Commissie voor de Landsverdediging

Commission de la Défense nationale

 

van

 

Woensdag 20 december 2017

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 20 décembre 2017

 

Matin

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.20 uur en voorgezeten door mevrouw Karolien Grosemans.

La réunion publique de commission est ouverte à 10.20 heures et présidée par Mme Karolien Grosemans.

 

De voorzitter: Goedemorgen collega's. Het is onze laatste vergadering van dit jaar. Ze komt er op voorstel van de minister, wat zeer positief is, want op die manier blijven de vragen niet liggen tot half januari.

 

01 Vraag van de heer Veli Yüksel aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het ongeval met een Spaanse Eurofighter Typhoon" (nr. 21268)

01 Question de M. Veli Yüksel au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'incident survenu avec un Eurofighter Typhoon espagnol" (n° 21268)

 

01.01  Veli Yüksel (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijn vraag dateert van twee maanden geleden.

 

Mijnheer de minister, tijdens het nationaal defilé voor de Spaanse nationale feestdag op 12 oktober vond een ongeval plaats met een Spaans gevechtsvliegtuig van het type Eurofighter Typhoon. Het ongeval gebeurde tijdens het landingsmanoeuvre nabij de luchtmachtbasis Los Llanos, maar de oorzaak is nog onbekend. De piloot kwam hierbij om het leven.

 

De Eurofighter Typhoon behoort tot een van de opties om de Belgische F-16's te vervangen. Daarom heb ik een aantal vragen ter zake, mijnheer de minister.

 

Kunt u meer toelichting geven over de oorzaak van het ongeval?

 

Werd het Britse staatsagentschap in het kader van de lopende aankoopprocedure voor de nieuwe gevechtsvliegtuigen door ons land reeds aangesproken over de oorzaak van het ongeval? Als het om een mankement bij het type Eurofighter Typhoon gaat, kunt u dan bevestigen dat de oorzaak zal worden aangepakt?

 

01.02 Minister Steven Vandeput: Defensie beschikt niet over Eurofighter Typhoons en is dan ook geen betrokken partij in het jammerlijke ongeval. Wij hebben ook geen informatie over de omstandigheden en de oorzaak van het tragisch ongeval ontvangen.

 

Ik kan u wel zeggen dat in het kader van de lopende aankoopprocedure voor de vervanging van de F-16's specifiek naar de historiek van ongevallen van de voorgestelde toestellen wordt gevraagd, niet alleen voor de Eurofighter, maar ook voor de vliegtuigtypes van de andere aanbieders. Daarbij hoort een beschrijving van de oorzaken van de ongevallen.

 

Het lijkt mij evident dat de oorzaken door de producent worden onderzocht en resulteren in configuratiewijzigingen, waar nodig, voor het verzekeren van de vliegveiligheid.

 

01.03  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Omdat de Eurofighter een potentiële kandidaat is voor de vervanging van de F-16's, is het belangrijk om te weten dat de technische tekortkomingen worden opgelost.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de beroepsomschakeling" (nr. 21970)

- mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "externe mobiliteit" (nr. 22160)

- mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de toenemende onzekerheid van het militaire statuut" (nr. 22573)

02 Questions jointes de

- M. Hendrik Bogaert au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la reconversion professionnelle" (n° 21970)

- Mme Karolien Grosemans au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la mobilité externe" (n° 22160)

- Mme Kattrin Jadin au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la question de la précarisation du statut militaire" (n° 22573)

 

02.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, in de algemene beleidsnota 2016 staat dat op het gebied van de beroepsomschakeling van de militairen die Defensie na een loopbaan van beperkte duur verlaten, initiatieven om een overgang naar het statuut van federaal ambtenaar te bevorderen, zouden worden geconcretiseerd door een aanpassing van de reglementaire teksten.

 

Het hoeft geen betoog dat het, zowel voor de betrokken militairen als op maatschappelijk vlak, om een belangrijk project gaat. Door een goede beroepsomschakeling hebben mensen een beter loopbaanperspectief, wat bij aanwerving ook als argument kan gelden.

 

Is het mogelijk een toelichting te geven bij de stand van zaken van het project?

 

02.02  Karolien Grosemans (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik heb zelf ook een vraag over het thema.

 

Via externe mobiliteit kunnen militairen naar een carrière bij een openbare werkgever overschakelen. Dat kan een andere federale overheidsdienst, een gemeente, een politiezone, een hulpverleningszone of een brandweerdienst zijn.

 

In 2018 eindigt in principe het contract-BDL, zijnde de kortetermijnverbintenis van acht jaar. Het gaat om militairen die, indien hun contract bij Defensie niet wordt verlengd, op de arbeidsmarkt terechtkomen.

 

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag van 7 november 2017 blijkt dat in 2017 slechts twee militairen via externe mobiliteit de overstap naar een openbaar ambt maakten.

 

Daarover heb ik enkele vragen.

 

Mijnheer de minister, externe mobiliteit is een geërfd probleem. U hebt het geërfd van minister De Crem, die het op zijn beurt erfde van minister Flahaut, die het op zijn beurt ongetwijfeld ook weer erfde.

 

Kan u de oorzaken toelichten waarom de externe mobiliteit moeizaam verloopt?

 

Voorts geeft u in een antwoord op een andere schriftelijke vraag over het thema aan dat Frankrijk en Duitsland inzake externe mobiliteit tot de reservering van publieke arbeidsplaatsen overgaan. In Frankrijk kan dat na vier of tien jaar dienst op basis van het niveau. In Duitsland slaat de maatregel op militairen met een tijdelijk statuut na twaalf jaar dienst.

 

Ziet u dat als mogelijke oplossing bij ons? Wordt eventueel in die richting gedacht?

 

Ten slotte, u schuift ook een nieuwe mogelijke oplossing naar voren, namelijk outplacement. Voor outplacement zou in principe een beroep worden gedaan op een externe partner. In 2018 zouden de eerste sessies van start gaan. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het outplacementcontract?

 

De voorzitter: Mevrouw Jadin is niet aanwezig. Haar vraag nr. 22573 vervalt dus. Zij heeft immers niks laten weten.

 

02.03 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Bogaert, het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot regeling van het verwerven door de militair van de hoedanigheid van Rijksambtenaar door overplaatsing werd recent door mij gewijzigd, om zodoende het toepassingsgebied voor de interne mobiliteit van de federale ambtenaren naar Defensie uit te breiden.

 

Het wettelijk kader om dat mogelijk te maken, vereist nog een wijziging van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht. De wijziging van die wet is momenteel in bespreking in de interkabinettenwerkgroep om weldra te worden voorgelegd aan de Ministerraad.

 

Beroepsmilitairen, waaronder ook de "militairen beperkte duur", hebben nu reeds de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden en door middel van een overplaatsing, de hoedanigheid van federaal ambtenaar te verwerven in een ander departement. Tevens werd een wetsontwerp opgesteld om de militairen BDL de mogelijkheid te bieden te genieten van een gepersonaliseerd beroepsomschakelingsprogramma vanaf het begin van de 87e maand na de indienstneming.

 

Dit wetsontwerp ligt momenteel voor advies bij de inspecteur van Financiën van Defensie.

 

Het outplacementcontract om de mogelijkheid van outplacement te bieden aan beroepsmilitairen met meer dan twintig jaar werkelijke dienst en aan militairen BDL einde contract, zal in 2018 in werking kunnen treden. Daarvoor doen wij een beroep op een gespecialiseerd bureau. Landen als Frankrijk en Duitsland doen dit trouwens ook.

 

Behalve het project "CALog politiezones" is er momenteel geen ander concreet project lopende van actieve overplaatsing naar overheidsdiensten in 2017.

 

De voorbeelden van externe mobiliteit in andere landen zijn uiteraard eigen aan de desbetreffende landen. Voorbehouden plaatsen voor militairen in overheidsdiensten is een mogelijkheid die in zekere mate nu al zal worden toegepast in het project "Directie Beveiliging" van de federale politie. De regelgeving bepaalt dat de militairen voorrang krijgen en van bepaalde selectietesten worden vrijgesteld onder bepaalde voorwaarden.

 

Geacht wordt dat ex-militairen over de vereiste competenties beschikken. Om dit in andere overheidsambten mogelijk te maken, dient ook deze regelgeving specifieke bepalingen te bevatten voor militairen. Dit wordt evenwel niet altijd opportuun geacht omdat voor deze functies moet kunnen worden nagegaan of de kandidaat over de vereiste competenties beschikt.

 

Sta mij toe te zeggen dat ik het als minister van Defensie natuurlijk geweldig goed zou vinden als bepaalde diensten zouden worden voorbehouden aan uitstromende militairen. Ik vang daar evenwel niet altijd even positieve echo's over op.

 

Wat het outplacement betreft, hebben de mededingende firma's een kennisgeving ontvangen met de beslissing. De officiële gunning zal echter gebeuren na toekenning van de nodige budgetten voor 2018. De toewijzing gebeurt in de maand januari. Er wordt dan ook aangenomen dat eind februari 2018 de informatiesessies effectief zullen kunnen worden opgestart.

 

02.04  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, ik dank de minister voor zijn deskundig antwoord.

 

02.05  Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik meen dat wij moeten blijven inzetten op die externe mobiliteit via een gerichte rekrutering. Ik merk aan de cijfers dat er pieken zijn, weliswaar kleine pieken, als men heel gericht rekruteert, bijvoorbeeld bij de politie.

 

Ook het outplacement dat u voorstelt, is zeker positief en het proberen waard.

 

Toch vrees ik dat de externe mobiliteit en outplacement mooie dromen blijven als wij enkel het wetgevend kader aanpassen en dus enkel de wetten, akkoorden en cao’s wijzigen.

 

Eigenlijk – daar kan Defensie weinig aan doen – is er een hele mentaliteitswijziging nodig, bijna een verandering van cultuur. Ik denk dat u dat bedoelde toen u zei dat het eigen is aan bepaalde landen dat de externe mobiliteit daar wel werkt, zoals in de Verenigde Staten, Frankrijk en Nederland, waar de publieke en private sector daar echt voor openstaan. Ik denk dat u dat ook bedoelt met de positieve echo die u graag zou krijgen. Dat is een heel moeilijk proces. In bepaalde landen, zoals Frankrijk, Nederland en de Verenigde Staten, heeft een militair een streepje voor bij een sollicitatie.

 

Daarom is het heel belangrijk dat wij intensief samenwerken met bedrijven en dat wij bedrijven goed informeren. In Nederland, bijvoorbeeld, heeft men al goed begrepen dat iemand met een carrière bij Defensie echt wel een meerwaarde kan zijn in het bedrijf, bijvoorbeeld omdat die mensen hebben leren omgaan met stressvolle situaties, omdat zij leiding kunnen geven maar ook gewoon zijn leiding te krijgen, en omdat ze ook oplossingsgericht kunnen denken. Op die manier kan er een heel goede doorstroming komen naar de publieke en private sector, waardoor het BDL-statuut, een goed statuut, een echte meerwaarde kan krijgen. Als er voldoende instroom is, zullen wij ons doel bereiken, namelijk een jonger en fitter leger. Ik besef echter goed dat het heel gemakkelijk is om dat hier te verkondigen, maar dat dit in de praktijk helemaal niet zo eenvoudig is om uit te voeren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de energiezuinigheid van de gebouwen" (nr. 21971)

03 Question de M. Hendrik Bogaert au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la performance énergétique des bâtiments" (n° 21971)

 

03.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minister, het infrastructuurbeleid binnen Defensie is vooral gericht op de meest noodzakelijke onderhouds- en renovatiewerken. Defensie wil deze werken te baat nemen om het patrimonium rationeler en energiezuiniger te maken, met behoud van voldoende comfort voor het personeel.

 

Het hoeft geen betoog dat het energiezuiniger maken van de gebouwen een bijdrage kan betekenen voor het vrijwaren van leven op deze planeet.

 

Wat is vandaag op het energieprestatiecertificaat de gemiddelde score van de gebouwen van Defensie? Heeft elk gebouw een energieprestatiecertificaat? Welke score wilt u bereiken over één of twee jaar? En welke over drie tot vier jaar?

 

03.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Bogaert, het opstellen van een EPB-certificaat is vereist voor nieuwe gebouwen en voor gebouwen die bestemd zijn voor verhuur of verkoop. Defensie laat zulke certificaten vandaag enkel opstellen in het geval van nieuwbouw of vervreemding van een eigendom.

 

Er zijn actueel geen EPB-certificaten voor alle bestaande gebouwen. Er kan dan ook geen gemiddelde EPB-score gegeven worden voor het patrimonium van Defensie.

