Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen

Commission des Relations extérieures

 

van

 

Woensdag 12 juli 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 12 juillet 2017

 

Matin

 

______

 

 


De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 10.19 uur. De vergadering wordt voorgezeten door mevrouw Rita Bellens.

Le développement des questions et interpellations commence à 10.19 heures. La réunion est présidée par Mme Rita Bellens.

 

De voorzitter: Vraag nr. 15985 van de heer Blanchart wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Vraag nr. 18591 van de heer Van der Maelen wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

01 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelings­samenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de situatie van de democratie en de mensenrechten in Rwanda" (nr. 18751)

01 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la situation de la démocratie et des droits de l'homme au Rwanda" (n° 18751)

 

01.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, een paar maanden geleden is een lokale militant van Les Forces démocratiques unifiées (FDU) ontvoerd en recent is hij levenloos teruggevonden. De FDU is een niet-erkende oppositiepartij in Rwanda, waarvan de partijvoorzitster wel de Europese Sakharovprijs heeft ontvangen voor vrije meningsuiting. De lokale militant die ontvoerd en gedood is, was op het moment actief rond de geplande landbouwhervormingen in Rwanda.

 

De FDU is ervan overtuigd dat de dood van hun militant een politieke moord was, bedoeld om kritiek op het rurale hervormingsbeleid van de Rwandese staat de mond te snoeren en om te intimideren. Onderzoek wijst op een duidelijke autoritaire tendens in de uitwerking en uitvoering van ruraal sociaal beleid en landbouwher­vormingen in Rwanda. Het is volgens mij geen vergezochte assumptie dat de autoritaire politiek en het feit dat de vermoorde militant rond de landbouwhervormingen in Rwanda werkte, aan elkaar gelinkt kunnen zijn.

 

Meneer de minister, enkele maanden geleden hebt u geantwoord op mijn schriftelijke vraag over de samenwerking van Belgische ontwikkelings­actoren met lokale autoriteiten in Rwanda. U hebt daarbij het democratisch proces in Rwanda op lokaal niveau omschreven als een gestuurd maar vrij proces. U hebt ook onze samenwerking met lokale autoriteiten verdedigd als onder meer ondersteuning voor verdere dialoog en interactie tussen de verschillende niveaus van de overheid. Lokale middenveldorganisaties zouden de ruimte krijgen om vrij hun visie te delen en zo het beleid op lokaal niveau bij te sturen waar nodig.

 

Naar aanleiding van de verontrustende ontwikkelingen heb ik een aantal vragen voor u.

 

Kunt u mij meer informatie geven over de manier waarop het pilootproject verloopt van betrekking van lokaal middenveld bij het door ons gesteunde decentraliseringprogramma?

 

Kunt u mij uitleggen hoe wordt gegarandeerd dat organisaties en individuen die betrokken zijn bij het pilootproject, vrijuit kunnen spreken, gezien de jongste gebeurtenis?

 

Zult u erop aandringen bij de Rwandese autoriteiten dat er een grondig onderzoek naar de omstandigheden van de dood van de militant wordt gevoerd?

 

01.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Pehlivan, wij moeten een onderscheid maken tussen twee projecten die momenteel in Rwanda worden uitgevoerd. Enerzijds, is er het project Rwanda Decentralisation Support Programme van de Belgische gouvernementele samenwerking, dat wordt uitgevoerd door de BTC en dat onder andere in een partnerschap voorziet met het Rwandese Local Administrative Entities Development Agency. Dat is een uitvoeringsagentschap van het ministerie voor Lokaal Bestuur. Anderzijds, is er de samenwerking van Belgische ontwikkelingsactoren met lokale autoriteiten in Rwanda in een pilootproject van de Rwandese Local Administrative Entities Development Agency. Hierbij gaat het om een initiatief om de lokale civiele maatschappij te betrekken bij een overheidsprogramma gericht op financiële steun voor kwetsbare gezinnen. Het gaat dus over een zogenaamd social-safety-netprogramma.

 

Aangenomen kan worden dat de betrokken organisaties van het middenveld vrijuit kunnen spreken. Er is aan die organisaties immers gevraagd om data te verzamelen over de impact van het overheidsprogramma, vanuit de hypothese dat organisaties van de civiele maatschappij toegang hebben tot andere informatie en data van de overheidsstructuren. Naar die aanpak wordt in Rwanda vaak verwezen als de evidence-based approach.

 

De Belgische ambassade in Kigali en mijn administratie zijn dus wel op de hoogte van het pilootproject van het Local Administrative Entities Development Agency met het middenveld, maar zijn geen betrokken partij. Op zichzelf is het initiatief een precedent in Rwanda en interessant om op te volgen. De resultaten van de oefening zijn tot nu toe echter nog niet bekend.

 

De Belgische ambassade in Kigali heeft, samen met de andere EU-ambassades en de EU-delegatie, de dood van de heer Habarugira aangekaart bij de relevante Rwandese autoriteiten. Voorts zou ik er u attent op willen maken dat ook de problematiek van de mensenrechten en de mensenrechtenschendingen met de Rwandese overheid wordt besproken, onder meer in het kader van het politiek debat dat op 30 mei plaatsvond in Kigali naar aanleiding van de voorstelling van de nieuwe EU-mensenrechtenstrategie. Dat debat toonde aan dat de Rwandese overheid bereid is om kritiek in acht te nemen, indien die op feiten gebaseerd is.

 

Uw concrete vraag over het aandringen bij de Rwandese autoriteiten op een grondig onderzoek naar de omstandigheden van de dood van een lokale militant van de Forces Démocratiques Unifiées behoort echter tot de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken.

 

01.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal die vraag dan aan minister Reynders stellen. Het behoort misschien tot de bevoegdheid van uw collega, maar we kunnen toch niet gewoon toekijken.

 

U hebt via de projecten die u ondersteunt – de resultaten ervan zijn nog niet bekend en het zou zeker interessant zijn om de resultaten in commissie te kunnen bespreken –, toch een politieke impact? U kunt dus de autoriteiten aanspreken op hun verantwoordelijkheid in verband met de mensenrechten. Ik zie graag dat dat in het kader van de samenwerking gebeurt.

 

Ik begrijp uw standpunt over de samenwerking. Vergeleken met de toestand in Congo en Burundi is de situatie in Rwanda iets stabieler. Dat wil niet zeggen dat wij onze aandacht voor het Rwandese regime mogen laten verslappen, vooral ook omdat middenveldorganisaties heel veel kritiek hebben gegeven wegens de moord op die activist. Het toont ook aan dat het regime en lokale overheidsmedewerkers bereid zijn om ver te gaan om de lijn van de overheid uit te voeren. Wij moeten daar aandachtig voor zijn.

 

Wij zouden even principieel in onze relatie met Rwanda als in onze relatie met Burundi en Congo moeten zijn. Wij zijn dat de Belgische burgers met Rwandese roots verschuldigd. Zij zijn immers bezorgd over de situatie in het land. Na de moord is die bezorgdheid nog groter geworden. De diaspora is heel bezorgd over bepaalde arrestaties.

 

Ik hoop en reken erop dat u, vanuit uw positie als minister, met het oog op onze investeringen en met het oog op onze samenwerking, de mensenrechten zult blijven aankaarten.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'évolution de la situation au Burundi" (n° 18936)

02 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de evolutie van de situatie in Burundi" (nr. 18936)

 

02.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Madame la présidente, monsieur le ministre, deux ans après le début de la crise, la situation politique, économique et sécuritaire du Burundi s’enlise.

 

Sur le plan politique, le président semble avoir la volonté de changer la Constitution afin de faire sauter le verrou de la limitation des mandats. L’espace politique se réduit peu à peu. Les partis d’opposition sont muselés. Ainsi, des membres du FNL ont disparu, d'autres ont été retrouvés morts. Le facilitateur, qui avait pour tâche de ramener tous les partis autour de la table, n’y est pas encore parvenu.

