Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt

Commission de l'Intérieur, des Affaires générales et de la Fonction publique

 

van

 

Woensdag 28 juni 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 28 juin 2017

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.06 uur en voorgezeten door de heer Brecht Vermeulen.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.06 heures et présidée par M. Brecht Vermeulen.

 

01 Gedachtewisseling met de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over de verdwijning van een NBMV uit de lokalen van de Dienst Vreemdelingenzaken en samengevoegde vragen van

- mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de verdwijningen van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen" (nr. 19602)

- mevrouw Monica De Coninck aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de verdwijning van NBMV's" (nr. 19629)

01  Échange de vues avec le secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur la disparition d’un MENA des locaux de l’Office des Étrangers et questions jointes de

- Mme Nahima Lanjri au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les disparitions de mineurs étrangers non accompagnés" (n° 19602)

- Mme Monica De Coninck au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "la disparition de MENA" (n° 19629)

 

01.01 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik begin graag met een overzicht van de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan donderdag en vrijdag. Hierbij een overzicht van de feiten met betrekking tot de onrustmakende verdwijning van de NBMV B.B. op 23 juni 2017. Daarnaast enkele kortetermijn­oplossingen en mogelijke thema’s voor een taskforce betreffende de verdwijning van minderjarige vreemdelingen in België.

 

De jongen werd betrapt op een diefstal op 22 juni 2017. Aangezien dit feit voor het parket niet ernstig genoeg was om maatregelen te nemen, werd de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte gebracht en werd de lokale politie van Schaarbeek uitgenodigd om een identificatiefiche te laten invullen en de beslissing van de voogdijdienst af te wachten. Betrokkene werd door de Dienst Vreemdelingenzaken uitgenodigd om zich aan te dienen vóór 28 juni bij de Dienst Vreemdelingenzaken.

 

De jongen is aangekomen bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 23 juni omstreeks 11 uur, via de politie, die hem daar heeft afgezet. De jongen werd door de politie toevertrouwd aan het veiligheidspersoneel van de directie Asiel bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Zoals u weet, staan zij daar aan de inkom. U hebt dat gebouw al bezocht en u weet dat dus.

 

Het veiligheidspersoneel verwittigde het bureau MINTEH, Mineurs et Traite des Etres Humains. Deze dienst wordt bemand door ambtenaren die specifiek werken rond minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel. De jongen werd onmiddellijk opgemerkt door een medewerker van het bureau MINTEH en deze heeft zich onmiddellijk over hem ontfermd. Met behulp van een Arabische tolk werd de identificatiefiche opnieuw opgemaakt en werd de nodige uitleg gegeven over wat hem te wachten stond, namelijk de procedure, de opvang, het feit dat hij een voogd gaat krijgen enzovoort. Mogelijk maakte de politie ook een identificatiefiche op en stuurde zij deze naar de voogdijdienst. Deze fiche is niet in het bezit van de Dienst Vreemdelingenzaken.

 

Tijdens het onderhoud met de medewerker van het Bureau MINTEH verklaarde de jongen meermaals niet geholpen te willen worden. Hij weigerde naar een opvangcentrum te gaan, uitte de wens te willen terugkeren naar zijn broer, die bij een kennis in Brussel-Zuid verbleef. Gelet op zijn defensieve verbale houding ten aanzien van de medewerkers alsook op zijn fysieke verschijning, leek hij ouder dan de verklaarde leeftijd van negen jaar.

 

Fedasil werd onmiddellijk op de hoogte gebracht en nam maatregelen om de jongen zo snel mogelijk over te brengen met een taxi naar een centrum. Het taxibedrijf werd op de hoogte gesteld van het mogelijke vluchtgevaar. Toen de jongen hiervan op de hoogte werd gebracht, herhaalde hij zijn wens om zo snel mogelijk alleen te vertrekken.

 

Hij zei dat hij desnoods uit de taxi zou springen. Het was duidelijk dat het zijn intentie was om weg te lopen. Andere diensten van DVZ en Fedasil werden hiervan in kennis gesteld en er werd gevraagd om extra waakzaam te zijn. Hier eindigt de taak van de Dienst Vreemdelingenzaken.

 

Toen hij van de medische dienst door personeel van Fedasil werd teruggebracht naar de veiligheidsmedewerkers, is er iets misgelopen. Het personeel van Fedasil had de jongen gewoon in de wachtruimte geplaatst, zonder het veiligheidspersoneel hiervan op de hoogte te stellen. Bij het betreden van de Dienst Vreemdelingenzaken zijn er metaaldetectoren; dat hebt u al gemerkt. Wel, de wachtruimte situeert zich meteen links in de inkomhal.

 

Het veiligheidspersoneel was op dat moment zeer druk bezig met het binnenlaten en fouilleren van de asielzoekers na de middagpauze. Asielzoekers die meerderjarig zijn of die worden vergezeld door een meerderjarige, krijgen ’s middags de kans om iets te gaan eten buiten het gebouw. Zij krijgen hiervoor een herkenningsbadge met het oog op terugkeer na de middag. Wie zich bijvoorbeeld aanmeldt om 8 uur en asiel aanvraagt, mag om 12 uur naar buiten om eten te gaan kopen of om zich te melden bij een organisatie die daar soep uitdeelt. Die mensen krijgen een badge om nadien snel terug binnen te geraken. Op het moment van de feiten waren al die mensen dus terug aan het binnenkomen, waardoor het vrij druk was. Van die drukte maakte de jongen gebruik om te ontsnappen uit het gebouw. Het gebrek aan voldoende communicatie tussen het medisch personeel van Fedasil en het veiligheidspersoneel van DVZ was dus de rechtstreekse aanleiding, waardoor de jongen kon ontsnappen aan de aandacht en het gebouw verliet.

 

De verdwijning van de jongen werd echter vrij vlug opgemerkt en meteen werden alle diensten hiervan op de hoogte gesteld. Deze info werd door medewerkers van DVZ doorgegeven aan de dienst Voogdij en andere betrokken diensten op het ogenblik van het signalement. Fedasil had het oriëntatie- en observatiecentrum voor minderjarigen te Neder-over-Heembeek aangeduid als opvangplaats, omdat Minor-Ndako had aangegeven geen plaats te hebben en dat het profiel van betrokkene voor hen geen prioriteit was. Normaal gezien moest de jongen dus naar Neder-over-Heembeek.

 

Het bureau MINTEH beschouwde dit, ten onrechte, niet als een onrustwekkende verdwijning, maar veeleer als het ontsnappen en vluchten van een jongen naar zijn kennis en broer en men ging ervan uit, zonder dit te verifiëren, dat de verdwijning door Fedasil zou worden gesignaleerd aan de politie en/of de voogdijdienst. Zij waren immers mee op de hoogte van de verdwijning.

 

Fedasil zou het centrum verwittigen waaraan hij was toegewezen. De voogdijdienst had op vrijdagochtend 23 juni ook geïnformeerd voor opvang bij Minor-Ndako. Het was niet helemaal duidelijk of Minor-Ndako al dan niet een opvangplaats ter beschikking had. Minor-Ndako heeft dan info doorgestuurd gekregen van de voogdijdienst, welke info werd gebruikt in de melding aan Child Focus.

 

DVZ en Fedasil werden niet gecontacteerd of niet bereikt door Minor-Ndako.

 

Welke kortetermijnoplosssingen stellen mijn diensten voor?

 

Ten eerste, de uitschrijving van het traject met verantwoordelijkheden wie op welk moment de verantwoordelijkheid heeft over de zelfverklaarde minderjarige via een checklist.

 

Ten tweede, begeleiding op elk moment van de minderjarige door het personeel van DVZ en/of Fedasil tijdens zijn identificatie en gegevensopname, medische check en wachttijd tot het vervoer naar de opvang. Ik moet ook zeggen dat wij daarvoor onmiddellijk hebben ingegrepen. Minderjarigen worden nu niet meer op dat bankje gezet aan de inkomhal. Die gaan nu naar de eerste verdieping. Dat is iets gemakkelijker. Daar is ook altijd toezicht vanaf deze week. Zij kunnen minder gemakkelijk het gebouw verlaten.

 

Dus uitschrijven van een procedure wat moet gebeuren als de minderjarige elke medewerking weigert.

 

Wat moeten we doen bij een verdwijning tijdens de procedure in de gebouwen van DVZ? Wat moet er gebeuren bij weigering van de opvang?

 

Voorzien in een beter lokaal voor toezicht bij DVZ. Dat hebben wij gedaan op de eerste verdieping, verder van de uitgang van het gebouw, zodat de minderjarige gedwongen wordt tot deelname aan de procedure. “Gedwongen” moet hier worden begrepen als “sterk gestimuleerd”.

 

Cijfers goed bijhouden voor zij die zich niet vrijwillig aanmelden, want de politie is niet in de mogelijkheid om deze tot bij DVZ te brengen. Men moet dus cijfers bijhouden van zij die zich niet vrijwillig aanmelden, omdat de politie ze niet bij DVZ kan brengen. Ik denk, bijvoorbeeld, aan een minderjarige die wordt opgepakt door de politiedienst van Roeselare in het weekend, op een zaterdagavond. Normaal gezien moet dan getelefoneerd worden naar de dienst Voogdij, maar deze dienst heeft niet altijd permanentie. Wat gebeurt er dan? Dan telefoneert men naar de Dienst Vreemdelingenzaken om te vragen wat zij moeten doen met dat kind. Zij hebben wel een permanentiedienst. Elke dag kan men bellen naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

 

Dan wordt er via Fedasil gekeken om ze zo snel mogelijk in een OOC of ergens anders te kunnen plaatsen. Dat is in het weekend niet altijd evident. Het gebeurt dan ook dat zij gedurende vele uren op het politiekantoor blijven.

 

Ik geef mijn eigen zone als voorbeeld. De nachtshift bij ons heeft één nachtpatrouille, die werkt van 22 u 00 tot 06 u 00. Als die naar Brussel moet rijden met een minderjarige en er gebeurt bijvoorbeeld een ongeluk in Boutersem, dan lukt het niet.

 

In Roeselare zullen ze meer nachtploegen hebben, maar dan nog wordt er altijd gebikkeld over wie wat waar moet doen; en even van Roeselare naar Brussel rijden is nog wat verder dan van Lubbeek naar Brussel.

 

Dat gebeurt. Er zijn daarvoor procedures en het is, zeker in het weekend, niet altijd evident, maar we doen wat we kunnen, zodat die kinderen op hun plaats terechtkomen, liefst in datzelfde weekend. Dat doen we.

 

Vaak gebeurt de inschrijving en registratie bij de Dienst Vreemdelingenzaken pas op maandag en worden dan ook de vingerafdrukken genomen.

 

Aangezien communicatie het sleutelwoord was bij het falen van de opdracht van bescherming en gelet op de zaken waarover dringend overleg nodig is, is een overlegplatform voor evaluatie en good practices en een taskforce die regelmatig samenkomt een absolute noodzaak en prioriteit. Dat is de conclusie van mijn diensthoofd Asiel.

 

Ik heb nog een aantal elementen die ik bijkomend wil geven in antwoord op de vraag van mevrouw Lanjri. Ik heb een aantal zaken al gezegd. De jongen werd door de politie binnengebracht bij de Dienst Vreemdelingenzaken om 11 u 30 en werd onmiddellijk gezien door een medewerker van het bureau.

 

01.02  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, ik mag mijn vraag, die hieraan is gekoppeld, toch stellen?

 

01.03 Staatssecretaris Theo Francken: U was te laat.

 

01.04  Nahima Lanjri (CD&V): Hoezo, ik was te laat? Dit is toch een debat?

 

De voorzitter: Het is de bedoeling, mijnheer de staatssecretaris, dat u zelf eerst een toelichting geeft. U kunt dat doen zolang als u wilt. Dan geef ik het woord aan de commissieleden. Als er nog vragen bijkomen, is dat geen probleem.

 

01.05  Nahima Lanjri (CD&V): Mijn vraag is eraan gekoppeld.

 

De voorzitter: Ja, maar de staatssecretaris geeft eerst een toelichting. Het is een gedachtewisseling.

 

01.06 Staatssecretaris Theo Francken: De jongen werd door de politie binnengebracht bij de Dienst Vreemdelingenzaken om 11 uur à 11 u 30. Hij werd onmiddellijk gezien door een medewerker van het bureau MINTEH. Met behulp van een Arabische tolk werd een signalementfiche opgemaakt en de nodige uitleg gegeven over wat hem te wachten stond. De jongen verklaarde meermaals niet geholpen te willen worden en weigerde naar een opvangcentrum te gaan. Hij uitte de wens te willen terugkeren naar zijn broer die bij een kennis in Brussel-Zuid verbleef. Gelet op zijn verbaal defensieve houding alsook zijn fysieke verschijning leek hij ouder dan de verklaarde leeftijd van negen jaar.

 

Fedasil werd onmiddellijk op de hoogte gebracht. Het nam maatregelen om de jongen zo snel mogelijk over te brengen met een taxi naar een opvangcentrum. Toen de jongen hiervan op de hoogte werd gesteld, herhaalde hij zijn wens om zo snel mogelijk alleen te vertrekken. Hij zei dat hij desnoods uit de taxi zou springen. Het was duidelijk zijn intentie om weg te lopen. Andere diensten van de Dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil werden hiervan in kennis gesteld en er werd gevraagd extra waakzaam te zijn.

 

Toen hij van de medische dienst van Fedasil werd teruggebracht naar de veiligheidsmewerkers is er iets misgelopen. Hij maakte gebruik van het drukke moment tijdens het binnenlaten en fouilleren van de asielzoekers na de middagpauze en wist uit het gebouw te ontsnappen. Toen werd opgemerkt dat de jongen verdwenen was, werden meteen alle diensten hiervan op de hoogte gesteld. Die info werd door medewerkers van DVZ doorgegeven aan de dienst Voogdij en andere betrokken diensten op het ogenblik van het signalement. DVZ beschouwde het niet als een onrustwekkende verdwijning, maar eerder als het vluchten van een jongen naar zijn kennis en broer. Er werd verondersteld dat de verdwijning van de jongen zou worden gesignaleerd aan de politie door Fedasil. Dat was immers mee op de hoogte van de verdwijning en verzorgt de vervolgopvang. Fedasil zou het centrum waaraan de jongen was toegewezen, verwittigen. Zij hebben dus wat naar elkaar zitten kijken, iets wat nooit meer mag gebeuren.

 

De dienst Dispatching van Fedasil wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte gebracht van de nieuwkomers per dag en is bevoegd voor het toewijzen van een plaats in een observatie- en oriëntatiecentrum van het federale opvangnetwerk. Indien de jongere uit dat centrum verdwijnt, zal het OOC de verdwijningsprocedure onmiddellijk in gang zetten volgens de modaliteiten van het samenwerkingsprotocol uit 2008. Dat protocol heeft betrekking op de verdwijningsdossiers van niet-begeleide minderjarigen die worden toevertrouwd aan de observatie- en oriëntatiecentra van Steenokkerzeel en Neder-over-Heembeek. Het werd gesloten tussen het parket-generaal en het hof van beroep van Brussel, het parket van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, DVZ, het CGVS, Fedasil, de politie van Brussel Hoofdstad en Elsene, de politie van Kampenhout, Steenokkerzeel en Zemst, de dienst Voogdij en Child Focus. De parketmagistraat is belast met het verdwijningsdossier. Alle nuttige gegevens aangaande de verdwijning worden via de lokale politie aan het parket doorgegeven en daar gecentraliseerd.

 

Daarnaast hebben de ondertekenaars ook een aantal specifieke taken.

 

Wat het OOC betreft, gaat dit om de volgende taken.

 

Ten eerste, het onmiddellijk bezorgen van het verdwijnings- en intakeformulier aan de politie Hoofdstad Elsene, of politie KASTZE, naargelang de plaats van verdwijning.

 

Ten tweede, het onmiddellijk bezorgen van het verdwijningsformulier aan de voogd en de dienst Voogdij, eveneens aan de dienst Grensinspectie indien de niet-begeleide minderjarige vreemdeling de toegang tot het grondgebied niet verkregen heeft.

 

Ten derde, het onmiddellijk bezorgen van het verdwijningsformulier aan Child Focus, indien de verdwijning een onrustwekkend karakter heeft en aan een of meerdere criteria van de ministeriële richtlijn van 20 februari 2002 omtrent de opsporing van vermiste personen is voldaan.

 

Er bestaat geen nationaal protocol. Echter, elk opvangcentrum heeft een verdwijningsprocedure, vergelijkbaar aan die van het protocol, met onder meer regelmatig overleg met de politie.

 

In 2015 heeft een werkgroep de operationele maatregelen herzien om het verdwijningsprotocol dat getekend werd, te verbeteren. De afspraken in het protocol werden opnieuw overlopen, alsook de contactgegevens van elke partner. Wij hebben het protocol geüpdatet.

 

Aangezien dwang noch tijdelijk vasthouden van een minderjarige mogelijk is bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dienen gepaste maatregelen te worden genomen: een snellere plaatsing door de jeugdrechtbank bij problematische opvoedingssituaties en bij als misdaad omschreven feiten, bij kwetsbaarheid en bij het risico op weglopen; duidelijke afspraken tussen DVZ en Fedasil; de uitbreiding van het protocol, ook voor jongeren die verdwijnen buiten de OOC’s. De jongere in kwestie zat nog niet in een OOC, maar bij DVZ.

 

De mogelijkheid om extra maatregelen te treffen bij dergelijke risicoprofielen. Buiten de kantooruren wordt de kwetsbare niet-begeleide minderjarige door de dienst Voogdij aangemeld, waarna opvang geboden wordt. Deze jongeren krijgen, naast een warm onthaal, van bij de aankomst door de sociaal assistenten de nodige info over de opvangmogelijkheden en procedures in België.

 

Indien deze jongeren aangeven geen verdere opvang te willen, dan kan de begeleiding door deze sociaal assistenten, de familiale omgeving en het contact met de andere jongeren hen soms overtuigen toch in de opvang te blijven. Sommige jongeren beslissen hierna toch het OOC te verlaten. In dat geval wordt de verdwijningsprocedure, zoals hierboven beschreven, onmiddellijk in gang gezet.

 

Voor 2015 werden 166 verdwijningen gemeld. Zoals beschreven in het protocol, geeft het OOC een eerste indicatie van het al dan niet onrustwekkend karakter van de verdwijning. Uiteindelijk wordt het onrustwekkend karakter bepaald door politie en parket.

 

In 2016 waren er 448 verdwijningen. Dit aantal is dus enorm gestegen. Waarom is dit zo fel gestegen?

 

Fedasil geeft aan dat de stijging te wijten is aan de betere registratie van de verdwijningen via het incidentenrapport. De registratie gaat ook over verdwijningen via alle plaatsen voor niet-begeleide minderjarigen, niet alleen via de OOC's. Dat zijn ongeveer tweeduizend plaatsen.

 

In 2015 werden 52 gevallen door de opvangcentra als verdwijningen met een onrustwekkend karakter gesignaleerd. Zeven kinderen waren jonger dan veertien jaar. In 2016 ging het om 51 dossiers met een onrustwekkend karakter. De indicaties voor een onrustwekkend karakter zijn beschreven in de ministeriële richtlijn van 2002 omtrent de opsporing van vermiste personen, die is aangepast op 20 april 2003. Aan de hand van criteria kan men een inschatting maken van de onrustwekkendheid van een verdwijning. Ten eerste, de vermiste persoon is jonger dan dertien jaar oud. Ten tweede, de vermiste persoon is lichamelijk of geestelijk gehandicapt of mist de nodige zelfredzaamheid. Ten derde, de vermiste persoon is afhankelijk van onontbeerlijke medicatie of medische behandeling. Ten vierde, op basis van de beschikbare informatie kan vermoed worden dat de vermiste persoon zich in een voor hem levensbedreigende situatie bevindt. Ten vijfde, op basis van de beschikbare informatie kan vermoed worden dat de vermiste persoon in het gezelschap is van derden die zijn welzijn kunnen bedreigen of dat hij/zij het slachtoffer is van een misdrijf. Ten zesde, de afwezigheid van de persoon is in complete tegenstelling tot zijn/haar normale gedrag. Dat zijn de indicatoren of criteria voor een onrustwekkende verdwijning. Daarvan waren er dus 52 in 2015, waarvan zeven jonger dan veertien jaar, 51 in 2016. Het aantal gesignaleerde verdwijningen bedroeg in 2015 166 en in 2016 448.

 

Wat is nu mijn analyse? Ik heb mij daar in de voorbije dagen uiteraard bijzonder intens mee beziggehouden. Wat hebben we al gedaan en wat moeten we verder nog doen? Waar loopt het volgens mij mis? Er is onvoldoende zicht op alle verdwijningen.

 

We hebben zicht op de verdwijningen vanuit de OOC’s. Daarvoor bestaat een protocol. Dat werkt navenant.

 

Als de verdwijning plaatsvindt bij de politie, voordat de asielzoeker naar DVZ wordt gebracht, bij DVZ, in een centrum van Fedasil of een gewoon centrum voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, dus geen OOC, dan is er onvoldoende doorstroming van informatie. Er bestaat dus eigelijk geen globaal cijfer.

 

Zo verklaart Fedasil het feit dat men van ruim 100 naar 448 verdwijningen gaat, door de betere invulling van de inlichtingenfiches. Ik hamer er al een hele tijd op, met name sinds de asielcrisis, dat alle incidentfiches in verband met geweldplegingen en vechtpartijen beter ingevuld worden. Ik kan er bij Jean-Pierre Luxen niet genoeg op aandringen dat we een beter zicht moeten krijgen op wat er in de centra gebeurt. Dat gaat dus ook over verdwijningen.

 

Ik heb gisteren een lang onderhoud gehad met de mensen van Child Focus en Minor-Ndako. Ik vind dat we ervoor moeten oppassen dat we de vis niet verdrinken. Ik geef een concreet voorbeeld. We doen een actie aan het station Brussel-Noord. Daar bevinden zich veel mensen zonder verblijf, op weg naar het Verenigd Koninkrijk. We hebben de voorbije weken een ontradingscampagne opgestart. We zijn daar heel intens mee bezig. Het aantal personen was even minder, maar nu gaat het weer in stijgende lijn. Onder die mensen bevinden zich een heel aantal zelfverklaarde minderjarigen. Zelf beweren ze zeventien jaar oud te zijn, maar onze experts schatten hun leeftijd op basis van hun fysiek een stukje hoger in. Om hierover zekerheid te krijgen, is een botscan noodzakelijk. Er wordt een actie gedaan. De politie pakt hen op en brengt hen naar DVZ. Ze worden geregistreerd. Ze weigeren asiel. Ze weigeren een opvangplaats, omdat ze hier helemaal niet willen zijn. Ze weigeren elke medewerking en vertrekken opnieuw. Als we al die verdwijningen moeten melden, dan zou Child Focus noch het parket het werk aankunnen en zitten we daar met een probleem.

 

Dat zijn geen onrustwekkende verdwijningen, zoals in de ministeriële omzendbrief of richtlijn omschreven is. Die feiten vallen daar niet onder.

 

Ik heb de opdracht gegeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken om vanaf nu door te geven dat iemand die door de politie bij DVZ werd afgezet, opnieuw vertrekt. Die persoon zal dus worden afgevinkt als verdwenen. Het cijfer van de verdwijningen zal dus gigantisch stijgen, want het gaat over veel jongeren. Een groot aantal daarvan is – ik herhaal het – helemaal niet minderjarig, maar we weten dat op dat ogenblik nog niet, want ze hebben dat zelf verklaard en ze werken niet mee aan een botscan.

 

We zullen alles registreren. Een dergelijk incident zal ons niet opnieuw overkomen, maar het is wel wat gemakkelijk om te zeggen dat wij dan ons werk hebben gedaan. De problematiek is wel wat complexer dan dat.

 

Het belangrijkste is om ons te focussen op onrustwekkende verdwijningen. Als een kind van negen of dertien jaar verdwijnt, dan is dat een onrustwekkende verdwijning. Dat staat ook heel duidelijk in de ministeriële richtlijn.

