Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 14 maart 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 14 mars 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 16.18 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 16.18 uur en voorgezeten door de heer Philppe Goffin.

 

Le président: La question n° 24128 de Mme Ben Hamou est transformée en question écrite.

 

Ingevolge een technisch mankement ontbreekt een deel van de digitale geluidsopname. Voor vraag nr. 24144 van de heer Clarinval en het antwoord van de minister steunt het verslag uitzonderlijk op de teksten die de sprekers hebben overhandigd.

En raison d'un problème technique, une partie de l'enregistrement digital fait défaut. Pour la question n° 24144 de M. Clarinval et la réponse du ministre, le compte rendu se base exceptionnellement sur les textes remis par les orateurs.

 

01 Question de M. David Clarinval au ministre de la Justice sur "la publicité de la nouvelle période de régularisation" (n° 24144)

01 Vraag van de heer David Clarinval aan de minister van Justitie over "de bekendmaking van de nieuwe regularisatieperiode" (nr. 24144)

 

01.01  David Clarinval (MR): Monsieur le ministre, en exécution de l'accord du gouvernement, la loi du 7 janvier 2018 modifiant la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes, et le Code civil prévoient une nouvelle période de régularisation pour les armes soumises à autorisation. L'objectif est de faire sortir de l'illégalité les armes devenues soumises à autorisation par la loi susmentionnée et qui n'ont pas été déclarées au terme de la période transitoire qui s'est terminée le 31 octobre 2008. On parle de dizaines de milliers d'armes à feu non déclarées, voire de centaines de milliers, qui seraient toujours détenues illégalement par des particuliers qui, par négligence, mais également par manque d'information, ont omis de régulariser leur situation. Un grand nombre de nos concitoyens sont concernés. La nouvelle période de régularisation s'est ouverte ce 1er mars et se clôturera le 31 décembre 2018. Afin que celle-ci remplisse son objectif, à savoir faire sortir de l'illégalité l'ensemble de ces armes, il est évidemment essentiel que l'information touche leurs détenteurs.

 

Mes questions sont donc les suivantes. Une campagne d'information est-elle prévue sur le sujet? J'ai pu constater que quelques médias ont communiqué sur l'ouverture d'une nouvelle période de régularisation et les différentes possibilités de régularisation. Prévoyez-vous un autre type de communication? Cette nouvelle période de régularisation suscite de nombreuses questions auprès de détenteurs devant régulariser leur situation. Le dossier 'armes' se trouvant sur le site du SPF justice va-t-il être actualisé afin d'expliquer clairement les différentes possibilités de régularisation ainsi que la marche à suivre?

 

01.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Clarinval, l’un des objectifs de la loi du 7 janvier 2018 est effectivement de faire sortir le plus grand nombre possible d’armes de l’illégalité. Pour ce faire, j’ai notamment prévu de diffuser l’information de la manière la plus large possible, à travers différents canaux. Il est essentiel que le citoyen soit informé, à temps, des changements intervenants actuellement dans la loi, de manière claire et précise. Un communiqué de presse a été lancé pour attirer l’attention de la population dans les médias. Nous avons aussi fait une communication sur les réseaux sociaux. Le site du SPF Justice a été mis à jour. Sous la rubrique "Armes" figurent des informations détaillées sur la nouvelle période d’amnistie, les personnes et les armes concernées, les différentes options possibles, les démarches à suivre et la période durant laquelle celles-ci doivent être effectuées, etc. Un lien permet de retrouver aisément toute la législation sur les armes actuellement en vigueur.

 

Une brochure devra être publiée dans les deux langues, qui sera notamment distribuée dans les commissariats de police, les services des armes provinciaux et autres lieux régulièrement fréquentés par les détenteurs d’armes, entre autres des stands de tir. Par ailleurs, certains gouverneurs ont exprimé leur intention d’envoyer des lettres aux détenteurs connus mais dont les armes n’ont pas encore fait l’objet d’une régularisation.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Ingevolge een technisch mankement ontbreekt een deel van de digitale geluidsopname. Voor vraag nr. 24154 van mevrouw Van Vaerenbergh en het antwoord van de minister steunt het verslag uitzonderlijk op de teksten die de sprekers hebben overhandigd.

En raison d'un problème technique, une partie de l'enregistrement digital fait défaut. Pour la question n° 24154 de Mme Van Vaerenbergh et la réponse du ministre, le compte rendu se base exceptionnellement sur les textes remis par les orateurs.

 

02 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de toegang tot en de opleiding voor het beroep van advocaat" (nr. 24154)

02 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "l'accès à la profession d'avocat et la formation requise" (n° 24154)

 

02.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, u werkt momenteel aan de modernisering van de juridische beroepen waartoe ook de advocaten behoren. Een tekst van meer dan zeshonderd pagina's werd verspreid naar alle advocaten. ln de marge van deze operatie ontstond een discussie tussen de Ordes en de universiteiten over de toegang tot het beroep en de noodzakelijke opleiding hiervoor. Er was overleg tussen hen waarbij ook uw kabinet betrokken was. De universiteiten zien het niet zitten een afstudeerrichting "advocaat" in het vijfjarig programma in te bouwen, noch staan zij te springen voor een extra jaar als master na master. Dit jaar zou niet gesubsidieerd zijn, waardoor de kostprijs volledig op de studenten valt en het inschrijvingsgeld verschillende duizenden euro's zou bedragen. Op die wijze zou een economische barrière ontstaan. Als er een opleiding zou komen tussen het masterdiploma rechten en de toegang tot de balie ontstaat er een selectieprocedure waarbij de vraag groter is dan het aanbod. De toegang tot het beroep van advocaat wordt geregeld door de wetgever.

 

Mijn vraag aan u is: hoe ziet u de toegang tot het beroep van advocaat en de opleiding hiervoor, wie dient deze te organiseren en wanneer dient deze bij voorkeur plaats te vinden? Daarnaast moet ook het sociaal statuut van de kandidaat-advocaat uitgeklaard worden. Het betreft een problematiek die na de federalisering van de gezinsbijslagen gevoelig complexer is geworden. Welke oplossingen stelt u hier voor?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, naar aanleiding van de hieromtrent gestelde actualiteitsvragen in de plenaire vergadering van donderdag 1 maart, heb ik de werkwijze toegelicht over de verdere bespreking van het rapport dat de experten mij hebben overhandigd over de toekomst van het beroep van advocaat. Het rapport bevat voorstellen waarover de communautaire Ordes een interne raadpleging houden. In overleg met de voorzitters van de Ordes verwacht ik hun reactie op dit rapport tegen eind mei.

 

Een belangrijk thema in het rapport is inderdaad de opleiding tot het beroep van advocaat. De experten stellen de piste voor van integratie van een gedeelte van de beroeps­opleiding in de universitaire opleiding. Ook deze piste maakt momenteel het voorwerp uit van intern debat binnen de advocatuur. Ik wacht dan ook het standpunt van de advocatuur op dit punt af. Wel is er informeel overleg geweest tussen de experten en de universiteiten. De experten hebben hun rapport immers in alle openheid met de betrokken actoren voorbereid. Maar nogmaals, ik wacht de zienswijze van de Ordes af, alvorens deze of gene piste verder uit te werken. Het is duidelijk dat over de opleiding van de advocaat de universiteiten in het debat betrokken blijven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Samengevoegde vragen nr. 24174 van mevrouw Van Cauter en nr. 24265 van mevrouw Van Vaerenbergh worden omgezet in schriftelijke vragen.

 

Ingevolge een technisch mankement ontbreekt een deel van de digitale geluidsopname. Voor de vragen nrs 24189, 24202 en 24266 van mevrouw Van Cauter, mevrouw Pas en mevrouw Van Vaerenbergh en de antwoorden van de minister steunt het verslag uitzonderlijk op de teksten die de sprekers hebben overhandigd.

En raison d'un problème technique, une partie de l'enregistrement digital fait défaut. Pour les questions nos 24189, 24202 et 24266 de Mmes Van Cauter, Pas et Van Vaerenbergh et les réponses du ministre, le compte rendu se base exceptionnellement sur les textes remis par les orateurs.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de achterstallige betalingen bij Justitie" (nr. 24189)

- mevrouw Barbara Pas aan de minister van Justitie over "de laattijdige betalingen door Justitie" (nr. 24202)

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de betalingsachterstand bij Justitie" (nr. 24266)

03 Questions jointes de

- Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "les arriérés de paiement à la Justice" (n° 24189)

- Mme Barbara Pas au ministre de la Justice sur "les arriérés de paiement à la Justice" (n° 24202)

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "les retards de paiement à la Justice" (n° 24266)

 

03.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, in de pers konden we lezen dat de federale overheid in 2017 één op drie facturen te laat betaalt. Alle federale overheidsdiensten samen lieten vorig jaar maar liefst 266 626 facturen te lang liggen. Gemiddeld duurt het nu al 56 dagen vooraleer er wordt uitbetaald, in 2016 was dit nog 44 dagen. Al deze facturen samen zijn goed voor 1,6 miljard euro. Uitschieter van alle federale overheidsdiensten was Justitie. ln 2016 werden door Justitie 119 000 facturen te laat betaald. ln 2017 steeg dit aantal naar 171 599. ln twee op de drie gevallen worden de facturen te laat betaald en gemiddeld vindt de betaling pas plaats na 118 dagen. Dit zorgt voor maar liefst 5,8 miljoen euro verwijlintresten. Voor de hardwerkende mensen op het terrein is dit zeer nefast. Wanneer gerechtspsychiaters, vertalers of experten zolang moeten wachten op hun geld, dan is dit niet bevorderlijk voor hun prestaties in de toekomst en een snelle en correcte uitvoering op het terrein. ln het begin van de regeerperiode werd in extra middelen voorzien voor Justitie, 100 miljoen euro, om dit soort situaties te verhelpen.

 

Begin 2016 leek de situatie onder controle maar ondertussen blijkt dit allesbehalve het geval. U zei in 2016 ook dat u bij de gerechtelijke arrondissementen gespecialiseerde bureaus ging inrichten met een eenvoudigere administratie. De facturatie zou maandelijks gebeuren in plaats van per opdracht.

 

Mijnheer de minister, graag had ik een antwoord gehad op volgende vragen. Hoeveel (extra) budget ontving u sedert het begin van de regeerperiode om de achterstand in betalingen door de FOD Justitie weg te werken? Hoeveel bedraagt op heden het openstaand bedrag aan onbetaalde facturen?

 

Hoe komt het dat de situatie op een bepaald moment onder controle was maar nu blijkbaar opnieuw geëscaleerd is?

 

Kan u een overzicht geven van het aantal facturen dat de voorbije vier jaar lokaal werd ingegeven en kan u hierbij een opsplitsing maken tussen wel tijdig en niet tijdig? Kan u bij niet-tijdigheid ook de termijn aangeven hoeveel te laat deze werden overgemaakt naar de FOD Justitie in Brussel?

 

Kan u een overzicht geven van wiens facturen nog onbetaald zijn? Zijn er naast de gerechtspsychiaters, vertalers en experten nog andere actoren die wachten op betaling?

 

Hoever staat het met de oprichting van de gespecialiseerde bureaus per gerechtelijk arrondissement? Zijn deze overal al in werking?

 

Welke zijn op korte termijn de stappen of initiatieven die u zal nemen om deze achterstand weg te werken?

 

03.02  Barbara Pas (VB): Begin dit jaar heb ik alle ministers een schriftelijke vraag gesteld in verband met de tijdigheid of de laattijdigheid van de betalingen die zij doorvoeren voor hun schuldeisers. Op een aantal van deze vragen heb ik van de minister van Begroting recentelijk een antwoord gekregen (schriftelijke vraag nr. 244). Uit dat antwoord blijkt dat de FOD Justitie veruit de slechtste leerling van de klas is. In 2016 bedroeg de betalingstermijn 88 dagen; die liep in 2017 op tot 118 dagen, een veelvoud van de gemiddelde betalingstermijn voor alle FOD's samen.

 

In 2016 werd 61,5 % van de betalingen door Justitie te laat gedaan. In 2017 liep dat op tot 69 %. In 2017 moest dan ook 5,8 miljoen euro aan verwijlinteresten worden betaald door de FOD Justitie, wat goed is voor 89 % van alle verwijlinteresten die door alle FOD's samen in dat jaar dienden te worden betaald.

 

Zoals we weten kampt Justitie al langer met dit probleem. Deze regering nam aan het begin van deze legislatuur dan ook het besluit om de historische achterstand op dat vlak weg te werken en trok daar een flink bedrag voor uit, waardoor inderdaad een flinke stap vooruit kon worden gezet. Inmiddels kunnen wij alleen maar vaststellen dat de situatie bij Justitie opnieuw zwaar ontspoord is.