 

Les milices armées sèment la terreur parmi la population. Des entraînements militaires ont lieu en pleine journée à cette fin. Les membres des Imbonerakure vont jusqu’à recruter des membres dans les écoles. Le développement de ces milices est préoccupant et pose la question du risque qu’elles deviennent un jour incontrôlables. Nous avons aussi appris que des viols étaient perpétrés systématiquement comme arme de guerre.

 

En ce qui concerne la société civile, les ONG sur place sont couramment surveillées, toute défection ou critique étant réprimée par le régime.

 

J’aimerais dès lors, monsieur le ministre, vous poser les questions suivantes.

 

L’Union européenne et la Belgique financent-elles encore des projets qui bénéficient, de près ou de loin, au régime? Si oui quels sont-ils? Quel suivi y est-il ou sera-t-il donné? Une réflexion est-elle menée sur la manière la plus adéquate de soutenir la société civile burundaise dans ce contexte?

 

02.02  Alexander De Croo, ministre: Chère collègue, les élections de 2015 au Burundi ont généré une crise politico-sécuritaire qui s'est traduite par une violation systématique des droits de l'homme et des libertés fondamentales, la contraction de l'affaire publique et la réduction des activités économiques. La diminution des recettes de l'État issues des opérateurs économiques et des bailleurs de fonds, a fait que le fonctionnement de l'administration, la délivrance des services de base, l'entretien et le fonctionnement des infrastructures et équipements a un impact direct sur la dégradation des conditions de vie de la population.

 

Face à la crise burundaise, le Conseil de l'Union européenne et la Belgique, en application de l'article 96 de l'Accord de Cotonou, ont suspendu les appuis directs, y compris l'appui budgétaire au gouvernement et aux institutions étatiques. Il n'y a donc plus de financement direct de la part de l'Union européenne et de la Belgique aux structures et institutions burundaises centrales. Cependant, dans le souci de mitiger les effets contraires sur la population, les activités bénéficiant directement à celle-ci ont été maintenues. Les acteurs techniques burundais des ministères peuvent être associés, sans qu'il y ait co-décision sur ce point. Il s'agit uniquement d'un échange d'informations. En outre, les structures étatiques proches de la population, comme les centres de santé, les écoles, les structures agricoles, etc., continuent d'obtenir certains soutiens, y compris financier, en raison de la nature humanitaire des appuis et des activités principales qu'elles mettent en œuvre pour garantir un minimum de qualité de ces appuis au bénéfice des populations. Cela correspond, en tout état de cause, aux mesures que j'ai prises en 2015.

 

Mais une réflexion est menée en continu sur la façon de soutenir la société civile burundaise. À ce sujet, le contexte reste très difficile, notamment du fait des mesures récemment prises par le pouvoir concernant les ASBL et les ONG. En outre, il n'est actuellement pas possible pour la Coopération belge de soutenir directement des acteurs locaux, quel que soit le pays. Néanmoins, au-delà du subside des programmes quinquennaux des acteurs non gouvernementaux, que j'ai approuvé récemment pour un montant de 36 millions d'euros pour le Burundi, pour la période 2017-2021, la Belgique réfléchit à des appuis au travers des acteurs des Nations unies ou indépendants pour appuyer la société civile.

 

02.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het ambitieuze plan om de slaapziekte te bestrijden en uit te roeien" (nr. 18979)

03 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le plan ambitieux destiné à combattre et éradiquer la maladie du sommeil" (n° 18979)

 

03.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, een tweetal maanden geleden vroeg ik naar meer details over uw plan om in samenwerking met de Bill & Melinda Gates Foundation de slaapziekte in ons partnerland DRC te bestrijden. Het antwoord dat u op mijn vragen gaf, was volgens mij onvoldoende. Uw antwoorden riepen integendeel veeleer nieuwe vragen op. Daarom stel ik de huidige mondelinge vraag.

 

De vragen die ik had gesteld, behandelden de drie grootste vraagtekens in uw ambitieuze plan. Hoe zult u omgaan met mogelijk verslechterende diplomatieke relaties tussen België en de Congolese autoriteiten? Op welke manier wordt rekening gehouden met de onveiligheid van de hulpverleners in hun hoedanigheid van lokale medewerkers? Ten slotte, waarom is het project maar tot acht jaar ingepland, terwijl het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) een periode van 25 jaar realistisch acht om de slaapziekte met zekerheid uit te roeien?

 

In uw antwoord op mijn eerste vraag erkent u volgens mij in geringe mate het feit dat de relatie tussen Congo en België verzuurd is. Vooral hebt u op basis van uw antwoord geen uitgewerkt worstcasescenario. Natuurlijk zal de research die buiten Congo gebeurt geen last hebben van moeilijke relaties. Dat lokale onrust een interventie moeilijker maakt, is evident. Die vraag had ik echter niet gesteld.

 

In uw tweede antwoord geeft u aan dat in de operationele strategie met de onveiligheid rekening zal worden gehouden, alsook dat u flexibel zult zijn om aanpassingen te doen met oog voor de lokale realiteit. Mijnheer de minister, u geeft een eigenaardig antwoord. Zijn onze interventies dan niet altijd aangepast aan de lokale realiteit? Is dat ook geen punt dat naar voren komt in het verslag met de Bijzondere Evaluator, dat onlangs in de commissie is besproken? In dat verslag stond immers dat bij de Belgische programma’s de bevolking te weinig wordt betrokken en dat vragen kunnen worden gesteld bij de mate waarin onze interventies aan de lokale context zijn aangepast.

 

Ik vroeg, ten slotte, ook naar de langetermijnvisie van uw ambitieuze plan en naar de dissonantie met wat het Instituut voor Tropsiche Geneeskunde aanraadt, namelijk een periode van 25 jaar tegenover de periode van acht jaar die u naar voren schuift. U gaf in uw antwoord aan dat wordt gekeken naar de manier waarop het programma in lopende steunprogramma’s voor het gezondheidssysteem kan worden geïntegreerd alsook op welke manier de Wereldgezondheidsorganisatie mogelijk een partner zou kunnen zijn. Mijnheer de minister, ik verwijs hier weer naar het verslag van de Bijzondere Evaluator die uitdrukkelijk stelde dat de Belgische interventies geen realistisch afsluitingsprogramma hebben en dat dit een ernstige belemmering is voor een duurzame impact.

 

Ik heb dan ook een aantal bijkomende nieuwe vragen.

 

Hoe zult u rekening houden met een mogelijke verslechtering van de diplomatieke relaties tussen België en Congo? Op welke manier kan dit de implementering op het terrein hinderen? Hoe verschilt het aanpassen aan de lokale realiteit en flexibiliteit, dat u naar voren schuift bij dit specifieke plan, met het aanpassen aan de lokale realiteit van onze andere interventies? Hoe wordt rekening gehouden met de opmerkingen en aanbevelingen van de Bijzondere Evaluator? Zal er bij aanvang van dit engagement, in tegenstelling tot andere huidige lopende programma’s, een exitstrategie, een transitie of een afsluitingsprogramma worden uitgewerkt?

 

Dank u wel voor uw antwoord.

 

03.02 Minister Alexander De Croo: Een mogelijke verslechtering van de diplomatieke relaties tussen België en Congo valt niet uit te sluiten en dit zou inderdaad een impact hebben op de samenwerkingsprojecten die in dit land worden uitgevoerd. Ook de andere donoren van de Europese Unie, de Verenigde Staten en Canada staan kritisch tegenover de huidige politieke evolutie in de DRC.

