Commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw

Commission de l'Économie, de la Politique scientifique, de l'Éducation, des Institutions scientifiques et culturelles nationales, des Classes moyennes et de l'Agriculture

 

van

 

Woensdag 8 november 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 8 novembre 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.22 heures et présidée par M. Jean-Marc Delizée.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.22 uur en voorgezeten door de heer Jean-Marc Delizée.

 

01 Vraag van mevrouw Anne Dedry aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de opvolging van het dieselgateschandaal in het licht van de consumentenbescherming" (nr. 19650)

01 Question de Mme Anne Dedry au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le suivi du scandale du dieselgate eu égard à la protection des consommateurs" (n° 19650)

 

01.01  Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik weet dat ik met deze vraag een gedeelde bevoegdheid aansnijd. Ik heb deze vraag al meerdere keren aan verschillende ministers gesteld en ik word telkens doorverwezen. Mijn collega Senesael heeft dat ook al eens aangeklaagd.

 

Om die reden heb ik nu voor een andere aanpak gekozen. De aanbevelingen die de bijzondere parlementaire commissie vorig jaar heeft aangenomen en die unaniem aan de regering bezorgd werden, heb ik opgesplitst naargelang de bevoegdheid.

 

Mijnheer de minister, in dat verband heb ik voor u de volgende specifieke vragen.

 

Welke houding neemt België tegenover de Europese Commissie aan omtrent het al dan niet verstrengen van de uitstootnormen?

 

Bent u van mening dat er op Europees niveau heel snel een norm omtrent de uitstoot van dieselroet moet komen? Indien ja, wat zal de regering daartoe ondernemen?

 

Welke concrete maatregelen hebt u genomen inzake de aanbevelingen van de dieselgatecommissie die tot uw bevoegdheid behoren? Die aanbevelingen heb ik opgesomd in mijn schriftelijk ingediende vraag, maar ik zal die niet allemaal voorlezen.

 

Deze vraag is al een tijdje oud en ik kan u dan ook meedelen dat ik dezelfde vraag met de respectievelijke bevoegdheden gesteld heb aan de ministers Bellot, Marghem en De Block. Ik wacht nog steeds op een belofte tot een gecoördineerde opvolgingscommissie in het najaar.

 

De voorzitter: Mevrouw Dedry, bedankt voor uw korte, maar toch belangrijke vraag.

 

Mijnheer de minister, ik geef u het woord voor uw antwoord.

 

01.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Dedry, dit is zeker een belangrijke vraag.

 

Voor een stuk zal ik u teleurstellen en voor een stuk, zo hoop ik, ook tegemoetkomen.

 

Hoewel u in uw vraag aanhaalt hoe u soms het voorwerp bent van een pingpongspel, moet ik u tot mijn spijt meedelen dat de bevoegdheid inzake productnormen voor wagens tot Leefmilieu behoort en daar zijn andere ministers voor bevoegd. Dat deel van mijn antwoord zult u waarschijnlijk wat minder appreciëren.

 

Ik hoop dat u het tweede deel van mijn antwoord wel apprecieert. Naar aanleiding van de aanbevelingen die werden geformuleerd door de bijzondere parlementaire commissie Dieselgate is door de premier een volledige opvolgingstabel bezorgd. Dat heeft hij al geantwoord op schriftelijke vraag nr. 208 van de heer Nollet. Dat is de stand van zaken van 23 februari; daarin hebt u gelijk. De premier werkt nu aan een update van die tabel.

 

Echter, op dit punt hoop ik dat u met enige mildheid zult reageren, want van de wijzigingen die sindsdien hebben plaatsgevonden en die binnen mijn bevoegdheid vallen, overhandig ik u bij dezen een tot 31 oktober geüpdate tabel.

 

Inzake de onderdelen die niet tot mijn bevoegdheid behoren, kan ik u bevestigen dat de premier daar zeer hard aan werkt. Zo snel mogelijk zult u een volledige tabel ter beschikking hebben. Inzake mijn bevoegdheid beschikt u nu dus alvast over een update, die ik ook aan de secretaris van de commissie zal overhandigen, zodat u die kunt nakijken.

 

01.03  Anne Dedry (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Ik wil daar alleen nog aan toevoegen dat ik echt de toezegging heb gekregen dat er vanuit de regering een gecoördineerde opvolgingscommissie zou komen. Onder andere uw collega’s, de ministers Marghem en De Block, hebben dat beloofd voor dit najaar. Het najaar is bijna voorbij, we zitten bijna in de winter. Ik hoop dat u die opvolgingscommissie mee ondersteunt en dat die er snel komt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de aanhoudende onduidelijkheid met betrekking tot de verzekeringsplicht bij elektrische fietsen" (nr. 19705)

02 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le manque de clarté persistant concernant l'obligation d'assurance pour les vélos électriques" (n° 19705)

 

02.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, hier ben ik weer met mijn vragen, deze keer omdat de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid met betrekking tot de verzekeringsplicht bij elektrische fietsen met en zonder garageknopje blijft aanhouden. Ik geef u een overzicht van de feiten die deze onduidelijkheid in de hand hebben gewerkt.

 

Het is eigenlijk begonnen in de commissie voor het Bedrijfsleven van 17 januari laatstleden. Collega Van Den Bergh en ikzelf stelden een mondelinge vraag over de verzekeringsplicht bij elektrische fietsen met een garageknopje. In uw antwoord stelde u: "Ik zal hiervoor, nadat de WAM-wet in het Parlement wordt goedgekeurd, een uitvoerings-KB opstellen met daarin de bepaling dat de garageknop er niet toe zal leiden dat men in de categorie van de motorrijtuigen terechtkomt." Met die maatregel zouden de eigenaars van elektrische fietsen met een garageknopje dus geen verplichte BA-autoverzekering moeten aangaan.

 

In de commissie voor het Bedrijfsleven van 10 mei 2017 werd het wetsontwerp besproken tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Tijdens die bespreking stelt u opnieuw dat elektrische fietsen die enkel met stapondersteuning, de zogenaamde walk-assist, zijn uitgerust, niet vallen onder het toepassingsveld van de wet, in tegenstelling tot fietsen met een boost, waarmee de fietser zich een tijdlang kan voortbewegen zonder te moeten trappen.

 

Op een omgezette schriftelijke vraag betreffende de onduidelijkheid met betrekking tot de verzekeringsplicht bij voortbewegingstoestellen geeft u als antwoord: "Werkt de speedpedelec enkel via trap- of startondersteuning, dan is men niet verplicht een BA-autoverzekering te nemen." U verwijst daarbij naar de website van de FOD Economie, waarop twee informatiepagina's staan over welke voertuigen onderworpen zijn aan de BA-verzekeringsplicht voor auto's.

 

De website van de FOD Economie waarnaar u verwees, stelt in tegenstelling tot uw antwoord het volgende: “De fiets met trapondersteuning is niet onderworpen aan de verplichte autoverzekering. De fiets met startondersteuning is onderworpen aan de autoverzekering BA.” Bovendien stelt de website: “Hetzelfde geldt wanneer de fiets over een garageondersteuning beschikt, waardoor over een afstand van enkele meters zonder te trappen kan worden gereden.”

 

De informatie die op verschillende momenten via verschillende kanalen verspreid is, blijkt dus niet zo eenduidig te zijn. Er blijft onduidelijkheid bestaan over het al dan niet hebben van een garageknopje en daarnaast bestaat er verwarring tussen de concepten stap-, trap- en startondersteuning.

 

Die verwarring kan echter voor grote problemen zorgen. Immers, wie niet correct verzekerd is, kan een of meer van de volgende straffen krijgen: een geldboete van 100 tot 1 000 euro; een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden; de tijdelijke vervallenverklaring van het recht om een motorrijtuig te besturen, gaande van acht dagen tot vijf jaar, of definitief; de verbeurdverklaring van het voertuig. Bovendien moet men als bestuurder van een niet-verzekerd voertuig het slachtoffer bij een schadegeval schadeloosstellen.

 

Tot slot heeft die onduidelijkheid een directe impact op het principe van de zwakke weggebruiker. Wie een BA-autoverzekering moet nemen, wordt aangezien als bestuurder van een motorrijtuig en is derhalve niet langer een zwakke weggebruiker.

 

Mijnheer de minister, gelet op het belang van een snelle oplossing voor die onduidelijkheden, wil ik u het volgende vragen.

 

Kunt u volledige duidelijkheid brengen welke verzekering bestuurders van een elektrische fiets, met of zonder garageknopje, moeten aangaan?

 

Is het uitvoerings-KB waarin wordt bepaald welke vervoermiddelen onder de definitie van motorrijtuigen vallen, reeds opgesteld? Hebt u daarin, zoals beloofd, een bepaling opgenomen dat de garageknop er niet toe zal leiden dat men in de categorie van de motorrijtuigen terechtkomt?

 

Dienen volgens u de definities van stap-, trap- en startondersteuning wettelijk verankerd te worden om de onduidelijkheid hierover weg te werken?

 

02.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, ik denk dat de antwoorden in de verschillende commissies wel duidelijk zijn; anders zou ik ze niet hebben gegeven.

 

Collega Klaps, het is juist dat heel wat pertinente vragen zijn gesteld en kunnen worden gesteld. De wetgeving is niet in overeenstemming met de nieuwste technieken, zeker niet voor de elektrische fiets, maar ook niet voor andere elektrische voortbewegingstoestellen. De WAM-verzekering heeft daarin geen volledige klaarheid geschonken. Ik wil dat zo snel mogelijk doen.

 

Ik heb ook aangekondigd dat ik een koninklijk besluit zal opmaken om rekening te houden met alle technieken die nu voorkomen in de sector en waarbij vragen kunnen worden gesteld omtrent de verplichte verzekering van het ene of het andere.

 

Waar staan we nu met die werkzaamheden? Wij hebben een werkgroep in het leven geroepen om met alle experts en met de sector tot een vergelijk te komen. Er zijn ook nog wat juridische discussies die moeten worden uitgeklaard, maar het is mijn ambitie om tegen het einde van dit jaar een ontwerp van koninklijk besluit klaar te hebben.

 

Sommige stemmen zeggen dat ik ook de wet moet wijzigen. Ook daarover moet zo snel mogelijk duidelijkheid komen, juridisch en technisch.

 

Ik hoop tegen het einde van het jaar, met de goedkeuring van dat koninklijk besluit, alle onduidelijkheden en vragen te hebben opgelost, zowel inzake de garageknop als inzake de snelheid van de elektrische fietsen, waarvan er verschillende categorieën zijn.

 

Wat de problematiek van de garageknop betreft, is het mijn filosofie dat we een coherent beleid moeten hebben, rekening houdend met de andere motorvoertuigen. Een van de elementen om het onderscheid te maken, is de vraag of er al dan niet sprake is van een trapondersteuning. Kan de fiets zich autonoom, via mechanische kracht, voortbewegen of is er altijd een trapondersteuning nodig? Dat is een eerste onderscheid. Het tweede onderscheid is de snelheid die kan worden gehaald. Om te voorkomen dat we onnodige verplichtingen zouden opleggen, zijn er discussies gaande, zoals over de garageknop. Voor alle duidelijkheid, het betreft een knop die aan de elektrische fiets is bevestigd waarmee men op een autonome wijze, zonder trapondersteuning, de fiets in de garage kan zetten of op een hellend stuk weg kan voortbewegen zonder zelf te trappen. Alleen op basis van de aanwezigheid van die garageknop is er natuurlijk geen verplichting tot een verzekering.

 

Dat zijn de krijtlijnen. Ik heb die krijtlijnen ook al meegegeven. Het belangrijkste is natuurlijk dat een en ander netjes in een koninklijk besluit wordt opgenomen en dat het koninklijk besluit wordt gepubliceerd, zodat op alle vragen kan worden geantwoord. Dat is mijn bedoeling. Ik heb daarover al gecommuniceerd, zodat iedereen weet welke richting het uitgaat. Ik hoop dat de discussie met de experts eerstdaags zal kunnen worden beëindigd.

 

02.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik merk inderdaad dat  het zeer complex is. In tegenstelling tot wat geruststellende berichten is een en ander nog niet uitgeklaard. Vandaag zitten we nog in de rechtsonzekerheid. Ik ben blij dat we dat tegen het einde van dit jaar – dat is niet meer zolang – snel zullen kunnen oplossen.

 

Door de toename van het aantal fietsen gebeuren er helaas ook meer ongevallen met fietsen, in heel het land. Het zou niet goed zijn dat we daarbij in eindeloze juridische discussies belanden over aansprakelijkheden en verzekeringsplicht. Daarom steun ik uw voornemen om dat zo snel mogelijk op te lossen, zonder onnodige verplichtingen voor de consumenten. Ik roep u op om daarvan zo snel mogelijk werk te maken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 19710 de Mme Winckel est transformée en question écrite.

 

De vragen nrs 19725, 19794 en 19791 van mevrouw Detiège zijn uitgesteld.

 

03 Questions jointes de

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la clause no-show" (n° 20155)

- M. Wim Van der Donckt au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les clauses de no-show des compagnies aériennes" (n° 20219)

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de no-showclausule" (nr. 20155)

- de heer Wim Van der Donckt aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de zogenaamde no-showclausules van de vliegtuigmaatschappijen" (nr. 20219)

 

03.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, l'association de défense des consommateurs Test-Achats a décidé de s'attaquer concrètement à la clause de no-show des compagnies aériennes, qui consiste à refuser l'embarquement à des passagers qui n'ont pas utilisé une partie de leur billet combiné - train et avion par exemple.

 

La clause en question dispose que le billet n'est plus valable pour le reste du trajet dès qu'on ne s'est pas présenté à l'étape précédente, par exemple parce qu'on a raté son vol, alors que le passager n'en a pas moins payé la totalité du trajet. La compagnie s'arroge donc le droit de revendre sa place sur le vol suivant à un passager figurant sur une liste d'attente et ce sans rembourser le voyageur originel.

 

Cette clause est également dénoncée par plusieurs organisations européennes de protection des consommateurs, jugeant celle-ci abusive. Monsieur le ministre, la réglementation belge actuelle permet-elle aux consommateurs de se défendre contre la clause de no-show qui lui est clairement défavorable? Dans la négative, quelles mesures pourraient-elles être prises pour supprimer ce type de clause?

 

D’avance, je vous remercie, monsieur le ministre.

