Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Dinsdag 6 februari 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 6 février 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen en interpellaties vangt aan om 14.52 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions et interpellations commence à 14.52 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

De voorzitter: Mevrouw Capoen heeft gevraagd haar vraag nr. 22519 om te zetten in een schriftelijke vraag. Vraag nr.. 21720 van de heer Vanvelthoven is ingetrokken.

 

Vraag nr. 22618 van mevrouw Jadin werd reeds behandeld.

 

Mevrouw Lahaye-Battheu komt straks. Wij stellen punt 6 van onze agenda nog even uit. De heer Terwingen wiens vraag nr. 22868 daaraan is gekoppeld, komt niet, hoor ik.

 

01 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime TVA applicable au don à des personnes démunies" (n° 23199)

01 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-stelsel voor giften aan behoeftige personen" (nr. 23199)

 

01.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, lorsqu'un assujetti prélève un bien de son entreprise pour le transmettre à titre gratuit, cette opération est, conformément à l'article 12 du Code de la TVA, assimilée à une livraison effectuée à titre onéreux et taxable, lorsque ces biens ou les éléments qui les composent ont ouvert un droit à une déduction complète ou partielle de la taxe en amont. Lorsqu'un assujetti distribue gratuitement des excédents alimentaires à des personnes nécessiteuses, cette opération est assimilée à une livraison effectuée à titre onéreux, du moins si ce don ne peut être considéré comme un cadeau commercial de faible valeur.

 

Votre administration admet toutefois que la perception de la TVA soit abandonnée pour les prélèvements effectués par les assujettis qui cèdent gratuitement des denrées alimentaires invendables aux banques alimentaires reconnues par l'autorité, en vue de leur distribution à titre gratuit, exclusivement aux personnes nécessiteuses en Belgique. Pouvez-vous m'indiquer quel régime TVA est applicable à la situation suivante? Une ASBL sociale, assujettie à la TVA, achète des denrées périssables, et d'autres biens non périssables, dans le but de les offrir à des personnes sans domicile fixe (SDF), à l'occasion des fêtes de fin d'année ou à d'autres occasions.

 

01.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, lorsqu'un assujetti disposant d'un droit à une déduction cède gratuitement des biens périssables ou non, cette opération est en principe assimilée à une livraison assimilée à une livraison imposable. Toutefois, sous certaines conditions, l'administration a consenti à ne pas exiger l'application de la TVA, lorsque certains assujettis disposant d'un droit à déduction cèdent gratuitement certains produits alimentaires destinés aux personnes nécessiteuses.

 

La situation que vous évoquez est à distinguer de celles visées par les deux décisions précitées concernant des assujettis disposant d'un droit à déduction. Lorsqu'une ASBL sociale achète des biens en vue de les offrir à des SDF, elle ne dispose d'aucun droit à déduction de la TVA de ceux-ci, même si elle est assujettie à la TVA. Par conséquent, lorsqu'elle cède gratuitement lesdits biens à ces mêmes personnes, l'article 12, § 1er  2° du Code de la TVA ne s'applique pas. Dans ce cas, ce don n'est pas soumis à la TVA.

 

01.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, c'est parfait, c'est la réponse que j'attendais, je vous en remercie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Ik stel voor om nu de heer Klaps het woord te geven voor zijn vraag nr. 23291 over de split bill en de voordelen van allerlei aard, aangezien hij nog naar de commissie voor het Bedrijfsleven moet. Mijnheer Van Biesen, u hebt nog andere vragen en blijft dus nog aanwezig. Het is niet mijn bedoeling u te discrimineren maar ditmaal wil ik de N-VA laten voorgaan, wat niet dikwijls gebeurt.

 

02 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "split-bill en voordelen van alle aard" (nr. 23291)

02 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le split billing et les avantages de toute nature" (n° 23291)

 

02.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de regelgeving over de tarieven voor de aanrekening van een voordeel in natura is sinds 1 januari 2018 gewijzigd. Het gaat om het koninklijk besluit van 2 november 2017 tot wijziging van het WIB92 inzake voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde pc, tablet, internetaansluiting, abonnement voor vaste of mobiele telefoon, waarvan heel wat werknemers gebruikmaken, en die door hun werkgever worden aangeboden.

 

De regelgeving is duidelijk voor medewerkers die een smartphone met een abonnement voor telefonie en data voor onbeperkt gebruik van de werkgever ter beschikking krijgen.

 

De regelgeving tot bepaling van het voordeel zorgt echter voor een onduidelijkheid, wanneer een abonnement niet onbeperkt ten laste van een werkgever valt of, met andere woorden, wanneer het privégebruik via een afzonderlijke en rechtstreekse facturatie ten laste van de werknemer valt, wat in de praktijk de split bill wordt genoemd.

 

Via het volgend concreet voorbeeld wil ik een en ander duidelijk maken. Stel dat medewerkers die een smartphone voor professioneel gebruik ter beschikking hebben, er ook kunnen voor opteren om het toestel op eigen kosten en mits rechtstreekse facturatie voor privédoeleinden te gebruiken onder de hiernavolgende voorwaarden. Voor telefonie stelt de werkgever een abonnement ter beschikking waarop een zogenaamde split-billregeling van toepassing is. Een medewerker krijgt bijvoorbeeld 6,50 euro belwaarde ter beschikking. Die 6,50 euro is een realistische, gemiddelde inschatting van het werkelijk professioneel gebruik. Wanneer het verbruik dat bedrag overstijgt, zal de werknemer zelf bijbetalen. De provider stuurt hem daarvoor rechtstreeks maandelijks een factuur.

Voor mobiel internet stelt de werkgever via de provider standaard 1,5 gigabyte per maand ter beschikking. Ook deze 1,5 gigabyte is een realistische, gemiddelde inschatting van het werkelijk professioneel gebruik. Bij meerverbruik zal ook hier de werknemer zelf bijleggen en daarvoor door de provider rechtstreeks worden gefactureerd.

 

Wanneer een werknemer kan aantonen dat zijn professioneel gebruik hoger ligt dan zowel telefonie als data, zal het aandeel van de werkgever worden aangepast. Wat de werkgever ter beschikking stelt, ligt dus steeds in de lijn met wat voor professioneel gebruik nodig is.

 

Omdat er in de praktijk onduidelijkheid is over de concrete toepassing van de nieuwe forfaitaire voordelen van alle aard, heb ik de volgende vragen.

 

Mijnheer de minister, bent u het ermee eens dat de geest van de wetgeving voor ogen heeft om enkel in geval van een privévoordeel dat gedragen wordt door de werkgever, de tarifering van een voordeel in natura toe te passen? Met andere woorden, in geval van een rechtstreekse facturatie door de provider aan de werknemer van het privégebruik, is er geen belastbaar voordeel voorhanden.

 

Ten tweede, bent u het eens met de stelling dat er in het voorliggende geval ook geen belastbaar voordeel voor het toestel moet worden weerhouden gelet op het feit dat er geen privégebruik meer ten laste is van de werkgever?

 

Ten derde, hoe moet in voorkomend geval de grens worden bepaald waarboven er sowieso sprake is van privégebruik?

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, wat de voordelen van alle aard voor smartphones betreft werden er regels ingesteld om deze op een vast bedrag te ramen. Er is daarbij een afzonderlijke forfaitaire waardering vastgelegd voor respectievelijk het toestel, het telefoonabonnement en de internetaansluiting. Die regels zijn van toepassing zodra een toestel met een telefoonabonnement of een internetaansluiting ter beschikking wordt gesteld en de gebruiker dat, hoe miniem ook, voor persoonlijke doeleinden gebruikt. De mate van het persoonlijk gebruik is dus op zich niet relevant.

 

Wanneer evenwel het daadwerkelijke en volledige persoonlijke gebruik van het telefoonabonnement en de internetaansluiting rechtstreeks door de provider aan de gebruiker wordt gefactureerd in plaats van aan de werkgever, de zogenaamde split bill, is er geen reden om nog een voordeel van alle aard te belasten. Omdat in het voornoemde geval geen privégebruik van de smartphone meer ten laste is van de werkgever kan ik er dus mee akkoord gaan dat er in zo'n geval ook geen belastbaar voordeel voor dat toestel meer moet worden weerhouden.