 

België heeft herhaalde keren alle betrokkenen bij het conflict opgeroepen om terughoudend te zijn en geen geweld te gebruiken. Wij hebben ook gewezen op de individuele verantwoordelijkheid van de betrokkenen bij het conflict.

 

De bestrijding van de slaapziekte is bij uitstek een humanitair initiatief ten gunste van de Congolese bevolking die het grootste slachtoffer is van de huidige situatie van geweld en onderontwikkeling. Internationaal wordt België erkend als een pionier in het bestrijden van de slaapziekte door de wereldgerenommeerde wetenschappelijke expertise van het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de belangrijke inspanningen die de Belgische Ontwikkelingssamenwerking leverde in Congo, de voornaamste haard van slaapziekte.

 

Met al de interventies in de DRC wordt er net, zoals voor de andere partnerlanden, getracht in te spelen op de lokale realiteit. Om de juiste keuzes te maken in beleidsvorming en uitvoering moet men een goed zicht hebben op welke inzet in welke gevallen wel of niet effectief is. Ontwikkeling en verandering verlopen immers niet lineair of via een strak ingekaderd model. Het is dus zaak bij de ontwikkeling en planning van interventies en bij de monitoring en de evaluatie met de complexiteit terdege rekening te houden. Onze aandacht moet zich daarbij richten op de veronderstelde samenhang tussen de politiek maatschappelijke situatie in een land of regio en op verwachte veranderingsprocessen in die context.

 

In de strijd tegen de slaapziekte kan de bestrijding van de tseetseevlieg efficiënter worden georganiseerd via kleine targets die vliegen aantrekken en vernietigen. De omvorming van de mobiele ploegen in kleinere, meer flexibele eenheden verhoogt de efficiëntie en de duurzaamheid van het bevolkingsonderzoek. De bevolkingsopsporing verloopt efficiënter via de elektronische registratie van gegevens. In een combinatie van deze gedigitaliseerde gegevens met satellietgegevens over het natuurlijke milieu is het mogelijk om veel gerichter de bronnen van besmetting te achterhalen. Binnen verschillende interventies van de Belgische Ontwikkelings­samenwerking worden de beoogde resultaten in kaart gebracht en wordt een risicoanalyse uitgevoerd.

 

De DRC is een fragiele staat, met een quasi afwezigheid van de overheid in sommige delen van het land, wat de uitvoering van de programma’s niet vereenvoudigt. Zoals ik u reeds heb geantwoord op uw schriftelijke vraag van 11 mei 2017 zijn er in het huidige programma elementen aanwezig om de strijd tegen de slaapziekte te integreren in het Congolese gezondheidssysteem en dit systeem te versterken. Na negen jaar zal een evaluatie worden gemaakt hoe de duurzaamheid van de steun de robuustheid van het Congolese gezondheidssysteem heeft versterkt en kunnen er indien nodig aangepaste maatregelen worden genomen.

 

Er is trouwens geen dissonantie tussen wat het ITG zegt en de doelstelling van de interventie, waarbij het ITG trouwens zeer nauw betrokken was. Nu moet ik wat technisch worden. De doelstelling van het programma dat het Belgisch ontwikkelingsbeleid lanceert, in samenwerking met de Bill & Melinda Gates Foundation, de Wereldgezondheidsorganisatie, het ITG en het BTC, is om tegen 2025 de overdracht van de slaapziekte volledig te stoppen in 90 % van de zones waar de slaapziekte momenteel voorkomt. Met eliminatie wordt het stoppen van de transmissie bedoeld. Het objectief is om dat tegen 2025 te doen. Als er sprake is van eradicatie, dan is het de bedoeling dat de ziekte van de aardbol verdwenen is. Dat objectief hebben we tegen 2030.

 

Aangezien de slaapziekte enkel van een besmette persoon op een andere persoon kan worden overgedragen, concentreren wij ons dus op de overdracht van de ziekte. Indien wij daarin slagen, dan kunnen we het woord elimineren gebruiken. Het is een ambitieuze, maar realistische doelstelling, zo stelt professor Marleen Boelaert, waarschijnlijk de grootste specialist ter wereld inzake slaapziekte, verbonden aan het ITG. Vervolgens zullen wij nog vele jaren moeten monitoren om te vermijden dat de ziekte opnieuw opduikt. Indien dat niet gebeurt tijdens een voldoende lange periode, waarbij het ITG spreekt over 25 jaar, dan kunnen wij de ziekte als uitgeroeid beschouwen.

 

We staan nu aan het begin van dat engagement, dat dus over negen jaar zal lopen en misschien zelfs langer indien niet alles zoals gewenst verloopt. Aan een exitstrategie voor over negen jaar werken wij momenteel nog niet. Het is nu vooral de bedoeling om alles goed op te starten. Gisteren hadden wij daarover nog een ontmoeting met het ITG, met de Bill & Melinda Gates Foundation en met BTC.

 

03.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Ik hoop op het initiatief dat u genomen hebt, met eliminatie tegen 2025 en volledige uitroeiing tegen 2030. Dat is positief bekeken.

 

Is het mogelijk om tussentijds informatie te verkrijgen over het verloop? Ik weet niet welke de mogelijkheden zijn, maar er zit misschien wel een kans in.

 

03.04 Minister Alexander De Croo: Er gebeuren metingen en driejaarlijks vindt er een evaluatie plaats. Op basis van vragen die u stelt, ben ik altijd bereid om dat toe te lichten. Of wij echter over drie jaar nog in onze huidige functies zitten, weten we uiteraard nog niet.

 

03.05  Fatma Pehlivan (sp.a): Collega’s die zich voor deze problematiek interesseren, kunnen via het verslag van deze commissie vernemen dat dit opgevolgd kan worden.

 

Bedankt voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vraag nummer 19041 van de heer Luykx wordt op zijn verzoek omgezet in een schriftelijke vraag.

 

04 Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le plan d'investissement externe de l'Union européenne" (n° 19171)

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le plan d'investissement extérieur européen" (n° 19844)

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Europees extern investeringsplan" (nr. 19171)

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Europees extern investeringsplan" (nr. 19844)

 

Mijnheer de minister, mevrouw Jadin, niet aanwezig, gaat ermee akkoord dat ik de vraag stel.

 

04.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, begin juni vonden de Europese Ontwikkelings­dagen plaats. Op het programma stond een ontmoeting tussen de sector van de ontwikkelings­samenwerking en de privésector, om na te gaan welke samenwerking er mogelijk is. Er werd vooral gekeken naar mogelijke investeringen als potentieel om ontwikkeling in het Zuiden te ondersteunen. Dat is nodig omdat het al langer duidelijk is dat alleen de ODA niet voldoende zal zijn om de nodige fondsen te vergaren om de SDG's te kunnen realiseren. Uit ramingen blijkt dat er 3 000 tot 4 000 miljard euro nodig zal zijn. De Europese gezamenlijke ODA heeft ongeveer 75,5 miljard. Daarmee gaan wij er dus niet komen.

 

Vandaar mijn vragen.

 

Welke resultaten hebben de gesprekken opgeleverd? Welke resultaten werden er specifiek geboekt met betrekking tot het Europees extern investeringsplan? Zijn de indicatoren van het Federaal Planbureau voldoende om de SDG-gerelateerde buitenlandse uitgaven van overheid en privé te identificeren?

 

Op welke wijze wordt er voor uw SDG-gerelateerde activiteiten samengewerkt met de privésector? Hoe ziet u die samenwerking in de toekomst evalueren? Welke plaats heeft het middenveld in dat verhaal?

 

Welke concrete initiatieven hebt u zelf al genomen om eventueel bij Europese collega's te pleiten voor meer samenwerking in het algemeen en met de privésector in het bijzonder, zeker op het vlak van de SDG's?

 

04.02 Minister Alexander De Croo: Het antwoord werd in het Nederlands en in het Frans voorbereid omdat er ook een vraag van mevrouw Jadin was.

