Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 8 november 2017

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 8 novembre 2017

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.35 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.35 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "de desastreuze gevolgen van het enkelbandregime" (nr. 21213)

- de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de opvolging van seksuele delinquenten die voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld" (nr. 21330)

01 Questions jointes de

- Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "les conséquences désastreuses du port du bracelet électronique" (n° 21213)

- M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "le suivi des délinquants sexuels en libération conditionnelle" (n° 21330)

 

01.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, enkele weken geleden werd in Luik een 23-jarige studente vermoord door een herhaaldelijk veroordeelde delinquent. Als wij de berichtgeving in de media mogen geloven, was deze recidivist sinds 2015 vrij, maar kreeg hij nog vijf jaar een elektronische enkelband om. Het slachtoffer had al eerder klacht tegen hem ingediend bij de politie, maar daaraan werd klaarblijkelijk geen gevolg gegeven.

 

U kent mijn standpunt over enkelbanden. Zij hebben niet alleen geen enkel afschrikeffect voor criminelen, maar dit gruwelijk incident toont opnieuw aan dat dit lakse enkelbandregime in de praktijk ook reëel gevaar oplevert.

 

U hebt in het verleden herhaaldelijk gezegd dat verkrachters strenger moeten worden gestraft en dat daartoe het strafrecht zal worden herzien, maar ondertussen moeten wij in de praktijk vaststellen dat veroordeelde verkrachters niet eens hun straf uitzitten en rondlopen met een enkelband.

 

Mijnheer de minister, kunt u de informatie bevestigen die in de pers verscheen over de moordenaar van de studente in Luik?

 

Ten tweede, vindt u het normaal dat na waarschuwing en klacht bij de politie het enkelbandregime niet werd aangepast?

 

Ten derde, wanneer mogen wij de aangekondigde strengere straffen voor verkrachters verwachten?

 

Ten slotte, hoeveel incidenten moeten er zich nog voordoen vooraleer u eindelijk afstapt van het lakse en levensgevaarlijke enkelbandregime, dat ondertussen helaas de regel is geworden in plaats van de uitzondering?

 

01.02  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le président, monsieur le ministre, je ne reviendrai plus sur les circonstances pénibles et dramatiques qui ont été rappelées par ma collègue. J'aborderai plutôt le suivi des relations entre les services de police de Liège et le pouvoir judiciaire, en particulier le parquet.

 

Je souhaite également rappeler qu'il y avait eu un précédent puisque, en février 2015, la victime avait porté plainte auprès de la police locale contre son voisin pour s'être présenté dans une tenue peu respectueuse de son interlocutrice, plainte qui n'a été portée à la connaissance ni du parquet de Liège, ni de la Maison de Justice en charge du suivi du dossier du suspect qui était connu des services judiciaires.

 

Au motif que le voisin s'était entre-temps excusé, la police de Liège n'aurait pas rédigé de procès-verbal, mais une fiche d'information interne à la police, le policier ayant reçu l'étudiante estimant que celle-ci ne voulait pas porter plainte, mais simplement signaler un comportement malsain. Il aurait pourtant, sans doute, été nécessaire de rédiger un procès-verbal à transmettre au parquet, à la lumière des éléments repris dans la BNG. En effet, le voisin était en libération conditionnelle pour faits de mœurs et de délit d'outrage aux mœurs que constitue le fait de se promener dans le plus simple appareil dans le couloir commun d'un appartement ou d'un immeuble.

 

Ce dossier soulève donc la question du suivi des délinquants sexuels – il est ici question d'une problématique que je sais être difficile, mais pour laquelle il n'existe peut-être pas encore une assez grande volonté sur le plan des services de police et des autorités judiciaires –, a fortiori lorsqu'ils sont en libération conditionnelle ou mis à disposition du tribunal d'application des peines. En effet, si la lutte contre les violences sexuelles est menée à l'aide de la base de données ViCLAS contenant des informations concernant des délits sexuels, elle est insuffisamment alimentée, notamment en raison de la faible qualité de certains procès-verbaux, mais également insuffisamment consultée. Dans le passé, vous avez d'ailleurs déclaré que vous souhaiteriez être l'initiateur d'une politique de suivi des délinquants sexuels plus partagée par les différents acteurs et d'un renforcement de la prévention de la récidive.

 

Monsieur le ministre, combien de dossiers la base de données ViCLAS contient-elle? Quelle est, parmi ceux-ci, la proportion de dossiers avec auteurs connus et inconnus? L'efficacité de cette base de données ne pourrait-elle être améliorée si l'on supprimait l'obligation, pour les services de police locale (mais aussi fédérale), de s'en référer aux services de référence, le service bilingue ZAM (Zeden-Analyse-Mœurs), pour faire des recherches dans la banque de données? Les services décentralisés de la police locale ou fédérale pourraient ainsi consulter eux-mêmes directement le fichier lors du dépôt d'une plainte pour comportement à connotation sexuelle.

 

À défaut, la consultation de la BNG en cas de plainte, a fortiori pour les affaires d'agressions sexuelles, dans lesquelles on sait que les victimes sont particulièrement vulnérables et sujettes à des menaces et à des intimidations, ne devrait-elle pas être obligatoire?

 

Ce nouveau drame démontre l'importance du suivi des délinquants sexuels dans la lutte contre la récidive. Ne vous amène-t-il pas à songer à refinancer en conséquence les différents centres d'appui du pays? Je suis déjà intervenu souvent à ce sujet. On sait que des réductions budgétaires ont été décidées dans ce secteur, et notamment au sein du Centre d'appui bruxellois (CAB), même si celui-ci n'est pas compétent pour les faits commis à Liège.

 

01.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Pas, mijnheer Maingain, de recente moord op de studente in Luik is een afschuwelijke misdaad, die ons allen diep geschokt heeft. Ik wens dan ook mijn medeleven te betuigen aan de getroffen familie en aan de vrienden van het slachtoffer.

 

Het gerechtelijk dossier is lopend. Dit noopt mij tot terughoudendheid om over dit individuele geval te communiceren. De procureur-generaal van Luik deelde mij echter de volgende elementen mee.

 

Ten eerste, de dader was voor zijn hoofdstraf in voorwaardelijke invrijheidsstelling sinds 2010 door een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank van Luik. Deze proeftijd werd in 2015 verlengd met vijf jaar door de uitvoering van de bijkomende straf van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze bijkomende invrijheidstelling in proeftijd wordt in de wet van 2006 inzake de externe rechtspositie van veroordeelden "de invrijheidstelling onder toezicht" genoemd, en dus niet "onder elektronisch toezicht".

 

Ten tweede, de dader heeft inderdaad, in tegenstelling tot eerdere mediaberichten, nooit het voorwerp uitgemaakt van een elektronisch toezicht. Zijn strafrechtelijke situatie was opgenomen in de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Ook de korpschef van de lokale politie, de Dienst Justitiehuizen en het openbaar ministerie beschikten over de gegevens van de vrijstelling en de daaraan verbonden voorwaarden, zoals de wet dit vereist.

 

Ten derde, als voorwaarde voor zijn invrijheidstelling onder toezicht moest hij een therapeutische begeleiding te volgen, waaraan de strafuitvoeringsrechtbank op 2 maart van dit jaar een einde stelde na een gunstig rapport van de psychiater.

 

Ten vierde, in februari 2015 deed het betreurde slachtoffer melding bij de politie van Luik over een verdachte gedraging van de betrokkene. Daarover werd echter uitsluitend een informatiefiche opgesteld en geen proces-verbaal. Het slachtoffer weigerde klacht in te dienen. Bijgevolg werd het openbaar ministerie nooit, en dus ook de strafuitvoeringsrechtbank niet, in kennis gesteld van dit voorval.

 

Op basis van de beschikbare informatie lijkt de justitiële opvolging van betrokkene a priori correct te zijn verlopen.

 

Toutefois, il me semble surtout fondamental que les auteurs d'infractions sexuelles soient suivis suffisamment longtemps, voire en permanence dans certains cas. En ce sens, je renvoie à l'importance des centres d'appui pour le suivi et l'encadrement des délinquants sexuels, que je continue de financer au moyen de subventions – compte tenu des budgets dont je dispose. Afin de continuer à assurer et même à renforcer leur fonctionnement, j'invite les Communautés à revoir et à actualiser les accords de coopération ainsi que les modalités de financement.

 

En ce qui concerne les peines pour violence sexuelle, je souhaite indiquer qu'elles sont déjà lourdes et que la révision des taux de peine fait également l'objet des travaux de la commission d'experts sur le droit pénal, qui prépare un nouveau Livre II du Code pénal.

 

J'espère pouvoir, au début 2018, soumettre à la commission de la Justice un tout nouveau projet de Code pénal. On peut cependant douter que le caractère dissuasif de la peine favorise plus de sécurité et se montre suffisamment préventif. Pour cette raison, il est préférable de prévoir un suivi et une surveillance renforcée de ce type d'auteurs lors de leur retour éventuel dans la société.

 

Enfin, pour ce qui regarde la banque de données ViCLAS du service "Délits de mœurs" de la police fédérale – en abrégé ZAM (Zeden-Analyse-Mœurs) – et les directives à cet égard, je puis vous informer que cette banque contient actuellement 9 000 dossiers, dont 3 320 impliquant des auteurs inconnus. Le projet de circulaire ministérielle est prêt et sera présenté en janvier prochain au Collège des procureurs généraux. Jusqu'à présent, il n'est pas obligatoire que les services de police contactent le service ZAM. En outre, leur consultation de ViCLAS lors de dépôts de plainte est limitée aux experts du service ZAM qui ont suivi la formation idoine organisée en 2016 par leurs homologues canadiens. Une consultation systématique de la BNG peut constituer une solution temporaire dans l'attente de la circulaire ViCLAS.

 

01.04  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, ik begrijp dat niet alle details kunnen worden vrijgegeven terwijl een onderzoek loopt, maar niettemin hebt u veel kunnen ophelderen in deze individuele zaak. Dit geldt zeker voor twee belangrijke elementen. Het is, ten eerste, niet onbelangrijk dat het niet ging om een officiële klacht van het slachtoffer. Ten tweede, hebt u ook verduidelijkt dat het niet om een geval van elektronisch toezicht ging.

 

Ik ben blij dat u zich durft vastpinnen op een datum waarop de commissie inzake strafrecht haar werkzaamheden zal kunnen afronden en er een strengere wetgeving inzake strafmaten voor verkrachters zal komen. U pint zich vast op begin 2018 en ik hoop dat u ditmaal de datum zult halen. De discussie kwam al enkele keren aan bod. In februari 2016 zei u dat er snel een beslissing zou komen. Toen vorig jaar in december de magistraten en hulpverleners nogmaals smeekten om verkrachters strenger aan te pakken, gaf u aan dat er in 2017 een andere strafmaat zou zijn voor verkrachting. Begin 2018 is niet veraf; laten wij hopen dat hiervan snel werk wordt gemaakt want het is dringend.

 

01.05  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour les informations nouvelles que vous avez communiquées, en ce qui concerne notamment la gestion de la banque de données ViCLAS, car je crois en effet qu'il s'agit d'un des points délicats. La nouvelle circulaire nous sera certainement présentée le moment venu, début 2018.

 

Vous avez raison d'insister sur la nécessité d'un meilleur suivi des délinquants sexuels, a fortiori s'ils sont en libération conditionnelle ou sous surveillance du tribunal d'application des peines. Il faut avoir l'assurance d'une réaction rapide des services de police dès que le moindre fait est connu, qu'ils puissent avoir accès à toutes les données du dossier de la personne éventuellement mise en cause. La circulation de l'information demeure essentielle. C'est souvent ainsi que des drames se produisent alors qu'ils auraient pu être évités, quand l'échange d'informations n'a pas pu avoir lieu.

 

J'entends que vous estimez que les formations doivent encore être poursuivies pour les policiers locaux ou des services décentralisés de la police fédérale pour qu'ils aient accès à certaines banques de données. Je ne saurais trop recommander qu'on accélère les processus de formation pour que, dans tous les services de police, il y ait des agents aptes à gérer pleinement ces banques de données.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "la mise en place d'une cour d'arbitrage du commerce international à Bruxelles" (n° 21405)

02 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de oprichting van een internationale handelsrechtbank in Brussel" (nr. 21405)

 

02.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, Bruxelles sera bientôt dotée d'une juridiction anglophone. Nommée la Brussels International Business Court (BIBC), cette cour aura pour objectif d'arbitrer les conflits entre sociétés opérant à l'international. Dans une ville aussi spécifique sur ce plan que Bruxelles, siège de nombreuses sociétés internationales, cela me semble une idée tout à fait pertinente.

 

Cette nouvelle juridiction sera-t-elle financièrement prise en charge par le SPF Justice ou d'autres acteurs interviendront-ils? En ce qui concerne le lieu d'établissement de cette cour, avez-vous déjà des pistes tangibles? Quels sont les besoins concrets? Y a-t-il un délai quant à la mise en route de cette cour? Avez-vous une estimation du nombre d'affaires qui seront, annuellement, prises en charge par cette cour?

 

02.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, comme je l'avais annoncé le 18 octobre dernier, un avant-projet de loi instituant la Brussels International Business Court a été soumis au Conseil des ministres et approuvé par celui-ci le 27 octobre. Il est actuellement soumis à l'avis du Conseil d'État. Cet avant-projet confie au Roi le pouvoir d'entrée en vigueur de ces dispositions et ce, au plus tard, le 1er janvier 2020.

 

Je rappelle que la BIBC sera financièrement autosuffisante. Les parties s'acquitteront, en effet, de frais d'inscription substantiels qui couvriront les coûts, notamment liés à la rémunération et au défraiement des juges non professionnels. Ces frais seront payables d'avance et seront liquidés comme tous les frais de justice. Par sa nature, la BIBC aura donc son propre financement.

 

Quant à l'hébergement de la nouvelle juridiction, il conviendra de rechercher une infrastructure adaptée aux besoins d'une administration performante de la justice. Cette recherche se fera en collaboration avec d'autres parties concernées dont, plus particulièrement, les autorités régionales. Lors des réunions préparatoires, les autorités bruxelloises se sont exprimées en ce sens.

 

Enfin, il est difficile d'estimer le nombre d'affaires qui pourraient annuellement être soumises à cette juridiction. Aux Pays-Bas, où un projet plus ou moins similaire est actuellement soumis au parlement, on estime qu'une centaine d'affaires par an pourraient être concernées, tout en reconnaissant que cette estimation est incertaine. Ce nombre devrait, nous semble-t-il, être largement inférieur, surtout lors de la période de démarrage. En tout état de cause, le système prévu doit permettre de faire face à l'afflux d'affaires avec une certaine flexibilité, dès lors qu'il existera une liste de judges in the BIBC disponible. Il conviendra en cas de succès d'étendre cette liste.

 

02.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

C'est difficile d'être beaucoup plus précis sur ce qui est encore au stade de décisions de principes ou de projets en voie de concrétisation. Bien entendu, nous serons attentifs, comme vous, à l'évolution des choses. C'est une bonne manière de s'adapter à l'évolution du profil de notre ville-capitale belge et européenne.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "de bouw van een megamoskee in Gent" (nr. 21463)

03 Question de Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "la construction d'une méga-mosquée à Gand" (n° 21463)

 

03.01  Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in Gent werd een vergunning verleend voor het bouwen van wat men naar eigen zeggen de grootste moskee van Vlaanderen noemt. Het betreft een Fatihmoskee. Blijkbaar betekent Fatih veroveraar. De naam verwijst naar een Turkse veroveraar en dat is wat er in de praktijk ook aan het gebeuren is: een oude Vlaamse, Gentse wijk wordt stilaan veroverd door Turkse allochtonen.

 

Het is een groot project van iets meer dan zes miljoen euro dat naar eigen zeggen betaald zou worden met privégiften. Wij weten dat het om een Diyanetmoskee gaat, met andere woorden om een Turkse staatsmoskee waarvan dus toch ook te vermoeden valt dat er geld naartoe zal vloeien dat van de Turkse belastingbetaler afkomstig is. Diyanet is de u niet onbekende organisatie waarover de Veiligheid van de Staat onlangs nog zei dat zij een instrument is van het Turkse regime in ons land. De Veiligheid van de Staat noemde deze organisatie een verlengstuk van de Turkse fundamentalistische AK-partij van Erdogan, die informatie verzamelt over regimetegenstanders en bijdraagt aan de polarisering van de Turken in ons land. Ondanks de waarschuwingen van de Veiligheid van de Staat lijkt men dat netwerk van Diyanet blijkbaar geen strobreed in de weg te leggen om aan uitbreiding te doen.