 

Het parket van Brussel heeft afgelopen maandag alle partijen samengeroepen. Ik heb samengezeten met mijn topambtenaren en gisteren met Minor-Ndako en Child Focus. De eerste vergadering van de taskforce zal volgende week dinsdag plaatsvinden om 10 u 00 en ik zal daar aanwezig zijn. Alle partners worden daarop uitgenodigd. De uitnodiging vertrekt zo meteen.

 

Op de agenda staan de samenstelling en de doelstelling van de taskforce en een verduidelijking van de cijfers. De cijfers van Child Focus zijn immers niet de cijfers die ik van mijn administratie ontvang en zijn ook nog andere cijfers dan die van de dienst Voogdij, dus daarover moet duidelijkheid komen.

 

Voorts moet ook het protocol worden overlopen en uitgebreid. Ik denk dat het al een stevige agenda is. Er moeten ook afspraken over praktische zaken worden gemaakt.

 

Wij zullen hiervan echt werk maken. Gebeurde er niets? Was er op dat vlak sprake van een woestijn? Neen.

 

Onder alle vorige regeringen werd het fenomeen altijd opgevolgd door onze ambtenaren. Op het moment dat zoiets gebeurt, ziet men dat er nog enkele gaten zijn in het systeem. Die moeten zo snel mogelijk worden gedicht.

 

Ik luister zeer graag naar uw constructieve voorstellen.

 

01.07  Nahima Lanjri (CD&V): Voor alle duidelijkheid, ik heb mijn vraag maandagochtend ingediend, vooraleer is beslist om aan het onderwerp een actualiteitsdebat in commissie te wijden.

 

01.08  Monica De Coninck (sp.a): Excuseer, ik wil iets duidelijk stellen. Wij hebben gisteren ook een vraag ingediend. Ik dacht dat we gisterenmorgen hadden afgesproken om al die vragen samen te laten komen en vandaag een actualiteitsdebat te houden, waardoor de vragen in se niet hoeven te worden beantwoord, omdat dat op een andere manier gebeurt.

 

De voorzitter: De commissiediensten hebben er mij op gewezen dat het Kamerreglement vereist dat voor de organisatie van een actualiteitsdebat vooraf drie vragen zijn ingediend. Op de vergadering of vooraf kan dan worden beslist een actualiteitsdebat te houden. Het format dat we hier gebruiken en dat in de agenda is vermeld, is de gedachtewisseling in plaats van een actualiteitsdebat. Dat is hetzelfde format, maar daardoor blijft het Kamerreglement van toepassing en geldt geen vrije interpretatie. We laten iedereen de ruimte om op basis van de informatie en de vragen die men heeft, onmiddellijk te repliceren of nog aanvullende vragen te stellen. Dat is de bedoeling.

 

01.09  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, ik stel vast dat u intussen op de meeste vragen hebt geantwoord, zonder de vragen te herhalen. Ik heb gevraagd om zeker een verslag te krijgen, want het antwoord ging heel snel en ik wil het nog eens kunnen nalezen.

 

U hebt geschetst wat er is misgelopen en u hebt wat uitleg gegeven over het samenwerkingsprotocol. Voorts hebt u onderstreept dat er nood is aan een betere coördinatie, omdat elk centrum en elke dienst een aparte manier van werken hanteren.

 

Ik hoop dat na het overleg dat u volgende week hebt gepland, een en ander beter op elkaar kan worden afgestemd.

 

Ik heb ook gevraagd welke initiatieven u nog zou nemen, om in de toekomst dergelijke verdwijningen te vermijden. U hebt al een paar elementen opgenoemd, maar ik hoop dat er nog voorstellen zullen volgen.

 

U had het ook over het plaatsen van minderjarigen op de eerste verdieping en over een beter toezicht. Ik heb DVZ al bezocht, en toen al vond ik het eigenaardig te moeten vernemen dat jongeren die in principe al in een apart lokaal van DVZ zaten, naar buiten konden glippen.

 

Maar goed, het is gebeurd en ik hoop dat in de toekomst andere maatregelen zullen worden getroffen. Ik hoop vooral dat er in de wachtruimte waar de niet-begeleide minderjarigen zitten, niet alleen toezicht is, maar dat daar ook iemand is die aan de betrokken jongeren uitlegt wat er staat te gebeuren. Die jongeren horen immers allerlei zaken vertellen, soms door mensenhandelaars, zoals dat zij zullen worden opgepakt en dat zij hun vingerafdrukken niet mogen laten nemen. Zij zijn dus bang en getraumatiseerd. Als zij op dat moment niet weten op welke manier de procedure bij DVZ verloopt, dan loopt het mis of proberen zij te ontsnappen. Het is dus belangrijk dat er een persoon wordt toegewezen aan de aanwezige niet-begeleide minderjarigen, die hun uitleg geeft en hen door de gangen van DVZ begeleidt voor het nemen van een röntgenfoto of voor de vingerafdrukken. Zij mogen op geen enkel moment alleen worden gelaten.

 

Ten tweede, mijnheer de staatssecretaris, het is eveneens van belang dat de intakeprocedure zo kort mogelijk wordt gehouden. Ik heb op het werkveld al vernomen dat twaalfjarigen een hele dag bij DVZ hebben moeten zitten. DVZ is geen plaats om minderjarige jongeren een hele dag te laten zitten. Gebruik voor de intake op dat moment dus een versnelde procedure, zodat de jongeren op één uur het belangrijkste hebben doorlopen. Zij moeten voorrang krijgen. Men zou bij hen onmiddellijk de vingerafdrukken moeten kunnen nemen, zodat zij geen halve of hele dag moeten wachten en er moet iemand bij hen blijven. Trouwens, ik vraag mij af, als jongeren een halve dag bij DVZ moeten zitten wachten, zoals de jongen in kwestie, of er voor hen voor eten wordt gezorgd. Wat gebeurt er voor hen rond de middag?

 

Ik hoop dat u de procedure in de toekomst dusdanig kunt organiseren dat het niet nodig is dat jongeren er een halve of zelfs een hele dag moeten zitten. Dat zou op één of maximum twee uur allemaal voorbij moeten zijn. En er moet vooral voor gezorgd worden dat iemand heel de tijd bij die jongeren aanwezig is.

 

Er is mij ook gesignaleerd dat jongeren vanuit DVZ in een taxi worden gezet, richting Oost- of West-Vlaanderen, richting de opvangplaats. Dat is natuurlijk ook een probleem. Voor jonge kinderen, die al heel wat hebben meegemaakt, is het volgens mij niet goed om ze in een taxi te zetten. Zorg ervoor dat dit gebeurt met personeel van DVZ of van het centrum zelf.

 

Ik heb tot slot ook een voorstel en blijkbaar sta ik daar niet alleen mee. Ik heb maandag gelezen dat David Lowyck van Minor-Ndako ook op die piste zat. Waarom zou men in de toekomst, zeker de min-veertienjarigen niet beter eerst naar het opvangcentrum brengen om van daaruit met een begeleider DVZ te bezoeken voor de registratie? Ik weet dat er een medische check-up nodig is. Ik weet ook dat de vingerafdrukken moeten worden genomen. Dat moet gebeuren. Ik zal niet zeggen dat dit niet moet gebeuren. Maar misschien kan dit voor jonge kinderen, van wie men weet dat zij waarschijnlijk jonger zijn dan veertien jaar, op een andere manier, bijvoorbeeld door hen eerst naar een centrum te brengen? Trouwens, ik heb vernomen dat dit in de praktijk nu soms al gebeurt. Soms worden de jongeren meteen naar DVZ gebracht. Ik meen dat het aan te raden is om een procedure uit te schrijven voor jongere kinderen, zodat zij eerst naar een centrum worden gebracht, zeker als het midden in de nacht is. Op die manier kunnen zij daar wat uitleg krijgen. Zij komen daar dan ook in contact met andere jongeren, die hen soms in hun taal kunnen aanspreken en in zekere zin ook wat geruststellen. De begeleiders van het opvangcentrum kunnen meegaan naar DVZ. Op die manier kan dat allemaal beter verlopen.

 

Hoe staat u tegenover mijn voorstel? Bent u daar ontvankelijk voor? Zult u dit volgende week eventueel bekijken?

 

De voorzitter: Er is gisterenavond ook nog een vraag ingediend door mevrouw De Coninck.

 

01.10  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, ik ben blij dat u ontdekt dat de realiteit bijzonder complex is. Voordien was het zeker niet de woestijn, maar aangezien de context wijzigt, komen er steeds opnieuw gaten in het systeem. Ik kan dat heel goed begrijpen. Ik vind het goed dat u daar een degelijk onderzoek naar voert en dat u er ook persoonlijk op toeziet, waardoor u zich aangesproken voelt.

 

Ik verwijs naar de vragen van 15 maart 2016 van mevrouw Lanjri, mevrouw Jadin, de heer Metsu en mijzelf over dezelfde problematiek. Ik heb die vraag terug opgezocht evenals uw antwoord.

 

U merkt, mijnheer de voorzitter, waarom het zo belangrijk is dat verslagen niet alleen op video beschikbaar zijn.

 

Mijnheer de staatssecretaris, ik heb uw antwoord nog eens nagelezen op de vragen die wij toen gesteld hebben over onrustwekkende verdwijningen. U was toen de procedures aan het herzien. U zei dat u in het kader van een actieplan in de strijd tegen mensenhandel voor 2015-2018 het protocolakkoord van 2008 tussen de verschillende instanties — Fedasil, DVZ, de voogdijdienst, de politie, het parket en Child Focus — inzake de verdwijning van niet-begeleide minderjarigen opnieuw aan het bekijken was, vooral ter preventie van de verdwijningen. In de nachtopvangcentra waren er controlemomenten ingepland tijdens de dagelijkse werking, bijvoorbeeld nachtcontrole, controle op schoolgaan en het permissiesysteem. U zei toen ook dat men in 2015 in Noorwegen werd geconfronteerd met een zeer grote instroom van niet-begeleide minderjarigen, ongeveer vijfduizend jonge mensen. Daar werd toen beslist, zoals mevrouw Lanjri daarnet al zei, om kinderen jonger dan vijftien jaar automatisch eerst naar de opvang te sturen.

 

Men past zelfs geen medische of administratieve procedures toe. Men stuurt hen gewoon naar de opvang. De jongeren ouder dan vijftien jaar volgen het klassieke systeem, dat nu bestaat. Wie jonger is dan vijftien jaar moet nadien door een procedure, maar wel vanuit de context “opvang”. Er wordt dus eerst ter bescherming een preventieve maatregel genomen. Pas daarna doet men het onderzoek. Ik vind dat geen slecht systeem.

 

Zowel de Franse als de Vlaamse Gemeenschap hebben de laatste jaren inspanningen gedaan om plaatsen bij te creëren, want dat is natuurlijk het knelpunt. Er moet natuurlijk opvang zijn. Ik meen dus dat u eens met uw collega’s van de andere regeringen rond de tafel moet gaan zitten. Ik vind niet dat de federale overheid alles op zich moet nemen teneinde het systeem beter te doen werken. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid daarin nemen.

 

Ik kom tot een tweede element. U wilt alles registreren. Ik ga daarmee absoluut akkoord, want iets wat niet geregistreerd is, bestaat niet in ons systeem. Men kan daar gelukkig mee zijn of niet, maar het is een begin om met een problematiek om te gaan. U zegt dat u het beter zult doen en dat alle mensen die zelf verklaren minderjarig te zijn, geregistreerd zullen worden. Zodra zij verdwijnen – het kan zowel om een onrustwekkende als om een gewone verdwijning gaan – zal een melding gedaan worden bij Child Focus.

 

U zegt in Brussel-Noord met heel veel minderjarigen te worden geconfronteerd, die al dan niet echt minderjarig zijn, die in transit zitten naar het Verenigd Koninkrijk. Wij weten dat het niet zo evident is om in het Verenigd Koninkrijk binnen te geraken. Het is een probleem. Men kan redeneren dat wij daaraan nu niet veel doen omdat er heel veel opvangdiensten, administratieve en politionele diensten zullen vollopen en dat men daaraan niets zal kunnen doen, maar zij staan wel op straat.

 

Zowel voor die mensen zelf als voor de omgeving, voor het stedelijk milieu, zullen wij daarmee toch iets moeten doen. Dat is toch een kwestie waar wij niet naast kunnen kijken.

 

Hoe zullen wij daar op lange termijn mee omgaan?

 

Ik begrijp dat u procedures nog scherper zult maken en aan de nieuwe realiteit zult aanpassen, allemaal geen probleem, maar zoals u in uw antwoord van een half jaar geleden zelf aangaf zijn controlemomenten ook belangrijk. Mensen moeten het gevoel hebben dat procedures ook worden gecontroleerd, want als men dat niet doet vergeet men die procedures. Men gebruikt dan kortere wegen, wat absoluut des mensen is. Ik ben geen stenen aan het gooien, maar controle is zeer belangrijk, zeker voor minderjarigen.

 

01.11  Emir Kir (PS): Monsieur le secrétaire d’État, vous avez apporté des éléments de réponse en début de réunion. Pour ma part, je voudrais rappeler les faits car si on ne les rappelle pas étape par étape, on a du mal à comprendre de quoi on parle. Premièrement, il s’agit d’un enfant de neuf ans qui a disparu. Il a peut-être échappé à la surveillance des agents de l’Office des Étrangers à la faveur du temps de midi. Deuxièmement, on n’a pas pris la peine de signaler la disparition de cet enfant. Troisièmement, c’est le centre d’accueil d’urgence Minor-Ndako qui a lancé l’alerte.

 

En disant cela, j’ai déjà sérié tous les dysfonctionnements qui existent. Ils se situent au niveau de l’accompagnement, du contrôle et de la communication. Ce n’est pas rien. Ce sont beaucoup de problèmes et de manquements qui arrivent en même temps avec ce cas.

 

C’est évidemment grave car l’État porte des responsabilités vis-à-vis de cet enfant et de tous les autres mineurs non accompagnés. C’est grave également parce qu’il est difficile de se départir de l’impression que toute l’attention nécessaire n’a pas été portée par rapport à ce mineur. Et c’est grave enfin parce qu’il est tout aussi difficile de ne pas penser que le climat général à l’égard des étrangers porte atteinte à la bienveillance dont doit pouvoir bénéficier un enfant. Un enfant reste un enfant même s’il est étranger.

 

Monsieur Francken, je regrette que dans votre explication vous ayez parlé de soupçon de vol, etc. Je pense qu’il faut éviter de jeter l’opprobre sur les gens. S’il y a des faits vérifiés et avérés, qu’on le dise.

 

Pour ce qui est de l’autre explication sur les départs vers Londres, etc., je ne pense pas qu’il s’agisse d’une explication sérieuse. Un enfant reste un enfant même s’il est étranger. De surcroît, quand il n’a pas d’attaches, il est en pleine détresse lorsqu’il est seul. Et quand il n’a pas d’attaches culturelles, il ne sait pas vers qui se tourner pour avoir une aide.

 

Ce qui est grave aussi, c'est que le jeune garçon n'est pas le seul cas. Ce n'est pas un cas isolé. Je découvre les chiffres que vous nous donnez: 448 disparitions selon Fedasil. Vous les expliquez suivant un travail d'enregistrement plus important mais aussi une explication que vous donnez par rapport à des volontés de migration. Quand je regarde les chiffres de Child Focus, là aussi, les chiffres sont inquiétants. Pour la seule année 2016, on parle de 162 disparitions et seuls 64 enfants retrouvés.

 

Monsieur le ministre, que ce soient les chiffres de Fedasil ou ceux de Child Focus, pouvez-vous nous dire où sont passés les 98 enfants qui ne sont plus dans les radars? Où sont-ils? Il y a énormément de questions à vous poser. Une première chose que je vous demanderai, c'est d'avoir, dans vos réponses, la ligne du temps de ce qui a été fait. Vous avez apporté des explications mais il faudrait avoir une ligne du temps pour savoir ce qui a été fait en temps réel.

 

Comment l'accompagnement de ce MENA est-il réalisé au moment de sa présence dans les locaux de l'Office des Étrangers? À quel moment les agents de l'Office des Étrangers ont-ils réalisé qu'il manquait à l'appel? Quelles démarches ont-elles été entreprises? Vous avez dit qu'on avait averti tous les services. Quand? Comment? Quels services? Quelles sont les autorités auprès desquelles la disparition a été signalée?  Par qui? À quel moment?

 

Une autre question nous taraude l'esprit. Vous nous avez donné une définition de la disparition inquiétante selon le parquet, avec des critères, et puis vous avez parlé d'une autre notion. Vous avez dit que l'Office des Étrangers considérait que ce n'était pas une disparition inquiétante. Que signifie "une disparition qui ne serait pas inquiétante" dans la définition de l'Office des Étrangers? Est-elle en harmonie avec la définition de la disparition inquiétante qui est traitée par le parquet? Quelle définition revêt-elle? C'est important de poser la question. À quel moment un contact a-t-il été établi par les agents de l'Office des Étrangers avec le centre d'accueil d'urgence qui a donné l'alerte?

 

De manière générale, je voudrais poser les questions suivantes sur l'accompagnement social et psychologique des mineurs étrangers non accompagnés.

 

Comment se passe cet accompagnement? L'enfant est mis dans un taxi et doit se rendre seul dans un centre d'accueil. Un mineur qui ne connaît rien à rien dans notre pays doit aller lui-même dans un centre d'accueil! C'est énorme! Comment va-t-il faire pour revenir à l'Office des Étrangers? Ne trouvez-vous pas qu'il y a un problème dans l'accompagnement?

 

Quelles sont les mesures prises en amont de l'attribution d'un tuteur? Comment les autorités administratives gèrent-elles les MENA comme enfants? Quid de l'accompagnement spécifique avant l'entame des procédures? Combien de dossiers MENA les personnes en charge du bien-être de ces enfants ont-ils à gérer? Ce sont des agents de l'Office des Étrangers, ce qui pose la question des moyens de cette institution pour organiser un accueil convenable des enfants mineurs non accompagnés.

 

Les personnes gérant ces dossiers restent-elles les mêmes pour chaque enfant tout au long de la procédure? Et l'accompagnement est-il assuré par un agent pendant toute la procédure? Si l'agent change, cela occasionne une perte au niveau de la qualité du suivi.

 

En ce qui concerne les disparitions, quelles sont les procédures en vigueur au niveau de l'Office des Étrangers? Quelles sont les mesures qui sont prises pour éviter de telles disparitions? Quelles sont les mesures prises au niveau de l'Office des Étrangers pour assurer le suivi des recherches et la coopération avec les services compétents?

 

Je voudrais aussi rebondir sur ce que vous avez dit, M. Francken. J'ai évoqué la question de l'accompagnement, en tout cas de l'absence d'un réel accompagnement. Vous avez dit que les services de sécurité n'avaient pas été avertis. Il y a donc un problème de contrôle manifeste. Vous avez aussi pointé le problème du manque de places dans les centres d'accueil. Là aussi, cette question mérite que l'on s'y arrête.

 

Terminons par la communication. Aujourd'hui, vous communiquez, vous nous expliquez certaines choses. Mais où était la communication? Que s'est-il passé? L'Office des Étrangers est-il en panne? Pourquoi l'Office n'a-t-il pas communiqué comme vous venez de le faire? Pourquoi n'avons-nous pas eu d'informations en temps réel?

 

Que ce soit au niveau de l'accompagnement, du suivi de chaque cas, des places dans les centres d'accueil d'urgence, du contrôle et de la communication, on peut parler d'un véritable dysfonctionnement de l'accueil des mineurs étrangers non accompagnés par l'Office des Étrangers. La copie est à revoir. Nous comprenons votre empressement à organiser une task force et à mobiliser toutes les ressources. Vous nous répondez tout de suite, avant même que nous ayons posé des questions. Mais nous sommes face à un véritable dysfonctionnement. Il faut prendre la situation en main si nous voulons offrir un accompagnement et un accueil dignes pour ces mineurs étrangers.

 

Monsieur le président, monsieur le ministre, j'attends des réponses précises à ces nombreuses questions.

 

01.12  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le président, monsieur le secrétaire d'État, merci pour les différentes informations que vous nous avez données. Si je peux me permettre, il y en a une qui manque. Je commencerai par cela. Quelle est la situation du petit Brahim aujourd'hui? Vous ne nous avez rien dit sur le sujet. Suite à cette épopée, le minimum serait de commencer par cela. Votre responsabilité est tout de même engagée. Vous devez dès lors pouvoir donner certaines garanties par rapport à cet enfant.

 

La première chose qui me frappe dans vos propos, c'est que vous dites que, dans le fond, cet enfant avait envie de s'enfuir. Vous avez insisté à plusieurs reprises là-dessus. Or, nous devons bien acter – je pense que vous le faites aussi – un défaut de surveillance et/ou un défaut de respect du protocole par l'Office.

 

Quand vous dites qu'il avait envie de s'enfuir, je rappelle qu'il ne s'agit pas d'un adolescent de quinze ans, mais d'un enfant de neuf ans. Il est un peu facile d'affirmer, d'entrée de jeu, qu'un enfant de cet âge a envie de s'enfuir. Il devait plutôt être terrorisé. En sus, si tout le monde savait qu'il voulait partir, j'ose espérer qu'on l'aurait surveillé plus étroitement. Il faut donc reconnaître qu'il y a eu un défaut de surveillance.

 

Ensuite, et c'est peut-être le plus grave, on a assisté à une espèce de banalisation de la disparition de cet enfant, que l'Office n'a pas signalée. Pourquoi n'a-t-il pas prévenu immédiatement la police ou Child Focus? Pourquoi a-t-il fallu plusieurs heures pour que cette disparition soit signalée? Pourquoi, selon mes informations, est-ce une association nommée Minor-Ndako qui s'en est chargée? Trouvez-vous normal que l'Office ne se soit pas immédiatement engagé à signaler cette disparition et n'ait donc pas évité les risques les plus graves tels que l'enlèvement de cet enfant par un réseau de trafic d'êtres humains?

 

Cette question me semble plus grave que la première. Un défaut de surveillance découle de la nature humaine et peut se produire, même si cela pose des questions en termes de capacité à suivre le protocole. J'ignore si c'est la règle, mais cette forme de banalisation d'une disparition me préoccupe au plus haut point.      

 

À partir de là, monsieur le secrétaire d’État, je voudrais faire un certain nombre de constats. Le premier porte sur la qualité et l’efficacité de l’encadrement des procédures. Ces protocoles sont-ils suffisamment adaptés aux enfants? Parler de procédure standard quand on est face à un enfant ne suffit vraisemblablement pas. Il me semble nécessaire d’avoir, pour un enfant, une procédure personnalisée.

 

Cela pose aussi la question de savoir si on doit rester braqué d’abord sur la procédure administrative et puis sur le mécanisme d’accueil. Ne faut-il pas, pour un certain nombre de ces enfants, actionner d’abord l’accueil et se donner un cadre de sécurité suffisant par rapport à ceux qui sont en danger et ensuite, après l’accueil, assurer la procédure administrative?

 

Le deuxième constat est de savoir si, oui ou non, il existe une capacité suffisante au niveau du personnel de l’Office des Étrangers d'encadrer de manière individualisée et personnalisée ces enfants. Cela pose aussi la question d’une capacité suffisante d’accueil si, comme je le suggère en tout cas, on inverse la procédure avec d’abord un accueil et ensuite une procédure administrative.

 

Troisièmement, je voudrais aussi poser le constat qui impose de revoir, me semble-t-il, la situation et d’apporter des réponses pour tous les autres enfants qui sont aujourd’hui dans la nature. Vous citez le chiffre en 2016 de 418 disparitions. Je retiens d’un autre côté le chiffre de Child Focus de 162 dossiers ouverts pour des signalements de disparition de MENA, soit trois fois plus qu’en 2015.

