Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 14 juni 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 juin 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.21 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.21 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De voorzitter: Vragen nrs. 18853 en 18854 van mevrouw Özen worden omgezet in een schriftelijke vraag.

 

01 Vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Justitie over "het gerechtelijk dossier van de brand van de Innovation" (nr. 18895)

01 Question de Mme Karolien Grosemans au ministre de la Justice sur "le dossier judiciaire relatif à l'incendie de l'Innovation" (n° 18895)

 

01.01  Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, naar aanleiding van de herdenking op 22 mei 2017 van de brand in de Innovation in de Nieuwstraat te Brussel 50 jaar geleden, verschenen er twee relevante boeken. Beide boeken vragen aandacht en stellen vragen over de actuele status van het lnno-dossier in het Justitiepaleis te Brussel.

 

In het documentaire boek Inferno van journalisten Geert De Vriese en Frank Van Laeken wordt melding gemaakt van: “Er doen stevige geruchten de ronde dat het dossier niet volledig zou zijn, dat bepaalde stukken, of zelfs heelder mappen, in de loop van de jaren zouden verdwenen zijn. Gestolen. Of domweg kwijtgespeeld.”

 

De sleutelroman Happening van VUB-professor emeritus Johan Swinnen is gebaseerd op 20 jaar historisch onderzoek in alle beschikbare dossiers, ook in het lnno-dossier van het Brussels Justitiepaleis. Daarin lezen we: “Het is nog niet te laat, maar het verontrust me dat het officiële dossier over de brand van de Innovation bij elk bezoek dat ik breng aan het Justitiepaleis te Brussel een stuk dunner is. Dat is gruwelijk om te zien. Justitie blijft een schandvlek voor onze democratie.”

 

Verder in het boek zegt hij: “In het gerechtelijk dossier in het Justitiepaleis te Brussel vind ik een verslag van een ondervraging op 10 juli 1967 en een contact met Interpol op 2 augustus 1967. Ik lees dat ze kind aan huis waren bij de Commune Ché en dat ze militant waren en de Chinese Culturele Revolutie toejuichten als revolutionair voorbeeld voor het Westen. Ik bestel aan de balie fotokopieën van al de aanwezige stukken. Als ik in 2014 opnieuw onderduik in het lnno-dossier, merk ik dat al deze belangrijke documenten en huiszoekingen, ook de krantjes en pamfletten niet langer in het dossier te vinden zijn.”

 

Mijnheer de minister, ik wil u in deze context enkele vragen stellen.

 

Hebt u enig zicht op de lijst van bezoekers – onderzoekers, vorsers, familieleden, juristen … – die het dossier raadpleegden sinds het einde van het onderzoek, ongeveer einde 1969, begin 1970?

 

Zijn er documenten of dossiers verdwenen, of erger nog, gestolen? Zo ja, zijn er al vaststellingen geweest? Hoe is dit kunnen gebeuren?

 

Kan u me een overzicht geven van waar het juridisch lnno-dossier effectief is bewaard sinds 22 mei 1967, om klaarheid en transparantie te verlenen aan de onderzoekers en de nabestaanden?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Grosemans, het College van procureurs-generaal bevestigt mij dat het parket van Brussel af en toe vragen tot inzage van dit gerechtelijk dossier krijgt, maar dat het geen lijst bijhoudt van alle personen die dit dossier hebben geconsulteerd.

 

Meermaals werd inzage gevraagd door onderzoekers voor wetenschappelijke doeleinden. Dit werd hun toegestaan. Ik heb geen informatie over het beheer van het dossier sinds 1967. Het dossier berust bij de Franstalige correctionele rechtbank van eerste aanleg van Brussel en behoort tot de bevoegdheid van de voorzitter van die rechtbank.

 

01.03  Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

 

Goed, er is nog altijd de these dat een ongeval die brand zou hebben veroorzaakt, maar dat is nog niet volledig uitgeklaard. De these van een aanslag is ook nog altijd open. Ik meen dat het belangrijk is de actuele inventaris van de stukken te bekijken. Ik verneem dat deze these niet meer te toetsen is aan de oorspronkelijke inventaris. Blijkbaar nam men het toen minder nauw met het inventariseren van alle stukken. Ik hoop dat dit op dit ogenblik veel beter verloopt.

 

Ik zal dit verder opvolgen. Het zomerreces nadert. Mag ik u een tip geven: het boek Happening is heel ontspannend, mocht u binnenkort wat tijd hebben om te lezen. U kunt ook wachten tot de film uitkomt. De filmrechten zijn verkocht, heb ik gehoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de inzage van het strafdossier" (nr. 19141)

02 Question de M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "la consultation du dossier pénal" (n° 19141)

 

02.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag, over de huidige inzage van strafdossiers, sluit naadloos aan bij deze van mevrouw Grosemans, zij het met ongeveer 40 jaar vertraging.

 

U weet dat ik de laatste maanden en jaren terug wat meer actief ben geworden als advocaat. Ik stel vast dat er nogal wat onduidelijkheid is bij medestrafpleiters omtrent de geplogenheden van de inzage van de strafdossiers. Of het nu gaat over de strafdossiers die ter inzage liggen voor behandeling voor de correctionele rechtbank of voor de raadkamers of andere onderzoeks­rechtbanken, maakt eigenlijk geen verschil, er zit geen lijn in.

 

Mijnheer de minister, daarom heb ik volgende suggestie. Zou het nuttig zijn om daarin een lijn te trekken? Meent u dat u daarin als minister een rol te spelen hebt of niet?

 

Als die lijn getrokken wordt, mag dat wat mij betreft alleszins een lijn zijn waarbij de nieuwe technologieën wel ingang kunnen vinden. Hoe denkt u daarover en hoe zult u daarmee omgaan?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Terwingen, het College van hoven en rechtbanken bevestigt mij dat er in het verleden vaak onduidelijkheid is geweest over deze aangelegenheid bij de griffies, zoals ook werd bevestigd door mijn voorganger in 2012 naar aanleiding van een vraag over het verbod op het gebruik van leespennen en handscans bij de consultatie ter griffie.

 

Het College stelt echter dat sinds de circulaire 6/2014 van de FOD Financiën van 27 februari 2014 deze problemen grotendeels van de baan zouden zijn omdat hierin duidelijke regels worden geponeerd. In beginsel moet steeds het onderscheid worden gemaakt tussen de toelating tot inzage, enerzijds, en de toelating tot inzage en kopiename, anderzijds. Alleen in dat laatste geval wordt immers het scannen van stukken toegestaan.

 

Voormelde circulaire bepaalt echter dat in het strafrecht de advocaten die de verdachten en de beschuldigden vertegenwoordigen steeds zijn gerechtigd om zelf uittreksels of kopieën te nemen van de stukken. Dit is evident in het licht van de rechten van de verdediging.