 

Vandaar mijn vragen aan u, mijnheer de minister.

 

Hebben de veiligheidsdiensten zicht op de wijze waarop de bouw van de grootste moskee van Vlaanderen zal worden gefinancierd? Kunnen de veiligheidsdiensten ons verzekeren dat het inderdaad klopt dat deze moskee niet met geld van de Turkse belastingbetaler, rechtstreeks of onrechtstreeks, zal worden gefinancierd?

 

Ten tweede, neemt deze regering maatregelen om te verhinderen dat er nog zulke grote moskeeën gebouwd worden op basis van buitenlandse financiering?

 

Tot slot, hoe staat de regering tegenover de vestiging van zulke nieuwe Diyanetmoskeeën in dit land in het licht van de rapporten van de Veiligheid van de Staat met betrekking tot deze organisatie? Laat de regering, gelet op de mening van de Veiligheid van de Staat over de Diyanetmoskeeën, een ongelimiteerde bouw door het Erdoganregime toe?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Pas, artikel 19 van de Belgische Grondwet voorziet in de vrijheid van eredienst. Teneinde te voorzien in de vrije uitoefening van een eredienst is het bouwen van een gebouw van eredienst daarom door onze Grondwet verzekerd. Vanzelfsprekend is de constructie van deze gebouwen onderhevig aan de geldende regionale en gemeentelijke bepalingen ter zake.

 

De Fatihmoskee van Gent, waarvan de bouw deels door de verkoop van het vorige gebouw van eredienst wordt gefinancierd, is een plaats van eredienst die met Diyanet België is verbonden. Vanuit de opdracht om buitenlandse inmengingactiviteiten op Belgisch grondgebied op te sporen, besteedt de Veiligheid van de Staat de nodige aandacht aan Diyanet en Diyanetmoskeeën.

 

Zoals de parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de terroristische aanslagen in ons land heeft geconcludeerd, vormen buitenlandse subsidies een belemmering voor de integratie en de controle en meer in het algemeen voor de goede werking van het systeem van erkende erediensten, dat in deze bedoeld is om de totstandkoming van de Belgische islam te bevorderen. Daarnaast stelde de onderzoeks­commissie ook vast dat de inspanningen om de financiële transparantie van de moskeeën van andere gebedsplaatsen en de daaraan verbonden verenigingen te verhogen, efficiënter blijken dan een kortweg verbod. Via de erkende representatieve organen van de verschillende erediensten in België en via de geldende vzw-wetgeving zal een dergelijke transparantie verder worden afgedwongen. Teneinde de transparantie op de financiering via vzw's en stichtingen te verhogen, wordt nog deze maand op mijn initiatief in een IKW een ontwerp tot aanpassing van de vzw-wet van 1921 en bijbehorende KB's besproken. Hierbij zal een verplichting worden ingevoerd voor deze structuren om ontvangen en verleende schenkingen vanaf een bepaald bedrag te registreren en desgevallend aan de bevoegde overheidsdiensten mee te delen. Deze regeling werd uitgebreid besproken met de sector van de vzw's en met de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.

 

Voor de erkende lokale geloofsgemeenschappen wordt de financiering en de eventuele problematische aard ervan ook systematisch nagegaan middels de procedure in de omzendbrief van 20 juli 2017 van de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken, de minister van Financiën, de minister van Defensie en van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, in het kader van het advies over de Veiligheid van de Staat en de openbare orde.

 

03.03  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat jammer genoeg is wat ik had verwacht.

 

De maatregelen die veel mensen verwachten worden niet genomen. U sluit zich aan bij de besluiten van de parlementaire onderzoeks­commissie, die in plaats van de islamisering af te bouwen zoveel mogelijk moskeeën willen erkennen en nog meer financiering en middelen in islamisering willen investeren. U weet dat wij het met die besluiten absoluut niet eens waren. Ik had ook niet verwacht dat deze regering anders zou optreden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de rol van de LTF's en LIVC's in de nieuwe omzendbrief rond de veiligheidsaspecten bij de erkenning van geloofsgemeenschappen" (nr. 21135)

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de screening van de moskeeën" (nr. 21398)

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de screening van de moskeeën" (nr. 21399)

04 Questions jointes de

- M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "le rôle des TFL et des CSIL dans la nouvelle circulaire relative aux aspects de sécurité lors de la reconnaissance des communautés religieuses" (n° 21135)

- M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le screening des mosquées" (n° 21398)

- M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "le screening des mosquées" (n° 21399)

 

04.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik hoop dat u wel het antwoord zult geven dat ik verwacht, in tegenstelling tot uw antwoord aan de vorige vraagsteller.

 

In mijn vraag zeg ik dat eind vorige maand een omzendbrief werd verstuurd, maar de vraag dateert van oktober, dus met eind vorige maand bedoel ik eind september. Toen kwam er inderdaad een nieuwe omzendbrief over de veiligheidsaspecten bij de erkenning van de lokale geloofsgemeenschappen. Die is toen in werking getreden. Voorheen formuleerde de Veiligheid van de Staat daarin een advies, maar op Vlaams niveau achtte men die adviezen niet voldoende en deed men daar moeilijk over, zoals we weten. Dat heeft tot een blokkering geleid.

 

Ondertussen is de nieuwe omzendbrief er en ligt de adviesbevoegdheid bij meerdere diensten: niet enkel de Veiligheid van de Staat, maar ook de dienst Erediensten van de FOD Justitie, de Algemene Dienst voor Inlichtingen en Veiligheid (ADIV), het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (OCAD), de federale en lokale politie en de Dienst Vreemdelingenzaken. Dat is een hele ploeg van diensten die zicht hebben op de situatie en die perfect de veiligheidsadviezen zullen kunnen geven.

 

Het is u waarschijnlijk niet onbekend dat CD&V wel degelijk de pas ingediende besluiten van de onderzoekscommissie onderschrijft. Wij vinden het beter te komen tot een gekanaliseerde en gecontroleerde erkenning van moskeeën die goed werken, dan te komen tot een clandestiene beleving van de islam. Dat zou niet goed zijn en daardoor zou heel wat controle wegvallen die er wel zal zijn op het ogenblik waarop we het gekanaliseerd en gecontroleerd doen door erkenning van de moskeeën. Niet het minst in Limburg ben ik begaan en bekend met een aantal moskeeën die zeer goed werken en die de radicalisering aanpakken en bestrijden.

 

Mijnheer de minister, toen ik de vraag heb ingediend, hoorde ik u op de radio uitleggen dat men het subsidiariteitsprincipe zo kort mogelijk moet toepassen en dat de lokale veiligheidsactoren een bepaalde rol dienen te krijgen. De Local Task Forces (LTF) en de Lokale Integrale Veiligheidscellen (LIVC) kunnen daarin een goede rol spelen. Wat zal hun rol zijn in het hele verhaal? Hoe moeten we de omzendbrief verder in de praktijk brengen? Op welke termijn kunnen we komen tot nieuwe adviezen die niet langer op Vlaams niveau in twijfel kunnen worden getrokken, als het gaat over de al dan niet goede screening van moskeeën?

 

04.02  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, en guise de prolégomènes, je tenais à préciser que, si j'avais introduit deux questions quasiment identiques, c'est parce que, lorsque j'interroge le ministre de la Justice, on me renvoie parfois – à juste titre – vers le ministre de l'Intérieur, et vice versa. Comme j'ai posé la même question aux deux ministres, on a chargé celui de la Justice de me répondre.

 

Monsieur le ministre, dans notre pays, le screening des mosquées est effectué par les Régions et les Communautés. Néanmoins, jusqu'à présent, il fallait attendre le feu vert de la Sûreté de l'État – ce qui pouvait prendre du temps.

 

Récemment, nous apprenions que vous aviez l’intention de modifier ce processus. Huit services différents interviendront désormais: la Sûreté de l’État, le service des Cultes et de la Laïcité du SPF Justice, le SGRS, l’OCAM, la police fédérale, la police locale, l’Office des Étrangers et la CTIF.

 

Monsieur le ministre, si l’on ne peut que saluer cette décision qui permettra de rendre un avis plus approfondi et plus rapide, on ne peut s’empêcher de s’interroger sur la circulation de l’information entre ces services. Pouvez-vous nous éclairer à ce sujet, en nous expliquant concrètement la procédure qui sera désormais appliquée?

 

04.03  Koen Geens, ministre: Mijnheer Terwingen, monsieur Flahaux, les Régions et la Communauté germanophone sont compétentes pour la reconnaissance des communautés religieuses locales. À la suite de l'accord de coopération du 3 juillet 2008, le gouvernement fédéral doit rendre à cet égard un avis en matière de sécurité de l'État et de l'ordre public.

 

Par le biais du ministre de la Justice, la circulaire commune du 20 juillet dernier – que j'ai élaborée en collaboration avec mes collègues de la Sécurité et de l'Intérieur, des Finances, de la Défense, de l'Asile et de la Migration – établit une nouvelle procédure en vue de rendre cet avis exécutoire. Grâce à la nouvelle circulaire, davantage de services sont associés à l'avis, à savoir, le service des Cultes, la Justice, la Sûreté de l'État, le Service général du renseignement et de la sécurité, la Défense, l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, les polices fédérale et locales, l'Office des Étrangers et la Cellule de traitement des informations financières.

 

Chaque service a une tâche spécifique, dans laquelle l'attention est attirée sur le terrorisme, l'extrémisme, le radicalisme, l'ingérence, l'espionnage et la criminalité organisée ainsi que les faits qui y sont liés. En outre, on améliorera le flux d'informations entre les différents services, incluant à l'échelle locale les Régions et la Communauté germanophone.

 

Er wordt een procedure ingevoerd om een advies af te leveren bij een nieuwe erkenningsaanvraag en om een bestaand advies te wijzigen. Alle nieuwe en hangende adviesaanvragen zullen volgens de nieuwe procedure worden afgehandeld. Indien een betrokken dienst bij een reeds erkende lokale geloofsgemeenschap nieuwe pertinente en substantiële informatie vaststelt waardoor een wijziging van het bestaande advies zou kunnen worden gerechtvaardigd, kan zonodig een procedure tot een nieuw advies worden opgestart.

 

Het was een expliciete keuze om de bestaande samenwerkingsmechanismen te gebruiken bij de totstandkoming van het advies. De lokale taskforce wordt dan ook structureel betrokken bij de totstandkoming van het advies. De Veiligheid van de Staat zal een dergelijke adviesaanvraag immers op de LTF agenderen. Daardoor zijn alle betrokken lokale en federale politiekorpsen en het openbaar ministerie meteen op de hoogte. Zij zijn immers steeds aanwezig op de lokale taskforce. De korpschef van de lokale politie kan dat dan ook meedelen aan diens burgemeester. De op de LTF aanwezige lokale en federale politiediensten staan in voor het meedelen van de politionele informatie en advies aan de Veiligheid van de Staat. Daardoor kan, indien bij de totstandkoming van het advies een veiligheidsprobleem van terrorisme, extremisme of radicalisme wordt vastgesteld, op de lokale taskforce meteen worden beslist wie de verdere opvolging verzekert, informatie uitgewisseld worden, of een opname voorgesteld worden in de gemeenschappelijke gegevensbanken teneinde een gemeenschap­pelijke opvolging te starten. De link met de lokale integrale veiligheidscel wordt gevormd door de information officer van de lokale politie, die zowel op de LTF als op de LIVC aanwezig is. Aldus kan een eventueel probleem van radicalisering proactief en vroegtijdig worden opgespoord en via de LTF worden meegeldeeld aan de LIVC, die instaat voor de preventieve opvolging door de socio-preventieve sector.

 

04.04  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Het is belangrijk dat die nieuwe omzendbrief snel in praktijk kan worden omgezet, zodat er snel opnieuw adviezen kunnen komen, die, wat mij betreft, dan ook niet langer eenzijdig, door één minister van de Vlaamse regering, naast zich kunnen worden neergelegd. Dan kunnen wij verder gaan om samen met de goed werkende moskeeën die wel degelijk erkenning verdienen, de radicalisering in kaart te brengen en aan te pakken.

 

04.05  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, je tiens, tout d'abord, à vous remercier pour votre réponse.

 

Je ne peux que me féliciter de votre volonté de partager l'information. Depuis l'affaire Dutroux, on connaît les conséquences négatives que peut engendrer l'absence d'échange d'informations.

 

Bien entendu, tout comme vous, je reviendrai sur le sujet, d'ici un certain temps, afin de faire le point sur la concrétisation de votre projet.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs. 21470, 21471, 21472 en 21474 van mevrouw Lambrecht worden uitgesteld.

 

05 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de Commissie voor onderhoudsbijdragen" (nr. 21473)

- mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "het jaarverslag van de commissie ter objectivering van de onderhoudsbijdragen" (nr. 21749)

05 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la Commission des contributions alimentaires" (n° 21473)

- Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "le rapport annuel de la commission d'objectivation des contributions alimentaires" (n° 21749)

 

05.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, eind september mochten wij het eerste jaarverslag ontvangen van de commissie ter objectivering van de onderhoudsbijdragen. Wij hebben daar wat geduld voor moeten hebben, maar in september is het ons dan toch eindelijk toegezonden.

 

Hieruit blijken een aantal noden die ons grotendeels reeds gekend zijn.

 

Zo stelt de commissie voor om, alvorens de onderhoudsbijdragen te bepalen, het volgende duidelijk te omschrijven of te definiëren. Ten eerste, de verschillende situaties waarin kinderen opgroeien. Ten tweede, de buitengewone kosten. Ten derde, verblijfsover­schrijdende kosten. Ten vierde, de gedeelde kosten. Ten vijfde, hoe de kosten effectief gedragen worden – in natura of via onderhouds­bijdragen. Voor dit alles is blijkbaar bijkomend onderzoek nodig. De commissie heeft enkele doelen vooropgesteld, zoals onder meer het inventariseren van bestaande berekenings­methoden in binnen- en buitenland, en de bestaande moeilijkheden van practici, maar ook en misschien nog het belangrijkste van ouders.

 

Ik heb de volgende vragen.

 

Welke termijn is vooropgesteld om deze zaken af te ronden en tot concrete resultaten te komen? Zijn er aanbevelingen die nuttig worden geacht om te worden omgezet in wetgeving? Wordt het kabinet van staatssecretaris voor Armoedebestrijding, mevrouw Demir, betrokken bij deze objectivering? Zo ja, op welke manier en wie heeft welke taak?

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, de commissie voor onderhoudsbijdragen werd opgericht bij wet van 19 maart 2010, en een koninklijk besluit van 7 februari 2014 heeft de samenstelling en de werking ervan vastgesteld. In een koninklijk besluit van 10 augustus 2015 werden de leden van de commissie benoemd, waarna in januari 2016 de commissie van start is gegaan met haar werkzaamheden. Het eerste jaarverslag van de commissie biedt ons nu de mogelijkheid om de werking van de commissie te evalueren, en waar nodig deze werking te verbeteren. Het is immers mijn intentie om de goede werking van de commissie te waarborgen en haar de nodige ondersteuning te geven.

 

De aanbevelingen uit het jaarverslag zijn het bewijs van het goede werk dat de commissie levert. Ik zal binnenkort dan ook een wetsontwerp voorleggen aan de Ministerraad dat deze aanbevelingen omzet. Mijn diensten hebben bovendien reeds overleg gepleegd met de voorzitter van de commissie om mogelijke oplossingen te zoeken voor de praktische problemen die zich stellen. Het gaat dan in het bijzonder over de verbetering van de werking van het secretariaat en het faciliteren van de elektronische communicatie, rekening houdend met de eigenheid van de ICT-omgeving van de FOD Justitie en de noodzakelijke veiligheids­vereisten.

 

Daarnaast heb ik inderdaad aan de minister van Sociale Zaken gevraagd of de middelen van het programma Staten-Generaal van het Gezin ter beschikking kunnen worden gesteld voor de commissie voor onderhoudsbijdragen. In afwachting van een antwoord blijven de nodige werkingsmiddelen voor die commissie dus gedragen door het budget van de FOD Justitie en dat gebeurt door een interne compensatie.

 

Mevrouw Uyttersprot, zoals u aangeeft, heeft de commissie voor onderhoudsbijdragen voor zichzelf een aantal doelen vooropgesteld met het oog op een verbetering van de objectivering van de onderhoudsbijdragen. De taak van de commissie is belangrijk en omvangrijk en vergt grondig onderzoek. De commissie zal dat werk in 2017 voortzetten. In antwoord op uw vraag naar de termijn lijkt het mij dan ook logisch om eerst het volgend jaarverslag van de commissie af te wachten. Ondertussen zullen, zoals ik eerder aangaf, de aanbevelingen uit het eerste verslag worden omgezet.