 

De Europese richtlijn 2010/31/EU van 19 mei 2010 legt het opstellen en uithangen van een EPB-certificaat op voor openbare gebouwen die door een publieke overheid gebruikt worden en waartoe het publiek regelmatig toegang heeft.

 

De Europese richtlijn 2012/27/EU van 25 oktober 2012 laat de lidstaten echter toe de richtlijn 2010/31/EU niet toe te passen voor gebouwen van strijdkrachten, met uitzondering van individuele logementgebouwen of kantoor­gebouwen die bestemd zijn voor het personeel van Defensie. Voor deze twee categorieën is Defensie gestart met het laten opstellen en uithangen van de EPB-certificaten.

 

Dit is een redelijk defensief antwoord, mijnheer Bogaert, en onze ambitie ligt hoger. Maar feit is dat de achterstand op…

 

03.03  Hendrik Bogaert (CD&V): (…)

 

03.04 Minister Steven Vandeput: Het drukt wel uit dat wij doen wat wij moeten doen. Vandaag blijkt daar misschien nog weinig ambitie uit. In het geval van nieuwbouw of belangrijke renovatie van de infrastructuur passen wij wel de wetgeving toe die vigeert op datum van de publicatie van de overheidsopdracht.

 

De evolutie van deze wetgeving is dusdanig dat wij tegen 2020 naar nearly zero-energy buildings streven voor nieuwbouw of grote renovaties van gebouwen.

 

Onze ambitie stopt daar echter niet. Wij hebben een continu programma voor een betere isolatie van onze gebouwen, daar waar het nodig is. Het heeft bijvoorbeeld weinig zin in een open hal veel isolatie aan te brengen.

 

Er worden ook andere projecten opgestart omtrent energiezuinigheid en zelfs energieopwekking. De achterstand is zodanig dat wij volgend jaar 9,7 miljoen euro specifiek hebben voorbehouden voor datgene wat lang over het hoofd gezien is. Ik noem dat vandaag het sanitair plan, maar het zal nog wel een betere naam krijgen. In ieder geval moeten de gewone levensomstandigheden van onze mensen in de kazernes op zijn minst op een peil komen dat aanvaardbaar is in de eenentwintigste eeuw.

 

03.05  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minister, ik vermoed dat de situatie niet goed is, maar ik twijfel niet aan de goede trouw om dat in orde te brengen.

 

Met mijn vraag wilde ik echter eerder te weten komen hoe erg het nu eigenlijk is. Daarom vroeg ik onder andere naar de gemiddelde score. Meten is weten.

 

03.06 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Bogaert, over de scores kan ik zeggen dat wij momenteel bezig zijn met het opstellen van EPB-certificaten voor de gebouwen waarvoor dat wettelijk bepaald is, met name logementgebouwen en kantoorgebouwen. Andere gebouwen zullen later wel volgen en ook voor die gebouwen moeten wij uiteraard ambitie hebben. Ik kan u vandaag echter geen concrete cijfers voorleggen, want het proces van die certificaten is nog bezig.

 

03.07  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minister, sta me toe om daaraan toe te voegen dat het nu pas bezig is. Voor woningbouw gelden dergelijke certificaten al langer en woningen mogen niet zonder EPC-certificaat verkocht worden.

 

03.08 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Bogaert, dat klopt. U weet echter dat wij nogal wat gebouwen hebben. Er wordt hier veel gediscussieerd over kwartieren en kazernes. Dat werk is niet van vandaag op morgen gedaan.

 

Ik ben voorstander van een pragmatische aanpak. Ik zou graag hebben dat een gebouw eerst gerenoveerd wordt, waarna een fatsoenlijk EPB-certificaat kan worden afgeleverd. Daarmee zijn we dan ook volop bezig.

 

Ik kan vragen dat men u het voorlopig gemiddelde meedeelt. Dat zal eerder aan de hoge kant zijn, want dat gemiddelde zal vooral gebaseerd zijn op cijfers van recente gebouwen, nieuwbouw of pas gerenoveerde gebouwen. Vervolgens worden de andere certificaten opgesteld, maar gelet op hun aantal, is dat een moeilijke zaak.

 

03.09  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minster, bedankt voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Hendrik Bogaert aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het budget van Defensie" (nr. 21972)

04 Question de M. Hendrik Bogaert au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le budget de la Défense" (n° 21972)

 

04.01  Hendrik Bogaert (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dit is eigenlijk een vraag die deels al naar voren is gekomen tijdens de begrotingsbespreking. Naar aanleiding van de NAVO-top van mei 2017 in Brussel heeft de regering beslist om het budget voor Defensie te laten stijgen met 0,01 %. Dit komt overeen met ongeveer 391 miljoen euro tussen 2017 en 2019. Het is de bedoeling om het budget voor Defensie te houden op 0,92 % tot 2019 en niet verder te laten dalen, zoals bepaald in de strategische visie.

 

Is het voor u reeds duidelijk dat deze budgettaire middelen zijn binnengehaald? Welke budget­verhoging komt er in welk jaar?

 

Waaraan zullen de extra middelen precies gespendeerd worden? Gaat het om investeringen, werkingskosten of personeelskosten?

 

Op welk stuk van de interdepartementale investeringsprovisie kan Defensie rekenen voor de schuldaflossing?

 

Ik heb intussen al een stuk van het antwoord. Ik heb begrepen dat er in die percentageberekening ten opzichte van het bbp ook pensioen­verplichtingen zitten. Ik kijk natuurlijk wel naar het naakte deel, het specifieke deel dat kan gespendeerd worden door Defensie. Daar gaat mijn vraag over.

 

04.02 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, mijnheer Bogaert, de NAVO-norm rekent in termen van percentage van het bbp en gaat daarbij uit van defensie-uitgaven. Defensie-uitgaven zijn, zoals u zelf al aanhaalde, meer dan alleen maar de begroting van het departement Defensie. Daar komen ook de pensioenlasten voor ex-militairen en ex-rijkswachters bij, alsook een reeks uitgaven van andere departementen. Samen zijn die goed voor ongeveer anderhalf miljard in 2018. Dat komt dus boven op ons effectieve budget.

 

In een eerste fase heeft de regering beslist om de begroting van het departement Defensie voor 2018 en 2019 stabiel te houden en er geen besparingen meer op toe te passen, zoals initieel was beslist in oktober 2014, bij het begin van de legislatuur. Dat betekent concreet 46 miljoen voor 2018 en daarbovenop 44 miljoen in 2019. Deze beslissing laat in eerste instantie toe om het niveau van de uitgaven voor operaties constant te houden in deze twee jaren.

 

Als wij die besparing hadden moeten doorvoeren, dan zou dat niet mogelijk geweest zijn, zoals u weet. Ik heb dat in een vorige vergadering al uitgelegd. Wij beroepen ons altijd op onze bijdragen. De NAVO gaat echter uit van drie factoren, namelijk cash, contribution en capability. Wat contribution betreft, scoren wij redelijk goed; wij zijn actief. Op het vlak van capability en cash blijven wij echter achter. Daar gaat het dus eigenlijk over. Als wij op zijn minst de factor contribution hoog willen houden, dan gaan wij daaraan in eerste instantie onze middelen besteden.

 

Bijkomend zal dit ook toelaten om de stocks van munitie op peil te brengen, waarop tijdens de voorbije legislaturen immers zeer zwaar werd bespaard. Een derde belangrijke uitgavenpost die hiermee gefinancierd zal worden is de aankoop van radiomaterieel om de oprichting van een multinationaal Special Forces-commando mogelijk te maken. In laatste instantie worden de kredieten verhoogd om een groter aantal vrijwillige encadreringsprestaties toe te laten en om de werving te verhogen. Dus, wij rekruteren meer en geven meer mensen de kans om ook na de wettelijke pensioenleeftijd bij te dragen, om alzo een competentie te behouden.

 

Defensie heeft tijdens deze legislatuur daarbovenop elk jaar een beroep kunnen doen op de interdepartementale investeringsprovisie ten belope van 100 miljoen euro voor de schuld­aflossing van schulden uit het verleden.

 

04.03  Hendrik Bogaert (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Veli Yüksel aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het interne onderzoek naar de tevredenheid van het personeel bij Defensie" (nr. 22158)

- de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het interne onderzoek bij Defensie" (nr. 22161)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het interne onderzoek bij Defensie" (nr. 22162)

- de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de resultaten van de bij het personeel van Defensie uitgevoerde enquête" (nr. 22371)

05 Questions jointes de

- M. Veli Yüksel au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'enquête de satisfaction interne menée auprès du personnel de la Défense" (n° 22158)

- M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'enquête interne effectuée à la Défense" (n° 22161)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'enquête interne effectuée à la Défense" (n° 22162)

- M. Stéphane Crusnière au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les résultats de l'enquête menée auprès du personnel de la Défense" (n° 22371)

 

05.01  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, enkele maanden geleden werd een intern onderzoek bij Defensie gevoerd naar de tevredenheid van het personeel. Hieruit blijkt dat militairen zich niet gewaardeerd voelen en twijfelen aan de organisatie omdat ze denken dat Defensie zijn taken niet goed uitvoert of zelfs niet de juiste taken uitvoert. Bovendien zouden militairen jongeren afraden om militair te worden.

 

Er heerst ook grote onzekerheid over hun toekomst en er is ontevredenheid over de interne en externe communicatie. Opvallend is dat de resultaten negatiever zijn dan twee jaar geleden. Het rapport waarschuwt duidelijk dat de resultaten een gevolg zijn van een gebrek aan politieke keuzes, in het bijzonder het uitblijven van beslissingen over welke kazernes sluiten en welke niet.

 

Mijnheer de minister, kunt u wat toelichting geven bij dit rapport?

 

Welke interpretatie geeft u omtrent de slechte resultaten aangaande de tevredenheid van het personeel?

 

Gelet op het gegeven dat een belangrijke struikelblok bij de militairen het uitblijven is van beslissingen over welke kazernes al dan niet sluiten, zult u hierin alsnog stappen zetten?

 

Welke maatregelen zult u treffen om de tevredenheid van het Defensiepersoneel opnieuw te vergroten?

 

Wat zijn de meest recente cijfers inzake attritie bij kandidaten en bij militairen de eerste jaren na de kandidatuur?

 

Ten slotte, de aankomende pensioneringsgolf zal moeten worden opgevangen met bijkomende aanwervingen, zoals ook de strategische visie van de minister weergeeft. Voorziet u in bijkomende maatregelen om jongeren aan te trekken voor het beroep van militair?

 

05.02  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uit een intern onderzoek bij Defensie blijkt dat de militairen allesbehalve gelukkig zijn met hun job. De meerderheid van de militairen zou jongeren zelfs afraden om voor Defensie te beginnen werken. Dat riskeert natuurlijk te wegen op uw rekruteringsdoelstellingen voor volgend jaar en dat is bijzonder jammer.

 

De militairen zijn ongerust over hun carrière en hun pensioen, waarover heel veel onduidelijkheid bestaat. Ik heb zelfs onder Parlementsleden onduidelijkheid over de pensioenleeftijd voor militairen mogen vaststellen. Wat gebeurt er na het einde van een loopbaan van beperkte duur? Over de organisatie rijzen vragen inzake efficiëntie en of de juiste opdrachten wel uitgevoerd worden. Na meer dan twee jaar operatie Vigilant Guardian is dat een begrijpelijke verzuchting. De operationaliteit, de paraatheid en het trainings­niveau blijven dalen. Er wordt ook onzekerheid gecreëerd door het uitblijven van politieke besluitvorming. Het strategisch plan had zeer veel voeten in de aarde. Er moeten beslissingen worden genomen in het kazerneplan, in het pensioendossier, in het dossier over de gevechtsvliegtuigen enzovoort.

 

Mijnheer de minister, hoe kunt u beweren dat de vastgestelde ontevredenheid een probleem is van interne communicatie? De ontevredenheid is in de jongste twee jaar toegenomen, dus tijdens uw regeerperiode.

 

Wat zult u doen om de militaire carrière duidelijk en aantrekkelijk te maken? Hoe zult u de rekruteringsdoelstelling van 1 500 manschappen halen in 2018?

 

Wanneer kunt u aan de militairen zekerheid bieden inzake hun pensioenen, het kazerneplan en een terugkeer naar de kerntaken van Defensie?

 

Graag zou ik ook een exemplaar ontvangen van het onderzoeksrapport.

 

05.03  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb een vraag in dezelfde zin. De vorige twee sprekers hebben al een inleiding gegeven en geduid dat het over het intern onderzoek gaat, dus ik beperk mij tot mijn vragen.

 

Mijnheer de minister, kan dat onderzoek worden bezorgd aan de leden van onze commissie?

 

Welke stappen kan Defensie nog zetten om tegemoet te komen aan alle twijfels bij het personeel, zoals al opgesomd door de collega's?

