Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 7 februari 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 7 février 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.31 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.31 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

Le président: Collègues, je vous souhaite la bienvenue.

 

Mijnheer Terwingen, u hebt een samengevoegde vraag met mevrouw Lahaye-Battheu. Zij is hier nog niet. Wij gaan eerst over tot uw andere vragen.

 

01 Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de vervrouwelijking in de advocatuur" (nr. 23221)

01 Question de M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "la féminisation du barreau" (n° 23221)

 

01.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik heb twee vragen over de vervrouwelijking, in de advocatuur en in de justitie.

 

Mevrouw Van Cauter vraagt of het pestgedrag is. Het laatste wat ik in dit hashtag metootijdperk wil doen is pesten.

 

Wij zitten vandaag in de zaal Marie Popelin, een van de eerste vrouwelijk afgestudeerde doctors in de rechten in ons land. Sindsdien vond een hele evolutie in het beroep van advocaat plaats.

 

Tot mijn grote vreugde kon ik zelf ook vaststellen, in de periode dat ik nog actief was in de advocatuur, dat er hoe langer hoe meer vrouwelijke advocaten aan de balie kwamen en mannelijke advocaten begonnen te overvleugelen met fantastische pleidooien.

 

Mijnheer de minister, ik had hierin graag wat meer inzicht gekregen. Ik denk dat de vervrouwelijking van de balie bij u ook wel enige interesse zal opwekken. Wat is uw visie hierover?

 

01.02 Minister Koen Geens: Heren Goffin en Terwingen, graag bezorg ik u de cijfers die ik van de OVB en avocats.be heb ontvangen, met betrekking tot het aantal vrouwelijke advocaten per balie.

 

De cijfers van avocats.be maken daarbij het onderscheid tussen de advocaat-stagiairs en tableau-advocaten. De cijfers van OVB zijn beperkt tot de weergave per balie van het aantal vrouwelijke en mannelijke advocaten, van meer en van minder dan 30 jaar.

 

Uit de cijvers van de OVB leid ik alvast af dat er een grote globale toename is van het aantal vrouwen binnen de advocatuur van 2012 tot 2017. In 2012 waren er 3 747 vrouwelijke advocaten en in 2017 steeg hun aantal tot 4 604. Vorig jaar waren er dus 23 % meer vrouwen actief in de Vlaamse balies dan 5 jaar eerder.

 

Een opvallende vaststelling is dat het aantal vrouwelijke advocaten groter is dan het aantal mannelijke advocaten, althans in de leeftijdscategorie onder de 30 jaar, met 62 % vrouwen tegenover 38 % mannen. Enkel in de leeftijdscategorie boven de 30 jaar – toch nog altijd de belangrijkste – ligt het aantal mannelijke advocaten hoger dan het aantal vrouwelijke. Dit is een vaststelling die geldt voor alle Vlaamse balies.

 

De cijfers van avocats.be vertonen dezelfde tendensen. Ook in de Franstalige en Duitstalige balies zijn er meer vrouwelijke dan mannelijke advocaten in de leeftijdscategorie tot en met 39 jaar. Onder de twintigers zijn er zelfs dubbel zoveel vrouwelijke advocaten. In de leeftijdscategorie van 40 jaar en ouder is het aantal mannelijke Franstalige advocaten nog wel duidelijk hoger dan het aantal vrouwelijke Franstalige advocaten.

 

01.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, dank u wel voor de cijfers. Ik zal ze zo dadelijk met veel plezier in ontvangst nemen zodat wij ze verder kunnen bestuderen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de vervrouwelijking bij Justitie" (nr. 23222)

02 Question de M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "la féminisation de la Justice" (n° 23222)

 

02.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de vervrouwelijking van Justitie. Op basis van cijfers die wij in 2010 hebben gekregen, hadden wij al vastgesteld dat er zeker bij de hogere rechtscolleges beduidend minder vrouwen zijn. Ik had deze vraag misschien beter schriftelijk gesteld, maar ik ben blij dat u ze eventueel mondeling wilt duiden. Als ik de cijfers hieromtrent kan krijgen, zou dat zeer interessant zijn, ook voor andere doeleinden.

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Terwingen, zoals u aangeeft in uw vraag, telt Justitie een groot aandeel vrouwen in de magistratuur. Dat was al zo in 2010 en is vandaag niet anders, zo blijkt uit onderstaande cijfers.

 

Onder de rechters in de rechtbank van eerste aanleg is dat, per arrondissement, voor Antwerpen een verhouding van 43 % mannen en 57 % vrouwen, voor Limburg 39 % mannen en 61 % vrouwen, voor Brussel 36 % mannen en 64 % vrouwen, voor Leuven 29 % mannen en 71 % vrouwen, voor Waals-Brabant 24 % mannen en 76 % vrouwen, voor Oost-Vlaanderen 46 % mannen en 54 % vrouwen, voor West-Vlaanderen 49 % mannen en 51 % vrouwen, voor Eupen 40 % mannen en 60 % vrouwen, voor Luik 32 % mannen en 68 % vrouwen, voor Luxemburg 45 % mannen en 55 % vrouwen, voor Namen 38 % mannen en 62 % vrouwen, voor Henegouwen 35 % mannen en 65 % vrouwen.

 

Van de vrederechters is 63 % man en 37 % vrouw.

 

Bij de rechters in de politierechtbank is 61 % man en 39 % vrouw.

 

Bij het openbaar ministerie is op het niveau van de parketmagistraten 42 % man en 58 % vrouw. Op het niveau van de magistraten in arbeidsauditoraten is 38 % man en 62 % vrouw. Bij de raadsheren bij de hoven van beroep is 49 % man en 51 % vrouw, bij de arbeidshoven is 64 % man en 36 % vrouw, bij het Hof van Cassatie is 70 % man en 30 % vrouw. Bij de parketten-generaal is 60 % man en 40 % vrouw, bij het parket-generaal van het Hof van Cassatie is 92 % man en 8 % vrouw, bij het federaal parket is 48 % man en 52 % vrouw.

 

02.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik zal zelf wel de globale percentages uitrekenen.

 

02.04 Minister Koen Geens: Dat kunt u niet op basis van deze cijfers, maar dat zal u niet verbazen. U hebt daarvoor de absolute cijfers nodig.

 

02.05  Raf Terwingen (CD&V): Dat klopt. Ik bedoel het gemiddelde van de percentages.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- de heer Raf Terwingen aan de minister van Justitie over "de bemiddeling in familiezaken" (nr. 23220)

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de bemiddeling in familiale geschillen" (nr. 23356)

03 Questions jointes de

- M. Raf Terwingen au ministre de la Justice sur "la médiation dans les affaires familiales" (n° 23220)

- Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la médiation dans le cadre de litiges familiaux" (n° 23356)

 

03.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, alleen al het feit dat mevrouw Lahaye-Battheu een vraag indient om aan te sluiten bij mijn vraag, bewijst dat dit een goede vraag is. Dat is per definitie een gezagsargument voor de kwaliteit ervan.

 

Mijn vraag heeft te maken met de oprichting van de familierechtbanken. Mijnheer de minister, u hebt steeds gepleit voor meer bemiddeling in familierechtbanken en u hebt op dat vlak een en ander gerealiseerd.

Drie jaar na de oprichting ervan, ben ik benieuwd naar de cijfers.

 

Hoeveel zaken betreffende familierecht werden ingeleid voor een familierechtbank?

 

In hoeveel van deze zaken werd gebruikgemaakt van bemiddeling?

 

Hoeveel zaken werden verwezen naar de kamers voor minnelijke schikking? In hoeveel zaken heeft deze verwijzing tot een oplossing geleid?

 

Ik hoop dat u beschikt over cijfers die mij wat wijzer maken.

 

03.02  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega Terwingen heeft al uitstekend geschetst waar het precies over gaat. Ik sluit mij aan bij zijn uiteenzetting.

 

Daarenboven wil ik wijzen op het feit dat er soms verwarring bestaat over het verschil tussen bemiddeling en schikking. Bemiddeling is het oplossen van conflicten met bijstand van een bemiddelaar, die al dan niet een advocaat is. Schikking is het oplossen van dossiers onder leiding van een rechter. De oplossing komt daarbij van de partijen zelf.

 

Een tijdje geleden werden de kamers van minnelijke schikking geïnstalleerd naar aanleiding van de oprichting van de familierechtbank. Ik wil hier vandaag graag een stand van zaken over krijgen.

 

Hebt u zicht op de impact van de kamers van minnelijke schikking op de werklast van de familierechtbank? Hoeveel van de ingeleide zaken worden opgelost in deze kamers? Kunt u ons hiervan een jaaroverzicht bezorgen?

 

Denkt u, in het kader van het bevorderen van alternatieve geschillenoplossing, aan een uitbreiding van het systeem van kamers van minnelijke schikking naar andere rechtbanken?