 

Het voorgaande impliceert uiteraard wel dat het grensbedrag dat gehanteerd wordt, namelijk het bedrag waarboven elk gebruik geacht wordt privégebruik te zijn, is vastgesteld overeenkomstig ernstige normen en criteria en derhalve overeenstemt met de werkelijkheid. Om oneigenlijk gebruik te vermijden dient bovendien benadrukt te worden dat voornoemde regeling in geval van split bill alleen van toepassing kan zijn voor gsm's en smartphones en niet voor om het even welk ander privé belastbaar voordeel.

 

02.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer duidelijk en concreet antwoord dat veel discussie zal vermijden. Ik ben dan ook blij dat de geest van de wet wordt toegepast en dat met andere woorden mensen niet belast zullen worden op dingen die zij zelf al betalen. Ik meen dat dit voor zeer veel werknemers goed nieuws is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de AOW-uitkering voor Nederlanders in België" (nr. 22746)

- de heer Raf Terwingen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belasting op het aanvullend pensioen in België en Nederland" (nr. 22868)

03 Questions jointes de

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'allocation AOW pour les Néerlandais vivant en Belgique" (n° 22746)

- M. Raf Terwingen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt sur la pension complémentaire en Belgique et aux Pays-Bas" (n° 22868)

 

03.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ingevolge de Europese verordening 883/2004, die sinds 1 mei 2010 van kracht is, mag ieder EU-land een eigen sociaal stelsel vastleggen, maar moet elke lidstaat wel de sociale stelsels van een andere lidstaat respecteren. In Nederland wordt het recht op AOW of algemene ouderdomswet verworven op grond van het ingezetenenschap, zoals dat daar heet. Inwoners van België die afkomstig zijn uit Nederland en een AOW-uitkering genieten, worden in België nochtans wel onderworpen aan de personenbelasting. Nu heeft het Hof van Cassatie, als hoogste rechter, vorig jaar beslist dat voor degenen die nooit in Nederland hebben gewerkt, geen personenbelasting kan worden geheven op het  AOW-inkomen.

 

Ten eerste, erkent u dat het recht op een dergelijke uitkering, die door iedere ingezetene van Nederland wordt verworven op grond van zijn ingezetenenschap, geen enkel verband houdt met een beroepsactiviteit?

 

Ten tweede, waarom heeft de Belgische Staat altijd personenbelasting geheven op dat inkomen? Is dat niet onrechtmatig?

 

Ten derde, waarom hebt u gewacht op de uitspraak van het Hof van Cassatie?

 

Ten vierde, komt er nog een wetswijziging?

 

Ten vijfde, kan er voorzien worden in enige vorm van tegemoetkoming voor degenen bij wie ten onrechte personenbelasting werd geheven?

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Lahaye-Battheu, het is vooreerst van belang te onderstrepen dat het recht op een AOW-uitkering niet enkel wordt opgebouwd op grond van het inwonerschap van Nederland, maar ook op grond van in Nederland uitgeoefende beroepswerkzaamheid. Dat Nederlandse ingezetenen die nooit een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend, aanspraak kunnen maken op een AOW-uitkering, heeft niet tot gevolg dat er voor hen die wel een beroepswerkzaamheid in Nederland hebben uitgeoefend, geen verband zou bestaan tussen de beroepswerkzaamheid en de AOW-uitkering. Dat blijkt uit eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie. Zodra er sprake is geweest van een beroepswerkzaamheid in Nederland, naar aanleiding waarvan premies werden afgedragen ter financiering van het AOW-stelsel, bestaat er een voldoende band tussen de AOW-uitkeringen en de beroepswerkzaamheid om die volledige uitkeringen interrechtelijk als een pensioen te belasten.

 

Het arrest van 5 mei 2017 van het Hof van Cassatie beperkte die belastbaarheid echter door te stellen dat een AOW-uitkering alleen als een pensioen kan worden belast, indien en in de mate dat er in de periode opbouw van de AOW een beroepswerkzaamheid in Nederland was.

 

Dat gaat in tegen de afspraken die België en Nederland hebben gemaakt bij het sluiten van het verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en zou bovendien discriminerend zijn ten opzichte van de Belgische wettelijke pensioenen.

 

Het Parlement heeft eind 2017 unaniem een wetswijziging aangenomen waarbij pensioenen die geen verband houden met een beroepswerkzaamheid maar uitgekeerd worden in het kader van een sociale beschermingsregeling expliciet belastbaar worden gesteld. Die wijziging is van toepassing op de pensioenen die vanaf 1 januari 2017 worden betaald of toegekend.

 

Voor de AOW-uitkeringen die tot en met 31 december 2016 zijn betaald of toegekend, zal de administratie het arrest van 5 mei 2017 van het Hof van Cassatie volgen. De belastingplichtigen die menen onterecht belast te zijn op hun AOW-uitkering, kunnen gebruikmaken van de administratieve beroepsmogelijkheden.

 

Wat de belasting van aanvullende pensioenen uit Nederland betreft, kan gemeld worden dat mijn administratie op de hoogte is van de actie van de Nederlandse administratie. De Nederlandse administratie stelt echter onterecht dat de bepalingen van het dubbelbelastingverdrag in België niet correct toegepast zouden worden. De betreffende pensioenen zijn in principe immers op basis van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag in België belastbaar en worden hier ook belast. In een aantal gevallen heeft de rechtbank geoordeeld dat die pensioenen op basis van de interne Belgische wetgeving niet of slechts gedeeltelijk in België belast kunnen worden. De administratie volgt die rechtspraak echter niet. Bijgevolg blijft de administratie die pensioenen volledig in België belasten.

 

Het is mijns inziens dan ook onterecht dat de Nederlandse administratie de pensioenen wil belasten, daar de heffingsbevoegdheid voor die pensioenen aan België toekomt en de administratie de heffingsbevoegdheid ook effectief uitoefent.

 

Om klaarheid te verkrijgen, zal ik dan ook op korte termijn contact opnemen met mijn Nederlandse ambtgenoot. België en Nederland voeren op het moment trouwens onderhandelingen over de aanpassing van het dubbelbelastingverdrag. Het pensioenartikel is daarbij zeker een onderwerp van discussie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- M. Gautier Calomne au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "l'arrondissement obligatoire des prix" (n° 23176)

- M. Werner Janssen au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les prix arrondis" (n° 23225)

04 Samengevoegde vragen van

- de heer Gautier Calomne aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de verplichte afronding van de prijzen" (nr. 23176)

- de heer Werner Janssen aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "het afronden van prijzen" (nr. 23225)

 

04.01  Gautier Calomne (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, selon les résultats d'une étude du Syndicat Neutre pour Indépendants (SNI), il apparaît que 29 % des petits commerçants arrondissent le ticket de caisse ou les prix en rayon à un multiple de 5 centimes. En outre, plus de 83 % d'entre eux souhaiteraient rendre ce changement obligatoire. Or, depuis plus de trois ans maintenant, les commerçants peuvent modifier les paiements en espèces. Ainsi, lorsque le prix se termine par 1, 2, 6 ou 7 centimes, celui-ci peut être revu à la baisse. Le processus est inversé, à la hausse, lorsque le prix total est ponctué à la dernière décimale par 3, 4, 8 ou 9 centimes. Ces règles valent également pour les paiements électroniques depuis l'année 2016. Nous avions d'ailleurs abordé ce sujet en réunion de la commission de l'Économie, avec votre collègue, le vice-premier ministre Kris Peeters.

 

Selon ledit organisme, cette formule présenterait un double avantage, à savoir, d'une part, l'absence de toute discussion avec les consommateurs à la caisse et, d'autre part, une réduction des charges administratives ainsi que des coûts lors de la réception et du retour des pièces de 1 et 2 centimes. Je cite à ce propos un responsable du SNI, interrogé dans la presse: "Nous allons transmettre les conclusions de cette étude au ministre fédéral de l'Économie, M. Peeters, et au ministre fédéral des Indépendants et des PME, M. Ducarme. Rendre l'arrondi à 0 ou 5 centimes obligatoire serait bénéfique pour tout le monde. D'une part, pour le commerçant, car tous arrondiront les prix et, d'autre part, pour le consommateur, qui saura clairement ce qu'il se passera à la caisse, mais aussi pour l'État belge, qui épargnerait des millions car les pièces de 1 et 2 centimes ne devraient plus être frappées."

 

Monsieur le ministre, j'avais initialement adressé ma question au vice-premier ministre Kris Peeters, mais elle a été renvoyée à cette réunion de commission. Avez-vous pu prendre connaissance des résultats de cette étude transmise à vos collègues, ministres de l'Économie et des Indépendants? Partagez-vous le souci évoqué par le SNI par rapport à l'arrondi obligatoire? Enfin, une réflexion prospective est-elle ouverte, en synergie avec vos autres collègues chargés de ce dossier?

