Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 5 juli 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 5 juillet 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.35 uur en voorgezeten door mevrouw Annick Lambrecht.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.35 heures et présidée par Mme Annick Lambrecht.

 

01 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de digitale justitie" (nr. 19513)

01 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la justice numérique" (n° 19513)

 

01.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, de Orde van Vlaamse Balies heeft begin juni samen met de Waalse collega’s van de OBFG een online applicatie gelanceerd die toelaat om alle gerechtelijke stukken online in te dienen, DPA-deposit genaamd. In het beste geval worden stukken gewoon digitaal doorgestuurd naar de rechtbank, maar dat kan alleen als de rechtbank aangesloten is op de applicatie e-Deposit. Bijna een jaar geleden is de overheid begonnen met de uitrol van die applicatie, die zelf bekijkt wat er kan gebeuren met de stukken.

 

Ik heb een aantal vragen in verband met deze lancering.

 

Kan u nadere toelichting geven bij dit project?

 

Bestaat er een overeenkomst tussen enerzijds de beroepsgroep van advocaten en anderzijds Justitie? Zo ja, wat zijn de modaliteiten van deze overeenkomst?

 

Welke rechtbanken zijn momenteel nog niet uitgerust met de applicatie? Tegen wanneer moet de uitrol volledig zijn?

 

Wat met burgers die geen advocaat onder de arm nemen? Hebben ook zij de mogelijkheid tot die digitale toegang? Zo neen, zal dat in de toekomst mogelijk gemaakt worden?

 

Zal het project geëvalueerd worden?

 

01.02 Minister Koen Geens: Op 22 juni 2016 werd een samenwerkingsprotocol gesloten tussen de FOD Justitie, de juridische beroepen en de minister van Justitie. In dit protocol werden afspraken gemaakt over de samenwerking inzake tien digitaliseringsprojecten. Voor een optimale digitale informatie-uitwisseling werd ook afgesproken dat de drie juridische beroepsgroepen elk over een centraal platform moesten beschikken. Het notariaat en de gerechtsdeurwaarders beschikten reeds over een dergelijk platform.

 

De advocatuur heeft nu haar eigen platform gelanceerd met DPA-deposit. DPA staat voor Digital Platform for Attorneys. Het platform werd opgericht door de OVB en de OBFG en is een centraal communicatieplatform voor advocaten waarlangs alle communicatie digitaal kan verlopen, niet alleen naar rechtbanken en hoven maar ook naar andere advocaten, cliënten, experts enzovoort.

 

Conform en in het kader van het protocol heeft de advocatuur gesprekken aangeknoopt met het notariaat en de gerechtsdeurwaarders, die beiden reeds langer een eigen platform hebben, om na te gaan of zij hun onderlinge communicatie over hun platformen kunnen laten verlopen. Met de opstart van dit platform zet de advocatuur een reuzenstap vooruit inzake digitalisering.

 

Waar het DPA het centraal platform is van de advocatuur waarop verschillende applicaties kunnen draaien die nuttig en noodzakelijk zijn voor een advocaat van vandaag en de toekomst, is e-Deposit de specifieke applicatie van Justitie die toelaat om bij de rechtbanken die ermee zijn uitgerust, digitaal conclusies neer te leggen. Technisch worden deze platformen gekoppeld zodat ze kunnen worden gebruikt om wederzijds, op veilige manier, end-to-end te communiceren.

 

In de praktijk houdt dit in dat bijvoorbeeld een conclusie vanuit de software voor advocaten kan worden neergelegd in het juiste dossier van de griffie. Het DPA-platform laat natuurlijk meer toe dan e-Deposit. RegSol, het centraal curatordossier, is er bijvoorbeeld ook op aangesloten, maar ook de link naar het Rijksregister, enzovoort.

 

De hoven en rechtbanken die momenteel zijn aangesloten, zijn de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van koophandel, de rechtbanken van eerste aanleg die piloot zijn – Antwerpen, Luik, Namen en Gent –, de vredegerechten die piloot zijn – Antwerpen, eerste en tweede kanton; Charleroi, tweede kanton; Tubeke; Châtelet, Herne, Marche-en-Famenne, Nijvel en Sint-Pieters-Leeuw. Stelselmatig worden alle andere rechtbanken aangesloten zodat het in de loop van 2018 mogelijk zal zijn, bij alle rechtbanken die deel uitmaken van de rechterlijke orde, conclusies elektronisch neer te leggen.

 

De burgers die geen advocaat hebben aangesteld, kunnen al van bij de start gebruik maken van e-Deposit via de website van de FOD Justitie. Hier kunnen zij gratis conclusies en stukkenbundels neerleggen. Het behoort tot mijn beleid dat de burger die zelf zijn zaak wil behartigen, dezelfde mogelijkheden krijgt. Dat is zo voor e-Deposit, maar ook voor het neerleggen van schuldvorderingen in de RegSol-applicatie.

 

Wat betreft de evaluatie, moet ik u zeggen dat voor alle ICT-projecten geldt wat de slogan is van sommige bedrijven, ze gebeurt elke dag. De tevredenheid van honderdduizenden gebruikers moet men elke dag opnieuw verdienen.

 

01.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mevrouw de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Ik onthoud dat dit een grote stap vooruit is voor de advocatuur en dat alle rechtbanken in de loop van 2018 aangesloten zouden moeten zijn op e-Deposit. Dit betekent een belangrijke efficiëntiewinst voor iedereen die werkt met en voor Justitie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de ouderverstoting" (nr. 19514)

02 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "l'aliénation parentale" (n° 19514)

 

02.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, in ons land hebben wij al meer dan tien jaar de wet op het verblijfsco-ouderschap. Dit houdt in dat de rechter bij voorrang moet onderzoeken of een verblijfsco-ouderschap in het belang is van het kind als één van de ouders dat vraagt. U kent mijn standpunt daarover: “bij voorrang” geeft nogal wat problemen op het terrein en zorgt voor verschillende toepassingen door de rechters. Daarom diende ik een voorstel in om “bij voorrang” te schrappen.

