Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Dinsdag 16 mei 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 16 mai 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 16.20 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions et interpellations commence à 16.20 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

01 Question de M. Benoît Dispa au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les engagements au sein de l'ISI" (n° 17871)

01 Vraag van de heer Benoît Dispa aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de aanwervingen bij de BBI" (nr. 17871)

 

01.01  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, la Cour des comptes est venue nous présenter en commission Panama Papers son analyse des rapports qui lui avaient été transmis par les ministres de la Justice, de l'Intérieur et des Finances concernant la mise en œuvre des recommandations de la commission d'enquête parlementaire de 2009 sur les grands dossiers de fraude fiscale.

 

Les constats posés par la Cour ne sont pas rassurants et mériteraient d'être débattus en commission. Je voudrais, dans un premier temps, vous questionner sur les véritables chiffres des engagements à l'ISI.

 

On a pu lire dans la presse que vous ne souhaitiez pas commenter la politique et les résultats des gouvernements précédents en matière de lutte contre la fraude fiscale. Par contre, vous souligniez qu'il ressort de résultats récents que l'ISI est plus performante que jamais et qu'un nombre record de dossiers est traité pour des montants plus élevés et plus de perceptions réelles. Ces bons résultats seraient en partie la conséquence de l'engagement de 100 nouveaux agents à I'ISI.

 

Monsieur le ministre, la Cour de comptes n'a pas la même lecture et j'ai été interpellé par les chiffres qu'elle nous a exposés en matière d'effectifs. Ainsi, s'il nous est fait part, de façon systématique, des engagements qui sont réalisés, ce n'est pas le cas quant aux départs qui sont constatés. Les chiffres nets sont, dès lors, bien différents.

 

Voici les chiffres qui sont exposés par la Cour: en 2016, 24 départs ont eu lieu pour 15 recrutements. En ce qui concerne la mobilité interne, on compte 10 départs pour 5 arrivées. Au total, ce sont donc 14 personnes en moins au sein de ce service.

 

Monsieur le ministre, quelle est la situation à l'heure actuelle à l'ISI en matière de personnel? Comment expliquez-vous les chiffres avancés par la Cour des comptes vis-à-vis des 100 recrutements que vous annoncez? Au total, pour l'année 2016, confirmez-vous que ce sont en fait 14 personnes en moins au sein de l'ISI pour lutter contre la fraude fiscale?

 

01.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Dispa, en date du 15 mars 2017, la situation du personnel de l'ISI est de 649 collaborateurs (services centraux et extérieurs). Il est important de faire la distinction entre les recrutements (le contingent spécifique de 100 nouveaux collègues décidé en 2015) et les départs naturels (pension, démission, mobilité interne, etc.) auxquels l'ISI, comme toute autre administration, est confrontée.

 

Ci-après, je vous communique l'évolution du personnel de l'ISI au 31 décembre de chaque année: en 2014, 608 collaborateurs; en 2015, 664 collaborateurs; en 2016, 649 collaborateurs. Vous aviez presque raison: la différence entre 164 et 149 n'est pas de 14 mais bien de 15.

 

Grâce aux cent engagements supplémentaires, nous nous maintenons largement au-dessus du niveau de 2014. En conséquence, les effectifs de l'ISI ont indiscutablement évolué de façon positive en dépit des départs naturels assez importants au sein de ce service.

 

01.03  Benoît Dispa (cdH): On fait dire aux chiffres absolument ce que l'on veut. Vous confirmez, entre 2015 et 2016, une baisse plus importante (que moi-même je n'avais pas calculée) de l'ordre de15 unités. Malgré cela, vous maintenez que l'évolution vous apparaît comme étant positive. Nous sommes en tout cas très, très loin du renfort de 100 personnes que vous avez annoncé. En la matière, il faut être transparent. Votre réponse l'est, ce pour quoi je vous remercie. Mais les effets d'annonce sur le recrutement de 100 agents supplémentaires, comme si on allait doper les moyens dévolus à l'ISI, sont trompeurs. Les chiffres que vous venez de me communiquer le confirment.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs 17980 en 17981 van de heer Vanvelthoven zijn omgezet in schriftelijke vragen.

 

02 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de analyse betreffende de budgettaire impact van de verlaging van het rentetarief van de notionele-intrestaftrek" (nr. 18301)

02 Question de Mme Karin Temmerman au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'analyse relative à l'incidence budgétaire de la baisse du taux d'intérêt appliquée dans le cadre de la déduction des intérêts notionnels" (n° 18301)

 

02.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, in uw antwoord op mijn vragen tijdens de commissie voor de Financiën van 22 maart hebt u gezegd dat u beschikt over een nieuwe verfijnde analyse over de budgettaire impact van de verlaging van het referentietarief van de notionele-intrestaftrek. Deze nieuwe analyse zou een budgettaire correctie van 325 miljoen euro rechtvaardigen.

 

Ik heb dan ook onmiddellijk aan de voorzitter gevraagd om deze nota ter beschikking te stellen van de commissie. De voorzitter heeft deze vraag aan u doorgegeven, maar uw antwoord was teleurstellend. U zei dat de nota aan het Rekenhof zal worden bezorgd en pas dan zullen de parlementsleden de nota bij het Rekenhof kunnen opvragen. Dit betekent dat we de nota pas kunnen krijgen als het rapport van het Rekenhof klaar is. Ik begrijp niet waarom u deze nota nu niet ter beschikking van de commissie kunt stellen.

 

Daarom herhaal ik mijn vraag, mijnheer de minister. Kunt u de nieuwe verfijnde analyse over de budgettaire impact aan de commissie voor Financiën ter beschikking stellen?

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Temmerman, ik zal u in essentie toch hetzelfde antwoorden.

 

Zoals ook in voorgaande gevallen hebben de FOD Financiën en mijn beleidscel het Rekenhof meer gedetailleerde informatie bezorgd over een aantal elementen, waaronder ook de berekenings­methode van de geraamde budgettaire weerslag van nagenoeg alle fiscale correcties of maatregelen die werden genomen bij de recente begrotingscontrole. Daarbij zat ook een berekeningsnota die betrekking heeft op de notionele-interestaftrek, het rentetarief en de andere elementen die een impact hebben op wat men redelijkerwijze zou kunnen verwachten en wat ook in de begroting is ingeschreven als impact van de notionele-interestaftrek op de fiscale ontvangsten.

 

Ik denk dat het goed is dat wij ons ook deze keer aan deze transparante procedure, die elk jaar dezelfde is, houden.

 

02.03  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp niet wat daar transparant aan is.

 

U verkondigde ongeveer een maand geleden dat u beschikt over een nota van de berekeningen. Het Parlement krijgt pas een maand later inzage in die nota. Die nota krijgen we dan nog niet rechtstreeks van u, maar moeten wij via een omweg aan het Rekenhof vragen. Dat vindt u een transparante methode van werken?

 

02.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik denk dat dit altijd zo gaat als het over begrotingsmaatregelen gaat. Eerst is er de toelichting en het commentaar van het Rekenhof.

