Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 14 maart 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 mars 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 15.42 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions commence à 15.42 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de automatische uitwisseling van inlichtingen" (nr. 23532)

Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'échange automatique de renseignements" (n° 23532)

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in opvolging van de Common Reporting Standard van de OESO ontvangt ons land sinds september van vorig jaar voor het eerst op automatische wijze financiële inlichtingen over Belgische belastingplichtigen.

 

In antwoord op een eerdere parlementaire vraag deelde u mee hoeveel inlichtingen vanuit België naar de partnerlanden werden verstuurd. Op mijn andere vragen moest u toen het antwoord schuldig blijven. We zijn ondertussen enkele maanden verder. In de pers hebt u ondertussen ook laten verstaan dat er in opvolging van de ontvangen inlichtingen, een onderzoek is geopend naar een aantal Belgische belastingplichtigen met activa in Luxemburg.

 

Van hoeveel landen heeft ons land in dit kader ondertussen inlichtingen ontvangen?

 

Hoeveel inlichtingen heeft de administratie ontvangen?

 

Op hoeveel Belgische belastingplichtigen hebben die inlichtingen betrekking?

 

Zijn die inlichtingen intussen beschikbaar in MyMinfin en toegankelijk voor de betrokken belastingplichtigen?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanvelthoven, wij hebben op dit moment vanwege 38 landen inlichtingen ontvangen. Het gaat in totaal om 529 904 geldige inlichtingen. Het formaat waarin de partnerstaten die inlichtingen meedelen laat niet toe te bepalen over hoeveel Belgische belastingplichtigen het exact gaat omdat eenzelfde belastingplichtige in meerdere inlichtingen kan voorkomen en vaak ook effectief voorkomt.

 

Mijn administratie legt de laatste hand aan de technische ontwikkelingen om die inlichtingen zo spoedig mogelijk toegankelijk te maken voor de betrokken belastingplichtigen via MyMinfin.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb nog twee vragen.

 

U spreekt over 38 landen, kunt u mij het lijstje bezorgen van die landen?

 

U zegt dat er de laatste hand aan wordt gelegd. Dat is evident. Hebt u er enig zicht op wanneer dat beschikbaar zou kunnen zijn? Is dat op korte termijn of gaat dat langer duren?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Ik hoop dat dit op korte termijn kan, maar ik wil mij alleen maar vastpinnen op iets waarvan ik voor 100 % zeker ben. Wij zitten er in elk geval achter om dat zo snel mogelijk te doen.

 

(…)

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de kinderen ten laste en de verlengde minderjarigheid" (nr. 23587)

Question de M. Raf Terwingen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les enfants à charge et la minorité prolongée" (n° 23587)

 

 Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, er is een nieuwe wetgeving in voege getreden waarbij alle bekwaamheidsstatuten van al wie onbekwaam is, dus ook de verlengd minderjarigen, worden herzien en vervangen door een ander bekwaamheidsstatuut. De verlengde minderjarigheid as such verdwijnt hierbij.

 

Hoe zit het nu met de fiscale tenlasteneming van die verlengd minderjarige personen? Nu is een kind immers ten laste van de ouders en ook de verlengd minderjarige kinderen blijven ten laste van de ouders, maar dat statuut op zich verdwijnt. Als het betrokken kind nettobestaansmiddelen zou hebben die een bepaald grensbedrag opgenomen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen overschrijden, spreekt het voor zich dat het kind dan niet meer ten laste is. Dat is nu ook al het geval. De vraag rijst echter of het nieuwe statuut dat in voege zal treden en voor alle op dit ogenblik beschermde kinderen zal moeten worden toegepast vanaf 1 september 2019, invloed zal hebben op de fiscale tenlasteneming van kinderen die op dit ogenblik verlengd minderjarig zijn.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Terwingen, om uit te maken of ouders een kind of een andere afstammeling fiscaal ten laste kunnen nemen, heeft het geen enkel belang of de afstammeling minder- of meerderjarig is. Andere voorwaarden bepalen of een kind of een andere afstammeling fiscaal ten laste kan worden genomen, onder meer de bestaansmiddelen waarover de afstammelingen beschikken. Meer in het algemeen kan ik wat dat betreft verwijzen naar artikel 136 en volgende van het WIB 92.

 

 Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'Inspection Spéciale des Impôts" (n° 23774)

- M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le nombre de dossiers ouverts à l'ISI" (n° 23810)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les résultats de l'ISI" (n° 24094)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les effectifs de l'ISI" (n° 24095)

Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Bijzondere Belastinginspectie" (nr. 23774)

- de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het aantal bij de BBI voorliggende dossiers" (nr. 23810)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de resultaten van de BBI" (nr. 24094)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het personeelsbestand van de BBI" (nr. 24095)

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, comme vous le savez, une information vient de tomber sur les mauvais résultats budgétaires et sur les premiers chiffres du Comité de monitoring. Visiblement, pour le budget 2018, vous allez certainement devoir trouver des montants considérables. En plus, on parle potentiellement de 1,4 milliard. Cela n'est pas rien en plus des efforts que vous faites déjà peser sur l'exercice 2018. C'est la raison pour laquelle le débat que nous allons avoir maintenant est un débat des plus importants parce que, comme vous le savez, nous considérons que la communication tapageuse de M. le ministre sur les résultats en matière de lutte contre la fraude fiscale, participe d'une manipulation plus générale sur les chiffres budgétaires du gouvernement. Il est grand temps de siffler la fin de la récréation et d'en revenir aux faits!

 

C'est la raison pour laquelle, monsieur le ministre, nous souhaiterions que vous puissiez nous détailler avec précision les chiffres que vous avez annoncés, non sans une certaine fierté, en matière de lutte contre la fraude fiscale. Il n'a échappé à personne que l'Inspection spéciale des Impôts a été saisie d'un grand nombre de dossiers depuis 2014 comme suite aux révélations par la presse - il faut le rappeler, par le consortium de la presse internationale -, de gros dossiers relevant de scandales fiscaux et financiers d'envergure mondiale. Je ne vais pas tous les rappeler mais, pour le rapport, tout de même: Offshore Leaks, Swiss Leaks, Bahamas Leaks, Panama Papers, Paradise Papers, pour ne citer que ceux-là.

 

Mécaniquement en effet, vos services, mais aussi parfois parce que nous vous le demandions, se sont saisis de ces dossiers, ce qui, inévitablement, a fait augmenter le nombre de dossiers ouverts à l'ISI. Cela vous a permis de dire: "Je me réjouis de mon bilan. Il y a plus de dossiers ouverts." Non. C'est du bilan de l'ICIJ qu'il faut plutôt se réjouir.

 

Nous aimerions savoir, monsieur le ministre, combien de dossiers ont été ouverts auprès de l’ISI depuis l’année 2014 de manière générale (2014, 2015, 2016, 2017 et 2018). Dans ces dossiers, lesquels relèvent-ils des révélations de l'ICIJ? Par ailleurs, parce que là aussi, il y a des amalgames, pourriez-vous nous indiquer le nombre de dossiers ouverts via le mécanisme de régularisation permanente et qui sont comptabilisés dans ce nombre de dossiers ouverts? C'est un premier volet de questions.

 

Dans le deuxième volet, il y a la question des dossiers qui, étant ouverts et auxquels on attribue un rendement, se voient confirmés par un recouvrement. Autrement dit, entre les montants annoncés comme étant redressés, quelle est la part d'argent, année par année, qui rentre effectivement dans les caisses de l'État? La presse a indiqué, c'est l'actualité, que sur les montants qui se chiffraient en milliards d'euros et que vous annonciez à grand renfort de communication, un montant de 1,3 milliard d'euros concernerait une entreprise en particulier. Confirmez-vous ce fait? Nous comprendrions que vous n'en disiez pas davantage sur l'identité de ce contribuable. Cependant, pourriez-vous nous dire quelle est la nature de l'infraction?

 

Quel est son statut? A-t-elle un volet pénal?

 

Voilà, monsieur le ministre, les questions que nous souhaiterions vous poser.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijn vraag gaat niet helemaal over hetzelfde thema, maar het gaat wel over de BBI.

 

Niettemin heb ik twee vragen, mijnheer de minister, waaronder één over de resultaten van de BBI, in opvolging van mijn eerdere parlementaire vraag van juli 2016.

 

Ik zou van u graag de gegevens ontvangen voor de jaren 2016 en 2017 over, enerzijds, de ingekohierde bedragen en, anderzijds, de effectief geïnde bedragen via de BBI.

 

Mijn andere vraag betreft het personeelsbestand van de BBI. Ik zou van u graag vernemen wat het aantal voltijdse equivalenten bij de BBI was op 31 december van respectievelijk 2014, 2015, 2016 en 2017.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, concernant les dossiers ouverts et issus des leaks du consortium de journalistes, pour 2014, au total 1 764 dossiers ont été ouverts, dont 64 issus des données du consortium. Pour 2015, 1 587 dossiers dont 22 issus du consortium. Pour 2016, 1 745 dossiers dont 153 issus du consortium et, pour 2017, 1 814 dossiers dont 115 issus des leaks.

 

J'en viens au nombre de dossiers ouverts en ce qui concerne la régularisation permanente. Pour 2014, 2 026 dossiers ouverts dont 64 issus des leaks du consortium. Pour 2015, 2 925 dossiers ouverts dont 22 issus des leaks. Pour 2016, 2 027 dossiers ouverts dont 153 issus des leaks. Pour 2017, 1 814 dossiers ouverts dont 115 issus des leaks. Pour 2018, jusqu'ici, 243 dossiers ouverts dont 5 issus des leaks.

 

Mijnheer Vanvelthoven, de resultaten die ik u geef zijn gebaseerd op de databank StirFraude van de BBI. De resultaten worden enkel in de statistieken opgenomen wanneer het dossier in deze databank effectief administratief afgesloten is. Dat geldt ongeacht de datum van inkohiering of van betaling van de belasting.

 

Ik begin met de cijfers voor de inkohieringen. Voor 2015 is het effectieve nominale bedrag, afgerond, 970 miljoen, voor 2016 is dat 1 719 miljoen en voor 2017 is dat 2 125 miljoen. Omdat de gegevens in StirFraude enkel hun volle relevantie hebben nadat de geschillen en invorderings­procedures zijn afgesloten, wat in sommige gevallen langer dan tien jaar kan duren, is besloten om een nieuwe managementtool te ontwikkelen, met name Re Pre Re of Result Previsions Reporting. In deze toepassing worden de inningcijfers uniek en uniform gerapporteerd op basis van het jaar van effectieve inning. De rapportering via de toepassing Re Pre Re geeft een correcter beeld van de inningen over lange termijn en bevat eveneens de geïnde intresten en kosten. Voor 2015 was dat in totaal 254 miljoen en voor 2016 was dat in totaal, afgerond, 382 miljoen waarvan 329 miljoen in de directe belastingen en 53 miljoen in de btw. Voor cijfers over de inningen van 2017 is het nog te vroeg. Die berekeningen kunnen op dit moment nog niet gemaakt worden.

 

Terwijl de cijfers voor de inkohiering op het einde van een jaar afgesloten kunnen worden is dat niet het geval voor de inningen. Veel betalingen van dossiers uit 2017 en vroeger, komen nu nog binnen. Het is dus voor de administratie onmogelijk om al definitieve inningcijfers te geven voor 2017.

 

Tot slot, verwijs ik opnieuw naar het nieuw opvolgings­systeem dat op mijn vraag werd ontwikkeld. Het zal ons toelaten om in de toekomst sneller en accurater cijfers op te leveren.

 

Wat het personeelsbestand betreft heb ik de administratie de vraag gesteld maar ik heb tot heden nog geen concreet antwoord gekregen. Ik zal erop aandringen om het mij snel te bezorgen en dan zal ik het u zo snel mogelijk overmaken.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, les chiffres que vous me communiquez comportent d'étranges coïncidences.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Oui, je le vois aussi. 

 

 Ahmed Laaouej (PS): Si, par exemple, nous regardons l'année 2017, vous avez évoqué 1 814 dossiers ouverts par l'ISI. Or cela correspond au nombre de dossiers de régularisation que vous renseignez. Pour la même année, vous imputez 115 dossiers venant des leaks. Voilà quelque chose d'assez étonnant.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, les chiffres ont certainement évolué. Vous avez raison de relever que, dans les deux cas, on retrouve le même nombre de dossiers. Je vais vérifier.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Cela suppose donc une vérification.

 

Ensuite, dans les dossiers ouverts par l'ISI, comptabilise-t-on les dossiers de régularisation? Vous nous avez ainsi dit qu'en 2017, 1 814 dossiers avaient été ouverts. Y trouve-t-on des régularisations?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Non.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Non? Dont acte.

 

J'en viens à présent aux chiffres du rendement de l'Inspection spéciale des impôts. Vous comprendrez que nous vous avons interrogé au sujet de votre communication. Or nous apprenons, à travers les chiffres que vous avez annoncés relativement aux résultats de l'Inspection spéciale des impôts, que 1,3 milliard d'euros concerneraient une seule entreprise, un seul contribuable. Cela peut arriver, mais confirmez-vous cette information?

 

Et puis, surtout, ce 1,3 milliard d'euros se trouve-t-il en suspens dans une procédure contentieuse? Cela impliquerait alors une absence de recouvrement. C'est ce que nous souhaiterions savoir.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Ce dossier ne figure pas dans les perceptions.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Nous vous posons la question.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Il figure dans les enrôlements. Chaque année, de petits et de grands dossiers sont ouverts.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, depuis toujours, entre ce que l'Inspection spéciale annonce et ce qui rentre bel et bien dans les caisses de l'État, année par année, on trouve toujours des différences.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Et de grandes différences!

 

 Ahmed Laaouej (PS): En effet.

 

Je ne veux pas tirer de moyenne, par crainte de dire une bêtise, mais je ne serais pas étonné que nous nous trouvions en dessous de 50 %. C'est à vérifier.

 

Concentrons-nous sur vos chiffres! Quand vous annoncez vos chiffres, vous ne précisez pas que sur ce montant global, un gros dossier pèse 1,3 milliard et ne fait l'objet que d'un enrôlement, ce qui signifie que cet argent ne rentre pas encore dans les caisses de l'État. Ne croyez-vous pas que pour la clarté de nos débats, il serait préférable de le dire par anticipation?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Vous l'avez dit vous-même, cela change d'année en année. Dans le passé, nous avons aussi eu de grands dossiers qui sont entrés dans les chiffres. À partir de quel montant faudrait-il avertir qu'il y a un gros dossier?

