Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Dinsdag 26 september 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 26 septembre 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


Le développement des questions et interpellations commence à 14.41 heures. La réunion est présidée par M. Philippe Goffin.

De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 14.41 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de bijstand voor minderjarigen door een advocaat bij een politieverhoor" (nr. 20120)

01 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'assistance d'un avocat pour les mineurs lors d'auditions par la police" (n° 20120)

 

01.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de Orde van Vlaamse Balies en de Kinderrechtencommissaris reageren redelijk verbolgen op een nieuwe richtlijn van het College van procureurs-generaal. De minderjarigen die opgeroepen worden voor een politieverhoor worden niet altijd meer bijgestaan door een advocaat. Die bijstand is nochtans verplicht volgens de Salduzwet.

 

Wie opgeroepen wordt voor een politieverhoor heeft als gevolg van de Salduzwet het recht zich te laten bijstaan door een advocaat. Bij minderjarigen is die wettelijke bescherming nog groter. Als minderjarige kan men geen afstand doen van deze bijstand. Er moet dus verplicht overleg plaatsvinden met een advocaat vooraleer de minderjarige wordt verhoord. Ook bij latere verhoren of bij het invullen van een formulier moet de minderjarige bijgestaan worden door een advocaat.

 

Volgens de richtlijn over de uitbreiding van die wet, Salduz Plus, hoeft het in het vervolg echter niet meer zo te gaan. Wordt een minderjarige betrapt op mineure feiten zoals bijvoorbeeld een kleine winkeldiefstal, het bezit van een joint of van een knipmes, dan kan de politie de jongere ook vragen om gewoon een formulier in te vullen. De jongere heeft dan de keuze: ofwel legt hij een schriftelijke verklaring af, ofwel kruist hij op het bewuste formulier aan dat hij wel een verhoor wil en dat moet dan plaatsvinden met de steun van een advocaat. Zo’n formulier vervangt het verhoor dus niet, benadrukt het gerecht. Het probleem is dat de jongere voor het invullen van dat formulier geen bijstand moet krijgen van een advocaat, haalt de Orde van Vlaamse Balies aan. Elke minderjarige moet worden bijgestaan door een advocaat. Als dat niet gebeurt is het ongrondwettelijk. Volgens de media wenst u niet te reageren. Deze houding wekt verwondering, te meer daar ik begrepen heb dat het College van procureurs-generaal onder het gezag van de minister van Justitie staat.

 

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen. Ten eerste, hoe moet ik uw stilzwijgen interpreteren? Betekent dit dat u de richtlijn van het College van procureurs-generaal onderschrijft? Distantieert u zich hiervan?

 

Ten tweede, hoe kwam deze richtlijn tot stand? Werd u hierover rechtstreeks of via uw kabinet geraadpleegd? Kwam deze richtlijn er soms zonder dat u hierin werd gekend?

 

Ten derde, wat is uw standpunt in de discussie tussen het parket en de Orde van Vlaamse Balies?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, naar aanleiding van de opmerkingen van de OVB deze zomer heb ik navraag gedaan bij het College van PG’s. Ik had immers geen kennis van een nieuwe richtlijn-Salduz voor minderjarigen noch van een toepassing door het openbaar ministerie contra legem.

 

Het expertisenetwerk Jeugdbescherming heeft eind juni een advies uitgebracht aangaande de toepassing van de Salduzwet voor minderjarigen. Dit advies werd door het College van procureurs-generaal goedgekeurd en veroorzaakte commotie, voornamelijk omwille van een andere interpretatie van de wetgeving en de Europese richtlijnen door de ordes. De procureur-generaal van Brussel, tot wiens bevoegdheden het strafrechtelijk beleid inzake jeugd behoort, heeft daarop een brief gestuurd aan de beide ordes van advocaten.

 

In die brief wordt verduidelijkt dat het College van procureurs-generaal geenszins praktijken wil aanmoedigen waarbij bij het verhoor van minderjarigen van het optreden van advocaten wordt afgeweken.

 

Enerzijds wordt eraan herinnerd dat een Salduz III-verhoor van een minderjarige inderdaad nooit zonder voorafgaand overleg met een advocaat kan plaatsvinden. Anderzijds wordt gepreciseerd in welke situaties in principe uitzonderlijk zonder bijstand van een advocaat wel tot het verhoor kan worden overgegaan.

 

Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer via de permanentiedienst gecontacteerde advocaten na het telefonisch vertrouwelijk overleg aangeven dat zij het niet nodig achten voor het verhoor ter plaatse te komen, bijvoorbeeld omwille van de lichtheid van de feiten of omdat zij concrete afspraken met hun minderjarige cliënt hebben gemaakt.

 

Bovendien brengt het College van procureurs-generaal ook in herinnering dat het bij het afnemen van een verklaring aan de hand van een gestandaardiseerd formulier of gestandaar-diseerde vragenlijst niet om een verhoor gaat en het recht op overleg en bijstand daarop niet van toepassing zijn.

 

Niettemin worden bij minderjarigen verscheidene waarborgen verzekerd. Het gebruik ervan wordt bijvoorbeeld beperkt tot een aantal mineure feiten, waarbij de schade niet hoger mag zijn dan 250 euro.

 

Aangezien de richtlijn er uitsluitend toe strekt de wet uit te leggen, betreft het geen gemeenschappelijke richtlijn maar een interne werkingsrichtlijn van het openbaar ministerie. Dat is ook de reden waarom ik mij niet in het debat heb gemengd.

 

Bovendien wordt in de loop van oktober 2017 een ontmoeting georganiseerd tussen vertegen­woordigers van het openbaar ministerie en delegaties van OVB en OBFG.

 

Inmiddels werd door de OVB wel aan alle stafhouders een brief gericht waarin wordt gesteld dat en ik citeer “… de advocaat die, nadat hij een oproep van de Salduzwetapplicatie heeft aanvaard of door het BJB is toegevoegd aan een minderjarige verdachte, aan die verdachte adviseert om afstand te doen van de bijstand tijdens het verhoor en aan de minderjarige en/of aan de politie meedeelt dat hij niet ter plaatse zal komen om de minderjarige ook tijdens het verhoor bij te staan, zich schuldig dreigt te maken aan een deontologische tekortkoming, die desgevallend aanleiding kan geven tot een tuchtsanctie en eventueel tot schrapping van de Salduz­permanentielijst”.

 

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik dank u.

 

01.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat het om een interne werkingsrichtlijn gaat en dat nog in 2017 ontmoetingen tussen de actoren zullen plaatsvinden. Het is toch raar dat nu de ontmoetingen voor overleg zullen plaatsvinden en dat de interne werkingsrichtlijn blijkbaar al geldig is.

 

Ik blijf mij verwonderen over het feit dat een advocaat kan beslissen niet te komen, indien hem dat telefonisch wordt gevraagd en ondanks het feit dat hij voor die weigering een tuchtsanctie kan krijgen. Niettemin laat men dergelijke praktijken toch doorgaan.

 

Daarin ligt de verwondering van iedereen. Ik hoop dan ook dat na de ontmoetingen in 2017 kan worden teruggekomen op die interne werkings­richtlijn, die voor heel veel verwarring en mijns inziens ook voor een mindere bescherming van de minderjarige zorgt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de bloedproefbuisjes" (nr. 20124)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les tubes de prélèvement de sang" (n° 20124)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 14 juli stelde ik u een vraag over het aflopen van het contract van de bloedproefbuisjes. Dit is een cruciaal element in het uitvoeren van de bobcontroles. U gaf toen als antwoord dat de nieuwe bestellingsopdracht uiterlijk begin juli zou worden toegewezen. Het is ondertussen september en ik had graag een stand van zaken gekregen.