 

La différence est grande entre 162 et 448! La disparition de la majorité d'entre eux n'est donc pas signalée. Pour Brahim, ce qui m'interpelle, je vous l'ai dit, c'est le défaut de signalement. Comment en arrive-t-on à ce que les trois quarts des enfants disparus ne soient pas signalés? Et surtout, quel âge ont-ils? Pour le petit Brahim de neuf ans, il a été considéré qu'il ne fallait pas signaler sa disparition et il a fallu plusieurs heures avant qu'une association extérieure le fasse. Dès lors, quelles décisions ont-elles été prises suite aux disparitions de quels enfants, de quels âges? Manifestement, ils ne sont jamais signalés.

 

Ce chiffre ne tient évidemment pas compte d'un chiffre noir d'enfants inconnus de l'administration. Rien qu'en Europe, il y en aurait 10 000. C'est interpellant.

 

Monsieur le secrétaire d'État, j'ai bien compris que la procédure prévoit de ne signaler qu'un certain nombre d'entre eux. Mais nous constatons que les trois quarts ne sont pas signalés. Cela pose la question de leur profil. Le critère de l'âge me semble objectif. Si on commence à se rendre compte que des enfants de neuf à douze ans ne sont jamais signalés, je pense que ce n'est pas acceptable. C'est sous-estimer la vulnérabilité de ces enfants et les dangers auxquels ils sont exposés.

 

Je conclurai, monsieur le président, en disant que le dossier de Brahim démontre manifestement l'existence de failles, qu'il faut donc revoir les procédures à différents niveaux. Je voudrais quand même rappeler ici combien ces MENA sont vulnérables.

 

Cette vulnérabilité implique une prise en charge spécifique et personnalisée qui nécessite de les considérer d'abord comme des enfants et non comme des étrangers. Dès lors, il faut une approche liée aux risques spécifiques qu'ils encourent. Quand je parle avec des commissaires de police responsables des services de lutte contre le trafic d'êtres humains, à chaque fois j'hallucine en écoutant leurs explications sur ce qui arrive à des enfants particulièrement jeunes, qui sont passés à travers "les mailles du filet" et qu'on retrouve dans ces trafics.

 

Votre responsabilité et la nôtre en tant que politiques, c'est d'oser se poser les questions et d'y répondre. Mais on ne pourra véritablement y répondre que si le gouvernement prend d'abord l'engagement de les considérer comme des mineurs à risque important et non comme des étrangers. C'est à cela que j'appelle le gouvernement.

 

01.13  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor uw inleiding.

 

Wat er is gebeurd, kunnen en mogen wij niet lichtzinnig opvatten. Ik meen te mogen denken dat iedereen daarvan overtuigd is.

 

Wat ik precies wil weten, is of dit een accident de parcours is, een individuele fout of een systeemfout. Ik heb in de krant gelezen dat u zou hebben gezegd dat het niet gaat om een systeemfout, maar uit alles wat ik tot nu weet en ook uit uw inleiding meen te mogen afleiden, gaat het wel om een structureel probleem.

 

Er zijn twee dimensies. De eerste dimensie is de verdwijning zelf en de tweede is hoe men daarmee is omgegaan, de rapportage enzovoort.

 

De eerste dimensie is de verdwijning zelf. U hebt aangegeven dat er een probleem zat bij het veiligheidspersoneel van DVZ, dat die de verdwijning heeft laten gebeuren. Men heeft dat duidelijk niet opgemerkt.

 

Bovendien moeten wij proberen te vermijden dat minderjarigen effectief willen ontsnappen. U kan dan wel zeggen dat wij zo iemand niet kunnen tegenhouden, dat als zo iemand wil ontsnappen, hij weg is.

 

De vraag is in welke omstandigheden men terechtkomt in DVZ. Collega's van mij hebben daarop al gewezen en ernaar gevraagd, maar hoe ziet dat onthaal er precies uit? Wordt die jongere op zijn gemak gesteld? Het zou kunnen dat die procedure een nogal ambtelijke aanpak is, die afschrikwekkend werkt, met vingerafdrukken, registratie, botscan enzovoort.

 

Zo'n jongere heeft al heel wat meegemaakt op zijn vluchtroute en is misschien zelfs al in aanraking gekomen met politie en met officiële autoriteiten die hem niet goed hebben behandeld. Het is dus perfect mogelijk dat hij heel wantrouwig is ten opzichte van overheden en autoriteiten. Dat kan meespelen.

 

Mijn eerste vraag is dus hoe dat onthaal eruitziet. Wordt een jongere op zijn gemak gesteld? Is men daar vriendelijk of niet? Dat zijn belangrijke zaken. Zijn er richtlijnen hoe het personeel moet omgaan met zo'n kind?

 

Wat het rapporteren betreft, u zegt dat DVZ alle diensten heeft verwittigd, eens men besefte dat de jongere verdwenen was. Blijkbaar werd de politie echter niet verwittigd. Dat is wat ik afleid en wat mij sterkt in de overtuiging dat er eigenlijk een systeemfout is.

 

In tegenstelling tot wat u in de krant hebt laten uitschijnen, zijn er bij DVZ blijkbaar ook geen cijfers over het aantal verdwijningen. Wij weten dus niet of wat vorige week is gebeurd, al dan niet een uniek geval is. Er zijn immers geen cijfers van het aantal verdwijningen van minderjarigen uit de kantoren van DVZ.

 

Ik vind het frappant dat die situatie al die tijd blijkbaar niet als problematisch is beschouwd en dat DVZ het niet nodig achtte daarvan cijfers bij te houden, laat staan allicht de politie te verwittigen, wat hier in het concrete geval ook niet is gebeurd.

 

Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar met mijn hoofd niet bij kan. Het gaat hier om kinderen en minderjarigen. Ondertussen zou u toch al moeten weten hoe groot de risico’s van mensensmokkel en misbruik zijn, waarbij kinderen effectief in handen vallen van mensen die het niet goed met hen menen. Wanneer een kind uit de kantoren van DVZ verdwijnt, worden daarvan geen cijfers bijgehouden en wordt de politie niet verwittigd. Ik begrijp dat werkelijk niet.

 

Wanneer een Belgisch, autochtoon kind ergens uit een politiekantoor, uit een stadhuis of tijdens een schoolreis verdwijnt, wordt de politie onmiddellijk verwittigd, maar blijkbaar is het al jaren de praktijk dat dit bij DVZ niet gebeurt. Ik moet daar toch vraagtekens bij plaatsen.

 

Minor-Ndako heeft inderdaad de aanbeveling gedaan om een kind het ambtelijk proces bij DVZ niet te laten doorlopen, maar de begeleiding door bijvoorbeeld een voogd veel sneller te laten gebeuren.

 

Hoe reageert u daarop? Kunnen wij op dat vlak niet tot een verandering in het beleid overgaan en tot een meer aanklampend systeem komen? Dat systeem zou niet ambtelijk, via DVZ moeten verlopen maar zou meer op maat en persoonlijk moeten zijn, waardoor de jongere meer wordt gerustgesteld en hem meer comfort en veiligheid worden geboden.

 

U spreekt voorts over een protocol. U hebt daar ook iets over gezegd in de krant. Het gaat dus niet over één algemeen protocol, begrijp ik, over hoe DVZ moet omgaan met verdwijningen van kinderen, maar meer over protocollen per opvangstructuur. Kan ik een kopie van die protocollen krijgen? Dat interesseert mij.

 

Uw voorstel voor een nieuwe taskforce over verdwijningen is uiteraard goed, maar het is eerst aan elke dienst afzonderlijk, los van die taskforce, om de verdwijningen bij te houden en te rapporteren. Elke dienst afzonderlijk zal dus wel degelijk nog zijn verantwoordelijkheid hebben.

 

Ik wilde u ook vragen hoe vaak dergelijke verdwijningen uit de kantoren van DVZ voorkomen, maar blijkbaar weet men dat niet. Dat hebt u daarnet gezegd.

 

Ik herhaal mijn vraag om een audit door te voeren van de Dienst Vreemdelingenzaken in zijn geheel. Die audit is bezig voor een aantal onderdelen van DVZ, maar op dit moment is er nog altijd geen sprake van een algemene audit van DVZ. Er valt toch heel wat uit de kast, de incidenten volgen elkaar op. Ik stel mij grondige vragen bij het beleid van DVZ, ook bij de manier waarop men blijkbaar omgaat met verdwijningen van kinderen. Dat versterkt alleen maar de oproep van een aantal mensen, ook collega’s, om die dienst eens grondig door te lichten.

 

01.14  Sarah Smeyers (N-VA): Mijnheer de staatssecretaris, er zijn al heel wat vragen gesteld. De meeste vragen hebt u in uw inleiding al beantwoord. U hebt duidelijk geschetst wat er is gebeurd en ook erkend dat het niet had mogen gebeuren, dat de verdwijning van die negen- of dertienjarige jongen sneller had moeten worden opgemerkt, of op zijn minst aangegeven, zodat de bevoegde instanties sneller in gang konden schieten.

 

Dan konden de bevoegde instanties sneller in actie komen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Het zijn nu uw diensten die moeten voorkomen dat zoiets nog gebeurt. Ik denk niet dat zoiets te vermijden valt, gezien het hoge aantal mensen dat passeert bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Stellen dat dit niet meer kan gebeuren, lijkt me weinig realistisch, laten we daar eerlijk in zijn. Wel moeten we beschikken over een draaiboek om snel en adequaat te kunnen optreden.

 

Ik ga niet te zeer in op dit individuele geval: ik ken te weinig details, u kent die beter. Het heeft ook te weinig zin om op dit individuele geval in te gaan.

 

Toch enkele algemene lijnen, die zeker niet nieuw zijn. De identificatie van de minderjarige gebeurt nu in samenwerking met de dienst Voogdij, die ressorteert onder Justitie. Zou het niet beter zijn om heel de afhandeling van de identificatie en het onder voogdij plaatsen van niet-begeleide minderjarige vluchtelingen te groeperen in één dienst onder uw bevoegdheid, de Dienst Vreemdelingenzaken? Dan worden het overzicht en de bewaking van de minderjarige gegarandeerd binnen één bevoegdheid en kan er ook sneller onderzoek worden gedaan naar botscans bijvoorbeeld, wat ook in dit geval nodig is gebleken. Die vraag heb ik trouwens ook al enkele keren aan minister Geens gesteld, die daar volgens mij niet weigerachtig tegenover staat. Het is misschien aangewezen om de hoofden bij elkaar te steken en dat nog eens te bespreken.

 

Onze fractie is niet meteen voorstander van een soort van preopvang voor niet-begeleide minderjarigen om te vermijden dat opnieuw gebeurt wat gebeurd is. Minderjarigen hebben volgens mij al een aparte bescherming van zodra ze geregistreerd zijn. Ik denk niet dat het opportuun is om vóór de effectieve vaststelling van de leeftijd van de persoon in kwestie al een apart systeem in te stellen. Sta mij toe ervoor te vrezen dat er zich in dat geval nog meer vermeende minderjarigen zouden kunnen aanmelden bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Het lijkt mij dus niet nodig om een volledig aparte structuur op te zetten.

 

Het is wel nodig om zoveel mogelijk te vermijden dat een dergelijke verdwijning kan gebeuren. De diensten moeten daarom zoveel mogelijk op elkaar afgestemd zijn. Alle afwikkelingen, zoals het registreren, het identificeren, het onderzoeken van de leeftijd en het onder voogdij plaatsen van minderjarigen, moeten onder de Dienst Vreemdelingenzaken geressorteerd worden. Zo kan de opvang na de identificatie zeer adequaat gebeuren.

 

01.15  Nahima Lanjri (CD&V): Ik had nog een vraag in verband met de opvang van slachtoffers van mensenhandel of jongeren die ingezet worden door netwerken rond prostitutie of diefstal enzovoort. We weten dat dit bestaat. In de opvang is het ook niet altijd evident om die jongeren te plaatsen samen met andere jongeren die soms ook slachtoffer zijn.

 

Vandaar de vraag of ook een aantal plaatsen in Vlaanderen en Brussel apart kunnen worden ingericht. Er is al een opvangcentrum Esperanto in Wallonië waar slachtoffers van mensenhandel kunnen worden opgevangen. Een jongere met een Vlaamse voogd kan daar niet worden geplaatst. Er is dus ook opvang in Vlaanderen of Brussel nodig.

 

Dan heb ik nog een zeer specifieke vraag. Kunt u in overleg met de Gemeenschappen zorgen voor een strengere opvang voor de minderjarige slachtoffers van mensenhandelaars, zodat zij niet zomaar binnen en buiten kunnen lopen? Dat is wat echt nodig is, naast de opvang voor gewone niet-begeleide minderjarigen die gelukkig niet allemaal in handen van mensenhandelaars zijn gevallen.

 

Ik wil ook reageren op mevrouw Smeyers. Ik denk dat het wel de ambitie moet zijn om te streven naar 0 % verdwijningen van de jongeren bij DVZ. Voor zeventien- of achttienjarigen is dat al minder evident, maar voor de min-veertien- en min-vijftienjarigen zouden wij moeten kunnen evolueren naar een procedure met begeleiding, met een heel korte intake in een apart lokaal met toezicht en begeleiding. Het moet toch mogelijk zijn, mevrouw Smeyers, dat de jongere in dat ene uur of die twee uur niet verdwijnt?

 

Die groep jongeren zou bij DVZ toch niet mogen verdwijnen. Uiteraard is het wel mogelijk dat zij nadien verdwijnen, bijvoorbeeld uit de school, uit een opvangplaats of van elders.

 

Mevrouw Smeyers, tot slot wil ik u zeggen dat wij het idee niet genegen zijn om de dienst Voogdij onder te brengen bij DVZ; u weet dat. Beide diensten werken vanuit een totaal ander perspectief. Ik hamer wel op een goede samenwerking, die op een aantal vlakken zeker nog verbeterd kan worden. Echter, niet alles kan gedelegeerd worden door of ondergebracht worden bij DVZ. In andere asieldossiers gebeurt dat overigens ook niet. De ene instelling doet het ene werk, de andere instelling iets anders. U weet dat er daaromtrent al gesprekken werden gevoerd. Ik vind het dan ook niet correct om daarvoor nu te pleiten naar aanleiding van een concrete situatie. Die discussie werd gevoerd, maar wij zijn daar geen voorstander van en willen daar niet in meestappen. Daarover is er trouwens geen afspraak in het regeerakkoord.

 

De voorzitter: Mijnheer de staatssecretaris, u krijgt het woord.

 

01.16 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer de voorzitter, ik weet niet hoelang het debat nog zal duren. Er staan ook nog heel wat vragen op de agenda.

 

Op de meeste vragen meen ik te hebben geantwoord. Ik zal nog enkele bijkomende vragen beantwoorden en proberen om kort nog enkele elementen toe te voegen.

 

Ten eerste, hoe gaat het met de betrokkene? Het gaat op dit moment relatief goed met hem. Hij is, zoals ik eerder al heb gecommuniceerd, toegewezen aan een gespecialiseerd centrum in Wallonië, waar hij in goede handen is en professionele begeleiding krijgt. Hopelijk loopt dat goed af. Hij blijft natuurlijk vragende partij om te vertrekken, dus op dat vlak moet er veel sociaal werk gebeuren door onze experts en professionals in het centrum in Wallonië. Ik geef daar geen nadere details over omwille van de privacy en om opdringerige journalisten en fotografen weg te houden, wat u hopelijk begrijpt.

 

Ten tweede kom ik tot de vraag of het niet beter is om de identificatie te doen nadat zij eerst in een opvangcentrum worden afgezet. Er is immers gezegd dat dit in Noorwegen ook zo gebeurt. Als wij dat in dit geval hadden gedaan, dan was de jongen onmiddellijk terug vertrokken en hadden wij zelfs geen vingerafdrukken gehad. Dan hadden wij helemaal niets gehad van betrokkene. In deze casus was dat dus zeker een bijzonder slecht idee geweest. Wij zouden dan zelfs geen foto hebben genomen.

 

Als een zeer jonge niet-begeleide minderjarige wordt opgepakt en meteen naar een OOC of naar Minor-Ndako wordt gebracht zonder eerst bij onze dienst en via de dienst Voogdij te passeren om daarna via Fedasil gedispatcht te worden, dan heeft men helemaal geen informatie. De jongeren die onmiddellijk willen vertrekken zijn dan ook onmiddellijk terug weg. Men moet daarmee dus zeer voorzichtig zijn.

 

Ten derde, over de taxi. De jongeren die daar aankomen, moeten natuurlijk naar Neder-over-Heembeek. Ik kan ze moeilijk een ticket geven, dat zou niet verstandig zijn. Er moet dus vervoer worden georganiseerd. Die taxidienst is een vaste taxidienst met mensen die dat dag in, dag uit doen. Zij zijn als het ware experts ter zake. Het is dus niet elke dag een andere taxichauffeur. Het is wel degelijk omkaderd.

 

Moet iemand de jongeren in de taxi vergezellen? Mij lijkt het niet helemaal onlogisch dat de voogd bijvoorbeeld zou meegaan. Volgens sommigen moet men betrokkenen meteen in het opvangcentrum afzetten, volgens anderen moeten zij zo snel mogelijk naar het opvangcentrum worden gebracht. Welnu, als er een voogd wordt aangeduid door de dienst Voogdij, dan moet deze persoon zich op dat moment fysiek verplaatsen naar Brussel om de jongere met de taxi te begeleiden naar het opvangcentrum. U begrijpt toch ook dat wij niemand, en zeker geen kind van negen jaar, gedurende vierentwintig uur in de wachtruimte van DVZ gaan laten wachten? Bovendien, voogden moeten ook hun permanentie opnemen. Dit is een interessant gesprek om te voeren met de minister die bevoegd is voor de dienst Voogdij.

 

Wij moeten nagaan of er misschien iemand anders mee kan. Ik heb daarvoor niet veel personeel ter beschikking, maar ik zal het daar zeker over hebben met Freddy Roosemont.

 

U zegt dat er een tijdslijn moet zijn. Ik heb de timing gegeven.

 

In verband met de 162 verdwijningen waarover Child Focus het heeft, ten opzichte van de 448 verdwijningen, is de procedure als volgt. Bij een verdwijning wordt de politie of het parket ingelicht. De fiche wordt op dat moment al doorgegeven aan Child Focus, maar het parket beslist of Child Focus de verdwijning ook publiek mag maken. Wat de 448 verdwijningen betreft, is het dus niet zo dat het parket altijd heeft gezegd om er iets mee te doen. In de meeste gevallen zegt het parket aan Child Focus om een verdwijning niet openbaar te maken. Daarom is er een verschil tussen de aangemelde verdwijningen en de 162 verdwijningen die Child Focus ook daadwerkelijk op de website heeft geplaatst, heeft gesignaleerd en op affiches verspreid.

 

Nogmaals, als wij de registratie waterdicht maken, ook voor de zelfverklaarde minderjarigen van zeventien jaar, komen wij uit bij een cijfer dat veel hoger ligt dan 448, niet door de maatregelen die deze regering heeft genomen, maar door een betere registratie. Natuurlijk zijn er ook meer niet-begeleide minderjarigen in België ten gevolge van de asielcrisis van 2015. De groep is dus groter geworden. Er moet dus inderdaad een betere registratie komen en daar zal ik voor zorgen. De statistieken moeten ook afgepunt worden, waarvoor ik eveneens zal zorgen. Dat staat namelijk ook op de agenda.

 

U zegt dat ik het protocol toen aan het herzien was. Ik heb dat ook gezegd. Het protocol is al deels aangepast en geüpdatet eind 2015. Ik heb toen in de commissie gezegd dat wij daarmee bezig waren en dat is ook gebeurd. Waar het nu over gaat, is dat het protocol niet moet worden geüpdatet maar uitgebreid. Dat gaan wij ook doen.

 

Blijven de ambtenaren bij die jongeren? Ja, die blijven bij die jongeren. Natuurlijk, er moeten vingerafdrukken worden genomen. Er moeten foto’s worden genomen. Er moet een medische check-up worden gedaan. Zij gaan van de ene dienst naar de andere, zoals iedereen die naar de dienst Registratie van DVZ gaat. Er wordt een interview afgenomen. Dat zijn gespecialiseerde mensen die dat zeer consciëntieus doen.

 

Is hier iets misgelopen? In mijn ogen zijn twee zaken misgelopen. Als de medische dienst van Fedasil hem terugbracht naar de wachtzaal, hadden ze de mensen van de veiligheidsdienst van DVZ moeten verwittigen dat zij de jongen hadden teruggebracht en dat hij in het oog moest worden gehouden. Ik denk dat dit onvoldoende is gebeurd. Het was toen druk, waardoor hij naar buiten is kunnen glippen.

 

Dat is opgelost, in die zin dat ze nu niet meer op het gelijkvloers maar in een lokaal op de eerste verdieping zullen worden geplaatst, onder permanent toezicht. Dat is zelfs al ingevoerd sinds gisteren.

 

Een tweede fout. Als die jongere dan weg was, werden alle diensten verwittigd, maar DVZ, de dienst Voogdij of Fedasil, een van de drie, heeft de politie niet verwittigd. Het is niet altijd de schuld van DVZ. Ik weet dat sommigen het leuk vinden om dat altijd rond te toeteren. Het belangrijkste is echter dat dit niet gebeurd is en dat is niet voor herhaling vatbaar.

 

Als u wilt dat ik publiekelijk zeg dat er een fout is gebeurd: ja, er is een fout gebeurd. Ik heb dat trouwens al publiekelijk gezegd. Dat heeft mijn topambtenaar ook al gezegd. Ik zal dat ook blijven herhalen.

 

Het belangrijkste is om uit fouten lering te trekken en ervoor te zorgen dat het niet of nooit meer gebeurt. Dat engagement heb ik van mijn diensten, van de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere. Daarvoor werd ook onmiddellijk actie ondernomen. Ik wil dat ook niet meer zien gebeuren. Dat is iets waarmee men op een zaterdagmorgen liever niet wakker wordt, dat begrijpt u.

 

Ik denk dat de meeste zaken beantwoord zijn. Het is aan de jeugdrechter. Ook Voogdij speelt daarin een belangrijke rol. Het zijn dus verschillende partners; ook de Dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil zijn daarbij betrokken. Volgens mij is het geen systeemfout. Ik zal het antwoord nog krijgen, want op dit moment is de heer Roosemont in het buitenland. Ik vraag me nog altijd af waarom de politie net niet werd gebeld. Alle diensten werden verwittigd: Fedasil, Voogdij, de opvangpartner, maar naar de politie heeft niemand gebeld. Is dat een pure vergetelheid? Vond men het geen onrustwekkende verdwijning en heeft men daarom de politie niet gebeld? Nochtans is hij, zelfverklaard, negen jaar. Men zegt dat hij er ouder uitziet dan negen, maar dan nog: zelfs als hij dertien is, is het nog altijd een onrustwekkende verdwijning. Dat kan er bij mij niet in, ik ben daar absoluut niet over te spreken. Wat de bevoegde ambtenaar betreft, is het ook in mijn ogen evident dat er een intern onderzoek loopt; dat is evident, want dit kan zomaar niet.

 

Collega’s, wij hebben werk op de plank. Zonder in politieke spelletjes te vervallen, denk ik dat wij kort op de bal moeten spelen. Dit mag niet meer gebeuren en daar moeten wij alles aan doen. Het lijkt mij opportuun om over een aantal maanden na te gaan waar we staan, wat er is uitgevoerd, of er al een nieuw protocol is. Zo kunnen we dat bijkomend opvolgen.

 

Ik sta uiteraard ter beschikking van het Parlement om in november of december hierover opnieuw verslag uit te brengen, zodat u ook goed op de hoogte bent.

 

Ik heb begrepen dat er een plaatsbezoek zal zijn, waar ook met de diensten kan worden gepraat. Ik hoop dat alle Parlementsleden daar naartoe zullen gaan, want het zal interessant zijn om met de mensen op het terrein te praten, die de procedure kunnen uitleggen.