 

 Ahmed Laaouej (PS): 1,3 milliard me semble être un montant significatif.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Dans les enrôlements?

 

 Ahmed Laaouej (PS): Dans les enrôlements!

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Et pas dans les perceptions?

 

 Ahmed Laaouej (PS): Vous citez des chiffres d'enrôlement mais vous ne clarifiez pas ce qu'il en est au niveau des encaissements. Je trouve que 1,3 milliard d'euros est une somme suffisamment significative que pour le dire dans une communication.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, vous savez très bien qu'il en a été de même dans le passé. Nous avons eu de grands dossiers dans le passé aussi.

 

 Ahmed Laaouej (PS): À vous relire, on trouvera peut-être trace d'un moment où vous le signaliez vous-même, je n'en disconviens pas. Je pense néanmoins qu'il faut faire preuve de cohérence et de clarté. Ce n'est pas parce que, dans le passé, on a occulté le fait qu'il y avait un gros dossier qu'on doit se priver de le dire dans le futur.

 

Quand on s'adresse à l'opinion publique, qu'on lui dit que cela fonctionne bien et que l'argent rentre grâce à la lutte contre la fraude fiscale, il faut attirer l'attention sur le fait que le chiffre qu'on donne concerne pour moitié un dossier et que l'argent dudit dossier n'est pas encore rentré. De cette manière, on clarifie les choses. Sinon, cela donne à penser que les résultats sont optimaux. Les choses sont plus compliquées que cela, surtout quand on vient d'apprendre que vous allez peut-être devoir trouver jusqu'à 1,4 milliard en plus sur le budget 2018.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: En termes de clarification des chiffres, je peux dire qu'en introduisant plus explicitement les perceptions, c'est déjà une clarification très importante! Dans le passé, on jonglait toujours avec les chiffres des enrôlements mais il n'y avait quasiment aucun chiffre au sujet des perceptions. C'est une clarification que j'ai introduite! Je souhaitais faire la distinction explicite et continue entre enrôlement et perception!

 

On peut aller très loin dans les détails, je suis prêt à l'envisager. Il ne s'agit pas ici de cacher des choses, il s'agit ici d'être clair et précis. Comme je l'ai déjà dit, dans le passé, nous avons aussi eu des montants énormes dans les perceptions concernant un ou deux dossiers.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, lors des rapports du SPF Finances, il y avait toujours, s'agissant de l'Inspection spéciale des impôts, une colonne "enrôlements" et une colonne "perceptions", pour autant que je m'en souvienne. Je trouve donc clairement, monsieur le ministre, que vous faites de la communication – je m'excuse de le dire, ce n'est pas péjoratif – qui est tapageuse. Et cela ne va pas!

 

Vous avez les chiffres mais nous ne les avons pas. Donc, pendant quelques semaines, l'opinion publique vit avec ces chiffres et il faut attendre plusieurs semaines pour faire la clarté au parlement. Comprenez que, du point de vue de l'opposition, nous ne pouvons pas accepter cette façon de faire. C'est votre droit de le faire mais c'est notre droit de ne pas l'accepter!

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb begrepen dat ik de cijfers omtrent het personeelsbestand van de BBI kortelings zal ontvangen. Het is een beetje bizar dat een dergelijke vraag voor uw diensten zo moeilijk blijkt te zijn.

 

Ik heb uw cijfergegevens genoteerd, alsook uw uitleg waarom u de cijfergegevens voor 2017 nog niet kunt geven. Ook dat is bijzonder, want ik heb hier een analyse van de resultaten van de BBI van vorig jaar, op 17 mei 2016 geprint van uw website. Daar verklaarde u, dus twee jaar geleden, het volgende: "De extra aanwervingen en de hervormingen binnen de organisatie van de BBI werpen vruchten af. Na vier maanden is er al 228 miljoen euro effectief geïnd." Dus, in 2016 kon u iets meer dan vier maanden na het begin van het jaar zeggen hoeveel er reeds was geëind, terwijl u nu, na drie maanden in 2018, die cijfers niet kunt geven. Legt u mij eens uit waarom dat wel mogelijk is als de cijfers in uw ogen goed zijn. Als ik dat achteraf bekijk, zie ik dat er nadien in 2016 niet veel meer werd geïnd.

 

Vandaag komt u naar het Parlement met de uitleg dat u die cijfers niet kunt geven, terwijl u dat twee jaar geleden kon na vier maanden in het lopende jaar. Ik begin mij af te vragen of u wel bereid bent om die cijfers te geven, die er blijkbaar al zijn.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Ik heb u de cijfers gegeven die wij vandaag hebben.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): U hebt gezegd dat u ze nog niet kunt geven. Twee jaar geleden had u ze wel voor het lopende jaar.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Wat de inningen betreft, komen er voor 2017 nog altijd bedragen binnen.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): En in 2016 kon u voor de eerste vier maanden van 2016 wel al de cijfers geven.

 

Minister Johan Van Overtveldt: Wat er al binnengekomen was.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Dan kunt u dat voor 2017 toch ook geven? U speelt hier een spel.

 

Mijnheer de voorzitter, er wordt hier door de regering een spel gespeeld dat niet correct is. Als het de minister uitkomt, geeft hij de cijfers, maar als het hem niet uitkomt geeft hij ze niet. Hij geeft ze zelfs niet voor een heel jaar. Ik heb niet om de cijfers voor 2018 gevraagd, alleen voor 2017. Dat moeten wij toch eens uitklaren. Het Parlement heeft het recht om de cijfers te krijgen, als ze beschikbaar zijn.

 

De voorzitter: De minister heeft een aantal cijfers genoemd in zijn antwoord. Er bestond wat misverstand over een bepaald cijfer. Ik stel voor dat de minister een schriftelijke weerslag van zijn antwoord bezorgt aan de commissie voor de Financiën, met de cijfers inzake enrôlement en perception, met een vergelijking over een aantal jaren.

 

Er moet daarover inderdaad duidelijkheid zijn. De minister heeft een antwoord gegeven, maar voor de commissie zou het goed zijn de cijfers zwart op wit te kunnen krijgen om deze te kunnen verifiëren.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, op bepaalde zaken heeft de minister geen antwoord gegeven. Dat is mijn punt.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, je n'ai pas obtenu réponse à mes questions. Je voulais faire acter cela aussi. Nous notons ces problèmes de chiffres et la situation ne semble pas très idéale.

 

Pour le reste, je reviendrai sur ce problème d'avoir, dans les dossiers de régularisation, des documents qui proviennent des leaks, des révélations de journalistes. Je veux que la certitude nous soit apportée que lesdits dossiers n'ont pas fait l'objet d'un acte de procédure. Comment ces dossiers ne se retrouvent-ils pas dans ceux de l'ISI? S'ils se retrouvent dans ceux de l'ISI, ils ne peuvent alors pas se trouver dans ceux de la régularisation. C'est un empêchement légal. Cette question me taraude beaucoup l'esprit, c'est plus qu'une interrogation. Nous allons y revenir.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de aftrekbaarheid van cateringkosten als reclamekosten" (nr. 23784)

Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la déductibilité de frais de catering au titre de frais de publicité" (n° 23784)

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, met deze vraag zal ik proberen binnen de toegemeten spreektijd van twee minuten te blijven.

 

Mijnheer de minister, in 2015 is er ingevolge cassatierechtspraak een btw-beslissing versche­nen, met name btw-beslissing E.T.124.247 van 13 mei 2015, die bepaalt dat de btw op kosten van spijzen en dranken die de belastingplichtige maakt in het kader van een evenement dat hij organiseert voor bestaande of potentiële klanten, volledig recupereerbaar is als publiciteitskosten. Die spijzen en dranken zijn dan met andere woorden geen kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 45, § 3, 3°, van het btw-wetboek en ook geen zogenaamde kosten van onthaal volgens artikel 45, § 3, 4°, van het btw-wetboek, waarvan de btw per definitie niet aftrekbaar is. Vereist is wel dat het evenement hoofdzakelijk en rechtsreeks tot doel heeft de verkoop van welbepaalde producten of diensten te bevorderen. Is dat het geval, dan zijn ook de hapjes en de drankjes die bij een dergelijk evenement worden geserveerd, publiciteitskosten waarvan de btw voor 100 % recupereerbaar is. Op het vlak van de directe belastingen zijn dergelijke kosten evenwel niet gelijkgeschakeld met reclame of publiciteitskosten, met als gevolg dat de aftrek daarvan beperkt is tot 50 %, zijnde receptiekosten.

 

Mijnheer de minister, vandaar mijn vraag tot verduidelijking.

 

Kunnen dergelijke kosten ook op het vlak van de directe belastingen gezien worden als reclame­kosten die voor 100 % aftrekbaar zijn?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Klaps, de kosten van onthaal inzake btw en de receptiekosten inzake inkomstenbelastingen dekken in feite niet helemaal dezelfde lading, al was het maar omdat de bedoeling van de respectieve wetgevers destijds verschillend was.

 

Echter, wegens de cassatierechtspraak die aanleiding heeft gegeven tot de btw-circulaire waarnaar u verwijst, alsmede omwille van de harmonisatie van de btw-richtlijnen, met name op het vlak van de inkomstenbelastingen, ga ik ermee akkoord dat de kosten van spijzen en dranken en de cateringkosten die de belastingplichtige maakt in het kader van een evenement dat hij of zij organiseert voor bestaande of potentiële klanten en dat hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de verkoop van welbepaalde producten of diensten te bevorderen, inzake inkomstenbelasting volledig aftrekbaar zijn. In dat geval moet immers gekeken worden naar het doel van de uitgaven en niet zozeer naar de aard ervan. Dat heeft tot gevolg dat de gemaakte kosten betreffende evenements­catering geherkwalificeerd worden als publiciteits­kosten en niet als receptiekosten.

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw zeer helder antwoord en voor uw verduidelijking van een bestaande problematiek.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van de heer Peter Dedecker aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fietsvergoeding voor de veiligste reisweg" (nr. 23793)

Question de M. Peter Dedecker au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'indemnité vélo pour le parcours le plus sûr" (n° 23793)

 

 Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, een werkgever kan een fietsvergoeding toekennen aan zijn personeelsleden die hun woon-werkverplaatsingen geheel of gedeeltelijk met de fiets doen. Die vergoeding dient uiteraard niet alleen voor het dekken van de daadwerkelijke kosten van de fietser, maar moet vooral meer werknemers ertoe aanzetten hun fiets te gebruiken.

 

De kilometervergoeding is vrijgesteld van belasting tot 23 cent per afgelegde kilometer. Ik heb er alle omzendbrieven en richtlijnen op nagelezen. Telkens is er sprake van 23 cent per afgelegde kilometer. Toch zijn er veel werkgevers die voor de woon-werkverplaatsing van hun personeel uitsluitend een fietsvergoeding geven voor de kortste reisweg tussen woon- en werkplaats.

 

U bent zelf een fervent fietser. Welnu, de kortste weg is niet altijd per se de veiligste weg, laat staan de aangenaamste weg. Meestal zijn jaagpaden langs rivieren en kanalen te verkiezen boven smalle betonstrookjes langs de gewestwegen, door sommige ambtenaren zelfs moordstrookjes genoemd. Een kleine omweg kan veiliger en aangenamer zijn. Toch aarzelen een aantal werkgevers blijkbaar om ook die kleine omweg te vergoeden.

 

In hoeverre geldt de fiscale vrijstelling voor de fietsvergoeding ook voor de volledig afgelegde reisweg, voor de volledige veiligste reisweg, dus ook indien die langer is dan de kortste reisweg?

 

Welke zekerheden en best practices kunt u de werkgevers en werknemers bieden, teneinde meer mensen veilig op de fiets te krijgen, met evenveel nadruk op de “meer” als op de “veilig”?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Dedecker, de fiscale vrijstelling geldt voor de werkelijk gedane verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. In de wet staan geen voorwaarden met betrekking tot het te volgen traject. De keuze voor een traject dat veiliger is dan het kortst mogelijke traject, is dus zeker toegelaten. Het moet echter wel degelijk gaan over werk-woon- of woon-werk­verplaatsingen. Extra verplaatsingen, bijvoorbeeld om de door u gesuggereerde sportieve redenen, zijn en blijven dus toch wel uitgesloten.

 

 Peter Dedecker (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb nergens verwezen naar sportieve redenen. Ik heb het enkel gehad over kleine omwegen om veiligheidsredenen. Op dat vlak is uw antwoord volgens mij duidelijk: de veilige weg voor een woon-werkverplaatsing kan volledig vergoed worden onder de fiscale vrijstelling. Ik denk dat hiermee duidelijkheid gegeven is aan heel veel werkgevers. We zullen die boodschap doorgeven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 23801 de M.Delizée est reportée.

 

Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les suites du dossier de la SBI" (n° 23811)

Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de stand van zaken in het dossier van de BMI" (nr. 23811)

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, concernant les capacités d'injonction positive dont dispose M. le ministre, je reviens sur ce dossier qui a fait l'objet de discussions au sein de cette commission.

 

En novembre 2017, je vous interrogeais concernant un scandale au sein de la Société Belge d'Investissement International (SBI). Pour rappel, il s’agit d’une société d’investissement détenue pour plus de 60 % par l’État belge. Or, à l'époque, nous apprenions que cette société de financement publique participait au financement d'une société offshore citée dans les Paradise Papers.

 

La question qui se pose est de savoir si la prise de participation dans une entité située aux îles Vierges s'expliquait par des raisons fiscales ou pour d'autres raisons. Nous n’avions pas eu de réponse claire si ce n’est l’affirmation du CEO de la SBI qui était de dire qu’aucun avantage fiscal n’avait été obtenu grâce à la construction.

 

Monsieur le ministre, avez-vous pris des dispositions afin de confirmer ces dires? Avez-vous mandaté votre administration, comme vous l'avez fait récemment dans un autre dossier, pour faire une enquête approfondie afin de savoir quelles étaient les raisons de cette présence dans un paradis fiscal?