 

03.02  Kris Peeters, ministre: Madame Grovonius, à la suite d’une action en justice pour faire interdire ces clauses de no-show, la cour d’appel de Liège, dans son arrêt du 30 janvier 2014, a considéré que les clauses de no-show n’étaient pas abusives si le transporteur indiquait clairement que l’ordre des billets constitue un élément essentiel du contrat et que le prix a été déterminé sur cette base.

 

Le secteur aérien ayant une dimension internationale par définition, les conditions générales des compagnies aériennes ont été examinées au niveau européen par le réseau Consumer Protection Cooperation Network (CPC) qui regroupe les autorités de contrôle en matière de protection du consommateur. En février 2016, le CPC a déterminé une série de critères minimaux auxquels les conditions contractuelles doivent satisfaire, y compris en ce qui concerne les clauses de no-show. Ainsi, le voyageur devra en tout cas avoir droit à son vol ultérieur lorsqu’il aura informé, dans un délai raisonnable, la compagnie aérienne du fait qu’il ne pourra pas prendre le vol précédent. De plus, le supplément qui lui sera éventuellement porté en compte ne pourra pas excéder le prix normal du trajet.

 

Cette concertation au niveau européen a conduit à la conclusion que ces clauses ne sont pas illicites pour autant qu'elles satisfassent à la transparence nécessaire. Par la suite, l'Inspection économique a demandé aux compagnies aériennes belges de s'adapter. Suite à la concertation, des adaptations aux clauses no-show seront apportées dans ce sens. Ce sera bientôt fait.

 

L'Inspection économique a souligné le fait que la seule adaptation des clauses contractuelles ne suffit pas. Le consommateur doit également recevoir une information claire et compréhensible sur cet élément de son contrat. Comme mentionné précédemment, le secteur aérien est par définition un secteur international. Nous devons dès lors rester prudents en imposant des restrictions plus poussées pour les compagnies aériennes belges. Dans un contexte européen, cela peut certainement être négociable.

 

Il est dès à présent important de veiller au respect des principes fixés au sein du réseau par les entreprises.

 

03.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. Pour ce qui me concerne, j'estime que l'information auprès des consommateurs n'est pas encore suffisamment claire. Il demeure encore trop de personnes qui se retrouvent devant le fait accompli et donc dans des situations problématiques.

 

Je souhaiterais, dans la mesure du possible et sans imposer aux compagnies belges de dépasser ce qui leur est imposé par la réglementation européenne, qu'en matière d'information aux consommateurs, lorsque des billets sont achetés, il puisse être mentionné qu'ils sont liés. Quand un passager rate son vol aller, il doit être averti du risque que son vol retour sera annulé.

 

Il me semble qu'en matière de communication, de réels progrès pourraient être réalisés. Je ne sais pas comment vous pouvez, d'une manière ou d'une autre, encourager les compagnies aériennes à produire davantage d'efforts, mais cela vaut la peine. Souvent, les associations de consommateurs sont sollicitées pour ce type de problèmes. Il me semble qu'en tant que ministre, il vous revient d'agir dans ce cadre.

 

Le président: La question n° 20219 de M. Van der Donckt, qui était jointe, est transformée en question écrite à sa demande.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Mevrouw Pas is niet aanwezig. Bijgevolg wordt haar vraag nr. 20198 geschrapt. De vragen nrs 20284 en 20583 van mevrouw Detiège zijn uitgesteld.

 

04 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de minnelijke schikking die Belfius voorstelt bij de terugbetaling van hypothecaire leningen met een negatieve rente" (nr. 20295)

04 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le règlement à l'amiable proposé par Belfius lors du remboursement d'emprunts hypothécaires avec un taux d'intérêt négatif" (n° 20295)

 

04.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, hier ben ik weer. Na mijn voorgaande vragen aan u dacht ik dat er een definitieve oplossing was gevonden voor het probleem met Belfius omtrent de terugbetaling van de negatieve rente op woonkredieten. Niets blijkt echter minder waar. Belfius is namelijk nog steeds niet van plan de negatieve rente terug te betalen.

 

Wat Belfius voorstelt aan klanten die eerst zelf contact opnemen, is louter een minnelijke schikking voor een beperkte periode in de tijd. Na die periode dienen de betrokken Belfiusklanten opnieuw een aanvraag in te dienen als de rente negatief blijft. Belfius verzaakt met andere woorden dus nog steeds haar eigen contract na te komen. Bovendien dienen de klanten te tekenen dat zij geen informatie zullen doorgeven aan derden. Als zij dat wel doen, lopen zij de minnelijke schikking mis.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Hebt u kennisgenomen van de regeling die Belfius voorstelt aan haar klanten? Bent u het met mij eens dat Belfius haar betrokken klanten daarmee opnieuw geen sluitende oplossing aanbiedt? Wat is uw mening met betrekking tot de geheimhoudingsclausule die Belfius in haar voorstel opneemt? Hebt u daarover een nieuw overleg met Belfius gehad of is dat gepland?

 

04.02 Minister Kris Peeters: Collega Klaps, het gaat om een dossier dat al een tijdje meegaat. Naar aanleiding van een van uw voorgaande vragen hebben wij bij Belfius, bij wijze van spreken, aan de bel getrokken met de vraag om dat probleem op te lossen en erop te wijzen dat dit ook in hun eigen belang was. Men heeft ons toen verzekerd dat dit zou gebeuren. Naar aanleiding van een van uw vragen heb ik dat ook geantwoord.

 

Belfius zou en zal de consumenten tegemoetkomen. Het gaat om consumenten die daarvoor in aanmerking komen en die daarover ook een vraag hebben gesteld. Wij hebben verder geen contacten meer gehad met Belfius omtrent de concrete voorstellen die aan de verschillende klanten worden gedaan. Ik heb begrepen dat het om een vertrouwelijke discussie gaat. De oplossing kan van cliënt tot cliënt verschillen.

 

Als bevoegd minister heb ik Belfius er nogmaals toe bewogen om daarin actie te ondernemen, in tegenstelling tot vorige standpunten van dezelfde bank.

 

Ik heb ook onderstreept, daarin deel ik uw mening, dat de klant recht heeft op een tegemoetkoming. Dit is duidelijk aan de bank meegegeven. Het is ook aan de bank om dit met de klant op maat te bekijken en tot een overeenkomst te komen.

 

Als u dat vraagt of daarop aandringt, wil ik gerust contact opnemen met Belfius om eens na te vragen hoever het daarmee staat en daarover meer informatie te krijgen.

 

04.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik ben verbaasd over het antwoord. U zegt dat Belfius u maandenlang aan het lijntje heeft gehouden. Men heeft gezegd dat men het gaat oplossen. Ik heb u aangetoond dat het niet opgelost is. Op het televisienieuws werden zelfs documenten getoond waarin men geheimhoudingsclausules vraagt, waarin unieke oplossingen worden voorgesteld met een vertrouwelijkheidsclausule waarin men spreekt over een tegemoetkoming.

 

Die mensen moeten geen tegemoetkoming krijgen, mijnheer Peeters. Die mensen moeten de uitvoering van hun contract krijgen. Dat zijn contracten die Belfius zelf heeft opgesteld. Het enige dat de klanten vragen is de nakoming van hun contract.

 

Of het nu gaat om Ryanair of andere bedrijven, u staat er altijd op dat de consument wordt beschermd en dat zijn rechten door het bedrijf worden gerespecteerd. Hier gebeurt dat manifest niet.

 

Ik heb u op 11 september de vraag gesteld of er een nieuw overleg met Belfius was. Nu zegt u: als u dat wil, zal ik daarover opnieuw met Belfius spreken. Uiteraard wil ik dat u daarover opnieuw met Belfius spreekt. Dit kan niet, mijnheer de minister. Zij moeten hun contracten nakomen en niet wachten tot de klanten die slim en assertief genoeg zijn, naar het loket stappen en eisen dat er iets gebeurt. Zij krijgen dan een document onder hun neus dat een jaar geldig is en ze moeten een geheimhoudingsclausule ondertekenen die nergens op gestoeld is. De klanten die dat niet willen, de mensen die de krant niet lezen, zij die dat niet zelf narekenen, krijgen hun rechten niet. Ik vind dat dit niet kan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de controle op de overeenstemming van naam en IBAN bij overschrijvingen" (nr. 20296)

05 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le contrôle de la concordance entre le nom et l'IBAN lors de virements" (n° 20296)

 

05.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, dit is een minder controversiële vraag.

 

De voorzitter: Het is uw recht. Ik heb geen probleem met de inhoud van uw vragen.

 

05.02  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, Rabobank Nederland voert vanaf deze maand een naamcontrole in voor cliënten die een overschrijving doen via IBAN. Dat doen zij om verkeerde overboekingen en fraude te voorkomen. Uit een onderzoek van Nederlandse banken blijkt dat maandelijks ongeveer 1 300 meldingen worden gemaakt van verkeerde overboekingen. Vijfenzeventig procent van deze meldingen betreft een fout door gebruik te maken van oude rekeningnummers of door een vergissing met het adresboek.

 

De controlefunctie zal de naam controleren en de cliënt waarschuwen indien deze niet bij het ingevulde rekeningnummer hoort. Nadien is de cliënt zelf verantwoordelijk voor wat hij al dan niet met deze informatie doet. Grotendeels correcte namen met een spelfout, bijvoorbeeld, zouden door de controlefunctie automatisch worden verbeterd. Verwacht wordt dat andere Nederlandse banken snel zullen volgen. Ik ben uiteraard altijd benieuwd naar vernieuwing in de sector. Ik wou dus eens horen hoe dat bij ons zit.

 

Hoeveel meldingen van verkeerde overboekingen worden er maandelijks door de Belgische banken ontvangen?

 

Zijn er plannen om de IBAN-naamcontrole ook in België in te voeren?

 

Zijn er aanpassingen van de privacywetgeving nodig, mocht dit gebeuren?

 

05.03 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, dit is een wat meer informatieve vraag. Die zijn er ook, godzijdank.

 

Mijn administratie noch Febelfin beschikt over globale cijfers inzake meldingen van verkeerde overboekingen of overschrijvingen. In Nederland is het hoge aantal problemen grotendeels te wijten aan het sneller toekennen van een afgesloten rekeningnummer aan een nieuwe cliënt. Daardoor is de kans op een foutieve overschrijving veel groter en was het vinden van een oplossing bijgevolg acuter dan in België.

 

Ons Belgisch systeem kent een geautomatiseerde controle van het IBAN-nummer zelf. Wanneer een cijfer per ongeluk fout zou zijn ingegeven, zal er dus wel een foutmelding verschijnen. Dit geldt ook voor het invullen van de gestructureerde mededeling in België. Er zijn dus reeds verschillende controle-elementen ingevoerd om een foutieve overschrijving te vermijden.

 

De problemen die er in België zijn, zijn bijgevolg vooral te wijten aan factuurfraude. Daarom lopen er hieromtrent verschillende initiatieven, waarbij ook de naamcontrole wordt onderzocht. Bovendien bestaat er ook een zeer goede samenwerking tussen de banksector en de verschillende betrokken partijen, zoals de FOD Economie en de consumentenorganisaties, om de burgers en bedrijven zoveel mogelijk te sensibiliseren voor factuurfraude. Daartoe werden campagnes opgezet met nuttige tips ter voorkoming van fraude.

 

De FOD Economie heeft hiervoor ook een speciaal meldpunt opgericht. In 2016 waren er 187 meldingen van factuurfraude. Een melding wordt automatisch doorgestuurd naar de politie, zodat deze de melding ook kan onderzoeken.

 

Wat de privacywetgeving betreft, is mijn collega Philippe De Backer bevoegd.

 

05.04  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Questions jointes de

- M. Gautier Calomne au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les annulations de vols par la compagnie aérienne Ryanair" (n° 20613)

- Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les vols supprimés par Ryanair" (n° 20731)

- M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les initiatives concernant Ryanair" (n° 21150)

- Mme Leen Dierick au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "Ryanair" (n° 21192)

06 Samengevoegde vragen van

- de heer Gautier Calomne aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de schrapping van vluchten door de vliegtuigmaatschappij Ryanair" (nr. 20613)

- mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de door Ryanair geschrapte vluchten" (nr. 20731)

- de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de initiatieven aangaande Ryanair" (nr. 21150)

- mevrouw Leen Dierick aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "Ryanair" (nr. 21192)

 

06.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, tijdens de plenaire vergadering van 5 oktober stelde ik u een aantal vragen omtrent de annulatie van honderden vluchten door Ryanair en in het bijzonder over de informatie aan de consument daarover.

 

In antwoord op mijn eerdere vragen stelde u initiatieven voor op drie vlakken. U zou met name zelf het initiatief nemen om een vordering tot staking in te leiden bij de rechtbank van koophandel. Daarnaast zou er op basis van de informatie van de Economische Inspectie een proces-verbaal verzonden worden naar het parket. Tot slot zou de Europese Commissie Ryanair hebben aangemaand de nodige bijsturingen te doen voor 6 oktober jongstleden.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Werd de vordering tot staking ingeleid? Zo ja, wat was het oordeel van de rechtbank?

 

Hebt u zicht op de stappen die het parket neemt op basis van het hem toegezonden pv?

 

Werd door Ryanair gevolg gegeven aan de oproep van de Europese Commissie om vóór 6 oktober te handelen?

 

06.02 Minister Kris Peeters: Collega Janssen, mijn kabinet heeft tijdens een contact met Test-Aankoop het dossier-Ryanair besproken. Het exacte aantal annuleringen is mij niet bekend, maar volgens cijfers die ook in de media verschenen, zijn het er enorm veel. Ik heb aan de Economische Inspectie de opdracht gegeven na te gaan of de annuleringen door Ryanair in overeenstemming zijn met de regels van het Wetboek van economisch recht inzake oneerlijke praktijken. Na het onderzoek werd een pro justitia opgesteld en aan het parket bezorgd. Zoals u weet, is het onderzoek geheim. Ik heb daar zelf geen inzage in. Ik weet ook niet waar het parket welke acties heeft ondernomen.

 

Ik heb ook beslist om een vordering tot staking in te dienen. De betekening werd op vrijdag 13 oktober gedaan. De zaak wordt normaal ingeleid op 9 november 2017. Ik heb natuurlijk geen zicht op de verdere timing van die procedure. Er zal evenwel op 9 of 10 november geen uitspraak zijn. Daar zal wel wat tijd overgaan.