 

Hoe komt het dat de toestand opnieuw zwaar is ontspoord? Heeft dit structurele oorzaken of betreft het een gebrek aan financiële middelen? Waar liggen exact de knelpunten?

 

Welke maatregelen neemt u om dit te verhelpen?

 

Welke doelstellingen stelt u zich in dat verband en binnen welke termijn wil u die gerealiseerd zien?

 

03.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, de betalingsachterstand bij Justitie is een probleem dat eigenlijk al heel lang bestaat en om de zoveel tijd terug opduikt. Aan het begin van de legislatuur erfde u een toestand die niet zo gunstig was en met extra budget heeft u toen een en ander kunnen rechttrekken. Nu zijn er opnieuw problemen, hetgeen u ook bevestigde enkele weken terug in een antwoord op een mondelinge vraag. U zei dat dit te wijten was aan een gebrek aan gekwalificeerd personeel, middelen of kennis van de instructies.

 

lk heb de volgende vragen voor u.

 

Kunt u bevestigen dat nog steeds om procedurele redenen minstens drie maanden verloopt tussen het moment van indienen van de kosten en de uitbetaling?

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het budget om de betalingen te voldoen? Hoe was dit vorig jaar begroot en hoeveel is effectief uitgegeven?

 

Hoe groot is momenteel de bestaande betaalachterstand? Welke arrondissementen scoren slecht?

 

Welke plannen heeft u om het gebrek aan gekwalificeerd personeel weg te werken? Hoe zal u de kennis van de instructies verbeteren? Welke opleidingen voorziet u?

 

Enkele weken terug was er tijdens het weekend een panne aan de telefooncentrale bij het hof van beroep te Antwerpen. ln de marge daarvan kwam aan het licht dat de communicatie tussen het hof en de gevangenis nog steeds verloopt via faxberichten. Vindt u het normaal dat dit soort gegevens nog per fax dient verstuurd te worden? Welke oplossingen worden momenteel voorbereid om de fax definitief te begraven en tegen welke termijn zullen zij uitvoering krijgen?

 

03.04 Minister Koen Geens: Zoals u heb ook ik kennisgenomen van het antwoord van de minister van Begroting op de parlementaire vraag van 24 januari 2018. Het betreffen algemene cijfers getrokken uit de databank SAP, die evenwel slechts een partiële situatie weergeven voor Justitie. Het totale aantal facturen in 2017 voor Justitie werd berekend op 248 774. Daarbij werd echter geen rekening gehouden met 222 993 facturen voor urgente gerechtskosten die door de griffies worden betaald, en 50 000 facturen voor telefoontapopdrachten. Als u die meetelt, komt u op een totaal van 521 000 facturen voor Justitie, op een totaal van 1 093 000 facturen voor de hele federale overheid. Dat betekent dat Justitie de helft van alle federale facturen voor haar rekening neemt, in aantal weliswaar en niet in bedragen.

 

Terwijl de gemiddelde termijn voor de 248 774 facturen in 2017 is vertaald in een betaaltermijn van 118 dagen, is de gemiddelde betaaltermijn van de onkostenstaten voor dringende gerechtskosten – die niet in dat aantal van 248 774 begrepen zijn, aangezien het gaat over 222 993 andere facturen – 55,23 dagen in 2017.

 

Daarenboven vermeldt de statistiek 5 783 306 euro aan verwijlintresten. Het gaat hier om wettelijke intresten die de rechter toekent bij grote schadevergoedingsdossiers waarbij Justitie de Belgische Staat verdedigt. In 2017 zijn inderdaad een paar zeer oude dossiers afgerond. De echte verwijlintresten bedragen in 2017 slechts 113 000 euro. Dat is absoluut niet de helft van alle verwijlintresten van de Staat.

 

Graag bezorg ik u via het commissiesecretariaat de statistiek 2015-2018 van het initieel budget gerechtskosten en van het finale budget. De conclusie is dat, naast de inhaaloperatie, er in 2015 geen extra middelen zijn toegekend om de achterstallen bij Justitie weg te werken. De overige operaties zijn gerealiseerd via verschuivingen of herverdelingen, hetzij binnen de begroting van Justitie, hetzij via de trekkingsrechten van Justitie op interdepartementale provisies.

 

Zoals reeds naar aanleiding van talrijke parlementaire vragen, blijf ik u bevestigen dat eind 2015 alle kostenstaten daterend van vóór 1 januari 2015, betaald werden in 2015. Alle toen bekende achterstallen werden weggewerkt. Op datum van 8 januari 2018 kon ik vaststellen dat de volle 100 % van het beschikbaar krediet voor 2017 werd vastgelegd en uitbetaald tot op de laatste euro. Op datum van 6 maart 2018 zijn er slechts 704 257 euro aan bekende kostenstaten voor experts met datum 2017 nog niet betaald. Aangezien de vertalers-tolken lokaal worden betaald door de griffies en niet door mijn diensten centraal, via het mechanisme van de dringende gerechtskosten, kan ik niet antwoorden op de precieze vraag hoeveel er nog achterstallig zijn.

 

In 2018 werd reeds 2 698 795 euro aan kostenstaten met factuurdatum 2017 betaald, waarvan 1 594 923 euro op het visum 2018. Het betreft de overflow van kostenstaten uit december, kostenstaten met vertraging overgezonden of intussen gecorrigeerde kostenstaten die voorheen werden gecontesteerd. In die omstandigheden spreken over achterstallen is dus niet helemaal correct. Beter kan dat worden gekwalificeerd als de normale overflow tussen twee budgetjaren. Er kan dus zeker niet gesproken worden van een nieuwe zware ontsporing.

 

De vooralsnog onbetaalde kostenstaten uit 2017 gaan over volgende categorieën: labo-onderzoeken ten bedrage van 266 927 euro, medische expertises ten bedrage van 172 248 euro, gerechtsdeurwaarders ten bedrage van 103 350 euro, geestesonderzoeken ten bedrage van 71 406 euro, andere deskundigen ten bedrage van 90 324 euro.

 

U stelt terecht dat de dossiers die door de secretariaten en griffies moeten worden doorgestuurd, misschien nog niet zijn aangekomen bij de centrale dienst, zelfs al zijn ze geïdentificeerd in de boekhoudapplicatie, waarin ze zo vlug mogelijk moeten worden opgenomen. Van die dossiers moet de controle dus nog beginnen. Er kunnen verscheidene redenen zijn waarom een dossier nog niet werd doorgestuurd. Dat is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat de magistraat niet tevreden was over het rapport, hij niet akkoord ging met de taxatie of het dossier nog niet aan de griffie of het secretariaat bezorgde. Het zijn de magistraten, die de expertises taxeren.

 

Er is zeker één categorie die steeds te laat komt, namelijk de dossiers van het autonoom politioneel onderzoek, APO. Alle kosten die zo'n dossier vergen, worden pas opgestuurd naar het parket na verloop van heel de procedure, die gemiddeld zes maanden duurt.

 

U vroeg ook naar de statistiek van het aantal kostenstaten voor dringende en niet-dringende gerechtskosten in de voorbije vier jaar en wat tijdig of niet-tijdig werd betaald. Ik kan geen cijfers geven voor het volledige pakket in 2014, omdat toen alleen de politieparketten en eerste aanleg reeds aangesloten waren op de nieuwe boekhoudapplicatie en dan nog niet voor de volledige twaalf maanden. Vanaf 2015 doe ik het wel. U kunt via het commissiesecretariaat de statistiek van dringende en niet-dringende gerechtskosten krijgen.

 

Bij het in rekening brengen van de behandelings­termijnen gelden bijzondere regels, die verschillen naargelang het soort vordering.

 

In het boekhoudsysteem SAP geldt voor overheidsopdrachten betaalcode ZP01, waarbij dertig dagen wordt verleend om de prestatie te aanvaarden en vijftig dagen om de factuur te betalen.

 

Bij andere facturen wordt meestal betaald met code ZP05, waarbij dertig dagen wordt verleend voor de aanvaarding van de prestatie en dertig dagen voor de betaling.

 

Bij gerechtskosten is de aanvaarding van de prestatie en het betalingsproces meestal een gezamenlijk proces met toepassing van één keer dertig dagen. Ook deze termijn van dertig dagen is niet toegepast voor niet-dringende gerechtskosten in de SAP-statistieken, omdat ze met de code ZP04 onmiddellijk worden betaald. Daardoor komt de termijn van dertig dagen te vervallen en beloopt de theoretische achterstand vanaf de identificatie van de kosten in onze budgetapplicatie tot de effectieve betaling dus nagenoeg de volledige behandeltermijn.

 

In een normale optiek zou de betaaltermijn van 25,23 dagen voor de 220 000 facturen inzake dringende gerechtskosten in 2017 gemiddeld veel minder niet-tijdige betalingen opleveren. Uiteraard zegt het gemiddelde niets over de behandeling van individuele dossiers, die veel vertraging kunnen oplopen. Ik betreur die situatie en heb mijn administratie gevraagd om ook lokaal bij de griffies de behandeltermijnen beter te managen voor elk dossier.

 

Ik heb reeds bij vorige parlementaire vragen gesproken over de personeelsproblemen bij de dienst Gerechtskosten in de eerste negen maanden van 2017. Tussen 15 augustus en 1 oktober zijn nieuwe personeelsleden binnen­gekomen, die in de laatste drie maanden van het jaar heel hard hebben gewerkt om de opgelopen achterstand in te halen.

 

De laatste vertragende factor was zeker de zeer laattijdige vastlegging van de terrokredieten, die een vijfde van het globale krediet uitmaken. De minister van Begroting heeft mij aangeschreven met de toezegging om die enveloppe in 2018 per trimester vrij te maken, zodat de behandeltermijn niet zolang zal uitlopen als in 2017.

 

Om de huidige behandeling van gerechtskosten te bespoedigen, heb ik reeds verscheidene maatregelen genomen. Ten eerste, elke magistraat wordt ingevolge de potpourriwet III verplicht om bij het IGO een opleiding te volgen inzake gerechtskosten.

 

Ten tweede, de centrale dienst Gerechtskosten heeft een kwaliteitshandboek gemaakt om de verwerking van de kostenstaten van vertalers-tolken te uniformiseren en te verbeteren. Daarbij werden de beroepsverenigingen betrokken en werd het in het auditorium voor meer dan tweehonderd vertalers-tolken toegelicht. Eenzelfde kwaliteitshandboek is in de maak voor de terugbetaling van schadegevallen.

 

Ten derde, in het gemeenschappelijk overlegcomité van 21 februari 2018 werd aan de colleges van de zetel en het parket gevraagd opnieuw een dwingende omzendbrief te sturen om hun diensten ertoe aan te zetten de behandeling van gerechtskosten vlugger te laten verlopen en vlugger te starten met de identificatie.

 

Ten slotte, de nieuwe wet op de gerechtskosten en het koninklijk besluit met de organisatie van de behandeling van gerechtskosten zijn nagenoeg klaar. Uiteraard moeten ze de reglementaire weg nog doorlopen. In die nieuwe wet en het koninklijk besluit is het principe van het lokaal bureau Gerechtskosten per arrondissement uiteraard opgenomen. Een dergelijk bureau zal bestaan uit een taxatiebureau en een vereffeningsbureau.

 

Eind 2017 publiceerde Selor oproepen tot kandidaatstellingen van boekhouder. Na de screening van de curricula vitae vond in de week van 12 februari 2018 de eerste Selortest plaats. De tweede proef wordt momenteel ingeboekt in het werkrooster van Selor en zou op 29 maart moeten worden beëindigd. Daarna zullen de nieuwe personeelsleden een stage lopen bij de centrale dienst Gerechtskosten. Nadien zullen zij op het terrein in hun respectieve bureaus worden ingezet. Samen met de digitalisering van het proces elektronische vordering en e-facturering, momenteel in test in Leuven en Mons, zal dat moeten leiden tot nog meer aanvaardbare betaaltermijnen.

 

03.05  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u vooral voor de laatste zinsnede. Volgens mij wacht iedereen op betaal­termijnen die nog meer aanvaardbaar zijn. Blijkbaar hebt u stappen gezet om de betaling van de dringende en de niet-dringende gerechtskosten op het terrein beter te organiseren.

 

In uw antwoord mis ik nog een zaak. Hoeveel gerechtskosten zijn er in omloop? U zei dat alle begrote kredieten voor het jaar 2017 zijn vastgelegd en betaald. Nochtans moesten er gerechtskosten naar het volgend jaar worden doorgeschoven, als ik uw uitleg goed heb gevolgd. Moet ik daaruit begrijpen dat er dan onvoldoende middelen waren? Heeft dat te maken met het feit dat men de in omloop zijnde gerechtskosten onvoldoende kent of beheert? Misschien moet ik daarop in een volgende vraag terugkomen.