 

De circulaire bepaalt voorts, en ik citeer: “Indien er geen afgifte door de griffier gebeurt, is er geen enkel expeditierecht verschuldigd, met name wanneer de kopie wordt gemaakt door de persoon vreemd aan de griffie en de derde de documenten zelf raadpleegt en met eigen materiaal op de griffie kopieert, zonder een beroep te doen op de griffier. Dit geldt ook voor kopieën die deze derde zelf maakt met behulp van eigen leespen, handscanner, smartphone, tablet of ander dergelijk toestel.”

 

Het College van hoven en rechtbanken verklaart zich ook bereid om de griffies van de directiecomités opnieuw te informeren met het oog op een uniforme werkwijze.

 

Tot slot wil ik erop wijzen dat wanneer het elektronisch strafdossier gerealiseerd zal zijn, de consultatie online zal kunnen geschieden, waardoor deze problematiek grotendeels verdwijnt. Het proefproject dat in dit verband loopt en waarbij aangehoudenen vanuit de gevangenis online het strafdossier kunnen consulteren, is een eerste aanzet daartoe.

 

Het project dat vorige week werd gelanceerd door de balieverenigingen, waarbij alle advocaten via hun centraal platform en een digitale advocatenkaart verbonden worden met de informaticaplatformen van Justitie, is een andere bouwsteen in dit project.

 

De goedkeuring door de bijzondere Ministerraad over veiligheid en justitie, van de creatie van een databank voor elektronische pv’s van politie, die dan digitaal toegankelijk worden voor Justitie, past ook in de opbouw van het digitale strafdossier.

 

U merkt dat wij stap voor stap de digitaal ondersteunende Justitie tot stand pogen te brengen, die ouderwetse, praktische problemen doet verdwijnen.

 

02.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, het zou inderdaad goed zijn mocht het College van hoven en rechtbanken deze circulaire op een of andere manier nog eens verspreiden, want, zoals reeds gezegd, de griffies weten het zelf blijkbaar niet heel goed. Dat is geen verwijt, het is gewoon een vaststelling.

 

Ik noteer uw openheid naar al wat met technologische vooruitgang te maken heeft, en dus ook het feit dat het op alle griffies mogelijk zou moeten zijn dat advocaten zelf met hun materiaal stukken inscannen of fotograferen, zonder daarvoor bepaalde rechten te moeten betalen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de Mme Kattrin Jadin au ministre de la Justice sur "les transactions pénales" (n° 19132)

03 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Justitie over "de minnelijke schikkingen in strafzaken" (nr. 19132)

 

03.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, la Cour constitutionnelle a annulé, l'an dernier, la loi sur la transaction pénale telle qu'élargie en 2011, estimant qu'elle violait le principe d'égalité et le droit à un procès équitable. Certains tribunaux n'en ont pas moins prononcé des jugements qui l'acceptaient dans les limites fixées par la Cour. Le Collège des procureurs généraux vient de décider de l'autoriser à nouveau, dans les mêmes limites.

 

Monsieur le ministre, combien de transactions pénales ont-elles finalement été prononcées l'an dernier? Quelles étaient les limites pour pouvoir prononcer un jugement permettant une telle transaction?

 

03.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, madame Jadin, à ma demande, j'ai pu recevoir tout récemment un rapport des analystes statistiques du Collège des procureurs généraux concernant le nombre de transactions pénales élargies conclues entre le 14 avril 2011 et le 31 décembre 2016.

 

Ce rapport a été transmis à la commission d'enquête parlementaire sur le Kazakhgate. Il ne permet pas d'opérer une ventilation sur les différentes années, mais il distingue trois périodes, à savoir la période entre le 14 avril 2011 et le11 août 2011, date à laquelle la première loi de réparation relative à la transaction pénale élargie est entrée en vigueur, deuxièmement la période du 11 août 2011 au 2 juin 2016, date de l'arrêt de la Cour constitutionnelle constatant une violation du principe d'égalité, et enfin, troisièmement, la période s'étendant du 2 juin au 31 décembre 2016. Pour la période postérieure au 2 juin 2016, 38 transactions pénales élargies ont encore été proposées pour un montant de 2 714 435 euros. Un montant de 2 684 435 millions d'euros a été payé, correspondant à 37 de ces cas.

 

Les procureurs généraux me communiquent que les directives du collège des PJ de juin 2016 ont été scrupuleusement respectées et que de nouvelles négociations n'ont pas été entamées. Les transactions conclues portent donc sur des affaires pour lesquelles les négociations avaient déjà été entamées. La Cour constitutionnelle n'a pas déclaré que le principe de champ d'application était inconstitutionnel, mais a constaté une violation du principe d'égalité et du droit à un procès équitable dans la mesure où une transaction pénale, après l'engagement de l'action publique, ne connaît qu'un contrôle juridictionnel marginal de la légalité.

 

Les limites du champ d'application matériel sont restées par conséquent intactes mais la procédure dans la loi doit être modifiée afin d'y inscrire un contrôle juridictionnel effectif de la proportionnalité.

 

Le Collège des procureurs généraux me communique que toutes les transactions pénales élargies, conclues après l'arrêt de la Cour constitutionnelle, ont donné lieu à des jugements dans lesquels le juge a statué, conformément aux considérations formulées dans ledit arrêt.

 

03.03  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses précises.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "la légalisation du cannabis à l'étranger" (n° 19155)

04 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de legalisering van cannabis in het buitenland" (nr. 19155)

 

04.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, loin de vouloir prendre position à titre personnel, j'aimerais qu'une réflexion soit lancée de façon constructive sur ce sujet sensible qu'est la légalisation du cannabis.

 

Afin de nourrir cette réflexion, voici ce que l'on fait ailleurs. Le Canada rendra la marijuana légale le 1er juillet 2018. Il ne sera pas le premier État à procéder ainsi. L'Uruguay l'a fait en 2013 et plusieurs États européens l'ont fait au cours des dernières années. Mais les règles ne sont pas les mêmes partout. Dans la plupart des États américains, la quantité de cannabis que l'on peut acheter ou avoir sur soi est de 28,5 grammes. La capitale fédérale Washington DC, est un cas particulier puisqu'on peut posséder jusqu'à 57 grammes de cannabis mais son achat et sa vente demeurent illégaux. Par contre, on peut transférer à une autre personne, sans recevoir de paiement, jusqu'à 28,5 grammes de cannabis. En Uruguay, on peut acheter 10 grammes de cannabis par semaine avec un maximum de 40 grammes par mois. Au Canada, le projet de loi permettra l'achat et la possession de 30 grammes de cannabis séché ou l'équivalent en autres produits (cannabis frais, liquide, concentré).

 

Aux Pays-Bas, contrairement à ce que l'on pourrait penser, le cannabis demeure illégal, bien que sa possession (moins de 5 grammes), sa consommation et la vente dans les coffee shops soient tolérées. La culture et la distribution à grande échelle sont interdites.