 

Het kabinet van de staatssecretaris voor Armoedebestrijding wordt voortaan ook betrokken bij de werkzaamheden van de commissie. Een vertegenwoordiger van het kabinet van de staatssecretaris zal in die optiek worden uitgenodigd op de volgende vergadering van de commissie voor onderhoudsbijdragen op 15 december 2017.

 

05.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ondanks de beperkte werkingsmiddelen, werd er toch inderdaad een mooi verslag afgeleverd. Hopelijk kunnen wij die aanbevelingen snel in wetgeving omgezet zien.

 

Ik noteer dat op een volgende vergadering van de commissie alleszins ook het kabinet van staatssecretaris Demir zal worden uitgenodigd. Een mogelijke afvaardiging van het kabinet is inderdaad interessant met het oog op hogere betrokkenheid en op die manier zijn beide zijden snel op de hoogte van wat er reilt en zeilt in de commissie.

 

Wij kunnen enkel verder aansturen op snel werk en, eindelijk, eenduidigheid. U weet, aangezien u mij zelf die cijfers bezorgd hebt, dat er zeven klachten per dag ingediend worden wegens het niet-betalen van onderhoudsgeld. Insolvabiliteit is een mogelijke oorzaak, maar ik denk dat in veel gevallen de onderhoudsbijdrage of de begroting ervan niet voldoet aan de verwachtingen van de onderhoudsplichtige dan wel de onderhouds­gerechtigde. Hoe sneller we tot een objectivering kunnen komen, des te beter is dat voor ieder van ons.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de mogelijkheid voor correctionele rechters om een rijverbod op te leggen" (nr. 21411)

06 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la possibilité offerte aux juges correctionnels d'infliger une interdiction de conduire" (n° 21411)

 

06.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, vandaag kunnen alleen in verkeerszaken rijverboden worden opgelegd. Het zou nochtans nuttig kunnen zijn dat ook in andere zaken een rijverbod zou kunnen worden opgelegd. Correctionele rechters zouden dan bijvoorbeeld een rijverbod kunnen uitspreken in strafzaken zoals drugsdelicten.

 

Als ik me het goed herinner, was dit een van de pistes die u in april 2016 aankondigde met betrekking tot de grote hervorming van het strafrecht. Is deze piste aangehouden in de besprekingen die worden gevoerd in de expertengroepen die een nieuw strafwetboek en een nieuw wetboek van strafvordering aan het voorbereiden zijn?

 

Bent u zelf voorstander van een uitbreiding van de mogelijkheid om rijverboden op te leggen?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, in een gediversifieerde en adequate strafrechtelijke reactie voegt het ontwerp van boek 1 van het strafrechtboek een aantal nieuwe bijkomende straffen toe. De experts van de commissie tot hervorming van het strafrecht huldigen het principe van de spiegelstraf. Dat houdt in dat de straf een weerspiegeling van het misdrijf dient te zijn.

 

Men stelt een algemeen verval van het recht tot sturen voor, met name wanneer het motorrijtuig gediend heeft of bestemd was tot het plegen van het misdrijf of tot het verzekeren van de vlucht na het plegen van het misdrijf, dus ook voor andere misdrijven dan verkeersmisdrijven. Op die manier wordt het verval van het recht op sturen een nieuwe accurate bijkomende straf.

 

06.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "problemen inzake de uitoefening van de opdrachten van justitie-assistenten en het aankaarten daarvan op de interministeriële conferentie Justitiehuizen" (nr. 21414)

07 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "des problèmes liés à l'exercice des missions des assistants de justice et la résolution de ceux-ci au sein de la conférence interministérielle Maisons de justice" (n° 21414)

 

07.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, op 19 september stonden er 1 583 personen onder elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering, met een enkelband dus. Sinds de zesde staatshervorming is zowel de federale overheid als de regionale overheid bevoegd voor de opvolging van personen met een enkelband.

 

Dat het met de controle niet altijd perfect loopt, wil ik bewijzen met een voorbeeld van op het terrein.

 

Een zwakbegaafde minderjarige heeft na lange tijd opnieuw contact met een ouder. De ouder in kwestie draagt, na eerdere feiten, een enkelband en wordt dus begeleid door een justitieassistent. Wanneer aan het licht komt dat de ouder in kwestie het minderjarige kind voor hem softdrugs laat verhandelen, wordt contact opgenomen met de justitieassistent. Vooraf wordt de vraag gesteld of de informatie die zal worden verstrekt, zal worden gedeeld met de cliënt en indien niet, de justitieassistent niet mag of kan luisteren, waardoor enkel een officiële klacht bij politie een uitweg is.

 

Er zijn ongetwijfeld andere voorbeelden. Het is volgens mij alleszins een frappant voorbeeld van het probleem van infodeling bij Justitie en bij de justitiehuizen. Informatie over strafbare feiten gepleegd door een veroordeelde of iemand die onder begeleiding staat, wordt hier de facto genegeerd.

 

Een ander voorbeeld is er een waarbij degene die instaat voor familiale begeleiding en ook een werknemer van het CLB weet hebben van seksueel misbruik in een gezin, maar geen aanstalten maken hiervan melding te doen aan Justitie. Nochtans stelt artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering dat elke overheid en elke openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht is daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur bij de rechtbank binnen wiens rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd. In de praktijk blijkt het echter vaak anders te lopen en is de mentaliteit jammer genoeg soms een van oren dicht en info negeren.

 

Er werden onlangs op federaal niveau inspanningen geleverd om dergelijke schokkende situaties tegen te gaan. Zo werd artikel 458ter in het Strafwetboek ingevoegd om te voorzien in een mogelijkheid tot zogenaamd casusoverleg.

 

Mijnheer de minister, wat denkt u over de werkwijze van de justitieassistent in mijn voorbeeld? Volgt men hier de correcte manier van handelen of niet? Waarom wel of waarom niet?

 

Zult u het probleem aankaarten op de interministeriële conferentie Justitiehuizen, waar u overleg kan plegen met de Gemeenschappen over problemen die rijzen bij de uitoefening van de opdrachten?

 

Zouden de justitieassistent, de begeleider en de werknemer van het CLB in mijn voorbeeld geen toepassing moeten hebben gemaakt van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering?

 

Ziet u hier een mogelijkheid om artikel 458 van het Strafwetboek toe te passen? Waarom wel of waarom niet?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, over de concrete gevallen kan ik uiteraard geen uitspraken doen. De voorbeelden waarnaar u verwijst, tonen aan dat het beroepsgeheim van de justitieassistent op gespannen voet staat met de meldingsplicht van ambtenaren van de misdrijven die zij in het kader van hun ambt vaststellen.

 

Beide verplichtingen zijn belangrijk, enerzijds, omdat het gerecht de misdrijven tijdig zou kunnen opsporen en vervolgen, anderzijds, omdat discretie en vertrouwen fundamenteel blijven voor sommige beroepen. Er is echter vaste cassatierechtspraak die stelt dat de algemene meldingsplicht van ambtenaren ondergeschikt is aan de geheimhoudingsplicht voor bepaalde beroepen waarvan de schending overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek wordt bestraft.

 

Wat de kindermishandeling en andere geweldmisdrijven op kwetsbare personen betreft, bestaat reeds geruime tijd de uitzondering van artikel 458bis van het Strafwetboek, maar daartoe is vereist dat er risico op nieuwe feiten bestaat en dat die niet op een andere manier kunnen worden verhinderd of dat de slachtoffers zichzelf niet kunnen beschermen.

 

De problematiek waarnaar u verwijst, was dan ook een van de redenen waarom ik in mijn vijfde potpourriwet een nieuw artikel 458ter van het Strafwetboek heb laten goedkeuren, dat een kaderwet vormt voor het casusoverleg en de ketenaanpak ten opzichte van bepaalde misdrijven. Sinds de inwerkingtreding is het nu mogelijk om hetzij in de gevallen die bij wet, decreet of ordonnantie worden vastgelegd, hetzij mits gemotiveerde toestemming van de procureur des Konings een casusoverleg te organiseren waarbinnen geheimen wel met elkaar kunnen worden gedeeld. Ik wil erop wijzen dat het artikel ook ad hoc toepasbaar is, met andere woorden: de procureur des Konings kan voor een concreet dossier een dergelijk overleg machtigen en organiseren, voor zover de wettelijke voorwaarden qua finaliteit en modaliteiten zijn vervuld. De justitieassistent zou derhalve de procureur des Konings ook om een dergelijke machtiging kunnen verzoeken.

 

Daar het een zeer recente wetswijziging betreft, werkt het College van procureurs-generaal momenteel nog aan specifieke richtlijnen. De jongste ontwikkelingen werden recent besproken op een vergadering van het College van procureurs-generaal en zij zullen dan ook aan bod kunnen komen op de IMC Justitiehuizen.

 

Aan Vlaamse zijde worden protocollen ontwikkeld om de ketenaanpak in de family justice centers vorm te geven en aan Waalse zijde wordt reeds decretale regelgeving voorbereid waarmee het beroepsgeheim-casusoverleg zal worden ingebed. Ik ben dan ook hoopvol dat de nieuwe wetgeving zal leiden tot een verbeterde deling van de noodzakelijke informatie op het terrein tussen de politie, Justitie en houders van het beroepsgeheim.

 

07.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, bedankt voor het antwoord.

 

Ik vond het belangrijk om het onderwerp onder uw aandacht te brengen. Er zijn heel veel diensten en ambtenaren die goed, maar jammer genoeg naast elkaar werken, met straffeloosheid en verhoogde onveiligheid tot gevolg.

 

Uw antwoord is echter hoopgevend gelet op de sinds kort bestaande mogelijkheid van casusoverleg. Ik hoop dan ook dat dat een oplossing kan zijn, opdat de professionele inspanningen van zovelen in onze maatschappij tot een beter resultaat zouden leiden, want daarvoor gaan wij eigenlijk allemaal.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de geplande verbouwingswerken in de Ieperse gevangenis" (nr. 21438)

08 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les travaux de rénovation prévus à la prison d'Ypres" (n° 21438)

 

08.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, anderhalf jaar geleden werd bevestigd dat de gevangenis van Ieper 56 extra plaatsen krijgt. De bouwplannen omvatten twee nieuwe verdiepingen bovenop een bestaande sectie alsook de renovatie van deze sectie. De timing en de wijze van financieren moesten nog worden vastgesteld. De uitbreiding komt er zodat de gevangenis efficiënter kan worden beheerd. Daarnaast loopt er nog een aanvraag om het oudste cellengedeelte van de gevangenis te renoveren. Het zou onder meer gaan over het vernieuwen van ramen, sanitair en verlichting. Ook moet de aansluiting gemaakt worden met de nieuwbouw.

 

Ik heb een aantal vragen in verband met dit dossier.

 

In de pers konden wij lezen dat de werken zouden starten in juni 2018. Kunt u deze timing bevestigen? Wat is de uitvoeringstermijn voor de werken? Wat zal de wijze van financieren zijn?

 

Zal de gevangenis tijdens de verbouwingswerken volledig of gedeeltelijk worden gesloten? Als er een al dan niet volledige sluiting zou komen, weet men dan al waar de gevangenen zullen worden ondergebracht en wat dit betekent voor het negentigkoppige personeel? Worden zij dan tijdelijk gedetacheerd?

 

Wat is de stand van zaken omtrent de aanvraag om het oudste cellengedeelte te renoveren? Is er intussen groen licht?

 

Quid met de werkplaats van de Ieperse gevangenis? Zijn daar eventueel uitbreidingsmogelijkheden?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, wat de timing betreft is niet zo dat de werken van start zullen gaan in juni 2018 zoals in de pers gemeld. Het budget is pas voorzien voor 2019 en 2020. Binnen de termijnen door de Regie der Gebouwen aangegeven zullen de werken moeten worden uitgevoerd. De uitbreiding zal in eigen beheer van de Regie der Gebouwen gebeuren en dus gefinancierd worden op de klassieke manier waarbij de middelen bijkomend op hun investeringsprogramma worden uitgetrokken.

 

De uitbreiding van Ieper is een loutere uitbreiding van de capaciteit voor gedetineerden. Er worden geen andere werken aan verbonden, ook niet inzake ateliers.

 

De discussie over het al dan niet volledig sluiten van de gevangenis tijdens de werken is momenteel voorbarig. Er is hierover nog geen beslissing genomen. De planning van de start van de werken geeft ons nog de nodige tijd om het juiste scenario op te maken. Hiervoor worden momenteel door de administratie alle nuttige elementen verzameld. Daarna zal worden beslist of het nodig is om de gevangenis tijdelijk te ontruimen. Dat zal afhangen van de verwachte overlast voor de gedetineerden en het personeel.

 

Zodra de nodige beslissingen zijn genomen, zullen wij hierover communiceren, zeker ook met het personeel, en het nodige overleg plannen.

 

Uiteraard ben ik er ook voorstander van en vragende partij om de oudste cellenblokken eveneens te renoveren. De aanvraag hiervoor werd overgemaakt aan de Regie der Gebouwen.

 

08.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor deze stand van zaken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de centrale aanmeldingspunten voor drugsverslaafden in de gevangenissen" (nr. 21412)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de stand van zaken van de centrale aanmeldingspunten (CAP's) voor drugsverslaafde gevangenen" (nr. 21637)

09 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les points de contact centraux pour toxicomanes dans les prisons" (n° 21412)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "l'état de la situation en ce qui concerne les points de contact centraux (PCC) pour les détenus toxicomanes" (n° 21637)

 

09.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij hebben het al een aantal keren gehad over dit onderwerp. Ondertussen is het een tijdje geleden.

 

Ik wil kort verwijzen naar de vraag van vorig jaar in verband met de centrale aanmeldpunten voor drugsverslaafden. Vorig jaar moesten deze meldingspunten er noodgedwongen mee ophouden en moesten drugsverslaafde gevangenen weer zelf hulpverlening buiten de gevangenismuren zoeken. Een bevoegdheids­conflict lag daaraan ten grondslag.

 

In uw antwoord van oktober 2016 verwees u naar het engagement dat Vlaanderen op zich had genomen om de werking verder te financieren vanaf dit jaar. Aan Brusselse en Franstalige zijde was er op dat ogenblik nog geen engagement aangegaan. In die periode bereidde het directoraat-generaal EPI ook nieuwe dossiers voor inzake een tijdelijke verlenging van de CAP's. Eind vorig jaar werd ook een wetenschappelijke studie naar de werking van de CAP's afgerond. Over de aanbevelingen zouden gesprekken worden gevoerd met de Gemeenschappen. Wat Justitie betreft, moest worden bepaald welke faciliterende rol de psychosociale diensten in de gevangenissen en de gevangenisdirectie ten aanzien van de praktische organisatie van deze aanmeldpunten moeten spelen. Het was de bedoeling om in de eerste helft van 2017 tot een protocolakkoord te komen over de concrete engagementen die alle betrokken actoren binnen de eigen bevoegdheden en ten opzichte van elkaar moeten opnemen.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, wat is de stand van zaken vandaag? Sinds wanneer is de werking van de CAP's in de Vlaamse gevangenissen opnieuw opgestart, gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap? Spreken wij nog altijd over centrale aanmeldingspunten of heeft dat intussen een andere naam gekregen? Speelt de federale overheid hierin dan geen enkele rol meer? Wat is de werkwijze momenteel aan Brusselse en Franstalige zijde?

 

Ten tweede, kunt u voor elk van de regio's vermelden hoeveel voltijdse equivalenten er werkzaam waren op het moment van de stopzetting en hoeveel aanvragen zij sinds hun inwerkingtreding hebben behandeld? Hoeveel zijn er sinds wanneer opnieuw aan de slag op de respectievelijke niveaus?

 

Ten derde, kunt u de aanbevelingen van de studie kort toelichten?

 

Ten vierde, wat is uw visie in het algemeen over de doorverwijsstructuren, zoals de CAP's? Kan hun rol niet overal worden overgenomen door psychosociale diensten die uiteindelijk instaan voor de begeleiding in de gevangenissen?

 

Tot slot, zijn er problemen met het beroepsgeheim in hoofde van het personeel van de CAP's, in de zin bijvoorbeeld dat Justitie niet weet wat men heeft voorgesteld en dat dit voor communicatie­problemen zorgt wanneer een gedetineerde voor de strafuitvoeringsrechtbank komt?

