Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 28 februari 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 28 février 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.29 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.29 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

Le président: La question n° 23583 de Mme Smaers est retirée.

 

01 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de omzendbrief van het College van procureurs-generaal" (nr. 23588)

01 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la circulaire du Collège des procureurs généraux" (n° 23588)

 

01.01  Annick Lambrecht (sp.a): Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de potpourriwet II ongrondwettelijk is. Met de vernietiging van de wet verdwijnt ook de optrekking van de strafmaat voor moordenaars tot 30 jaar cel. Het probleem is dat er op dit moment al een aantal verdachten terechtstaan, zoals dokter André Gyselbrecht, die berecht wordt voor de kasteelmoord op Stijn Saelens. Anderen hebben beroep aangetekend tegen hun veroordeling in eerste aanleg. Zij kunnen niet meer naar het hof van assisen gestuurd worden. De openbare aanklagers die het arrest bestudeerden, hanteren nu twintig jaar cel als maximumstraf op die processen.

 

Volgens uw kabinet hebben de aanklagers het bij het verkeerde eind en riskeren moordenaars wel degelijk nog steeds 30 jaar. Zij verwezen naar het College van procureurs-generaal dat het vraagstuk bestudeerd heeft en het standpunt heeft ingenomen dat de straf wel degelijk 30 jaar kan zijn. Het college zou hierover een omzendbrief sturen naar alle parketmagistraten.

 

Werd dat standpunt inmiddels bevestigd?

 

Werd de omzendbrief met het standpunt van het College van procureurs-generaal al rondgestuurd? Wanneer is dat gebeurd? Indien niet, wanneer zal dat gebeuren?

 

01.02 Minister Koen Geens: Het Grondwettelijk Hof besliste in zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 inzake de veralgemeende correctionaliseerbaarheid van misdaden dat, ondanks de vastgestelde schending, de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de beslissingen die op grond daarvan vóór 12 januari 2018 zijn genomen – de datum waarop het arrest in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt – worden gehandhaafd.

 

Op 18 januari vaardigde het College van procureurs-generaal een flashrichtlijn betreffende het arrest uit, met name de COL 02/2018. Het College van procureurs-generaal bevestigt daarin het standpunt dat een maximumstraf van 30 jaar mogelijk is voor de voor de correctionele rechtbank hangende misdaden waarop een levenslange opsluiting staat.

 

Het college treedt aldus de visie bij die ter zake werd verwoord door professor Damien Vandermeersch, advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.

 

Om alle onzekerheid uit de wereld te helpen, heeft de regering op de Ministerraad van 26 januari jongstleden het Grondwettelijk Hof om een interpretatief arrest verzocht. Het Grondwettelijk Hof zal naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn uitspraak over dat verzoek doen en daarmee definitief uitsluitsel geven over de interpretatie van zijn arrest.

 

01.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, werd de rondzendbrief dan al verstuurd?

 

01.04 Minister Koen Geens: Op 18 januari.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de gevangenis van Hasselt" (nr. 23822)

02 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la prison de Hasselt" (n° 23822)

 

02.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de gevangenis van Hasselt werd dertien jaar geleden gebouwd voor 340 mannen en 30 vrouwen, om de gedetineerden in een menswaardige omgeving hun detentie te laten uitzitten. Momenteel kampt deze gevangenis met een overbevolking van 200 gedetineerden en slapen er, zoals blijkt uit uw eerder antwoord, 76 gedetineerden op de grond — in heel België zou dat het geval zijn voor 125 gedetineerden —, terwijl er in de Brugse gevangenis twee secties zijn gesloten omdat er te weinig personeel is.

 

Dat er voldoende uitgeruste cellen zijn om mensen op een menswaardige manier te slapen te leggen, maar dat ze niet worden gebruikt wegens personeelstekort, is op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Terwijl de staat van veel gebouwen al jaren te wensen overlaat, blijkt het probleem van het gebrek aan een humane detentie en van overbevolking van de gevangenissen nog te worden versterkt door een falend personeelsbeleid.

 

Ik kan nog begrijpen dat de bouw van nieuwe gevangenissen, waarvoor u afhankelijk bent van het krijgen van de nodige vergunningen, een werk van lange adem is. Maar dat u het personeelsbeleid zodanig laat ontsporen dat behoorlijk uitgeruste gevangenisdelen moeten worden gesloten, terwijl u te veel gedetineerden op elkaars lip laat zitten in de cellen waardoor de werkomstandigheden van de cipiers onmenselijk en gevaarlijk worden, dat gaat er bij mij en bij velen niet in. Matrassenslapers anno 2018, dat is een land als België onwaardig.

 

Mijnheer de minister, wij vragen dat u uw verantwoordelijkheid opneemt en doet wat binnen uw mogelijkheden ligt om een menswaardige detentie te verzekeren. Het is meer dan vijf voor twaalf voor België. Hoeveel veroordelingen moet ons land nog oplopen?

 

Ziehier mijn vragen. Ten eerste, hoe denkt u dat deze gedetineerden straks in onze maatschappij zullen terechtkomen als zij niet eens een bed krijgen in de gevangenis en het gewoon zijn om in overvolle cellen op de grond te moeten slapen?

 

Ten tweede, wat zijn de garanties om wel in voldoende personeel te kunnen voorzien zodra de eerste nieuwe gevangenis wordt geopend?

 

Ten derde, tegen welke datum wordt er in de Belgische gevangenissen niet meer op matrassen op de grond geslapen?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik deel uiteraard uw bezorgdheid dat het gegeven dat in sommige gevangenissen gedetineerden momenteel op een matras op de grond slapen, niet past in een humaan detentiebeleid. Ik heb daarover dan ook met de penitentiaire administratie overleg gepleegd en wij zijn samen op zoek gegaan naar diverse oplossingen om dat fenomeen uit de wereld te helpen.

 

Het aantal grondslapers is door de overbrenging van gedetineerden naar andere inrichtingen intussen al met een twintigtal verminderd. Door de overbrenging en de hierna vermelde maatregelen moet binnen een aantal weken dat probleem dan ook van de baan zijn. Deze maatregelen zijn enerzijds van materiële aard, namelijk het plaatsen van stapelbedden in cellen waar er ruimte voor is, en betreffen anderzijds het optimaliseren van het capaciteitsbeheer door het overbrengen van gedetineerden naar andere gevangenissen.

 

Ik hoop binnen een redelijke termijn extra capaciteit te kunnen vrijmaken in de gevangenis Leuven Centraal, waar een vleugel recentelijk werd gerenoveerd, alsook in de gevangenis te Brugge, waar momenteel twee afdelingen gesloten zijn wegens personeelsgebrek. Tevens wordt bijkomende capaciteit in gebruik genomen in de gevangenissen te Leuze en te Beveren, zoals dat contractueel tot de mogelijkheden behoort. De noodzakelijke aanwervingen of technische ingrepen zijn momenteel aan de gang. De verdere uitstroom van geïnterneerden naar het forensisch psychiatrisch centrum en naar het reguliere zorgcircuit zal eveneens voor een milderend effect op de gevangenisbevolking blijven zorgen.

 

02.03  Annick Lambrecht (sp.a): Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Er is dus goede hoop. U hoopt op extra capaciteit in Leuven en in twee afdelingen in Brugge. Mag ik ervan uitgaan dat deze over een twee- of drietal weken — u sprak van enkele weken — opnieuw opengesteld kunnen worden? Vooral Brugge interesseert mij.

 

02.04 Minister Koen Geens: Daarvoor zal ik de noodzakelijke rekruteringen gedaan moeten hebben. Voor Brugge zou ik toch rekenen op zes weken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de uitlevering van gevangenen" (nr. 23652)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de weigering van Nederland om nog langer verdachten aan België over te leveren" (nr. 23744)

03 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'extradition de prisonniers" (n° 23652)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "le refus des Pays-Bas de continuer à livrer des suspects à la Belgique" (n° 23744)

 

De voorzitter: Mevrouw De Wit zal niet aanwezig zijn voor haar vraag nr. 23744.

 

03.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, Nederland levert voorlopig geen gevangenen meer uit aan België. Een Amsterdamse rechter schortte alle uitleveringen op. Hij deed dit aangezien gedetineerden hier niet zeker zijn van een bed. In augustus 2017 stelde dezelfde rechtbank ook al alle uitleveringen aan België uit.

 

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen. Ten eerste, hoeveel keer weigerden Nederland en andere landen de laatste drie jaar gevangenen uit te leveren aan België omwille van gevangenistoestanden die men niet menswaardig acht zoals het doen slapen van gevangenen op de grond?

 

Ten tweede, over welke zaken en gedetineerden ging het?

 

Ten derde, hoeveel veroordelingen en door wie liep België reeds op in verband met onwaardige gevangenistoestanden de laatste drie jaar?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, in de eerste plaats wil ik verduidelijken dat Nederland niet heeft geweigerd om personen over te leveren. De rechtbank van Amsterdam heeft enkel de finale beslissing tijdelijk opgeschort teneinde België de mogelijkheid te geven aanvullende inlichtingen en waarborgen te geven over de detentieomstandigheden.

 

Elementen werden verstrekt en bij vonnis van 16 februari 2018 werd de overlevering toegestaan in de door u aangehaalde zaak. Dit betekent dus dat de door België geboden waarborgen afdoende werden geacht voor de lopende overlevering.

 

De rechtbank van Amsterdam heeft de afgelopen jaren enkele keren bijkomende informatie gevraagd aan België over de detentieomstandigheden. Er werd daarbij nooit een overlevering geweigerd.

 

De aan Nederland verstrekte waarborgen zijn de volgende. De overgeleverde persoon wordt in een cel opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting ook op sanitair vlak beantwoorden aan de normen van het CPT van de Raad van Europa en de gedetineerden kunnen binnen het gewone regime deelnemen aan activiteiten buiten de cel zoals de collectieve wandeling, het familiebezoek, de tewerkstelling en de ontspanningsactiviteiten tenzij, zoals voor andere gedetineerden, een veiligheids- of tuchtmaatregel dit zou verbieden. Hun rechten worden dus niet beknot.

 

Voorheen hebben wij tevens dergelijke verzoeken ontvangen van andere lidstaten, te weten een verzoek van Italië en twee verzoeken van het Verenigd Koninkrijk. Ook deze waarborgen werden voldoende geacht voor de overlevering.

 

Buiten de veroordelingen die uitgesproken zijn naar aanleiding van de stakingen die plaatsvonden in mei en juni 2016, zijn er op nationaal vlak geen veroordelingen geweest wegens inhumane materiële detentieomstandigheden. De veroordelingen tot schadevergoeding hadden meestal te maken met een beknotting van basisrechten zoals het recht op één uur in de buitenlucht per dag, het recht op drie volwaardige maaltijden, het recht op contact met een advocaat en het recht op telefonische contacten en ook bezoek van de familie.

 

Inzake de gegarandeerde dienstverlening kan ik u meedelen dat de gesprekken met de vakbonden en binnen de regering lopende zijn. Het is de bedoeling om dat dossier voor de zomer af te ronden.

 

03.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, als ik het goed begrepen heb, zijn de vragen van Nederland, Italië en het Verenigd Koninkrijk vragen om waarborgen te verkrijgen. Eens zij die waarborgen gekregen hebben, willen zij toch uitleveren.

 

U zegt dat er veroordelingen uitgesproken zijn op basis van de stakingen. Over hoeveel veroordelingen ging het in de jongste drie jaar?

 

03.04 Minister Koen Geens: Daartoe moet u opnieuw een vraag indienen. Dat weet ik niet uit het hoofd.

 

03.05  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. André Frédéric au ministre de la Justice sur "la Sûreté de l'État et les sectes" (n° 23753)

04 Vraag van de heer André Frédéric aan de minister van Justitie over "de Veiligheid van de Staat en de sekten" (nr. 23753)

 

04.01  André Frédéric (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, vous avez assuré récemment à mon collègue, Eric Thiébaut, que la Sûreté de l’État (VSSE) "gardait un œil" sur les groupements extrémistes de droite comme de gauche. Ayant reçu des échos inverses, notamment en raison de la focalisation sur le terrorisme islamique, je ne peux que m’en réjouir. Néanmoins, j’aimerais également vous poser la question de l’attention portée actuellement par la Sûreté de l’État aux organismes sectaires nuisibles. Là encore, des rumeurs nous parviennent selon lesquelles ce phénomène serait mis de côté, faute d’effectifs.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous me rassurer sur ce point? Pouvez-vous me faire état des effectifs de la Sûreté de l'État qui traitent actuellement de cette question?