 

La possession de petites quantités de cannabis est décriminalisée au Portugal et en Espagne, où sa culture est également permise. En Suisse, on peut vendre et acheter du cannabis léger, contenant moins de 1 % de THC (le cannabis ordinaire en contient 15 % en moyenne). Ces différents États semblent avoir pris le pas sur certains conservatismes. Ainsi, la prohibition belge de cette substance montre le même effet que celle de l'alcool aux USA dans les années '20, celui de laisser le champ libre à des Al Capone du haschich! Et nous savons que certains se sont retrouvés dans les attentats terroristes, comme Abdeslam.

 

Monsieur le ministre. afin d’alimenter cette réflexion, pourriez-vous me dire combien de condamnations au cours des 20 dernières années sont directement en lien avec l’usage, la détention et le trafic de cannabis? Combien de personnes sont détenues actuellement pour ces mêmes raisons? Au cours de ces 20 dernières années, quelle a été l’évolution du nombre de ces détentions? Quels sont les coûts liés à ces détentions?

 

Toujours dans le cadre de cette réflexion, je vais proposer d’interpeller votre collègue, le ministre de l’Intérieur, afin de lui demander quels sont les coûts financiers et humains engendrés dans son département pour lutter contre le trafic de cannabis

 

Je voudrais ajouter qu'en Europe, nous nous trouvons dans une situation un peu hypocrite. Hélas, nous savons très bien que le cannabis existe et est utilisé par une tranche importante de la population, en particulier par des jeunes.

 

Dès lors, j'enrage de voir ces trafics illégaux qui ne sont pas vraiment poursuivis, car cela n'est pas aisé, il faut bien l'avouer. Aussi ne faudrait-il pas évoluer vers un système de légalisation, de contrôle et de vente dans des commerces officiels, ce qui permettrait aussi de mieux contrôler la problématique santé? Je reconnais que le sujet que j'aborde aujourd'hui avec vous est vaste

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, cher collègue, je constate que vos questions visent essentiellement des données chiffrées, ce qui rend difficile un traitement dans le cadre d'une question orale.

 

Tant en ce qui concerne le nombre de condamnations que le nombre de personnes détenues pour possession et commerce de cannabis, il n'est, en fait, pas possible de fournir des chiffres, ni les statistiques relatives aux condamnations. Les enregistrements dans SIDIS-suite ne permettent pas de produire des statistiques en matière d'infraction à la législation sur les stupéfiants sur la base de substances spécifiques.

 

Pour ce qui concerne le coût de la détention des personnes condamnées spécifiquement pour des délits liés aux stupéfiants, il n'est pas davantage possible de communiquer des chiffres.

 

Pour ce qui a trait au coût global de la politique en matière de drogue, je renvoie aux études scientifiques réalisées dans le passé par l'Université de Gand (Drugsbeleid in cijfers), au monitoring réalisé tous les deux ans par la Cellule générale de politique en matière de drogue et à la récente étude relative aux coûts sociaux de cette politique, étude appelée SOCOST.

 

Enfin, je tiens à recommander la lecture du récent rapport du 31 mars 2007 de l'Observatoire européen des drogues et des toxicomanies. On y trouve quelques comparaisons chiffrées frappantes, notamment en ce qui concerne la consommation de cannabis par les élèves européens et par leurs homologues américains: 8 % pour les uns, 15 % pour les autres.

 

Il serait nécessaire de réaliser une analyse approfondie des similitudes et des différences en matière d'usage de drogue par les élèves, afin d'étudier l'influence relative des facteurs sociaux, contextuels et réglementaires sur le choix des jeunes.

 

Le rapport souligne également, à juste titre, que, dans les États membres de l'Union européenne, les approches présentent une grande diversité oscillant entre des modèles plus restrictifs et la tolérance de certaines formes de consommation personnelle.

 

Dans certains pays, les questions liées à l'autorisation de production de cannabis destiné à un usage personnel et de l'offre de cannabis destiné à un usage thérapeutique font de plus en plus l'objet de débats. Par ailleurs, le nombre croissant de demandes de traitement exclusivement liées à une consommation problématique de cannabis souligne aussi le danger de la consommation du cannabis dont la teneur en THC est en augmentation constante.

 

J'espère que ces éléments vous seront utiles pour poursuivre la réflexion et que le manque de certains chiffres ne vous déçoit pas trop.

 

04.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Ma volonté était de vous sensibiliser davantage à cette problématique. Je pense que l'absence de chiffres est un élément préjudiciable à la résolution du problème. Je pense que nous avons vraiment besoin d'avoir une meilleure connaissance de la situation. Personnellement, quand je prends le train pour venir à Bruxelles, je vois sur le quai 1 de ma gare, les jeunes qui, sans vergogne, roulent leur joint, le fument, ce qui me donne une douce atmosphère avant de montrer dans le train, mais plus sérieusement, lorsque je me dirige vers eux pour leur parler, ils me répondent que, de toute façon, la consommation est autorisée! Je leur dis que, premièrement, il y a une certaine tolérance dans les lieux privés et qu'elle concerne les adultes. Je leur fais remarquer qu'ils ne sont ni dans un lieu privé et ni des adultes. Ils me considèrent presque comme un vieux croûton!

 

Je pense aussi qu'il faut prendre ce problème à bras-le-corps, car il faut se rendre compte qu'à défaut … Il semble que nous soyons comme dans un paradigme, qui ne permet pas que nous nous rendions compte de certaines choses. D'une part, l'on passe relativement facilement de la drogue dite douce à la drogue plus dure, dit-on!

 

Et d’autre part, quand je dis aux jeunes qu’un joint équivaut à six à huit cigarettes, je passe pour un illuminé. Donc, il est extrêmement important de prendre ce problème en charge. Je sais bien que les Communautés sont également responsables en termes de prévention. Aussi importe-t-il de travailler de concert sur cette problématique.

 

Différents pays européens, sans même parler de l’Uruguay et du Canada, ont des législations qui vont au-delà des nôtres. Pour les jeunes, aujourd’hui, le monde est globalisé: si c’est autorisé au Canada, ils ne voient pas pourquoi ce ne serait pas autorisé en Belgique. C’est sur cela que je veux vraiment mettre l’accent.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het aflopen van het bestellingscontract van bloedproefbuisjes" (nr. 19159)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'expiration du contrat de commande des tubes de prélèvement de sang" (n° 19159)

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, naar verluidt dreigen verschillende politiezones bij de start van de zomer-BOB-campagne zonder bloedproefbuisjes te vallen. De oorzaak is het aflopen van het bestellingcontract van bloedproefbuisjes via de FOD Justitie midden april.

 

Wie zwaar dronken of onder invloed van drugs achter het stuur zit, krijgt door de politie een bloedproef opgelegd. Sommige chauffeurs zijn zo dronken of onder invloed van drugs dat ze niet meer kunnen blazen. Andere bestuurders zijn niet in staat tot een normale ademanalyse omdat ze gewond raakten na een ongeval. Via bloedstalen wordt geanalyseerd hoeveel promille, hoeveel drugs en welke stoffen de bestuurder in zijn lichaam heeft. Sinds 20 april is het raamcontract via Justitie waarmee de politie de bloedproefbuisjes kan bestellen, afgelopen. Een nieuw raamcontract is er nog niet en dus dreigen er bij de start van de zomer-BOB-campagne tekorten bij meerdere politiezones.