 

Het Gerechtelijk Wetboek biedt sinds 2005 de mogelijkheid aan gezinsbemiddeling te doen. Hebt u een zicht op het aantal mensen dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt?

 

Welke initiatieven staan er op til om bemiddeling en schikking te stimuleren?

 

03.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, wat het aantal zaken betreft dat ingeleid werd voor de familierechtbanken sinds 2014, verwijs ik u graag naar de jaarlijkse publicatie van de familierechtbank 2015-2016 die toegankelijk is via de website van de hoven en rechtbanken. Na een eerste analyse van deze publicaties kan ik u volgende cijfers geven van de inschrijvingen betreffende het familierecht op de algemene rol: 20 513 in het overgangsjaar 2014, 30 553 in 2015 en 42 145 in 2016.

 

Ik wijs er evenwel op dat er enkel voor 2016 al een afzonderlijke publicatie voorhanden is voor familiezaken. Ik moet ook opmerken dat de registratiewijze van familiezaken momenteel niet uniform verloopt. Het zorgt ervoor dat bepaalde rechtbanken hogere cijfergegevens hebben, terwijl dit in de praktijk niet het geval is. Dit is enkel en alleen te wijten aan de verschillen in de wijze van registratie en geldt zowel voor 2015 als 2016.

 

Wat de vraag betreft naar cijfergegevens over het aantal bemiddelingen in de kamers van minnelijke schikking heb ik zowel bij het Vast Bureau voor Statistiek van hoven en rechtbanken als bij de Federale Bemiddelingscommissie informatie opgevraagd. Vanuit het Vast Bureau voor Statistiek van hoven en rechtbanken vernam ik dat zij, wat de rechtbanken van eerste aanleg, burgerlijke griffie en de familierechtbanken betreft, niet beschikken over cijfermatige gegevens betreffende het gebruik van bemiddeling in de kamers van minnelijke schikking. Het statistisch project hieromtrent wordt momenteel nog ontwikkeld.

 

Ook vanuit de Federale Bemiddelingscommissie ontving ik als antwoord dat zij niet over officiële cijfers beschikken. Zij wijzen erop dat het niet evident is om accurate cijfers te bekomen omdat vele bemiddelingen vrijwillig, buitengerechtelijk gebeuren en dat er vaak geen homologatie wordt gevraagd, zodat deze moeilijk te traceren zijn.

 

Cijfermatige gegevens op basis van steekproeven zijn wel terug te vinden in de bemiddelingsbarometer 2016. Uit de raadplegingen hiervan kan ik enkel weerhouden dat zij uit steekproeven hebben vastgesteld dat in 2015 in 3 210 zaken een beroep werd gedaan op familiale bemiddeling.

 

Het is algemeen bekend dat de familierechtbanken niet op een uniforme wijze werken in de praktijk. In het bijzonder kan de werking van de kamers van minnelijke schikking binnen de familierechtbank verschillen tussen de verschillende rechtsgebieden.

 

Evaluatie van de toepassing van de wet van 30 juni 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank is gepland voor 2020. De eerste resultaten hiervan zullen worden bekendgemaakt in het najaar van 2018. In het bijzonder worden daarbij de werking en de werklast van de familierechtbanken alsook de werking van de opgerichte kamers voor minnelijke schikking onderzocht. Wat het onderdeel minnelijke schikking betreft, is er een onderzoek bezig, georganiseerd door de Universiteit Gent, dat het systeem in de praktijk van de schikkingen bij de familierechtbank evalueert in het kader van het FITTIF-project, Familie In Transitie, Transitie In Families, zulks met het oog op de verbetering van de wetgeving en de praktijk inzake minnelijke schikking.

 

Hoewel ik voorstander ben van elk traject van minnelijke oplossing lijkt het mij wenselijk om deze evaluatie af te wachten alvorens een uitspraak te doen over de noodzaak tot uitbreiding van het systeem van de kamer voor minnelijke schikking naar andere hoven en rechtbanken.

 

Met betrekking tot de initiatieven die op til staan inzake bemiddeling, verwijs ik u graag naar het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. Deze wetboekwijzigingen lichtte ik gisteren toe bij de introductie van het wetsontwerp in deze commissie. Ik stel voor om het debat in dat kader te voeren.

 

03.04  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik vreesde al dat het niet eenvoudig zou zijn om cijfers van de bemiddeling te bekomen, al zouden deze wel interessant zijn. Het is evenwel goed dat er blijkbaar een uitrol is om de bemiddeling en de resultaten ervan te plaatsen, zodat tegen 2020 een volledige evaluatie van de familierechtbanken kan gebeuren.

 

De mogelijkheid tot bemiddeling en de bemiddelingskamers beschouw ik als een meerwaarde voor de omschakeling naar de familierechtbanken van de zaken die vroeger misschien zelfs voor het vredegerecht kwamen.

 

Meten is weten en dat kan ons verder leiden. Mijn fractie is ervan overtuigd dat bemiddeling de juiste weg is en dat conflictprocedures zoveel mogelijk moeten worden vermeden.

 

03.05  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, de bedoeling van de kamers voor minnelijke schikking is altijd geweest om de partijen op elk ogenblik de mogelijkheid te geven om, ook tijdens het geding, op korte termijn bij een magistraat te geraken als zij een bijna-akkoord hebben, om te proberen tot een volledig akkoord te komen. Dit alles ook naar aanleiding van het stopzetten van de familiale zaken bij de vrederechter. De vrees was dat, als alles naar eerste aanleg gaat, het allemaal veel langer zou duren. De kamers voor minnelijke schikking willen daarop een antwoord geven.

 

Ik betreur dat er geen cijfers voorhanden zijn. Het kan nochtans niet zo moeilijk zijn om de kamers het aantal dossiers dat zij jaarlijks behandelen en al dan niet succesvol afronden, te laten opgeven. Ik noteer dat ten vroegste eind 2018 een eerste evaluatie zal kunnen gebeuren.

 

Ik meen dat wij ons intern zullen beraden omtrent het formuleren van voorstellen om de minnelijke schikking of bemiddeling verder te promoten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Sonja Becq aan de minister van Justitie over "de eed afgelegd door gerechtstolken" (nr. 23280)

04 Question de Mme Sonja Becq au ministre de la Justice sur "le serment prêté par les interprètes travaillant pour la Justice" (n° 23280)

 

04.01  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, op 1 december 2016 is de wet uit 2014 houdende een nationaal register voor tolken, deskundigen en vertalers-tolken van kracht geworden. Er werd voor geopteerd om in de beginfase te werken met een voorlopig register. Op die manier kon er voortgang worden gemaakt met een wetgeving die wat blijven liggen was. Op die manier hebt u er wat vaart achter gezet.

 

Blijkbaar zouden er echter wel wat vragen rijzen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de eed die de gerechtstolken en vertalers moeten afleggen. Er wordt gezegd dat het voorlopig register geen juridische waarde heeft. Blijkbaar instrueert de procureur des Konings van Antwerpen in een omzendbrief dat voor elke prestatie afzonderlijk de eed moet worden afgelegd, net zoals in de procedure voor de aanstelling bij hoogdringendheid van een vertaler-tolk of deskundige. Bovendien moet de eed, aldus de omzendbrief, zowel bij het begin – dan weet de rechtsonderhorige dat het om een beëdigd vertaler-tolk gaat – als op het einde, conform de wetgeving.

 

Ongeruste vertalers-tolken willen vernemen hoe ze nu correct handelen.

 

Mijnheer de minister, hoe ver staat het nu met de diverse besluiten tot uitvoering van de wet van 2014?

 

Welke maatregelen zult u nemen om op korte termijn de rechtsonzekerheid uit de weg te helpen?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Becq, de oprichting van het nationaal register heeft een kwalitatieve justitie voor ogen.

 

De stand van zaken omtrent de uitvoeringsbesluiten is als volgt.

 

Het koninklijk besluit dat de voorwaarden oplegt waaraan de juridische opleiding moet voldoen, werd in december 2017 voor advies aan de Raad van State voorgelegd. De Raad heeft op 26 januari 2018 een definitief advies medegedeeld. Het koninklijk besluit werd aan de opmerkingen van de Raad van State aangepast en wordt eerstdaags gepubliceerd.

 

De koninklijke besluiten over de werking van de Aanvaardingscommissie en de te betalen bijdragen in de kosten werden in juni 2017 een eerste maal aan de Inspectie van Financiën bezorgd. Op haar vraag werden de besluiten samengevoegd en grondig aangepast. Er is nog altijd geen definitief advies. Zodra het advies van de inspectie is ontvangen, wordt het advies van de Raad van State ingewonnen.