 

U stelt dat investeringen de oplossing zijn voor veel van de problemen, maar deze regering schuift de factuur door naar de volgende regeringen. Wat bijvoorbeeld de kazernes betreft, toont de regering geen politieke moed. Begrijpt u dat een en ander onzekerheden met zich brengt voor het militair personeel?

 

U rekent erop dat Defensie zal verjongen dankzij nieuwe rekruteringen. Tegelijk blijkt nu dat meer dan de helft van het militair personeel niet opnieuw bij Defensie zou starten en anderen zou afraden om militair te worden.

 

Als imagoschade lijkt mij dat gigantisch. Denkt u werkelijk dat de openstaande vacatures allemaal kunnen worden ingevuld, zeker nu ook een deel van het personeel kan of wil doorschuiven naar het nieuwe veiligheidskorps?

 

Ten vijfde, bijna vier op tien militairen twijfelt of Defensie haar taken nog wel naar behoren vervult. Dit is een confronterend cijfer. Geeft onderzoek ook aan waarom militairen dat gevoel hebben?

 

Ten slotte, welke stappen inzake interne en externe communicatie zal Defensie hieromtrent ondernemen?

 

05.04  Stéphane Crusnière (PS): Madame la présidente, monsieur le ministre, je me permets également de vous interroger concernant les résultats de l'enquête d'identité menée auprès du personnel de la Défense.

 

Sur la base de ce rapport, on peut conclure que l'opinion générale des militaires envers leur organisation est, malheureusement, plutôt négative. Par exemple, trois membres du personnel sur quatre estiment que la Défense n'est pas un employeur fiable; un travailleur sur trois dit être totalement insatisfait de l'armée en tant qu'employeur. Les principales raisons invoquées sont l'incertitude permanente en matière d'emploi et les perspectives d'avenir.

 

Monsieur le ministre, les résultats de l'enquête ont été envoyés par le bureau de recherche à l'état-major de la Défense au mois de juillet 2017. Quatre mois plus tard, ils n'avaient toujours pas été communiqués au personnel, ce malgré l'engagement explicite du chef de la Défense. Pouvez-vous m'expliquer les raisons de ce retard? Pourquoi les résultats sont-ils si mauvais? Cela a-t-il eu une incidence sur leur non-divulgation?

 

Seul un membre du personnel sur trois pense que la gestion est bonne: les soldats ne se sentent pas soutenus par leurs chefs. Par ailleurs, il existe une méfiance envers les chefs. Il existe donc un problème clair de leadership. Comment comptez-vous y remédier?

 

Les communications internes et externes de la Défense se sont révélées être médiocres. Comment comptez-vous remédier à ce problème?

 

L'environnement de travail quotidien est jugé "inadéquat". Cela concerne des questions telles que le manque d'infrastructure, les perspectives de carrière peu attrayantes et l'insuffisance des possibilités de promotion. Quels sont les plans d'action envisagés dans ces domaines?

 

Les militaires indiquent clairement qu'ils manquent d'informations sur leur avenir. Comment comptez-vous remédier à cette problématique?

 

05.05 Minister Steven Vandeput: Ik wil eerst toch even duiden wat een intern onderzoek inhoudt. Jarenlang wordt gezegd dat het HR-beleid met de ogen dicht wordt gevoerd en dat er veel klachten zijn. Ik had echt geen onderzoek nodig om te weten dat er hier en daar klachten zijn bij Defensie. Dat had ik echt niet nodig.

 

Het is duidelijk dat Defensie de voorbije dertig jaar keer op keer het slachtoffer is geweest van desinvesteringen. Dat dit zich tot op de vloer laat voelen lijkt mij evident.

 

Als Defensie zich nu voor de eerste keer door een extern bureau laat bijstaan om de zaken op een managementtechnische, verantwoorde manier aan te pakken, dan is het volgens mij allesbehalve goed om op basis van algemene platitudes die in een toch wel omvangrijk onderzoek te vinden zijn, te zeggen dat het allemaal slecht is.

 

Ik daag u allemaal uit om aan eender wie op straat te vragen of zij aan hun kinderen zouden aanbevelen om dezelfde job te doen. Kijk in uw eigen hart. Beveelt u uw kinderen aan om in de politiek te stappen? Ik niet.

 

Vraag aan uw huisarts of hij zijn zoon of dochter zou aanbevelen om huisarts te worden. Ik vermoed van niet. Vraag aan iemand aan de band bij Ford destijds of vandaag bij Volvo in Gent of hij zijn zoon of dochter zou aanbevelen om aan de band te gaan staan, dan zal het antwoord hoogstwaarschijnlijk neen zijn.

 

Men vindt het blijkbaar wel plezant om met al degenen die bekommerd zijn om het welzijn van onze mensen bij Defensie politieke spelletjes te spelen. Wel, ik ga daar niet in mee.

 

Als er vandaag ontevredenheid is bij veel militairen, is dat omdat ze merken dat er jarenlang werd bespaard en dat dat telkens opnieuw politiek wordt aangezweept.

 

De beslissingen om te stoppen met besparen, te investeren en de werving te verhogen, vormen hierin een belangrijk kantelpunt.

 

Tegelijkertijd lees ik in de media dat er partijen zijn, waaronder die van de vraagstellers, die zeggen dat er bij Defensie gerust nog meer kan worden bespaard. Als er geld gezocht moet worden, kijk ik naar de Kamerleden die dat in de plenaire vergadering voor de micro zeggen.

 

De genomen maatregelen moeten ervoor zorgen dat wij kunnen evolueren naar een beter uitgerust en moderner leger, wat de moraal ten goede zal komen.

 

Wij zullen eveneens in investeringen voorzien om het welzijn van ons personeel te verhogen. Ik heb in mijn vorig antwoord al aangegeven dat wij heel fel hebben ingezet op het persoonlijk materieel van de militairen en dat wij vandaag inzetten op het verbeteren van de leefomstandigheden. Wij zullen daar nog verdere stappen in doen.

 

Dat die boodschap niet bij de individuele militair geraakt, daar kan ik mij heel goed een beeld van vormen. We zijn het immers gewoon te klagen, wij houden van klagen.

 

La Défense doit accorder plus d’importance à sa communication stratégique ainsi qu’à sa communication interne. Il est également évident que l’effet des mesures précitées ne se fait pas sentir immédiatement sur le terrain, d’autant plus quand il s’agit d'investissements et de recrutement.

 

En matière de promotion, vous savez comme moi que la forclusion a été abrogée. Sachez que chaque année, le nombre de places ouvertes pour la promotion sociale augmente de manière substantielle. Ces places sont passées de 146 en 2014 à 243 en 2018.

 

Om onze doelstellingen inzake werving te halen, levert Defensie extra inspanningen op het vlak van communicatie. Defensie blijft ook job days of verkenningsdagen organiseren zodat jongeren voeling krijgen met Defensie. Het onderzoek zelf, dat een managementdocument is, is trouwens al gebruikt bij de lancering van de nieuwe wervingscampagne voor volgend jaar. U kunt dat zelf ook vaststellen via de aanwezigheid op sociale media en de verschillende soorten filmpjes die worden gebruikt. Daarnaast werd de interne communicatie verbeterd, bijvoorbeeld door een schrijven van de Chef Defensie en mijzelf aan de individuele militair voor de start van het kerstverlof.

 

In 2017 deed Defensie, zoals ik heb gezegd, een beroep op een onderzoeksbureau en een gespecialiseerd communicatiebureau om de wervingscampagnes optimaal af te stemmen op de doelgroepen. Zo werd op 31 oktober 2017 specifiek voor vrouwen een Ladies At Defence Day georganiseerd. Ook de sociale media spelen hierin een belangrijke rol en moeten mee worden bespeeld.

 

De attritie voor dit jaar bedraagt ongeveer 7 %. Door permanent te werken aan en progressie in de vorming, een betere omkadering tijdens de vorming en een betere informatieverstrekking aan de kandidaat-militair wil Defensie de attritie onder controle houden.

 

Wat de onzekerheid rond de kazernes betreft, zoals ik reeds eerder meedeelde, zal er geen sluiting van kazernes plaatsvinden tijdens de lopende legislatuur, behalve de uitvoering van beslissingen genomen tijdens de vorige legislatuur.

 

Wat het dossier van de pensioenen betreft, werken wij in nauwe samenwerking met het kabinet van de minister van Pensioenen aan de concretisering van de transitiemaatregelen. Als dat project is afgerond, ben ik ervan overtuigd dat wij een aanbod zullen kunnen doen waarmee iedereen kan leven en waarmee wij tegelijkertijd een antwoord bieden op de algemene sociale en maatschappelijke vraag om de pensioenen ook in de toekomst betaalbaar te houden en om allemaal een beetje langer bij te dragen aan de samenstelling van het pensioen.

 

05.06  Veli Yüksel (CD&V): Mijnheer de minister, ik heb een paar bedenkingen. Eerst en vooral klopt het voor een stuk dat er de voorbije dertig jaar weinig is geïnvesteerd in Defensie. De historische redenen daarvoor zijn wat zij zijn, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat het individuele gevoel bij de militairen toch zeer significant is en kan tellen als signaal. Ik heb in de pers ook gelezen dat 72 % van de militairen niet heeft geantwoord op de enquête. Dat is een individuele keuze — zij zijn daartoe niet verplicht —, maar het wil wel iets zeggen over de openheid als mensen niet de behoefte hebben om daaraan mee te werken.

 

Ik neem dat mee. Het is een belangrijke vaststelling dat mensen niet openlijk uiting geven aan hun gevoel over een toekomst bij Defensie. Slechts 18 % heeft immers geantwoord op de bevraging. Ik noteer dat.

 

05.07 Minister Steven Vandeput: Achtentwintig procent heeft geantwoord.

 

05.08  Veli Yüksel (CD&V): Een belangrijke vaststelling is ook dat het te maken zou hebben met het feit dat er geen politieke keuzes worden gemaakt en er geen oplossingen komen. De CHOD bevestigt dit ook. Als de CHOD dit bevestigt, dan is dit een boodschap voor ons allemaal, want uiteindelijk zijn wij allemaal betrokken partij. Dit is dan ook een ferme uitspraak.

 

Klopt dit, mijnheer de minister? Hoe gaat u daarmee om?

 

05.09 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Yüksel, u haalt een belangrijk punt aan. Dit zijn dingen die niet altijd in de openbaarheid komen.

 

28 % heeft geantwoord, 72 % niet. U weet net zo goed als ik dat zij die willen klagen dergelijke momenten aangrijpen. Zij die gewoon tevreden zijn, zwijgen meestal. Iedereen die campagne voert, weet dat men een paar heel felle medestanders heeft, veel tegenstanders, en dat er een heel grote stilzwijgende massa is. In dat licht moet het aantal ontvangen antwoorden worden gezien. De test werd via de computer gedaan en niet elke militair heeft elke dag toegang tot een computer. Het gebeurde ook op vrijwillige basis. Men was met andere woorden niet verplicht om deel te nemen.

 

Een derde heeft zich eens goed laten gaan en heeft uiting gegeven aan wat hen allemaal tegenzit. Op zich is dit belangrijk. Als de CHOD aangeeft dat zij dit zo aanvoelen, dan is dit ook zo. Het is ook de reden waarom dit onderzoek werd uitgevoerd. Wij kunnen allemaal blijven zeggen dat het allemaal slecht is, terwijl er echt wel verbeteringen merkbaar zijn.

 

Wij zijn hier allemaal samen. Onze regering werkt aan een duidelijk investeringsplan dat perspectieven biedt voor de toekomst. Wij moeten dit echter communiceren aan de individuele militair. Net daarom heeft Defensie zich voor het eerst laten bijstaan door een professioneel bureau om te onderzoeken op welke manier dit het beste wordt aangepakt.

 

Natuurlijk, als wij allen van oordeel zijn dat elk onderzoek aan iedereen moet worden bekend­gemaakt in plaats van dat het management actie onderneemt en op een andere manier communiceert met zowel het personeel als met de externe doelgroepen, dan loopt de zaak helemaal vast. Wanneer wij aan de Procter & Gambles van deze wereld zouden vragen alle markt­onderzoeken te geven op basis waarvan zij hun strategie bepalen, zouden wij ver van huis zijn. Dat heeft trouwens ook geen zin. The proof of the pudding is in the eating. Daarom verklaar ik dat wij in 2017 onze rekruteringsdoelstellingen zullen moeten halen. Wij zullen ze ook halen. Voor 2018 en de daaropvolgende jaren hebben wij grote ambities en ook die zullen wij moeten waarmaken.