 

Ik heb ook begrepen dat Ryanair de Europese Commissie geantwoord heeft. In dat antwoord zijn een aantal zaken opgenomen die ook aan het kabinet werden bezorgd. U hebt ook in de media gelezen dat men de wetgeving zou toepassen, dat er volgens Ryanair niet direct grote problemen waren en dat men zich volledig zou aligneren op de Europese en andere wetgeving.

 

06.03  Werner Janssen (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Wij zullen afwachten tot wat de inleiding op 9 november zal leiden. Over het gevolg dat Ryanair gegeven heeft aan de vragen van de Europese Commissie horen wij tegenstrijdige berichten. Ik zal het verder blijven opvolgen. Indien de rechtbank in een van de komende maanden een uitspraak zou doen, dan kom ik erop terug.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Gilles Vanden Burre au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le contrôle des ventes des précurseurs d'explosifs, en particulier le TATP" (n° 20479)

07 Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de controle op de verkoop van precursoren voor explosieven en in het bijzonder TATP" (nr. 20479)

 

07.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, comme vous le savez, le triperoxyde de tricycloacétone - en anglais, le TATP - est un produit chimique devenu tristement célèbre puisqu'il a servi de base à la fabrication de plusieurs bombes utilisées dans le cadre des attentats de Paris et de Bruxelles. En septembre dernier, 100 kg de ce TATP ont été découverts durant la perquisition de la cellule terroriste responsable des attentats de Barcelone et dans un laboratoire clandestin à Paris, toujours dans le cadre d'enquêtes sur des dossiers liés au terrorisme.

 

Cet explosif est donc très prisé des groupes djihadistes car il se compose d'ingrédients que l'on peut facilement trouver dans le commerce. En effet, le TATP se fabrique à partir d'eau oxygénée (peroxyde d'hydrogène), d'acétone et d'un catalyseur comme l'acide nitrique ou l'acide sulfurique. Tous ces produits sont par ailleurs visés par un règlement du Parlement européen et du Conseil du 15 janvier 2013 qui, soit interdit leur vente au grand public, soit demande que l'acheteur soit identifié. Concrètement, ce règlement, portant sur la commercialisation et l'utilisation de précurseurs d'explosifs, interdit la mise à disposition du grand public de toute une série de substances qui peuvent être utilisées de manière détournée pour la fabrication illicite d'explosifs.

 

Ce règlement européen, entré en vigueur en septembre 2016 en Belgique, prévoit en fait trois mesures:

- l'interdiction de la vente de certaines substances au grand public - comme l'eau oxygénée ou le peroxyde d'hydrogène;

- l'obligation d'identification de l'acheteur de certains autres produits qui restent commercialisables - comme l'acétone;

- l'obligation de créer un point de contact où doivent être signalées toutes les transactions suspectes.

 

Depuis septembre 2016, un peu plus d'un an après l'entrée en vigueur de la réglementation en Belgique, combien de personnes se sont-elles identifiées pour acheter des produits chimiques nécessitant une identification? Combien de cas ont-ils été signalés comme suspects via le point de contact qui devait être créé? Quelles sont les suites données aux cas identifiés comme suspects, via le point de contact?

 

Par ailleurs, comptez-vous prendre des mesures plus drastiques en ce qui concerne la vente au grand public de certains composants du TATP? On voit bien qu'il reste très facile pour ceux qui auraient de mauvaise intentions de les concrétiser. Envisagez-vous de rendre l'accès à ces composants encore plus strict?

 

07.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, monsieur Vanden Burre, en ce qui concerne vos deux premières questions, pour ce qui relève de la gestion des signalements au point de contact national, je vous invite à vous adresser au ministre de l’Intérieur, vu qu’il s’agit d’une compétence exclusive de la police. Je ne dispose pas de chiffres. Je peux les demander au ministre de l’Intérieur, mais c’est à vous de décider si vous voulez directement l’interroger.

 

En ce qui concerne votre troisième question, vous savez très bien que les listes des précurseurs et les restrictions de vente sont établies dans un règlement européen. Ces listes sont rédigées par des experts. Plusieurs fois par an, un comité ad hoc pour ce règlement se réunit. Tenant compte des expériences du terrain, ce comité émet des dispositions visant à adapter les listes des précurseurs et leurs restrictions.

 

J’ai bien noté votre question et votre suggestion d'élargir ces listes. Je vais soumettre votre proposition à nos experts afin qu’ils en discutent dans ce comité ad hoc, et peut-être élargir les produits ou les précurseurs comme vous le demandez.

 

07.03  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie. J’interrogerai le ministre Jambon puisque je siège aussi en commission de l’Intérieur.

 

À propos de la troisième question, il y avait deux choses: élargir la liste - vous avez répondu ; mais pour les produits qui sont déjà sur la liste, on pourrait encore en compliquer l'accès. Ce serait une autre possibilité.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. Gilles Vanden Burre au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les problèmes rencontrés concernant la nouvelle loi sur le crédit hypothécaire" (n° 20528)

08 Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de problemen met betrekking tot de nieuwe wet betreffende het hypothecair krediet" (nr. 20528)

 

08.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, la nouvelle réglementation en matière de crédit hypothécaire est entrée en vigueur le 1er avril dernier. Les nouvelles règles de la loi soulignent la transposition en droit belge d'une directive européenne visant à optimiser le professionnalisme des acteurs du marché, notamment les intermédiaires et les créanciers, afin de protéger au mieux les souscripteurs.

 

La nouvelle loi introduit une fiche d'information standardisée afin que le consommateur puisse comparer les conditions de crédit des différents prêteurs. Et à l'instar du crédit à la consommation, un taux annuel effectif global s'appliquera aux crédits hypothécaires afin de pouvoir aisément comparer les frais des crédits.

 

Pourtant, une récente enquête de Test-Achats, communiquée le 30 août dernier, révèle que la nouvelle loi n'est pas efficiente. Cette organisation s'est penchée sur les comportements de cinq grands organismes de crédit: Argenta, BNP Paribas Fortis, Belfius, ING et KBC. Selon l'organisation de défense des consommateurs, les prêteurs peuvent trop facilement agir à leur guise et l'information dispensée au consommateur est souvent trompeuse.

 

Dans une lettre qui vous est adressée, Test-Achats pointe ainsi du doigt des comportements problématiques de certains collaborateurs des organismes précités. L'organisation a observé que le consommateur ne peut pas toujours se fier au taux annuel effectif global qui lui est communiqué. Par exemple, lors de l'enquête, une banque a procédé à une simulation de prime annuelle sur base d'une personne de 38 ans, alors que le demandeur de crédit était âgé de 48 ans. L'enquête révèle d'autres exemples, dont vous aurez sans doute pris connaissance. Quant à la fiche d'information standardisée, aucun des enquêteurs ne l'a reçue d'emblée à sa première visite.

 

Différentes propositions ont été transmises par Test-Achats à votre cabinet.

 

Permettez-moi de vous poser les questions suivantes.

 

Quelle est votre réaction à la lecture de ces informations? Aviez-vous, via d'autres canaux, pris connaissance de ces comportements qui ne respectent pas tout à fait les modalités de la nouvelle loi?

 

Suite à l'enquête et aux propositions de Test-Achats, envisagez-vous une révision de la loi ou de mettre en place des mesures complémentaires afin de remédier aux problèmes soulignés?

 

08.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, chers collègues, monsieur Vanden Burre, par lettre du 29 août dernier, Test-Achats m'a informé d'une enquête qu'elle avait menée auprès des prêteurs au sujet de l'information que ces derniers fournissent aux candidats-preneurs de crédit. Il y était indiqué qu'auprès de certains prêteurs, le document ESIS n'avait pas été remis ou l'avait été trop tard, et que le taux annuel global (TAEG) était insuffisamment représentatif.

 

Le 18 septembre dernier, j'ai eu une concertation commune avec Test-Achats et Febelfin au cours de laquelle j'ai clairement indiqué que l'objectif de la directive sur le crédit hypothécaire est de permettre au consommateur de comparer plus facilement lorsqu'il désire conclure un contrat. Il est donc important que ce dernier dispose de toutes informations pertinentes avant de procéder à la signature d'un contrat de crédit.

 

J'ai également souligné que la réglementation existante doit être respectée collectivement. J'ai chargé l'administration de procéder à des contrôles. Ainsi, l'Inspection économique a entamé au mois d'octobre une enquête générale en ce qui concerne le respect de la réglementation en matière de crédit hypothécaire.

 

Au total, environ 150 contrôles seront effectués. Jusqu'à présent, 13 % des contrôles prévus ont été effectués. Les contrôles sont opérés auprès des courtiers et agents liés. L'accent est mis sur la phase pré-contractuelle. Les résultats sont attendus pour avant l'été 2018. Dans l'intervalle, j'ai également demandé au secteur de trouver une solution aux problèmes cités par Test-Achats. Dans ce cadre, l'Union Professionnelle du Crédit (UPC) m'a communiqué qu'elle a déjà donné ses lignes directrices à ses intermédiaires financiers sur l'interprétation de la loi sur le crédit hypothécaire.

 

Elle demande d'être particulièrement attentif à la transmission de l'ESIS et au calcul du TAEG. Il doit être évité autant que possible qu'un premier TAEG soit livré tardivement dans le processus de la demande de crédit, ensemble ou non avec l'offre de crédit. Il est également communiqué que les intermédiaires financiers devraient faire une distinction entre une simulation simple, sans détails concrets, et une demande de crédit réelle sur la base du formulaire adéquat. À ce sujet, il ne peut y avoir aucun malentendu pour le candidat-preneur de crédit.

 

Pour conclure, monsieur Vanden Burre, j'ai entrepris de nombreuses autres actions pour clarifier la situation. J'ai également commandé une enquête à l'Inspection économique, dont j'espère que les conclusions seront positives. Dans le cas contraire, j'entreprendrai de nouvelles actions pour m'assurer que la loi est respectée par les banques et intermédiaires financiers.

 

08.03  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. Vous avez entrepris des concertations et ordonné certaines mesures, notamment l'organisation d'inspections. Il était important de le faire. C'était d'ailleurs ce qui avait animé le débat lorsque nous avons voté cette loi, car on connaît le manque de clarté à l'égard du consommateur dans un processus aussi important que peut l'être l'achat d'un bien immobilier via un crédit hypothécaire.

 

Nous reviendrons sur le sujet, car il touche énormément de nos concitoyens. Je prends bonne note de toutes les actions que vous nous avez communiquées. Je relirai minutieusement la réponse que vous nous avez donnée. Quoi qu'il en soit, merci pour votre suivi.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 20593 van mevrouw Detiège en vraag nr. 20599 van de heer Van der Donckt worden uitgesteld.

 

09 Samengevoegde vragen van

- de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het plan tegen illegaal downloaden" (nr. 20658)

- de heer Benoit Hellings aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het aangekondigde plan om  het zogenaamde illegale downloaden tegen te gaan" (nr. 20662)

09 Questions jointes de

- M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le plan contre le téléchargement illégal" (n° 20658)

- M. Benoit Hellings au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le plan annoncé visant à lutter contre le téléchargement dit illégal" (n° 20662)

 

09.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, via De Standaard vernam ik dat u werkt aan een aantal maatregelen ter bestrijding van het illegaal downloaden van onder andere films en muziek. Mijn vragen zijn dan ook de volgende.

 

Welke maatregelen hebt u in voorbereiding om het illegaal downloaden aan te pakken? Welke partners consulteert u voor het ontwerp van deze maatregelen? Op welke termijn verwacht u deze maatregelen aan het Parlement te zullen voorleggen?

 

09.02  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je serai un peu plus long que mon collègue Janssen. La concision de la langue néerlandaise est impressionnante.

 

Le président: C'est votre droit.

 

09.03  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le vice-premier ministre, un Belge sur cinq utiliserait régulièrement des sites de téléchargement non commerciaux et jouirait ainsi des bienfaits de l'accès à la culture que la neutralité du net garantit jusqu'à présent. Certains articles de presse, dont celui du Standaard mentionné par M. Janssen, annoncent que vous souhaiteriez mettre en place rapidement des mesures pour entraver l’accès aux sites de téléchargement dits illégaux. Vous voudriez par là protéger les droits des auteurs de contenus culturels disponibles gratuitement en ligne. Vous souhaitez mettre en place une méthode qui devrait repérer les sites pirates plus rapidement et les bloquer ainsi que leurs sites miroirs. Vous souhaitez par ailleurs dresser une liste noire de ces mêmes sites bloqués et faire en sorte que les navigateurs soient redirigés vers une alternative légale et commerciale.

 

De tout cela, monsieur le vice-premier ministre, découlent mes questions. Pourriez-vous me détailler davantage votre plan? S’agit-il de mettre uniquement en place un service de fermeture ou d'inaccessibilité des sites concernés ou bien s’agit-il de reprendre le principe de la réponse graduée, comme il est pratiqué en France avec la loi Hadopi et, de ce fait, engager la responsabilité des usagers eux-mêmes?

 

Comment envisagez-vous le travail avec les fournisseurs internet actifs dans notre pays? Comment le renvoi vers des sites de téléchargement dits légaux sera-t-il opéré techniquement? Sur quels critères un site de téléchargement légal pourrait-il profiter de cette forme de publicité gratuitement offerte par les pouvoirs publics?

 

Enfin, pourriez-vous préciser comment vous comptez garantir la protection de la vie privée des clients des fournisseurs d'accès belges en leur assurant une navigation libre si vous restreignez l’accès à certains sites en créant un outil capable de fermer un site ou de le rendre inaccessible? Pensez-vous que cette méthode soit compatible avec le principe de neutralité du net, voté voici quelques années à la Chambre?

 

09.04 Minister Kris Peeters: Beste collega's, de maatregelen waaraan ik werk, liggen in de lijn van het advies inzake de handhaving van auteursrecht en naburige rechten op het internet, dat op 29 juni 2012 werd verstrekt door de Raad voor Intellectuele Eigendom.

 

En d'autres termes, l'objectif n'est pas de créer une autorité du type Hadopi en France ni de mettre en place un système de réponses graduées ou de chercher à engager la responsabilité des internautes. Mon projet s'oriente plutôt vers une sollicitation plus efficace de certains intermédiaires de l'internet dans la lutte contre les sites et contenus portant atteinte aux droits d'auteur et aux droits voisins.