 

09.02  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, dat de CAP's als aanmeldpunt voor drugsverslaafden in gevangenissen zinvol waren, is evident. Het is dan ook heel jammer dat in februari 2016, toen het contract met de FOD Justitie verliep, niet direct een vervanging kwam en er dus niets meer was voor de gedetineerden en zij weer hulp buitenshuis moesten gaan zoeken. Toch waren er duizenden aanvragen over de jaren. Veel gedetineerden kampen immers met een verslaving.

 

In antwoord op mijn vorige vragen zei u dat er gesprekken met Vlaanderen aan de gang waren over een concrete overname in Vlaanderen. Er was sprake van een gefaseerde heropstart van de CAP-werking in maart en een protocolakkoord in het voorjaar van 2017. Met Brussel en Wallonië vonden ook gesprekken plaats, maar er waren nog geen concrete engagementen.

 

Waaruit bestaat op het ogenblik het aanbod aan drugshulpverlening in de Vlaamse gevangenissen? Is de CAP-werking al volledig heropgestart? Welke verschillen zijn er ten opzichte van de vroegere werking? Is het protocolakkoord ondertussen een feit? Zo ja, wat zijn de belangrijkste krachtlijnen? Zo neen, waaraan is de vertraging te wijten en wanneer mag het protocolakkoord wel verwacht worden?

 

Wat is de stand van zaken in verband met de drughulpverlening aan gedetineerden in Brussel en Wallonië? Is ook daar een opvolging van de CAP-werking uitgerold? Is ook daar reeds een protocolakkoord? Is dat dezelfde regeling of verschilt die van de vroegere regeling en het huidige Vlaamse systeem?

 

09.03 Minister Koen Geens: In alle Vlaamse gevangenissen is sinds 1 oktober 2017 TANDEM, toeleiding en aanleiding na detentie en meer, volledig operationeel om in begeleiding te voorzien. TANDEM is de opvolger van de vroegere CAP maar werkt ruimer. Het betreft de toeleiding van alle gedetineerden met geestelijke gezondheidsproblemen naar diensten voor begeleiding en opvolging. Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen heeft de kosten voor de werking op zich genomen.

 

De focus van TANDEM is ook ruimer dan alleen de drugsproblematiek, die evenwel op 80 % van de caseload wordt geraamd. De behandeling van drugsverslaving in de gevangenissen wordt ingekanteld in het bredere kader van de geestelijke gezondheidszorg.

 

De toeleiding is ook subsidiair aan de andere toeleidingskanalen in de gevangenissen van de psychosociale diensten, de medische diensten en de trajectbegeleiders bij het justitieel welzijnswerk. De samenwerking tussen alle betrokken diensten werd opgenomen in een template ter beschrijving van de module "Aanmelding en toeleiding van gedetineerden met een geestelijk gezondheidsprobleem naar de gepaste zorg en hulpverlening na detentie". Een bijkomend protocolakkoord zal pas een tijdje na de implementatie van de werking van TANDEM worden bekeken, om na te gaan of er nog bijkomende werkafspraken nodig zijn. Momenteel zet TANDEM 3,5 voltijdse equivalenten in. Dat is evenveel als het Vlaamse CAP voorheen.

 

Wat Brussel betreft, wordt actief overlegd met de bevoegde diensten om een gelijkaardig model in de Brusselse gevangenissen te introduceren. Het opzet is om dat in 2018 te concretiseren. Wat de Waalse gevangenissen betreft, heeft de Franse Gemeenschap nog geen concreet initiatief genomen, maar ook hier blijven we on speaking terms.

 

De werking en effecten van het centrale aanmeldpunt maakten eerder het voorwerp uit van een wetenschappelijke studie, PROSPR of process and outcome study of prisonbased registrationpoints, die een verdere professionalisering en ontwikkeling van het doorverwijzingsbeleid bepleitte. Die studie moet nu ook samen worden gelezen met de studie van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, de zogenaamde KCE-studie, die een ruimer kader voor de organisatie van de gezondheidszorg voor gedetineerden als doelstelling had. De pilootprojecten die in samenwerking met de FOD Volksgezondheid van start gaan vanaf december 2018, kunnen worden beschouwd als voorlopers van de overdracht van de gezondheidszorg in de gevangenissen van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid en anticiperen op een meer kwalitatieve gezondheidszorg.

 

In de context van de toeleiding is de rol van de penitentiaire administratie drievoudig. Ten eerste, staan de medische dienst en, tot op zekere hoogte, de PSD in voor de screening en de detectie van geestelijke gezondheidsproblemen. Ze verwijzen de gedetineerde door naar de gespecialiseerde diensten van de Gemeenschappen voor psychosociale begeleiding, in het bijzonder in het licht van de postpenitentiaire fase. Ten tweede, staat de geneeskundige dienst van de gevangenis in voor de geneeskundige begeleiding van de gedetineerde. Ten derde, faciliteert de gevangenis als instelling de werking van de diensten van de Gemeenschappen, zoals dat ook voor de andere peilers van de hulp- en dienstverlening haar opdracht is.

 

Het aspect van het beroepsgeheim hoeft geen probleem te zijn, indien de toeleiding van gedetineerden met een geestelijke gezondheidsproblematiek vanuit de gevangenis via de medische dienst van de gevangenis gebeurt. Ook dat is een doelstelling van de pilootprojecten waarvan eerder sprake.

 

09.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Dank u, mijnheer de minister.

 

09.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, dank u.

 

U verbaast mij telkens opnieuw met uw snelle lezing. Sta mij toe dat ik uw antwoord eens rustig nalees. Ik denk het meeste gehoord en begrepen te hebben. Ik heb voornamelijk genoteerd dat er inderdaad een doorstart komt onder een ruimer project. Ik zal dat eens rustig bekijken en mogelijks formuleer ik een nieuwe vraag. Ik zal wel proberen om die iets trager te stellen dan uw antwoord nu.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de komst van transitiehuizen" (nr. 21437)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de invoering van kleinschalige transitiehuizen" (nr. 21639)

10 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la création de maisons de transition" (n° 21437)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la création de maisons de transition de taille réduite" (n° 21639)

 

10.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het masterplan voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden, dat eind vorig jaar werd goedgekeurd, voorziet in een honderdtal plaatsen binnen transitiehuizen. Deze plaatsen zijn bedoeld voor personen aan het einde van hun straf, om de overgang naar het opnieuw functioneren in onze samenleving gemakkelijker te laten verlopen.

 

Een eerste stap in de realisatie van dit project is het creëren van een wettelijk kader dat dergelijke transitiehuizen mogelijk moet maken, waarna een uitvoeringsbesluit moet volgen. Het zou de bedoeling zijn om nog tijdens deze legislatuur te starten met de eerste pilootprojecten.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, wat is de stand van zaken in de creatie van het wettelijk kader?

 

Ten tweede, aan welke normen zal een transitiehuis moeten beantwoorden?

 

Ten derde, is het nog altijd zo dat in de loop van deze legislatuur zal worden gestart met de eerste pilootprojecten? Zo ja, hoeveel en waar?

 

Ten vierde, welk budget wordt per pilootproject uitgetrokken?

 

Ten vijfde, zal de dagprijs voor een gedetineerde in een transitiehuis hoger of lager zijn dan in een gevangenis?

 

10.02  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een hele tijd geleden — wellicht tijdens de vorige legislatuur — hebben wij een resolutie opgesteld over de detentiehuizen. Er was het project De Huizen van de gevangenis­directeur van Oudenaarde. Wij zijn zelfs ooit ter plaatse gegaan om er met hem over te spreken. Sindsdien heeft hij mij hierover al vaak getelefoneerd.

 

Ik ben het idee genegen, maar begrijp ook wel dat dit geen evident idee is. Wij zijn ermee bezig. Dit project heeft stilaan ook zijn weg gevonden in het algemene denken. Het masterplan III voorziet in ruimte voor dit soort transitiehuizen. Collega Lahaye-Battheu wees er al op dat er een honderdtal plaatsen moeten komen in een project dat deze regering wil lanceren. Ik vind dit bijzonder interessant. In het Engelse systeem werkt men met categorieën zodat men van gevangenis naar gevangenis kan verschuiven, trapsgewijs dus. Dit vormt een deel in heel de keten.

 

In de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016 staat te lezen dat het idee moet worden onderzocht van op disengagement gerichte transitiehuizen. Deze zouden dan als een tussenstap kunnen fungeren in het reïntegratie­traject van gedetineerden die geradicaliseerd zijn of daarvoor alleszins een grote vatbaarheid vertonen. U weet net als ik dat deradicalisering, zeker in de gevangenis, niet evident is. Uiteindelijk zou een transitiehuis daarin een rol kunnen spelen. Daarom wordt de piste alleen maar interessanter.

 

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken betreffende de uitwerking van de transitiehuizen zoals omschreven in het masterplan Ill? Is het concept vergelijkbaar met het voorgestelde project De Huizen? Dat werd destijds voorgesteld door de gevangenisdirecteur van Oudenaarde. Wat zijn de eventuele verschillen?

 

In welk budget is hiervoor voorzien?

 

Zijn er reeds locaties gekend waar de eerste transitiehuizen zullen verschijnen?

 

Is er al bepaald welk type gedetineerde voor deze transitiehuizen in aanmerking zal komen?

 

Ten slotte, hoe staat u tegenover de aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie om op disengagement gerichte transitiehuizen op te richten?

 

10.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, mevrouw De Wit, de wettelijke basis die de oprichting van transitiehuizen mogelijk zal maken, is afgewerkt en wordt binnenkort in een wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot strafrecht en strafuitvoering aan het Parlement voorgelegd. Parallel wordt er gewerkt aan een ontwerp van uitvoeringsbesluit dat de normen zal vastleggen inzake infrastructuur, personeel en functionele en organisatorische zaken.

 

Organisaties die een transitiehuis wensen uit te baten, zullen een dossier moeten voorleggen met het oog op het verwerven van een erkenning. Welke procedure van aanbesteding zal worden gehanteerd, is momenteel nog niet beslist, verschillende varianten liggen ter studie.

 

Het is inderdaad het opzet om nog tijdens deze legislatuur met twee pilootprojecten van start te gaan, één in Vlaanderen en één in Wallonië, zoals bepaald in het masterplan III dat door de regering op 18 november 2016 werd bevestigd.

 

De budgettaire impact van deze projecten ligt tevens nog volop ter studie. Doordat dit een project zonder voorgaande is in ons land, is het geen eenvoudige oefening. Evenwel kan gesteld worden dat de kost voor een gedetineerde op dagbasis, die ten laste ligt van de FOD Justitie, minstens een lacuneuse vergelijkingsbasis is, omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met de kost van de infrastructuur, die grotendeels, op een aantal onderhoudsactiviteiten na, door de Regie der Gebouwen wordt gedragen. Bovendien dient idealiter bij de berekening van de kostprijs ervan ook de maatschappelijke meerwaarde in rekening te worden gebracht, ook al zal het verhoopte effect, met name een afname van de recidivecijfers, pas na verloop van tijd duidelijk worden.

 

Het concept van de transitiehuizen leunt nauw bij het concept van de detentiehuizen aan. Beide concepten delen de principes van kleinschaligheid en van nabijheid. Het concept detentiehuizen voegt daar het begrip differentiatie aan toe, wat impliceert dat detentiehuizen van elkaar kunnen verschillen qua niveau van beveiliging, detentie-invulling en voorziene begeleiding. Transitiehuizen focussen veeleer op veroordeelden die dichterbij een mogelijke vervroegde invrijheidstelling of een andere strafuitvoeringsmodaliteit staan, zoals elektronisch. Daardoor geldt veeleer het principe van de progressiviteit. Op zich worden a priori geen profielen van gedetineerden van dat concept uitgesloten, vermits de gemene deler de vatbaarheid voor sociale reïntegratie is.

 

Het is dus vooralsnog niet nuttig om exclusieven te definiëren en evenmin om uitsluitingcriteria vast te leggen. A priori zou een veroordeelde die in een transitiehuis verblijft, zich via het systeem van de bijzondere geïndividualiseerde voorwaarden in een disengagementproject kunnen inschrijven. Zoals aangegeven, is bij aanvang het opzet echter niet een transitiehuis tot een specifiek profiel van gedetineerden te beperken. Het is in deze context ook niet onbelangrijk erop te wijzen dat een dergelijk project maar kan slagen, indien voldoende maatschappelijk draagvlak kan worden gecreëerd.

 

Inzake de lokalisatie zijn er vanzelfsprekend nog geen sites bekend, hoewel vanuit diverse kringen signalen worden gegeven, om vragende partij te zijn. Zoals reeds is aangegeven, zal bij aanvang in één project per regio worden voorzien. Vermits het opzet is als manifestatie van het principe van de nabijheid in een transitiehuis veroordeelden op te sluiten die in de regio in kwestie zullen reïntegreren, lijken centrumsteden een logische keuze te zijn. Een en ander zal echter afhangen van de dossiers die met hun pro's en contra's zullen worden ingediend.

 

10.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

10.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

U hebt iets heel belangrijk aangeraakt, met name het maatschappelijk draagvlak. De communicatie over het project en de duiding erbij voor mensen in wiens buurt een dergelijk transitiehuis zou kunnen komen, zullen bijzonder belangrijk zijn. Op dat punt hebt u iets belangrijks aangehaald.

 

Ik volg het dossier heel graag nader op en bekijk hoe een en ander verder kan evolueren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Les questions nos 21443 de M. Dallemagne et 21461 de Mme Van Hoof sont transformées en questions écrites. La question n° 21478 de Mme Özen est reportée.

 

11 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het penitentiair verlof voor levenslang gestraften" (nr. 21503)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "het voorstel van penitentiair verlof voor levenslang veroordeelde gedetineerden" (nr. 21778)

11 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le congé pénitentiaire pour les condamnés à perpétuité" (n° 21503)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la proposition de congé pénitentiaire pour les détenus condamnés à perpétuité" (n° 21778)

 

Mevrouw Lambrecht is niet aanwezig voor het stellen van haar vraag.

 

11.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, België kent een aantal levenslang veroordeelden die ondertussen al meer dan 30 jaar opgesloten zitten in een Belgische gevangenis en mogelijk niet meer zullen worden vrijgelaten. Onlangs werd het voorstel gelanceerd om ook dit type gedetineerden penitentiair verlof te gunnen. U liet weten daar niet weigerachtig tegenover te staan.

 

Op dit ogenblik kunnen gedetineerden met een levenslange gevangenisstraf al penitentiair verlof krijgen in het jaar voorafgaand aan de datum dat ze in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, volgens artikel 7 van de wet Externe Rechtspositie.

 

Ik wil u hierover de volgende vragen voorleggen.

 

Wenst u met uw reactie in de media af te wijken van het reeds bestaande wettelijke systeem of kadert dit binnen de op til zijnde hervorming van het wetboek Strafuitvoering?

 

Onder welke voorwaarden en restricties overweegt u om penitentiair verlof toe te kennen?

 

Tot slot, heb ik nog een niet onbelangrijke vraag met het oog op de praktische uitwerking. Wie zal er beslissen over de toekenning van dit penitentiair verlof? Zal dat de strafuitvoerings­rechtbank zijn, dan wel de minister op voordracht van de gevangenisdirectie?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mevrouw De Wit, u spreekt over penitentiair verlof, maar de topic is eerder de “uitgaansvergunning”, namelijk een dagje vrij. De uitgaansvergunning is volgens artikel 4 van de wet Externe Rechtspositie een modaliteit van strafuitvoering die de veroordeelde toelaat om gedurende de dag de gevangenis te verlaten. Dat mag niet langer duren dan 16 uur. In de praktijk betekent het dat een gedetineerde ’s morgens de inrichting verlaat en ’s avonds terugkeert. Bij een penitentiair verlof daarentegen is minstens een overnachting extra muros inbegrepen.

 

Het betreft een beslissing van de minister van Justitie die gedelegeerd wordt aan de penitentiaire administratie. Uitzonderlijk kan ook de strafuitvoeringsrechtbank die vergunning toekennen als ze moet oordelen over andere modaliteiten zoals elektronisch toezicht of vervroegde invrijheidsstelling.

 

Er zijn twee soorten uitgaansvergunningen.

 

De eerste heeft tot doel de sociale reïntegratie voor te bereiden, dat zijn dus uitstappen die bedoeld zijn om de latere modaliteiten zoals elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidsstelling voor te bereiden.

 

Een tweede soort is de occasionele uitgaans­vergunning om sociale, morele, juridische, therapeutische, familiale, opleidings- of professioneel gerechtvaardigde belangen te behartigen die de aanwezigheid van de gedetineerde buiten de gevangenis vereisen. Hier is het eerder een bijzondere situatie of een probleem dat zich voordoet, zoals het bijwonen van een begrafenis, de geboorte van een kind, het bezoek aan een notaris enzovoort.