 

In antwoord op een eerdere vraag hebt u gesteld dat er binnenkort een evaluatie zou worden gehouden van de wetgeving inzake co-ouderschap. De wet rond verblijfsco-ouderschap voorziet ook in een aantal artikelen voor het geval één van de ouders de rechterlijke beslissing niet uitvoert. Dan bepaalt de wet dat de beslissing met betrekking tot het verblijf kan worden omgekeerd of dat een dwangsom kan worden opgelegd. Van wat ik daarover weet en lees, blijken deze artikelen in de praktijk weinig te worden gebruikt. Toch komt het vaak voor dat beslissingen niet worden nageleefd en kinderen lange tijd de andere ouder niet zien, met vervreemding tot gevolg. Recent stelde de Britse therapeute Karen Woodall dat kinderen die na een scheiding één van de ouders niet meer wilden zien, zo snel mogelijk weer bij die ouder moeten worden geplaatst.

 

Ten eerste, wat is de stand van zaken in de aangekondigde evaluatie van de wet rond het verblijfsco-ouderschap?

 

Ten tweede, wat met de stelling dat in ons land al te vaak rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van kinderen niet worden uitgevoerd door één van de ouders, terwijl de andere ouder machteloos staat en dit niettegenstaande het feit dat niet-afgifte van kinderen strafbaar is en niettegenstaande de artikelen in het Burgerlijk Wetboek die daarvoor een oplossing kunnen bieden?

 

Ten derde, hoe reageert de minister op de stelling van de Britse therapeute Karen Woodall?

 

02.02 Minister Koen Geens: Ik kan u meedelen dat het vraagstuk met betrekking tot de gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling op basis van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken in maart werd besproken in de werkgroep Familierechtbank die zoals u weet samengesteld is uit professionelen uit de sector, advocaten, magistraten, griffiers en vertegenwoordigers van de kinderrechtenorganisaties.

 

De meningen binnen de werkgroep over het belang van het kind en de organisatie van de verblijfsregeling zijn zeer uiteenlopend, net zoals de wetenschappelijke studies ter zake. Er bestaat wel eensgezindheid dat moet worden vertrokken vanuit een positief uitgangspunt, met name het gelijkwaardige ouderschap, maar dit is niet noodzakelijk hetzelfde als een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling, zoals u terecht opmerkt.

 

Een week-weekregeling kan, afhankelijk van de leeftijd, voor het kind bijzonder zwaar vallen. Heel wat ouders zouden met het idee leven dat zij een slechte ouder zijn indien er een ongelijk verdeelde verblijfsregeling wordt uitgesproken.

 

Zoals wel vaker het geval is in een materie die veel beoordelingsruimte laat aan de rechter, bestaat er nood aan meer uniformiteit in de beoordeling en een goede motivering. Veel ouders hebben het gevoel dat er in de rechterlijke beslissing geen rekening werd gehouden met hun belang en dat van hun kinderen omdat dit weinig zou worden besproken.

 

Ook de ondersteuning bij de organisatie van de omgangsregeling en het gebrek aan communicatie zouden in de praktijk vaak tot problemen aanleiding geven. Binnen de werkgroep wordt de idee naar voren geschoven om een checklist in te schrijven in de wet waarbij de rechter over minimaal een aantal criteria die verband houden met de beoordeling van de belangen van het kind en de ouders in de communicatie tussen de ouders dient te reflecteren.

 

Aangezien dit najaar een belangrijk onderzoek over de gelijkmatige verdeling van de verblijfsregeling aan de KU Leuven wordt afgerond, werd voorgesteld om deze oefening dan verder te zetten.

 

Het probleem van de ouderverstoting, dat verbonden is aan het niet-respecteren van de verblijfsregeling en het niet-uitvoeren van gerechtelijke beslissingen hierover, kwam aan bod in de vergadering van de werkgroep in mei van dit jaar. Daaruit bleek dat het niet om een recent fenomeen gaat en dat bij afwezigheid van objectieve elementen het moeilijk is om te oordelen of er in de gegeven situatie sprake is van ouderverstoting.

 

Ik beschik niet over cijfers die aantonen dat rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van kinderen niet worden uitgevoerd terwijl de andere ouder machteloos staat. Ik kan mij dus niet uitspreken over het feit dat dit al te vaak niet gebeurt maar ik ben mij ervan bewust, onder meer door mijn contacten met verenigingen die zich met deze problematiek bezighouden, dat de toepassing van de wet van 18 juli 2006 niet probleemloos verloopt.

 

Om te antwoorden op uw laatste vraag, ik ben ervan overtuigd dat er geen wondermiddel bestaat maar dat de nadruk moet worden gelegd op het tijdig herkennen van het probleem en het zoeken naar een gepast antwoord in elke fase van de vervreemding. In de strijd tegen ouderverstoting is, mijns inziens, een palet van maatregelen op burgerrechtelijk, protectioneel en strafrechtelijk vlak noodzakelijk die op gepaste wijze kunnen worden ingezet. Daarbij zou de klemtoon moeten liggen op preventie, met name ervoor zorgen dat ouders met elkaar blijven communiceren en hun kind niet gebruiken als speelbal. In die optiek is de stelling van Karen Woodall die van oordeel is dat de verblijfsregeling moet omgekeerd worden in geval van ouderverstoting weliswaar een mogelijkheid die, zoals u zelf aangeeft, vandaag reeds bestaat maar niet noodzakelijk het gepaste antwoord biedt in alle situaties.