 

04.02  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit een enquête van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen blijkt dat 8 op 10 kleinhandelaars voorstander is van een verplichte afronding van de prijzen naar 0 of 5 eurocent.

 

Sinds 2014 kunnen handelaars ervoor kiezen om af te ronden. Het rapport van het NSZ toont aan dat op dit moment 29% van de kleinhandelaars de afrondingsregels toepast, maar dat veel handelaars nog steeds vrezen dat de consument dit niet apprecieert en om die reden een concurrent zou bezoeken.

 

Een verplichte afronding naar 0 of 5 eurocent, afhankelijk van de prijs van het product, zou volgens het NSZ duidelijkheid creëren voor zowel de consument als de handelaar. Bovendien zou het niet langer maken van de 1 en 2 eurocenten een besparing kunnen opleveren voor de overheid.

 

De vraag tot afronden is uiteraard niet nieuw en wordt ook in andere lidstaten van de eurozone gesteld. In Nederland wordt net zoals in ons land gewerkt met de keuzemogelijkheid voor de handelaar.

 

Mijnheer de minister, ik heb dan ook de volgende vragen. Ten eerste, hoe staat u tegenover een verplichte afronding van de prijzen naar 0 of 5 eurocent? Hebt u hierover eventueel overleg met uw collega-ministers Durcarme en Peeters? Hebt u zicht op het standpunt van de Europese Unie en andere lidstaten hieromtrent?

 

04.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Messieurs Calomne et Janssen, il ressort de l'étude publiée par le Syndicat Neutre pour Indépendants, que 83 % des petits commerçants sont convaincus de la nécessité d'arrondir les prix à 0 ou 5 centimes. Comme la mesure serait généralisée, elle serait plus claire pour les clients. De la sorte, cela mettrait un terme aux discussions inutiles.

 

De ontevredenheid bij de Belgische consument is voornamelijk toe te schrijven aan de zeer geringe bruikbaarheid van de muntstukken van 1 en 2 eurocent.

 

Pour le moment, l'étude constate que seuls 29 % des petits commerçants appliquent cette règle, souvent par crainte d'une réaction de leur clientèle.

 

Het gebruik van de muntstukken van 1 en 2 eurocent zorgt voor een aantal problemen, zowel bij de handelaars als bij de banken. De kosten voor het sorteren en tellen van deze stukken en voor het transport van en naar de banken zijn heel hoog in vergelijking met hun nominale waarde. De behandeling van deze stukken kan bovendien de wachttijden aan de kassa aanzienlijk verhogen.

 

Voor de Staatskas brengen deze muntstukken eveneens aanzienlijke kosten met zich mee, want de productiekosten voor een stuk van 1 of 2 eurocent liggen soms – ik denk zelfs meestal – hoger dan de nominale waarde ervan.

 

La solution appliquée en Belgique consiste à décourager l'usage des pièces de 1 et 2 centimes. Actuellement, chaque commerçant est libre d'appliquer ou non la règle de l'arrondi.

 

Une évaluation de la législation en vigueur est en cours. L'arrondi obligatoire fait partie des sujets discutés au sein du gouvernement. Le ministre de l'Économie et moi-même tenons les rênes de ce dossier.

 

De Europese Commissie is zich bewust van het kostenprobleem verbonden aan de muntstukken en van het ongenoegen van de bevolking in een aantal landen.

 

Toutefois, à la différence des billets, les pièces en euro relèvent de la compétence des autorités nationales et ne ressortissent ni à la Banque centrale européenne ni à la Commission européenne. L'usage des pièces de 1 et 2 centimes à l'intérieur de chaque État membre peut être limité par l'introduction d'une loi d'arrondi.

 

La finalité de la règle de l'arrondi symétrique consiste en la diminution de l'utilisation desdites pièces en les rendant superflues, mais elle ne remet pas en cause leur cours légal, dans la mesure où elles continuent d'être acceptées comme moyen de paiement.

 

In Finland en Nederland rondt men al enige tijd symmetrisch af.

 

En Finlande, cette règle a été introduite par une loi adoptée en 2002, qui dispose que les paiements en euro effectués en espèces doivent être arrondis symétriquement au plus proche multiple de 5 cents. Cette règle a été étendue à d'autres instruments de paiement comptant. Dans la pratique, elle ne s'applique qu'aux paiements en argent liquide.

 

In Nederland trad de symmetrische afronding van de betalingen in werking op 1 september 2004. De regel van de symmetrische afronding is dezelfde als in Finland, maar is uitsluitend van toepassing op betalingen in contanten.

 

De toepassing van de afronding door handelaren is niet verplicht, maar de overgrote meerderheid kiest ervoor. Als zij ervoor kiezen, moeten zij hun klanten daarvan op de hoogte brengen door op het uitstalraam van hun winkel en op hun kassa een sticker dienaangaand te kleven.

 

Enfin, d'autres pays européens ont décidé de renoncer aux pièces de 1 et 2 centimes ou d'en réduire le nombre. Je pense notamment à l'Irlande, au Danemark, à la Suède, à la Hongrie, à l'Estonie et à l'Italie.

 

Leur coût de production plus élevé que leur valeur faciale constitue un facteur primordial dans la prise de toutes ces décisions.

 

04.04  Gautier Calomne (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

Comme vous l'avez indiqué, une évaluation est actuellement en cours et nous l'examinerons attentivement avant de vous réinterroger.

 

Je note, qu'à l'instar d'autres pays européens, en plus des désagréments et des difficultés pour les commerçants et les utilisateurs, l'État doit faire face à un coût pour la production de cette monnaie, coût supérieur en termes de valeur nominale. Il y aurait donc lieu de progresser dans cette matière, comme l'ont déjà fait d'autres partenaires de l'Union européenne.

 

04.05  Werner Janssen (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor het duidelijke en uitgebreide antwoord.

 

We stellen vast dat heel wat landen in Europa hun eigen regels hanteren. Ik pleit voor dezelfde regels in heel Europa. Een afronding naar 0 en 5 cent lijkt mij erg gemakkelijk.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23148 van de heer Van der Maelen wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De samengevoegde vragen nr. 23201 en 23224 van mevrouw Galant worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

05 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de aftrek van beroepskosten in de vennootschapsbelasting" (nr. 23240)

05 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la déduction des frais professionnels dans l'impôt des sociétés" (n° 23240)

 

05.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het zijn mijn eerste twee vragen ter verduidelijking van de hervorming van de vennootschapsbelastingen, die wij hebben doorgevoerd. Wij hadden uiteraard alle mogelijkheid onze vragen tijdens de besprekingen te stellen. Wij zullen dat nu echter via parlementaire weg en vraag moeten doen.

 

Mijn eerste vraag daaromtrent gaat over de aftrek van beroepskosten, voornamelijk over het feit dat in de wet van 25 december 2017 en het nieuwe artikel 1958, 1°, het volgende staat: “De kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbaar tijdperk en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, zijn slechts als beroepskosten aftrekbaar in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk.”

 

Dat is voornamelijk, om de mogelijkheid te vermijden dat heel wat kosten worden geprovisioneerd, om in de toekomst van een verlaagd vennootschapstarief te kunnen genieten.

 

Niettemin gaat een aantal kostenstructuren over verschillende periodes.

 

Bijvoorbeeld, bij extralegale pensioenen kan in een back service worden voorzien. Dat houdt bepaalde parameters uit het verleden in, zoals het aantal jaar dat in aanmerking zal worden genomen, om de omvang van de verzekerde prestaties te bepalen en een verhoging van de bezoldiging, waardoor vroegere stortingen ontoereikend blijken, met een bijkomende premie tot gevolg.

 

Indien de bijkomende premie, ontstaan door de toekenning van een back service, in één maal wordt betaald, kan de vennootschap dat bedrag geheel als beroepskosten in het jaar van de betaling in mindering brengen. Immers, die kosten behoren niet tot de categorie kosten die geheel of gedeeltelijk op een toekomstig belastbaar tijdperk betrekking hebben.

 

Volgt de minister die zienswijze?

 

05.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, het antwoord is kort en krachtig: ja.

 

05.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dat is al één op tien. Ik zal immers tien vragen stellen en hoop tien keer ja als antwoord te krijgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de speciale bijdrage indien er onvoldoende bezoldiging aan één bedrijfsleider-natuurlijk persoon wordt uitgekeerd" (nr. 23241)

06 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la cotisation spéciale en cas d'insuffisance de rémunération allouée à un dirigeant personne physique" (n° 23241)

 

06.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijnheer de minister, mijn volgende vraag handelt over de discussie die wij hier met de UCM hebben gevoerd over de bepaling van de 45 000 euro minimumbezoldiging.

