Commissie voor de Landsverdediging

Commission de la Défense nationale

 

van

 

Woensdag 4 oktober 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 4 octobre 2017

 

Matin

 

______

 

 


De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 10.36 uur. De vergadering wordt voorgezeten door mevrouw Karolien Grosemans.

Le développement des questions et interpellations commence à 10.36 heures. La réunion est présidée par Mme Karolien Grosemans.

 

De voorzitter: Er kwam een voorstel van collega’s om eerst de vragen over het vervangingsdossier van de F-16’s te behandelen omdat dit aansluit bij de volledige discussie die net in de commissie achter gesloten deuren plaatsvond. Kan iedereen zich daarin vinden?

 

De heer Van Hees en de heer Hedebouw zijn wel afwezig. Dat is spijtig.

 

 Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Ik vind het wel getuigen van een minimum aan respect dat zij worden verwittigd van de agendawijziging. Dat is hier niet formeel gebeurd.

 

De voorzitter: We kunnen hen even bellen.

 

 Peter Buysrogge (N-VA): Mevrouw de voorzitter, aangezien Groen de PVDA-collega’s ten dienste wil zijn, stel ik voor dat wij de reguliere agenda aanhouden.

 

De voorzitter: Zij zijn bij deze verwittigd.

 

01 Samengevoegde vragen van

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de terugtrekking van Saab uit de vervangingsprocedure voor de F-16's" (nr. 20046)

- mevrouw Julie Fernandez Fernandez aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van de Belgische F-16's" (nr. 20253)

- mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van de F-16-jachtvliegtuigen" (nr. 20255)

- de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de terugtrekking van Frankrijk uit de vervangingsprocedure voor de gevechtsvliegtuigen" (nr. 20408)

- de heer Tim Vandenput aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de twee kandidaten voor de vervanging van de Belgische gevechtsvliegtuigen" (nr. 20424)

- de heer Marco Van Hees aan de eerste minister over "een nieuwe intrekking van een kandidatuur en een nieuw voorstel voor de vervanging van de jachtvliegtuigen" (nr. 20455)

- de heer Marco Van Hees aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "een nieuwe intrekking van een kandidatuur en een nieuw voorstel voor de vervanging van de jachtvliegtuigen" (nr. 20456)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervangingsprocedure voor de F-16-gevechtsvliegtuigen" (nr. 20604)

- de heer Georges Dallemagne aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de Duits-Franse beslissing om een toekomstig Europees gevechtsvliegtuig te bouwen" (nr. 20642)

- de heer Raoul Hedebouw aan de eerste minister over "de terugtrekking van nog een kandidaat-constructeur en een nieuw voorstel voor de vervanging van de jachtvliegtuigen" (nr. 20650)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de ontwikkeling van een nieuw Frans-Duits gevechtsvliegtuig" (nr. 20802)

- de heer Georges Dallemagne aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het vervolg van de procedure voor de vervanging van de F-16's naar aanleiding van de nieuwe Franse voorstellen" (nr. 20869)

- de heer Benoit Hellings aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het door de Franse regering aangeboden 'diepgaand partnerschap' als antwoord op de offerteaanvraag voor de aankoop van 34 jachtbommenwerpers voor de Belgische Defensie" (nr. 20971)

- de heer Veli Yüksel aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van de gevechtsvliegtuigen" (nr. 20998)

01 Questions jointes de

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le retrait de Saab de la procédure de remplacement des F-16" (n° 20046)

- Mme Julie Fernandez Fernandez au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le remplacement des F-16 belges" (n° 20253)

- Mme Karolien Grosemans au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le remplacement des avions de chasse F-16" (n° 20255)

- M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le retrait de la France de la procédure de remplacement des avions de combat" (n° 20408)

- M. Tim Vandenput au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les deux candidats pour le remplacement des avions de combat belges" (n° 20424)

- M. Marco Van Hees au premier ministre sur "un nouveau désistement et une nouvelle proposition pour le remplacement des avions de chasse" (n° 20455)

- M. Marco Van Hees au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "un nouveau désistement et une nouvelle proposition pour le remplacement des avions de chasse" (n° 20456)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la procédure de remplacement des avions de combat F-16" (n° 20604)

- M. Georges Dallemagne au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la décision franco-allemande de développer un futur avion de combat européen" (n° 20642)

- M. Raoul Hedebouw au premier ministre sur "un nouveau désistement et une nouvelle proposition pour le remplacement des avions de chasse" (n° 20650)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le développement d'un nouvel avion de chasse franco-allemand" (n° 20802)

- M. Georges Dallemagne au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'avenir de la procédure de remplacement des F-16 suite aux nouvelles propositions françaises" (n° 20869)

- M. Benoit Hellings au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'offre de 'partenariat approfondi' faite par le gouvernement français en lieu et place d'une réponse à l'appel d'offre pour l'achat de 34 chasseurs bombardiers pour la Défense belge" (n° 20971)

- M. Veli Yüksel au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le remplacement des avions de combat" (n° 20998)

 

01.01  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, ik heb hierover drie vragen ingediend, maar ik zal mijn derde vraag niet stellen.

 

De voorzitter: Uiteraard, de vragen waarop u al een antwoord hebt, moet u niet meer stellen.

 

01.02  Alain Top (sp.a): Dat is iets anders. Die wil ik ook in een openbare vergadering ontvangen.

 

Ik stel voor dat ik de vraag over de vervangingsprocedure wel stel, maar niet die over het het idee van de Franse president inzake het Europees leger. Die zal ik bij een andere vraag stellen.

 

Mijnheer de minister, na Boeing wil nu ook Saab geen gevechtsvliegtuigen leveren aan ons land. De Gripen is bijgevolg niet langer in de running om onze F-16’s te vervangen. De Zweden beargumenteren hun terugtrekking door te stellen dat een vraag in de RfGP uitgebreide operationele steun van de leverende natie vraagt. Dit zou een Zweeds buitenlands beleid en politiek mandaat vereisen, iets waar de Zweden niet in kunnen voorzien.

 

Het valt natuurlijk te betwijfelen of de Saab Gripen ooit echt een mogelijkheid was voor ons land. Hoewel de RfGP geen uitdrukkelijke nucleaire capaciteit vraagt, kent het wel extra punten toe aan degene die dit wel kunnen leveren. De Zweden zijn hierin steeds duidelijk geweest: de Gripen kan en mag geen kernbommen dragen.

 

Sowieso was er dus geen sprake van een volledig eerlijke procedure. Ik ben dan ook helemaal niet verbaasd dat zij zich terugtrekken en dat ook officieel gedaan hebben.

 

Ik had een aantal vragen over de procedure met de Zweden. Ik beperk mij tot mijn laatste twee vragen. Werd er verder overleg gepleegd met Zweden? Zo ja, welke conclusies kan de minister hieruit trekken? Wat is de concrete timing voor de volgende stappen in dit dossier?

 

Ik kom dan tot mijn tweede vraag betreffende de vervangingsprocedure van de F-16- gevechtsvliegtuigen.

 

Wij weten intussen dat slechts twee kandidaten in de running zijn: de Amerikaanse F-35 en de Eurofighter van het Europese consortium. De Fransen hebben in een brief aangekondigd niet te willen deelnemen aan de voorgeschreven procedure. Dit betekent echter niet dat de Fransen geen kandidaat meer zouden zijn om gevechtsvliegtuigen te leveren en de F-16’s vervangen. De Franse regering richtte zich rechtstreeks tot onze regering om een voorstel rond militaire samenwerking te doen.

 

Daarom had ik graag een antwoord op de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

De eerste minister liet reeds weten dat juristen het voorstel van Dassault zullen onderzoeken. Wanneer zult u er officieel meer over weten?

 

Kan het Franse voorstel aan de commissie worden overhandigd en hier worden besproken?

 

Kan Defensie aan het Parlement een eerste resultaat geven van de evaluaties van de kandidaturen? Ik veronderstel dat dat achter gesloten deuren zal gebeuren. Ik doel daarbij niet op de technische specificaties, maar wel op andere aspecten van de offertes.

 

Welke concrete argumenten gaf de Franse regering om geen offerte in te dienen?

 

Had Defensie verwacht dat in deze stand van de procedure reeds drie van de vijf kandidaten geen offerte meer zouden indienen? Welke conclusies worden hieruit getrokken?

 

Tot slot wilde ik nog vragen naar de timing, maar daar is eigenlijk al op geantwoord.

 

01.03  Julie Fernandez Fernandez (PS): Monsieur le ministre, le gouvernement a pris la décision de remplacer les 54 F-16 actuels. Le contrat devrait être signé au plus tard début 2019. Le montant initial fixé pour ce marché est de 3,5 milliards d'euros pour l'achat de 34 avions. Le 7 septembre 2017 était la date limite pour que les représentants des fabricants des trois avions de combat toujours en lice remettent leur offre initiale.

 

Dans ce cadre, la presse a relaté plusieurs informations importantes dont le fait que la France allait faire une proposition "de gouvernement à gouvernement" à la Belgique pour le renouvellement de la flotte d'avions de combat mais qu'elle renoncerait cependant à répondre à l'appel d'offres.

 

Monsieur le ministre, quel est l'état d'évolution de ce dossier? La France vous a-t-elle donné plus d'informations et/ou d'autres raisons de son retrait que celles ayant été diffusées dans la presse, à savoir le fait que l'appel d'offres privilégierait le F-35? Quelles seront les conséquences de ce retrait sur la procédure? Quelle sera le statut de sa proposition de gouvernement à gouvernement si elle se confirme?

 

Pour le PS, il y a deux dimensions importantes dans ce dossier. Il y a d'abord la dimension européenne et je voulais savoir si votre vision de l'évolution du dossier s'inscrivait bien dans cette dynamique européenne de synergie en matière de défense. Il y a ensuite la dimension régionale et je voulais savoir si vous comptiez associer les Régions à la procédure, en ce compris en ce qui concerne des offres qui ne rentreraient pas dans le cadre, afin qu'on puisse étudier avec elles les retombées sociétales de ce dossier important.

 

01.04  Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb zelf ook een vraag, die ik heel kort zal houden. Er zijn immers een veertiental vragen.

 

Hoe ver staat het met de vervanging van de jachtvliegtuigen?

 

01.05  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, op 11 juli heb ik een vraag ingediend met nagenoeg hetzelfde onderwerp. Vandaag spreken we over Frankrijk, destijds over Zweden. Op 7 september werd immers duidelijk dat Frankrijk geen voorstel zou indienen als antwoord op het RfGP dat in maart van dit jaar werd uitgestuurd. Frankrijk biedt in plaats daarvan een soort partnerschap aan dat onder meer de verkoop van gevechtsvliegtuigen zou bevatten, alsook een royaal pakket aan vermoedelijk inefficiënte, discutabele economische compensaties.

 

De officiële communicatie mag dan wel geen kritiek bevatten op de manier van werken van ons land, maar Eric Trappier, CEO van Dassault, liet een aantal maanden geleden in de pers wel al verstaan dat het RfGP een eis in verband met de nucleaire capaciteit bevatte die – ik citeer – "enkel de Amerikanen kunnen verschaffen". Hij zei toen ook in de pers dat het zijns inziens duidelijk was dat het de intentie van België en andere landen was om Amerikaans te kopen. Dat laat toch aan duidelijkheid niets te wensen over.

 

Mijnheer de minister, ik heb vijf vragen voor u.

 

Ten eerste, heeft Frankrijk zich hiermee buitenspel gezet? Is de Rafale nog steeds een valabele kandidaat?

 

Ten tweede, heeft de Franse regering op een of andere manier aan u, uw kabinet of de regering kenbaar gemaakt dat het RfGP in haar ogen te veel zou overhellen naar een bepaald toestel?

 

Ten derde, dat drie van de vijf geprospecteerde kandidaten zich ondertussen hebben terug­getrokken, roept vragen op. Is er naar uw aanvoelen iets fout gelopen bij de survey, die voorafgegaan is aan de opmaak van het RfGP? Is de markt niet goed verkend? Hoe verklaart u anders dan drie van de vijf bedrijven, nog voor ze werden beoordeeld, afgehaakt hebben?

 

Ten vierde, zijn de offertes van de VS en het Verenigd Koninkrijk wel conform het RfGP? Kunnen de offertes ingekeken worden door de commissie voor de Legeraankopen en –verkopen?

 

Ten slotte, hoe kunt u met slechts twee toestellen finaal in de running – twee toestellen blijven over – garanderen dat België niettemin het toestel met de best prijs-kwaliteitverhouding zal aanschaffen?

 

01.06  Tim Vandenput (Open Vld): Ik heb ook een vraag over de opvolger van de F-16.

 

Twee kandidaten hebben een dossier officieel ingediend om de Belgische gevechtsvliegtuigen te vervangen. Het gaat om het Amerikaanse Lockheed Martin, met de F-35, en de Eurofighter van het Europese Consortium. De Fransen doen met hun opvolger Rafale niet langer mee aan de procedure. Ze hebben zich niet ingeschreven, maar hebben wel een voorstel gedaan tot een verregaande samenwerking tussen onze landen die verder zou reiken dan enkel gevechts­vliegtuigen.

 

Daarover heb ik twee vragen.

 

Kunt u het Franse voorstel toelichten? Hoe beoordeelt u dat in de huidige fase van de lopende procedure, waaraan Eurofighter en Lockheed Martin nog deelnemen? Wat zijn de volgende stappen?

 

Hoe zult u ervoor zorgen dat ook met twee aanbieders de concurrentie maximaal kan spelen? De spoeling wordt immers zeer dun en de vraag rijst of men nog kan spreken van degelijke concurrentie.

 

01.07  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, ce jeudi 7 septembre, seuls deux des trois candidats encore restant sur les cinq retenus au départ ont remis leur offre détaillée en réponse au RfGP publié par la Belgique en mars dernier pour le remplacement des avions de combat F-16. La France n'a donc pas présenté d'offre.

 

Cela ne signifie pas pour autant que la France souhaite se retirer de la course. Au contraire, le même jour, le gouvernement français a décidé d'aller au-delà de l'appel d'offres en proposant officiellement à la Belgique un partenariat structurant autour du Rafale. Outre la fourniture du Rafale, ce partenariat comprendrait d'après la ministre française, "une coopération approfondie entre nos deux armées dans les domaines opérationnels, de formation et de soutien, ainsi qu'une coopération industrielle et technique impliquant des entreprises des deux pays". Parallèlement, Dassault Aviation a rappelé sa très forte présence industrielle en Belgique et a proposé une stratégie de coopération à moyen et long termes.

