar ze bewijzen dat de digitalisering in stijgende lijn gaat alsook het aantal publicaties. Het is inderdaad een vrijwillig systeem, maar het is uiteraard aangeraden dat zoveel mogelijk ondernemingen eraan meedoen. Zoals u bevestigde, is het immers sneller, goedkoper en eenvoudiger. U zei dat 109 000 van de 247 000 ondernemingen intussen geregistreerd zijn en dat men nu in een stroomversnelling zit. Men krijgt mails als er post is in de e-Box, maar dat gebeurt natuurlijk pas na registratie. Het is het aantal geregistreerden dat men nog moet opkrikken. Ik ben dan ook verheugd dat u openstaat voor een eenvoudigere procedure, al is het maar — dat lijkt mij het meest logische — op het moment waarop een nieuwe werkgever een RSZ-nummer krijgt toegewezen. U zei dat wij dan nog niet beschikken over het e-mailadres. Wel, ik meen dat dit het moment is om meteen een e-mailadres van die onderneming op te vragen en proactief te werken. Men kan meteen een wachtwoord sturen met de uitleg hoe men zich moet registreren voor de e-Box, dit in de hoop dat het aantal registraties in stijgende lijn gaat, zoals alle andere cijfers die u daarnet gaf.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 17809 van de heer Geerts wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

07 Vraag van de heer Jan Spooren aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "het pensioen en de ziekteuitkering" (nr. 17862)

07 Question de M. Jan Spooren à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "la pension et l'indemnité de maladie" (n° 17862)

 

07.01  Jan Spooren (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mevrouw de minister, deze regering heeft ervoor gezorgd dat werken na het pensioen kan en ook interessanter wordt. Zo kan iemand die 65 jaar is of een volledige loopbaan achter de rug heeft, momenteel onbeperkt bijverdienen na zijn pensioen. We mogen dan ook verwachten dat er steeds meer gepensioneerden van deze mogelijkheid gebruik zullen maken.

 

Er blijft echter een probleem of discrepantie bestaan. Wanneer deze mensen ziek worden, hebben zij enkel recht op één maand uitkering door hun werkgever en niet op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het RIZIV omdat het RIZIV geen ziekte-uitkering uitbetaalt aan 65-plussers. Nochtans betalen deze mensen wel RSZ-bijdragen. Sommigen die zich in deze situatie bevinden, spreken van een discriminatie of in elk geval van een ontmoediging om bij te werken na het pensioen. Bovendien zorgt het voor de nodige onzekerheid bij een aantal mensen.

 

Het regeerakkoord vermeldt dat het recht op economische werkloosheid, evenals arbeids­ongeschiktheidsuitkeringen, kan worden geopend voor mensen die blijven werken na 65 jaar. De voorwaarden voor toekenning zullen worden bepaald door de regering.

 

Ik heb de volgende vragen. Op welke manier plant u het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te openen voor werkende gepensioneerden? Voorziet u ook in maatregelen om oneigenlijk gebruik of eventueel zelfs misbruik van dit recht tegen te gaan? De combinatie van twee socialezekerheidsuitkeringen is immers niet evident. Kunt u iets zeggen over de timing of de volgende stappen die in dit dossier gepland zijn?

 

07.02 Minister Maggie De Block: Mijnheer Spooren, vandaag beschikt de werknemer die ervoor opteert om na de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar te blijven werken, in het kader van de uitkeringsverzekering voor werknemers nog slechts over een beperkt recht op arbeids­ongeschiktheidsuitkeringen gedurende maximaal twee maanden. De uitkeringen worden immers ontzegd vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeids­ongeschiktheid is aangevangen. Als een verzekerde bijvoorbeeld vanaf 16 mei 2017 als arbeidsongeschikt wordt erkend, kan hij niet langer aanspraak maken op uitkeringen vanaf 1 juli. Als de betrokkene recht heeft op een gewaarborgd loon, betaald door zijn werkgever, wordt de toekenning uiteraard ook geweigerd gedurende de periode dat dit wordt gedekt door het gewaarborgd loon. Ik meen dat niemand hierover valt.

 

Dit beperkt recht kan wel meermaals worden toegepast. Telkens als de betrokken werknemer opnieuw arbeidsongeschikt wordt bevonden buiten de vervaltermijn kan hij opnieuw aanspraak maken op uitkeringen, tot en met de laatste dag van de maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid begon.

 

Dit beperkt recht op arbeidsongeschiktheids­uitkeringen werd steeds gemotiveerd door het gegeven dat bij een eerder langdurige arbeidsongeschiktheid de betrokkene zijn aanspraak op een rustpensioen als vervangings­inkomen kan laten gelden.

 

Volledigheidshalve merk ik ook nog op dat dit beperkte recht op de arbeidsongeschiktheids­uitkering voor de zelfstandigen die na de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar blijven werken helemaal niet bestaat. Dat is toch ook iets dat wij moeten meenemen.

 

Opdat werknemers die na de wettelijke pensioenleeftijd blijven werken aanspraak kunnen maken op de uitkeringen, moet de adviserend geneesheer van het ziekenfonds hun staat van arbeidsongeschiktheid erkennen. Dezelfde criteria en procedures zijn van toepassing als die voor de werknemers die vóór de wettelijke pensioenleeftijd arbeidsongeschikt worden. Tot nu toe stellen wij geen bijzondere misbruiken vast in de toepassing van dit beperkt recht.