 

Uw antwoord zal ik goed analyseren. Ik begrijp dat er inspanningen en moeite geleverd worden, dat er geïnvesteerd wordt om alle facturen tijdig in te geven. Als het tijdig ingeven gecontroleerd wordt, dan kan tijdige betaling volgen. Graag zou ik nog weten hoeveel er in omloop is. Misschien komt het dan nog volledig goed.

 

03.06  Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, ik zal uw zeer uitgebreid antwoord nog eens aandachtig nalezen, want u kunt het sneller voorlezen dan ik het kan noteren. Ik heb echter duidelijk begrepen dat u er werk van maakt en inspanningen levert om de betalingstermijn aanvaardbaar te maken. Ik ben in blijde verwachting van uw wetsontwerp inzake de behandeling van de gerechtskosten.

 

Besparen is zowat de rode draad in uw justitiebeleid. Ik hoef u niet te herhalen dat u in mij geen medestander vindt voor besparings­maatregelen ten koste van de veiligheid. Als het gaat om maatregelen die verwijlinteresten op de gerechtskosten kunnen doen verminderen, dan kunt u daarvoor wel degelijk op mijn steun rekenen.

 

03.07  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik kan mij hier alleen maar bij aansluiten. Ik dank u voor uw omstandig antwoord, dat ik ook zal moeten nalezen.

 

In mijn vraag sprak ik over een betalingstermijn van minstens drie maanden. Ik hoor dat het 55,23 dagen bedraagt, dus dat is al verminderd. Dat stemt mij alvast positief; wij volgen de zaak alvast op.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het drugsgebruik in de gevangenissen" (nr. 24206)

04 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la consommation de drogue dans les prisons" (n° 24206)

 

04.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de geschreven pers berichtte vorige week dat vier gedetineerden van de hulpgevangenis in Leuven in elkaar gezakt waren, vermoedelijk na een overdosis verdovende middelen. We weten al langer dat het drugsgebruik binnen de gevangenismuren een groot probleem vormt. Soms zijn de gedetineerden al verslaafd wanneer ze in de gevangenis terechtkomen, anderen leren in de gevangenis zelf drugs gebruiken. Eén op drie gebruikt drugs in de gevangenis.

 

Vorig jaar kwam u samen met uw collega, minister De Block, met een plan van aanpak naar buiten. Hierbij werden enkele pilootprojecten rond drugsgebruik opgezet in de gevangenissen van Hasselt, Brussel en Luik. De bedoeling is om verschillende lokale actoren en spelers uit de welzijnssector te betrekken bij het gevangenisbeleid en dat lokaal aan te sturen, zodat het revalidatietraject van de drugverslaafde gedetineerde verbetert.

 

Ten eerste, hoever staan u en uw collega, minister De Block, met uw plan van aanpak?

 

Ten tweede, wat zijn de resultaten van de pilootprojecten?

 

Ten derde, welke lessen worden hieruit getrokken?

 

Ten vierde, welke maatregelen zal u nemen in de hulpgevangenis van Leuven om situaties als zich hebben voorgedaan, te voorkomen?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, er lopen proefprojecten in de gevangenissen van Hasselt, Sint-Gillis en Lantin. Ze werden op 15 december 2017 door de FOD Volksgezondheid gestart en verkeren dus nog in de opstartfase. Tijdens de opstart werd in eerste instantie aandacht besteed aan de integratie van deze projecten in de reguliere werking van de gevangenissen in het algemeen en aan de afstemming ervan op de reeds bestaande medische dienstverlening. Zo kent de gevangenis in Sint-Gillis een specifieke werking die focust op drugsproblemen en de nieuwe speler, in dezen de vzw I-Care, zet er dan ook vooral in op de groep drugverslaafden, andere dan de opiaat­afhankelijken, die ook nog onvoldoende werd bereikt. Ook de brugfunctie van I-Care naar de buitenwereld toe met het oog op de continuïteit van de dienstverlening, is een belangrijk aandachtspunt.

 

Wat de projecten in Hasselt en Lantin betreft, richt men zich in het bijzonder op de uitbouw van de screeningsronde om de aard en de omvang van het drugfenomeen beter in kaart te brengen en om vervolgens de samenwerking met externe diensten daarop beter af te stemmen.

 

Gelet op de recente opstart van de drie projecten, verkeert een en ander logischerwijze in een verkennende fase en is het prematuur om reeds een evaluatie op te maken.

 

Het incident van vorige week zondag in de hulpgevangenis in Leuven was van een andere orde, vermits het over het binnenbrengen van drugs via de buitenwereld ging. Dit betekent impliciet uiteraard dat er zich binnen deze gevangenissen druggebruikers bevinden en de wijze van opvolging van deze gedetineerden is dan ook het voorwerp van besprekingen binnen de lokale werkgroep Drugs.

 

Dat men drugs op die manier de gevangenis binnen wil krijgen zou ook een indicatie kunnen zijn dat de controle- en veiligheidsprocessen ter voorkoming van de aanwezigheid van drugs in de gevangenis relatief efficiënt blijken te zijn.

 

04.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik hoor dat er proefprojecten lopen. Mag ik weten wanneer de eerste evaluatie daarvan zal gebeuren?

 

04.04 Minister Koen Geens: Zo snel mogelijk, maar er moet wel een redelijke ervaring zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "een goede en rechtvaardige straf" (nr. 24207)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "une peine correcte et juste" (n° 24207)

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vierentwintig studenten van de KU Leuven hebben een semester lang in de gevangenis van Leuven-Centraal nagedacht over rechtvaardige en efficiënte straffen. Hun bevindingen hebben zij vorige week normaal aan u overhandigd.

 

De studenten vroegen zich eerst af wat van een straf mag worden verwacht. Misdrijven moeten worden bestraft; mensen moeten worden ontmoedigd om misdrijven te plegen; wij moeten in een veiligere samenleving kunnen leven; het leed van slachtoffers moet worden gecompenseerd en daders moeten worden ondersteund. Dat waren enkele belangrijke doelen.

 

Volgens de onderzoekers is het huidig systeem van gevangenisstraffen ongeschikt om voornoemde doelen te bereiken. Volgens hen maakt een straf mensen slechter in plaats van beter wegens een structureel gebrek aan hulpverlening en begeleiding in de gevangenissen en wegens de onvoorspelbare duur van de straf. Volgens de studenten is een van de belangrijkste oorzaken de onduidelijkheid en de onzekerheid over de duur van de straf voor de gedetineerde. Als er meteen een einddatum op wordt geprikt, is dat veel comfortabeler voor de gedetineerde. De gedetineerden weten dan vanaf welke datum zij opnieuw aan hun toekomst kunnen werken, terwijl dat nu veeleer onduidelijk en onzeker is.

 

Een ander punt waarop de studenten hameren, is dat gedetineerden veel meer individueel moeten worden begeleid, zodat het voor hen gemakkelijker is nadien in de samenleving te re-integreren.

 

Leggen wij die bevindingen even naast de cijfers, dan merken wij dat België 124,81 euro per dag voor een gedetineerde betaalt, waarbij 57,6 % van alle veroordeelden na een periode van 18 jaar hervalt. In vergelijking met bijvoorbeeld Zweden, waar een gevangene 620 euro per dag kost, maar het recidivepercentage slechts 14 % is, loopt België flink achter.

 

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen.

 

Ten eerste, bent u het eens met de bevindingen van de studenten van de KU Leuven?

 

Ten tweede, wat is uw visie op een goede en rechtvaardige straf?

 

Ten derde, bent u het ermee eens dat het huidige gevangenissysteem niet adequaat werkt en er structureel iets moet veranderen?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de visietekst bij het studieproject "gevangenisstraf als doorleefde realiteit" van twaalf studenten en twaalf gedetineerden getuigt van een intensief denkproces over een zinvolle invulling van de penale straf. Daarover bestaat immers geen brede maatschappelijke consensus. Ook de studenten kwamen niet tot unanieme oplossingen.

 

Of de opgelegde straf en de uitvoering ervan rechtvaardig zijn, wordt verschillend beantwoord naargelang men de vraag aan de veroordeelde, het slachtoffer of zijn omgeving, dan wel aan de man in straat stelt. Persoonlijk meen ik dat een straf in zekere mate vergeldend, en op die manier ook preventief, moet werken, maar dat ze ook positieve effecten moet sorteren op het vlak van het herstel en de vergoeding van de slachtoffers en de maatschappij, enerzijds, en de re-integratie en verbetering van de dader, anderzijds. Dat zijn dus drie doelstellingen.

 

Die doelstellingen worden ook door de expertencommissie voor het nieuwe Strafwetboek als doelstellingen van de straf naar voren geschoven. Dikwijls kunnen die doelstellingen beter worden nagestreefd door andere straffen dan de gevangenisstraf. Het nieuwe strafrecht voorziet al in een breed pallet aan alternatieve straffen. De experten pleiten voor de afschaffing van gevangenisstraffen beneden het jaar, omdat de inbreuk waarvoor een korte straf wordt opgelegd niet in verhouding staat tot de gevolgen voor de overtreder.

 

In verband met de door u aangehaalde recidivecijfers heb ik andere gegevens. In de studie van het NICC staat dat 44,1 % van de gedetineerden recidiveert, en niet 57,6 %. Het percentage van 57,6 % werd berekend aan de hand van gedetineerden en niet-gedetineerden, bijvoorbeeld ook degenen die verkeersmisdrijven hebben gepleegd. Eén van de conclusies van het onderzoek van het NICC is trouwens dat de Belgische bevindingen over recidive niet zo sterk verschillen van de resultaten in onze buurlanden.

 

05.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik meen te begrijpen dat u in theorie heel wat mooie principes onderschrijft voor herstel en herstellend werken voor de slachtoffers en de re-integratie van de daders, maar mijn aanvoelen, kijkend naar de daden en de werkelijkheid, is dat er in de gevangenissen nog heel veel werk aan de winkel is. Wij zijn zeker niet zeer goed bezig op het vlak van de goede begeleiding van gevangenen om hen weer in de maatschappij op te nemen en goed te re-integreren.

 

Dank u om mijn recidivecijfers recht te zetten. Geen 57, maar 44 %, zei u, maar ik moet u bekennen dat ik ook van 44 % recidive nog wel heel erg schrik.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de minister van Justitie over "de ondersteuning door hulporganisaties in het kader van de mensenhandel" (nr. 24232)

06 Question de Mme Els Van Hoof au ministre de la Justice sur "le soutien apporté par les organismes d'aide dans le cadre de la traite d'êtres humains" (n° 24232)

 

06.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ik heb u vorige week ook al een vraag gesteld over Nigeriaanse meisjes in de prostitutie, vaak zeer jonge meisjes van veertien, vijftien of zestien jaar.

 

De komst van jonge Nigeriaanse meisjes startte enkele decennia geleden in Italië en heeft zich ondertussen over heel Europa uitgebreid. De meisjes moeten op korte tijd een geleend bedrag tussen de 20 000 en 60 000 euro terugbetalen aan hun Nigeriaanse pooiers of madammen. Het is een geïnstitutionaliseerd systeem in Nigeria.

 

De meisjes kloppen vele uren en zijn hier illegaal. Ze worden uitgebuit en zijn mogelijk het slachtoffer van mensenhandel.

 

Hulporganisaties als Payoke, Sürya en PAG-ASA leveren zeer belangrijk werk in de opvang en begeleiding van slachtoffers, met name in het kader van de bijzondere beschermingsprocedure voor slachtoffers van mensenhandel.

 

Deze organisaties hebben het echter moeilijk met hun financiering. Een structurele financiering ontbreekt, waardoor deze drie organisaties bijvoorbeeld tussen april en oktober 2017 niet in staat waren om 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 in permanentie te voorzien, terwijl de opvang van slachtoffers uiteraard ook buiten de kantooruren gebeurt.

 

De drie erkende centra ontvingen in het verleden subsidies van de Nationale Loterij en van Werk en Gelijke Kansen. Tussen 2002 en 2015 kregen zij ook een projectsubsidie van ongeveer 100 000 euro per jaar per hulporganisatie van het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid. Dit zijn telkens subsidies voor een jaar. Het is dus geen structurele financiering. De jarenlange financiering van Werk en Gelijke Kansen gebeurt nu vanuit Justitie voor de periode 2017-2018-2019.