 

Ik zou graag aan de hand van een concreet voorbeeld de juiste zienswijze en interpretatie kennen. Deze vraag, ik geef dat eerlijk toe, wordt gesteld namens de diverse federaties van accountants en fiscalisten. Het is een vraag om verduidelijking, om via parlementaire weg zekerheid te hebben.

 

Door de wet van 25 december 2015 inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting werd een nieuw artikel ingevoerd dat duidelijk zegt dat de minimale bezoldiging 45 000 euro moet zijn. Indien de bezoldiging echter minder bedraagt dan 45 000 euro, moet de minimale bezoldiging minstens gelijk zijn aan het resultaat van het belastbare tijdperk. Het is niet volledig duidelijk hoe de bezoldiging moet berekend worden die, indien ze minder dan 45 000 bedraagt, minimaal dient uitgekeerd te worden.

 

Stel, er is een resultaat van een belastbaar tijdperk, voor aftrek van enige bedrijfsleidersbezoldiging, van 50 000 euro en een bedrijfsleidersbezoldiging van 10 000 euro. Daardoor is het resultaat van het belastbaar tijdperk 40 000 euro.

 

Volgens een eerste interpretatie moet de minimale bezoldiging minstens gelijk zijn aan het belastbaar resultaat na bezoldiging en dus 40 000 euro bedragen. De bijzondere aanslag conform artikel 219 wordt dan op 30 000, zijnde 40 000 min 10 000, geheven.

 

Een tweede interpretatie stelt dat de minimale bezoldiging minstens gelijk moet zijn aan de helft van het resultaat na bezoldiging. Dat is dus 40 000 maal 50 %, dat maakt 20 000. De bijzondere aanslag wordt dan geheven op 10 000 euro, zijnde 20 000 min 10 000 euro bezoldiging.

 

Een derde interpretatie stelt dat de minimale bezoldiging minstens gelijk moet zijn aan de helft van het resultaat van de bezoldiging. Dat is 50 000 maal 50 %, dat maakt 25 000. De bijzondere aanslag wordt dan geheven op 15 000, zijnde 25 000 min 10 000 euro bezoldiging.

 

Dat zijn dus drie verschillende mogelijke interpretaties voor hetzelfde probleem. De vraag is natuurlijk wat de juiste is.

 

06.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, in het geval dat door u hier aangehaald en uitgebreid gedocumenteerd wordt, is het de derde interpretatie die de correcte interpretatie is. Ik wil er trouwens op wijzen dat deze interpretatie overeenstemt met de toepassing van artikel 215, derde lid, punt 4, het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 voor de toepassing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. De interpretatie van deze regel werd niet gewijzigd door de hervorming van de vennootschapsbelasting.

 

06.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Dank u wel, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: Si M. Gilkinet est d'accord, je lui propose d'attendre l'arrivée de M. Crusnière pour les questions jointes inscrites au point 15 de notre agenda. (Assentiment)

 

Vraag nr. 23318 van mevrouw Galant is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

Mevrouw Lahaye-Battheu heeft gevraagd om haar vragen op het einde van de vergadering te mogen stellen.

 

Wij komen aan de vraag van de heer Luk Van Biesen nr. 23324 over de invoering van een winstpremie voor werknemers.

 

06.04  Luk Van Biesen (Open Vld): Het is spijtig dat ik hierbij moet vermelden dat de bekwame minister Van Overtveldt hierop niet kan antwoorden en blijkbaar moet het minister Peeters zijn die hierop zal antwoorden.

 

De voorzitter: Men mag uiteraard niet op het domein komen van minister Peeters…

 

06.05  Luk Van Biesen (Open Vld): Moet ik de vraag opnieuw stellen of wordt dat automatisch doorgeschoven?

 

De voorzitter: Best opnieuw stellen.

 

06.06  Luk Van Biesen (Open Vld): Het is spijtig want het is een belangrijke vraag.

 

07 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belastingvermindering van het pensioensparen" (nr. 23325)

07 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réduction d'impôt pour l'épargne-pension" (n° 23325)

 

07.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, als men in het kader van het pensioensparen elk jaar een bedrag opzij legt, kan men op lange termijn een aanvulling op het wettelijke pensioen bijeensparen en, onder bepaalde voorwaarden, een belastingvoordeel genieten. Er zijn twee verschillende manieren om aan pensioensparen te doen. Men kiest daarbij voor een pensioenspaarrekening of een pensioenspaarverzekering.

 

Graag krijg ik van de minister een antwoord omtrent de situatie waarin een belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van de belastingvermindering ingevolge pensioensparen. De casus betreft een belastingplichtige die tot en met de leeftijd van 47 jaar premies heeft betaald via een pensioenspaarrekening. De verrichte stortingen hebben aan de belastingplichtige een fiscaal voordeel — de belastingvermindering pensioensparen — opgeleverd omdat deze voldeden aan de wettelijke voorwaarden. Er werden na de leeftijd van 47 jaar geen bijkomende betalingen gedaan op de pensioenspaarrekening. Na de leeftijd van 47 jaar heeft de belastingplichtige een nieuw contract voor een pensioenspaarverzekering gesloten waarvan de betaalde premies eveneens in aanmerking kwamen voor de belastingvermindering pensioensparen. Overeenkomstig artikel 184 wordt op de 60ste verjaardag van de belastingplichtige zowel op de pensioenspaarverzekering als op de pensioenspaarrekening de taks op het langetermijnsparen ingehouden.

 

De concrete vraag betreft de situatie waarin de belastingplichtige één van de twee producten opvraagt vóór zijn of haar pensionering, maar alsnog een belastingvermindering wenst te ontvangen voor toekomstige stortingen voor het andere pensioenspaarproduct. In artikel 145/9, laatste lid, wordt bepaald dat de belastingvermindering voor pensioensparen niet meer verleend wordt met ingang van het belastbare tijdperk waarin de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden zijn uitgekeerd die afzonderlijk belastbaar zijn ingevolge artikel 171, behoudens indien de uitkering het gevolg is van het overlijden van de belastingplichtige, of waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.

 

Is de minister het met mij eens dat artikel 145/9, moet gelezen worden dat bijvoorbeeld voor een pensioenspaarrekening en een pensioenspaarverzekering die beide de taks op het langetermijnsparen hebben ondergaan en waarbij de belastingplichtige één van de twee opvraagt, de belastingplichtige alsnog een belastingvermindering kan krijgen voor stortingen voor het andere pensioenspaarproduct? Een pensioenspaarrekening of -verzekering die de taks op het langetermijnsparen overeenkomstig de bepalingen van het WDRT heeft ondergaan, is immers vrijgesteld van inkomstenbelasting en is dus ook niet afzonderlijk belastbaar in de inkomstenbelasting.

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, dit is een lange en interessante vraag waarop ik gelukkig een kort antwoord kan geven.

 

Ik ben het met u eens dat wanneer een belastingplichtige twee pensioenspaarproducten heeft die beide de taks op het langetermijnsparen hebben ondergaan en hij een daarvan opvraagt, dit niet belet dat hij nog steeds de belastingvermindering kan vragen voor de betalingen die hij doet voor het andere pensioenspaarproduct.

 

07.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Dat is goed nieuws, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de interpretatie van een recent aangepast wetsartikel inzake de berekening van de aftrek voor risicokapitaal" (nr. 23449)

08 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'interprétation d'un article de loi récemment adapté et concernant le calcul de la déduction pour capital à risque" (n° 23449)

 

08.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, ook daar verandert het artikel 49 van de wet van 25 december 2017. Het artikel 205ter, § 1, eerste lid, vertrekt van het eigen vermogen aan het eind van het belastbare tijdperk dat overeenkomstig de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen werd bepaald, voor het bedrag waarvoor die bestanddelen op de balans voorkomen.

 

Artikel 205ter, § 3, schrijft een correctie voor van de basis waarop de aftrek risicokapitaal wordt berekend, wanneer de in de paragrafen bedoelde bestanddelen wijzigen tijdens het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegepast. De gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegepast, maakt deel uit van het eigen vermogen aan het eind van het belastbare tijdperk dat op de balans voorkomt.

 

De vraag rijst of de gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegepast, moet worden beschouwd als een wijziging van een in artikel 205ter, § 1 of § 2, bedoeld bestanddeel.