 

Kunt u mij nu reeds garanderen wanneer de nieuwe bloedproefbuisjes zullen worden geleverd aan de centrumsteden?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, het contract betreffende de levering van bloedafnamesystemen werd op 31 juli toegewezen. De gemotiveerde beslissing ter zake werd op 14 juli genomen, en gelet op de standstill in de overheidsopdrachten met Europese bekendmaking werd 15 kalenderdagen later officieel een notificatie verstuurd.

 

Ondertussen heeft mijn administratie de nodige kredieten voor de uitvoering van de leveringen vastgelegd. De lokale politiezones, de federale politie alsook het openbaar ministerie, en de hoven en rechtbanken hebben de concrete uitvoeringsinformatie begin augustus via een omzendbrief gekregen.

 

Sinds de toewijzing van de opdracht werden er al 6 307 stuks geleverd. Zo was er geen lacune in de toelevering voor die politiezones die zich onvoldoende bevoorraad hadden op het einde van het vorige contract. Alle leveringen zijn correct en conform de bepalingen van het bestek uitgevoerd.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal mij hiervan vergewissen. Het politiekorps van Brugge kan hier alleen maar tevreden over zijn. Ik hoop dat er in de toekomst geen periodes meer zullen zijn waarin men de bobcontroles moeilijk kan uitvoeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het onderhoud van de gerechtsgebouwen" (nr. 20149)

03 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'entretien des bâtiments judiciaires" (n° 20149)

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, zowel bij het Brusselse parket als in verschillende vredegerechten in Vlaanderen worden naar verluidt de ramen al enkele jaren niet meer gepoetst. Medewerkers moeten zelf de ramen kuisen, anders kunnen zij bijna niets meer zien. De laatste poetsbeurt dateert van minstens twee jaar geleden. Het bedrijf dat normaal alles proper maakt, komt al een tijdje niet meer langs.

 

Blijkbaar is er in de huidige budgettaire context geen ruimte voor de uitbesteding van specifieke taken zoals het poetsen van de ramen. Noodzakelijke investeringen op het vlak van veiligheid en nutsvoorziening krijgen voorrang.

 

Mijnheer de minister, is het probleem ondertussen opgelost? Zo ja, welke maatregelen hebt u genomen? Zo nee, bent u van plan om alsnog maatregelen te nemen?

 

Zijn er soortgelijke problemen in andere parketten en vredegerechten?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, er zijn te weinig budgettaire werkingsmiddelen om alle vragen op te volgen. Er moeten dan ook keuzes worden gemaakt waarbij prioriteit wordt gegeven, onder andere aan de door u aangehaalde voorbeelden. Het gevolg is dat sommige onderhoudscontracten niet meer kunnen worden vernieuwd.

 

De bevoegde diensten in de FOD trachten er in de eerste plaats voor te kiezen om de contracten waarvan de impact het minst problematisch is niet meer te vernieuwen zoals het poetsen van de ramen.

 

Er is geen verschil tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië. De FOD Justitie is een federale dienst die zijn middelen beheert over het hele land. Deze situatie is dus algemeen en beperkt zich niet tot een bepaalde regio.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, met alle respect, maar ik vraag u of er beterschap komt en ik krijg als antwoord dat deze situatie algemeen is. Dit getuigt niet van een beleid met een langetermijnvisie. U zegt eigenlijk dat men er zich moet bij neerleggen dat er in de rechtbanken geen geld is om voortreffelijk te poetsen.

 

Het gaat om gebouwen waar Jan en alleman komt. Waar wij hier zitten is het proper en dat zorgt voor een bepaalde stemming om te werken. Maar het juridische systeem van België moet men nu gaan verdedigen in gebouwen waar niet meer wordt gepoetst. Ik vind het zeer merkwaardig dat er plannen noch extra middelen zijn om hierin te voorzien. En ik concludeer uit uw antwoord dat wij ons daarbij moeten neerleggen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het stijgende aantal tuchtonderzoeken tegen advocaten en de invoering van een nomenclatuur voor de door advocaten geleverde prestaties" (nr. 20156)

04 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le nombre croissant d'enquêtes disciplinaires contre des avocats et l'instauration d'une nomenclature pour les prestations des avocats" (n° 20156)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, blijkens cijfers die recent door de Orde van Vlaamse Balies werden gepubliceerd, is het aantal tuchtonderzoeken tegen advocaten de voorbije vier jaar fors gestegen. Aan de Brusselse balie steeg het aantal klachten tussen 2012 en 2016 van 110 naar 678, in Antwerpen ging het van 77 naar 125 klachten en in Gent van 34 naar 101. Het grootste deel van de tuchtklachten gaat over het ereloon. Alleen de balie van Brussel registreert dergelijke klachten afzonderlijk. In 2012 ontving ze er 45, maar in 2016 was dat aantal gestegen tot 320.

 

Sommige bronnen relativeren die cijfers en stellen dat het aantal tuchtklachten vooral stijgt omdat er ook steeds meer advocaten en rechtszaken zijn.

 

Eén van de 28 maatregelen van de superministerraad van vóór het zomerreces gaat over de invoering van een fiscaal aftrekbare rechtsbijstandsverzekering, gekoppeld aan de invoering van een nomenclatuur voor de door advocaten geleverde prestaties. Zoals bij artsen, zou de kostprijs van alle mogelijke advocaten­kosten worden opgelijst. Advocaten zouden moeten aangeven of ze de overeengekomen tarieven al dan niet zullen respecteren en de overheid zou een lijst opstellen met advocaten die zich willen conventioneren.

 

Mijnheer de minister, hoe interpreteert u die cijfers?

 

Hoever staat u ondertussen met de nomenclatuur voor de door advocaten geleverde prestaties? Wanneer mogen we de publicatie ervan verwachten?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de artikelen 458 en 459 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen de bevoegdheden van de stafhouder inzake het ontvangen en onderzoeken, ook ambtshalve, van klachten tegen de advocaten van zijn orde. De stafhouder dient persoonlijk de beslissing en de eindverantwoordelijkheid voor het tuchtgebeuren in zijn balie op te nemen met de bijstand van zijn raad van de Orde. De klachten worden vandaag niet automatisch meegedeeld aan de voorzitter van de tuchtraad. De stafhouder blijft bijgevolg de enige toegangsweg tot een procedure voor de tuchtraad.

 

De cijfers die u aanhaalt, werden op 30 augustus 2017 gepubliceerd in het tijdschrift Knack. De journalist heeft die statistieken ontvangen van de Orde van Vlaamse Balies, die een rondvraag deed bij de stafhouders van de Vlaamse balies.

 

Het is voor mij als minister van Justitie geen eenvoudige oefening om die cijfers te interpreteren. Niet elke balie registreert het aantal klachten. Dergelijke klachten kunnen overigens op vrij informele wijze worden ingediend bij de stafhouder. Niet elke klacht kent een vervolg. Het aantal ingediende klachten kan dus toenemen zonder dat die stijging betekent dat er daadwerkelijk meer tuchtuitspraken worden gedaan.

 

Beleidsmatig gezien is het wel van belang om over uniforme cijfers te kunnen beschikken over het aantal ingediende en behandelde klachten. Om die reden zal ik in mijn plan voor de modernisering van de advocatuur voorstellen om de uitspraken in tuchtzaken te registreren.

