Commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing

Commission de la Santé publique, de l'Environnement et du Renouveau de la Société

 

van

 

Dinsdag 4 juli 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 4 juillet 2017

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.22 uur en voorgezeten door mevrouw Els Van Hoof.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.22 heures et présidée par Mme Els Van Hoof.

 

De voorzitter: Mevrouw de staatssecretaris, collega’s, ik stel voor dat wij van start gaan met de vergadering.

 

Er zijn heel wat vragen omgezet in schriftelijke vragen. De eerste vraag, vraag nr. 18859 van mevrouw Kattrin Jadin, zal worden gericht aan minister De Croo.

 

Als u het mij toestaat stel ik mijn eigen vraag vanaf de voorzitterstoel.

 

01 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de meldingen van discriminatie bij het IGVM" (nr. 19034)

01 Question de Mme Els Van Hoof à la secrétaire d'État à la Lutte contre la pauvreté, à l'Égalité des chances, aux Personnes handicapées, et à la Politique scientifique, chargée des Grandes Villes, adjointe au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les signalements de discrimination à l'IEFH" (n° 19034)

 

01.01  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de staatssecretaris, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen heeft een balans opgemaakt van de meldingen inzake discriminatie op grond van geslacht. De balans van 2016 oogt niet positief. Ten opzichte van 2015 nam het aantal meldingen toe met 18 %. Vooral de toename van het aantal klachten over werkgerelateerde discriminatie springt in het oog.

 

Het Instituut stelt zelf dat het aantal meldingen en klachten het gevolg is van de grotere bekendheid van het Instituut. Indien dat klopt, moet het Instituut nog meer aan bekendheid winnen, gelet op het feit dat er nog steeds een onderrraportering bestaat op het gebied van seksisme en discriminatie.

 

Ik wil u de volgende vragen stellen in verband met de cijfers.

 

Ten eerste, deelt u de analyse van het Instituut? Op welke manier zult u ervoor zorgen dat het Instituut nog meer aan bekendheid wint? Welke concrete initiatieven zult u nemen om de onderrapportering op het gebied van seksisme en discriminatie verder aan te pakken?

 

Ten tweede, uit de cijfers blijkt dat 2 % meer mannen de weg naar het Instituut gevonden hebben. De stijging is dus kleiner dan bij de vrouwen. Hoe verklaart u dat? Wat zult u doen om mannen die het slachtoffer worden van discriminatie ook aan te zetten naar het Instituut te stappen?

 

Het Instituut heeft nu meer klachten en meldingen te verwerken. Dat is een trend die zich de voorbije jaren systematisch doorzette. Zult u als gevolg daarvan meer middelen ter beschikking van het Instituut stellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel middelen, en voor wanneer plant u die?

 

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

 

01.02 Staatssecretaris Zuhal Demir: Collega Van Hoof, het is inderdaad mogelijk dat de toename van het aantal meldingen en klachten die het Instituut in 2016 ontving, toe te schrijven is aan de grotere bekendheid van het Instituut. Op dit moment werkt mijn kabinet zowel aan een sensibiliseringscampagne inzake seksisme als aan het Federaal Actieplan Gender en Werk.

 

Wat uw tweede vraag betreft, een mogelijke verklaring is dat de vrouwen binnen het grootste domein waarover het Instituut klachten ontvangt, namelijk werk, in alle fases van het arbeidsproces aangeven dat zij het slachtoffer worden van discriminatie. Bij de mannen zijn de meldingen vooral beperkt tot ongelijke behandelingen bij de aanwerving. Dat vrouwen op meer momenten tijdens hun loopbaan het slachtoffer van discriminatie kunnen worden, zou het hogere aantal meldingen van vrouwen kunnen verklaren.

 

In uw derde vraag stelt u dat het Instituut meer klachten en meldingen te verwerken heeft en dat die trend zich in de voorbije jaren systematisch heeft doorgezet. U vraagt of en tegen wanneer er meer middelen ter beschikking komen. Ik denk dat u met die middelen meer budget bedoelt. Ik kan antwoorden dat ik het goed vind dat meer mensen de weg vinden naar het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, maar ik zou toch wel willen vragen om voorzichtig om te gaan met de vraag naar meer middelen of meer budget. Ik vind namelijk dat wij een en ander ook eens moeten vergelijken met het buitenland. Enige benchmarking is niet verkeerd. U weet dat wij in ons land altijd goed zijn in het oprichten van allerlei instanties, die vervolgens gesubsidieerd worden en die zich met alle mogelijke vormen van discriminatie moeten bezighouden. Wij stellen echter vast dat discriminatie blijkbaar toch niet fatsoenlijk wordt aangepakt, want op dit moment stellen collega’s-ministers mysterycalls en praktijktesten voor. Om die reden meen ik dat wij, vooraleer wij nog meer middelen vragen, eerst eens met het buitenland moeten vergelijken. Nederland heeft naar mijn mening altijd een goede voortrekkersrol gespeeld inzake discriminatie. Welnu, in Nederland bestaat het College voor de Rechten van de Mens en die ene instelling is bevoegd voor elke vorm van discriminatie. In België bestaan er voor de strijd tegen discriminatie minstens drie onafhankelijke instellingen, namelijk Unia, Myria en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Dat laatste moet de discriminatie tussen vrouwen en mannen bestuderen en aanpakken.