 

02.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord waarin heel wat eten en drinken zit zoals men dat zegt.

 

Ik onthoud dat er in het najaar concreet nieuws zal komen over de evaluatie van de wet op het verblijfsco-ouderschap naar aanleiding van de studie van de KU Leuven. Het is belangrijk dat u zegt dat het gebrek aan ondersteuning bij het uitoefenen van de verblijfsregeling vaak een van de pijnpunten is. Wat kan men als ouder vandaag doen? Dat is vaak enkel naar de politie lopen om daar voor de zoveelste keer klacht in te dienen wegens niet-afgifte, klachten die zoals we weten bijna systematisch geseponeerd worden.

 

U hebt ook gezegd dat het gebrek aan communicatie tussen de ouders in veel gevallen een pijnpunt is. In 1995 is de wet gewijzigd. Die zegt dat ook als de ouders niet samenwonen ze gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. Ze moeten dus samen belangrijke beslissingen nemen. Hoe jammer het ook is om het te zeggen maar ik meen dat dit slechts in een minderheid van de gevallen gebeurt in ons land bij ouders die niet samen hun kinderen opvoeden. Maar wat kan de wetgever daaraan doen? Dat is natuurlijk de vraag. Het is echter zeker schadelijk voor de kinderen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "le taux de récidive des délinquants sexuels responsables de leurs actes" (n° 19623)

03 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "het recidivepercentage bij toerekeningsvatbare seksuele delinquenten" (nr. 19623)

 

Voorzitter: Kristien Van Vaerenbergh.

Présidente: Kristien Van Vaerenbergh.

 

03.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, certaines personnes répondent à des pulsions qui les poussent à des actes odieux, cruels, dégradants pour leurs victimes. Ces perversions marquent à jamais ces victimes par d’insolubles traumatismes.

 

Monsieur le ministre, dans le cas des personnes incarcérées pour la première fois dans le système pénitentiaire parce qu’elles ont été jugées responsables de leurs actes de viol ou de pédophilie, quelles sont les mesures concrètes mises en place afin d’encadrer leur réinsertion dans un monde où ils pourraient à nouveau croiser d’éventuelles nouvelles victimes? Quel est le taux de récidive des délinquants sexuels responsables de leurs actes? Quelles sont les causes de récidive? Quelles sont les mesures mises en place afin de concilier tant la réinsertion que la protection des victimes? Quelles sont les méthodes employées par vos collègues, les ministres de la Justice européens, afin de réduire les risques de récidive? Quelle est la place de la Belgique dans le classement des pays européens ayant le moins de récidives en cas de viol ou de pédophilie?

 

03.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, dans le cadre d'une éventuelle libération, tout détenu condamné pour des actes de viol ou de pédophilie est examiné pas un service spécialisé au sein de la prison, plus précisément le service psychosocial. Celui-ci établit un rapport d'expertise circonstancié. La libération de tels condamnés est toujours assortie de la condition que le condamné se fasse traiter pour son comportement de déviance sexuelle, de manière résidentielle ou ambulatoire. Cette condition fait l'objet d'un contrôle à la fois par les Maisons de justice et par le ministère public, en concertation avec l'institution et la personne qui assure le traitement.

 

D'autres conditions visant l'intérêt des victimes sont les interdictions de contact et les interdictions temporaires de lieux. C'est également la pratique courante en Europe. Pour les personnes condamnées à des peines allant jusqu'à trois ans, c'est la direction de la prison qui prend la décision. En cas de peine supérieure  à trois ans, c'est le tribunal d'application des peines qui décide. Dans le cadre de cette question orale, je ne suis pas en mesure de vous fournir des chiffres ou des statistiques sur le nombre de cas de récidives et les causes de celles-ci.

 

03.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Je comprends bien que, dans le cadre d'une question orale, il soit plus difficile de répondre aux demandes statistiques. Vous me l'avez déjà fait remarquer à juste titre la fois passée, mais cette question-ci était déjà déposée. Je poserai à nouveau cette question sous forme écrite. Pour le reste, je vous remercie de vos réponses, monsieur le ministre.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nr. 19646 van mevrouw Van Cauter wordt uitgesteld.

 

04 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de brandveiligheid in het Justitiepaleis van Brussel" (nr. 19720)

04 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la sécurité incendie dans le Palais de Justice de Bruxelles" (n° 19720)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, op 25 januari stelde ik u een vraag over de aanwezigheid van munitie in het Brusselse Justitiepaleis en het risico dat dit met zich meebrengt, zoals brandgevaar en zelfs ontploffingsgevaar.

 

Frappant in dit dossier is dat het gebouw inzake brandveiligheid eigenlijk niet in orde is. Een uitgebreid proces-verbaal werd enkele jaren geleden opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Ik ben mij ervan bewust dat dit een complex dossier is, maar vier jaar na het opstellen van dit proces-verbaal is er inzake compartimentering in de kelders waar de overtuigingstukken liggen nog niet veel gebeurd.

 

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen.

 

Ten eerste, wat waren de aanbevelingen in dit rapport van de FOD WASO?

 

Ten tweede, wat is de stand van uitvoering van de aanbevelingen?

 

Ten derde, zult u maatregelen nemen om de brandveiligheid in het Justitiepaleis te Brussel te garanderen?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Lambrecht, u stelt correct dat dit een complex dossier is, maar toch zijn er inmiddels al heel wat punten aangepakt.