 

In bevestigend geval is er bijkomend de vraag hoe deze wijziging moet worden berekend? Is het dan een wijziging die pas op de laatste dag van het boekjaar plaatsvond en dus voor het volledige bedrag uit de berekeningsbasis moet worden verwijderd?

 

Als voorbeeld nemen we een vennootschap die op het einde van het belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt toegepast, een eigen vermogen van 1 000 euro heeft, hierin inbegrepen de gereserveerde winst van het afgesloten boekjaar van 150 euro. Bedraagt het eigen vermogen aan het eind van het belastbare tijdperk in toepassing van artikel 205ter dan 1 000 euro of 850 euro?

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, in uw voorbeeld bedraagt het eigen vermogen dat als basis dient voor de berekening van de aftrek risicokapitaal 1 000 euro.

 

08.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Dank u.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de interpretatie van een recent ingevoerd wetsartikel over de belastingheffing van teruggenomen vrijgestelde voorzieningen" (nr. 23450)

09 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'interprétation d'un article de loi récemment instauré relatif à la taxation des provisions exonérées reprises" (n° 23450)

 

09.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, dit is de laatste vraag voor vandaag van de reeks over de interpretatie van de wet op de hervorming van de vennootschapsbelasting. Het is natuurlijk belangrijk dat een en ander verduidelijkt wordt. Ik wil de collega's er trouwens op wijzen dat heel wat van de vragen opgenomen worden in de syllabi als voorbeeld om de boekhouders en wie zich met fiscale aangiften bezighoudt, de aangiften juist te laten invullen.

 

Door artikel 56 van de wet van 25 december 2017 inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting werd een nieuw artikel 217/1, § 1, Wetboek Inkomstenbelasting ingevoerd. Het artikel voorziet erin dat het tarief van 33,99 % vennootschapsbelasting van toepassing blijft op het gedeelte van de in artikel 48 bedoelde vrijgestelde voorzieningen dat is teruggenomen. Het betreft enkel vrijgestelde voorzieningen die zijn aangelegd in het belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en uiterlijk op 30 december 2020 afsluit.

 

We begrijpen dat de maatregel ingevoerd werd om de aanleg van overtollige voorzieningen tijdens die periode niet te bevoordelen, doordat een terugname aan een gunstiger belastingtarief zou worden onderworpen. In een ontwerpadvies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen van 5 juli 2017 inzake voorzieningen wordt onder randnummer 55 het gebruik van een voorheen aangelegde voorziening besproken. Een voorziening zal worden besteed of teruggenomen, al dan niet gedeeltelijk, op het ogenblik waarop de kosten waarvoor de voorziening werd gevormd, het karakter krijgen van een zekere en vaststaande schuld of indien de gevormde voorziening groter is dan vereist op basis van een actuele beoordeling. In het randnummer 56 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt verder verduidelijkt dat een voorziening moet worden teruggenomen, zodra duidelijk wordt dat de waarschijnlijke of zekere kosten of verliezen niet gerealiseerd zullen worden of wanneer het niet waarschijnlijk is dat ze gerealiseerd zullen worden.

 

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat het begrip teruggenomen zoals vermeld in artikel 217/1, geïnterpreteerd moet worden zoals bepaald in het ontwerpadvies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen van 5 juli 2017 inzake voorzieningen en artikel 217/1, § 1, dus geen toepassing vindt bij de besteding van een voorheen aangelegde voorziening?

 

09.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, het antwoord is iets complexer.

 

In uw vraag verwijst u naar een ontwerpadvies, waarover ik mij op dit moment helaas niet kan uitspreken. Naast de boekhoudkundige regels bestaan er ook specifieke fiscale regels inzake voorzieningen. Om het aanleggen van een voorziening om louter fiscale redenen te vermijden, is bepaald dat een voorziening die wordt teruggenomen omdat de kosten waarvoor zij werd aangelegd, zich niet voordoen, fiscaal als een winst van dat tijdperk moeten worden aangemerkt.

 

Ingevolge de nieuwe bepalingen zal de belastingheffing 33,99 % of 29,58 % bedragen. De aanwending van een in artikel 48 van het WIB 1992 terecht aangelegde voorziening wordt niet beoogd door de nieuwe bepaling in artikel 2017/1.

 

09.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Questions jointes de

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les contacts du ministre avec la Commission européenne dans le cadre du dossier ARCO" (n° 23293)

- M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la privatisation de Belfius et le dossier ARCO" (n° 23463)

- M. Benoît Dispa au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'introduction en bourse de Belfius et le dossier ARCO" (n° 23470)

10 Samengevoegde vragen van

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de contacten van de minister met de Europese Commissie in het kader van het ARCO-dossier" (nr. 23293)

- de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de privatisering van Belfius en het ARCO-dossier" (nr. 23463)

- de heer Benoît Dispa aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beursgang van Belfius en het ARCO-dossier" (nr. 23470)

 

Le président: M. Dispa ne peut être présent aujourd'hui.

 

10.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, à plusieurs reprises, ce gouvernement, mais aussi les précédents, et vous-même vous êtes exprimés sur la volonté de trouver une solution dans le dossier ARCO.

 

À la suite du Conseil des ministres de ce vendredi, le gouvernement a annoncé un délai de minimum quatre semaines pour une possible entrée en bourse partielle de Belfius et a répété que celle-ci était liée à une solution dans le dossier ARCO. Cette dernière nécessite toutefois un accord de la Commission européenne et donc un contact préalable avec elle.

 

Invitée le vendredi 26 janvier en commission de suivi des Affaires européennes du parlement, la commissaire européenne à la Concurrence, Mme Margrethe Vestager, a déclaré qu'elle n'avait eu aucun contact avec le gouvernement belge sur le sujet. Vous admettrez que cette déclaration est un peu interpellante au regard des engagements répétés depuis des années de trouver une solution dans ce dossier. J'ai pu constater que cette absence de contact avec la Commission européenne a fait plaisir à M. Van Rompuy, notre président de commission.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer où vous en êtes dans le dossier ARCO? Confirmez-vous ne pas avoir pris contact avec la Commission, ou à tout le moins avec la commissaire Vestager? Pourquoi ce contact avec la Commission européenne n'a-t-il pas eu lieu? Quand comptez-vous le prendre? Le cas échéant, avec quel commissaire?

 

À défaut d'un débat et d'auditions dans cette commission sur la privatisation partielle de Belfius – qui ont été refusés tout à l'heure par un vote de la majorité – que pouvez-vous nous dire sur le processus en cours et l'association du parlement à celui-ci?

 

10.02  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, mes questions vont évidemment dans le même sens.

 

Vendredi, nous avons donc appris que le Conseil des ministres avait de nouveau évoqué l'entrée en bourse de Belfius. Nous avons déjà eu de multiples débats sur le bien-fondé ou non de la vente de Belfius. Vous savez que mon groupe y est opposé.

 

Pouvez-vous confirmer si le Conseil des ministres a effectivement validé le chiffre de 49 % de vente que vous aviez évoqué, il y a quelques semaines?

 

Le Conseil des ministres vous a également donné mandat pour avancer dans le dossier ARCO. Comme vient de le dire mon collègue, j'ai interpellé la commissaire européenne à la Concurrence, il y a une petite quinzaine de jours, pour voir où on en était dans ce dossier et si le gouvernement avait effectivement pris contact avec elle à ce sujet. Elle a confirmé qu'il n'y avait eu aucun contact entre ce gouvernement et la Commission en la matière.

 

Dès lors, monsieur le ministre, où en est-on dans ce dossier? Quelles sont les démarches que vous allez effectuer? Confirmez-vous que vous allez seulement entreprendre les démarches dans ce dossier vis-à-vis de la Commission européenne?

 

10.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Comme l'a indiqué le premier ministre, l'objectif est d'enregistrer des progrès significatifs d'ici au mois de mars. Les contacts nécessaires seront pris en temps utile.

 

En ce qui concerne le pourcentage de Belfius qui sera mis en vente, j'ai reçu mandat du gouvernement pour valoriser au maximum 49 %. Un pourcentage final inférieur est une idée réaliste. Quoi qu'il arrive, les autorités conserveront le contrôle de Belfius après cette opération. Ceci permettra de veiller à conserver l'ADN de Belfius, entre autres en ce qui concerne le financement des communes tel que développé les dernières années.

 

Quant à la question concernant les contacts avec la Commission, depuis quelques mois, le dossier ARCO est entre les mains du premier ministre. Je vous suggère donc de lui poser la question concernant les contacts spécifiques avec la Commission.