 

Het koninklijk besluit over de permanente vorming is momenteel in voorbereiding. Alle betrokken experts en vertalers-tolken kunnen zich reeds registreren in het register, dat momenteel door de FOD Justitie wordt uitgebouwd. Er zijn 1 823 experts en 1 545 vertalers-tolken, die dat inmiddels hebben gedaan. Maandelijks komen er gemiddeld 45 experts en 35 vertalers-tolken bij.

 

In afwachting van het definitieve register kan zowel uit het tijdelijke register als uit de lokale lijsten een deskundige worden aangesteld. Op termijn wordt het nationaal register de enige referentie.

 

De problematiek omtrent de eedaflegging van de tolken, die u hebt geschetst, is mij uiteraard bekend. Daarbij is voor de eedaflegging van de vertalers, tolken en vertalers-tolken die niet in het nationaal register zijn ingeschreven, bepaald dat zij per opdracht de eed moeten afleggen.

 

De eedformule is naar analogie van de formule voor de deskundigen in de verleden tijd opgesteld.

 

Dat gaat op voor de vertalers, die de eedformule onderaan hun vertaling aanbrengen. Voor de tolken rijst een probleem, omdat zij de eed gebruikelijk aflegden, vooraleer zij hun opdracht aanvatten. De rechtbanken waren dat niet gewoon. Om onregelmatigheden te vermijden, hebben de procureurs-generaal aangeraden de eed tweemaal te laten afleggen.

 

Mijn diensten hebben een wetsaanpassing voorbereid die de problematiek verhelpt, zodat de tolken de eed afleggen, vooraleer zij hun opdracht aanvatten. De vertalers doen dat aan het einde van de opdracht, waarbij de eedformules op elkaar werden afgestemd.

 

Ik hoop dat die beperkte aanpassing via amendement kan worden ingevoegd in het wetsontwerp betreffende de werklastvermindering, dat reeds is ingediend en weldra in de commissie voor de Justitie zal worden besproken.

 

04.03  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, ik bedank u, omdat u op een dergelijk korte termijn zocht naar een oplossing voor het probleem van de eedaflegging.

 

Uit uw antwoord meen ik begrepen te hebben dat wie niet in het nationaal register is opgenomen, twee keer de eed zal moeten afleggen. Daaruit leid ik af dat wie in het voorlopig register ingeschreven staat, dat niet hoeft te doen en behandeld wordt alsof zijn of haar inschrijving in het register reeds definitief is. Daarover bestond immers ook wat verwarring, zo heb ik althans uit de rondzendbrief afgeleid. Er komt in elk geval een wetswijziging om een en ander te verduidelijken, eventueel na amendering.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de opvolging van een rijverbod en de databank Mercurius" (nr. 23328)

05 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "le suivi d'une déchéance du droit de conduire et la banque de données Mercurius" (n° 23328)

 

05.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het Mercuriusproject bestaat reeds sedert 14 april 2011. Op die datum werd in ieder geval de wet goedgekeurd waarbij dat project opgericht werd. Het is een kruispuntbank met als doel het geïntegreerd beheer van de rijbewijzen waarin alle vervallenverklaringen van het recht tot sturen zullen worden opgenomen. Het is een project met verschillende interne en externe partners met naast de FOD Justitie onder meer de FOD Mobiliteit en de geïntegreerde politie.

 

Uit antwoorden op eerdere vraagstelling begrijp ik dat bij Justitie het nodige zou worden gedaan om eind 2016 de databank MaCH te ontsluiten via Fedict. De bij Justitie aanwezige informatie zou binnenkort, zo zei u toen, in realtime beschikbaar zijn voor de politie voor de uitoefening van verkeerscontroles. Langs de kant van de geïntegreerde politie zou er in drie fasen gewerkt worden. Een eerste fase is de oprichting van de nationale databank met de tijdelijke rijverboden. Een tweede fase is de verbinding met de reeds bestaande beschikbare webservice van Justitie. In een derde fase wordt de bijkomende webservice geactiveerd met de historiek van de rijbewijzen en de bijzondere voorwaarden.

 

Voor de tweede en derde fase antwoordde u op eerdere parlementaire vragen dat dit tegen begin 2018 voorzien zou zijn. De overzending van de uittreksels van de vonnissen gebeurt, zo begrijp ik eveneens uit eerdere vraagstelling, elektronisch via flat files. Het MaCH-computerprogramma maakt de uittreksels automatisch aan en verstuurt die vervolgens naar het strafregister, naar het parket en naar de ontvanger van de niet-fiscale invordering.

 

Mijnheer de minister, is de aanwezige informatie van Justitie ondertussen in realtime beschikbaar voor de politiediensten bij de uitoefening van controlediensten? Zo niet, wanneer verwacht u dat? In november liet u namelijk weten dat het voor "binnenkort" zou zijn. Wordt die informatie bij alle verkeerscontroles gebruikt? Waarom wel of waarom niet?

 

Zijn de fases 2 en 3 van de implementatie bij de geïntegreerde politie ondertussen aangevangen? Zo niet, wanneer wordt dat verwacht?

 

Vanaf wanneer kan een algemene ingebruikname op alle domeinen van het Mercuriusproject verwacht worden?

 

Niet onbelangrijk, binnen hoeveel tijd wordt een vonnis vandaag opgenomen in het MaCH-computerprogramma om het op die manier voor overzending ter beschikking te stellen? Maken alle griffies van de politierechtbanken gebruik van die digitale overdracht?

 

Ik wens er nog een vijfde vraag aan toe te voegen, die ik niet in mijn schriftelijk ingediende voorbereiding had staan, maar misschien kunt u er uit het hoofd op antwoorden, of anders kom ik er later op terug. Is de Mercuriusdatabank ook consulteerbaar door de parketmagistraten met het oog op de opstelling van hun strafvorderingen? Wanneer iemand betrapt wordt op overdreven snelheid, wordt dan ook nagegaan of de betrokkene bijvoorbeeld een rijbewijs heeft?

 

05.02 Minister Koen Geens: In het kader van het project-Mercurius werden de connecties gelegd tussen de verschillende databanken van mobiliteit, politie en Justitie waardoor informatie tussen de actoren nu reeds worden uitgewisseld. Er dienen echter nog programma's te worden ontwikkeld om de uitgewisselde informatie uit deze databanken op het terrein consulteerbaar te maken. Zolang deze ontwikkelingsfase niet is afgerond, kan de algemene ingebruikname op alle domeinen dus niet plaatsvinden.

 

U vroeg binnen hoeveel tijd een vonnis wordt opgenomen in MaCH. Aan de hand van een inlichtingenbulletin wordt de nodige informatie onmiddellijk digitaal overgemaakt aan het Centraal Strafregister. Alle griffies van de politierechtbanken hebben al sinds 2015 toegang tot dat Centraal Strafregister.

 

05.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp zegt u dat alle informatie, ook de informatie die beschikbaar is met betrekking tot het houden van een rijbewijs, wordt ingevoerd en dat ook eventuele vervallenverklaring van het recht tot sturen ook worden ingevoerd. Alle informatie is dus beschikbaar, maar het geheel moet nog worden ontsloten. Daarvoor moeten nog computerprogramma's worden ontwikkeld.

 

Was het niet de opzet van het Mercuriusproject dat men de informatie ook zou kunnen gebruiken? Het lijkt mij vreemd dat men informatie samenbrengt op een bepaalde plaats waar dat vervolgens niet kan worden gelezen  door degenen die dat zouden moeten kunnen lezen.

 

Ik wil u vragen om dit op te volgen zodat dit een efficiënt middel op het terrein kan zijn.

 

U zegt ook dat alle vonnissen via MaCH worden ingegeven. Belangrijk is ook binnen welke tijdsperiode dit gebeurt. Ik verwijs ter zake naar een rapport van het Rekenhof van enige tijd geleden waarin stond dat op sommige griffies vonnissen bleven liggen, tot zelfs voorbij de verjaringstermijn en men zelfs niet meer kon overgaan tot uitvoering van de opgelegde straf.

 

Het spreekt voor zich dat het gebruik van dat programma – op zich nuttig en noodzakelijk – moet gebeuren binnen een redelijke termijn opdat de opgelegde straf efficiënt kan worden uitgevoerd. Ik neem echter aan dat u hier ook niet ongevoelig voor bent en dat u de zaak verder zult opvolgen.

 

Tot slot werd mij gesignaleerd door mensen op het terrein – u kunt dat misschien meenemen – dat het nogal logisch is dat, als een dergelijk instrument bestaat, parketmagistraten ook nakijken of degene die een inbreuk pleegt ook effectief over een rijbewijs beschikt, omdat men op die manier ten minste kan pogen om niet-houders van een rijbewijs uit het verkeer te halen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de instructies aan de parketten bij beroepsprocedures in zaken van ernstige verkeersmisdrijven" (nr. 23329)

06 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "les instructions aux parquets en cas d'appel dans des affaires d'infractions graves de roulage" (n° 23329)

 

06.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik kom terug op de plenaire vergadering van 21 december, waarin de problematiek werd geschetst van iemand die eerder was veroordeeld en nieuwe feiten had gepleegd nog voor zijn eerste zaak in graad van beroep werd behandeld.