 

Mijnheer de minister, hebt u meer informatie over de totstandkoming van de federale subsidiëring van de hulporganisaties voor slachtoffers van mensenhandel voor deze drie organisaties? Welke elementen speelden mee in de moeizame totstandkoming van de financiering voor de periode 2017-2019? Onderschrijft u de noodzaak aan een structurele financiering, dus niet project­matig, van hulporganisaties voor slachtoffers van mensenhandel, zodat deze nooit zonder werkingsmiddelen vallen? Zijn er plannen om in een meer structurele financiering te voorzien?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Hoof, de centra voor de opvang van de slachtoffers van mensenhandel spelen een belangrijke rol die strookt met onze internationale verplichtingen inzake de bescherming van de slachtoffers van mensenhandel. Ze verlenen opvang aan de slachtoffers van mensenhandel en bieden psychologische en medische hulp en juridische bijstand aan slachtoffers op voorwaarde dat ze actief meewerken met het gerecht om de mensenhandelaars te laten veroordelen.

 

Vorig jaar bestond er inderdaad veel onduidelijkheid over de financiering van de centra. Die situatie was ontstaan omdat fondsen van het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid die tot 2016 werden aangewend om de reguliere federale financiering van de centra aan te vullen op het niveau van Gelijke Kansen waren uitgeput. Op voorstel van mij en na intensief overleg met de staatssecretaris voor Gelijke Kansen werd door de Ministerraad beslist om het budget voor de gespecialiseerde opvangcentra voor slachtoffers van mensenhandel over te hevelen van Gelijke Kansen naar Justitie.

 

Daarenboven werd beslist dat de drie centra van beide departementen via de interdepartementale provisie tot 2019, jaarlijks elk een beroep kunnen doen op 166 000 euro bijkomende financiering. Zodoende werd het budget voor deze centra eindelijk gestabiliseerd en kwam er een einde aan de punctuele oplossingen die in het verleden werden gezocht om de financiering van de centra rond te krijgen.

 

Dit akkoord geldt alleen voor deze legislatuur. Bijgevolg is het aan de volgende regering om de voortzetting ervan te onderzoeken dan wel andere opties te bekijken.

 

06.03  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Het is goed dat zij bijkomende middelen krijgen, gezien de prangende situatie van de Nigeriaanse meisjes die talrijk aanwezig zijn in ons land. Het is van belang dat we in het kader van de beschermingsprocedure in die middelen voorzien. Zij kunnen immers belangrijke steun bieden in het kader van het gerechtelijk onderzoek. Daarbij spelen Payoke, Sürya en PAG-ASA een bijzondere rol. Het is nu dus geregeld tot 2019. We hopen dat de bijkomende financiering ook daarna voorhanden kan blijven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Gilles Vanden Burre au ministre de la Justice sur "les critiques du dernier rapport du CPT à propos de nos prisons" (n° 24252)

07 Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Justitie over "de kritiek op onze gevangenissen in het jongste rapport van het CPT" (nr. 24252)

 

07.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, le Comité pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants (CPT) du Conseil de l'Europe a publié son dernier rapport, le jeudi 8 mars dernier. Même s'il se félicite de quelques avancées positives dans le milieu carcéral belge, il pointe également du doigt des problèmes graves et systémiques.

 

Parmi les évolutions positives signalées par le CPT, il y a notamment une nette diminution de la surpopulation carcérale en Belgique. Début 2017, lors de la septième visite dans plusieurs établissements pénitentiaires belges, l'organe du Conseil de l'Europe avait comptabilité 10 800 détenus, soit un taux de surpopulation de 16 %. En octobre 2014, lors de votre entrée en fonction, monsieur le ministre, la surpopulation carcérale culminait encore à plus de 24 %. Aujourd'hui, elle est ramenée à 12 %.

 

Malheureusement, à côté de cette situation globale qui va plutôt dans le bon sens, vers une diminution de la surpopulation carcérale, il reste de véritables points noirs, notamment à Bruxelles où on observe une surpopulation carcérale croissante (plus de 50 % à la prison de Saint-Gilles) et des structures largement vieillissantes. Le Comité a également observé une pénurie d'activités organisées pour les détenus, ce qui peut évidemment avoir des conséquences négatives, comme l'accroissement des tensions, des frustrations et des violences ou encore un risque accru de radicalisation.

 

Plus loin, le CPT dénonce des problèmes systémiques en ce qui concerne les structures psychiatriques pénitentiaires, en particulier à la prison de Lantin: manque de personnel, prise en charge limitée au traitement pharmacologique, gestion insatisfaisante des urgences psychia­triques. Je vous ai d'ailleurs posé une question à propos de l'usage parfois problématique du DHBP (dehydrobenzpéridol). Ce neuroleptique est utilisé depuis des années en prison et en centre fermé comme médicament destiné à "calmer" les détenus jugés trop excités ou trop nerveux.

 

Le rapport fait également état de plusieurs cas de recours excessif à la force, généralement au cours de l'arrestation ou peu après celle-ci. Il révèle des allégations de mauvais traitements physiques récents d'hommes incarcérés par certains agents pénitentiaires, y compris des chefs d'équipe.

 

Le CPT demande également qu'on instaure un service de base en milieu carcéral pour que les droits élémentaires, fondamentaux des détenus soient garantis - douches, visites, préau, installation, repas, etc.

 

Le Comité formule une série de recommandations pour améliorer la situation.

 

Depuis que j'ai introduit ma question, j'ai lu que vous vous êtes rendu à Strasbourg mardi pour donner votre version et votre réponse au rapport.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous exposer les grandes lignes du message que vous avez délivré au Conseil de l'Europe mardi dernier? Comment allez-vous mettre en place un plan d'action spécifique afin de répondre aux problèmes graves mis en évidence par le rapport? Usage de la force, soins psychiatriques non adaptés, surpopulation carcérale, en particulier à Bruxelles, vétusté des établissements. Comptez-vous appliquer les recommandations du rapport dans les semaines à venir? Tout ne pourra pas être mis en œuvre d'ici à la fin de la législature dans un an. Quelles sont vos priorités? Je vous remercie.

 

07.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Vanden Burre, monsieur le président, je suis évidemment informé des remarques et observations formulées par le CPT dans son rapport du 8 mars 2018. Les thèmes sur lesquels ils portent se traduisent dès lors dans la politique que je mène sur les établissements pénitentiaires.

 

Le chiffre de la population carcérale a diminué, passant de pratiquement 12 000 détenus au début de cette législature à environ 10 300 actuellement. Malheureusement, une perte de capacité inattendue de plus ou moins 400 places est survenue à la même période, outre l'arrêt prévu de la location de l'établissement de Tilburg. L'effet sur le taux de surpopulation n'a donc pas été ressenti dans le même ordre de grandeur. Je vise particulièrement la moitié de la population à Forest et une partie de la population à Merksplas qui a dû être déplacée en raison des travaux qui doivent y être achevés.

 

Ajoutez à cela les difficultés que nous éprouvons en Belgique à bâtir de nouvelles prisons en raison des permis d'environnement et permis de bâtir, qui sont durs à obtenir, et vous comprendrez que nous devons encore subir ce phénomène quelque temps.

 

Organiser des activités pour l'ensemble des détenus est bien sûr un souci permanent. Dans cette optique, les services pénitentiaires sont en concertation permanente avec les services compétents des Communautés.

 

Durant cette législature, le nombre de personnes internées au sein des prisons a également diminué, passant de pratiquement 1 200 en 2013 à 563 aujourd'hui, soit de moitié. À la suite de l'exécution du Masterplan III, il sera en principe possible de prévoir pour chaque personne internée un placement en institution de soins. La diminution du nombre d'internés nous permettra d'affecter de manière optimale les équipes de soins et les équipes médicales disponibles. Je tiens également à souligner que les prestataires de soins suivent au sein des prisons les normes spécifiques à ce secteur professionnel.

 

Durant la formation, de même que dans le cas de la gestion quotidienne des prisons, une attention particulière est accordée à l'intégrité du personnel pénitentiaire en contact avec les détenus. Si nécessaire, des actions disciplinaires sont engagées.

 

S'agissant du service minimum garanti, je confirme ma précédente réponse indiquant que ce dossier se trouve dans la phase finale des concertations. De plus, je souhaite le soumettre à court terme au gouvernement. Les discussions qui ont eu lieu hier à Strasbourg avec le président du CPT, le secrétaire général du Conseil de l'Europe et le président de la Cour européenne des droits de l'homme se sont très bien déroulées. J'ai réitéré mon engagement pour que la Belgique se conforme aux demandes du Conseil de l'Europe et de ses organes respectifs. Le rapport du CPT, qui a été rendu public, confirme que tous les organes du Conseil de l'Europe croient à la bonne volonté de la Belgique ainsi qu'à ses avancées en vue de répondre aux reproches qui lui avaient été faits.

 

07.03  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse, que je lirai en détail.

 

Comme cela fut souvent dit dans cette commission, de nombreuses prisons n'offrent aucune possibilité d'activités. J'ai ainsi visité récemment la prison de Saint-Gilles et j'ai pu constater, par exemple, que la bibliothèque était fermée. Ce problème doit rester l'une de vos priorités.

 

Ensuite, nous avons débattu à de nombreuses reprises de la construction de prisons. J'imagine que vous faites notamment référence à celle de Haren. Il est clair que, pour nous, élaborer des méga-projets pénitentiaires ne constitue pas une solution. Cela servira en effet surtout à déplacer le problème. Je connais la vétusté des bâtiments de Saint-Gilles et de Forest, où les conditions de détention sont tout à fait inacceptables. Ce n'est donc pas une option de les maintenir, mais de là à bâtir un énorme complexe tel que Haren, nous autres écologistes ne pouvons valider cette réponse.

 

Ce n'est pas ce que nous attendons d'une politique pénitentiaire destinée à réduire à moyen terme la surpopulation carcérale. Nous partageons avec vous cet objectif. C'est pourquoi nous espérons que vous poursuivrez en ce sens.

 

Enfin, il importe de trouver une solution pour déplacer les internés, car nous savons bien que leur place n'est évidemment pas en prison. De vraies mesures structurelles doivent donc être prises. Nous suivrons ce dossier attentivement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 24258 de M. Gautier Calomne est reportée.

 

08 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "informatica op de griffies" (nr. 24264)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de procedurefouten" (nr. 24307)

08 Questions jointes de

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "l'informatique dans les greffes" (n° 24264)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les vices de procédure" (n° 24307)

 

Mevrouw Van Vaerenbergh is momenteel niet aanwezig.

 

08.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 31 januari 2018 stelde ik u een vraag over het probleem met de afgeluisterde telefoongesprekken in de correctionele rechtbank van Brussel, waardoor een drugsbende vrijuit kon gaan.

 

Eerst dacht men dat de dvd's met de telefoongesprekken onleesbaar waren. Uiteindelijk waren ze wel leesbaar, maar in de rechtbank werd blijkbaar de verkeerde applicatie gebruikt om de dvd's te beluisteren.

 

Onlangs kon het proces tegen Vlaams Parlementslid Christian Van Eyken niet van start gaan vanwege een computer die oververhit raakte. De verdediging klaagde aan dat de bewakingsbeelden daardoor niet bekeken konden worden, waardoor de cliënten niet naar behoren verdedigd konden worden. Dat proces is bijna symbolisch voor de problemen waarmee Justitie anno 2018 kampt.

 

Mijnheer de minister, hoeveel strafzaken waren er in 2017 die niet van start zijn kunnen gaan of strafzaken waarbij de verdachten vrijuit gingen wegens procedurefouten door gebrekkig materiaal?

 

Zult u stappen zetten om het verouderd materiaal in de rechtbanken te vernieuwen, zodat zulke toestanden tot het verleden behoren?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, inzake uw eerste vraag kunnen de statistische gegevens door het College van procureurs-generaal niet worden aangeleverd op de termijn voor de beantwoording van een mondelinge vraag.

 

Inzake uw tweede vraag, in de dossiers die u aanhaalde, is er niet echt sprake van verouderd materiaal, dan wel van een verkeerd gebruik.

 

Thans loopt een uitrolprogramma voor de Kiosk-pc's, waarop de dossiers worden geraadpleegd. Dat uitrolprogramma verhoogt niet alleen het aantal beschikbare Kiosk-pc's, maar vervangt ook de stilaan verouderde exemplaren. De vernieuwing van de hardware in de griffies vraagt, zoals overal, een permanente vernieuwingsinvestering, wat ook gebeurt.

 

Om veiligheidsredenen hanteert de FOD Justitie een strikte policy, over wat er op een pc kan worden geïnstalleerd om virussen en andere gevaren te vermijden. Kiosk-pc's kennen een nog strengere policy, in die zin dat zij enkel software kunnen bevatten nodig voor het gebruik waarvoor zij bedoeld zijn. Die Kiosk-pc's voor de raadpleging van het elektronisch dossier of voor de raadpleging van overtuigingsstukken bevatten enkel de software nodig om dat te kunnen doen.