 

La France fait ainsi des offres qui semblent surpasser les exigences qu'avait formulées le gouvernement belge dans son RfGP. Certes, sur la forme, cette proposition française ne suit pas l'étape intermédiaire du 7 septembre proposée par la Belgique dans le cadre du RfGP. Néanmoins, il me semble que cette proposition mérite toute notre attention pour plusieurs raisons.

 

Premièrement, je rappelle que la Belgique a légitimement voulu que l'achat du successeur du F-16 se fasse de gouvernement à gouvernement en intégrant un partenariat stratégique sur le long terme avec le pays vendeur. Il est donc incontestable que la nouvelle proposition française répond à cette demande.

 

Ensuite, d'après les termes du RfGP lui-même, la Belgique peut décider en tout temps de cesser la procédure en cours. En effet, on peut lire à la section 8 que "l'émission de ce RfGP ne doit en aucune manière être interprétée comme l'engagement du gouvernement belge à conclure un accord ou un contrat". Par ailleurs, les répondants à l'appel d'offres l'ont fait à leurs propres choix, risques et coûts et ne pourront s'en prendre juridiquement au gouvernement.

 

Si vous décidiez, malgré tout, de mettre la France hors-jeu, monsieur le ministre, il ne resterait alors plus que deux options concurrentes sur les cinq retenues au départ. Après le retrait du Grip LGN-16 et la mise à l'écart éventuelle de la proposition française, serait-il vraiment sérieux que le gouvernement ne puisse faire un choix objectif qu'entre les deux appareils restants, le F-35 américain et l'Eurofighter britannique?

 

On sait que les Britanniques ont toujours été opposés à la mise en place d’une Europe de la Défense. En outre, ils quittent à présent l’Union européenne. Quant aux Américains, indépendamment des questions qui se posent encore à propos d’un avion toujours pas finalisé, ils ont également tenu des propos peu amènes à l'encontre de l'Union européenne et ont mis en avant leur doctrine "America First". La position de Trump sur le partenariat transatlantique est, au demeurant, on ne peut plus confuse.

 

Cependant, la France doit aussi développer et détailler son offre. Le gouvernement français doit démontrer le sérieux de sa démarche et expliquer comment il entend rendre exécutoire ce partenariat approfondi, au sein d’une Europe de la Défense en construction.

 

Quoi qu’il en soit, la Belgique ne peut pas se satisfaire d’une compétition limitée aux concurrents britannique et américain. En effet, dans ce dossier, les enjeux sécuritaire, stratégique, politique, budgétaire et industriel sont tels qu’on ne peut pas se permettre un simulacre de compétition et un appel d’offres qui se terminerait en "eau de boudin". Pire encore, on ne peut laisser croire qu’en réalité tout serait joué d’avance, et que le RfGP aurait été rédigé de manière à privilégier le F-35 américain.

 

Bref, monsieur le ministre, au vu de la surprise du 7 septembre, que comptez-vous faire? Quel est désormais l’avenir de la procédure en cours, basée sur le RfGP? Peut-on considérer que le Rafale est toujours dans la course? Une compétition réduite à deux candidats a-t-elle encore un sens? Comment comptez-vous répondre aux propositions françaises? Pouvez-vous nous détailler le contenu de l’éventuelle nouvelle offre française? S'accorde-t-elle avec votre volonté de favoriser le développement de l’Europe de la Défense? Envisagez-vous toujours de prendre une décision et de signer des contrats avant la fin de la présente législature?

 

01.08  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, bis repetita placent – comme dirait votre président de parti. Pour ceux qui étaient absents, nous avons discuté pendant une heure du même sujet à huis clos - derrière ces fenêtres qui se sont, depuis lors, entrouvertes. Je vais donc me répéter.

 

Le 7 septembre dernier, la France a annoncé qu'elle ne répondrait pas à l'appel d'offre que vous aviez lancé pour l'achat off the shelf de 34 chasseurs bombardiers remplaçant la flotte actuelle des F-16. Votre homologue française vous a pourtant proposé le jour même la mise en place d'un "partenariat approfondi et stratégique".

 

Selon Florence Parly, cette collaboration franco-belge pourrait prendre la forme d'un accord intergouvernemental comprenant la fourniture des 34 avions mais aussi d'une coopération très poussée entre les deux composantes Air tant au niveau opérationnel – c'est ce qui explique le retrait de Saab – qu'en matière de formation, ainsi qu'une coopération industrielle et technique impliquant le tissu industriel des deux pays, sous-entendu les trois Régions.

 

Dassault essaie donc de contourner l'appel d'offres très officiel et l'avionneur français sous-entend que celui-ci serait taillé sur mesure pour le F-35, comme l'a précisé mon collègue, Wouter De Vriendt. Le premier ministre, Charles Michel, a déclaré dans la foulée, ce jour-là, qu'il allait "analyser juridiquement ce que signifie ce courrier, notamment au regard de la procédure transparente que nous avons lancée ces derniers mois".

 

Monsieur le ministre de la Défense, je souhaitais vous demander si vous aviez déjà répondu à ce courrier. J'ai appris ce matin que non lorsque vous nous en avez fait la lecture à huis clos. Je ne vous pose donc plus la question. Quelle analyse juridique faites-vous de cette offre de partenariat déposée en dehors de la procédure telle qu'initiée par l'envoi du RfGP aux cinq concurrents initiaux? En effet, comme l'a dit M. Dallemagne, le RfGP, en son article 8 (page 16) affirme qu'"il ne doit en aucune manière être interprété comme l'engagement du gouvernement belge à conclure un contrat ou un accord ". Ceci signifie-t-il que, si le gouvernement faisait le choix du partenariat avec la France, les deux candidats restant dans la course ne pourraient pas contester la fin éventuelle de la procédure prévue par le RfGP?

 

Enfin, par son partenariat, la France met sur la table une filière d'entraînement commune, des opérations extérieures en commun, un partage de l'espace aérien – militaire, je présume –, en plus des simples avions de combat. Ceci est-il, selon vous, de nature à garantir les objectifs de coopération, de support technique et de déployabilité qui étaient au cœur de l'esprit du RfGP, à défaut de l'être à la lettre?

 

01.09  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, in het kader van de vervangingsprocedure voor de gevechtsvliegtuigen verliep op 7 september de deadline voor de kandidaat-constructeurs om een offerte in te dienen. Het Franse Dassault leverde echter geen dossier in voor het Rafalegevechts­vliegtuig, maar Frankrijk stelde ons land in de plaats een militaire samenwerking voor waarbij beide landen samen Rafalevliegtuigen zouden kopen of ontwikkelen.

 

Wat is de stand van zaken in het dossier? Hoe ver staat het met de lopende procedure voor de vervanging van de F-16's? Wat houdt het Franse voorstel concreet in? Hoe schat u het voorstel van de Franse regering in? Welke opvolging zult u geven aan het Franse voorstel?

 

01.10  Alain Top (sp.a): Zowel bondskanselier Angela Merkel als de Franse president Emmanuel Macron kondigde vlak voor de zomer aan te zullen samenwerken aan de ontwikkeling van een nieuw gevechtsvliegtuig. Vandaag bestaat de competitie tussen Europese gevechtsvliegtuigen vooral uit de Duits-Britse Eurofighter en de Franse Rafale. De beslissing van Frankrijk en Duitsland om samen aan een nieuw gevechtsvliegtuig te werken, opent zeker mogelijkheden op het vlak van een Europese defensie.

 

In Europa zou een Frans-Duits gevechtsvliegtuig zorgen voor minder interne competitie. Vandaag zijn Rafale en Eurofighter rechtstreekse concurrenten van elkaar, zoals bij onze vervangingsprocedure. Indien de Frans-Duitse plannen werkelijkheid worden, zal er één Europees toestel ontstaan, waardoor de concurrentie in Europa afneemt. Het Verenigd Koninkrijk zal zich naar alle waarschijnlijkheid meer toespitsen op een partnerschap met de Verenigde Staten, althans volgens de uitspraken van de Britse politici.

 

Duitsland en Frankrijk kondigden aan dat ze tegen midden 2018 een tijdlijn willen opstellen voor het project. Waarschijnlijk zullen Frankrijk en Duitsland nog andere partners zoeken in Europa om het project te ondersteunen. Mogelijk dient zich hier voor België een kans aan om ook deel te nemen aan de ontwikkeling van dat toestel. Momenteel bevinden we ons in een aankoopprocedure waarbij we geen deel uitmaken van de ontwikkelingsfase, waardoor de kosten hoger liggen. Het nieuwe Frans-Duitse toestel zou daar verandering in kunnen brengen.

 

De ontwikkeling van het toestel moet uiteraard nog worden opgestart. De regering wil de huidige F-16’s vervangen tussen 2023 en 2028. Het Frans-Duitse toestel kan onmogelijk klaar zijn in een tijdspanne van vijf jaar, maar misschien zijn er wel tussentijdse oplossingen mogelijk?

 

Heeft de Duitse of Franse regering reeds contact met de Belgische regering opgenomen omtrent dat voorstel?

 

Hebt u reeds meer zicht op de tijdlijn die de Fransen en Duitsers willen uitstippelen? Lijkt het u, los van de timing, een opportuniteit om een volledig Europees toestel aan te kopen en daarbij mee te stappen in de ontwikkelingsfase van het toestel?

 

Ten slotte, de timing is niet ideaal, maar oplossingen zijn mogelijk. Zo zou België toestellen kunnen leasen, tot we nieuwe toestellen kunnen aankopen. Denkt u niet dat het interessant zou zijn om die piste op zijn minst te bekijken?

 

01.11  Georges Dallemagne (cdH): Madame la présidente, monsieur le ministre, ma question étant identique à celle de M. Top, je peux être bref.

 

Le 13 juillet dernier, le président français a annoncé un projet de coopération à long terme entre la France et l'Allemagne. C'est un projet très ambitieux, très important pour la défense européenne. Je souhaiterais évidemment que la Belgique s'y associe et connaître les démarches actuellement menées en ce sens. Il est question de l'avion qui va succéder à nos F-16. Dans ces matières, on sait qu'il faut s'y prendre très en avance, c'est-à-dire dès maintenant pour intégrer ce projet.

 

Monsieur le ministre, quelle est la réaction du gouvernement? Quelles sont les initiatives prises pour intégrer ce projet?

 

01.12 Minister Steven Vandeput: Voor ik op de vragen antwoord, wil ik stipuleren dat wij spreken over de vervanging van een lucht­gevecht­capaciteit vanaf 2023, omdat vanaf dan onze F-16's uit roulatie worden genomen. Er is daarvoor in een initieel investeringsbedrag van 3,5 miljard euro voorzien. Dat is het dossier waarover wij spreken.

 

Conformément à la Request for Government Proposal (RfGP), la remise des propositions gouvernementales à la cellule des programmes ACCaP était attendue le 7 septembre 2017, au plus tard. Sur la base des discussions bilatérales menées avec les trois candidats encore en lice et durant lesquelles aucun d'entre eux n'a fait valoir d'objection sur le processus ou sur le contenu du RfGP, la cellule ACCaP s'attendait à recevoir trois propositions gouvernementales.

 

Le 7 septembre 2017, les Agences gouvernemen­tales, américaine et britannique, ont remis une proposition à la cellule ACCaP conformément aux exigences du RfGP. L'Agence gouvernementale française n'a, par contre, pas remis de proposition gouvernementale à cette cellule. Cette agence n'a, par ailleurs, pas informé au préalable la Défense de ses intentions de ne pas remettre de proposition. Le gouvernement français n'a en outre pas rendu les raisons de cette démarche.

 

Le 6 septembre 2017, soit le jour avant, la ministre française des armées m'a remis une lettre proposant à la Belgique de mettre en œuvre un partenariat stratégique global relatif à l'aviation de combat. Les pistes suggérées dans les trois pages cadrent avec ce qui avait été demandé dans le RfGP. Partant de ce constat, je ne vois aucun élément qui n’aurait pas permis à la France de remettre une proposition gouvernementale détaillée conformément à ce qui était demandé dans le RfGP. Dans ce cadre, je tiens à préciser qu'aucune offre de prix ni aucune réponse n'ont été transmises par la France aux 164 questions posées aux candidats dans le RfGP et qui auraient dû constituer en substance la proposition gouvernementale attendue.

 

Dat gezegd zijnde, heb ik niettemin aan de defensiestaf en aan een extern advocatenbureau dat gespecialiseerd is in overheidsopdrachten, gevraagd om na te gaan wat de juridische waarde is van de brief die ik van mijn Franse collega mocht ontvangen.

 

Wij kunnen enkel vaststellen dat de Fransen niet wensen deel te nemen aan de competitie, zoals die met de beslissing van de Ministerraad van 17 maart, na positief advies van de commissie voor de Legeraankopen- en verkopen, werd gedefinieerd. Het is aan de regering om te beslissen wat er voort moet gebeuren met de brief van mijn Franse collega.

 

Ik herinner eraan dat de regering heeft beslist dat Defensie een competitie moet organiseren om de vervanger van de F-16 te kiezen. De regering heeft eveneens de gunningscriteria hiertoe bepaald, inclusief het gewicht van elk criterium. Dat kunt u allemaal nalezen in het RfGP op mijn website. Aangezien het hier om een competitie gaat, moet Defensie op dezelfde manier met de kandidaten omgaan, en wel volgens de regels die in het RfGP vermeld staan. Daarbij moet Defensie de grondbeginselen van de verdragen van de Europese Unie respecteren, zijnde de principes van transparantie, gelijkheid van behandeling en niet-discriminatie. Blijven onderhandelen met Frankrijk over dezelfde inhoudelijke elementen als in de wedstrijd, met andere woorden in het kader van het RfGP, zou mijns inziens een inbreuk zijn op die principes. Het zou de Belgische Staat blootstellen aan kritiek en rechtsvervolgingen.

 

Dus, heel duidelijk, het Franse aanbod maakt geen deel uit van de competitie.

 

La Défense a donc reçu deux propositions de gouvernement à gouvernement, présentées conformément aux exigences du RfGP, l'une américaine et l'autre britannique, au nom des quatre pays européens. Ce n'est donc pas une offre britannique mais les Britanniques sont le porte-parole des quatre pays participant au projet Eurofigther.

 

Ces propositions gouvernementales ont été rédigées alors que trois candidats étaient encore en lice. L'environnement compétitif était et demeure suffisant pour garantir des propositions d'un bon rapport qualité-prix.

 

De manière générale, on ne peut raisonnablement pas obliger un candidat à répondre à une demande d'offre ni à adapter son besoin pour satisfaire l'ensemble des candidats sans risquer de se retrouver, finalement, avec un produit qui ne répond pas à ce qui est attendu. Comme je l'ai déjà précisé, un ou plusieurs retraits avant la remise des offres n'a rien d'anormal. Cela a d'ailleurs été constaté lors d'autres compétitions. Comme pour tous les marchés publics, les candidats décident de participer ou non au marché en fonction d'éléments internes. Plus les exigences et critères du cahier des charges sont clairs, plus l'analyse est facile à réaliser.