 

Naast die drie instellingen kennen we in België nog de Privacycommissie, het Comité I en het Comité P, de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen en het Kinderrechtencommissariaat. Ik beperk mij hier nu tot de federale en de interfederale instellingen, de drie instellingen die ik vermeldde: Unia, Myria en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Daarnaast moet ook nog over de mensenrechten gewaakt worden en met mijn collega, minister Geens, denk ik erover na hoe wij dat kunnen organiseren.

 

Laten wij nu vergelijken met Nederland. Ik heb het jaarverslag van het College voor de Rechten van de Mens uit 2006 erbij genomen. Ik lees daarin dat in Nederland deze instelling 53 medewerkers telt, met een begroting van 6,74 miljoen euro. Ik denk wel dat wij kunnen zeggen dat Nederland steeds een voortrekkersrol heeft vervuld op het gebied van gelijkheidswetgeving en handhaving ervan en op het vlak van tewerkstelling van vrouwen en mensen met een migratieachtergrond.

 

Laten wij nu eens naar België kijken. In België beschikt Unia over 106 voltijdse medewerkers, Myria over 15 voltijdse medewerkers en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen over 38 voltijdse medewerkers. Samen beschikken zij over een budget van bijna 15 miljoen euro. In Nederland heeft het College voor de Rechten van de Mens 53 medewerkers en 6,74 miljoen euro. In België zijn er minstens drie instellingen, in totaal 106 plus 15 plus 38 medewerkers, in totaal een budget van 15 miljoen euro.

 

Ik wil dan ook omzichtig zijn vooraleer te spreken over extra budget en extra middelen. Misschien moeten wij eens gaan kijken naar deze drie instellingen. Als wij kijken naar het takenpakket, denk ik dat deze drie instellingen samen over voldoende personeel en budget beschikken om zich bij het publiek bekend te maken en de hun toegewezen opdrachten adequaat uit te voeren.

 

Op dit moment zou ik eerder zeggen dat wij misschien eens moeten bekijken of wij het niet efficiënter kunnen organiseren. Wij maken immers heel veel geld vrij, 15 miljoen euro. Dat is heel wat geld, zeker in vergelijking met Nederland. Wij moeten ook nog denken aan het mensenrechtenmechanisme, dat wij ook nog moeten oprichten. Laten wij dus vooral voorzichtig zijn en laten wij vooral bekijken waar de efficiëntiewinsten zitten en hoe wij ervoor kunnen zorgen dat die drie instellingen misschien een klein beetje meer met mekaar gaan samenwerken in plaats van naast mekaar.

 

U weet immers dat vrouwenrechten soms ook in het gedrang komen bij godsdienstrechten. Godsdienst zit bij Unia, vrouwenrechten zitten bij het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. En soms zijn er daar uiteenlopende uitspraken. Misschien moeten wij dus meer gaan samenwerken en kijken naar efficiëntiewinsten in plaats van zomaar nu reeds te zeggen dat wij de budgetten omhoog gaan trekken.

 

01.03  Els Van Hoof (CD&V): Ik dank u voor uw uitgebreid antwoord, mevrouw de staatssecretaris. Het is een debat waard, maar ik zal mij beperken tot een eerste reactie.

 

U zegt dat Nederland een voorbeeld is. U weet dat vrouwen op de arbeidsmarkt in Nederland allemaal deeltijds werken, door het gebrek aan kinderopvang. Er is dus wel wat discriminatie tussen mannen en vrouwen. Doordat er veel deeltijds wordt gewerkt, is er ook geen gelijkheid van loon. Door het schoolse systeem verschillen de verloven ook naargelang de regio. Er is te weinig kinderopvang. De vergelijking met Nederland op het vlak van de gelijkheid van mannen en vrouwen gaat dus niet helemaal op. Men kan beter kijken naar het Europese niveau.

 

Europa verplicht ons ertoe een Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen op te richten, voor het voeren van onafhankelijk onderzoek en klachtenbehandeling. Op Europees niveau is er een Genderinstituut. Het is niet voor niets dat men daar de vis niet verdrinkt in een globaal kruispuntdenken. Ik kan mij niet vinden in dat kruispuntdenken, omdat ik al ondervonden heb dat de vis verdronken wordt in dat kruispuntdenken, als het over de gelijkheid van mannen en vrouwen gaat. Die komt daarin namelijk het minst aan bod. Ook vorige week bleek dat nogmaals uit een toelichting in het adviescomité voor de Maatschappelijke Emancipatie. Het thema gelijkheid van man en vrouw wordt verdronken als men het onder een globale koepel van kruispuntdenken of ongelijke behandeling in het algemeen plaatst. Men moet daar echt voor oppassen. Men moet ook vergelijken op Europees niveau en niet alleen het Nederlandse voorbeeld nemen.

 

Ik kan wel begrijpen dat u kijkt naar het efficiëntiegegeven. Men moet nagaan hoe wij het beste onze doelstelling kunnen bereiken. Het kruispuntdenken blijkt echter niet de oplossing te zijn voor de gelijkheid tussen man en vrouw. Ik bekijk het even principieel. Ik zou dus de vis niet verdrinken in het geheel. Men moet ook op Europees niveau bekijken wat het Genderinstituut in Litouwen vandaag doet en ervoor zorgen dat die problematiek apart wordt benaderd, zodat de gelijkheid tussen man en vrouw ook door de federale overheid wordt aangepakt.