 

Zoals ik al heb vermeld, hebben wij de dag waarop de vakbond het nodig achtte die punten als dusdanig op straat te gooien, ook gemeld dat het nooit zal lukken als wij allemaal blijven zeggen dat alles slecht is. Maar dan zullen wij gelijk hebben gehad, en het enige wat wij in dat geval zullen hebben bereikt, is dat wij een selffulfilling prophecy tot waarheid zullen hebben gebracht. Als het dat is wat men wil, dan doet men maar. Dat is niet mijn keuze in mijn hoedanigheid van minister van Defensie. Ik wil een departement dat vooruitkomt en dat ook zelf doorheeft dat het opnieuw kan vooruitkomen.

 

05.10  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik zou u toch willen vragen het rapport heel ernstig te nemen. Ik blijf bij mijn vraag om een exemplaar van het rapport te kunnen krijgen. Wij zijn Parlementsleden in de Kamercommissie voor de Landsverdediging. Indien binnen Defensie een intern onderzoek wordt gevoerd, is het maar logisch dat wij de resultaten van het onderzoek kunnen inkijken. Dat zou getuigen van transparantie binnen Defensie. U beroept zich altijd op transparantie. Wel, u hebt nu de gelegenheid uw woorden te bewijzen.

 

Er zijn effectief een aantal serieuze werven in uw departement, die onopgelost blijven of die slecht worden beheerd, zoals het kazerneplan, waarvan u verklaart dat tijdens de huidige legislatuur geen kazernes zullen worden gesloten. De beslissing tot sluiting kan echter wel vanaf 2020 worden genomen, over twee jaar dus. Dat is onzekerheid scheppen bij de mensen.

 

De regering nestelt zich in de operatie Vigilant Guardian. Zij wil de operatie blijkbaar niet meer afbouwen, terwijl wij benadrukken dat de militairen in kwestie van de straat moeten en door politiemensen moeten worden vervangen. Dat moet nog altijd de doelstelling zijn. Dat kan niet van vandaag op morgen, maar er moet wel nog altijd naar worden gestreefd. De operatie doet immers afbreuk aan de expertiseopbouw bij de militairen zelf, wat ook door de militairen zelf wordt aangegeven. Zij wijzen er immers op dat zij training verliezen, om bijvoorbeeld aan buitenlandse opdrachten deel te nemen.

 

Ten slotte nog een puntje rond de pensioenen. De job van militair is er geen zoals een andere. De verhoging van de pensioenleeftijd die in het algemeen geldt kan wat ons betreft niet gelden voor militairen. Daar zijn wij altijd heel duidelijk over geweest. Ook dat speelt mee in het rapport en in de onzekerheid bij de mensen op de werkvloer in de kazernes.

 

05.11 Minister Steven Vandeput: Mijnheer De Vriendt, ik hoor graag zeggen dat wij moeten afbouwen. Ik wil ook afbouwen en wij hebben dat gedaan. Wij zitten vandaag aan een niveau dat voor ons sustainable is. De Landcomponent Commander heeft er zelf over gecommuniceerd, dit is voor ons sustainable. Wij kunnen dat continueren en onderhouden.

 

Ik bestrijd dat men door deze opdracht dingen zou verliezen. Men leert ook dingen bij, men is actief in groep, onder elkaar in een urbane omgeving. Wij zeggen toch allemaal dat dit de toekomst van Defensie is. In dit kader hebben jonge officieren en onderofficieren vandaag de mogelijkheid om met heel concrete organisatieproblemen bezig te zijn in de beveiliging van een stad. Zij hebben procedures kunnen aanpassen. Daar is hard aan gewerkt en wij opereren nu zoals militairen dat doen. U zou dat normaal gezien ook moeten vaststellen in de straat.

 

Ik heb hier nog een vraag bij. U zegt dat de militairen van de OVG zelf zeggen dat het allemaal slecht is. Wel, weet u hoeveel mensen die deelnemen aan de OVG hebben geantwoord op de enquête? Weet u dat? Ik weet het niet, maar ik denk dat u het ook niet weet. Het is dus altijd opletten als men het heeft over "de militairen". Nogmaals, als de media op straat iemand hadden kunnen vinden die klaagt, dan hadden zij dat al lang en breed uitgesmeerd. Zij hebben hem of haar echter niet gevonden. Ook de militair en Jan Publiek weten vandaag immers wat Defensie voor ons land betekent, dat zij inderdaad de last resort zijn.

 

Tot slot, er geldt nog steeds terreurniveau 3. Dat kan u weinig zeggen, maar wij hebben nog steeds terreurniveau 3. In een ideale wereld zouden militairen niet moeten uitrukken en kan de politie dat aan. Zullen wij dan echter de hele politie dimensioneren volgens de veronderstelling dat wij eeuwig met dreigingsniveau 3 gaan zitten? Dat zou eigenlijk betekenen dat men de politie met duizend man gaat overdimensioneren. Dan gaat men zeggen dat wij een politiestaat hebben. Dat klopt dus niet.

 

Er komt een directie Algemene Beveiliging. Er worden mensen aangeworven bij de politie. Er worden heel veel maatregelen genomen, maar het is wel een feit dat men niet kan dimensioneren op basis van een crisissituatie. Misschien ligt het in uw visie om wel te dimensioneren op basis van een crisissituatie. Dat kan, dan zijn wij het daarover niet eens, maar ik denk dat het niet verstandig zou zijn. Als wij morgen eindelijk van niveau 3 weer naar een lager niveau kunnen schakelen, gaan de militairen sowieso naar huis. Wat zou u dan met hen doen, in het geval het politieagenten zouden zijn?

 

05.12  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, maar het bevredigt mij niet. Ik vraag u eerst en vooral nog eens om de leden van deze commissie de resultaten van de enquête te laten inkijken. Ik stel deze vraag niet alleen als lid van deze commissie. Ik geef u heel specifiek een voorbeeld uit HR, dat u als minister belast met Ambtenarenzaken zou moeten kennen. Als men als werkgever een tevredenheidsenquête uitvoert, moet men daaraan een aantal voorwaarden verbinden om ervoor te zorgen dat dit resultaat heeft. Men schept immers een verwachtings­patroon.

 

Ten eerste verwacht een personeelslid het resultaat te kennen van wat hij heeft ingevuld; hij wil weten of zijn collega’s dezelfde mening zijn toegedaan en of dit het algemeen patroon is van het antwoord. Ten tweede verwacht een personeelslid, en ook de groep die dat heeft ingevuld, dat men iets doet met de resultaten. Als men deze niet kenbaar maakt, geeft men aan er niets mee te zullen doen. Ten derde wil ik even aanstippen dat uw voorbeeld dat u als politicus uw kinderen niet de raad zou geven om aan politiek te doen, of als dokter om geen dokter te worden, het minimaliseren van uw eigen bevraging betekent.

 

Ik vind de bevraging een goede zaak. Als ze extern is gebeurd, is dat goed, maar neem ze ook ernstig. Wees er zo open mogelijk mee, doe iets met de resultaten, maar niet fractionair. U hebt een aantal voorbeelden gegeven en gezegd dat 28 % de enquête heeft ingevuld, volgens u alleen degenen met een negatieve houding. Wel, daar ga ik niet mee akkoord.

 

05.13 Minister Steven Vandeput: Nee, dat heb ik niet gezegd.

 

05.14  Alain Top (sp.a): Wel waar, u zei dat die 72 % van de personeelsleden tevreden is met het werk.

 

05.15 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, u moet eens afleren om steeds te proberen mijn woorden te verdraaien.

 

05.16  Alain Top (sp.a): Neen.

 

05.17 Minister Steven Vandeput: Jawel. Ik heb gezegd dat diegenen die klagen zich eens goed hebben laten gaan. Dat stel ik vast. Ik heb ook gezegd dat die enquête door ons zeer ernstig wordt genomen, dat wij tot daden zullen overgaan. Ik heb u uitgenodigd om eens te bekijken op welke manier Defensie zich tegenwoordig presenteert aan mogelijke kandidaten.

 

05.18  Alain Top (sp.a): Opnieuw zegt u dat die 28 % militairen die de enquête ingevuld hebben, klagers zijn die zich hebben laten gaan.

 

05.19 Minister Steven Vandeput: Inderdaad…

 

05.20  Alain Top (sp.a): U neemt die militairen dus niet ernstig. Dat is het resultaat van wat u zegt.

 

05.21 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, dat is kwaadwilligheid. Ik zeg dat er klagers zijn die zich eens goed hebben laten gaan. Dat is een gegeven. Achter die uitspraak zal ik blijven staan. Ik nodig u uit om op Facebook eens na te lezen wat er allemaal gezegd wordt.

 

05.22  Alain Top (sp.a): Wees daar dan kritisch over.

 

05.23 Minister Steven Vandeput: Veronderstel dat het gemeentepersoneel van uw gemeente zonder enige kennis van zaken zou spreken over de burgemeester. Hoe lang zou u het volhouden? Dat zou ik wel eens willen zien.

 

De bewering dat ik de enquête niet ernstig neem, is niet juist. Het is een beleidsdocument. Op basis daarvan is er een beleid uitgewerkt. Dat verhaal wordt uitgerold. Als voorbeeld heb ik uitgelegd hoe wij ons presenteren tegenover kandidaten. Ook heb ik als voorbeeld vermeld hoe wij intern communiceren. Ik kan nog enkele voorbeelden geven.

 

U verwijt mij dat ik niet deel wat er allemaal onderzocht werd. Afgezien van het politiek spelletje dat u hier speelt, kunt u zich ook eens afvragen wat de militairen daaraan hebben. De militairen wensen terug perspectief te hebben. De militairen verlangen ook zekerheid. Welnu, ik heb zekerheid gegeven: ik sluit geen kazernes.

 

Men kan verhalen blijven ophangen over hoe slecht het allemaal loopt, maar dan zullen we er niet geraken. Dat is waarschijnlijk wat u met uw partij wenst.

 

05.24  Alain Top (sp.a): Daar zijn we weer. Bedankt hoor!

 

Mijnheer de minister, u houdt altijd dezelfde lijn aan. Ofwel is het de schuld van de oppositie, ofwel ligt het aan de 28 % militairen die met hun antwoorden een slecht voorbeeld geven. Ik stel vast dat u het niet ernstig neemt.

 

U beargumenteert in uw antwoord dat u het in deze legislatuur zoveel beter doet. Voor mij gaat dat alvast niet op. U stelt immers alle personeelsgerelateerde beslissingen uit. Mijn collega's hebben al voorbeelden gegeven. Het gaat over de kazernering, over het pensioendebat en over de aanwezigheid van militairen op straat. Al die zaken belangen de militairen aan.

 

Als u zegt dat het zoveel beter zal gaan, dan hebt u het over grote investeringen.

 

05.25 Minister Steven Vandeput: Vraag aan een individuele militair wat zijn persoonlijk…(…)

 

05.26  Alain Top (sp.a): Kunt u nooit eens iemand laten uitspreken? Laat tenminste iemand uitspreken. Beleefdheid kan ook aangeleerd worden.

 

U haalt telkens hetzelfde aan. Uw investeringen worden in de volgende legislaturen gepland. U zegt dat dat de oplossing zal bieden. Zeg mij eens hoe die grote investeringen de militairen zullen helpen bij alle vragen die zij vandaag stellen over hun job? Niets. Voor die investeringen in de toekomst hebt u vandaag geen enkel draagvlak.

 

05.27  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, ce rapport n'est pas anodin. Il est inquiétant. On parle de 28 %, soit plus ou moins 10 000 militaires, ce qui est un chiffre important. Cela démontre un certain malaise au sein de notre armée et nous devons y être attentifs.

 

Vous dites ne pas avoir attendu l'enquête pour vous en rendre compte. Pourquoi alors ne pas avoir enclenché une série de choses pour y remédier? Vous rejetez un peu la faute sur les gouvernements précédents mais certaines mesures prises par ce gouvernement n'ont certainement pas facilité la vie de nos militaires, notamment le statut BDL, la réforme des pensions et l'incertitude quant à la fermeture de casernes. On peut donc comprendre qu'il y ait une inquiétude dans le chef des militaires et de leurs familles.

 

Sous ce gouvernement, pour la première fois, nous avons eu une manifestation des miliaires dans la rue!

 

05.28  Steven Vandeput, ministre: Je me rappelle une manifestation encore plus importante! La personne en charge à l'époque a maintenant de nouvelles idées sur la Défense mais essaye en même temps de cacher le désastre budgétaire à la Fédération Wallonie-Bruxelles! À l'époque, il y avait eu une manifestation avec des gamelles!

 

05.29  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous encourage à mettre en place une vision stratégique en matière de ressources humaines! 