 

Transparantie laat toe gefundeerde uitspraken te doen over het tuchtrecht. Vandaag is dat onmogelijk aangezien niet elke balie deze uitspraken registreert en publiceert.

 

Ik hoop op een nieuwe professionele en transparante tuchtregeling die zal worden uitgewerkt in overleg met de communautaire ordes.

 

Wat uw tweede vraag betreft, kan ik u meedelen dat de bijzondere Ministerraad van 14 mei 2017 een principebeslissing nam over de rechtsbijstandsverzekering met de bedoeling deze te promoten door middel van een fiscale stimulans. Bedoeling is de toegang tot Justitie te verbeteren voor wie boven de inkomensgrenzen van de tweedelijnsbijstand valt.

 

Dit project is het resultaat van twee jaar onderhandelen met Assuralia, OVB en avocats.be, die allen de wens hebben geuit om het project te doen slagen. Er is reeds een tekstvoorstel voorgelegd, waarover het politiek overleg nog aan de gang is. In deze tekst blijft de vrije keuze van advocaat gegarandeerd en kunnen de advocaten vrij hun honorarium bepalen met respect voor de principes van het Gerechtelijk Wetboek en de deontologie.

 

Er is inderdaad een bijlage bij het tekstvoorstel die een reeks prestaties oplijst. Deze bijlage is evenwel geen nomenclatuur zoals wij die kennen in andere sectoren, maar is eerder een maximumtarief per type prestatie waarover de advocaat beslist of hij dat al dan niet zal respecteren.

 

Indien de advocaat kiest voor het respecteren van de bijlage, verdubbelt de waarborg van de tussenkomst van de verzekeraar en heeft de advocaat garantie van betaling door de verzekeraar ten belope van deze verhoogde waarborg.

 

Rekening houdend met het feit dat de honoraria van de advocaat het belangrijkste deel van de kosten van de verzekeraar vormen, verhoogt dit systeem de betaalbaarheid en de voorspelbaarheid door de verzekeraar, met een gunstig effect op de hoogte van de premie voor de rechtsonderhorige.

 

04.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor dit antwoord.

 

Ik heb twee vragen. Uit uw antwoord meen ik te mogen begrijpen dat ook u het nodig vindt om meer uniforme cijfers te krijgen over de klachten, meer bepaald in verband met tucht. U zegt dat dit is opgenomen in uw plan voor modernisering.

 

Mijn eerste vraag is dan ook wanneer men zal starten met het opnemen van die cijfers. Wij kunnen het immers wel in een plan zetten, maar de legislaturen volgen elkaar snel op. Is er daarvoor een timing vooropgesteld?

 

Een tweede vraag betreft de nomenclatuur zelf. Ik meen te hebben begrepen dat het politiek overleg over de tekst nog loopt. Is daarvoor een timing vooropgesteld? Wanneer mogen wij de start van het werken met de nomenclatuur verwachten?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs. 19965, 20231 en 20233 van mevrouw Dumery worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

Vraag nr. 20304 van mevrouw Lahaye-Battheu wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

05 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de toepassing van de wetten op het huisverbod" (nr. 20305)

05 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "l'application des lois sur l'interdiction de résidence" (n° 20305)

 

05.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb over dit thema reeds verschillende keren een vraag aan u gesteld. Wij wachtten toen op de evaluatie door het College van procureurs-generaal van de wetten op het huisverbod. Die evaluatie is eindelijk rond. Er zijn eindelijk concrete cijfers en daaruit blijkt wat we reeds veel langer vermoedden, namelijk dat de wetten in de praktijk te weinig worden toegepast. Ik las ook in de pers dat u voorstander bent om het huisverbod vaker toe te passen.

 

Ik had graag uw reactie op de evaluatie van het College gehoord.

 

Op welke manier wilt u de toepassing van de wetten bereiken?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, eind juni keurde het College van procureurs-generaal de resultaten goed van een kwalitatieve evaluatie van het huisverbod. Daarin werd onderzocht onder welke voorwaarden het tijdelijk huisverbod een meer effectieve toepassing kan krijgen en om welke redenen het huisverbod de dag van vandaag relatief weinig wordt toegepast.

 

Ik ben er nochtans van overtuigd dat dit instrument mits een goede implementatie probleemoplossend kan werken en veelal beter zal kunnen werken dan bijvoorbeeld de voorlopige hechtenis. Het tijdelijk huisverbod omvat immers mogelijkheden op het vlak van hulpverlening en begeleiding en legt de link naar de familierechter, die de natuurlijke rechter is voor intrafamiliale problemen.

 

Het evaluatierapport doet concrete aanbevelingen voor een ruimere toepassing, onder meer wat betreft de richtlijnen, de COL18/2012 inzake het huisverbod, maar ook wat betreft de administratieve afhandeling en werklast, die een vlotte toepassing van het instrument door de magistraat van wacht bemoeilijken.

 

Ik heb de onderzoekers vorige vrijdag op mijn kabinet ontmoet en voelde een grote bereidheid bij het openbaar ministerie om het instrument meer frequent aan te wenden. Dit vergt enkele wettelijke aanpassingen maar ook een goede implementatie in de instrumenten van het strafrechtelijk beleid en de samenwerking met alle actoren. Wij moeten vermijden dat de wet te veel dode letter blijft bij gebrek aan een structurele omkadering en inbedding.

 

De meerwaarde schuilt, mijns inziens, in het gebruik van het instrument binnen een ketengerichte aanpak, die onder meer vorm krijgt in family justice centers, samen met de bevoegde diensten van de Gemeenschappen en de justitieassistenten van wie het mandaat moet worden aangepast. Ik zal de resultaten van de evaluatie dan ook eerst aankaarten bij de collega’s-ministers van de Gemeenschappen, om daarvan samen werk te maken, ieder binnen de eigen bevoegdheden en opdrachten.

 

05.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben alvast blij dat u reeds een gesprek hebt gehad met het College van procureurs-generaal en dat u de mening bent toegedaan dat er ruimer toepassing moet gemaakt worden van het huisverbod.

 

Ik heb inderdaad ook gelezen in het rapport dat er wettelijke aanpassingen moeten gebeuren. Ongeveer twee jaar geleden heb ik een wetsvoorstel ingediend met betrekking tot deze materie, waarvan het advies grotendeels overeenstemt met de voorstellen die in ons wetsvoorstel staan.

 

Ik hoop dat wij hiervan snel werk kunnen maken zodat wij over dit wetsvoorstel kunnen goedkeuren. Ik hoop dat u er samen met uw collega’s van de gemeenschapsregeringen op zult toezien dat deze problematiek zo goed mogelijk wordt aangepakt op het uitvoerend niveau.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Les questions nos 20471 et 20476 de Mme Jadin sont transformées en questions écrites.

 

06 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "het Forensisch Psychiatrisch Centrum te Antwerpen" (nr. 20686)

06 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "le Centre de psychiatrie légale à Anvers" (n° 20686)

 

06.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de opening van het tweede Forensisch Psychiatrisch Centrum, nu in Antwerpen, is eindelijk een feit. Met wat vertraging werd het FPC einde juni officieel geopend en dat is een goede zaak voor geesteszieken die momenteel nog in de gevangenis wachten op hun overplaatsing naar een gespecialiseerd centrum. Sinds 7 augustus is het FPC klaar en heeft het de eerste patiënten opgevangen. Er is plaats voor 182 patiënten, waarbij 18 plaatsen worden voorbehouden aan vrouwen, wat uniek is qua internering.