 

Vous aviez affirmé, en réponse, qu’une espèce de screening d'audit aura lieu dans les meilleurs délais pour savoir si d'une manière ou d'une autre, directement ou indirectement, la SBI a des participations dans des entités présentes dans des paradis fiscaux, territoires non coopératifs. Pourriez-vous nous faire part du résultat de cet audit?

 

Par ailleurs, un nom récurrent dans le dossier, membre de conseil d'administration mais également membre d'un cabinet ministériel, cabinet lui-même dirigé par une cheffe de cabinet membre du conseil d'administration d'une société holding dont une des filiales est citée dans le dossier, n'a pas manqué de retenir notre attention. Cela a fait l'objet d'un débat tout à fait explicite dans cette commission sans que le huis clos ne soit prononcé.

 

À l’époque de ma question, je vous avais averti que le gouvernement ne faisait pas suffisamment attention aux relations qui existent entre certaines sphères gouvernementales et d'autres, issues du monde économique. On connaît évidemment la ligne de défense. Vous ne perceviez pas de conflit d'intérêts qui se serait matérialisé et, par ailleurs, disiez-vous, "ce n'est pas la responsable de cabinet concernée, qui elle-même a des liens directs avec la société holding, que l'on retrouve dans ce dossier".

 

Il n'en demeure pas moins que la personne dont nous parlons, qui est sous l'autorité politique de cette cheffe de cabinet, est un fait. Il n'en demeure pas moins non plus que cette même personne que l'on retrouve dans la SBI se trouve dans une situation qui engendre une forme de doute sur l'existence potentielle d'un conflit d'intérêts. Donc, la situation n'est pas saine.

 

Nous aimerions savoir s'il appartient à ce membre de cabinet, qui siège par ailleurs dans le conseil d'administration de la SBI, de siéger dans un tel conseil d'administration où se décident des intérêts de la filiale d'un groupe dans le conseil d'administration duquel on retrouve sa propre cheffe de cabinet. C'est une question que nous vous posons de manière explicite.

 

Monsieur le ministre, avez-vous évoqué le sujet avec les membres du gouvernement, avec le ministre des Affaires étrangères puisque c'est de lui dont il est question? Quelles suites avez-vous données aux aspects fiscaux de ce dossier?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, pour ce qui concerne l'existence de la structure juridique aux Îles Vierges britanniques Infra Asia Development Limited, je répète qu'initialement, à savoir en 1996, cette dernière n'a été créée ni par, ni à la demande de la SBI, mais bien par l'actionnaire majoritaire et fondateur du projet, c'est-à-dire l'assureur américain AIG.

 

En 1997, la société belge IPM prend une participation de 50 % dans Infra Asia Development Limited aux côtés de AIG et sa société sœur thaïlandaise AID.

 

Le 2 avril 1997, les autorités vietnamiennes accordent la licence d'investissement au Dinh Vu Development Joint Venture, une société de droit vietnamien dont le capital est détenu à  raison de 70 % par Infra Asia Development Limited et à raison de 30 % par une entreprise publique vietnamienne pour le développement de la zone industrielle Dinh Vu dans le port d'Hai Phong dans le nord du Vietnam.

 

L'investissement en 1999 de la SBI dans Infra Asia Development Limited aux côtés de IPM, AIG et sa société sœur thaïlandaise visait à cofinancer le développement de cette zone et, ce faisant, à soutenir une entreprise belge dans son développement à l'étranger, ce qui est la mission de la SBI. Aucune raison fiscale n'était à la base de la décision de la SBI, en 1999, de la prise de participation dans cette unité.

 

Abstraction faite du dossier Infra Asia, participation initiale située aux Îles Vierges mais qui a été entre-temps vendue dans sa totalité, l'audit a démontré que la SBI n'a aucune autre participation dans un État figurant sur les listes belges, à savoir les listes reprises à l'article 73/4quater du CIR 92 ou à l'article 179 AR/CIR 92, ni dans un État considéré par le Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales comme un État n'ayant pas mis effectivement ou substantiellement en œuvre le standard sur l'échange de renseignements.

 

Dans le portefeuille, il y a encore un restant comptable d'un prêt subordonné accordé en 2012 à un projet belge en Serbie, État figurant sur la liste sur base de l'article 73/4 du CIR 92. Mais ceci n'est pas une participation et la Serbie a été mise sur la liste en 2016, soit bien après la décision et le déboursement par la SBI.

 

Enfin, je ne suis pas en mesure de répondre aux autres questions que vous avez mises sur la table. Elles dépassent mon domaine de compétence ainsi que celui de mon cabinet. Je vous remercie.

 

 Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, je prends bonne note qu'il n'y a pas eu de demande d'enquête fiscale dans ce dossier. Vous vous êtes donc basé sur un rapport d'audit sur la SBI à propos des éléments révélés dans la presse, et qui ont fait l'objet d'un débat ici, qui d'ailleurs était très intéressant. Si je comprends bien, il n'y a pas eu d'enquête fiscale sur la SBI demandée par vos soins à votre administration. C'est le premier élément qu'il faut noter.

 

Deuxièmement, sur le rapport d'audit, vous nous expliquez que finalement, il n'y a pas d'aspects fiscaux notables à relever. J'en prends acte.

 

Troisièmement, vous considérez qu'il n'y a pas de conflit d'intérêts potentiel, et donc problématique en termes d'image et de crédibilité gouvernementale, à ce qu'il puisse y avoir à un certain moment, au sein d'un cabinet ministériel, dans un gouvernement auquel vous participez, une personne qui siège dans un conseil d'administration liée d'une manière ou d'une autre avec une société qui fait partie d'un holding dont le conseil d'administration comprend la cheffe de cabinet de cette personne. Vous ne pensez pas qu'il est nécessaire de clarifier et d'évoquer le problème, parce que la SBI, d'une manière ou d'une autre, relève de vos compétences.

 

Vous dites que vous n'êtes pas compétent, mais vous l'êtes à partir du moment où la personne dont il est question fait partie du conseil d'administration de la SBI. C'est un peu court de vous entendre dire que cela ne vous concerne pas.

 

Nous pensons qu'il y a là clairement, dans les sphères gouvernementales, une forme de porosité avec certains intérêts économiques. Ces influences ont lieu de manière organique et ce n'est pas acceptable. Nous aurions pu vous entendre davantage, monsieur le ministre, mais je prends bonne note du fait que vous considérez que ce problème ne vous regarde pas.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 23832 de M. Dallemagne est transformée en question écrite, ainsi que la question n° 23883 de Mme Jadin.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des sociétés et les critères de taille des sociétés" (n° 23886)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vennootschapsbelasting en de groottecriteria voor bedrijven" (nr. 23886)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, alors que, pour les petites sociétés, les critères de taille sont à examiner sur la base de la situation à la fin de l'exercice précédent, en ce qui concerne les micro-sociétés, les conditions sont à apprécier à la date de clôture du bilan. Est-ce valable uniquement pour le fait de ne pas être une filiale ou une société-mère ou également au niveau du total du bilan, résultat et effectif du personnel? Si les critères de taille sont également à envisager à la date de clôture du bilan, comment faire application du principe de consistance, qui implique que la société change de statut si les critères sont dépassés ou ne sont plus dépassés au cours de deux exercices consécutifs?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, les critères d'appréciation relatifs à la qualification de petites sociétés et de micro-sociétés, les articles 15 et 15/1 du Code des sociétés, relèvent de la compétence du ministre ayant la Justice dans ses attributions. Il est en train de travailler très intensivement à ce Code.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie. J'en réfèrerai dès lors au ministre de la Justice.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des personnes physiques et les bénéfices d'exploitations commerciales" (n° 23887)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de personenbelasting en de winsten van handelsondernemingen" (nr. 23887)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, un commerçant qui déclare des bénéfices est taxable sur ses créances et peut déduire ses factures échues même si elles ne sont pas encore payées. En résulte-t-il qu’il pourrait déduire les cotisations sociales d’indépendant qui lui seraient réclamées mais qu’il n’aurait pas encore payées? Comment faire apparaître le montant dû, s’il ne tient pas de comptabilité en partie double?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, les cotisations relatives au statut social d'indépendant  réclamées au contribuable sont déductibles à titre de frais professionnels, s'il y a respect des conditions légales lorsqu'elles ont acquis le caractère de dette ou de perte certaine et liquide au cours de la période imposable et sont effectivement comptabilisées comme telles.

 

Par ailleurs, il est rappelé qu'en matière d'impôt sur les revenus, il n'est pas nécessaire pour qu'une compatibilité soit admise comme suffisante et régulière qu'elle réponde à toutes les prescriptions prévues en matière de droit comptable. À cet égard, les écritures doivent permettre de tracer sans ambiguïté l'historique des dettes ou pertes certaines et liquides qui ont été admises comme frais professionnels et ce, afin d'éviter que ces derniers ne soient déduits une seconde fois pendant l'année de leur payement effectif.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, ceci répond à ma question.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le précompte mobilier sur les revenus divers" (n° 23888)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de roerende voorheffing op diverse inkomsten" (nr. 23888)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, les revenus divers visés à l’article 90, 5°, et 90, 7° du Code des impôts sur les revenus de 1992 sont imposables au taux distinct de 30 %, sauf globalisation plus avantageuse, conformément à l’article 171, 3° de ce Code. Sont-ils, par ailleurs, soumis à une retenue de précompte mobilier à la source?

 

L’article 261, 1° dudit Code ne parle pas de ces deux catégories de revenus. Il n’y aurait dès lors pas d’obligation de retenue de précompte mobilier pour le débiteur des revenus. Si c’est bien le cas, quel est l’intérêt de l’article 111 de l’arrêté royal d’exécution du Code qui prévoit une renonciation à la perception du précompte mobilier lorsque les bénéficiaires sont notamment des habitants du Royaume?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, les revenus divers visés, c'est-à-dire les revenus de la sous-location d'immeuble et produits de location de droits de chasse, de pêche ou de tenderie, ne sont en effet pas soumis à une retenue de précompte mobilier par les débiteurs de ces revenus. Par contre, ces revenus divers sont soumis à une retenue de précompte mobilier conformément à l'article 262 du CIR 92. En effet, par dérogation à l'article 261, le précompte mobilier est dû dans le cadre de ces revenus divers par les bénéficiaires desdits revenus, lorsque ceux-ci sont recueillis par des personnes morales visées à l'article 220 ou par des non-résidents. L'article 111 du CIR 92 prévoit des cas de renonciation à la perception du précompte mobilier lorsque les bénéficiaires sont notamment des habitants du Royaume.

 

Néanmoins, pour ceux-ci, l'impôt sera calculé à la suite de la déclaration annuelle de l'impôt des personnes physiques, que le contribuable doit remplir en application de l'article 305. Les revenus visés à l'article 111 sont plus étendus que les seuls revenus divers concernés par l'article 90. Cela se justifie dans de nombreux cas.

 

Vous avez raison de relever que, lorsque les seuls revenus divers visés à l'article 90 sont recueillis par des habitants du Royaume assujettis à l'impôt des personnes physiques et visés à l'article 111, la renonciation à la perception du précompte mobilier est sans intérêt étant donné qu'aucun précompte mobilier n'est alors prévu. Cette renonciation sans intérêt ne porte pas préjudice au contribuable. Par ailleurs, elle se justifie dans le cadre d'une présentation plus globale des règles fiscales.

 

Si vous avez une proposition à me soumettre pour ajuster le texte de l'article 111, sans pour autant l'alourdir par un trop grand nombre de catégories, c'est avec plaisir que je chargerai mon administration de l'examen de votre suggestion.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de me renvoyer la patate chaude.

 

En tout cas, nous sommes d'accord au sujet du contenu de la mesure. Votre réponse me convient, et je vous en remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Questions jointes de

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et le taux de l'impôt" (n° 23889)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et l'amortissement des frais accessoires au prix d'achat" (n° 23890)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et les provisions exonérées" (n° 23891)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés, la taxation des plus-values de cessation et l'impôt des personnes physiques" (n° 23892)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la limitation des frais de voiture" (n° 23893)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés, la limitation des frais de voiture et la refacturation à un tiers" (n° 23894)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la déduction des transferts intra-groupe" (n° 23897)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et les frais payés anticipativement" (n° 23898)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la sanction pour non-respect de la règle des 45 000 et des 75 000 euros" (n° 23901)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la règle des 45 000 et des 75 000 euros" (n° 23902)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et les provisions exonérées" (n° 24110)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la déduction des intérêts" (n° 24111)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et les pertes éprouvées à l'étranger" (n° 24112)

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et les pertes professionnelles" (n° 24113)

Samengevoegde vragen van

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming en het tarief van de vennootschapsbelasting" (nr. 23889)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de afschrijving van de bijkomende kosten bij een aankoop" (nr. 23890)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de vrijgestelde voorzieningen" (nr. 23891)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting, het belasten van de stopzettingsmeerwaarden en de personenbelasting" (nr. 23892)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de beperking van de autokosten" (nr. 23893)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting, de beperking van de beroepskosten met betrekking tot het gebruik van voertuigen en de doorberekening aan derden" (nr. 23894)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de aftrek van de groepsbijdrage" (nr. 23897)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de vooraf betaalde kosten" (nr. 23898)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de sanctie voor de niet-naleving van de 45.000 en 75.000 euroregel" (nr. 23901)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de 45.000 en 75.000 euroregel" (nr. 23902)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de vrijgestelde voorzieningen" (nr. 24110)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de aftrek van interesten" (nr. 24111)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de in het buitenland geleden verliezen" (nr. 24112)

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de beroepsverliezen" (nr. 24113)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, étant donné que toutes mes questions sont relatives à la réforme de l'impôt des sociétés et qu'elles visent des cas précis, je laisserai le ministre répondre globalement à ces 14 questions.