 

04.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Frédéric, lors de son entrée en fonction en 2014, la nouvelle direction générale de la Sûreté de l'État a examiné de manière critique la liste exhaustive des priorités de la VSSE, et en a retiré trois grands axes: le contre-terrorisme; le contre-espionnage et ingérence; la cybermenace, pour laquelle les capacités restreintes ont été octroyées prioritairement. Par le biais du plan d'action de la VSSE, ces objectifs premiers ont été ratifiés par le Conseil national de sécurité, le 13 juillet 2015. Depuis lors, la Sûreté ne suit plus activement la matière relative aux organisations sectaires nuisibles.

 

Si les collaborateurs de la VSSE devaient se réorienter vers ce dossier, il faudrait alors faire face à des lacunes dans d'autres domaines, davantage prioritaires. En revanche, tout groupement à vocation philosophique ou religieuse qui, dans son organisation ou sa pratique, se livre à des activités illégales, liées aux individus ou à la société, ou porte atteinte à la dignité humaine, est suivi par le Centre d'information et d'avis sur les organisations sectaires nuisibles (CIAOSN).

 

Le caractère nuisible d'un groupement sectaire est examiné sur la base des principes contenus dans la Constitution, les lois, les décrets, les ordonnances et les conventions internationales de sauvegarde des droits de l'homme, ratifiés par la Belgique. Toutefois, le suivi des organisations sectaires nuisibles est encore inscrit dans la loi organique des services de renseignement. Si l'actualité nécessite de se concentrer à nouveau sur ce point, il est évident que la VSSE le fera.

 

04.03  André Frédéric (PS): Monsieur le président, je remercie le ministre pour sa réponse. C'est une matière que je suis de très près depuis de nombreuses années. Je croyais connaître la réponse puisque la Sûreté de l'État, lors de la commission d'enquête sur les attentats terroristes, est venue nous l'expliquer. À juste titre, il est compréhensible que des priorités soient prises à l'égard du contre-terrorisme.

 

Mais, monsieur le ministre, je sais aussi le rôle mené par le CIAOSN, rôle auquel vous venez de faire allusion. Il n'a pas les mêmes capacités d'action et d'investigation sur le terrain que la Sûreté peut avoir. Or, je sais que la Sûreté a dû choisir trois priorités parmi les trente, ce qui est une fameuse réduction. J'attire votre attention sur le fait que ce dossier a aussi été pris à la légère, il y a quelques années.

 

En conséquence et par la suite, notre pays a été dans l'obligation de mettre sur pied une commission d'enquête parlementaire en 1996 et un groupe de travail évaluant les recommandations en 2006. Aujourd'hui, force est de constater que notre pays connaît une évolution croissante de ces dérives sectaires dans toute une série de secteurs et, en particulier, dans le domaine de la santé publique.

 

On ne pourra pas dire que je n'aurai pas tenté d'attirer votre attention sur la problématique. Je sais que les moyens sont limités mais je ne voudrais pas qu'un jour nous ayons à souffrir d'un nouveau drame et que soit reproché à l'État belge de ne pas avoir assumé ses responsabilités en la matière. Je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: M. Maingain ne peut nous rejoindre qu'à 15 h 15. Pouvez-vous attendre?

 

04.04  André Frédéric (PS): Rien n'est trop beau pour M. Maingain!

 

Le président: Je lui transmettrai.

 

04.05  André Frédéric (PS): Vous êtes aussi joint, je pense. Et vous restez!

 

Le président: Tout à fait!

 

04.06  André Frédéric (PS): Si vous restez, entre les deux, mon cœur ne balance pas, je reste.

 

Le président: C'est noté. Je vous remercie.

 

05 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "la consommation de cigarettes en prison" (n° 23766)

05 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "het roken van sigaretten in de gevangenis" (nr. 23766)

 

05.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, vous avez récemment annoncé l’interdiction de l’usage des cigarettes électroniques en prison. Cela m'amène à m’interroger sur la situation en matière de cigarettes classiques. En effet, bien que la cause principale de l’interdiction des cigarettes électroniques soit la similitude entre leurs chargeurs et ceux des téléphones portables, ici, d’autres problèmes existent, vous en conviendrez.

 

Le principal est bien évidemment le tabagisme passif que cela cause. Fumer dans une cellule de quelques mètres carrés à peine alors qu’on la partage avec une ou plusieurs personnes peut être très dérangeant pour les autres si elles ne fument pas elles-mêmes. Il est d’ailleurs fréquent d’entendre des détenus interpeller leurs gardiens à ce propos. Les gardiens eux-mêmes sont d’ailleurs également victimes de cette problématique.

 

En France, l’État a récemment été condamné pour cette raison, la Cour ayant estimé que "le détenu étant non-fumeur, son incarcération ne s’est pas déroulée dans les conditions de salubrité requises par la Convention européenne des droits de l’homme". Chez nous, le tabagisme passif a également été reconnu comme une des causes ayant mené la Cour européenne des droits de l’homme à condamner l’État belge à verser une indemnité à d’anciens détenus pour préjudice moral.

 

Plusieurs pays, dont la Grande-Bretagne récemment, ont décidé ces dernières années de purement et simplement bannir la cigarette des prisons. Il s’agit là d’une décision radicale et ayant parfois posé de gros problèmes au sein des établissements.

 

Monsieur le ministre, avez-vous une estimation du pourcentage de fumeurs parmi les détenus de notre pays? De même, avez-vous des chiffres en ce qui concerne les plaintes de la part de détenus ou d’agents en rapport avec ce problème?

 

Quelle est votre position à ce sujet? Envisagez-vous des mesures pour régler ce problème? Ne peut-on imaginer de mettre en place un fumoir accessible à certains moments de la journée, de mettre en place des cellules "fumeur" et d’autres "non-fumeur", voire de réserver la possibilité de fumer aux seules périodes de promenade?

 

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

 

05.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, nous ne sommes pas en mesure de donner une estimation du pourcentage de fumeurs parmi les détenus, car aucun enregistrement n'est établi à ce sujet. Nous n'avons relevé aucune action contentieuse intentée par un détenu et qui ne porterait que sur cet objet. En revanche, celui-ci est parfois évoqué dans certaines plaintes à l'encontre des régimes de détention.

 

En ce qui concerne le personnel, je puis vous confirmer que des agents se sont adressés à la Fondation "Kom op tegen Kanker", afin d'identifier les cellules dans lesquelles les prisonniers fument et de savoir s'il peut être remédié à cette situation. Toutefois, il semble presque impossible de transformer dans la pratique les prisons en zones non-fumeurs. Même dans les régimes les plus favorables - où les détenus sont autorisés à passer une grande partie de leur journée hors de leur cellule -, ils y passeront tout de même quelques heures. Étant donné que la cellule doit être considérée comme étant l'espace privé du détenu, il semble irréaliste d'imposer une interdiction d'y fumer.

 

Il est évident qu'une telle interdiction vaut pour les espaces communs.

 

La création de sections non-fumeurs ne pourrait également répondre que de manière lacunaire à la préoccupation fondée quant aux effets du tabagisme sur la santé, non seulement parce que cela provoquerait une concentration des fumeurs, mais également parce qu'il est difficilement possible de demander aux membres du personnel s'ils se portent candidats pour travailler dans un environnement autorisé aux fumeurs.

 

Je suis donc convaincu que miser davantage sur la prévention et la dissuasion reste la méthode la plus efficace en ce domaine. Certaines prisons développent, en collaboration avec les Communautés, des projets destinés à répondre à la question de la dépendance au sens large, mais aussi plus particulièrement celle de la cigarette.

 

Les produits destinés à arrêter de fumer ne sont pas automatiquement mis à la disposition des détenus par le service médical. À cet égard, nous nous alignons sur le fonctionnement de l'INAMI dans la société libre, prévoyant une intervention pour la première cure. Si la prévention reste une compétence des Communautés, les médecins des prisons sont évidemment disponibles pour offrir un soutien aux prisonniers qui en ont besoin. Il est de même loisible à ces derniers d'appeler la ligne gratuite "Tabac Stop".

 

05.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

J'entends bien qu'une obligation rendrait la situation explosive. Cela étant, et dieu sait si je fume parfois, il convient de protéger le plus faible, à savoir les non-fumeurs. Au risque de paraître révolutionnaire, on pourrait même imaginer une réduction de peine pour ces derniers. De plus, que l'on soit gardien ou détenu, c'est la même toxicité que l'on subit.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Monsieur le président, je vous propose de transformer ma question n° 23925 en question écrite.

 

Le président: C'est bien noté.

 

06 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "les poursuites pour mutilations génitales" (n° 23768)

06 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "rechtsvervolging wegens genitale verminking" (nr. 23768)

 

06.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, on estime qu'au moins 500 000 femmes en Europe ont subi des mutilations génitales.

 

L’Union européenne a mis en place diverses actions qui comprennent notamment une meilleure protection juridique et un meilleur accès au soutien des victimes.

 

Par le biais du programme "Droits, égalité et citoyenneté" de la Commission européenne sont financés des projets visant à lutter contre la violence sexiste et à soutenir ses victimes. En février 2017, une plate-forme web sur les mutilations génitales féminines a été lancée pour former notamment les juges et d'autres professionnels en contact avec les victimes en danger.

 

Monsieur le ministre, combien de dossiers de poursuites judiciaires ont été enregistrés ces cinq dernières années dans le cadre de mutilations génitales féminines en Belgique? Quelle évolution peut-on observer dans le nombre de plaintes? Tous les pays membres de l’Union européenne sont-ils signataires de la Convention d’Istanbul?

 

Les mutilations génitales féminines sont un crime dans tous les États membres de l'Union européenne. La Belgique, conformément au principe d’extraterritorialité, poursuit-elle des auteurs de mutilations génitales féminines dans d’autres pays? Dans l’affirmative, dans quels pays?

 

06.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, il est impossible de recevoir des nouveaux chiffres des poursuites judiciaires dans le cadre d'une question parlementaire orale. Je peux néanmoins vous confirmer qu'au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 août 2017, six affaires de mutilations génitales ont été enregistrées dans les parquets correctionnels.

 

En ce qui concerne la convention d'Istanbul, tous les membres du Conseil de l'Europe l'ont signée, à l'exception de l'Azerbaïdjan et de la Russie.

 

En ce qui concerne la poursuite conformément au principe d'extraterritorialité, la circulaire 6/2017 du Collège des procureurs généraux du 27 avril 2017 prévoit un certain nombre de directives visant à identifier au mieux les signaux susceptibles d'alerter face à une situation de violences liées à l'honneur, à prévenir ces violences et à protéger les victimes. Elle vise également la poursuite systématique des auteurs de mutilations génitales. Dans ce cadre, la circulaire attire expressément l'attention des acteurs concernés sur le principe d'extraterritorialité contenu aux articles 6 à 14 du Titre préliminaire du Code d'instruction criminelle et, en l'espèce, sur la compétence des tribunaux belges en cas de mutilations génitales féminines pratiquées à l'étranger.

 

06.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. Je suis particulière­ment attaché à cette question car les excisions ont des conséquences durant toute la vie des femmes qui en ont été victimes. Le plaisir sexuel – qui compte aussi! – devient quasiment inexistant et c'est inacceptable.

 

Je vous transmettrai une question écrite pour pouvoir obtenir des chiffres plus fouillés.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23469 van de heer Degroote wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

07 Vraag van de heer Koenraad Degroote aan de minister van Justitie over "het advies van de Proefbank voor vuurwapens met betrekking tot invoervergunningen" (nr. 23800)

07 Question de M. Koenraad Degroote au ministre de la Justice sur "l'avis du Banc d'épreuves des armes à feu concernant les licences d'importation" (n° 23800)

 

07.01  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, ik verneem dat er problemen zijn met adviezen die de Proefbank voor vuurwapens te Luik afgeeft betreffende aanvragen voor invoervergunningen door de Gewesten.

 

Verschillende materialen voor ordehandhaving moeten immers ingevoerd worden. Ik denk daarbij aan pepperspray, matrakken, wapenstokken, lastersticks, nachtkijkers en automatische vuurwapens. Daarvoor dienen de Gewesten invoervergunningen af te leveren. Voor de diensten van het openbaar gezag, onder andere voor politiediensten dus, laat de wapenwet die zaken toe op grond van artikel 27 van de wapenwetgeving. De overheid kan die dus aankopen, maar ze moeten eerst ingevoerd en opgeslagen worden door erkende personen die ze dan leveren.

 

De zones bestellen telkens wat zij nodig hebben, maar rekenen erop dat de handelaars voldoende voorraad hebben om aan dringende vragen te kunnen voldoen. Ik vernam dat de directie van de proefbank steevast een negatief advies geeft voor de aanvragen tot invoervergunning telkens de geleverde hoeveelheden groter zijn dan de bestellingen van de politie zelf. Aldus kunnen de handelaars zelf geen voldoende voorraad meer aanleggen.

 

Aangezien dergelijke procedures altijd enkele maanden duren, bestaat het gevaar dat politiezones op den duur in moeilijkheden zullen komen en zich niet tijdig zullen kunnen bevoorraden. Aldus zal bijvoorbeeld pepperspray die vervallen is niet tijdig vervangen kunnen worden. Naar ik verneem is het de ad-interimdirecteur van de proefbank die bestelling per bestelling bekijkt, hoewel dat eigenlijk wettelijk niet zo voorzien is.