 

Het rapport van de FOD WASO van 2014 bevatte diverse inbreuken en aanbevelingen die het geheel van infrastructuur viseren en waarvan de opslag van overtuigingsstukken slechts een onderdeel vormt. Om deze inbreuken aan te pakken, werden de voorbije jaren door de Regie der Gebouwen, de gerechtelijke diensten en de diensten van de FOD Justitie reeds veel inspanningen geleverd, die uiteraard nog worden voortgezet.

 

Ik geef u graag een overzicht van de belangrijkste uitgevoerde acties: aanpassingswerken aan de interne evacuatiedeuren, aanbrengen van veiligheidssignalisatie met aanduiding van de evacuatiewegen en blusmiddelen, herstellen van defecte hydranten of brandkranen, op punt stellen van de veiligheidsverlichting op evacuatiewegen, aanpassen van de brandweerweg langs de buitenparking en plaatsing van een bijkomende buitenbrandtrap.

 

Daarnaast zijn er momenteel projecten lopende inzake de algemene waarschuwingssystemen en automatische branddetectie in risicolokalen en de aanpassingswerken aan de evacuatiedeuren op de buitenschil.

 

Voorts heeft de Ministerraad de principiële beslissing genomen dat er een specifieke loods moet komen voor de overtuigingsstukken. Mijn diensten werken momenteel het behoefte­programma voor Brussel uit, waarna dit voor uitvoering zal worden overgemaakt aan de Regie der Gebouwen.

 

In afwachting hiervan werden specifiek voor de opslag van chemische stoffen de lokalen in de zwarte kelder als volgt aangepast: brandwerende deuren en banden, een adequaat ventilatie­systeem en explosiebestendige verlichting, aangepaste coating voor de vloeren en correcte signalisatie. De verhuis zal eerstdaags volgen.

 

Voor de evacuatie van munitie gelden nog steeds de afspraken met DOVO. De betrokken gerechtelijke diensten hebben mij meegedeeld dat er geregeld een verwijdering via DOVO plaatsvindt.

 

04.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het opslaan van overtuigingsstukken in Antwerpen" (nr. 19721)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le stockage de pièces à conviction à Anvers" (n° 19721)

 

Voorzitter: Philippe Goffin.

Président: Philippe Goffin.

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, dat het justitiepaleis in Brussel een gevaarlijke plaats is om te werken weten wij al langer, maar ik ben een beetje gerustgesteld door uw vorige antwoord. Helaas is het echter niet het enige gebouw dat niet in orde is omtrent veiligheid.

 

In Antwerpen in de Solvijnstraat en Sanderusstraat zijn er opslagplaatsen gevestigd waar heel wat overtuigingsstukken worden gearchiveerd. De brandveiligheid van die gebouwen voldoet geheel niet aan de wettelijke voorschriften. De brandweer dringt er zelfs op aan dringend gevolg te geven aan haar opmerkingen om zowel de veiligheid van de eigen werknemers als van de aanpalende buren te vrijwaren.

 

Ik som enkele gebreken op van de gebouwen. De meeste noodverlichtingen werken niet. De elektrische bedrading is een ramp, want niemand weet welke draden nog actief zijn. Het houtwerk van de vloeren is in zeer slechte staat, er zitten grote gaten in de vloer. Vele houten balken van het dak zijn rot. Er is veel vocht waardoor er veel schimmels aanwezig zijn. Zo kan ik doorgaan.

 

Het advies van de preventieadviseur van de FOD Justitie is om het gebouw niet meer te laten betreden zolang de werken niet zijn uitgevoerd. Deze gevaarlijke toestand sleept al jaren aan zonder noemenswaardige ingrepen. Er werden enkele prioritaire werken uitgevoerd, maar ondanks die ingrepen blijven de gebouwen een zeer ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de mensen die er werken en de omwonenden. De site ligt midden in een woonwijk en dichtbij een tankstation, wat een uiterst gevaarlijke situatie met zich meebrengt.

 

Bent u op de hoogte van de wantoestanden in de opslagplaatsen in de Solvijnstraat en Sanderusstraat? Bent u van plan om maatregelen te nemen om de opslagplaatsen weer veilig te maken of te verhuizen naar een andere locatie?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik ben mij bewust van de situatie in Antwerpen. Het is ook daarom dat een geheel nieuw project werd uitgewerkt waarbij is voorzien dat de panden in de Solvijnstraat en Sanderusstraat te Antwerpen zullen worden verlaten. Deze panden, die door de Regie der Gebouwen ter beschikking worden gesteld, voldoen inderdaad niet aan de normen en de toepasselijke regelgeving voor de opslag van dergelijke producten. Bewijs daarvan zijn de inspectieverslagen van de preventieadviseur en het rapport van de FOD WASO. Het is onze strategie om alle overtuigingstukken uit het arrondissement Antwerpen samen te brengen in één enkele centrale loods.

 

Het behoefteprogramma werd door mijn diensten opgemaakt en werd na een lange procedure deze week goedgekeurd door de minister van Begroting. Nu wordt het dossier vervolgens doorgestuurd naar de Regie der Gebouwen, bevoegd voor de realisatie van het project. Parallel wordt tevens ingezet op een efficiëntere procedure van aanname, bewaring en uitstroom van de overtuigingstukken door de gerechtelijke diensten.

 

05.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik weet dat u niet graag een tweede antwoord geeft, maar ik ga het toch proberen. Ik hoor dat men naar een loods zal trekken. Hebt u enig idee wanneer dat zal gebeuren en hoelang men nog in de huidige panden zal moeten blijven?