 

J'ai accepté que la réponse soit globale et qu'elle fasse l'objet d'une circulaire dans la mesure où il est fait référence à chacun des points précis, ce qui est fondamental. Ces questions sont relatives à des détails mais qui ne manquent pas d'intérêt. En conséquence, je ne les lirai pas toutes, raison pour laquelle, monsieur le président, je vous disais que nous gagnerions du temps. Je suggère que le ministre me réponde selon ce qu'il désire répondre.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, mon administration est actuellement fort occupée à rédiger le commentaire des dispositions insérant la réforme de l'impôt des sociétés. Il lui est donc impossible de répondre dans l'urgence à des questions parlementaires complexes et qui, par conséquent, nécessitent un examen approfondi. En effet, puisque vous estimez nécessaire d'obtenir un éclaircissement de ma part sur les points importants que vous soulevez, je suppose que la réponse ne se trouve ni dans le texte légal ni dans l'exposé des motifs. Par conséquent, je demande à mon administration que les réponses à vos questions figurent explicitement dans les circulaires explicatives. Je vous remercie pour votre compréhension.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je suis d'accord avec vous et je comprends bien qu'il n'y ait pas d'urgence absolue. L'urgence est là malgré tout et je suggère que la circulaire ne tarde pas afin que tant les contribuables que les experts puissent préparer le travail correctement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Questions jointes de

- M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés, le taux des intérêts de retard et le taux des intérêts moratoires" (n° 23899)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme des intérêts moratoires" (n° 24313)

Samengevoegde vragen van

- de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en het tarief van de nalatigheidsinteresten en van de moratoire interesten" (nr. 23899)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de moratoriuminteresten" (nr. 24313)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés a modifié les articles 414 et 418 du Code des impôts sur les revenus, de manière à appliquer un taux différent selon qu'il s'agit d'intérêts de retard ou d'intérêts moratoires. Cela semble constituer une discrimination.

 

Monsieur le ministre, des recours ont-ils été introduits contre cette mesure amenée par la réforme précitée?

 

 Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, mijn vraag was ingegeven vanuit de filosofie dat de regering de moratoriuminteresten heeft hervormd om terug aansluiting te vinden bij het gemeen recht. Moeilijk gezegd heet dat het al dan niet verbod op anatocisme.

 

De vraag is dan waarom de regering daarin voor de moratoriuminteresten niet heeft voorzien, omdat het gemeen recht dat toelaat als men aansluiting wil vinden. Ik denk dat de filosofie van de hervorming van de vennootschapsbelasting was om aansluiting te vinden bij het gemeen recht. Dan zou men denken dat dit hier ook mogelijk zou zijn, tenzij een en ander door budgettaire overwegingen wordt verklaard. De moratoriuminteresten worden niet meer automatisch toegekend. Men zal eerst een ingebrekestelling moeten versturen, vooraleer die moratoriuminteresten beginnen te lopen.

 

In een recente circulaire van de administratie 2018/C/2 van 12 januari 2018 staat dat de ingebrekestelling tot betaling van de moratorium­interesten "moet worden verzonden aan de administratie, wanneer de termijn voor de terugbetaling verlopen is". Ik neem aan dat bedoeld wordt: nadat de termijn verlopen is. Dat blijkt althans uit de Franstalige versie van de tekst.

 

Dat is natuurlijk een praktische uitwerking, zoals blijkt uit andere antwoorden vanmiddag en de voorbije vergaderingen. Dat zijn de consequenties die we nu pas ten gronde zien en die we in december nog niet konden bestuderen of lezen. Vanuit de praktijk worden terecht een aantal vragen gesteld.

 

Wat in de circulaire staat is niet te vinden in de wettekst. Hoe komt men tot deze interpretatie?

 

Ik geef het voorbeeld van een belastingplichtige die bezwaar aantekent, maar inmiddels reeds heeft betaald en bij het bezwaar tegelijk vraagt om een terugbetaling en er ook een aanmaning tot betaling van de moratoriuminteresten bijvoegt. De vraag is dan of dit een rechtsgeldige ingebrekestelling is? Men zou kunnen stellen dat het niet rechtgeldig is en pas rechtsgeldig wordt als het bezwaar wordt ingewilligd en de administratie op zich laat wachten met de terugbetaling.

 

In de memorie van toelichting bij het ontwerp werd ook iets geschreven waaruit bleek dat de aanmaning bij de indiening van het bezwaar of het verzoek tot ambtshalve ontheffing wel volstaat. De memorie en de circulaire bepalen ook dat bij de toekenning van de moratoriuminteresten geen kapitalisatie van interesten mogelijk is. Dat fascineert mij in het bijzonder en dat is de kern van de vragen waarop ik in mijn inleiding alludeerde. Er is ook een aansluiting bij het gemeen recht, maar hier is er geen kapitalisatie van interesten mogelijk. Men zou dus het anatocisme verbieden, vandaar mijn vragen.

 

Wanneer moet de belastingplichtige juist om de moratoriuminteresten vragen? Moet er volgens u rekening gehouden worden met de dag waarop de termijn voor de terugbetaling verlopen is? Is dat het precedent, zoals in de circulaire? Is dat de juiste interpretatie?

 

Is er in dit geval een rechtsgeldige ingebrekestelling wanneer die tegelijk met het bezwaarschrift of het verzoek tot ambtshalve ontheffing wordt ingediend of pas nadat het bezwaar wordt ingewilligd? Dat is een procedurele zaak.

 

Waarom is er geen kapitalisatie van interesten mogelijk? Is dat een afwijking van de doelstelling? Is het misschien een ongewild gevolg? Zal daaraan in de toekomst geremedieerd worden?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, un recours est pendant devant la Cour constitutionnelle, portant le numéro de rôle visant l'annulation des articles de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés. La différence du taux à appliquer selon qu'il s'agit d'intérêts de retard ou d'intérêts moratoires trouve sa justification dans des considérations d'intérêt général, développées dans le commentaire de la loi susvisée ainsi que dans le droit comparé. En effet, un certain nombre de pays appliquent des taux différents selon qu'il s'agit d'intérêts de retard ou d'intérêts moratoires.

 

Inzake directe belastingen kan een belasting­plichtige moratoriuminteresten vragen wanneer hij van oordeel is dat hij recht heeft op teruggave van belastingen of bijbehoren. Hoewel de ingebrekestelling rechtsgeldig samen met het bezwaarschrift of met het verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden ingediend, heeft deze slechts uitwerking nadat de termijn voor terugbetaling verlopen is. Immers veronderstelt een ingebrekestelling een vertraging in de uitvoering van een verbintenis. Er is in dit geval geen kapitalisatie van intresten, aangezien de fiscale wet op het vlak van de berekening van de intresten volledig afwijkt van het gemeen recht. Deze uitsluiting strookt met het doel van de hervorming, daar het onder meer de bedoeling is om elke vorm van speculatie tegen te gaan.

 

Overigens voorziet de fiscale wet ook voor interesten ten bate van de Staat niet in een kapitalisatie van intresten.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, je remercie le ministre pour sa réponse.

 

J'ai compris la nuance et nous verrons quel sort sera réservé au recours actuel.

 

 Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, de uitleg is duidelijk. U zegt dat het fiscaal recht afwijkt. In het gemeen recht is het niet zo dat er een algemeen verbod is op anatocisme. Het hangt af van de sectie en in het Burgerlijk Wetboek of het al dan niet onder het contractrecht ressorteert.

 

Een van de betrachtingen is de hervorming van de vennootschapsbelasting in lijn te brengen met het gemeen recht. Daar is er zeker geen veralgemeend verbod op anatocisme of intrest op intrest om het wat meer in mensentaal te zeggen. U hebt echter een richting gekozen. U zegt dat het fiscaal recht afwijkt, maar eigenlijk creëert u een categorie waarvoor ook een verbod geldt. Men zou in deze discussie natuurlijk kunnen vragen wat het gemeen recht is als men abstractie zou maken van het verbintenissenrecht. Daar gaat het in essentie echter niet over. De minister heeft hier een keuze gemaakt en daarmee is de zaak uitgeklaard.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la requalification des intérêts en dividendes" (n° 23900)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en het herkwalificeren van interesten als dividenden" (nr. 23900)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, grâce à l'article 4 de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés, publiée au Moniteur belge du 29 décembre 2017, on en revient à la situation initiale, avant modification par la loi des pouvoirs spéciaux de décembre 1996.

 

La raison pour laquelle le législateur avait changé la définition de l'avance de "créance détenue" en "prêt consenti" a provoqué de nombreuses discussions, que la réforme précitée entend régler. Cela veut-il dire que le "danger", présenté à l'époque, de parler de "créance détenue", qui avait poussé le législateur à changer la définition en "prêt d'argent consenti", ne serait plus d'actualité? Qu'est-ce qui a changé à ce niveau?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, vu la finalité de la requalification des intérêts en dividendes, le champ d'application de la mesure doit être assez large et s'inscrire dans un raisonnement économique. Les intérêts attribués pour des sommes en compte courant, au nom des dirigeants d'entreprise, doivent aussi se trouver dans ce champ d'application. La notion de prêt d'argent posait problème à cet égard. C'est la raison pour laquelle le législateur est revenu à l'ancienne notion de "créance".

 

Dans le rapport au Roi relatif à l'arrêté royal du 20 décembre 1996, il est expliqué pourquoi le mot "détenue" a été remplacé par le mot "consenti". En effet, le premier mot pourrait être interprété de façon que la requalification ne s'applique que lorsqu'on est plein propriétaire du titre.

 

Je suis toutefois d'avis qu'il n'y a pas lieu de suivre cette interprétation restreinte et que, par conséquent, un démembrement de la propriété ne suffit pas pour échapper à la requalification.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des personnes physiques et le facteur d'autonomie" (n° 23908)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de personenbelasting en de autonomiefactor" (nr. 23908)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, à la suite de la régionalisation partielle de l’impôt des personnes physiques, le facteur d’autonomie a été fixé à 25,99 % pour les années 2014 à 2016.

 

Corrélativement, le taux des additionnels régionaux était fixé pour ces mêmes années à 35,117 % (identique pour les trois Régions). Selon les articles 33 et 39 du décret wallon du 13 décembre 2017, les additionnels régionaux sont fixés à 33,257 % à partir de l’exercice d’imposition 2018.

 

Quelles sont les conséquences de cette modification pour les contribuables wallons? Une disposition similaire existe-t-elle dans d'autres Régions?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, dans le cadre de leur autonomie fiscale en matière d'impôt des personnes physiques, les Régions peuvent prélever des centimes additionnels sur une partie de l'impôt des personnes physiques.

 

Ces centimes additionnels régionaux sont établis sur "l'impôt état réduit" qui représente l'impôt d'état diminué d'un montant égal à l'impôt état multiplié par le facteur d'autonomie.

 

Pour les exercices d'imposition 2015, 2016 et 2017, le facteur d'autonomie a été fixé provisoirement à 25,99 %, sur la base de la dotation probable et des impôts et dépenses fiscales estimés pour l'exercice d'imposition 2015. Le pourcentage de centimes additionnels régionaux correspond au montant de la réduction par le facteur d'autonomie. Il s'élevait à 35,117 % pour les mêmes années.

 

Les contribuables n'ont donc ressenti aucune différence dans la pratique. S'ils payaient 100 euros, ils payent toujours 100 euros, mais ventilés en 74,01 euros au fédéral et 25,99 euros à la Région. En effet, il ne s'agit que d'une clé de répartition des recettes entre le fédéral et les Régions.

 

À la suite de la fixation définitive du facteur d'autonomie, par l'arrêté royal du 19 décembre 2017, à 25,957 %, le calcul des additionnels régionaux a subi un impact. Désormais, les additionnels régionaux tels que visés par l'article 81quater de la loi spéciale de financement s'élevaient à 33,257 %. À nouveau, il ne s'agit que de la clé de répartition entre le fédéral et les Régions; les contribuables ne sont en rien pénalisés. S'ils payaient 100 euros, ils payent toujours 100 euros, mais la somme est désormais ventilée en 75,043 euros au fédéral et 24,957 euros à la Région.

 

De plus, toujours selon la LSF, le solde des diminutions et réductions d'impôts régionales, qui ne peuvent être imputées sur les centimes additionnels régionaux et les augmentations d'impôts régionales, est imputable sur le solde de l'impôt fédéral après imputation des réductions d'impôts fédérales. Grâce à ce principe d'overflow, même si les Régions perçoivent désormais une part moins élevée de l'IPP, les réductions d'impôts qui ne peuvent être imputées sur leur impôt sont imputées sur la part fédérale.

 

Conservant sa logique, la Région wallonne a adopté ce pourcentage dans sa propre législation, en adoptant un nouveau décret fixant le taux des additionnels régionaux à 33,257 % pour la Région wallonne à partir de l'exercice d'imposition 2018.

 

La Flandre n'a rien changé. La base légale reste celle de l'article 81quater de la LSF. Les addition­nels s'élèvent donc également à 33,257 % en Flandre.

 

En ce qui concerne la Région de Bruxelles-Capitale, le gouvernement a souhaité faire usage de sa possibilité de faire varier le nombre de centimes additionnels régionaux en vue de faire baisser, à partir de l'exercice d'imposition 2018, ce qui correspond actuellement à l'impôt d'État de 0,5 %. Les contribuables domiciliés dans cette Région au 1er janvier de l'exercice d'imposition verront, dès lors, leur charge fiscale légèrement allégée. Les additionnels régionaux bruxellois s'élèvent à 32,591 %. Il s'agit de l'exercice de son autonomie fiscale par la Région de Bruxelles-Capitale.

 

Si les contribuables bruxellois payaient 100, ils paieront désormais 99,50 % ventilés à raison de 75,043 % au fédéral et à raison de 24,458 % à la Région.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, votre réponse est très claire. Si la réforme de l'État a ajouté des calculs, vos réponses sont très précises.

 

Je vous en remercie.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme de l'impôt des sociétés et la déduction des revenus définitivement taxés" (n° 23924)

Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de vennootschapsbelasting en de aftrek van de definitief belaste inkomsten" (nr. 23924)

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, il était communément admis que les revenus définitivement taxés (RDT) et les revenus mobiliers exonérés (RME) sont censés se retrouver dans les bénéfices imposables d'une société résidente à concurrence de 95 % des montants de base, les charges financières et les frais généraux d'administration qui sont censés grever lesdits revenus étant fixés forfaitairement à 5 %. Ceci pour ne pas aller au-delà de 100 % d'exonération, les charges et frais susvisés étant par ailleurs déductibles. La déduction est à présent admise à 100 %.