 

Les besoins de financement pour atteindre les objectifs de développement durable sont énormes et l'aide publique au développement ne représente qu'une partie modeste des possibilités de financement.

 

Ainsi, la mobilisation des ressources nationales et la mobilisation du secteur privé aux niveaux national et international afin de rassembler les fonds pour le développement sont cruciales à l'horizon 2030. Dans ce contexte, le plan d'investissement extérieur de l'Union européenne représente un outil important pour favoriser la participation plus étroite du secteur privé à nos efforts pour aider nos pays partenaires en Afrique à atteindre les objectifs de développement durable d'ici 2030.

 

Le plan européen d'investissement extérieur devrait être opérationnel pour le sommet entre l'Union européenne et l'Afrique qui se tiendra en novembre 2017 à Abidjan. Il est prévu que ce plan se compose de trois piliers: la mobilisation de l'investissement, le renforcement de l'assistance technique et l'amélioration du climat d'affaires. Le plan d'investissement répond ainsi aux difficultés et risques auxquels font face les entreprises en Afrique, à savoir principalement la fragilité de certains contextes politiques, l'instabilité du climat d'investissement, les multiples défis énergétiques, les carences ou les faiblesses au niveau de l'infrastructure et le manque ou le trop faible accès aux financements adéquats.

 

Le plan européen d'investissement extérieur sera financé à partir du nouveau fonds de garantie ainsi que les instruments de blending existants combinant les dons et les prêts.

 

La Commission européenne compte sur un effet multiplicateur et un éventuel matching par les États membres pour atteindre le montant annoncé publiquement de 44 milliards d'euros.

 

Het centrale thema van de Europese Ontwikkelingsdagen op 7 en 8 juni 2017 was Investing in development, met bijzondere aandacht voor het aantrekken van de privésector. Dit is volkomen in lijn met de Belgische prioriteiten inzake internationale ontwikkeling. De interventies waren dan ook vooral gericht op een groter engagement vanwege de privésector en op Digital for development. Ik had bilaterale gesprekken met de CEO van Trade Mart East Africa en met de voorzitster van de Coca Cola Africa Foundation, en had eveneens een onderhoud met de nieuwe directeur-generaal van de Wereldgezondheids­organisatie, doctor Tedros.

 

Aan de vooravond van de Europese Ontwikkelingsdagen ontwikkelde de Commissie in samenwerking met de DGD, de VN-vertegenwoordiging in Brussel en het Paleis, het outreach event Voices for Development.

 

Voorts organiseerde ik samen met CEO van Unilever en SDG-advocaat Paul Polman een CEO power breakfast. Doelpubliek was een groep van een 20-tal CEO’s die zich rond het Belgische SDG-charter hebben verenigd. Het Belgische SDG-charter is een gezamenlijk engagement van de privésector, het middenveld en de publieke sector. Daarom namen ook 11.11.11-CEO Bogdan Vanden Berghe en DGD-voorzitter Bruno van der Pluijm deel aan deze gedachtewisseling. Deze ontmoeting was een uitgelezen kans om niet alleen de stand van zaken van ons Belgische initiatief op te maken met een aantal bedrijven, maar ook om de deelnemende CEO’s aan te moedigen om meer ambitie te tonen voor de SDG’s en de nodige mensen en middelen ervoor beschikbaar te stellen.

 

Digital for development kwam aan bod in de slottoespraak die ik hield tijdens het high-leveldebat Digitilisation means streaming of digital technologies in EU development aid, dat door de Commissie werd georganiseerd.

 

Ik modereerde ook het debat Bridging the digital divide in Africa, en ik nam deel aan het high-leveldebat Making It happen through jobs and entrepreneurship. Tijdens deze toespraken en debatten ging ik onder meer in op de vraag in welke mate digitalisering daadwerkelijk perspectieven inzake jobcreatie biedt.

 

Ik haalde daarbij onder meer ook mijn recent BeCentral-initiatief aan, een hub in Brussel-Centraal waar digitale vaardigheden kunnen worden aangeleerd en waarvan de opening tijdens de herfst van 2017 wordt gepland. Ik haalde ook de 18 miljoen euro investeringen vanwege de federale overheid aan in het Digital Skills Fund, waarbij ook private partners worden gemobiliseerd.

 

Wat betreft het Europees extern investeringsplan, is het nog te vroeg om de resultaten te beoordelen. Dit plan werd in september 2016 door de Europese Commissie voorgesteld. Tot op heden beperkten de onderhandelingen zich tot de regelgeving van het instrument. Op het niveau van de Raad hebben de lidstaten eind juni een akkoord bereikt. Het Europees Parlement gaf op 6 juli hierover een advies. De uitvoering van dit ambitieuze plan voor Afrika en Europa met de bevordering van investeringen, het investerings­klimaat en de technische bijstand als pijlers zal pas in de tweede jaarhelft van start gaan. Meer informatie over dit plan zal na de EU-Afrikatop van eind november beschikbaar zijn.

 

De nationale SDG-indicatoren van het Federaal Planbureau zijn een work in progress. Momenteel zijn er 107 indicatoren voorhanden, die toepasbaar zijn op België, in vergelijking met de 232 globale SDG-indicatoren, waarvan de meerderheid op België van toepassing kan worden geacht. De Belgische statistici werken deze nationale SDG-indicatoren verder uit, in samenwerking met de statistische diensten van de Verenigde Naties en de Europese Unie en in dialoog met de privésector en het middenveld.

 

04.03  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Zoals u zelf aangeeft, zijn SDG's zo breed dat een samenwerking tussen de overheid, de privésector en het middenveld inderdaad noodzakelijk is. De overheid alleen kan dat niet trekken. Iedereen moet daarbij betrokken worden. Daarom zijn de indicatoren van het Federaal Planbureau belangrijk om na te gaan wat waar al is gebeurd en waar wij eventueel achterop hinken en een tandje moeten bijsteken. Het is vooral de taak van de overheid om dat bij te houden, om dan aan het werk te gaan met de hulp van alle andere actoren. Vandaar dat ik het Europese initiatief toejuich om op die manier de verschillende actoren samen te brengen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et européennes, chargé de Beliris et des Institutions culturelles fédérales, sur "la famine au nord du Nigeria" (n° 19448)

05 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, over "de hongersnood in het noorden van Nigeria" (nr. 19448)

 

05.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, selon le Programme alimentaire mondial (PAM), loin du tumulte médiatique, presque dans l’indifférence internationale, près de deux millions de Nigérians sont menacés par la famine dans les zones où la secte islamiste Boko Haram sévit depuis plus de dix ans.

 

Étant donné que ce groupe n'opère pas dans le sud, il est difficile pour les populations de la partie méridionale du pays de prendre toute la mesure du drame. Au nord, la secte islamiste a tué plus de 20 000 personnes au cours des dix dernières années. Un chiisme ethnique et religieux sépare le nord et le sud. Lagos, situé au sud, et davantage chrétien et occidentaliste, ferme les yeux sur le drame qui se déroule au nord, inspiré par l’islam.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer ces informations? Je rappelle que le Nigeria est, de loin, l'État le plus peuplé de toute l'Afrique. On annonce d’ailleurs qu'il comptera très bientôt trois cents millions d'habitants. Existe-t-il un plan d’aide internationale pour contrer cette famine au nord du Nigeria? Dans l’affirmative, la Belgique y contribue-t-elle? Avez-vous des contacts avec vos homologues européens à propos de cette famine? Avez-vous connaissance d’une aide de l'Organisation de l'Unité africaine (OUA), même si nous savons qu'elle a déjà bien du mal à fonctionner?