 

05.04 Minister Koen Geens: U kent mijn tweede antwoord: zo snel mogelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "het veiligheidskorps in Brussel en Antwerpen" (nr. 19760)

06 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "le corps de sécurité de Bruxelles et d'Anvers" (n° 19760)

 

06.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op de Brusselse correctionele rechtbank is nu al twee keer een zaak niet behandeld geweest omdat er onvoldoende leden van het veiligheidskorps aanwezig waren om de gedetineerde verdachten naar de zittingszaal te brengen. Ook in Antwerpen heerst grote onvrede over de werking van het veiligheidskorps, dat maar weinig personeel ter beschikking heeft.

 

Naar verluidt zou de eerste voorzitter van het hof van beroep deze situatie bij u in een e-mail hebben aangekaart. Het ging onder meer om een zaak met 6 zware criminelen waarvoor 7 veiligheidsbeambten nodig waren maar blijkbaar waren er slechts 10  personeelsleden beschik­baar, vooral ingevolge ziekte en het opnemen van recuperatiedagen. Van die 10 personeelsleden heeft een deel dan een vaste opdracht zoals het scannen aan de ingang.

 

In Antwerpen werden intussen reeds 15 vertragingsincidenten gemeld, gelinkt aan het veiligheidspersoneel.

 

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op deze problemen?

 

Wat is uw reactie op het schrijven van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen?

 

Welke oplossingen stelt u voor om deze hardnekkige problematiek te counteren, want deze problematiek keert regelmatig terug en raakt niet opgelost?

 

In afwachting van een uitspraak door het Grondwettelijk Hof kon u nog niet starten met de uitrolling van videoconferentie in strafzaken. Garandeert u dat de nodige budgetten ter beschikking zullen zijn om te starten zodra het Grondwettelijk Hof groen licht geeft? Welke arrondissementen of ressorts krijgen dan uw prioriteit?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, met betrekking tot de zaak in Brussel kan ik meedelen dat het assisenproces de nacht ervoor tot 02.00 uur had geduurd. Hierdoor moesten in de vaste ploeg van het veiligheidskorps een aantal personen worden vervangen. Het veiligheidskorps beschikt over 21 mensen voor voorleidingen, van wie er echter 6 ziek waren. 10 beambten waren nodig voor het assisenproces. Omdat er deze keer geen bijstand kon worden geleverd door de federale en de lokale politie, had het veiligheidskorps niet de capaciteit om de gedetineerden voor de rechter te laten verschijnen.

 

Wat het incident in Antwerpen betreft, het volgende. Van het veiligheidskorps waren er op 21 juni van de 28 personeelsleden 11 ziek en 7 met vakantie of recuperatieverlof. De 10 aanwezigen waren allen belast met vaste posten, zoals de scanstraat, de celwacht en het gevangenentransport. De lokale politie kon die dag geen extra manschappen oproepen daar zij haar inzet herverdeeld had naar aanleiding van de mislukte terreuraanslag in het treinstation van Brussel-Centraal en meer patrouilleerde in de buurt van stations en drukke plaatsen. Daardoor is de zitting niet kunnen doorgaan.

 

In antwoord op uw tweede vraag, alle aangehaalde punten zijn bekend. Hierover werd reeds uitvoerig gecommuniceerd met de bevoegde gerechtelijke diensten.

 

In antwoord op uw derde vraag, sinds 1 juni werden nog 2 beambten toegevoegd in Antwerpen. Ik begrijp dat er regelmatig overleg is tussen het veiligheidskorps en de gerechtelijke diensten. Ik heb gevraagd om dit overleg blijvend te organiseren. In het Parlement is ook meermaals gesproken over de oprichting van de nieuwe dienst algemene bewaking, die samengesteld zal zijn uit de leden van het veiligheidskorps en verschillende andere korpsen van de federale politie en van Defensie. De werking zou daardoor vanaf volgend jaar moeten verbeteren.

 

In antwoord op uw vierde vraag, na uitspraak van het Grondwettelijk Hof zal een aanbestedingsprocedure worden opgestart en zal in de nodige budgetten voorzien worden. De video-installaties, nodig voor dergelijke situaties, zijn complex en vragen de volledige inrichting van een zittingszaal en een lokaal in de gevangenis om te voldoen aan de internationale standaarden ter zake. Over een precieze timing kan ik mij nu nog niet uitspreken.

 

06.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik hoop echt dat deze problematiek stilaan kan worden opgelost, want het is inderdaad een terugkerend fenomeen. U sprak over heel wat zieken, namelijk 11 op 28 in Antwerpen. Dat zijn er veel.

 

U zei ook dat er verbetering moet komen door het nieuwe gegeven dat u aankondigt. Ik hoop dat dit klopt, want het is natuurlijk niet mooi dat zaken moeten worden uitgesteld omdat de mensen niet kunnen worden overgebracht.

 

Ik hoop ook dat u werk zult maken van de videoconferentie, die misschien niet alles zal oplossen maar wel een stap in de goede richting zal zijn. Uiteraard staan daar middelen tegenover, dat weet ik wel, want ook de infrastructuur moet worden aangepast. Ik hoop dat u hiertoe de nodige stappen zult ondernemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter:  Vraag nr. 19722 van mevrouw Lahaye-Battheu wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

07 Question de M. Emir Kir au ministre de la Justice sur "le commerce d'armes illégales en Belgique" (n° 19744)

07 Vraag van de heer Emir Kir aan de minister van Justitie over "de handel in verboden wapens in België" (nr. 19744)

 

07.01  Emir Kir (PS): Monsieur le ministre, d’après un rapport de l'Institut flamand pour la paix, relayé samedi 24 juin par plusieurs journaux belges, le commerce d'armes illégales en Belgique se concentre de plus en plus sur les armes de guerre. En effet, selon des chiffres de la police fédérale, 238 cas de commerces d'armes illégales ont été découverts depuis 2009. Ce nombre n'augmente pas de manière significative, excepté malheureusement pour les armes de guerre. Celles-ci représentaient seulement 9 % du total en 2009, alors qu'elles atteignaient 24 % en 2015, d’après ce rapport.