 

Afin d'éviter des mauvaises surprises ultérieures, les autorités européennes ont-elles été consultées à ce propos, avec le risque, évidemment, d'arriver au-dessus de cette limite de 100 %.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, au niveau européen, rien ne s'oppose à une exonération de 100 % des RDT. Plusieurs autres États admettent d'ailleurs déjà l'exonération des revenus RDT et RME à 100 %, sans que la Commission européenne n'émette la moindre critique sur cette décision. C'est notamment le cas pour les Pays-Bas, le Luxembourg, le Danemark, la Pologne, la Lettonie, la Lituanie et la Bulgarie.

 

C'est plutôt la déduction à 95 % qui a nécessité un accord de l'Europe. L'Europe a admis en son temps que l'on puisse limiter l'exonération à 95 %, étant donné les charges financières et les frais généraux d'administration. Aujourd'hui, dans le cadre de la réforme de l'impôt des sociétés, le choix s'est porté sur une exonération de 100 %.

 

 Benoît Piedboeuf (MR): Parfait! Il n'y aura donc pas de mauvaise surprise.

 

Merci beaucoup, monsieur le ministre.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Samengevoegde vragen van

- de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beursgang van Belfius" (nr. 23844)

- mevrouw Meyrem Almaci aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de privatisering van Belfius" (nr. 24058)

Questions jointes de

- M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'entrée en Bourse de Belfius" (n° 23844)

- Mme Meyrem Almaci au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la privatisation de Belfius" (n° 24058)

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mag ik eerst spreken?

 

De voorzitter: U was eerst met uw vraag. U zult de kwestie voorstellen en mevrouw Almaci…

 

 Johan Klaps (N-VA): Mevrouw Almaci mag de oplossing suggereren.

 

De voorzitter: Dan hebben we al een mooie invalsbasis. Ik zal dan nog een bijkomende vraag over ARCO stellen. (Hilariteit)

 

U mag het woord ARCO niet uitspreken, want het staat niet in uw vraag.

 

 Johan Klaps (N-VA): Ik zou niet durven, want dat is het thema van mijn achtenswaardige collega Dedecker.

 

Mijnheer de minister, het dossier is al een hele tijd hangende in de regering. Af en toe staat er iets over te lezen in de pers. De beursgang van Belfius was gepland voor de zomer, maar het akkoord daarover is blijkbaar nog niet afgerond, zoals ik kan lezen in de pers.

 

Ik heb voor u de volgende vragen.

 

Blijft die timing overeind staan? Wat zijn de mogelijke hinderpalen?

 

Hoe zit het met de koppeling aan andere dossiers, waarover we ook al veel hoorden?

 

Als dit plan doorgaat, zullen we slechts een deel van Belfius naar de beurs brengen. Een relevante vraag is dan wat de strategie is voor de aandelen die in handen van de overheid blijven.

 

 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik heb een aantal gelijkaardige vragen, maar ook nog een aantal andere.

 

Dit dossier werd gekoppeld aan het ARCO-dossier. Ook rijst de vraag wanneer men met welk deel van Belfius naar de beurs trekt. De IPO is in principe gepland voor heel binnenkort, want de regering moest deze week een beslissing nemen om alles op tijd rond te krijgen.

 

Het is al 14 maart. Wat is de planning van de regering? Waar staat u op dit moment? 

 

Ik weet dat de premier dit dossier naar zich toe heeft getrokken. Hoe verloopt de communicatie tussen uzelf en de premier en met de experts die de beursgang aan het voorbereiden zijn?

 

Welke timing wordt er nu gehanteerd? Is die naar een later tijdstip verschoven? Hangt die timing samen voor beide aspecten van het dossier, de beursgang en de oplossing voor ARCO? Of is men van plan, gezien het huidige moment, om die aspecten toch weer te ontkoppelen?

 

Op welk moment zal de regering de beursgang starten? Wat is de stand van zaken?

 

Is er een mogelijkheid tot uitstel? Gelet op het maatschappelijk debat omtrent die beursgang, bent u van plan om na te gaan of een verder uitstel van de beursgang eventueel zinvol is? Zou dat dan gebeuren omwille van ARCO of omwille van het verschil in visie bij FairFin en dergelijke over de zin en onzin van die beursgang tout court? Of is dat een verworvenheid waarvan u niet meer wil afwijken?

 

Hoe ziet u de timing en de stapsgewijze opbouw naar de privatisering tot 49,9 %, waarvan sprake tijdens het debat met de collega van de PS in de plenaire vergadering? Met welk percentage wilt u in eerste instantie naar de beurs stappen en op welke manier zult u aan 49,9 % komen?

 

Zijn er vanuit Europa garanties met betrekking tot de voorgestelde regeling rond ARCO gekomen? Als u dadelijk op de eerste vraag antwoordt dat u bij de koppeling blijft, kunt u de beursgang niet realiseren zonder een fiat van Europa met betrekking tot de regeling van ARCO. Hebt u al signalen vanuit Europa gekregen met betrekking tot dat deel van de deal, die in het Zomerakkoord is afgesproken?

 

Zal de beursgang impact hebben op het kader dat de regering heeft afgesproken met het bestuur van Belfius over de wijze waarop Belfius voort zal worden bestuurd, de samenstelling en de remuneratie van de raad van bestuur van Belfius? Welke afspraken zijn hierover al dan niet gemaakt, of bent u daar nog niet mee bezig?

 

Welke garanties zijn er met betrekking tot de sociale aspecten van tewerkstelling en de ethische standaarden bij de privatisering van Belfius? Vandaag, een aantal jaar na de noodgedwongen overname van de bank, voldoet Belfius nog niet aan de standaarden van verscheidene internationale waarnemers en onze FairFin met betrekking tot het beleid ten opzichte van de wapenindustrie en de fossiele industrie en is er sprake van een aantal investeringen in dubieuze locaties en organisaties. Welke garanties zijn er met betrekking tot die ethische standaarden? Zal er op dat vlak verbetering nagestreefd worden? Zal men op zijn minst zijn best doen om daar aandacht aan te blijven geven?

 

Ten slotte, heb ik een vraag die niet toevallig voortkomt uit onze visie op de rol die Belfius zou kunnen spelen en op het moment al speelt bij heel wat lokale besturen. Over die rol maakt Belfius trouwens ook reclame. Dat is een bijzonder zware uitgavenpost, die zwaar weegt op de inspanningen die de bank moet leveren. Zal de beursgang de investeringen in lokale besturen en in eigen land niet onder druk zetten? Dat gebeurt namelijk in een periode dat de Europese Commissie in het kader van het investeringsplan, het plan-Juncker, de lidstaten vraagt om een investeringsbank op te richten, de zogenaamde national promotional bank.

 

Heeft de regering een visie of niet, waarmee zij daaraan kan tegemoetkomen? Op welke manier plant zij dat te doen? Kan Belfius daarin een rol spelen?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Almaci, mijnheer Klaps, de dossiers inzake ARCO en Belfius zijn beide, om het zacht uit te drukken, zeer gevoelige dossiers, om allerhande redenen en om elementen die u zelf beiden in uw vraagstelling voor een stuk naar voren hebt gebracht. Gegeven het feit dat er een koppeling is gemaakt tussen beide dossiers wordt het dubbel delicaat. Ik zal daar dus in deze fase, waarin wij in de regering inderdaad in de laatste rechte lijn zitten om de verschillende elementen bij elkaar te leggen, geen uitspraken over doen, noch in de ene of de andere richting. U hebt beiden zeer relevante vragen gesteld, maar als ik daar vandaag op antwoord, dan ontstaat het risico dat het proces dat op dit moment goed verloopt om tot goede besluitvorming te komen, weer minder goed gaat verlopen en dat wil ik niet doen.

 

Mevrouw Almaci, u vroeg naar de communicatie met de eerste minister. Die is uitstekend. Het is zeker ook in de spirit van die communicatie dat ik de houding aanneem die ik nu aanneem, zijnde met alle respect voor u beiden en uw vragen, geen verdere commentaar op de vele aspecten die u hebt aangegeven.

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp dat uiteraard.

 

Ik heb de vraag een drietal weken geleden ingediend, toen ik dacht dat er een beslissing op komst was en ik daar zo snel mogelijk alle duidelijkheid over wilde krijgen. Het proces loopt echter nog, dus ik heb er alle begrip voor. Wij zullen daar op zeer korte termijn wellicht nog eens over spreken.

 

 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, wij hebben iets gemeen wat belangrijk is voor parlementsleden. Ik kan het minister Van Overtveldt op zich niet kwalijk nemen, omdat hij die parlementaire voorgeschiedenis niet heeft, maar een parlement dat enkel na de feiten mag debatteren, is niets waard. Een parlement moet aan een debat kunnen deelnemen op basis van de kennis die er op dat moment is. Het heeft ook het recht om af en toe informatie te krijgen.

 

Mijnheer de minister, er is tussen het moment waarop de bank werd genationaliseerd en het moment waarop ik nu met u spreek — overigens niet alleen met u, want ik heb die vraag in het verleden al herhaaldelijk gesteld, ook aan uw voorgangers — nog geen enkel maatschappelijk debat geweest over de toekomst van Belfius.

 

In het regeerakkoord heeft deze regering een principiële beslissing genomen om naar de beurs te gaan. Ik ben het daar niet mee eens, maar goed, ik ben geen lid van de meerderheid. Het is een principiële beslissing van deze meerderheid. Ook het debat over de zin of onzin daarvan hebben wij echter niet kunnen voeren. U hebt dure studies betaald van onder andere de heer Noels en de heer Coene, die ook aangeven: laten wij niet enkel de budgettaire impact bekijken, maar laten wij ook de maatschappelijke impact bekijken.

 

Het gaat om een bank die voor onze lokale besturen belangrijke investeringen regelt, die daarin een heel belangrijke rol speelt. Wij weten dat deze rol die de bank speelt ook een kostprijs heeft. De vraag naar die kosten kan gesteld worden op het moment dat zij naar de beurs gaat.

 

Ik vraag u niet mij vandaag strategische informatie te geven. U maakt zich sterk dat deze regering een koppeling zal doorvoeren, die delicaat is, daarover ben ik het met u eens. Ik zou die koppeling niet hebben gemaakt, ik vind het geen goede keuze, maar goed, die keuze is gemaakt. Zelfs over vragen die op zich niets te maken hebben met de inhoud van het dossier, over louter principiële vragen, kunnen wij geen debat voeren.

 

Mijnheer de minister, mijns inziens brengen we de stappen waartoe deze regering heeft beslist daarmee niet in gevaar. Het gaat dan over een gedachtewisseling waarop dit Parlement recht heeft, maar die elke keer uit de weg wordt gegaan, tot op het moment dat het te laat is. Ik ben het daar fundamenteel mee oneens. Als u de beursgang rond wil krijgen, is dit een cruciale week. Ik meen dat er over het ARCO-dossier vele zaken te zeggen zijn. Er zijn vele beloftes gemaakt. Niemand wil antwoorden op de vraag of er garanties vanwege Europa zijn om verder te gaan met de ARCO-regeling, zoals u die hebt uitgetekend. Ik heb die regeling nog niet eens gezien. Ik vraag u niet naar de details daarvan. U hebt die koppeling gemaakt, u hebt zich sterk gemaakt dat u met de koppeling van die twee verder kon gaan. U staat op het punt met één daarvan verder te gaan. Dan wil ik wel weten of er voor het andere punt garanties zijn? Dat is een eenvoudige ja-neevraag, daarvoor hoeft u mijn geen strategische informatie te geven. Of hebt u die koppeling laten vallen? Ook dat is een ja-neevraag. Daarvoor hoeft u mij geen strategische informatie te geven.

 

Op elke vraag over de relevantie van de beurs­gang, op de vraag of er een antwoord van Europa is of wat daar inhoudelijk achter steekt, wil de regering geen enkele informatie of antwoord geven.

 

Er zijn dus maar twee conclusies mogelijk.

 

Ten eerste, u neemt het Parlement niet ernstig. Ik hoop dat dit niet klopt. Ik wil die conclusie niet maken, ik geloof dat ook niet. Ten tweede, deze regering weet het gewoon niet. Als dat het geval is, is het des te ernstiger. Wij kunnen een beursgang immers perfect uitstellen, dat kan, dat is natuurlijk wel voor even, als er geen antwoord vanuit Europa komt met betrekking tot een garantie voor de ARCO-coöperanten. Er werden dure beloften gemaakt — die heb ik niet gemaakt — en die mensen wachten.

 

Ik vind de koppeling spijtig. Ik vind het ongelooflijk bizar dat wij in de commissie voor de Financiën zelfs geen gedachtewisseling kunnen hebben over de zin en onzin van een beursgang, terwijl er daarover nochtans wel wat onderzoek is en er wel wat mensen vragen om die bank langer aan te houden. Er zijn ook alternatieven voor de beursgang, waarbij burgers participeren enzovoort. Ik had daarover met u graag een gedachtewisseling gehad, maar dat gaat dus niet. Het enige dat zal gebeuren, is dat wij op een bepaald moment voor een voldongen feit staan en dat dan de commissie voor de Financiën mag debatteren over de gevolgen.

 

Ik neem geen genoegen met een rol als parlementslid waarbij wij achter de feiten aanhollen. Ik denk ook niet dat het Parlement daarvoor dient. Een parlement dient om de nodige kritische vragen te stellen, vooraleer bepaalde beslissingen worden genomen, en om voorstellen te doen. Ik heb een aantal ideeën en voorstellen, maar als wij er niet kunnen over debatteren, dan betekent dat wellicht dat wij niet in staat zijn om samen stappen vooruit te zetten.

 

Ik wil in dit dossier constructief nadenken. Ik heb daarin heel veel tijd gestoken de voorbije jaren. Ik ben vandaag dus niet een beetje maar bijzonder teleurgesteld. Ik zou graag het engagement horen dat wij in deze commissie kunnen debatteren over zulke belangrijke strategische beslissingen zonder dat het Parlement voor voldongen feiten moet staan. Want wat doen wij hier anders?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Ik geef het woord aan mevrouw Griet Smaers voor haar vraag over "de tweede pensioenpijler voor zelfstandigen". (nr. 23824)

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, aangezien die vraag vrij technisch is en het antwoord erop wellicht ook, mag die vraag wat mij betreft schriftelijk worden beantwoord.

 

De voorzitter: Waarvan akte.