 

Ik had u toen gevraagd of men dergelijke zaken niet bij voorrang zou kunnen behandelen. U antwoordde dat u dat zou overwegen en mogelijkerwijs instructie daartoe zou geven.

 

Mijn vragen zijn heel concreet. Wordt dit effectief opgevolgd? Wordt daarvan werk gemaakt of is dat al gebeurd?

 

Worden veelplegers die een rijverbod opgelegd kregen op een proactieve manier opgevolgd en gecontroleerd, of wacht men tot iemand per toeval tegen de lamp loopt bij een routinecontrole? Of doet het parket, dat bevoegd is voor de uitvoering, bij veelplegers proactief een controle in de gemeente, zodat ze eventueel kunnen worden onderschept wanneer zij met de auto rijden?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Cauter, er bestaan reeds instructies van het College van procureurs-generaal om onder meer de misdrijven en de gevallen waarvan u spreekt, bij voorrang te behandelen zoals de zware misdrijven, de noodzaak tot het snel verkrijgen van een rijverbod voor de politierechter, recidive en dies meer. Deze instructies zijn terug te vinden in omzendbrief 10/2006, waarvan ik u een afschrift kan geven. Ik zal tijdens de volgende vergadering van het College vragen of het nodig is de instructies aan te passen en/of opnieuw onder de aandacht te brengen.

 

In het geval van het hoger beroep en de vraag tot snellere definitieve berechting, is het natuurlijk zo dat het openbaar ministerie binnen de beroepstermijn beroep aantekent, maar dat de voortgang van de zitting ten gronde voor een groot deel ook afhangt van de andere partijen en de beslissingen van de correctionele rechtbank zelf.

 

Met betrekking tot uw derde vraag heb ik navraag laten doen bij de politiediensten en bij het openbaar ministerie. Op heden zijn er inderdaad proactieve controles van veelplegers op vraag van het parket of op initiatief van de politie op basis van het vermoeden van misbruik. Die zijn echter nog beperkt. Vanaf het moment dat de gegevensbank van rijbewijzen Mercurius operationeel is op het terrein, zal de algemene en uitgebreide controle met de ANPR mogelijk zijn. In samenwerking met de minister van Binnenlandse Zaken zullen wij de gemeenschappelijke richtlijnen gekend als MFO-3 optimaliseren teneinde het ANPR-gebruik van de politie optimaal af te stemmen op de noden in het kader van de strafuitvoering.

 

In de toekomst streven wij ook naar een link tussen de databank Mercurius en de vaststellingen van de politie in het kader van verkeersinbreuken. Dat zou het voor het openbaar ministerie mogelijk maken om een betere controle op de strafuitvoering te hebben. Zodra een PV met betrekking tot een persoon die een inbreuk heeft begaan maar ook een rijverbod heeft opgelegd gekregen, wordt opgesteld, zal op termijn het parket automatisch worden verwittigd en dan ook, in samenwerking met de politie, de nodige maatregelen kunnen treffen. Ik heb dan ook gevraagd aan de stuurgroep van het project Cross Border om dat op te nemen in de toekomstige ontwikkelingen van het MaCH-systeem van Justitie.

 

06.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ten eerste, uiteraard hangt de afhandeling van een dossier in graad van beroep niet alleen van het openbaar ministerie af. Ze hangt ook af van de wijze waarop al dan niet conclusietermijnen, zoals de termijn van beraad, worden toegekend. De voortgang kan echter worden versneld, door de zaak tijdig in te leiden, wat precies mijn vraag was.

 

Bestaat in zaken van ernstige verkeersinbreuken de mogelijkheid die zaken bij voorrang te fixeren en in te leiden? Op die manier is er tenminste kans dat snelle voortgang met het dossier kan worden gemaakt.

 

Ik heb uw antwoord en zal het nog eens zorgvuldig lezen. Laat mijn vragen echter ten minste een herinnering zijn om aandacht voor de problematiek te hebben.

 

Het is jammer dat een zaak in graad van beroep pas wordt ingeleid twee jaar nadat bijvoorbeeld een veelpleger in eerste aanleg wordt veroordeeld en dat inmiddels bij de veelpleger het gevoel leeft dat hij of zij goed wegkomt. Althans wordt aldus ook de mogelijkheid opengelaten dat de betrokkene blijft rijden en er inmiddels opnieuw ernstige feiten worden gepleegd, wat zou kunnen worden voorkomen, mocht de zaak in graad van beroep snel worden gefixeerd. Dat ligt in de handen van het openbaar ministerie, uiteraard los van de voortgang ter terechtzitting. Ik neem echter aan dat ook op dat niveau iedereen zijn verantwoordelijkheid kan nemen.

 

Ten tweede, inzake uw antwoord op de vraag naar de proactieve controles is het goed dat die controles op het terrein ook gebeuren. Dat is een reden te meer om de ontsluiting van de Mercuriusdatabank snel op te volgen zodat ze effectief kan worden geraadpleegd wanneer men proactief wil controleren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "het nieuwe model van grievenformulier" (nr. 23330)

07 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "le nouveau modèle de formulaire de griefs" (n° 23330)

 

07.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, in de zogenaamde potpourri-II wet werd in artikel 204 van het Wetboek van strafvordering de verplichting ingevoerd om, op straffe van verval van hoger beroep, binnen de beroepstermijn een verklaring van hoger beroep neer te leggen alsook een verzoekschrift ter griffie in te dienen waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen een vonnis worden ingebracht.

 

Het derde lid van dat artikel bepaalt dat appellant daarbij gebruik kan maken van een formulier waarvan het model door de Koning wordt bepaald. Bij KB van 23 november 2017 werd een eerder ingevoerd model van grievenformulier vervangen. Er werd een nieuw model ingevoerd dat het mogelijk maakt om de grieven aan te kruisen, met een beknopte opgave van de redenen. Er is telkens een open ruimte voor de redenen, in de daarvoor voorziene vakjes.

 

Het bij KB vastgestelde modelformulier lijkt dus af te wijken van de wettelijke bepalingen. Het Hof van Cassatie stelde duidelijk dat voor een grief zoals bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt, het niet vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij de hervorming vraagt.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Zal een rechter het hoger beroep vervallen verklaren omdat de appellant op het grievenformulier niet de redenen heeft opgegeven waarom hij een bepaald onderdeel van de beslissing wenst hervormd te zien?

 

In het modelformulier staat thans letterlijk: "De bestreden beslissingsonderdelen van het beroepen vonnis aankruisen en beknopt de redenen opgeven waarom de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd. Niet nauwkeurig bepaalde grieven leiden tot het verval van het hoger beroep." Daardoor wordt minstens de indruk gewekt dat het niet-opgeven van de redenen voor hervorming leiden tot verval van het hoger beroep. Kunt u ter zake duidelijkheid scheppen, mijnheer de minister?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Cauter, vooreerst dien ik u mee te delen dat de wet zelf, namelijk artikel 204 van het Wetboek van strafvordering, niet is gewijzigd sinds de wet van 5 februari 2016.

 

De bepaling is duidelijk. Ik citeer: "Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring van beroep. Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt."

 

In de memorie van toelichting bij de wetswijziging staat ook duidelijk vermeld dat het opgeven van de grieven ook inhoudt dat de redenen worden bekendgemaakt waarom men de hervorming vraagt van de bepalingen van het bestreden vonnis.

 

De wetswijziging van 5 februari 2016 beoogde een doelmatiger behandeling van strafzaken in hoger beroep, voornamelijk door de verplichting in te voeren om de grieven die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht nauwkeurig te bepalen. Daardoor kan het debat in hoger beroep meer punctueel worden gevoerd, kunnen doelloze rechtsmiddelen worden voorkomen en kan worden verholpen dat de appelprocedure verder als een onbeperkte tweede kans wordt beschouwd.

 

De aanpassing van het grievenformulier via het koninklijk besluit van 23 november 2017 komt voort uit de vraag van op het terrein en is uitgewerkt na overleg met magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie, alsook van het Hof van Cassatie.

 

In het nieuwe grievenformulier via dit koninklijk besluit, dat niet verplicht is, wordt geopteerd voor open rubrieken, waarvan de beknopte invulling de appelrechter op duidelijke wijze kan inlichten betreffende de punten en de redenen van het hoger beroep.