 

Aangezien de start van het FPC Gent twee jaar geleden wat problemen heeft gekend, wellicht ook omwille van de nieuwe formule, heb ik enkele vragen naar de stand van zaken.

 

Ten eerste, is de start vlot verlopen?

 

Ten tweede, hoeveel patiënten verblijven er inmiddels in het FPC te Antwerpen? Hoeveel daarvan zijn vrouwen?

 

Ten derde, is de personeelsbezetting inmiddels volledig ingevuld? Zo nee, wanneer mogen wij dan een volledige personeelsbezetting verwachten?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Uyttersprot, de start is inderdaad vlot verlopen. De graduele opvolging van het FPC in Antwerpen, dat in totaal 182 plaatsen telt, gebeurt op basis van het instroomschema van de uitbater. Net als destijds bij de opvulling van het FPC te Gent, start dit met beperkte groepen per maand om gaandeweg steeds grotere groepen geïnterneerden per maand te ontvangen, tot de volledige bezetting na acht maanden zal bereikt zijn. Deze volledige bezetting is gepland voor einde maart 2018. De huidige wachtlijst waaruit voor het FPC in Gent en het FPC in Antwerpen wordt geput, zal dan volledig zijn weggewerkt.

 

Voor deze graduele opvulling tot volledige bezetting van het FPC zullen de opnames gebeuren rekening houdend met de chrono­logische beslissingen tot plaatsing, enerzijds, en op basis van de profielen die geclusterd worden om op de afdelingen op te nemen, anderzijds. Aangezien de oudste plaatsingsbeslissingen voor mannelijke geïnterneerden zijn, zullen de plaatsingsbeslissingen in het FPC in Antwerpen voor de vrouwelijke geïnterneerden niet in de eerste maanden van de opstartfase worden uitgevoerd.

 

Het personeelskader is momenteel nog niet volledig, maar dat is ook niet noodzakelijk. De opvulling van het personeelskaders is immers gekoppeld aan de getrapte opvulling van het FPC. Dit laat de uitbater toe om voldoende personeel in dienst te hebben, steeds op basis van het aantal geïnterneerden dat er verblijft en dat ook de opstartopleiding heeft gevolgd. Op die manier is er in elke fase van de indienstneming voldoende gekwalificeerd personeel aanwezig.

 

06.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, is de instroom die nu met mondjesmaat doorgang vindt alleszins positief verlopen. De totale bezetting laat nog op zich wachten tot maart. Dat brengt met zich mee dat er momenteel nog geen vrouwen kunnen worden opgenomen. Hopelijk loopt de verdere doorstroming zo vlot mogelijk zodat de mensen die niet in de gevangenis thuishoren, in het bijzonder de vrouwelijke geïnterneerden, een betere opvang kunnen krijgen terwijl er uiteraard nog steeds voorzien wordt in de high security die het FPC biedt, namelijk een zeer veilige, afgesloten opvang.

 

Wij horen u nog over de verdere evaluatie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "le fonctionnement de la cour d'appel de Bruxelles en matière financière" (n° 20560)

07 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "de problematische werking van het Brusselse hof van beroep in financiële zaken" (nr. 20560)

 

07.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, la cour d'appel de Bruxelles détient une compétence exclusive pour l'ensemble du royaume pour juger de certaines infractions (infractions commises par un ministre dans l'exercice de ses fonctions) et de certains recours (notamment ceux formés contre certaines décisions des autorités de tutelle des secteurs économiques et financiers).

 

Des témoignages nombreux et réguliers font état de son incapacité à prononcer des arrêts dans des délais rapides ou simplement raisonnables et de nature à éviter la prescription.

 

Ainsi, je cite l'avocat Denis Bosquet, interviewé dans l'hebdomadaire Le Vif de ce 15 septembre: "C'est vrai, il y a un engorgement incroyable au niveau de la cour d'appel où ne siège qu'une seule chambre en matière financière, qui croule sous les dossiers." Voilà qui confirme d'autres témoignages déjà entendus.

 

Cette situation est réellement problématique par rapport à la capacité de juger des dossiers financiers mais aussi d'aboutir, le cas échéant, à des condamnations, vu la difficulté d'obtenir des décisions de justice dans des délais raisonnables et la stratégie de certains prévenus et de leurs conseils de tout mettre en œuvre pour allonger la procédure et/ou d'exploiter cette insuffisance de moyens.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous le fait qu'une seule chambre de la cour d'appel de Bruxelles est spécialisée en matière financière?

 

L'arriéré de la cour d'appel de Bruxelles a-t-il déjà fait l'objet d'une évaluation? Quelles en sont les conclusions?

 

Quel est le délai moyen de traitement d'un dossier financier par la cour d'appel de Bruxelles?

 

Qu'est-ce qui explique cette situation? Est-il envisagé d'y remédier - ce que j'espère -, dans quel délai et avec quels moyens?

 

07.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Gilkinet, la cour d'appel de Bruxelles possède effectivement plusieurs compétences exclusives. La chambre choisie pour traiter cette compétence est déterminée par disposition du premier président de la cour, conformément à l'article 106 du Code judiciaire. La disposition fixant le règlement spécial de la cour détermine en effet le nombre de chambres de la cour, leurs compétences et le nombre de conseillers. Elle contient l'indication des chambres qui, à la cour d'appel, siègent respectivement au nombre de trois conseillers à la cour ou d'un seul.

 

La cour d'appel de Bruxelles détient, avec une durée moyenne de 825 jours, la durée moyenne la plus élevée des cinq cours. Le problème de cette durée élevée ne semble pas se poser pour les appels contre les décisions du ministre des Finances, pour les appels contre les décisions de la Commission bancaire et financière, de l'Office de contrôle des assurances et des entreprises de marchés, pour lesquels la cour de Bruxelles est exclusivement compétente.

 

D'après les statistiques annuelles des cours et tribunaux publiées par le Collège des cours et tribunaux, la durée de ce type d'affaires s'élevait en 2016 à 419 jours. D'après ces statistiques, il s'agit uniquement de deux affaires pendantes mentionnées au rôle du secteur financier. La durée élevée se situe au niveau des affaires fiscales: en 2016, la durée moyenne des affaires des arrêts définitifs au rôle des affaires fiscales s'élevait à 837 jours. Le Conseil supérieur de la Justice a mené, en 2016, une enquête spéciale auprès des cinq cours d'appel qui a été publiée sur son site internet. Pour chacune d'entre elles, le Conseil a étudié l'évolution des effectifs, l'input, l'output, le rapport ente les départs et la capacité de production disponible entre 2008 et 2013.

 

En ce qui concerne la problématique des affaires financières au sein de la cour d'appel de Bruxelles, le rapport a indiqué que pour les affaires civiles, les dossiers financiers étaient de plus en plus sur-représentés dont plusieurs affaires pendantes, ce qui signifie que les affaires financières, en augmentation, sont traitées plus lentement en moyenne que les affaires civiles. La cour connaît actuellement un nombre élevé d'affaires pendantes, en légère diminution toutefois. Le rapport a également constaté une diminution du nombre d'affaires civiles nouvelles et réglées. Une des conclusions du rapport était la suivante: "Lorsque l'on établit un ratio entre la production et la capacité de production, on observe qu'en matière correctionnelle, la productivité jusqu'en 2011 est chaque année supérieure à celle de 2008, l'année de référence, pour ensuite descendre sous le niveau de 2008. En matière civile, la productivité est systématiquement inférieure à celle de 2008 à l'exception d'un pic en 2010, celui-ci pouvant être relativisé par l'explication déjà exposée ci-dessus. La productivité est systématiquement plus élevée en matière de jeunesse. S'agissant de la chambre des mises en accusation, la productivité est supérieure à celle de 2008 jusqu'en 2011. Elle est inférieure à la productivité de 2008 depuis lors."