 

Verder werk ik aan een specifieke stakingsvordering en een opvolgingsmechanisme die moeten toelaten om, na een gerechtelijke beslissing, websites die een inbreuk plegen op auteursrechten efficiënt en permanent te blokkeren. De betrokken maatregelen moeten nog aan de regeringspartners en de belanghebbenden worden voorgelegd via de Raad voor de Intellectuele Eigendom. Het is daarom voorbarig om reeds uitspraken te doen over een termijn, maar ik hoop die maatregelen, na een uitgebreide consultatie, begin 2018 aan u, aan het Parlement, te kunnen voorleggen.

 

Les mesures en cours de conception n'entraînent pas de dérogation aux règles régissant la protection de la vie privée des utilisateurs d'internet. Mon projet est, par ailleurs, dirigé contre les contenus qui, d'une manière ou d'une autre, portent atteinte aux droits d'auteur et aux droits voisins. À ma connaissance, la lutte contre les contenus illicites et la mise hors ligne de tels contenus ne constituent certainement pas une atteinte aux principes de la neutralité du net. Il n'est pas question dans les mesures envisagées de remettre en cause ce principe.

 

09.05  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U schetst een aantal zaken die u in die voorstellen naar voren wilt brengen. Wij kijken uit naar begin 2018 om te zien wat het eindresultaat zal zijn.

 

09.06  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le vice-premier ministre, il existe un rapport extrêmement intéressant, assez épais, de mai 2015 de la Commission européenne – et non du service d'études d'Ecolo – qui reprend toute une série de constatations sur l'impact du téléchargement illégal. Il s'agit d'une étude sur le déplacement qu'il y aurait entre la consommation dite illégale et la consommation légale. Il n'y a pas de lien, de remplacement de la consommation légale par la consommation illégale.

 

Je pense que nous aurons l'occasion, lorsque vous présenterez vos projets de loi, d'investiguer davantage en profondeur les résultats de cette étude. Il s'agit d'une étude sérieuse, d'une étude universitaire portée par la Commission européenne.

 

Vouloir légiférer pour empêcher l'accès aux sites dits illégaux n'a pas pour objectif d'orienter vers les sites légaux et d'améliorer les droits d'auteur. Cela n'a pas d'impact. S'il faut légiférer, c'est pour répondre à un problème. Or, je pense qu'ici, il n'y en a pas.

 

Par ailleurs, j'entends bien que vous ne voulez pas toucher les internautes, mais uniquement les sites. C'est une bonne nouvelle. Et j'entends bien aussi que vous ne voulez pas suivre le mauvais exemple donné par la France, qui a pris une mesure qui non contente d'être extrêmement négative pour la vie privée s'avère totalement inefficace.

 

Vous parlez de contenu illicite. Il est évident que pour un site djihadiste ou un site qui promeut la haine ou le terrorisme, la police doit prendre les mesures qui s'imposent. Ici, on parle de sites qui mettent à disposition de la culture. Ce sont deux choses fondamentalement différentes.

 

Tout ceci nous promet de beaux débats lorsque nous discuterons de votre projet de loi. Quant à nous, nous serons très attentifs à ce que la culture reste accessible et à ce que le respect de la vie privée soit garanti.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 20667 de Mme Gerkens est transformée en question écrite.

 

Vraag nr. 20796 van mevrouw Detiège wordt uitgesteld.

 

10 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "een heffing op doorlinken en citeren" (nr. 20212)

10 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la perception de droits d'auteur lorsqu'un site internet est cité ou redirigé" (n° 20212)

 

10.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag dateert al van juli en ondertussen is er misschien al een update geweest. Dat ze nog niet aan de orde is gekomen, is ook mijn schuld, omdat ik ze al eens uitgesteld heb.

 

De commissie Interne Markt en Consumentenbescherming van het Europees Parlement heeft enkele maanden geleden enkele aanpassingen aan de richtlijn betreffende het auteursrecht goedgekeurd. Twee opvallende zaken roepen daarbij vragen op.

 

Allereerst is er de zogenaamde "linktaks", artikel 11 uit de tekst. Het zijn natuurlijk de tegenstanders die dat een "linktaks" noemen. In de praktijk komt de wijziging erop neer dat partijen als Google en Facebook niet langer de titel en de eerste zin of zinnen van de inhoud van een bronpagina mogen weergeven als preview van een artikel waarnaar gelinkt wordt, zonder toestemming van de uitgever en dus de betaling van een licentie. Hierbij wordt er dus van uitgegaan dat mensen dikwijls genoeg hebben aan de eerste zinnen, geen nood meer hebben aan de rest van het artikel en er dus ook niet voor zullen betalen, laat staan de adverteerders daarvoor betalen.

 

Ten tweede is er het voorstel tot aanpassing van het auteursrecht in de muziekindustrie, artikel 13. Websites die video's van gebruikers delen, zouden filters moeten hebben om filmpjes of muziek die auteursrechtelijk beschermd materiaal bevatten, te weren.

Ik heb hierover de volgende eenvoudige en beknopte vraag, met een hopelijk minder beknopt antwoord.

 

Wat is het Belgische standpunt ten opzichte van de Europese voorstellen tot wijziging van het auteursrecht? Welk standpunt neemt België in de Europese Raad in?

 

10.02 Minister Kris Peeters: Het is evident dat het auteursrecht ook op het internet wordt nageleefd. Als bijvoorbeeld een krantenartikel waarop auteursrechten gelden, wordt gereproduceerd, dan is daarvoor de toestemming van de rechthebbenden vereist. Wanneer er geen reproductie plaatsvindt of wanneer er sprake is van een uitzondering, is vanzelfsprekend geen toestemming vereist.

 

Wat artikel 11 van de voorgestelde richtlijn betreft, is België dan ook geen voorstander van de invoering van een nieuw naburig recht voor persuitgevers. Wel kan eventueel nagedacht worden over een vermoeden van vertegenwoordiging wanneer van de persuitgever vermoed wordt de auteur te vertegenwoordigen, zonder dat hij dat telkens op individuele basis moet bewijzen. Op die manier wordt het afdwingen van het reeds bestaande auteursrecht gefaciliteerd.

 

België steunt de doelstellingen van artikel 13 om rechthebbenden een betere controle te verlenen over de verspreiding van hun werken online en, anderzijds, bij te dragen tot een eerlijkere vergoeding van de rechthebbenden in ruil voor het gebruik van hun werken. Artikel 13 zoals voorgesteld door de commissie, roept echter verschillende vragen op en vereist een verdere verduidelijking van het toepassingsgebied en de voorgestelde maatregelen.

 

De belangrijkste bekommernissen zijn een duidelijke afbakening van de diensten die men wilt regelen, de proportionaliteit van de voorgestelde maatregelen en het garanderen van de fundamentele vrijheden, zoals het recht op vrije meningsuiting.

 

Mijn kabinet volgt het dossier samen met de FOD Economie en de permanente vertegenwoordiging van nabij op. Wij zullen de standpunten, die ik zopas heb meegegeven, verdedigen in de verschillende werkgroepen.

 

10.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik deel uw mening dat de volledige reproductie van auteursrechtelijk beschermd werk niet kan zonder toestemming, ook niet op het internet. Dat is een evidentie. Dat hebben wij al genoeg bevestigd.

 

Ik dank u ook voor uw stellingname dat u geen voorstander bent van een naburig recht voor uitgevers op dat vlak. Dat is ook heel goed. Ik merk wel enige ruimte wanneer u het hebt over een uitgever die een auteur vertegenwoordigt.

 

De vraag is dan inderdaad wat een toegestane uitzondering is. Is een citaat van twee zinnen uit een artikel van een volledige pagina een toegestane uitzondering? Intuïtief zou men denken van wel, maar dat is de kern van de discussie in het verhaal. Daar mis ik een duidelijke concrete stellingname. U verwees naar de proportionaliteit. Dat is inderdaad het sleutelelement, maar ik had graag van u vernomen wat uw mening is over die proportionaliteit. In hoeverre vindt u een citaat van twee zinnen uit een tekst van een pagina proportioneel?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de directe inning bij overtreding door SABAM" (nr. 20818)

11 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la perception directe par la SABAM en cas d'infraction" (n° 20818)

 

11.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, SABAM stuurt regelmatig een aantal controleurs – vroeger waren dat zelfstandigen, vandaag zijn zij in loondienst om de kwaliteit te bewaken – de baan op om controles uit te voeren en overtredingen op het auteursrecht vast te stellen. Een correcte opvolging van de auteursrechten is inderdaad belangrijk, maar daarbij lijkt de slinger van de redelijkheid al eens door te slaan bij zo’n controleur. Er is recent een voorbeeld in de media gekomen van een bedrijf dat een onmiddellijke inning van 443 euro werd aangerekend, omdat een werkneemster via de luidspreker in haar gsm, niet echt de meest kwalitatieve stereo-installatie denkbaar, een aantal collega’s even naar muziek liet luisteren. De controleur die aanwezig was voor een controle van wachtmuziek, schreef meteen een factuur uit, zonder enige menselijke uitleg hierbij.

 

Hoe evalueert u dat incident met SABAM? Zult u het bedrijf hierop aanspreken, aangezien het weeral een deuk is in de reeds lage dunk die de publieke opinie van SABAM heeft en dus ook van de macht die de overheid aan die private organisatie toekent voor het controleren van de auteursrechten? De overheid ziet daarop toe via de controlecommissie. U hebt daarin een zekere bevoegdheid.

 

Hoeveel van dergelijke directe inningen schrijven de controleurs jaarlijks uit?

 

Welke richtlijnen hanteert SABAM om over te gaan tot een dergelijke directe inning?

 

Los van de letter van de wet – en niemand stelt het verbod op publieke mededeling zonder de toestemming van de auteur ter discussie –, zou het niet logischer zijn om prioritair in te zetten op waarschuwing en educatie over auteursrecht bij een eerste overtreding? Als men even een muziekje opzet met zijn gsm, is men er zich meestal niet van bewust dat men daarmee een fout begaat. Veel mensen hebben dat uiteraard niet door.

 

In hoeverre ziet u de mogelijkheid om, naar analogie van de aanpak van piraterij, eerst een waarschuwing op te leggen bij een dergelijke onbewuste overtreding van het auteursrecht in plaats van meteen over te gaan tot een directe inning? U kent buitenlandse voorbeelden als three strikes out. Wij hebben ook eerst een waarschuwingssysteem. Welke wettelijke mogelijkheden bestaan daartoe of zou u kunnen opleggen, al dan niet via de controlecommissie van de beheersvennootschappen? Welke mogelijkheden hebt u via soft law of overleg? U ziet de mensen van SABAM ook af en toe op uw kabinet, neem ik aan.

 

11.02 Minister Kris Peeters: Collega Dedecker, volgens de informatie die de controledienst van SABAM heeft ontvangen, heeft de betrokken onderneming niet gereageerd op de vraag van SABAM de nodige inlichtingen te verstrekken in het kader van het Unisonoakkoord. Dat akkoord gaat over muziek op de werkvloer.

 

Vervolgens heeft een beëdigde afgevaardigde van SABAM een controle verricht op 24 mei 2017. Tijdens die controle heeft de controleur de nodige vaststellingen gedaan. Hierna ontving de betrokken onderneming een factuur waarin een verhoging werd opgenomen wegens de niet-aangifte en de kosten van het controlebezoek.

 

Ik heb de controlediensten naar aanleiding van uw vraag verzocht het specifieke dossier te onderzoeken, voor ik mij uitspreek over de gevolgde werkwijze. Ik heb hierover nog geen rapport gekregen van de controlediensten, maar ik meen dat het goed is dat ik de controlediensten eerst verzocht heb het dossier te bekijken. Aan de hand van het onderzoek zullen verdere stappen ondernomen worden. Dan kan ik mij ook uitspreken over het dossier.

 

Wat de controles in de bedrijven betreft, wordt door de betrokken beheersvennootschappen, SABAM en Simim, een onderscheid gemaakt tussen ondernemingen die verklaren geen muziek te gebruiken, en ondernemingen die niet reageren op de mailing.

 

In totaal vonden in 2016 1 871 controles plaats bij dergelijke ondernemingen. Hierbij werd in 156 gevallen vastgesteld dat er een publieke mededeling van beschermde werken zou hebben plaatsgevonden.

 

De beheersvennootschappen hebben een grote mate van autonomie om te bepalen hoe zij optreden tegen het onrechtmatig gebruik van hun repertoire. In casu werd eerst een mailing rondgestuurd waarin de betrokken ondernemingen werden ingelicht over het muziekgebruik in de onderneming. Pas nadien vond er een controle plaats.

 

Dat is de werkwijze van SABAM. Eerst wordt een verzoek om informatie verstuurd, vooraleer SABAM overgaat tot controles en eventuele verhogingen wegens niet-aangifte.

 

Het is niet direct een antwoord op uw vraag, maar ik heb de beheersvennootschappen bij mij geroepen naar aanleiding van het verslag van de controledienst om van hen te vernemen hoeveel middelen daar geparkeerd zijn en dus niet doorgestort, en hoe het zit met hun werkingskosten.

 

Kortom, mijn kabinet is, zoals u voorgesteld had, vrij intensief bezig met de beheersvennootschappen, omdat er een aantal zaken zijn waarover ik graag wat meer tekst en uitleg krijg.

 

Zo heb ik de controledienst gevraagd de werkingskosten, die bij sommige vennootschappen zeer hoog zijn, en geïnde bedragen die om uiteenlopende redenen niet konden worden doorgestort, onder de loep te nemen. Ik ben vrij intensief met het dossier bezig om ter zake toch heel wat meer transparantie te brengen.

 

11.03  Peter Dedecker (N-VA): Dank u, mijnheer de minister, voor het antwoord. Het is een goede zaak om voor de specifieke casus het onderzoek af te wachten, dat lijkt mij evident. Ik zal het dossier op tijd en stond wel oprakelen, zodra u meer informatie hebt.