 

05.02  Alexander De Croo, ministre: Je ne pense pas qu'on puisse parler d'une indifférence internationale, mais il est vrai que les autorités nigérianes éprouvent énormément de difficultés à gérer l'accès aux zones les plus touchées. Les informations font état de détournements de l'aide internationale aux populations du nord par divers réseaux de corruption. C'est évidemment inacceptable.

 

D'après les indications d'OCHA, la famine menace près de vingt millions de personnes en Somalie, au Soudan du Sud, au Nigeria et au Yémen. On estime qu'au Nigeria, quarante-quatre mille personnes sont dans un état de famine. L'ONU a appelé la communauté internationale à rassembler 4,4 milliards de dollars, dont 734,1 millions pour ce pays, afin d'éviter l'aggravation de cette crise.

 

Lors de la Conférence humanitaire d'Oslo du 24 février dernier, la communauté internationale s'est engagée pour un montant de 205,6 millions de dollars. Les besoins sont tellement criants que le Plan de réponse humanitaire 2017 pour le Nigeria n'est financé qu'à hauteur de 28,6 %.

 

Compte tenu de la situation humanitaire exceptionnelle, j'ai annoncé, en mars 2017, la décision de doubler les dons versés à l'appel conjoint lancé par le consortium 12-12, réunissant plusieurs grandes ONG belges pour les victimes de la famine de ces quatre pays. L'action "Famine 12-12" ayant permis de récolter 9,52 millions d'euros au cours de ces derniers mois, le gouvernement fédéral a donc fait passer le montant de 19,04 millions d'euros. Les dossiers d'ONG seront envoyés à l'administration d'ici fin du mois. Quinze millions d'euros seront également attribués à quatre organisations humanitaires des Nations unies pour répondre aux crises dans ces quatre pays. Le montant inclut une contribution de 3,5 millions d'euros au fonds des Nations unies pour l'Enfance (UNICEF), au Comité international de la Croix-Rouge (CICR), au Programme alimentaire mondial (PAM) et au UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees) pour leurs opérations au Nigeria.

 

Les dossiers de financement sont actuellement en cours de traitement. J'ai également donné mon accord de principe pour le financement du Fonds humanitaire pour le Nigeria géré par le Bureau de la coordination des affaires humanitaires (OCHA), à hauteur de 4 millions d'euros pour la période 2017-2018. Ce fonds flexible permet aux donateurs de mettre en commun leurs contributions afin d'apporter une réponse collective plus forte à la crise. Toutes ces contributions destinées au Nigeria s'ajoutent au financement full core des partenaires humanitaires, à hauteur de 50 millions d'euros en 2017.

 

05.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

En tout cas, ce qui me satisfait, c'est qu'il y a vraiment une prise de conscience de nos autorités sur cette situation, et aussi une globalisation par rapport aux pays voisins qui connaissent peu ou prou le même genre de situation de famine. Évidemment, la famine et le développement de l'islamisme sont malheureusement souvent liés. N'oublions pas que cela engendre aussi une poussée vers le nord, vers la Libye, et après, vers les drames qui se passent actuellement en Méditerranée.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la surnatalité en Afrique et les conséquences du G20 du 13 juin 2017" (n° 19479)

06 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de te hoge geboortecijfers in Afrika en de gevolgen van de G20 van 13 juni 2017" (nr. 19479)

 

06.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la présidente, une petite erreur s'est glissée dans le texte de ma question. En effet, le G20 n'a pas eu lieu en juin!

 

Monsieur le ministre, l'Afrique était au cœur du G20 organisé à l'initiative d'Angela Merkel, à Berlin, en ce mois de juillet. Le but de cette initiative devait être notamment d'aider les dirigeants africains à attirer les investisseurs privés.

 

Cette aide n'a rien de philanthropique dans le chef des pays les plus riches. En aidant l'économie africaine, les pays du G20 espèrent enrayer les flux migratoires en provenance d'un continent où la démographie explose. Comme je l'ai déjà expliqué en parlant du Nigeria, la population va doubler d'ici à 2050, soit en à peine trente-trois ans.

 

La situation est avant tout préoccupante dans les pays du Sahel, cette bande de désert aride et stérile formée par la Mauritanie, le Sénégal, le Mali, le Niger, le Tchad, le Soudan, l'Érythrée, mais aussi le Nord du Nigeria où sévissent les sectes islamistes, comme Boko Haram. D'autres pays subsahariens sont également touchés; je pense à la République démocratique du Congo.

 

Monsieur le ministre, à elle seule, la Belgique est impuissante tant les données sont complexes. Au niveau de l'Union européenne, membre du G20, quelles sont les solutions pratiques, effectives et déjà réalisées sur le terrain afin d'aider au développement économique de ce continent? Pour ce qui concerne notre pays, quelles sont les actions déjà menées dans ce but? En matière de surnatalité, existe-t-il un programme de contrôle des naissances, tel qu'on le voit en Belgique à l'image d'un planning familial? Dans la négative, la Belgique ne pourrait-elle pas être à l'origine d'une telle initiative qui serait suivie par l'Europe?

 

Monsieur le ministre, puisque le G20 a maintenant eu lieu, permettez-moi de vous dire à quel point les résultats notamment sur le plan climatique sont extrêmement frustrants. Pour ce qui concerne le développement de l'Afrique, je crois d'ailleurs savoir que les dirigeants africains ont exprimé toute leur insatisfaction face aux résultats de ce G20. Par ailleurs, pour que ce qui concerne la problématique des réfugiés, les propositions de l'Europe n'ont malheureusement pas pu être mises en œuvre.

 

06.02  Alexander De Croo, ministre: Madame la présidente, cher collègue, l'Union européenne et ses 28 États membres sont le principal investisseur étranger en Afrique, son principal partenaire commercial, sa principale source de transfert de fonds, son premier partenaire dans le développement et l'aide humanitaire et un fournisseur clé de sécurité.

 

La Belgique participe au développement économique du continent africain à la fois par des programmes qui contribuent à améliorer le climat d'affaires et par des actions qui cherchent plus spécifiquement à générer une croissance économique inclusive et durable, notamment par l'appui aux micro-, petites et moyennes entreprises. L'objectif est de rendre les populations davantage autonomes, de stimuler le secteur privé local et, de manière générale, l'ensemble du développement du pays.

 

Comme je l'ai déjà dit et répété dans cette commission, je suis convaincu du rôle fondamental que détient le secteur privé. J'ai vivement encouragé les initiatives destinées à accroître la mobilisation des ressources financières privées, comme l'ouverture de BIO au capital privé, la mise en œuvre d'une charte-agenda 2030 et les projets multi-acteurs.

 

Pour ce qui est de l'explosion démographique en Afrique, les chiffres sont en effet connus. La population africaine va doubler pour atteindre 2,5 milliards d'hommes et de femmes en 2030, dans un contexte de changement climatique. Pour cette raison, les droits sexuels et reproductifs, le planning familial constituent l'une des quatre priorités de ma politique. Permettre à chaque femme de décider c quand elle désire avoir des enfants et combien constitue un droit fondamental qui doit être mis en œuvre. Permettre de choisir un nombre d'enfants et d'espacer les naissances a également des incidences positives pour l'ensemble de la famille et de la communauté.

 

Dans les pays partenaires, la Belgique vise à activer systématiquement le dialogue avec son partenaire sur ce thème.

 

Renforcer l'accès à la planification familiale et prévenir notamment les grossesses non désirées ou encore réduire la mortalité maternelle font partie des objectifs fondamentaux de la coopération belge. Dans ce sens et dans le cadre d'une initiative "She decides", j'ai décidé de financer un programme de coopération déléguée de 1,5 million d'euros au Bénin. Le Fonds des Nations unies pour la population est l'organisation qui mettra en œuvre ce programme qui vise dix mille jeunes femmes.