 

Afin de répondre aux problèmes concernant les cours, le recours à un conseil unique a été généralisé pour les cours d'appel dans la loi du 19 octobre 2015 modifiant le droit de la procédure civile et portant des dispositions diverses en matière de justice. Désormais, le conseil unique est "la" norme. Ce n'est qu'exceptionnellement que le premier président peut décider au cas par cas d'attribuer une affaire précise à une chambre à trois conseillers. Vu les durées élevées, il est dans l'intérêt du justiciable et de son droit au traitement de son affaire dans un délai raisonnable que les cours utilisent au maximum ces nouvelles possibilités. C'est la raison pour laquelle j'ai invité le Conseil supérieur de la Justice à mener une enquête spéciale sur la manière employée par ces cours pour application ces règles légales concernant l'attribution d'affaires nécessitant un conseil unique au sein de leur entité depuis l'entrée en vigueur de cette loi. Cette enquête est toujours en cours.

 

07.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, vos chiffres confirment l'ampleur du problème. Il y a un véritable nœud d'étranglement au niveau de la cour d'appel de Bruxelles. Sur les dossiers financiers, les prévenus et leurs conseils en profitent dans les stratégies qu'ils développent en vue de bénéficier de la prescription ou du dépassement du délai raisonnable. Ce qui nous ramène à un dossier que j'ai beaucoup étudié et qui fait l'objet d'une commission d'enquête dans ce parlement.

 

J'entends qu'on est en train de cerner le problème et que le Conseil supérieur de la Justice a réalisé des enquêtes. Mais, étant impatient par nature et soucieux de justice fiscale, j'estime que l'ampleur du problème et ses conséquences en matière budgétaire justifient une action plus rapide et volontaire que celle que vous me donnez l'impression d'entreprendre. Lorsque je vous ré-interrogerai sur le sujet, dans peu de temps, j'espère que vous pourrez m'annoncer des mesures plus précises.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "des caméras sur les parkings d'autoroute" (n° 20623)

08 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "camera's op de snelwegparkings" (nr. 20623)

 

08.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, lors d'une précédente question orale à votre collègue Jan Jambon (n° 19936), à propos de l'afflux de nouveaux migrants, je lui avais demandé pourquoi nos parkings d'autoroute ne sont pas équipés de caméras de surveillance capables de lire et d'enregistrer les plaques d'immatriculation des passeurs qui déversent les migrants sur les parkings d'autoroute des grands axes empruntés par les poids lourds à destination du Royaume-Uni. Le ministre de l'Intérieur m'a conseillé de m'adresser à vous dans ce dossier.

 

Monsieur le ministre, est-il bien de votre compétence d'autoriser légalement tous les moyens techniques capables de lire les plaques d'immatriculation des véhicules des passeurs, dans le but d'enquête et de poursuites éventuelles? Dans l'affirmative, quelles ont été les mesures en ce sens déjà prises par votre administration dans le cadre de la lutte contre la traite des êtres humains, à commencer par le trafic des passeurs de migrants sur notre territoire?

 

Le trafic des migrants est une entreprise "internationale". Notre législation est-elle adaptée à celle de nos voisins dans le but d'une meilleure coordination entre les justices des pays limitrophes? Quelles sont les principales avancées des différents ministres de la Justice de l'Union européenne dans ce dossier?

 

Notre cadre législatif est-il suffisant pour lutter contre ce trafic d’êtres humains? Dans la négative, quels seraient les thèmes de futurs projets de loi que vous pourriez soumettre à notre parlement?

 

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Flahaux, depuis 2005, il existe une disposition qui sanctionne spécifiquement le trafic des êtres humains en tant qu’infraction à part entière en modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès du territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers. C’est l’article 77bis de cette loi qui sanctionne dorénavant ce phénomène criminel.

 

De plus, il existe déjà depuis 2011 une circulaire des ministres de la Justice, de l’Intérieur ou du secrétaire d’État à l’Asile et à la Migration et du Collège des procureurs généraux (COL 04/11) relative à la recherche et aux poursuites de faits de trafic d’êtres humains. Cette circulaire désigne des magistrats spécialisés en charge de la matière. Elle contient également sous forme d’annexes des instruments pratiques pour les enquêteurs et les magistrats - des indicateurs, un schéma policier, un glossaire.

 

L’adaptation en 2018 de cette circulaire est l’une des mesures mentionnées dans le premier plan d’action en matière de lutte contre le trafic d’êtres humains. Ce plan d’action a été approuvé en décembre 2015 en Cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre le trafic et la traite des êtres humains. L’une des mesures mentionnées consiste aussi dans la poursuite des actions de contrôle et dans leur diversification.

 

Des actions en matière de trafic des êtres humains sont calquées sur le plan d'action contre le trafic des êtres humains de l'Union européenne, en collaboration avec les pays voisins.

 

En ce qui concerne la prévention, l'Office des Étrangers, la police fédérale, Febetra, le port de Zeebrugge, etc. ont développé une campagne de sensibilisation pour le secteur des transporteurs afin de les encourager à prendre des précautions et de les informer sur les façons de réagir. Le cadre législatif apparaît déjà très complet et a fait l'objet de révisions diverses. Il ne m'apparaît donc pas nécessaire de le modifier, à l'heure actuelle.

 

Par contre, comme indiqué, une actualisation de la circulaire relative aux recherches et aux poursuites sera envisagée. Par ailleurs, les efforts vont se poursuivre sur le terrain.

 

En ce qui concerne spécifiquement l'utilisation des caméras dites ANPR, le cadre légal actuel ne s'avère pas adéquat. Mon collègue, Jan Jambon et moi-même préparons un projet de loi visant à créer des règles appropriées pour l'utilisation de caméras par les services de police. L'utilisation dans le cadre de la lutte contre le trafic des êtres humains sera ainsi également facilitée. Le projet de loi a été soumis pour avis au Conseil d'État.

 

08.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très complète.

 

Toutefois, permettez-moi de vous demander de bien vouloir m'en remettre une copie car vous l'avez lue très rapidement, en tout cas plus vite que la capacité de mon cerveau à l'intégrer.

 

Quoi qu'il en soit, je sais qu'il s'agit d'une matière qui vous intéresse particulièrement.

 

Par ailleurs, monsieur le président, si vous me le permettez, permettez-moi d'ajouter que j'ai visité, samedi dernier, la prison de Ittre. Monsieur le ministre, je tiens à vous saluer pour la qualité du travail qui y est réalisé.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de collectieve schuldbemiddeling" (nr. 20687)

09 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "le règlement collectif de dettes" (n° 20687)

 

09.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de de minister, heel wat personen zijn niet in de mogelijkheid om hun financiën afdoende te beheren. Zij krijgen desgevallend een schuldbemiddelaar toegewezen, die hun geld beheert.

 

De schuldenaar ontvangt maandelijks een leefgeld om in de menselijke waardigheid van zijn gezin te kunnen voorzien. Steeds meer verneem ik klachten over de communicatie tussen de schuldbemiddelaar en de schuldenaar, en het niet-tijdig uitbetalen van het leefgeld.