 

Ik kijk uit naar wat het mensenrechteninstituut zal betekenen. Ik versta dat wij internationaal met één stem moeten kunnen spreken en dat het mensenrechteninstituut daartoe een oplossing kan zijn, omdat het die zaken beter zal coördineren. Dat betekent echter niet dat de behandeling van de problematiek inzake de gelijkheid van man en vrouw op nationaal vlak, nu het Instituut bekender wordt en er meer meldingen en klachten zijn, moet verdwijnen. Wij moeten de mensen vooral op lokaal niveau inschakelen. Daarna kan er worden gedispatcht volgens de verschillende expertises.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs 19117 en 19118 van mevrouw Nahima Lanjri zijn omgezet in schriftelijke vragen.

 

02 Vraag van de heer Wim Van der Donckt aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de gevolgen van de zitpenningen van de bestuursleden van Samusocial voor de federale dotatie" (nr. 19142)

02 Question de M. Wim Van der Donckt à la secrétaire d'État à la Lutte contre la pauvreté, à l'Égalité des chances, aux Personnes handicapées, et à la Politique scientifique, chargée des Grandes Villes, adjointe au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "l'impact de la perception de jetons de présence par les administrateurs du Samusocial sur la dotation fédérale" (n° 19142)

 

02.01  Wim Van der Donckt (N-VA): Mevrouw de staatssecretaris, mijn vraag dateert van kort na het uitbreken van het schandaal bij de daklozenorganisatie Samusocial. Toen bleek dat de leden van de raad van bestuur het voorbije jaar samen zowat 60 000 euro aan zitpenningen hebben gekregen. De betrokkenen waren onder meer PS-kopstukken zoals burgemeester Yvan Mayeur en OCMW-voorzitster Pascale Peraita. Na de indiening van mijn vraag is er in de pers nog veel meer aan het licht gekomen. Men zou kunnen spreken van een soort zelfbediening door bepaalde mensen binnen de PS, niet alleen voor zichzelf maar ook voor directe familieleden.

 

Samusocial krijgt ook federale subsidies die bestemd zijn voor de winteropvang in tweede lijn van daklozen.

 

Mevrouw de staatssecretaris, graag had ik van u een antwoord gekregen op enkele vragen. Is er ondertussen volledige klaarheid over de vergoedingen aan de bestuurders van Samusocial? Is er volledige transparantie over de correcte geldstromen in de vzw? Werd er al dan niet federaal geld gebruikt om de bestuurders te betalen?

 

Een tweede vraag. Wat is uw mening over de riante vergoedingen die de bestuurders zich toe-eigenen? Is dat wel te verenigen met het onbaatzuchtig doel van de vzw en de inzet van talrijke vrijwilligers?

 

Ten derde, zal er ook vanuit het federale niveau een onafhankelijk onderzoek komen om de mogelijke misbruiken op te sporen en in de toekomst uit te sluiten?

 

02.02 Staatssecretaris Zuhal Demir: Collega Van der Donckt, er is hierover intussen al heel wat geschreven en gezegd. Er lopen heel wat onderzoeken inzake Samusocial. Ik heb in de plenaire vergadering al gezegd dat wat daar gebeurde aan de top van Samusocial – want laten we niet vergeten dat de maatschappelijk assistenten, de hulpverleners en de vrijwilligers zich eigenlijk dag in, dag uit honderd procent inzetten – zeker wat de zitpenningen betreft ronduit schandalig is.

 

Een aantal mensen hebben nu ook ontslag genomen. U verwijst daar al naar in uw vraag.

 

Op uw eerste twee vragen kan ik het volgende antwoorden. De federale overheid financiert al enkele jaren Samusocial. Wat mijn bevoegdheid betreft, financieren wij de daklozenopvang in tweede lijn in Brussel. Met mijn administratie en mijn kabinet heb ik er steeds over gewaakt dat de geldbedragen die wij overmaken, de subsidies die wij aan Samusocial geven, ook wel degelijk naar daklozen gaan. De subsidies dienen voor nachtopvang, een slaapplaats, een douche, de eerste medische verzorging en voeding. Samusocial moet ook elk jaar een eindrapport over zijn activiteiten bezorgen aan het kabinet. Dit jaar heb ik het rapport nog niet ontvangen. Wij hebben het nog niet gekregen, maar wij zullen lijn per lijn nagaan of de subsidies die wij aan Samusocial hebben gegeven, wel degelijk naar de daklozen zijn gegaan.

 

Wat uw vraag over de riante vergoedingen van de bestuurders betreft, daarop is zowel door de eerste minister als door mijzelf al in de plenaire vergadering geantwoord. Wij moeten immers altijd opletten. Samusocial is tot op heden een private organisatie. Ik vind sowieso dat een organisatie die met zoveel subsidies werkt, beter onder een overheid valt. Dan is er ook wat controle. In de raad van bestuur zaten ook alleen maar bestuurders van PS-signatuur. In ieder geval, wie in die mate zitpenningen aan zichzelf toekent, wetende dat dit geld eigenlijk dient voor mensen die zelfs geen dak boven hun hoofd hebben, moet als persoon, niet enkel als politicus, eens nadenken en ’s avonds eens in de spiegel kijken om te zien of hij zich nog goed voelt.