 

02.05  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, dat is niet zo. Het loopt zo als het Rekenhof zelf bij u de nota opvraagt en als wij dan achteraf ook vragen hebben. Nu hebt u in uw uiteenzetting echter zelf gezegd dat u over de nota beschikte en heb ik onmiddellijk gevraagd om die nota te krijgen. Dat is helemaal iets anders dan het Rekenhof dat u de nota vraagt. Ik heb u daar als parlementslid om gevraagd. U hebt zelf gezegd dat u beschikt over een nieuwe manier om die zaken te berekenen, dat u over de nota beschikt.

 

Het enige wat ik u vraag – ik meen dat dit zeer transparant is – is of u deze nota ter beschikking kunt stellen. U zegt eigenlijk neen, ik geef die niet aan het Parlement, ik geef die aan het Rekenhof als het daarom vraagt. Mijnheer de minister, als het Rekenhof er niet om vraagt, dan krijgen wij als Parlement deze berekening dus gewoon niet.

 

Trouwens, in het verleden hebben we ook de berekening gevraagd omtrent de kaaimantaks maar we hebben die nooit gekregen. Ook het Rekenhof heeft u toen de berekening gevraagd en ook het Rekenhof heeft die niet gekregen. Als u zelf zegt dat u over een nota beschikt, dan begrijp ik niet waarom het Parlement die niet kan krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Karin Temmerman aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de berekeningsmethode van Financiën" (nr. 18266)

03 Question de Mme Karin Temmerman au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la méthode de calcul des Finances" (n° 18266)

 

03.01  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, in september vorig jaar had u er genoeg van; u was de kritiek op de fiscale ontvangsten beu; de tegenvallende fiscale ontvangsten waren niet uw schuld maar die van uw administratie. U zei dan ook met heel veel daadkracht – ik citeer: “Ik heb mijn administratie gevraagd om een grondige analyse te maken van hoe de inkomsten geraamd worden en wat blijkt: daar zit een systemische fout in.” Dat was uw besluit.

 

In de notificaties van de begrotingsopmaak 2017 lezen we dat er een taskforce zou worden opgericht die de ramingsmethode zou herbekijken tegen de eerstvolgende begrotingscontrole. Dat was de beslissing van de regering op uw voorstel.

 

We zijn nu bezig met die eerstvolgende begrotingscontrole in maart 2017. De regering heeft intussen de documenten betreffende de begrotingscontrole in het parlement ingediend. Op de commissievergadering van 14 maart 2017 werd beslist om een gedachtewisseling te houden met u over de ramingsmethode van de fiscale ontvangsten. U hebt toen laten weten dat het herbekijken van de ramingsmethode nog niet gerealiseerd is.

 

Ten eerste, betekent het dat de begrotingscontrole gebaseerd is op het oude, en volgens u foute, ramingsmodel, dat wordt gebruikt voor de begrotingscontrole?

 

Ten tweede, is de taskforce intussen klaar met de herziening van de ramingsmethode? Kunnen we de betrokken nota’s daarover ontvangen en vervolgens met u bespreken in de commissie?

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Temmerman, de taskforce waaraan u refereert, heeft voor het begrotingsconclaaf van maart 2017 een aantal vergaderingen gehouden, onder meer op 20 februari, op 6 maart en op 13 maart. De taskforce heeft inderdaad vastgesteld dat in de beschouwde periode, namelijk 2006-2015, de fiscale ontvangsten die in de initiële begrotingen werden geraamd, bijna altijd naar beneden dienden te worden bijgesteld. Ex post zijn er dus steeds grote afwijkingen tussen de initiële begrotingsramingen en de verwezenlijkingen, niet alleen grote afwijkingen, maar ook nagenoeg systematisch afwijkingen in één richting.

 

Om de oorzaken te identificeren van die afwijkingen tussen ramingen en verwezenlijkingen van fiscale ontvangsten, moet er een uitgebreide analyse worden uitgevoerd, waarbij de ramingsafwijking in de mate van het mogelijke tussen de verschillende oorzaken wordt opgesplitst.

 

Er zijn vijf elementen: een afwijking in het uitgangspunt, een afwijking in de omkaderende economische ramingen, een afwijking in de ramingsmethode zelf, een afwijking in de beoordeling van de impact van de maatregelen en andere technische factoren en een discretionaire beslissing, genomen na de opmaak van de initiële begroting.

 

U begrijpt dat dit een zeer omstandig, minutieus werk is. Na intensieve discussie en analysewerk is dan ook gebleken dat de analyse die moet worden gemaakt, veel breder is dan het louter bekijken van de techniek van het ramingsmodel van de FOD Financiën zelf. Er wordt nog steeds met het huidige model gewerkt. Het heeft geen zin een model te lanceren dat niet in al zijn facetten – een aantal daarvan heb ik zopas aangehaald – is afgerond en niet door derden werd geverifieerd op zijn deugdelijkheid.

 

Bij de huidige budgetcontrole werd nog met het oude model gewerkt, vandaar ook de inbouw van een buffer, specifiek voor de fiscale ontvangsten.

 

03.03  Karin Temmerman (sp.a): Eigenlijk zegt u dat de huidige controle, die wij straks zullen bespreken, eigenlijk gebaseerd is op foutieve cijfers of foutieve uitgangspunten? U had gezegd dat het tegen de begrotingscontrole van maart 2017 helemaal in orde zou zijn. Dat is het dus niet. We zullen de besprekingen afwachten en afwachten wat het Rekenhof hierover te zeggen heeft.

 

Mijn volgende vraag was of wij, als de taskforce klaar is, de betrokken nota’s daarover kunnen ontvangen en hier in onze commissie bespreken? U had het over transparantie. Hier handelt het over een berekeningsmethode. Ik meen dat er geen enkel probleem kan zijn om ter zake transparant te zijn.

 

03.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik neem aan dat de bespreking te gepasten tijde zal plaatsvinden, als de taskforce zijn conclusies heeft geformuleerd. Op dat moment zal op tafel worden gelegd wat op tafel moet worden gelegd.

 

03.05  Karin Temmerman (sp.a): Mijnheer de minister, is dat nu een ja of een nee?

 

03.06 Minister Johan Van Overtveldt: Dat is een ja.

 

De voorzitter: De taskforce moet zijn werk kunnen afronden.

 

03.07  Karin Temmerman (sp.a): Als het werk is afgerond, hebben we de toestemming van de minister om dat hier te bespreken.

 

De voorzitter: We zullen dat punt zeker agenderen!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de plaatsbepalingsregel voor diensten met betrekking tot onroerende goederen" (nr. 18343)

04 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la règle de localisation des prestations de services relatives à un bien immeuble" (n° 18343)

 

04.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een dienst die verband houdt met een onroerend goed, vindt plaats waar het onroerend goed is gelegen. Om deze plaatsbepalingsregel van diensten met betrekking tot onroerende goederen, opgenomen in artikel 47 van EU-richtlijn 2006/112/EG, verder te verduidelijken heeft de Europese Commissie een verordening goedgekeurd waarin het volgende wordt bepaald. “Diensten met betrekking tot onroerende goederen, als bedoeld in artikel 47 van de richtlijn, betreffen uitsluitend diensten die een voldoende rechtstreeks verband met het onroerend goed hebben. Diensten worden aangemerkt als hebbende een voldoende rechtstreeks verband met het onroerend goed in de volgende gevallen. Wanneer zij afgeleid zijn van een onroerend goed en dit goed een onderdeel is van de dienst en centraal staat bij en van wezenlijk belang is voor de verrichte diensten. Wanneer zij worden verricht voor of zijn gericht op een onroerend goed met als doel de juridische of fysieke wijziging van dat goed”.