 

Het indienen van het verzoekschrift of grievenformulier met nauwkeurige opgave van de grieven houdt evenwel niet in dat de middelen al moeten worden uiteengezet en ontwikkeld. Het bij koninklijk besluit vastgestelde grievenformulier wijkt derhalve geenszins af van de wet, maar versoepelt de invulling ervan.

 

De Raad van State had daarover geen opmerkingen. Het is tenslotte altijd aan de appelrechter om onaantastbaar in feiten te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft aangegeven.

 

07.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, tijdens de parlementaire bespreking hebben we hierover in de commissie voor de Justitie van gedachten gewisseld. U bevestigt dat het grievenformulier, waarbij wordt aangeduid tegen welk beschikkingsonderdeel men in beroep gaat, volstaat om op een geldige en ontvankelijke manier hoger beroep aan te tekenen. Het kan mijns inziens niet de bedoeling zijn om de ontvankelijkheid van hoger beroep te laten afhangen van een volledig uitgewerkte motivering, zowel in rechte als in feite.

 

Ik zal uw antwoord nog eens goed nalezen, mijnheer de minister. U zegt dat de aanduiding van de grieven nauwkeurig moet zijn, om te kunnen spreken over een ontvankelijk ingediend beroep. Betekent "nauwkeurig" ook dat er moet worden gemotiveerd? In het modelformulier heeft men inderdaad gewerkt met open rubrieken en vermeldt men de redenen waarom men in beroep gaat tegen een bepaald beschikkingsonderdeel. Dit was toch niet de bedoeling van de wetswijziging, dacht ik.

 

07.04 Minister Koen Geens: Uitzonderlijk antwoord ik, mevrouw. In de wet staat "nauwkeurig de grieven". In de memorie staat dat de redenen worden bekendgemaakt. Ik heb nu nog eens duidelijk gemaakt dat dit niet inhoudt dat de middelen moeten worden ontwikkeld.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 23384 de Mme Jadin est transformée en question écrite. La question n° 23391 de M. Flahaux sera traitée en commission des Affaires sociales.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de inzet van de spelers bij het gokken" (nr. 23441)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de Kansspelcommissie" (nr. 23442)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de Nationale Loterij" (nr. 23443)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de regels bij het gokken" (nr. 23444)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de regels voor de dagbladhandels" (nr. 23445)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de vergunning voor wedkantoren" (nr. 23446)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de onlineplatforms met virtuele weddenschappen" (nr. 23447)

08 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la mise des joueurs lors des paris" (n° 23441)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la Commission des jeux de hasard" (n° 23442)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la Loterie Nationale" (n° 23443)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les règles en matière de paris" (n° 23444)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les règles applicables aux marchands de journaux" (n° 23445)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les licences des agences de paris" (n° 23446)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les plates-formes en ligne proposant des paris virtuels" (n° 23447)

 

08.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, ik stel voor dat ik al mijn vragen na elkaar stel zodat er een gebundeld antwoord gegeven kan worden.

 

Mijnheer de minister, onlangs preciseerden meerdere mediabronnen dat de gemiddelde inzet van een speler van de Loterij 4,9 euro bedraagt, wat een bescheiden bijdrage vertegenwoordigt. Kent u de gemiddelde inzet van de spelers van de privéoperatoren?

 

In een artikel van Het Nieuwsblad van 30 november las ik dat de loterij- en krasspelen een zwakker verslavingspercentage vertegenwoordigen. Voor casinospelen daarentegen is het verslavingspercentage het hoogst. Zou het niet interessant zijn om moderatoren op te leggen in evenredigheid met het verslavingspercentage? Zouden voor spelen die het hoogst verslavingsrisico inhouden niet de strengste en het grootst aantal moderatoren kunnen worden opgelegd? Is het niet beter om bonussen te verbieden of enkel bonussen toe te kennen voor zeer lage bedragen en zonder voorwaarden?

 

Het beheerscontract van de Nationale Loterij bepaalt dat de Nationale Loterij elk jaar 320 miljoen euro aan de Staat moet storten. Weet u hoeveel de privéoperatoren aan de Staat storten?

 

In een artikel in Het Nieuwsblad van december las ik een samenvatting van een studie van de Universiteit van Gent over de kansspelen. In het artikel staat dat de online spelers zelf om meer regels vragen. Overigens verklaart Marjolein De Paepe in Dag Allemaal van 23 januari dat de sector genoeg maatregelen heeft genomen om het verslavingsrisico te beperken. Mijnheer de minister, vindt u dat dit klopt, zijn er voldoende maatregelen tegen verslavingsrisico's? Is de stelling van mevrouw De Paepe niet in tegenspraak met wat de spelers zeggen?

 

Tijdens de hoorzittingen over de Kansspelcommissie werd er gesproken over het convenant dat zal moeten worden afgesloten tussen de gemeenten en het kandidaat-wedkantoor. Die maatregel, in combinatie met een vermindering van het aantal wedkantoren van 680 naar 600, zou tot gevolg hebben dat heel wat mensen zich tot nepdagbladhandels zullen wenden. Toch zullen in de nieuwe regeling de regels voor de vestiging en de uitbating van een dagbladhandel niet worden gewijzigd. De VVSG heeft in haar memorandum van dit jaar voorgesteld om ook de regels voor de vestiging en uitbating van dagbladhandels te wijzigen en te voorzien in een mogelijkheid voor de gemeenten om een advies uit te brengen bij de vergunning F2 van dagbladhandelaars, naar analogie van de wedkantoren. Er kan gewerkt worden met een lijst van gemeenten die adviezen willen uitbrengen en/of waarbij de Kansspelcommissie geen vergunning aflevert alvorens het advies van de gemeente ontvangen te hebben. De gemeenten kunnen de mogelijkheid krijgen tot aflevering van de uitbatingsvergunning voor dagbladhandelaars. Wettelijke bepalingen voor wedkantoren kunnen ook aan dagbladhandelaars met een vergunning F2 opgelegd worden. De procureur des Konings of de arbeidsauditeur kan de mogelijkheid krijgen om de kansspelvergunning te schorsen als er bij de kansspelcontroles niet voldaan wordt aan de vereisten van de functie of aan de uitbatingsvoorwaarden van de dagbladhandel, totdat de Kansspelcommissie zich uitspreek over een sanctie.

 

Mijnheer de minister, is het niet aangewezen om, zoals de VVSG voorstelt, de regels voor de vestiging en uitbating van de dagbladhandels te wijzigen?

 

Dan kom ik aan mijn zesde vraag.

 

In het nieuwe wetsontwerp zal de regeling van de wedkantoren van categorie IV worden afgestemd op die van de speelhallen. Dit wil zeggen dat een convenant zal moeten worden afgesloten tussen de gemeenten en het kandidaat-wedkantoor.

 

Is het niet aangewezen om daarnaast ook in de mogelijkheid te voorzien om de wedkantoren te onderwerpen aan een voorafgaande vestigingsvergunning van de gemeente zoals dat nu reeds het geval is voor nachtwinkels en privébureaus voor telecommunicatie, de zogenaamde belwinkels?

 

Dan kom ik aan mijn laatste vraag over gokken.

 

Vandaag zijn virtuele weddenschappen verboden aangezien zij niet zijn gereguleerd. Toch moet worden vastgesteld dat deze op heel wat online platforms worden aangeboden.

 

Mijnheer de minister, hoe wordt dit tot op vandaag gecontroleerd en gesanctioneerd?

 

Is de Kansspelcommissie van oordeel dat dit verbod in de nieuwe regelgeving moet behouden blijven of dat de keuze moet worden gemaakt voor een regulering van deze virtuele spelen? Hoe staat de Kansspelcommissie tegenover een totaalverbod op online gokken of minstens een verbod op online casinospelen, zoals dat in Nederland, Frankrijk en Duitsland het geval is?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, sta mij toe om aan te vangen met te zeggen dat onafhankelijk van de vraag of men voor of tegen kansspelen is, België nu eenmaal een systeem kent waarin kansspelen worden toegelaten mits vergunning van de Kansspelcommissie. Het betreft de materie bij uitstek waar verschillende ideologieën over bestaan, gaande van een volledig vrije markt tot een absoluut verbod op kansspelen. De regelgeving die de materie beheerst is dan ook vaak de uitkomst van een compromis.

 

In tegenstelling tot de Nationale Loterij hebben de privéoperatoren op de markt van de kansspelen geen beheersovereenkomst met de Staat. Ze genereren echter wel inkomsten voor de overheid door bijvoorbeeld de specifieke regionale belasting op spelen en weddenschappen en de btw die online operatoren verschuldigd zijn sinds 2017.

 

Het kansspelbeleid in België behoort tot de strengste ter wereld. Het uitsluitingsysteem via het excluded persons information system of EPIS zorgt voor een centraal toegangsverbod, zowel offline als online, en geniet de nodige erkenning in het buitenland waar vaak nog wordt gewerkt met aparte uitsluitingen per inrichting. Daarenboven moeten goksites bijvoorbeeld ook verplicht een banner plaatsen op de website die verwijst naar de hulpverlening, www.gokhulp.be.