 

Wat heb ik gedaan? Op 7 juni heb ik aan de Inspectie van Financiën een grondige doorlichting gevraagd, die betrekking heeft op de federale subsidies die wij geven aan de vzw Samusocial. Later in die week werd door de Ministerraad een mandaat gegeven aan minister Wilmès om dat onderzoek uit te breiden naar andere federale subsidies aan de vzw Samusocial, want niet alleen ik maar ook andere collega’s, zoals Theo Francken en Maggie De Block vanuit hun bevoegdheden, geven subsidies aan Samusocial.

 

Ik kan u verder nog meegeven dat binnen het Brussels Parlement een parlementaire onderzoekscommissie werd opgericht. U begrijpt dat ik de uitkomst van dit alles wens af te wachten vooraleer ik verder een standpunt zal innemen.

 

Ik wil het eindverslag van Samusocial nog ontvangen voor de daklozenopvang van dit jaar. Collega Wilmès is eveneens met een uitgebreid onderzoek bezig. Er werd een opdracht gegeven aan de Inspectie van Financiën. Laten we dit onderzoek afwachten vooraleer verdere stappen te zetten.

 

Wat de daklozenopvang in Brussel betreft, zal ik het budget niet schrappen. Wij zullen die daklozenopvang ook blijven organiseren, want de daklozen mogen niet het slachtoffer worden van heel het steekspel dat op Brussels niveau aan de gang is.

 

02.03  Wim Van der Donckt (N-VA): Mevrouw de staatssecretaris, uw antwoord stelt mij gerust en ik zal hierop dan ook niet verder ingaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Aangezien wij nog in blijde verwachting zijn van de heren Gilles Vanden Burre en Gautier Calomne, stel ik voor over te gaan tot de volgende vragen.

 

Vraag nr. 19300 van mevrouw Nahima Lanjri wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 19305 van de heer Wim Van der Donckt wordt ingetrokken. Vraag nr. 19464 van de heer Jean-Jacques Flahaux wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

03 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de genitale verminking" (nr. 19704)

03 Question de Mme Els Van Hoof à la secrétaire d'État à la Lutte contre la pauvreté, à l'Égalité des chances, aux Personnes handicapées, et à la Politique scientifique, chargée des Grandes Villes, adjointe au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les mutilations génitales" (n° 19704)

 

03.01  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de staatssecretaris, vorige week en ook gisteren nog konden wij in de media vernemen dat u naar aanleiding van de zomervakantie twee initiatieven neemt om de strijd tegen vrouwelijke genitale verminking op te voeren.

 

U werkt aan een meldcode die ervoor moet zorgen dat bij genitale verminking meer professionals van hun spreekrecht gebruikmaken en dat zij niet zwijgen uit voorzorg.

 

Samen met de minister van Buitenlandse Zaken, Didier Reynders, werd het reisadvies voor vierentwintig risicolanden aangepast. Reizigers wordt duidelijk gemaakt dat wie genitale verminking op een minderjarige uitvoert, vergemakkelijkt of bevordert, in ons land vervolging riskeert, ook wanneer de verminking in het buitenland heeft plaatsgevonden. Het gaat dus om een waarschuwing. Om ze echter hard te kunnen maken, kijkt u in de richting van de medische wereld. Het aantal meldingen door artsen van genitale verminking is tot op de dag van vandaag immers onaanvaardbaar verwaarloosbaar. In tegenstelling tot wat vele artsen geloven, is het melden van gevallen van genitale verminking geen schending van het beroepsgeheim.

 

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.

 

Naar aanleiding van uw beleidsnota gaf u al mee dat u achter mijn wetsvoorstel rond de uitbreiding van het beroepsgeheim staat, ook wanneer het om volwassen vrouwen gaat en inzake de registratie van het aantal gevallen.

 

Ten eerste, kan u verduidelijken waaruit de meldcode bestaat? Hoe spoort ze met een casusoverleg dat door minister Geens is ingevoerd?

 

Ten tweede, hoe garandeert u dat de betrokkenen het reisadvies consulteren?

 

Ten derde, ik heb nog een aanbeveling. Zou het niet beter zijn te handelen zoals in Nederland – ik moet positief naar Nederland verwijzen –, waar asielzoekers uit risicolanden meteen worden geïnformeerd over het vervolgingsbeleid ter zake?

 

Er is een interessant project uitgevoerd, dat door de Europese Unie is ondersteund. Het heet “Men Speak Out”. Wij moeten mannen immers bij het geheel betrekken. Het project boekt in Nederland veel betere resultaten dan in België op het vlak van de prevalentie van vrouwelijke genitale verminking. Zij worden er immers beter geïnformeerd. Op het moment dat zij Nederland binnenkomen, wordt bij de asielprocedure aangegeven dat zo’n verminking in Nederland strafbaar is.

 

Er wordt geprobeerd de mannen actief bij workshops te betrekken om hen duidelijk te maken dat wat er gaande is, niet kan. Meestal zijn zij ook niet op de hoogte van het feit dat genitale verminking zulke gezondheidsrisico’s met zich brengt. Er wordt in een gezin gewoon niet over gesproken. Dat is uit die studie gebleken en dat is heel interessant.