 

Laat ik dan ook nog een keer duidelijk stellen dat het niet is omdat een kandidaat beslist om niet deel te nemen aan een wedstrijd, dat de specificaties van de overheidsopdracht daarom ‘gestuurd’ zouden moeten zijn. Geen enkele kandidaat waarmee wij gesproken hebben, heeft daarop allusie gemaakt.

 

In dat verband wens ik ook te onderstrepen dat de brief van mijn Franse collega niet de minste allusie bevat op het sturen van de competitie in de richting van een welbepaalde kandidaat, zoals door sommigen ten onrechte wordt beweerd. Wie met dergelijke kritiek komt, doet er beter aan om eerst het RfGP, dat integraal op mijn website gepubliceerd staat, inhoudelijk te analyseren en dan bewijs te leveren.

 

Wat de vraag om inzage van de ontvangen offertes betreft, kan ik u meedelen dat de wetgeving niet toestaat dat de aanbestedende overheid in de huidige fase van het proces inzage geeft in de ontvangen documenten; ikzelf dus ook niet.

 

Nu we offertes ontvangen hebben, zitten we in de zogenaamde validatiefase. Ook in die fase volgen we de timing en het proces zoals die beschreven staan in het RfGP. Er werden ondertussen een 30-tal experts van Defensie en van de FOD Economie aangesteld om het ACCaP-programmabureau met reviewteams bij te staan voor het verdere verloop van de procedure. Aan al die mensen werd de validatiemethode uitgelegd, zodat iedereen op dezelfde manier werkt. De validatiemethode werd trouwens onder verzegelde enveloppe aangeboden aan het Rekenhof en aan de inspecteur van Financiën zodat later kan geverifieerd worden of iedereen correct en volgens de afgesproken regels heeft gewerkt. Enkel de inspecteur van Financiën heeft de enveloppe aanvaard en in bewaring genomen.

 

De experts nemen momenteel kennis van de ontvangen offertes, elk op hun domein van specialiteit, zonder kennis te hebben van de onderdelen van hun collega’s. Het komt er in die fase op aan om na te gaan of de offertes coherent, volledig en duidelijk zijn. Indien nodig, zal het programmabureau bijkomende vragen stellen aan de kandidaten om de offerte te verduidelijken.

 

Une fois ces activités terminées, une Best and Final Government Proposal sera demandée aux candidats. Ce n'est pas une deuxième chance de remettre une proposition, mais une opportunité de mettre à jour la proposition gouvernementale initiale, consolidée sur la base des discussions menées durant la phase de validation.

 

Een best and final offer wil niet zeggen dat kandidaten een tweede kans krijgen om een offerte in te dienen. Het gaat om een best and final offer in de echte betekenis van het woord.

 

La remise de ces propositions gouvernementales finales est prévue pour le 14 février 2018. Cette date marque la fin des négociations et des contacts avec les candidats et le début de l'évaluation proprement dite, qui sera réalisée par les experts de la Défense et du SPF Économie. Sur la base des résultats de cette évaluation, une recommandation motivée sera soumise au gouvernement.

 

Dat betekent dat vanaf 14 februari de deuren opnieuw dichtgaan en er niet meer onderhandeld wordt. Vanaf dan worden de best and final offers geëvalueerd.

 

L'histoire a en effet montré que le développement d'un avion de combat – ou même d'un simple avion – s'inscrit dans un long processus et s'étale généralement sur plusieurs décennies.

 

Quant aux initiatives franco-allemandes, ce n'est pas la première fois qu'un tel projet est lancé en Europe, puisque plusieurs programmes de développement en commun d'un avion de combat ont déjà vu le jour: le Jaguar (avec la France et le Royaume-Uni), le Tornado (avec l'Allemagne, l'Italie et le Royaume-Uni) et, plus récemment, l'Eurofighter Typhoon (avec l'Allemagne, l'Espagne, l'Italie, le Royaume-Uni et initialement la France, qui s'est ensuite retirée du programme).

 

Quoi qu'il en soit, les initiatives européennes dans le domaine de la Défense doivent retenir toute notre attention, dès lors qu'elles visent à renforcer la sécurité collective européenne, mais aussi, plus largement, au sein de l'OTAN.

 

Par conséquent, je ne manquerai pas de rester attentif aux suites apportées à cette récente déclaration d'intention franco-allemande.

 

Voor de volledigheid geef ik mee dat wij spreken over een tijdlijn naar 2040, een beetje later dan 2023 dus.

 

Vliegtuigen leasen in afwachting van de ontwikkeling van een nieuw vliegtuig is weinig zinvol. Een dergelijke ontwikkeling kan tientallen jaren in beslag nemen. Wij spreken op zijn minst over 17 jaar. België kan de technologie met een geleasd toestel niet alleen bijhouden en daarom zoeken wij in de eerste plaats een partnership.

 

À ce stade, la Défense se concentre prioritairement sur le programme de remplacement du F-16, qui doit commencer dès 2023.

 

Collega's, ik ga ervan uit dat ik hiermee grotendeels heb geantwoord op uw vragen binnen de mogelijkheden die mij worden gegeven tijdens een lopende procedure.

 

Ik wil hieraan een persoonlijke noot toevoegen.

 

Ik ben de verdachtmakingen beu. Ik heb dat een aantal weken geleden trouwens ook in de media laten weten. Ik ben het beu mij te moeten verdedigen en als voor waarheid te moeten aannemen dat wat de CEO van een bedrijf, dat geen rechtstreekse gesprekspartner is van ons ACCaP-team, zegt, wordt aangewend om aan te geven dat er hier of daar zou worden gestuurd. Mijnheer De Vriendt, telkenmale opnieuw vraag ik om mij het bewijs in het RfGP te geven en dan hebt u recht van spreken. Ik ben het beu dat u de woorden van iemand die initieel wenste deel te nemen aan een publieke wedstrijd, aanhaalt om het oprechte, eerlijke werk dat werd geleverd door het ACCaP-team te proberen onderuit te halen.

 

01.13  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik zal een repliek geven op de twee zaken, de effectieve vervanging en het idee rond de Europese samenwerking.

 

Enerzijds, wat de vervanging betreft, kan ik uw antwoord volgen. U zegt dat de huidige procedure niet toelaat dat men de afwijking maakt die de Fransen in hun brief voorstellen, namelijk om tegelijkertijd of naast die procedure ook nog gesprekken met hen aan te gaan. Dat is correct.

 

Anderzijds, had u het over verdachtmakingen rond de procedure. Maar het gaat niet over u als persoon. Verschillende aanbieders hebben afgehaakt. Er zijn er nog twee over. Zoals ik in mijn inleiding al heb gezegd, wisten wij al op voorhand dat Saab niet zou kunnen voldoen aan de voorwaarden. Zweden wou zich niet binden. Dat wisten wij op voorhand. Dat was dus een aanbieder, waarvan wij al op voorhand wisten dat hij zou afvallen. Die andere twee vallen nu ook af.

 

Is bijgevolg eigenlijk niet op voorhand geweten voor welke type vliegtuig van welke generatie België zou kiezen? Vandaag is er slechts één type vliegtuig dat daaraan voldoet, een van generatie 5, namelijk de F-35. Er zijn nog twee aanbieders, die nu de volgende stappen zullen doorlopen in de procedure. Ik wil er ook op wijzen dat, als men niet veel concurrentie meer overhoudt in de volgende stappen, de aanbiedingen misschien ook minder goede concurrentiële voordelen voor ons land zullen opleveren.

 

U waarschuwt terecht in verband met samenwerking op Europees vlak op de realiteit. Zullen de intentieverklaringen van de verschillende ministers, eerste ministers of presidenten daadwerkelijk in realiteit omgezet worden? Dat is een terechte vraag. Dat moeten wij de komende maanden nu wel weten. Niettemin wil ik ook wijzen op het feit dat onze eigen eerste minister daarop gewezen heeft en zich ook als voorstander daarvan heeft uitgesproken.

 

Ondanks het nadeel en de problemen die er zijn, kan de periode tot wanneer de vliegtuigen worden vervangen, niet op een andere manier worden overbrugd? Moet er geen initiatief genomen worden en meer aandacht besteed aan de vraag en intentie om Europees meer samen te werken. Ik wil er maar op wijzen. U spreekt over een vervangingsprocure die loopt van 2023 tot 2028. Ik hoop dat de leveranciers daaraan ook kunnen voldoen. Zo niet komen wij sowieso in de problemen. Ik hoop echt van harte dat op het ogenblik dat wij die vliegtuigen geleverd krijgen, wij geen verouderd toestel in ons arsenaal zullen krijgen.

 

01.14  Julie Fernandez Fernandez (PS): Madame la présidente, monsieur le ministre, à ce stade, nous ne disposons pas de suffisamment d'éléments, même si nous avons eu, tout à l'heure, un échange relatif aux achats militaires à l'occasion duquel vous avez donné pas mal d'informations.

 

Quoi qu'il en soit, nous ne sommes pas, aujourd'hui, en position de nous prononcer en faveur de l'un ou l'autre candidat. Comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire, le fait qu'il n'y ait plus que deux candidats sur cinq nous pose question.

 

Par ailleurs, je vous rappelle qu'un élément essentiel de ce dossier a trait aux retours sociétaux pour les Régions, ce évidemment conformément aux règles européennes. Quand je parle de retours sociétaux, je pense surtout aux retours en termes d'emploi, aspect de ce dossier qui est, pour moi, essentiel. Je ne peux pas imaginer qu'en tant que ministre fédéral, vous ne teniez pas compte des spécificités wallonnes en la matière. En effet, la Wallonie est à la pointe de ces technologies.

 

Permettez-moi également de m'étonner que le nouveau partenaire gouvernemental wallon n'ait pas jugé opportun d'intervenir dans ce débat, alors que l'on sait ce que cela pourrait rapporter à la Région.

 

Monsieur le ministre, j'espère sincèrement que ce dossier crucial et symbolique ne sera pas relégué pour n'être qu'un simple dossier communautaire de plus.

 

01.15 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, ik heb naar mijn mening niets aangehaald wat duidelijk zou moeten maken dat ik van de kwestie een communautair dossier wens te maken. Het tegendeel is waar. Misschien zijn er echter leden die dat graag zouden hebben.

 

01.16  Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting.

 

Graag geef ik ook enkele elementen van repliek, zeker ook tegenover de commissieleden.

 

Ik ervaar ook voortdurend het wantrouwen van de linkerzijde — Groen, de sp.a en daarnet ook de PS. Plots roepen de procedure en het lastenboek vragen op.

 

Ik herinner eraan dat zowel de procedure als het lastenboek conform de Belgische en Europese wetgeving met betrekking tot de overheids­opdrachten zijn opgesteld. Zij hebben de zegen gekregen, niet alleen van de inspecteur van Financiën maar ook van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, de Ministerraad en onze eigen bevoegde parlementaire commissie. Daar wil ik iedereen even aan herinneren.

 

Wij hebben in de bevoegde commissies ook uitvoerig over het dossier gedebatteerd. De publicatie is in alle transparantie gebeurd, wat trouwens een unicum is voor een dergelijke grote overheidsopdracht. Indien er opmerkingen of klachten zijn, kan men maar beter in alle transparantie en zeker met bewijzen naar voren komen. In het andere geval moet men zwijgen en stoppen met de verdachtmakingen.

 

Over het verloop van de competitie wil ik nog meegeven dat het niet meer dan normaal is dat in een competitie kandidaten afvallen. Daarom heet het ook een competitie.

 

De vraag die ik nog aan het kabinet wil stellen, is de volgende. Is het zo vreemd dat in de eindfase slechts twee kandidaten overblijven of is dat in verschillende landen misschien wel het geval?

 

Voorts heb ik nog geen enkele officiële mededeling gezien waarin staat dat de kandidaten die zich terugtrokken, dat deden wegens onze administratie en ons lastenboek.

 

Tot daar mijn repliek.

 

De voorzitter: Ik geef nu graag het woord aan de heer De Vriendt.

 

01.17  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een brokkenparcours. Ik heb daar geen enkel ander woord voor.

 

U zegt dat het logisch is dat er kandidaten afvallen. Dat is waar, maar de reis is nog niet gestart, mevrouw de voorzitter, want drie van de vijf kandidaten hebben zelfs geen voorstel ingediend. De marktverkenning, de survey, is wel gebeurd, maar op welke manier is men te werk gegaan als drie van de vijf mogelijke kandidaten al afhaken vooraleer de eigenlijke competitie begint?

 

Ik denk aan een uitspraak van de CEO van Dassault, de maker van de Rafale, met name dat dit geen eerlijke competitie is en dat zij een voorkeur voor de Amerikanen vermoeden. Ik denk ook aan een uitspraak van de woordvoerster van Boeing, volgens wie er geen level playing field is. En ik denk aan een uitspraak van Saab, zeggende dat zij zich met hun vliegtuig niet kunnen engageren in Belgische militaire operaties als zij het er niet mee eens zijn. Dat zijn drie elementen die uit de marktverkenning hadden kunnen blijken.

 

Collega’s, ook van de meerderheid, wij riskeren hier meer dan drie miljard euro belastinggeld te moeten besteden aan een vliegtuig en wij hebben de keuze uit, ocharme, twee kandidaten, waaronder een Brits toestel. Ik moet er geen tekeningetje bij maken bij welke kandidaat wij uiteindelijk zullen eindigen: het duurste uit de reeks, de Amerikaanse F-35. Daar gaat ons belastinggeld naartoe, terwijl wij het geld van Defensie veel beter zouden moeten spenderen.

 

Los van de inhoudelijke bezwaren die wij hebben bij dit dossier, pleiten wij voor meer specialisatie binnen Defensie. Wij vinden het geen goede zaak om ons belastinggeld te besteden aan die aankoop, maar als wij de middelen dan toch besteden, laten wij het dan doen op een goede, verstandige manier, met eerlijke concurrentie. Drie van de vijf kandidaten hebben al afgehaakt alvorens de competitie nog maar begon. Dit is een brokkenparcours, dit is één groot fiasco.

 

01.18  Tim Vandenput (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Iedereen die weet wat een openbare aanbesteding is, weet ook, zoals hier al door een paar collega's werd aangegeven, dat er mensen worden uitgenodigd en dat de organisaties vrij zijn om te antwoorden.