 

Het kan volgens mij niet dat door een dergelijk eigengereide houding de politiezones op den duur niet meer tijdig over ordehandhavingsmateriaal kunnen beschikken, vandaar mijn vraag.

 

Bent u op de hoogte van dat probleem? Welke maatregelen zult u daartegen eventueel nemen?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Degroote, over de interpretatie van de federale wet kan ik u met genoegen enkele verduidelijkingen geven. Ik kan mij echter niet uitspreken over de aflevering van importvergunningen of over de adviezen die in dat kader worden gegeven. Daarvoor richt u zich het best tot de Gewesten.

 

De wapenwet verbiedt iedere handeling met verboden wapens zoals pepperspray en matrakken. U haalde terecht artikel 27 van die wet aan, dat in uitzonderingen voorziet voor bestellingen voor de staat of voor openbare besturen. Het gaat in het bijzonder om bestellingen die bestemd zijn voor de ordediensten.

 

Om aan die vraag te kunnen voldoen, voorziet de wet erin dat erkende wapenhandelaars die verboden wapens voorhanden mogen hebben, verwerven en invoeren. In principe geldt die uitzondering alleen voor de bestelde hoeveelheden. Niettemin wordt toegelaten dat erkende wapenhandelaars een beperkte hoeveelheid materiaal bij zich hebben voor prospectie. Dat staat zo uitgelegd in de ministeriële omzendbrief over de toepassing van de wapenwet. Die mogelijkheid is evenwel niet bedoeld voor het aanleggen van een stock van verboden wapens.

 

Zoals de naam al aangeeft, gaat het om gevaarlijke wapens waarmee niet lichtzinnig mag worden omgegaan. De overheid moet te allen tijde kunnen nagaan of de uiteindelijke afnemers van die wapens wel degelijk gerechtigd zijn ze te bezitten en dat zij dus geen zwart circuit voeden. Op dat vlak ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de politiediensten om tijdig te anticiperen op de nodige vervanging van materieel. Mijn diensten werden in ieder geval nog niet door politiediensten gecontacteerd vanwege problemen dienaangaande.

 

07.03  Koenraad Degroote (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitleg. Met mijn vraag bedoelde ik wel degelijk ook politiediensten die in problemen zouden kunnen komen door een dergelijke houding. Ik hoop dat die problemen zich niet voordoen. Ik wil zeker anticiperen. Ik zal de zaak in het oog blijven houden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer Van Hecke, de heer Thiébaut heeft maar één vraag op de agenda. Mag die vraag nu aan de orde komen?

 

07.04  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Ja.

 

08 Question de M. Éric Thiébaut au ministre de la Justice sur "l'adoption d'un arrêté royal prévoyant l'amnistie des armes prohibées par la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes" (n° 23821)

08 Vraag van de heer Éric Thiébaut aan de minister van Justitie over "de goedkeuring van een koninklijk besluit waarbij sommige wapens die verboden zijn door de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, uit het toepassingsveld van de wet worden gelicht" (nr. 23821)

 

08.01  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, les organisateurs de reconstitutions historiques visant à commémorer la fin des guerres 1914-1918 et 1940-1945 sont, aujourd'hui, confrontés à un problème d'envergure. Lorsqu'ils souhaitent faire défiler de vieux blindés datant de la Seconde Guerre mondiale, équipés de vieux canons, ils sont limités par plusieurs dispositions de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes. Dans son chapitre II, article 3, § 1er, point 3, relatif à la classification des armes, cette loi place, en effet, les pièces d'artillerie telles que les canons dans les armes prohibées. Cela, alors même qu'ils sont démilitarisés et mis hors d'état par leurs propriétaires.

 

Pour permettre la présence de ces chars, les organisateurs doivent dès lors pouvoir justifier leur neutralisation via la délivrance d'un certificat. Si pour les chars en provenance de Belgique, cela pose peu de problèmes, il en va différemment pour les véhicules en provenance des pays étrangers. En effet, la loi belge ne reconnaît pas les bancs d'épreuves étrangers pour les armes lourdes non portables. Ceci interdit toute présence de véhicules étrangers équipés de canons sur le sol belge.

 

Face à cette situation, il est urgent de trouver une solution puisque cette année, de nombreuses manifestations sont prévues pour fêter le centenaire de la fin de la guerre 1914-1918. Une des pistes serait de prévoir une amnistie pour ces armes via l'adoption d'un arrêté royal. Il me revient que le SPF Justice étudierait cette option.

 

Monsieur le ministre, qu'en est-il? Un arrêté royal prévoyant l'amnistie pour les pièces d'artillerie telles que les canons équipant les blindés de la guerre 1940-1945 est-il en cours de rédaction? Si oui, permettra-t-il aussi au banc d'épreuves de reconnaître la démilitarisation "artisanale" pour ces armes?

 

Dans la négative, quelle solution proposez-vous pour permettre la présence de telles armes démilitarisées lors des nombreuses manifestations de commémoration prévues cette année en Belgique?

 

08.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Thiébaut, l'article 3, § 2 de la loi sur les armes prévoit que les armes à feu rendues définitivement inaptes au tir selon les critères déterminés par le Roi sont réputées en vente libre.

 

L'arrêté royal du 20 septembre 1991 porte sur les armes à feu d'intérêt historique, folklorique ou décoratif. Le 2 avril 2014, dans le cadre du centenaire de la Première Guerre mondiale, un article 3/1 a été intégré dans cet arrêté royal afin de permettre l'utilisation, dans certaines conditions, d'armes de cette période, lors de reconstitutions historiques.

 

Le matériel militaire qui fait l'objet de votre question, comme, par exemple, des chars, doit être démilitarisé selon les normes valant dans le pays de provenance. Cet article est en vigueur jusqu'au 1er janvier 2019. Mais vu l'efficacité des procédures de contrôle, il est envisagé de le prolonger au-delà de cette date.

 

En ce qui concerne la Seconde Guerre mondiale, la reconnaissance d'une démilitarisation effectuée dans un autre pays n'est effectivement pas prévue pour l'instant. Toutefois, mes services examinent actuellement, en concertation avec les Régions compétentes pour les licences d'importation et d'exportation et avec les organisateurs de telles manifestations, les possibilités d'étendre les procédures de contrôle aux reconstitutions historiques portant sur cette période-ci. Ces discussions se poursuivront au cours des prochaines semaines. J'espère donc trouver une solution assez rapidement.

 

08.03  Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Questions jointes de

- M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "l'annexe psychiatrique de la prison de Lantin" (n° 23739)

- M. André Frédéric au ministre de la Justice sur "les détenus de l'annexe psychiatrique de Lantin" (n° 23752)

- M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la situation à l'annexe psychiatrique de la prison de Lantin" (n° 23985)

09 Samengevoegde vragen van

- de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de psychiatrische afdeling van de gevangenis van Lantin" (nr. 23739)

- de heer André Frédéric aan de minister van Justitie over "de gevangenen in de psychiatrische afdeling van Lantin" (nr. 23752)

- de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de situatie in de psychiatrische afdeling van de gevangenis in Lantin" (nr. 23985)

 

Le président: Monsieur Maingain, vous nous avez rejoints. M. Frédéric a eu de belles déclarations pour vous. Vous n'imaginez pas ce qu'il a dit. Vous êtes le premier à intervenir dans cette série de questions jointes.

 

09.01  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le président, monsieur le ministre, en décembre dernier, le service de psychiatrie de l'hôpital de la Citadelle a décidé de rompre la convention qui le lie à la prison de Lantin. Sauf erreur de ma part, le préavis arrive à échéance en avril. Motif de cette rupture de convention: les conditions de travail qui n'en finissent pas de se dégrader. Les psychiatres se disent incapables de soigner correctement les internés, par manque de personnel d'encadrement. Il n'y aurait plus d'infirmière ni de psychologue pour assurer un suivi global des prises en charge.

 

En commission de la Justice du 3 octobre 2017, j'attirais déjà votre attention sur la difficulté de prendre correctement en charge les personnes internées à la prison de Lantin, qu'elles soient dans l'annexe psychiatrique ou dans une aile "classique".

 

Vous m'avez alors affirmé que "le service psychosocial, le service de soins de santé pénitentiaire, les services d'aide sociale aux justiciables ainsi qu'une équipe mobile travaillent ensemble pour mettre en place une coopération destinée à rendre la prise en charge plus efficiente. Des différentes réunions de travail ont pu émerger, entre autres, des propositions concrètes d'intervention par les trois services d'aide aux justiciables, et une intensification des prises en charge des internés par l'équipe mobile."

 

Aussi, monsieur le ministre, pourriez-vous me faire savoir si l'efficacité de faire déplacer systématiquement une équipe mobile à Lantin a été comparée avec celle d'un encadrement permanent? Une comparaison budgétaire, notamment en termes de coûts d'intervention de l'équipe mobile, a-t-elle également eu lieu?

 

Quelles mesures à court, moyen et long terme avez-vous proposées à la direction de Lantin afin de remédier à cette situation et au manque de médecins psychiatres? Tandis que, dans le délai prévu pour l'expiration de la convention, une solution plus définitive est envisagée. Quand les internés pourront-ils être placés dans un établissement de défense sociale, en tout cas pour ce qui concerne les personnes incarcérées à Lantin?

 

09.02  André Frédéric (PS): Monsieur le ministre, nous avons appris par la presse que les 49 détenus de l'annexe psychiatrique de Lantin ne sont actuellement plus soignés. La commission de surveillance pénitentiaire de Lantin a lancé un appel au secours puisque, depuis plusieurs mois, la prison connaît un manque important de personnel soignant à l’annexe psychiatrique. Il semble que, dans le cadre d’une convention entre votre SPF et le Centre hospitalier régional "La Citadelle", la présence de psychiatres ait été fortement limitée au détriment des internés.

 

Comme l'a dit M. Maingain, entre-temps la convention a été rompue. L’équipe psychiatrique multidisciplinaire qui doit assurer le suivi, en prison, de leur prise en charge est trop limitée, des remplacements n’ayant pas eu lieu et les maladies ayant décimé l’équipe. Comment assurer une prise en charge globale, indispensable à ce type de patients? C’est impossible!

 

On apprend également que sur les 49 internés en décembre, 36 sont maintenus à l’annexe en attente de placement dans un établissement de défense sociale. Seuls six détenus se trouvent effectivement en observation judiciaire. Les détenus concernés devraient être adressés à des centres psychiatriques spécialisés, où la liste d’attente est longue, tant ils sont saturés.

 

La Belgique a été condamnée à plusieurs reprises par la Cour européenne des droits de l’homme pour le manque de soins apportés aux internés en annexe psychiatrique. Si nous n’ignorons pas que vous avez ouvert un certain nombre de places, force est de constater que certains restent encore sur le carreau et que certains établissements sont moins bien lotis que d’autres.

 

Monsieur le ministre, où en sont les négociations avec l’annexe psychiatrique de Lantin? Quand peut-on espérer un déblocage de la situation? Que proposez-vous pour rapidement améliorer les soins psychiatriques indispensables à apporter aux détenus de l’annexe psychiatrique de Lantin? Quand les 36 détenus internés pourront-ils espérer être placés dans des centres psychiatriques spécialisés plus adaptés?

 

09.03  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, mes deux excellents collègues ayant déjà résumé la situation, je vais directement formuler quelques questions précises.

 

La première concerne l'état du cadre du personnel au sein de l'annexe psychiatrique de la prison de Lantin. Quelles sont les perspectives d'évolution à court et moyen terme de la situation du personnel? Qu'en est-il des recrutements annoncés en juin dernier?

 

Comment sont organisées les consultations psychiatriques pour les détenus de l'annexe? Confirmez-vous que la convention liant le SPF Justice et le CHR de la Citadelle a été rompue? Le cas échéant, comment seront organisées les consultations et le suivi des détenus lorsque cette rupture prendra effet?

 

Qu'en est-il des collaborations annoncées en juin dernier afin d'améliorer la prise en charge des détenus?

 

Quelles autres mesures sont-elles envisagées pour améliorer la situation dans l'annexe psychiatrique de la prison de Lantin, à court et moyen terme?

 

09.04  Koen Geens, ministre: Chers collègues, la réforme du système d'internement engagée suit son cours. La diminution du nombre d'internés en prison est très claire: de 1 100 en 2014 à 565 aujourd'hui, soit une baisse de 50 % notamment grâce à l'ouverture des FPC de Gand et d'Anvers mais également grâce à l'extension des capacités en milieu hospitalier classique (Les Marronniers, Bierbeek, Zelzate, etc.) Les efforts continuent puisque la construction de nouveaux établissements est prévue à Paifve, Alost et Wavre.