 

10.04  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Un beau cocktail, monsieur le ministre des Finances, de langue de bois, d'absence de transparence et de ping pong que cette réponse! Langue de bois, parce qu'il n'y a aucune transparence sur ce dossier qui a un impact potentiel très fort sur les finances publiques. Je pense que c'est de la compétence du gouvernement. Ping pong, parce que vous me renvoyez au premier ministre comme si vous n'étiez informé de rien par rapport à ce qui est quand même l'une des conditions pour résoudre l'équation face à laquelle vous êtes. Je pense que vous êtes en train de jouer avec les pieds de ceux et de celles qui attendent une solution dans ce dossier ARCO. Mais s'ils se laissent faire, c'est leur responsabilité.

 

Je voudrais redire que nous considérons l'entrée en bourse, même partielle, de Belfius comme un mauvais choix sur le plan stratégique au niveau belge. D'autres grandes banques belges ne sont plus dans les mains d'investisseurs belges et on voit que c'est problématique sur le plan économique et budgétaire puisque, aujourd'hui, Belfius nous apporte une rente confortable qui sera diminuée proportionnellement avec le fruit de la vente et le choix du pourcentage privatisé de Belfius. C'est aussi problématique sur le plan financier, parce que je pense qu'une banque qui n'est pas en bourse est moins soumise aux aléas et à la recherche de profits à court terme. Il y a la place dans notre paysage bancaire belge, à côté d'autres banques privées, pour une banque publique qui jouerait un rôle vertueux, notamment dans l'investissement dans la transition économique de notre pays. J'espère donc que ce projet de mise en bourse de Belfius échouera.

 

10.05  Stéphane Crusnière (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses ou plutôt vos non-réponses. La seule information que vous apportez est que vous confirmez disposer désormais d'un mandat du gouvernement pour valoriser un maximum de 49 % de cette banque. Comme je l'ai dit dans ma question, nous sommes opposés à cette entrée en bourse et je regrette que nous ne puissions pas avoir un débat serein à ce propos au sein de ce parlement. Nous aurons certainement l'occasion d'y revenir.

 

Nous n'avons pas obtenu de réponse non plus concernant le dossier ARCO; vous nous renvoyez vers le premier ministre. Cela montre de nouveau l'incapacité de ce gouvernement à trancher dans un dossier important. Nous sommes renvoyés depuis de nombreux mois du premier ministre à vous-même et inversement. C'est un jeu permanent de ping-pong entre vous.

 

Mais je prends acte de votre réponse et ne manquerai pas d'interpeller aussi le premier ministre prochainement sur cette question.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Egbert Lachaert aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag" (nr. 23483)

11 Question de M. Egbert Lachaert au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la convention belgo-néerlandaise préventive de la double imposition" (n° 23483)

 

11.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mijnheer Crusnière, bedankt om mij er even tussen te willen nemen. Ik zal proberen mijn inleiding vrij beknopt te houden.

 

België en Nederland zijn verwikkeld in een niet zo fraai fiscaal gevecht. Enkele landgenoten, die in Nederland gewerkt hebben en vandaag van een rustpensioen genieten, zijn sinds 1 januari het slachtoffer van dit geschil. De betrokkenen hebben van de Nederlandse fiscus een standaardbrief ontvangen waarin staat te lezen dat de vrijstelling, die voordien van toepassing was inzake taxatie, niet meer van toepassing zou zijn. Voor die mensen is dit een aanslag op hun inkomen waarvan zij rechtmatig mochten aannemen dat zij dit netto zouden ontvangen.

 

Het zou gaan om een groep van meer dan 4 000 gepensioneerden. Voor de meeste gaat het over wat zij op hun oude dag hebben opgebouwd en verdiend.

 

Ik kom dan tot mijn vragen. Bent u op de hoogte van deze problematiek? Zo ja, hebt u hierover al kunnen overleggen met uw Nederlandse collega's? Hoe verloopt dit overleg? Zit dit vast of is een oplossing mogelijk? Wanneer acht u een oplossing mogelijk? U zult immers begrijpen dat dit voor de betrokkenen vrij urgent is.

 

11.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Lachaert, de Nederlandse administratie besliste volgens ons onterecht om deze pensioenen te belasten want de heffingsbevoegdheid over deze pensioenen komt, gelet op hun aard, aan België toe.

 

Ik heb deze week dan ook een brief verstuurd aan mijn Nederlandse ambtgenoten, zowel de minister van Financiën als de staatssecretaris van Financiën, om dit probleem aan te kaarten. Dit zal binnenkort ook op ministerieel niveau verder worden besproken. Parallel daarmee is er ook op heel korte termijn een overleg gepland tussen de administraties.

 

Ik hoop dit op zeer korte termijn te kunnen oplossen.

 

11.03  Egbert Lachaert (Open Vld): Mijnheer de minister, ik ben blij dat er een initiatief genomen is. Als dit probleem blijft aanslepen – en het lijkt mij dat dit niet zo gemakkelijk op te lossen zal zijn, zeker niet als het verdrag eventueel moet worden aangepast – meen ik dat wij moeten bekijken hoe wij die mensen juridisch kunnen informeren over hoe zij met de huidige onzekere situatie kunnen omgaan. Ik zou er dan ook willen op aandringen dat onze administratie die mensen bijstaat zodat zij weten wat zij kunnen doen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution des implantations au sein des services de la Documentation patrimoniale" (n° 23465)

12 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de daling van het aantal lokale kantoren van de diensten van de Patrimoniumdocumentatie" (nr. 23465)

 

12.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, il ne vous aura pas échappé que je vous ai posé systématiquement la même question, mais à propos de secteurs différents. Mon objectif était d'obtenir, chaque fois, des réponses précises, de manière à éviter que chaque aspect soit noyé dans une réponse générale. C'est pourquoi ma première question durera un peu plus longtemps que les suivantes.

 

Vous savez que, jeudi dernier, le président du comité de direction s'est rendu à Ottignies. À cette occasion, le personnel a exprimé son mécontentement en raison de la diminution du nombre d’implantations du SPF Finances en Brabant wallon. En effet, depuis des années, votre département ne cesse de réduire le nombre de ses implantations et de restreindre son personnel.

 

Malheureusement, le Brabant wallon n’échappe pas à la règle, avec pour conséquence une diminution du service de proximité et une dégradation de la qualité du service offert aux citoyens, surtout dans la mesure où le Brabant wallon ne bénéficie pas encore d’un infocenter. J'aurai l'occasion d'y revenir dans une question ultérieure.

 

En tant que mandataires, nous recevons beaucoup de plaintes de concitoyens, qui déplorent l’éloignement croissant de leur service de taxation et de leur bureau d’enregistrement. Nous nous devons d’y être attentifs. En effet, même à l’heure du numérique, plusieurs administrés recherchent encore le contact direct avec un interlocuteur, surtout dans des matières aussi complexes.

 

De plus, l’inquiétude persiste parmi les fonctionnaires. De nombreux bruits circulent au sujet d'autres fermetures de  bureaux. Ils ont d’ailleurs fait part de leurs craintes, le 1er février, lors de la venue du président du comité de direction du SPF Finances.

 

Monsieur le ministre, je souhaite dès lors vous poser les questions suivantes. En ce qui concerne les services de la Documentation patrimoniale, le Brabant wallon a déjà perdu de nombreuses implantations entre 2013 et 2018. Une réflexion est-elle menée en vue d’une nouvelle fermeture d’implantations? Si oui, de quel ordre serait-elle? Quid du personnel? Quel en serait le timing? Quelles sont les motivations de ces fermetures? Comment espérez-vous encore assurer un service public de proximité de qualité dans ce contexte?

 

12.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, dans le Brabant wallon, seul le service Mesures & Évaluations de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale devra déménager au cours de cette année. En effet, les services installés pour le moment rue Bayard à Nivelles vont être déplacés vers le site récemment inauguré à la rue de l'Industrie, toujours dans la même ville. Une quinzaine d'agents sont concernés.

 

Aucune autre réflexion n'est en cours au sujet de la Documentation patrimoniale en Brabant wallon, laquelle continue de servir la population de Nivelles et d'Ottignies. Par conséquent, rien ne change pour le public.

 

12.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos précisions.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution des implantations au sein des services des Douanes et Accises" (n° 23466)

13 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vermindering van het aantal lokale kantoren van de diensten van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen" (nr. 23466)

 

13.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, ma question est identique à la précédente mais concerne les services des Douanes et Accises.