 

Dans les nouveaux pays partenaires de la coopération, le Burkina Faso et la Guinée, les programmes concernant la santé et les droits sexuels et reproductifs ont également été lancés avec le Fonds des Nations unies pour la population en 2016. Les budgets s'élèvent à 5 millions d'euros pour la Guinée et à 3,4 millions pour le Burkina Faso.

 

D'autres programmes en matière de SDSR vont continuer comme au Sénégal.

 

Enfin, la contribution aux ressources générales des partenaires multilatéraux tels que le Fonds des Nations unies pour la population ou encore UNIFEM, permet à ces organismes de mettre en œuvre leurs plans d'action et de développer l'empowerment des femmes, notamment en matière de planification familiale partout dans le monde.

 

Cette coopération belge assure un financement prévisible de quatre ans aux ressources générales de ces organismes, c'est-à-dire au core funding. Le Fonds des Nations unies pour la population a ainsi connu une augmentation substantielle de notre contribution aux ressources générales: neuf millions d'euros annuels au lieu des sept initialement prévus.

 

06.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

Je me rends compte qu'à ce sujet aussi, il y a une bonne prise de conscience de votre part et de celle du gouvernement à propos de cette problématique. Le taux de natalité atteint une moyenne de 5,33 enfants par femme, ce qui est bien au-delà de notre taux - 1,6, voire 1,7 - et c'est extrêmement problématique.

 

Le problème, c'est que cela passe par l'éducation, parce que les traditions font en sorte que … Et pourtant, en Afrique, les femmes travaillent plus que les hommes; malgré tout, elles ont encore beaucoup d'enfants. Souvent, quand les femmes ne travaillent pas, elles restent à la maison et elles ont des enfants. Mais en Afrique, non seulement elles travaillent mais elles ont des enfants. C'est un gros problème.

 

Pour arriver à la transition démographique, il faut un développement économique et c'est à ce sujet que le bât blesse, malheureusement. On le voit: dans les États africains où le développement et le niveau de vie sont plus importants, le nombre d'enfants diminue. C'est par exemple le cas de l'Afrique du Sud où la situation évolue bien Il y a encore néanmoins du boulot! J'apprécie aussi d'entendre vos réponses de ce point de vue-là.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Questions jointes de

- M. Philippe Blanchart au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la mission du ministre au Soudan du Sud et en Ouganda" (n° 19538)

- Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le déplacement du ministre en Ouganda" (n° 19660)

07 Samengevoegde vragen van

- de heer Philippe Blanchart aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de missie van de minister naar Zuid-Sudan en Uganda" (nr. 19538)

- mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de reis van de minister naar Uganda" (nr. 19660)

 

07.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, met veel aandacht heb ik het artikel in MO Magazine gelezen waarin u geïnterviewd werd over uw bezoek aan de regio in Oeganda waar nu een miljoen Zuid-Soedanezen wordt opgevangen. Zoals u terecht zegt in het interview, is dit geen probleem dat zomaar uit de lucht komt vallen en spelen verschillende factoren een rol: de politieke elite in Soedan, regeringen in buurlanden, de wapenindustrie en ook de apathie van de internationale gemeenschap. Regionale politieke oplossingen voor regionale politieke problemen zijn volgens mijn fractie de meest duurzame en realistische kans voor vrede en daarom vind ik het terecht dat u de afwezigheid van de Afrikaanse Unie betreurde.

 

Behalve de regionale aanpak van de problemen benadrukte u ook hoe er een groot potentieel is voor economische ontwikkeling voor bedrijven die zich specialiseren in goederen en diensten die nodig zijn voor de opvang van vluchtelingen, een economisch potentieel dat vele malen groter is dan de wapenindustrie. Op zich lijkt mij dit een goed idee en ik kijk nu al uit naar een strategie hieromtrent. We moeten er ons toch voor hoeden dat we niet een onbedoelde, perverse situatie creëren waar bedrijven haast als het ware uitkijken naar de volgende crisis om hun producten te leveren. Zo zouden de wapenindustrie en de bedrijven in die visie nog de beste vrienden kunnen worden.

 

Wat mij ook opviel, mijnheer de minister, is hoezeer u vanuit uw hart heeft geantwoord tijdens het interview. Ik voelde de verontwaardiging en ook de frustratie, niet het minst ten opzichte van uw Europese collega-ministers. Als ik u even mag citeren: “Je moet jammer genoeg vaststellen dat er in Europa, en met name in de Europese politiek, niemand is die de moed heeft om dit soort beleid te voeren of voor te stellen.” Dat is moedig en ik ben blij dat u uw visie zo klaar en duidelijk heeft verkondigd. U zei bovendien dat u het niet eens bent met het idee dat ontwikkelings­samenwerking een soort ruilmiddel kan zijn in de strijd tegen migratie. Daar steun ik u volledig in maar tezelfdertijd heeft in uw regering staatssecretaris voor Asiel en Migratie Francken wel al verscheidene keren laten vallen dat ontwikkelingssamenwerking zich zou moeten richten op landen waarvan veel migranten afkomstig zijn.

 

Op welke manier ziet u een rol weggelegd voor de Europese Unie en met name het Europees ontwikkelingsbeleid om regionale actoren in Afrika te versterken?

 

Hoe zou een meer Oegandese aanpak van vluchtelingen toegepast in Europa er volgens u kunnen uitzien? Kan u meer duiding geven over de werkrelatie tussen uzelf als minister van Ontwikkelingssamenwerking en de staats­secretaris voor Asiel en Migratie, de heer Francken, inzake uw visie op migratie en ontwikkelingssamenwerking?

 

07.02 Minister Alexander De Croo: (…) partner van regionale actoren in Afrika. Zowel de Regional Economic Commissions, de zogenaamde REC's, zoals de East African Community, de Southern Africa Development Community, de Economic Community of West African States en natuurlijk de Afrikaanse Unie kunnen allemaal op genereuze steun van de EU en het Europees ontwikkelingsbeleid rekenen. Ook in de komende jaren zullen deze regionale spelers op steun van de EU kunnen rekenen. Daarbij moeten we evolueren van een samenwerkingsmodel waarbij regionale organisaties die een grotere mate van professionaliteit en integratie hebben bereikt, op bijkomende steun kunnen rekenen. Voor die regio's, zoals in noordelijk Afrika, waar de regionale integratie achterwege blijft moeten we een beroep doen op meer bilaterale programma's of moeten we inzetten op de rol van de continentale Afrikaanse Unie.

 

Ondanks onze steun moeten wij helaas vaak vaststellen dat de regionale organisaties er niet in slagen politieke oplossingen in de eigen achtertuin te promoten. Dat heeft dan vaak te maken met de interne verdeeldheid en niet met het gebrek aan internationale steun. Op dit moment kunnen we enkel druk blijven uitoefenen en volhardend de dialoog blijven promoten, zoals ik recent in Zuid-Soedan en Oeganda heb gedaan.

 

Uiteraard kan het Oegandese model niet zomaar gekopieerd worden in een Europese context. De vluchtelingen die vanuit Zuid-Soedan in het noorden van Oeganda terechtkomen zijn vaak van dezelfde etnie, spreken dezelfde taal en hebben dezelfde gewoonten. Dit vergemakkelijkt de opvang in eigen streek. Elke vluchteling die in Oeganda aankomt krijgt het nodige om aan zijn basisbehoeften te voldoen. Vluchtelingen die in Europa erkend worden, kunnen rekenen op dezelfde sociale zekerheid als de eigen onderdanen. Dat is terecht en stemt overeen met onze verplichtingen al brengt het natuurlijk wel een grote kost per vluchteling met zich.