 

Pour rappel, les armes illégales sont celles que les particuliers ne sont pas autorisés à détenir, à l'instar d'armes à feu automatiques, d'armes munies de silencieux, d'armes infrarouges, ainsi que de chargeurs d'armes ayant une capacité plus importante que la normale. De telles armes de guerre tombent presque exclusivement entre les mains des truands les plus dangereux et des terroristes.

 

Le vendredi 23 juin, vous avez annoncé qu'une nouvelle période d'amnistie pour déclarer les armes illégales s'ouvrirait du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2019. À titre d’information, dans ma commune, Saint-Josse-ten-Noode, un homme de 49 ans avait été placé sous mandat d'arrêt après une fusillade qui avait éclaté le samedi 27 mai, à la suite d'une querelle de voisinage entre les membres de deux familles. Selon le parquet de Bruxelles, un juge d'instruction avait été saisi du chef de tentative de meurtre, coups et blessures volontaires et port d'armes prohibées.

 

Dès lors, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Quelles sont les enseignements que vous tirez de l'orientation croissante de ce commerce vers les armes de guerre? Quelles initiatives comptez-vous prendre pour lutter plus efficacement contre ce phénomène? Comme je l'ai indiqué, vous avez annoncé une période d'amnistie pendant deux ans. Quel bilan tirez-vous de celle qui l'a précédée? A-t-elle été efficace? Des poursuites judiciaires systématiques sont-elles prévues pour les citoyens refusant de déclarer leurs armes illégales? Si oui, quelle est la nature des sanctions possibles?

 

07.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Kir, permettez-moi tout d'abord de faire quelques remarques de contextualisation. Selon nos statistiques, nos services de police ont enregistré 1 667 affaires de commerce illégal d'armes à feu entre 2009 et 2015, avec une moyenne de 238 par an et un pic de 294 faits en 2015. Il est exact que les chiffres révèlent une croissance du nombre de constatations de commerces d'armes à feu interdites, de 18 faits en 2009 à 46 faits en 2015.

 

Les experts de l'Institut flamand pour la paix qui ont étudié les chiffres mettent toutefois en garde contre des conclusions hâtives. Dans leur rapport d'enquête, ils précisent que les statistiques n'ont trait qu'à des infractions découvertes par la police et qu'elles donnent plutôt un aperçu des efforts déployés par la police pour faire ressortir la problématique des armes à feu illégales, que de l'ampleur effective de la problématique.

 

À cet égard, j'ai attiré l'attention, la semaine dernière, dans la réponse que j'ai donnée à Mme Lambrecht, sur l'amélioration des méthodes de recherche que le Parlement a déjà approuvées au cours de cette législature, ce qui permet par exemple d'utiliser les écoutes téléphoniques et bientôt également les infiltrations sur internet, pour encore mieux détecter le commerce illégal des armes.

 

Je m'attends à ce que le nombre de constatations de tels faits par la police continue à augmenter au cours des prochaines années, précisément en raison de cette nouvelle législation.

 

Votre deuxième question porte sur la nouvelle et dernière période d'amnistie qui devrait commencer début 2018. Je souligne que cette mesure de faveur ne concernera en aucun cas les armes interdites. Seules les personnes qui détiennent sans autorisation des armes soumises à autorisation peuvent y avoir recours. Au cours des périodes d'amnistie précédentes, plus de 200 000 armes au total ont été remises. J'ose dire que c'est un succès et j'espère qu'un maximum d'armes sortiront encore de l'illégalité au cours de la prochaine période.

 

Les personnes qui continuent mordicus à refuser de déclarer leurs armes ne doivent pas en être récompensées. Le parquet dispose évidemment d'une liberté d'appréciation dans chaque cas concret. Il peut même apprécier si une transaction avec destruction de l'arme en question est opportune, ou si des poursuites devant le tribunal correctionnel s'imposent. J'examinerai encore avec le Collège des procureurs généraux quelle directive nous pourrions promulguer pour durcir l'approche de la détention illégale d'armes après l'expiration de la période d'amnistie.

 

07.03  Emir Kir (PS): Je remercie le ministre pour ses réponses complètes et je ne manquerai pas de revenir vers lui lorsqu'il y aura des évolutions dans le dossier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 19747 de Mme Jadin est transformée en question écrite.

 

08 Question de M. Éric Massin au ministre de la Justice sur "la gestion intégrée des magistrats" (n° 19753)

08 Vraag van de heer Éric Massin aan de minister van Justitie over "het geïntegreerd beheer van de magistraten" (nr. 19753)

 

08.01  Éric Massin (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, une note de la cellule stratégique de votre cabinet a été communiquée au Collège des cours et tribunaux. Il semblerait que prochainement, les futurs magistrats pourraient ne plus être désignés à la fonction et au tribunal auxquels ils postulent auprès du Conseil supérieur de la Justice (CSJ), mais bien dans le ressort d'une cour d'appel qui les affecterait aux places et aux fonctions qu'il s'agit de pourvoir selon les nécessités du moment.

 

En effet, cette note jette les bases de la "gestion intégrée" à l'échelle des cours d'appel. Elle entend optimaliser les ressources humaines disponibles de la magistrature.

 

Selon ce schéma, les juges nommés dans un ressort de cour d'appel seraient alors déspécialisés et donc susceptibles de juger des affaires pénales un jour, en passant par le tribunal de la famille pour trancher des divorces un autre jour ou encore par des saisies. En outre, les magistrats seraient désignés pour des périodes plus ou moins longues, au siège du tribunal qui a besoin d'eux.