 

Le Brabant wallon bénéficie de deux implantations: Ottignies et Nivelles. Une réflexion est-elle en cours en vue d'une nouvelle fermeture d'implantations? Si oui, laquelle? Quid du personnel? Dans quel timing? Quelles sont les motivations éventuelles d'une fermeture?

 

13.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, en Brabant wallon, aucun service de l'Administration des Douanes et Accises n'est concerné par un déménagement en 2018. En effet, les services installés chaussée de Bruxelles à Nivelles demeurent en place. À moyen terme et après une étude de faisabilité, notamment pour l'hébergement des véhicules de service, les locaux Salduz, etc., les douaniers pourraient éventuellement rejoindre le nouveau site récemment inauguré à la rue de l'Industrie à Nivelles. Les services d'Ottignies restent, quant à eux, à Ottignies.

 

13.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces réponses. Les déménagements rentrent dans une logique de synergie. Cela ne me pose aucun problème pour autant qu'on reste sur Nivelles; en effet, il me semble important, en matière de douanes, de conserver nos deux bureaux, tant à Nivelles qu'à Ottignies. J'entends, monsieur le ministre, qu'aucune fermeture n'est prévue à moyen terme.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution des implantations au sein des services de l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement" (n° 23467)

14 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vermindering van het aantal lokale kantoren van de diensten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering" (nr. 23467)

 

14.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, en 2013, le Brabant wallon bénéficiait de cinq implantations. Aujourd'hui il n'en reste déjà plus que trois: Ottignies, Nivelles et Jodoigne. Une réflexion est-elle en cours en vue d'une nouvelle fermeture d'implantation? En effet, dans le Brabant wallon, il est de plus en plus question de la fermeture du bureau de Jodoigne. Si oui, combien de bureaux fermeront? Quid du personnel? Dans quel timing? Quelles en sont les motivations?

 

14.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, les services d'Administration générale de la Perception et du Recouvrement sont toujours présents en nombre au niveau des implantations mentionnées dans votre question. Le SPF Finances se doit de réfléchir à l'optimalisation de l'occupation de son parc immobilier dans les prochaines années. Cet exercice sera réalisé pour le prochain contrat d'administration, qui devrait être signé en fin d'année.

 

14.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, vous restez plus vague que pour les autres secteurs, où vous garantissez le maintien. Donc, si la réflexion est en cours, nous risquons, comme le personnel le craint, de fermer. Et c'est le bureau de Jodoigne qui est clairement menacé. Cela pose beaucoup de questions par rapport au service de proximité nécessaire dans le domaine de la perception et du recouvrement. La distance entre Jodoigne et Ottignies est quand même importante: quid du personnel? Le prochain contrat étant signé en fin d'année, j'en déduis qu'il n'y aura pas de fermeture en 2018. Je vous interpellerai à nouveau sur cette matière dès que la situation évoluera.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution des implantations au sein des services de l'Administration générale de la Fiscalité pour les PME" (n° 23468)

15 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vermindering van het aantal lokale kantoren van de centra Kleine en Middelgrote Ondernemingen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit" (nr. 23468)

 

15.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, ma question concerne plus spécifiquement  les services de la fiscalité pour les PME. Actuellement, le Brabant wallon dispose de trois implantations, Ottignies, Nivelles et Braine-l’Alleud. Une réflexion est-elle en cours en vue d’une nouvelle fermeture d’implantation? On évoque plus particulièrement le bureau de Braine-l’Alleud. Confirmez-vous ces inquiétudes? Quel serait le calendrier? Quelles en sont les motivations?

 

15.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, monsieur Crusnière, les services de l'administration générale de la Fiscalité sont toujours présents en nombre à Ottignies, à Nivelles et à Braine-l'Alleud. Le SPF Finances se doit de réfléchir à l'optimalisation de l'occupation de son parc immobilier et cet exercice sera fait pour le prochain contrat d'administration qui devrait être signé à la fin de cette année. Je vous fais donc la même réponse que pour votre précédente question.

 

15.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Cependant, je voudrais attirer votre attention sur la nécessité de garder, tant pour les PME que pour les personnes physiques, un service de proximité.

 

Il n'y a plus que trois implantations en Brabant wallon: Ottignies, Nivelles et Braine-l'Alleud et je voudrais insister pour que, lors de la réflexion qui aura lieu dans le cadre du plan d'entreprise à la fin de l'année, vous soyez attentif à garder ces services de proximité et ces trois bureaux.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'évaluation de la mise en place des infocenters et l'absence de tels centres en Brabant wallon" (n° 23504)

16 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de evaluatie van de werking van de infocentra en de afwezigheid van zulke centra in Waals-Brabant" (nr. 23504)

 

16.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, cette question fait aussi suite à la visite. Le personnel des Finances s'est aussi plaint au sujet des infocenters. Depuis septembre 2017, onze infocenters ont été ouverts sur l'ensemble du territoire, sauf en Brabant wallon. J'avais déjà eu l'occasion de vous le dire.

 

Si l'idée d'un contact face à face avec le contribuable peut paraître séduisante, son succès ne peut être garanti que si les moyens suivent.

 

Or il me revient que le fonctionnement de ces infocenters n'est pas optimal (manque de personnel, difficultés d'organisation). Y sont en effet mélangées trois administrations générales, qui ont des objectifs différents, des implantations différentes, des horaires différents, des façons de travailler différentes.

 

Alors que les infocenters ont pour objectif de centraliser les contacts entre les citoyens et les agents du SPF, le Brabant wallon est la seule province à ne pas pouvoir bénéficier de ce service. Cette absence d'infocenter en Brabant wallon aura pour conséquence que les citoyens et les entreprises du Brabant wallon devront, dans le meilleur des cas, se rendre dans l'infocenter le plus proche de leur domicile ou de leur siège.

 

Lors de la venue du président du comité de direction du SPF Finances en Brabant wallon, les agents du SPF ont fait part de leur souhait de voir remédier à cette absence d'infocenter, afin d'offrir un meilleur service aux citoyens et aux entreprises.

 

Monsieur le ministre, avez-vous déjà fait une évaluation de la mise en place et du fonctionnement des infocenters? Des rectifications vont-elles être apportées?

 

Cette création entraîne aussi un déplacement de personnel au détriment des services classiques, ce qui pose aussi des problèmes en termes d'organisation. Du personnel supplémentaire va-t-il être engagé pour y remédier?

 

De nouveaux infocenters pourraient-ils être créés dans le futur? La province du Brabant wallon bénéficierait-elle, cette fois-ci, d'au moins un infocenter sur son territoire? Le cas échéant, pouvez-vous me donner une date approximative d'ouverture de cet infocenter? Dans le cas contraire, sur quelle base décidez-vous de ne pas ouvrir d'infocenter en Brabant wallon?

 

16.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, l'évaluation des infocenters s'effectue en continu depuis leur mise en place, tant en termes organisationnels qu'en termes de logistique. Certains éléments indiquent déjà à mon administration les améliorations qui peuvent être réalisées à court terme, telles que, par exemple, l'organisation de formations ciblées ou l'ajustement de certaines procédures de travail.

 

Néanmoins, l'obtention d'une vue claire et argumentée sur le fonctionnement réel des infocenters nécessite bien une année complète d'existence. Celle-ci offrira non seulement une vue globale reprenant les périodes de pointe et les périodes plus creuses, mais également l'impact réel des nouvelles stratégies et procédures de travail récemment mises en place, comme la nouvelle stratégie en matière de plan d'apurement.

 

L'accueil du public précédemment effectué dans les services classiques, ainsi que les tâches qui en découlent, sont maintenant réalisés par les infocenters. Le redéploiement du personnel vers les infocenters est donc normal et s'est effectué sur base volontaire.

 

L'ouverture d'infocenters supplémentaires n'est pas envisagée actuellement. Mon administration évalue en priorité le fonctionnement des onze infocenters existants. La localisation de ceux-ci a été répartie équitablement entre la Flandre et la Wallonie, à raison de cinq par Région, et un en Région bruxelloise.

 

16.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, j'ai du mal à admettre votre réponse. Si je peux comprendre qu'il faille un peu plus de temps pour évaluer le fonctionnement, je pense qu'il est aussi important qu'un ministre et une administration réagissent quand des problèmes apparaissent. C'est le cas dans certains infocenters en termes d'organisation; ce sont les membres du personnel des Finances qui le disent. Cela nécessite une réaction, qui devrait intervenir avant ce délai d'un an pour l'évaluation.