 

La Santé publique a prévu 80 places supplémentaires pour le sud du pays dans les différentes institutions psychiatriques. Les services DPI collaborent étroitement avec le coordinateur de la Santé publique et les équipes mobiles pour que ces places puissent être occupées le plus rapidement possible et de la manière la plus adéquate possible

 

En ce qui concerne la situation à Lantin, plusieurs démarches ont été entreprises pour améliorer la situation de l'équipe "soins" de cet établissement. Actuellement, la présence de psychiatres est prévue via une convention passée avec le centre hospitalier régional "La Citadelle" mais celle-ci se clôture tard à la fin du mois de mars. De nouvelles démarches de recherche de psychiatres sont en cours.

 

Les psychiatres ont montré leur intérêt pour cette nouvelle fonction mais, à ce stade, il est prématuré de confirmer leur engagement. Néanmoins, je souligne qu'actuellement, les consultations des psychiatres sont toujours organisées telles que convenues, c'est-à-dire selon cinq demi-journées par semaine.

 

Une prise de contact avec des services extérieurs (Service d'aide sociale aux justiciables - SASJ) a été effectuée pour une collaboration plus intensive dans la prise en charge des patients résidant à l'annexe de Lantin par le biais d'accompagnements sociaux, d'entretiens de soutien et de suivi psychologique, d'intensification des interventions, etc.

 

En ce qui concerne l'équipe "soins" à l'annexe de cette prison, un assistant social, un ergothérapeute et une éducatrice sont actuellement présents. Pour le poste d'infirmier, une consultation des réserves de recrutement n'a pas encore livré de résultats et une nouvelle procédure de recrutement sera prochainement lancée.

 

Pour ce qui concerne les psychologues absents, je viens d'apprendre qu'une de ces deux personnes vient de donner sa démission. Une procédure de recrutement pourra bientôt être relancée afin de la remplacer. Si les entretiens d'embauche aboutissent à de véritables recrutements, l'équipe "soins" de la prison devrait enfin être en nombre suffisant pour assumer ses fonctions.

 

Par ailleurs, la collaboration entre les deux SPF, Santé publique et Justice, quant à la concrétisation des décisions politiques en matière d'internement se poursuit également. C'est dans ce contexte que les équipes mobiles relevant de la compétence du SPF Santé publique sont actives.

 

Elles accompagnent les internés vers l'extérieur et facilitent leur passage en psychiatrie externe régulière. Le placement des 36 détenus internés dépend de la capacité d'accueil, du circuit des soins externes, de l'évolution de l'état du patient, de l'évolution de la liste d'attente des établissements de Paifve et des Marronniers, et des décisions prises au niveau des tribunaux d'application des peines, notamment en leurs chambres de protection sociale.

 

09.05  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je sais bien que des solutions structurelles sont envisagées à moyen ou long terme. En effet, le développement de places supplémentaires dans des institutions spécialisées est annoncé depuis longtemps. Je suis conscient que des procédures administratives et des règles de marché public sont à respecter. Il n'en demeure pas moins que nous avons le sentiment que, pour des situations d'urgence, et Lantin en présente une, même si cette prison n'est sans doute pas le seul établissement pénitentiaire dans le cas, l'administration ne fournit pas de réponse structurée et organisée dans des délais prévisibles.

 

Certes, vous annoncez des procédures d'engagement pour certaines catégories de personnel, mais on constate tout d'abord une réelle insuffisance du nombre de membres du personnel affectés à la mission d'accompagnement des personnes internées dans des établissements pénitentiaires, de manière générale, et particulièrement à Lantin.

 

C'est le manque d'effectifs, dû aux contraintes budgétaires que vous avez imposées unilatéralement à ce secteur de l'accompagnement, qui conduit à la perte de confiance du personnel. Je suis d'ailleurs impressionné de voir le nombre de membres du personnel en congé de maladie, en interruption de carrière, ainsi que de ceux qui démissionnent. J'ai entendu dire qu'une personne avait même démissionné. Je ne connais pas sa motivation, mais ce serait à vérifier. Cela est dû à une charge de travail insupportable. D'ailleurs, les médecins psychiatres eux-mêmes, qui avaient accepté d'assumer les permanences au départ de leur service au CHR La Citadelle, disent qu'avec leurs effectifs, ils ne peuvent pas faire face à la charge de travail. Quant aux cinq demi-journées par semaine qu'ils prestent eux-mêmes, elles ne sont pas suffisantes pour prendre en charge la quarantaine de personnes internées. C'est la conséquence des restrictions budgétaires que l'on a imposées à votre département et que vous avez acceptées. Celles-ci créent une situation intenable qui amènera tôt ou tard, je le crains, d'autres situations encore plus pénibles, plus particulièrement pour les personnes qui doivent être accompagnées sur le plan psychiatrique.

 

09.06  André Frédéric (PS): Dans le même ordre d'idées, et plus brièvement, je dirais que la réaction de mon collègue M. Maingain est juste. J'entends le ministre dire que la convention avec le CHR La Citadelle concernant les psychiatres est toujours en cours. Cependant celle-ci se termine fin mars, c'est-à-dire demain. J'entends qu'il y a des recherches en cours, ce qui ne me rassure pas.

 

Sans vouloir charger la barque, monsieur le ministre, car je ne veux pas vous ennuyer, entre fin mars et l'exécution des engagements en termes de soins de santé dans l'aile psychiatrique, j'ai le sentiment que les jours seront encore plus pénibles là-bas.

 

J'aimerais peut-être attirer votre attention sur un aspect dont vous devriez discuter avec votre collègue de la Fonction publique. On vient de faire allusion aux difficultés de travailler dans le secteur. Il est en effet extrêmement compliqué d'œuvrer en milieu carcéral. Si l'on s'intéresse de près au cas du personnel et à sa stabilité, on s'aperçoit que beaucoup de gens sont là à titre contractuel et attendent parfois depuis de nombreuses années que des examens du Selor soient organisés pour stabiliser leur situation. Ils sont donc comme sœur Anne: ils ne voient rien venir. Il est difficile d'être motivé et impliqué quotidiennement quand on ne sait pas si l'on sera encore en place le lendemain. Ce boulot demande évidemment un investissement humain absolument colossal.

 

Je vais suivre cette affaire et je me demande si je ne vais pas me renseigner sur place afin d'y voir un peu plus clair.

 

09.07  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, nous reviendrons vers vous, puisqu'il faudra vérifier si les initiatives dont vous avez parlé ont été exécutées.

 

Nous aborderons donc de nouveau ce thème, peut-être même au terme d'une visite sur place. Du reste, monsieur Frédéric, nous ne sommes pas très éloignés des bâtiments en question.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 23763 de Mme Evita Willaert est reportée. La question n° 23764 de Mme Kattrin Jadin est transformée en question écrite.

 

10 Samengevoegde vragen van

- de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken" (nr. 23802)

- de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de indexering van de vergoedingen en de laattijdige betaling van vertalers-tolken" (nr. 23805)

- de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de verloning van de vertalers en tolken in strafzaken" (nr. 23946)

10 Questions jointes de

- M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "l'arrêté royal fixant le tarif des prestations des traducteurs et interprètes" (n° 23802)

- M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "l'indexation des rémunérations des traducteurs-interprètes et leur paiement tardif" (n° 23805)

- M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la rémunération des traducteurs et interprètes en matière répressive" (n° 23946)

 

10.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik wil even opmerken dat de vragen die geagendeerd staan eigenlijk schriftelijke vragen waren die niet tijdig zijn beantwoord, waardoor ik mij verplicht zie ze mondeling te stellen. Dat zal wat tijd in beslag nemen. U had in januari beloofd dat u attenter zou zijn wat betreft het tijdig beantwoorden van schriftelijke vragen.

 

Het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden van 22 december 2016 hervormt enkele zaken met betrekking tot de vergoeding voor beëdigde vertalers of tolken. Een aantal zaken is door de FOD Justitie verder verduidelijkt in het kwaliteitshandboek.

 

De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO formuleerde hierover enkele opmerkingen in een recent advies.

 

Een punt gaat over de tijd die vertalers en tolken vaak verliezen tussen twee opdrachten omwille van hun verplaatsing. Wanneer beide opdrachten gebeuren in het kader van een vordering door het gerecht vraagt de Hoge Raad deze tijd ook te vergoeden.

 

De Hoge Raad maakt ook opmerkingen over de complexiteit van de tarifering en stelt het beginpunt van het nachtwerk om 22 uur in vraag. Andere wetten bepalen namelijk steevast dat nachtwerk aanvangt om 20 uur. Bij pro-Deoadvocaten is dat zelfs om 19 uur. Tot slot heeft men ook moeite met de boetes voor geweigerde prestaties, zeker gezien de laattijdigheid van vergoedingen. Daarnaast vindt de Hoge Raad dat er moet nagedacht worden over een beschikbaarheidvergoeding voor wachtdienst 's nachts en in het weekend.

 

Het beroep van beëdigd vertaler-tolk staat onder druk. Meer en meer rechtbanken hebben moeite om tolken te vinden.

 

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, vindt u de vraag om een vergoeding voor de verplaatsingstijd terecht? Zo ja, hoe wil u daaraan tegemoetkomen?

 

Ten tweede, wat is uw eerste evaluatie van de nieuwe tarifering waarbij vertalers worden betaald per lijn van zestig aanslagen en tolken per gepresteerde minuut? Wat is uw reactie op de kritiek van de Hoge Raad?

 

Ten derde, bent u van oordeel dat het beginpunt van de nachtprestaties voor beëdigde vertalers-tolken vroeger zou moeten vallen? Hoe en tegen wanneer wil u daaraan tegemoetkomen?

 

Ten vierde, wat zijn uw bevindingen met betrekking tot de boeteregeling? Hoeveel keer werd er in 2017 al een boete opgelegd? Wat was het totale bedrag van de geïnde boetes?

 

Ten vijfde, wat vindt u van het idee om in een beschikbaarheidvergoeding te voorzien voor de beëdigde vertalers-tolken? Vindt u dit een terechte vraag? Zo ja, op welke termijn denkt u hiervoor een budget te kunnen vrijmaken?

 

Ik kom dan bij mijn tweede vraag met betrekking tot de vertalers-tolken. In een advies vraagt de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO meer aandacht voor de vergoeding van de beëdigde vertalers-tolken. Concreet vragen ze een indexering van deze vergoedingen zoals voorzien in artikel 148 van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

 

Daarnaast kaart men terug de problematiek van de laattijdige betalingen aan. Sommige vertalers werken voltijds voor het gerecht en zijn zelfstandig waardoor een uitgestelde betaling voor grote persoonlijke problemen kan zorgen.

 

Inmiddels blijkt het tekort aan vertalers-tolken steeds nijpender te worden. Er is sprake van het gebruik van Google Translate bij processen, een zeer kwalijke evolutie.

 

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, zal er gevolg gegeven worden aan de vraag om indexering van de vergoedingen voor vertalers en tolken? Waarom wel of waarom niet?

 

Ten tweede, hoe is het op dit moment gesteld met de betalingsachterstand bij Justitie wat betreft de prestaties van vertalers en tolken?

 

Ten derde, welke acties zal u verder ondernemen om deze achterstand weg te werken?

 

10.02  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, dans son avis du 11 octobre 2017 sur "les principes à appliquer aux prestations des traducteurs et interprètes jurés", le Conseil supérieur des indépendants et des PME réclame l'application effective de l'indexation des prestations des traducteurs et interprètes jurés. Il se base pour ce faire sur l'article 148 du Règlement général sur les frais de justice en matière répressive.

 

Le Conseil supérieur regrette également les délais de paiement parfois très longs après la réalisation des prestations.

 

Monsieur le ministre, vous avez, dès le début de la législature, pris à bras-le-corps la question des frais de justice. Dans le Plan Justice, vous annonciez vouloir mieux maîtriser les frais de justice, notamment en modernisant le cadre juridique, en revoyant les tarifs et en rationalisant le traitement comptable. Vous avez déjà concrétisé certaines de ces mesures concernant les traducteurs et interprètes, puisque l'arrêté royal du 22 décembre 2016 a fixé le tarif des prestations des traducteurs et interprètes en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires.

 

Je souhaiterais dès lors faire le point avec vous sur la rémunération des traducteurs et interprètes en matière répressive. L'arrêté du 22 décembre 2016 a-t-il fait l'objet d'une concertation préalable avec les traducteurs et interprètes jurés?