 

Onder lid 1 valt met name het volgende.

 

“Bemiddeling bij de verkoop, leasing of verhuur van onroerend goed en bij vestiging of overdracht van bepaalde rechten op onroerend goed of van zakelijke rechten op onroerend goed, ongeacht of die met lichamelijke zaken gelijk worden gesteld, andere dan bemiddeling vallend onder lid 3, punt d, de bemiddeling bij het verstrekken van accommodatie in hotels, vakantiekampen en kampeerterreinen”.

 

Uit deze verordening en de bijhorende toelichting blijkt dat alleen de bemiddeling bij verkoop, leasing of verhuur van onroerend goed de plaatsbepalingsregels inzake onroerend goed volgt. Een dienstverlening, die bestaat uit bemiddeling of tussenkomst bij het samenbrengen van aannemers die te veel werk hebben en wegens die reden willen werken met onderaannemers, kan men niet kwalificeren als een dienst met een voldoende verband met een onroerend goed uit zijn aard. De tussenkomst op zich staat centraal bij de dienstverlening en niet het onroerend goed waarop de onderaanneming betrekking heeft. Op basis van het voorgaande, vindt deze dienst van bemiddeling plaats overeenkomstig de algemene b2b-plaatsbepalingsregel.

 

Mijnheer de minister, kunt u bovenstaande zienswijze bevestigen? Zo ja, zult u ons meer verduidelijking bezorgen? Zo nee, kunt u ons zeggen welke regeling wel van toepassing is?

 

04.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, ik zal mijn best doen.

 

De bepaling uit de btw-richtlijn inzake de plaatsbepaling van diensten kan alleen van toepassing zijn als de dienst een voldoende rechtstreeks verband heeft met een onroerend goed. Heel veel diensten kunnen op een of andere manier betrekking hebben op een onroerend goed, maar een gering of bijkomstig verband is niet voldoende.

 

Het voldoende rechtstreekse verband dat vereist is opdat een dienst zou slaan op een onroerend goed wordt gespecificeerd in de EU-uitvoeringsverordening nr. 1042/2013, die in werking is getreden op 1 januari 2017. Tevens is in deze verordening een niet-limitatieve lijst opgenomen met voorbeelden van verrichtingen die te beschouwen zijn als diensten die een voldoende rechtstreeks verband hebben met een onroerend goed. Concreet moet het gaan om diensten waarvan het resultaat voortvloeit uit het onroerend goed of waarbij het onroerend goed centraal staat in de voor het onroerend goed verrichte dienst. De dienst moet in elk geval verband houden met één of meer specifieke onroerende goederen. De kwalificatie van een dienst hangt uiteindelijk af van de concrete feitelijke en juridische omstandigheden.

 

De handeling waarover u mijn standpunt wil vernemen is helaas te vaag omschreven, maar wanneer u bijvoorbeeld de diensten bedoelt van een werfcoördinator die wordt belast met het opzoeken en contacteren van gekwalificeerde aannemers in de voorbereidingsfase van een bepaalde werf, is er naar mijn mening een voldoende rechtstreeks verband met het onroerend goed.

 

04.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, dat was inderdaad de casus die ik wou bespreken. U kunt blijkbaar meer dan vragen beantwoorden, u kunt ook al gedachten lezen. Dat is schitterend.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sonja Becq aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de sluiting van diverse DAVO-kantoren" (nr. 18393)

- mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de loketten van de DAVO" (nr. 18424)

- mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Evaluatiecommissie van de DAVO" (nr. 18425)

- mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het inkomensplafond voor de toekenning van voorschotten door de DAVO" (nr. 18426)

- mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de invordering van onderhoudsbijdragen via DAVO" (nr. 18538)

05 Questions jointes de

- Mme Sonja Becq au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la fermeture de divers bureaux du SECAL" (n° 18393)

- Mme Nahima Lanjri au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les guichets du SECAL" (n° 18424)

- Mme Nahima Lanjri au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la Commission d'évaluation du SECAL" (n° 18425)

- Mme Nahima Lanjri au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le plafond de revenus fixé pour l'octroi d'avances par le SECAL" (n° 18426)

- Mme Goedele Uyttersprot au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le recouvrement de contributions alimentaires par le SECAL" (n° 18538)

 

05.01  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik kom niet zo vaak naar de commissie voor de Financiën, maar wanneer ik er ben, is het meestal voor de DAVO, net zoals mijn medevraagstellers, naar ik heb begrepen.

 

Mijnheer de minister, u weet dat wij opvolgen op welke manier de werking bij de DAVO verloopt. CD&V heeft tijdens de voorbije legislatuur enige verbeteringen kunnen aanbrengen om de toegankelijkheid te vergroten en meer mensen de kans te geven om effectief gebruik te kunnen maken van voorschotten op de alimentatie voor de kinderen. Ook werden een aantal instrumenten aangereikt om tot efficiëntere terugvorderingen te kunnen komen.

 

Wij konden vaststellen dat de DAVO goed werk levert en dat, wellicht ten gevolge van die wetswijziging, het aantal toegekende voorschotten is gestegen. Er blijft echter altijd ruimte voor verbetering. Daarvan gaan wij altijd uit. Ook wordt regelmatig vastgesteld dat het bereik nog steeds niet maximaal of niet erg goed is. Ik weet dat informatie pas komt op het moment waarop mensen in een situatie belanden. Op dat ogenblik dringt de informatie verder door.

 

Nu blijkt dat u zinnens bent om vanaf september 2017 te evolueren naar één DAVO-kantoor per provincie. Op die beslissing is protest gekomen vanuit het Platform Alimentatiefonds, de Vrouwenraad en de Gezinsbond. Zij riepen op de DAVO bekender te maken en de procedures te vereenvoudigen.

 

Mijnheer de minister, enerzijds, begrijp ik dat, op een moment waarop de informatisering en het werken via websites en dies meer vergemakkelijkt en toegankelijker wordt, u zich afvraagt waarom er dan nog zoveel kantoren nodig zijn. Anderzijds, blijkt dat mensen er soms behoefte aan hebben om ter plaatse te kunnen gaan en informatie te kunnen geven.

 

Indien de hervorming, waarbij naar 11 contact­punten wordt geëvolueerd, er komt, lijkt de drempel te worden verhoogd, tenzij, zoals de OCMW’s vandaag eigenlijk ook al doen voor een deel van het publiek dat in aanmerking komt voor hulp van de DAVO, de betrokkenen worden geholpen bij het indienen van de aanvraag­formulieren via websites en andere kanalen.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn de volgende.

 

Ten eerste, klopt het dat de DAVO-kantoren tot 11 stuks zullen worden herleid? Wat zijn de redenen voor het doorvoeren van die hervorming?

 

Indien u antwoordt dat die kantoren effectief verminderen, betekent dit dan dat de mensen die daar actief waren, elders worden ingezet, namelijk meer in de backoffice en bijgevolg meer aanvragen zouden kunnen beantwoorden?