 

Madame la présidente, comme d'autres parlementaires, je demande que nous ayons accès à ce rapport. Il serait également intéressant que nous puissions auditionner les syndicats. J'aimerais aussi qu'au sein de cette commission, nous réalisions un suivi des mesures qui ont été prises afin de pouvoir répondre aux inquiétudes exprimées par nos militaires dans ce rapport.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van onze marineschepen" (nr. 22164)

- de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de aankoop van mijnenvegers en fregatten voor de Belgische marine" (nr. 22694)

06 Questions jointes de

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le remplacement des navires de la marine" (n° 22164)

- M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'achat de chasseurs de mines et de frégates pour la Marine belge" (n° 22694)

 

06.01  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, in de voorbije weken is door tegenstrijdige berichten vanuit de Nederlandse defensietop onduidelijkheid ontstaan over de vervanging van de M-fregatten en mijnenjagers. In het eerste grote interview van de kersverse minister van Defensie, met De Telegraaf, kwam de vraag of Defensie de mijnenjagers, onderzeeboten en M-fregatten kan vervangen. Het antwoord van de minister was: "Allemaal zal dat waarschijnlijk niet kunnen."

 

Wat is de huidige stand van zaken?

 

Is er reeds overleg geweest met de nieuwe Nederlandse minister en zijn er afspraken gemaakt over de vervanging van de fregatten en mijnenjagers, wat in uw strategische visie is opgenomen?

 

06.02  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la présidente, monsieur le ministre, les chasseurs de mines de la marine belge et ses frégates sont en fin de vie et doivent être remplacés. Vous avez prévu un montant global de près de 2 milliards d'euros d'investissement, dont une partie en collaboration avec les Pays-Bas, afin de commander ces bâtiments navals de la plus haute importance pour la marine belge.

 

Monsieur le ministre, de tels montants sont toujours conditionnés par des retours sur investissement pour l'industrie et l'emploi belge. Où en sont les négociations à l'heure actuelle? Quelles sont les synergies possibles avec l'industrie néerlandaise dans ce dossier? Qu'en sera-t-il de la maintenance de ces navires pendant leur durée de vie?

 

Dans le cadre du contrat des F-16 lors de leur achat, il est question de retombées globales de près de 145 % pour notre industrie. Pensez-vous possible un tel retour sur investissement avec cette commande de navires?

 

Dans l'éventualité d'un tel renouvellement des navires, chaque euro investi par la Défense rapporterait largement sa mise de départ. Avez-vous des plans d'investissement semblables dans d'autres secteurs de la Défense?

 

Ces achats entrent-ils également dans le cadre d'une défense commune avec nos partenaires européens, au-delà de nos voisins néerlandais?

 

06.03 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, heren, de Belgische Defensiestaf heeft uiteraard regelmatig contacten met zijn Nederlandse collega's in het kader van de lopende projecten voor de vervanging van de huidige fregatten en de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Tot op heden zijn er geen indicaties over problemen met betrekking tot deze projecten.

 

Ik heb minister Bijleveld voor het eerst kort ontmoet op 16 november in de marge van de NAVO-Raad. Wij hebben een volgende vergadering gehad op 30 november in Den Haag.

 

Het is relevant te vermelden dat Nederland ook een staatssecretaris voor Defensie heeft, die onder andere specifiek wordt belast met de materieelverwerving. Staatssecretaris Visser was ook aanwezig op onze meeting van 30 november. Op die meeting heb ik niet gehoord dat Nederland twijfelt aan een van de projecten.

 

Ik zou in dat kader trouwens willen aanhalen, mijnheer Top, dat onze projecten lopen tot 2030. Toen mevrouw Bijleveld werd geïnterviewd, had zij het waarschijnlijk over haar ambtsperiode.

 

Comme repris dans l'accord de gouvernement ainsi que dans la Vision stratégique de 2016, des programmes d'investissement en matériel sont sources d'incitants et de retours positifs pour la société, aussi bien dans le domaine de la connaissance, de la technologie que de l'emploi et cela dans le respect des réglementations nationales et européennes.

 

Dans ce but, des coordinations structurelles ont été mises en place entre le ministère de la Défense, d'une part et, d'autre part, le SPF Économie et les services néerlandais correspondants. Il a été convenu que les Pays-Bas prendraient en charge l'achat des frégates belges et néerlandaises. La Belgique, pour sa part, prendra en charge l'achat des chasseurs de mines pour nos deux pays. Les contrats n'ont pas encore démarré mais il est clair que, comme pour tous les contrats, le SPF Économie voit comment l'industrie belge peut jouer un rôle dans les limites de la législation.

 

La législation européenne sur les marchés publics permet d'imposer que l'entretien se fasse à proximité de la base des opérations. C'est ce que nous comptons demander. Étant donné l'utilisation de navires durant 35 à 40 ans, il est probable que la partie maintenance soit plus importante que la partie construction. La répartition des deux marchés sur les deux pays est basée sur des accords Benelux. Aucun signe ne permet de douter de la continuité du projet. Un projet commun à deux pays est déjà exceptionnel et montre clairement la volonté de travailler à une défense européenne. Si d'autres pays veulent s'y associer, ils sont les bienvenus mais il est préférable que le marché unissant la Belgique et les Pays-Bas commence afin d'augmenter la continuité de la capacité opérationnelle.

 

06.04  Alain Top (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik zal over dit onderwerp waarschijnlijk vragen blijven stellen…

 

06.05 Minister Steven Vandeput: En over andere ook.

 

06.06  Alain Top (sp.a): …zolang in de berichtgeving in de Nederlandse pers daarover nogal wat twijfel wordt gezaaid. Ik geef een voorbeeld. Onlangs werd in de Nederlandse pers het bericht verspreid dat er sprake van zou zijn om de vloot of de nieuw te bouwen schepen te vervangen door één type vaartuig dat veeleer een destroyer zou worden dan hetgeen wij willen, namelijk het fregat. Dat heeft natuurlijk wel consequenties voor de inzetbaarheid en het gebruik ervan, alsook voor onze eigen infrastructuur die dan ook weer aangepast moet worden, en voor onze eigen visie. Zolang die twijfel er is en zolang er geen duidelijke afspraken op papier staan, zal die twijfel er blijven.

 

Verder zei u dat de minister geantwoord heeft voor haar ambtstermijn, maar het gaat over een plan tot 2030. Ik meen te weten dat de vervanging vroeger uitgevoerd zal moeten worden. De einddatum is 2030. Het maken van de afspraak en de bestelling zullen ook veel vroeger moeten gebeuren. Daarom is het belangrijk dat België aandringt om tot goede afspraken met onze noorderburen te komen.

 

06.07 Minister Steven Vandeput: Voor uw informatie, mijnheer Top, ik heb altijd aangegeven dat wij moeten bekijken hoe wij onze budgetten en beslissingscriteria op elkaar kunnen afstemmen, als wij samenwerken. Hier gaat het om een samenwerking met twee landen. Het is nog geen Europese samenwerking. Ik heb in de toelichting van mijn beleidsnota trouwens ook gezegd dat het onze ambitie is om een omvattend MoU te hebben in 2018, hetgeen dan juridische zekerheid moet geven aan het vervolg van het project.

 

Wat uw opmerkingen over de destroyer betreft, ook in Nederland wordt men nu natuurlijk geconfronteerd met een substantiële toename van het budget. Het zou wel eens kunnen dat mensen, meestal mensen buiten Defensie, dan geweldig beginnen te dromen. Ik meen dat de pure financiële realiteit de dromers snel zal terugbrengen tot dat platform, dat eigenlijk het kleinste platform is waarmee men de drie dreigingen aankan, onder zee, op zee en vanuit de lucht.

 

06.08  Jean-Jacques Flahaux (MR): Madame la présidente, je tiens à remercier M. le ministre pour sa réponse. Mon attitude reste mitigée. Il est heureux de ne pas privilégier de marché national, prônant ainsi le chacun pour soi. Si on veut plus d'Europe, il faut suivre votre direction et s'en féliciter. Mais j'ai une petite réserve et peut-être les Néerlandais pensent-ils comme nous. On peut subodorer qu'ils auront tendance à privilégier les entreprises néerlandaises, mais ce qui me rassure, c'est qu'on a maintenant des règles de marché public européennes qui permettront une objectivation. Si on veut construire une défense européenne, il faut une standardisation de nos équipements.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De heer Demon heeft niets laten weten. Zijn vraag nr. 22169 vervalt.

 

07 Vraag van de heer Peter Buysrogge aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de politieke rechten van militairen en de communicatie binnen Defensie" (nr. 22201)

07 Question de M. Peter Buysrogge au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les droits politiques des militaires et la communication au sein de la Défense" (n° 22201)

 

07.01  Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, mijn vraag is kort, en uw antwoord zal hopelijk duidelijk zijn.

 

Ons wetsvoorstel inzake de politieke rechten van militairen is op 9 november goedgekeurd. Ondertussen is de wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 28 november.

 

Ik verneem dan ook graag van u hoe de legerleiding op een duidelijke en objectieve manier aan de militairen zal communiceren welke gevolgen deze nieuwe wetgeving heeft.

 

07.02 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Buysrogge, de uitbreiding van de politieke rechten van de militairen van het actief kader werd aan het personeel gecommuniceerd via news@defence, op het interne netwerk van Defensie.

 

Ik citeer: "De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft een wijziging betreffende de politieke rechten van de militairen van het actief kader aangenomen. Ter herhaling: de militairen mogen zich kandidaat stellen voor alle uitvoerende en niet-uitvoerende functies op het gemeentelijke en provinciale niveau. Zij mogen zich eveneens kandidaat stellen voor de districtsraden.

 

De militair die één van voornoemde mandaten uitoefent kan, zoals elk openbaar ambtenaar van de Staat en binnen dezelfde voorwaarden, genieten van, naargelang het geval, dienst­vrijstellingen en facultatief politiek verlof, zowel halftijds als voltijds. Het aantal dagen is afhankelijk van de uitgeoefende verkiesbare functie en, in voorkomend geval, de omvang van de gemeente. Voor de belangrijkste functies wordt de militair in politiek verlof geplaatst.

 

Er wordt in herinnering gebracht dat de militair van het actief kader zich niet kandidaat mag stellen voor de verkiezingen op Europees, federaal, gewestelijk of gemeenschapsniveau en dat hij steeds zijn intentie om zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen dient kenbaar te maken door middel van een aangetekende brief aan de minister van Defensie."

 

De communicatie via news@defence heeft daarenboven ook een overzichtstabel weergegeven van het aantal dagen dienstvrijstelling en verlof per maand dat een mandataris zou kunnen verkrijgen. Dus ik denk dat de interne communicatiedienst van Defensie gedaan heeft wat hij moest doen om deze bijkomende mogelijkheden duidelijk te maken.

 

07.03  Peter Buysrogge (N-VA): Mijnheer de minister, het is goed dat er kort op de bal wordt gespeeld en dat alle militairen over eenduidige en objectieve informatie beschikken. Ik weet ook dat er bij bepaalde eenheden en bij bepaalde leidinggevende functies bij Defensie niet echt een grote appetijt is dat er ingetekend wordt op die wetgeving of dat daarvan gebruik wordt gemaakt.

 

Het is echter toch belangrijk dat alle rechten voor de militairen op een correcte manier worden geduid. Ze moeten niet worden aangemoedigd om er gebruik van te maken, maar het is belangrijk in de informele contacten die de betrokken militair heeft als hij zo'n aanvraag zou willen doen of overweegt om ervan gebruik te maken, dat het hem niet wordt afgeraden. Dat is belangrijk, men moet dat mee in het oog houden. Naast die objectieve communicatie, die algemene communicatie, en ik denk dat die goed zit, moet in de contacten nadien de informatie op een correcte manier worden meegedeeld aan de betrokken militair.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de M. André Frédéric au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les montants octroyés aux victimes d'attentats tombant sous le régime 'victimes de guerre'" (n° 22387)

08 Vraag van de heer André Frédéric aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de bedragen die worden toegekend aan slachtoffers van aanslagen die worden gelijkgesteld met oorlogsslachtoffers" (nr. 22387)

 

08.01  André Frédéric (PS): Monsieur le ministre, vous avez déclaré, lors des discussions relatives à votre note de politique générale, notamment à mon collègue Daniel Senesael, qu'il y avait eu huit décisions d'octroi d'une pension de dédommagement pour les victimes d'attentats terroristes, dont une qui a été traitée entièrement au niveau administratif et qui a été accordée. Vous avez également déclaré que l'octroi de cette pension de dédommagement nécessitait un rapport d'expertise de la commission médicale, qui doit disposer du temps suffisant à cet effet.

 

Ce statut de victimes d'actes terroristes octroie à la victime le fait d'être assimilée à une victime de guerre.