 

Aan de uitgaansvergunning worden voorwaarden gekoppeld die te maken hebben met het doel, het voorwerp en de duur of met verboden, zoals drankgebruik, locaties en dergelijke. Een van de bijzondere voorwaarden kan zijn dat de uitgaansvergunning wordt begeleid door één of meerdere vertrouwenspersonen. Uiteraard wordt vooraf nagegaan of er geen contra-indicaties zijn, zoals ontvluchtingsgevaar, nieuwe feiten of het verontrusten van slachtoffers.

 

Het toekennen van een occasionele uitgaansvergunning aan levenslang veroordeelde gedetineerden kan nu al op basis van de wet. De uitgaansvergunning heeft immers, zoals supra uitgelegd, onder meer tot doelstelling om een sociaal, moreel en/of familiaal belang te behartigen. Het toekennen van regelmatige uitgangen aan een persoon die levenslang in detentie is of die lang in detentie is, kan als doel hebben om de opsluiting draaglijker te maken, een rustperiode of cesuur om eens uit de gevangenis te zijn. De gevangenis is namelijk een totaalinstituut, waar alles voor de gedetineerde wordt geregeld – opstaan, wassen, eten, wandelen, alle soorten regimeregels. Kortom, zich eens vrij te voelen. Het kan ook tot doel hebben de gedetineerde nog enige binding te laten hebben met de buitenwereld, zowel fysiek als psychisch, en de veranderingen in de samenleving te laten aanvoelen of de familieleden, vrienden of vertrouwenspersonen te bezoeken op een menselijkere locatie dan de zaal van de gevangenis en zonder de strikte tijdslimiet van het bezoekuur. Dat kan op specifieke momenten in het leven, zoals een geboorte, een begrafenis, een feest enzovoort. Het kan ook tot doel hebben de gedetineerde toch nog enig perspectief te geven door hem zich af en toe echt vrij te laten voelen. Dat heeft ook een positief psychosomatisch, therapeutisch effect.

 

Ik wens er nog op te wijzen dat de wet betreffende de interne rechtspositie van gedetineerden van 11 januari 2005 in artikel 6, § 2, het volgende bepaalt: “Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf dient vermijdbare detentieschade te worden voorkomen.” Af en toe een levenslang veroordeelde een uitgang geven onder begeleiding kan helpen om de persoon te laten overleven in detentie, maar, weerom, er mogen geen tegenindicaties zijn.

 

11.03  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik probeer uw antwoord even te plaatsen.

 

Ik begrijp dat voor een begrafenis, een afspraak met een notaris, de geboorte van een kind… Ongeacht wat er gebeurt, moeten wij ervoor zorgen dat wij mensen op een menswaardige manier in de gevangenis zetten en de detentie ook zo invullen. Ik heb er echter wel moeite mee dat u zegt dat zij zich eens vrij moeten voelen.

 

Ik kan het nog begrijpen als het onder begeleiding is, maar als dat niet het geval is, vind ik dat heel moeilijk. Men moet vergevingsgezind zijn, maar veelal krijgt men niet zomaar levenslang en is er een slachtoffer dat zich nooit meer vrij zal voelen. Dat vind ik heel moeilijk. Ik begrijp het aan de ene kant, maar aan de andere kant vind ik het op menselijk vlak geen evidente beschouwing, in het bijzonder wanneer het zonder begeleiding zou zijn.

 

Het is een moeilijk thema, dus ik zou niet graag in de schoenen staan van degene die daarin de beslissing moet nemen. Ik denk dat het niet zo evident is.

 

Ik dank u alleszins voor uw antwoord.

 

11.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mag ik iets daaraan toevoegen?

 

Het is evident dat het onder begeleiding is. Als u daaraan zou betwijfelen, dan wil ik dat ten stelligste tegenspreken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de aanpak van ouderverstoting" (nr. 21748)

12 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la lutte contre l'aliénation parentale" (n° 21748)

 

12.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, de werkgroep Familierechtbanken buigt zich onder meer over de problematiek van ouderverstoting. Ik heb u een grafiekje gestuurd met de exponentiële toename van de vaststelling van die problematiek. De werkgroep zal nu een concrete aanpak zoeken met noodzakelijk te nemen maatregelen, zowel burgerrechtelijk en protectioneel als strafrechtelijk.

 

In het kader van de organisatie van de omgangsregeling en de verbetering van de communicatie tussen beide ouders werd al het idee geopperd om een controlelijst, een soort checklist op te nemen in de wet. Door in een minimum aan criteria te voorzien, zouden we familierechters kunnen helpen om de belangen van kinderen en hun ouders te beoordelen in de communicatie tussen de ouders.

 

De werkgroep was het er ook over eens dat een goede opleiding van magistraten en advocaten noodzakelijk is. Dat blijkt eveneens uit een studie van de universiteit van Leuven waarbij 10 familie- en jeugdrechters uit het hele land bevraagd werden om in de gerechtelijke wereld een beeld te krijgen van ouderverstoting. In dat licht werd een pilootproject in Dinant en Luik uitgerold volgens de methode-Cochem, genoemd naar een Duits stadje, geprezen voor de gunstige effecten en resultaten. Het is immers geweten dat ex-partners vaker tot een akkoord komen wanneer onder andere rechters, advocaten, sociale dienst en bemiddelaars samenwerken voor een snellere aanpak van een echtscheiding. Volgens die methode moet er ook werk worden gemaakt van een vereenvoudigd verzoekschrift met een soort aankruislijst waarbij er weinig of geen ruimte wordt gelaten voor uitleg en waarbij de rechter op summiere basis objectief zonder beïnvloeding kan oordelen.

 

In de studie wordt bovendien vastgesteld dat preventief optreden heel belangrijk is, al is het in bepaalde situaties soms noodzakelijk om bestraffend en radicaal op te treden. Het niet respecteren van de afgesproken of opgelegde verblijfsregeling betekent immers de niet-uitvoering van een gerechtelijke beslissing.

 

Mijnheer de minister, is er ondertussen een beslissing genomen omtrent het opnemen van een dergelijke controlelijst of checklist in de wet? Zo ja, hebt u een zicht op de invoering daarvan? Zal die lijst ook gehanteerd worden bij het vermoeden van ouderverstoting, met het oog op een vroegtijdige vaststelling?

 

Zijn er andere concrete aanbevelingen geformuleerd om ouderverstoting aan te pakken? Zo ja, welke aanbevelingen zijn dat? Worden die ook in wetgeving omgezet?

 

Bent u op de hoogte van het pilootproject in Dinant en Luik, waar de methode van Cochem gebruikt wordt? Wat zijn de eerste bevindingen? Welke zijn de mogelijkheden tot uitbreiding?

 

Als correctionele vonnissen niet nageleefd worden, dan heeft dat duidelijke consequenties. De afdwingbaarheid van burgerrechtelijke vonnissen blijft echter een pijnpunt. In de praktijk zien wij namelijk dat alternatieve straffen voor niet-uitvoering, bijvoorbeeld de intrekking van een rijbewijs, amper gebruikt worden of geen soelaas bieden. Voorziet u in nieuwe maatregelen voor niet-uitvoering?

 

Zijn er stappen gezet om de specifieke opleiding in de aanpak van ouderverstoting van magistraten en advocaten te verbeteren? Zo ja, welke? Wanneer gaan die opleidingsonderdelen van start?

 

12.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, zoals ik al eerder heb aangegeven in het antwoord op een vorige mondelinge vraag, ben ik van mening dat de strijd tegen de ouderverstoting verschillende soorten maatregelen vereist, zowel burgerrechtelijk, protectioneel als strafrechtelijk. De nadruk moet daarbij worden gelegd op de dialoog en de communicatie tussen ouders. Het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek omvatten een aantal bepalingen die dergelijke schadelijke gedragingen voor het kind moeten verhinderen, maar die bepalingen grijpen pas a posteriori in, wanneer de relatie tussen de ouders al is verslechterd.

 

In de werkgroep Familierechtbank werden er daaromtrent nog geen beslissingen genomen. Op het ogenblik worden er verschillende maatregelen onderzocht, zoals het definiëren van een aantal criteria die het de rechter moeten toelaten om te bepalen of er al dan niet sprake is van ouderverstoting of de mogelijkheid van een facultatieve vorming van de magistraten om hen te sensibiliseren voor die problematiek. Ik zal de door u aangehaalde bezorgdheden en suggesties ook voorleggen aan de werkgroep. De volgende vergadering van de werkgroep Familierechtbank vindt plaats op 21 november in aanwezigheid van enkele experts.

 

Ook de Gemeenschappen worden nauw betrokken bij de werkzaamheden met het oog op een betere samenwerking tussen Justitie en Welzijn.

 

Mijn intentie is om in de loop van 2018 een maatschappelijk debat te organiseren over de bevindingen van de werkgroep in de vorm van een colloquium.

 

Het pilootproject in Dinant, waar de zogenaamde Cochemmethode wordt toegepast, vertrekt van de stelling dat volgens het Kinderrechtenverdrag een kind het recht heeft om zijn beide ouders te kennen en om hen regelmatig te zien. In dat opzicht moeten de ouders hun verantwoordelijkheid nemen en samenwerken om oplossingen uit te werken in het belang van het kind. Daartoe geeft het model voorrang aan het gebruik van bemiddeling of een vorm van begeleiding door de advocaten, die hun cliënten aanmoedigen om overeen te komen over oplossingen waar alle partijen bij winnen.

 

Wanneer er reeds een verbreking van de banden tussen de ouders is, kan er bij die methode een begeleiding gebeuren, waarbij de ouders binnen een interdisciplinaire aanpak en met de nodige dwang, richtlijnen en controle ertoe worden aangezet om zelf een overeenkomst te bereiken.

 

Het is slechts bij wijze van uitzondering dat de rechter een geschil zal moeten beslechten, namelijk wanneer de bemiddeling of de begeleiding faalt. Het model breidt zich uit buiten het arrondissement van Dinant, maar kan pas succes boeken als de partijen hun medewerking willen verlenen en als zij goed geïnformeerd zijn over de gebruikte methode, wat niet steeds het geval is.

 

Sommigen zijn van mening dat de methode niet geschikt is, wanneer het conflict tussen de ouders al te ver is gevorderd. Een andere kritiek is dat er geen dienst is die de ouders zou ondersteunen bij die niet-conflictuele aanpak, ook al wordt er hier en daar al van initiatieven gesproken bij Justitiehuizen en centra voor gezinsplanning.

 

Het model zal nader worden besproken op de eerstkomende vergadering van de werkgroep.

 

12.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u om de suggesties en bezorgdheden mee te nemen naar de vergadering van 21 november 2017.

 

Het belang van het kind is natuurlijk prioritair. U haalde zelf de Europese en internationale rechten van het kind aan. Hoe vroeger men kan ingrijpen in een stadium van ouderverstoting of oudervervreemding, hoe minder schade het kind lijdt, want blijkbaar is er toch een ernstige mentale weerslag, ook bij de ouders.

 

Men kan wel uit elkaar gaan en dan wordt de andere ouder een ex-partner, maar men is nooit ex-ouder. Ouder blijft men voor het leven. Ik denk dat in dat verband het wetsontwerp betreffende de bemiddeling, waarnaar wij met belangstelling uitkijken en dat wij dit najaar of begin volgend jaar verwachten, een opdracht heeft.

 

Ik dank u alleszins om mijn bekommering mee te nemen naar de volgende vergadering van de werkgroep Familierechtbank.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 21669 van de heer Cheron wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

13 Vraag van mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de evaluatie van de hernieuwde omzendbrief COL 4/2006" (nr. 21751)

13 Question de Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "l'évaluation de la nouvelle circulaire COL 4/2006" (n° 21751)

 

13.01  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, op 1 december 2015 trad de hernieuwde omzendbrief COL 4/2006 in werking. Hierin zijn enkele bijzondere gevallen opgenomen, waaronder familieverlating naar aanleiding van het niet-betalen van onderhoudsbijdragen en het niet afgeven van kinderen.

 

Hoofdstuk X van de hernieuwde omzendbrief voorziet in een jaarlijkse evaluatie door het expertisenetwerk Criminaliteit tegen Personen, met steun van de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid. Het doel is om aan de minister van Justitie en aan het College van procureurs-generaal nuttige voorstellen voor te leggen om de omzendbrief te wijzigen of aan te vullen. Zo wordt onder meer bekeken of de middelen die ter beschikking van parketten, politiediensten en justitiehuizen worden gesteld, voldoen voor de toepassing waarvoor ze bedoeld zijn. Daarnaast is er ook een controlelijst Intrafamiliaal geweld toegevoegd, waarvan alle elementen moeten worden onderzocht en toegevoegd aan het proces-verbaal om dit relevanter en vollediger te maken.

 

Zoals u in een eerder antwoord op een vraag van april 2016 zei, zal deze hernieuwde omzendbrief ook een impact hebben op strafrechtelijk vlak met betrekking tot partnergeweld en ouderverstoting.

 

Mijnheer de minister, is er al een evaluatie gebeurd na één jaar werking volgens de hernieuwde omzendbrief? Zijn bijkomende maatregelen voorgesteld? Zo ja, welke? Wat waren de resultaten? Wat zijn de reacties uit de praktijk op de COL? Hoe wordt het gebruik van de controlelijst door politie en magistraten ervaren?

 

Is een impact merkbaar op strafrechtelijk gebied? Kunt u reeds vaststellen of de cijfers van klachten, vervolgingen, beter worden bijgehouden? Wordt ondertussen meer bemiddeld?

 

De cijfers die ik vorig jaar mocht ontvangen, toonden aan dat de voorbije vijf jaar slechts enkele gevallen hebben geleid tot een minnelijke schikking op parketniveau. Is er ondertussen een stijging merkbaar, nu dit meer wordt gepromoot?

 

Wat is uw algemeen besluit hierover? Kan er naar aanleiding van de hernieuwde omzendbrief een positieve evaluatie worden gegeven?

 

13.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Uyttersprot, de COL 4/2006 kreeg eind 2015 nog een grondige actualisering. Daarmee werden belangrijke klemtonen gelegd op een meer kordate en prioritaire aanpak van het intrafamiliaal geweld waarvan de nefaste effecten niet kunnen worden ontkend. Zo worden binnen de verschillende arrondissementen referentiemagistraten aangewezen door de procureur des Konings en wordt er in actieplannen inzake partnergeweld voorzien. Het is terecht een van de belangrijke aandachtspunten die in aanmerking komen in de verticale beleidsthema's van de kadernota Integrale Veiligheid en van het Nationaal Veiligheidsplan.

 

Ik wil er in die context ook op wijzen dat een van de instrumenten om effectief te strijden tegen deze problematiek op mijn vraag het voorbije jaar grondig werd geëvalueerd, met name het opleggen van een huisverbod. De resultaten van deze evaluatie zullen nu verder op de diverse niveaus worden besproken, onder meer binnen de IMC Justitiehuizen en op het College van procureurs-generaal met de deelstaten. Dit is noodzakelijk gelet op het belang van zowel dader- als slachtoffergerichte maatregelen en de inbedding in de werking van de family justice centers die stilaan overal worden opgericht en die de noodzakelijke opvolging door de justitieassistenten toelaat. Ook de samenwerking met de politiediensten en het gebruik van instrumenten als de controlelijst worden verder opgevolgd en besproken.

 

Het klopt dat de COL 4/2006 in een jaarlijkse evaluatie voorziet maar die zal voortaan gebeuren door een jaarlijkse bespreking in het expertisenetwerk misdrijven tegen personen en niet middels een formeel evaluatieonderzoek. Het expertisenetwerk burgerlijk recht zal aan deze jaarlijkse bespreking deelnemen vanuit de eigen expertise, onder andere in het licht van de strijd tegen ouderverstoting. De klemtoon werd het afgelopen jaar gelegd op de voormelde evaluatie van het huisverbod. De andere onderwerpen zullen ongetwijfeld in de komende jaren nog aan bod komen.

 

Tot slot, moet ik u meedelen dat ik u in het kader van deze mondelinge vraag geen nieuwe statistische gegevens kan verstrekken gelet op het korte tijdsbestek.

 

13.03  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Ik kijk vooral uit naar de evaluatie van ouderverstoting in de strafrechtelijke vervolging en mogelijks ook veroordeling op dat vlak. Ik zal uw antwoord over het huisverbod graag doorsturen naar mijn collega Van Vaerenbergh die deze problematiek voor ons volgt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 21767 van mevrouw Özen en de samengevoegde vragen nr. 21776 van mevrouw Van Cauter en nr. 21807 van mevrouw Smeyers zijn uitgesteld.