 

Ten tweede, welke maatregelen zult u nemen, ter compensatie van de sluiting van kantoren, om de kwaliteit en de nabijheid van die dienstverlening verder te verzekeren en in de toegankelijkheid ervan zonder vermindering te voorzien? Als u daarbij een beroep zou doen op de OCMW’s, dan zou dat voor de OCMW’s een serieuze verzwaring van de werklast betekenen. Overigens stemt het cliënteel van de DAVO niet geheel overeen met het OCMW-cliënteel. Het cliënteel van de DAVO is het niet altijd gewoon om de drempel naar het OCMW te overschrijden.

 

Ten derde, naar aanleiding van deze thematiek heb ik ook een en ander nagegaan via de evaluatiecommissie van de DAVO, waarvan ik deel uitmaak. In het verslag van de evaluatiecommissie staat dat er in maart of april een nieuwe vergadering zou plaatsvinden. Mogelijk is de uitnodiging voor die vergadering net zoals de vorige keer in mijn spambox terechtgekomen, waarvoor mijn excuses, maar ik weet niet heel zeker of wij al een uitnodiging ontvangen hebben. Kunt u ons daarover informeren?

 

05.02  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in de commissie voor de Volksgezondheid heeft staatssecretaris Demir voor het luik Armoedebestrijd haar beleidsbrief voorgesteld en ik volg dat op.

 

Ter gelegenheid daarvan, ongeveer een maand geleden, in onverdachte tijden, heb ik er bij haar voor gepleit om het probleem van armoede bij eenoudergezinnen aan te pakken en ik voegde eraan toe dat de DAVO daarin een belangrijke rol speelt. Wij zien vandaag immers dat meer dan één op drie van de alleenstaanden met kinderen vandaag in armoede verzeilt en het gaat in de meeste van die gevallen om vrouwen met kinderen. Daar komt bij, zoals blijkt uit cijfers die wij kennen en die mevrouw Demir bevestigd heeft, dat die vrouwen vaak moeten rondkomen met een klein inkomen of een kleine uitkering. Als voor die ouders het alimentatiegeld niet betaald wordt, dan rijst er een groot probleem. Op die manier komen de betrokkenen gemakkelijker in armoede terecht. Ik heb daarom toen, een maand geleden, bij haar gepleit voor overleg met u om de toegankelijkheid van de DAVO te vergroten. Wij gingen toen nog uit van 23 kantoren en ik heb toen gezegd dat dit aantal kantoren eigenlijk zelfs onvoldoende was, want dat de DAVO beter op het niveau van de lokale besturen georganiseerd zou worden.

 

Zij is niet bevoegd. U bent bevoegd voor de DAVO en voor de toegankelijkheid ervan, vandaar mijn vragen. Ik denk dat het in het kader van armoedebestrijding van belang is dat u de toegang tot DAVO zo laagdrempelig mogelijk houdt.

 

Mensen moeten in hun eigen gemeente informatie kunnen krijgen over de DAVO, daar de aanvraag kunnen indienen en laten berekenen of zij in aanmerking komen. Dat gebeurt liefst in het sociaal huis of eventueel bij de sociale dienst van de gemeente, maar in principe is volgens mij het OCMW daarvoor het best geplaatst,

 

Ik was verrast toen ik het nieuws hoorde dat u in plaats van de toegankelijkheid te vergroten blijkbaar de noodzaak ziet om van 23 naar 11 kantoren te gaan. Zal dit inderdaad vanaf september het geval zijn? Hoe ziet u dat? Hoe kan er tegelijkertijd werk worden gemaakt van die toegankelijkheid?

 

Volgens mij kan dit perfect een en-enverhaal zijn, namelijk inzetten op een performante administratie, een administratieve ondersteuning die eventueel per provincie kan worden gecentraliseerd en tegelijkertijd ervoor zorgen dat het laagdrempelige behouden blijft of wordt ingevoerd, zorgen dat er samenwerking komt met de OCMW's, dat iedereen voor zijn aanvraag terechtkan bij het OCMW; wat vandaag niet meer het geval is. De tekening van hoe men de toegankelijkheid vergroot zal opnieuw moeten worden gemaakt. Het is niet voldoende te vermelden dat men het online kan invullen. Heel wat mensen kunnen dat online niet invullen, vinden hun weg niet, weten niet of zij daarop recht hebben, dus hou dat zo laagdrempelig mogelijk.

 

Mijn vraag is dus of u ermee kunt instemmen om dat terug op het niveau van de lokale besturen te brengen. In dezen denk ik vooral een rol te geven aan de OCMW's. Kunt u contact nemen met de VVSG en de Franstalige tegenhanger om dat eventueel te bespreken?

 

Mijn tweede vraag betreft de evaluatiecommissie. Het laatste verslag dateert van 2010. Op 7 december 2016 werd een nieuwe evaluatiecommissie opgestart. Is die ondertussen al bijeengekomen? Wanneer zijn de vergaderingen gepland? Wanneer wordt het verslag verwacht? Welke problemen en knelpunten zullen door die evaluatiecommissie worden behandeld?

 

Mijn laatste vraag over de DAVO is de volgende. Momenteel kunnen mensen die niet meer verdienen dan 1 800 euro netto per maand, vermeerderd met 67 euro per kind ten laste, een beroep doen op de DAVO. Dan kan men maximaal 175 euro per kind krijgen. Dat bedrag lag vroeger zelfs nog lager. Het is opgetrokken op vraag van CD&V. Sonja Becq heeft daar ook werk van gemaakt.

 

Het is echter een verhaal van alles of niets. Als men onder die 1 800 euro zit, kan men een beroep doen op de DAVO, als men er boven zit en toevallig 100 of 200 euro meer heeft, dan krijgt men die tussenkomst niet. Als men echter het verkregen bedrag erbij rekent, dan krijgt men eigenlijk een scheeftrekking. Soms krijgen mensen bijvoorbeeld een loonsverhoging van 30 euro waardoor ze plots geen recht meer hebben op tussenkomst van de DAVO. Om dat probleem aan te pakken wil ik eigenlijk een gradueel plafond voorstellen dat meegroeit. Nu is het tot 1 800, alles of niets. Dan zou men met een inkomen van 1 900 euro nog een voorschot kunnen krijgen van de DAVO maar dan niet de volledige 175 euro per kind. Naarmate men meer krijgt – daar kan een limiet op staan – krijgt men dan nog wel iets van de DAVO maar niet meer het volledige bedrag.

 

Ik begrijp dat er een sociale correctie moet zijn. Ik heb daar geen enkel probleem mee, CD&V staat daar absoluut achter. Mensen die het echt nodig hebben moeten ook meer kunnen krijgen. Nu is het echter absurd, als men er net boven zit krijgt men niets of niets meer. Mensen kunnen daardoor terug in armoede verzeild raken.

 

Mijn vraag is dus of u het een goed idee vindt om in een aanpassing te voorzien zodat er een gradueel plafond wordt ingevoerd. Wat stelt u zelf in het vooruitzicht om de toereikendheid van de voorschotten te verbeteren? Hebt u de evaluatiecommissie gevraagd om ook daarover na te denken?