 

Cet arrêté royal est entré en vigueur le 1er janvier 2017 mais il me revient que certaines mesures – telles que la fiche de prestation – ne sont pas prêtes et que des incertitudes subsistent. L'application de cet arrêté royal est-elle évaluée positivement? Une concertation est-elle prévue avec le secteur afin de réaliser cette évaluation? Des manquements ou incertitudes sont-ils toujours constatés dans la pratique? Compte tenu de l'arrêté royal du 22 décembre 2016, l'indexation des rémunérations des prestations des traducteurs et interprètes en matière répressive, conformément à l'article 148 du Règlement général sur les frais de justice en matière répressive, est-elle toujours d'actualité? Des mesures sont-elles prises afin de réduire le délai parfois très long entre la réalisation d'une prestation et sa rémunération? Où en est la mise sur pied de bureaux de frais de justice, qui doivent permettre de rationaliser le traitement comptable des frais de justice?

 

10.03 Minister Koen Geens: Monsieur le président, mijnheer Van Hecke, het koninklijk besluit van 22 december 2016 zal later dit jaar worden geëvalueerd en er zullen enkele aanpassingen worden voorgesteld om tegemoet te komen aan pertinente verzuchtingen. Uiteraard zullen de beroepsorganisaties in de loop van het jaar worden uitgenodigd om hun opmerkingen te bezorgen als basis voor het onderzoek naar wat er kan worden ondernomen.

 

Het advies van de Hoge Raad is mij bekend. Het kan gelden als een inventaris van wensen en raadgevingen die het beroep van gerechtsvertaler-tolk aantrekkelijker zouden maken, maar dergelijke inventarissen houden weinig of geen rekening met de kostprijs en de haalbaarheid van de geuite wensen. De beschikbare middelen zijn, zoals geweten, beperkt en een groot aantal zaken is praktisch niet realiseerbaar in de gerechtelijke wereld die een eigenheid heeft waarbinnen het niet voor de hand ligt om zaken uit andere sectoren over te nemen.

 

De boeteregel voor wie weigert op te treden terwijl hij zich formeel heeft ingeschreven als beschikbaar voor opdrachten is in de praktijk een stok achter de deur die tot nog toe niet effectief is toegepast.

 

De wettelijk voorgeschreven indexering van de tarieven die gelden voor alle prestatieverleners die worden aangesteld in het kader van een strafrechtelijke zaak, is sinds 2013 niet meer gebeurd, maar ook dit jaar vraag ik die indexering opnieuw.

 

De betaling van gerechtskosten gebeurt op twee niveaus. De betalingen bestemd voor vertalers en tolken worden behandeld en uitgevoerd door het lokaal niveau, dat wil zeggen, door de griffies die de kosten genereerden. Er is sprake van een vertraging op dat niveau. Die vertraging is enerzijds te wijten aan een gebrek aan gekwalificeerd personeel op sommige plaatsen, net als aan een gebrek aan middelen, en anderzijds zijn er soms problemen te wijten aan een onvolledige kennis van de instructies, zowel door de bevoegde diensten als in hoofde van de betrokken experts.

 

L'objectif est d'ouvrir d'ici 2019 de nouveaux bureaux locaux centralisés par arrondissement, indépendants des greffes et occupés par des spécialistes, qui sont actuellement recrutés. Les procédures seraient alors réexaminées et rendues plus efficaces.

 

Il y a bien eu des concertations, à plusieurs reprises et sous différentes formes, avec les organisations professionnelles, reconnues ou non, des traducteurs et interprètes lors de la rédaction de l'arrêté royal tarifaire. Il en est de même pour la rédaction du manuel de qualité qui a été diffusé afin de donner des instructions et des explications aux personnes sur le terrain. Il a été tenu compte de leurs remarques et suggestions dans la mesure du possible, c'est-à-dire qu'il a fallu tenir compte du cadre budgétaire et de la nature spécifique du monde judiciaire.

 

L'entrée en vigueur de l'arrêté royal tarifaire était telle qu'il n'était pas encore possible de le mettre en application dans son entièreté, comme les services de terrain n'étaient pas assez bien préparés.

 

Enfin, la nouvelle réglementation permettant la mise sur pied formelle des nouveaux bureaux des frais de justice est en phase finale de sa préparation. L'engagement des premiers membres du personnel, qui seront formés au service central des frais de justice pour devenir assez spécialisés afin d'être en mesure de diriger les bureaux, est en effet en cours.

 

10.04  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u zegt dat wat de Hoge Raad voorstelt gekend is, maar dat er een probleem is qua kostprijs en betaalbaarheid. Vele van de zaken die zij vragen lijken mij niet overdreven, maar zelfs evident te zijn. Als we op termijn willen dat onze Justitie goed werkt, dat er kwaliteitsvolle vertalingen gebeuren van stukken en dat er correct getolkt wordt, hebben we ook nood aan goede vertalers en goede tolken. Die kunnen we enkel bekomen en houden als ze correct en tijdig betaald worden, en als vergoedingen ook geïndexeerd worden. Als dat niet gebeurt, vrees ik dat het steeds problematischer zal worden om nog kwaliteitsvolle mensen aan te trekken.

 

U meldt ook dat een aantal van de vertragingen te wijten zijn aan het gebrek aan gekwalificeerd personeel. Daarop is het antwoord zeer eenvoudig. Laten we investeren in gekwalificeerd personeel. We hebben de laatste jaren enorm zware besparingen op personeel gezien, maar we hebben nood aan gekwalificeerd personeel. Daar ligt een belangrijke opdracht voor u als minister, namelijk om hierin te investeren.

 

10.05  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir fait le point sur la situation.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: U hebt nog vier vragen, mijnheer Van Hecke. Zet u deze om in schriftelijke vragen?

 

10.06  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Het zijn schriftelijke vragen, mijnheer de voorzitter, die omgezet zijn in mondelinge. Ik kan ze dus moeilijk omzetten in schriftelijke vragen.

 

11 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de werking van EuroPris" (nr. 23803)

11 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "le fonctionnement d'EuroPris" (n° 23803)

 

11.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, EuroPris, de European Organisation of Prison and Correctional Services, is een organisatie die medewerkers in Europese gevangenissen vertegenwoordigt en hun standpunten naar buiten brengt. Ook de Belgische gevangenissen zijn lid van EuroPris, via het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen. Hoe de organisatie juist werkt en hoe zij zich verhoudt tot haar leden is niet geheel duidelijk.

 

Recent raakte bekend dat het mandaat van de directeur-generaal Penitentiaire inrichtingen, Hans Meurisse, afliep en dat hij gedetacheerd werd naar EuroPris als internationaal expert.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Ten eerste, welk statuut heeft de organisatie EuroPris juist? Op welke manier verhouden de Belgische gevangenissen en het DG EPI zich juist tot EuroPris? Zijn er kosten aan verbonden? Zo ja, welke kosten? Op welke andere manieren komt die organisatie aan financiële middelen?

 

Ten tweede, wie beheert het secretariaat van EuroPris? Gebeurt dat volledig met eigen middelen of is er een samenwerking met het DG EPI, dat op hetzelfde adres in Brussel gevestigd is?

 

Ten derde, kunt u de opdracht verduidelijken? Wat de detachering van de heer Meurisse betreft, kunt u zijn opdracht en functie verduidelijken? Onder welk statuut valt die detachering? Is er in een bepaalde termijn voorzien voor de detachering? Blijft hij onderworpen aan het statuut van het DG EPI of valt hij, eventueel samen met andere medewerkers, onder een specifiek Europees statuut?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, EuroPris verenigt vertegenwoordigers van penitentiaire organisaties binnen het gebied van de Raad van Europa, met als doel goed werkende professionele gevangenispraktijken uit te wisselen onder de verschillende leden, namelijk de landen die zich erbij hebben aangesloten.

 

Het directoraat-generaal EPI is lid van EuroPris sinds de oprichting ervan in 2011. Het betaalt daartoe een jaarlijkse bijdrage van 6 000 euro. Daarvoor krijgt de penitentiaire administratie toegang tot alle beschikbare informatie die de organisatie in haar kennisdatabank bewaart. Daardoor kan zij ook deelnemen aan congressen, symposia en workshops met betrekking tot penitentiaire thema's allerhande.

 

EuroPris krijgt tevens financiële steun via het Criminal Justice Programme van de Europese Commissie om haar werking verder uit te bouwen. Het secretariaat van EuroPris bevindt zich in Den Haag. Als lid van EuroPris is er uiteraard een samenwerking met het DG EPI. De leden van EuroPris wisselen dagelijks formeel en informeel informatie uit met het oog op de verdere optimalisatie en aanpak van actuele problemen of vraagstellingen.

 

De heer Meurisse fungeert als international senior expert voor de FOD Justitie en is verantwoordelijk voor meerdere expertisedomeinen met betrekking tot de opdrachten van EuroPris die verband houden met België, en in het bijzonder met de FOD Justitie. Hij vertegenwoordigt tevens EuroPris en de FOD Justitie, op mandaat van de voorzitter van het directiecomité, binnen de Europese Unie bij voordrachten in workshops of op themaconferenties. Hij is ook verantwoordelijk voor de organisatie en coördinatie van wetenschappelijk onderzoek betreffende het gevangenisbeleid. Hij staat onder het gezag van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie en is aangesteld via een besluit "verlof voor opdracht". Die opdracht is voorzien voor één jaar en is verlengbaar.

 

11.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat een en ander wat verduidelijkt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "agressieve reclame van gokkantoren" (nr. 23804)

12 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "les pratiques de publicité agressive des agences de paris" (n° 23804)

 

12.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, grote sportevenementen zorgen vaak voor een toename van het online gokken.

 

Gokkantoren spelen daar handig op in door hun publiciteit op te drijven en in te spelen op het desbetreffende evenement. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn bij het wereldkampioenschap voetbal in juni en juli 2018.

 

In het verleden gaf u al meerdere malen aan dat bepaalde reclametechnieken volgens u te ver gaan. Zo worden personen die in het verleden eenmaal interesse toonden, achtervolgd door bijzonder agressieve digitale reclamecampagnes.

 

U zou na pogingen van zelfregulering vanuit de sector nu zelf werken aan een uitvoeringsbesluit rond de problematiek. Daarin zouden onder meer een verbod op opdringerige mailings naar gekende probleemspelers en een verbod op gokreclame tijdens familieprogramma's opgenomen zijn.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Ten eerste, hoe wilt u de gokkantoren verplichten of ertoe aanzetten hun reclamecampagnes minder opdringerig en agressief te laten maken?

 

Ten tweede, wilt u ook de link die gokkantoren graag maken met grote sportevenementen aan banden leggen?

 

Ten derde, in welke maatregelen voorziet u in het uitvoeringsbesluit om deze doelstellingen te realiseren?

 

Ten vierde, wanneer zult u dit uitvoeringsbesluit nemen en wanneer zullen de maatregelen ingaan?

 

Ten vijfde, hoe en op welke termijn zult u evalueren of deze maatregelen hun doel hebben bereikt?

 

12.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Hecke, eerst en vooral wens ik u er attent op te maken dat er specifiek voor de fysieke wedkantoren een ontwerp van koninklijk besluit voorligt dat het aantal moet verminderen. Het aantal is momenteel bepaald op maximaal 1 000 en zal worden verminderd tot 600.

 

Ook de rol van de gemeenten in de vestiging en controle van wedkantoren wordt versterkt. Voortaan wordt ook voor de wedkantoren, naar het voorbeeld van de speelhallen, een convenant met de Gemeenschappen vereist, waarin overeenstemming is bereikt over minstens de vestigingsplaats en de openings- en sluitingsuren. Wedkantoren mogen ook niet meer worden gevestigd in de nabijheid van plaatsen waar minderjarigen komen, tenzij de gemeente daarvan wenst af te wijken.

 

Specifiek inzake reclame is er het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de uitbating van kansspelen en weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten. De nieuwe regels moeten een overaanbod aan reclame tegengaan nadat er alsmaar vaker reclameboodschappen voor kansspelen en weddenschappen opduiken, zowel in het straatbeeld als op radio en televisie en in het bijzonder tijdens grote sportcompetities. In het ontwerp van koninklijk besluit wordt eerst werk gemaakt van regels rond reclame voor online kansspelen, aangezien de wet enkel daarvoor een machtiging aan de Koning verleent. Nadien zullen de fysieke kansspelinrichtingen volgen. Het koninklijk besluit inzake reclame beoogt in de eerste plaats een betere bescherming van de spelers en wil grootschalig geldverlies tegengaan. Voor online wedoperatoren zal het onder meer niet toegelaten zijn om reclame te richten tot spelers die op de EPIS-lijst van uitgesloten spelers staan of tot spelers onder de speelgerechtigde leeftijd. De inhoud van de reclame zal moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden. Zo mogen onder andere winstkansen niet worden overdreven en moeten ze stroken met de realiteit of mag niet worden gesuggereerd dat deelname aan kansspelen een oplossing kan zijn voor financiële problemen of een alternatief kan betekenen voor werken en sparen. Ook moet elke reclameboodschap melding maken van de minimumleeftijd om te mogen gokken, evenals van de slogan 'Gok met mate'. De reclame mag geen melding maken van bonussen of van gratis speldeelnames.