 

Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de samenwerking in het kader van de strijd tegen witwassen" (nr. 24185)

Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la collaboration dans le cadre de la lutte contre le blanchiment d'argent" (n° 24185)

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij kunnen veel leren van onze buren. Wij moeten ook niet altijd zelf het warm water proberen uit te vinden als er heel goede voorbeelden te vinden zijn in onze buurlanden. Ook in de strijd tegen witwassen en fiscale fraude meen ik dat wij mogen kijken naar goede voorbeelden uit Nederland.

 

De Nederlanders hebben een mooie samen­werking op poten gezet tussen de belastingdiensten en de banksector om te komen tot een gezamenlijke aanpak van fraude en witwassen. De Nederlandse banksector wisselt steeds vaker kennis en informatie uit met publieke overheden zoals de FIOD, de Belastingdienst en het openbaar ministerie over de aanpak van verdachte transacties. ABN Amro Bank heeft als eerste bank recent zelfs tijdelijk een aantal werknemers geruild met de FIOD om elkaar inzicht te geven in de opsporingsmethoden die men gebruikt. Dat blijkt uit een rondgang van het Nederlandse FD. De bankensector in Nederland staat namelijk onder grote druk om zijn antiwitwasprogramma's te verbeteren en te verfijnen. De risico's en gevolgen voor een bank zijn groot als het misgaat. ln Nederland hebben Rabobank en ING dat ondertussen ondervonden. Rabobank moest begin deze maand 298 miljoen euro betalen omdat het antiwitwasprogramma bij de Amerikaanse dochter jarenlang aan alle kanten rammelde. ING is dan weer verdachte in een zaak waarbij het openbaar ministerie meent te kunnen aantonen dat ook die bank structureel niet heeft opgelet voor wat haar klanten uitspookten. Het openbaar ministerie stuurt daarbij aan op een zware sanctie. Het wil namelijk inzicht in de toekomstige frauderisico’s bij de bank. In België heeft ING dat ondervonden na een veroordeling voor een lichtzinnige melding van een klanten­relatie.

 

Wel zijn financiële instellingen, wettelijk gezien, enkel verplicht om verdachte transacties te melden bij de antiwitwascel, waarna deze verder worden onderzocht door die cel. De financiële instellingen mogen niet uit eigen beweging transactiegegevens van klanten delen. De procedures en methoden die zij hanteren bij het filteren van de transacties, alsook de criteria waar zij precies op zoeken, moeten zij ook niet delen met overheidsinstellingen. Hoewel, in Nederland gebeurt dat laatste steeds meer. De Nederlandse banksector is er zelfs vragende partij voor om dat meer te doen. Men vraagt daarnaar vanuit de banksector zelf. Men zegt dat men als financiële instelling op dit gebied het beste met overheidspartijen werkt, omdat het — nog steeds aldus de Nederlandse banksector — veel efficiën­ter is als men de kennis kan bundelen en samen kan vorderen.

 

Gezien het feit dat wij in het rapport van de bijzondere commissie Panama Papers dat vorig jaar werd goedgekeurd, hebben aanbevolen dat er een betere informatie-uitwisseling moet komen tussen de CFI en de banksector en dat de CFI meer feedback moet geven over de gedane meldingen, is het misschien geen slecht idee om naar Nederlands voorbeeld een meer structurele samenwerking op poten te zetten tussen onze CFI en de banksector. Op die manier kunnen de procedures en methoden bij de banken verbeteren en kunnen de CFI en het parket proactief optreden tegen nieuwe witwasfenomenen. Het wordt daarbij ook mogelijk om sneller in te grijpen bij financiële instellingen die het niet zo nauw nemen met de antiwitwasregels. Optima Bank was daar alleszins een voorbeeld van.

 

Ik sluit even aan bij de actualiteit van deze week.

 

Collega Klaps, gisteren hadden wij een hoorzitting met de verzekeringssector in het kader van de positie van tussenpersonen, met een voorstel van u rond wijzigingen inzake de tussenpersonen. Wij hoorden daar een zeer interessante getuigenis van de heer Jean-Paul Servais van de FSMA. Hij gaf duidelijk te kennen dat de beweging die was ingezet bij de financiële instellingen om steeds meer aan autocontrole te doen, corporate governance, maar ook controle in het kader van witwas en fraude, en om dat telkens te verbeteren, echt wel vruchten afwerpt. Dat is gunstig voor de hele sector en de verzekeringssector kan daar ook nog wel wat van leren. Ik haal dat hier aan, omdat het aantoont dat men de voorbije jaren de klik heeft gemaakt en een hele beweging heeft uitgevoerd.

 

Ik geef het voorbeeld van Nederland om aan te tonen dat, eenmaal een bepaalde beweging wordt ingezet, de sector misschien ook voordeel kan halen door samen met de controlediensten en financiële diensten goed in te zetten op wederzijdse samenwerking.

 

Vandaar mijn volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Kunt u verduidelijken of u zelf voorstander bent van de aanpak die in Nederland wordt gevolgd?

 

Zo ja, zult u uw administratie en de CFI aanschrijven om daarvoor rond de tafel te gaan zitten met Febelfin? Ik meen dat dit de aangewezen partner is.

 

Zult u dan ook overleg plegen met uw collega bevoegd voor Justitie, minister Geens, om de parketten mee aan tafel te krijgen?

 

Tot slot, hebt u daarvoor al vragen gekregen van Febelfin en de financiële sector? Zo ja, bent u bereid om daarop in te gaan?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Smaers, de nieuwe witwaswetgeving bepaalt dat er een communicatiekanaal wordt opgericht tussen de CFI en de toezichtautoriteiten om alle informatie mee te delen die voor deze autoriteiten nuttig kan zijn om hun bevoegdheden op het gebied van controle en sancties effectief te kunnen uitoefenen. Zo bepaalt artikel 121, § 2, van wet van 18 september 2017 dat de toezichtautoriteiten samenwerken en alle nuttige informatie uitwisselen telkens als dit nodig is voor de uitoefening van hun bevoegdheden zoals bepaald bij wet.

 

Deze nieuwe wettelijke bepaling is vooral bedoeld om de meldingsactiviteit van de entiteiten die aan de wet ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme onderworpen zijn, te verbeteren en erop toe te zien dat ze betere feedback ontvangen over de beoordeling van deze meldingsactiviteit en over wat er van hen verwacht wordt om de kwaliteit ervan te verbeteren.

 

Wat de financiële sector betreft komt het vooral de Nationale Bank en de FSMA toe om deze feedback te geven aan de instellingen die onder hun respectievelijk toezicht vallen, iets wat ik ook actief tracht te stimuleren. Deze feedback komt tot stand op basis van controles on site en off site die deze autoriteiten bij de instellingen hebben uitgevoerd, maar ook op basis van de informatie die ze bij de CFI verzameld hebben, dit via het nieuwe communicatiekanaal zoals eerder aangegeven. De CFI deelt overigens via haar jaarverslag statistische gegevens en typologieën mee die voor de financiële sector bijzonder nuttig zijn.

 

Wat Nederland betreft, in de nieuwe regering heeft de staatssecretaris voor Financiën, de heer Snel, expliciet de bevoegdheid inzake fraudebestrijding. Ik heb al twee keer een uitvoerig gesprek gehad met hem, waar onder meer dit thema aan de orde is gekomen.

 

Het is in elk geval de bedoeling dat wij de onderlinge communicatie, met medewerkers, de komende periode verderzetten.

 

 Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het zou goed zijn om verder te doen met die wederzijdse uitwisseling met uw Nederlandse collega en die te intensifiëren.

 

Ik heb de voorbeelden gegeven uit Nederland, om op de vloer zelf samen te werken en de opsporingsmethodes te verbeteren en te verfijnen, zodat men daaruit kan leren en heel het traject inzake de antiwitwasstrijd verder kan zetten. Ik wil u vragen om dat mee te nemen naar uw wederzijde contacten. Al zouden het maar kleine stapjes zijn, dan nog is dit een goede aanbeveling.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Samengevoegde vragen van

- de heer Kristof Calvo aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beheersovereenkomst van de FPIM" (nr. 23930)

- de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het idee om de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (FPIM) te privatiseren" (nr. 24247)

Questions jointes de

- M. Kristof Calvo au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le contrat de gestion de la SFPI" (n° 23930)

- M. Gilles Vanden Burre au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'idée de privatiser la Société Fédérale de Participations et d'Investissements (SFPI)" (n° 24247)

 

 Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, le 26 février dernier, les collègues Luk Van Biesen et Dirk Van Mechelen (Open Vld) évoquaient la possibilité d'introduire en bourse une bonne part de la SFPI. Selon les deux députés libéraux, cela permettrait de réduire la dette belge. Ils questionnent également le rôle de l'autorité fédérale dans notre économie: est-ce pertinent que l’État gère un holding d'investissement?

 

Comme vous le savez, la SFPI est le bras armé financier de l’État fédéral qui en est l'unique actionnaire aujourd'hui. Elle conduit la gestion centralisée des participations des autorités fédérales, coopère avec les autorités à des projets spécifiques et mène sa propre politique d'investissement. La SFPI a un bilan de 2,2 milliards d'euros en 2016. Chaque année, elle dégage un dividende aux alentours de 20 millions d'euros. L'année dernière, la SFPI a pu compter sur 800 millions d'euros de cash et en dégager 200.

 

La proposition faite par nos deux collègues est, à nos yeux, très idéologique et va à l'encontre de notre conviction qui voit la SFPI comme un outil public de référence permettant de faire des investissements dans l'économie réelle ancrée dans nos Régions, ancrée chez nous. Cette proposition n'a, selon nous, pas trouvé beaucoup d'écho dans les rangs de la majorité gouvernementale et du gouvernement. C'est ce que je voulais vérifier avec vous.

 

Par ailleurs, selon les commentaires de certains économistes dans la presse notamment, l'idée de vendre les actifs de la SFPI, si l'on décidait de suivre cette voie à laquelle nous nous opposons, ne permettrait même pas de réduire la dette belge. Il n'est pas non plus certain qu'une entrée en bourse participe à la vitalité d'une telle entité qui, je le rappelle, participe dans bpost, Belfius ou Proximus. Que du contraire!

 

Monsieur le ministre, comment jugez-vous cette idée d'introduire en bourse la SFPI et donc de facto de la privatiser en partie? Comptez-vous approfondir cette proposition?

 

Comment voyez-vous l'évolution du rôle de la SFPI? Pour nous, il faudrait renforcer son rôle de soutien en particulier à nos PME, dans les secteurs économiques que l'administration fédérale ou l'État estime prioritaires, les secteurs économiques les plus porteurs et moteurs en matière de création d'emplois de qualité durable et ancrés chez nous. C'est, pour nous, une réelle priorité.

 

En outre, la SFPI pourrait aussi jouer un rôle de moteur dans des investissements et dans un projet comme le Pacte d'investissement lancé par votre gouvernement sous l'impulsion du premier ministre.

 

Nous pensons qu'il faut revitaliser le rôle de la SFPI tel qu'il est, certainement au sein de la coupole publique. En effet, un État se doit d'avoir un levier d'investissement public financier et économique important. Monsieur le ministre, j'aimerais vous entendre à ce sujet.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Vanden Burre, comme votre question et celle de M. Calvo comprenaient un certain nombre d'éléments parallèles et même complémentaires, la réponse a été préparée en néerlandais et en français. Si cela ne vous gêne pas, je vais vous donner une partie de la réponse en néerlandais.

 

 Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Cela ne me dérange pas.

 

Minister Johan Van Overtveldt: In het kader van de hervorming van de FPIM werd in de periode 2015-2016 een eerste fase afgerond waarin twee studies omtrent de toekomst van de FPIM werden uitgevoerd. Enerzijds, werd door KPMG en Eubelius een analyse gemaakt van het aandeelhoudersbeleid van de Staat, waarbij onder meer de rol en de werking van de FPIM op basis van een internationale benchmarking werd doorgelicht. Anderzijds, werd door Nomura, Leonardo en Cymcap een financiële en strate­gische analyse gemaakt van de kernparticipaties die de FPIM aanhoudt. Op deze wijze werd een sterke inhoudelijke basis gelegd voor verantwoorde beleidsbeslissingen.

 

Uit het rapport van KPMG en Eubelius volgde onder meer de aanbeveling om een beheers­contract te sluiten tussen de FPIM en de Staat en dit instrument in de wet te verankeren. De Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises van de OESO werden herzien in 2015 en schrijven onder meer voor dat het mandaat van de aandeel­houdersentiteit, in dit geval de FPIM, en de verhoudingen tussen de aandeelhoudersentiteit en andere overheids­actoren duidelijk gedefinieerd moet worden. In de praktijk bleek dat voor de FPIM niet volledig het geval. Een beheersovereenkomst kan hier uiteraard soelaas bieden. Een dergelijk beheerscontract is dan ook meteen het aangewezen instrument om een heel aantal andere aanbevelingen uit de studie op het vlak van organisatie, werking, rapportering, evaluatie en dergelijke te implementeren.

 

Le contrat de gestion de la SFPI sera présenté au Conseil des ministres avant l'été. Dès qu'il aura été approuvé, j'en communiquerai la teneur au parlement.

 

En tout état de cause, l'objectif est de cadrer plus clairement les droits et les obligations de la SFPI, en qualité de société anonyme, et de l'État, en qualité d'actionnaire. Une entrée en bourse du holding ne figure pas dans l'accord de gouvernement. J'ai néanmoins pris note des propositions en la matière. J'ai également pris note des réactions qui ont suscité cette proposition dans les circonstances actuelles. Compte tenu du portfolio existant de la SFPI, cette piste n'est pas une évidence à court terme mais je n'exclus pas la possibilité d'une telle opération à plus long terme.

 

Inzake het investeringspact werd tot nu toe geen gedelegeerde opdracht gegeven aan de FPIM. Het zullen dan ook de organen van de FPIM zelf zijn die moeten bepalen of en hoe ze een facilitaire rol willen spelen in de uitrol van het investeringspact, waarbij desgevallend zeker ook prioritair met de gewestelijke investeringsvehikels zal moeten worden samengewerkt.

 

 Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Concrètement, par rapport au contrat de gestion, nous avons soutenu le texte de loi et nous avons même introduit un amendement avec notre collègue Van Biesen afin que le contrat de gestion soit discuté en commission. C'est une bonne chose.