 

Voici quelques semaines, nous apprenions dans la presse que les victimes avaient reçu un courrier attestant qu'elles étaient reconnues comme telles mais qu'aucun montant n'y était mentionné.

 

Selon un avocat pénaliste, la détermination des frais de prise en charge et le montant de la pension doivent encore faire l'objet d'un arrêté royal qui décidera d'un montant. Or il nous semblait que ces montants étaient fixés dans loi, par analogie avec les autres victimes déjà visées par la loi.

 

Monsieur le ministre, qu'en est-il? Devez-vous adopter un arrêté royal déterminant les montants ou bien les victimes doivent-elles tenir compte des montants fixés par la loi? Si un arrêté royal doit être pris, quand peut-on espérer qu'il le soit? Enfin, concrètement, tout est-il prêt au niveau des procédures administratives de paiement?

 

08.02  Steven Vandeput, ministre: Monsieur Frédéric, il faut distinguer l'octroi du statut de reconnaissance nationale et l'octroi d'une pension de dédommagement. Actuellement, j'ai signé 323 décisions de statut de reconnaissance nationale. Ces décisions ont été notifiées aux victimes d'actes de terrorisme concernées.

 

Concrètement, le statut de reconnaissance nationale signifie pour la victime directe, c'est-à-dire celle qui était présente sur les lieux des actes de terrorisme, qu'elle peut bénéficier du remboursement des soins médicaux nécessités par le fait dommageable. Pour la victime indirecte, c'est-à-dire toute personne alliée de la victime directe jusqu'au deuxième degré inclus, cela signifie qu'elle peut bénéficier du remboursement des soins psychologiques liés à l'acte de terrorisme. Le statut de solidarité nationale n'entraîne pas d'autres dédommagements financiers.

 

Par ailleurs, la loi du 18 juillet 2017 permet une intervention financière sous la forme d'une pension de dédommagement octroyée aux victimes directes et aux ayants droit d'une victime décédée.

 

La pension de dédommagement est liée à une incapacité ou une invalidité due à l'acte de terrorisme. La pension de dédommagement requiert un taux d'invalidité minimal de 10 %. Pour qu'elle soit accordée, il faut préalablement que les victimes soient soumises à l'expertise de l'office médico-légal. Sur base du rapport de cette expertise, un montant de pension est octroyé.

 

La loi du 18 juillet 2017 précise que les barèmes appliqués sont identiques à ceux octroyés aux victimes civiles, conformément à la loi du 15 mars 1954 relative aux pensions de dédommagement des victimes civiles de la guerre 1940-1945 et de leur ayants droit. Les taux fixés dans l'article 6bis de cette loi de 1954 et l'arrêté royal du 19 avril 1999 énumèrent précisément les taux uniques pour les victimes civiles de la guerre.

 

Enfin, le chapitre 12 de la loi du 18 juillet 2017 augmente les taux à partir du 1er juillet 2017 pour les aligner sur les taux des pensions des réparations militaires. La loi du 18 juillet 2017 constitue donc une base légale suffisante et toutes les procédures administratives sont en ordre pour que les pensions des victimes d'actes de terrorisme soient liquidées et payées par le service fédéral des Pensions.

 

Il est exact qu'un arrêté royal fixant les nouveaux taux uniques est en cours d'élaboration. La base légale étant suffisante, il s'agit simplement de transposer les nouveaux taux sous une forme coordonnée. Ceci sera sans incidence sur le traitement des demandes et le paiement des pensions de dédommagement.

 

08.03  André Frédéric (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses complètes. Je fais bien la différence entre la reconnaissance nationale et les pensions de dédommagement. J'entends que l'arrêté va être pris pour coordonner les montants.

 

J'ai participé à la commission d'enquête sur les attentats et j'ai particulièrement suivi le volet consacré aux victimes. Il est extrêmement pénible de se trouver face à des gens qui sont victimes deux fois: ils ont été victimes d'un drame terrible – une attaque terroriste – et ils doivent se battre au quotidien pour avoir un minimum d'indemnisation.

 

Monsieur le ministre, je profite de cette réplique pour attirer votre attention et vous motiver à être proactif au sein du gouvernement pour mettre en œuvre la recommandation importante – votée à l'unanimité par la commission d'enquête – visant à la création d'un statut de victime d'attentat terroriste, à l'instar de ce qui existe en France. Il s'agit de la création d'un fonds – financé par l'État et par les compagnies d'assurance – qui permet une reconnaissance immédiate après les faits et qui est destiné à indemniser, dès le lendemain des attentats, les victimes qui doivent faire face à des frais importants.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde interpellatie en vragen van

- de heer Alain Top tot de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken over "de wijziging van de dollarkoers en de gevolgen voor de aankoop van gevechtsvliegtuigen" (nr. 242)

- de heer Alain Top aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de compensatiewedloop in het kader van de vervanging van de F-16's" (nr. 22409)

- de heer Wouter De Vriendt aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "het dossier van de gevechtsvliegtuigen" (nr. 22692)

- de heer Benoit Hellings aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de stand van zaken met betrekking tot de lopende overheidsopdracht voor de aankoop van 34 jachtbommenwerpers" (nr. 22703)

09 Interpellation et questions jointes de

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique sur "l'évolution du cours du dollar et les conséquences de cette évolution pour l'achat d'avions de combat" (n° 242)

- M. Alain Top au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "la course aux compensations dans le cadre du remplacement des F-16" (n° 22409)

- M. Wouter De Vriendt au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "le dossier des avions de combat" (n° 22692)

- M. Benoit Hellings au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "l'état des lieux du marché public en cours pour l'achat de 34 chasseurs-bombardiers" (n° 22703)

 

09.01  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, Nederland besloot in 2013 om 37 F-35 vliegtuigen aan te kopen. De nieuwe staatssecretaris voor Defensie Barbara Visser liet de Tweede Kamer weten dat er voorlopig slechts 34 van de 37 toestellen zouden worden aangekocht omdat de aankoop van 37 toestellen te duur uitvalt. Op te merken valt dat Nederland met 37 toestellen al amper tegemoet kan komen aan het vooropgestelde militaire ambitieniveau.

 

De prijs valt te hoog uit door de wijzigende dollarkoers, iets waarvoor de Algemene Rekenkamer in Nederland al jaren waarschuwt. De aangeschafte F-35-toestellen moeten in dollar worden betaald omdat Nederland de toestellen en de bijbehorende apparatuur rechtstreeks van de Amerikaanse overheid koopt. Volgens de Rekenkamer moet Defensie rekening houden met toekomstige koerswijzigingen en transparant zijn over de risico's die de vervanging van gevechtsvliegtuigen met zich meebrengt.

 

Nederland zou volgens Defensie met de voorziene 37 gevechtsvliegtuigen vier toestellen kunnen inzetten voor militaire missies en twee toestellen voor de bewaking van het luchtruim. Volgens de berekeningen van de Algemene Rekenkamer is dit een overschatte berekening. De Rekenkamer verwacht dat slechts vier toestellen beschikbaar zullen zijn voor buitenlandse missies en de bewaking van het luchtruim samen. Nu het aantal van 37 naar 34 toestellen slinkt, komt zelfs deze ambitie in gevaar.

 

Mijnheer de minister, de F-35 is een van de kandidaat-opvolgers van onze eigen F-16 gevechtsvliegtuigen en deze regering voorziet in de aankoop van 34 toestellen. Een scenario zoals het Nederlandse zou rampzalig zijn. Minder dan 34 toestellen betekent dat de operationaliteit in vraag kan worden gesteld. Mijn fractie is hoe dan ook geen voorstander van de aankoop van nieuwe gevechtsvliegtuigen, maar de aankoop van minder dan 34 gevechtsvliegtuigen zou ervoor zorgen dat de toestellen niet meer inzetbaar zijn voor onze militaire missies en de bewaking van het luchtruim. In dat geval zal ons land wel heel veel betalen voor het bewaken van ons luchtruim, als men ze alleen daarvoor voorziet.

 

We spreken over de aankoop van de eeuw en er vallen heel wat lessen te trekken uit de verschillende internationale vervangings­procedures. Het hierin betrekken van het Rekenhof is een absolute must. Graag een antwoord op de volgende vragen.

 

U voorziet in een inzetbaarheid van zes toestellen op buitenlandse missie en twee toestellen voor de bewaking van het luchtruim. Op basis van welke berekening komt u aan deze aantallen? Hoe vallen deze cijfers te rijmen met de cijfers van de Nederlandse Rekenkamer of de Nederlandse Defensie? Bent u bereid om de inzetbaarheid te laten berekenen door het Rekenhof?

 

Ten tweede, wat is uw reactie op de Nederlandse aankondiging? Welke garanties ziet u om eenzelfde scenario in België te vermijden?

 

Ten derde, wanneer voorziet u in de inschakeling van het Rekenhof om de financiële impact van de vervanging te berekenen? Tot zover mijn eerste vraag.

 

Mijn tweede vraag gaat over de compensatiewedloop in het vervangingsdossier van de F-16. Midden 2018 beslist deze regering over de vervanger van de F-16 gevechts­vliegtuigen. Officieel zijn er nog twee kandidaten in de running, de Amerikaanse F-35 en de Duits-Britse Eurofighter. De Franse regering besloot om buiten de aanbestedingsprocedure om een samenwerkingsvoorstel aan onze regering over te maken. Tot op vandaag is er geen duidelijkheid of de Franse Rafale al dan niet kandidaat blijft om onze straaljagers te vervangen. De premier sluit hun deelname aan de verdere procedure alvast niet uit. Daarnaast belooft de Franse minister van Defensie nu ook al 4 miljard aan economische compensaties via Franse investeringen, verspreid over ons land. Ook de lobbymachine bij de andere kandidaat-vervangers ligt niet stil. Zo belooft het Europees consortium onder meer cyberbeveiliging voor de hele telecom in ons land. Ook Lockheed Martin pakte reeds uit met een pak beloftes voor ons land.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, kunt u toelichting geven over de compensaties die de verschillende kandidaten aanbieden? Is er reeds duidelijkheid binnen de regering over het Franse voorstel, of dit al dan niet nog mee in de running is?

 

Ten tweede, wordt een samenwerking met Frankrijk nog steeds overwogen, of blijft u vasthouden aan de F-35 en de Eurofighter in de procedure? Zo ja, is dit uw interpretatie van de regels? Of is dit het officiële standpunt van de regering?

 

Ten derde, welk orgaan zal de controle uitoefenen op de gemaakte beloftes inzake deze compensaties?

 

09.02  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, volgens een bericht dat een tijdje geleden in De Tijd stond, mengt premier Michel zich in het aankoopdossier voor de gevechtsvliegtuigen. Hij en zijn partij ijveren er naar verluidt voor dat de Dassault Rafale alsnog in de procedure mag blijven. U bent het daar niet mee eens. U zegt dat u zelf geen voorkeur hebt voor een specifiek toestel, waarvan ik akte neem, maar wel dat de Franse regering de procedure inzake de RfGP niet heeft gevolgd en dat de Rafale dus uit de race ligt.

 

Ondertussen blijkt wel dat Dassault miljardeninvesteringen en 4 500 jobs in België aanbiedt, uiteraard om de besluitvorming te paaien, want dergelijke zaken klinken altijd heel aantrekkelijk. Ook Lockheed Martin doet ondertussen zijn duit in het zakje, want via Fokker kon Asco zich al verzekeren van de productie van een deel van de vliegtuigvleugel van de F-35. Het lijkt erop dat Frankrijk vooral op het vlak van economische compensaties wil concurreren met de F-35 en de Typhoon.

 

Procedureel gezien krijgen de juridisch toch vrij betwistbare economische compensaties maar voor tien procent gewicht in de eindbeoordeling. Beloofde economische compensaties worden trouwens soms niet behaald. Bovendien rekenen de constructeurs dergelijke compensaties minstens gedeeltelijk door in de prijs.

 

Mijnheer de minister, hoe kan de regering volhouden dat de procedure eerlijk en transparant verloopt als zij overweegt om het niet-reglementair voorstel van Frankrijk in overweging te nemen?

 

Hoe zult u vermijden dat de echte competitie er een wordt die vooral met economische compensaties wordt uitgevochten? Hoe zult u vermijden dat daardoor niet voor het beste toestel wordt gekozen qua prijs/kwaliteit?

 

De compensaties worden hoe dan ook sterk aan banden gelegd door Europa. Waarom hebt u niet afgetoetst of u zich geen grotere juridische problemen op de hals haalt door op die manier compensaties te vragen?

 

Ook wil ik u naar een stand van zaken vragen. Sinds de vorige discussie daarover in het Parlement is er opnieuw enige tijd verstreken. Wil de regering met het dossier van de vervanging van de F-16's eigenlijk nog wel landen? De lopende procedure lijkt niet meer alle opties te dekken. Kunt u de stand van zaken gedetailleerd uiteenzetten?