 

Des petites choses peuvent être faites rapidement. Ces trois administrations doivent travailler ensemble. Ce n'est pas toujours facile. Parfois, des membres du personnel en contact avec le public reçoivent des questions qui ne sont pas de leur ressort. Cela pose question pour la qualité du service rendu.

 

Je ne peux évidemment pas accepter la répartition par Région (cinq, cinq et un).

 

Vous mettez en avant la nécessité de l'infocenter, en disant que c'est là que doit se faire l'accueil du public. 

 

Je suis tout à fait d'accord mais il est inacceptable qu'une province ne bénéficie pas d'un infocenter et que les habitants de cette province doivent se rendre dans une autre province pour essayer d'avoir des informations et un contact avec leur administration.

 

Je sais que vous allez certainement me confirmer, par exemple, qu'en termes de services pour l'impôt des personnes physiques, la réflexion est en cours et qu'on ne ferme pas de bureaux. Mais il est tout de même paradoxal qu'on prévoit de fermer des bureaux de proximité – pour les PME ou pour l'impôt des personnes physiques – sans penser à mettre en place un infocenter en Brabant wallon. Je demande vraiment que la réflexion soit menée également en la matière!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Wij komen aan de vraag nr. 23516 van de heer Gilkinet. Is hij reeds vertrokken?

 

16.04 Minister Johan Van Overtveldt: Hij is inderdaad reeds vertrokken. Zijn vraag was zo uitgebreid en pas gisteren ingediend dat wij, met zijn akkoord, hebben voorgesteld om de vraag uit te stellen.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23516 van de heer Gilkinet wordt dus uitgesteld.

 

17 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la diminution du nombre d'implantations dans le secteur Fiscalité - IPP" (n° 23517)

17 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vermindering van het aantal lokale belastingkantoren die bevoegd zijn voor de personenbelasting" (nr. 23517)

 

17.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire tout le raisonnement mais ma question concerne les personnes physiques. Cet infocenter se justifie par le fait qu'on est passé de sept bureaux en 2013 à seulement trois aujourd'hui. À nouveau, le personnel nous fait part de ses inquiétudes car on parle de la fermeture d'un bureau à Braine-l'Alleud.

 

Monsieur le ministre – je suppose que vous me donnerez la même réponse –, où en est la réflexion et quel est le timing de cette fermeture?

 

17.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, ma réponse est la même. Les choses sont en cours. Cela fait partie du prochain contrat d'administration qui doit être signé à la fin de cette année.

 

17.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, merci de cette réponse. Mais là on touche vraiment au fond du problème: ce sont les personnes physiques. Plus que jamais, le contact avec la population et le service de proximité sont nécessaires. Je vous invite à mener cette réflexion dans sa globalité en considérant la suppression éventuelle de certains bureaux en lien avec la mise en place d'un infocenter.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-tarief op een brouwerijbezoek" (nr. 23323)

18 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le taux de TVA applicable à une visite de brasserie" (n° 23323)

 

18.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik kom uit een streek waar er veel brouwerijen zijn, waar er veel lekker bier is en waar het brouwerijbezoek alsmaar populairder wordt. Daarom heb ik een vraag over het btw-tarief dat mensen moeten betalen, wanneer zij een van onze mooie brouwerijen willen bezoeken.

 

Er is een verlaagd tarief van 6 %, dat geldt voor de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak alsmede de toekenning van het recht ervan gebruik te maken. Daaronder wordt vooral verstaan het meepikken van een concert, een opvoering van een toneelstuk, de toegang tot een pretpark en dies meer.

 

Wanneer het recht op toegang tot bijvoorbeeld een brouwerij met een rondleiding ter plaatse en met het verstrekken van bijkomende info gepaard gaat, gaat de dienstverlening verder dan louter de toegang tot het gebouw. In deze situatie zou bijgevolg het tarief van 21 % moeten worden gehanteerd, zijnde het percentage op bezoeken of begeleide bezoeken.

 

Mijnheer de minister, kunt u deze stelling bevestigen?

 

Aangezien onze Belgische biercultuur nu ook Unesco-werelderfgoed is geworden en een belangrijke bijdrage aan onze samenleving levert, overweegt u het tarief van 21 % naar 6 % te verlagen?

 

18.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, herinnert u zich nog dat wij ooit in deze zaal, na het sluiten van deze commissie, effectief bier hebben geschonken? Misschien moeten wij dat herhalen met bier uit uw streek.

 

Ik bevestig echter helaas uw stelling dat het bezoek aan een brouwerij onder de deskundige begeleiding van een gids inderdaad aan het nominale btw-tarief van 21 % onderhevig is, aangezien de handeling zich niet beperkt tot het louter verlenen van toegang tot een inrichting van cultuur, sport of vermaak.

 

Zoals u weet, kunnen in de huidige stand van de regelgeving de lidstaten — ik refereer ter zake uiteraard aan de Europese richtlijnen en reglementering — uitsluitend een verlaagd tarief toepassen voor goederen en diensten die bedoeld zijn in de fameuze bijlage 3 van de btw-richtlijnen. Rondleidingen in brouwerijen zijn daar niet in opgenomen.

 

De invoering van een verlaagd btw-tarief voor een dergelijke dienstprestatie is vandaag dan ook strijdig met deze Europese btw-richtlijnen, waaraan wij ons als goede Europeanen uiteraard moeten houden.

 

18.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het inschakelen van de DAVO als alternatief voor de gedwongen uitvoering met betrekking tot achterstallige onderhoudsgelden" (nr. 23418)

19 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le recours au SECAL comme alternative à l'exécution forcée dans le cadre d'arriérés de créances alimentaires" (n° 23418)

 

19.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, onlangs kreeg ik een beslissing onder ogen van een Bureau Juridische Bijstand waarin te lezen stond dat de gedwongen uitvoering ten laste van een onderhoudsplichtige niet meer de gepaste manier is om achterstallige onderhoudsgelden te innen. In die beslissing werd gesteld dat de betrokkenen zich maar tot de DAVO moeten richten, de goedkope en meest verantwoorde wijze van uitvoering, aangezien de overheid die dienst heeft opgericht om achterstallige onderhoudsgelden uit te betalen.

 

Met die beslissing wilde ik u confronteren, omdat het volgens mij nog altijd de onderhoudsplichtige toekomt om onderhoudsgeld te betalen en niet de DAVO. De DAVO is een dienst die met belastingsgeld gefinancierd wordt, maar een en ander leidt blijkbaar een eigen leven op het terrein.

 

Mijnheer de minister, kunt u nog eens de voorwaarden oplijsten waaraan moet worden voldaan om een beroep te doen op de DAVO?

 

Bent u op de hoogte van het feit dat er in onze rechtbanken beslissingen circuleren waarbij er geen kosteloze rechtspleging gegeven wordt om te innen bij de onderhoudsplichtige, maar dat de betrokkenen zich tot de DAVO moeten wenden?

 

Bent u bereid om het initiatief te nemen om dat, samen met uw collega van Justitie, te bespreken en aan te kaarten bij de Bureaus voor Juridische Bijstand?

 

19.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Lahaye-Battheu, om de tussenkomst van de DAVO te vragen voor de invordering, moet aan de volgende vier voorwaarden voldaan zijn. Ten eerste, de onderhoudsgerechtigde heeft zijn woonplaats in België. Ten tweede, het onderhoudsgeld werd in de periode van twaalf maanden vóór de aanvraag ten minste tweemaal niet of niet volledig betaald. Ten derde, het onderhoudsgeld werd vastgelegd in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing of in een notariële akte. Ten vierde, de onderhoudsgerechtigde heeft effectief een aanvraag ingediend.

 

Om voorschotten te kunnen genieten, is er een bijkomende voorwaarde. Het nettobedrag van de maandelijkse bestaansmiddelen van de onderhoudsgerechtigde mag niet hoger zijn dan de inkomensgrens van 1 800 euro per maand. Dat bedrag wordt verhoogd voor elk kind ten laste. Voor 2018 bedraagt dat bedrag 68 euro.

 

Het bedrag van de verhoging voor een kind ten laste wordt verdubbeld voor een kind met een handicap.

 

Voor de rest kan ik mij helaas niet uitspreken over de beslissingen van een Bureau voor Juridische Bijstand. Volgens mij vinden de leden van de bureaus voldoende informatie over de DAVO en de werking ervan op de website alsook in de brochure, die dit jaar trouwens volledig werd geactualiseerd.

 

19.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.13 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.13 heures.