 

Hoe is het mogelijk dat men zonder bloedproefbuisjes valt?

 

Hoe plant de FOD Justitie de noodzakelijke bestellingen of is het een vorm van besparen?

 

Hoe moeten de bloedafnames ondertussen gebeuren?

 

Hoe wordt de bewijswaarde van de gedane vaststellingen gegarandeerd?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de FOD Justitie heeft begin dit jaar een overleg met de Vaste Commissie van de Lokale Politie vermits de raamovereenkomst voor de aankoop van bloedproefbuisjes afliep op 20 april. Eind februari werd de nieuwe overheidsopdracht voor bloedproefbuisjes gelanceerd en tegen eind april 2017 werden de offertes verwacht.

 

Om net de periode tussen het einde van de ene opdracht en het kunnen toewijzen van een nieuwe voor de levering van bloedproefbuisjes te kunnen overbruggen, werden op 8 februari 2017 de lokale politiezones opgeroepen om voldoende bloed­proefbuisjes te bestellen.

 

Op grond van deze oproep werden zo nog voor 25 000 euro bloedproefbuisjes besteld voor de overheidsopdracht die afliep op 20 april 2017.

 

Justitie is voor de planning van deze bestellingen dus aangewezen op de behoeften die de politiezones naar voren schuiven in het kader van de vooropgestelde doelstellingen inzake verkeersveiligheid.

 

Er kan hier zeker geen sprake zijn van krampachtig besparen. Ik heb in vorige antwoorden reeds meegegeven dat de verkeersveiligheid voor mij als minister van Justitie een primordiaal beleidselement vormt.

 

Eind april 2017 heeft de FOD de eerste offertes ontvangen voor de nieuwe raamopdracht. Na de analyses van deze offertes, waaronder een vereiste in administratieve conformiteit, werd op 15 mei 2017 een technische analyse gevraagd aan het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie. Eind mei werd het rapport van het instituut ontvangen.

 

Inmiddels wordt het dossier administratief verder afgewerkt opdat de opdracht tegen uiterlijk begin juli zou kunnen worden toegewezen. Aan de politiezones wordt in de mate van het mogelijke gevraagd om in tussentijd onderling de beschikbare voorraden collegiaal te delen.

 

In afwachting van de speekselanalysecollectoren is het bloedresultaat het enige waarop de politierechtbanken zich kunnen baseren voor een veroordeling rijden onder invloed van drugs, luidens artikel 37bis, § 1, van de Wegverkeerswet.

 

Zonder bloedanalyse is geen veroordeling mogelijk, ook niet op basis van andere vaststellingen. De speekseltest volstaat dus niet om te veroordelen. Hetzelfde geldt voor alcohol indien een ademanalyse niet mogelijk is. Wanneer er geen correct resultaat van een ademanalyse is, is een bloedproef weldegelijk noodzakelijk om te kunnen veroordelen.

 

Die bloedproef dient te gebeuren aan de hand van een bloedafnamesysteem, bepaald in artikel 14 in het KB van 27 november 2015 tot uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, wat betreft de speekselanalyse en de bloedproef bij het sturen onder invloed van bepaalde psychotrope stoffen en de erkenning van de laboratoria.

 

Alleen de bloedproefbuisjes die beantwoorden aan dit artikel 14 van het KB garanderen de bewijswaarden en behoeden ervoor dat mogelijke procedurele onzekerheden en problemen met de bewijskracht kunnen worden opgeworpen.

 

Wat wel kan, is dat iemand wordt veroordeeld voor dronkenschap. Dat is het niet meer beschikken over de bestendige controle van zijn of haar daden, maar niet iedereen die onder invloed rijdt, is per definitie ook dronken.

 

05.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat de toewijzing van de opdracht begin juli zal gebeuren. De vraag is echter wanneer de nieuwe bloedbuisproeven bij de politie toekomen. In Brugge hebben wij namelijk een zeer groot probleem. Vanaf het einde van augustus kunnen wij geen drugtesten meer doen, want alles is dan opgebruikt. Wij kunnen dan niet meer optreden tegen mensen die rijden onder invloed van drugs.

 

Eind augustus is niet lang meer. Die mensen vragen mij wanneer nieuwe bloedbuisproeven beschikbaar zullen zijn in Brugge en niet wanneer de opdracht zal worden toegewezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "het absenteïsme bij het penitentiair personeel" (nr. 19229)

06 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "l'absentéisme au sein du personnel pénitentiaire" (n° 19229)

 

06.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, er is in veel gevangenissen een groot probleem van absenteïsme van de penitentiaire beambten. Het probleem lijkt weer groter te worden, zoals blijkt uit de cijfers van 2016. Gemiddeld had een agent, alle graden samen, in 2016 iets minder dan 60 dagen verlofachterstand. Het absenteïsme bedroeg in 2016 9,78 %, een nieuw record. Deze vicieuze cirkel moet uiteraard doorbroken worden.

 

Het is uiteraard van belang de oorzaken van deze cijfers te achterhalen en naar oplossingen te zoeken. Deze bestaan onder meer uit het bestrijden van het ziekteverzuim. Er moeten echter ook preventieve maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld tegen burn-outs. Daarover werd u reeds eerder ondervraagd door collega’s. In antwoord op schriftelijke vraag nr. 1571 verklaarde u dat er voor dat laatste geen specifiek budget is uitgetrokken.

 

Ten eerste, wat is uw reactie op deze nieuwe cijfers? Hoe zijn deze recordcijfers te verklaren?

 

Ten tweede, welke acties hebt u in het verleden ondernomen om deze problematiek aan te pakken? Hoever staat de uitvoering hiervan?

 

Ten derde, welke bijkomende acties zult u nog nemen? In welk bijkomend budget zult u hiervoor eventueel nog voorzien?

 

Ten vierde, hoe zult u de grote verlofachterstand die nu bestaat, aanpakken? Ik zei het al, de verlofachterstand wordt geraamd op ongeveer 60 dagen. Hoe gaat u dit concreet aanpakken?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Hecke, inzake de verlofachterstand wijs ik u erop dat er in 2016 een daling was van 18,6 % ten opzichte van 2014 en een daling van 8,72 % ten opzichte van 2015.

 

Het absenteïsmecijfer voor de EPI, gebaseerd op de cijfers van Medex, bedraagt 9,22 % voor 2016 in plaats van 9,78 %. Dat percentage omvat afwezigheden wegens ziekte en arbeidsongeval op basis van incoderingen in de Medexapplicatie.

 

De stijging van het absenteïsmecijfer in vergelijking met de voorgaande jaren heeft onder andere te maken met het feit dat de personeelsleden gemiddeld langer afwezig zijn. Zo waren de personeelsleden van het DG EPI in 2014 gemiddeld 24,1 dagen afwezig wegens ziekte of arbeidsongeval, in 2015 was dat 24,9 dagen en in 2016 is dat gestegen tot 28 dagen. Het stijgend ziekteverzuim is ook gesignaleerd in de privésector.