 

Par contre, je suis un peu moins rassuré par votre réponse concernant l'entrée en bourse. Vous me dites qu'il n'y a rien à ce propos dans l'accord de gouvernement mais que vous n'excluez rien pour l'avenir. Votre réponse me laisse sous-entendre que cette idée germe dans les esprits de certains et pourrait rapidement – peut-être lors de la prochaine législature – revenir sur la table. Ce serait une occasion ratée de bénéficier d'un outil public. Nous pourrions en débattre dans le cadre de la présentation du contrat de gestion qui sera validé par le Conseil des ministres avant l'été.

 

Je considère que votre réponse sur l'entrée en bourse n'est pas très rassurante. Nous en prenons acte et nous essayerons de vous démontrer, lors des débats sur le contrat de gestion, à quel point le fait de bénéficier d'un tel outil public est fondamental, en particulier pour investir dans les PME et dans les secteurs d'avenir et à hauts potentiels.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Question de M. Gilles Vanden Burre au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les prêts de la Banque européenne d'investissement à nos PME" (n° 23931)

Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de leningen van de Europese Investeringsbank aan onze kmo's" (nr. 23931)

 

 Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, la BEI (Banque européenne d'investissements) a mis en place, depuis plusieurs années, un mécanisme de financement destiné à soutenir les petites et moyennes entreprises (PME), avec l'aide des banques commerciales. Les entreprises de petite et moyenne dimension (moins de 250 salariés) et les entreprises de taille intermédiaire (de 250 à 3 000 salariés) peuvent bénéficier de prêts intermédiés pour financer des projets d'investissement d'un coût inférieur ou égal à 25 millions d'euros. Il s'agit d'un outil intéressant et la ligne de crédit est relativement peu coûteuse par rapport aux conditions de marché.

 

Jusqu'à ce jour, 78,16 milliards d'euros ont été investis grâce à la BEI pour soutenir les PME mais aussi l'innovation et la protection de l'environnement ou les infrastructures essentielles liées à l'énergie et à la mobilité.

 

Jusqu'en 2016, les banques belges ont abondamment souscrit à ces prêts. En deux ans, elles ont signé avec la BEI un ensemble de lignes de crédit se chiffrant à 1,6 milliard d'euros. Mais depuis 2017, plus aucune demande n'a été formulée. Ce coup d'arrêt correspond, en fait, à l'adoption d'une loi d'août 2016, qui instaure une taxe bancaire unique qui prélève 0,13 % du montant des dettes des banques à l'égard de leur clientèle. À la suite d'une interprétation de cette loi par la Banque nationale de Belgique, la nouvelle taxe s'applique aussi aux prêts susmentionnés de la BEI. Le système est donc devenu beaucoup moins attrayant.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous l'extinction de cette demande de prêts via la BEI? Confirmez-vous qu'elle est liée à la nouvelle taxe bancaire? L'interprétation de la loi par la BNB, qui vise à l'appliquer à de tels prêts, est-elle, selon vous, correcte? Dans la négative, êtes-vous disposé à faire part de votre interprétation à la BNB ou, en tout cas, à ouvrir le dialogue avec cette dernière pour remédier à cette problématique? Le cas échéant, pourrait-on imaginer un mécanisme législatif qui pourrait exonérer de cette taxe bancaire les prêts consentis à nos PME par la BEI? En effet, aujourd'hui, le système est à l'arrêt et cette situation n'est pas souhaitable à moyen terme.

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Vanden Burre, je suis en mesure de confirmer que la loi du 3 août 2016 fixant la base imposable de la taxe bancaire renvoie à une notion connue des banques en ce qu'elle s'inscrit dans l'allègement des obligations de déclaration auxquelles elles sont soumises.

 

Il est effectivement exact que, conformément aux règles européennes, le financement perçu par les banques belges de la BEI doit figurer dans la rubrique correspondante qui constitue la base de calcul de la taxe bancaire, c'est-à-dire plus spécifiquement à la ligne 229 du tableau 00.20, intitulée dette envers la clientèle, colonne 5, montant total du schéma A. Il ne s'agit donc aucunement d'une interprétation de la loi par la Banque nationale mais bien d'une application pure et simple des dispositions légales en vigueur.

 

 Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Vous me répondez aux deux premiers points. Y voyez-vous une difficulté? Cela signifie de facto que le mécanisme de la BEI qui pourrait aider certaines PME à investir devient totalement inopérant ou inactif en Belgique. Pourrait-on imaginer d'y remédier? Pouvez-vous faire un commentaire à ce sujet?

 

 Johan Van Overtveldt, ministre: Actuellement, je n'ai pas d'éléments indiquant qu'il y aurait pour les PME des pénuries de crédit ou des obstacles à l'obtention de crédits raisonnables et normaux.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de taks op frisdranken" (nr. 23969)

Question de Mme Els Van Hoof au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxe sur les boissons rafraîchissantes" (n° 23969)

 

 Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, in oktober 2015 werd bekendgemaakt dat de regering een taks op frisdranken zou invoeren. Die taks bedraagt op het moment ongeveer 5 cent per liter en moet voor de Schatkist jaarlijks 75 miljoen euro opbrengen.

 

Er is een en ander aan te merken op de taks. Alleen frisdranken komen in het vizier en andere gesuikerde producten worden niet aan de taks onderworpen.

 

Ondertussen is er een discussie gaande over de differentiatie tussen de accijnzen op frisdranken met en die zonder zoetstoffen. De bevoegde minister stelt dat daarvoor iets gedaan moet worden. De hete aardappel wordt echter doorgeschoven van de minister van Gezondheid naar uzelf en omgekeerd. Zo geeft uw kabinet aan dat het gaat om gezondheidsbeleid. Het klopt echter niet dat de frisdrankentaks uitsluitend de bevoegdheid is van minister De Block. De heffing van accijnzen valt immers volledig onder de bevoegdheid van de minister van Financiën. U kunt dus wel degelijk voorstellen de taks uit te breiden of te differentiëren.

 

Ten eerste, wordt er een uitbreiding en een verbetering van de frisdrankentaks onderzocht op uw kabinet? Zo ja, wat is de tendens?

 

Ten tweede, is in de toekomst een taks op andere gesuikerde producten mogelijk? Is er een differentiatie tussen frisdranken met of zonder zoetstoffen op til?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Van Hoof, het is de regering die beslist heeft om een taks op frisdranken in te voeren en mijn kabinet heeft de regeling fiscaaltechnisch uitgewerkt, strikt volgens de gemaakte afspraken ter zake.

 

De vaststelling van de eventuele negatieve gezondheidsimpact van suikers en van natuurlijke of kunstmatige zoetstoffen kunt u, meen ik, bezwaarlijk als een bevoegdheid van de minister van Financiën beschouwen. Als fiscaal kabinet zijn wij, meen ik, niet echt goed geplaatst om te oordelen of bepaalde zoetstoffen wel of niet schadelijker zijn dan andere stoffen, van welke aard ook. Vooral kunnen wij er niet over oordelen wat de reikwijdte van dergelijke maatregelen op het vlak van gezondheid zou kunnen of moeten zijn, want daar gaat het toch in de eerste plaats over.

 

Mijn kabinet en de administratie staan wel volledig ter beschikking om een studie uit te voeren naar de eventuele fiscale impact van voorstellen van bijkomende maatregelen.

 

 Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, de hete aardappel wordt dus blijkbaar nog steeds over en weer geschoven. Het zou toch nuttig te zijn om daarover samen te zitten met uw collega.

 

De taks is niet logisch. De heffing van een taks op niet-gesuikerde dranken bevordert de volksgezondheid niet. Het moedigt de industrie ook niet aan om te blijven investeren in niet-gesuikerde producten. Het is dus echt wel nuttig om samen met de minister van Volksgezondheid na te gaan op welke manier die taks de gezondheid wel kan bevorderen. Het is een bevoegdheid van u beiden. Daarom wil ik aanraden om dat te doen.

 

De taks brengt heel wat frustratie teweeg in de sector van de voeding en gesuikerde producten en niet-gesuikerde producten. Er wordt zeer veel moeite gedaan om rekening te houden met de gezondheid van de bevolking, maar er is geen enkele stimulans om daarmee voort te doen. U zou dus echt werk moeten maken van een differentiatie tijdens deze regeringsperiode. Daarvoor zult u beiden samen de koe bij de horens moeten vatten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de onderzoeksgegevens per Gewest" (nr. 23989)

Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les données d'enquête par Région" (n° 23989)

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de Nationale Bank van België onderzoekt heel wat cijfers op economisch vlak. We lezen die studies altijd met veel interesse. Het valt mij bij het doornemen van die studies op dat de Nationale Bank niet systematisch economische gegevens per Gewest publiceert. Heel wat bevoegdheden zijn overgeheveld naar de deelstaten en het zou voor hen interessant zijn om de cijfers opgesplitst te kunnen krijgen zodat zij hun economisch beleid vorm kunnen geven. Het zou dus interessant zijn als de gegevens maximaal per Gewest beschikbaar waren.

 

Waarom gebeurt dit niet? Staan hier praktische bezwaren in de weg? Wat is daar de reden van? Zijn hier oplossingen voor?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Klaps, de Nationale Bank publiceert maximaal de statistieken waarover zij beschikt. In haar studies van de Belgische economie verdiept de bank de regionale dimensie wanneer gegevens vergelijkbaar en voldoende betrouwbaar zijn, vooral als dit nuttige inzichten kan opleveren. Zo heeft de Nationale Bank verschillende jaren de kenmerken van de arbeidsmarkt in de drie regio's specifiek onderzocht. Zo bijvoorbeeld in de editie 2017, hoofdstuk 2, pagina 77 en volgende, waar dit uitgebreid te lezen is. Dit is ook het geval in artikels van het Economisch Tijdschrift van de NBB. Daar worden overigens ook nog andere aspecten behandeld, zoals de productiestructuur in het artikel "Drie Gewesten, drie economieën?" in de uitgave van december 2016.

 

Er zijn evenwel bepaalde redenen om sommige cijferreeksen nog niet systematisch te publiceren. Die zijn niet zozeer van praktische aard, maar wel van juridische en/of statistische aard. Zo kan het nog experimentele informatie betreffen waarbij de statistische reeksen niet of nog niet de vereiste kwaliteitsnormen halen, bijvoorbeeld omdat de basisinformatie nog niet voldoende stabiel is gebleken of de reeksen steunen op onvoldoende representativiteit. Dat zijn welbekende problemen bij het opstellen van statistische reeksen op lange termijn.

 

Gegeven dat het een van de doelstellingen is van de Nationale Bank van België om beleids­ondersteunende data en studies op te leveren, lijkt het mij zeker opportuun de samenwerking tussen de deelstaten en de Nationale Bank van België nu en in de toekomst nog meer te versterken.

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, er gebeurt inderdaad al heel veel, zoals u opmerkt.

 

Soms is het echter nog niet genoeg. Zij moeten uiteraard geen statistieken publiceren indien de gegevens niet betrouwbaar zijn. In dat geval hebben wij er immers niks aan.

 

Niettemin zou het een goed idee zijn dat als aandachtspunt mee te nemen en telkens kritisch de vraag te stellen of in het opsplitsen van de statistieken een stapje verder zou kunnen worden gegaan. Ook zou de vraag kunnen worden gesteld wat nog moet worden gedaan om wel betrouwbare gegevens te bekomen.

 

Ik ben echter blij met uw antwoord waarin u onze mening deelt. Ik kijk dan ook uit naar de nadere verfijning van de studies in de toekomst.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De heer Vanvelthoven is even buiten. Hij heeft samen met de heer Klaps vraag nr. 24092 over de fiscale regularisatiedossiers.

 

Mijnheer Klaps, ik stel voor dat u begint met uw vraag nr. 24031 en dat daarna de heer Vanvelthoven zijn vraag stelt over de fiscale regularisatiedossiers.

 

Samengevoegde vragen van

- de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale regularisatiedossiers" (nr. 24031)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale regularisatie" (nr. 24092)

Questions jointes de

- M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les dossiers de régularisation fiscale" (n° 24031)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la régularisation fiscale" (n° 24092)

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de uitwisseling van informatie van bankgegevens vanuit onder meer Luxemburg en binnenkort ook Zwitserland, acties bij de BBI en diverse mededelingen van de topman van de BBI en uzelf hebben bepaalde belastingplichtigen zenuwachtig gemaakt, terecht trouwens, waardoor er een zekere urgentie is ontstaan om een fiscaal regularisatiedossier in te dienen. Het betreft veelal dossiers die in een vorige regularisatieronde onvolledig werden geregulariseerd, waarbij het kapitaal niet werd aangegeven. Belastingplichtigen wensen volledig in het reine te komen met hun verleden en zijn bereid hiervoor een omvangrijke heffing van 38 % te betalen.

 

Ik heb vernomen dat dergelijke dossiers een grondige voorbereiding vergen wat de samenstelling van de onderliggende stukken en cijfers betreft en dat de aangevers in kwestie met erg lange wachttijden worden geconfronteerd om de bankstukken te verkrijgen.

 

Staat u het toe dat er aangiftes worden ingediend van een euro, waar de juiste bedragen na het verkrijgen van de bankstukken worden aangevuld? Een dergelijke werkwijze werd door het CPR reeds toegepast eind 2013, toen aangevers met een gelijkaardige problematiek werden geconfronteerd. Het zou hier dus ook een praktisch hulpmiddel kunnen zijn.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, wat was het aantal ingediende dossiers voor 2016 en 2017? Wat was het totaal van de aangegeven bedragen? Wat is ondertussen het totaal aantal afgehandelde dossiers? Wat is het totaal aantal van opgelegde heffingen en de werkelijk betaalde belastingen?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Krachtens artikel 7 van de regularisatiewet dient het bedrag van de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen bekend te zijn bij de indiening van een regularisatieaangifte. De onderliggende stukken kunnen worden overhandigd tot zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. U hebt ernaar verwezen: door de communicatie van de voorbije weken door de topman van de BBI en door mijzelf in verband met de buitenlandse bankgegevens waarover de fiscus beschikt in het kader van CRS, en de oproep om alsnog te regulariseren, wensen heel veel belasting­plichtigen inderdaad te regulariseren.