 

Dit gezegd zijnde vind ik wel dat wij ons in Europa de vraag moeten durven stellen waarom de opvang van een miljoen Syrische vluchtelingen op een totale bevolking van 500 miljoen Europeanen met zoveel problemen gepaard gaat. Ik vind dat Europa meer genereus had kunnen zijn in de opvang van Syrische vluchtelingen. In eigen land moeten we weliswaar niet blozen voor de inspanning in het aantal vluchtelingen dat wordt opgevangen. Het feit dat sommige Oost-Europese regeringen weigeren deel te nemen aan het opvangen van vluchtelingen vind ik bijzonder betreurenswaardig. Het feit dat twee jaar na de zogenaamde asielcrisis nog steeds vluchtelingen in Italië en Griekenland in mensonwaardige omstandigheden worden opgevangen is onaanvaardbaar. Ondanks de inspanningen om de lasten Europees te verdelen stoot Europa hier helaas vaak op de grenzen van de eigen bevoegdheden. Het blijft de soevereine plicht van landen als Griekenland en Italië om zelf een afdoende en correcte opvang van asielzoekers te organiseren.

 

Ik heb een uitstekende relatie met mijn collega Francken. Wij zijn het niet altijd eens over elk onderwerp, maar wij steunen beiden het gevoerde beleid van deze regering. Net als mijn collega Francken vind ik bijvoorbeeld dat economische gelukzoekers die op irreguliere wijze in België toekomen geen recht hebben op verblijf. Ook zijn wij het erover eens dat uitgeprocedeerde asielzoekers en vreemdelingen in illegaal verblijf ons land moeten verlaten.

 

Het Belgische ontwikkelingsbeleid schrijft zich in in het Belgische buitenlandse beleid zoals het regeerakkoord vermeldt. Dat wilt niet zeggen, zoals ik ook in het interview met MO Magazine aangaf, dat de Belgische ontwikkelings­samen­werking zich volledig en uitsluitend inschakelt in de Europese en Belgische migratiepolitiek. Het aanpakken van de grondoorzaken van irreguliere migratie is een belangrijk aspect van ontwikkelingsbeleid. Maar er zijn ook vele andere thema’s die mijn beleid gestalte geven: de Agenda 2030, klimaatverandering, de strijd tegen armoede in de minst ontwikkelde landen enzovoort.

 

07.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben het volledig met u eens, maar in verband met uw relatie tot uw collega heb ik wel mijn bedenkingen, maar goed.

 

Mijnheer de minister, wat betreft het Europese niveau, wij zullen vanuit België het probleem immers niet oplossen, u sprak over een miljoen Syrische vluchtelingen op een bevolking van 500 miljoen inwoners en zei dat wij veel meer kunnen doen, niet alleen West-Europa maar heel Europa. Ik hoop dat u dit blijft aankaarten op Europees niveau. Iedereen in Europa moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

 

Ik heb verder op de agenda samen met collega Van Hoof nog een vraag over het Europees trustfonds. Dit heeft daar een link mee, hoe die middelen daar besteed worden. Ik wacht dus op het antwoord op die vraag, want het een kan niet losgekoppeld worden van het ander. Uiteindelijk zijn dat middelen die zowel naar ontwikkelings­samenwerking als migranten en asielzoekers gaan. Het gaat over hoe wij op een efficiënte manier die middelen kunnen inzetten ten goede van die mensen. Ik zal straks mijn vraag daarover stellen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mevrouw Capoen heeft gevraagd om haar vraag nr. 19689 om te zetten in een schriftelijke vraag.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de transparantie van het budget" (nr. 19696)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "nieuwe besparingen bij Ontwikkelingssamenwerking" (nr. 19816)

08 Questions jointes de

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la transparence du budget" (n° 19696)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "de nouvelles économies dans les budgets de la Coopération" (n° 19816)

 

 

08.01  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ons land scoort goed op de International Transparancy Index en is zelfs de sterkste stijger in 2016. Het is een goede zaak dat de transparantie van de Belgische ontwikkelingssamenwerking toeneemt en dat u dit ook belangrijk acht.

 

Toch is er nog altijd heel wat werk aan de winkel. Wij behoren tot de middenmoot. De federale begroting Ontwikkelingssamenwerking maakt het zowel voor een parlementair als een buitenstaander vaak moeilijk om door de cijfers te kijken en een duidelijke inschatting te maken van wat er eigenlijk wordt gefinancierd. Bovendien is de begroting onderhevig aan externe provisies zoals bijvoorbeeld migratie, de inkomsten uit de Europese emissiehandel, maar ook de toename van de begroting door een eventuele indexering. Ook het OESO-DAC geeft aan, in de peer review van 2015, dat België moet garanderen dat de strategie en de criteria die gebruikt worden voor de besparingen tussen 2017 en 2019, actief moeten worden gecommuniceerd met de partners.

 

Ik kom tot mijn vragen.

 

Kunt u in alle transparantie op een rijtje zetten waar er sinds uw aantreden, naast verhogingen, ook werd bespaard binnen het departement Ontwikkelingssamenwerking? Welke basisallocaties en posten werden onderbenut? Welke externe provisies/verhogingen van het budget voor Ontwikkelingssamenwerking hebben er plaatsgevonden? Hoe ziet dit er voor de komende jaren uit?

 

08.02  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je suis intervenue à de nombreuses reprises pour, à l'instar des commentaires de la Cour des comptes, dénoncer un gel des moyens budgétaires de la Coopération, qui s'apparente souvent, dans les faits, à une diminution drastique du budget.

 

Monsieur le ministre, y aura-t-il de nouvelles économies ou gel des dépenses sur les budgets en 2017? Si oui, à hauteur de quels montants? Quels sont vos objectifs pour 2018? Quelle sera la répartition de ces économies entre les différents acteurs de la Coopération? Quel sera l'impact sur les acteurs de la coopération non gouvernementale (ACNG)? Le cas échéant, quand ces économies seront-elles communiquées aux acteurs afin qu'ils puissent adapter leurs programmes et stratégies en conséquence?

 

08.03 Minister Alexander De Croo: Bij het begin van de legislatuur werd voor Ontwikkelingssamenwerking een besparing afgesproken, gaande van 150 miljoen euro in 2015 tot 270 miljoen euro in 2019. Bij de opmaak van de begroting voor 2017 werd daarbovenop in de regering nog een jaarlijkse besparing van 25 miljoen euro afgesproken. Begrotingen zijn niet statisch, maar dynamisch. Begrotingen evolueren onder de invloed van externe factoren. Zo wordt op het basisbedrag jaarlijks een cumulatieve indexering toegepast. Voor 2016 bedroeg het indexatiebedrag 15 miljoen euro, dit jaar 33 miljoen euro. In 2016 was er een interdepartementale provisie voor migratie van 57,6 miljoen euro voor het Turkey Trust Fund en terrorisme, en van drie miljoen euro voor het Valetta Trust Fund.

 

Ook de klimaatfinanciering is een externe factor. De federale overheid heeft beslist dat er jaarlijks 25 miljoen uit het ontwikkelingsbudget zal worden besteed aan internationale klimaatfinanciering in ontwikkelingslanden. In 2016 werd dat bedrag inderdaad van mijn budget vrijgemaakt voor bijkomende klimaatfinanciering. Vanaf dit jaar zou mijn begroting in principe moeten kunnen beschikken over de inkomsten van het Emission Trading System. In 2017 werd in de begroting 23,6 miljoen euro ingeschreven aan ETS-inkomsten. Het is evenwel niet zeker of de Climate Burden Sharing tussen de federale regering en de regeringen van de drie Gewesten tijdig in alle betrokken parlementen geratificeerd zal worden, voor het einde van het jaar. In dat geval zal ik dit jaar nog niet kunnen beschikken over de ETS-opbrengsten. Zoals ik al zei, een begroting is geen statisch gegeven.