 

14 Vraag van mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "het vervoer van Abdeslam van en naar zijn proces" (nr. 21777)

14 Question de Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "le transfert d'Abdeslam au départ et à destination du lieu de son procès" (n° 21777)

 

14.01  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 18 december start in Brussel het proces waarbij Abdeslam moet voorkomen wegens geweld tegen agenten. Dat is eigenlijk mooi omschreven. Momenteel verblijft hij in een gevangenis in Parijs. Om zijn proces te kunnen bijwonen, zou hij elke dag per helikopter over en weer worden gevlogen. Het proces zou uiteindelijk in principe vier dagen duren.

 

Volgens de media is het met deze helikoptervluchten de bedoeling dat Abdeslam zich niet kan nestelen in een Belgische cel en zou kunnen weigeren om terug naar Frankrijk te gaan. Daarnaast zouden de autoriteiten willen vermijden om hem terug in de streng beveiligde gevangenis van Brugge onder te brengen, omdat hij daar vroeger reeds zat en omdat daar toen problemen ontstonden.

 

Mijnheer de minister, is reeds definitief bepaald op welke wijze hij zijn proces zal bijwonen? Zo ja, zal dit effectief per helikopter gebeuren? Is hierover een akkoord met Frankrijk bereikt? Wat is de kostprijs hiervan? Zullen die kosten gedragen worden door België of door Frankrijk? Zijn er alternatieven?

 

In verband met die problemen in Brugge, ik weet niet of u daarover iets kunt zeggen, maar als u een tip van de sluier kunt lichten in verband met de precieze problemen, verneem ik dat graag.

 

14.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw De Wit, vanzelfsprekend bestaat er nog geen akkoord over de praktische modaliteiten rond het vervoer van Salah Abdeslam aangezien er nog geen akkoord is over het principe van zijn overbrenging. De rechtbank heeft een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd dat werd overgemaakt aan de Franse gerechtelijke autoriteiten. Deze analyseren momenteel het aanhoudingsbevel. Gelet op de actualiteit denk ik dat er de voorbije dagen voldoende aan werd herinnerd dat de beslissing over de tenuit­voerlegging van een Europees aanhoudingsbevel een strikt gerechtelijke beslissing is.

 

Er vonden reeds contacten plaats tussen de bevoegde Franse en Belgische diensten en autoriteiten voor het geval dat het Europees aanhoudingsbevel zou worden uitgevoerd, om op enkele praktische aspecten te anticiperen, zonder een voorafname te willen doen op de gerechtelijke beslissing. Het gaat louter om verkennende contacten.

 

Omtrent de vorige detentie van Salah Abdeslam in de gevangenis van Brugge meldt het directoraat-generaal Penitentiaire Instellingen dat er zich met die gedetineerde geen bijzondere of specifieke problemen hebben voorgedaan.

 

14.03  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Justitie over "de Belgian Intelligence" (nr. 21597)

15 Question de M. Alain Top au ministre de la Justice sur "la Belgian Intelligence" (n° 21597)

 

15.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, The Washington Post onthulde recent dat de Amerikaanse president Donald Trump vertrouwelijke informatie van de inlichtingen­diensten gedeeld heeft met de Russische minister Lavrov. De onthulling leidde tot grote paniek in het Witte Huis. Trump bevestigde zijn uitlating en stelde dat hij daar absoluut het recht toe had. Trump lekte dat de Amerikaanse inlichtingen­diensten een complot van IS op het spoor waren, waarbij laptops in vliegtuigen gebruikt zouden worden. Trump noemde eveneens de Syrische stad waar het complot zou worden voorbereid. Die informatie valt in de hoogste categorie van geheimhouding door de inlichtingendiensten.

 

Iedere overheidsmedewerker die geheime infor­matie deelt met een buitenlandse mogendheid, zeker een waarmee de VS op gespannen voet leeft, is strafbaar. Volgens juristen was de actie van Trump dat niet, omdat de president uiteindelijk zelf beslist wat al dan niet geheim is. Desondanks doet dat niets af aan de schade die Trump zijn inlichtingendiensten heeft berokkend. De uitspraken van de Amerikaanse president zijn schadelijk voor de banden van de CIA en de NSA met de bondgenoten in Syrië die de informatie hadden geleverd en gedeeld.

 

Een week later stelden Britse en Europese intelligencediensten eveneens dat zij bezorgd waren over het feit dat heel veel informatie over de aanslag in Manchester via Amerikaanse bronnen publiek werd gemaakt. Ik citeer een Belgische bron: "Het gebeurt weleens dat wanneer een grotere partner zoals de Verenigde Staten in een onderzoek zoals deze bijstaat, er informatie wordt gelekt. Je betrekt ze omwille van de extra middelen maar moet beseffen dat de kans op lekken daarmee ook stijgt. In dit geval hebben de Britten wel een vermoeden vanwaar het lek komt. De recente uitvoering van de Trump-administratie bij lekkende gevoelige informatie zit zeker in het achterhoofd wanneer men deze situatie onderzoekt".

 

Mijnheer de minister, ik krijg graag een antwoord op de volgende vragen.

 

In welke mate kunnen wij de president van de Verenigde Staten, Donald Trump, en zijn diensten nog vertrouwen met gevoelige informatie?

 

Welke consequenties hebben de recente gebeurtenissen – het lek naar de Russen en het lek in verband met de aanslag in Manchester – voor onze Belgische inlichtingendiensten?

 

15.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Top, de Veiligheid van de Staat werkt al jarenlang samen met een groot aantal buitenlandse inlichtingendiensten.

 

De samenwerking van de Veiligheid van de Staat met buitenlandse inlichtingendiensten kadert in de wet van 30 november 1998 die de expliciete opdracht heeft tot samenwerking met buitenlandse zusterdiensten. Er bestaat een duurzame en echte samenwerking tussen de VVSE – de Veiligheid van de Staat – en de Amerikaanse inlichtingengemeenschap, zeker – maar niet uitsluitend – in de strijd tegen het terrorisme. Sinds de aanslagen in Parijs en Brussel is de uitwisseling van inlichtingen tussen beide alleen maar toegenomen.

 

Net zoals tegenover de andere buitenlandse partnerdiensten blijft de VVSE wel aandachtig voor activiteiten die een aantasting voor onze nationale soevereiniteit zouden kunnen betekenen of die de inlichtingenpositie van onze dienst in gevaar zouden kunnen brengen.

 

Op dit ogenblik heeft de VVSE geen elementen om de samenwerking met de Amerikaanse partnerdiensten in vraag te stellen.

 

15.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u verwijst naar de wetgeving en de uitvoering ervan. Die ken ik zelf ook wel.

 

Het is eerder een verrassing om vast te stellen dat de hoogste persoon van de Verenigde Staten zomaar gevoelige informatie ter beschikking heeft of lekt. Het blijft mijn bezorgdheid in hoeverre wij als kleine staat daarmee omgaan.

 

U zegt dat er na de toename van de dreiging en na de aanslagen veel meer uitwisseling van gegevens tussen de verschillende inlichtingen­diensten is. Dat was ook een van de wensen van de verschillende onderzoekscommissies. Tot zover het goede nieuws.

 

U hebt zelf gezegd dat de soevereiniteit van de eigen staat nooit in het gedrang mag komen. Bij deze blijf ik erop aandringen dat aan de partners moet worden meegedeeld dat dergelijke uitlatingen van een president van de Verenigde Staten niet toelaatbaar zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Alain Top aan de minister van Justitie over "de website verkeersboeten.be" (nr. 21659)

16 Question de M. Alain Top au ministre de la Justice sur "le site internet www.amendesroutieres.be" (n° 21659)

 

16.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik kom terug op een eerdere vraag van 18 oktober over de website www.verkeersboeten.be.

 

U zei toen: "De website www.verkeersboeten.be wordt in België gehost en de gegevens zijn in het systeem van de FOD Justitie gestockeerd ".

 

Na enig opzoekingswerk kwam ik te weten dat het IP-adres van verkeersboeten.be wordt gehost door Amazon Web Services cloud. Het domein zelf is geregistreerd door en eigendom van bpost.

 

Het verkrijgen van bijkomende informatie over dit thema is niet evident, maar het nalezen van de privacyverklaring van bpost doet bij mij vragen rijzen. In de privacyverklaring staan bij "de ontvangers van uw gegevens" bpost, AXI en CSC vermeld. CSC is een Amerikaans bedrijf en valt dus onder de Amerikaanse wetgeving, die bepaalt dat die bedrijven hun data steeds ter beschikking moeten kunnen stellen van de overheid en al degene die daarop controle hebben. Dat is toch geen evident gegeven als men de privacy en de afluisterschandalen in acht neemt.

 

Dat maakt mij toch enigszins bezorgd en daarom heb ik de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Ressorteren het bedrijf CSC, vermeld in de privacyverklaring, en/of de bedrijven die de gegevens ontvangen, onder de Amerikaanse wetgeving? Zo ja, werd het gegeven dat de data aan de Amerikaanse overheid ter beschikking moeten worden gesteld meegenomen in de beslissing om de website en de verwerking ervan zo te organiseren?

 

Hoe staat u zelf tegenover deze bevindingen?

 

16.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Top, de database van de onmiddellijke inningen draait on premise bij een Belgisch bedrijf. Dat betekent dat de data lokaal in België en op eigen servers worden bewaard. Alle andere data die betrekking hebben op de minnelijke schikkingen en bevelen tot betalen, bevinden zich op de servers van MaCH bij de FOD Justitie.

 

Vanaf januari 2018 zullen alle data, dus ook die van de onmiddellijke inningen, zich op de servers van Justitie bevinden en worden er geen data meer bewaard buiten de IT-omgeving van Justitie. De rol van Amazon beperkt zich enkel en alleen tot de hosting van de website. Er wordt hiervoor geen gebruik gemaakt van servers of infrastructuur in de US. De website is eigendom van de FOD Justitie. De domeinnaam is op dit moment inderdaad eigendom van bpost. Hierdoor kan bpost snel ingrijpen bij problemen en kunnen de lay-out en de inhoud van de website op de meest efficiënte manier worden beheerd. Er is echter contractueel overeengekomen dat bpost het eigendomsrecht van de domeinnamen, indien gevraagd, op eenvoudig verzoek en zonder kosten overdraagt aan de FOD Justitie.

 

16.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik wil eerst en vooral refereren aan mijn vorige vraag, want dat is eigenlijk ook de reden van mijn bezorgdheid over hoe er met gevoelige informatie wordt omgesprongen op www.verkeersboeten.be. Uw antwoord stelt mij echter gerust dat het inderdaad zo is uitgewerkt dat de gegevens niet in Amerikaanse handen kunnen vallen, waardoor de privacy van de burgers in eigen land verzekerd is.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre de la Justice sur "le nouveau palais de justice de Nivelles" (n° 21766)

17 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Justitie over "het nieuwe gerechtsgebouw in Nijvel" (nr. 21766)

 

17.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous ai déjà interrogé à plusieurs reprises sur ce sujet, ainsi que votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments.

 

J'aimerais néanmoins y revenir car il semblerait que de nouveau, dans cette saga, l'inauguration prévue en 2020 soit retardée. Une réunion devait se tenir en juin dernier afin de présenter les plans du nouveau palais de justice mais une fois de plus, elle a été reportée. Entre-temps, les normes de sécurité ont été modifiées pour les palais de justice. Une des nouvelles mesures est notamment une entrée unique. Des modifications ont dès lors dû être apportées au plan initial.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous me dire où on en est sur le plan de la procédure? Le projet de construire le nouveau palais de justice de Nivelles adjacent au bâtiment existant rue Clarisse est-il toujours d'actualité? Si tel est le cas, quand les travaux pourront-ils enfin débuter? Pouvez-vous me donner une idée de la date à laquelle le palais de justice de Nivelles sera pleinement opérationnel?

 

17.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Crusnière, le projet d'un nouveau bâtiment est toujours d'actualité. Le nouveau programme des besoins a été soumis à l'inspecteur des Finances accrédité auprès de mes services. Ce dernier a formulé de nombreuses questions auxquelles mes services tentent de répondre. Parallèlement, le programme des besoins – donc la version qui n'est pas encore approuvée par l'inspecteur des Finances – a été adressé à la Régie des Bâtiments pour information, lui permettant ainsi d'analyser l'impact de ce programme sur le projet existant.

 

Effectivement, avec les nouvelles normes de sécurité, le projet devra être modifié. Pour toutes ces raisons, il n'est pas possible de préciser le timing à l'heure actuelle.

 

17.03  Stéphane Crusnière (PS): Je remercie le ministre pour ses réponses.

 

Je regrette que de nouveau, ce projet soit reporté aux calendes grecques. Vous confirmez bien la volonté de construction de ce palais de justice mais à chaque fois, on impose de nouvelles mesures qui affectent le démarrage des travaux. Je vous demande donc d'en faire une priorité. C'est un grand besoin en Brabant wallon et plus spécifiquement à Nivelles.

 

Je vous demande de mettre tout votre poids dans la balance pour faire avancer ce projet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 21574 et n° 21601 de Mme Jadin et n° 21588 de M. Calomne sont reportées.

 

De samengevoegde vragen nrs. 21632 van mevrouw Lahaye-Battheu en 21750 van mevrouw Uyttersprot worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 21754 van de heer Crusnière, 21756 van de heer Maingain en 21772 van mevrouw Özen worden ook uitgesteld. De vragen nrs. 21755, 21761 en 21762 van de heer Maingain vervallen.

 

18 Question de Mme Muriel Gerkens au ministre de la Justice sur "la future nouvelle prison de Lantin" (n° 21262)

18 Vraag van mevrouw Muriel Gerkens aan de minister van Justitie over "de toekomstige nieuwe gevangenis in Lantin" (nr. 21262)

 

18.01  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, la prison de Lantin doit être reconstruite. Cependant, elle serait rebâtie à côté de son emplacement actuel, sur des terrains servant depuis près de trente ans à l'agriculture biologique et qui revêtent une grande importance pour les habitants de la région. Ce projet soulève donc des oppositions de la part des riverains et de la commune.

 

Monsieur le ministre, quelles sont les perspectives de négociation relativement à ce nouvel emplacement? La population de la commune de Juprelle n'est pas opposée à la présence d'une prison dans leur voisinage; elle y est même habituée. Comme les communes de Paifve et Verviers sont situées à proximité, il est envisageable de moderniser les places de manière combinée.

 

Par ailleurs, je sais qu'il est nécessaire d'améliorer la prise en charge des personnes internées, qui souffrent de troubles mentaux.

 

Il semble objectivement que des possibilités d'organisation entre Paifve, Lantin et peut-être Verviers permettraient d'éviter une occupation de l'aire agricole biologique en question en vue de reconstruire cette prison. De plus, la commune abrite des sites désaffectés qui pourraient être réquisitionnés à cette fin.

 

Monsieur le ministre, quel est l'état d'avancement du dossier? Quelle est la véritable teneur du projet? Quelles sont les possibilités de négociation et d'adaptation en vue de satisfaire les besoins et de respecter la bonne volonté de chacun?

 

18.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, madame Gerkens, le Masterplan III prévoit, en effet, le remplacement de la tour de Lantin en reconstruisant, d'une part, une prison à Verviers et, d'autre part, en érigeant un nouvel établissement à proximité de la prison actuelle de Lantin. À la suite de cette décision, des contacts ont été pris immédiatement avec la commune afin d'en discuter. De fait, des concertations ont récemment été menées avec les services communaux en présence du bourgmestre ainsi que d'un représentant de mon cabinet et de celui de mon collègue Jan Jambon, compétent pour la Régie des Bâtiments. Toutes les préoccupations ont été entendues longuement et attentivement mais la question est toujours, pour le moment, à l'étude.

 

18.03  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): J'ose espérer que si elle est à l'étude c'est qu'il existe des possibilités … (hors micro)

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de Mme Muriel Gerkens au ministre de la Justice sur "les modalités pratiques de la loi réformant des régimes relatifs aux personnes transgenres" (n° 21489)

19 Vraag van mevrouw Muriel Gerkens aan de minister van Justitie over "de praktische modaliteiten van de toepassing van de wet tot hervorming van regelingen inzake transgenders" (nr. 21489)

 

19.01  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le 4 avril dernier, on adoptait le projet de loi réformant le régime relatif aux personnes transgenres en ce qui concerne les modifications de prénoms et/ou de l'enregistrement du sexe dans les actes de l'état civil et ses effets. Celle-ci doit être d'application dès le 1er janvier 2018. À ce jour, les modalités pratiques ne sont toujours pas clarifiées.