 

Het incident waarnaar wordt verwezen, ging niet om een oververhitte pc, maar wel om een forensic bridge. Dat is een speciaal extern toestel waarin de forensisch te onderzoeken harde schijf wordt gemonteerd, wat garandeert dat er geen data op die schijf worden gewijzigd. Het originele toestel werd geleverd door de federale politie. Na de vaststelling op 11 december 2017 van het defect van de forensic bridge en aangezien de federale politie geen nieuw toestel kon leveren, heeft de FOD Justitie beslist om zelf zo'n toestel aan te kopen. Dat toestel werd op 12 januari 2018 ter beschikking gesteld van de griffie. Het dossier kon dus tijdig en correct worden ingezien.

 

Iedereen is voorstander van het elektronisch indienen van conclusies, in de eerste plaats de advocatuur, vanwege de vele voordelen. Om dat mogelijk te maken, is er informatica-infrastructuur nodig en dat vraagt investeringskosten en permanente onderhoudskosten aan de kant van de ontvanger, in dit geval Justitie, en aan de kant van de verzenders, in dit geval de advocatuur.

 

Voor Justitie wordt een en ander gefinancierd uit het ICT-budget Justitie. De balies beslissen zelf over hun ICT-businessmodel.

 

De applicaties werden wel degelijk op hun compatibiliteit met Windows 10 getest, vooraleer te worden uitgerold. Er werd als volgt te werk gegaan.

 

In het voorjaar van 2017 zijn in 21 weken 4 613 laptops met Windows 10 onder de Rechterlijke orde verdeeld. Alle 42 applicaties voor de Rechterlijke orde werden voorafgaand aan de roll-out in het najaar van 2016 onder Windows 10 getest, eerst door de ontwikkelaars en daarna door een groep testgebruikers. Elke applicatie werd na een voorafgaand akkoord naar Windows 10 uitgerold.

 

De tijdens de testperiode vastgestelde problemen zijn in de weken voor de start van de roll-out met de gebruikers besproken en samen met hen naar ernst geklasseerd.

 

Bij de start van de uitrol waren alle gekende hinderlijke of blokkerende problemen opgelost.

 

Kort na de start van de roll-out waren er enkele klachten over de grootte van het lettertype in de applicatie hof van beroep. Als oplossing werd aangeboden een groter scherm te leveren. Een deel van de gebruikers vond die oplossing echter onwerkbaar. Uiteindelijk is in gezamenlijk overleg beslist 37 gebruikers behalve hun Windows 10-toestel een tweede laptop met Windows 7 te bezorgen, uitsluitend voor het gebruik van die welbepaalde applicatie.

 

Voor de onderzoeksrechters was het van bij de start duidelijk dat hun applicatie niet tijdig onder Windows 10 zou draaien. Een nieuwe, daarvoor geschikte versie was in voorbereiding, maar vanwege een vertraging bij de ontwikkeling nog niet klaar bij het afronden van de roll-out op 21 juli 2017.

 

Daarom werd beslist de onderzoeksrechters voorlopig nog met Windows 7 te laten werken. Er werden 130 Windows 10-toestellen voor hen gereserveerd, om onmiddellijk te kunnen overschakelen.

 

Voor de e-Box zou het ons te ver leiden hier het volledig project te bespreken. De Rechterlijke orde verkoos eerst maximaal te kunnen verzenden veeleer dan te ontvangen. Dat veronderstelt dat de belangrijkste actoren naar wie berichten worden gestuurd, met een e-Box zijn uitgerust. Tegen het einde van de zomer van 2018 zullen alle advocaten en notarissen daarmee zijn uitgerust, zodat met een massale verzending kan worden gestart.

 

De bedoeling is alle vonnissen, ook vonnissen in strafzaken, elektronisch binnen vijf werkdagen aan de advocaten te bezorgen. Daarvoor is overigens een wetswijziging opgenomen in de wet betreffende de werklastvermindering, die wij volgende woensdag 21 maart 2018 in de commissie voor de Justitie bespreken. Daarna zullen ook andere verzendingen volgen.

 

De documenten betreffende de onbekwaam­verklaringen worden reeds geruime tijd vanaf de vredegerechten via de e-Box verstuurd en automatisch in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

 

Ook de arbeidsauditoraten worden binnenkort met de e-Box uitgerust om de communicatie met de databank van elektronische processen-verbaal van de inspectiediensten Economie, Sociale Zaken, Milieu en dies meer te organiseren.

 

Regelmatig ontvangen wij bijkomende vragen van andere actoren om op dat netwerk aan te sluiten, zoals de gemeenten en de provincies. Wij zijn daarover met hen in overleg.

 

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik dank u.

 

08.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, met alle respect, maar ik moet u erop wijzen dat ik twee eenvoudige vragen over twee zaken stel, die ook heel eenvoudig te begrijpen zijn.

 

Ten eerste, een drugsbende gaat vrijuit omdat er eerst een zogezegd probleem is met afgeluisterde telefoongesprekken die niet kunnen worden getraceerd en blijkbaar onleesbaar zijn.

 

Mijn tweede vraag ging over het proces van de heer Van Eyken, gewezen Vlaams Parlementslid. Het proces kon niet van start gaan omdat de computer oververhit raakte. Blijkbaar deed er zich daar een ander technisch probleem voor.

 

Mijnheer de minister, wat mijn vraag over het aantal strafzaken betreft, heb ik begrip dat u nog niet over alle cijfers beschikt. Ik hoop dan dat ik ze later mag ontvangen. Wanneer zal dat dan gebeuren? Hoeveel strafzaken konden niet doorgaan in 2017 wegens procedurefouten?

 

Een andere vraag was of u stappen zal ondernemen om het verouderd materiaal in de rechtbanken te vernieuwen. Ik hoor dan zaken over nieuwe computers, waardoor vonnissen digitaal binnen de vijf dagen aan de advocaten zullen worden bezorgd. Dat was echter helemaal niet mijn vraag. Het gaat over de problemen die zich voordoen op de processen of bij de start van de processen zelf, waardoor een proces, zoals dat tegen Christian Van Eyken, zelfs niet kan starten.

 

Ik weet dat u nu wellicht niet veel meer zal antwoorden. Ik blijf echt op mijn honger zitten met dit antwoord op mijn vraag.

 

08.04 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik heb op uw vraag geantwoord. U zal dat kunnen nalezen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vragen nrs 24292, 24294 en 24300 van de heer Vermeulen werden omgezet in schriftelijke vragen.

 

09 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de toerekeningsvatbaarheid" (nr. 24308)

09 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la responsabilité" (n° 24308)

 

09.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de Hoge Raad voor de Justitie heeft in een advies aan de regering geopperd dat het systeem van toerekeningsvatbaarheid dringend moet worden aangepast. Momenteel heeft de rechtbank maar twee opties. Of iemand is toerekeningsvatbaar en er komt een straf. Of iemand is ontoerekenings­vatbaar en is dus niet schuldig en dan volgt internering.

 

De Hoge Raad voor de Justitie is ervan overtuigd dat een systeem met gradaties van toerekeningsvatbaarheid beter zal werken. Door gradaties in te bouwen kan men zeggen dat iemand verminderd toerekeningsvatbaar is. Dan kan die persoon voor het deel waarvoor hij verantwoordelijk is, een duidelijke straf krijgen, maar tegelijk is er het zorgend aspect, omdat er sprake is van een geestesstoornis, die moet worden aangepakt.

 

De invoering van gradaties van toerekenings­vatbaarheid werd opgenomen in het regeer­akkoord van 2014. Ik kan er dus van uitgaan dat u hiervan een voorstander bent, mijnheer de minister. Wij zijn nu 2018. Bent u van plan om nog in deze legislatuur het nieuwe systeem van gradaties van toerekeningsvatbaarheid in te voeren? Hoe ziet u de praktische uitwerking van een systeem van gradaties met een combinatie van straf en zorg?

 

09.02 Minister Koen Geens: Tijdens deze legislatuur hebben we via de potpourriwet III van 4 mei 2016 de wet betreffende de internering grondig gerepareerd. We werken nu aan een nieuw Strafwetboek en een nieuw Wetboek van strafuitvoering. Er is bij de besprekingen van de drie ontwerpen in de regering niet meer vastgehouden aan de gradaties van toerekenings­vatbaarheid.

 

De experts gelast met de opmaak van een Strafwetboek, hebben er in hun voorstel van memorie van toelichting destijds reeds aan gerefereerd, zonder dat evenwel in hun voorstel van wettekst zelf op te nemen.

 

Het risico bestaat dat de invoering van gradaties eindeloze debatten zal veroorzaken over het niveau van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en de mate van toerekening van de feiten aan de persoon. Er werd en wordt voor geopteerd om dezelfde gevolgen en resultaten te bereiken via regelingen die in ons strafrecht al een lange traditie hebben, namelijk het opleggen van probatievoorwaarden en het toepassen van verzachtende omstandigheden.

 

Ik verklaar mij nader. In een rechtsstelsel met regelingen in verband met de verminderde toerekeningsvatbaarheid zoals in Nederland, is duidelijk bepaald dat dat geen grond is voor schulduitsluiting. De gedraging of de handeling is wel degelijk toe te rekenen aan de dader, die verantwoordelijk is voor zijn daden, maar het kan een mildere straf opleveren. Die mildere straf kan eruit bestaan dat een behandeling bijkomend wordt opgelegd, de zogenaamde terbeschikking­stelling.

 

In de huidige en toekomstige Belgische strafwet zorgt de toepassing en de oplegging van de probatiestraf als autonome straf of van het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen mits oplegging van probatievoorwaarden ervoor dat de rechter ten gronde als sanctionering het volgen van een begeleiding of therapie kan bepalen.

 

Bij het uitstel van de tenuitvoerlegging kan de rechter trouwens én een effectieve gevangenis­straf én een straf met probatie-uitstel gezamenlijk uitspreken. Straf en zorg kunnen dus ook vandaag worden gecombineerd. Een graad van geestesstoornis kan door de rechter ten gronde ook steeds als verzachtende omstandigheid worden aanvaard, waardoor er automatisch ook een lichtere straf wordt uitgesproken.

 

09.03  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Begrijp ik het goed dat met de huidige wetgeving de rechter ook minder zware straffen kan uitspreken en in zorg kan voorzien, en dat de gradaties in toerekenings­vatbaarheid, zoals in het regeerakkoord overeengekomen, er dan toch niet komen? Ik spreek er mij niet over uit of dat goed of slecht is. Wat in het regeerakkoord staat, zal dus niet worden uitgevoerd?

 

09.04 Minister Koen Geens: Ik heb op uw vraag geantwoord, mevrouw Lambrecht. U zult het lezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de strafzaken uit de jaren 90" (nr. 24309)

10 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les affaires pénales des années 90" (n° 24309)

 

10.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, op 8 maart 2018 werd voor een Gentse rechter een verkeersongeval behandeld dat 27 jaar oud is. In 1991 raakte de heer Hulpia betrokken bij een verkeersongeval toen hij 33 jaar was. Hij is er nu 60! Waarom de zaak die eerder in eerste aanleg behandeld werd, zolang moest aanslepen, kon geen van de partijen volledig verklaren.

 

Uit de laatste betrouwbare cijfers van het College van procureurs-generaal die inmiddels dateren van 2015, bleek dat er nog enkele duizenden strafzaken uit de jaren '90 van de vorige eeuw hangende waren. Naast het aantal hangende strafzaken is er natuurlijk ook de gerechtelijke achterstand die kan worden omschreven als de tijd die een in staat gestelde zaak moet doorlopen om definitief te worden beslecht.

 

Ik heb hierbij vier vragen, mijnheer de minister.

 

Hoeveel strafzaken van de vorige eeuw zijn er momenteel nog hangende?

 

Hoeveel strafzaken zijn er sinds 2015 per jaar bijgekomen?

 

Kunt u een overzicht geven van de gerechtelijke achterstand per arrondissement en per rechtbank?

 

Wat ziet u als mogelijke oplossingen voor het geschetste probleem?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, ik heb uiteraard schitterende mensen en een ongelofelijk College van procureurs-generaal, maar op zo’n korte termijn kan ik werkelijk geen statistische gegevens verstrekken. Het betreft ook geen eerder gestelde schriftelijke vraag die werd omgezet in een mondelinge vraag. Als u mij wat meer tijd geeft, zal ik proberen op uw vraag een fatsoenlijk antwoord te geven, ook al is statistische informatie niet zo evident. Uit collegialiteit wil ik dat graag proberen.