 

Het is zeer goed dat u intensief bezig bent met de beheersvennootschappen, want dat is een permanent verhaal: u bent niet de eerste die daarmee de handen vol heeft. Het is goed dat naar de werkingskosten wordt gekeken, maar niet alleen daarnaar. Transparantie en doelmatigheid blijven belangrijk. Mensen zijn bereid om te betalen voor auteursrechtelijk beschermd materiaal, zoals we zien aan de toename van premiumstreamingdiensten. Mensen zijn bereid om te betalen voor content, maar het is ook zeer belangrijk dat ze zich er ten volle bewust van zijn en de nodige garanties hebben dat de middelen ook effectief terechtkomen bij de juiste personen. Dat is soms een trade-off tussen kosten en de juiste bestemmelingen. Verlies vooral dit niet uit het oog: de geïnde bedragen moeten terechtkomen bij de juiste personen.

 

In het voorbeeld argumenteerde de beheersvennootschap ten opzichte van de werkneemster of, indirect, haar werkgever, dat zij schade heeft geleden, doordat zij de radio heeft opgezet en enkele collega's heeft laten meeluisteren. Als dat structureel gebeurt, dan heeft de vennootschap inderdaad schade geleden. Als dat incidenteel is, dan durf ik mij afvragen in hoeverre de directe inning in afwachting van het onderzoek wel degelijk proportioneel is. Een eenvoudig persoon kan zich door die werkwijze geïntimideerd voelen en geen zin hebben in proceskosten, maar als die toch weigert te betalen, is het alternatief dat de vennootschap naar de rechter stapt en de geleden schade vordert. Wat zou een rechter daarmee dan aanvangen? Zou hij effectief stellen dat het een schadepost voor de auteurs is geweest van 443 euro? Ik betwijfel of de rechter zo’n vonnis zou uitspreken, als het gaat over onwetendheid. Ik denk dat hij dan veeleer een schadevergoeding van een symbolische euro zal opleggen. Kan een beheersvennootschap dus wel haar gram halen in geval van een eerste, onbewuste overtreding?

 

Mijns inziens is informatie te allen tijde zeer belangrijk, niet alleen voor de ondernemingen, maar ook voor het personeel.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer Dedecker, om zeker te zijn, wil ik u het volgende vragen. Onder agendapunt 41 hebt u een vraag nr. 21730 over de fotokopievergoeding staan. Heeft die vraag al dan niet dezelfde inhoud als uw vraag nr. 21037 onder agendapunt 26 over de thuiskopie­vergoeding? Gaat het om dezelfde, of om verschillende vragen?

 

11.04  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de voorzitter, de vraag onder agendapunt 41 heb ik afgelopen maandag pas ingediend. Ik had nog niet gezien dat die was toegevoegd aan de agenda van vandaag.

 

De voorzitter: Dank u wel. Ik wilde het zeker weten. Wenst u beide vragen ook te behandelen?

 

11.05  Peter Dedecker (N-VA): Jawel, mijnheer de voorzitter, het zijn twee afzonderlijke vragen.

 

De voorzitter: Misschien kunnen wij beide vragen na elkaar behandelen, als ook de heer Janssen daarmee akkoord gaat. (Instemming)

 

12 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de thuiskopievergoeding" (nr. 21037)

12 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la redevance pour copie privée" (n° 21037)

 

12.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, met het KB van 11 december 2016 hebt u geprobeerd om de Belgische regelgeving inzake de thuiskopie in overeenstemming te brengen met de Europese rechtspraak waaronder het Padawan-arrest. Daar is een lange historie aan voorafgegaan, zoals de voorzitter van onze commissie ook weet.

 

Dit KB voert een regeling in voor de terugbetaling of de vrijstelling van de thuiskopievergoeding. Professionele gebruikers kunnen ofwel de betaalde thuiskopievergoeding terugvorderen, ofwel hun aankopen verrichten bij een vrijgestelde leverancier.

 

De lijst met vrijgestelde leveranciers kan op de website van Auvibel worden geconsulteerd. Ik heb dat daarnet nog eens gedaan, maar er is nog geen enkele leverancier als vrijgesteld leverancier erkend.

 

Mijnheer de minister, hoeveel aanvragen voor terugbetaling van de thuiskopievergoeding heeft Auvibel reeds ontvangen van hoeveel professionele gebruikers en voor welk bedrag? Op welke manieren werd deze nieuwe mogelijkheid tot terugbetaling proactief gecommuniceerd door Auvibel of door andere diensten onder uw gezag? Op welke manier werd de mogelijkheid tot het afsluiten van een vrijstellingsovereenkomst proactief door Auvibel of uw diensten gecommuniceerd aan potentieel in aanmerking komende leveranciers?

 

Hoe verklaart u het feit dat er tot op heden nul vrijstellingsovereenkomsten afgesloten zijn? Verdelers, groot- en kleinhandels, die een vrijstellingsovereenkomst willen afsluiten, mogen uitsluitend apparaten en dragers ter beschikking stellen aan professionele gebruikers. Dat maakt dat zij in dat geval andere potentiële klanten zullen moeten weigeren. Ze mogen alleen nog aan één categorie van klanten verkopen. De andere categorie moeten zij weigeren. Dat is uiteraard niet zo aantrekkelijk om een vrijstellingsovereenkomst af te sluiten.

 

In hoeverre overweegt u die exclusiviteit van verkoop aan professionele gebruikers af te schaffen en elke handelaar de mogelijkheid te bieden om te verkopen zonder heffing?

 

Hoe evalueert u uw KB, wetende dat de Dienst Administratieve Vereenvoudiging voorafgaandelijk waarschuwde voor een te grote administratieve drempel om de terugbetaling aan te vragen?

 

Wilt u graag dat ik ook al de tweede vraag over de fotokopievergoeding stel? Dat is iets anders dan de thuiskopie.

 

12.02 Minister Kris Peeters: Graag een voor een.

 

In de periode van januari tot augustus 2017 werd geen enkele aanvraag tot terugbetaling ingediend door een professionele gebruiker. In de praktijk bestond deze terugbetalingsprocedure reeds voor de inwerkingtreding van het nieuwe KB. Auvibel had echter ook toen al geen enkele aanvraag tot terugbetaling van professionele gebruikers ontvangen.

 

De websites van de FOD Economie en Auvibel werden aangepast zodra de nieuwe regelgeving in werking trad. Op de startpagina van Auvibel die u daarstraks blijkbaar hebt bezocht, wordt melding gemaakt van de aanpassing van de regelgeving. Er zijn speciale pagina's gewijd aan informatie voor het verkrijgen van een terugbetaling of het afsluiten van een overeenkomst voor een vrijstelling van de vergoeding.

 

Omdat deze regeling meerdere malen werd besproken binnen de Adviescommissie Thuiskopie, met de betrokken professionele milieus, kan worden aangenomen dat deze informatie genoegzaam bekend is in de sector en de betrokken sectororganisaties dit gemakkelijk verder onder hun leden kunnen verspreiden.

 

Wat uw vierde vraag betreft, beschik ik nog niet over feitelijke gegevens die toelaten om de impact te evalueren van de nieuwe bepalingen. De nieuwe regeling is pas in werking getreden begin dit jaar. Ik kan wel zeggen dat de controledienst nog geen enkele klacht heeft ontvangen.

 

Volgens het KB van 18 oktober 2013 zijn verdelers, dus groot- en kleinhandels, die een vrijstellingsovereenkomst willen afsluiten inderdaad verplicht om uitsluitend apparaten en dragers aan professionele gebruikers ter beschikking te stellen. Deze maatregel is een maatregel van controle. Het KB trad in werking op 30 december 2016 en is dus relatief jong. Desalniettemin sta ik open voor een evaluatie van dit KB in de Adviescommissie Thuiskopie, al denk ik dat het nu nog te vroeg is.

 

Dit KB lijkt na een evaluatie van verschillende Europese voorbeelden een evenwichtig en correct systeem te bepalen dat de risico's van misbruik probeert te vermijden. De administratieve lasten voor de professionele gebruikers werden in de vergaderingen van de Adviescommissie Thuiskopie besproken tijdens discussie over dit KB. Ten opzichte van het oorspronkelijk voorstel werden verschillende maatregelen genomen om de administratieve lasten te beperken.

 

Als conclusie kan ik zeggen dat dit wat mij betreft een evenwichtig KB is, rekening houdend met ieders gerechtvaardigde insteek en belangen, en met een evenwichtige verdeling van de lasten. Een evaluatie kan dit verduidelijken, bevestigen of naar boven spitten. Wij moeten ervoor zorgen dat er voldoende tijd is verstreken om de werking van dat KB op een deftige manier te evalueren. Minder dan een jaar is misschien iets te snel. Ik sta daar hoe dan ook voor open.

 

12.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.

 

U zegt dat de mogelijkheid om een terugbetaling aan te vragen al bestond. Als men keek op de website van Auvibel, dan bleek dit een zeer complexe procedure te zijn. Het was niet echt motiverend om dit te doen. Dat is ook het argument dat de DAV aanhaalt. De administratieve procedure was voor de betrokken onderneming duurder dan de eventuele opbrengst van de terugbetaling. Dit vormde dus wel degelijk een hoge drempel.

 

Wat de evaluatie betreft, mochten er slechts mondjesmaat aanvragen voor terugbetaling worden ingediend, dan zou ik inderdaad beamen dat een jaar te vroeg is. Het gaat hier echter om de volle nul. Nul wil zeggen dat de voorbije tien maanden niemand ook maar enige interesse heeft getoond. Dit lijkt mij zeer weinig en het lijkt mij ook in overeenstemming te zijn met de waarschuwing van de Dienst Administratieve Vereenvoudiging.

 

Het lijkt mij dan ook geen slechte zaak om dit op de agenda te zetten van de Adviescommissie Thuiskopie, zodat een rondvraag kan worden gehouden bij de verschillende leden over de eventuele input die zij hebben ontvangen van hun achterban.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Peter Dedecker aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de fotokopievergoeding" (nr. 21730)

13 Question de M. Peter Dedecker au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la rémunération de reprographie" (n° 21730)

 

De voorzitter: Mijnheer Dedecker, u mag uw vraag stellen met instemming van de andere aanwezige leden. De vraag gaat immers min of meer over hetzelfde onderwerp. Deze volgorde lijkt mij dus logisch.

 

13.01  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de voorzitter, ik dank de aanwezige leden.

 

Mijnheer de minister, deze vraag gaat niet over de thuiskopievergoeding maar over de fotokopievergoeding. Dat is een ander stelsel, namelijk de reprografie. Het heeft er evenwel uiteraard enigszins mee te maken en het is natuurlijk ook een uitzondering op het auteursrecht.

 

Het onderwerp is evenwel actueler. Zoals u immers weet, loopt momenteel de boekenbeurs in Antwerpen. Naar aanleiding daarvan voerden enkele auteurs en uitgevers actie tegen de fotokopievergoeding of reprografievergoeding, die door Reprobel wordt geïnd. Het was trouwens een van uw favoriete dossiers, waaraan u ook enige tijd hebt besteed. De auteurs en uitgevers klagen aan dat het paginatarief, zijnde de evenredige vergoeding, zoals ze in de wet wordt genoemd en die kopieerders betalen, is verdrievoudigd. De auteurs zouden echter slechts de helft van hun vroegere inkomsten krijgen.

 

Dat lijkt mij, op zijn zachtst gezegd, nogal kort door de bocht. Het reprografierecht werd, zoals u weet, in 2016 met ingang in 2017 hervormd naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak HP versus Reprobel. Daarbij kwam de vaste heffing op apparaten te vervallen. Zij werd deels door de evenredige vergoeding op het aantal kopieën gecompenseerd, zijnde het door de auteurs genoemde paginatarief, dat met factor 2,7 ten bate van auteurs en uitgevers verhoogde.

 

Uiteraard gaan zij te kort door de bocht, omdat de vaste vergoedingen in het verleden ook werden betaald. Het is niet dat zij niet bestonden. Zij werden ook betaald en uiteraard ook aan de eindverbruiker doorgerekend, wat de betrokken auteurs ter zake even vergaten te vermelden. Bovendien waren de totale inkomsten uit de door de consumenten en de bedrijven betaalde heffingen, zijnde dus de optelsom van de vaste en de variabele vergoeding, in België voordien buitenproportioneel. Zij behoorden tot de hoogste van Europa, wat de betrokken auteurs en uitgevers ook even vergaten te vermelden.

 

Vandaar mijn volgende vragen.

 

Wij kennen allemaal ‘Zondag Bendag’. Zondag is immers de dag dat minister Ben Weyts in de media verschijnt. Af en toe heb ik echter de indruk dat elke dag een ‘Kris Peetersdag’ is. Ik had dus eigenlijk verwacht dat op een dergelijke misleidende communicatie van de betrokken auteurs en uitgevers een reactie van de heer Kris Peeters zou komen en dat hij de verkeerde indruk die in de pers over zijn beleid werd gewekt, zou rechtzetten of trachten recht te zetten.

 

Ten eerste, op welke manier hebt u getracht de misleidende communicatie over uw beleid of over het beleid van de huidige regering recht te zetten?

 

Ten tweede, hoe evalueert u vandaag de hervorming, die bijna een jaar in voege is? Ze is nog geen jaar in voege, maar er is niettemin al enige commentaar op gekomen.

 

Ten derde, hoe staat het met de studie naar de omvang van de werkelijke schade? Deze zou op termijn toch haar beslag moeten kennen.

 

13.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, collega Dedecker, ik heb gewacht op het antwoord op de vraag die u gesteld hebt. Ik vertrouw het u toe daarover nu de nodige communicatie te doen. Ik zou immers niet graag hebben dat ik te overweldigend in de media kom. Ik probeer mij af en toe wat te bedwingen.

 

Ik geef u nu het antwoord. U kunt het ook schriftelijk meekrijgen. De volgende uren en dagen zal ik u alle kansen geven hierover te communiceren. Laat u gaan, zou ik zeggen.

 

Alle gekheid op een stokje, ik ben het met u eens dat de berichtgeving over de fotokopievergoeding en andere auteursrechtelijke onderwerpen iets genuanceerder had kunnen zijn, en dan druk ik mij voorzichtig uit.

 

Belangrijker dan de berichtgeving is natuurlijk de grond van de zaak. Het is belangrijk dat er een regeling wordt uitgewerkt die steek houdt en die gebaseerd is op objectieve criteria. Ik heb in dit verband dan ook het initiatief genomen om een studie te lanceren om het nadeel van de rechthebbenden te berekenen. Ik kom straks nog terug op de timing.