 

Een eventuele uitbreiding van dit beperkt recht op arbeidsongeschiktheid wordt onderzocht. U weet dat een aantal grote evenwichten moeten worden gezocht, niet alleen voor het stelsel van de zelfstandigen maar ook in het licht van de discussie inzake de gelijkgestelde periodes en de rechten die daaraan verbonden zijn.

 

Wij zullen goed het evenwicht moeten bewaren en erover moeten waken dat wij niet aan de ene kant een deur dichtdoen en aan de andere kant een poort openzetten.

 

07.03  Jan Spooren (N-VA): ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Heb ik het goed begrepen dat na de maand gewaarborgd loon er ook recht is op een maand arbeids­ongeschiktheid? Dat wist ik niet. Er wordt onderzocht of dit nog kan worden uitgebreid?

 

07.04 Minister Maggie De Block: Ja.

 

07.05  Jan Spooren (N-VA): Het is goed dat u daarnaar kijkt. Er is al iets meer mogelijk dan ik dacht.

 

Inderdaad, we moeten de balans blijven behouden tussen de cumul van twee inkomensvervangende uitkeringen, enerzijds, en het feit dat die mensen bijdragen betalen en dan ook recht hebben op een uitkering, anderzijds.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Mme Catherine Fonck à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur "le socle européen des droits sociaux" (n° 17043)

08 Vraag van mevrouw Catherine Fonck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de Europese pijler van sociale rechten" (nr. 17043)

 

08.01  Catherine Fonck (cdH): Madame la présidente, madame la ministre, les ministres des Affaires sociales, du Travail et de l'Emploi de dix États membres de l'Union européenne se sont entretenus le 2 mars 2017 à Matignon en vue d'élaborer un socle européen des droits sociaux.

 

Ce socle repose sur trois composantes. Premièrement, la définition des règles communes en matière de conditions de travail et de santé au travail, historiquement au fondement de l'Europe sociale. Deuxièmement, un marché du travail accessible à tous et socialement juste. Troisièmement, un filet social garanti pour tous les travailleurs européens, pour mieux les protéger des aléas de la vie professionnelle.

 

Aux yeux des dix États membres qui étaient présents, ce socle doit reposer sur un dialogue social accru.

 

J'ai pris connaissance de la communication officielle de Matignon et j'ai constaté que, parmi les dix États membres qui se sont engagés, la Belgique brillait par son absence. Or tous les autres pays fondateurs de l'Union européenne étaient présents.

 

Madame la ministre, il semblerait donc que la Belgique n'était pas représentée. C'est pourtant, à mes yeux, un enjeu fondamental, d'autant plus que l'euroscepticisme est grandissant. Confirmez-vous l'absence de la Belgique? Pourriez-vous en expliquer les raisons?

 

08.02  Maggie De Block, ministre: Madame Fonck, le 2 mars dernier, une conférence s'est tenue à Paris au sujet du socle européen des droits sociaux, sur invitation du premier ministre français, M. Cazeneuve. Les ministres en charge de l'Emploi ou des Affaires sociales issus de treize pays différents ont assisté à cette réunion et dix ont signé la déclaration. En outre, des représentants de la Commission européenne, du Parlement européen, Maria João Rodrigues, de la Fédération syndicale européenne et du parti socialiste européen étaient également présents lors de cette conférence.

 

En tant que ministre belge des Affaires sociales, je n'ai personnellement pas reçu d'invitation dans le cadre de cette conférence. Évidemment, comme je n'étais pas été invitée, je n'y suis pas allée!

 

Selon Mme Myriam El Khomri, ministre française de l'Emploi, qui a réagi sur Twitter, il s'agissait d'une réunion entre ministres sociaux-démocrates.

 

08.03  Catherine Fonck (cdH): Madame la ministre, est-ce à dire, si vous n'avez pas été invitée, qu'un autre membre du gouvernement l'a été? L'histoire ne nous apportera peut-être pas toute la clarté à ce sujet.

 

À titre personnel - mais également au nom du cdH et, je l'espère, de plusieurs collègues -, il conviendrait de saisir l'occasion actuelle d'un changement de présidence en France pour inciter, à tout le moins, les États fondateurs de l'Union européenne à avancer en la matière. À cet égard, j'ai regardé la rencontre avec la chancelière allemande.

 

C'est au bénéfice de tout le monde, de tous les citoyens - des travailleurs comme des entreprises. De la sorte, nous mettrons fin au dumping social, qui continue de détruire des emplois dans notre pays et qui se montre particulièrement néfaste pour tous les travailleurs et citoyens.

 

J'ose espérer que, même si la Belgique n'était pas présente le 2 mars dernier et bien qu'elle n'ait pas signé cette déclaration de socle européen - ce que je regrette -, elle se mobilisera pour que nous progressions dans ce dossier. Selon moi, les trois piliers qui ont été définis au cours de cette réunion sont essentiels. Je trouve dommage que la Belgique fût le seul pays, parmi les États fondateurs de l'Union européenne, à avoir été absent.

 

08.04  Maggie De Block, ministre: J'espère aussi qu'avec le changement de présidence en France, nous pourrons être invitées - avec vous, madame Fonck. Comme je suis polie, je n'ai pas pour habitude de me rendre à une réunion à laquelle je n'ai pas été invitée.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.04 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12.04 heures.