 

10.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik wil u daarvoor heel erg bedanken. Kunt u eventueel zeggen hoeveel tijd daarvoor nodig is?

 

10.04 Minister Koen Geens: Ik zal in het Frans antwoorden, mevrouw Lambrecht: il faut le temps qu’il faut.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "l'évolution de l'état de la Justice en province de Luxembourg" (n° 24021)

11 Vraag van de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de evolutie van de toestand van de justitie in de provincie Luxemburg" (nr. 24021)

 

11.01  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le ministre, au moment où j'ai introduit ma question, je dois être honnête, je n'avais évidemment pas connaissance de l'affaire Veviba. Cette dernière vient me conforter dans l'importance de la question que je vous pose aujourd'hui. Ce n'est pas la première fois que je m'intéresse à la situation du pouvoir judiciaire en province de Luxembourg, de l'insuffisance d'effectifs, assez criante, qui n'est pas propre à la province, mais qui y est peut-être un peu plus marquée. Je ne sais pas si nous pouvons faire un lien avec ce dossier et l'affaire qui occupe l'actualité politique.

 

Pourtant, quand nous conversons avec des magistrats de différents ressorts, et a fortiori avec ceux du parquet, ils nous disent quasiment tous qu'il y a des dossiers qui dorment, qui ne sont parfois même pas ouverts, par manque de personnel. Je ne prétends pas que le dossier Veviba a dormi par manque de personnel. Mais de manière générale, une réflexion sur le fonctionnement de la justice est essentielle, car cette dernière est un service public essentiel, notamment dans le domaine pénal, et pour éviter que des poursuites soient abandonnées par faute de membres du personnel. En province de Luxembourg, cette question est particulièrement préoccupante.

 

En octobre 2016, le président du tribunal de première instance du Luxembourg dressait un portrait peu flatteur de l'état du pouvoir judiciaire dans sa province, par rapport à l'état et au manque de sécurisation des bâtiments, à des problèmes d'informatisation et de déficit de personnel, etc. En novembre 2016, j'avais déjà eu l'occasion de vous interroger sur ces questions, à la suite des déclarations de ce président de tribunal. Je souhaite faire le point sur l'évolution de ce dossier puisqu'il semble que la situation ne se soit guère améliorée.

 

Concernant la situation du personnel et plus précisément celle du greffe, le cadre des greffiers, comprenant le greffier en chef, les chefs de service et les greffiers, est de 28 membres prévus. Son occupation actuelle ne serait que de 22,8 personnes, donc un peu moins de 23 membres du personnel.

 

Le cadre des assistants est de 17. Son occupation actuelle serait de moins de 12 membres de personnel, précisément 11,9, ceci dû aux temps partiels. Le cadre des collaborateurs est de 12 et son occupation actuelle est légèrement supérieure à 10. Le cadre total est donc de 57 unités tandis que l'occupation totale actuelle est de, seulement, 44,8. On en est donc à 78,5 % des effectifs prévus au cadre légal, un chiffre qui devrait être revu à la baisse au 1er juin prochain en raison d'un départ à la retraite, ce qui ferait chuter le cadre effectif à un peu plus de 76 %.

 

Ces dernières années, quelques places ont effectivement été publiées. Jusqu'à présent, elles ont pratiquement toutes été pourvues par des personnes déjà en fonction, sous régime contractuel au tribunal de première instance, ce qui signifie qu'il n'y a pas eu d'accroissement du nombre de membres dans les fonctions aux greffes.

 

Pour les magistrats, le cadre actuel ne serait occupé qu'à 88 %. Vous me direz, peut-être, qu'en comparaison avec d'autres ressorts ou arrondissements, c'est une moyenne satisfaisante à vos yeux. Quand on sait que les cadres n'ont plus été revus depuis de très nombreuses années pour un certain nombre d'arrondissements, le fait que le taux de remplissage soit insuffisant est sans doute un fait aggravant.

 

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous me préciser ce qui sera mis en œuvre pour combler le déficit en personnel particulièrement criant au sein des greffes? Pouvez-vous également me dire si la place du juge, actuellement vacante, pour parvenir à occuper à tout le moins le cadre à 90 % sera publiée et dans quel délai?

 

11.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Maingain, à la suite d'une nomination récente d'un juge du tribunal de première instance au tribunal de police du Luxembourg, l'effectif du tribunal de première instance est actuellement de 21 magistrats sur un cadre de 24. Il est exact qu'aux greffes, 45,8 personnes sont actuellement en service sur un cadre légal de 53 auquel il faut ajouter 4 (surnombre autorisé), pour un total de 57.

 

La nomination d'un assistant est actuellement en cours. En outre, une place vacante de greffier a été publiée le 22 décembre 2017 et deux places vacantes d'assistant ont été publiées le 30 janvier 2018.

 

Mon administration fait régulièrement un rapportage sur l'occupation des cadres dans différentes juridictions. Le monitoring des crédits en personnel et les possibilités d'action que permet la marge opérationnelle débouchent sur une concertation avec le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public en vue de déterminer les priorités. J'ai cependant déjà indiqué que les cadres légaux ont été fixés dans un contexte historique et qu'ils n'ont dès lors qu'une valeur relative, et ne permettent pas une répartition du personnel selon les réels besoins des juridictions. Selon moi, des indicateurs concernant la charge de travail devraient davantage déterminer les priorités pour la publication des places vacantes ou pour le recrutement du personnel.

 

Je constate par ailleurs que le Conseil supérieur de la Justice souligne également, dans son audit sur la gestion des ressources humaines au sein des tribunaux de première instance de décembre 2017, qu'un instrument commun, fiable et accepté de tous visant à mesurer la charge de travail devrait conditionner la répartition des ressources humaines à l'avenir.

 

À la suite du monitoring portant sur les crédits du personnel effectué par le SPF BOSA en février, ma cellule stratégique et mon administration se concertent à nouveau avec les Collèges afin de procéder dans les prochaines semaines à une nouvelle publication des places vacantes.

 

11.03  Olivier Maingain (DéFI): Monsieur le président, je remercie le ministre pour sa réponse. Je la connais parce que ce n'est pas la première fois que nous débattons de la question des cadres et de leur effectivité quant au taux d'occupation.

 

Le débat sur la charge de travail, je le connais depuis que je suis parlementaire. Il n'y a pas un ministre qui ne m'ait répondu à chaque fois: "Il faut évaluer la charge de travail." J'entends bien qu'il y a de nouvelles méthodes. Et une évaluation a été faite dans un certain nombre de juridictions.

 

Je ne sais pas si, pour la province de Luxembourg, il y a eu évaluation de la charge de travail, mais je pars quand même du principe qu'on a voulu responsabiliser les présidents de juridiction. On a voulu qu'ils soient les managers de leur juridiction. Je n'aime pas le terme "manager" mais, à l'époque, c'est ce que l'on a expliqué quand on a fait la réforme des fonctions de président de juridiction. Ils sont les mieux placés pour savoir…

 

On ne peut pas à la fois leur demander d'être responsables et puis, quand ils crient et lancent un cri d'alarme en disant: "Nous manquons de magistrats!", les ignorer. C'est eux qui savent ce qu'il en est de la charge de travail. Ou alors cessons de vouloir les responsabiliser! Qu'on cesse de leur demander d'être les "patrons" de leur juridiction!

 

Donc, en l'occurrence, je crois que le président du tribunal de première instance a eu raison de dire: "J'ai besoin des effectifs prévus au cadre." Ne tentons donc pas de relativiser l'importance des cadres! Ils sont là, ou alors venez avec des propositions pour modifier les cadres, avec des données objectives, et nous pourrons en discuter, mais je n'ai jamais vu ce débat se faire de manière précise et rigoureuse au parlement. Je vous remercie.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het FAVV en de gerechtelijke onderzoeken" (nr. 24339)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de rol van het parket in de zaak Veviba naar aanleiding van de klacht van de Kosovaarse voedselinspectie" (nr. 24350)

- de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de rol van justitie in het Vevibaschandaal" (nr. 24354)

- mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Justitie over "het gerechtelijk onderzoek in de zaak Veviba" (nr. 24395)

12 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'AFSCA et les enquêtes judiciaires" (n° 24339)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le rôle du parquet dans l'affaire Veviba à la suite de la plainte des services kosovars de l'inspection alimentaire" (n° 24350)

- M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "le rôle de la justice dans le scandale Veviba" (n° 24354)

- Mme Nele Lijnen au ministre de la Justice sur "l’enquête judiciaire dans l'affaire Veviba" (n° 24395)

 

12.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij werden de voorbije dagen voor de zoveelste maal geconfronteerd met een schandaal in de vleesindustrie en het zoveelste met betrekking tot voedselveiligheid. Wij hollen van crisis naar crisis. Als het geen voedselschandaal is, dan is er een ernstig incident in de slachthuizen of in de verwerkende vleesindustrie. Het FAVV heeft telkens een uitleg klaar, en zwaait ermee dat het om alleenstaande incidenten of eenmalige fraude gaat, maar de zaken blijven wel komen, de ene na de andere. De consument en de boer zijn telkens de dupe.

 

Het eerste signaal dat Veviba een loopje nam met de wetgeving, kwam er reeds in het najaar van 2016. De klacht arriveerde via Kosovo bij het voedselagentschap, dat een inspecteur naar het Balkanland moest sturen omdat de voedselinspectie daar had vastgesteld dat er gesjoemeld was met een lading vlees. Er werd een dossier opgemaakt en neergelegd bij het parket in Luxemburg. Ik spreek nu over 2016. Pas tijdens een huiszoeking op vrijdag 2 maart doken problemen op in het verwerkingsatelier en het koelhuis in Bastenaken.

 

Mijnheer de minister, hoeveel onregelmatigheden met betrekking tot voedselveiligheid werden de laatste drie jaar door het voedselagentschap gemeld aan het parket?

 

Hoeveel gerechtelijke onderzoeken werden als gevolg hiervan geopend?

 

In hoeveel gevallen kwam het tot een effectieve veroordeling?

 

Mijn tweede vraag sluit daarbij aan. Ik sla de inleiding over, om tijd te sparen.

 

Het gaat alweer over Kosovo en 2016. Het dossier lag dus sinds het najaar van 2016 op het bureau van het parket van Luxemburg, afdeling Neufchâteau. Toch duurde het tot 28 februari 2018 vooraleer er een huiszoeking plaatsvond, dus één jaar en acht maanden later.

 

Krachtens artikel 151, § 1, eerste lid van de Grondwet is het openbaar ministerie onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen. Dat het parket onafhankelijk is in de individuele opsporing en vervolging mag dan wel grondwettelijk zo zijn, maar dit betekent uiteraard niet dat het parket onverantwoordelijk mag zijn en dat u geen politieke verantwoordelijkheid draagt voor de niet-werking van het parket als het over onze voedselveiligheid gaat.

 

Wij hebben maandag een hoorzitting gehad. Er waren daar drie ministers aanwezig. Ik vraag mij af waarom men er niet aan gedacht heeft om ook de minister van Justitie uit te nodigen.

 

Wanneer heeft het parket een onderzoeksrechter gelast met het onderzoek?

 

Waarom werd er achttien maanden gewacht vooraleer een huiszoeking werd uitgevoerd, terwijl onze voedselveiligheid op het spel stond?

 

Ten derde, welke stappen heeft het parket gezet om zich ervan te vergewissen dat de voedselveiligheid niet op het spel zou staan?

 

Ten vierde, wat zijn de richtlijnen in het strafrechtelijk beleid als het op het garanderen van onze voedselveiligheid aankomt?

 

Ten vijfde, is het garanderen van de voedselveiligheid in België een prioriteit voor het parket?

 

12.02  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, op 19 september 2016 kwam in Kosovo inderdaad een vrachtwagen aan met vlees van Veviba uit Bastenaken. Het merendeel van de etiketten was van de verpakkingen gescheurd, maar uit restjes ervan bleek dat het vlees al dateerde van 2004. Het was herverpakt in dozen met het merknummer van het bedrijf zelf. Dat staat in een gerechtelijk verslag dat een journalist kon inkijken.

 

Nog diezelfde maand kreeg het federaal voedselagentschap een klacht binnen van de Kosovaarse voedselinspectie, waarna een Belgische inspecteur ter plaatse werd gestuurd. Een week later vertrok er een proces-verbaal naar het parket van Luxemburg. Dat maakte uw collega, de minister van Landbouw, maandag bekend tijdens de gedachtewisseling in de commissie voor de Volksgezondheid.