 

De nieuwe wetgeving inzake reprografie lijkt mij, gelet op de Europese rechtspraak, een solide en evenwichtige oplossing te bieden. Door de afschaffing van de forfaitaire vergoeding werd de evenredige vergoeding immers op wezenlijke punten opnieuw gevaloriseerd teneinde de door de auteurs geleden schade te vergoeden. De nieuwe wet kreeg pas haar volledige uitwerking met de koninklijke besluiten van 5 maart 2017, waarin onder andere de inningsmodaliteiten en de tarieven werden vastgelegd. In september werd de beheersvennootschap aangeduid die bevoegd is voor de inning en de verdeling van de reprografievergoeding volgens de modaliteiten van de nieuwe wet, zodat sinds kort met de definitieve inning van de vergoeding voor het referentiejaar 2017 gestart kon worden.

 

Het is dan ook te vroeg om een echte evaluatie te maken. De tarieven in de twee koninklijke besluiten van 5 maart hebben, zoals u weet, een beperkte geldigheidsduur, daar de studie in verband met de raming van de schade door de uitzondering voor reprografie dit jaar wordt uitgevoerd.

 

Zodra de resultaten van deze studie op tafel liggen, kunnen de tarieven opnieuw worden herzien.

 

In verband met de timing, deze studie loopt nog steeds. De conclusies worden verwacht tegen het einde van dit jaar en zullen dan bekendgemaakt worden.

 

13.03  Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, ik kijk samen met u reikhalzend uit naar de resultaten van de studie, zodat wij de juiste, deftige tarieven kunnen hanteren. Het is echter zeer belangrijk dat wij op een correcte manier te werk gaan met de studie. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij zou verbazen mochten er mensen effectief werken van Tom Lanoye kopiëren. Wij zullen wel zien wat deze studie brengt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de Mme Karine Lalieux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les dettes des sociétés de droits d'auteurs envers les auteurs et les ayants droit" (n° 21206)

14 Vraag van mevrouw Karine Lalieux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de bij auteurs en rechthebbenden uitstaande schulden van de verenigingen voor auteursrechten" (nr. 21206)

 

14.01  Karine Lalieux (PS): Monsieur le ministre, la presse s’est fait écho de votre volonté d’éliminer la dette des sociétés de droits d’auteur envers les artistes. Il y aurait aujourd’hui 600 millions d’euros à payer aux artistes et ayants droit, soit 129 millions d’euros en plus en quatre années. Ces montants impressionnants interpellent.

 

Comment expliquez-vous qu’une telle somme n’ait pas encore été distribuée? Comment expliquez-vous cet accroissement si important en quatre années? Ce retard dans le paiement est-il particulièrement aigu chez certaines sociétés de gestion de droits d’auteur? Ou est-ce un problème généralisé?

 

Actuellement, en moyenne, après combien de temps un auteur ou un ayant droit perçoit-il les rétributions pour ses droits d’auteurs? À quels groupes d’auteurs ou ayants droit sont principalement destinées ces sommes?

 

Puisque vous avez annoncé un plan pour remédier à ce problème, comment comptez-vous accélérer le paiement de ces sommes?

 

14.02  Kris Peeters, ministre: Madame Lalieux, différentes raisons expliquent la dette envers les ayants droit. Une partie des montants perçus doivent encore être répartis sur la base des règles de répartition. En outre, la somme comprend des droits non encore perçus dans le cadre d'une licence légale où les ayants droit ne sont pas affiliés à la société de gestion concernée.

 

Les 26 sociétés de gestion ont toutes des dettes envers les ayants droit. En moyenne, la vitesse de répartition est de quinze mois après la clôture de l'année comptable de la perception. Ici, il y a de grandes différences entre les sociétés de gestion, qui varient d'un mois à plus de trois ans. Également, en ce qui concerne les frais de fonctionnement, il existe des différences de 5 à 30 % et, dans des cas exceptionnels, même plus.

 

Pour des chiffres plus détaillés et pour plus d'informations, je vous invite à consulter le rapport annuel du service de contrôle, même si vous l'avez, sans doute, déjà lu.

 

En outre, je peux vous dire qu'en vertu de la loi du 8 juin 2017, j'ai déjà pris différentes mesures afin d'améliorer la vitesse de répartition et de réduire les frais de fonctionnement des sociétés de gestion.

 

Concrètement, les sociétés de gestion doivent rétribuer les ayants droit dans les 9 mois au lieu des 24 mois et une limite de 15 % des frais de fonctionnement est imposée. À la suite du rapport annuel, une concertation avec l'ensemble des sociétés de gestion a eu lieu le 25 octobre. J'ai demandé aux sociétés de gestion d'élaborer un plan d'action afin de rendre la répartition des droits plus efficace dans l'intérêt des acteurs et des auteurs. J'ai également demandé au service de contrôle d'élaborer des mesures afin de faire face au(x) problème(s) mentionné(s). Une nouvelle concertation avec l'ensemble des sociétés de gestion est programmée pour le mois de décembre.

 

Je continuerai à m'engager pleinement en collaboration avec les services de contrôle et les sociétés de gestion pour que les ayants droit reçoivent les contributions auxquelles ils ont droit dans un délai raisonnable.

 

14.03  Karine Lalieux (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je ne sors pas mécontente de la commission. Il était important de se concerter, en effet. Je reviendrai au mois de décembre pour vous interroger sur le plan de gestion qui sera proposé. C'est ce qu'il faut résoudre, parce que les artistes comme les ayants droit ont rapidement besoin de cet argent. Au niveau de la chaîne, ce sont eux qui sont fragilisés et non les sociétés de gestion. Il est opportun de poursuivre les contrôles, car c'est grâce à ces derniers que les ayants droit seront plus rapidement payés.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het papieren betaalbewijs" (nr. 20709)

15 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "le ticket de caisse papier" (n° 20709)

 

15.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, in sommige winkels wordt aan klanten gevraagd om een e-mailadres te geven vooraleer ze een betaalbewijs krijgen. Dat heeft zijn voordelen. Het is goedkoper en milieuvriendelijker. Men kan het ticket bovendien niet verliezen enzovoort.

 

Er rijst natuurlijk echter een probleem als de klant een papieren ticket geweigerd wordt als hij of zij erom vraagt. Daardoor zal de klant geen bewijs hebben van aankoop en zich dus ook niet kunnen beroepen op de garantie of de mogelijkheid tot omruilen. Het consumentenrecht stelt nochtans: "Zijn in elk geval onrechtmatig, bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken".

 

Aangezien we in een steeds meer digitaal wordende maatschappij leven en die situaties zich wellicht meer zullen voordoen, vernam ik graag van u of een winkel verplicht is een papieren betaalbewijs af te leveren wanneer een klant hierom vraagt of volstaat het om enkel in de mogelijkheid van een elektronisch kassaticket te voorzien? Hebt u reeds klachten ontvangen over deze problematiek? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?

 

15.02 Minister Kris Peeters: Dit is een juridische vraag. Ten eerste, er bestaat geen wettelijke verplichting voor winkels om een kasticket af te leveren. De meeste winkels doen dat wel. De evolutie naar elektronische documenten en elektronische betaalbewijzen is te begrijpen en naar ik meen ook niet te stoppen.

 

Deze evolutie mag er echter niet toe leiden dat een consument die geen elektronische documenten wenst te krijgen of die er niet mee kan werken, bewijsstukken zou worden onthouden die hij nodig heeft om zijn rechten te doen gelden, bijvoorbeeld op het vlak van garantie. Deze bewijsstukken moeten ook niet noodzakelijk kastickets zijn.

 

Ten tweede, ik heb nog geen enkel signaal ontvangen dat consumenten op dit vlak met problemen zouden worden geconfronteerd. De Economische Inspectie heeft hierover tot op heden geen klachten ontvangen.

 

Ten derde, ik plan bijgevolg geen specifieke actie, tenzij u mij bijkomende informatie geeft die dat wel zou vereisen. Ik vraag de FOD Economie om aandachtig te zijn voor de ontwikkelingen op dit vlak. Mochten er toch klachten zijn, dan kunnen we daarmee verder rekening houden.

 

15.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de omslag naar meer digitaal is inderdaad logisch en niet te stoppen. Die omslag heeft de voorkeur, maar een aantal mensen wil niet digitaal werken of ziet het niet zitten om een e-mailadres aan een commercieel bedrijf te geven. Men weet namelijk dat men dan oneindig bestookt zal worden met mails, waarop men zich telkens moet uitschrijven.

 

Als er u nog geen klachten bekend zijn, dan kan ik u alvast één klacht bezorgen die tot bij mij geraakt is, maar ik geef toe dat het vandaag geen groot maatschappelijk probleem is. Laten wij het echter wel in de gaten houden en, desnoods via een sensibilisering van de sector, oproepen om die problemen te vermijden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de aankondiging van prijsverminderingen" (nr. 21038)

16 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'annonce de réductions de prix" (n° 21038)

 

16.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dat de retailsector onder zware concurrentiedruk staat, zal voor u geen nieuws zijn. Via allerhande acties en kortingen proberen zij de klant naar hun winkels te lokken. Zolang de consument hierbij zijn voordeel kan doen en niet misleid wordt, is er geen probleem.

 

Anders wordt het wanneer een winkel zichzelf aanprijst als de goedkoopste, maar dat bij nader inzicht toch niet blijkt te zijn. Zo maakte Colruyt, met alle respect voor zijn verdiensten in Vlaanderen, recent reclame voor een aantal producten, waarbij een opmerkzame consument er ons attent op maakte dat de geafficheerde prijsvermindering er in werkelijkheid geen was.

 

Zo pakte men in een folder uit met de aankondiging dat de eenheidsprijs voor een zak chips vanaf 20 september 2017 1,78 euro bedraagt. Dezelfde consument had de dag voordien dezelfde zak chips aangekocht voor 1,48 euro. Pas bij aankoop van meerdere eenheden van dit product zou men als consument een korting ontvangen, vanaf twee stuks 20 % en vanaf vier stuks 25 %. Het lijkt dus alsof men de prijs van de zak chips eerst met 20 % verhoogde om nadien voor te houden dat er een korting van 20 % werd gegeven, die bovendien gekoppeld is aan de voorwaarde om meteen twee stuks te kopen.

 

Hoe beoordeelt u de geschetste situatie?

 

Gaat het hier om een misleidende handelspraktijk?

 

In 2015 werden de regels rond de aankondiging van prijsverminderingen in ons land aangepast aan de Europese rechtspraak. U verklaarde toen in het Parlement dat u werk zou maken van de publicatie van richtlijnen teneinde de sector wat houvast te bieden wanneer zij prijsverminderingen wil aankondigen. Zijn deze richtlijnen er en zijn deze voldoende?

 

16.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Janssen, het is natuurlijk wel zo dat men met vele dingen in het leven geconfronteerd wordt en ik heb begrepen dat de consument zich dan tot u richt om eindelijk duidelijkheid te krijgen, wat een zeer goede zaak is. U richt die vraag dan aan mij om duidelijkheid te krijgen.

 

Ik kan mij natuurlijk niet direct uitspreken over de concrete elementen die u hebt aangehaald betreffende de zak chips. Om na te gaan of er inderdaad sprake is van een inbreuk op de rechtsregels van boek VI van het Wetboek van economisch recht moet er echter steeds een tegensprekelijk onderzoek gebeuren. U weet dat de Economische Inspectie is belast met het toezicht op de regels.

 

In dit licht lijkt het mij van belang te weten of het gaat over een praktijk van een onderneming en dus niet over een geïsoleerd geval.

 

Naar aanleiding van uw vraag heb ik mijn kabinet contact laten opnemen met Colruyt. De problematiek lijkt voort te vloeien uit het feit dat er een aantal weken verlopen tussen het in druk geven van de publicitaire folder en de verspreiding ervan. Colruyt zal nagaan hoe de informatie aan de consument over de prijzen die in de folder werden aangeduid kan worden verbeterd.

 

Op uw derde vraag kan ik bevestigen dat de guidelines gepubliceerd zijn op de website van de FOD Economie. Indien uit vragen van marktactoren of uit werkzaamheden van de FOD Economie zou blijken dat nog andere verduidelijkingen nodig zijn, zullen die guidelines verder worden aangevuld. He is immers de bedoeling van de guidelines om duidelijkheid te brengen. Zolang die duidelijkheid niet volledig is, moeten de guidelines worden uitgebreid en aangepast.

 

Colruyt is aan het onderzoeken hoe een en ander is verlopen en zal er in de toekomst hopelijk voor zorgen dat de timelap tussen het drukken van de folder en het verspreiden ervan geen bijkomende problemen geeft, zoals u in uw voorbeeld hebt aangehaald.

 

16.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, het zou niet mogen gebeuren. Wij hebben de folder gezien en dat dus zelf kunnen vaststellen. Het is moeilijk te beoordelen of dit gaat over een veelvoorkomende praktijk of over een eenmalige gebeurtenis.

 

Ik denk dat Colruyt dit nu zal onderzoeken en eventueel aanpassingen aan zijn beleid ter zake zal doen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het huis-aan-huisverkopen van energiecontracten" (nr. 21040)

17 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la vente en porte à porte de contrats de fourniture d'énergie" (n° 21040)

 

17.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, het Netwerk tegen Armoede roept op tot een verbod op het huis-aan-huisverkopen van energiecontracten. De oproep kwam er na een aantal klachten over de verkoop van energiecontracten in Oostende. Er werden contracten afgesloten terwijl de consument het contract niet begreep, bijvoorbeeld omdat hij of zij de Nederlandse taal niet machtig is. Enige tijd geleden riep ook Test-Aankoop al op tot een verbod op huis-aan-huisverkoop van energiecontracten en stelde ik hierover reeds een aantal vragen.

 

ln juni van dit jaar werd een vernieuwde gedragscode ondertekend met de energieleveranciers. Gelet op de Europese regelgeving werd hierin geen verbod op de huis-aan-huisverkoop opgenomen. Er blijken echter nog steeds problemen te zijn met de huis-aan-huisverkoop.

 

Mijn vragen hierover zijn dan ook de volgende.

 

Hoeveel klachten werden door de Economische Inspectie genoteerd voor de jaren 2014 tot heden?

 

Onderzoekt u maatregelen om de huis-aan-huisverkoop toch anders te reguleren?

 

17.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Janssen, ik heb wat schriftelijk cijfermateriaal bij elkaar gezocht voor u. Ik zal het u straks overhandigen.