 

In uw antwoord op mijn eerdere vraag meldde u prioritair werk te zullen maken van de elektronische procesvoering voor collectieve schuldbemiddeling. Dit zou alvast het communicatieprobleem in veel gevallen kunnen verhelpen.

 

Ik heb dan ook volgende vragen. Wat is de stand van zaken in verband met het invoeren van de elektronische procedure voor collectieve schuldbemiddeling? Worden er bepaalde regels opgelegd voor de schuldbemiddelaar om dit elektronisch dossier periodiek, binnen een bepaalde termijn, aan te vullen? Kan de schuldenaar dit te allen tijde raadplegen?

 

Werd de wetgeving omtrent deze materie ondertussen reeds geëvalueerd? Zo ja, wat zijn de conclusies? Zo nee, wanneer voorziet u in deze evaluatie?

 

Hoe gebeurt de controle op de door de schuldbemiddelaars, doorgaans advocaten, uitgeoefende taak? Ik heb het dan niet meteen over het voorleggen van wettelijk bepaalde zaken, maar wel over de communicatieproblemen.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

09.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, sinds het stellen van uw eerdere vraag heeft mijn administratie een voorontwerp van wet afgerond dat de procedure aanpast aan het gebruik van een informaticaplatform met centraal register voor collectieve schuldenregelingen.

 

De wettelijke basis voor het register was reeds opgenomen in de vierde potpourriwet. Daarin werd de opdracht tot inrichting en beheer gezamenlijk toevertrouwd aan de beide balieverenigingen.

 

De bestaande termijnen – bijvoorbeeld de maximumtermijn van zes maanden voor het opstellen van een voorstel van minnelijke regeling – blijven van kracht.

 

De schuldenaar heeft vandaag het recht het dossier van rechtspleging van een zaak waarbij hij betrokken is in te zien. De informatisering van de procedure zal dit recht niet wijzigen, maar de uitoefening ervan vereenvoudigen omdat het ook mogelijk wordt om een dossier digitaal te raadplegen.

 

Men moet zich dus niet meer verplaatsen en de openingsuren van de griffie beperken de mogelijkheid van raadpleging niet meer.

 

De wetgeving werd naar aanleiding van de digitalisering op efficiëntie geëvalueerd wat het procedureverloop en de doorstroming van informatie betreft. De inhoudelijke evaluatie is zinvoller wanneer het informatiseringproces ons de daarvoor noodzakelijke gegevens oplevert.

 

Het komt de rechter toe om de werkzaamheden van de schuldbemiddelaar te controleren indien daartoe aanleiding zou zijn. In geval van problemen met de wijze waarop de bemiddelaar zijn taak uitoefent kan de schuldenaar om de aanstelling van een nieuwe schuldbemiddelaar vragen.

 

09.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor de inhoud van uw antwoord.

 

Ik ben al blij dat het voorontwerp klaar ligt maar er is duidelijk nog wat werk aan de winkel. Ik herinner mij 2012, toen de wet geëvalueerd en vernieuwd werd, dat er twee belangrijke doelstellingen waren. Enerzijds moest de schuldenaar meer bestaansmiddelen toegekend krijgen naargelang de gezinssituatie. Verder werd er ingezet op het verstrekken van informatie over alles wat met de evolutie van de financiële toestand te maken had.

 

Wat dat tweede betreft blijkt in de praktijk – ondanks het feit dat dit in de wet is opgenomen – dat veel mensen zich beklagen over de toegankelijkheid van hun schuldbemiddelaar. Ondanks het feit dat wettelijk is bepaald dat men zich kan informeren over alles wat het dossier bevat, blijkt dat in de praktijk niet altijd mogelijk te zijn. Wanneer schuldenaars zich daartegen willen verweren door een schuldbemiddelaar te laten vervangen blijkt ook dat niet altijd mogelijk. De arbeidsrechtbank is daar niet snel toe geneigd.

 

Het is belangrijk dat die elektronische procesvoering in orde komt zodat men rechtstreeks het dossier kan raadplegen. Dat zou al een enorme winst qua tijdsefficiëntie betekenen, zowel voor de schuldenaar als voor de schuldbemiddelaar. Ik hoop dus dat wij uw voorontwerp snel mogen ontvangen in het Parlement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 20694 van de heer Van Hecke wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

10 Vraag van mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "het optreden van het gerecht in het kader van de instroom van illegalen in de havenfaciliteiten van Zeebrugge" (nr. 20714)

10 Question de Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "l'action de la justice dans le cadre de l'afflux d'illégaux dans les installations portuaires de Zeebrugge" (n° 20714)

 

10.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, vorige week verschenen in de media berichten over de frustratie en wanhoop van een scheepsbouwer uit Zeebrugge die zijn verontwaardiging uitte over de bezetting van een deel van zijn werf door transmigranten-illegalen die blijkbaar al maanden aan de gang is en waartegen niet op doelmatige wijze wordt opgetreden. Hij zegt niet dat er niet wordt opgetreden. Hij zegt zelfs letterlijk dat de politie fantastisch werk levert en zij elke keer binnen vijf minuten ter plaatse is, maar dat er fundamenteel niets verandert. Ook de burgemeester geeft in het artikel toe dat het af en toe dweilen is met de kraan open.

 

Nochtans werd vorig jaar de wet van 20 mei 2016 goedgekeurd met het oog op het strafbaar stellen van het zonder machtiging of toestemming binnendringen in een havenfaciliteit. Sinds de goedkeuring van die wet is het aantal personen dat de haven binnendringt, wel verminderd. Dat was ook nodig, want uit de cijfers die ik heb opgevraagd bij de minister van Binnenlandse Zaken bleek dat het alleen al in Zeebrugge in 2016 om 896 personen ging. De vraag is natuurlijk waarom dergelijke toestanden, na die wet, nog altijd blijven duren.

 

Hoe zit het met het toepassen van de wet van 20 mei 2016 inzake het binnendringen in de havenfaciliteiten, meer bepaald met betrekking tot de haven van Zeebrugge? Hoeveel personen werden hiervoor in 2017 vervolgd en welke straffen werden uitgesproken? Hoeveel personen werden vervolgd overeenkomstig artikel 546/1 en overeenkomstig artikel 546/2 van het Strafwetboek?

 

Is het nodig om bijkomende maatregelen te nemen om de bestraffing van dergelijke vergrijpen strenger en sneller aan te pakken?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Pas, ik kan binnen het korte tijdsbestek van een mondelinge vraag geen volledig sluitende cijfers geven, maar na navraag bij het openbaar ministerie kan ik toch het volgende meedelen. In de periode vanaf de inwerkingtreding van de wet van 12 juni 2016 tot en met 16 november 2016 werd voor 69 personen rechtsvervolging ingesteld, met dien verstande dat een aantal personen tweemaal voorkomt in de telling.

 

Binnen diezelfde periode werden 21 vonnissen geveld waarbij een of meerdere personen per vonnis werden veroordeeld. In alle vonnissen werden verzwarende omstandigheden weerhouden en dus werd rechtsvervolging ingesteld op basis van artikel 546/2 van het Strafwetboek.

 

De straffen zijn over het algemeen zes maanden gevangenisstraf en 100 euro x opdeciemen geldboete.

 

De rechtbank kijkt naar de concrete omstandigheden en spreekt soms de helft van de straf met uitstel uit.

 

In de periode januari-augustus 2017 werd lastens 57 personen rechtsvervolging ingesteld, wat gemiddeld 7 personen per maand is.

 

Zowel op het niveau van de politiediensten als op het niveau van het parket en de zetelende magistratuur wordt voldoende capaciteit vrij­gemaakt om ad rem te reageren op indringingen en de betreffende zaken in staat te stellen en te berechten.