 

Elles figureront peut-être dans les dispositions diverses, etc.

 

Les associations de terrain me font part de leurs difficultés à présenter les avancées concrètes contenues dans cette loi, car leurs membres ne savent toujours pas renseigner les personnes concernées sur la question de savoir comment, pratiquement, elles devront procéder pour enregistrer leur changement d'état civil à la commune; dans quel service, sur quel(s) type(s) de formulaires.

 

Les procédures sont, à ce jour, différentes pour les changements de prénom, à demander par courrier au SPF Justice, et le changement de l'enregistrement de sexe, à effectuer auprès de l'officier de l'état civil. Les délais sont également extrêmement dissemblables. Pour un changement de prénom, il faut de 6 mois à 1 an, délai auquel viennent s'ajouter les délais de transcription dans les registres de l'état civil.

 

Dans les faits, les personnes doivent attendre entre 6 mois et 1 an pour obtenir une mise à jour complète de leurs papiers d'identité et devront, si le changement de prénom et le changement de l'enregistrement de sexe sont demandés en même temps, changer deux fois de carte d'identité, à quelques mois d'intervalle, le délai pour le changement de l'enregistrement de sexe étant bien moins long.

 

Monsieur le ministre, où en sont les travaux en cours au sein du SPF Justice pour permettre une synchronisation de ces démarches, quand c'est la volonté de ces personnes, et pour permettre de les effectuer au même moment, au même endroit auprès de l'officier de l'état civil? À ce jour, aucun arrêté royal n'a encore été promulgué pour définir les aspects pratiques contenus dans la loi. Pouvons-nous connaître l'agenda de l'élaboration de ces arrêtés? De plus, cette même loi prévoit l'établissement d'une brochure informative à l'attention des services compétents? Pouvons-nous savoir où en est l'élaboration de cette brochure?

 

19.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, chère collègue, comme vous l'avez indiqué, la loi du 25 juin 2015 visant à réformer des régimes relatifs aux personnes transgenres entrera en vigueur le 1er janvier 2018.

 

Il importe, en effet, d'éclairer les officiers de l'état civil et les personnes concernées sur les nouvelles procédures relatives à l'enregistrement du sexe, au changement de prénom.

 

Mon administration a déjà préparé plusieurs instruments à cet effet, en collaboration avec l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes et avec la secrétaire d'État à l'Égalité des chances.

 

Ainsi, un projet de circulaire pour les officiers de l'état civil a été élaboré, projet qui a été soumis pour avis aux différentes associations d'officiers de l'état civil. Ces avis sont en cours de traitement. La circulaire sera diffusée et publiée dans les meilleurs délais.

 

En outre, la dernière main est actuellement mise à la brochure d'information, visée dans la loi, que les officiers de l'état civil mettront à disposition des personnes faisant une déclaration de modification de l'enregistrement du sexe. La brochure d'information explique les différentes étapes des nouvelles procédures et en détaille également les différentes conséquences pratiques. Comme le prévoit la loi, cette brochure d'information sera publiée par arrêté royal en même temps que la circulaire.

 

Par ailleurs, les modèles de déclaration que doivent utiliser les personnes qui souhaitent modifier l'enregistrement du sexe ou changer de prénom ont été établis, comme la déclaration du pédopsychiatre dans l'hypothèse d'un mineur qui souhaite modifier l'enregistrement du sexe. Tant la brochure d'information que les modèles seront également disponibles sur le site internet du SPF Justice et de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes.

 

En ce qui concerne le changement de prénom des personnes transgenres, je peux vous indiquer que le Conseil des ministres du 20 juillet 2017 a approuvé un avant-projet de loi portant des dispositions diverses en matière de droit civil qui prévoit un transfert de la procédure de changement de prénom du ministre de la Justice aux officiers de l'état civil. Ce transfert de compétence permettra de faire concorder le changement de prénom et la modification de l'enregistrement du sexe, de sorte que les intéressés ne devront demander qu'une seule fois de nouveaux documents d'identité.

 

Le Conseil d'État a rendu son avis sur cet avant-projet le 4 octobre 2017. D'autres avis sont encore attendus: ceux des associations des villes et communes flamandes et wallonnes, par exemple. Une fois adapté et approuvé par le Conseil des ministres, ce projet pourra être déposé au parlement. Par conséquent, cela signifie que le transfert de compétences pour le changement de prénom devrait probablement avoir lieu au cours de l'année 2018.

 

19.03  Muriel Gerkens (Ecolo-Groen): (…) au niveau de l'état civil, ce qui permettra de n'entreprendre qu'une seule démarche auprès d'une même instance. J'entends que la circulaire et la brochure d'information seront achevées dans les meilleurs délais. Je suppose que cela signifie qu'elles seront disponibles avant la fin de l'année, moment où les dispositions entreront en vigueur.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 21546 de Mme Lahaye-Battheu est transformée en question écrite.

 

20 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de mogelijkheid voor de parketten om zelf de databanken met onbetaalde boetes te raadplegen in het bijzonder en een betere gegevensuitwisseling tussen Justitie en Financiën in het algemeen" (nr. 21631)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de inzage door de parketten van de databanken van Financiën ter inning van penale boetes" (nr. 21785)

20 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la possibilité pour les parquets de consulter eux-mêmes les bases de données des amendes impayées en particulier et un échange de données plus efficace entre la Justice et les Finances en général" (n° 21631)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "la consultation des bases de données des Finances par les parquets en vue de la perception d'amendes pénales" (n° 21785)

 

20.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorig jaar kreeg een vernieuwende werkwijze van de procureur van Veurne heel wat aandacht. Alvorens advies te geven aan de politierechter, gaat de procureur namelijk na of de beklaagde nog boetes heeft openstaan.

 

Het probleem dat daarbij gesignaleerd wordt, is dat de procureur dan telkens het ontvangkantoor der domeinen en penale boeten moet contacteren, waardoor de zaak telkens moet worden uitgesteld. Uiteraard zou het efficiënter zijn mocht Justitie in dat verband de databank van Financiën rechtstreeks kunnen raadplegen.

 

Tijdens de vergadering van de commissie voor de Justitie in oktober van vorig jaar stelde u dat er een principieel akkoord was tussen Financiën en Justitie om de parketten toegang te verlenen tot de databank die gebruikt wordt door de diensten bevoegd voor de invordering van de boeten bij de FOD Financiën. U gaf toen ook mee dat de pilootprojecten in Antwerpen, Luik en Brussel, om de boeten van de politierechtbanken rechtstreeks door te sturen naar Financiën, positief waren afgesloten. Er was beslist om de automatische doorstroming uit te breiden naar alle rechtbanken. Op 12 september 2016 werden alle politierecht­banken gekoppeld aan de automatische doorstroming naar de FOD Financiën.

 

In verband met de mogelijkheid voor de parketten om zelf de databanken met onbetaalde boeten te raadplegen, verneem ik graag sinds wanneer de afgebakende toegang operationeel is. Hebt u zicht op welke parketten al dan niet hier gebruik van kunnen maken, en in welke mate? Is hiervan een eerste evaluatie mogelijk?

 

Hoe evalueert u de werkwijze van het voorbije jaar omtrent de geautomatiseerde gegevens­uitwisseling tussen politierechtbanken en de FOD Financiën? Heeft deze geleid tot een verbeterde inningsgraad van boeten?

 

20.02  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, het parket van Veurne heeft al een tijdje een nieuwe werkmethode. Wanneer men daar als verkeers­overtreder vraagt naar een mildere straf, kijkt men eerst na of er nog openstaande boetes zijn. Zo ja, moeten die worden betaald vooraleer een alternatieve straf kan worden opgelegd. Dit blijkt heel goed te werken: alleen al in Veurne kon zo in 2015 voor 33 000 euro aan boeten worden geïnd, die anders waarschijnlijk open waren blijven staan. Het is wel een vrij omslachtige procedure, in die zin dat de ontvanger der domeinen en penale boeten telkens moet worden ingeschakeld, omdat de parketten niet zelf kunnen controleren of er een openstaande schuld is. Vandaar de vraag om Justitie inzage te geven in de openstaande boeten. Als dat mogelijk zou zijn, zou dit de Belgische Schatkist alleszins enkele miljoenen kunnen opleveren.

 

Wij kennen ook de cijfers, zij het niet de recente. Ik heb daar destijds veel vragen over gesteld. In 2016 werd ongeveer 300 miljoen aan penale boeten niet geïnd. Deze regering wil daar iets aan doen en de inning verbeteren. In Gent was er al een proefproject waarbij gerechtsdeurwaarders boeten inden bij wanbetalers. Ook dat zorgde voor extra opbrengsten. Daarover werden al vragen gesteld en u hebt toen gezegd dat de departementen van Justitie en Financiën technische oplossingen uitwerkten om de uitwisseling van informatie te informatiseren en veel beter te laten verlopen. Dat wil dus zeggen dat Justitie een soort gecontroleerde inzage moest krijgen in de databank van Financiën.

 

Ik kom tot mijn vragen.

 

Wat is de huidige stand van zaken omtrent de betere gegevensuitwisseling tussen Justitie en Financiën? Is de inning van de penale boeten intussen verbeterd? Zo ja, met hoeveel procent?

 

20.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, mevrouw De Wit, deze problematiek wordt opgevolgd in de schoot van het Overlegorgaan voor de coördinatie van de invordering van niet-fiscale schulden in strafzaken, waaraan alle partners die betrokken zijn bij de strafuitvoering van vermogensstraffen participeren.

 

De toegang van de parketten tot de ICT-applicaties van de FOD Financiën is slechts één van de vele voorstellen. De geldboeten worden geregistreerd in de applicatie First, en de verbeurdverklaringen in de afzonderlijke applicatie 180BNFI. Deze applicaties moeten evolueren naar één informaticasysteem om een volledig overzicht van de stand van de invorderingen toe te laten.

 

De rechtstreekse toegang tot deze ICT-applicaties in hoofde van de magistraten is nog niet operationeel. In het afgelopen jaar werden de technische modaliteiten van de toegang tot de ICT-applicatie First concreet bestudeerd. De realisatie van de toegang zal in overleg met de ICT-diensten van de FOD Justitie plaatsvinden, via de eigen toepassingen van Justitie, door een rechtstreekse toegang tot de ICT-applicatie First via de webservice Generic Intake van de FOD Financiën.

 

Cijfers over de verbeteringsgraad kan ik op dit ogenblik nog niet geven. Ik kan wel al zeggen dat Justitie uitvoering gegeven heeft aan dit actiepunt door het opstellen van een concrete proces­beschrijving, wat resulteerde in drie rapporten. Deze rapporten werden inmiddels ook voorgelegd aan en besproken met de andere betrokken partners, zodat in één lijn naar de eindbestemming kan worden toegewerkt.

 

20.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw soms technische antwoord.

 

Het belangrijkste is echter dat de rechtstreekse toegang nog altijd niet operationeel is. Ik hoop dat deze er vlug komt, want de werkwijze die vorig jaar onder de aandacht werd gebracht is een efficiënte werkwijze. Men kan geen milde straf vragen als men nog boeten heeft openstaan. De procureur en de rechter moeten evenwel weten welke boeten betaald zijn. Dat is tot vandaag blijkbaar nog altijd een vraagteken.

 

Ik hoop dat u aan de kar zult trekken en er mee voor zult zorgen dat de rechtstreekse toegang er zo vlug mogelijk komt.

 

20.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb dezelfde reactie als collega Lahaye-Battheu. Het is jammer dat wij eigenlijk nog niet verder staan. Op die manier gaat er veel verloren en dat kan men jammer genoeg niet recupereren. Bovendien geeft het ook een zeker gevoel van straffeloosheid. Wij moeten daar absoluut werk van maken. De digitale wereld en de sociale media zijn van die aard dat iedereen bijna op elk ogenblik van de dag weet waar men is en wat men doet; men wordt overal getagd. Als het echter te maken heeft met de overheid, Justitie, Financiën of andere departementen, wordt het een veel moeilijker verhaal. Ik vind dat bijzonder jammer.

 

20.06 Minister Koen Geens: (…)

 

20.07  Sophie De Wit (N-VA): Ik wou het niet zeggen. Ik wou beleefd blijven.

 

Ik probeer dat begrijpen, maar ik begrijp dat echter stilaan niet meer als men ziet wat er allemaal mogelijk is.

 

20.08 Minister Koen Geens: (…)

 

20.09  Sophie De Wit (N-VA): Ik weet niet hoe u daarover denkt, maar men wordt daar toch wel een beetje moedeloos van.

 

U begrijpt wel wat ik wil zeggen, mijnheer de minister. Als men ziet wat er vandaag allemaal kan en zou moeten kunnen, dan is het heel jammer dat de informatisering eigenlijk niet tot op deze niveaus doorstroomt. Let wel, als het om de belastingbrief gaat, dan weet men heel veel; dat heb ik recent nog mogen merken bij mijn aangifte. Als het echter die connecties zijn, dan is het jammer. Ik meen dat het mogelijk is en dat het moet kunnen. Wij moeten daar echt het gaspedaal indrukken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

21 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de wettelijke samenwoning" (nr. 21632)

- mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de wettelijke samenwoning" (nr. 21750)

21 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la cohabitation légale" (n° 21632)

- Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la cohabitation légale" (n° 21750)

 

21.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, uit cijfers die ik heb opgevraagd bij uw collega, de minister van Binnenlandse Zaken, blijkt dat het aantal personen dat een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd, de voorbije jaren stabiel blijft rond 80 000. Het aantal personen dat een dergelijke verklaring heeft beëindigd, stijgt wel, van ruim 40 700 in 2014 tot 46 157 vorig jaar.

 

In de praktijk blijkt dat een groot aantal koppels hun wettelijke samenwoning niet officieel, maar wel de facto ontbinden. Koppels gaan uit elkaar, maar doen niet het nodige om, via een verklaring op de dienst Bevolking van hun gemeente of stad, de wettelijke samenwoning te beëindigen. De reden is vaak dat de partners door de relatiebreuk niet meer in staat zijn om naar de dienst Bevolking te gaan.

 

Het is wel mogelijk dat een van beide partners de wettelijke samenwoning eenzijdig verbreekt, maar daartoe is een gerechtdeurwaarder nodig, die de beëindiging van de wettelijke samenwoning betekent. Veel mensen deinzen terug voor het inschakelen van een deurwaarder, ook gelet op de kosten die dat met zich brengt.

 

Daarom stel ik voor om in de mogelijkheid te voorzien om de wettelijke samenwoning op een vlottere manier te beëindigen, niet langer via een gerechtsdeurwaarder, maar wel bijvoorbeeld via een aangetekende brief. Dat voorstel heb ik een tijd geleden al ingediend en ik heb vernomen dat dat voorstel ook besproken werd tijdens een studieavond over de wettelijke samenwoning aan de UGent op 10 oktober, waar het voorstel op bijval kon rekenen.

 

Tot slot, speelt ook de aankondiging vanuit uw ministerfunctie dat er een duidelijk kader zal worden gecreëerd voor de patrimoniale rechten en plichten van wettelijk en feitelijk samenwonenden.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover het voorstel om de wettelijke samenwoning niet langer via de gerechtsdeurwaarder, maar bijvoorbeeld via een aangetekende brief eenzijdig te beëindigen? Bent u dat voorstel genegen?

 

Wat is de stand van zaken omtrent de hervorming van het samenwoningsvermogensrecht?

 

21.02  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, sinds 1 januari 2000 kunnen koppels wettelijk samenwonen en dat blijkt een succes. Dat bleek reeds uit de aangehaalde cijfers. In 2013 werden er zelfs meer wettelijke samen­woningen dan huwelijken geregistreerd.

 

Ondanks de populariteit van wettelijke samen­woning zou 60 % onvoldoende kennis hebben van de rechten en plichten van dat statuut. Te vaak denken mensen dat wettelijke samenwoning dezelfde rechten geeft als aan gehuwden. De wettelijke bescherming wordt dus overschat, zowel op het vlak van fiscaliteit, erfrecht, bijstand als voor de gevolgen bij beëindiging. Dat toont aan dat samenwonenden niet voldoende ingelicht worden of zich niet voldoende laten inlichten, hetgeen mogelijk te wijten is aan de beperkte vormvoorwaarden die aan de verklaring van wettelijke samenwoning verbonden zijn.

 

Het regeerakkoord voorziet in de creatie van een duidelijk kader inzake de patrimoniale rechten en plichten van wettelijk en feitelijk samenwonenden.

 

Plant u initiatieven om wettelijk samenwonenden beter te informeren, zowel over hun rechten en plichten als over de gevolgen van de eenvoudige beëindiging en de verschillen tegenover het huwelijk?