 

05.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week hebben wij naar aanleiding van het verslag van de evaluatiecommissie mogen vernemen dat er een aantal bezorgdheden zijn over de werking van de DAVO. De bezorgdheden zijn hier al aangehaald.

 

Zo is er de toegankelijkheid. Het klopt dat er voor het einde van het jaar een vermindering van het aantal kantoren is aangekondigd. Dat heeft volgens mij niet noodzakelijk tot gevolg dat de toegankelijkheid beperkt zal worden. Integendeel, de evaluatiecommissie heeft in haar verslag duidelijk gesteld dat OCMW’s hun rol zullen spelen als meest laagdrempelige partij.

 

Ik meen dat de mensen veel sneller hun weg naar het OCMW vinden dan naar een DAVO-kantoor. Dat is blijkbaar niet zo bekend. Iedere gemeente heeft een OCMW maar zeker niet iedere gemeente heeft op dit ogenblik een DAVO-kantoor, laat staan dat de mensen weten waar. Ik meen dat het verslag van de evaluatiecommissie, bevolkt met een aantal raadgevers uit deze Kamer, onder wie mevrouw Becq en ikzelf, op dat vlak zeer interessant was, al laat een tweede uitnodiging inderdaad op zich wachten. Er wordt bijvoorbeeld vastgesteld dat de voorschotten op de vergoedingen slechts voor 36 % worden teruggevorderd. Dat is iets wat wij in het oog moeten houden opdat er geen scheeftrekking ontstaat.

 

Laat het duidelijk zijn, iedereen kan naar de DAVO stappen, ongeacht het inkomen. Het verschil is dat enkel mensen met een inkomen van minder dan 1 867 euro voorschotten kunnen ontvangen. Maar iedereen is welkom om de betekening te krijgen van het vonnis of aangepord te worden als onderhoudsplichtige. Dat is een nuance die ik wens te maken.

 

Ik meen dat het belangrijkste is dat wij als wetgever niet enkel de DAVO bekend maken. Dat gebeurde al via de wet van 2010, die in de objectivering van onderhoudsbijdragen voorziet. Daarin staat letterlijk dat ieder vonnis het bestaan van de DAVO moet opnemen. In principe zal in een vonnis waarin onderhoudsgeld en onderhoudsplicht is opgenomen ook het bestaan van de DAVO vermeld staan. Dat geldt als een enorme bekendmaking bij het publiek bij wie dit moet terechtkomen.

 

Wat ook bekend moet worden gemaakt is het bestaan van loondelegatie, van loonmachtiging. Personen die onderhoudsgerechtigd zijn, moeten hun mogelijkheden uitputten om het onderhoudsgeld rechtstreeks te gaan halen waar dat nodig is, zijnde bij de onderhoudsplichtigen.

 

Mijnheer de minister, ziet u een mogelijkheid om de invorderingen eenvoudiger en efficiënter te laten verlopen? Zo ja, hoe?

 

Bent u het met mij eens dat de mogelijkheid van rechtstreekse inning van verschuldigde onderhoudsbijdragen via loondelegatie een werklastvermindering en meer efficiëntie kan teweegbrengen voor de DAVO?

 

Bent u op de hoogte van de misbruiken omtrent het onvermogend maken? Zo ja, hoe zult u dat aanpakken? Hebt u daarover al contact gehad met de minister van Justitie?

 

05.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, het gebeurt niet vaak dat ik hier van drie dames vragen krijg rond één thema. Ik zal proberen goed te antwoorden.

 

Samengevat zijn de thema’s: de sluiting van de loketten, de evaluatiecommissie en het inkomensplafond.

 

De DAVO is sinds 2014 geïntegreerd in de Algemene Administratie van de Inning en Invordering en volgt eveneens de reorganisatie van de diensten van deze administratie. De taken met betrekking tot de indiening van een aanvraag tot tegemoetkoming, het samenstellen van een dossier en de behandeling ervan zullen zo inderdaad verzekerd worden binnen 11 infocentra van de net genoemde algemene administratie. Deze infocentra zullen als eerste aanspreekpunt de verschillende aanvragen van burgers moeten beantwoorden, in het bijzonder al wat met DAVO te maken heeft. Om de onderhoudsgerechtigden die een beroep wensen te doen op de dienst zo goed mogelijk te helpen, zal elk infocentrum beschikken over een backoffice met medewerkers die gespecialiseerd zijn in de materies, onder wie medewerkers van de DAVO, die hen zullen bijstaan en helpen tijdens het indienen van hun aanvraag en het samenstellen van de dossiers.

 

Ik herhaal, zoals ik trouwens afgelopen donderdag in de plenaire vergadering ook al gedaan heb, dat de dienstverlening van de DAVO zeker niet zal verminderen.

 

Daarnaast volgt de DAVO eveneens de digitalisering, net als de andere administraties van de FOD Financiën. Het formulier voor de aanvraag tot tegemoetkoming, alsook het formulier voor de aanvraag of vernieuwing van het recht op voorschotten op onderhoudsgeld, zijn sinds juli 2016 in elektronische vorm beschikbaar op de website van de DAVO en van de FOD in het algemeen.

 

Deze aanvragen kunnen sindsdien online gebeuren. Het online ter beschikking stellen van dergelijke formulieren laat toe aan bepaalde instellingen, waaronder zeker en vast ook de OCMW’s, tot wie de doelgroep van de DAVO zich onder meer zeker richt, om de onderhoudsgerechtigden te helpen bij het invullen en rechtstreeks verzenden van dit formulier. De OCMW’s werden trouwens tijdens een uitgebreide informatiesessie, in januari laatsteleden georganiseerd door de Algemene Administratie van Inningen en Invorderingen, uitgebreid geïnformeerd over deze formulieren en de wijze waarop daarmee best kan omgegaan worden.

 

De OCMW’s zouden inderdaad kunnen meewerken aan de intake van de dossiers, met inbegrip van de hernieuwing van de voorschotten, maar om duidelijkheid in de financiële stromen te behouden, zou de uitbetaling van de voorschotten en de invordering bij voorkeur bij de FOD moeten blijven.

 

In verband met de evaluatiecommissie kan ik u meegeven dat de volgende vergadering binnenkort zal plaatsvinden. Het opstellen van het evaluatieverslag is volop aan de gang. Deze vergadering zal dus in de loop van de komende weken plaatsvinden. Het is thans evenwel nog te vroeg om duidelijk af te lijnen welke knelpunten en aanbevelingen het voorwerp zullen uitmaken van het aan de gang zijnde evaluatieproces en dus ook van het verslag. Dat zal onder andere afhangen van de aandachtspunten die de leden-raadgevers, de parlementsleden en de vertegenwoordigers van de belangengroepen aanbrengen.

 

In verband met het inkomensplafond voor de toekenning van voorschotten, elke al dan niet geleidelijke wijziging van het inkomensplafond voor de toekenning van voorschotten heeft budgettaire gevolgen, die aanzienlijk kunnen zijn. Zoals u weet heeft de evaluatiecommissie van de DAVO als opdracht om de wet en de werking van de DAVO te evalueren en om een evaluatieverslag op te stellen voor de ministers bevoegd voor Financiën en voor Begroting, alsook om hen duidelijke adviezen voor te leggen. Het behoort dus niet direct tot de bevoegdheid van de commissie om op dat vlak in te grijpen. Maar, ik denk dat het inderdaad nodig is om over deze zaken en de suggesties dienaangaande ernstig na te denken. Ik denk aan de afkapgrens op 1 800 euro en dergelijke.