 

Tot op heden bestaat er nog geen wetenschappelijke studie die duidelijk het verschil in verslavingsrisico vastlegt naargelang het type spel. Wel is het zo dat het algemeen principe is dat hoe korter de tijd tussen de inzet en het resultaat is, hoe potentieel verslavender het spel is. Dat is ook de reden waarom voor een aantal kansspelen bij KB de maximale inzet, het gemiddeld uurverlies en de winst worden vastgelegd.

 

De problematiek van de bonussen zit vervat in een toekomstig KB rond strengere regulering van reclame.

 

Een gemiddelde inzet van de spelers is mij niet bekend.

 

Er is uiteraard ruimte voor verbetering, zoals altijd, maar ik geloof dat wij vandaag reeds over een aantal goede beschermingsmaatregelen beschikken. Wat betreft de online kansspelen zet de Kansspelcommissie momenteel sterk in op het verfijnen van de identificatieprocedures om deze meer sluitend te maken. Dit blijft echter een complex gegeven.

 

De keuze om online kansspelen toe te laten werd gemaakt door de wetgever in 2010 door de mogelijkheid te creëren om online vergunningen af te laten leveren door de Kansspelcommissie. Het huidige online aanbod van virtuele weddenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van het centraal meldpunt van de Kansspelcommissie. Indien er een klacht binnenkomt wordt er gekeken of er een probleem is met de regelgeving. Indien er een overtreding is, kan de Kansspelcommissie een sanctieprocedure opstarten. Een KB dat de virtuele kansspelen in de fysieke wedkantoren regelt wacht nog op een advies van de Raad van State.

 

Tot slot voorziet de toekomstige wetgeving inderdaad in de verplichting voor wedkantoren om voorafgaand aan het verkrijgen van een kansspelvergunning een convenant af te sluiten met de gemeente. Dit convenant zal bepalen waar de kansspelinrichting wordt gevestigd, de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, de openings- en sluitingsdagen van het wedkantoor, en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt. Door deze mogelijkheden binnen dit convenant wordt de inspraak van de gemeente reeds verzekerd en lijkt een extra vestigingsvergunning een beperkte meerwaarde te bieden.

 

Wat betreft de nepdagbladhandels die zouden kunnen ontstaan in een poging om de strengere regeling rond de wedkantoren te omzeilen, heb ik van mijn zijde verzocht aan de Kansspelcommissie om bijzondere aandacht te besteden aan deze problematiek en desgevallend op te treden waar zij inbreuken vaststelt.

 

08.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u, mijnheer de minister. Het verheugt mij dat er ernstig wordt omgegaan met de mogelijke verslavingsgevolgen van al die systemen. Wij zijn bij de strengsten ter wereld en dat is zeer oké, maar als men op internet rondkijkt, dan raakt men heel makkelijk op sites uit andere landen. Het lijkt mij nodig om hier, al dan niet samen met Volksgezondheid, de verslavingspercentages te bekijken en op te volgen. Ik denk immers dat die eerder toenemen dan afnemen en dat is een groot gevaar voor de samenleving waarin wij leven, zeker voor minderjarigen die, zoals we op de hoorzittingen hebben vastgesteld, door met andere accounts in te loggen het slachtoffer dreigen te worden van veel verslavingsmogelijkheden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23469 van de heer Koenraad Degroote wordt uitgesteld.

 

09 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "het in beslag nemen van het wapen van jagers bij het niet kunnen voorleggen van een model 9-formulier" (nr. 23534)

09 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la confiscation de l'arme des chasseurs ne pouvant présenter un formulaire modèle 9" (n° 23534)

 

09.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verneem van jagers dat de politie als algemene richtlijn zou gekregen hebben dat wanneer ten gevolge van een controle in het verkeer of daarbuiten een persoon die een wapen vervoert en die zijn model 9 niet kan tonen, er onmiddellijk wordt overgegaan tot inbeslagname. Model 9 is een overdrachts- en registratiedocument, geen titel van wapenbezit of wapendracht. De titel van wapenbezit is voor een jager nog steeds en alleen het jachtverlof.

 

Krachtens artikel 12 van de wapenwet zijn jagers vrijgesteld van vergunningen en nergens staat er vermeld dat ze een model 9 bij de hand moeten hebben. Ik verwijs hierbij ook naar artikel 25 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 en een arrest van de Raad van State van 29 juni 2015.

 

Mijnheer de minister, ik heb in de schriftelijk neerslag de vraag nog wat verder geduid, maar ik zal komen tot mijn zeer concrete vragen.

 

Is het juist dat er een algemene richtlijn bestaat dat wanneer een jager zijn model 9-formulier niet kan voorleggen, er onmiddellijk wordt overgegaan tot inbeslagname? Zo ja, ondersteunt u deze richtlijn en op basis van welke wettelijke grondslag wordt er overgegaan tot inbeslagname?

 

Van wie gaat deze richtlijn desgevallend uit? Indien deze richtlijn niet zou bestaan, hoe komt het dan dat de politiediensten overgaan tot onmiddellijke inbeslagname wanneer een jager zijn model 9-formulier niet kan voorleggen?

 

Zult u initiatief nemen om deze situatie uit te klaren zodat jagers ten velde niet steeds geconfronteerd worden met deze hoogst ongebruikelijke situatie?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Cauter, de situatie die u beschrijft werd eind vorige week voor het eerst bij ons aangekaart door een jagersvereniging. Mijn kabinet heeft onmiddellijk contact opgenomen met de vereniging om te achterhalen in welke politiezones de praktijk van inbeslagname gebeurt. De vereniging heeft ons die informatie nog niet meegedeeld. Ook via de vaste commissie van de lokale politie konden wij niet meer te weten komen.

 

Mocht er ter zake inderdaad een algemene richtlijn bestaan, dan werd deze niet door mijn administratie of door het College van procureurs-generaal uitgevaardigd.

 

Uit onze analyse blijkt dat het inderdaad volstaat dat een jager zijn jachtverlof bij zich draagt tijdens het vervoeren van zijn jachtwapens. Dit volgt onder meer uit artikel 21 van de wapenwet. Inbeslagname van jachtwapens wanneer de jager geen model 9 voor die wapens bij zich heeft, heeft volgens mijn diensten en volgens het College van procureurs-generaal dan ook geen enkele wettelijke grondslag. De recente wetswijziging heeft hieraan trouwens niet veranderd.

 

Mijn administratie zal verder trachten te weten te komen in welke politiezones het probleem precies rijst en zal deze van ons standpunt in kennis stellen.

 

09.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer duidelijke antwoord, dat op het terrein in elk geval de misvatting zal wegnemen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het slapen op matrassen in Belgische gevangenissen" (nr. 23550)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les nuits sur des matelas posés au sol dans les prisons belges" (n° 23550)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week stelde ik een vraag over de niet-uitvoering van het protocol 436, waarbij het probleem van het slapen van gedetineerden op matrassen in de gevangenis van Brugge naar voren kwam.

 

Gaat het om een geïsoleerd probleem, dat enkel in Brugge opduikt of komt het ook nog in andere gevangenissen voor?

 

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.

 

Ten eerste, mijnheer de minister, hoeveel gedetineerden sliepen in januari 2018 per gevangenis in België op de grond?

 

Ten tweede, hoeveel gedetineerden slapen vandaag per gevangenis in België op de grond?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik betreur net als u dat in verschillende gevangenissen gedetineerden op een matras op de grond slapen. Dat is het geval in Antwerpen, Brugge, Gent, Hasselt, Ieper, Marche en Nijvel. In totaal gaat het over 125 gedetineerden.

 

Ik bezorg het secretariaat van de commissie een tabel met de verdeling per inrichting.

 

Ik doe er alles aan, opdat op redelijk korte termijn in de bestaande inrichtingen extra capaciteit beschikbaar wordt, om aan het probleem te verhelpen.

 

Voor de gevangenis in Brugge gaat het over twee secties, die momenteel wegens personeelsgebrek zijn gesloten. Tevens zijn voorzieningen getroffen, om in de gevangenissen van Beveren en Leuze extra opnamecapaciteit te creëren. Een renovatie van een zeventigtal cellen in de gevangenis te Leuven-Centraal is recent beëindigd.

 

Samen met de administratie monitoren wij het probleem dag na dag in onze zoektocht naar oplossingen die aan het probleem zouden kunnen verhelpen.

 

10.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik was niet mee met het eerste deel van uw antwoord.

 

Kan u nog eens herhalen waar precies op matrassen wordt geslapen?

 

Over Brugge heb ik vernomen dat twee secties zijn gesloten.

 

Hoeveel gedetineerden slapen daar juist op matrassen?