 

Omdat het opvragen van bankstukken bij buitenlandse banken gebruikelijk drie maanden of zelfs een stuk langer duurt, kan men geen regularisatieaangifte indienen en is er het risico dat er ondertussen een onderzoek wordt opgestart. Om tegemoet te komen aan de vraag van vele belastingplichtigen, zullen tot vrijdag 13 april 2018 regularisatieaangiften kunnen worden ingediend met 1 euro, waarbij de exacte bedragen worden aangevuld na het verkrijgen van de bankstukken en uiterlijk binnen zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. Indien de aangifte niet binnen zes maanden wordt aangevuld, zal het dossier als onontvankelijk worden beschouwd en kan men in de toekomst ook geen regularisatieaangifte meer indienen. In het begeleidend schrijven bij de regularisatie­aangifte dienen wel de actuele rekeningnummers en financiële instellingen te worden vermeld evenals alle rekeningen en banken waarvan men op dat ogenblik kennis heeft.

 

Door de uitwisseling van de bankgegevens en de publiciteit hieromtrent wensen inderdaad heel veel belastingplichtigen alsnog te regulariseren. Dankzij die pragmatische werkwijze, die inderdaad in het verleden ook al werd toegepast, hoeft men niet langer te wachten en kan men onmiddellijk een regularisatieaangifte indienen.

 

Mijnheer Vanvelthoven, ik heb een tabel bij mij met de cijfergegevens, die ik u straks zal bezorgen. Ik licht ze u graag toe.

 

Er werden – dat is deel 1 van de tabel – in 2016 342 regularisatieaanvragen voor federale belasting ingediend, waarvan er reeds 316 zijn afgewerkt. In 2017 werden er 676 regularisaties ingediend, waarvan er reeds 345 zijn afgewerkt. Het totaal aangegeven bedrag voor de 1 018 dossiers bedraagt afgerond 632 miljoen euro. Voor 661 afgewerkte dossiers werd een totale heffing berekend van afgerond 191 miljoen euro, waarvan afgerond reeds 163 miljoen euro effectief betaald werd. U kunt al de cijfers terugvinden in die tabel.

 

Deel 2 betreft dossiers in verband met regionale belastingen en dan vooral niet-aangegeven successierechten, waarvan de opbrengsten toekomen aan de Gewesten. Specifiek voor de regionale belastingen ten voordele van Brussel en Wallonië werden er 61 dossiers ingediend sinds de inwerkingtreding van de samenwerkings­akkoorden in 2017. Van die 61 zijn er reeds 17 afgewerkt. Het totaal aangegeven bedrag voor die 61 dossiers bedraagt, afgerond, 57 miljoen. Voor de 17 afgewerkte dossiers werd een totale heffing berekend van, afgerond, 17 miljoen euro. Hiervan werd reeds 16,8 miljoen euro effectief betaald.

 

Deel 2 betreffende Vlaanderen verloopt niet via het federale contactpunt regularisaties maar via Vlabel. Hiervan kan ik u evenwel geen cijfers bezorgen. Die kunnen opgevraagd worden bij mijn collega Tommelein.

 

Ten slotte, deel 3 betreft dossiers waarvan de federale belastingen en de regionale belastingen niet kunnen worden opgesplitst. Het betreft veelal niet-aangegeven successies van meer dan 10 jaar oud en de latere niet-aangegeven roerende inkomsten. 50 % van de opbrengst van die regularisaties komt ten gevolge van de gesloten samenwerkingsakkoorden toe aan de Gewesten. De overige 50 % wordt uiteraard in het federale budget opgenomen.

 

Alle aangiftes van deel 3 worden ingediend bij het federale contactpunt regularisaties. Voor Brussel en Wallonië doet dat contactpunt trouwens ook de volledige verwerking. Voor Vlaanderen verwerkt het federale contactpunt 50 % van het aangegeven bedrag en Vlabel de overige 50 %.

 

Voor dat deel werden er 108 dossiers ingediend sinds de samenwerkingsakkoorden in 2017, waarvan er reeds 32 zijn afgewerkt. Het totaal aangegeven bedrag voor de 118 dossiers bedraagt, afgerond, 86 miljoen euro. Voor de 32 afgewerkte dossiers werd een totale heffing van, afgerond, 7,4 miljoen euro berekend. Hiervan werd reeds, afgerond, 7 miljoen euro betaald.

 

Mijn beleidscel volgt, samen met het Contactpunt regularisaties, die cijfers nauwgezet op. Ik wil ook nog meegeven dat in de huidige regularisatie­ronde niet alleen de boetetarieven hoger zijn dan tijdens de vorige regularisaties – voor 2018 38 % voor fiscaal verjaard kapitaal en 23 procentpunten bij de overige inkomsten – maar ook dat de basis veel breder is.

 

 Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, het is inderdaad belangrijk dat wij een pragmatische oplossing bieden, zonder dat van uitstel afstel mag komen. Daarom is de aanpak correct. Als de aangifte binnen de zes maanden toch niet wordt aangevuld, dan is ze nietig en vervalt ook de mogelijkheid tot regularisatie. De betrokkenen weten nu zeer goed waar zij aan toe zijn. Zij worden voor hun verantwoordelijkheid gesteld.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Dank u voor de details, die u ons bezorgd hebt, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs. 24145, 24146, 24147 en 24327 van de heer Verherstraeten en nrs. 24334 en 24344 van de heer Bogaert worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de boetes voor de niet-aangifte van juridische constructies" (nr. 24091)

Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les amendes infligées pour la non-déclaration de constructions juridiques" (n° 24091)

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de boete bij het niet aangeven van fiscale constructies die geviseerd worden door de kaaimantaks werd verhoogd van 1 250 euro naar 6 250 euro per niet-gemelde constructie.

 

Ik heb u eerder al gevraagd naar het aantal opgelegde boetes en de opbrengst daarvan. In uw antwoord stelde u dat er geen detailstatistieken worden bijgehouden met betrekking tot de boetes in navolging van inbreuken op het Wetboek van inkomstenbelastingen. Toch moet het mogelijk zijn om die vraag te beantwoorden. Een simpele rondvraag bij de verschillende directies van de BBI kan u in staat stellen een antwoord te geven op mijn vraag.

 

Nog eenvoudiger is het antwoord op volgende vraag. Werd er sinds de verhoging van de boete reeds minstens één boete opgelegd wegens het niet nakomen van de aangifteplicht?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanvelthoven, de BBI heeft momenteel veel dossiers te onderzoeken die te maken hebben met de voormelde boete in het kader van het voorrmelde mechanisme. Deze dossiers zijn afkomstig van datamining­projecten en uit het buitenland ontvangen informatie of nog, van lekken zoals de Panama Papers. Recentelijk komen daar in het kader van CRS – Common Reporting Standard – veel juridische constructies bij, opgericht of begunstigd door of voor Belgische inwoners.

 

Aangezien dit een recente maatregel is die het aanslagjaar 2017 betreft, is het echter voorbarig om statistieken over boetes te communiceren, daar het onderzoek nog steeds lopende is.

 

In het kader van de onderzoeken is de aandacht van de BBI-controleurs vooral gericht op de verschuldigde rechten en taksen van de betrokken belastingplichtigen. De adviseurs-generaal van de BBI werden gesensibiliseerd om de boete strikt toe te passen.

 

Daarnaast werkt de BBI vanaf december 2017 hiervoor nauw samen met de AA Fiscaliteit. Deze samenwerking heeft als doel de belasting­plichtigen die hun fiscale constructies niet correct hebben aangegeven te beboeten en dossiers recht te zetten die niet voor de BBI bestemd zijn. In dit kader is de AA Fiscaliteit eind februari 2018 trouwens een controleactie gestart. Er wordt aan de controleurs gevraagd om de boetes die verband houden met een mogelijke inbreuk strikt toe te passen, zoals daarnet al aangegeven.

 

Wat deze actie betreft, is de analyse van de dossiers lopende, eind februari. De fase van inkohiering van de boetes zal plaatsvinden na onderzoek van de dossiers van de betrokken belastingplichtigen.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Dank u wel, mijnheer de minister, om de werkwijze even toe te lichten. Ik kom hier uiteraard later nog wel terug, als ik denk en hoop dat u wat concretere gegevens kan bezorgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de karaattaks en de onderschatting van het winstpercentage" (nr. 24093)

Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxe sur le carat et la sous-estimation du pourcentage de bénéfice" (n° 24093)

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, uit een onderzoek van de krant De Tijd blijkt dat de 100 grootste diamantbedrijven sinds de invoering van de karaattaks plots hun winst met factor 12 hebben zien toenemen, terwijl hun omzet zowat gelijk bleef. Behalve de gewijzigde context door de karaattaks is er geen enkele economische reden of verklaring te bedenken waarom de sector plots zoveel winstgevender zou zijn. Het lijkt er alleszins op dat de betrokken bedrijven de voorbije jaren hun echte winst voor de fiscus verborgen hebben gehouden. Het lijkt er ook op dat de winstgevendheid, waarop het tarief van de karaattaks werd berekend, veel te laag is ingeschat.

 

Ik heb u daarover op 22 november 2017 hier in de commissie ondervraagd. U gaf toen aan dat u de cijfers op basis van de fiscale aangifte en andere beschikbare gegevens zou laten analyseren. Wij zijn nu vijf maanden later en u beschikt over de ingediende jaarrekeningen. Ik veronderstel dat u de onthullingen van de krant De Tijd op basis van de ingediende jaarrekeningen nu beter kan interpreteren en ze ook beter fiscaal kan duiden.

 

Ten eerste, hebt u de BBI de opdracht gegeven een en ander te onderzoeken? Indien niet, aan welke administratie is de opdracht dan wel gegeven?

 

Ten tweede, wat zijn de eventuele voorlopige resultaten van het onderzoek?

 

Ten derde, hebt u een sectorale controleactie bevolen of heeft de BBI ondertussen zelf een controleactie opgestart? Mocht dat niet het geval zijn, zal dat dan nog gebeuren?

 

Ten vierde, was er intussen contact met de Europese Commissie over het diamantstelsel en de mogelijke onderschatting van de winst­gevendheid door het vastgelegde forfaitaire percentage in het diamantstelsel?

 

Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, ik vraag vooreerst uw aandacht voor de kernboodschap in het artikel van De Tijd, namelijk dat in 2016 de 100 grootste diamant­bedrijven tot drie keer meer belastingen hebben betaald in vergelijking met 2015 en 2014. Het diamantstelstel kan volgens mij dan ook geens­zins als een geschenk aan de diamantsector worden beschouwd. Meer nog, wat de jaarlijkse budgettaire meeropbrengsten betreft, houden wij met het diamantstelsel ons woord.

 

Het is wel belangrijk om in herinnering te brengen dat de regering, met de uitdrukkelijke steun van Europa, het stelsel weloverwogen heeft ingevoerd om op die manier de positie van de diamantsector in België en Europa te verstevigen ten opzichte van nieuwe, fiscaal wel zeer vriendelijke centra die zich allemaal buiten Europa situeren. Ik denk dan aan Dubai, Mumbai, Hong Kong en Tel Aviv. Het hoeft geen verder betoog dat dit enkel maar kan worden gerealiseerd in de context van vooral verhoogde rechtszekerheid, die wij met het diamantstelsel hebben gerealiseerd.

 

Wat uw concrete vragen betreft, kan ik u meedelen dat er bij de BBI geen algemene controleactie loopt die exclusief op de diamantsector is gericht. De BBI bepaalt immers autonoom welke dossiers zij onderzoekt op basis van haar saisine. Zo onderzoekt zij in de eerste plaats complexe mechanismen die uitvoering geven aan procedures met een internationale dimensie, specifieke mechanismen in de financiële sector en dossiers betreffende georganiseerde economische en financiële delinquentie. Ook diamantdossiers kunnen bijgevolg zeker en vast het onderwerp uitmaken van BBI-controles.

 

Voorts kan ik u meedelen dat er geen contact is geweest met de Europese Commissie naar aanleiding van het artikel waaraan u refereert. De Commissie werd wel uitgebreid geraadpleegd in het kader van de formele aanmeldingsprocedure teneinde haar voorafgaandelijke goedkeuring te verkrijgen voor het diamantstelsel. Ik meen te mogen stellen dat met name mevrouw Vestager zich al verschillende keren publiekelijk zeer positief heeft uitgelaten over het diamantstelsel. Het mag duidelijk zijn dat de Commissie een en ander zeer grondig heeft geanalyseerd, alvorens ultiem formeel te beslissen dat het nieuwe stelsel inderdaad geen verboden staatssteun uitmaakt. Bovendien werd tijdens vermelde procedure afgesproken dat de betrouwbaarheid van het percentage elke vijf jaar opnieuw zou worden geëvalueerd.

 

Tot slot, nog een laatste kanttekening in verband met uw veronderstelling dat er geen enkele economische reden zou zijn om de gestegen winstgevendheid van de diamantbedrijven in 2016 te verklaren. Ik verneem van andere kanalen dat er inderdaad wel signalen in die richting worden uitgezonden.

 

 Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik begrijp dat u de diamanttaks verdedigt. Ik heb daarmee geen probleem. Dat was een keuze van deze regering. Wij waren het daarmee niet eens. Wanneer wij als gevolg daarvan moeten vaststellen dat de winst in die bepaalde sector, of bij uitbreiding elke sector, op een jaar tijd met factor 12 wordt vermenigvuldigd, dan is er toch iets aan de hand.

 

Dan denk ik dat welke administratie dan ook, de BBI of een ander onderdeel van uw administratie, dat toch eens moet onderzoeken. Het feit dat u daar gemakkelijk overheen stapt, dat u hebt horen waaien dat een winst maal 12 misschien toch kan, vind ik een minister van fraudebestrijding onwaardig.

 

Als u de bestrijding van fiscale fraude in uw portefeuille hebt en er zijn dergelijke indicaties, dan moet dat minstens worden onderzocht. Als blijkt dat dit economisch allemaal kan, goed, maar het minste wat moet gebeuren is dat dit wordt onderzocht. Ik vind dat u er zich gemakkelijk van afmaakt door te zeggen dat de BBI doet wat ze moet doen en men er voor de rest niet veel mee te maken heeft. Ik ben het daarmee niet eens. Als fraudebestrijder denk ik dat dit een indicatie is en dat u dat moet onderzoeken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De vragen nrs. 24221, 24244 en 24241 van de heer Georges Gilkinet worden in schriftelijke vragen omgezet.

 

La réunion publique de commission est levée à 18.06 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.06 uur.