 

Ik blijf erbij dat er veel niet-begeleide minderjarigen, kwetsbare groepen zijn die op een heel goede manier worden opgevangen. Het zijn er honderden per jaar. Zij worden door al onze medewerkers opgevangen, zowel van DVZ en Fedasil als van onze opvangpartners, zoals Minor-Ndako en Esperanto, en van de dienst Voogdij. Dat zijn mensen die dit werk dag in dag uit doen, met een enorm sociaal engagement voor die kwetsbare jongeren. Dat kan men niet doen voor dat loon als men geen enorm sociaal engagement heeft. Dat is niet mogelijk. Dat wil ik toch wel benadrukken.

 

Als u dat plaatsbezoek brengt, ben ik ervan overtuigd dat u met eigen ogen zult zien dat dit op een heel humane en goede manier gebeurt, maar missen is menselijk en zoiets mag niet meer gebeuren.

 

01.17  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, u bent bezig met het verbeteren van een aantal zaken. Dat is goed.

 

Ik wil echter iets verduidelijken. Ik heb gezegd dat het misschien een idee is om zeker de kwetsbare jongeren eerst naar het centrum te brengen en van daaruit naar de Dienst Vreemdelingenzaken. Ik heb daarbij ook vermeld dat dit vandaag al in een aantal gevallen gebeurt. Ik wil dat u nagaat waarom dat de ene keer wel en de andere keer niet gebeurt.

 

01.18 Staatssecretaris Theo Francken: In het weekend of 's nachts. Ook dan is er een probleem.

 

Ik geef een heel concrete casus als voorbeeld. Een drugsverslaafde veertien- of zestienjarige werd gevat bij een politieactie en komt bijvoorbeeld om 03 u 00 toe. Fedasil is absoluut geen vragende partij om die in het weekend binnen te halen.

 

De politie ziet dat hij minderjarig is en krijgt de dienst Voogdij niet te pakken. De permanentie is daar niet perfect, ook interessant om weten. Wat doet ze dan? Ze belt naar DVZ, waar een 24/7-permanentie is en vraagt wat ze moet doen met de minderjarige. Ofwel wordt hij op het politiekantoor gehouden, wat ook niet ideaal is, ofwel wordt hij vrijgelaten, wat helemaal niet ideaal is, ofwel wordt hij ergens bij Fedasil in een OOC geplaatst. Fedasil is helemaal geen vragende partij voor die oplossing, want die jongeren komen 's nachts binnen, vaak onder invloed. Ze komen 's nachts in een leefgroep, waardoor mensen wakker worden. Ze moeten op een slaapzaal of een kamer slapen, met vaak gestommel en tegen hun zin, want ze willen daar niet naartoe.

 

Wanneer gebeurt zoiets dus? Op het moment dat er geen registratie mogelijk is.

 

01.19  Nahima Lanjri (CD&V): Voor alle duidelijkheid, het is geen verwijt. Ik zeg gewoon dat het gebeurt en dat het goed is… Men kan niet zeggen dat men een veertienjarige onder invloed niet opvangt om de anderen niet te storen. Daarom moet worden nagedacht over de opvang voor die specifieke gevallen, zodat inderdaad geen overlast of problemen worden veroorzaakt voor de andere jongeren. Sommige jongeren die al actief zijn als pooier of meisjes die al in een prostitutienetwerk zitten, worden ’s nachts opgepakt als niet-begeleide minderjarigen en binnengebracht en vertonen in het centrum datzelfde gedrag. Dat zijn zeer moeilijke gevallen waarvoor de juiste opvang nodig is in een gespecialiseerd centrum. Daarom pleit ik voor een voldoende gespecialiseerd aanbod, desnoods met afzonderlijke leefgroepen, op bepaalde plekken die worden omgevormd. Dat is een mogelijkheid waarvan ik u vraag om ze zeker te bekijken.

 

Ik sprak ook over de jongeren die naar DVZ worden gebracht, met begeleiding uit het centrum. Dat is een mogelijkheid. Het kan zijn dat iemand op dat moment nog geen voogd heeft. Stel dat men iemand ’s nachts op straat vindt, dan heeft die op dat moment nog geen voogd en kan men dus ook nog geen voogd oproepen. In dat geval zal het bijvoorbeeld een medewerker van het opvangcentrum zijn die de jongere begeleidt. Daar had ik voor gepleit. Het zou een goede oplossing zijn dat de begeleider meegaat, zeker als de jongere in het weekend of ’s nachts naar een opvangcentrum wordt gebracht. Als dat niet het geval is en de jongere wordt direct naar DVZ gebracht, dan kan een ambtenaar van DVZ de begeleiding op zich nemen. Dan gaat het niet alleen om het toezicht in een wachtzaal waar 25 andere niet-begeleide minderjarigen wachten. Het moet meer zijn dan toezicht, het moet ook een stuk begeleiding zijn. Dat is van groot belang.

 

01.20  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik zal iets korter zijn dan mijn collega Lanjri.

 

Mijnheer de staatssecretaris, ik begrijp niet goed dat als min-vijftienjarigen direct naar een opvangcentrum worden gebracht, er daar dan geen registratie kan zijn met foto en naam; vingerafdrukken nemen is voor mij nog iets anders. Als men iemand binnenneemt in een opvangcentrum, kan ik mij best inbeelden dat men toch op zijn minst opschrijft wie er binnenkomt. Ik wil dus toch vragen om daarover eens na te denken.

 

01.21  Catherine Fonck (cdH): Monsieur le secrétaire d'État, si vous me le permettez, j'irai droit au but. Très clairement, nous constatons des failles, dont certaines sont graves. La situation doit donc être prise au sérieux.

 

Vous avez pris des engagements, monsieur le secrétaire d'État. J'attends de voir les actes. Nous pourrons alors aborder de nouveau ce sujet.

 

Je rappelle que des signaux avaient déjà été donnés en mars 2016. Vous aviez alors indiqué que vous reverriez les procédures. Nous voici un an plus tard. Vous allez devoir prendre des mesures énergiques. Sinon, je crains que nous ne nous reposions la question dans quelques mois au sujet de ces failles inquiétantes. C'est d'enfants en danger qu'il s'agit. La situation doit être perçue comme telle.

 

01.22  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, ik heb toch nog een aantal vragen.

 

Ik meen dat wij wat worstelen met de vraag hoe wij de eerste opvang van zulke jongeren kunnen verbeteren, zodat zij zich meer op hun gemak voelen en minder de nood voelen om weg te lopen. Die eerste lijn kan liggen bij de politie, bij DVZ of bij een opvangcentrum. Persoonlijk vind ik dat het nemen van vingerafdrukken zo snel mogelijk moet gebeuren. Ik twijfel over de piste om betrokkenen eerst in een opvangcentrum te laten waar geen vingerafdrukken kunnen worden genomen. Ik meen wel dat wij de opvang, begeleiding en omkadering bij DVZ, waar de vingerafdrukken worden genomen, moeten verbeteren. Dit kan eventueel door ambtenaren daarvoor beter op te leiden. Misschien moet ook gespecialiseerd personeel worden aangeworven en eventueel moet een voogd worden aangeduid, als dat kan.

 

U hebt niet geantwoord op mijn vraag, ten eerste, omtrent het onthaal bij DVZ. U begrijpt dat zo’n jongere wantrouwig kan staan tegenover overheidsdiensten. Hoe kunnen wij dat verbeteren? Hebt u daar ideeën over?

 

Ten tweede, DVZ heeft in dit concrete geval de politie niet verwittigd. Was dit de praktijk in het verleden?

 

Ten derde, uit uw inleiding heb ik niet goed begrepen hoe het zit met het protocol. Gaat het over een globaal protocol bij DVZ of om protocollen per opvangcentrum? Hoe zit dat juist? Zijn er richtlijnen? Is er een protocol bij DVZ waarin vermeld staat hoe DVZ moet omgaan met dat soort verdwijningen?

 

01.23  Sarah Smeyers (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik heb geen repliek.

 

01.24  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, ik had er in mijn vragen nog op aangedrongen: als jongeren naar DVZ worden overgebracht, is het vooral van belang dat alles dan zeer snel verloopt. Als alles op een uur of twee uur verloopt, is er geen probleem. Men moet die jongeren voorrang geven op anderen. Er moet snel gehandeld worden. Ik hoop dat dit gebeurt.

 

U hebt daarnet zelf gezegd dat de jongeren tijdens het weekend naar het opvangcentrum worden gebracht, omdat zij dan niet bij DVZ terechtkunnen. In het opvangcentrum kunnen er echter geen vingerafdrukken worden genomen. Voor de kwetsbare groepen of voor degenen die tijdens het weekend aangetroffen worden en naar een centrum gebracht worden — vooral voor de kwetsbare groep pleit ik ervoor dat zij eventueel met begeleiding naar het centrum worden gebracht — zijn er volgens mij andere mogelijkheden, ook wat het nemen van vingerafdrukken betreft. Immers, men kan tegenwoordig heel veel met een smartphone, ook vingerafdrukken nemen. Misschien moet men voor die gevallen die in het weekend naar de centra gaan, eens nagaan of het niet mogelijk is om een foto te nemen, om de naam te noteren en om via een smartphone voorlopige vingerafdrukken te nemen. Dat is tegenwoordig mogelijk. Men moet toch iets kunnen ontwikkelen, tijdelijk, in afwachting van naar DVZ te gaan. Anders gaat men een permanentie moeten organiseren, zodat ook tijdens het weekend vingerafdrukken kunnen genomen worden bij DVZ, maar dat lijkt mij heel moeilijk en heel kostelijk. Misschien is een app dus een beter middel.

 

01.25 Staatssecretaris Theo Francken: Er bestaat een protocol, maar niet met betrekking tot DVZ op zich. DVZ heeft dat mee ondertekend, maar het gaat niet over het aankomen bij DVZ. Dat moet dus worden uitgebreid. Ik zal u het protocol bezorgen, dan kunt u het zelf lezen.

 

De politie wordt normaal wel verwittigd als een tiener tussen de middagpauze bij DVZ gaat lopen. Voor alle duidelijkheid, dat gebeurt gelukkig niet vaak. Daarom wil ik echt weten hoe het in dit geval kon gebeuren. Ik vind het onbegrijpelijk. Was het een zuiver administratieve menselijke vergetelheid, een fout? De heer Roosemont is in het buitenland, maar ik zie hem maandag. Ik zal hem de vraag zeker stellen, want ik ben er zeer nieuwsgierig naar. Ondertussen heeft hij al wel met zijn mensen kunnen praten.

 

De suggestie van het gebruik van de smartphone zal ik zeker meenemen zodra de taskforce samenkomt.

 

Op uw aanraden zal ik met plezier contact opnemen met mijn collega Vandeurzen die, zoals mijn Waalse collega, bevoegd is met betrekking tot het Esperantoverhaal. Het is zeker nuttig om dat ook aan Vlaamse kant te hebben. Dat behoort evenwel niet tot mijn bevoegdheid en het impliceert dus ook mijn middelen niet, maar ik zal daaromtrent zeker contact opnemen met mijn collega Vandeurzen, met uw groeten.

 

01.26  Nahima Lanjri (CD&V): Ik heb nog een vraag over de Fast Track Procedure of de zo kort mogelijke procedure, mijnheer de staatssecretaris.

 

01.27 Staatssecretaris Theo Francken: Als ik het goed heb begrepen zult u een plaatsbezoek afleggen. U zult de mensen van het bureau MINTEH dus zien. De jongeren, tieners, worden daar bijzonder vriendelijk en menselijk onthaald. Dat zult u zelf zien. Het gaat om daarvoor opgeleid personeel en zij zijn dat gewoon. Uiteraard is het eerste contact met een overheid  altijd wel wat schrikken. Betrokken jongeren komen ook net van bij de politie, wat ook niet altijd evident is. Nogmaals, u zult onze mensen van het bureau MINTEH zelf ontmoeten en u zult merken dat zij weten waarmee zij bezig zijn en dat alles op een zeer goede manier verloopt.

 

Sowieso wordt die groep prioritair behandeld, dus volgens de Fast Track Procedure.

 

01.28  Nahima Lanjri (CD&V): Hoe kan het dan dat het soms een hele dag duurt? Ik begrijp het niet. Er zijn twaalfjarigen die daar een hele dag hebben gezeten.

 

01.29 Staatssecretaris Theo Francken: Betrokkene is om 11 uur aangekomen en is onmiddellijk behandeld.

 

01.30  Nahima Lanjri (CD&V): Ik heb het niet over deze jongen. Ik heb het over andere gevallen die mij ook gesignaleerd zijn. Er zijn twaalfjarigen die daar een hele dag hebben gezeten.

 

01.31 Staatssecretaris Theo Francken: Als er twintig jongeren binnenkomen, zal het inderdaad langer duren dan als er eentje alleen komt.

 

De voorzitter: Dit is een zeer specifieke vraag, die wij misschien ter plaatse kunnen stellen. Hiermee kunnen wij deze gedachtewisseling, die iets langer heeft geduurd dan ik had ingeschat, sluiten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de situatie van kinderen in de hotspots" (nr. 18133)

02 Question de M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "la situation des enfants dans les hotspots" (n° 18133)

 

02.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, deze vraag heb ik ingediend op 2 mei.

 

Uit artikels in de pers en ook uit academische papers blijkt dat de situatie van ongeveer 23 000 niet-begeleide minderjarige vluchtelingen in de hotspots in Italië en Griekenland erg zorgwekkend is. Ook een rapport van de Europese Rekenkamer maakt gewag van een problematische situatie voor minderjarigen in de hotspots. Er zijn rapporten over uitbuiting, seksueel misbruik, de facto detentie en dergelijke. Het zou gaan om twintigduizend kinderen in Italië en drieduizend kinderen in Griekenland.

 

Mijnheer de staatssecretaris, zal er op Europees vlak een initiatief komen om dringend een antwoord te bieden op die ontoelaatbare, schrijnende humanitaire situatie voor die kinderen zonder ouders? Wat zult u doen, hoe zult u ervoor pleiten?

 

Ten tweede, los van het Europees niveau, wat kan België zelf doen? Via een open brief heb ik u de suggestie aangereikt om op eigen initiatief actie te ondernemen en een duizendtal kinderen naar hier te halen. Dat past perfect binnen de relocatiequota waartoe u zich heeft verbonden. Bent u daartoe bereid? Waarom wel of waarom niet?

 

02.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer De Vriendt, op Europees vlak is er specifieke ondersteuning voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen via EASO en de AMIF-fondsen. De opvang van de NBMV in de hotspots is de verantwoordelijkheid van de lidstaat waar de hotspots aanwezig zijn. In het geval van de hotspots betekent dit Griekenland en Italië. Er bestaat wel een zekere solidariteit van de andere EU-lidstaten door middel van het relocatiemechanisme, waarbij speciale aandacht wordt gegeven aan de NBMV. België, bijvoorbeeld, biedt systematisch 10 % van de pledges aan voor de relocatie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in zowel Griekenland als Italië. Deze plaatsen worden echter niet altijd ingevuld, wat te wijten is aan verschillende oorzaken.

 

Finland heeft sterk ingezet op de NBMV, waardoor de reserve aan beschikbare NBMV klaar voor vertrek sterk geslonken is. Ze zitten bijna allemaal in Finland. Ook rijzen er problemen met bijvoorbeeld minderjarige gehuwde NBMV voor wie lang werd gezocht naar een juridische basis in Griekenland. Verder waren veel geregistreerde NBMV reeds zeventien jaar bij hun aankomst in de hotspots en zijn deze dus snel meerderjarig geworden. Ook zijn veel NBMV gekoppeld aan familieleden in andere Europese lidstaten en worden deze vervolgens voorgesteld aan de landen in kwestie.

 

Verder heeft de Europese Commissie onlangs een lijst met prioritaire acties gepubliceerd voor de bescherming van kinderen in migratie. Hierin wordt verwezen naar een snelle identificatie en bescherming bij aankomst, waarbij child protection officers aangesteld dienen te worden in elke hotspot. Ook moeten kinderen steeds prioritair behandeld worden binnen het migratieproces, ook binnen het relocatiemechanisme.

 

Binnen het uitgetekende relocatieprogramma is er op dit moment weinig ruimte. Enkel nationaliteiten met een erkenningsgraad hoger dan 75 % op EU-niveau komen in aanmerking voor het relocatieprogramma. In de praktijk gaat het om Syrië en Eritrea.

 

België gaat zijn verantwoordelijkheid binnen het relocatieprogramma ten opzichte van niet-begeleide minderjarigen niet uit de weg. Integendeel, in de maandelijkse relocatieaanvragen voor dossiers aan Griekenland en Italië wordt nog steeds 10 % van de plaatsen speciaal voorbehouden voor deze groep, zoals ik daarjuist al zei. Zowel de Griekse als de Italiaanse autoriteiten kunnen echter niet aan de vraag van ons land voldoen. Vanuit Griekenland werd tot op heden slechts een handvol dossiers NBMV ontvangen. Vanuit Italië werd nog geen enkel dossier ontvangen. Interne administratieve obstakels blokkeren het mechanisme. Binnen het relocatieprogramma komen nationaliteiten zoals Afghanen, Bangladeshi, Nigerianen en zo verder niet in aanmerking. De grootste groep NBMV die zich nog in Griekenland bevindt en waarvan sprake in de media kan niet in aanmerking komen voor relocatie. Zij vallen onder de verantwoordelijkheid van de Griekse en de Italiaanse diensten. Dat neemt niet weg dat wij, onder andere via de inzet van asiel- en opvangexperts, ook op directe en indirecte wijze voor ondersteuning zorgen.

 

Zoals eerder gezegd, zal ik verder in overleg treden met mijn Italiaanse en Griekse collega’s om te bekijken op welke manier wij ervoor kunnen zorgen dat het Belgische aanbod aan plaatsen voor MENA’s ook effectief kan worden ingevuld.

 

02.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Wat een ambtelijk antwoord was dat eigenlijk, zeg.

 

Er zitten daar 23 000 kinderen zonder ouders, in schrijnende omstandigheden, en u haalt allerlei redenen aan om geen extra inspanningen te doen. Ik begrijp dat niet! Wij hebben het hier over een land in de Europese Unie. Wij hebben het ook over België, waar veel opvangcapaciteit is of op korte termijn kan worden vrijgemaakt. U hebt dit laatste trouwens in het verleden al bewezen.

 

Andere landen doen inzake relocatie beter dan België. België zit maar aan 15 % van de beloofde relocaties die ook worden uitgevoerd. Wij zijn niet goed bezig, verre van.

 

Als u het dan toch wil spelen op de erkenningsgraad van 75 %. U wilt de rest laten zitten in die kampen, want ook al zijn het kinderen en ook al zitten ze in schrijnende omstandigheden, toch maken ze weinig kans op erkenning. Dat is uw redenering. Ik neem daar akte van. Ik ga echter een stukje mee in die redenering. Dan nog zitten daar 2 500 Syrische, Afghaanse of Irakese kinderen. Dit zijn kinderen waarvan de erkenningsgraad wel op 75 % of hoger ligt. Voor die 2 500 is er geen oplossing.

 

U geeft een ambtelijk antwoord. U doet alsof er een oplossing is met excuses en zo meer, maar ten aanzien van die kinderen is er geen oplossing, nog steeds niet.

 

02.04 Staatssecretaris Theo Francken: U spreekt van een ambtelijk antwoord, maar u moet wel luisteren naar wat ik zeg. Er is 10 % voorbehouden voor relocatie. Ik haal mijn relocatiedoelstelling en ik zal ze halen. Tien procent is voorbehouden aan NBMV, maar ze wordt al maanden niet ingevuld. Ik heb nog geen enkel dossier gekregen van de Italianen, geen enkel voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. U springt en danst met steeds weer allerhande cijfers, maar kom eens met bewijzen! Als ik ze niet krijg van de Italianen, wat moet ik dan doen? Moet ik ze misschien zelf gaan halen met een vliegtuig of met bussen? Is dat het voorstel van Groen misschien? Zo werkt dat bilateraal niet, mijnheer De Vriendt. Ik weet dat u geen ervaring heeft; zo werkt het niet.

 

We spreken af met de Griekse en Italiaanse collega’s, waarmee ik een bijzonder goed contact heb. We bieden voor relocatie plaats aan 10 % niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. U zegt dat die met 2 300 zijn en verwijt ons niks te doen. Maar ze bieden ze niet aan. Wat is uw oplossing? U moet wel luisteren.

 

02.05  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Waarom slagen andere landen er dan wel in om meer te reloceren dan België? Dat is de vraag en die is helemaal niet beantwoord. Andere landen slagen er beter in dan België om de relocatie te doen. België blijft hangen op 15 %, dus uw excuus dat het ligt aan de Griekse en Italiaanse autoriteiten, klopt hier niet. Andere landen hangen ook af van die autoriteiten en slagen erin om betere scores voor te leggen inzake relocatie.

 

Overigens, ga daar inderdaad heen en vang die kinderen op!

 

De voorzitter: Mijnheer De Vriendt, het is nu geen gedachtewisseling of actualiteitsdebat. Volgens het Kamerreglement moet dat bondig zijn.

 

02.06 Staatssecretaris Theo Francken: Ik herhaal: ”Deze plaatsen worden echter niet altijd ingevuld, te wijten aan verschillende oorzaken.” Hebt u geluisterd, mijnheer De Vriendt?

 

02.07  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik had het woord. Ga daar naartoe, samen met de VN-vluchtelingenorganisatie, en bied inderdaad bescherming aan een fair aantal van die kinderen. Dat is toch allemaal niet zo moeilijk? Doe dat gewoon.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de mogelijke opgeschorte samenwerking tussen Fedasil en Caritas" (nr. 18138)

03 Question de M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'éventuelle suspension de la collaboration entre Fedasil et Caritas" (n° 18138)

 

03.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Wij hebben vernomen dat in Mechelen een appartementsblok van Caritas plots is ontruimd, waardoor diverse asielzoekers plots moesten verhuizen naar opvanginfrastructuur van Fedasil. Het gaat in een aantal gevallen om gezinnen die al jaren in Mechelen wonen, van wie de kinderen daar schoollopen en die nu naar het Antwerpse moeten verhuizen.

 

Ten eerste, waarom wordt de opvang van Caritas in Mechelen plots ontruimd?

 

Ten tweede, is de samenwerking tussen Caritas en Fedasil plots gestopt? Zo ja, wat is hiervoor de reden? Geldt dat enkel voor Mechelen of voor heel het land?

 

Ten derde, is er rekening gehouden met de situatie van de kinderen van de betrokken gezinnen? Het plots moeten verhuizen heeft natuurlijk een impact op hun schoolloopbaan, alsook op hun sociale omgeving.

 

03.02 Staatssecretaris Theo Francken: De opvangconventie met Vluchtelingenwerk Vlaanderen loopt ten einde op 30 juni. In dat kader wordt een aantal opvangplaatsen die onder de conventie vallen, gesloten, onder meer opvangplaatsen beheerd door Caritas, zoals in Mechelen. De rechtstreekse samenwerking tussen Fedasil en Caritas die andere opvangstructuren betreft, wordt niet stopgezet.

 

Schoolgaande kinderen werden in het kader van de afbouw of sluiting steeds prioritair tijdens de paasvakantie getransfereerd. Rekening houdend met beschikbare plaatsen in het opvangnetwerk zal men steeds trachten om de continuïteit van het onderwijs en de schoolloopbaan te garanderen.