 

Dat was ook een vraag.

 

10.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, u krijgt natuurlijk onmiddellijk het antwoord over de gevangenissen.

 

Voor de gevangenis in Brugge meen ik mij te herinneren dat het over achttien gedetineerden gaat. Dat antwoord geef ik echter uit het hoofd.

 

Dat aantal schijnt fameus mee te vallen. In mijn lijstje, dat u meekrijgt, staat immers dat het over elf gedetineerden gaat. Ik ben er dus nog wat boven gegaan.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de Mme Özlem Özen au ministre de la Justice sur "les effectifs au sein du tribunal du commerce francophone de Bruxelles" (n° 23551)

11 Vraag van mevrouw Özlem Özen aan de minister van Justitie over "de personeelsbezetting bij de Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel" (nr. 23551)

 

11.01  Özlem Özen (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, le président du tribunal de commerce francophone de Bruxelles a décidé d’une série de mesures concernant le fonctionnement des greffes du tribunal. Les greffes seront fermés au public à partir de 12 h 30, les fax seront désactivés, il ne sera plus répondu aux appels téléphoniques les après-midi, …

 

À l’origine de ces mesures, l’explosion du nombre de postes non pourvus au sein du tribunal et des greffes, les chiffres parlent d’eux-mêmes: 26 places restent vacantes sur un cadre de 59, soit 44 % de places vacantes. Concernant le greffe, le cadre est rempli à hauteur de 55 % seulement.

 

Le président annonce que, pour des raisons budgétaires notamment, ces places vacantes ne sont pas publiées et de mentionner également que si des engagements contractuels sont intervenus, la situation reste particulièrement critique. Et de clôturer en rappelant l’augmentation constante de la charge de travail au sein des tribunaux de commerce.

 

Monsieur le ministre, vous conviendrez avec moi que la situation est dramatique. Pour quelles raisons les places vacantes ne sont-elles pas publiées? Quand peut-on espérer qu’elles le soient? La fermeture des greffes a des conséquences tant pour les justiciables que pour les avocats, comment comptez-vous remédier concrètement et rapidement à cette situation? Combien d’engagements contractuels sont-ils intervenus? Pourquoi engager des contractuels?

 

11.02  Koen Geens, ministre: Madame Özen, voici les données actuelles relatives à la situation du tribunal de commerce francophone de Bruxelles.

 

Le cadre des quatorze magistrats est rempli à 100 %. L'un d'eux partira à titre anticipatif le 1er avril en raison de la publication d'une vacance en novembre dernier.

 

Le cadre du personnel judiciaire est rempli à 81 %. En janvier dernier, cinq places vacantes pour le poste d'assistant de niveau C ont été publiées.

 

Selon les informations dont dispose le SPF Justice, deux greffiers sont en congé-maladie de longue durée. La procédure prévoyant une délégation de greffiers a déjà été ouverte. Le tribunal doit également répondre à l'absence pour congé-maladie de cinq collaborateurs, dont trois pour un congé de très longue durée. Néanmoins, ils ne sont pas repris dans les 81 %, comme on compte 22,5 agents sur un cadre de 24.

 

La nomination d'un greffier en chef et des deux greffiers chefs de service pose problème, dans la mesure où le poste du premier a déjà été publié à cinq reprises et celui des seconds à six reprises. Toutefois, aucune candidature n'a été reçue jusqu'à présent. En attendant une nomination, ces fonctions sont heureusement remplies par des membres du personnel qui y sont délégués. Afin de pouvoir attirer des candidats, je propose au président du tribunal d'étendre la procédure de nomination à la mobilité intrafédérale, voire au recrutement externe.

 

Pour le reste, on travaille à un allègement de la charge de travail. Les chiffres relèvent que les procédures relatives aux créances non contestées ont diminué de moitié, y compris à Bruxelles.

 

Les débuts de RegSol ont connu à Bruxelles quelques maladies de jeunesse, qui ont progressivement été soignées. Il est logique qu'un certain temps soit nécessaire pour se familiariser avec les nouvelles applications informatiques. Au demeurant, il est prévu d'intégrer à court terme l'application MaCH au sein des tribunaux de commerce. Ainsi, le travail du greffier sera-t-il facilité grâce aux expériences observées dans les tribunaux qui s'en servent déjà.

 

11.03  Özlem Özen (PS): Monsieur le ministre, je prendrai la peine d'analyser avec attention les chiffres que vous nous avez fournis aujourd'hui. Vous parlez de la charge de travail allégée, des cadres remplis, vous minimisez la situation des greffiers. Dès lors, pourquoi un courrier a-t-il été adressé par le président du tribunal de commerce francophone de Bruxelles à ce sujet? Entre ce que vous dites et la problématique concernant le bon fonctionnement de la justice que les personnes sur le terrain énoncent, il y a plus qu'un fossé. Des moyens supplémentaires doivent être dégagés. D'autres procédures de recrutement doivent être mises en œuvre pour pallier le manque d'effectif et faire en sorte que ces greffes fonctionnent et que la justice soit accessible à tous.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 23417 de Mme Sabien Lahaye-Battheu est transformée en question écrite.

 

12 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de noodzaak voor het opmaken van een Europese conventie over het beroep van advocaat" (nr. 23464)

12 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la nécessité d'établir une convention européenne pour la profession d'avocat" (n° 23464)

 

12.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, als lid van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa werd ik begin vorig jaar aangesteld als rapporteur over, ik citeer, "de noodzaak voor het opmaken van een Europese conventie over het beroep van advocaat". Voor dit rapport zijn er een aantal hoorzittingen gebeurd. Op 12 december 2017 stemde de commissie juridische zaken unaniem voor de opmaak van een Europese conventie over het beroep van advocaat. Op 24 januari 2018 heeft de plenaire vergadering van de Raad van Europa dit voorstel goedgekeurd.

 

Advocaten vervullen een sleutelrol in het vrijwaren van de rechten van de mens en in het vrijwaren van de rechtsstaat. Het is echter verontrustend dat advocaten in bepaalde landen nog steeds geconfronteerd worden met intimidatie, bedreigingen en aanslagen. Dat is duidelijk gebleken uit de hoorzittingen.

 

Wat de mogelijke inhoud van een toekomstige conventie betreft, bestaan er vandaag al basisnormen die relevant zijn voor de advocatuur, zoals het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie van het Europese Hof. Maar die normen zijn niet bindend, net zoals de andere normen die voorgesteld zijn door onder andere internationale verenigingen van advocaten.

 

De omzetting van bestaande niet-bindende normen in een bindend instrument is noodzakelijk. Het nieuwe verdrag zal hieraan tegemoet komen. Ook wordt er een snel en flexibel mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing opgezet om te reageren op onmiddellijke bedreigingen van de veiligheid en onafhankelijkheid van advocaten.

 

Ik wilde de minister hiervan graag op de hoogte stellen en hem vragen of hij de plenaire vergadering van de Raad van Europa bijtreedt op het vlak de noodzaak voor het opmaken van een dergelijke conventie, en of er bepaalde punten zijn  waarop de minister de aandacht wil vestigen in dit kader.

 

12.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, ik heb ondertussen kennis kunnen nemen van het rapport van 12 december jongstleden. De advocaten vervullen een sleutelrol in het vrijwaren van de rechten van de mens en van de rechtsstaat. Ik vind het ook verontrustend dat advocaten in bepaalde landen nog steeds worden geconfronteerd met intimidatie, bedreigingen en aanslagen, zoals is gebleken uit de hoorzittingen van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

 

Ik treed de Parlementaire Vergadering bij inzake de noodzaak om een Europese conventie ter bescherming van het beroep van advocaat op te stellen.

 

Er bestaan vandaag al basisteksten die relevant zijn voor de advocatuur, zoals een resolutie over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten en ook de aanbeveling 21 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de vrijheid van het uitoefenen van het beroep van advocaat. Toch is er op het niveau van de Raad van Europa tot nu toe geen bindend juridisch kader dat de contouren van het beroep definieert met zijn rechten en verplichtingen, zoals de eerbiediging van het beroepsgeheim, het vertrouwelijk karakter van de dialoog tussen de advocaat en zijn cliënt en een burgerrechtelijke en strafrechtelijke immuniteit voor de verklaringen van de advocaat in het kader van zijn professionele activiteiten.

 

In dat kader vind ik het van groot belang dat er, zoals door de Parlementaire Vergadering is gevraagd, een mechanisme van effectief toezicht bestaat dat opmerkingen zou kunnen geven over periodieke rapporten van de lidstaten over de naleving van het verdrag. Evenzeer is het belangrijk dat er een snel en flexibel mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing zou bestaan om te reageren op onmiddellijke bedreigingen voor de veiligheid en voor de onafhankelijkheid van advocaten naar het model van het platform voor de versterking van de bescherming van de journalistiek en de veiligheid van journalisten.