 

Bij de penitentiaire administratie wordt in het kader van preventie en re-integratie op de werkvloer de oprichting van een cel welzijn voorbereid die zich onder meer zal richten op dat fenomeen. Parallel worden er ook richtlijnen opgesteld met het oog op de bestrijding van het absenteïsme en wordt er in een gemengde werkgroep ook overleg gepleegd over dit thema met de vertegenwoordigers van de syndicale organisaties. Er wordt nu verder bekeken welke actiepunten haalbaar zijn en welke prioritair kunnen worden behandeld. Het is momenteel nog niet duidelijk of er bijkomende budgetten nodig zullen zijn.

 

De verlofachterstand zou intussen moeten beginnen afnemen doordat wij verder aanwerven in de gevangenissen. Een stijging van het personeel, tot het niveau van invulling van wat wij noemen de kaders anders werken, gecombineerd met het eigenlijke anders werken, zou ervoor moeten zorgen dat het personeel meer verlof kan opnemen.

 

06.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik meen dat de situatie, hoewel ze op sommige vlakken soms iets beter is, op andere vlakken toch wat minder gunstig evolueert en nog steeds ernstig is. Wij staan voor de zomer en het zou een warme zomer kunnen worden. Als het probleem aanhoudt, dan kan dit natuurlijk leiden tot syndicale acties en wij weten wat de gevolgen daarvan zijn. Misschien zal dat alweer politie-inzet vergen. Ik meen dat dit absoluut moet worden vermeden.

 

Het lijkt mij belangrijk dat er ernstig werk wordt gemaakt van alle acties, die u hebt opgesomd, zodat het probleem ten gronde kan worden opgelost. Hopelijk zullen de cijfers dan volgend jaar een stuk beter zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de informatie-overheid bedoeld in verordening 655/2014" (nr. 19191)

07 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "l'autorité chargée de l'obtention d'informations comme mentionné dans le règlement 655/2014" (n° 19191)

 

07.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, in het kader van de uitvoering van verordening 655/2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuld­vorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, moet België een informatie-instantie aanduiden. Deze verordening is al van toepassing vanaf 18 januari 2017.

 

Ondertussen werden al heel wat Europese formulieren bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie waarmee dus op een geharmoniseerde wijze vanuit een EU-lidstaat bewarend derdenbeslag gelegd kan worden op een bankrekening in een andere EU-lidstaat.

 

ln het regeerakkoord werd opgenomen dat de toegang tot het centraal bankregister in het kader van het beslag voor deurwaarders zou worden onderzocht. Deze uitbreiding werd spijtig genoeg echter niet opgenomen in de programmawet van 1 juli 2016.

 

Ik heb hierover twee korte vragen, mijnheer de minister.

 

Welke informatie-instantie hebt u op het oog bij de uitvoering van de verordening 655/2014?

 

Op welke wijze wil u verzekeren dat binnenlandse schuldeisers op een even efficiënte wijze bewarend en/of uitvoerend derdenbeslag kunnen leggen als schuldeisers die gebruikmaken van voornoemde verordening?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw De Wit, op dit moment wordt door mijn diensten de laatste hand gelegd aan een voorontwerp van wet tot uitvoering en aanvulling van de door u bedoelde verordening, die een procedure inzake het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen vastlegt om de grens­overschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken.

 

Hoewel dit instrument zoals u terecht opmerkt reeds van toepassing is sinds 18 januari van dit jaar en hoewel het gaat om een verordening die in principe een rechtstreekse werking heeft, moet een aantal maatregelen worden genomen met het oog op de uitvoering en de aanvulling van dit instrument.

 

Dat is precies wat met het vernoemde voorontwerp wordt beoogd. Zo zal in dit voorontwerp worden gepreciseerd wie voor ons land zal fungeren als informatie-instantie zoals bedoeld in artikel 4, 13e lid, van de verordening.

 

Verder zal in dit voorontwerp de nodige aandacht worden besteed aan de bescherming van de belangen van de binnenlandse schuldeiser die zich niet in een grensoverschrijvend geval bevindt en die dus geen beroep zal doen op deze verordening maar die mogelijk wel in concurrentie zal treden met schuldeisers die zich wel op de verordening kunnen beroepen.

 

Dit betekent nochtans niet dat het voorontwerp tot doel zou hebben de nationale procedure inzake bewarend derdenbeslag volledig te hervormen naar het voorbeeld van de procedure die door deze verordening wordt vastgelegd. Deze verordening wil immers de nationaalrechtelijke procedures voor bewarend derdenbeslag niet harmoniseren maar bestaat naast de diverse nationaalrechtelijke procedures van de lidstaten en breidt als het ware het wapenarsenaal van de schuldeiser uit.

 

Dit voorontwerp werd reeds besproken en afgetoetst met de betrokken actoren, met name de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en vertegenwoordigers van de banksector, en zal binnenkort worden voorgelegd aan de Ministerraad.

 

07.03  Sophie De Wit (N-VA): Het zal dus worden voorgelegd aan de Ministerraad. Wat is daarvoor de precieze timing?

 

07.04 Minister Koen Geens: Zeer snel, mevrouw De Wit.

 

07.05  Sophie De Wit (N-VA): Als dat aan het tempo is van uw potpourri’s, dan geloof ik u, mijnheer de minister.

 

07.06 Minister Koen Geens: Er zijn onlangs nog twee Europese richtlijnen en verordeningen omgezet. Er is een klein beetje meer vertraging dan ik gehoopt had, maar het zal vóór de zomer worden goedgekeurd in de regering. Dan moet het natuurlijk nog naar de Raad van State.

 

07.07  Sophie De Wit (N-VA): Goed. Dank u wel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de toestand van de archieven van de gevangenissen" (nr. 19245)

08 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "la situation des archives des prisons" (n° 19245)

 

08.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, deze vraag werd eerder schriftelijk ingediend, maar helaas niet binnen de vastgestelde termijn werd beantwoord, waardoor ik mij verplicht zie ze mondeling te stellen, ook al gaat het over wel wat cijfermateriaal.

 

Er bereiken mij berichten dat in bepaalde gevangenissen de omstandigheden van de archieven erg slecht zijn. Het zou onder meer gaan om Wortel, Antwerpen en Merksplas. Daarnaast zou er op een aantal plaatsen een grote archiveringsachterstand zijn.

 

Ten eerste, worden er bij uw weten archieven van gevangenissen in slechte omstandigheden bewaard? Zo ja, welke? Kunt u aangeven wat precies de problemen zijn?

 

Ten tweede, welke initiatieven zult u nemen om de archieven van de gevangenissen in goede, geordende en toegankelijke staat te bewaren, conform de bepalingen van de archiefwet van 1955, aangevuld door de bepalingen van de archiefwet van 2009?

 

Ten derde, op welke plaatsen is er een achterstand in het archiveren zelf? Hoe groot is de achterstand?