 

Mijnheer De Vriendt, ik ga er helemaal niet mee akkoord als u dit een brokkenparcours noemt. De procedure is wat zij is, volgens de Europese wetgeving en volgens de Belgische wetgeving. Dat er drie van de vijf kandidaten niet hebben geantwoord, behoort tot hun vrijheid en is hun beslissing. Dat heeft niets te maken met het opmaken van ons lastenboek en met de inhoud ervan. Ik herhaal dat in het lastenboek expliciet geen nucleaire capaciteit wordt gevraagd, dus dat is geen reden waarom de Zweden of de Fransen afhaken.

 

01.19  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Het gaat om eerlijke concurrentie.

 

01.20  Tim Vandenput (Open Vld): Het is hun eigen interpretatie van een zeer objectief lastenboek.

 

Ik geef u een ander voorbeeld. In mijn gemeente ben ik een jaar bezig geweest om onze sportinfrastructuur in een soort PPS-project ontwerper-ondernemer vast te leggen. Dat heeft een jaar geduurd. De procedure was bekend. Er werden vijf bedrijven uitgenodigd en slechts twee hebben geantwoord. Van die twee bedrijven hebben wij er één weerhouden dat kwalitatief zeer goed was.

 

Wel, dat is hier net hetzelfde. U, en nog andere collega's, hebben weinig kaas gegeten over hoe aanbestedingen verlopen, zowel op lokaal als op federaal vlak. Dat is de realiteit. Dat wilde ik nog even meegeven.

 

Dat Frankrijk, Zweden en de State Agency van de Verenigde Staten met het stukje Boeing beslissen om niet mee te doen, dat is hun zaak. De CEO's zullen wel een goede uitleg hebben om daar goed uit te komen. Dat is zeker. U zult dat dan interpreteren als de waarheid, maar geloof niet al wat in de kranten staat of wat CEO's van bedrijven zeggen.

 

Mijnheer de minister, u zegt dat de regering zal beslissen wat er met de brief van Frankrijk zal gebeuren. Ik denk dat dit de juiste aanpak is en dat dit buiten de hele procedure zal gebeuren.

 

Tot slot nog dit.

 

De laatste ervaring met Frankrijk, met de Mirage 5 die wij hebben aangekocht en die in Florennes heeft gestaan, was ook niet meteen een succesverhaal. Die toestellen hebben ook niet lang gevlogen en de luchtmacht was daarmee ook niet 100 % tevreden. Laten wij dat ook in het achterhoofd houden alvorens die piste te bewandelen.

 

01.21  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le ministre, je voudrais tout d'abord revenir sur vos derniers mots.

 

Ce n'est pas la première fois que je vous entends avoir des propos un peu agressifs et émotionnels à l'égard d'un représentant de la France. Il faut garder son calme dans cette procédure et cela m'inquiète d'entendre de tels mots de votre part, par rapport à des enjeux aussi importants.  

 

01.22  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Dallemagne, je participe à cette commission, je dois prendre en compte tout ce qu'on me dit, et je ne peux pas exprimer mes émotions… Je ne comprends pas!

 

01.23  Georges Dallemagne (cdH): Je vous demande simplement de répondre aux questions dans les faits.

 

Nous sommes en train de vous interroger sur un débat et sur des enjeux extrêmement importants, financiers, stratégiques et de sécurité majeure. Cette procédure pourrait aboutir à ce que nous achetions, sans véritablement de choix, un avion à un pays qui, aujourd'hui, ne répond pas du tout à l'objectif premier que nous nous sommes fixé dans le domaine de la défense, qui est de participer à la construction d'une défense européenne. C'est le point politique crucial aujourd'hui.

 

Cet achat d'un avion de combat devrait être un élément fondamental de ces futures défense et industrie européennes. Nous sommes engagés dans une procédure qui pourrait entraîner que nous achetions un avion, soit l'Eurofighter. Vous dites que c'est un consortium de pays, mais nous n'avons rencontré que l'ambassadeur britannique. D'ailleurs, dans les slides qu'ils nous ont montrés, il y avait le drapeau britannique. Les Britanniques, qui se sont toujours opposés à une défense européenne et sont en train de quitter l'Union européenne. Est-ce à eux que nous devons acheter aujourd'hui, presque de manière contrainte et forcée, un avion? Ou est-ce aux Américains, qui nous disent "America first"? Nous connaissons tous le mépris qu'a M. Trump pour l'Union européenne et tous ses états d'âme à propos de l'OTAN. Est-ce aux Américains que nous devons acheter un avion, contraints et forcés?

 

À partir du moment où la procédure, intéressante au départ, ne répond plus aux aspirations de la Belgique, dans des domaines aussi fondamentaux que ceux-là, il faut s'interroger pour savoir si nous ne pouvons pas l'arrêter.

 

Vous l'avez prévu d'emblée dans le cahier des charges. Cette procédure peut s'arrêter.

 

Aujourd'hui, la question n'est pas juridique, elle est politique. Oui ou non, allons-nous continuer dans une procédure qui va droit dans le mur et qui ne nous permet pas de poser un choix sur le plan politique qui nous paraît tout à fait acceptable et ouvert. C'est la question qui nous est posée ainsi qu'au gouvernement aujourd'hui. Nous devons recevoir une réponse dans ce cadre. Le RfGP prévoit – et c'est très bien ainsi – que nous puissions actionner cette manette, arrêter cette procédure et en envisager d'autres qui répondent aux enjeux auxquels nous sommes aujourd'hui confrontés.

 

Il est exact que la France a agi par surprise et que son offre intervient en dernière minute mais je pense que nous ne pouvons pas l'écarter d'un revers de la main. Cette offre, sur le plan politique, stratégique et de la volonté  exprimée à maintes reprises par le premier ministre ces dernières semaines, pourrait répondre aux enjeux de défense et de sécurité de la Belgique.

 

Je demande donc, puisqu'il s'agit d'une réponse de nature politique, que l'on revoie la procédure et que l'on s'interroge pour savoir de quelle manière la Belgique va acquérir un avion de combat qui satisfasse pleinement sa politique stratégique, sans s'enfermer dans une procédure qui contrarie aujourd'hui gravement les intérêts du pays dans ce domaine.

 

Nous n'aurons pas d'autres occasions aussi importantes que celle-ci de pouvoir lancer l'Europe de la défense et faire en sorte que nous bénéficions d'un avion de combat dans le cadre d'une défense européenne et d'une construction d'une industrie européenne. Une telle occasion ne se représentera plus avant très longtemps. J'insiste donc pour que nous puisions analyser ce problème de cette façon.

 

Par ailleurs, vous nous dites que les critères sont très détaillés et visibles et que nous pouvons les consulter sur le site.

 

J'ai beau lire ces critères, je ne vois pas là un garde-fou tout à fait clair et net par rapport à des décisions qui pourraient être partiales, parce que ces critères sont essentiellement qualitatifs. Quand, dans un appel d'offres, le prix n'intervient que pour 25 %, …

 

01.24  Steven Vandeput, ministre: 33 %.

 

01.25  Georges Dallemagne (cdH): Je regrette, je me fie à la note de l'Inspection des finances dans laquelle il est indiqué 25 %.

 

01.26  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Dallemagne, avant de faire ce débat, il eût été préférable que vous lisiez les documents à votre disposition.

 

01.27  Georges Dallemagne (cdH): Je ne discute pas. Que ce soit 33 % ou 25 % – j'ai ici la note de l'Inspection des finances –, cela ne change rien au fond. C'est un critère qui reste minoritaire.

 

01.28  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Dallemagne, si vous aviez saisi l'opportunité que je vous donne, cela aurait peut-être changé quelque chose. Tous les documents sont à disposition sur mon site internet. Il aurait été intéressant que vous lisiez ce qui s'y trouve avant de faire des discussions qui ne riment à rien.

 

01.29  Georges Dallemagne (cdH): Cela ne change rien au fond, car il s'agit de critères qualitatifs pouvant être largement discutés et n'étant pas, à mon avis, et contrairement à ce que vous laissez entendre, des garde-fous absolus dans une procédure qui peut être parfaitement objectivable. Je demande encore une fois que l'on fasse très attention à la manière dont on gère ce dossier.

 

Je suis un peu surpris. Vous nous dites que ce n'est pas un problème communautaire. Je suis étonné de l'absence du MR dans cette discussion. Il est important que nous gardions, au cours de celle-ci, les grands enjeux pour la Belgique et la défense européenne bien en vue.

 

01.30  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Madame la présidente, je serai, pour ma part, beaucoup plus court et respectueux du Règlement.

 

Respectueuse, la France aurait dû l'être. Monsieur le ministre, en effet, la France ne respecte pas les règles fixées par l'appel d'offres. Elle s'est montrée maladroite, négligente, voire présomptueuse.

 

Cependant, les Verts sont opposés à ce marché, pour des raisons stratégiques sur lesquelles je ne vais pas revenir, mais aussi parce qu'il suppose un budget colossal de 15 milliards sur 40 ans, qui va toucher plusieurs générations. Dans ce cadre, la procédure du choix de l'appareil doit être compétitive, claire et limpide. Force est de constater qu'avec le retrait de Saab, puis de Boeing, et maintenant, de Rafale, votre appel d'offres prend l'eau. Il ne prend pas l'eau juridiquement, mais politiquement. La compétition concerne de moins en moins de personnes. Politiquement, cet appel d'offres devient de plus en plus ramassé.

 

Je pense que nous, les parlementaires qui contrôlons la bonne mise en œuvre de cet appel d'offres, devons organiser l'audition des personnes qui représentent ces trois entreprises qui, à un moment, ont jeté le gant, pour connaître les raisons objectives de ces décisions. Il faudrait qu'elles nous disent noir sur blanc les raisons pour lesquelles elles se retirent de ce marché. J'espère pour vous que Eurofighter ne va pas se retirer du marché avant la fin du RfGP car nous aurions alors vraiment un énorme problème.

 

01.31  Veli Yüksel (CD&V): Mevrouw de mijnheer de minister, collega’s, wat ik hier hoor, is een beetje de wereld op zijn kop. De competitie verloopt vandaag open en transparant. Het lastenboek werd opgemaakt door militairen van Defensie, op basis van de noden en capaciteiten in ons land. Ik hoor collega’s nu al, in de beginfase, concluderen dat één welbepaald type met de zaak zou gaan lopen. Dat is wat kort door de bocht. De drie bedrijven die zich hebben teruggetrokken of die geen dossier hebben ingediend, moeten eens aangeven op welk punt en waarom zij dat hebben gedaan. Beweren dat er geen competitie is, berust op weinig concrete elementen.

 

Het is heel opmerkelijk dat sommige collega’s vinden dat wij ons moeten verantwoorden waarom mensen zich niet inschrijven. Dat is wel heel bizar. Het is een belangrijk dossier ten bedrage van 3,5 miljard euro. Daar is dus veel geld mee gemoeid. Maar stop alstublieft met demagogie en met emopolitiek. Als u vindt dat wij geen jachtvliegtuigen moeten hebben, kom daar dan openlijk voor uit, maar stop met valse beschuldigingen en demagogie.

 

Mijnheer de minister, enerzijds, met betrekking tot het Franse voorstel is het duidelijk dat de brief van de Fransen niet kan worden beschouwd als een dossier dat wordt ingediend voor de openbare aanbesteding. In mijn ogen is het voorstel ook praktisch niet realistisch. Het biedt weinig antwoorden op korte termijn. Wij moeten de eerste toestellen hebben in 2023. Op korte termijn biedt het Franse voorstel dus geen antwoord.

 

Het zou, anderzijds, van domheid getuigen, mochten wij de Franse vraag verticaal klasseren. De Franse vraag is op langere termijn een opportuniteit om dieper over na te denken, teneinde mee op de trein van de Europese defensie te stappen en op langere termijn naar een toestel, capaciteiten en mogelijkheden te zoeken, om in Europa op het gebied van de Europese defensie-industrie meer en concreet samen te werken.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, misschien wil u nog op enkele vragen antwoorden?

 

01.32 Minister Steven Vandeput: Nee, mevrouw de voorzitter, ik vermoed dat alles gezegd is.

 

Voor het rapport zou ik evenwel willen aanhalen dat de heer De Vriendt hier heeft geciteerd wat de CEO van Dassault zou hebben verklaard. Ik heb het citaat hier voor mij liggen. Daarin gaat het niet over de zaken van de RfGP, integendeel zelfs. Ik zal het even voorlezen.

 

Le PDG du groupe français Dassault Aviation a dénoncé samedi le penchant d'une majorité de pays européens pour l'achat de matériels militaires américains, alors que l'Union européenne commence enfin à parler de sécurité et à se prendre en charge. Il a également plaidé pour que la Belgique se dote plutôt de l'avion de combat français Rafale. Point!

 

Dat is het citaat dat in deze commissie door de heer De Vriendt, die ik nochtans enorm respecteer als Parlementslid, verkeerd werd aangehaald als sprekende over nucleaire capaciteiten, voorkeuren, en dergelijke. Ik wilde dit even meegeven voor het verslag.

 

De voorzitter: Als voorzitter wil ik nog kort ingaan op de vraag van de heer Hellings om hoorzittingen te organiseren met de bedrijven die zich terugtrokken. Ik meen dat de heer Hellings zich daar vergist, want het zijn de staats­agentschappen die onze gespreks­partners zijn. Die staatsagentschappen hebben wij al in de commissie uitgenodigd en hen daar uitgebreid gehoord. Het was trouwens niet Saab dat zich heeft teruggetrokken, maar de Zweedse regering. Dat was een fout die de heer De Vriendt maakte.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Questions jointes de

- M. Gautier Calomne au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les collections de chars et de canons du Musée royal de l'Armée et d'Histoire abritées au sein du 'Gunfire Museum'" (n° 19976)

- M. Gautier Calomne au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le chantier de rénovation du Musée royal de l'Armée et d'Histoire militaire" (n° 20273)

- Mme Julie Fernandez Fernandez au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les travaux de rénovation du MRA" (n° 20979)

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Gautier Calomne aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de collectie tanks en kanonnen van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis in het Gunfire Museum" (nr. 19976)

- de heer Gautier Calomne aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de renovatie van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis" (nr. 20273)

- mevrouw Julie Fernandez Fernandez aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de renovatiewerken in het KLM" (nr. 20979)

 

02.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, en juillet dernier, la presse faisait état d'un projet visant à céder le "Gunfire Museum", propriété de la Défense nationale, au profit de la commune de Brasschaat, sur le territoire de laquelle ce musée se trouve.