 

Er zijn tot op heden nog geen vrijspraken geweest, wat betekent dat dossiers telkenmale voldoende gestoffeerd zijn om tot een veroordeling te besluiten.

 

Bijkomende maatregelen lijken mij momenteel dus niet noodzakelijk. Ik wens op te merken dat de door u vermelde werf niet in het havengebied ligt.

 

10.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Mijn felicitaties om zo goed te articuleren en zo snel al die cijfers te kunnen debiteren. Ik ga ze nog eens rustig nalezen, want ik kon ze niet zo snel noteren.

 

Ik zal ook de heer Francken en de heer Jambon hierover aanspreken, want het kan natuurlijk niet zijn dat mensen zoals de scheepsbouwer hiervan overlast ondervinden en dat deze zaken blijven duren zonder dat dit fundamenteel wordt aangepakt.

 

Ik zal de cijfers bestuderen. Ik kom hierop terug.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr.20710 van mevrouw van Cauter wordt uitgesteld.

 

11 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de perverse gevolgen van het week-om-weekstelsel in de gevangenissen" (nr. 20735)

- mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "het week-om-weekstelsel in de gevangenissen" (nr. 20742)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "het week-om-weekbeleid voor gedetineerden" (nr. 20743)

11 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les effets pervers du régime de détention d'une semaine sur deux dans les prisons" (n° 20735)

- Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "le régime de détention d'une semaine sur deux dans les prisons" (n° 20742)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la politique de détention d'une semaine sur deux" (n° 20743)

 

Mevrouw De Wit is niet aanwezig.

 

11.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in juni hebt u, met het oog op het ontlasten van de gevangenissen, een nieuwe maatregel in voege laten treden, het zogenaamde week-om-weekstelsel voor gedetineerden die van 3 tot 10 jaar cel zijn veroordeeld. Daarbij zitten de gedetineerden een week in de gevangenis en mogen zij een week vrij rondlopen zonder enig toezicht.

 

Doordat gevangenen ook nog een beroep kunnen doen op uitgaansvergunningen, zou dat in de praktijk betekenen dat zij van elke maand die zij moeten uitzitten, in feite slechts 12 tot 13 dagen in de gevangenis doorbrengen. De maand wordt nochtans volledig meegeteld in mindering van de straf die moet worden uitgezeten. Bovendien blijkt dat, wanneer de gedetineerden een week vrij hebben, zij aan geen enkele controle onderworpen zijn en dus gewoon hun gang kunnen gaan, wat naar verluidt allerlei vormen kan aannemen, zoals met vakantie gaan, zwartwerken en mogelijk nieuwe criminele feiten begaan.

 

Heel wat mensen op het terrein waarschuwen ervoor dat op deze manier, zonder gepaste begeleiding, het risico veel groter is dat gedetineerden opnieuw criminele feiten zullen plegen. Ik vind die maatregel niet alleen te gek voor woorden, maar ook contraproductief. Er zijn heel wat perverse neveneffecten, zo blijkt uit commentaren van advocaten, strafuitvoeringsrechters en gevangenisdirecties. Het bezorgt de directies meer werk, het doorkruist de reïntegratie van de gedetineerden en verhoogt de kans op recidive.

 

Ik had graag een antwoord gekregen op de volgende vragen.

 

Sinds wanneer is dit systeem in voege?

 

Hoeveel gedetineerden konden daarvan tot op heden gebruikmaken?

 

Wat is uw reactie op de kritieken die vanuit diverse hoeken tegen dit systeem worden ingebracht?

 

Bent u van plan om dit systeem op te schorten en wat ons betreft definitief stop te zetten, gelet op de vele nadelen en neveneffecten die eraan verbonden zijn?

 

11.02  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, eind juni kondigde u nieuwe maatregelen aan om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken. Een van deze maatregelen was het week-om-weekstelstel voor gedetineerden die veroordeeld zijn tot straffen van 3 tot 10 jaar effectief. Concreet brengen zij een week in de cel door, waarna zij een week naar huis kunnen. De week thuis telt mee als straf, maar tijdens deze week is er geen enkele vorm van controle, ook niet via elektronisch toezicht.

 

De beslissing over wie het nieuwe regime krijgt, ligt niet bij de strafuitvoeringsrechtbanken die toezien op het reïntegratietraject en de vrijlatingsvoorwaarden van een gedetineerde, maar bij de dienst Detentiebeheer van de FOD Justitie en de gevangenisdirecties.

 

De nieuwe regeling leidt tot wantoestanden die maatschappelijk nog moeilijk te verantwoorden zijn. Zo is er sprake van gedetineerden die tijdens de week buiten de gevangenis de zon opzoeken in het zuiden en de week erna bruingebrand terug aankomen in de gevangenis. Zo is er ook sprake van gedetineerden die tijdens hun verlofweek bijklussen in het zwart of hervallen in oude gewoontes, zoals drugshandel of drugsgebruik.

 

Ook vanuit professionele hoek klinkt er steeds meer kritiek op die maatregel. Eerst klaagden de vakbonden over de vergrote werkdruk, nu trekken de magistraten en de advocatuur aan de alarmbel en wijzen zij op het doorkruisen van de re-integratietrajecten en het vergroten van de kans op recidive. Kortom, louter en alleen om de druk van de ketel te halen in de gevangenissen, wordt een heel systeem op de helling gezet, met heel wat mogelijke gevolgen.

 

Mijnheer de minister, hoe gaat u om met de kritieken op het systeem dat u in juni eenzijdig, zonder overleg of debat, hebt ingevoerd?

 

Hoe zult u het broodnodig vertrouwen in de strafuitvoering herstellen?

 

11.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Pas en mevrouw Lambrecht, eerst en vooral wil ik de achtergrond schetsen waartegen de beslissing inzake het alternerend verlof werd genomen.

 

Inzake de graad van overbevolking in de gevangenissen werd ik in het voorjaar van 2017 geconfronteerd met een situatie die alle tekenen vertoonde van het zich langzaam maar zeker ontwikkelen van een nieuwe humanitaire crisis in de gevangenissen. De daling van de capaciteit met ruim 300 plaatsen ingevolge de sluiting van een tweede vleugel in de gevangenis te Vorst en het verlies van twee paviljoenen te Merksplas had zich geënt op de stopzetting van de huur van de gevangenis in Tilburg. Bijkomend capaciteits­verlies van ruim 300 plaatsen in combinatie met een toename van de gevangenisbevolking met een 500-tal gedetineerden tussen oktober 2016 en mei 2017 miste zijn effect niet en had bijvoorbeeld tot gevolg dat enkele honderden gedetineerden terug op de grond moesten slapen.

 

Deze humanitaire dreiging, vanwege de spanningen die ze met zich meebracht alsook de onvermijdelijk toenemende werklast om die spanningen ongedaan te maken, was de directe aanleiding voor deze beslissing, en niet het louter willen streven naar werklastvermindering, laat staan het op een geforceerde wijze willen terugdringen van het gevangenisbevolkingscijfer.

 

Na overleg met de penitentiaire administratie heb ik ervoor gekozen om het uitgebreid penitentiair verlof in te voeren. Die optie is niet zonder de nodige voorzichtigheid genomen. In eerste instantie is het uitgebreid penitentiair verlof enkel van toepassing op veroordeelden die reeds aangetoond hebben dat zij met goed gevolg een verlofcyclus hebben doorlopen. Ten tweede worden gedetineerden die veroordeeld zijn tot zware straffen uitgesloten. Ten derde, in elk dossier dient nagegaan te worden of de plaatsing van de veroordeelde in die verlofvariant geen recidive of onttrekking met zich zou meebrengen.