 

De chronologie roept op zijn minst vragen op over de aanpak van het gerecht, want daar wist men dat er vlees van twaalf jaar oud werd verkocht. Toch duurde het meer dan anderhalf jaar, tot 28 februari 2018, voordat een huiszoeking werd uitgevoerd. Er zijn dus twee mogelijkheden: ofwel heeft het parket snel een onderzoeksrechter gevorderd, die dan tot de huiszoeking is overgegaan, en is het dossier bij de onderzoeksrechter blijven liggen, ofwel heeft het parket bijzonder lang gewacht om een onderzoeksrechter te vorderen en is die wel snel tot de actie overgegaan. Dat is op dit moment niet duidelijk, maar het is wel essentieel om te bepalen waar eventuele verantwoordelijkheden liggen.

 

Ik las in de media ook dat verschillende redenen worden opgesomd waarom er een vertraging zou zijn, zoals een personeelstekort bij het parket. Dat kan eventueel een reden zijn, als het dossier bij het parket is blijven liggen, maar het kan absoluut geen reden zijn, mocht het bij de onderzoekrechter blijven liggen zijn. Er worden overal wel wat redenen en oorzaken gezocht, maar het is belangrijk dat wij precies weten wat er aan de hand is. Het lijkt mij ook evident dat men dossiers die over voedsel en voedselveiligheid gaan niet zomaar laat liggen.

 

Mijnheer de minister, waarom heeft het gerecht anderhalf jaar gewacht om een huiszoeking uit te voeren?

 

Kunt u een chronologisch overzicht geven, vanaf het indienen van de klacht uit Kosovo tot vandaag, van de juridische en gerechtelijke stappen die in dit dossier werden ondernomen door het parket en de onderzoeksrechter?

 

12.03  Nele Lijnen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, er is iets misgegaan bij de administratie, waardoor deze vraag te laat was ingediend, maar ik ben heel blij dat ik ze toch kan stellen.

 

De situatie is door de collega's geschetst. Na het debat van maandag in de gemengde commissie voor de Volksgezondheid en het Bedrijfsleven is het debat van vandaag in deze commissie voor de Justitie heel terecht.

 

Wij hebben een aantal vragen over de vleesfraude die in 2016 in Kosovo werd vastgesteld. Ik begrijp dat er via het Europees meldingssysteem een klacht is binnengekomen bij het FAVV, een alarmsignaal uit Kosovo over gesjoemel met vlees. Een expert ging ter plaatse en stelde een rapport op. Dat rapport werd vervolgens neergelegd bij het Luxemburgs parket. Het relaas daarvan kennen wij. Anderhalf jaar na de feiten werd er een huiszoeking gedaan. De vraag is wat daaraan is voorafgegaan. Wat heeft men vanuit Justitie gedaan? Wat heeft het FAVV gedaan? Die discussie hebben wij maandag gevoerd in de gemengde commissie.

 

Mijnheer de minister, ik heb een aantal pertinente vragen, waarvan ik hoop dat u ze vandaag kunt beantwoorden.

 

Ten eerste, welke strafbare feiten werden door het FAVV vastgesteld en overgemaakt aan het parket van Luxemburg, afdeling Neufchâteau?

 

Ten tweede, werd er vervolgens een opsporing dan wel een gerechtelijk onderzoek opgestart? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat is de huidige stand van dat onderzoek?

 

Ten derde, werd door het FAVV op basis van artikel 61ter dan wel op basis van artikel 21bis van het Wetboek van strafvordering inzage gevraagd in het strafdossier, teneinde zich ervan te vergewissen of de volksgezondheid al dan niet in gevaar was? Zo ja, wanneer werd een dergelijke inzage verleend?

 

Ten vierde, bestaat er een omzendbrief ingevolge waarvan zodra er een bedreiging is voor de volksgezondheid en de voedselveiligheid, de noodzakelijke meldingen aan het FAVV worden gedaan, met het oog op het nemen van de gepaste, dringende en bewarende maatregelen?

 

12.04 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, mijnheer Van Hecke, mevrouw Lijnen, met betrekking tot uw vragen over cijfers omtrent het aantal onregelmatigheden die door het FAVV de afgelopen drie jaar werden gemeld aan het parket en omtrent het aantal gerechtelijke onderzoeken, moet ik u melden dat het openbaar ministerie in zo'n korte tijdspanne geen cijfers kan verstrekken.

 

Wel kan ik u meedelen dat de meeste onregelmatigheden die het FAVV vaststelt over heel het land en in alle sectoren, aan de parketten worden gemeld, maar dat de meerderheid ervan, ongeveer 80 %, via een administratieve sanctionering wordt afgerond door de commissarissen voor de administratieve geldboetes van het FAVV. Dit maakt deel uit van de beleidsafspraken. Uiteraard worden de ernstige inbreuken op strafrechtelijke wijze vervolgd via opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken. Ik kom daar bij de volgende vragen op terug.

 

Ik wil u nu al duidelijk maken dat, naast de eigen sanctionering, het FAVV ook eigen administratieve middelen heeft om onmiddellijk een einde te stellen aan de operator die de volksgezondheid in gevaar brengt. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de schorsing of intrekking van de exploitatie­vergunning.

 

Te allen tijde kan het FAVV zelf een onaangekondigd bezoek brengen aan een bedrijf en dat betreden in toepassing van artikel 3, § 2 van het KB van 22 februari 2001. De privéwoonstbetreding vergt uiteraard de toestemming van de politierechter, maar ook dat kan het FAVV doen.

 

Op de vraag of het garanderen van de voedselveiligheid wel degelijk een prioriteit is voor de parketten, kan ik u het volgende meedelen. Bij het openbaar ministerie is er een verhoogde aandacht voor de steeds verdergaande graad van specialisatie om voedselfraude te bestrijden. Vandaar dat er bij de parketten, op provinciaal niveau, één aanspreekpunt is voor deze misdrijven, zodat de competenties worden geconcentreerd bij een referentiemagistraat. Het College van procureurs-generaal breidde vorig jaar, op het niveau van het openbaar ministerie, de bevoegdheden uit van het expertisecentrum in deze materie naar een Pharma and Food Crime Center met een meer gerichte aanpak van de criminaliteit met betrekking tot geneesmiddelen en voeding, en de vermogensvoordelen die daaruit worden gepuurd.

 

Ook voor de Nationale Hormonencel, onder leiding van Justitie door zijn referentiemagistraat, is een ruimer kader uitgewerkt met aandacht voor een meer multidisciplinaire aanpak van hormonen, maar ook van doping, geneesmiddelen en voedselveiligheid.

 

Zowel het openbaar ministerie, de federale politie als de verschillende inspectiediensten in die materies bundelen hun krachten en expertise in die multidisciplinaire cel. Op die manier is een integrale aanpak mogelijk van onderscheiden misdrijven en de bescherming van de bevolking.

 

In de gevallen waarin ingrijpende onderzoeks­daden moeten plaatsvinden zoals huiszoekingen, invallen, inzage van computerbestanden en tapmaatregelen, vordert het parket een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter, die vanaf dan de leiding en de verantwoordelijkheid heeft over het onderzoek, met uitsluiting van het parket, zowel inzake de sturing van en de opdrachten en instructies aan de speurders en de onderzoekers, zij het de politie, de inspectiediensten of het FAVV, de inhoud van de onderzoekshandelingen, de tactiek en de timing ervan. Bij de afsluiting van dat onderzoek deelt de onderzoeksrechter het dossier mee aan het parket, dat dan bekijkt of het volledig is en bij voldoende bezwaren bij de feiten zijn eindvordering opstelt met een omschrijving van de feiten, de kwalificaties, de verdachten, de plaatsen en tijdstippen, zodat de raadkamer de zaak kan verwijzen naar de correctionele rechtbank, die ten gronde zal oordelen over de schuld en over de straffen.

 

In de gevallen waarin er geen onderzoeksrechter nodig is, kan het parket de zaak rechtstreeks dagvaarden voor de correctionele rechtbank. De parketten brengen de zaken voor de correctionele rechtbank op grond van onder andere de volgende voorgeschreven criteria: de ernst van de feiten, de verwevenheid met georganiseerde criminaliteit, de precedenten en samenhang met andere feiten. Belangrijk daarbij is dat verschillende zaakverdelingsreglementen, zoals in West-Vlaanderen en Antwerpen, bepalen dat gespecialiseerde rechtbanken die zaken behandelen. Ook bij de zetel is er dus een specialisatie ingericht.

 

Ik wil nog benadrukken dat het parket, wanneer het naar aanleiding van een strafonderzoek aanwijzingen heeft van een gevaar voor de volksgezondheid, steeds de bevoegde instanties, zoals het FAVV, verwittigt, voor zover die nog niet op de hoogte zijn gebracht.

 

In antwoord op de vragen over de concrete inhoud en het verloop van het onderzoek kan ik u de informatie meedelen die ik ontving van het parket-generaal van Luik en het parket van Luxemburg. Ik moet er vooreerst, zoals in andere strafzaken, wel op wijzen dat het onderzoek geheim is  en dat het hier om een onderzoek in handen van een onderzoeksrechter gaat. In casu werd door het parket van Luxemburg een onderzoeksrechter gevorderd en aangesteld. De mededelingen van het parket-generaal van Luik en het parket van Luxemburg zal ik zo precies mogelijk overbrengen, via citaten na vertaling in het Nederlands – die vertaling is voor mijn rekening – en soms in een andere volgorde, gelet op de structuur van uw vragen.

 

Wat het door u gevraagde chronologische overzicht betreft, citeer ik de antwoorden van het parket-generaal en van het parket: "Het FAVV heeft op 5 oktober 2016 een oorspronkelijk proces-verbaal opgesteld in verband met de export op 19 september 2016 van twintig ton vlees van de firma Veviba uit Bastenaken naar Kosovo. Dit vlees werd bij een controle aan de grensovergang in Kosovo in beslag genomen. Een veterinair inspecteur van het FAVV is ter plaatse gegaan om de vrachtwagen te controleren. Het onderzoek liet toe vast te stellen dat de traceerbaarheid van het uitgevoerde vlees was vervalst. Het merendeel van de etiketten die de afkomst van het vlees identificeren, was afgetrokken. Op de resten van de etiketten werd vastgesteld dat bepaalde stukken vlees dateerden uit 2004. Dit vlees was herverpakt in verzegelde dozen met een erkenningsnummer van de nv Veviba. De resten van de etiketten lieten tevens toe om vast te stellen dat een deel van het vlees afkomstig was uit de slachthuizen van Izegem en Harelbeke. Het parket van Luxemburg vat twaalf dagen later, op 17 oktober 2016, de onderzoeksrechter ten laste van de nv Veviba, de bvba Slachtgroep Leieland en de nv E.E.G. Slachthuis Verbist Izegem uit hoofde van valsheden en gebruik van valsheden, bedriegerij, vervalsing van voedingsmiddelen en misdrijf op het reglement 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002. In deze vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek vroeg het parket een huiszoeking op de zetel van de drie vermelde vennootschappen met het oog op het overgaan tot beslag van ieder document dat nuttig is voor de traceerbaarheid van de kwestieuze voedings­middelen en te trachten om de vervalsingen in de informatica aan te duiden die ervoor zorgden dat deze voedingsmiddelen konden worden gecommercialiseerd."

 

Het parket van Luxemburg meldt nog het volgende in verband met de chronologie: "Een tweede proces-verbaal van het FAVV, opgesteld op 3 december 2016, in mijn kantoor aangekomen op 10 maart 2017" – 3 december 2016, aangekomen op 10 maart 2017 – "werd gevoegd aan het gerechtelijk onderzoek op 26 april 2017 met uitbreiding van de saisine en had betrekking op de biokwaliteit van de producten van Veviba. Het proces-verbaal bracht verdenkingen aan van vervalsingen van de traceerbaarheid, intern bij Veviba, met het oog op het inbrengen van niet-biovlees in de filière van bio. Het biovlees dat merkelijk duurder is, zou zo toelaten om de winstmarge van Veviba te verhogen."

 

Op uw andere vraag waarom het gerecht anderhalf jaar heeft gewacht om een huiszoeking uit te voeren, deelde het parket-generaal mij het volgende mee: "De onderzoeksrechter voert zijn onderzoek in volledige onafhankelijkheid zonder dat het openbaar ministerie hem orders of directieven kan geven. Met betrekking tot de programmatie door de onderzoeksrechter van de gevorderde acties van het openbaar ministerie en met name tot de periode tussen de saisine van de onderzoeksrechter en de operatie van eind februari 2018 past het om de volgende elementen aan te brengen: In het begin was er geen motief om aan te nemen dat er een groot risico was voor de volksgezondheid en dus voor een dringende actie. Tussen de instelling van een gerechtelijk onderzoek op 17 oktober 2016 en de operatie van eind februari 2018 is er geen enkel element bij het parket aangebracht om deze inschatting te wijzigen. Nogmaals, de oorspronkelijke vordering van het parket had betrekking op de vervalsingen van voedingsmiddelen, zoals bepaald in artikel 500 en volgende van het Strafwetboek. Dit misdrijf houdt verband met een frauduleuze handeling die niet schadelijk is voor de gezondheid. Indien er gevaar was geweest voor de gezondheid, dan zou de vordering van het parket gebaseerd geweest zijn op de misdrijven vervat in de artikelen 454 en volgende van het Strafwetboek: hij die stoffen mengt of doet mengen die de dood kunnen teweegbrengen of de gezondheid zwaar kunnen schaden.