 

De Economische Inspectie ontving sinds 2014 in totaal meer dan driehonderd meldingen over de huis-aan-huisverkoop van energiecontracten. Dat waren er 21 in 2014, 120 in 2015, 89 in 2016 en 78 in 2017.

 

Ik herhaal wat ik eerder al zei: een huis-aan-huisverkoop is een handelspraktijk en kan dus niet verboden of gereglementeerd worden omdat deze op Europees niveau geharmoniseerd werd. Ter herinnering, ons land werd veroordeeld door het Europees Hof van Justitie wegens de onvolledige omzetting van de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken. Een van de elementen van die veroordeling betrof net de beperkingen die in de wet over de ambulante handel opgenomen waren en die ondertussen opgeheven zijn.

 

Het is echter belangrijk om het probleem aan te pakken. Begin dit jaar werd een gedragscode “directe verkoop face to face” afgesloten. Vooral ondernemingen die actief zijn in de verkoop van energiecontracten hebben zich tot deze gedragscode verbonden.

 

In de laatste versie van het energieakkoord zijn ook nog een aantal bijkomende regels opgenomen voor de verkoop buiten verkoopruimten. Deze moeten ertoe bijdragen dat het verkoopsgesprek correct verloopt.

 

De gedragscode “directe verkoop” voorziet in een jaarlijkse evaluatie. Deze evaluatie zal gebeuren. Ik heb trouwens ook aan de Raad voor het Verbruik gevraagd om een globale evaluatie van de diverse gedragscodes uit te voeren.

 

Het aantal is gezakt. Het was op zijn hoogste peil in 2015 en het is nadien sterk gedaald. Het opleggen van een wettelijk verbod is al een paar keer gelanceerd door een aantal organisaties. Europees kan ik dat niet. Ik heb dat verschillende keren door de FOD Economie laten bekijken. Als dat wel zou kunnen, zitten wij in een enigszins andere situatie.

 

Ik heb wel initiatieven genomen, in het kader van de gedragscodes, om correcte afspraken te maken met de betrokken ondernemingen. Die afspraken zijn er ondertussen, maar ze moeten ook in de praktijk worden nageleefd en correct worden toegepast. Om die reden is de evaluatie van de gedragscodes zeer belangrijk. Op die manier kan worden bekeken of het effectief de goede richting uitgaat. De volgende maanden zal dit duidelijk moeten blijken.

 

17.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Wij hadden er ook al op gewezen dat Europa een verbod verbiedt. Wij leggen ons daar natuurlijk bij neer.

 

U zegt dat het aantal in dalende lijn is. Ik stel wel vast dat er in 2014 21 klachten waren met een grote sprong naar boven, die nu geleidelijk aan naar beneden gaat.

 

Ik ben blij dat u een jaarlijkse evaluatie zult doen. Misschien kunt u nog even meegeven wanneer die jaarlijkse evaluatie zal plaatsvinden.

 

17.04 Minister Kris Peeters: (…)

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "valse recensies voor horecagelegenheden op online platformen" (nr. 21242)

18 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "de faux avis concernant des établissements horeca figurant sur des plateformes en ligne" (n° 21242)

 

18.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, Horeca Vlaanderen vestigde deze week de aandacht op valse recensies die over horecazaken verschijnen op een aantal online platformen. Er blijken talloze valse recensies te bestaan waarbij de onwaarheid van de recensie zelfs zonder verregaande controle duidelijk is. Er wordt bijvoorbeeld negatief geoordeeld over gerechten die een restaurant niet aanbiedt of er wordt gemeld dat de gelegenheid een café betreft, terwijl het om een restaurant gaat.

 

Hierbij lijken de websitebeheerders ook niet geheel correct te handelen. Om een duidelijk valse recensie te laten wijzigen, dient de horeca-uitbater bij het bekendste platform TripAdvisor lid te worden van de website. De online platformen hebben dus duidelijk alle mogelijkheden in handen om de valse recensies aan te pakken en te verwijderen, maar koppelen hieraan voorwaarden voor de horeca-uitbater. Horeca Vlaanderen roept op tot regulerend optreden vanwege de overheid.

 

Mijn vragen zijn de volgende, mijnheer de minister.

 

Hebt u kennis van de voormelde geschetste problemen?

 

Ziet u mogelijkheden om tegemoet te komen aan de vraag tot regulerend optreden?

 

18.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Janssen, de problematiek die u aankaart, is mij bekend. In 2015 heeft de Economische Inspectie een onderzoek gevoerd naar prijsvergelijkings- en reviewwebsites. Thans loopt er een onderzoek met betrekking tot een aantal reviewwebsites. Dat onderzoek is nog niet gesloten, zodat ik u de conclusies ervan nog niet kan meegeven. Zodra ik het onderzoeksverslag met de conclusies heb gekregen, zal ik de horecafederaties uitnodigen om het onderzoeksverslag en de acties van de inspectie toe te lichten en na te gaan wat eventueel aanvullend kan of moet worden gedaan om de valse reviews tegen te gaan.

 

18.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, uw antwoord is heel kort. U bent ermee bezig, dus wij zullen het onderzoek dan maar afwachten. Ik veronderstel dat het in 2018 zal worden afgerond. Wij kijken alvast uit naar de resultaten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de reorganisatie bij AXA" (nr. 21250)

19 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la réorganisation chez AXA" (n° 21250)

 

19.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, na ING en Record Bank dient zich een nieuw verhaal van reorganisatie in de banksector aan. AXA zou het aantal kantoren in het netwerk sterk verminderen, vernamen wij via de pers. De onrust onder de AXA-kantoorhouders is uiteraard groot, want deze inkrimping kan leiden tot het verlies van enkele honderden jobs, zo lazen wij. De woordvoerder van AXA-bank liet daarbij in het midden hoeveel kantoren er zouden sluiten en welke dat precies zouden zijn.

 

Bent u op de hoogte van de precieze plannen van AXA? Wie wordt er getroffen en wat zijn de gevolgen?

 

Meer algemeen, welke toekomst ziet u weggelegd voor de banken en de tussenpersonen in een sector die sterk onderhevig is aan de voortdurende digitale transformatie? Wat met de dienstverlening voor complexere producten zoals kredieten, bijvoorbeeld woonkredieten, en beleggingen?

 

Recent hebt u ook met Febelfin en de belangenverenigingen een gedragscode afgesproken. Zult u erop toezien dat deze code bij een eventuele reorganisatie minutieus zal worden gevolgd?

 

19.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, ik ben inderdaad op de hoogte van de plannen van AXA. Het is evenwel niet duidelijk hoeveel agentschappen door de herstructurering zullen worden getroffen. AXA laat dan ook weten dat de cijfers die in de media circuleerden, veeleer suggestief zijn.

 

Als minister van Werk, Economie en Consumenten is het natuurlijk belangrijk dat de werkgelegenheid binnen de sector maximaal wordt opgevolgd, enerzijds, en dat er een adequate begeleiding is van de consumenten bij de zoektocht naar het juiste product, anderzijds. Wat de consumentenbescherming betreft, vormt de online commercialisering van complexere producten zoals kredieten en beleggingsproducten inderdaad een bijkomende uitdaging. De digitalisering is een onomkeerbare evolutie, die ook noodzakelijk is opdat onze ondernemingen hun concurrentiepositie zouden kunnen behouden. Het kan evenwel niet dat het onderzoek naar de kredietwaardigheid van de consument en naar de geschiktheid van het product minder grondig gebeurt. Ook moet het voor consumenten steeds mogelijk zijn om nog een persoonlijke begeleiding te kunnen krijgen in een kantoor zelf.

 

Wat voor mij inzake werkgelegenheid bovendien essentieel is, is dat de agenten met wie de samenwerking wordt beëindigd of degenen die in een andere structuur zullen worden tewerkgesteld, voldoende worden begeleid en adequaat worden vergoed.

 

Hoewel de herstructurering van AXA niet valt onder de bepaling inzake de gedragscode vanwege de netto-inperking van minder dan 15 %, ben ik verheugd u te kunnen meegeven dat AXA het essentiële belang erkent van de gedragscode die wij samen met BZB, Fedafin, Febelfin en, toentertijd, minister Borsus afgelopen zomer hebben afgesloten. AXA heeft dan ook toegezegd op een transparante en open manier aan overleg te zullen doen met haar agenten. Wij zullen daarop natuurlijk verder toezien. U zult toezien op het toezien en er op het juiste moment mogelijk nog een nieuwe vraag over stellen.

 

19.03  Johan Klaps (N-VA): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. U weet dat de sector mij na aan het hart ligt. Dat was al zo bij andere organisaties. Bij AXA is dat nog net iets meer het geval. Ik was namelijk gedurende een hele periode een collega van de personen die nu in het vizier komen. Reorganisaties zijn nu eenmaal nodig. De sector is in verandering. De mensen vragen vooral snel duidelijkheid, zodat er geen maandenlange onzekerheid is, zoals bij Record Bank en ING. Men moet snel weten waar men aan toe is, zodat men een nieuw toekomstplan kan uitwerken voor degenen die wel zullen doorgaan. Ik kom daar ongetwijfeld nog samen met u op terug.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Vraag van de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het toenemende aantal klachten over e-commerce" (nr. 21428)

20 Question de M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'augmentation des plaintes relatives au commerce électronique" (n° 21428)

 

20.01  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u weet dat e-commerce een stokpaardje is van mijn partij. Uit statistieken van de Economische Inspectie blijkt echter een opvallende toename van het aantal klachten omtrent e-commerce.

 

Vorig jaar werd het nieuwe meldpunt 5 166 keer gecontacteerd met klachten over de aankoop van goederen of diensten via het internet. De vaakst voorkomende klacht betreft de niet-levering van het product. Na 3 601 controles werden er 938 waarschuwingen gegeven en 250 processen-verbaal opgesteld.

 

Zowel de handelaars als de consumenten zijn gebaat bij een correcte toelichting over hun rechten en plichten bij aankopen via internet. Zoals steeds bij internetgerelateerde problemen speelt uiteraard de internationale context een rol. Zo bestaat er naast het nationale label BeCommerce ook een Europees label Ecommerce.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, ziet u mogelijkheden om problemen met e-commerce voor de consument te beperken?

 

Ten tweede, hebt u zicht op de gevolgen die aan de 250 processen-verbaal werden gegeven? Welk aandeel van deze pv's is gericht tegen Belgische onlinehandelaars?

 

Ten derde, op welke wijze kan u de consument beter vertrouwd maken met de labels BeCommerce en Ecommerce Europe?

 

Ten vierde, worden er op Europees of internationaal niveau maatregelen uitgewerkt om de consument nog beter te beschermen en te informeren?

 

20.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Janssen, de FOD Economie staat in voor het toezicht op de naleving van de wetgeving over e-commerce en doet aan preventie door de consument proactief te ondersteunen.

 

Op het vlak van preventie geeft de website van de FOD Economie raadgevingen aan de consumenten om problemen bij onlineaankopen te voorkomen, zoals het nagaan van de reputatie van de onlineverkoper, door na te gaan of hij bijvoorbeeld beschikt over een kwaliteitslabel, door de algemene voorwaarden te lezen, de identificatiegegevens van de onderneming te controleren enzovoort.

 

De Economische Inspectie controleert regelmatig de Belgische e-commercesites. Zo werd dit jaar een algemeen onderzoek naar e-commerce gevoerd, waarbij 329 Belgische webshops werden gecontroleerd, vooral van kmo's.

 

Uit dat onderzoek kan worden besloten dat de meeste inbreuken te wijten zijn aan een gebrek aan kennis van het wettelijk kader. De overgrote meerderheid van de gecontroleerde ondernemingen lijkt mij te goeder trouw, doordat zij de situatie meteen in orde hebben gebracht.

 

In overleg met de organisaties voor zelfstandig ondernemen zal ik nagaan hoe de kennis van de wetgeving kan worden verbeterd.

 

Van de 250 processen-verbaal die vorig jaar werden opgesteld waren er 245 gericht tegen Belgische ondernemingen. In 233 gevallen werd de overtreder een administratieve transactie voorgesteld. Hiervan werden er 179 betaald. De dossiers van 54 niet-betaalde transacties werden samen met 17 andere processen-verbaal naar het parket van de procureur des Konings gezonden voor verdere afhandeling. Het gevolg dat aan deze dossiers werd gegeven, is mij niet bekend omdat het parket daaraan natuurlijk in alle geheim verder werkt, het geheim van het onderzoek.

 

Op de website van de FOD Economie vindt de consument ook informatie over labels. Toch is het nodig enige reserve aan de dag te leggen in dit kader. De aanwezigheid van een label biedt niet voor honderd procent de garantie dat alle wettelijke regels werden nageleefd door de betrokken onderneming. In deze context heeft de Economische Inspectie onlangs contact opgenomen met het label BeCommerce.

 

Sinds 2006 is de Europese verordening betreffende samenwerking inzake consumentenbescherming in voege. Deze regelt de samenwerking tussen de nationale toezichthouders op het vlak van consumentenbescherming. De verordening wordt momenteel herzien en op een aantal punten zal de samenwerking nog worden versterkt en zullen de bevoegdheden van de toezichthouders worden uitgebreid, onder meer op het vlak van e-commerce.

 

Jaarlijks wordt in het kader van de Fraud Prevention Month – een initiatief van het wereldwijd International Consumer Protection and Enforcement Network – aandacht besteed aan het informeren van de consument. E-commerce is daarbij een vaak terugkerend thema.

 

20.03  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, u spreekt van 245 pv's voor Belgische ondernemingen. Ik ga er dus van uit dat er ook vijf waren voor buitenlandse of internationale ondernemingen. Daar heb ik u niets over horen zeggen. Het is misschien ook wat moeilijk om dat na te gaan. Ik zie dat er bij de meeste pv's wel betaald wordt of dat er een oplossing tot stand komt. Net bij die vijf andere pv's ligt het misschien moeilijker om tot een oplossing te komen. We zullen het dossier verder blijven volgen. Misschien kunt u toch eens navragen wat er met die vijf andere pv's is gebeurd.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

21 Question de M. Michel de Lamotte au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'accord de coopération entre la Fédération Wallonie-Bruxelles et la Communauté flamande concernant la réglementation du prix du livre" (n° 21211)

21 Vraag van de heer Michel de Lamotte aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap over de gereglementeerde boekenprijs" (nr. 21211)

 

21.01  Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 23 décembre 2016, le Parlement flamand a pris un décret instaurant un prix réglementé du livre. Dans la même veine, la Fédération Wallonie-Bruxelles a pris, entre le moment où j'ai déposé ma question et maintenant, un décret relatif à la protection culturelle du livre qui instaurera un prix unique de celui-ci et mettra fin au mécanisme de la tabelle et par là même à la situation un peu absurde et dommageable pour les libraires où un même livre est parfois vendu 10 à 15 % plus cher que chez nos voisins français.