 

03.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, onze fundamentele kritiek daarop kent u. Er zijn weinig redenen om opvangstructuren te sluiten, als die niet leeg zijn. Een gedwongen verhuis van gezinnen, zeker ook met kinderen, heeft immers steeds een impact. Probeer dat dus te vermijden. Er zijn acties gevoerd door de middenveldorganisaties. Er zijn schrijnende gevallen bekend. U zou daarop dus beter een antwoord bieden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Interpellation de M. Emir Kir au Secrétaire d'Etat à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "les droits fondamentaux des passagers clandestins des navires" (n° 210)

04 Interpellatie van de heer Emir Kir tot de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de fundamentele rechten van personen die clandestien zijn meegereisd op schepen" (nr. 210)

 

04.01  Emir Kir (PS): Monsieur le secrétaire d'État, le mardi 11 avril denier, la presse a relayé le nouveau rapport du centre fédéral Migration, très critique envers la manière dont la Belgique traite les passagers clandestins découverts par les capitaines de navires amarrés dans les ports d'Anvers, de Gand, Zeebrugge, Blankenberge et d'Ostende-Nieuport. Selon l'institution publique indépendante, les droits de ces personnes seraient bafoués alors que le pays ne dispose pas d'un texte législatif qui encadre spécifiquement ce sujet. L'agence fédérale rappelle à l'État que les passagers présents sur les eaux territoriales sont entrés sur le territoire d'un État membre et sont dès lors soumis à l'acquis européen en matière d'asile. La Belgique doit s'assurer que des informations sur la possibilité de demander l'asile soient données aux passagers clandestins et qu'un service d'interprétation nécessaire à leurs démarches leur soit fourni.

 

Je voudrais vous poser les questions suivantes, monsieur Francken. Le secrétaire d'État a-t-il pu tirer des conclusions de ce rapport? Dans quelle mesure un suivi est-il prévu? Les recommandations y figurant seront-elles à l'origine d'actions concrètes, de projets ou d'initiatives? Êtes-vous favorable à l'instauration d'un cadre légal réglementant ce sujet et, si oui, pouvez-vous en préciser le contenu et le calendrier qu'il impliquerait? Quel est le nombre de passagers clandestins découverts dans les ports belges depuis 2014 jusqu'à aujourd'hui? Quel est le nombre de ceux qui ont demandé l'asile? Combien d'entre eux ont-ils obtenu le statut de réfugié politique? Quelle est la procédure suivie lors de la découverte d'un passager clandestin? Quelles sont les consignes applicables à tous les ports belges qui ont été reçues par les services de police? Les passagers clandestins font-ils l'objet d'un accueil et d'un accompagnement juridique et administratif adéquat? Si oui lesquels, et si non, pourquoi?

 

Je déposerai une motion de recommandation à l'issue de cette interpellation.

 

04.02  Theo Francken, secrétaire d'État: Dans son rapport, Myria demande que ces recommandations soient examinées. Les administrations concernées vont s’y atteler. Une législation en la matière existe déjà. Les articles 45, 45bis et 46 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime, publiée au Moniteur belge, le 26 juillet 1928, sont d’application.

 

En outre, le Code frontières Schengen prévoit, au point 3.e.1.4 de son annexe 6, que les passagers clandestins restent toutefois sous la responsabilité du capitaine. Le débarquement du passager clandestin est possible moyennant l’autorisation de la police fédérale à certaines conditions, notamment pour raison médicale ou humanitaire ou dans le cadre d’une demande d’asile.  

 

L’article 5 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire précise que le capitaine a sur toute personne se trouvant à bord de son navire l’autorité nécessaire pour le maintien de l’ordre pour la sécurité du navire, des personnes et du chargement ainsi que pour le bon déroulement du voyage. Par conséquent, l’interdiction de débarquement est une conséquence légale des dispositions internationales. Si nécessaire, le capitaine peut faire appel aux autorités locales. L’autorité de la police fédérale chargée de la police maritime peut obliger le capitaine à rembarquer le passager clandestin quand il est constaté que ce dernier vit dans des conditions inhumaines.

 

Le fait que l’intéressé relève de la responsabilité du capitaine ne signifie pas de facto qu’il s’agit d’une privation de liberté. Le capitaine est donc tenu de signaler la présence d’un ou de plusieurs passagers clandestins à bord de son navire. Une liste de passagers clandestins signée par le capitaine et pourvue du cachet du navire est remise au lieu du mouillage. La police de la navigation constitue un dossier complet pour chaque passager clandestin avec notamment un signalement de la personne ainsi que ses empreintes digitales.

 

Si un passager clandestin introduit une demande d’asile, l’Office en est avisé immédiatement au moyen d’un rapport administratif informé. Le cas échéant, une annexe 25 est notifiée et l’intéressé est transféré en un lieu spécifique à la frontière conformément à la loi relative aux étrangers. Durant le traitement de la demande d’asile, le navire n’est pas bloqué mais la société d’armateur doit payer une caution de 25 000 euros afin que l’éloignement soit effectué aux frais de cette dernière si la demande d’asile se solde par un refus définitif.

 

On veille donc bien à l’accompagnement et à l’accueil. Avant qu’on ne parle avec les clandestins, on s’assure en outre qu’ils sont retenus d’une façon humaine par la police maritime.

 

Voici les chiffres relatifs aux passagers clandestins: en 2015, 20, en 2016, 12, en 2017, 0. Au cours de ces années, aucun passager clandestin n’a introduit une demande d’asile. Les passagers clandestins qui le souhaitent peuvent solliciter une assistance juridique.

 

04.03  Emir Kir (PS): L’incident est clos, monsieur le président. Je remercie le secrétaire d’État pour ses réponses et je dépose une motion.

 

Moties

Motions

 

Le président: En conclusion de cette discussion les motions suivantes ont été déposées.

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

 

Une motion de recommandation a été déposée par M. Emir Kir et est libellée comme suit:

“La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Emir Kir

et la réponse du secrétaire d’État à l’Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l’Intérieur,

recommande au gouvernement

- de jouer un rôle actif au niveau international pour mettre en place un nouveau système qui soit à la fois plus praticable pour les opérateurs maritimes et qui offre de plus importantes garanties pour le passager clandestin;

- que dans l'hypothèse où les autorités perdureraient à permettre la détention des passagers clandestins dans des navires situés dans les ports belges, celle-ci soit encadrée par un texte législatif prévoyant des garanties adéquates notamment concernant la privation de liberté, les conditions de détention et les droits des passagers clandestins détenus, les mécanismes de recours, de plaintes et de contrôle de la détention, un monitoring sur la manière dont le refoulement se déroule et sur le traitement du passager clandestin à l'arrivée par les autorités du pays de destination;

- d'intégrer dans la loi, l'obligation de remettre de manière systématique une décision au passager clandestin concernant l'accès au territoire (refoulement) et une éventuelle privation de liberté, ainsi qu'une information au sujet de ses droits dans une langue comprise;

- que le passager clandestin se voit informé de la possibilité d'introduire une demande de protection internationale ainsi que la possibilité de bénéficier de la protection en tant que victime de traite ou de trafic aggravé d'êtres humains;

- que la police fasse appel aux collaborateurs des centres spécialisés dans la traite lorsque des indices d'exploitation sont présents et que ceux-ci puissent avoir accès aux navires pour assister les victimes potentielles afin de mieux détecter et de sanctionner les responsables de traite des êtres humains.”

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Emir Kir en luidt als volgt:

“De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Emir Kir

en het antwoord van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,

adviseert de regering

- op internationaal niveau een actieve rol te spelen om een nieuw systeem te ontwikkelen dat werkbaarder is voor de scheepsexploitanten én betere waarborgen biedt aan de verstekeling;

- voor zover de overheden zouden blijven toelaten dat verstekelingen worden vastgehouden op schepen die zich in de Belgische havens bevinden, een wetgevende tekst uit te werken met betrekking tot die detentie waarin er voorzien wordt in gepaste garanties, meer bepaald inzake de vrijheidsbeneming, de detentievoorwaarden en de rechten van de aangehouden verstekelingen, de mechanismen voor het instellen van een beroep, voor het indienen van een  klacht en voor de controle op de detentie, de monitoring van het verloop van de terugdrijving en van de behandeling van de verstekeling door de autoriteiten bij aankomst in het land van bestemming;

- in de wet de verplichting op te nemen dat de verstekeling op systematische wijze een beslissing moet worden betekend over de toegang tot het grondgebied (terugdrijving), een eventuele vrijheidsbeneming, en informatie over zijn rechten in een taal die hij begrijpt;

- dat de verstekeling zou worden geïnformeerd over de mogelijkheid om een aanvraag tot internationale bescherming in te dienen en over de mogelijkheid om bescherming te genieten als slachtoffer van mensenhandel of zwaardere vormen van mensensmokkel;

- dat de politie een beroep zou doen op medewerkers van de gespecialiseerde centra voor slachtoffers van mensenhandel indien er aanwijzingen van uitbuiting zijn, en dat zij toegang krijgen tot de schepen om de mogelijke slachtoffers te kunnen bijstaan om zo de verantwoordelijken van de mensenhandel beter te kunnen opsporen en bestraffen.”

 

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Sarah Smeyers.

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Sarah Smeyers.

 

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

 

05 Question de M. Emir Kir au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "le traitement des ex-MENA devenus majeurs et l'attitude générale du personnel du service des étrangers à l'égard des usagers" (n° 18148)

05 Vraag van de heer Emir Kir aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de behandeling van NBMV's die meerderjarig zijn geworden en de houding van het personeel van de Dienst Vreemdelingenzaken ten aanzien van asielzoekers in het algemeen" (nr. 18148)

 

05.01  Emir Kir (PS): Monsieur le secrétaire d'État, jusqu'à leurs 18 ans, on le sait, les MENA placés sous la tutelle de citoyens belges ne peuvent faire l'objet d'une expulsion. Sitôt leur majorité atteinte, la situation change du tout au tout, laissant les familles d'accueil souvent aussi désespérées que la pupille qui leur a été confiée.

 

Il me revient plusieurs échos de jeunes gens présents sur le territoire depuis de nombreuses années recevant un ordre de quitter le territoire dans les jours qui suivent leur 18e anniversaire. À cette situation humainement difficile, il faut encore ajouter des conditions d'accueil au service des Étrangers qui me semblent relever d'un traitement dégradant.

 

Je relève notamment les éléments suivants: les convocations sont envoyées pour un jour et une heure précis, sans que ce rendez-vous ne soit nécessairement honoré par le service (convocation à 08 h 00, puis attente de parfois trois heures avant de recevoir une nouvelle convocation à une autre date, sans un mot d'explication, ni d'excuse). Les personnes convoquées font l'objet d'une fouille avant d'être admises dans une salle d'attente dont l'hygiène serait discutable. Les agents de sécurité, d'après divers témoignages, semblent se croire dispensés de la politesse la plus élémentaire à l'égard des demandeurs convoqués, ne communiquant avec eux que par des hochements de tête, sans même parler d'un simple "bonjour", quand il ne s'agit pas de réflexions graveleuses échangées entre agents du genre "beaucoup de femmes, aujourd'hui, sans doute une promotion: une achetée 3 gratuites", etc. C'est ce qui m'a été rapporté. C'est évidemment une attitude qui fait honte à notre conception du service public dont ces personnes sont des usagers comme les autres.

 

Monsieur le secrétaire d'État, faute de mener, selon nous, une politique favorisant un accueil digne des étrangers sur notre territoire, il me semble que faire preuve de l'humanité la plus élémentaire ne devrait pas être insurmontable pour un pays comme le nôtre. Avez-vous également eu connaissance de témoignages de cet ordre en ce qui concerne l'accueil des étrangers dans le service qui les concerne? Quelles sont les instructions données aux agents en ce qui concerne l'attitude à adopter à l'égard des demandeurs qui se présentent? Quelles sont les pratiques en matière de convocation qui amènent des personnes à devoir se représenter plusieurs fois avant d'obtenir effectivement l'entretien pour lequel elles sont convoquées? Quelles sont les mesures de contrôle prises à l'égard des agents en contact avec le public dans ce cadre? Des tests "à l'aveugle" sont-ils menés? Quelles sont les possibilités de porter plainte pour les personnes ayant à subir ces comportements? Enfin, en ce qui concerne plus particulièrement les MENA devenus majeurs, quels sont les délais de traitement des dossiers de demande de régularisation? Quel est le délai moyen entre leur majorité et les invitations à quitter le territoire?

 

05.02  Theo Francken, secrétaire d'État: Je n'ai pas reçu de plainte à ce propos. Selon moi, le bourgmestre est la personne la mieux placée pour recevoir la plainte des étrangers qui estiment n'avoir pas été traités comme il se doit. En effet, il ne me revient pas de leur donner des instructions, ni d'analyser ces plaintes.

 

Pour l'Office des Étrangers, il est techniquement impossible de calculer les délais demandés.

 

05.03  Emir Kir (PS): Je m'étonne un peu, monsieur le secrétaire d'État. N'avez-vous eu aucune plainte contre l'Office des Étrangers par rapport à ce type de situation? Bon!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Wij zullen mevrouw Lambrecht contacteren om te weten of zij nog komt voor haar vraag nr. 18234.

 

06 Vraag van mevrouw Monica De Coninck aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "een vacature bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen" (nr. 18364)

06 Question de Mme Monica De Coninck au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "un poste vacant au Conseil du Contentieux des Étrangers" (n° 18364)

 

06.01  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de staatssecretaris, op de website van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen staat dat op 1 juni 2017 de betrekking van Nederlandstalige voorzitter van de RvV te begeven is bij adjunct-mandaat. De titularis van het adjunct-mandaat van voorzitter wordt overeenkomstig de verblijfswet door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar. Het mandaat is eenmaal hernieuwbaar. De voorzitter wordt aangewezen uit de leden van de Raad die ten minste vijf jaar benoemd zijn als rechter in vreemdelingenzaken of vanuit de Raad van State.

 

Wat ons opviel is dat de kandidaatstelling diende te gebeuren per aangetekend schrijven gericht aan de heer T. Francken, staatssecretaris, Lambermontstraat, ten laatste op 21 april 2017. Bij hun kandidaatstellingen moesten de kandidaten een motiveringsbrief voegen, net als hun visie over het beheer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en hun curriculum vitae.

 

Voor zover wij het begrijpen is de procedure niet geregeld door de wet. Er lijkt dus een lacune te zijn. Voor de aanwijzing van de eerste voorzitter, bijvoorbeeld, waarvoor er ook een vacature was, is de procedure wel duidelijk bij wet bepaald. Hier is het de algemene vergadering van de RvV die een voordracht doet, waarna normaal gezien bij KB de aanstelling gebeurt.

 

Hoe wordt bepaald wat de vereiste motivering is voor deze aanwijzing? Wat beschouwt u als een geschikt cv?

 

Sluit de vereiste visie over het beheer van de RvV noodzakelijk aan bij uw visie? Wat wordt hier beschouwd als een geschikte visie over het beheer van de RvV?

 

Hoe zult u ervoor zorgen dat de aanwijzing op een zo objectief mogelijke manier gebeurt? Wat is de verdere procedure?

 

06.02 Staatssecretaris Theo Francken: De wet van 15 december 1980 voorziet actueel niet in een procedure voor de benoeming van de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In tegenstelling tot hetgeen u beweert, gaat het hier evenwel niet om een lacune in de wet. Toen deze wet opgesteld werd door de regering-Verhofstadt II werd er namelijk bewust voor gekozen om wel een gedetailleerde procedure voor de verkiezing van de eerste voorzitter door de algemene vergadering in die wet in te schrijven, maar die procedure niet voor te schrijven voor de benoeming van een voorzitter.

 

Tijdens het interview met de verschillende kandidaten voor de functie van voorzitter heb ik mij laten bijstaan door een adviescomité bestaande uit experten. Die hebben mij hun advies bezorgd. Ik zal mijn beslissing nemen op basis van dat advies. Het ging om de volgende experten: mevrouw Isabelle Mazzara, voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken, de heer Marc Bossuyt, emeritus van het Grondwettelijk Hof, emeritus-professor van de UA en voormalig commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Ik heb mij ook laten bijstaan door de eerste voorzitter, die de RvV heeft voorgedragen, de heer Bodart.

 

Ter herinnering, de eerste voorzitter zelf werd verkozen door de algemene vergadering van de RvV, op basis van zijn beleidsplan. Ingevolge artikel 39/6 van de wet van 15 december 1980 is de eerste voorzitter belast met de uitwerking van dat beleidsplan en verdeelt hij, in nauwe samenwerking met de voorzitter, de taken en activiteiten tussen hemzelf en de voorzitter, volgens hetgeen in dat plan is bepaald.

 

Gezien de noodzakelijke samenspraak lijkt het mij wenselijk om de eerste voorzitter daarbij te betrekken. Ik zal trouwens eerstdaags mijn beslissing nemen.

 

06.03  Monica De Coninck (sp.a): Excuseer, mijnheer de voorzitter, maar ik begrijp dat snellezen niet. Ik zal wachten op het verslag om te weten wat er op de vraag geantwoord is. Ik kan moeilijk reageren als ik het antwoord niet begrepen heb.

 

06.04 Staatssecretaris Theo Francken: Leg het dan stil wanneer ik bezig ben. Ik zal de volgende keer proberen beter te articuleren.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Voorzitter: Monica De Coninck.

Présidente: Monica De Coninck.

 

07 Interpellations jointes de

- M. Emir Kir au Secrétaire d'Etat à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "la création de nouvelles places en centres fermés" (n° 216)

- Mme Isabelle Poncelet au Secrétaire d'Etat à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur sur "le Masterplan centres fermés" (n° 220)

07 Samengevoegde interpellaties van

- de heer Emir Kir tot de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "de uitbreiding van het aantal plaatsen in gesloten centra" (nr. 216)

- mevrouw Isabelle Poncelet tot de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken over "het Masterplan Gesloten Centra" (nr. 220)

 

07.01  Emir Kir (PS): Monsieur le secrétaire d'État, à l'issue du Conseil des ministres extraordinaire du 14 mai dernier, vous avez annoncé vouloir porter à 1 066 le nombre de places en centres fermés. Pour ce faire, outre l'extension du 127bis, vous proposez la création de deux centres, à Anvers et à Jumet.

 

Si mon groupe considère que les procédures de retour font partie d'une politique d'asile et d'immigration équitable et humaine, il ne pense pas, en revanche, que ce volet constitue une fin en soi ni même l'objectif principal d'une telle politique. L'extension du nombre de places en centres fermés représente un coût élevé, mais il constitue également un signal particulier envoyé aux migrants, aux associations et, plus généralement, à tous ceux qui se soucient du sort des étrangers présents sur le territoire.

 

De plus, votre annonce soulève de nombreuses questions. Quels seront les montants affectés à l'extension du 127bis et à la construction des deux centres ainsi qu'à leurs frais de gestion? L'installation de ces nouveaux centres sous-entend-elle que, dans le cadre de votre politique de retour, vous envisagez de recourir aux aéroports situés à proximité? Cela entraînerait-il des mesures de sécurité particulières?

 

Jusqu'à présent, les lieux de privation de liberté sont principalement situés dans le voisinage de l'aéroport de Bruxelles-National. Que faut-il comprendre de l'annonce de ces implantations en Flandre et en Wallonie?

 

07.02  Theo Francken, secrétaire d'État: Monsieur Kir, le coût de l'extension du nombre de places en centres fermés et de l'ouverture de centres est inférieur au coût social qu'entraîne l'illégalité. De surcroît, ces centres supplémentaires vont créer beaucoup d'emplois directs et indirects.

 

Comme je l'ai déjà indiqué, j'aimerais que l'ordre de quitter le territoire ne soit plus un simple bout de papier, mais un ordre auquel la personne en séjour illégal donne suite spontanément ou volontairement. À défaut, un retour forcé sera organisé.

 

Ces places supplémentaires ainsi que les nouveaux centres offrent à mes services la possibilité d'exécuter ces mesures. 

 

Dans le masterplan "centres fermés", des estimations approximatives sont fournies aussi bien quant au coût de la construction qu'à celui de l'exploitation.

 

Actuellement, la Régie des Bâtiments procède à un examen approfondi des dossiers. Les coûts, aussi bien de construction que de personnel, seront financés grâce aux crédits existants. J'ai donné instruction de maintenir les coûts de construction des centres au plus bas niveau possible, en faisant preuve d'inventivité, par exemple en optant pour la reprise de la prison de Tilburg, que les autorités néerlandaises ont gratuitement mise à la disposition de la Belgique.

 

Par ailleurs, je veux insister sur le fait que l'aménagement d'une capacité supplémentaire dans les centres fermés fait partie de l'accord de gouvernement.

 

J'aborde à présent l'utilisation des aéroports situés à proximité. En collaboration avec la police fédérale, nous sommes en train d'examiner la possibilité d'exploiter plus activement l'aéroport de Charleroi dans le cadre des opérations de retour. Le projet se trouve encore à un stade embryonnaire et je ne peux donc pas vous dire quels seront les frais de fonctionnement supplémentaires et les coûts d'infrastructure y afférents. Une collaboration appropriée a été prévue avec la police fédérale pour assurer un déroulement optimal des opérations de retour.

 

En ce qui concerne les lieux de privation de liberté, je tiens à signaler qu'il y aura aussi des centres à Bruges, Merksplas et Vottem. Ces centres ne sont pas situés à proximité d'un aéroport qui pourrait servir aux opérations de retour. Il n'est pas inhabituel d'implanter des centres dans des endroits qui ne sont pas situés près d'un aéroport. De plus, le centre de Jumet est situé à côté du deuxième aéroport de Belgique. Le choix de Zandvliet tient à la spécificité du déménagement de la prison de Tilburg vers la Belgique et une demande d'Anvers existe depuis 2008.

 

J'en viens aux contacts avec les autorités locales. Il y a eu des contacts avec celles-ci dans le cadre du masterplan "centres fermés", même après la proposition en Conseil des ministres du 14 mai. Je mets tout en oeuvre pour informer correctement les villes et communes concernées, et cela fonctionne très bien.

 

Nous travaillons sérieusement à l'obtention des permis d'urbanisme nécessaires de façon à réaliser le masterplan. Tous les dossiers requis sont en préparation. Je veux signaler ici que la demande initiale était d'obtenir un accord de principe de la part du gouvernement et seulement ensuite d'impliquer les services dans la mise en oeuvre.

 

Quant à l'agenda, la capacité complémentaire sera réalisée dans les trois à quatre années à venir.

 

En ce qui concerne le plan d'action, les régimes dans les centres fermés devront encore être déterminés. L'intention est de créer un nouveau régime individuel pour les cas difficiles à Zandvliet. En principe, le régime des autres nouveaux centres sera collectif. Les moyens nécessaires seront libérés pour organiser le fonctionnement des centres de manière optimale.


Vous parlez d'amalgame. Je ne vois pas pourquoi cela créerait un amalgame. Les réfugiés ne sont pas enfermés dans les centres fermés. Les personnes en séjour illégal qui n'ont pas donné suite aux ordres de quitter le territoire le seront. Le retour des criminels et des terroristes reste une priorité de ce gouvernement.

 

07.03  Emir Kir (PS): Monsieur Francken, avez-vous cité les montants pour l'extension du 127bis et pour la création des deux centres, ou cela m'a-t-il échappé?

 

07.04  Theo Francken, secrétaire d'État: Excusez-moi, je ne l'ai pas fait. Le budget de la Régie des Bâtiments est de 4 millions d'euros pour l'élargissement du centre 127bis à Steenokkerzeel; 400 000 euros pour Holsbeek; 11 millions d'euros pour Zandvliet près d'Anvers; 22,5 millions d'euros pour Charleroi.

 

De voorzitter: Interpellatie nr. 220 van mevrouw Isabelle Poncelet is ingetrokken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het verblijfsstatuut van een in België uit buitenlandse ouders geboren kind" (nr. 18563)

08 Question de Mme Nahima Lanjri au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "le statut de séjour d'un enfant né en Belgique de parents étrangers" (n° 18563)

 

08.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, er is onlangs in mei ophef opstaan over het document met nieuwe richtlijnen die DVZ aan de gemeentebesturen heeft gestuurd. In de richtlijnen wordt aangegeven op welke manier moet worden omgegaan met het verblijfsrecht van kinderen geboren uit buitenlandse ouders met een verschillend verblijfsstatuut. Het gaat wel om situaties waarbij beide ouders een verblijfsstatuut hebben, bijvoorbeeld de ene een verblijfsstatuut voor onbepaalde duur en de andere een verblijfsstatuut voor beperkte duur. Er bestaat ook de situatie waarbij de ene ouder wel een verblijfsvergunning heeft, terwijl de andere ouder geen verblijfsvergunning heeft en dus illegaal op het grondgebied verblijft.