 

09.03  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le 7 septembre dernier déjà, voici une éternité, la France avait proposé à la Belgique un partenariat approfondi en lieu et place d’une réponse à l’appel d’offres que vous aviez lancé pour l’achat off the shelf de 34 chasseurs bombardiers.

 

Bien que vous ayez considéré ici, au sein de cette commission, quelques jours plus tard, que cette offre n’était pas une réponse formelle au RfGP, et que dès lors, la France s’était mise en dehors de la compétition en cours, le 6 octobre dernier, le vice-premier ministre et ministre MR des Affaires étrangères Didier Reynders vous a demandé de continuer "à parler à tout le monde", c'est-à-dire de maintenir la France et le Rafale dans la compétition en cours.

 

La décision formelle du gouvernement quant à la réponse à apporter à la lettre de votre homologue française est depuis lors suspendue. Les points de vue MR et N-VA sur ce marché, devenu bien compliqué, semblent irréconciliables.

 

En conséquence, voici les quatre questions que je souhaite vous poser. Début octobre, une ou des nouvelles analyses juridiques des deux analyses juridiques existantes, celle de la Défense d’une part, et celle du cabinet Stibbe d’autre part, ont été commandées. Quelles sont les conclusions de ces nouvelles études juridiques d’études juridiques? Quels sont les risques juridiques et financiers décelés par ces études, et les risques potentiels encourus par l'État dans l’hypothèse où il choisirait l’offre française au lieu de poursuivre le RfGP actuel?

 

Par ailleurs, le premier ministre et le ministre des Affaires étrangères vous ont-ils demandé d’annuler la procédure de marché public entamée par l’édition du RfGP?

 

Avez-vous des contacts formels ou informels avec votre homologue française, Mme Parly, entre-temps devenue l’auteure d’une carte blanche publiée dans la presse belge? Quand avez-vous répondu à son courrier ou quand comptez-vous le faire?

 

Enfin, quand la décision du Conseil des ministres interviendra-t-elle à ce sujet? Prendrez-vous une décision formelle avant la date butoir que représente l’étape suivante dans le déroulement prévu par le RFGP, en février ou avant?

 

09.04 Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, geachte heren, mijnheer Top, in verband met uw vraag over het benodigde aantal toestellen verwijs ik naar het verslag van de hoorzitting met kolonel Van Pee in deze commissie op 24 februari 2016. U vindt dat terug in document 54/1782/001 op pagina 31 en volgende. De methodiek om tot 34 toestellen te komen werd daar uitvoerig behandeld. Ik herhaal het nogmaals. Indien het Parlement vraagt aan het Rekenhof om bepaalde studies uit te voeren in het kader van de vervanging van de F-16's, zullen mijn diensten en de Defensiestaf alle nodige medewerking verlenen. Ik herinner u trouwens aan het feit dat Defensie op eigen initiatief de volledige evaluatiemethodiek ter inzage aan het Rekenhof heeft aangeboden en dit nog vooraleer de staf op 7 september 2017 de initiële offertes ontving.

 

U vraagt mij om een evaluatie te maken van de tussenkomst van de Nederlandse Rekenkamer over het verloop van het Nederlandse vervangingsprogramma. Vooreerst, het Neder­landse en Belgische programma verschillen wezenlijk van opzet, zowel op het vlak van het programma als van de tijdlijn. De Nederlanders zijn mee in een ontwikkelingsprogramma gestapt, terwijl wij voor een off-the-shelfaankoop met meerdere kandidaten gaan. De Nederlanders zullen reeds over een paar jaar hun laatste vliegtuig geleverd krijgen, terwijl voor ons elke levering, van welk toestel dan ook, pas over dertien jaar afgerond zou zijn. Het lijkt mij bijgevolg niet alleen niet opportuun maar bovendien weinig relevant om commentaar te geven bij de bevindingen van de Nederlandse Rekenkamer.

 

U vraagt dan verder wanneer ik plan om het Rekenhof in te schakelen om de financiële impact van de vervanging te regelen. Mijnheer Top, ik heb de evaluatieprocedure aangeboden aan het Rekenhof en het Rekenhof heeft gezegd dat het niet bevoegd is. Het is niet aan mij als vertegenwoordiger van de uitvoerende macht om uit te maken wanneer een orgaan dat afhangt van de wetgevende macht al dan niet ingeschakeld wordt.

 

Ik herhaal, als de Kamer van volks­vertegenwoordigers de opdracht geeft aan het Rekenhof om een onderzoek in te stellen, dan zullen wij daaraan, zoals wij dit steeds doen, volledig transparant en welwillend meewerken.

 

Inzake de vragen over de compensaties die de verschillende kandidaten aanbieden, wil ik u eraan herinneren dat wij geen compensaties opleggen, want dat zou inderdaad in strijd zijn met de Europese regelgeving. Zij die de vrees hebben dat alleen op het vlak van compensaties beslist zou worden, wil ik er trouwens nogmaals aan herinneren dat er een duidelijke puntentelling beschreven is in de RfGP, die transparant beschikbaar is op mijn webstek.

 

Wij bieden de kandidaten uiteraard wel de mogelijkheid om maatregelen voor te stellen die onze essentiële veiligheidsbelangen kunnen helpen vrijwaren. Maatregelen ter bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen zullen in de meeste gevallen inderdaad op relatief korte termijn leiden tot economische en industriële activiteiten, maar die laatste kunnen geen doel op zich zijn.

 

U zult begrijpen dat ik mij in deze fase niet kan en vooral ook niet wil uitlaten over concrete voorstellen ter zake, al was het maar omdat alleen het programmabureau op de Defensiestaf en de bevoegde diensten van de FOD Economie over die informatie beschikken. De onderhandelingen ter voorbereiding van het BAFO, dat wij op 14 februari verwachten, zijn trouwens nog steeds aan de gang. Te gepasten tijde, zijnde na de ontvangst van het best and final offer, op 14 februari, zal een gemengde evaluatie­commissie van de Defensiestaf en de FOD Economie de voorstellen evalueren.

 

Na toewijzing van de opdracht of het afsluiten van een MoU is de FOD Economie bevoegd voor de opvolging van de voorstellen.

 

L'analyse juridique de la lettre française n'a toujours pas abouti. Le gouvernement prendra les décisions nécessaires en temps utile. Je n'ai personnellement eu aucun contact formel ou informel à ce sujet avec mon homologue française, Mme Parly.

 

Zoals u weet, heb ik vandaag twee verschillende juridische evaluaties die stellen dat wij best doorgaan met onze RfGP, zoals die werd opgestart. Ik noteer trouwens, mijnheer De Vriendt, dat u in uw vraagstelling eigenlijk aanraadt om door te gaan met mijn RfGP, waarvoor dank.

 

09.05  Alain Top (sp.a): Mijnheer de minister, eerst en vooral over uw opmerking over de compensaties en dat u daarover vandaag nog niets kunt zeggen. Dat is terecht! Ik kan mij erin vinden dat u daarover vandaag nog geen verdere uitleg kunt geven en dat dit nog verder moet worden uitgediept. U verwijst ook naar een gemengde staf van Defensie en Economie om dit dan uit te klaren.

 

Mijn vraag is in hoeverre wij de feiten niet achternahollen op het moment dat wij het Rekenhof hierbij betrekken. Ik wil dan ook inspelen op uw antwoord en erop wijzen dat dit vijgen na Pasen zullen zijn als de beslissing dan al genomen zal zijn. Wij moeten alle voorstellen immers goed en kritisch kunnen doornemen.

 

Ik heb ook nog geen duidelijk antwoord gehoord op de vraag of de derde aanbieder, zijnde de Fransen, al dan niet nog meespeelt. In de komende weken zullen hierop misschien nog de nodige antwoorden komen. Die vraag blijft bij mij nog steeds hangen.

 

Uw verwijst in uw antwoord naar de uitleg van kolonel Van Pee over de methodiek die hij gebruikte voor zijn cijfers.

 

Ik doe niets af aan de methodiek van kolonel Van Pee en misschien heeft hij wel honderd procent gelijk dat wij met 34 toestellen genoeg hebben. Dat geeft wel aan dat er verschillen zijn in de methodieken om tot de cijfers te komen. Nederland heeft blijkbaar 37 vliegtuigen nodig om dezelfde inzetbaarheid te halen, terwijl wij er maar 34 nodig hebben. Dat is een eerste punt.

 

Wij gaan er echter aan voorbij dat de Nederlanders er niet in slagen met het vooropgestelde budget 37 toestellen te kopen. Dat geeft aan dat, als wij die keuze zouden maken, wij mogelijk ook de 34 toestellen niet kunnen kopen met het geraamde budget. Daarom stel ik de vraag of die methodieken niet opnieuw moeten worden doorgenomen.

 

Ik blijf er dan ook op aandringen dat de wetgevende macht het Rekenhof in dezen zou inschakelen, als een waakhond maar ook als een instantie die transparante berekeningen kan maken voor de Kamerleden. U hebt gelijk dat het niet aan de uitvoerende macht is om dat te doen en ik blijf dan ook bij mijn vraag om het Rekenhof zo snel mogelijk hiervoor in te schakelen.

 

Om die reden zal ik ook een motie indienen waarin wordt gevraagd om transparant te communiceren betreffende de financiële gevolgen inzake het vervangingsdossier van de F-16 en over het ambitieniveau van de 34 gevechtsvliegtuigen, alsook om een signaal van bereidheid te geven om het Rekenhof te betrekken bij dit dossier.

 

09.06  Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u lijkt wel in een parallel universum te leven. Wij lezen allerlei punten van kritiek in de pers, zelfs van regeringspartijen die zich distantiëren van de zaak. De vervangingsprocedure van de F-16 is compleet in de soep gedraaid.

 

U antwoordt op onze vragen echter met een loutere herhaling van de formele procedure die is opgesteld en die wij allemaal al kennen, maar ondertussen is er een andere realiteit en zijn heel wat zaken helemaal niet meer zeker.

 

Onze eerste minister en Frans president Macron doen een onderonsje ten voordele van de Rafale.

 

Er is nu een kandidaat, Rafale, die eerst had afgehaakt maar via een andere weg terugkomt.

 

U hebt gelijk, het in overweging nemen van die Franse kandidaat zal, op de manier waarop dat nu verloopt, voor problemen zorgen. Het maakt de procedure er in elk geval niet transparanter op. Dat staat onomstotelijk vast.

 

Drie van de vijf kandidaten hebben afgehaakt. Er wordt gegoocheld met economische compen­saties. En inderdaad, er zijn essentiële veiligheidsbelangen. Maar die bedrijven hebben daar lak aan. Hun economische compensaties worden in de publieke opinie uitgesmeerd: zoveel jobs, zoveel investeringen.

 

Ik heb u indertijd ook gevraagd de essentiële veiligheidsbelangen af te toetsen bij de Europese Commissie. Uw vice-eersteminister, Jan Jambon, heeft toen op de radio gezegd dat dit gebeurd was. Uiteindelijk weten wij nu dat dit helemaal niet gebeurd is. Als wij zeer rekbaar omspringen met het begrip "essentiële veiligheidsbelangen" zullen wij natuurlijk juridisch in de problemen komen met de Europese Commissie.

 

De conclusie, mijnheer de minister, is: annuleer de hele procedure, en doe uw huiswerk opnieuw. Alles is immers compleet in de soep gedraaid.

 

Het beste bewijs daarvoor is dat u niet ingaat op al de vragen die wij u stellen. Wij hebben u geconfronteerd met alle zaken die wij in de pers lazen, ook van binnen de regering, en u antwoordt daar niet op. U herhaalt gewoon de formele procedure. Dat is het beste bewijs dat u leeft in een parallel universum en dat alles beter wordt stopgezet.

 

09.07  Benoit Hellings (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je constate que vous êtes dans le brouillard et, pour ce qui concerne des avions, c'est embêtant, même si ce sont des appareils de très haute technologie pouvant voler par temps de brouillard.

 

Il n'empêche que cela fait maintenant trois mois que la France a fait son offre et le gouvernement n'a toujours pas répondu à la lettre de la ministre française. Contrairement à ce que cela laisse sous-entendre, M. De Vriendt et moi-même sommes, depuis le début, contre ce marché ainsi que contre toutes ces offres. Il n'y a aucune ambiguïté en la matière.