 

Et ce n'est pas tout! Ce projet dissocie également la charge concrète d'un magistrat de sa fonction. En d'autres termes, un magistrat de rang de conseiller à la cour d'appel pourrait dès lors continuer à siéger en première instance, quitte à faire des navettes avec un siège à la cour d'appel, selon les besoins de l'organisation. Sa promotion pourrait en outre n'être qu'une promotion salariale.

 

Monsieur le ministre, si la magistrature doit être revalorisée, permettez-moi de vous dire que ce n'est pas de cette façon que vous y arriverez et que vous allez diminuer la pénurie de postulants. Dernièrement, les journaux se sont inquiétés, comme le Conseil supérieur de la Justice, de la diminution du nombre de postulants par rapport au nombre de places ouvertes ou à pourvoir prochainement.

 

D'ailleurs, le Collège des cours et tribunaux pensait même que ce projet avait été abandonné. Selon eux, il y a eu des semblants de négociations – et ils insistent sur le terme "semblants" – alors qu'il existait déjà dans votre chef, semblerait-il, un agenda caché.

 

À l'heure actuelle, votre cabinet refuse de commenter une note interne qui n'est pas encore un projet. Pourtant, la dernière semaine de juin, vous êtes venu en personne défendre cette note devant le Conseil supérieur de la Justice.

 

Monsieur le ministre, permettez-moi donc de vous poser les questions suivantes.

 

Pourriez-vous nous préciser votre plan concernant cette note? Celle-ci doit-elle encore faire l'objet de négociations ou de discussions ou soumettrez-vous directement un avant-projet au Conseil des ministres et éventuellement au Conseil d'État?

 

Prendrez-vous en compte les remarques qui vous auraient été adressées par le Collège des cours et tribunaux et le Conseil supérieur de la Justice? Ne pensez-vous pas que la pénurie de postulants va augmenter avec ce projet, surtout quand on voit que les magistrats vont être déspécialisés, ce qui va un peu à l'encontre de ce qui existe actuellement. Ces derniers devront faire la navette entre les différents tribunaux, cours, etc.

 

Comme le signale le Conseil supérieur de la Justice, cette note n'est-elle pas susceptible de créer des problèmes de constitutionnalité, cette dernière assurant l'indépendance de la magistrature?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Massin, vous faites allusion à une note confidentielle transmise au Collège dans le cadre des discussions sur la gestion autonome menées avec ce Collège. En d'autres mots, la note est un simple document de travail in progress qui doit encore fait l'objet d'adaptations et de discussions. Vous comprendrez, dès lors, que je ne me livre à aucun commentaire sur un document interne.

 

En tout état de cause, sauf si je souffre d'amnésie, je peux vous assurer que je n'ai pas défendu cette note personnellement ni par personne interposée devant le Conseil supérieur de la Justice. En tout état de cause, la manière dont la note est présentée dans la presse ne reflète ni sa lettre, ni son esprit. Il n'est pas du tout exact qu'un juge irait siéger, chaque jour, dans un autre tribunal ou qu'il ou elle devrait faire la navette entre la cour et le tribunal. Je crois que nous connaissons tous les périodes de cinq ans pour lesquelles les juges d'instruction sont nommés pour l'instant. Donc, dans ma tête, il n'a jamais été question que d'une flexibilité potentielle et marginale après cinq ans. Je ne sais pas d'où viendrait l'idée d'une mobilité organisée sur une base quotidienne.

 

La dissociation de la charge de la fonction entraînerait probablement un changement de mentalités. Mais je suis convaincu qu'elle contribuera également à optimiser le fonctionnement de l'organisation. La réflexion continue évidemment. Je regrette cette indiscrétion. Une fois de plus, je n'y peux rien.

 

08.03  Éric Massin (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, merci de vos réponses qui me frustrent un peu. Je peux vous comprendre. Imaginez s'il n'y avait plus d'indiscrétions, je n'aurais peut-être malheureusement plus de questions à vous poser.

 

08.04  Koen Geens, ministre: Je ne vous ai rien reproché.

 

08.05  Éric Massin (PS): Je l'ai bien compris. Mais ne commencez pas à faire la chasse à l'intérieur de votre cabinet pour savoir qui a malheureusement laissé traîner l'un ou l'autre document après une réunion.

 

Au-delà, j'entends bien vos explications, monsieur le ministre. Des garanties peuvent effectivement être apportées dans le cadre de cette déspécialisation. C'est vrai qu'on peut se demander pourquoi ne pas déspécialiser certains magistrats.

 

Comme vous le savez, puisque, en tant qu'avocat, vous avez été très longtemps praticien des cours et tribunaux, il y a des fonctions qui sont particulièrement difficiles à déspécialiser. Vous avez fait allusion à la fonction de juge d'instruction.

 

Pour ma part, lorsque j'allais plaider de manière régulière devant le juge des saisies, je me suis toujours dit que pour être juge des saisies, il faut avoir un esprit particulièrement "particulier", pour ne pas dire autre chose, compte tenu de la complexité de la législation. Par une déspécialisation, nous risquerions, dans certaines matières, de perdre des expertises. Nous devons être particulièrement attentifs à cela.

 

Nous devons également être attentifs à la charge psychologique pouvant résulter d'une mobilité trop importante des magistrats. On pourrait le comprendre pour un tribunal relativement concentré, celui de Bruxelles, ressort de la cour d'appel de Bruxelles. Mais imaginez – M. Goffin ne le démentira pas – le cas du ressort de la cour d'appel de Liège, dont le territoire est le plus étendu.