 

Uit die richtlijnen aan de gemeenten blijkt dat DVZ ter zake een en ander wil veranderen. Vroeger was de procedure dat het kind altijd de positie volgde van de ouder met het meest voordelige verblijfsstatuut. Voortaan zou echter altijd een procedure voor gezinshereniging moeten worden opgestart, wat een onzekere situatie voor het kind creëert. Die onzekere situatie heeft ook kinderrechtencommissaris Bernard De Vos aangeklaagd.

 

Een kind draagt de gevolgen van die onzekerheid. Zelfs al zit het kind slechts tijdelijk zonder verblijfsvergunning, dan nog heeft het bijvoorbeeld geen toegang tot gezondheidszorg. Wanneer er medische complicaties opduiken, kan dat voor grote problemen zorgen.

 

Bovendien is mij niet helemaal duidelijk waarom die verandering er is gekomen. Indien immers puur een andere procedure moet worden gevolgd om het kind uiteindelijk effectief de verblijfsvergunning te geven, zij het via de procedure voor gezinshereniging, dan lijkt mij dat gewoon een extra last en extra werk te zijn voor zowel de ouders als voor de bevoegde diensten.

 

Ten eerste, klopt het dat een nieuwe richtlijn aan de gemeentebesturen werd bezorgd?

 

Intussen heb ik de richtlijn, waarnaar ik in de schriftelijke versie van mijn vraag nog heb gevraagd, te pakken gekregen.

 

Ten tweede, wat is de motivatie of de beweegreden om verandering te brengen in de procedure? Waarom legt DVZ de verplichting op om voor kinderen die in ons land geboren worden uit buitenlandse ouders waarvan er één geen wettige verblijfsvergunning heeft, voortaan een procedure voor gezinshereniging te voeren? Zal dat niet leiden tot onnodig werk, want op die manier moet zelfs een vrouw die hier legaal verblijft, na de bevalling bij de aangifte een procedure voor gezinshereniging opstarten. Ik vind dat heel eigenaardig. Als die vrouw hier een legale verblijfsstatus heeft, maar haar partner niet, is het toch logisch dat het kind wordt erkend, aangezien zij de moeder is. Bij een man kan men nog twijfelen over een eventuele schijnerkenning. Wij hebben hierover gisteren gediscussieerd. Ik sta er volledig achter dat wij schijnerkenningen aanpakken. Maar dat een vrouw met een legale verblijfsvergunning haar kind niet gewoon kan laten inschrijven en zij een nieuwe procedure voor gezinshereniging moet volgen, lijkt mij heel bizar.

 

Hoe schat u, ten slotte, die nadelige gevolgen in voor het kind? Na het starten van de erkenningsprocedure volgt een periode van enkele weken of maanden waarin het kind onwettig in ons land verblijft. Kan dat niet beter worden vermeden, aangezien het kind na de procedure voor gezinshereniging hoogstwaarschijnlijk toch in ons land zal kunnen blijven, zeker als het gaat over een moeder met een legaal verblijfsstatuut?

 

Ik kreeg graag wat verduidelijking. Ik heb de omzendbrief gelezen. Als beide ouders wel een verblijfsvergunning hebben, wordt er blijkbaar ambtshalve ingeschreven. Kunt u bevestigen dat in dergelijke gevallen geen procedure voor gezinshereniging moet worden gevolgd? Er moet wel een procedure voor gezinshereniging worden gestart, als een van de ouders legaal in het land verblijft en de andere illegaal. Hoe doet men dat dan als de moeder legaal in het land verblijft? Ik vind het absurd dat, wanneer een moeder hier legaal verblijft, zij voor haar kind een procedure voor gezinshereniging moet starten.

 

08.02 Staatssecretaris Theo Francken: Het klopt dat de Dienst Vreemdelingenzaken een infofiche heeft gepubliceerd op de webpagina voor gemeenten. De fiche van 4 mei is niet normatief. Ze heeft tot doel ervoor te zorgen dat het verblijfsstatuut van een in België geboren kind in het belang van het kind op een coherente wijze wordt bepaald. Met het oog op transparantie zal de informatiefiche na enkele wijzigingen die de tekst moeten verduidelijken, op de site van DVZ gepubliceerd worden.

 

Ik kan de fiche echter als volgt samenvatten.

 

Ten eerste, wanneer de ouders op het moment van de geboorte van het kind wettelijk in België verblijven en hun verblijfsstatuut identiek is, wordt dat statuut toegekend aan het kind. De gemeente schrijft het kind zonder enige formaliteit in het vreemdelingenregister of het geboorteregister in.

 

Ten tweede, wanneer de ouders op het moment van de geboorte van het kind wettelijk in België verblijven maar hun verblijfsstatuut niet identiek is, wordt het meest gunstige statuut zonder andere formaliteiten toegekend aan het kind waarvan de ouders samenleven. Indien de ouders niet samenleven, wordt het statuut van de ouder bij wie het kind verblijft, toegekend aan het kind. De gemeente schrijft het kind zonder andere formaliteiten in het vreemdelingenregister of het bevolkingsregister in. Die procedure is soepeler dan wat de vreemdelingenwet voorschrijft. Er zou immers steeds een formele aanvraag moeten worden ingediend. Dat doen we nu dus niet; de toekenning van het statuut kan bijna automatisch zonder andere formaliteiten.

 

U zegt dat zulke gevallen niet in de cijfers over de gezinsherenigingen mogen worden opgenomen, omdat het geen echte gezinsherenigingen zijn. Die worden dus wel bij de gezinsherenigingen geteld, omdat dat Europeesrechtelijk het sterkste verblijfsstatuut is voor het kind. Voor mijn cijfers over gezinshereniging zou ik dus eigenlijk twee tabellen moeten maken, die met en zonder, want dat scheelt 13 000 tot 20 000 dossiers, echt heel veel. Maar goed, we hebben het daarover vorige keer ook al even gehad. U hebt zeker een punt: het is in het belang van het kind om het sterkste statuut toe te kennen.

 

Ten derde, in alle andere gevallen kan de gemeente de persoonlijke gegevens van het kind in het Rijksregister verzamelen. Die verzameling van gegevens maakt het mogelijk om het kind te identificeren en toegang te verlenen tot de gezondheidszorg.

 

Dit betekent echter niet dat het kind over een verblijfsrecht beschikt. De ouder die het ouderlijk gezag uitoefent, moet dus een formele stap ondernemen in naam van het kind en een verblijfsrecht of een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in België aanvragen in functie van de omstandigheden waarin de betrokkenen zich bevinden.

 

DVZ heeft het initiatief genomen om deze fiche op te stellen omdat het statuut van een in België geboren kind door geen enkele specifieke bepaling wordt geregeld. De ouders van dit kind zouden de procedure van de wet van 15 december 1980 die op hun eigen situatie van toepassing is dus in ieder geval moeten volgen.

 

In de loop der tijd hebben de gemeenten waaraan gevraagd werd om een in België geboren kind in te schrijven verschillende praktijken ontwikkeld. Deze uiteenlopende behandelingen leiden tot rechtsonzekerheid en discriminatie evenals vergissingen en misbruik waarvan het kind zelf het slachtoffer kan zijn.

 

Ik denk met name aan het feit dat een ouder die op zoek is naar een verblijfsdocument gebruikmaakt van jonge kinderen, de zogenaamde documentenbaby’s, maar ook aan jonge volwassenen die met administratieve problemen geconfronteerd worden omdat geen enkele bestuursoverheid ooit een uitspraak heeft gedaan over hun verblijfsstatuut. Het Rijksregister vermeldt de reden van hun verblijf in België dus niet. De verschillende behandelingen in de gemeenten hebben geleid tot het ontstaan van valse overtuigingen. Het feit dat de persoonlijke gegevens van een in België geboren kind in het Rijksregister verzameld worden, betekent niet dat het kind het recht heeft om in België te verblijven.

 

Deze verwarring tussen het verzamelen van gegevens en het verblijfsrecht heeft een belangrijk gevolg. Het is mogelijk dat een ouder denkt dat zijn kind over een verblijfsrecht beschikt omdat zijn persoonlijke gegevens verzameld werden in het Rijksregister en geen stappen onderneemt om zich daarvan te verzekeren. De meeste gemeenten vullen de rubriek 202 van het Rijksregister aangaande de reden van verblijf echter niet of niet meer in, wanneer ze de persoonlijke gegevens van een kind verzamelen. Deze rubriek wordt ingevuld wanneer de verblijfsaanvraag die in naam van het kind werd ingediend, aanvaard wordt. Zonder aanvraag is een aanvaarding echter niet mogelijk. Bijgevolg wordt er in rubriek 202 dus geen reden van verblijf geregistreerd.

 

Het statuut van het kind in België is bijgevolg precair, wat natuurlijk niet de bedoeling is.

 

Na de persoonlijke gegevens van het kind in het Rijksregister te hebben ingevoerd, zal de gemeente de ouder die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent voortaan op de hoogte brengen van het feit dat de verblijfsaanvraag moet worden ingediend volgens een door hem gekozen procedure.

 

Ongeacht de gekozen procedure volstaat een eenvoudige, gemotiveerde brief die is gericht aan de burgemeester van de gemeente van verblijf. DVZ zal ervan uitgaan dat de geboorte van het kind in België een uitzonderlijke omstandigheid is die de indiening van zijn aanvraag in België rechtvaardigt.

 

DVZ zal de aanvraag zo snel mogelijk onderzoeken omdat het in het belang van het kind is dat zijn verblijfsstatuut zo snel mogelijk wordt bepaald. Indien overwogen wordt om een verwijderingsmaatregel te nemen ten opzichte van de illegaal verblijvende ouder, zal DVZ overeenkomstig artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 steeds rekening houden met het hoger belang van het kind en zijn recht op een familieleven vooraleer hij een beslissing neemt.

 

Momenteel hebben heel wat kinderen een precair verblijfsstatuut, maar dat is niet geweten omdat het verzamelen van gegevens in het Rijksregister en het verblijfsrecht doorgaans met elkaar worden verward. DVZ ziet niet af van het verzamelen van gegevens omdat dit het mogelijk maakt het kind te identificeren en toegang te verlenen tot de gezondheidszorg.

 

In het belang van het in België geboren kind wil ik het precieze verblijfsstatuut van het kind in België voortaan op een coherente wijze bepalen, zodra een van de ouders niet wettelijk in België verblijft.

 

08.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, categorie A en B heb ik begrepen, categorie C deels.

 

Ik begrijp uw bezorgdheid dat het inschrijven in het bevolkingsregister op zich nog niet voldoende is om een recht op verblijf te hebben.

 

Waarom is er een verandering gekomen ten opzichte van vroeger? Ik geef als voorbeeld de situatie van een moeder met legaal verblijf, die een kind krijgt van iemand die illegaal verblijft. Dan heb ik het niet over gezinshereniging, want dat is iets anders. Ik heb het puur over haar kind. Dat kind heeft ook een recht op verblijf, dus waarom wordt daarvoor niet in de ambtshalve inschrijving voorzien, zoals u ook doet voor categorie B?

 

Zo kan er ambtshalve een gezinshereniging worden aangevraagd. Dat kunt u daar toch ook doen? Van die vrouw bent u toch zeker? Als het de moeder is van dat kind, moet u toch niet zeggen dat er een procedure voor gezinshereniging moet worden opgestart? Ik begrijp dat er voor de vaders voorzichtigheid is geboden, maar voor de moeders begrijp ik dat niet, als die moeder hier legaal is. Kunt u mij dat uitleggen?

 

08.04 Staatssecretaris Theo Francken: Er waren verschillende behandelingen in de gemeenten en dat heeft geleid tot het ontstaan van verschillende praktijken. In die zin proberen we dat te uniformiseren. Er werd beslist dat voor deze categorie niet enkel een inschrijving nodig is, maar dat er inzake de reden voor verblijf ook meer uitleg komt, ook in het Rijksregister met code 202. Dat hebben we geüniformiseerd voor iedereen. Dat is de reden.

 

08.05  Nahima Lanjri (CD&V): Ik begrijp dat dit geüniformiseerd wordt. In de tekst staat dat als één van de ouders hier legaal verblijft, en de andere illegaal op het moment van de geboorte: “Het kind wordt niet onmiddellijk ingeschreven. De ouders moeten voor het kind een aanvraag gezinshereniging indienen.” Hiermee moet men genuanceerder omgaan: als de moeder hier legaal verblijft, kan het kind toch worden ingeschreven. Men kan het toch niet maken een kind van een legaal verblijvende moeder niet in te schrijven. Voor kinderen van een Belgische moeder is dat al anders, maar voor iemand uit een derde land met legaal verblijf, dan moet men dat toch doen. Ik heb geen probleem met het uniformiseren, maar men moet wel de juiste beslissing nemen. Ook hiervoor zou u, zoals in categorie 1 in de tekst, moeten zeggen dat kinderen waarvan de moeder wel een verblijfsvergunning heeft, ambtshalve worden ingeschreven. Daar is toch een fout ingeslopen. Ik heb geen probleem met een harmonisering, maar dit is veel te kort door de bocht. Hier vraagt men voor iedereen een gezinshereniging, wat niet nodig is voor een kind waarvan de moeder legaal in ons land verblijft.

 

08.06 Staatssecretaris Theo Francken: (…)

 

De voorzitter: Ik stel voor, mevrouw Lanjri, dat u andere acties onderneemt om uw punt te maken of om zaken te doen veranderen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de uitvoering van het EU-spreidingsplan voor asielzoekers uit Griekenland en Italië en de opvang van deze personen in België" (nr. 18774)

- de heer Stéphane Crusnière aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het twaalfde voortgangsverslag van de Europese Commissie over de EU-noodregelingen voor herplaatsing en hervestiging" (nr. 19027)

09 Questions jointes de

- Mme Nahima Lanjri au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'exécution du plan européen de répartition des demandeurs d'asile en provenance de Grèce et d'Italie et l'accueil de ces personnes en Belgique" (n° 18774)

- M. Stéphane Crusnière au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "le douzième rapport de la Commission européenne concernant l'avancement des programmes de l'UE en matière de relocalisation et de réinstallation d'urgence" (n° 19027)

 

Vraag nr. 19027 van de heer Crusnière vervalt.

 

09.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, eind dit jaar loopt de termijn af om te voldoen aan de afspraken die twee jaar geleden door de lidstaten van de Europese Unie werden gemaakt om 160 000 asielzoekers uit de lidstaten aan de buitengrenzen te spreiden over de andere lidstaten. Volgens de Europese afspraken moest België in totaal 2 415 asielzoekers uit Griekenland en 1 397 asielzoekers uit Italië overbrengen of reloceren. Het gaat hierbij om asielzoekers uit landen met een hoge kans op erkenning. Concreet betekent dat een beschermingspercentage van minstens 75 %. De doelstellingen zullen waarschijnlijk niet worden gehaald, omdat niet voldoende mensen aan de strenge erkenningsgraad van 75 % voldoen. Toch is er nog geen officiële bijstelling van de cijfers gekomen.

 

In het twaalfde voortgangsrapport van de Europese Commissie hieromtrent wordt België wel opgeroepen om zijn maandelijkse toezeggingen of pledges aanzienlijk te verhogen. Ik citeer: “In this sense, Belgium, Spain and Croatia should significantly increase their monthly pledges for Italy and Greece.” Wij worden dus toch een beetje op de vingers getikt. Ons land moet nog heel wat asielzoekers laten overkomen om de gemaakte afspraken te honoreren. Hopelijk kunnen wij dat ook doen. Zelf ben ik onlangs nog in vluchtelingenkampen op Lesbos geweest en voordien ook in het Italiaanse Catania en ik heb poolshoogte kunnen nemen van de situatie daar. In Griekenland zijn er in elk geval heel veel asielzoekers die in aanmerking komen voor relocatie op korte termijn. Zij wachten eigenlijk op hun vertrek, op een aanbod vanuit de EU-lidstaten.

 

Als wij die mensen laten overkomen, moeten wij ze natuurlijk ook een plaats in onze opvangstructuren geven. In 2015 hebben wij het aantal opvangplaatsen moeten uitbreiden.

 

Nadien is er terug een afbouw begonnen omdat de instroom gelukkig in dalende lijn ging en terug op het normale niveau is gekomen. Daar sta ik ook achter, men kan geen plaatsen openhouden die leegstaan. Wij zien echter intussen dat de bezettingsgraad, natuurlijk mee door de afbouw die al grotendeels is gerealiseerd, terug heel hoog is: 82 % van de plaatsen is gevuld in de collectieve centra, wat soms oploopt tot 92 %. Bij die afbouw moeten wij natuurlijk ook rekening houden met de asielzoekers die nog zullen overkomen uit Griekenland en Italië. Wij moeten die mensen kunnen opvangen.

 

Ik kom dan bij mijn vragen. Zal België dit jaar nog pledges doen in het kader van het Europees spreidingsplan? Zo ja, over hoeveel personen zal dat gaan? Zal België daarmee zijn afspraken nakomen? Welke cijfers wil u halen? Gaat het om de oorspronkelijke 3 813 of is er intussen een ander cijfer bepaald dat naar beneden is bijgesteld? Is dat ergens geofficialiseerd als wij minder mensen moeten opvangen? Zo ja, waar?

 

Zijn onze opvangstructuren klaar voor de opvang van deze mensen? Welk effect zal dat hebben op de verdere afbouw van het aantal opvangplaatsen? Moet u bijvoorbeeld de afbouw een stuk vertragen om er toch voor te zorgen dat u voldoende plaatsen overhoudt voor degenen die overkomen uit Griekenland en Italië? Komen er eventueel toch plaatsen bij op bepaalde momenten en bepaalde locaties? Ik meen dat het raadzaam is om een aantal plaatsen niet af te bouwen en daar rekening mee te houden.

 

Hoelang verblijven de mensen die naar België gereloceerd worden meestal in de opvangstructuren? Wanneer stromen zij door naar een eigen huisvesting, waarvoor zij zelf of samen met de gemeenten moeten instaan?

 

09.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mevrouw de voorzitter, op 8 december publiceerde de Europese Commissie haar achtste rapport over relocatie en hervestiging. In dat rapport gaf de Commissie aan…

 

De voorzitter: Mijnheer de staatssecretaris, kunt u iets trager spreken, want anders kan men ook niet vertalen?

 

09.03 Staatssecretaris Theo Francken: Vertalen? Ik spreek toch Nederlands, of niet?

 

De voorzitter: Ja, maar er zijn ook mensen aanwezig die Frans spreken.

 

09.04 Staatssecretaris Theo Francken: … om iedereen die in aanmerking komt voor relocatie te transfereren tegen eind september 2017, indien alle lidstaten samen vanaf december 2016 ten minste 3 000 personen transfereren per maand.

 

Het aantal transfers zou volgens datzelfde rapport moeten stijgen vanaf april 2017 naar 4 500 transfers per maand. Indien deze cijfers zouden worden gehaald, zouden eind september 2017 42 000 mensen verspreid zijn over alle landen.

 

Het is belangrijk om toe te voegen dat de Commissie in december 2016 nog niet kon meegeven hoeveel personen er exact in aanmerking zouden komen voor relocatie. Sinds april 2017 hebben wij een duidelijk cijfer voor Griekenland, maar nog steeds niet voor Italië.

 

Aangezien minder personen dan initieel vooropgesteld in aanmerking komen voor het relocatieprogramma, werd het aantal transfers voor België naar beneden bijgesteld. Het oorspronkelijke aantal van 3 812, 3,95 % van 106 000 personen, werd bijgesteld naar 1 510, 3,59 % van 42 000 personen.

 

Het doel is om in totaal 1 510 personen te transfereren naar België in de periode van 2015-2017, wat neerkomt op het aandeel dat België zou moeten doen indien de voorspellingen van de Europese Commissie van december 2016 worden gevolgd.

 

In de periode 2015-2016 werden reeds 530 personen gepledged. Dit betekent dat er in 2017 nog een duizendtal personen moeten worden gepledged. Begin 2017 werd er met alle betrokken actoren beslist om voor België te werken met mannelijke pledges van honderd personen. In augustus en september zou er een pledge uitgestuurd worden voor 150 personen.

 

In 2017 werden reeds vijf pledges van telkens 100 personen gedaan, wat het totaal op 1 030 brengt. Er werden reeds 620 personen getransfereerd. De voorbereidingen voor de volgende 400 personen zijn bezig. Een volgende pledge van 100 personen is begin juni 2017 gebeurd.

 

Hoewel de nationale quota in het relocatiebesluit van 2015 op basis van een percentage per lidstaat tot stand zijn gekomen, zijn enkel absolute aantallen in de tekst opgenomen. Om die reden is het onmogelijk de nationale quota officieel bij te stellen, hoewel het duidelijk is dat het aantal te reloceren asielzoekers vele malen kleiner is dan initieel vooropgesteld.

 

Met die bijgestelde quota houdt ons land zich aan het aan ons toegewezen aandeel in de totale Europese inspanning. Het spreekt echter voor zich dat wij geen bijkomende inspanningen zullen leveren om het gebrek aan solidariteit van sommige lidstaten te compenseren. Dat zullen wij niet doen.

 

Wij zitten dus volledig op koers, om het ons opgelegde percentage te halen voor het aantal mensen dat voor relocatie in aanmerking komt. Het is heel belangrijk dat te halen. Wij doen trouwens niet anders dan wat Nederland en andere buurlanden doen, zijnde dus gewoon het percentage halen. Ik kan moeilijk spoken naar hier transporteren.

 

De vragen van de heer Wouter De Vriendt van enkele minuten geleden indachtig, moet ik bekennen dat het behoorlijk vermoeiend is altijd hetzelfde te moeten vertellen. Wij doen echter wat wij kunnen en wat wij moeten.

 

Mevrouw Lanjri, ik moet u ook meegeven dat er een nieuw voortgangsrapport over relocatie is. Het is enkele weken geleden door de Europese Commissie gepubliceerd. Ik denk dat het een drietal weken geleden op een donderdag is gepubliceerd. Vrijdag was er een Europese Raad in Luxemburg. België wordt in dat rapport niet meer genoemd als zijnde een land dat een bijkomende duw in de rug nodig heeft. Wij staan er en zijn van het strafbankje weg.

 

De heer Avramopoulos heeft ons in de Commissie ook verteld dat een aantal landen de inspanningen serieus hebben opgedreven en dat Europa daarover heel tevreden is. Een voorbeeld daarvan is België.

 

Als het goed is, mag het ook worden gezegd.

 

09.05  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, waar is vastgelegd dat het cijfer naar 1 510 is bijgesteld?

 

09.06 Staatssecretaris Theo Francken: Mevrouw Lanjri, officieel is dat cijfer nergens vastgelegd. Officieus is het dat wat de meeste landen op dit moment doen.

 

Waarom is het niet officieel vastgelegd?

 

Het is niet officieel vastgelegd omdat de Commissie verveeld zit met het verhaal dat sommige landen hun quotum al de eerste maanden hebben bereikt. Zij hebben eigenlijk proportioneel te veel gedaan. In de publieke opinie in die landen ligt dat gevoelig, gelet op het feit dat een aantal landen nog niets hebben gedaan en niets zullen doen.

 

In die zin is afstappen van dat absoluut cijfer politiek in onze groep van Europese lidstaten heel moeilijk verkoopbaar. Daarom is men er nog niet officieel van afgestapt. Er zijn een drietal landen die in het begin al alles hadden gedaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de stand van zaken betreffende de uitvoering van het Europese hervestigingsprogramma" (nr. 18775)

10 Question de Mme Nahima Lanjri au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'état d'avancement de l'exécution du programme de réinstallation européen" (n° 18775)

 

10.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, de Europese Unie heeft ook beslist om, naast 160 000 vluchtelingen, 20 000 vluchtelingen uit de vluchtelingenkampen in de conflictgebieden aan de grenzen van Europa of daarbuiten, die door UNHCR zijn geselecteerd en als vluchteling werden erkend, te hervestigen, gespreid over de lidstaten.