 

À cet égard, ce qui est le plus ancien champ de tir de notre pays abrite et expose au grand public du matériel de campagne anti-aérien et des pièces d'artillerie utilisés par nos forces armées. En outre, les hangars abritent également des chars et des véhicules blindés avec une haute valeur patrimoniale. Une partie de ces différentes pièces appartient au Musée royal de l'Armée et d'Histoire et elles étaient jadis exposées dans les salles 1914-1918 et 1940-1945 du pôle culturel du Cinquantenaire.

 

L'objectif serait de rendre le "Gunfire Museum" plus attractif et plus accessible, dans le cadre d'un processus de cession des lieux à la commune avec l'appui des autorités flamandes. Cela mérite toutefois une réflexion ouverte et approfondie. Il ne faudrait pas que ces éventuels projets n'induisent ipso facto le transfert de propriété du patrimoine fédéral. Certes, celui-ci peut rester à Brasschaat dans le cadre d'une convention de prêt, mais d'évidence, le Cinquantenaire doit rester le pôle de gravité des collections nationales!

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer ou infirmer le projet de cession du "Gunfire Museum" et ce, sans transfert de patrimoine appartenant au Musée royal de l'Armée et d'Histoire? Par ailleurs, qu'en est-il du retour des chars et des pièces d'artillerie au sein de l'enceinte du Cinquantenaire, en particulier la cour interne? Un calendrier est-il déjà prévu à ce sujet?

 

J'embraye avec ma seconde question.

 

Sur décision du gouvernement, le Musée royal de l’Armée et d’Histoire militaire (MRA) devrait être soumis à un vaste chantier de rénovation, qui nécessitera la fermeture de plusieurs salles. À cet égard, je cite le directeur du War Heritage Institute, nouvellement créé: "Il n’est pas imaginable de travailler avec les avions. Il faudra les bouger et les mettre quelque part. Ce sera horriblement compliqué. Une des pistes envisagées, que je suis prêt à négocier avec la Région bruxelloise pour éviter toutes les craintes déjà émises, serait celle d’un stockage provisoire sur le parking du Cinquantenaire, sous une grande tente de protection ouverte aux visiteurs, comme cela a déjà été fait, par exemple, pour l’Opéra de Liège".

 

Il est vrai que le chantier devrait constituer un véritable casse-tête en termes d’organisation et de planification de l’accessibilité du site. Outre celle des avions, la question du classement urbanistique par la Région bruxelloise de certaines salles historiques, souvent jugées comme des musées dans le musée, est également posée. Je cite à nouveau le fonctionnaire dirigeant: "Classer quelque chose qui ne ressemble pas du tout à ce que c’était à l’origine me paraît audacieux; d’autant que, ce faisant, ils empiètent sur notre autonomie de gestion en tant que service public dépendant du fédéral et créent un très curieux précédent. De notre point de vue, la Région n’est pas compétente pour cela".

 

Aussi, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes.

 

Quelles sont actuellement les pistes de solution sur la table en vue de favoriser l’accueil provisoire de la collection, complète ou partielle, des avions? Le scénario du recours au parking du Cinquantenaire, tel qu'évoqué dans les médias, fait-il l’objet de pourparlers avec les différents pouvoirs publics concernés?

 

S’agissant du classement de certaines salles opéré par la Région bruxelloise, quelles sont les difficultés qui en découlent pour la rénovation du site et, partant, pour l’aménagement d’une scénographie? Des discussions ont-elles également débuté avec les autorités régionales pour trouver des solutions pragmatiques à cette situation qui pourraient convenir à toutes les parties prenantes?

 

De voorzitter: Mevrouw Fernandez Fernandez laat zich verontschuldigen. Zij is naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken.

 

02.02  Steven Vandeput, ministre: Madame la présidente, monsieur Calomne, comme cela a été précisé lors des discussions relatives à la loi créant le World Heritage Institute (WHI), le patrimoine du WHI est inaliénable et propriété de l'État fédéral.

 

Le WHI est effectivement en pourparlers avec la commune de Brasschaat quant au développement du musée. C'est également le cas à Bastogne.

 

Si le projet avec la commune de Brasschaat voit le jour, le Gunfire Museum pourrait devenir un site en concession. Cela signifie qu'un tiers gère le musée mais que les collections restent la propriété du WHI et donc de l'état fédéral.

 

Je le répète pour la millième fois!

 

Pour ce qui est du site central au Cinquantenaire, il existe un projet de rénovation de la cour interne. Celui-ci consisterait à y exposer un exemplaire de chaque véhicule blindé ayant servi à l'armée belge depuis 1945. Cette cour doit tout d'abord subir des travaux de rénovation très conséquents, dont un nouveau réseau d'égouts, un nouveau revêtement de sol et surtout la pose d'un toit qui permettrait de ne plus exposer le patrimoine aux intempéries.

 

Ces travaux à réaliser par la Régie des Bâtiments ne peuvent débuter dans l'immédiat. En attendant, le WHI a décidé de valoriser la cour interne et a fait ramener au cours des derniers mois une quinzaine de véhicules blindés de son site de Brasschaat, qui serviront à une exposition "50 ans du char Léopard" dont le vernissage est prévu en décembre prochain.

 

Le MRA fonctionne depuis le 1er mai sous la coupole du WHI.

 

Un second projet à réaliser à court terme est la rénovation du hall Bordiau. La Régie des Bâtiments a finalisé les travaux préparatoires début juillet et le WHI a lancé une procédure de marché public pour une valeur de plus de deux millions d'euros pour la partie muséologie. Ce dossier est actuellement chez l'inspecteur des finances. Le but est de terminer ce projet pour les commémorations de la fin de la Seconde Guerre mondiale en 2019.

 

L'étude pour la réalisation d'un partenariat privé / public pour la rénovation complète du site du Cinquantenaire en est encore à sa phase embryonnaire. La problématique d'accueil des collections du MRA pendant la rénovation doit encore être étudiée de manière détaillée. Les organismes et institutions concernés seront associés au dossier de rénovation du site. Comme pour chaque marché public, le cahier des charges du partenariat privé / public sera publié.

 

Enfin, en ce qui concerne la procédure de classement des salles historiques et techniques du MRA, cela relève de la gestion politique de la Région bruxelloise et elle a exprimé, je crois, une volonté de payer pour le hall.

 

La Régie des Bâtiments a transmis, en date du 11 septembre 2017, des objections concernant la décision de la Région de Bruxelles-Capitale et ce, sur base d’autres arguments mis en avant par le WHI. Politiquement, je tente d’obtenir une entrevue avec le ministre-président du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale et si nécessaire, le dossier pourrait être amené devant le Comité de concertation. Parallèlement, le WHI a introduit une procédure de recours devant le Conseil d’État afin de conserver tous ses droits en la matière.

 

Pour les canons, c’est une question d’heures.

 

02.03  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces différents éléments de réponse.

 

Très brièvement, je voulais vous remercier parce que vous m’avez déjà répondu plusieurs fois que les collections étaient inaliénables et qu’elles restaient propriété de l’État fédéral. Cependant, quand on lit la presse, ce n’est pas toujours ce que certains prétendent. C’était très bien de pouvoir le rappeler encore aujourd’hui au parlement. Je pense que c’est important pour la clarté de tout un chacun par rapport à ce qui peut parfois être véhiculé.

 

Je prends bonne note aussi que la cour carrée va de nouveau accueillir une animation en attendant la finalisation des travaux; c'est vrai que cela fait plusieurs années qu’elle est fermée au public. C’était un petit peu triste à certains moments parce qu’il n’y avait pas grand-chose à y voir.

 

J’entends bien aussi des problèmes par rapport au deuxième volet de mes questions au sujet du site central et au dialogue qu’il faut nécessairement mener avec la Région bruxelloise. Je prends bonne note du fait que vous êtes en train d’essayer d’avoir un entretien et un dialogue avec le ministre-président. Si ce n’est pas possible, effectivement, il faudra peut-être saisir le Comité de concertation mais j’espère qu’on pourra arriver à une solution pragmatique qui satisfasse l’ensemble des parties prenantes. Il ne faudrait effectivement pas que le site du Cinquantenaire et le musée soient handicapés par les mesures qui seraient prises par ailleurs par un autre niveau de pouvoir. Je pense qu’il est dans l’intérêt de tous qu’on trouve une solution positive et pragmatique au plus vite.

 

Je vous remercie pour ces derniers éléments d’information qui étaient effectivement d’actualité sur les canons puisque vous me dites que c’est une question d’heures.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Questions jointes de

- Mme Julie Fernandez Fernandez au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la mission européenne Sophia de lutte contre les trafics d'êtres humains et d'armes en mer Méditerranée" (n° 19998)

- M. Tim Vandenput au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'opération Sophia" (n° 20019)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'opération Sophia" (n° 20224)

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Julie Fernandez Fernandez aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de Europese operatie-Sophia in de strijd tegen mensen- en wapensmokkel in de Middellandse Zee" (nr. 19998)

- de heer Tim Vandenput aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de operatie Sophia" (nr. 20019)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de operatie Sophia" (nr. 20224)

 

03.01  Tim Vandenput (Open Vld): Mijnheer de minister, deze vraag dateert nog van voor het reces.

 

Op 17 juli vergaderden de ministers van Buitenlandse Zaken over onder meer de migratieproblematiek en de daaraan gekoppelde smokkel van mensen en wapens vanuit Libië. Het Belgische schip Louise-Marie wordt ingezet op de Middellandse Zee en Belgische militairen konden zo eind juni nog 118 mensen redden.

 

Zal ons land in de toekomst opnieuw deelnemen aan de operatie Sophia? Zo ja, onder welke voorwaarden?

 

Is het volgens u mogelijk om, gelet op de aanhoudende instabiele situatie in Libië en het ontbreken van een VN-mandaat, de operatie Sophia uit te breiden naar de Libische wateren? Indien de uitbreiding niet mogelijk blijkt, bent u er dan voorstander van om te blijven deelnemen?

 

03.02  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, op 25 juli verlengde de Raad van de Europese Unie het mandaat voor de operatie Sophia tot 31 december 2018. Die beslissing werd genomen door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) van de Raad van de Europese Unie. De permanente vertegen­woordiger van België in dat orgaan krijgt formeel gezien een instructie van de minister van Buitenlandse Zaken. Hieraan gaat normaal gezien een coördinatievergadering vooraf.

 

Ten eerste, was er voorafgaandelijk een coördinatievergadering? Was dat een vergadering in directie ME6 of werd het standpunt op een andere wijze gecoördineerd en of meegedeeld?

 

Ten tweede, wie was aanwezig op die vergadering? Was er ook iemand van Defensie aanwezig en of was er een vertegenwoordiger van het kabinet Defensie aanwezig?

 

Wat was het standpunt van Defensie? Werd dat standpunt overgenomen door Buitenlandse Zaken? Indien Buitenlandse Zaken Defensie overruled heeft, wat rechtvaardigt de overruling dan, aangezien de opdracht duidelijk onder de bevoegdheid van Defensie valt?

 

Wat was de uiteindelijke instructie aan de permanente vertegenwoordiger? Hoe werd de beslissing van het Politiek en Veiligheidscomité ook een beslissing van de Raad van de EU? Gebeurde dat door een stilzwijgend aanvaarden? Indien Defensie het niet eens was met de beslissing van het PVC, waarom werd er dan geen protest aangetekend?

 

03.03 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Vandenput, op praktisch en operationeel niveau kan de inzet van onze fregatten als positief geëvalueerd worden. De Belgische fregatten en hun bemanning hebben hun werk op een professionele manier gedaan en dat wordt door alle partners gewaardeerd. Op het strategische niveau moet men daarentegen vaststellen dat operatie Sophia de vooropgestelde doelstellingen tot nu toe niet kan bereiken, omdat het mandaat van de operatie Sophia – er is een uitbreiding naar de Libische territoriale wateren nodig – vandaag niet toelaat dat we ver genoeg kunnen opereren.

 

Mijnheer Top, de Raad van Europa verlengde op 25 juli 2017 het mandaat van NAVFORMED operatie Sophia tot 31 december 2018 per stilzwijgende procedure, de zogenaamde silent procedure. Ik vermoed dat u zich baseert op een geweldig fout artikel verschenen op de website knack.be, dat slechts enkele uren online heeft gestaan. Daarin stond de meest ondenkbare onzin. Maar ik zal het u uitleggen.

 

Een silent procedure betekent dat alle lidstaten niet, en dus positief hebben geantwoord.

 

U stelt een aantal vragen, maar die moet u eigenlijk aan Buitenlandse Zaken stellen. Ik ben niet bevoegd om de permanente vertegenwoordiger instructies te geven. De beslissing is er een van de Belgische regering, uitgedrukt door de FOD Buitenlandse Zaken. Gezien het schriftelijke karakter van de procedure was er geen voorafgaande formele vergadering. De diensten van de FOD Buitenlandse Zaken en het ministerie van Defensie overleggen regelmatig, ook over die kwestie. Daarin nemen wij dezelfde houding aan. Wij zijn absoluut voor een Europese interventie, maar het mandaat vandaag staat niet toe om de doelstellingen te behalen. Dat is trouwens ook waarheen de eerste indiener van de vraag verwees, evenals de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie.

 

Het besluit van de Raad werd in het publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. Net als een verordening is het besluit een bindende rechtshandeling in al zijn bepalingen en rechtstreeks van toepassing, zonder omzetting in nationaal recht. Wij moeten daar voor de rest dus niets aan doen, maar zullen volgend jaar alleen zien in welke mate wij operationeel zullen zijn in de Middellandse Zee, meer specifiek in de strijd tegen mensensmokkel, en onder welke vlag.

 

03.04  Tim Vandenput (Open Vld): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

 

Het is duidelijk dat het wachten is op een nieuw uitgebreider VN-mandaat om daarin succesvol te kunnen zijn, ook op strategisch gebied en niet enkel op tactisch en operationeel gebied.

 

03.05  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ter aanvulling, ik heb ook een gelijkaardige vraag hierover gericht aan de minister van Buitenlandse Zaken, om duidelijkheid te krijgen. Ze was effectief ook gebaseerd op het artikel in knack.be.

 

De afgelopen maanden zijn er wel vragen gerezen over de operationaliteit op het terrein zelf, zoals reeds aangegeven door collega Vandenput. Zolang er geen uitbreiding is van het VN-mandaat, blijft er discussie over de operationaliteit. Ik kreeg graag verduidelijking over hoe wij hiermee omgaan. Ik hoop van de minister van Buitenlandse Zaken nog iets meer antwoorden te krijgen.

 

03.06 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, ik kan u alleen maar geruststellen.