 

Wij zijn ter zake ook bezig met een project in samenwerking met GAMS. Dat verdient meer aandacht. Immers, zonder de mannen erbij te betrekken, zullen wij er niet geraken.

 

Overweegt u ter zake overleg met uw collega Francken?

 

Het zou heel interessant zijn om op die manier te werk te gaan en dus van bij de aanvang een informatiebeleid te voeren en dus aan inwoners van landen waar de prevalentie het hoogst is, duidelijk te stellen dat het om een onaanvaardbare praktijk gaat, dat zij binnen hun gezin erover moeten spreken en ervoor moeten zorgen dat het niet met hun kinderen gebeurt.

 

03.02 Staatssecretaris Zuhal Demir: Mevrouw Van Hoof, ik had tijdens mijn beleidsverklaring inderdaad al verwezen naar uw wetsvoorstel, maar ik denk dat ook andere Parlementsleden andere wetsvoorstellen hebben ingediend met betrekking tot vrouwelijke genitale verminking. Ik krijg nu plots ook heel wat vragen over de mannelijke besnijdenis. Wij moeten echter prioriteiten stellen en de eerste is het bestrijden van vrouwelijke genitale verminking.

 

Ik heb inderdaad een oproep aan de artsen gelanceerd om gevallen van vrouwelijke genitale verminking te melden. Dit valt nu reeds onder hun spreekrecht, gelet op artikel 458bis van het Strafwetboek. Ook artikel 422bis met betrekking tot schuldig verzuim kan van toepassing zijn.

 

Uw wetsvoorstel verruimt het spreekrecht en dat kan ik alleen maar aanmoedigen. Ik hoop dan ook dat de amendementen waarover de Raad van State opmerkingen had snel kunnen worden aangepast, zodat dit voorstel wet kan worden.

 

Ook in dezen doe ik inspiratie op in Nederland. In het kader van partnergeweld wordt gedacht aan het volgende systeem. Concreet wordt een eenvoudige fiche opgesteld van één bladzijde waarin duidelijk wordt uitgelegd wat wel en wat niet kan, zodat artsen onmiddellijk kunnen uitmaken wanneer bepaalde zaken kunnen worden gemeld.

 

In geval van twijfel wordt een beroep gedaan op een meldcode die erin bestaat dat enkele stappen worden doorlopen waarna artsen kunnen beslissen om een feit van intrafamiliaal geweld al dan niet te melden.

 

Vorig jaar vond er al een overleg plaats met de verschillende beroepsverenigingen. Zodra de meldcode afgerond is, wil ik dit ook uitbreiden naar seksueel geweld en genitale verminking, uiteraard in overleg met de beroepsgroepen.

 

De uitbreiding van het spreekrecht ingevolge uw wetsvoorstel past perfect in de meldcode en zal dan ook in de one pager worden opgenomen, aangezien ook hier niet alle professionals de wetgeving kennen of toepassen.

 

De meldcode heeft niet als doel een casusoverleg mogelijk te maken. Casusoverleg moet, zoals bepaald in artikel 428ter van het Strafwetboek, ofwel bij wet of bij decreet worden vastgelegd, ofwel lokaal door de machtiging van de procureur des Konings. Ook hier kan de meldcode naar de mogelijkheid van een casusoverleg verwijzen. Ik denk dat dit elkaar niet tegenspreekt.

 

De aanpassing van het reisadvies was een expliciete vraag van het middenveld omdat het vooral ouders kan helpen die onder druk worden gezet door de gemeenschap om hun dochter te besnijden. Wanneer zij in het thuisland met vakantie zijn, kunnen zij tegen de gemeenschap zeggen dat als zij hun dochter verminken, zij het risico lopen zwaar vervolgd te worden in België. Het feit dat zij gestraft kunnen worden, blijkt al een goed afschrikmiddel te zijn voor hen en voor hun gemeenschap.

 

De aanpassing zelf werd ook met het middenveld besproken, waardoor zij dit verder kunnen verspreiden. Het is mijn bedoeling om deze maatregel verder te verspreiden naar scholen en andere organisaties die dergelijke zaken kunnen detecteren.

 

In het kader van de uitvoering van het nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld zijn al heel wat maatregelen genomen om beter om te gaan met genitale verminking bij asielzoekers. Van april tot juni 2017 werden door de vzw GAMS vormingen over vrouwelijke genitale verminking gegeven aan het personeel van Fedasil en het Rode Kruis.

 

Het is cruciaal dat men zulke vormingen kan volgen alvorens de asielzoekers zelf te informeren. Ik ben het met u eens dat het project Men Speak Out een positieve impact heeft en ik ben dan ook van plan om met mijn collega, staatssecretaris Francken, te overleggen om dat project bij de asielzoekers in België te implementeren, nu de vorming van het personeel van Fedasil en van het Rode Kruis achter de rug is.

 

03.03  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de staatssecretaris, ik ben tevreden met uw antwoord.

 

Een holistische benadering, waarbij preventie, sensibilisering en repressie één geheel vormen, is nodig om ervoor te zorgen dat deze praktijken verdwijnen. Repressie werkt inderdaad preventief en sensibiliserend. Zoals u zegt, schrikt men wanneer men ter plaatse zegt dat het in België wordt bestraft. Men heeft immers dikwijls, zoals in Mali, geen eigen strafrecht ter zake. Het is belangrijk dat wij op die manier sensibiliseren.