 

Mijn voorstel zou het volgende zijn. Professor Pacolet van het Hoger Instituut voor de Arbeid te Leuven heeft in 2012 een studie gemaakt over de budgettaire impact van de toekenning van de voorschotten van de dienst voor de Alimentatievorderingen. Wij moeten deze studie actualiseren. In dat verband kunnen wij heel expliciet vragen om de voorstellen die door u alledrie in een bepaalde context gemaakt zijn — ik denk aan de afkapgrens op 1 800 euro, aan de loondelegatie en dergelijke — te evalueren, zodat wij een objectieve basis hebben om klaar te zien bijvoorbeeld inzake de budgettaire gevolgen van bepaalde maatregelen en om te weten waarover wij praten.

 

Dat is mijn concreet voorstel om die studie te actualiseren en bepaalde specifieke voorstellen die wij samen kunnen bespreken te integreren. Daar hebben jullie in de vragen ook al een mooie aanzet toe gegeven.

 

Mevrouw Uyttersprot, u hebt uw vraag vanmorgen om 10 u 30 ingediend. Op een aantal aspecten van uw vraag kom ik later terug, beloofd. Ik hoop dat u niet kwaad wordt op mij of mijn medewerkers omdat ze die antwoorden voor de start van de commissie niet meer op een deftige manier konden verwerken.

 

05.05  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Belangrijk blijft dat het OCMW-publiek niet gelijk is aan het DAVO-publiek. Ik denk dat dit een belangrijk element is dat mee in de toegankelijkheid moet worden ingecalculeerd. Het is niet vanzelfsprekend dat OCMW’s iedereen kunnen verwittigen. Iedereen gaat langs het OCMW. Daar zal waarschijnlijk een knelpunt zitten.

 

Voorts wil u een vernieuwde opdracht geven. Dat vind ik heel goed. Op grond van die studie hebben wij in 2014 een heel uitgebreide en gedetailleerde discussie gevoerd in de commissie Gelijke Kansen. Dat is dus een goede zaak.

 

05.06  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en de openheid om naar een aantal suggesties te luisteren.

 

U zegt dat de 11 kantoren de eerste aanspreek­punten blijven. Wij hopen net dat dit de tweedelijn wordt. Ik heb absoluut geen probleem met het feit dat daar de uitbetaling zal gebeuren en de expertise zal worden gecentraliseerd, maar het is belangrijk dat het eerste aanspreekpunt voor mensen naar het lokale niveau verhuist.

 

Ik vind het dan ook goed dat u bereid bent om de samenwerking met de OCMW’s te herbekijken. De OCMW’s kunnen dat doen voor hun OCMW-klanten. Een vrouw die werkt en een klein inkomen heeft, is geen klant van het OCMW en is daar niet gekend. Zij weet misschien zelfs niet dat het OCMW haar kan helpen. De toegang op het lokale niveau moet dus worden verbeterd. De opdracht van het OCMW en binnenkort misschien het Sociaal Huis moet veel breder gaan.

 

Ik hoop dat u dit wilt bekijken zodat dit breder gaat en wel het eerste aanspreekpunt wordt. Op die manier kan uw administratie zich focussen op expertise, ondersteuning en uitbetaling. De loketfunctie zou echter moeten worden overgenomen door de lokale besturen zodat mensen uit Essen of Kalmthout niet naar de Italiëlei in Antwerpen moeten voor het indienen van hun aanvraag. Ik ben blij dat u ter zake enige openheid toont.

 

Ten tweede, ik ben blij dat u mijn voorstel voor een gradueel plafond wilt laten bekijken door professor Pacolet. Hebt u enig idee over welke termijn we het dan hebben?

 

05.07 Minister Johan Van Overtveldt: Ik zal hem daarvoor contacteren. We moeten het uiteraard correct spelen op het vlak van overheidsopdrachten.

 

05.08  Nahima Lanjri (CD&V): Absoluut!

 

05.09 Minister Johan Van Overtveldt: Ik zal daarover terugkoppelen. Ik heb daarover momenteel nog geen verdere contacten gelegd.

 

05.10  Nahima Lanjri (CD&V): Het lijkt mij echt van belang dat wij geen nieuwe soort werkloosheids- of DAVO-val creëren doordat mensen uit de boot vallen als ze net iets te veel verdienen. Iedereen kan bij DAVO terecht, maar ik had het wel degelijk over de voorschotten. Mensen hebben soms nood aan voorschotten. Soms moet jarenlang worden gewacht vooraleer iemand zijn alimentatie betaalt. Tegen dan zitten mensen in de miserie en de armoede. Die vicieuze cirkel moeten we doorbreken door tijdig in te grijpen en mensen recht te geven op een voorschot. Het gaat er vooral over de levensstandaard van een vader of moeder met kinderen zo goed mogelijk te houden.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

05.11  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, het is u vergeven wat de vragen betreft. In de commissie voor de Justitie zijn de gewoonten anders en dat is de reden voor het laattijdig versturen.

 

Vandaag onttrekken nog altijd te veel onderhoudsplichtigen zich van hun onderhoudsplicht die bij vonnis of akkoord is afgesloten. Vonnissen zijn er om nageleefd te worden.

 

Een tijdje geleden heb ik aan de minister van Justitie cijfers opgevraagd over die niet-betaling. Blijkt dat er per dag bij de politie zeven klachten binnenlopen over de niet-betaling. Dat is een enorm probleem dat wij zeker in het oog moeten houden. Momenteel wordt hieraan iets te weinig aandacht besteed.

 

Net als DAVO te weinig is gekend, is ook de mogelijkheid van loondelegatie of loonmachtiging te weinig gekend. Indien iemand in een periode van twaalf maanden gedurende twee maanden geen onderhoudsgeld betaalt, kan men een verzoek richten aan de familierechter om die loonmachtiging automatisch te laten toekennen. Helaas wordt die maatregel amper of niet gebruikt. De cijfers over het gebruik van dat artikel zijn helaas niet bekend, maar de praktijk leert dat die maatregel onbekend is.

 

Wij hebben dan ook een wetsvoorstel ingediend om, net zoals de clausule van DAVO in ieder vonnis opgenomen wordt, ook de kennisgave van de mogelijkheid van loondelegatie te laten opnemen in ieder vonnis. DAVO heeft uiteraard een meer dan groot nut, maar DAVO moet in principe nog altijd een vangnet zijn. De onderhoudsplichtige is nog altijd persoonlijk verantwoordelijk voor zijn eigen kinderen. Pas wanneer er absoluut geen mogelijkheid bestaat, moet DAVO op de proppen komen. Het is daarbij alleszins positief dat erover nagedacht wordt of dat zal worden onderzocht of de mogelijkheid bestaat om dat ongeacht de inkomens te laten doen.