 

De minister van Buitenlandse Zaken en ikzelf doen tijdens een dergelijke vergadering ook dezelfde uitspraken. Als wij in de strijd tegen mensensmokkel niet stroomopwaarts kunnen, dan zijn wij inderdaad, zoals vaak wordt gezegd, meer redders dan oplossers van problemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "Noord-Korea" (nr. 20087)

04 Question de M. Hendrik Bogaert au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la Corée du Nord" (n° 20087)

 

04.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, tussen Noord-Korea en de Verenigde Staten stijgt de spanning. Nadat de VN-Veiligheidsraad nieuwe sancties oplegde aan het regime in Pyongyang dreigde het Noord-Koreaanse regime met harde taal, waarop de Amerikaanse president Trump ook dreigende retoriek hanteerde. Noord-Korea kondigde daarop aan middellange afstandsraketten te zullen afvuren op Guam, een Amerikaans eiland in de Stille Oceaan.

 

De voorziene jaarlijkse, gezamenlijke oefening van de VS en Zuid-Korea is zoals gepland doorgegaan, ondanks de gespannen situatie en de harde reacties in het verleden van Pyongyang op die oefeningen. De vrees voor een nucleaire stand-off is reëel. Het Noord-Koreaanse arsenaal is onbekend. In het licht van die spanningen hebben de VS aan het Verenigd Koninkrijk de vraag gesteld om spionagevliegtuigen ter beschikking te stellen, zodat deze boven Noord-Korea een eventueel nucleair arsenaal kunnen opsporen.

 

Mijnheer de minister, kunt u toelichting geven bij de Amerikaanse vraag aan het Verenigd Koninkrijk om spionagevliegtuigen in te zetten boven Noord-Korea?

 

Stelden de Verenigde Staten aan België een vraag voor inzet van middelen? Zo ja, welke beslissing nam u daarover? Werden andere landen aangesproken met soortgelijke vragen?

 

Het eiland Guam valt niet onder het territorium waarop artikel 5 van de NAVO van toepassing is. Wat is, niettegenstaande deze bepaling, het standpunt van de NAVO bij een eventuele Noord-Koreaanse aanval op Guam? Welke houding zullen België en u, als minister, daarbij aannemen?

 

Die vragen dateren van 11 augustus. Er zijn ondertussen heel wat zaken gebeurd. De situatie blijft gespannen. Noord-Korea testte ondertussen reeds bommen uit, wat tot een veroordeling van de EU, de VN, de NAVO en België heeft geleid. In de VS geven de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie, Tillerson en Mattis, en president Trump andere boodschappen. De ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie geven aan dat er open communicatiekanalen bestaan, maar president Trump wil niet dat zij daar hun energie in steken.

 

Hoe schat u de spanningen tussen de VS en Noord-Korea in? Wat zijn de eventuele vragen naar een Belgisch engagement in NAVO-verband hieromtrent?

 

04.02 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Bogaert, een eventuele vraag van de VS aan het Verenigd Koninkrijk om spionagevliegtuigen ter beschikking te stellen, is in dat geval een Amerikaans initiatief waarvan wij niet op de hoogte zijn en waarbij wij dus ook niet betrokken zijn. Ik heb ook niet meer informatie.

 

De VS hebben ook aan ons geen vraag gesteld voor de inzet van middelen in het kader van de problemen in Noord-Korea. Het is inderdaad zo dat het eiland Guam volgens artikel 6 van het NAVO-verdrag niet behoort tot het territorium waarvoor artikel 5 kan worden ingeroepen. Bij een eventuele aanval op het eiland Guam zal de NAVO dan ook moeten bijeenkomen in de Noord-Atlantische Raad om een positie te bepalen die unaniem door de 29 bondgenoten zal moeten worden aangenomen. De NAVO kan dus maar een positie innemen als de 29 bondgenoten het hierover eens zijn. Op dit moment is de positie van de NAVO ten opzichte van Noord-Korea echter heel duidelijk en ondubbelzinnig – verwees er zelf al naar: alle nucleaire en rakettesten zijn een inbreuk op de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid.

 

U vraagt naar mijn persoonlijke inschatting van de problemen.

 

Er is volgens mij een reëel veiligheidsrisico. Ik neem titels als “Wij staan dicht bij oorlog” niet licht op. Ik hoop dus dat Rex Tillerson en mijn collega Mattis erin zullen slagen de zaak via hun kanalen te de-escaleren. Een gewapend conflict op die schaal, met de mensen die achter de knoppen zitten, is echt niet wenselijk en ik hoop dus dat het deconflicteren waartoe Tillerson en Mattis oproepen en waar zij volgens mijn informatie aan werken, succesvol kan zijn.

 

04.03  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minister, ik deel uw mening dat het helaas om een reëel risico gaat. Deze kwestie zal bijzondere zorg vereisen in de nabije en verdere toekomst.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Gautier Calomne au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le recrutement de cyberexperts au sein des forces armées" (n° 20207)

05 Vraag van de heer Gautier Calomne aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de aanwerving van cyberexperts bij het leger" (nr. 20207)

 

05.01  Gautier Calomne (MR): Madame la présidente, monsieur le ministre, suivant l'évolution des technologies et la place prépondérante occupée par les outils numériques au sein de secteurs stratégiques de nos sociétés, les pays membres de l'OTAN ont commencé à se doter progressivement d'une nouvelle composante, comparable aux armées de terre, de l'air et de la marine, à savoir une "cyber-armée". En effet, un nouveau terrain de bataille s'est imposé ces dernières années sur la toile et les serveurs informatiques, avec des actes de piratage et des opérations d'espionnage de grande ampleur et de plus en plus évoluées.

 

Face à cette situation, le gouvernement fédéral a pris un certain nombre de responsabilités, à l'instar de nos alliés transatlantiques. En témoigne notamment le "cyberplan national d'urgence" adopté en avril dernier par le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB). Ce dernier est du reste adossé à un accord de coopération avec l'OTAN permettant l'entraide mutuelle et la mobilisation d'équipes spécialisées en cas de cyberattaque.

 

Afin de relever ce défi, il a été procédé, depuis quelques mois, au lancement d'un processus de recrutement visant à pourvoir les forces armées d'un contingent de cyberexperts. Ainsi, jusqu'à présent, 30 offres d'emplois ont été diffusées mais la presse s'est fait l'écho d'un objectif visant à embaucher, à terme, pas moins de 200 nouveaux soldats spécialisés en informatique. Ceux-ci auraient pour mission prioritaire de défendre les infrastructures militaires, comme les systèmes d'armement et les centres de communication.

 

Monsieur le ministre, quel est aujourd'hui le bilan du processus de recrutement de cyberexperts? Les soldats ont-ils bénéficié d'un processus de formation spécifique et sont-ils à ce jour déjà pleinement opérationnels? Quelles sont les mesures prévues d'ici la fin de l'année pour poursuivre cet effort de recrutement? Quelles sont exactement les spécialisations visées en termes de formation et d'expérience professionnelle? Enfin, des formations conjointes sont-elles prévues dans le cadre de notre engagement au sein de l'OTAN? Le cas échéant, pourriez-vous nous en communiquer la teneur, dans les limites évidentes du secret Défense?

 

05.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Calomne, les détails des capacités actuelles et les résultats par domaine sont classifiés. Les cyberexperts suivent un plan de formation strict et exigeant, que l'état-major de la Défense réévalue annuellement, afin de le maintenir en ligne avec l'évolution technologique, ce qui me semble assez logique. La vision stratégique de la Défense prévoit à terme une enveloppe pour l'engagement de 200 cyberexperts. La Défense continuera donc à recruter dans les années à venir, pour le développement de cette capacité.

 

Cette année encore, un deuxième processus de recrutement, via le Selor, sera lancé, ainsi qu'une procédure Egov Select. La Défense privilégie le recrutement de profils avec une connaissance technique générique, directement opérationnels, et qui peuvent ensuite, à condition d'avoir suivi une formation et acquis de l'expérience en travaillant, évoluer vers une fonction de spécialistes.

 

La Défense s'investit activement dans deux initiatives de l'OTAN, c'est-à-dire la participation au Cooperative Cyber Defence Centre of Excellence (CCD COE), avec un expert en Estonie, ce qui nous donne accès aux différents exercices et formations, et à l'autre projet, Multinational Cyber Defence Education and Training (MNCDE&T), visant la réalisation de formations communes dans différents domaines d'expertise cyber.

 

05.03  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "een ruimer samenwerkingsverband voor de aankoop van nieuwe fregatten" (nr. 20225)

06 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "une coopération élargie dans le cadre de l'achat de nouvelles frégates" (n° 20225)

 

06.01  Alain Top (sp.a): Bulgarije en Roemenië lieten recent optekenen dat ze hun fregatten zouden vervangen. Bulgarije vervangt zijn oude Belgische fregatten door twee nieuwe schepen. Roemenië zou twee tot vier nieuwe schepen aankopen. De aangekondigde vervangingsprocedure voor beide landen loopt quasi gelijk met de vervangingsprocedure voor onze schepen. Hoe meer landen zich zouden kunnen aansluiten bij België en Nederland, hoe lager de ontwikkelingskost zou kunnen liggen. Bovendien kan een ruimere samenwerking of een gezamenlijke aankoop kaderen binnen een Europees project met ruimte voor nog meer samen­werkings­verbanden in de toekomst.

 

Daarom had ik graag een antwoord op volgende vragen.

 

Ons land heeft er elk financieel belang bij om meerdere partners te betrekken bij de ontwikkelingsfase van de nieuwe fregatten. Bovendien zou een dergelijke samenwerking kunnen kaderen binnen een mooie bottom-up Europese samenwerking waar u steeds een hevig voorstander van bent geweest. Heeft u reeds contact gehad met uw Bulgaarse, Roemeense of Nederlandse collega’s om dergelijke voorstellen of mogelijkheden te bespreken?

 

Heeft u los van de net genoemde voorbeelden andere gesprekken gehad of inspanningen geleverd om de vervangingsprocedure open te trekken naar andere Europese landen? Zo ja, welke landen werden hiervoor gecontacteerd?

 

Heeft u een zicht op welke landen op korte termijn nieuw maritiem materiaal wensen aan te kopen?

 

06.02 Minister Steven Vandeput: Ik zal uw vragen in omgekeerde volgorde beantwoorden.

 

Naar aanleiding van de voorbereiding van de strategische visie werd destijds al nagegaan of er andere NAVO-landen en –partners met quasi gelijktijdige plannen voor de bouw van fregatten konden worden geïdentificeerd. Dit is trouwens de startbasis voor elk groot programma. Er zijn plannen voor de vernieuwing van fregatten in Australië, Canada, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Van Roemenië of Bulgarije daarentegen hebben wij niets gehoord. De Belgische Defensie noch het binationale projectteam werd door die landen gecontacteerd met het oog op een mogelijke samenwerking.

 

De mogelijkheden voor internationale samenwerking werden in diverse fora, waaronder conferenties EU-NAVO, gecommuniceerd, zowel door mijzelf als door de vertegenwoordigers van de Belgische en Nederlandse Defensie. Het binationale vervangingsprogramma van de M-fregatten staat, wat België en Nederland betreft, open voor participatie van andere partnerlanden.

 

Ik wil daarbij wel opmerken dat het woord fregat vele ladingen dekt. Er waren concrete gesprekken met Duitsland, maar Duitsland heeft bijvoorbeeld veel grotere fregatten voor ogen dan wij. Groot-Brittannië heeft onlangs een nieuw soort fregat voorgesteld: twee in een, multipurpose­fregat, off the shelf, vrij goedkoop en eerder destroyer dan fregat. Fregat is als dusdanig een moeilijk woord. Daarom is een samenwerking ideaal, als het inzetprofiel identiek is voor het toekomstige platform en als elk land akkoord gaat met de technische specificaties en, ook niet onbelangrijk, met de verwervingsstrategie.

 

Dat betekent niet dat er geen samenwerking mogelijk is voor deeltechnologieën. Wij zullen met Duitsland wellicht niet samen fregatten bouwen, maar er is heel veel interesse om het commandosysteem samen te ontwikkelen. Hetzelfde geldt voor de mijnenbestrijdingscapaciteit, waarbij wij streven naar identieke schepen voor Nederland en België, maar waarbij heel veel andere landen geïnteresseerd zijn in een aantal mijnenbestrijdingstechnieken, die zij zouden kunnen gebruiken op hun type schepen.

 

Als wij het hebben over schepen, mijnheer Top, is het belangrijk te weten dat de romp zelf maar een heel klein onderdeel is van het uiteindelijke, volledige systeem.

 

06.03  Alain Top (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

U bent uitgebreid ingegaan op de Duitse fregatten, die niet voldoen aan onze wensen voor onze fregatten of het Nederlands-Belgische voorstel, en de vraag aan de Engelsen. Ik weet niet in welke fase bijvoorbeeld Roemenië en Bulgarije nu zitten, maar ik zou in het kader van de Europese samenwerking toch blijven vragen naar hun ideeën en welk type van schip zij wensen. Men weet maar nooit in hoeverre samenwerking met die landen kan leiden tot een financieel beter voorstel voor onze schepen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de inzet van ambulanciers van de Medische Component in het kader van operatie-Homeland" (nr. 20227)

07 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la mobilisation d'ambulanciers de la Composante Médicale dans le cadre de l'opération Homeland" (n° 20227)

 

07.01  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag dateert al van een tijdje geleden.

 

Ik kreeg vanuit Defensie het signaal dat ook militairen van de ondersteunende eenheden tegenwoordig worden ingezet in het kader van de operatie Homeland, waarbij zij onder andere worden aangeduid om de wacht te verzekeren. Daartoe behoren blijkbaar ook militairen van de Medische Component, die gebrevetteerd ambulancier zijn en erkend hulpverlener voor de FOD Volksgezondheid.

 

Mijnheer de minister, in hoeverre kunnen er gevolgen zijn wanneer een erkend hulpverlener, die dus een badge 112 draagt, eerst iemand moet neerschieten en vervolgens de wettelijk verplichte zorg moet verstrekken? Kan dat en is dat eventueel onderzocht? Kan dat wettelijke gevolgen hebben?

 

07.02 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Top, er bestaan geen specifieke wettelijke bepalingen en dus ook geen wettelijke gevolgen voor de inzet van leden van de Medische Component, zoals ambulanciers en erkende hulpverleners, in het kader van de Operation Vigilant Guardian.

 

De verplichting — dit is belangrijk — om de nodige zorgen toe te dienen na het gebruik van geweld geldt voor alle militairen die ingezet worden in het kader van de Operation Vigilant Guardian en dus niet alleen voor eventuele hulpverleners. Alle militairen zijn dus, voor zover zij dat kunnen, verplicht om hulpverlening toe te passen bij verwondingen.

 

07.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, u zegt dat er geen wettelijke bepalingen en dus ook geen gevolgen zijn.