 

Meer nog, zoals de Parlementaire Vergadering stelt, zou een dergelijk platform zelfs opgenomen kunnen worden in een ruimer toekomstig platform ter bescherming van alle verdedigers van de mensenrechten.

 

12.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor de steun die hij uitspreekt en voor het feit dat hij erkent dat een dergelijke conventie noodzakelijk is. Wat vorige maand in de Raad van Europa bij stemming goedgekeurd werd, is nog maar een eerste stap. Het komt nu het Comité van Ministers toe om binnen zes maanden een antwoord te geven over die noodzaak. Pas dan kunnen we effectief een dergelijk verdrag opstellen.

 

Ik dank de minister alvast voor zijn steun.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: M. Thiébaut devait poser la question n° 23276 au ministre de la Mobilité. Elle est transférée ici au ministre de la Justice à propos du manque de soutien apporté aux victimes de la catastrophe de Buizingen.

 

13 Question de M. Éric Thiébaut au ministre de la Mobilité, chargé de Belgocontrol et de la Société Nationale des Chemins de fer Belges, sur "le manque de soutien apporté aux victimes de la catastrophe de Buizingen" (n° 23276)

13 Vraag van de heer Éric Thiébaut aan de minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, over "het gebrek aan steun voor de slachtoffers van de treinramp in Buizingen" (nr. 23276)

 

13.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, voilà près de huit ans qu’a eu lieu un des pires drames que notre pays ait connus: la catastrophe ferroviaire de Buizingen, le 15 février 2010. Elle a ôté la vie à 19 personnes et fait 162 blessés.

 

Si la douleur des familles, des proches des victimes et des rescapés restera éternelle, elle est malheureusement loin de s’estomper vu les suites réservées par la justice à l’accident. Le manque de soutien et l’absence à ce jour d’un procès ne font qu’accentuer la colère et la résignation.

 

Or, il y a quelques semaines, vous avez reçu, avec le premier ministre, des représentants de l’ASBL "Catastrophe ferroviaire Buizingen: plus jamais!". C'était l'occasion de faire le point sur plusieurs revendications leur tenant à cœur. Le compte rendu qui en a résulté a donné lieu, selon mes informations, à de nombreuses déceptions. Leur demande de pouvoir bénéficier d’un statut de victime est rejetée; la durée anormalement longue de la procédure judiciaire ne leur a pas été expliquée et aucun soutien ne leur a été proposé quant au remboursement des frais de justice.

 

Monsieur le ministre, pourquoi refuser l’octroi d’un statut de "victime de catastrophe" aux victimes de Buizingen? Le parallélisme avec les victimes des attentats terroristes de Bruxelles est-il à ce point infondé?

 

En ce qui concerne le procès, l’audience d'ouverture du dossier Buizingen serait prévue pour le 26 mars 2018, soit plus de huit ans après la catastrophe. Confirmez-vous cette date? Pourquoi un délai si long? Comment justifiez-vous auprès des victimes que le délai raisonnable soit aussi largement dépassé par la justice?

 

Enfin, en ce qui concerne les frais de justice, les familles endeuillées et les survivants de la catastrophe se plaignent de devoir payer eux-mêmes pour obtenir une copie du dossier juridique. Au vu de la procédure anormalement longue, un soutien financier de l’État en leur faveur serait-il envisageable ?

 

13.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Thiébaut, je vous remercie. Avant tout, permettez-moi d'exprimer ma compréhension et mes condoléances pour les victimes de cet événement effroyable. J'imagine très bien que l'absence d'un procès sur le fond, tant d'années après les faits, entraîne des frustrations chez tous ceux qui y ont été impliqués d'une manière ou d'une autre. Le parquet de Hal-Vilvorde s'est montré très transparent à cet égard envers les victimes en prévoyant notamment un site internet www.buizingen150210.be qui fournit davantage d'explications sur l'état d'avancement du procès.

 

Il explique l'évolution de cette instruction judiciaire et esquisse un calendrier. Vous constaterez avec moi que l'expertise, donnant l'occasion aux parties concernées de formuler leurs remarques, a nécessité un certain laps de temps. Après la communication de l'instruction par le juge d'instruction, le ministère public a élaboré, en moins de deux mois, une réquisition finale.

 

Lors de l'audience de la chambre du conseil, tenue le 24 avril 2017, il a été fait usage du droit procédural visant à demander un complément d'expertise, ce qui a entraîné un nouveau retard dans la procédure.

 

Le 26 mars 2018, la chambre du conseil décidera si l'affaire doit être renvoyée au tribunal de police de Hal. J'ai très clairement demandé que soit prévu un accueil des victimes lors de cette audience afin de les assister là où il est possible de le faire.

 

Il est vrai qu'une délégation de victimes de la catastrophe ferroviaire de Buizingen a également contacté des collaborateurs de ma cellule stratégique et de celle du premier ministre. J'ai pris connaissance de la lettre envoyée à la suite de ces contacts. Nous leur avons expliqué qu'en matière de frais de copies, un plafond maximal ne pouvait pas être franchi mais qu'une gratuité complète n'était pas possible actuellement, étant donné les frais de fonctionnement de la justice. Dans le cadre de la poursuite de la numérisation des dossiers, nous nous efforçons de diminuer à terme ces frais pour l'ensemble des parties.

 

En ce qui concerne l'extension de la possibilité d'octroyer le statut de solidarité nationale, je dois vous renvoyer à ma collègue, Maggie De Block, compétente pour la loi du 18 juillet 2017 relative au statut national.

 

13.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces précisions. Je ne manquerai pas de me tourner vers votre collègue, Maggie De Block, pour ce qui concerne un volet de ma question.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 23549 de Mme Sabien Lahaye-Battheu est transformée en question écrite.

 

14 Question de M. Éric Thiébaut au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "la fusillade raciste en Italie et la surveillance de l'extrême droite" (n° 23553)

14 Vraag van de heer Éric Thiébaut aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de racistische schietpartij in Italië en het surveilleren van extreemrechts" (nr. 23553)

 

14.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, le week-end dernier, un événement dramatique endeuillait l’Italie: un jeune homme armé s’est livré à une fusillade dirigée contre les personnes à la peau noire dans les rues de sa ville. Les premiers éléments de l’enquête montrent les sympathies d’extrême droite de l’auteur des faits: croix celtiques dans sa chambre, exemplaire de Mein Kampf, littérature sur Mussolini, et autres "joyeusetés". Dans ce contexte, on ne peut que penser aux déclarations de Julian King, commissaire européen à la Sécurité, qui déclarait en mars dernier que l’Europe ne devait pas négliger les risques de sécurité liés à l’extrême droite.

 

Monsieur le ministre, ma question est simple: quelles sont les mesures prises aujourd’hui, dans les compétences qui sont les vôtres, pour lutter contre les mouvements d’extrême droite en Belgique?

 

14.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Thiébaut, la Sûreté de l'État dispose d'une équipe "extrémisme idéologique" qui suit de près le comportement potentiellement violent de l'extrême droite et de l'extrême gauche. Pour la VSSE (Sûreté de l'État), la surveillance de l'extrême droite reste une priorité, même en temps de terrorisme islamique, notamment afin de détecter des contre-réactions possibles de la part de l'extrême droite. À l'instar du terrorisme djihadiste, la menace que représente l'extrême droite se situe dans les groupes moins extrémistes mais également chez des acteurs isolés et plus difficilement traçables.

 

Grâce à la modification en février 2017 de la législation relative aux méthodes particulières de renseignement, la VSSE est désormais en mesure de les appliquer dans des dossiers relatifs à l'extrémisme idéologique. Dans le cadre du plan de lutte contre le radicalisme, la VSSE coopère avec d'autres services tels que l'OCAM, le CGRS, la police fédérale et le Centre de Crise, en vue de suivre les principales menaces émanant de l'extrême droite. Cette mission se déroule notamment, à l'échelle nationale, au sein d'un groupe de travail thématique qui se réunit régulièrement et à l'échelon local, au sein des task forces locales.

 

Par ailleurs, l'objectif est d'étendre la banque de données commune "Foreign Terrorist Fighters" en englobant celle des "Homegrown Terrorist Fighters", qui comprend également le terrorisme inspiré des idéologies d'extrême gauche et d'extrême droite. Cet aspect est manifestement devenu une nécessité, étant donné que cette dernière a commis ou commandité une dizaine d'attentats en Europe et en Amérique du Nord ces deux dernières années. Certains d'entre eux ont pu être déjoués à temps par les services de renseignement et de sécurité à différents endroits dans le monde.

 

14.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 23561 de M. Emir Kir et n° 23574 de Mme Kattrin Jadin sont transformées en questions écrites.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.50 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.50 uur.