 

Ik dank u alleszins voor uw nuttig en uitgebreid antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Mme Kattrin Jadin au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les recours des fonctionnaires germanophones du SPF Finances" (n° 18344)

06 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "door de Duitstalige ambtenaren van de FOD Financiën ingediende beroepen" (nr. 18344)

 

06.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, pour des raisons de déontologie, depuis le 1er janvier 2017, les fonctionnaires d'un département, me rapporte-t-on, ne seraient plus autorisés à traiter les dossiers d'un de leurs collègues, notamment en cas de recours voire de réclamation.

 

Lorsqu'un fonctionnaire germanophone introduit un recours, ses collègues de la Communauté germanophone ne pourraient donc plus intervenir et son dossier serait traité par une autre direction et, apparemment, par la direction de l'AGFisc à Liège où l'entièreté du personnel est pourtant francophone. Or, conformément à la loi sur l'emploi des langues, la langue du contribuable doit être appliquée, sinon une décision légalement justifiée ne peut être prise. Alors que je salue ladite modification pour des raisons de déontologie, dans ce cas, un problème se pose car en théorie, les agents francophones ne peuvent statuer en langue allemande.

 

Monsieur le ministre, êtes-vous au courant de la problématique mentionnée ci-dessus? Comment comptez-vous résoudre ladite problématique qui concerne avant tout les fonctionnaires germanophones?

 

06.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, madame Jadin, il est exact que pour renforcer les exigences déontologiques garantissant le traitement intègre des dossiers des agents du SPF Finances, il a été prévu de transférer le dossier personnel des agents travaillant dans un centre de l'administration générale de la fiscalité vers un autre centre de cette même administration dans le cas de contrôles et de contentieux résultant d'un désaccord persistant. Néanmoins, la législation linguistique doit impérativement être respectée. C'est ainsi qu'il est prévu que les dossiers des agents d'Eupen restent traités par le centre d'Eupen sous le contrôle du centre de Liège. De plus, ces dossiers peuvent aussi être traités par un agent d'une équipe de Malmedy disposant du certificat linguistique garantissant sa capacité à gérer le dossier en allemand.

 

06.03  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse très claire.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 18405 van de heer Deseyn is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

07 Vraag van de heer Dirk Janssens aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Deposito- en Consignatiekas" (nr. 18407)

07 Question de M. Dirk Janssens au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la Caisse des Dépôts et Consignations" (n° 18407)

 

07.01  Dirk Janssens (Open Vld): Mijnheer de minister, tijdens de hoorzittingen in de Kamer met betrekking tot de nieuwe insolvabiliteitswetgeving hadden sommige sprekers kritiek op de Deposito- en Consignatiekas, die zij een archaïsche instelling vonden.

 

De instelling staat in voor het beheren van deposito's, consignaties, borgstellingen en slapende tegoeden, de dematerialisatie van effecten aan toonder en het beheren van het Nationaal Kantoor voor Roerende Waarden. Daarnaast zijn er ook nog de gerechtelijke consignaties. Daartoe behoren onder andere vergoedingen voor onteigeningen te algemenen nutte, faillissementsgelden, fondsen die toebehoren aan minderjarigen en onbekwaamverklaarden, kantonnementen en alle bewaargevingen bevolen door het gerecht. Op basis van die onvolledige opsomming moeten wij vaststellen dat de kas een zeer belangrijke taak heeft. Het verontrustte mij dan ook van de sprekers te moeten horen dat de werkwijze blijkbaar niet meer van onze tijd is.

 

Ten eerste, bent u zich bewust van de klachten over de manier van werken bij de Deposito- en Consignatiekas? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de meest gehoorde klachten?

 

Ten tweede, wat zou men kunnen bedoelen met de ouderwetse manier van handelen?

 

Ten derde, kan een van de oorzaken een gebrek aan personeel zijn? Hoeveel mensen werken daar momenteel?

 

Ten vierde, hoeveel verrichtingen gebeuren daar jaarlijks? Wij hoorden onder meer dat men soms pas na zes maanden een telefoontje krijgt met bovendien de vraag waarover het wel gaat. Als er heel veel verrichtingen zijn, dan lijkt mij dat mogelijk. Over hoeveel verrichtingen gaat het? Hebt u een idee van de totale omzet?

 

Ten vijfde, denkt u dat er ingegrepen moet worden? Zo ja, plant u daartoe een initiatief?

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Janssens, u had vijf vragen. Ik zal de eerste twee samen beantwoorden en de rest afzonderlijk.

 

Wat uw eerste twee vragen betreft, het aantal klachten over de manier van werken bij de Deposito- en Consignatiekas is over het algemeen veeleer beperkt. In het merendeel van de gevallen betreft het klachten in individuele dossiers waarbij er door bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een erg complex dossier of dossiers waarin belangrijke gegevens ontbreken, een langere behandelingstermijn was, of een betwiste betaling of niet-betaling door de depositokas.

 

U stelt dat er tijdens de hoorzittingen in de Kamer met betrekking tot de nieuwe insolvabiliteit­wetgeving door bepaalde sprekers opgeworpen werd dat de Deposito- en Consignatiekas een archaïsche instelling zou zijn. Als u daarmee bedoelt ouderwets of oud, dan ga ik akkoord met u. Archaïsch is misschien niet helemaal correct. Dat er aan de manier van werken van sommige curatoren moet worden gesleuteld, is duidelijk. Het huidige management van de Thesaurie en de DCK is zich daar ten zeerste van bewust en wil een grondige herstructurering doorvoeren. In 2016 werd een groot project van reorganisatie gestart. Ik kom daar in antwoord op uw vijfde vraag nog even op terug.

 

Wat uw derde vraag betreft, de niet-geautomatiseerde dossierbehandeling is inderdaad een arbeidsintensief proces. Op het ogenblik zijn er 65 personeelsleden in dienst. Dat zijn 57,2 voltijdse equivalenten. Eind 2015 werd beslist om het beheer van de gerechtelijke consignaties te centraliseren bij de DCK in Brussel vanaf 4 januari 2016. De transfer van het Brusselse agentschap en zijn zes medewerkers werd eind september 2015 gerealiseerd. Er werden 15 nieuwe medewerkers aangeworven. De overname van de bevoegdheden van de per oud gerechtelijk arrondissement gelegen agentschappen bracht veel extra werk met zich ten gevolge van de grote achterstand in de dossierbehandeling. Er is op dit moment geen gebrek aan personeel.

 

Nu kom ik tot uw vierde vraag. In 2016 werden er concreet 31 562 nieuwe dossiers geopend. Op 31 december 2016 had de depositokas de volgende bedragen in beheer. Ik neem aan dat het voor u volstaat als ik de afgeronde bedragen voorlees. De exacte bedragen zijn voor u in een schriftelijk antwoord voorhanden. Voor de gerechtelijke consignaties gaat het om 1,8 miljard euro. Voor eurodeposito’s gaat het om 815 miljoen euro. Voor onvrijwillige buitenbezitstellingen gaat het om 141,5 miljoen euro. Voor borgtochten gaat het om 244,6 miljoen euro. Voor slapende tegoeden gaat het om 427 miljoen euro. Voor dematerialisatie gaat het om 243,7 miljoen euro.