 

Ik hoop dat dit effectief klopt. Ik hoop dat wij niet geconfronteerd worden met het gegeven dat een hulpverlener plots beschuldigd zou worden omdat hij twee zaken moet uitvoeren, namelijk iemand neerschieten, niet in de functie van hulpverlener, maar wel als drager van de badge 112. Aangezien er daaromtrent twijfel bestaat bij personeel van Defensie, wil ik ervoor pleiten dat dit duidelijk wordt meegedeeld, zoals u het vandaag aan mij hebt meegedeeld, waardoor er geen onnodige twijfel bij Defensie of de uitvoerders blijft bestaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de Nederlandse F-16's in de strijd tegen IS" (nr. 20238)

08 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les F-16 néerlandais dans la lutte contre l'EI" (n° 20238)

 

08.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ook dit is een korte vraag.

 

In een brief aan de Tweede Kamer laat het Nederlandse demissionaire kabinet weten dat de missies in Mali, Afghanistan, Litouwen en voor de kust van Afrika zullen worden verlengd. Daarnaast zal Nederland ook terug een bijdrage leveren in de strijd tegen IS. Vanaf volgend jaar zullen er dus opnieuw F-16's worden ingezet.

 

Ik heb hierover enkele vragen.

 

Hebt u reeds contact gehad met ontslagnemend minister Hennis-Plasschaert over de inzet van die F-16's? Welke afspraken werden er gemaakt? Zal Nederland vanaf 1 januari 2018 effectief de taak overnemen? Voor hoe lang zal Nederland in 2018 dat engagement opnemen?

 

08.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, binnen de context van de Belgisch-Nederlandse samenwerking in de strijd tegen IS werd eerder dit jaar tussen beide landen afgesproken dat de missie van de Belgische F-16's uiteindelijk zou doorlopen tot eind 2017 en dat onze F-16's vervolgens worden afgelost door de Nederlandse. De Nederlandse Defensiestaf is bezig met de concrete planning van deze inzet in nauw overleg met de onze. Er zijn immers een aantal dingen over te dragen. De Nederlandse politieke besluit­vorming zit in de eindfase. De brief aan de Kamer is er. Op basis van de gemaakte afspraken gaat de Defensiestaf er net als ik van uit dat dit effectief doorgaat en dat zij voor één jaar zullen worden ingezet.

 

De gevolgen van het ontslag van mevrouw Hennis-Plasschaert zijn nog niet helemaal duidelijk. Er is sprake van een opschorting van de operaties omwille van dodelijke ongevallen bij een training in Mali vorig jaar.

 

Ik neem nog altijd aan dat dit doorgaat. Hoe dan ook komen onze mensen rond Kerstmis terug naar huis.

 

08.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Voor vandaag kan dit volstaan. Wij zullen de Nederlandse situatie opvolgen om te kijken of daar andere consequenties aan verbonden zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 20391 van mevrouw Lalieux wordt uitgesteld. De heer Van Hees is afwezig. Vraag nr. 20602 van de heer Vercamer wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 20618 van de heer Flahaux wordt ook omgezet in een schriftelijke vraag.

 

09 Samengevoegde interpellatie en vraag van

- de heer Alain Top tot de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken over "de inzet van militairen in Gabon" (nr. 229)

- de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "Gabon" (nr. 20804)

09 Interpellation et question jointes de

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique sur "le déploiement de militaires au Gabon" (n° 229)

- M. Hendrik Bogaert au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le Gabon" (n° 20804)

 

09.01  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik citeer: “Waarom helpen onze soldaten het veroordeelde Gabon?”. Dat is een terechte vraag van mijn collega Hendrik Bogaert in een opiniestuk op de website knack.be.

 

Op 14 september 2017 sprak de Europese Unie zich uit tegen het regime van Gabon dat sinds de presidentiële verkiezingen van augustus 2016 een humanitaire crisis kent en omwille van de gerezen twijfels over het democratische verloop van die verkiezingen. Het gevolg is geweld, intimidatie van de oppositie, aanvallen op de persvrijheid en willekeurige arrestaties.

 

Het signaal van de Europese Unie is duidelijk. De Gabonese autoriteiten wordt gevraagd vredevolle demonstraties en oppositie toe te laten. Het huidige gedrag van de Gabonese regering werd sterk veroordeeld.

 

Welgeteld één dag later liet Defensie weten dat 800 Belgische militairen naar Gabon zouden vertrekken – intussen zijn er een paar teruggekeerd –, om er samen met de soldaten van het bewind te trainen. Ook worden twee NH90-toestellen, drie C-130-toestellen en twee A109-helikopters overgebracht.

 

De vraag is uiteraard welk signaal de Belgische Defensie op die manier geeft. Is het moreel te verantwoorden dat onze soldaten voor training naar Gabon worden gestuurd? Kunnen wij niet beter meewerken aan de installatie van de democratische instellingen en de rechtstaat of het versterken van het sociale middenveld?

 

Ik citeer nogmaals mijn collega Hendrik Bogaert, die het volgende stelt: “Minister Vandeput, met alle respect, ik begrijp dat wij uitgestrekte oefenterreinen nodig hebben, maar haal onze jongens weg uit dat moreel wespennest en laat ze trainen in de democratische landen die onze steun wel verdienen. Wij zijn immers verantwoordelijk, niet alleen voor wat wij doen, maar ook voor wat wij niet doen. In zo een land doen alsof er niets aan de hand is, maakt ons passief medeplichtig aan een uitzichtloze spiraal van corruptie, van economisch en sociaal verval. Hoe kunnen wij nog met anderen debatteren over het respecteren van de inzichten van de Verlichting, wanneer wij anno 2017 aan de verkeerde kant staan? Hoe geloofwaardig kunnen wij onze universele waarden promoten, wanneer deze alleen gelden op ons eigen grondgebied?”.

 

Ik kan de bemerkingen van mijn collega Bogaert alleen maar toetreden. Mijnheer de minister, ik wil u dan ook graag interpelleren over deze situatie.

 

Ten eerste, hebt u de resolutie van de EU ontvangen op 14 of 15 september?

 

Ten tweede, op basis van welke criteria oordeelde u dat de training alsnog toch kon plaatsvinden?

 

Ten derde, werd deze situatie toegelicht en besproken op de Ministerraad?

 

09.02  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, een dag nadat het Europees Parlement een resolutie goedkeurde die het regime in Gabon veroordeelt wegens intimidatie van de oppositie, martelingen en het laten verdwijnen van mensen, vertrokken 800 van onze Belgische militairen om daar samen met soldaten van het bewind te gaan trainen.

 

Sommigen zullen zeggen dat onze soldaten ergens moeten kunnen trainen in klimatologische omstandigheden die de onze niet zijn. Maar is het een goede beslissing om net in dat land en net nu te gaan helpen militairen op te leiden?

 

Ook al wordt er ook aan defence diplomacy gedaan volgens een definitie die sommigen gebruiken in het Verenigd Koninkrijk, gaat men er wel vanuit dat men op weg is naar het bevorderen van de democratie. Kunnen we dit hier geloofwaardig stellen? De definitie van defence diplomacy luidt als volgt: “The United Kingdom identified defence diplomacy as one of the military's eight defence missions and aims to dispel hostility, build and maintain trust and assist in the development of democratically accountable armed forces to make a significant contribution to conflict prevention and resolution.” Dit is een quote uit de UK Ministry of Defence Policy Paper n° 1.

 

Nog niet zo lang geleden vond in ons Parlement een belangrijke discussie plaats of iemand 48 dan wel 72 uur administratief kan vastgehouden worden. Eminente collega's van oppositie en meerderheid wogen op een schaaltje de argumenten zorgvuldig af. Het regime in Gabon heeft daar volgens de Europese resolutie minder moeite mee. Deze resolutie werd trouwens door diverse meerderheidspartijen uit de Belgische regering gesteund. Meer dan 800 mensen werden om politieke redenen opgepakt en sommigen worden er maandenlang vastgehouden. De huizen van oppositieleden worden er aangevallen en de leiders van de oppositie kunnen er soms het land niet uit. Handel drijven, ontwikkelingshulp bieden, meewerken aan de installatie van de democratische instellingen en het sociale middenveld versterken, het lijken stuk voor stuk werkvelden waarin we ons beter kunnen onderscheiden dan in de gezamenlijke oefeningen die daar zullen plaatsvinden.

 

Wat is ons beleid ter zake? Niemand zal betwisten dat het niet gemakkelijk is om perfect democratische regimes te vinden in Afrika, maar vanaf welk punt zegt deze regering dat er niet samen te werken valt? Wat zijn de criteria die hierbij worden gebruikt?

 

Wij hebben ook in andere Afrikaanse landen gezegd dat het genoeg was en wij daar niet aan meededen. Mijn vraag is wat dan goede criteria zijn om te zeggen: stop, wij komen niet trainen bij u. Dat is de morele scheidingslijn die ik zoek.

 

09.03 Minister Steven Vandeput: De bekendmaking van de resolutie gebeurde via de geijkte communicatiekanalen van de Europese Unie. Voor zover mij bekend, bevatte deze resolutie geen beperkingen voor de Belgische Defensie.

 

The European Union Global Strategy, de EUGS, die in 2016 werd goedgekeurd, pleit onder meer voor de ontwikkeling van meer veerkracht en een meer pragmatische aanpak van de EU in haar betrekkingen met partnerstaten zoals Gabon. Bovendien benadrukt het Cotonou-akkoord van 2000 de politieke dialoog tussen de EU en de ondertekenende staten waaronder Gabon. Het omvat onder meer capaciteitsopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing.

 

Impulsieve beslissingen zoals het stopzetten van een trainingsmissie terwijl de militairen al met de voeten op het tarmac staan, dienen een dergelijke dialoog niet.

 

Gabon neemt daarnaast ook deel aan de missie van de VN in de Centraal-Afrikaanse Republiek onder de naam UN MISCA en speelt een rol in het vredesproces in dat bijzonder onstabiele gebied.

 

De deelname gedurende een maand van de Belgische Lichte Brigade aan de operatie Tropical Storm moet dan ook worden gezien in het perspectief als een poging om de regionale stabiliteit te bevorderen.

 

De training die wij samen uitvoeren met onze internationale partners zoals Frankrijk en de Verenigde Staten die daar ook aanwezig zijn en waarvan één van beide ook EU-lidstaat is en op de hoogte is van de resolutie, en gericht is op interoperabiliteit, was al ruim een jaar geleden ingeschreven in de planning. Het is dus niet zo dat ik van dag tot dag naar de planning kijk en zo beslis om 800 militairen uit te sturen voor een training. Zoiets wordt een jaar op voorhand gepland. Dat weet u trouwens, mijnheer Top, want u hebt zelf vorig jaar nog voorgesteld om in Gabon op bezoek te gaan, als ik het mij goed herinner, op vraag van een bevriend paracommando uit uw gemeente.

 

Sommige detachementen waren bovendien voor de aankondiging van de resolutie al ter plaatse. Trainingsactiviteiten dienen niet aan de Ministerraad te worden voorgelegd, mijnheer Bogaert. Ik hoop dat u enig begrip hebt voor de besluitvorming met betrekking tot trainingsactiviteiten. Ik ben daar als minister ook niet actief mee bezig.

 

Vanuit louter Belgisch standpunt – want ik heb begrip voor wat u aanhaalt, hoewel het kort dag was – was de oefening echter ook belangrijk. Door de recente unilaterale opschorting door de Democratische Republiek Congo – what’s in a name – van de militaire samenwerking stond het voortbestaan van onze Afrikaanse expertise op de helling, een expertise die essentieel is voor het uitvoeren van een van de kernopdrachten van de Belgische Defensie. U weet dat de Belgische Defensie drie kernopdrachten heeft: de collectieve defensie, de collectieve veiligheid en de bescherming van de Belgen in het buitenland. In het kader van die derde kerntaak is het superbelangrijk om contacten en expertise te behouden in de regio. Ik heb het dan over de non-combatant evacuations operations (NEO).

 

De huidige veiligheidssituatie in de regio van de Grote Meren kan snel verslechteren en kan een onmiddellijke inzet vereisen. De samenwerking tussen Defensie en het Gabonese leger stelt België daarom in staat om, enerzijds, de Afrika-expertise op niveau te houden, anderzijds, om over een uitvalbasis te beschikken voor mogelijke toekomstige non-combatant evacuation operations.

 

09.04  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ook ik begin omgekeerd, met het antwoord dat u hebt gegeven op mijn derde vraag.

 

U stelt dat dit niet op de Ministerraad is gekomen omdat het over training gaat. Ik wil de volgende bedenking maken. Als ik het goed voorheb, is het een training van onze Belgische militairen samen met militairen van Gabon.

 

09.05 Minister Steven Vandeput: En Frankrijk en de Verenigde Staten.

 

09.06  Alain Top (sp.a): Wij zijn hier in België en ik wil in eer en geweten oordelen over de humanitaire en morele tussenkomst.

 

Ik vraag mij af of het op vandaag wel verstandig is om, gelet op wat in de EU-resolutie staat over de risico's en over wat er in Gabon aan de hand is, daar nog een training te organiseren, los van het oordeel van onze collega's van Frankrijk en de VS. Het is aan hen om daarover te oordelen. Is het voor ons nog moreel te verantwoorden om samen met dat regime te trainen?

 

U zegt dat de Europese resolutie ons niet heeft verboden om die missie uit te voeren. Dat klopt, maar mijn bedenking is enkel uit humanitaire en morele overwegingen. Hebben wij er wel goed aan gedaan om daar op dit ogenblik een training te houden? Vandaag heb ik het antwoord gekregen. Blijkbaar bent u van oordeel dat het dus wel kan. De grens is opnieuw voor een stukje verlegd.

 

09.07 Minister Steven Vandeput: Mijnheer de voorzitter, Mijnheer Top, ik heb geprobeerd het u duidelijk te maken, maar als u dit zegt, dan zegt u ook dat we de NEO, de derde kerntaak moeten vergeten. Dat zit daarbij. De derde kerntaak dat is de bescherming van Belgen in het buitenland. Weg uit Gabon betekent dan ook dat het gedaan is met de bescherming van Belgen in Congo.

 

09.08  Alain Top (sp.a): Nee, het gaat er hem over dat het hier een training is samen met de militairen van het regime van Gabon. Daar gaat het over. Ik dien hierover een motie in.