 

Ten vierde, overweegt u om archiefploegen in te zetten specifiek om de achterstand bij de verwerking van de gevangenisarchieven weg te werken? Zo ja, welk tijdpad stelt u voorop en hoeveel personeelsleden stelt u ter beschikking? Zo neen, waarom niet?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, behalve in de gevangenissen van Antwerpen, Merksplas en Wortel zijn er ook problemen in de gevangenissen van Brugge, Dendermonde, Lantin, Sint-Gillis en Vorst. De archieven bevinden er zich in een slechtere staat, omdat opslagruimtes en lokalen nog niet helemaal voldoen aan de opgelegde normen en omdat er in sommige gevangenissen een betere opvolging op het vlak van archiefbeheer werd gevraagd. U merkt dat het vooral over de oude gevangenissen gaat.

 

Voor de meeste hiervan is er in een vervang- of renovatieproject voorzien in het masterplan, waardoor er ter zake minder problemen zullen rijzen. In de gevangenis van Antwerpen is reeds een deel van het archief ontsmet en wordt het verder klaargemaakt om overgebracht te worden naar het Rijksarchief. Later zullen de andere gevangenissen volgen. Binnen het beschikbare budget voor archiefbeheer worden aan de gevangenissen wel zuurvrije archiefmappen en –dozen bedeeld. De voorbije twee jaar organiseerde de directie-generaal EPI in samenwerking met het Rijksarchief ook infosessies voor de gevangenissen over duurzaam archiveren en de bewaring op correcte manier van archieven. Daarnaast is er in elke gevangenis een POC Archief aangesteld om dossiers en documenten systematisch en correct te archiveren.

 

Ik weet dat archiefachterstand een algemeen probleem is in de meeste gevangenissen. Die achterstand verschilt van gevangenis tot gevangenis, maar we zitten met beperkingen op budgettair vlak, waardoor er soms keuzes moeten worden gemaakt. Dat neemt niet weg dat alles via de vigerende wetgeving moet gebeuren.

 

Ik vraag uw begrip – ik zou het liever anders zien – voor het feit dat een en ander soms met wat vertraging wordt uitgevoerd. We hebben afgelopen vrijdag een protocol gesloten met de vakbonden over de anders-werkenformule met een akkoord voor alle gevangenissen. Er zijn bijna 500 medewerkers gerekruteerd. Wij doen dus wat we kunnen, maar het gaat andermaal trager dan we wensen.

 

08.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, om een collega te parafraseren, mocht het verlopen volgens het tempo van de potpourriwetten, het zou een goede zaak zijn. Ik neem echter aan dat een en ander voor een stukje ook een erfenis is van het verleden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "het aantal uitgesproken vrijheidsstraffen" (nr. 19246)

09 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "le nombre de peines privatives de liberté prononcées" (n° 19246)

 

09.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ook deze vraag had ik oorspronkelijk schriftelijk ingediend omdat er gevraagd wordt naar informatie die niet zo gemakkelijk mondeling gegeven wordt. Ook deze vraag werd echter niet tijdig beantwoord, dus moet ik ze mondeling stellen.

 

Bij de analyse van de evolutie van de bevolkings- of overbevolkingscijfers in de gevangenissen wordt soms gesteld dat het stijgend aantal gedetineerden de laatste jaren het gevolg is van de zwaardere gevangenisstraffen die worden opgelegd door hoven en rechtbanken. De vraag is echter of er ook bewijzen zijn dat dit inderdaad het geval is.

 

Mijnheer de minister, we weten allemaal dat het niet alleen uw ambitie is om boek I van het Strafwetboek te vervangen, maar om binnenkort ook aan de slag te gaan met boek II. In functie daarvan lijkt het mij interessant om eens na te gaan of er inderdaad zoveel meer zwaardere gevangenisstraffen worden uitgesproken.

 

Ik wil u daarom de volgende concrete vragen voorleggen.

 

Hoeveel vrijheidsstraffen boven de vijf jaar, geheel of gedeeltelijk met uitstel, werden jaarlijks uitgesproken door de hoven en rechtbanken sinds 2000?

 

Welke conclusies trekt u uit deze cijfers?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, ofschoon het uiteraard niet mogelijk is om in het kader van een mondelinge vraag een diepgaande analyse van de vrijheidsstraffen en de straftoemetingen in de laatste decennia te laten uitvoeren heb ik op basis van de veroordelingstatistieken toch cijfers kunnen verkrijgen voor de uitgesproken vrijheidsstraffen van meer dan vijf jaar.

 

Ik wijs erop dat overeenkomstig artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de veroordelingen tot een of meer hoofdgevangenisstraffen van meer dan vijf jaar gevangenis geen uitstel kan worden verleend van de tenuitvoerlegging, noch gedeeltelijk, noch geheel.

 

De cijfers van het aantal uitgesproken gevangenisstraffen van vijf jaar of meer lijken sinds het jaar 2000 inderdaad een trage maar zeker stijgende lijn te vertonen: van 926 in 2000 tot 1 626 in 2016. Vooral in het jaar 2004 en 2011 zijn toenames van meer dan 10 % merkbaar. Bij die cijfers moet wel enige voorzichtigheid aan de dag worden gelegd gelet op de registratie­achterstand bij het strafregister.

 

Uit die cijfers conclusies trekken zonder een inhoudelijke analyse van de dossiers is gevaarlijk aangezien het niet alleen de punitiviteit van de rechter weerspiegelt, maar ook de toename van het aantal strafrechtelijke bepalingen en de activiteit van de wetgever om bepaalde strafmaten te verhogen. Evenmin geven de cijfers een reëel beeld van de strafuitvoering.

 

De debatten aangaande de strafwaardigheid, de strafmaten en de concrete strafrechtelijke omschrijvingen zullen, zoals u hebt gezegd, naar aanleiding van het nieuwe Boek II van het Strafwetboek ten gronde moeten worden gevoerd.

 

09.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor de cijfers.

 

Ik ben het met u eens dat wij altijd voorzichtig moeten zijn om die cijfers te interpreteren, omdat er verzwaring van wetgeving kan komen, achterstand van de registratie ervan, enzovoort.

 

Ik dank u dat u deze cijfers zo snel hebt kunnen meedelen in het kader van deze mondelinge vraag, die al meer dan een maand geleden schriftelijk werd ingediend. Dat moet u toch nog even corrigeren.

 

Wij zullen een interessant debat voeren over Boek II. Ik weet niet of daaraan al wordt gewerkt, maar misschien is het interessant dat als wij deze cijfers krijgen, we ook de analyse hebben van wat de oorzaken en de impact zijn van meer uitspraken boven de vijf jaar.

 

Daar hebt u een punt. Wat is de evolutie van de voorwaardelijke invrijheidstelling? Een zwaarte van een straf zegt niet altijd meteen iets over de duurtijd of het deel van de termijn die wordt uitgezeten.