 

Si vous dites à un magistrat qui se trouve à Arlon qu'il va assurer une déspécialisation, ne fût-ce qu'à Namur, imaginez la difficulté à laquelle il va être confronté en termes de transport, de même que la charge psychologique que cela pourra entraîner.

 

J'ai entendu que c'est un projet strictement confidentiel et interne. Je ne doute pas une seule seconde que vous allez devoir le retravailler. Voilà deux éléments sur lesquels je souhaitais attirer votre attention, ne fût-ce que pour aller dans le bon sens.

 

Merci pour votre réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "l'opportunité de sensibiliser les magistrats et le personnel judiciaire à la problématique de la transidentité" (n° 19765)

09 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "het sensibiliseren van magistraten en gerechtelijk personeel voor de problematiek van de 'transidentiteit'" (nr. 19765)

 

09.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, cela change un peu des questions sur "les vents favorables" de M. Massin. Monsieur le ministre, le 24 mai dernier en séance plénière, par votre loi qui change les procédures de changement de nom et de genre pour les personnes transgenres, loi pour laquelle je vous remercie encore, vous faisiez entrer la Belgique parmi les pays les plus progressistes du monde. Vous savez combien cette problématique m’est chère.

 

L’étape suivante est le changement des mentalités dans la société. Il faudrait que chacun puisse accepter que des personnes se sentant obligées de vivre dans un corps qui ne porte pas le bon sexe aillent jusqu'à entamer une transition pouvant aboutir à une opération de réassignation sexuelle.

 

J’ai été interpellé récemment par une dame qui a terminé son parcours. Elle attend sa nouvelle identité de l'État civil. Cette personne est actuellement en procédure au tribunal de la famille. Bien que, manifestement, son physique ne porte plus aucun souvenir de sa masculinité, tant les magistrats que la partie adverse n’ont de cesse de la nommer selon son ancien genre en l'appelant "monsieur".

 

Certes, cette personne n’a enfreint aucune loi, puisque la carte d’identité de cette dame la renseigne toujours sous le genre masculin. Cependant, elle s’est sentie niée par ce qu’elle a ressenti comme un manque de respect de ce qu’elle est en réalité, c'est-à-dire une femme. De plus, elle est en train de cheminer officiellement vers ce but. Si l'on ajoute à cela tout le stress que l’on peut ressentir devant un tribunal de la famille, cette dame a vécu un traumatisme profond dont elle tarde à guérir.

 

Monsieur le ministre, pensez-vous possible que les magistrats du Royaume puissent être sensibilisés afin d’éviter de telles situations? La loi est nouvelle, donc je peux bien comprendre que cette sensibilisation n'ait pas encore été opérée.

 

Quels sont les moyens (circulaire, directive) que vous pourriez mettre en oeuvre dans ce but? Pensez-vous qu’une circulaire explicative ou une directive suffira? Pourriez-vous également rappeler la mission des magistrats de référence?

 

09.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, selon le nouvel article 62bis, § 5 du Code civil, l'officier de l'état civil rédige l'acte de modification de l'enregistrement du sexe dans les registres de l'état civil si le procureur du Roi n'a pas émis d'avis négatif. Dans ce cas, l'acte est inscrit dans les registres de l'état civil. C'est au moment de cette inscription que l'acte produit ses effets.

 

En cas de refus d'acter la modification de l'enregistrement du sexe, un recours peut être introduit devant le tribunal de la famille, conformément à l'article 1385duodecies du Code judiciaire. Dans ce cas, l'acte ne peut pas être inscrit dans les registres de l'état civil et sortir ses effets tant que la décision judiciaire qui constate la modification de l'enregistrement du sexe n'est pas devenue définitive. Par conséquent, la personne change de sexe pendant la procédure devant le tribunal de la famille et cela doit être considéré comme tel par les magistrats.

 

Je suis toutefois conscient de la souffrance que peuvent éprouver les personnes qui ont éventuellement déjà subi des interventions pour changer de sexe alors que cette modification n'a pas encore eu lieu légalement en raison de procédures qui suspendent l'inscription de l'acte de modification de l'enregistrement du sexe dans les registres de l'état civil. Je ne puis pas adresser d'instructions aux magistrats par voie de circulaire à cause du principe de la séparation des pouvoirs.

 

Je rappelle cependant que le Conseil supérieur de la Justice a rédigé un guide pour les magistrats afin de rappeler les différents principes qui gouvernent leurs fonctions. Ce guide précise, à propos de la probité du magistrat, que celle-ci conduit le magistrat à s'interdire non seulement tous les comportements sanctionnés par la loi mais aussi tous les comportements indélicats. De même, selon ce même guide, le magistrat doit faire preuve d'humanité, humanité qui se manifeste par le respect des personnes et de leur dignité dans toutes les circonstances de sa vie professionnelle et privée. Le magistrat fait preuve de respect dans ses rapports avec les justiciables mais aussi envers ceux qui composent son environnement professionnel tels que les avocats, le personnel administratif, etc.

 

En revanche, mon administration est en train de rédiger une circulaire destinée aux officiers de l'état civil afin de les éclairer sur la portée de la nouvelle réforme. À cet effet, mon administration examinera les moyens les plus adéquats pour rendre cette procédure conforme au droit au respect à la vie privée et à la dignité humaine.

 

09.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, votre réponse me satisfait. J'aurais tendance à dire que si tous les magistrats étaient comme vous, il n'y aurait évidemment aucun souci. Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 19756 de M. Calomne est reportée. Les questions nos 19765 et 19445 de Mme Jadin sont transformées en questions écrites. Nous sommes sans nouvelles de Mme Lalieux; sa question n° 19630 est donc considérée comme retiree. Il en va de même pour la question n° 19701 de M. Degroote.

 

 

La réunion publique de commission est levée à 15.21 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.21 uur.