 

Hebt u reeds stappen gedaan met betrekking tot de patrimoniale rechten en plichten van wettelijke samenwonenden zoals ingeschreven in het regeerakkoord? Zo ja, hoe ver staat het daarmee? Kan reeds iets gemeld worden over de grote lijnen?

 

Een wettelijke samenwoning kan, zoals zopas werd aangehaald, eenzijdig beëindigd worden door betekening door de deurwaarder. Hoe gebeurt de eenzijdige beëindiging wanneer een partner naar het buitenland verhuist en de kosten niet navenant zijn voor de eenzijdige beëindiging?

 

21.03 Minister Koen Geens: Ik begrijp dat het niet wenselijk is dat een groot aantal samenlevings­contracten niet officieel maar wel de facto wordt ontbonden. Er moeten mijns inziens drie aspecten voor ogen worden gehouden: ten eerste, wie het initiatief tot beëindiging kan nemen, iemand alleen of samen; ten tweede, de wijze waarop de beëindiging kan plaatsvinden, zijnde via een gezamenlijke verklaring dan wel eenzijdig met betekening; en, ten slotte, de gevolgen hiervan voor de wettelijk samenwonende partners. Ook met het laatste punt moet rekening worden gehouden bij het zoeken naar oplossingen voor de praktische moeilijkheden bij de organisatie van een eenzijdige beëindiging van de wettelijke samenwoning.

 

Beide partners moeten zich kunnen voorbereiden op de beëindiging van de wettelijke samenwoning, onder andere op het vlak van huisvesting, het gebruik van goederen die in onverdeeldheid zijn, mogelijke onderhoudsaanspraken en op het vlak van regelingen in verband met eventuele kinderen.

 

Het lijkt mij dan ook wenselijk dat heel het systeem van de eenzijdige beëindiging wordt herbekeken, niet enkel vanuit het perspectief van de eenvoud, maar ook van de gevolgen voor de beide samenwonenden en de kinderen.

 

Veel wettelijk samenwonenden hebben inderdaad onvoldoende kennis van de gevolgen die de wettelijke samenwoning met zich brengt. Dezelfde vaststelling zou kunnen gelden voor gehuwden en voor feitelijk samenwonenden.

 

Dat belet niet dat wie wenst wettelijk samen te wonen, zich voldoende kan inlichten door het consulteren van een notaris of van de website www.belgium.be of www.notaris.be. Die laatste geeft een volledig overzicht van de rechten en de plichten van de wettelijk samenwonenden en de verschillen met het huwelijk. Al die informatie staat ook in een brochure, die kan worden gedownload. In de mate dat dit niet zou volstaan, kan ik nagaan of er op de website van de FOD Justitie een verwijzing of link naar die informatie kan worden opgenomen. Ook de hervorming van het statuut kan voor vereenvoudiging en verduidelijking zorgen.

 

Wat de vraag met betrekking tot de betekening in het kader van een eenzijdige beëindiging van de wettelijke samenwoning bij een verhuis naar het buitenland betreft, kan ik verwijzen naar de algemene regels van de betekening uit het Gerechtelijk Wetboek. Het feit dat een van beide partijen in het buitenland woont, geen bekende woon- of verblijfplaats heeft dan wel ambtshalve werd geschrapt, vormt geen probleem voor de beëindiging van de wettelijke samenwoning. De regels betreffende de betekening in artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in een opvangmogelijkheid voor de gevallen waar geen woonplaats of verblijfplaats in België of in het buitenland bekend is.

 

Ten slotte, de werkgroep heeft zich in eerste instantie gericht op de hervorming van het erfrecht, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 september 2017 en, ten tweede, op de hervorming van het huwelijksvermogensrecht, waar binnenkort een wetgevend initiatief wordt afgerond en ingediend in het Parlement. De werkgroep heeft zich vervolgens en ten slotte gebogen over de ongehuwde koppels. De denkoefening en het werk daaromtrent zijn evenwel nog niet afgerond. Ik hoop dat dat kan gebeuren voor het einde van het jaar, zodat er in het voorjaar van 2018 een tekst kan worden ingediend in het Parlement.

 

21.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

21.05  Goedele Uyttersprot (N-VA): Dank u, mijnheer de minister.

 

Ik ben er vooral bezorgd om dat personen de bescherming door het statuut overschatten: sommigen denken dat het huwelijk en de wettelijke samenwoonst hetzelfde zijn. Ik heb begrepen dat er een brochure in omloop is, die mogelijkerwijze ook digitaal aangeboden zal worden.

 

Een andere oplossing kan erin bestaan dat men de persoonlijke verschijning beveelt van personen die een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen bij de burgerlijke stand. Tot nu toe bestaat die verplichting niet. Een dergelijke verplichting zou een verbetering inhouden op het vlak van de informatieverstrekking omdat dan net zoals bij een huwelijk duidelijk de rechten en plichten kunnen worden uitgelegd. Bovendien zou het een instrument kunnen zijn in de strijd tegen de schijnwettelijkesamenwoonst. Met onze fractie zijn we alleszins al bezig met een tekst over de verplichting tot persoonlijke verschijning bij het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning.

 

Voor het overige zie ik ook uit naar uw initiatieven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

22 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de nieuwe wet met betrekking tot het voorlopig bewind" (nr. 21747)

- mevrouw Goedele Uyttersprot aan de minister van Justitie over "de hervorming van de wet inzake bewindvoering" (nr. 21810)

22 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la nouvelle loi relative à l'administration provisoire" (n° 21747)

- Mme Goedele Uyttersprot au ministre de la Justice sur "la réforme de la loi sur l'administration des biens" (n° 21810)

 

22.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, de nieuwe wet is intussen al meer dan drie jaar oud. De wet bevat nieuwe regels inzake het bewind over personen die zelf niet meer in staat zijn om hun goederen te beheren of persoonlijke beslissingen te nemen. De wet heeft naast een bewindvoerder voor goederen ook een bewindvoerder voor persoonsgebonden aangelegenheden in het leven geroepen. In de wet staat uitdrukkelijk de voorkeur voor een bewindvoerder die uit de onmiddellijke omgeving van de beschermde persoon komt. Pas in tweede instantie kan een professionele bewindvoerder worden aangesteld. Dat is dan meestal een advocaat.

 

In uw antwoord van september 2017 op mijn schriftelijke vraag hierover baseerde u zich op gegevens van het Rijksregister. Daarin worden de naam, voornaam en het adres van de bewindvoerder ingevoerd. Op basis van die gegevens bedroeg het aantal personen onder bewind op 1 maart 2017 104 418. Op dat moment waren er 40 260 actieve bewindvoerders: 25 071 bewindvoerders over de goederen, 1 576 bewindvoerders over de persoon en 13 613 bewindvoerders over de goederen en de persoon.

 

Men veronderstelt dat de meeste familiale bewindvoerders slechts één keer als bewindvoerder in het Rijksregister voorkomen. Wie meer dan één keer voorkomt, wordt als professionele bewindvoerder beschouwd. Het aantal personen dat minstens twee keer voorkomt, bedraagt 1 116. Waarschijnlijk is dat cijfer niet volledig, omdat niet alle bewindvoerders met hun Rijksregisternummer worden geregistreerd. Het is ook onduidelijk hoeveel dossiers elke bewindvoerder onder zich heeft.

 

Vanuit de filosofie van de wet, die de voorkeur geeft aan de familiale bewindvoerder, stelde ik mij de vraag hoe de verhouding tussen professionele en familiale bewindvoerders drie jaar later is. Wordt de wetgever gevolgd en worden er meer familiale bewindvoerders dan vroeger aangesteld? Jammer genoeg – het is hier al een paar keer gezegd – zijn die gegevens blijkbaar heel moeilijk te verkrijgen bij de overheid.

 

Wat de verhouding tussen professionele en familiale bewindvoerder betreft zijn er enkel de gebrekkige gegevens vanuit Binnenlandse Zaken. Vanuit Justitie konden er geen gegevens worden aangeleverd. In het antwoord op mijn schriftelijke vraag werd gezegd dat de cijfergegevens van de vredegerechten voor 2016 na de gerechtelijke vakantie op de website van de steundienst van het College van hoven en rechtbanken zouden staan. Begin deze maand was dit nog niet het geval.

 

Meten is weten. Als wij hier wetgeving maken en nieuwe wetten goedkeuren, dan moeten wij ook kunnen weten in hoeverre dit een verschil uitmaakt op het terrein. Dat meten blijkt heel moeilijk.

 

Ten slotte, wil ik ook nog eens stilstaan bij de kritiek die af en toe opduikt over professionele bewindvoerders. Begin vorig jaar hebt u als minister aangekondigd dat er een herwerking zou komen van de wet op het bewind. De OVB zou daaraan meewerken. Er zou ook worden gesproken over de invoering van wettelijke tarieven.

 

Ik zou u dan ook volgende vragen willen stellen.

 

Ten eerste, kan Justitie intussen gegevens aanleveren? Zo ja, wat zijn de cijfers?

 

Ten tweede, wat is de stand van zaken in verband met de hervorming van de wet? Welke elementen werden in aanmerking genomen? Welke liggen eventueel nog ter discussie?

 

22.02  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, reeds kort na de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2013 werd vastgesteld dat een aantal zaken in de wet vroegen om te worden aangepast. Wij hebben begin vorig jaar allemaal de driekoningenbrief ontvangen. Het doel is uiteraard de werking van de wet te evalueren en te verbeteren.

 

De verbeteringen gaan vooral over het laagdrempeliger maken van de procedures, vooral voor de familiale bewindvoerders. Daarnaast gaat het over het vastleggen van kosten en erelonen van bewindvoerders, het verbeteren van de kwaliteit van het geneeskundig attest, maar ook de informatisering en de uniformisering van het bijhouden van een aantal cijfers, onder meer inzake professionele ten opzichte van familiale bewindvoerders.

 

In de beleidsnota van vorig jaar gaf u aan dat u dit najaar een voorontwerp aan de regering zou voorleggen. Tegelijkertijd zou u ook werken aan de informatisering van de procedure. Er zou een centraal digitaal platform worden opgericht, waar de verschillende betrokken actoren toegang zouden krijgen tot een elektronisch dossier. Op die manier zou het in de toekomst de bedoeling zijn om het verloop van de procedure en de communicatie zo veel mogelijk elektronisch te laten verlopen.

 

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken op dit moment? Wanneer voorziet u in een wetswijziging? Zijn er reeds cijfers beschikbaar over het aantal professionele dan wel familiale bewindvoerders voor 2015 en 2016?

 

Wanneer mogen we het KB over de kosten en erelonen van de bewindvoerders verwachten? Is er reeds een beslissing genomen over de verbetering van het geneeskundig attest? Zo ja, op welke manier zal dit in de toekomst verbeteren?

 

Hoever staat het met het creëren van het centraal digitaal platform, alsook met de uniformisering van de invoercodes?

 

22.03 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, mevrouw Uyttersprot, met betrekking tot de statistieken in verband met het aantal verzoeken tot rechterlijke beschermingsmaatregelen die werden ingediend sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wet over de bewindvoering heeft de steundienst van het College van de hoven en rechtbanken mij meegedeeld dat het nog niet mogelijk is om betrouwbare cijfergegevens te bezorgen. De vertraging en de beschikbaarheid van de gegevens heeft te maken met de uitrol van het nieuwe uniforme systeem in de beheersapplicatie van de vredegerechten om de statistieken van de vredegerechten bij te houden. Deze uitrol wordt momenteel uitgevoerd.

 

Op dit ogenblik gebruikt een groot aantal kantons nog een eigen set van codes en gebruiken, waardoor betrouwbare nationale cijfergegevens nog niet kunnen worden aangeleverd.

 

De invoer van het uniforme systeem zal in de toekomst dus meer adequate statistieken mogelijk maken. De steundienst werkt aan een nieuwe statistische publicatie, die via transparante telregels moet zorgen voor uniforme cijfers over alle kantons en arrondissementen heen. Een eerste nieuwe publicatie van cijfergegevens kan, afhankelijk van de uitrol van het uniforme systeem, worden verwacht in 2018. De steundienst heeft het totale aantal nieuwe en afgehandelde zaken inzake bewind voor 2016 manueel opgevraagd en verwerkt deze nu manueel. Deze cijfers zullen tegen eind dit jaar beschikbaar zijn.

 

Er werd inderdaad een voorontwerp van wet opgemaakt dat ertoe strekt de bepalingen inzake het bewind over wilsonbekwame meerderjarigen te vereenvoudigen en de procedure inzake bewindvoering te informatiseren. Een eerste versie werd dit voorjaar besproken in de werkgroep Wilsonbekwamen, die samengesteld was uit alle betrokken actoren. Tegelijk werden ook enkele schriftelijke adviezen ingewonnen. De werkgroep formuleerde nog een aantal fundamentele opmerkingen op de tekst. Het voorontwerp werd inmiddels aangepast in het licht van al deze opmerkingen en zal nog dit najaar in de regering worden besproken. In het voorontwerp wordt inderdaad een verbetering van de medische gegevens voorgesteld, die aan de vrederechter moeten worden bezorgd. Deze verbetering bestaat uit, enerzijds, het aanleveren van bijkomende informatie uit, onder andere, het patiëntendossier en, anderzijds, de mogelijkheid om een beroep te doen op geaccrediteerde artsen of forensische psychiaters.

 

Het ontwerp van koninklijk besluit met betrekking tot de kosten en erelonen van bewindvoerders, artikel 497/5 van het Burgerlijk Wetboek, werd inmiddels ook voorbereid en dit in samenspraak met de betrokken actoren. Dit koninklijk besluit vereist een kleine aanpassing van de wet en zal daarom samen met de aangekondigde wet worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

 

Het project inzake het Centraal Register Bewindvoering bevindt zich momenteel in de analysefase. Hierbij wordt in samenspraak met de gebruikers een businessanalyse gemaakt. Parallel met deze analyse wordt het wettelijk kader voor dit register vorm gegeven. Van zodra de procestekening op punt staat, zal worden overgegaan tot de technische ontwikkeling.

 

Wat de uniformisering van de invoercodes bij de vredegerechten betreft, kan ik u meedelen dat de APG-leden één nationale kit hebben ontwikkeld. Deze kit N is reeds in 72 kantons uitgerold. Het is mijn intentie tegen eind juni 2018 alle vredegerechten uit te rusten met dergelijke kit. De APG-leden nemen ook deel aan de vergaderingen met betrekking tot de ontwikkeling van het centraal digitaal platform.

 

22.04  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ten eerste, het is natuurlijk jammer dat wij ook in dat dossier moeten vaststellen dat het niet mogelijk is een nationaal beeld te geven van cijfers over de verhouding tussen familiale en professionele bewindvoerders. Wij mogen ons daar niet bij neerleggen. U hebt ook geantwoord dat eraan zal worden gewerkt. Er zal manueel worden geteld. In 2018 zullen er misschien globale cijfers zijn.

 

Ten tweede, u hebt verklaard dat het ontwerp inzake medische gegevens en inzake kosten en erelonen in de maak is. Ik hoop dat het ook een belangrijk deel vereenvoudiging zal bevatten. Op het terrein stellen wij immers vast dat het voor de familiale bewindvoerder, die van de wetgever de voorkeur heeft gekregen, vaak moeilijk is zijn taak uit te oefenen omdat heel wat van hem of haar wordt gevraagd. Voor sommigen is het te moeilijk jaarlijks een verslag en de bijhorende documenten te bezorgen. Er wordt dan toch maar opnieuw naar de professionele bewindvoerder teruggegrepen. Ook op dat punt is dus in de geest van de wet evaluatie en bijsturing nodig.

 

22.05  Goedele Uyttersprot (N-VA): Mijnheer de minister, ik wil u enkel bedanken voor de stand van zaken op het vlak van de evaluatie.

 

Het enige wat ik daaraan nog wil toevoegen, is dat ik de frustratie van mevrouw Lahaye-Battheu deel over het gebrek aan mogelijkheden om de cijfers te verkrijgen. Het is wat het is, maar als wij willen evalueren is het essentieel dat een aantal zaken kunnen worden vastgesteld, teneinde daaruit de eventuele problematiek te kunnen distilleren. Zolang de cijfers niet voorhanden zijn, kunnen wij daarover enkel ons beklag doen.

 

Wij vernemen dat het verkrijgen van de cijfers in 2018 wel tot de mogelijkheden behoort en dat mogelijks manueel eind 2017 ook al enkele cijfers zouden kunnen worden bekomen.

 

Ik dank u alleszins voor de stand van zaken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Il n'y a plus de questions.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.54 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.54 heures.