 

Tot slot, beslist de regering ook jaarlijks over een aantal administratieve blokkeringen of onderbenuttigingen met als doelstelling jaarlijks de begroting onder controle te houden. Alle departementen krijgen dergelijke administratieve blokkeringen opgelegd, dus ook de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp. In 2015 ging het om 187,5 miljoen euro. In 2016 om 150 miljoen, en dit jaar om 120 miljoen. De onderbenuttiging vindt niet willekeurig plaats, maar wordt programma per programma en basisallocatie per basisallocatie afgewogen tegen het tempo van de uitgaven, de prioriteiten van het Belgische ontwikkelingsbeleid en de uitstaande verplichtingen. Wij houden ook rekening met de natuurlijke onderbenuttiging, die er elk jaar is, onder meer omdat wij in fragiele contexten werken. Indien dat niet volstaat om de afgesproken administratieve blokkering te realiseren, worden bijkomende maatregelen genomen.

 

Het zou mij te ver leiden om dit sinds 2014 per basisallocatie te detailleren. Dit jaar hebben de combinatie van besparingen en onderbenuttigingen onder meer tot de volgende beslissingen geleid.

 

De operationele kosten van de BTC dalen van 180 naar 150 miljoen, de vrijwillige bijdrage voor multilaterale projecten wordt verminderd met 20 miljoen euro en de subsidies aan niet-gouvernementele en institutionele actoren dalen met 17 miljoen euro. Ik wil opmerken dat voor de periode 2017-2021 toch voor 1,15 miljard euro aan subsidies voor die actoren werd vastgelegd. Ik heb bij mijn aantreden beslist om het budget voor humanitaire hulp te verhogen van 102 miljoen euro in 2014 tot 170 miljoen euro nu.

 

Gezien de grote humanitaire crisissen in de wereld wordt er op het humanitair budget niet bespaard en wordt het niet onderbenut. De regering zit volop in de opmaak voor de begroting van 2018. Het is op dit moment nog niet mogelijk om daarover veel te zeggen.

 

Zoals ik heel vaak in de commissie heb gezegd, mogen wij niet alleen naar het budget kijken. We moeten ook kijken naar de kwaliteit. We mogen niet alleen naar de input kijken, maar ook naar de output. We moeten proberen om meer te bereiken met de beschikbare middelen. Wij moeten onze interventies en activiteiten kritisch tegen het licht houden en proberen beter te doen op het vlak van pertinentie, effectiviteit, duurzaamheid en efficiëntie. Daarnaast moeten wij budgettaire ruimte creëren voor nieuwe initiatieven. Dat heb ik afgelopen jaar bijvoorbeeld gedaan voor She Decides, de thematiek van seksuele en reproductieve rechten, en rond de eliminatie van de slaapziekte.

 

De beslissingen die de regering neemt over de begrotingsopmaak en de onderbenuttiging worden collectief en gezamenlijk door de vier regeringspartijen genomen. Ik hoor en lees van tijd tot tijd verklaringen van parlementsleden, ook van de meerderheid, over het ontwikkelingsbudget en de noodzaak om opnieuw te groeien naar 0,7 %. Ik kan alleen maar vaststellen dat ik daar nog nooit iets van gehoord heb van de vertegenwoordigers van de regeringspartijen, als zij rond de begrotingstafel zitten, veeleer het tegenovergestelde.

 

Le gouvernement a en effet décidé, au début de l'année, certains blocages administratifs ou sous-utilisations, dans le cadre de ses objectifs budgétaires. Ces blocages sont imposés à tous les départements, y compris la Coopération. Il n'y a pas, à ce stade, de décision pour 2018. Tout dépendra de la situation budgétaire.

 

La répartition de la sous-utilisation n'est pas arbitraire. Elle est le résultat d'une analyse de tous les programmes, de l'état des dépenses, des engagements pris, des priorités de la politique de développement. Les acteurs de la coopération non gouvernementale ont été touchés à hauteur de 17 millions d'euros. Le montant a été déterminé après une concertation avec les acteurs concernés, ce qui a permis d'identifier les possibilités et de limiter les effets.

 

L'élaboration du budget 2018 est en cours. À ce stade, il ne m'est pas possible de communiquer des chiffres parce qu'ils ne sont pas encore connus. Toutefois, aucune mesure ne sera imposée sans dialogue avec les ACNG, comme cela a été le cas dans le passé.

 

08.04  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Wij hebben de boodschap begrepen en die zal zeker worden doorgegeven. Als u mij enigszins kent, dan weet u dat u daarin gerust mag zijn.

 

Ik wacht nog op de schriftelijke neerslag van het antwoord, omdat het voorlezen van de cijfers nogal snel ging. Uit het verslag zal ik die beter kunnen opnemen. Inzake de onderbenutting kwam ik bijvoorbeeld niet aan het getal van 120 miljoen. Misschien hebt u dat overgeslagen, maar het benieuwt mij welke posten er allemaal worden onderbenut. De praktijk van de onderbenutting was ook al onder vorige regeringen gangbaar, wat de oppositie nu ook ter zake beweert.

 

Verandering is bovendien altijd mogelijk. Met het oog op de uitdagingen in ontwikkelingssamenwerking zou het een goede boodschap kunnen zijn wanneer u de praktijk van onderbenutting, die onder vorige regeringen ook bestond, stopzet, zodat die middelen kunnen worden gebruikt voor de talrijke uitdagingen, die zich aandienen.

 

Impact is belangrijk, maar ook meer middelen zijn belangrijk. Onlangs nog, met de European Consensus on Development werd de 0,7 %-norm duidelijk herhaald. Ook Juncker hamerde er tijdens zijn speech naar aanleiding van de European Development Days op dat een vijftiende van de bestede middelen moet worden gehaald via de 0,7 %. Van elk land wordt dus gevraagd om 0,7 % in te zetten en de rest zal van andere actoren moeten komen; dat is heel duidelijk.

 

Als welvarend land moeten wij dat minimum minimorum kunnen halen. Daarvoor blijven wij ons inzetten, niet alleen vanuit het Parlement, want die boodschap wordt uiteraard ook doorgegeven aan de kabinetten, om het hoofd te bieden aan de belangrijke uitdagingen van vandaag op het vlak van ontwikkelingssamenwerking.

 

Ik hoop dat de voorspelling op basis van de peer review, dat we in 2019 maar 0,38 % halen, op die manier toch niet bewaarheid wordt.

 

08.05  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, merci pour ces éléments de réponse.

 

Effectivement, c'est toujours un peu compliqué de réagir à chaud, étant donné la rapidité des réponses, quand il s’agit de telles données chiffrées. Nous allons examiner le rapport avec attention, et revenir vers vous, le cas échéant.

 

Je n'ai pas reçu beaucoup de réponses à mes questions directes. Néanmoins, j'entends bien que pour ce qui concerne 2018, le budget est en cours de discussion et qu'il vous est dès lors impossible de me communiquer des informations pour l'instant. J'aurais quand même espéré obtenir quelques éléments d'orientation que je n'ai pas trouvés dans votre réponse.

 

Il y a d’ores et déjà des inquiétudes dans le secteur à propos de ces budgets qui vont être décidés. J'espère que vous y serez attentif et, en tout cas, que vous pèserez de tout votre poids au sein du gouvernement, pour éviter de nouvelles coupes importantes dans certains secteurs, pourtant essentiels pour la sensibilisation ici au Nord, mais aussi pour toute une série de projets menés dans le Sud.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Collega’s, de minister wordt om 11.30 uur op de vergadering van het kernkabinet verwacht. We kunnen hem pas in september opnieuw in de commissie ondervragen. Daarom stel ik voor dat, wie van de minister vóór die datum een antwoord wenst op zijn vragen, hij of zij die vragen laat omzetten in schriftelijke vragen.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.26 uur.

La réunion publique de commission est levée à 11.26 heures.