 

Nu kom ik tot uw laatste vraag, ook aansluitend op de eerste twee vragen. Zoals reeds aangegeven, is in 2016 de Deposito- en Consignatiekas aan een nieuw project begonnen dat een totale reorganisatie van haar werking en haar organisatie beoogt. Dematerialisatie en slapende tegoeden, waaraan ik zonet refereerde, zijn al in grote mate geïnformatiseerd. De faillissementen volgen zoals ik daarnet uitgelegd heb. Concreet zal het project een grondige verandering aanbrengen aan de huidige werking van de verschillende categorieën van deposito’s, borgstellingen en gerechtelijke consignaties. Het uiteindelijk doel van dat project is de grondige modernisering van de DCK en de toewijzing van permanente informaticatools. Die tools zullen namelijk moeten toelaten dat zowel de burgers als de openbare en private organisaties online contact kunnen opnemen met de Deposito- en Consignatiekas.

 

Ik zal in de loop van dit jaar binnen de regering trachten om een herziening en een complete hervorming van de wet op de Deposito- en Consignatiekas voor te stellen.

 

07.03  Dirk Janssens (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw volledig en open antwoord.

 

Alles kan beter. Wij hoorden zopas het verhaal van DAVO. Ik hoor dat er ook voor de Deposito-en Consignatiekas een en ander aan het bewegen is. Ik kan u alleen maar steunen in dat initiatief.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 18417 van mevrouw Smaers wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

 

08 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de bijkomende belastingvermindering" (nr. 18427)

08 Question de Mme Nahima Lanjri au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réduction d'impôts supplémentaire" (n° 18427)

 

08.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, ik wil u nog een vraag stellen over de zogenaamde fiscale pensioenval. De belastingdruk op pensioenen en vervangingsinkomens wordt verlaagd door het verlenen van belasting­verminderingen voor die groepen.

 

Enerzijds, is er een gewone belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten. Die volstaat eigenlijk niet om de belasting op lage pensioenen en vervangingsinkomsten tot nul te herleiden. Aan belastingplichtigen van wie het belastbaar inkomen uitsluitend uit een pensioen of vervangingsinkomen bestaat, wordt daarom een bijkomende vermindering verleend. Anderzijds, is er de bijkomende belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten. Die brengt de belastingdruk op lage pensioenen en vervangingsinkomsten terug tot nul voor belastingplichtigen die enkel dergelijke inkomsten hebben.

 

Het totale netto-inkomen mag een aantal grensbedragen niet overschrijden. Voor werkloosheiduitkeringen gaat het om 17 569 euro. Voor pensioenen en andere vervangings­inkomsten gaat het om 15 518 euro. Voor ziekte- en invaliditeitsinkomsten gaat het om 17 242 euro. Wanneer het inkomen die grens overschrijdt, wordt er een afbouwregel toegepast. De overblijvende belasting mag niet meer bedragen dan het inkomen dat de bovengrens overschrijdt. Dat principe wordt in de praktijk niet altijd toegepast, omdat artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ervoor zorgt dat er in dat geval voor verschillende inkomens een nettoverlies optreedt, of dat er netto niets overschiet, zelfs als men een verhoging krijgt. Dat noemt men de fiscale pensioenval: men krijgt wel meer, maar uiteindelijk houdt men niet meer over of schiet men er zelfs bij in.

 

Uw collega voor Armoedebestrijding heeft in haar beleidsnota er terecht voor gepleit de armoede terug te dringen en de lage inkomens bijkomend te ondersteunen, waar wij ten volle achter staan. Ik heb daarover trouwens zelf verschillende wetsvoorstellen ingediend, om de laagste uitkeringen te verhogen, wat ook in het regeerakkoord staat.

 

Ik heb dan ook een aantal vragen over de pensioenval, die wellicht onbedoeld is. Het is immers nooit de bedoeling van de wetgever om mensen, wanneer zij iets erbij krijgen, als resultaat te laten bekomen dat zij minder geld krijgen of niks overhouden. Dat is niet de bedoeling.

 

Kan u mij dus verduidelijken of u het probleem van de bijkomende belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomens zal oplossen?

 

Hebt u al een voorstel uitgewerkt? Zo ja, hoe ziet het voorstel eruit? Wat zijn de contouren? Wat is de timing?

 

Indien u een voorstel hebt uitgewerkt, gaat het daarbij dan om een structurele oplossing om het probleem aan te pakken of ziet u het veeleer als een tijdelijke oplossing? Indien het om een tijdelijke maatregel gaat, is voor u dan de tweede stap dat u een structurele maatregel op tafel legt die onder meer ook rekening houdt met de wettelijk samenwonende personen en de gehuwden alsook met de belastingplichtigen die over een klein inkomen uit roerende of onroerende goederen beschikken en met belastingplichtigen die een kleine bijverdienste na hun pensioen hebben? Aldus is de doelgroep ruimer.

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Lanjri, in 2015 werd de berekening van de bijkomende vermindering voor pensioenen en vervangings­inkomens reeds aangepast, zodat voor de belastingplichtige van wie het totale netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen en vervangings­inkomens of uitsluitend uit de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkering bestaat, ook de aanvullende gemeentebelastingen in rekening werden gebracht bij de berekening.

 

Die nieuwe berekeningswijze belet echter nog niet in alle gevallen dat een stijging van het bruto-inkomen leidt tot een daling van het netto-inkomen na belasting. De beleidscel Financiën heeft in nauw overleg met de beleidscel van de minister van Pensioenen een wetswijziging voorbereid die dit probleem moet oplossen. Dit is een heel technische en complexe materie. Die wijziging wordt momenteel binnen de regering besproken.

 

Ik kan u meegeven dat het in ieder geval de bedoeling is dat dit een structurele oplossing biedt aan deze problematiek, maar u begrijpt dat ik de discussie daaromtrent eerst nog binnen de regering wil voeren vooraleer daarover uitgebreid te communiceren, ook omdat dit technisch zo'n complexe zaak is.

 

Ik herhaal dat wij heel graag een structurele oplossing willen hebben. Wij zijn daar vandaag volgens mij dicht bij. Het is een kwestie van dagen, maximaal weken. We zijn echt aan het finaliseren.

 

08.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, ik begrijp dat u werkt aan het probleem dat er nog is, ondanks de wijzigingen die werden doorgevoerd. U kunt mij helaas nog niet meer zeggen over de contouren van de oplossing, waarschijnlijk omdat er nog geen volledig akkoord is.

 

Ik kan daar inkomen, maar ik wil ervoor pleiten dat er op korte termijn een oplossing wordt gevonden, inderdaad het liefst een structurele oplossing, zodat we het niet in twee keer moeten doen.

 

Het is niet meer dan logisch dat mensen krijgen waarop ze recht hebben. Als zij extra vakantiegeld krijgen, of iets anders, dan mag dat niet betekenen dat zij plots netto minder overhouden. De groep die het reeds moeilijk heeft, mensen met een klein pensioen of mensen met een uitkering, mag daar niet het slachtoffer van zijn.

 

Ik hoop dus inderdaad dat u op korte termijn daarvoor een oplossing kunt vinden in de regering, zodat u deze groep mensen kunt helpen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.26 uur.

La réunion publique de commission est levée à 17.26 heures.