 

Ik weet niet of er daarnaar al onderzoek en studies worden gedaan door de dienst Strafrechtelijk Beleid of andere, maar ik denk dat wanneer wij aan Boek II zullen beginnen, het voor ons nuttig kan zijn om een analyse te hebben van dit cijfermateriaal. Ik weet niet of u al kunt zeggen of er onderzoeken of studies aan de gang zijn wat dit betreft.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het toekennen van de tweedelijnsrechtsbijstand" (nr. 19249)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'octroi de l'aide juridique de deuxième ligne" (n° 19249)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, een minderjarige kan tot na zijn 18de verjaardag in een jeugdinstelling verblijven. Overeenkomstig de regelgeving inzake pro Deo krijgen minderjarigen in dossiers die hun aanbelangen een pro-Deoadvocaat. Bij het bereiken van de meerderjarigheid vervalt evenwel dat recht. Als de jongmeerderjarige dan een beroep wil doen op een pro-Deoadvocaat, maar zijn domicilie heeft op het adres van de ouders, worden de inkomens van de ouders in aanmerking genomen. Dan kan zich een nieuw probleem voordoen, namelijk dat het contact met de ouders compleet verbroken is of dat de ouders om welke reden dan ook niet beschikbaar zijn.

 

Is het mogelijk om voor die specifieke dossiers alsnog het recht op een pro-Deoadvocaat toe te kennen? Zo ja, op welke wijze dan wel?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik verwijs naar het KB van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand. De minderjarige geniet inderdaad een onweerlegbaar vermoeden van ontoereikendheid van bestaans­middelen, op grond van artikel 1, § 4, van het KB, waardoor hij of zij geniet van een volledige kosteloosheid, ongeacht de specifieke situatie waarin de minderjarige zich bevindt.

 

De minderjarige die meerderjarig is geworden en die verschijnt in het kader van de wet op de jeugdbescherming voor feiten die hij of zij tijdens de minderjarigheid heeft gepleegd, wordt door de bureaus voor juridische bijstand beschouwd als minderjarige en zal dus het onweerlegbaar vermoeden blijven genieten. Vanaf de leeftijd van 18 jaar moet het recht op juridische bijstand worden beoordeeld door het Bureau voor Juridische Bijstand aan de hand van de gebruikelijke criteria. Het Bureau voor Juridische Bijstand beschikt geval per geval over een appreciatiemarge en kan op basis van bewijsmiddelen de bijzondere situatie in aanmerking nemen van de meerderjarige die het contact met de ouders verloren heeft.

 

Tot slot, indien de meerderjarige gedomicilieerd is bij de ouders, maar zijn of haar belangen strijdig zijn met die van de ouders, wordt er met het inkomen van de ouders geen rekening gehouden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het taalgebruik in gerechtsdocumenten" (nr. 19250)

11 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'emploi des langues dans les documents juridiques" (n° 19250)

 

11.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, onlangs kondigde u met terechte trots de vernieuwde oproeping voor verhoor door de rechter op kindermaat aan. Wij kunnen dit slechts toejuichen.

 

In de praktijk blijven documenten als gerechtsbrieven, dagvaardingen en oproepingen voor het gerecht in vreselijk ambtelijke stijl de deur uitgaan. Niet-juridisch geschoolde mensen, en naar mijn mening vormen die een zeer groot deel van de bevolking, krijgen er kop noch staart aan. Gemakshalve wordt dan gezegd dat zij maar een advocaat moeten raadplegen, maar dat is niet onze stelling. Justitie moet naar onze mening een dienstverlening op mensenmaat bieden en bijgevolg spreektaal gebruiken.

 

Welke initiatieven hebt u reeds genomen, of zult u nemen in de toekomst, om aan deze grondvereisten inzake vertrouwen in Justitie te voldoen?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik deel uw bekommernis dat er waar mogelijk begrijpelijke taal moet worden gebruikt, zodat voor de rechtzoekenden een effectieve toegang tot Justitie wordt verzekerd. Dit is een doelstelling waaraan ik als minister en als ambassadeur van Heerlijk Helder, een project van Radio 1 dat duidelijke communicatie wil aanmoedigen, ook concreet mijn steentje wil bijdragen.

 

Het is trouwens in die zin dat ik onlangs het modelformulier voor de uitnodiging gehoord te worden voor minderjarigen die ouder zijn dan 12 jaar, heb herzien, wat door u ook wordt aangehaald. Deze minderjarigen zijn bijzonder kwetsbaar en moeten de gevolgen van hun verhoor in burgerlijke zaken goed begrijpen. Dat is ook de reden waarom de minderjarigen rechtstreeks betrokken werden bij het opstellen van de nieuwe modelbrieven en waarom zij bij deze gelegenheid hun advies hebben gegeven over de informatie die deze nieuw brieven moesten bevatten en over de manier waarop zij moesten worden opgesteld.

 

Niet alleen in de rechtstreekse communicatie met de rechtzoekende is helder en duidelijk taalgebruik belangrijk. Ook de uiteindelijke beslissingen van de rechter moeten klaar en duidelijk zijn.

 

Een werkgroep leesbaarheid van vonnissen en arresten buigt zich momenteel over manieren om de rechterlijke beslissing beter te structureren en meer leesbaar te maken.

 

Tot slot vormt dit streven naar duidelijke communicatie ook in het kader van de hervorming van de basiswetgeving een aandachtspunt. Die wetgeving is immers vaak de bron vanwaar de rechter vertrekt.

 

In mijn beleidsnota, De sprong naar het recht voor morgen, geef ik aan dat klare en duidelijke wetgeving essentieel is met het oog op de rechtzekerheid. Er wordt bij die hervorming dan ook gestreefd naar een taalgebruik dat weliswaar accuraat en coherent moet zijn, maar ook zo eenvoudig mogelijk leesbaar en begrijpelijk.

 

Daarbij zal een inspanning worden geleverd om archaïsch taalgebruik in de mate van het mogelijke te vermijden.

 

11.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik ben blij dat u onze bezorgdheid deelt.

 

U weet dat wel, maar ik wil erop wijzen dat ook mensen ouder dan 12 jaar het vaak heel moeilijk hebben met moeilijke woorden, zoals het woord coherent in uw antwoord aan mij. Dat zijn voor ons soms evidente woorden, maar niet voor iedereen in de maatschappij.

 

Ik kan dan ook alleen maar pleiten dat in die werkgroep leesbaarheid van vonnissen en arresten ook niet-juristen worden opgenomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de persoonsgegevens in oproepingen voor de rechtbank in zedenzaken" (nr. 19251)

12 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les données personnelles dans le cadre de convocations devant le tribunal pour affaires de moeurs" (n° 19251)

 

12.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, zedenzaken zijn voor de slachtoffers, inzonderheid voor minderjarigen maar ook voor meerderjarigen, vaak heel pijnlijke oefeningen. Vaak worden ze verschillende malen opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank en worden de wonden terug geopend. Zij zien ook telkens hun persoonsgegevens open en bloot vermeld ten aanzien van de dader wat ongetwijfeld een bijkomende psychologische belasting kan uitmaken.