 

De eerste lezing van het ontwerp van koninklijk besluit over reclame werd al goedgekeurd in de Ministerraad van 13 oktober. Nadien werd het ontwerp genotificeerd aan de Europese Commissie die geen opmerkingen heeft gemaakt.

 

In de loop van de volgende weken staan interkabinetbesprekingen gepland, alsook een Overlegcomité, waarna na tweede lezing in de Ministerraad het advies van de Raad van State zal kunnen worden gevraagd.

 

De Kansspelcommissie zal een centrale rol spelen in de toepassing en de controle van het koninklijk besluit reclame. Op basis van haar bevindingen op het terrein kan in een later stadium nog corrigerend worden opgetreden.

 

12.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijke antwoord. Als ik dieper inga op de timing, aangezien u spreekt over interkabinettenwerkgroep en het inwinnen van het advies van de Raad van State, dan vrees ik dat het koninklijk besluit niet gepubliceerd zal worden vóór de start van het wereldkampioenschap voetbal, of is dat toch nog mogelijk?

 

12.04 Minister Koen Geens: Het zal nog voordien zijn.

 

12.05  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Als we de finale halen, op 15 juli?

 

12.06 Minister Koen Geens: U bent een optimist, zoals ik, dus op beide vragen is het antwoord ja.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de studie naar de menselijke impact van verkeersongevallen" (nr. 23806)

13 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "l'étude relative aux conséquences des accidents de la route pour les victimes" (n° 23806)

 

13.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uit de studie ‘Menselijke impact van verkeersongevallen’, opgesteld door het Kenniscentrum Verkeersveiligheid in samenwerking met het vroegere BIVV en de FOD Mobiliteit, blijkt onder meer dat 40 procent van de zwaargewonden en minder zwaargewonden definitief arbeidsongeschikt wordt. Men zou mogen verwachten dat de vonnissen van de politie- en arbeidsrechtbanken die medische realiteit weerspiegelen. In de praktijk wordt echter zelden of nooit een blijvende arbeidsongeschiktheid van meer dan 25 procent toegekend, laat staan 100 procent.

 

Uit de studie blijkt ook dat 50 procent van de verkeersslachtoffers zijn inkomsten met 200 à 1 000 euro per maand ziet zakken. In 20 procent van de dossiers bedraagt het inkomstenverlies meer dan 1 000 euro per maand. Bijna de helft van de verkeersslachtoffers krijgt volgens de studie geen enkele schadevergoeding van de verzekering. Er vallen jaarlijks ongeveer 52 000 gewonden of doden in het verkeer; het betreft dus een aanzienlijk aantal getroffenen.

 

De studie geeft ook aan dat blijvende klachten vaker voorkomen bij licht- tot matig gewonden. In het bijzonder whiplash en hersentrauma worden meermaals vermeld als oorzaak van die langdurige klachten. In de praktijk krijgen deze slachtoffers echter slechts 0 à 3 procent blijvende invaliditeit toegekend, uitzonderlijk wat meer.

 

Deze cijfers zijn op zijn zachtst uitgedrukt alarmerend. Zij kunnen er op wijzen dat er een probleem is met de rechtsspraak rond schadevergoedingen. In het licht van de uitzending van Panorama van 2015, die al meermaals werd aangehaald in de commissie, lijkt de oorzaak van het probleem te zitten bij de verslagen van de gerechtsdeskundigen die in deze zaken meestal worden opgemaakt.

 

Ik heb hierover de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Bent u bereid om een onderzoek te laten verrichten naar de vonnissen bij de politierechtbanken die instaan voor de afhandeling van verkeersongevallen en bij de arbeidsrechtbanken die instaan voor de behandeling van de arbeidswegongevallen? In dat kader lijkt het aangewezen een aantal gegevens per rechtbank en per arrondissement in kaart te brengen. Zo kan er duidelijkheid komen over de omvang van het aantal eventueel foute deskundigenverslagen. Het gaat dan meer bepaald over een overzicht van het toegekende percentage blijvende invaliditeit, een overzicht van het toegekende percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, een overzicht van de toegekende derdenhulp, een overzicht van de toegekende schadevergoedingen en een overzicht van de aangestelde gerechtsdeskundigen, evenals het aantal aanstellingen per gerechtsdeskundige.

 

Welke oplossing stelt u voor aan de verkeersslachtoffers die onterecht zonder schadevergoeding of met een ontoereikende schadevergoeding naar huis werden gestuurd?

 

Bent u bereid een meldpunt op te richten dat de klachten kan bundelen en onderzoeken? Voorziet u in maatregelen voor de verzekeringssector om verkeersslachtoffers alsnog correct te vergoeden?

 

13.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, collega Van Hecke, de problematiek van de verkeersveiligheid betreft in hoofdorde de bevoegdheid van mijn collega van Mobiliteit. Voor wat Justitie betreft, ben ik uiteraard bereid om mee te werken aan de uitvoering van een studie. Het is, mijns inziens, echter niet mogelijk om op statistische wijze een beeld te krijgen van de toereikendheid van de door de rechter toegekende schadevergoedingen. De statistische gegevens in uitsplitsing die u voorstelt, zullen geen duidelijk beeld geven omdat dergelijke elementen getoetst moeten kunnen worden aan de concrete elementen van een dossier. Een studie vergt dus een grondig casusonderzoek op basis van een betrouwbare steekproef van dossiers.

 

Het oprichten van een meldpunt lijkt weinig zinvol. Klachten omtrent rechterlijke uitspraken over de burgerlijke vordering tot schadevergoeding dienen immers via de reeds bestaande en geëigende middelen te worden aangebracht. Daarvoor verwijs ik naar de rechtsmiddelen en specifiek naar de mogelijkheid tot hoger beroep.

 

13.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u zegt dat u bereid bent om mee te werken aan een studie over het onderwerp. Dat is uiteraard positief. Tegelijk geeft u ook al te kennen dat het niet zo evident zal zijn. U vindt het meldpunt weinig zinvol en vindt dat personen die klachten hebben zich moeten melden via de bestaande kanalen.

 

Dat is nu precies het probleem. Ik heb eerder al vragen gesteld hierover. U kent de voorgeschiedenis ook. Een aantal dossiers van de Panorama-uitzending zou door de Hoge Raad geanalyseerd worden. Dat kan dan weer niet omdat er nog geen definitieve uitspraak is. Mensen worden vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Om de problematiek te benaderen is de mogelijkheid tot beroep écht onvoldoende.

 

Ik denk dat de overheid erg grondig moet nadenken over hoe zij hiermee verder omgaat. Het louter bestaan van een mogelijkheid tot beroep zal niet volstaan om de problematiek in kaart te brengen en vertrouwenwekkende maatregelen te kunnen nemen voor slachtoffers die zich in de kou gesteld voelen en de indruk hebben dat ze met hun klachten van het kastje naar de muur worden gestuurd. Daar is volgens mij meer actie nodig.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de hervorming van het veiligheidsadvies over gebedshuizen in het kader van een aanvraag tot erkenning" (nr. 23807)

14 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "la réforme de l'avis de sécurité émis sur les maisons de cultes dans le cadre d'une demande d'agrément" (n° 23807)

 

14.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is de visie van de regering – en die werd herhaald in de meest recente beleidsnota – dat moskeeën die zich houden aan de regels, zoveel mogelijk moeten erkend worden. Op die manier heeft de overheid zicht op wat er gebeurt in de gebedshuizen en ontstaat er wederzijds vertrouwen. Radicale elementen kunnen op die manier sneller gedetecteerd worden. Aan de erkenning hangt bovendien ook een financiering vast.

 

De erkenning van gebedshuizen is een gewestelijke bevoegdheid, maar enkele federale instanties geven advies inzake veiligheid. Die adviesprocedure zou gewijzigd worden. Naast de Veiligheid van de Staat zouden ook de federale en de lokale politie, de militaire inlichtingendienst en het OCAD hun adviezen samen leggen. Ook de Dienst Vreemdelingenzaken en Financiën hebben hun input. U zou een omzendbrief klaar hebben die de procedure moet verduidelijken.

 

Het Vlaams Gewest houdt sinds enige tijd een aantal erkenningen tegen ondanks een positief veiligheidsadvies. De voorgestelde hervorming zou daarop een antwoord moeten bieden. Het is echter de vraag of die nog verschil uitmaakt voor de lopende dossiers. Bovendien heeft minister Homans al aangegeven dat zij ondanks de verduidelijking ook toekomstige aanvragen tot erkenning voorlopig niet positief zal beantwoorden. Zij ziet de omzendbrief vooral als een bevestiging dat het advies voorheen onvoldoende gestoffeerd was.

 

Ten eerste, wat staat er juist in de omzendbrief?

 

Ten tweede, wanneer zal die gepubliceerd worden?

 

Ten derde, wat zal de impact zijn op de lopende dossiers waarvoor reeds een veiligheidsadvies is gegeven?

 

Ten vierde, wat vindt u ervan dat er in Vlaanderen ondanks de omzendbrief de komende twaalf maanden geen nieuwe erkenningen zullen gebeuren?

 

14.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap zijn bevoegd voor de erkenning van lokale geloofgemeenschappen. Ingevolge het samenwerkingsakkoord van 3 juli 2008 moet de federale overheid via de minister van Justitie hiervoor een advies inzake de veiligheid van de Staat en de openbare orde verlenen. De gemeenschappelijke rondzendbrief van 22 juli 2017, die ik samen met mijn collega's van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, Financiën, Defensie, en Asiel en Migratie heb opgesteld, stelt een nieuwe procedure tot totstandkoming van dat advies vast.

 

Dankzij de nieuwe rondzendbrief zijn meer diensten structureel betrokken bij het advies, met name de Dienst Erediensten van de FOD Justitie, de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst voor Inlichtingen en Veiligheid van Defensie, het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse, de federale en de lokale politie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Cel voor Financiële Informatieverwerking.

 

Elke dienst heeft een specifieke taak, waarbij de aandacht ligt op terrorisme, extremisme, radicalisme, inmenging, spionage en georganiseerde criminaliteit en daarmee verbandhoudende feiten.

 

Tevens komt er een betere informatiedoorstroming tot stand tussen de verschillende diensten onderling, met het lokale niveau, met de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap. Er wordt een procedure ingevoerd om een advies af te leveren bij een nieuwe erkenningaanvraag of om een bestaand advies te wijzigen, indien een betrokken dienst bij een reeds erkende geloofsgemeenschap nieuwe pertinente en substantiële informatie vaststelt, waardoor de wijziging van het bestaande advies kan worden gerechtvaardigd.

 

De rondzendbrief, die gedetailleerd ingaat op de operationele werkwijze van de diensten ingevolge het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 over de classificatie en de veiligheidsmachtiging, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, wordt beperkt verspreid en zal dus niet worden gepubliceerd.

 

Adviesaanvragen waarvoor het veiligheidsonderzoek nog niet was gestart, zullen volgens de nieuwe procedure worden afgehandeld. De erkenning zelf van de lokale geloofsgemeenschappen is een gewestmaterie. Het wel of niet overgaan tot erkenning is dan ook een bevoegdheid van de Gewesten en van de Duitstalige Gemeenschap.

 

Ik wil als federaal minister geenszins verhinderen dat een politiek waarin ik net als de onderzoekscommissie naar de terroristische aanslagen in geloof, namelijk de erkenning van een geloofsgemeenschap precies om die op een veilige manier te integreren, voortgezet kan worden.

 

14.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "tienerpooiers en digitale vormen van grensoverschrijdend gedrag" (nr. 23829)

15 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les proxénètes d'adolescents et les formes digitales des comportements transgressifs" (n° 23829)

 

15.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit het rapport van Child Focus met als titel Slachtoffers van tienerpooiers in Vlaanderen, blijkt dat er geen eenduidig beleid is wat betreft het vervolgen van tienerpooiers. Bepaalde tienerpooiers worden vervolgd op grond van mensenhandel, anderen op grond van bederf van de jeugd en prostitutie. Zeker wanneer het gaat om een kleinschalig dossier, een dossier met één tienerpooier en één slachtoffer, wordt de verdachte tienerpooier zelden vervolgd op grond van mensenhandel ondanks het feit dat het sinds 2013 niet meer vereist is dat een verdachte tot een bepaald netwerk behoort om te kunnen worden veroordeeld voor mensenhandel.

 

Deze tweespalt in het vervolgingsbeleid heeft echter belangrijke consequenties. Er is immers een niet te verantwoorden verschil in strafmaat: De strafmaat voor bederf van de jeugd en prostitutie is strenger wanneer het slachtoffer jonger is dan 14 jaar — een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar tegenover 10 tot 15 jaar —, terwijl de strafmaat voor mensenhandel dan weer strenger is als het slachtoffer ouder is dan 16 jaar — een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar tegenover 5 tot 10 jaar.