 

09.09  Hendrik Bogaert (CD&V): Ik heb veel begrip voor een aantal argumenten van de minister.

 

Ik had het ook al in mijn vraagstelling opgenomen: we moeten wel ergens trainen voor de waardevolle activiteiten die er zijn. Mijn vraag is toch wel anders dan die van collega Top. Ik vroeg naar de juiste snijlijn. U gebruikt argumenten die valabel en juist zijn, maar op een bepaald moment zullen die niet meer juist zijn, daarover zijn we het eens. Stel dat de situatie daar verder escaleert, dat er grote negatieve publiciteit is over dat land en het autoritaire regime, als ik dat zo mag zeggen, altijd maar verder gaat. Er is een moreel punt waarop wij niet meer samen zullen trainen omdat dit ons op één of andere manier aan die mensen bindt. Ik vraag mij af waar dat punt ligt?

 

U antwoordt dat Defensie hierin beslist, niet uzelf. We zijn het er echter over eens dat er een punt kan zijn waarbij iedereen zegt dat het te ver zou gaan om daar nog ter plaatse een training te doen. Ik ga akkoord met uw argument dat het kort dag is om dit af te blazen, dat is een valabel argument. Ik ga ermee akkoord dat de EU-resolutie niet stelt dat men daar geen training mag geven. We nemen dan natuurlijk een legalistisch standpunt in. Sinds Catalonië weten we dat Europa legalistische standpunten inneemt, waarover we het ook niet altijd eens zijn.

 

Soms menen wij dat er iets meer aan de hand is. Als mensen uit een stembureau worden geknuppeld dan volstaat het niet om erop te wijzen dat het referendum volgens de grondwet niet kon. Dat Europa de missie niet verboden heeft, is correct maar moet toch met de nodige nuance worden geïnterpreteerd.

 

Trainingsactiviteiten mogen buiten de Ministerraad om worden beslist. In de beleidsnota ontwaar ik ter zake de intentie om samen met Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelings­samenwerking te overleggen van zodra de zaken dreigen te escaleren.

 

Ik zeg niet dat onze standpunten tegengesteld zijn. Ik meen eerder van niet. Vanaf een bepaald moment begint dit volgens mij wel compleet uit de hand te lopen. Als men de resolutie leest dan stelt men zich toch vragen bij het feit dat wij in zo’n land trainingen geven, ofwel is de resolutie niet helemaal correct. Het gaat niet over kleine misdrijven.

 

De teneur van mijn vraag ging over het vinden van het juiste snijpunt. Ik hoop en neem aan dat de regering zal worden gevat als de toestand nog verergert. Ik meen dat de meerderheidspartijen op dat moment rond de tafel moeten gaan zitten. Op Twitter vroeg men mij in een reactie in welk land wij dan wel nog konden gaan trainen. Ik wil geen vooroordeel uitspreken. Ik neem aan dat het moeilijk is om een koosjer land te vinden.

 

09.10 Minister Steven Vandeput: Ik vind dit een heel belangrijk debat. U hebt het over de driehoek en de samenwerking met Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Het is effectief zo dat onze mensen elke maandag samenzitten. Wekelijks vindt er een PolMil-vergadering plaats waar dergelijke zaken besproken worden.

 

Wij hebben een kernopdracht inzake de bescherming van de belangen van Belgen in het buitenland. Op het moment dat wij, onbeleefd uitgedrukt, met onze klikken en klakken uit Congo buitengegooid werden, moeten wij wel alternatieven hebben om te interveniëren in geval van noodzaak. Daarop moet dan ook getraind worden.

 

In het verleden hadden wij vaste standplaatsen in Congo van waaruit desgevallend, als een interventie nodig was, de plannen gerealiseerd en uitgerold konden worden. Dat kan nu niet meer vanwege de eenzijdige opzegging door Congo. De vraag rijst dan – ik merk dit ook op ten aanzien van de heer Top – welke alternatieven er voorliggen. Zegt u me maar waar wij dergelijke operaties wél mogen voorbereiden, waar wij wel datgene mogen doen om een van onze drie kerntaken van Defensie te kunnen uitvoeren. Daarin moeten keuzes gemaakt worden.

 

09.11  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, ik heb het recht om daarop te antwoorden, aangezien het laatste woord aan het Parlement toekomt.

 

Mijnheer de minister, ik vind uw argument correct als u oproept om alternatieven aan te reiken. Wij zijn het er echter ook allebei over eens dat er op een bepaald moment moreel gezien geen plaats meer zal zijn. De zaken zouden nog verder kunnen escaleren, waardoor wij in een positie terechtkomen waarin wij het noodzakelijk vinden om de Europese waarden te verdedigen maar zelf zodanig afdalen dat het niet meer kan. Ik vind uw argument dus wel juist, maar wij zijn het erover eens dat het op een bepaald moment stopt. We komen mogelijk in de morele positie terecht waarbij we moeten zeggen dat het ons spijt, maar dat we nergens meer kunnen trainen in Afrika. Ik vind dat nogal bold, maar we moeten vaststellen dat wij in geen enkel land meer kunnen trainen, in geen enkel land met dergelijke klimatologische omstandigheden, al dan niet dicht bij Congo. Say no more, zou ik dan zeggen. Dat betekent wel een en ander als we dat moeten vaststellen.

 

Het mag echter geen argument zijn om ons in een positie te duwen zoals ik in mijn vraag omschreven heb. Ik begrijp dat u zegt dat wij ons nu nog niet in die positie bevinden, maar als het op een bepaald moment echt een moreel wespennest is, dan denk ik dat wij toch onze conclusies moeten trekken. Ik neem dan wel aan dat dit in voorkomend geval met alle partijen in de regering zal gebeuren.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter: Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion les motions suivantes ont été déposées.

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alain Top en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Alain Top

en het antwoord van de minister van Defensie, belast met de Ambtenarenzaken,

 

vraagt de minister van Defensie

- zich ertoe te verbinden dat de militaire operatie in Gabon wordt ontbonden,

- zich ertoe te verbinden om te allen tijde rekening te houden met de humanitaire rechten en de toepassing van deze rechten door een regime vooraleer militairen uit te zenden voor trainings- of inzetopdrachten in dat land."

 

Une motion de recommandation a été déposée par M. Alain Top et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l’interpellation de M. Alain Top

et la réponse du ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique,

 

demande au ministre de la Défense

- de s’engager à cesser l’opération militaire au Gabon,

-  de s’engager à prendre en considération à tout moment les droits humanitaires et leur application par le régime d’un pays avant d’y envoyer des militaires pour des missions d’entraînement ou de déploiement."

 

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Peter Buysrogge en Hendrik Bogaert.

Une motion pure et simple a été déposée par MM. Peter Buysrogge et Hendrik Bogaert.

 

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

De voorzitter: Vraag nr. 20643 van de heer Dallemagne wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Dat geldt ook voor zijn vragen nrs. 20867 en 20868.

 

10 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de Europese oefening rond cyberaanvallen" (nr. 20669)

10 Question de M. Veli Yüksel au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'exercice européen relatif aux cyberattaques" (n° 20669)

 

10.01  Veli Yüksel (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, op 7 september hielden de EU-ministers van Defensie in de Estse hoofdstad Tallinn tijdens hun informele bijeenkomst een oefening voor cyberveiligheid op Europees niveau. Onder de naam EU Cyber Security 2017 werd gepeild naar de coördinatie op politiek niveau binnen de EU-lidstaten en naar de samenwerking met de NAVO in het geval van een cyberaanval. In latere oefeningen zou men dan focussen op meer technische aspecten van cyberdefensie binnen de EU. Dit initiatief was een primeur en allesbehalve overbodig, gelet op de aanhoudende dreiging van cyberaanvallen waaraan ook ons land blootstaat.

 

U nam als minister van Defensie deel aan deze simulatie.

 

Ik heb hierover de volgende vragen.

 

Kunt u mij toelichting geven bij het verloop van de oefening, alsook bij de resultaten en de conclusies ervan, specifiek wat ons land betreft? Wat zijn de pijnpunten waarmee u rekening zult houden?

 

Bent u van mening dat de Belgische Defensie voldoende is uitgerust voor een scenario met cyberaanvallen?

 

Welke initiatieven meent u nog te moeten nemen om de cyberveiligheid in België te garanderen? Welke investeringen zijn volgens u nodig om onze veiligheid en paraatheid ter zake te optimaliseren? Kunt u de samenwerking op Europees niveau toelichten?

 

Ten slotte, kunt u mij de stand van zaken meegeven, en vooruitzichten meedelen, wat het aangekondigde cyberleger betreft?

 

10.02 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Yüksel, de Europese oefening Cyber Security 2017 was wat men noemt een tabletop cyberoefening, waarbij vooral werd gefocust op de strategische keuzes en bedenkingen op Europees ministerieel niveau.

 

Een hypothetische hybride crisis waarin de cybercomponent heel belangrijk was diende als introductie om bewustwording te creëren en de discussies te voeden met als doel strategische richtlijnen op te stellen voor de Europese coördinatie en crisiscommunicatie tijdens soortgelijke incidenten en om een betere duiding te geven aan de Defensieministers. Wij hebben de oefening te baat genomen om specifiek het belang van de onderlinge informatie-uitwisseling goed te benadrukken. Er werd ook unaniem geconcludeerd dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van cyberveiligheid en resilience noodzakelijk is en dat er verder moet worden ingezet op basis van de bestaande beleidslijnen en overeenkomsten.

 

Defensie is een sterk op technologie gebaseerde organisatie die daardoor in grote mate afhankelijk is van de cyberomgeving, en moet daarom een adequaat antwoord kunnen geven op cyberaanvallen. Bijkomende gespecialiseerde bescherming tegen geavanceerde cyber­dreigingen, expertise om adequaat te reageren op cyberincidenten en ondersteuning van militaire operaties vanuit het cyberdomein vormen het mandaat van de militaire cybercapaciteit in opbouw die, zoals u weet, in de strategische visie voor 2030 naar voren geschoven is als een van de hoofdprioriteiten voor Defensie.

 

De nationale cyberveiligheid is een interdepartementele verantwoordelijkheid die gecoördineerd wordt door het Centrum voor Cybersecurity België. Recent werd een nationaal cybernoodplan goedgekeurd dat een draaiboek formuleert voor de betrokken departementen tijdens cybercrisissen. De expertise van Defensie kan daarbij ingeschakeld worden indien noodzakelijk. Defensie werkt momenteel samen met andere partners binnen het EDA, het European Defence Agency, en het projectteam Cyber Defence en meer specifiek in drie pooling-and-sharingprojecten in het domein van cyber ranges, cyber defence training en exercise support en een research-and-developmentproject voor het detecteren van geavanceerde malware-intrusies. Daarnaast neemt Defensie ook deel aan de tweejaarlijkse oefening Cyber Europe, georganiseerd door de Europese Unie.

 

10.03  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, zo’n operatie kan interessant zijn om informatie uit te wisselen. Ook op het vlak van cyberveiligheid moet de Belgische Defensie mee zijn met de recente ontwikkelingen, gelet op de zaken die op ons afkomen. Als het gaat over cyberveiligheid in België, kan Defensie een belangrijke rol spelen. U moet dat soort projecten ondersteunen, ik reken daar ook op.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het onderzoek van Airwars naar burgerslachtoffers in Irak" (nr. 20843)

11 Question de M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'enquête de Airwars sur les victimes civiles en Irak" (n° 20843)

 

11.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, afgelopen zomer publiceerde De Morgen een interview met Eline Westra, onderzoekster bij de ngo Airwars. Mevrouw Westra liet in dat interview vallen dat België mogelijks betrokken is bij twee luchtaanvallen in Irak waarbij burgerdoden vielen. Die luchtaanvallen werden al meermaals besproken.

 

Eind augustus bezorgde Airwars u als minister een brief. Op 26 september hebben de commissieleden hiervan een kopie ontvangen.

 

Hebt u de brief van Airwars reeds beantwoord? Ik zal niet citeren uit de brief, want u hebt die zelf ontvangen. Zo ja, wat was uw antwoord? Zo nee, wanneer zult u de brief beantwoorden?

 

Kunt u de Belgische aanwezigheid op het terrein op het moment van de incidenten toelichten in de commissie, mochten daarin veranderingen zijn ten opzichte van wat tot nu toe werd meegegeven?

 

11.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, als laatste vraag kan dat wel tellen, want u bent te vroeg, ofwel te laat. Het is een van beide.

 

Airwars rakelt wel vaker afgesloten incidenten op. Meestal wordt dat voorbehouden voor de komkommertijd in de pers, maar ik zal u een antwoord geven, zoals ik dat ook in het verleden al altijd heb gedaan. Zegt u maar zelf of u de vakantie net hebt gemist of dat u al vooruitloopt op de aankomende herfstvakantie.

 

Natuurlijk hebben wij een antwoord geformuleerd op de brief van Airwars. In die brief werd verwezen naar een parlementair debat en werd gevraagd naar een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek. Ik heb geantwoord dat wij dat al een tijdje geleden hebben gedaan door het onderzoek toe te vertrouwen aan de bevoegde magistraat. Ik ga ervan uit dat een onderzoek door een magistraat onafhankelijk en onpartijdig mag worden genoemd. Hij heeft de aangehaalde feiten onderzocht en geoordeeld dat noch de Belgische wet noch het internationaal humanitair recht noch de beleidslijnen werden geschonden. Het parket heeft zijn bevindingen hierover ook publiek gemaakt.

 

Kortom, in een hoorzitting van 22 maart 2017 heeft men in extenso uitgelegd dat er een reeks checks and balances is bij luchtoperaties en dat die controlemechanismen hebben gewerkt. Er heeft dus een onderzoek plaatsgevonden door een onafhankelijk orgaan en dat heeft besloten dat alles correct is verlopen. Dat is ook wat ik aan Airwars heb geantwoord.

 

11.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Over de vakantieperiode, het is misschien ook interessant om u mee te delen dat uitnodigingen voor commissievergaderingen voldoende op voorhand mogen worden aangekondigd. Dat was nooit het geval in die zaken. Als men pas om 10.30 uur in de voormiddag wordt verwittigd, kan men onmogelijk tijdig met het openbaar vervoer in Brussel geraken.

 

Ik meen voorts uit uw antwoord af te leiden dat er geen nieuwe zaken aan het licht zijn gekomen tussen april tot nu en dat u dat zo aan Airwars hebt laten weten.

 

11.04 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, Airwars verwijst naar dezelfde operaties. Ik maakte vooral allusie op het feit dat Airwars altijd dezelfde zaken van vroeger terughaalt tijdens vakanties, op het moment dat er geen ander nieuws is.

 

Ik heb op geen enkele andere manier verwezen naar uw zeer gewaardeerde inzet in de commissie.

 

11.05  Alain Top (sp.a): Ik wou alleen maar zeker zijn dat het over dezelfde incidenten ging en er geen andere zaken waren bijgekomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.50 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12.50 heures.