 

Mijn vraag is dan ook heel kort, mijnheer de minister. Ziet u een mogelijkheid om de persoonsgegevens van slachtoffers in zedenfeiten beter af te schermen?

 

12.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik begrijp uw bezorgdheid maar het afschermen van de identiteit of de persoonsgegevens van slachtoffers in het strafproces is moeilijk te verzoenen met het recht van verdediging van de verdachte en het recht op een eerlijk proces. De tenlastelegging waartegen de verdachte zich moet verdedigen moet namelijk concreet de datum, de plaats, de benadeelde persoon en bestanddelen van het misdrijf vermelden, zo niet is er sprake van een obscuri libelli. Trouwens, de daders van seksueel misbruik zijn vaak reeds een bekende van het slachtoffer.

 

De slachtoffers dienen niet verplicht aanwezig te zijn op de zitting maar kunnen zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. Indien ze wel aanwezig wensen te zijn, kunnen zich steeds laten bijstaan door gespecialiseerde diensten waaronder de dienst Slachtofferonthaal van de Justitiehuizen.

 

In geval van bedreigingen of nieuwe bedreigingen kunnen Justitie of politie de nodige maatregelen nemen tot bescherming van de slachtoffers en kan een nieuw onderzoek leiden tot vervolging en tot berechting.

 

12.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dat er niet echt nieuwe plannen op stapel staan om dit op een andere wijze aan te pakken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice sur "le suivi de la liste noire de la Commission des jeux de hasard" (n° 19277)

13 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie over "de follow-up van de zwarte lijst van de Kansspelcommissie" (nr. 19277)

 

13.01  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, selon une information parue récemment dans la presse, deux joueurs compulsifs supplémentaires, tous deux originaires de Wallonie, vous citent devant le tribunal civil de Bruxelles et exigent des dommages et intérêts à hauteur de 120 000 euros, parce qu’ils ont pu continuer à jouer en dépit du fait qu’ils étaient inscrits sur la liste noire de la Commission des jeux de hasard. Cela porte leur nombre à trois aujourd'hui.

 

En effet, cette nouvelle affaire fait écho à ma question orale qui abordait, cette fois-là, le cas d'un joueur compulsif qui exigeait de vous des dommages et intérêts à hauteur de 65 000 euros pour le même motif. Suite à vos réponses, d'autres questions m'étaient apparues, comme celles qui suivent.

 

Quel contrôle a-t-il été assuré dans cette situation? Figurant sur les listes noires, comment ces personnes ont-elles pu accéder à ces sites?

 

Désormais, vous faites face à trois procédures civiles pour un total de 185 000 euros, parce que le Excluded Persons Information System (EPIS) présente des failles si l’encodage n’est pas effectué dans les règles. Je reviens dès lors vers vous avec les questions suivantes.

 

Dans votre réponse à ma question orale, vous disiez ceci: "Actuellement, le numéro de Registre national des nouveaux joueurs ne peut être vérifié par paquets, que deux fois par an. J'envisage que la liaison entre le Registre national et la demande d'inscription se fasse dorénavant immédiatement, en temps réel. La Commission des jeux de hasard introduira sous peu un dossier budgétaire pour pouvoir atteindre cet objectif. Un montant de 80 000 euros par an sera nécessaire." Dans quel délai et suivant quel calendrier comptez-vous mettre en pratique votre objectif?

 

À partir du moment où EPIS est limité aux casinos et aux salles de jeux automatiques ainsi qu’à leurs équivalents en ligne, notamment les paris en ligne, de quelle manière allez-vous procéder pour contrôler les agences de paris, les librairies, les jeux de loterie (en ligne ou non) et lutter de manière efficace contre l’offre de jeu illégale?

 

Prévoyez-vous une coopération au niveau européen afin de dissuader certains joueurs, niant leur addiction au jeu et souvent exclus à la demande de tiers, d’aller jouer à l’étranger? Quels sont les moyens mis en oeuvre pour les campagnes de prévention et le suivi des joueurs accros? Où en est-on dans l’adoption d’arrêtés royaux concernant les paris virtuels et la publicité?

 

13.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Kir, l'identification correcte est prévue pour la fin de l'année 2017 mais dépend de l'avancement des autorisations budgétaires et administratives quant aux différents cahiers de charges. La loi du 10 janvier 2010 n'a pas prévu que les systèmes EPIS s'appliquent aux agences de paris, aux librairies et à la Loterie Nationale.

 

Il entre dans mes intentions d'organiser un enregistrement des parieurs dans les agences de paris fixes. Dans ce projet, l'accès sera encore possible à partir de 18 ans, sauf pour les jeux désignés comme étant du virtual betting. L'âge de 21 ans sera d'application par l'intermédiaire d'un lecteur de carte d'identité qui ne communiquera que l'âge.

 

Pour les librairies et la vente des produits de paris offerts par la Loterie Nationale, la responsabilité du contrôle de l'âge incombe au distributeur des paris. Si le candidat parieur refuse de présenter sa carte d'identité, le distributeur doit refuser les paris. Pour les autres produits de la Loterie Nationale, il existe un règlement qui relève de la compétence du ministre qui a la Loterie Nationale dans ses attributions.

 

Pour pouvoir lutter contre l'offre illégale sur internet, des projets d'arrêtés royaux ont été notifiés à la Commission européenne par mon prédécesseur. Ils seront prochainement soumis à concertation au sein du gouvernement. Il entre dans mes intentions de les renforcer et de les soumettre à mes collègues compétents pour les jeux de hasard.

 

Ma priorité pour le moment va à l'encadrement des nouveaux jeux et à la limitation de la publicité.

 

Dès que ce premier paquet aura été complété, je m'attaquerai à l'organisation du marché des jeux sur internet.

 

Par le passé, la Commission des jeux de hasard avait proposé à plusieurs reprises d'organiser une Journée internationale de la protection des joueurs, avec la France et la Suisse. Leur niveau de protection en Belgique est beaucoup plus élevé que dans les pays voisins: âge minimum de 21 ans pour l'accès aux casinos et aux salles de jeux, implantation de l'EPIS, etc. Ces mesures sont inconnues à l'étranger. Ainsi, en France, la limite pour accéder aux casinos et aux salles de jeux est de 18 ans. L'interdiction d'accès n'est possible qu'après une enquête des services de police. En France et en Allemagne, les jeux de casino en ligne sont interdits. Aux Pays-Bas, la liberté de l'offre de jeu en ligne y sera bientôt la règle. Dans ces conditions, une collaboration avec les pays voisins n'est plus à l'ordre du jour.

 

J'ajoute que les campagnes de prévention et le suivi des joueurs relèvent des compétences des Communautés.

 

Comme je viens de l'indiquer, les arrêtés royaux relatifs aux paris virtuels et à la publicité font partie d'un paquet législatif et réglementaire qui sera soumis avant les vacances d'été au Conseil des ministres.

 

13.03  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse complète. Après l'avoir relue, je reviendrai vers vous.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.20 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.20 uur.