 

Ook met de afspraken over en de hervestiging van die 20 000 vluchtelingen loopt een en ander niet van een leien dakje.

 

Hoeveel vluchtelingen werden als onderdeel van de uitvoering van de afspraken in de Europese Unie van 2015 reeds in België hervestigd?

 

Hoeveel vluchtelingen zullen in dat kader in de loop van 2017 nog worden hervestigd?

 

Komen wij op die manier onze afspraken na? Indien niet, is ook wat dat betreft het cijfer al dan niet bijgesteld?

 

Ik meen dat het cijfer niet is bijgesteld, omdat de conflictgebieden een ander programma betreffen, waarvoor geen percentage is geprogrammeerd.

 

10.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mevrouw Lanjri, in het kader van de conclusies van de Europese Raad van 20 juli 2015 hebben alle lidstaten samen 20 504 hervestigingsplaatsen aangeboden. In dat zogenaamde EU settlement scheme heeft België in 1 100 plaatsen voorzien.

 

De hervestigingen moeten plaatsvinden tussen 8 juni 2015 en 8 december 2017. De teller stond twee weken geleden op 892. Het cijfer is nog gestegen, maar ik kan het niet meegeven. Mijn raadgever, die tijdens de commissievergaderingen altijd naast mij zit, is op huwelijksreis. Hij is niet bereikbaar. Vanaf morgen is hij terug.

 

België zal voor de deadline in december 2017 het volledige quotum van 1 100 invullen. Dat is ongetwijfeld het belangrijkste wat u wou horen.

 

België zal later in 2017 nog verschillende hervestigingsmissies uitvoeren, waaronder twee in Libanon – ik zal ook aan een missie deelnemen –, voor de selectie van een driehonderdtal vluchtelingen.

 

Het quotum van 1 100 uit de conclusies van de Europese Raad zal in elk geval volledig en binnen de deadline worden ingevuld. Wij zullen misschien zelfs iets meer doen. België komt zijn Europese afspraken dus volledig na.

 

Meer nog, naast de 1 100 hervestigingsplaatsen levert ons land nog heel wat bijkomende inspanningen. Zo werden al ruim 600 Syrische christenen via gerichte operaties met humanitaire visa op legale wijze naar ons land gehaald en doen wij in het kader van de EU-Turkijedeal een bijkomende inspanning van 1 968 plaatsen, waarvan 600 via traditionele hervestiging. Wij doen dus eigenlijk veel meer dan de creatie van 1 100 hervestigingsplaatsen.

 

Elke week komen er mensen aan. Hoeveel er nu al zijn, staat er niet bij, maar dat is een goede vraag. Ik zal u het antwoord daarop bezorgen.

 

10.03  Nahima Lanjri (CD&V): Dank u daarvoor.

 

10.04 Staatssecretaris Theo Francken: Ik geloof in een systeem waarbij wij op Europees niveau werk maken van zowel een striktere grensbewaking als van legale toegangswegen voor echte vluchtelingen en geen economische migranten. Illegale migratie en smokkelpraktijken moeten een duidelijke halt worden toegeroepen, zodat wij onze inspanningen kunnen focussen op opvang in de regio en hervestiging van de meest kwetsbaren, wat wij ook aan het doen zijn. Dat zal als muziek in de oren klinken bij de ngo’s, nietwaar?

 

10.05  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, de hervestiging is in het begin wat traag op gang gekomen, maar ik stel vast dat die nu wel vlot loopt en dat wij zeker zullen halen wat wij vooropgesteld hadden.

 

Wat ons engagement ten opzichte van Turkije betreft, als u de cijfers eventueel nog kunt meegeven, dan kunnen die nog wel worden opgenomen in het verslag of in een bijlage. Hoeveel van de 1 968 plaatsen zijn er ondertussen al ingevuld?

 

Alleen wanneer de lidstaten hun deel van de verantwoordelijkheid opnemen en ook effectief vluchtelingen opnemen, zal de situatie voor bepaalde landen houdbaar zijn. Als Turkije met 3 miljoen vluchtelingen blijft zitten, terwijl er nog altijd vluchtelingen bijkomen en er geen enkele inspanning gebeurt om zelfs een klein deel van de vluchtelingen te hervestigen in Europa, blijft het risico bestaan dat men op andere manieren de vluchtelingen laat doorreizen naar Europa, met alle gevolgen van dien.

 

Dan komen ze terecht in Griekenland via andere wegen, via Libië. Dan zit men daar ook met een probleem.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "lgbtqi's in de asielinstroom" (nr. 18849)

- de heer Benoit Hellings aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de organisatie van de opvang van Tsjetsjeense lgbtqi's die bescherming vragen" (nr. 18937)

11 Questions jointes de

- M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les LGBTQI dans le cadre du flux migratoire" (n° 18849)

- M. Benoit Hellings au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'organisation de l'accueil des candidats à l'asile LGBTQI tchétchènes" (n° 18937)

 

11.01  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Madame la présidente, monsieur le secrétaire d'État, la France a accueilli récemment un premier réfugié tchétchène homosexuel, le jour même de la visite de Vladimir Poutine à Versailles, selon l'association française SOS Homophobie. En avril dernier, en effet, le journal russe Novaïa Gazeta a rendu publiques les arrestations et les persécutions dont sont victimes les homosexuels en Tchétchénie, de la part des autorités policières russes. Les autorités françaises semblent donc avoir pris des mesures face aux exactions dont les autorités tchétchènes se rendent coupables.

 

Auparavant, le 17 mai, le ministère des Affaires étrangères lituanien, cette fois, a déclaré: "Nous émettons des visas pour deux arrivées", à propos de deux homosexuels tchétchènes fuyant ces mêmes discriminations.

 

Le 18 mai, votre collègue, le ministre belge des Affaires étrangères, a décidé de porter l'affaire devant le Conseil de l'Europe. Il souhaite que la Russie, un des 47 membres de cette institution, se tienne à ses obligations et ainsi "faire triompher le droit".

 

Monsieur le secrétaire d'État, la Belgique a-t-elle vu récemment augmenter le nombre de demandes de protection de candidats réfugiés issus de cette partie de la Fédération de Russie? La Belgique envisage-t-elle de faciliter l'octroi de visas humanitaires pour des personnes fuyant la Russie en général et la Tchétchénie en particulier, pour des raisons de discriminations quant à leur orientation sexuelle? Des initiatives conjointes concernant tant l'accueil que des méthodes de protection sont-elles envisagées actuellement au niveau européen? Enfin, comment est organisé l'accueil des personnes demandant protection au nom de leur appartenance à la communauté LGBTQI, et, ceci, quel que soit leur pays d'origine - pas uniquement la Tchétchénie ou la Russie en l'occurrence?

 

Voorzitter: Brecht Vermeulen.

Président: Brecht Vermeulen.

 

11.02  Theo Francken, secrétaire d'État: Monsieur le président, monsieur Hellings, en dépit de la gravité et de la dégradation constante, depuis quelques années, de la situation en Russie pour les minorités sexuelles, ce motif d'asile n'est pas invoqué de manière significative par les Russes dans les demandes d'asile en Belgique. Le nombre de demandes d'asile introduit n'est en effet pas nécessairement représentatif de la gravité de la situation prévalant dans un pays d'origine. Aucune augmentation du nombre de demandes d'asile pour ce motif n'a en tout cas été récemment constatée.

 

Au niveau du nombre de dossiers traités par le CGRA, voici les chiffres: en 2012, deux d'entre eux ont invoqué l'identité de genre ou le motif de l'orientation sexuelle. En 2013, six; en 2014, treize; en 2015, six; en 2016, treize et, entre le 1er janvier et le 30 avril 2017, seulement deux.

 

Il importe de rappeler que les statistiques par thématique dont dispose le CGRA concernent pour une année donnée, non pas le nombre de demandes de protection internationale introduites basées sur ladite thématique, mais bien le nombre de dossiers d'asile dans lesquels ce motif a été invoqué et pour lesquels le CGRA a pris une décision finale, positive ou négative, entre le 1er janvier le 31 décembre de cette année-là. Au sens strict, cela ne correspond pas forcément au nombre de personnes ayant, au cours de cette même année, introduit une demande d'asile pour ce motif. Il convient donc de ne pas prendre ces chiffres pour absolus.

 

Prévoir une procédure particulière pour ces personnes n'est pas à l'ordre du jour. La délivrance d'un visa humanitaire est aussi une possibilité. Lorsque nous recevrons ce genre de demandes, nous les examinerons. Il n'y a pas d'initiative spécifique en qui concerne l'accueil organisé au niveau européen. Il appartient en premier lieu au ministre des Affaires étrangères d'y réagir. Je soutiens également les initiatives du ministre Reynders en ce sens.

 

Fedasil essaye toujours d'offrir une place d'accueil adaptée en fonction des besoins spécifiques de la personne. Lorsque les demandeurs d'asile LGBTQI présentent une situation de vulnérabilité, la désignation d'une place d'accueil en logement individuel peut être recommandée.

 

Ceci n'exclut bien sûr pas qu'il y ait des demandeurs d'asile LGBTQI pour lesquels l'accueil collectif ne pose aucun problème.

 

J'ai déjà communiqué à plusieurs reprises sur le fait que je ne veux pas de centres rainbow séparés, comme il en existe aux Pays-Bas. Je suis absolument contre. Je suis contre le fait que les autres demandeurs d'asile pensent qu'il serait normal que les homosexuels soient dans des centres séparés. Je ne suis vraiment pas d'accord. Et je pense que beaucoup de LGBTQI sont absolument d'accord avec mon opinion sur ce point.

 

Une évaluation individuelle, au cas par cas, des besoins spécifiques, est donc toujours nécessaire pour déterminer la place d'accueil adaptée. C'est possible, mais ce n'est pas toujours le cas. Normalement, on ne le fait pas.

 

À côté de la place d'accueil la plus adaptée, l'accompagnement des demandeurs d'asile LGBTQI est aussi, comme pour tout résident, un point d'attention important pour Fedasil, comme en témoigne le soutien du projet Safe Havens et sa prolongation en 2017, pour un an, ou la participation à une réunion mensuelle concernant les LGBTQI organisée par Rainbows United, dans le cadre du nouveau plan d'action national contre la violence et les discriminations homophobes. Fedasil s'engage aussi à assurer la continuité de l'accompagnement des demandeurs d'asile LGBTQI et à renforcer les différents projets, les différentes activités et les bonnes pratiques au sein du réseau d'accueil destiné à ce public. Vous savez que le thème de la Gay Pride de cette année était les réfugiés gays. Nous avons bien collaboré avec l'organisateur de la Gay Pride et vous pouvez le lui demander.

 

11.03  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le secrétaire d'État, en effet, c’était la thématique de la Belgian Pride. C’est le nouveau nom, je suis désolé pour vous! Je partage votre avis au sujet d'un accueil séparé; ce n’est pas du tout mon propos ni ma volonté. Je pense en effet qu’il s’agit de mener une politique où les gens vivent ensemble, quelles que soient leur orientation sexuelle et leurs convictions religieuses ou philosophiques. Évidemment, il y a le cas particulier de certains transgenres qui peuvent se trouver dans des situations difficiles. Je pense, pour avoir visité certains centres d’accueil, qu’il est clair qu’une attention du personnel est portée à ces personnes vulnérables. Je pense qu’il faut continuer dans ce sens.

 

J’entends bien qu’il n’y a pas de recours à la possibilité d’octroyer des visas humanitaires, comme l’ont fait la France et la Lituanie, à des fins politiques. Je pense aussi qu’on peut utiliser l’octroi de visas humanitaires non seulement pour aider les gens qui sont dans le besoin, cela va de soi, mais aussi pour montrer un visage ouvert, tolérant et défenseur des droits des LGBTQI à l’égard des pays qui posent problème. Je pense que c’est ce que le président Macron a fait en France.

 

Par ailleurs, un autre sujet me tient à cœur, à savoir la liste des pays sûrs que vous voulez compléter. La liste des pays sûrs, en tout cas pour ce qui concerne l’Albanie, est systématiquement cassée depuis quatre ans. Vous réinscrivez systématiquement l’Albanie dans la liste des pays sûrs. Pourquoi est-elle cassée par le Conseil d’État? En fait, l’Albanie n’est pas un pays sûr en particulier pour les personnes LGBTQI. Je pense que ce qui se passe en Russie et en Tchétchénie en particulier, doit vous inciter à ne pas replacer l’Albanie sur la liste des pays sûrs, puisque dans ce cas précis, les droits des LGBTQI ne sont pas respectés. Cela explique que la Belgique, de façon régulière, octroie le droit d’asile pour ces raisons d’appartenance à cette communauté LGBTQI à des Albanais. Faisons d’une pierre deux coups et arrêtons de placer l’Albanie sur la liste des pays sûrs, pour ce motif!

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs 18866, 18867 en 18872 van mevrouw Jadin worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

12 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de afgifte van een visum voor kort verblijf in het kader van een familiebezoek" (nr. 18940)

12 Question de Mme Nahima Lanjri au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "la délivrance d'un visa pour un court séjour dans le cadre d'une visite familiale" (n° 18940)

 

12.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de staatssecretaris, in 2011 hebben wij de wet op de gezinshereniging aangepast en verstrengd. Daarvoor konden ouders, grootouders en schoonouders zich via de kinderen in België vestigen. Dat hebben wij toen onmogelijk gemaakt. Het was de bedoeling om dit te beperken tot het kerngezin. Ik sta nog altijd achter die keuze. Het is echter nooit de bedoeling geweest om het voor ouders en grootouders onmogelijk te maken om hun kinderen en kleinkinderen in België te komen bezoeken.

 

Bezoek moest altijd mogelijk blijven. Wij hebben echter al tijdens de vorige legislatuur gemerkt dat er bij DVZ vaak problemen rezen. Daarom werd tijdens de regeringsonderhandelingen heel duidelijk afgesproken dat ervoor moest worden gezorgd dat de visa voor tijdelijk verblijf snel en zonder al te veel problemen konden worden verkregen.

 

Het was een en-en-verhaal. Enerzijds werd het onmogelijk gemaakt om via de kinderen permanent naar hier te komen. Anderzijds was er een versoepeling voor de familiebezoeken van ouders en grootouders.

 

Toch bereiken mij heel veel verhalen van mensen bij wie dit niet lukt. Dat heeft vaak spijtige gevolgen. Zo missen ouders soms het huwelijk van hun kind of de geboorte van een kleinkind.

 

Het spreekt voor zich dat een visum niet zomaar lukraak mag worden afgeleverd. Daarvoor zijn er regels, waaraan we ons moeten blijven houden. Zo wordt bijvoorbeeld een tenlasteneming gevraagd, maar er was duidelijk afgesproken dat de Dienst Vreemdelingenzaken zijn beleid zou aanpassen. Toch zijn er vaak problemen met het vestigingsrisico en hoe DVZ dat inschat. Daar loopt het vaak verkeerd.

 

Mijnheer de staatssecretaris, bent u ervan op de hoogte dat er nog veel aanvragen voor visa voor kort verblijf in het kader van familiebezoeken door DVZ worden afgewezen op basis van het vermoeden van DVZ dat de aanvrager niet naar het land van herkomst zal terugkeren? Het gaat hier om een standaardformulier waarop men aanduidt: "Uw voornemen om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van het visum kon niet worden vastgesteld." Ik ken voorbeelden waarin dit wordt aangeduid, zelfs wanneer er retourtickets zijn.

 

Dit gebeurt regelmatig en nochtans geven mensen duidelijk aan dat het bijvoorbeeld gaat over een bezoek. Zo was er een koppel die een aanvraag indiende om de schoonmoeder, de moeder van de vrouw die bevalt in juni, te laten overkomen voor 75 dagen om de geboorte mee te maken. Dit werd geweigerd omdat er geen bewijs was van de terugkeer. Op de duur vragen mensen zich af hoe zij dit moeten bewijzen. Alle andere bewijzen werden toegevoegd: een bewijs van de gynaecoloog, de tenlasteneming en loonfiches. Men had ook heel duidelijk aangegeven dat het voor een korte periode was.

 

Hoever staat u, mijnheer de staatssecretaris, met het uitvoeren van wat in het regeerakkoord werd afgesproken, namelijk om de afgifte van dergelijke visa voor familiebezoeken te vereenvoudigen? Welke stappen zal u nog zetten? Overweegt u een instructie aan DVZ of is hiervoor toch een wetswijziging nodig? Ik meen dat dit laatste in principe niet nodig is, maar dat het hier gaat om een correcte toepassing van de regels zonder daarbij onmogelijke dingen te vragen. Bovendien mag men er niet bij iedereen van uitgaan dat zij niet zullen terugkeren, ook al geven zij hiervoor de bewijzen.

 

Ik heb nog een ander voorbeeld. Iemand uit Oekraïne vroeg een visum voor kort verblijf om haar vriend te komen bezoeken. Hierbij maakte men de opmerking dat er geen eigen inkomsten waren. Dit lijkt mij nogal vanzelfsprekend, want het ging over een student. Ook het voornemen om terug te keren stond zogezegd niet vast, terwijl er een retourticket werd bijgevoegd. Ik vind dat een rare situatie, te meer als men weet dat er voor Oekraïne intussen een visumliberalisering werd doorgevoerd. Sinds 11 juni kan die persoon immers komen zonder visum. Ik vind het heel raar dat men daar bij DVZ zo mee is omgegaan.

 

12.02 Staatssecretaris Theo Francken: Ik kan u een heleboel voorbeelden geven waarbij er wel een visum is afgeleverd. Wat de visumvrijstelling voor Oekraïne betreft, dat is ook alleen maar voor mensen met een biomedisch paspoort, niet voor iedereen. Zo gemakkelijk is het natuurlijk niet.

 

De wijziging van de wet op de gezinshereniging had inderdaad niet tot doel om de familiale relaties te verhinderen tussen ascendanten en hun in België gevestigde kinderen. België is er echter toe gehouden om, zoals de andere Schengenpartners, de procedures en voorwaarden voor de aflevering van een visum te respecteren, zoals voorgeschreven door de gemeenschappelijke visumcode. Deze code schrijft voor dat België moet nagaan of de aanvrager voldoet aan de binnenkomstvoorwaarden voor de Schengenzone en dat België bijzondere aandacht moet besteden aan het gevaar voor illegale migratie, het gevaar voor de veiligheid in de Schengenzone alsook de bereidheid om het grondgebied te verlaten vóór de datum van verstrijken van het gevraagde visum.

 

Een ascendant legt over het algemeen wel de documenten voor die toelaten om het doel en de financiële en medische dekking van zijn verblijf te staven, evenals waar hij zal verblijven. Het dossier bevat echter zelden informatie die toelaat om de verankering in het land van herkomst te evalueren, en aldus zijn wil om het grondgebied te verlaten alvorens het visum zal zijn verstreken. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft op zijn website een reeks raadgevingen gepubliceerd alvorens een visumaanvraag in te dienen. Dit gebeurde na een aanbeveling van de ombudsman over de afhandeling van de visumaanvragen voor kort verblijf voor een bezoek aan in België verblijvende familie door onderdanen van derde landen. Vóór de zomer zal DVZ aan de diplomatieke en consulaire posten vragen om deze raadgevingen lokaal te verspreiden om het aantal volledige dossiers te verhogen. De persoon die het dossier aanvraagt, is verantwoordelijk voor het dossier dat hij indient. Alle info die hiervoor nodig is, staat hem ter beschikking.

 

De wijziging van de wet is niet noodzakelijk, aangezien de procedures en voorwaarden ter aflevering van een visum die door de gemeenschappelijke visumcode worden bepaald, transparant zijn. In landen waar België de visumaanvragen niet ontvangt, zijn het andere Schengenpartners die de aanvraag onderzoeken.

 

Een volledig dossier betekent een snel onderzoek en een snelle aflevering van het visum. Ik zal aandachtig blijven waken over de uitvoering van dit punt uit het regeerakkoord. We hebben dus al wel degelijk stappen gezet.

 

Ik wil nog twee zaken zeggen. Ten eerste worden er visa geweigerd, maar er worden er veel meer toegekend. Er worden er dagelijks toegekend, ook aan ouders en grootouders om op bezoek te komen, als aan de voorwaarden voldaan is.

 

Ten tweede, het blijft zo dat na binnenkomst met een visum voor drie maanden, of zelfs korter, er toch nog steeds een aantal mensen een asielaanvraag indient of te lang blijft enzovoort. Dat zien wij bij de Dienst Vreemdelingenzaken elke dag opnieuw. Het is dus wel degelijk noodzakelijk om streng maar rechtvaardig te zijn.

 

12.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, ik heb er geen probleem mee dat misbruiken worden aangepakt. Ik heb er ook geen probleem mee dat u streng maar rechtvaardig bent.

 

Het is nogal logisch en goed dat inderdaad heel wat visa wel toegekend worden. Dat is ook de bedoeling geweest. Toen wij die regeling verstrengd hebben, hebben wij gezegd dat te doen, zodat die ouders en schoonouders niet allemaal hier moesten komen wonen, maar dat wij familiebezoek gingen toelaten.

 

Ik stel toch wel het volgende vast, heel recent nog in dossiers. Het gaat om mensen die heel duidelijk alles meegeven: doktersbriefjes dat het kind in juni ter wereld komt, loonfiches, tenlasteneming. Ze geven heel duidelijk op dat als het visum wordt uitgekeerd, ze binnen 75 dagen terugkeren. Wat kunnen mensen nog meer doen? Zelfs met de bijkomende informatie die men geeft… Hoe gaat men daarmee dan om? Die mensen zijn ten einde raad, intussen is dat kind geboren en heeft die schoonmoeder haar visum nog niet. Dat zijn zaken waar er familiale drama’s gebeuren. Men moet dat echt aanpakken.

 

U zegt dat het nu zal verbeteren met de publicatie van die aanbevelingen. Ik weet niet of dat zal verbeteren. Waarom geeft DVZ bij een weigering met als argument dat onvoldoende werd aangetoond dat men het voornemen heeft om terug te keren, niet mee hoe dat dan wel kan aangetoond worden? Mensen weten niet wat ze dan wel nog moeten doen om het aan te tonen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 19026, samengevoegde vragen nrs 19028 en 19030 alsook vraag nr. 19029 van de heer Crusnière, worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

13 Vraag van mevrouw Monica De Coninck aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het stopzetten van het Caritas-hervestigingsprogramma" (nr. 19032)

13 Question de Mme Monica De Coninck au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "la suspension du programme de réinstallation de Caritas" (n° 19032)

 

13.01  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, Caritas en Convivial meldden dat de Belgische overheid heeft besloten om het opvangmodel voor hervestigde personen te reorganiseren. Caritas noch Convivial zou daarin nog een plaats hebben.

 

Tot zover zorgden Caritas en Convivial voor sociale begeleiding voor een periode van twee jaar. Zij zochten mee naar een individuele woning enzovoort. Ook interculturele bemiddelaars boden begeleiding, aangepast aan de noden van de vluchtelingen en aan de lokale context.

 

De opvang van hervestigde vluchtelingen zou worden gemainstreamd en in de toekomst in twee fases gebeuren, namelijk een eerste opvangfase van zes weken in een collectief centrum en een tweede opvangfase van zes maanden in een lokaal opvanginitiatief.

 

Dat doet vragen rijzen naar de mate waarin dit alles geschikt is voor deze kwetsbare vluchtelingen. Deze mensen werden immers net op basis van criteria van kwetsbaarheid geselecteerd door UNHCR. Zij kennen de taal niet, noch de gewoonten en komen vaak volledig gedesoriënteerd aan in onze maatschappij, na soms jaren te hebben verbleven in vluchtelingenkampen.

 

Mijnheer de staatssecretaris, ik heb daarom een aantal vragen. Ten eerste, hoe zult u ervoor zorgen dat OCMW's de juiste expertise hebben om deze zeer kwetsbare groep te begeleiden? In januari 2018 komt er bijvoorbeeld een groep van honderd Congolezen. Deze personen weten niet wat geldautomaten, kookvuren, elektriciteit of gasaansluitingen zijn. Wie zal zich over hen ontfermen? Zullen de OCMW's daarvoor voldoende tijd en middelen vrijmaken? Hoe kunt u hen ondersteunen?