 

Wanneer het slachtoffer tussen 14 en 16 jaar is, voorziet de wet in dezelfde strafmaat, een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar. Bovendien kunnen de slachtoffers van mensenhandel ingevolge de richtlijn COL 01/2015 en de ministeriële omzendbrief van 26 september 2008 inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, genieten van een specifiek beschermingsstatuut terwijl dat niet het geval is voor de slachtoffers van bederf van de jeugd en prostitutie.

 

Tienerpooierschap hangt bovendien nauw samen met de problematiek van digitale vormen van grensoverschrijdend gedrag.

 

De misdrijven verspreiden van kinderporno en grooming zijn al opgenomen in ons Strafwetboek. Het begrip kinderpornografisch materiaal werd recent nog verduidelijkt. Bij grooming daarentegen rijzen nog altijd grote vraagtekens. Bijvoorbeeld, waarom moet er een voorstel tot ontmoeting zijn vooraleer grooming strafbaar is? Waarom moet het voorstel tot ontmoeting worden gevolgd door materiële handelingen die tot de vermelde ontmoeting leiden om strafbaar te zijn? Wat met de poging tot grooming? Wat als een ontmoeting werd voorgesteld aan iemand die zich voordeed als jonger dan zestien jaar maar in werkelijkheid ouder was, bijvoorbeeld een ouder, broer of zus of een politieambtenaar, zonder dat de groomer zich daarvan bewust was?

 

Daarnaast heeft de groei van sociale media ook tot gevolg dat heel wat nieuwe seksuele delicten zijn ontstaan die tegenwoordig moeten worden beteugeld door strafbaarstellingen verspreid over het Strafwetboek. Ik denk aan wraakporno: afbeeldingen of video's van een al dan niet geheel naakte persoon die vrijwillig aan een ander, vaak de partner, zijn gegeven of door deze zijn gemaakt, die deze op een later moment en zonder toestemming van de eerste persoon verspreidt of dreigt te verspreiden. Ik denk ook aan sextortion: gedrag waarbij seksueel materiaal wordt vergaard waarmee de afgebeelde vervolgens wordt afgeperst. Of ik denk aan sexting bij jongeren: het aanmaken, online doorsturen en delen van seksueel getinte berichten of beelden via gsm of internet.

 

In Nederland is een wetsvoorstel tot modernisering van de zedenwetgeving in voorbereiding. Het doel is om onder meer digitaal gepleegde zedenmisdrijven een duidelijke plaats te geven in het wettelijke kader.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, hoeveel veroordelingen voor tienerpooierschap werden de voorbije drie jaar in België uitgesproken en op grond van welke strafrechtelijke kwalificaties werden de daders veroordeeld?

 

Ten tweede, hoe moet de tweespalt in het vervolgingsbeleid van tienerpooiers volgens u worden opgelost? Vindt u dat tienerpooierschap als specifieke verschijningsvorm van mensenhandel van minderjarigen moet worden geëxpliciteerd in de richtlijn COL 01/2015 zodat vervolgingen altijd op grond van mensenhandel plaatsvinden? Zo ja, zult u dan de strafmaat aanpassen zodat een onderscheid wordt gemaakt tussen minderjarigen jonger of ouder dan 14 jaar?

 

Of vindt u dat de strafmaten voor mensenhandel, bederf van de jeugd en prostitutie met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht met behoud van de strenge straffen, zijnde bij slachtoffers tussen 14 en 18 jaar een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar, en bij slachtoffers onder de 14 jaar een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar, zodat de daders dezelfde straffen riskeren ongeacht de strafrechtelijke kwalificatie waarvoor zij worden vervolgd?

 

Ten derde, op grond van welke strafrechtelijke kwalificaties worden bovenvermelde vormen van digitaal seksueel grensoverschrijdend gedrag, wraakporno, sextortion en sexting bij jongeren vandaag beteugeld?

 

Ten vierde, bent u van oordeel dat deze nieuwe vormen van digitaal seksueel grensoverschrijdend gedrag als afzonderlijke misdrijven dienen te worden opgenomen in ons Strafwetboek?

 

15.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, de loverboymethodiek is een techniek die mensenhandelaars hanteren, vooral ten aanzien van minderjarigen, maar ook ten aanzien van volwassen vrouwen. Een feitenanalyse en de profielen van het slachtoffer en de dader dienen inzicht te verschaffen of er vervolgd moet worden, op basis van artikel 433 quinquies, mensenhandel, en/of artikel 379, bederf jeugd en prostitutie, van het Strafwetboek.

 

Uit de laatste cijfers blijkt dat er in 2015, 2016 en 2017 respectievelijk 30, 38 en 20 veroordelingen waren voor mensenhandel, met de verzwarende omstandigheid dat de feiten werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige. Dit betekent echter niet dat deze gevallen systematisch onder de noemer loverboys vallen.

 

Op basis van de evaluatie in 2014 van de ministeriële omzendbrief van 26 september 2008 inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel, werden verschillende rechtsinstrumenten aangepast teneinde het fenomeen van de loverboys beter te bestrijden. Zo werd het hoofdstuk inzake minderjarige slachtoffers destijds aangepast en werd er specifiek aandacht gevestigd op het fenomeen loverboys.

 

Daarnaast werd ook de omzendbrief van het College van procureurs-generaal en de bevoegde ministers betreffende de opvolging, opsporing en vervolging aangepast, waardoor voorzien werd in een betere communicatie tussen de referentiemagistraten mensenhandel en de jeugdmagistraten.

 

In verband met sexting, grooming en wraakporno kan ik u meedelen dat wraakporno via artikel 371.1 van het Strafwetboek strafbaar werd gesteld en grooming via artikel 377quater van het Strafwetboek. Sexting is als dusdanig geen afzonderlijk misdrijf, maar kan naargelang de aard van de feiten onder reeds bestaande strafbepalingen van het Strafwetboek vallen, zoals voyeurisme, wraakporno, artikel 371.1, het verspreiden van kinderpornografische beelden, artikel 383bis, of het verspreiden van geschriften, afbeeldingen of prenten die strijdig zijn met de goede zeden, artikel 383. Het kan ook een eerste stap zijn binnen het groomingproces.

 

De verschillende aangehaalde delicten die een seksueel karakter hebben en een ernstige inbreuk plegen op de integriteit van een persoon en bovendien steeds meer gelinkt zijn aan IT en sociale media, vragen bijzondere aandacht. Ik wens dan ook te wijzen op de werkzaamheden van de commissie Strafwetboek, die niet alleen de strafmaten maar ook de verschillende aspecten van deze delicten zal opnemen en aanpassen, zodat deze ernstige feiten verder op een adequate manier kunnen worden aangepakt.

 

15.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb nog één vraag. In Nederland is een wetsvoorstel ter modernisering van de zedenwetgeving in voorbereiding. Is hetzelfde hier mogelijk? Nu wordt dit immers allemaal afzonderlijk gezien, terwijl men dit evengoed zou kunnen groeperen onder een apart hoofdstuk.

 

15.04 Minister Koen Geens: Het nieuw strafwetboek zal een nieuwe kijk brengen op de zedenmisdrijven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de inbeslagname van stukken die onder het beroepsgeheim vallen" (nr. 23636)

16 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la saisie de pièces protégées par le secret professionnel" (n° 23636)

 

16.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Op het proces-Poppe beval de voorzitter van het hof van assisen een psycholoog om zijn aantekeningen af te geven. De psycholoog had de zogenaamde diaken des doods behandeld en kwam daarover getuigen. De man mocht wel enkele namen van betrokkenen schrappen uit de aantekeningen maar daarna werden ze door de voorzitter in beslag genomen en gekopieerd voor de jury.

 

Die inbeslagname is, zacht uitgedrukt, merkwaardig en roept een belangrijke juridische vraag op. Kan een rechter namelijk informatie via een beslag verkrijgen wanneer een beroepsgeheimhouder weigert die via getuigenis te geven?

 

In België is het in principe verboden om stukken die onder het beroepsgeheim vallen zoals een medisch dossier, in beslag te nemen. Het kan enkel als de beroepsgeheimhouder zelf verdacht wordt. Misdrijf sluit beroepsgeheim uit.

 

Daarover heb ik enkele vragen.

 

Zonder u uit te spreken over deze concrete zaak, welke zijn de mogelijkheden van een magistraat om informatie te bekomen die gedekt is door het beroepsgeheim van een getuige?

 

Graag kreeg ik zowel een zicht op de mogelijkheden in de situatie waarin de getuige deze informatie vrijwillig wil meedelen, of, indien per drager, wil bezorgen, als in de situatie waarbij de getuige dit niet wil doen.

 

Wat denkt u van de uitlating van de houder van het beroepsgeheim dat toekomstige houders hiervan beter geen dossier meer kunnen aanleggen en niet meer zouden kunnen getuigen als een rechter deze stukken in beslag kan nemen?

 

In de aangehaalde zaak achten sommige houders van het beroepsgeheim het opportuun om toch te spreken en zo verder onheil te voorkomen, terwijl anderen de tegenovergestelde mening waren toegedaan. Hoe komt het dat we dergelijke uiteenlopende visies in hetzelfde proces kunnen hebben?

 

Acht u het nodig om samen met uw collega van Volksgezondheid artsen op één of andere manier te sensibiliseren? Zo ja, plant u enig initiatief en in welke richting?

 

16.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, zoals u zelf reeds in uw vraag aangeeft, is het bijzonder delicaat om uitspraken te doen naar aanleiding van lopende strafzaken, precies omdat dergelijke verklaringen een precedentswaarde zouden kunnen worden toegedicht. Het College van procureurs-generaal weigerde mij bijgevolg verdere toelichting, gelet op de zaak waarnaar u verwijst.

 

Ik kan u slechts in de meest algemene termen antwoorden dat voor informatie die wordt verkregen bij bepaalde beroepsgroepen die ingevolge hun beroep strafrechtelijk tot geheimhouding zijn gehouden, in bepaalde bijkomende waarborgen is voorzien. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de documenten die in beslag worden genomen bij advocaten en artsen. Hier houden vertegenwoordigers van de respectievelijke ordes tot op een zekere hoogte toezicht en kunnen zij aanwezig zijn bij de huiszoeking, zonder dat zij daarbij weliswaar de onderzoeksrechter kunnen verhinderen om bepaalde stukken in beslag te nemen op grond van vertrouwelijkheid.

 

Ik verwijs hier ook naar artikel 66 van de Code van geneeskundige plichtenleer waarin een actieve toezichtsfunctie wordt voorzien voor een afgevaardigde van de provinciale Orde der Geneesheren. Ook de deontologische code voor de psycholoog bevat bepalingen aangaande het beroepsgeheim en de wettelijke uitzonderingen.

 

Daarnaast wil ik u erop wijzen dat de in beslag genomen stukken, zelfs al kennen die een vertrouwelijk karakter, tot het gerechtelijk dossier behoren, dat in de onderzoeksfase op zijn beurt is beschermd door het geheim van het onderzoek.

 

Wat betreft het spreekrecht van de houders van het beroepsgeheim, verwijs ik u ten slotte naar de bepalingen van de artikelen 458 tot en met 458quater van het Strafwetboek waarin de strafrechtelijke bepalingen en wettelijke uitzonderingen liggen vervat.

 

16.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 23873 van mevrouw Van Vaerenbergh wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

17 Question de M. Georges Dallemagne au ministre de la Justice sur "l'information concernant Oussama Atar" (n° 23941)

17 Vraag van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Justitie over "de informatie betreffende Oussama Atar" (nr. 23941)

 

17.01  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, certaines agences de presse donnent Oussama Atar pour mort en Syrie ou en Irak. On sait que son rôle dans les attentats de Paris et Bruxelles, même s’il reste beaucoup de zones d’ombre, est très important.

 

Les circonstances de sa libération lorsqu'il est revenu en 2012, les raisons pour lesquelles le gouvernement belge a activement cherché à le libérer, les raisons pour lesquelles il n’a pas fait l’objet de mesures de surveillance de la part des services de sécurité belges à son retour d’Irak, les raisons pour lesquelles un passeport lui a été délivré contrairement aux promesses des autorités belges à l’égard des autorités irakiennes, sont autant d’énigmes.

 

Monsieur le ministre, la population belge et les victimes des attentats de Paris et Bruxelles ont le droit d’avoir, un jour ou l'autre, le plus tôt possible, des réponses à ces questions. Aussi, avez-vous des informations de nature à confirmer la mort d’Oussama Atar? Le cas échéant, où, quand, dans quelles circonstances?

 

Indépendamment de cela, une enquête judiciaire concernant Oussama Atar est-elle en cours? Dans l'affirmative, se poursuivra-t-elle?

 

17.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Dallemagne, la Sûreté de l'État a reçu des informations pouvant indiquer le décès d'Oussama Atar. Vu la situation dans la zone irako-syrienne, ce type d'information ne peut être totalement confirmé. Ces renseignements sont échangés avec les différents partenaires belges et mis en perspective avec les autres informations récoltées afin d'obtenir une image de la menace la plus récente possible.