 

Néanmoins, s'exprimant sur le décret flamand, le Conseil d'État a affirmé, dans son avis du 13 septembre 2016, que "si les auteurs du projet veulent mettre au point un règlement complet, cohérent et ayant une force contraignante, il faudra se concerter ou en tout cas coopérer certainement avec l'autorité fédérale, qui est compétente pour les institutions établies dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, qui, en raison de leurs activités, ne peuvent être considérées comme appartenant exclusivement à l'une ou l'autre Communauté".

 

Désireuse de voir avancer les choses et de travailler main dans la main pour mettre en place une politique cohérente et efficace en Région de Bruxelles-Capitale, les deux Communautés ont déjà préparé un projet d'accord de coopération qui, selon mes informations, vous a été soumis en juin dernier, monsieur le ministre.

 

Étant donné qu'il semblerait incongru que ce soit le niveau fédéral qui constitue un frein à la bonne coopération intracommunautaire, j'aimerais éclaircir certains points avec vous. Le projet d'accord de coopération susmentionné vous est-il bien parvenu? Le cas échéant, avez-vous des remarques à formuler quant à ce dernier? Dans quel délai comptez-vous remettre votre décision aux ministres de la Culture concernés? Enfin, quelles seront ensuite les étapes qui précéderont l'entrée en vigueur de l'accord?

 

Voorzitter: Johan Klaps.

Président: Johan Klaps.

 

21.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, monsieur de Lamotte, dans son avis adressé au gouvernement flamand, le Conseil d'État a rappelé qu'en matière de prix du livre, le niveau fédéral est compétent pour fixer ou non les règles relatives aux organisations et entreprises biculturelles de la Région de Bruxelles-Capitale. Un éditeur, vendeur ou importateur de livres est censé être biculturel lorsqu'il est actif d'une manière significative sur le marché du livre dans l'autre langue.

 

Par ailleurs, j'ai reçu le projet d'accord de coopération que vous évoquez. J'ai également demandé l'avis de l'Autorité de la concurrence sur ce projet. Dans cet avis récent, l'Autorité a pris en compte le bon fonctionnement du marché et la protection du consommateur. Dans cette optique, elle défend la solution de laisser aux libraires le libre choix du prix.

 

Le contenu du projet d'accord de coopération est le suivant. Cinq articles visent à définir une série de règles communes. Sept articles établissent des règles qui seraient particulières aux livres principalement ou exclusivement rédigés en français, et huit articles sont consacrés aux livres principalement ou exclusivement rédigés en néerlandais. En ce sens, l'accord n'aboutirait qu'à une uniformisation plutôt limitée.

 

Ensuite, il ferait naître des difficultés particulières en Région bruxelloise où de nombreuses librairies ne se limitent pas à des livres écrits en une seule langue. Il est compliqué de déterminer si cette activité dans l'autre langue est suffisante pour être considérée comme significative. C'est une première difficulté. Ensuite, obliger une librairie concernée à appliquer des régimes différents selon que le livre vendu est écrit en français, en néerlandais ou dans une autre langue, ne serait pas simple.

 

Ces obstacles vaudraient aussi pour les éditeurs et les importateurs de livres. C'est pourquoi je crois que le projet serait une source de complications administratives et d'incertitude juridique.

 

En outre, en ce qui concerne la vente de livres en Région de Bruxelles-Capitale, il faudrait veiller à ce que le consommateur néerlandophone ne soit pas discriminé par rapport au consommateur francophone lorsqu'il s'agit d'éditions identiques disponibles aussi bien en néerlandais qu'en français. De plus, il faudrait veiller à ce que les éditeurs de livres francophones ne soient pas discriminés par rapport aux éditeurs de livres néerlandophones s'ils sont soumis à des règles différentes en ce qui concerne le prix, les possibilités de réduction du prix et le délai de maintien.

 

Le projet d'accord de coopération risque donc d'avoir un effet discriminatoire et il ne semble pas tout à fait évident de l'éviter en faisant quelques adaptations au projet, sans balayer les principes fondamentaux. Puisqu'il n'est donc pas clair ni prévisible qu'un accord de coopération soit opportun ou pratique, j'ai décidé de ne pas encore prendre de mesure pour le moment. Si cette absence d'une mesure fédérale menait à un préjudice difficilement acceptable des institutions unilingues dans la Région de Bruxelles-Capitale, il appartiendrait alors au gouvernement flamand et au gouvernement francophone de limiter le champ d'application géographique à la Région flamande ou à la Région francophone.

 

La situation est ainsi et je vous ai donné des arguments mais pour moi, c'est un dossier difficile. Certes, il faut agir. Il convient de résoudre la problématique et de ne pas accroître les problèmes dans les Régions et dans la pratique. C'est la raison pour laquelle j'ai décidé de ne pas encore prendre de mesures. Lorsque je disposerai d'autres éléments ou de réactions très fortes d'un côté ou de l'autre, je pourrai entreprendre certaines actions, mais pas pour le moment.

 

Président: Jean-Marc Delizée.

Voorzitter: Jean-Marc Delizée.

 

21.03  Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui est éminemment technique et qui explique la difficulté du modèle.

 

Il faudra probablement prendre contact avec la Région flamande et la Communauté française afin de voir comment apporter une solution à ce problème. Autrement dit, il faut organiser des concertations sur le sujet et examiner le rapport coût-bénéfice des mesures qu'il conviendrait de prendre.

 

Je tiens encore une fois à vous remercier pour votre précision. Je ne doute pas que vous serez contacté prochainement par des cabinets pour avancer sur le sujet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 21288 de Mme Caroline Cassart-Mailleux est transformée en question écrite.

 

22 Question de M. Michel de Lamotte au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la nécessité de protéger davantage l'appellation de 'bière d'abbaye'" (n° 21346)

22 Vraag van de heer Michel de Lamotte aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de nood aan een betere bescherming voor de benaming 'abdijbier'" (nr. 21346)

 

22.01  Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le ministre, de nombreuses bières vendues en Belgique sont présentées comme étant des bières d'abbaye. Contrairement aux bières trappistes qui font l'objet d'un label strict établi par I'Association Internationale Trappiste, l'appellation "bière d'abbaye" n'est que très peu protégée, si ce n'est par le label "bière belge d'abbaye reconnue" décerné par l'Union des brasseries belges qui impose certaines conditions, comme le lien avec une abbaye existante et la rémunération de celle-ci via notamment des royalties. Néanmoins, rien n'empêche une brasserie de se passer de ce label pour exploiter le nom d'une abbaye, d'autant plus si cette dernière n'est plus active.

 

Cela porte un triple préjudice:

- pour le consommateur qui n'a pas la moindre garantie quant à l'authenticité du produit qu'il consomme;

- pour le patrimoine belge qui ne reçoit aucune part des profits faits en son nom;

- pour les brasseries qui endossent le coût plus élevé induit par le respect des différentes appellations.

 

Un exemple est la brasserie de La Cambre. Cette entreprise se dit brasserie alors que le brassage est fait par une autre société; sa bière se dit bruxelloise alors qu'elle est brassée dans le Limbourg et elle se dit bière d'abbaye alors qu'elle est brassée dans une brasserie industrielle sans lien avec une abbaye. Aucune mention n'est faite sur les étiquettes ou le site web pour clarifier l'information au consommateur. Ces appellations incorrectes pourraient être associées à de la concurrence déloyale puisqu'elles portent préjudice aux brasseries qui endossent les coûts plus élevés que représente un site de production installé à Bruxelles, ainsi qu'aux brasseries qui endossent le coût plus élevé induit par l'appellation "bière d'abbaye belge reconnue".

 

Monsieur le ministre, avez-vous une idée du nombre de marques belges se revendiquant "bière d'abbaye" mais n'étant pas reconnues par l'Union des brasseries belges comme étant des bières d'abbayes belges reconnues? Quelle est votre appréciation de ce problème d'appellation? Quelle est la législation en vigueur? Quelles mesures envisagez-vous pour remédier à cela? Pensez-vous qu'un renforcement du cahier des charges de l'appellation "bière d'abbaye", de l'appellation de "brasserie" ou encore de l'appellation "d'origine" se justifie?

 

22.02  Kris Peeters, ministre: Monsieur le président, la législation en matière de marques permet de protéger des marques collectives. Elle détermine dans un règlement d'usage et de contrôle les critères à respecter par les entreprises qui veulent pouvoir l'apposer sur leurs produits. Elle est déposée et contrôlée par un titulaire, par exemple une association de producteurs. Il existe une marque collective "Bière belge d'Abbaye reconnue" à laquelle est associé un logo. Cette marque a été déposée le 12 août 1999 par l'association des Brasseurs belges, qui doit en assurer le respect.

 

Je n'ai pas connaissance du nombre de producteurs qui utilisent cette marque sans y avoir souscrit.

 

En ce qui concerne votre deuxième question, en toute hypothèse, l'usage de mentions susceptibles de tromper le consommateur sur le lieu de provenance ou le mode de fabrication d'une denrée alimentaire est interdit par le règlement européen relatif à l'information des consommateurs sur les denrées alimentaires.

 

Au sujet des droits des marques, la convention Benelux en matière de protection intellectuelle ainsi que le règlement européen 2017/1001 sur la marque de l'Union européenne trouvent à s'appliquer. Ces deux législations prévoient des possibilités pour le titulaire de la marque d'agir contre son usage non conforme pour en obtenir la cessation ainsi qu'éventuellement pour réclamer des dommages et intérêts.

 

En ce qui concerne votre troisième question, il appartient en priorité à la fédération des Brasseurs belges de s'assurer de l'usage conforme de leur marque collective. La législation applicable permet aux personnes concernées d'agir pour garantir à la fois la protection de leurs droits et l'information correcte des consommateurs.

 

Il ne me semble pas utile d'intervenir en la matière sauf en cas de gros problèmes avec la fédération des Brasseurs belges, mais j'ai compris que ce n'était pas le cas.

 

22.03  Michel de Lamotte (cdH): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, dont je prends acte.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n°21542 de Mme Jadin est transformée en question écrite.

 

23 Vraag van de heer Johan Klaps aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de kwetsbaarheid van de elektronische chips van bankkaarten" (nr. 21690)

23 Question de M. Johan Klaps au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "la vulnérabilité des puces électroniques des cartes bancaires" (n° 21690)

 

23.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, een artikel in De Morgen naar aanleiding van een studie van doctor Preneel van de KU Leuven trok mijn aandacht.

 

De RSA-versleuteling van de chip in de bankkaart blijkt geen stevig slot te zijn, zo staat in het artikel. In het buitenland werden de chips van fabrikant Infineon gehackt. Infineon is geen leverancier in België, toch sluit men niet uit dat zich ook in België kwetsbaarheden bevinden.

 

Welk risico brengt de kwetsbaarheid van de chip met zich mee voor de consument? Op welke manier houdt de overheid, al dan niet in een publiek-private samenwerking, controle op een dergelijke crypto-analyse? Hoe crypto-agile zijn de huidige bankkaarten?

 

Bestaat er een remediërend plan wanneer zich een ernstig incident voordoet op het niveau van de waterdichtheid van crypto-algoritmes? Welke garanties krijgen de consumenten dat financiële transacties of digitale handtekeningen veilig zijn? Wat is uw visie over hoe de banken hiermee dienen om te gaan?

 

23.02 Minister Kris Peeters: Mijnheer Klaps, het risico voor de gebruiker van een Belgische betaalkaart is zeer laag. De beveiliging van betaalkaarten in België is gebaseerd op de EMV-standaard, wat staat voor Europay, Mastercard en Visa, de drie betaalkaartsystemen die samen een kader hebben opgesteld voor chipbetaalkaarten.

 

De sleutels worden niet in de kaart gegenereerd, maar in de zogenaamde hardware security modules. Deze hardware security modules gebruiken de kwetsbare Infineonchip niet. Het meldpunt van de Economische Inspectie heeft bovendien nog geen klachten ontvangen over gehackte betaalkaarten. De chips in de betaalkaarten worden gecertifieerd en geverifieerd door een labo. De Nationale Bank van België volgt ook de belangrijkste evoluties op via diverse kanalen zoals hackingfora en internationale uitwisseling van informatie.

 

Tot dusver konden zwakheden die door onderzoekers werden geïdentificeerd vaak pas na enkele jaren worden geëxploiteerd. Op basis van de door hen uitgevoerde risicoanalyses is de financiële industrie tot nu toe in staat gebleken zich te organiseren vooraleer een zwakheid een probleem werd.

 

Indien er zich een ernstig incident zou voordoen, dan moet er een actieplan worden voorgelegd aan de Nationale Bank om de betrokken kwetsbaarheid zo snel en efficiënt mogelijk te remediëren. Het Wetboek van economisch recht verplicht betalingsdienstaanbieders de bescherming van de veiligheidskenmerken te waarborgen. Zij moeten er in het bijzonder voor zorgen dat de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van een betaalinstrument niet toegankelijk zijn voor andere partijen dan de rechtmatige betalingsdienstgebruiker.

 

Het Wetboek van economisch recht voorziet ook in beschermingsmaatregelen voor gebruikers die vaststellen dat zij een uitgevoerde betalingstransactie niet hadden toegestaan of dat een transactie niet juist is uitgevoerd. Tenzij het gaat om fraude of ernstige nalatigheid krijgt de gebruiker de niet-toegestane of niet correct uitgevoerde transacties terugbetaald.

 

Gezien de vastgestelde problemen met de Infineonchip en de mogelijkheid dat een dergelijk probleem eveneens aanwezig kan zijn bij chips van andere leveranciers, is het aangewezen om banken aan te zetten om over te stappen naar een meer algemeen gebruik van de nog veiligere encryptie-algoritmes in combinatie met langere sleutellengtes.

 

23.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor dat geruststellend antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.42 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.42 heures.