 

Ten tweede, hervestigde personen verhuizen na zes weken in een collectief centrum — de gewenningsfase — naar een LOI. In een LOI kunnen zij zes maanden verblijven. Wat gebeurt er daarna? Worden deze mensen begeleid in het zoeken naar een veilig en betaalbaar onderdak?

 

Ten derde, de LOI’s geraken door het nieuw opvangmodel sneller gevuld. Fedasil heeft het steeds moeilijker om aangepaste LOI’s te vinden. Zal dit het probleem niet groter maken? Hoe zult u daarop inspelen?

 

Ten vierde, in het nieuw systeem lijkt de duurzaamheid uit de initiële opzet van het resettlementprogramma te verdwijnen. Ten gronde is het bedoeld om een duurzame oplossing te bieden aan deze profielen. Hoe verzoent u dat met de nieuwe praktijk?

 

Niet alleen verdwijnt de duurzame begeleiding op maat, met name van twee jaar naar zes maanden, er is bovendien geen enkele garantie dat de geboden hulp tot een duurzame integratie zal leiden.

 

De reden hiervoor is opnieuw dezelfde. Wat kunnen OCMW's aanbieden qua extra tailormade-ondersteuning? Veel problemen duiken pas op in een later stadium wanneer mensen gesetteld zijn en de eerste brandjes geblust werden. Trauma's sijpelen doorgaans pas door wanneer er rust gevonden is. Hoe gaat men dat in de toekomst opvolgen?

 

Welk profiel zult u in de toekomst hervestigen? Zult u de hervestiging vanuit de Grote Meren bijvoorbeeld hernemen?

 

13.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer de voorzitter, het recht voor hervestigde vluchtelingen werd in 2015 aangepast om tegemoet te komen aan de verhoging van het aantal aankomsten van hervestigde vluchtelingen. Terwijl het in 2014 nog om 34 aankomsten ging, gaat het in 2017 om meer dan 1 000 geplande aankomsten van hervestigde vluchtelingen. In deze context alsook om op een flexibele manier de Europese engagementen en opdrachten verbonden aan de nieuwe hervestigingsschema's waar te maken, was het bestaande systeem onhoudbaar. Ter herinnering, in dat model voorzag Fedasil in een subsidie voor de vrijwillige OCMW's die ingingen op onze oproepen om een woning en begeleiding aan te bieden voor hervestigde vluchtelingen die na een periode in een opvangcentrum doorstromen naar een privéwoning. Vanaf midden 2015 waren er onvoldoende vrijwillige OCMW's.

 

Als gevolg hiervan gebruikt Fedasil sinds 2015 het netwerk van LOI's, een kwalitatief netwerk beheerd door OCMW's en gespecialiseerd in de opvang van asielzoekers, dat gecreëerd werd in 2001 en vandaag meer dan 9 000 plaatsen telt. Deze aanpak werd geïnstalleerd in juli 2016 met de instructie over de transitie van materiële hulp naar maatschappelijke dienstverlening, die het opvangmodel heeft hervormd en de groep hervestigde vluchtelingen tot een volwaardige doelgroep maakt.

 

In dit kader moest de eerstelijnsbegeleiding die aangeboden werd door de organisaties Caritas en Convivial herzien worden. Een voorstel werd gedaan aan Caritas en aan Convivial om hun rol in het programma te heroriënteren, maar dit werd geweigerd.

 

De kwetsbaarheidscriteria die gehanteerd worden door UNHCR om dossiers te prioritiseren in de asiellanden en vluchtelingen te selecteren worden opnieuw bekeken bij aankomst in België. Op structurele wijze heeft Fedasil een procedure ontwikkeld om opvangbegunstigden met specifieke kwetsbaarheden op verschillende niveaus en momenten te lokaliseren en de opvang aan te passen aan hun specifieke noden. Er bestaan opvangstructuren met een gespecialiseerde aanpak voor specifieke doelgroepen, medische gevallen, alleenstaande vrouwen met kinderen enzovoort. Daarnaast heeft Fedasil onlangs een projectoproep gelanceerd om de capaciteit van lokale actoren te versterken. De prioriteit in deze oproep richt zich op het creëren van netwerken rond lokale opvanginitiatieven die de wederzijdse betrokkenheid met elkaar van de lokale gemeenschap en de bewoners van deze opvanginitiatieven moet verhogen.

 

Zo kunnen wij de omkadering van de bewoners in de lokale opvanginitiatieven verhogen en kunnen zij beter begeleid worden in het groeien naar zelfstandigheid.

 

Hervestigde vluchtelingen worden na een periode van ongeveer drie tot zes weken in een van de vier gespecialiseerde opvangcentra toegewezen aan een LOI voor een periode van zes maanden. Deze periode kan verlengd worden tot maximaal acht maanden op basis van de geldende regels voor de verlenging van de opvang. Na deze periode zijn er verschillende mogelijkheden. Ten eerste, de vluchtelingen verhuizen naar een privéwoning met ondersteuning van het LOI. Ten tweede, het aangewezen OCMW maakt, mits goedkeuring van de vluchtelingen, de keuze om na de opvangperiode in het LOI in te stappen in het hervestigingsprogramma en ontvangt een subsidie. Ten derde, de individuele plaatsen worden opgeschort indien de bewoner deze niet verlaat na afloop van de toegekende termijn. Het LOI kan de integratie van de bewoner vergemakkelijken en versnellen door hem door te verwijzen naar de sociale hulp.

 

Het aantal beschikbare plaatsen in LOI's blijft stijgen. Begin februari 2017 hadden wij ongeveer 1 200 beschikbare LOI-plaatsen. Begin juni zijn dat er ongeveer 1 900. Er zijn dus kwantitatief gezien voldoende plaatsen om de internationale engagementen na te komen en aangepaste opvang aan te bieden. Voor bepaalde familieconfiguraties kunnen de beschikbare plaatsen evenwel beperkt zijn. Fedasil probeert in dergelijke gevallen een oplossing te bieden via een conversie van LOI-plaatsen.

 

In het verleden konden kwetsbare personen daadwerkelijk gedurende twee jaar gevolgd worden. In het nieuwe model kan de standaardperiode van zes maanden aangevuld worden met een begeleiding van twaalf maanden indien het OCMW dat hervestigde vluchtelingen toegewezen kreeg, als partner in het programma stapt.

 

De begeleiding en specifieke noden van kwetsbare dossiers zullen gevolgd worden door Fedasil. De planning voor 2018 is nog niet gekend.

 

13.03  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de staatssecretaris, als ik het goed begrepen heb, worden de OCMW's ondersteund voor de intensieve begeleiding. Hebt u er ook enig idee van over hoeveel middelen het zou gaan? Misschien kan dat eens opgezocht worden. Als u mij deze informatie schriftelijk kunt geven, is dat ook goed, waarvoor alvast bedankt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer De Vriendt, volgens het Reglement stelt u nu uw vraag, maar ik vraag u de hoffelijkheid om mevrouw De Coninck haar laatste vraag te laten stellen.

 

14 Vraag van mevrouw Monica De Coninck aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het bepalen van de leeftijd van NBMV's" (nr. 19365)

14 Question de Mme Monica De Coninck au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "la détermination de l'âge des MENA" (n° 19365)

 

14.01  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de staatssecretaris, vele miljoenen kinderen vluchten. We hebben daarover net gediscussieerd. Zij hebben een speciaal beschermingsstatuut. Zij hebben recht op intensieve begeleiding, onderwijs, een voogd enzovoort.

 

In België hebben een aantal diensten het recht om twijfels te uiten over de leeftijd van een persoon die beweert minderjarig te zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de dienst Voogdij bij de FOD Justitie om de identificatie van de persoon als mogelijke niet-begeleide minderjarige vluchteling na te gaan.

 

Het blijft uiteraard van primordiaal belang om minderjarigen te beschermen. Het is ook belangrijk om mogelijke fraude tegen te gaan.

 

In de afgelopen jaren noteerden we een significante toename van het aantal twijfels dat werd geuit over de leeftijd. In 2010 waren er 391 leeftijdstwijfels, in 2015 waren dit er al 1 187 en in 2016 1 296.

 

In België wordt de leeftijd geschat op basis van een drievoudige medische test: de radiografie van het sleutelbeen, de tanden en de pols. Er is nogal wat kritiek op de betrouwbaarheid van de leeftijdsprocedure door mensen uit de sector, wetenschappers en juristen.

 

The British Medical Bulletin concludeerde in 2012: “There is evidence that radiography of bones and teeth, which is increasingly relied upon by immigration authorities, is imprecise, unethical and potentially unlawful, and should not be used for age assessments.”

 

Ook een resolutie van het Europees Parlement in 2013 roept alle lidstaten op om hun praktijken met betrekking tot leeftijdsbepalingen op basis van röntgenfoto's te herzien, gezien de controversiële aard van de medische technieken en de brede foutmarges.

 

Op dit moment zijn er geen criteria voor het in twijfel trekken van de leeftijd van een persoon. Er is bovendien geen verplichting om te motiveren waarom de leeftijd in twijfel werd getrokken. Tevens is er geen verplichting voor de autoriteiten om rekening te houden met de identiteitsdocumenten van de persoon, noch met de verklaringen van sociale deskundigen die de minderjarigheid van de persoon zouden aangeven.

 

Hoe kan men er dan voor zorgen dat het uiten van twijfel over de leeftijd niet willekeurig is?

 

Ten eerste, twijfel over de leeftijd mag niet systematisch worden geuit en moet op een individuele manier worden gemotiveerd. Men moet een multidisciplinaire aanpak garanderen, die alle procedurele waarborgen verzekert. De Belgische overheid moet alles in het werk stellen om fraude te voorkomen en er tegelijkertijd voor zorgen dat kinderen als kinderen worden beschermd. Wat is uw standpunt hierover?

 

Ten tweede, is er overleg om de methodieken te herzien, om zo een betere detectie of bescherming, afhankelijk van het perspectief, te garanderen voor niet-begeleide minderjarigen op de vlucht?

 

14.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mevrouw De Coninck, het vermoeden van misbruik is de enige reden tot aanvraag voor een botscan om te bepalen of iemand achttien jaar is of niet. Elk kind is kwetsbaar en niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zijn dit nog meer. Het is erg belangrijk dat minderjarigen de nodige bescherming en begeleiding krijgen, waardoor misbruik van de minderjarigenprocedures door meerderjarigen dient te worden vermeden. Het uiten van twijfel over de leeftijd gebeurt niet willekeurig. De twijfel wordt voor elke minderjarige geuit op individuele basis. Hiervoor gebruiken we een gamma van indicatoren: uiterlijke kenmerken, een gesprek met betrokkene, een verklaring tijdens het opstellen van de minderjarigenfiche, informatie uit onze databases, informatie uit het administratief dossier van betrokkene, de manier waarop men zich uitdrukt, gedragingen enzovoort. Er worden dus verschillende factoren in acht genomen om een twijfel te uiten. Deze worden in België ook gemotiveerd bij de vraag om een leeftijdsonderzoek uit te voeren.

 

Voor verdere informatie over het leeftijdsonderzoek verwijs ik u door naar de dienst Voogdij en naar de hiervoor bevoegde minister van Justitie. Het doel van een leeftijdsonderzoek is immers enkel om de minderjarigheid of meerderjarigheid van een persoon te bepalen die zich niet-begeleide minderjarige verklaart.

 

Daarnaast wordt steeds een standaarddeviatie gehanteerd door de verschillende ziekenhuizen, die tussen de zes maanden en twee jaar reikt, en dit in het voordeel van de verklaarde niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Mijns inziens is er dus voldoende marge ingebouwd om de echte NBMV de bescherming te bieden waarop hij recht heeft. Een eventuele verbetering daar zou zijn om de leeftijdsonderzoeken niet door verschillende ziekenhuizen te laten uitvoeren, maar door ze te centraliseren op één plaats, uitgevoerd door één instantie. Nogmaals, ook dit is een bevoegdheid die de minister van Justitie toekomt.

 

De laatste jaren merken wij spijtig genoeg op dat het misbruik van minderjarige procedures stijgt. Hierdoor stijgt dus ook het aantal leeftijdstwijfels dat geuit wordt. Wij kunnen hierbij wel opmerken dat de twijfel in het grootste deel van de gevallen terecht geuit wordt. Zo blijft het percentage van personen die meerderjarig verklaard worden na het leeftijdsonderzoek relatief stabiel, ook al nam het percentage van personen waarvoor het leeftijdsonderzoek gevraagd werd enorm toe in de vorige legislatuur, tussen 2011 en 2014. Sinds 2014 zien wij verhoudingsgewijs een daling van het percentage gevraagde leeftijdsonderzoeken. In absolute cijfers zijn er dus inderdaad meer leeftijdsonderzoeken, maar procentueel gezien zijn er minder dan tijdens de vorige legislatuur.

 

Verder kan worden opgemerkt dat het percentage van de gevraagde leeftijdsonderzoeken de laatste jaren terug daalt. De stijging in absolute cijfers is dan ook te wijten aan de asielcrisis 2015-2016, toen er natuurlijk een exponentiële stijging van het aantal minderjarige asielzoekers te merken was.

 

Ik heb de cijfers hier, ik zal ze u bezorgen.

 

14.03  Monica De Coninck (sp.a): Mijnheer de staatssecretaris, bedankt voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 19332 van mevrouw Jadin, vraag nr. 19336 van mevrouw Poncelet, vraag nr. 19369 van mevrouw Van Hoof, vraag nr. 19414 van mevrouw Poncelet, vraag nr. 19431 van mevrouw Jadin en vraag nr. 18234 van mevrouw Lambrecht worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

15 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het interview met Reuters" (nr. 18440)

15 Question de M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'interview accordée à Reuters" (n° 18440)

 

15.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, in een interview met Reuters geeft u uw visie op de vluchtelingeninstroom via de Middellandse Zee. U pleit er onder meer voor om vluchtelingen die via smokkelaars tot in Europa zijn geraakt meteen terug te sturen. Vluchtelingen die geen andere uitweg zien dan een smokkelaar te betalen, wilt u dus zonder meer terugsturen. Daarmee pleit u eigenlijk voor pushbacks. Dergelijke maatregelen druisen regelrecht in tegen het internationaal recht om asiel aan te vragen. Zomaar vluchtelingen terugsturen zonder dat men de vluchtelingen de kans heeft geboden asiel aan te vragen, kan niet. Mensen terugsturen naar gebieden waar hun leven in gevaar is, kan evenmin.

 

Ik hoef u er niet op te wijzen dat het er voor de asielprocedure niet toe doet hoe vluchtelingen in België of Europa zijn geraakt. Zelfs in het kader van de EU-Turkijedeal kunnen vluchtelingen pas terug worden gestuurd nadat ze de kans hebben gehad asiel aan te vragen.

 

Mijnheer de staatssecretaris, bent u, in het licht van die feiten, bereid terug te komen op uw idee om vluchtelingen die via een smokkelaar Europa bereiken, meteen terug te sturen?

 

Waarop wacht u om een extra inspanning te leveren op het vlak van hervestiging en relocatie? Zo kunt u, enerzijds, misschien al in een aantal gevallen vermijden dat vluchtelingen een smokkelaar betalen en, anderzijds, kunt u zo helpen de dramatische situatie in de hotspots, onder meer voor minderjarigen, te verbeteren.

 

15.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer De Vriendt, ik pleit al langer voor een uitbreiding van het antiverdrinkingsplan naar de volledige Middellandse Zee. Mijn overtuiging, gestaafd door feiten, is dat we dramatische toestanden enkel kunnen voorkomen, indien wij aan de migranten duidelijk maken dat een illegale boottocht naar Europa geen vrije toegang geeft tot het Europese grondgebied. Wij hebben immers kunnen vaststellen dat de irreguliere route van Turkije naar Griekenland heel snel opdroogde, zodra de opendeurpolitiek via de Balkanroute een halt werd toegeroepen en zodra de EU-Turkijedeal een feit was.

 

Zolang wij geen soortgelijke maatregelen kunnen nemen voor de centraal-mediterrane route, zullen migranten hun leven in de handen van meedogenloze smokkelaars blijven leggen.

 

Ik neem dan ook geen enkel woord terug van mijn interview met Reuters. U stelt correct dat het vandaag, conform de Europese jurisprudentie, niet toegelaten is om asielzoekers opgepikt door schepen onder Europees bevel, zonder meer weer af te zetten in een derde land.

 

Er kan echter over andere pistes worden nagedacht. Zo hebben de Europese staats- en regeringsleiders tijdens een top in Malta besloten dat moet worden ingezet op een samenwerking met de buurlanden van Libië, enerzijds, en op de ondersteuning van de Libische kustwacht, anderzijds. Dat moet de Noord-Afrikaanse landen in staat stellen om op grotere schaal zelf reddingsoperaties te ondernemen en migranten weer in veiligheid te brengen op de Noord-Afrikaanse kusten.

 

Dat beleid is bekrachtigd door de leiders van de 28 Europese lidstaten; geen pushbacks, maar take backs. Zoals ik steeds heb gezegd, kadert dat voor mij in een bredere visie op het Europees asielbeleid. Naast het zojuist geschetste kordaat grenzenbeleid zijn daarin ook de opvang in de regio en legale toegangswegen cruciale pijlers.

 

15.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, ik hoef u er toch niet aan te herinneren dat het geen regeringsstandpunt is om vluchtelingen die via smokkelaars tot in Europa zijn geraakt, terug te duwen. U hebt aan Reuters een standpunt gegeven dat, gelukkig, niet wordt gedragen door de Belgische regering noch door het internationaal recht. Bovendien moet u zich gewoon eens in de plaats stellen van personen die een oorlogssituatie willen ontvluchten en die vandaag geen andere uitweg zien dan een beroep te doen op een mensensmokkelaar om in veilig gebied te raken.

 

Nogmaals, uw visie is niet gedragen en ik prijs mij gelukkig daarvoor.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het gesloten centrum van Steenokkerzeel" (nr. 18997)

16 Question de M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "le centre fermé de Steenokkerzeel" (n° 18997)

 

16.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, in het gesloten centrum van Steenokkerzeel zijn er aparte kamers voor mensen die overnachten vlak voor hun terugkeervlucht of die een tijdelijk probleem hebben met het groepsleven. In een of meerdere van die kamers zijn naar verluidt geen ramen die open kunnen en is er geen andere vorm van verluchting.

 

Kunt u dit laten nazien en zonodig remediëren?

 

16.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer de voorzitter, het is inderdaad zo dat de ramen niet open kunnen, maar er is wel degelijk ventilatie in de kamers.

 

16.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, dat is een afdoend antwoord. U hebt dat laten verifiëren en het is in orde. Ik mag daarop vertrouwen

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16.04  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mag ik mijn vraag nr. 18849 stellen, zijnde een van de samengevoegde vragen met deze van de heer Hellings? Of heeft collega Hellings een vraag in die zin gesteld?

 

De voorzitter: Die vraag werd gesteld en dat incident is gesloten.

 

17 Vraag van de heer Wouter De Vriendt aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de wachttijden voor de asielprocedure van NBMV's" (nr. 19021)

17 Question de M. Wouter De Vriendt au secrétaire d'État à l'Asile et la Migration, chargé de la Simplification administrative, adjoint au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les délais d'attente pour la procédure d'asile des MENA" (n° 19021)

 

17.01  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, naar verluidt zijn sinds verschillende maanden de wachttijden voor de niet-begeleide minderjarigen erg lang. Soms duurt het een jaar of langer vooraleer zij voor het asielinterview bij het commissariaat-generaal worden opgeroepen.

 

Zowel voogden als experts wezen er in het verleden herhaaldelijk op dat dergelijke lange wachttijden tot erg veel onzekerheid bij de minderjarigen kunnen leiden.

 

Bovendien is het bij een negatieve beslissing ook veel moeilijker om hen terug te sturen. Via het onderwijs smeden minderjarigen snel banden met onze samenleving, zeker wanneer ze hier zolang op een beslissing moeten wachten.

 

Ten eerste, bevestigt u dat de wachttijden, zijnde de periode tussen de asielregistratie bij DVZ en het asielinterview bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor niet-begeleide minderjarigen momenteel erg lang duren? Hoelang zijn de wachttijden momenteel? Hoelang waren ze in 2015 en 2016?

 

Ten tweede, hoe verklaart u de lange wachttijden? Welke maatregelen zult u nemen?

 

Ten derde, zijn er in dat verband bij de niet-begeleide minderjarigen verschillen op het vlak van de wachttijd naargelang van de nationaliteit? Welke elementen spelen daarbij een rol?

 

Ten slotte, hoelang duurt meer in het algemeen momenteel de gemiddelde procedure voor de registratie tot de beslissing voor alle asielzoekers samen? Hoe is de duurtijd daarvan geëvolueerd sinds de verhoogde instroom in de zomer van 2015?

 

17.02 Staatssecretaris Theo Francken: Mijnheer De Vriendt, het is juist dat er een achterstand is ontstaan in de behandeling van asielaanvragen voor niet-begeleide minderjarige asielzoekers, in het bijzonder van niet-begeleide Afghanen.

 

Die achterstand heeft met een reeks factoren te maken.

 

Ten eerste, er is een heel sterke stijging van het aantal asielaanvragen in de tweede helft van 2015, waaronder een erg groot aantal asielaanvragen van personen die beweren minderjarig te zijn.

 

Door die heel sterke stijging was er eerst een achterstand op de dienst Voogdij ontstaan, zowel voor de bepaling van de leeftijd als voor de aanstelling van een voogd, nadat was vastgelegd dat de betrokken persoon effectief minderjarig is.

 

Spijtig genoeg moeten wij daaromtrent vaststellen dat ook vrij veel personen zich ten onrechte als minderjarige hebben voorgedaan.

 

Door de heel sterke stijging is ook een achterstand ontstaan in de behandeling van asielaanvragen.

 

Intussen zijn er maatregelen genomen om de problemen te verhelpen en opnieuw te komen tot een situatie waarbij voogden desgevallend snel worden aangesteld en asielaanvragen systematisch op korte tijd kunnen worden behandeld.

 

Er werden bijkomende middelen toegekend aan de dienst Voogdij, met als gevolg dat de achterstand voor de bepaling van de leeftijd en de aanstelling van voogden is weggewerkt. Er werden ook bijkomende middelen aan het CGVS toegekend voor het wegwerken van de achterstand. Het CGVS heeft een programma uitgewerkt om de achterstand weg te werken. Het CGVS is hiermee volop bezig. Over enkele maanden zal de achterstand hopelijk volledig zijn weggewerkt, al vrees ik dat het iets langer zal duren.

 

De achterstand wordt elke maand wat meer ingehaald.

 

Er zijn effectief verschillen naargelang van de herkomst van de betrokken personen; vooral jongeren van Afghaanse herkomst moeten langer wachten dan anderen. Dat heeft te maken met de zeer sterke stijging van Afghaanse niet-begeleide minderjarige vluchtelingen.

 

Al uw andere vragen zijn eigenlijk schriftelijke vragen. Ik kan u wel zeggen dat de gemiddelde termijn ongeveer zes maanden bedroeg vóór de crisis en nu zitten we op acht à tien maanden. Alle andere vragen kunt u misschien beter schriftelijk stellen.

 

17.03  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de staatssecretaris, ik heb geen cijfers gevraagd over de verschillen inzake wachttijd tussen nationaliteiten. Ik heb wel het algemene cijfer gevraagd voor de niet-begeleide minderjarigen. Hoelang zijn de wachttijden momenteel? Hoelang waren die in 2015-2016? Dat is een cijfervraag, maar ze past wel in de discussie over de problematiek.

 

Ik dacht dat u de gemiddelde wachttijd had gegeven, voor alle procedures. Ik zal uw antwoord er nog eens op nalezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.41 uur.

La réunion publique de commission est levée à 13.41 heures.