 

Wat de bestraffing betreft, men zal zijn eigen moeder, tante of grootmoeder uiteraard niet aangeven. Dat is het grote probleem. Hoe gaat u daarmee om? Ik denk dat die meldcode interessant is, maar nog interessanter is het casusoverleg. Als kinderen van die landen bijvoorbeeld bij Kind & Gezin komen, worden zij opgevolgd. Na een tijd komen zij echter niet meer. Hoe wordt dat dan opgevolgd?

 

Dat is de vraag, die ook huisartsen zich stellen. Met het casusoverleg kunnen wij er wel voor zorgen dat alle netwerken worden gesloten, om ook het gezin op te volgen. Eenmaal het gezin niet meer wordt opgevolgd door Kind & Gezin, wat gebeurt er dan met het kind? Het casusoverleg zou ter zake, zeker voor de praktijk van genitale verminking, een zeer interessant instrument kunnen zijn om ervoor te zorgen dat ook die gezinnen worden opgevolgd, niet alleen als de kinderen minder dan drie jaar zijn maar ook bij nieuwe bevallingen, en dit samen met de gynaecoloog. Het is pas op die momenten dat men genitale verminking vaststelt, niet op andere momenten. Het casusoverleg zou heel nuttig kunnen zijn ter zake.

 

Ten derde, u hebt de verenigingen GAMS en Intact vermeld. Zij doen zeer zinvol werk en dat zeg ik niet om hen te paaien, maar wel omdat het heel belangrijk is dat er op het terrein organisaties samenwerken met die vrouwen. Men kan niet alleen met het bestraffend wit vingertje werken. In Antwerpen zijn er opvangcentra mee bezig, maar dat is veel te ver voor West-Vlaanderen. Wij moeten heel sterk op het terrein werken om ook asielzoekers uit die landen te informeren dat eens zij hier geïntegreerd zijn, zulke praktijken niet kunnen. In Kenia, bijvoorbeeld, heeft men heel sterk gesensibiliseerd en worden baby’s niet meer verminkt, maar als vrouwen gaan huwen worden zij alweer beschouwd als zijnde niet rein en dus wordt die praktijk toegepast op latere leeftijd. Vandaar ook het wetsvoorstel om dit uit te breiden naar volwassen vrouwen, vermits de praktijk gaat verschuiven naar een latere leeftijd, wat niet de bedoeling is. Wij moeten zeer alert zijn, ook voor oudere vrouwen.

 

Het is goed dat u Men Speak Out aanhaalt. Wij moeten de mannen erbij betrekken. Zij zijn meestal niet op de hoogte en vallen uit de lucht. Het zijn de vrouwen die het doen omwille van de mannen, maar het wordt niet ter sprake gebracht. Het is interessant om daarop te werken en ook in België mannen te betrekken bij het project.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- M. Gilles Vanden Burre à la secrétaire d'État à la Lutte contre la pauvreté, à l'Égalité des chances, aux Personnes handicapées, et à la Politique scientifique, chargée des Grandes Villes, adjointe au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "les discriminations des femmes sur le marché du travail" (n° 19221)

- Mme Els Van Hoof à la secrétaire d'État à la Lutte contre la pauvreté, à l'Égalité des chances, aux Personnes handicapées, et à la Politique scientifique, chargée des Grandes Villes, adjointe au ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, sur "le rapport sur l'écart salarial entre les femmes et les hommes en Belgique" (n° 19699)

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Gilles Vanden Burre aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt" (nr. 19221)

- mevrouw Els Van Hoof aan de staatssecretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een beperking, en Wetenschapsbeleid, belast met Grote Steden, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, over "het rapport over de loonkloof tussen vrouwen en mannen in België" (nr. 19699)

 

04.01  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de staatssecretaris, het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen heeft recent het loonkloofrapport voor 2017 gepubliceerd. Daaruit blijkt dat dezelfde patronen die de voorbije jaren werden vastgesteld, blijven verder bestaan. Het zijn vooral achterhaalde genderstereotypes die aan de basis liggen van de loonkloof. Ze hebben een bepalende invloed op de studie- en beroepskeuzes van jongens en meisjes, en sturen nog steeds de ongelijke verdeling van zorgtaken in het gezin.

 

De vaststellingen uit het loonkloofrapport die ik het meest frappant vind, zijn de volgende. De loonkloof tussen mannen en vrouwen is het grootste bij de hoogst opgeleiden. Alleenstaande moeders met kinderen verdienen als groep het minste. Van de verschillende origines verdienen vrouwen uit Maghreblanden het minst, gevolgd door vrouwen uit andere Afrikaanse landen. Bovendien verdienen zij ook minder dan mannen met dezelfde afkomst.

 

De naar mijn mening meest opvallende beleidsaanbevelingen van het Instituut zijn het geven van een ruimere bevoegdheid aan de Sociale Inspectie inzake alle vormen van discriminatie in ondernemingen, het verbeteren van het evenwicht tussen werk en gezin voor zowel vrouwen als mannen, het aanpakken van de segregatie op de arbeidsmarkt bij de roots, namelijk bij de achterhaalde genderstereotypes en dit in beide richtingen, namelijk niet enkel voor de stereotypes die vrouwen benadelen, maar ook voor de clichés die mannen parten spelen.