 

Peut-être qu'une des façons de vous sortir des pressions exercées par la France et de celles de vos partenaires du MR serait de demander enfin cet avis à la Commission européenne. Vous pourriez lui demander comment appliquer de façon extrêmement claire la directive de 2009 en matière de marchés publics militaires et d'interdiction des compensations. Vous auriez ainsi in fine une réponse à donner à MM. Reynders et Michel, lesquels sont pressés par le président français, M. Macron. Cette réponse très claire ferait ressortir que les directives européennes en matière de concurrence sur les marchés militaires ne sont absolument pas respectées et que cette offre française, qui vient de nulle part, ne respecte pas le RfGP tel que vous l'avez choisi.

 

Dans ce marché vous n'avez plus que deux concurrents. Les effets juridiques et financiers sont énormes et la seule solution pour nous éviter des effets dommageables, sur plusieurs générations, est d'annuler le marché, ce que le RfGP vous permet de faire via son article 5.

 

De voorzitter: Ik geef nog even het woord terug aan de heer Top, die aangeeft dat hij nog iets belangrijks heeft vergeten te melden.

 

09.08  Alain Top (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ter aanvulling geef ik nog mee dat de interpellatie uiteraard voor de minister is bedoeld, maar ook dat ik in de Kamer opnieuw een voorstel van resolutie zal indienen met de vraag het Rekenhof bij de procedure te betrekken.

 

09.09 Minister Steven Vandeput: Mijnheer Top, uw interpellatie zal wel goed zijn voor de statistieken, als u een motie indient.

 

Ik begrijp echter niet hoe u iemand van de uitvoerende macht kunt aanmoedigen de wetgevende macht een beslissing te laten nemen. Dat is echter terzijde.

 

Wij hebben het even nagekeken, omdat nu opeens de Europese Commissie naar boven komt.

 

Er is effectief een informeel contact geweest. Feit is evenwel dat de Europese Commissie voor het dossier niet bevoegd is. Het gaat immers om defensiematerie.

 

Eerst werd gesteld dat het Rekenhof moest optreden en dat ik met het Rekenhof moest werken. Het verklaarde zich echter niet bevoegd om mijn dossier in ontvangst te nemen. Wij hebben daarna over het dossier de Europese Commissie gecontacteerd. Wij hebben daarop de formele bevestiging gekregen dat het niet mogelijk is omdat het over defensiematerie gaat en de Europese Commissie daarvoor niet bevoegd is.

 

Moties

Motions

 

De voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

 

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alain Top en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Alain Top

en het antwoord van de minister van Defensie, belast met de Ambtenarenzaken,

 

vraagt de minister van Defensie

- transparant te communiceren betreffende de financiële gevolgen voor ons land inzake het F-16 vervangingsdossier;

- transparant te communiceren inzake het haalbare ambitieniveau met 34 gevechts­vliegtuigen;

- een signaal van bereidheid tot betrekken van het Rekenhof in dit dossier te willen geven."

 

Une motion de recommandation a été déposée par M. Alain Top et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l’interpellation de M. Alain Top

et la réponse du ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique,

 

demande au ministre de la Défense

- de faire preuve de transparence quant aux conséquences financières du remplacement des F-16 pour notre pays;

- de faire preuve de transparence quant au niveau d’ambition réalisable avec 34 avions de combat;

- d’envoyer un signal indiquant qu’il est disposé à impliquer la Cour des comptes dans ce dossier."

 

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heren Peter Buysrogge en Jean-Jacques Flahaux.

Une motion pure et simple a été déposée par MM. Peter Buysrogge et Jean-Jacques Flahaux.

 

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

Mevrouw Jadin is afwezig en heeft niets laten weten, bijgevolg vervalt haar vraag nr. 22614.

 

10 Question de M. Paul-Olivier Delannois au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les casernes militaires à Tournai" (n° 22634)

10 Vraag van de heer Paul-Olivier Delannois aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de legerkazernes in Doornik" (nr. 22634)

 

10.01  Paul-Olivier Delannois (PS): Madame la présidente, monsieur le ministre, le 27 octobre 2017, sur votre compte Twitter, vous avez indiqué qu'aucune caserne militaire ne fermerait durant cette législature. Vos propos m'ont quelque peu, et très temporairement, rassuré étant donné que vous tentiez depuis plusieurs mois de finaliser un plan de "rationalisation" mettant clairement en danger les installations tournaisiennes.

 

Au-delà des débats budgétaires des semaines précédentes, depuis plusieurs mois, je vous interpelle dans cette commission pour défendre les quartiers militaires de Tournai. Dernier bastion militaire belge du Hainaut, Tournai joue un rôle important dans la formation des militaires.

 

La caserne Ruquoy, où siège l'état-major du Centre de compétences de la formation d'appui, accueille chaque année des milliers d'élèves pour la formation logistique. Il est également important de rappeler que les casernes tournaisiennes ont bénéficié d'investissements importants leur permettant d'accueillir les militaires et les élèves dans des infrastructures de qualité. Pour être précis, depuis 1996, ce sont près de 40 millions d'euros qui ont été investis dans les casernes Ruquoy et Saint-Jean.

 

Dès 2018, la Défense lancera un vaste plan de recrutement visant à rajeunir ses troupes. Il est question de recruter 1 570 personnes l'année prochaine et 2 100 les années suivantes, jusqu'en 2021. Concrètement, de très nombreux élèves devront être formés dans les années à venir et j'entrevois à travers cette perspective une réelle opportunité pour les installations militaires de Tournai.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous que dans les années à venir, la Défense va devoir former plus d'élèves qu'actuellement et qu'elle aura pleinement besoin de ses infrastructures? Avec 40 millions d'euros investis ces 20 dernières années dans les casernes, n'estimez-vous pas que Tournai a un rôle important à jouer dans la formation des jeunes recrues et donc dans l'avenir de la Défense?

 

10.02  Steven Vandeput, ministre: Madame la présidente, monsieur Delannois, lors de la dernière commission du 29 novembre 2017, en réponse à plusieurs questions orales, j'ai clairement expliqué et indiqué que je partais du principe qu'en dehors des casernes dont la fermeture avait déjà été précédemment décidée, aucune autre caserne ne fermera ses portes avant 2020.

 

10.03  Paul-Olivier Delannois (PS): Madame la présidente, j'ai le sentiment que chaque fois que j'interroge M. le ministre, je l'ennuie royalement. Ce n'est pas grave! Cela ne m'empêchera pas de continuer à le faire.

 

Je pose une question et je n'obtiens pas de réponse. Je commence à en avoir l'habitude. Je sais qu'il n'écoute même pas ma réplique.

 

Quoi qu'il en soit, je lui souhaite un joyeux Noël!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de Mme Julie Fernandez Fernandez au ministre de la Défense, chargé de la Fonction publique, sur "les aspects économiques et les emplois de la loi de programmation militaire des investissements pour la période 2016-2030" (n° 22704)

11 Vraag van mevrouw Julie Fernandez Fernandez aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de economische aspecten van de wet houdende de militaire programmering van investeringen voor de periode 2016-2030 en de jobs die ervan afhangen" (nr. 22704)

 

11.01  Julie Fernandez Fernandez (PS): Monsieur le ministre, nous avons gardé le meilleur pour la fin de l'année!

 

Le gouvernement a été fier de présenter une loi – symbolique, puisque non normative – de programmation militaire des investissements pour la période 2016-2030.

 

Force est de constater que, si ce gouvernement ne liquidera pas un euro sous cette législature à cet effet, les dossiers relatifs à la Défense se suivent rapidement, comme j’ai pu le constater ces derniers mois au sein de la commission des Achats et ventes de matériel militaire.

 

Lors d’une de mes précédentes questions au premier ministre, celui-ci m’a indiqué qu’au niveau des Régions, effectivement, le ministre de la Défense avait mené plusieurs réunions de concertation avec les représentants des entités fédérées sur la question des retours économiques. Cependant, j’ai appris à regret qu’il n’en serait rien. En effet, les Régions auraient simplement été informées de manière très générale et sans être impliquées par votre ministère, alors que mon groupe vous le demande depuis le début.

 

Quant au ministre de l’Économie – pourtant en charge des retours sociétaux –, il n’aurait pris aucun contact avec les entités fédérés et n’aurait formulé aucune stratégie en la matière, en dépit de l'inscription à l’ordre du jour de cette question par la Région de Bruxelles-Capitale en Comité de concertation.

 

Quelle que soit la nature – Air, Terre ou Mer – des investissements colossaux prévus, tout semble nous indiquer que les intérêts industriels, ainsi que de recherche et développement académiques, et, surtout, les emplois dans nos trois Régions semblent éloignés des préoccupations de ce gouvernement.

 

S’il est essentiel de respecter les réglementations européennes en ce domaine et d’assurer la plus grande transparence, la Défense représente l’un des derniers leviers concrets d’investissement du pouvoir fédéral. Il est dès lors incompréhensible pour mon groupe d’assister à tant de torpeur au détriment des intérêts de nos industries de sécurité et de Défense. Celles-ci sont, nous le savons, essentiellement présentes dans le sud du pays et offrent plusieurs aspects stratégiques.

 

J’aimerais dès lors, monsieur le ministre, vous poser les questions suivantes, qui auraient aussi pu être jointes à d'autres que certains collègues ont déjà posées.

 

Comment expliquez-vous qu'à ce stade, il n'y ait toujours pas eu de concertation avec les entités fédérées et les entreprises belges concernées dans le cadre de l'exécution de la loi de programmation militaire adoptée par ce gouvernement?

 

Pouvez-vous nous faire le point sur l'avancée des dossiers repris dans la loi de programmation militaire qui ont déjà été initiés par le gouvernement et qui sont déjà passés en commission des Achats et ventes de matériel militaire?

 

Comment expliquez-vous que les intérêts industriels belges pèsent si peu dans les dossiers déjà initiés par ce gouvernement, tant au niveau de la composante Air avec les avions de combat que de la composante Terre avec les véhicules de combat motorisés?

 

11.02  Steven Vandeput, ministre: Madame la présidente, madame Fernandez Fernandez, il est clair que ce domaine n'est pas de la compétence de la Défense, mais de l'Économie, et que les leviers dont dispose la Défense sont limités. De plus, les directives européennes ne permettent pas de favoriser notre propre économie. 

 

Néanmoins, il y a déjà eu plusieurs rencontres entre mon cabinet et les cabinets des ministres-présidents et des ministres régionaux concernés. En outre, il y a eu déjà maintes réunions avec les organisations sectorielles de l'industrie.

 

En octobre 2016, le Conseil des ministres a pris une décision sur l'application des intérêts essentiels de sécurité qui découlent de l'article 346 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne. Nous travaillons surtout sur base de cette décision afin d'optimiser le retour sociétal pour la Belgique, la Wallonie, la Flandre et Bruxelles.

 

Actuellement, seuls quatre dossiers ont été soumis à la commission des Achats militaires: le remplacement des F‑16, les véhicules pour la composante Terre, le ravitailleur MRTT et le matériel de simulation et de tir. Des contrats sont attendus avant l'été 2018. Tant qu'il n'y a pas de contrat, il est difficile de dire quel sera le retour sociétal pour la Belgique. 

 

11.03  Julie Fernandez Fernandez (PS): Monsieur le ministre, je sais que vous vous voulez rassurant mais il me semble que mon collègue M. Flahaux a posé une question relative à ce sujet dans laquelle transparaît son inquiétude quant aux retours sociétaux dans le cas de l'achat des frégates. L'inquiétude est présente dans mon groupe et dans l'opposition, mais pas seulement.

 

Vous nous parlez de contrats qui devraient être signés avant l'été 2018 justifiant qu'il est difficile d'évaluer les retours sociétaux avant ladite signature. Je suis d'accord. Mais je vous présente le problème autrement en vous demandant de vous intéresser aux retours sociétaux avant de passer les contrats parce qu'en termes d'emploi et d'économie, c'est important.

 

J'entends bien que vous n'avez pas de toutes les cartes en mains, raison pour laquelle je déposerai une question à l'attention de vos collègues. Mais je voudrais aussi vous signaler que cela fait des mois que les entités fédérées n'ont pas été consultées à ce sujet. Au-delà des différents leviers que vous dites ne pas pouvoir soulever et des normes européennes, je suis inquiète car j'ai l'intime conviction qu'il y a un manque de volonté, de la part de ce gouvernement, de votre part et de celle d'autres membres de ce gouvernement, d'avoir des retours sociétaux, en tout cas pour le Sud de ce pays directement concerné par au moins deux marchés sur les quatre que vous venez de citer, à savoir les F-16 et les véhicules de la composante Terre.

 

Je ne manquerai pas d'interroger vos collègues et de revenir avec des questions tout en vous souhaitant de bonnes fêtes de fin d'année et, à titre personnel, à vous et à vos collaborateurs ainsi qu'à Mme la présidente, le meilleur.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mevrouw Fernandez Fernandez, ik wens u ook fijne feestdagen.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.09 uur.

La réunion publique de commission est levée à 12.09 heures.