 

Ook in de latere uitvoering blijft dit een aandachtspunt.

 

Momenteel bevinden zich ongeveer 280 gedetineerden in dit systeem. Ik was niet in de mogelijkheid om binnen dit korte tijdsbestek de gegevens per inrichting te verzamelen, maar op dagbasis vertoefden op 21 september 143 personen onder dit stelsel, dus ongeveer de helft van het totaal aantal gedetineerden in dit stelsel.

 

U verwijst naar enkele punten van kritiek die op dit stelsel worden gegeven. Binnen het DG Penitentiaire Inrichtingen verzamelt men op dit ogenblik de gegevens die mij zullen toelaten het systeem te evalueren. Zonder op de resultaten van die evaluatie te willen vooruitlopen, durf ik toch al met enige overtuiging te betwijfelen of veel van deze punten van kritiek het niveau van de anekdotiek overstijgen. Dat gedetineerden deze modaliteiten massaal zouden misbruiken om voort misbruiken te plegen, kan alsnog niet door feiten worden aangetoond. Het aantal mislukkingen waarvan gewag wordt gemaakt, is uiterst beperkt. Ik merk ook niet dat deze gedetineerden wegens het plegen van nieuwe feiten onder aanhoudingsmandaat worden geplaatst.

 

Dat gedetineerden tijdens het verlof niet verder aan hun re-integratie zouden werken, moet worden bewaakt, maar al even anekdotisch kan ik verwijzen naar de gedetineerden van de gevangenis te Ruiselede die onder dit stelsel vallen en waarvan quasi de helft wel degelijk een job heeft tijdens hun week verlof. Men kan bezwaarlijk stellen dat dit zwartwerk zou zijn. In dat geval zouden wij het niet weten.

 

Met betrekking tot de opvolging van de gedetineerden in dit stelsel kan ik bevestigen dat de opvolging via de psychosociale dienst voor dit verlof iets anders is dan voor het klassieke verlof. Los van het gegeven dat het toekennen van penitentiair verlof strikt genomen niet steeds dwingend gekoppeld is aan de voorbereiding van de sociale re-integratie, worden de gedetineerden wel degelijk bevraagd over de initiatieven die zij tijdens hun verlof hebben genomen en die hun re-integratie kunnen bevorderen. Van dit verlof wordt bovendien de procureur des Konings in kennis gesteld opdat hij zijn toezichthoudende bevoegdheden zou kunnen uitvoeren.

 

Zoals gezegd zullen de maatregelen worden geëvalueerd, maar ik wil niet vooruitlopen op de mogelijke conclusies. Deze zullen worden gebaseerd op feitelijke elementen en niet op meningen, veronderstellingen en percepties allerhande.

 

Het penitentiair verlof maakt deel uit van het basisregime van de gedetineerden en is een prerogatief van de minister van Justitie, zoals bepaald in de wet van 2006 met betrekking tot de externe rechtspositie van de veroordeelden. Ik heb dus geen overleg gepleegd met de strafuitvoeringsrechtbanken die hun eigen bevoegdheden hebben in het kader van deze wet.

 

Ik ben mij ervan bewust dat dergelijke maatregelen veeleer uitzonderingen zijn, maar dat impliceert niet dat het om een machiavellistische maatregel zou gaan. Dat dit stelsel operationele consequenties heeft gehad, zij het lichte, ontken ik niet. Dat de begeleiding nog intensiever zou moeten zijn, betwist ik al evenmin. Mochten alle gevangenissen die in de masterplannen 1 en 2 waren gepland ook gebouwd zijn geweest, dan bevonden wij ons vandaag in een andere situatie.

 

De realiteit is dat voor initiatieven die de problemen waarmee het gevangeniswezen te kampen heeft moeilijk tot geen maatschappelijke consensus te vinden is en dat ik intussen moet roeien met de riemen waarover ik beschik.

 

In het Scandinavisch gevangenissysteem wordt terecht, want op basis van feiten, gesteld dat the most succesful prison system in the world also the most radically humane is, waarmee wordt aangetoond dat ook een humanitair gevangenisregime een wezenlijke bijdrage levert aan de kwaliteit van de penitentiaire strafuitvoering in het algemeen en tot de maatschappelijke veiligheid in het bijzonder. Vooraleer ons gevangenissysteem zich met het Scandinavisch gevangenissysteem kan meten, moet nog een belangrijke weg worden afgelegd.

 

Indien deze maatregel heeft bijgedragen tot detentieomstandigheden van gedetineerden, die vanuit humanitair standpunt aanvaardbaar zijn en dat kunnen blijven, dan durf ik hem te verdedigen.

 

11.04  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, ik begrijp dat u met een enorm probleem zit door de overbevolking in de gevangenissen. Ik pleit dan ook al jaren voor een uitbreiding van de capaciteit.

 

Het kan geen oplossing zijn dat men criminelen zomaar zonder enige controle laat rondlopen, puur om het getal naar beneden te brengen. Met zulk een beleid maakt u het klimaat van straffeloosheid en laksheid alleen maar veel erger.

 

Het moet budgettair wel heel erg gesteld zijn en het water moet u echt wel aan de lippen staan als een verstandig man als u hier zulk een waanzinnige regel verdedigt. Ik vind het pure waanzin en hoop dat de evaluatie er snel komt en dat u snel van dit systeem afstapt.

 

11.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik wou dat ik positiever kon zijn.

 

Ik schrik ervan dat u als verstandig man zoiets verdedigt. U moet het beleid natuurlijk verdedigen, maar dit tart toch alles.

 

Wij vernemen dat er geen overleg is geweest. Dat systeem werd in juli ingevoerd. Ik ben onlangs op bezoek geweest in Ruiselede. De mensen die daar werken, hebben het heel moeilijk met het regime dat ineens werd opgelegd en waarop zij zich allesbehalve hebben kunnen voorbereiden.

 

De gedetineerden die niet van dit regime kunnen genieten, zijn jaloers op de anderen die daarvan wel kunnen genieten. Dat zorgt voor veel meer wrevel dan er voordien was.

 

Ik meen dat u, zoals ook op mijn andere vragen, niet concreet zult willen zeggen wanneer de evaluatie er komt. Het moet voor u een opsteker zijn, als iedereen negatieve punten aanhaalt en u het positief vindt, dat u een positieve evaluatie kunt voorleggen Ik verneem graag wanneer de evaluatie er komt.

 

Het gaat niet op om te verwijzen naar Scandinavië en te beweren dat deze maatregel ook hier past. Immers, dan zou men het hele systeem van re-integratie van gedetineerden dat daar geldt moeten overnemen, en niet slechts fragmenten ervan om de overbevolking een halt toe te roepen.

 

Ik begrijp dat u het beleid een beetje moet blijven verdedigen, maar ik meen dat u het beleid van heel de federale regering, die in te weinig geld voorziet voor Justitie zodat u dergelijke maatregelen moet treffen, gerust mag aanvallen. U moet toch niet met alles akkoord gaan?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Les questions nos 20318 et 20544 de Mme Özen sont transformées en questions écrites. Les questions nos 20648, 20649, 20688 et 20689 de M. Maingain sont reportées, ainsi que la question n° 20719 de Mme Özen.

 

 

La réunion publique de commission est levée à 15.40 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.40 uur.