 

Daarom wil ik de volgende vragen stellen. Bent u het eens met de aanbevelingen van het Instituut met betrekking tot de ruimere bevoegdheid voor de Sociale Inspectie voor alle vormen van discriminatie? Zo ja, hoever mag dit volgens u gaan? Hoe zal u in dit dossier samenwerken met uw collega, de minister van Werk, Kris Peeters? Hoe wilt u vanuit uw bevoegdheid de strijd aanbinden tegen genderstereotypes? Dringen er zich bijkomende maatregelen op gezien de hardnekkigheid van deze clichés? Zal u met uw actieplan Gender At Work deze stereotypes bestrijden? Zo ja, hoe wil u dat doen? Tegen wanneer mogen we het actieplan verwachten?

 

04.02 Staatssecretaris Zuhal Demir: Mevrouw Van Hoof, uw vragen zijn gerelateerd aan het loonkloofrapport dat het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen onlangs publiceerde. De gepubliceerde cijfers zijn verontrustend en tonen aan dat het probleem van de genderongelijkheid nog lang niet is verdwenen. Voor een deel kan het grote aantal meldingen wel worden verklaard door een grotere bekendheid van het Instituut.

 

Wat een eventuele aanpassing van de antidiscriminatiewetgeving betreft, werd op 19 juni het evaluatieverslag van de commissie van experts betreffende de federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie overgemaakt aan de federale Kamers. De implementatie van deze evaluatie komt overeenkomstig artikel 52, § 1 van de wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie toe aan het Parlement. Dit artikel bepaalt dat om de vijf jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, de wetgevende Kamers de toepassing en de doeltreffendheid van deze wet evalueren, alsook van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, en van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden.

 

U weet dat de antidiscriminatiewetgeving al door mijn voorgangers, waaronder mevrouw Milquet, had moeten worden geëvalueerd. Men heeft nagelaten om dat te doen en daarom hebben wij een expertencommissie gevraagd om die evaluatie  te maken. Het kabinet heeft daaraan getrokken.

 

Er is trouwens ook heel veel tamtam geweest over de vertaling en dat betreur ik. Er was een zeer uitgebreid evaluatieverslag opgesteld door die commissie, maar dan rees de vraag wie dat zou vertalen. U moet weten dat wij een budget van 25 000 euro, toch een miljoen Belgische frank, hadden overgemaakt aan degene die het secretariaat van dat evaluatieverslag zou verzorgen. Dat was Unia, dat boven op de gewone subsidies nog eens 25 000 euro kreeg om zich bezig te houden met het secretariaat van die evaluatie. Dan is er veel tamtam geweest omdat er geen vertaling was. Ik vind dat heel spijtig, want ik heb dat allemaal in de kranten moeten lezen. Ik heb dan ook onmiddellijk contact opgenomen met de Kamervoorzitter, omdat het verslag bedoeld was voor de federale Kamers. Ik heb gevraagd of de diensten hier misschien de vertaling konden verzorgen en ik wil de diensten van de Kamer bedanken omdat zij voor die vertaling hebben gezorgd. Die vertaling is klaar. Het evaluatieverslag van de experten rond de antidiscriminatiewetgeving is klaar. Het is nu aan de Kamer om daarover een oordeel te vellen of hoorzittingen rond te organiseren.

 

Mijn kabinet werkt momenteel ook verder aan het opstellen van een Federaal Actieplan Gender en Werk. Dit actieplan is opgebouwd rond vijf prioritaire en complementaire assen. Een eerste as betreft de strijd tegen genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt, met aandacht voor een betere bescherming van vrouwen bij zwangerschap en moederschap op het werk. Een tweede as betreft de deconstructie van genderstereotypering op de arbeidsmarkt. Een aandachtspunt hierbij is onder andere het doorbreken van het rollenpatroon, zowel bij laaggeschoolde jobs als bij jobs in wetenschappelijke richtingen. De verschillende bijdragen vanuit het middenveld worden momenteel geanalyseerd. Er wordt gewerkt aan een ontwerp. Samen met mijn partners in de federale regering wil ik bekijken welke mogelijkheden we hebben om dit actieplan ten uitvoer te brengen.

 

Ik ben er voorstander van om van de strijd tegen discriminatie op de arbeidsmarkt een prioriteit te maken. We moeten echter vermijden het debat eenzijdig te voeren, want discriminatie op de arbeidsmarkt heeft met verschillende componenten te maken. Wij kunnen niet zeggen dat de werkgevers alleen maar discrimineren. Wij moeten ook nagaan hoe het met de kandidaat zit, de taal, de scholing, enzovoort. Ook daarvoor moeten wij een tandje bij steken.

 

Ik heb destijds als Parlementslid met de meerderheidspartijen een resolutie daarover opgesteld. De strijd tegen discriminatie op de arbeidsmarkt moet worden gevoerd in onderling vertrouwen en in overleg met de sociale partners, want het zijn de sociale partners, en vooral de werkgevers, die over de streep moeten worden getrokken om daarvan een punt te maken. Daarbij is ook het systeem van zelfregulering en zelfcontrole belangrijk. Dat moet worden uitgewerkt en er moet in termijnen worden voorzien. In geval van discriminatie is een bijsturing nodig. Ik heb altijd gezegd dat er binnen die context van zelfcontrole en zelfregulering ruimte kan zijn voor gerichte controles tegen hardleerse bedrijven.