 

L'instruction judiciaire ouverte en cause d'Oussama Atar se poursuit.

 

17.03  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, je suis satisfait par la réponse du ministre. Avec les réserves d'usage, il semble indiquer qu'Oussama Atar serait décédé et, ce qui est important, que l'enquête judiciaire se poursuit. Il est primordial de continuer à tenter de faire la lumière sur cette sombre affaire.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

18 Question de M. Georges Dallemagne au ministre de la Justice sur "l'information concernant la Grande Mosquée" (n° 23942)

18 Vraag van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Justitie over "de informatie betreffende de Grote Moskee" (nr. 23942)

 

18.01  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le  ministre, en décembre dernier, en réponse à mes questions, vous m'aviez dit que vous auriez des éléments de réponse au mois de février. Nous sommes fin février et je m'inquiète de ne rien entendre de votre part concernant la rupture de la convention de concession entre l'ASBL de gestion de la Grande Mosquée de Bruxelles (GMB) et le gouvernement belge.

 

Où en êtes-vous? Pourquoi n'avez vous toujours pas signifié la rupture de cet accord? Voilà plus de quatre mois que la commission d'enquête parlementaire a rendu ses recommandations dont une, majeure, n'a toujours pas été mise en œuvre. Quand cette convention sera-t-elle rompue? Le cas échéant, quelles sont les difficultés rencontrées? Quelles sont les perspectives concernant les anciens et nouveaux gestionnaires de ce bâtiment, le contrat cassé?

 

18.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Dallemagne, j'ai rencontré, en mars 2017, le secrétaire général de la Ligue islamique mondiale, pour discuter spécifiquement du Centre islamique et culturel de Belgique, lié à cette Ligue. Durant l'entretien, j'ai indiqué au représentant de l'institution que la Belgique n'hésiterait pas, le cas échéant, à retirer le bail emphytéotique de la Grande Mosquée au Centre islamique et culturel.

 

À la suite du dépôt par la commission d'enquête parlementaire de ses recommandations définitives, j'ai veillé, conjointement avec mon collègue des Affaires étrangères, à ce qu'une délégation de hauts fonctionnaires et d'experts, issus de la Justice et des Affaires étrangères, expliquent personnellement, début novembre 2017, ces recommandations à ce même secrétaire général et au directeur du Centre islamique et culturel de Belgique, ainsi qu'aux autorités saoudiennes.

 

Depuis lors, et sur l'initiative de mon cabinet, des concertations intenses relatives à ce dossier ont été menées entre les cabinets du premier ministre, des Affaires étrangères, de l'Intérieur et de la Justice. La résiliation du bail emphytéotique est une responsabilité du ministre compétent pour la Régie des Bâtiments. En tant que ministre de la Justice du gouvernement, il me revient de décider du suivi du dossier de la Grande Mosquée.

 

Les perspectives concernant les futurs gestionnaires de la Grande Mosquée doivent être conformes aux recommandations de la commission d'enquête parlementaire, à savoir l'élaboration d'une nouvelle convention, avec une nouvelle entité, que le centre de gravité de la gestion de la GMB soit situé en Belgique et que la mosquée sollicite une reconnaissance auprès de la Région de Bruxelles-Capitale.

 

En outre, la commission d'enquête a précisé, à plusieurs reprises, que l'objectif n'est nullement d'empêcher la communauté musulmane de disposer d'un lieu emblématique de son culte. Le Conseil des ministres discutera la semaine prochaine des propositions qui répondent à ces recommandations.

 

18.03  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le ministre, vous ne répondez pas tout à fait à ma question. Pour la bonne compréhension: cela signifie-t-il que la semaine prochaine, une proposition de rupture de la convention est à l'ordre du jour du Conseil des ministres?

 

18.04  Koen Geens, ministre: (...)

 

18.05  Georges Dallemagne (cdH): C'est quand même un peu désagréable. Je vous pose juste cette question: qu'est-ce qui bloque, qu'est-ce qui gêne, quand va-t-on l'avoir? Et vous ne répondez pas. Vous me répétez des choses que je sais déjà par ailleurs. Vous emballez bien les choses. Mais sur ma question proprement dite, vous ne répondez pas. 

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "la pratique systématique d'un examen médico-légal en cas de mort violente ou inattendue" (n° 23749)

19 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "een systematisch forensisch onderzoek bij een gewelddadig of onverwacht overlijden" (nr. 23749)

 

19.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, j'ai une question à propos de la pratique systématique d'un examen médico-légal en cas de mort violente ou inattendue. Selon l’article 44 du Code d’instruction criminelle, "s’il s’agit d’une mort violente ou d’une mort dont la cause soit inconnue et suspecte, le procureur du Roi se fera assister d’un ou de deux médecins qui feront leur rapport sur les causes de la mort et sur l’état du cadavre".

 

Ce cadre légal est large et laisse au procureur du Roi une importante marge d’appréciation quant à l’opportunité de désigner un médecin. Par ailleurs, il n’est pas requis que le médecin désigné ait une formation médico-légale. Or, tant les médecins légistes que les médecins généralistes le reconnaissent: il faut une solide formation médico-légale pour apprécier réellement les circonstances d’un décès et détecter des éléments inhabituels ou signalant l’intervention d’un tiers. Selon certaines études, seulement environ 1 % des décès ferait l’objet d’une autopsie en Belgique, contre 4 % en France et 8 % en Allemagne.

 

Le faible nombre d’autopsies pratiquées dans notre pays aurait pour conséquence qu’un meurtre sur deux ne serait pas réellement détecté. S’il est évidemment difficile de réaliser une telle évaluation, le nombre important d’exhumations réalisées dans notre pays semble indiquer que, dans toute une série de cas, la procédure suivie en cas de décès est insuffisante. C’est la raison pour laquelle certains acteurs du monde judiciaire plaident pour un examen systématique du corps par un médecin légiste ou un médecin formé à la médecine légale, en cas de mort violente ou inattendue. Des propositions de loi ont par le passé déjà été déposées à ce sujet, notamment par mes collègues Brotchi et Defraigne.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous les chiffres concernant la proportion d’autopsies réalisées en Belgique? Sur la base de quels critères le procureur du Roi décide-t-il aujourd’hui de désigner un médecin ou de faire pratiquer une autopsie en cas de mort violente ou suspecte? Existe-t-il des pratiques différentes selon les parquets? Le cas échéant, comment ces pratiques pourraient-elles être harmonisées?

 

Selon votre cabinet, un scénario est suivi par les services judiciaires, à savoir le scénario "meurtre", afin de garantir une meilleure détection de crimes par les services judiciaires. Pouvez-vous nous communiquer davantage d’informations à ce sujet? En quoi consiste ce scénario?

 

Enfin, que pensez-vous des suggestions visant à la pratique systématique d’un examen par un médecin formé à la médecine légale en cas de mort violente ou suspecte?

 

19.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, la police et la justice n'interviennent évidemment que lorsqu'un décès leur est signalé. Dans la majorité des cas, environ 200 par an en Belgique, il est directement évident qu'il est question d'un décès dont la cause n'est pas naturelle. Lors de ces décès suspects, le magistrat du parquet donne, directement à la suite du signalement, des instructions aux services de la police visant à mener une première enquête et à préserver les traces. Il s'agit de services de police spécialisés tels que les labos de la police scientifique et technique ainsi que la recherche. En outre, un médecin légiste est désigné et effectue d'abord une analyse externe sur place. Sur la base de cette analyse et d'autres circonstances, il est décidé de mener ou non une autopsie interne. Dans les cas indiquant une violence exercée par un tiers, le magistrat du parquet requerra immédiatement une instruction judiciaire auprès du juge d'instruction.

 

Des études scientifiques menées à l'étranger démontrent qu'il existe en effet des homicides volontaires qui ne sont jamais découverts. Ce dark number d'homicides non détectés est majoritairement dû à une première évaluation fautive du décès. Lors de la découverte d'un corps, les deux filtres suivants sont appliqués: le médecin de famille constate le décès ou la police de première ligne, si elle en est avisée.

 

Le Plan national de sécurité 2008-2011 reprend une approche plus intensive et qualitative des infractions violentes, en particulier du meurtre et de l'homicide, afin d'améliorer et d'uniformiser la qualité de traitement de ce type de faits graves et traumatisants pour les victimes.

 

Ainsi, le groupe de travail multidisciplinaire "Décès suspects", composé de représentants de la police, de magistrats et d'experts, a élaboré fin 2008 des directives visant à améliorer et à uniformiser la qualité de traitement des enquêtes. La circulaire du ressort prévoit qu'il est opté, lors de décès suspects, pour une approche full option comprenant trois piliers: un pilier technique, un pilier tactique et un pilier médico-légal.

 

Je vais également vous communiquer certains chiffres. Durant la période 2016-2017, l'approche des décès anormaux dans l'arrondissement du Limbourg a mené à 565 descentes déclinées en trois piliers: laboratoire, médecin légiste et enquêteurs tactiques. Cette approche spécialisée a permis d'élucider quatre meurtres qui n'auraient probablement pas été reconnus comme tels auparavant.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

20 Question de M. Philippe Goffin au ministre de la Justice sur "l'impossibilité physique de signer une déclaration de cohabitation légale" (n° 23939)

20 Vraag van de heer Philippe Goffin aan de minister van Justitie over "de fysieke onmogelijkheid om een verklaring van wettelijke samenwoning te ondertekenen" (nr. 23939)

 

20.01  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, la cohabitation légale est à l'heure actuelle régie par le Titre Vbis du Code Civil. L'article 1476 de ce même code prescrit que la déclaration de cohabitation légale doit être remise à l'officier de l'état civil par écrit et que cet écrit doit porter la signature des deux cohabitants.

 

Une difficulté peut survenir lorsqu'une personne se trouve empêchée, pour des raisons physiques, de signer la déclaration de cohabitation légale, alors qu'elle est pleinement en mesure de donner son consentement. Il semblerait que, dans la pratique, l'incertitude règne quant à la manière de régler une telle situation.

 

Dans d'autres procédures, des formalités alternatives ont été prévues. Ainsi, l'article 39 du Code civil relatif aux actes d'état civil énonce que dans une situation où une partie serait dans l'impossibilité de signer, l'officier d'état civil fera mention de la cause qui empêchera la ou les parties de signer. En matière notariale, la loi de Ventôse prévoit que le notaire aura, pour les actes notariés, recours à deux témoins lorsque la personne signataire n'est pas en mesure de signer.

 

Monsieur le ministre, afin d'apporter des éclaircissements à la pratique, je souhaiterais vous adresser les questions suivantes. Dans l'hypothèse où un des cohabitants n'est pas en mesure de signer la déclaration de cohabitation légale, quelle est la procédure à suivre? L'officier de l'état civil peut-il acter la déclaration dans le registre de la population? Le cas échéant, quelle formalité alternative peut remplacer la signature d'une des parties?

 

20.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Goffin, la loi ne règle pas l'hypothèse où un candidat à la cohabitation légale est  psychiquement et physiquement incapable de signer la déclaration de cohabitation légale alors même que la mise en place de la cohabitation légale est liée à la signature de ce document. Pourtant, les personnes qui ne sont pas physiquement en état de signer la déclaration sont en droit de conclure une cohabitation légale. En attendant l'adoption d'un cadre légal spécifique, l'officier de l'état civil pourrait faire en sorte qu'il puisse constater à la fois l'impossibilité de signer et la volonté des parties à cohabiter. Pour ce faire, on pourrait joindre à la déclaration un certificat médical qui attesterait de son incapacité physique à signer ou un procès-verbal dans lequel l'officier de l'état civil constate cette incapacité.

 

En outre, l'officier de l'état civil pourrait convoquer les parties à comparaître au moment de la remise de déclaration pour s'assurer que la volonté des parties de cohabiter est effective malgré l'impossibilité de signer.

 

Si l'officier de l'état civil a constaté l'impossibilité physique d'un des candidats de signer, s'est assuré de la volonté des parties de contracter une cohabitation légale et a vérifié que celles-ci satisfont aux conditions légales, il pourra faire mention de la cohabitation légale dans le registre de la population.

 

Le problème de l'impossibilité physique de signer une déclaration de cohabitation légale est actuellement discuté au sein du groupe de travail qui prépare la réforme de la législation relative à la cohabitation légale. Sans vouloir anticiper les conclusions de ce groupe de travail, le projet précédent peut dès lors constituer une solution intermédiaire.

 

20.03  Philippe Goffin (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Ma question n° 23770 est transformée en question écrite. Les questions n° 23934 de M. Peter Dedecker, n° 23584 et n° 23585 de M. Kristof Calvo sont supprimées.

 

La réunion publique de commission est levée à 16.10 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.10 uur.