 

In navolging van de resolutie tot invoering van gerichte controles inzake discriminatie op de arbeidsmarkt, die op 22 mei 2015 door de meerderheidspartijen werd goedgekeurd, heeft mijn collega Kris Peeters een wetsontwerp klaar. Op 15 juni 2017 heb ik aan mijn collega Peeters gemeld dat ik bereid ben tot een overleg daarover. Ik betreur wel dat ik vandaag in De Standaard heb gelezen dat de werkgeversorganisaties stilzitten als het over die problematiek gaat. Dat is niet waar. Dat klopt niet. Ik weet dat de werkgeversorganisaties gezamenlijk werken aan een breed gedragen actieplan rond discriminatie. Ik heb begrepen dat wij de details daarvan zeer spoedig zullen vernemen. Ik kijk ernaar uit. Ik heb de werkgeversorganisaties gezegd dat zij een systeem van zelfregulering en zelfcontrole moeten uitwerken.

 

Bij mijn weten zijn zij daarmee bezig en zullen zij zeer snel de details daarvan met ons kunnen doornemen.

 

Ik wacht de resultaten af. Ik vermoed dat mijn collega Kris Peeters dat ook doet.

 

Wat discriminatie betreft, er is ook omgekeerde discriminatie. Er werd in deze commissie een vraag ingediend over het feit dat een werkneemster weigerde te gaan werken bij een homokoppel. Ik vind dat ook discriminatie. Dit is een fenomeen, naar ik begrepen heb van Federgon en Unia, dat wij nog niet moeten dramatiseren, maar wij leven in een multiculturele samenleving en dat fenomeen neemt toe. Ook die vorm van discriminatie bestaat, een werkneemster die werkt via dienstencheques en die zegt dat zij niet wil werken bij een homokoppel. Dat is effectief gebeurd. Ook dat is discriminatie. Ook dat kan natuurlijk niet.

 

04.03  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de staatssecretaris, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord. Ik meen dat wij inzake de evaluatie van de discriminatiewetgeving de diensten moeten danken voor de vertaling, waardoor wij het debat verder kunnen voeren.

 

Naar aanleiding van deze evaluatie is er deze namiddag in de commissie voor de Maatschappelijke Emancipatie een hoorzitting over werk en vrouwen. Er zijn verschillende gelegenheden om dit debat verder te voeren.

 

Voor de finalisering van uw Federaal Actieplan Gender en Werk is er geen timing, zo heb ik vernomen. Dat plan blijft hangende?

 

04.04 Staatssecretaris Zuhal Demir: Het moet nog naar collega Vandeput en naar collega Peeters. Vandaar dat het wat moeilijk is om een timing te bepalen. Ik kan u wel verzekeren dat ik het nodige tempo zal aanhouden.

 

04.05  Els Van Hoof (CD&V): Ik weet, mevrouw de staatssecretaris, dat u vooral kijkt naar de werkgevers en dat u wil dat zij aan zelfregulering doen. Wij wachten al lang. Het tijdsbestedingsonderzoek van onder andere de VUB geeft telkens opnieuw aan dat de hardnekkige taakverdeling tussen mannen en vrouwen blijft bestaan, en doorgezet wordt op de arbeidsmarkt. Ik meen dat wij absoluut werk moeten maken van campagnes inzake genderstereotypering, niet zozeer gericht op vrouwen maar ook op mannen.

 

Er zijn heel wat goede voorbeelden van mannen die zorgtaken opnemen. Zij komen steeds meer naar buiten en wij moeten ze ondersteunen, om ervoor te zorgen dat de klik ontstaat dat taken door mannen en vrouwen kunnen worden opgenomen, en dat terwijl men zich nu wat te gemakkelijk tot vrouwen richt, men zich ook tot mannen gaat richten. Ondersteunen wat de grote patronen doorbreekt, zou innoverend kunnen zijn in vergelijking met de voorbije veertig jaar.

 

Ook het aspect allochtone vrouwen en de hardnekkige stereotypering ter zake is een element. Slechts 30 % van hen is op de arbeidsmarkt, wat ook de loonkloof verklaart.

 

Ik weet dat u daarvoor gevoelig bent. Ik hoop dat u het thema niet loslaat. U wou het al in uw hoedanigheid van Parlementslid, maar nu, in uw hoedanigheid van staatssecretaris, kunt u stenen verleggen. Ik zou u dus graag willen oproepen met het dossier door te gaan, ook in uw hoedanigheid van staatssecretaris.

 

Er is inderdaad het element van de zelfregulering, maar dat gaat de instrumenten van de overheid niet uit de weg die een hefboom kunnen betekenen en ervoor kunnen zorgen dat werkgevers spontaan, door die hefbomen, die mentaliteit zullen incorporeren.

 

Ik weet dat u geen voorstander van quota bent. Quota hebben er echter wel voor gezorgd dat die spontaniteit er vandaag wel is. Misschien worden quota daarna wel overbodig.

 

Hetzelfde geldt voor andere instrumenten ter zake.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 19266 van de heer Gautier Calomne wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Wij zijn aan het einde van onze agenda gekomen.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.07 uur.

La réunion publique de commission est levée à 11.07 heures.