 

Ten tweede heeft het parket niet alleen onmiddellijk een gerechtelijk onderzoek gevorderd, maar tevens specifiek een huiszoeking gevraagd.

 

Ten derde is het van belang aan te geven dat alleen een huiszoeking met grote draagwijdte toegelaten heeft om de nu gekende misdrijven te kennen. De gewone administratieve controles zoals het FAVV die dagelijks doet, volstaan daarvoor niet. Het is verwonderlijk om vast te stellen dat Justitie nu wordt verweten om die andere, ergere misdrijven te hebben blootgelegd. De ernst van de situatie is slechts nadien ontdekt dankzij de huiszoeking. De andere misdrijven vastgesteld bij de huiszoeking, die niet het voorwerp uitmaakten van de oorspronkelijke saisine van de onderzoeksrechter, zijn op grond van een nieuw oorspronkelijk proces-verbaal van het FAVV gevoegd aan het gerechtelijk onderzoek. Het gaat dus om een uitbreiding van de saisine.

 

Ten vierde, het is tevens evident dat een dergelijke operatie" – nog steeds volgens het parket-generaal – "met dertig agenten van het FAVV en twintig onderzoekers van de federale gerechtelijke politie, tijd vergt voor de coördinatie, temeer daar de vertrouwelijkheid absoluut moet worden gewaarborgd, hetgeen gelet op het aantal betrokken personen bij de operatie niet gemakkelijk is.

 

Ten vijfde, over de inschatting van het gevaar voor de volksgezondheid beschikt het FAVV over een bijzondere expertise. Op geen enkel ogenblik heeft het Agentschap het nuttig geoordeeld, zo lijkt het, om op grond van zijn eigen administratieve bevoegdheden een grondige controle uit te voeren in de installaties te Bastenaken, hoewel het Agentschap van in het begin op de hoogte was van de instelling van een gerechtelijk onderzoek, het zich nooit meer heeft gemanifesteerd bij de onderzoekende magistraat, dit is de onderzoeksrechter, om te doen gelden dat een tussenkomst dringend was." Nog steeds aldus het parket-generaal.

 

De procureur van Luxemburg meldde nog het volgende: "Ik betreur niettemin dat de onderzoeksrechter het niet nodig oordeelde om het openbaar ministerie te betrekken bij een coördinatievergadering die blijkbaar heeft plaatsgehad op 7 december 2017, zoals hij evenmin het openbaar ministerie op de hoogte heeft gebracht van de vooropgestelde huiszoeking." Ook meldde de procureur van Luxemburg in verband met een eventueel aanbrengen van de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling nog het volgende: "Ik voeg toe dat de onderzoeksrechter was gevat en dus de leiding had van het onderzoek. We hadden in casu geen voldoende ernstige en verontrustende elementen om de kamer van inbeschuldiging­stelling daarover te vatten. Dit is trouwens een procedure die delicaat is om uit te brengen."

 

Mevrouw Lijnen, ik ben laat op de hoogte gebracht van uw vraag, maar omdat u ze naar verluidt tijdig zou gesteld hebben als ik de lichaamstaal van de voorzitter goed begrijp, wil ik toch proberen te antwoorden. Ik heb op alle vragen geantwoord, behalve op de derde. Het antwoord op de derde vraag, met name of er inzage is gevraagd van het strafdossier door het FAVV, overeenkomstig artikel 21bis van het Wetboek van strafvordering, is: naar ons weten niet. Maar dat is naar ons weten, want we hebben hierover geen overleg meer kunnen plegen met het parket. Wel is het zo dat het FAVV in strikte zin geen partij is, maar onderzoeker, en het zou dus normalerwijze van de meeste elementen van het strafdossier kennis moeten hebben.

 

De Belgische Staat, dat weet u, heeft zich burgerlijke partij gesteld, maar dat is dan weer een ander verhaal.

 

Ik dank u, mijnheer de voorzitter, geachte collega's, voor uw geduld.

 

12.05  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Over drie elementen bestaat er nog steeds geen duidelijkheid, ook niet na de commissie­vergadering van maandag, omdat de schuld wordt doorgeschoven.

 

Het FAVV beweerde niet te mogen optreden omdat Justitie aan de zaak werkte. Uit uw antwoord meen ik echter te hebben begrepen dat het voedselagentschap te allen tijde het bedrijf kan betreden. De topman van het voedsel­agentschap liegt dus als hij zegt dat hij niets mocht doen omdat het gerechtelijk onderzoek liep, terwijl hij het bedrijf wel mocht betreden voor een controle. Het klopt dus niet dat Justitie het bedrijfsbezoek verbood.

 

Mijnheer de minister, waarom kwam er vanuit uw kabinet geen reactie tegen deze flagrante leugen van de topman van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen? Hij trekt u namelijk mee in het bad door te stellen dat Justitie medeverantwoordelijk zou zijn voor de grove nalatigheid door het niet-handelen van het voedselagentschap. Het is duidelijk dat er twee keer een proces-verbaal werd opgesteld door het parket. Toch deed het Agentschap niets.

 

Mijnheer de minister, ik heb er begrip voor als u mijn bijkomende vragen nu niet wilt beantwoorden. Kunt u wel bevestigen dat de bewering van de topman, als zou hij niets mogen doen omdat het gerechtelijk onderzoek liep, niet klopt? Klopt het dat de topman wel degelijk het bedrijf mocht betreden om vlees te controleren?

 

12.06  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, bedankt voor uw verhelderend antwoord.

 

Ik had al aangegeven dat er twee mogelijkheden zijn: ofwel heeft het parket snel gevorderd, maar is het dossier lang blijven liggen bij de onderzoeksrechter, ofwel heeft het parket lang gewacht met de aanstelling van een onderzoeksrechter. Het is duidelijk dat de eerste situatie zich heeft voorgedaan. Uit de chronologie die u naar voren bracht, wordt duidelijk dat het parket vrij snel een onderzoeksrechter gevorderd heeft en gevraagd heeft om over te gaan tot een huiszoeking.

 

Mijn eerste conclusie luidt dat het parket in eerste instantie niet veel verweten kan worden. Het parket heeft gedaan wat het moest doen. Volgens insinuaties was een en ander te wijten aan het onvoldoende ingevuld kader, weliswaar een bestaande problematiek, maar in deze zaak niet problematisch.

 

Wat heeft de onderzoeksrechter bezield om zolang te wachten? Dat weten wij niet. Het gaat om een zetelend rechter. Het is moeilijk om ten aanzien van hem in te grijpen. Hij alleen weet welke redenen hij had om niet snel tot een huiszoeking over te gaan.

 

Dat daarvoor dertig mensen van het voedsel­agentschap en twintig mensen van de federale gerechtelijke politie noodzakelijk zijn, goed, maar dat het dan nog anderhalf jaar duurt om een equipe samen te stellen, dat kan ik niet vatten, temeer daar er dan een tweede saisine en een uitbreiding van de saisine zijn gekomen in april met nieuwe feiten. Dan zou het dossier, dat misschien ergens onderaan een stapel lag, toch weer naar boven moeten zijn gekomen en had men toch moeten zien dat het dringend was om actie te ondernemen.

 

Waar de vertraging ook ligt en wat de oorzaken ook zijn, het is in ieder geval niet aanvaardbaar, ook al zou er in het begin geen aanwijzing zijn geweest van mogelijke problemen met de volksgezondheid. Als zulke dossiers rond sjoemelen met voedsel, rond voedsel uit 2004 dat nog in de handel wordt gebracht, geen prioriteit zijn, dan vraag ik mij af wat dan wel een prioriteit is. Ik weet dat er aan de expertisevorming wordt gewerkt, zowel bij het parket als bij de zetel. Wij moeten daar echt mee verdergaan, maar blijkbaar is dat ook onvoldoende om deze dringende dossiers naar boven te doen komen. Waar is de tijd dat wij allemaal lovend enthousiast waren over het werk van een onderzoeksrechter in Neufchâteau?

 

Ik noteer echter, mijnheer de minister, dat het voedselagentschap zelf ook nog actiemiddelen had om op te treden, bijvoorbeeld de schorsing of sluiting van het bedrijf. Dat lijkt mij essentieel, maar het is niet uw verantwoordelijkheid. Ook als Justitie traag vooruitgaat, zijn er wel mogelijkheden voor het voedselagentschap om administratief op te treden. Dat is echter niet uw verantwoordelijkheid.

 

Ik zie een gedeelde verantwoordelijkheid, zijnde de traagheid van Justitie in het gerechtelijk onderzoek en bij de onderzoeksrechter, enerzijds, en het niet-optreden van het voedselagentschap op basis van de eigen bevoegdheden, die nochtans duidelijk bij wet zijn vastgesteld, anderzijds.

 

12.07  Nele Lijnen (Open Vld): Mijnheer de minister, uw antwoord geeft ons een iets betere kijk op wat er allemaal is gebeurd, hoewel er ook nieuwe elementen zijn die het opnieuw zeer ingewikkeld maken.

 

U zegt heel duidelijk dat er een bijkomend onderzoek is gevraagd, de tweede saisine. Dat document is echter drie maanden onderweg geweest, van 3 december 2016 tot 10 maart 2017. U bevestigde vandaag dat het parket daadwerkelijk snel is overgegaan tot de vraag naar meer onderzoek en dat het parket in 2016 ook al had gevraagd om huiszoekingen uit te voeren. Men heeft daar echter anderhalf jaar mee gewacht en wij kunnen ons daar vragen bij stellen. Wij kunnen ons tegelijk afvragen waarom het drie maanden moet duren alvorens een dossier van het parket en het FAVV op de juiste plaats terechtkomt teneinde bijkomend onderzoek te kunnen uitvoeren.

 

De vraag is wat er in die drie maanden is gebeurd. Ik vind dat straf.

 

U zei ook dat er geen motief is om aan te tonen dat de volksgezondheid in gevaar was. Dat vind ik ook straf, zeker omdat het over vlees ging dat blijkbaar al sinds 2004 diepgevroren was. Tussen 2004 en 2016 zit een termijn van twaalf jaar. Ik kan inderdaad aannemen dat er hier geen sprake is van een toegevoegde stof die mensen meteen doet doodvallen, maar wij mogen niet onder tafel vegen dat het minstens noodzakelijk is dat Volksgezondheid ter zake een extra beoordeling maakt. Mij lijkt het ontbreken daarvan een beoordelingsfout te zijn.

 

Zoals ik maandag al opmerkte in de commissie, vraag ik mij af wat het FAVV in de tussenperiode gedaan heeft. Ik begrijp het goed als u zegt dat men een schorsing van de bedrijfswerkzaamheden had kunnen opleggen of onaangekondigde controles had kunnen uitvoeren. Dat is blijkbaar vastgelegd in het koninklijk besluit. Het FAVV heeft effectief de mogelijkheid om bij non-conformiteit bijkomende controles uit te voeren. Dat werd echter niet gedaan.

 

Kortom, ik meen dat er heel wat elementen zijn, ook op het vlak van Justitie, die nader onder de loep moeten worden genomen. Wij moeten uit deze crisis absoluut een aantal lessen trekken, teneinde in de toekomst anders om te gaan met het inschatten van het gevaar voor de volksgezondheid, door de traagheid of de snelheid van een bepaald proces.

 

Ik meen dat een algemene aanpak essentieel en noodzakelijk is.

 

12.08 Minister Koen Geens: Mag ik nog twee woorden zeggen, mijnheer de voorzitter?

 

Ik wil eerst en vooral de vraagstellers vragen om niet te veel af te leiden uit de tijdspanne tussen december 2016 en maart 2017. Alle betrokken personeelsleden moesten tegen een hoge snelheid werken. Die data staan inderdaad in de stukken die wij vannacht gekregen hebben, maar ik sluit niet uit dat er ergens een vergissing is gemaakt. Ik zou dus niet graag hebben dat u onmiddellijk zware gevolgtrekkingen maakt.

 

Ten tweede, mevrouw Lambrecht, het is niet mijn bedoeling om olie op het vuur te gieten. Daarom heb ik ook zo nadrukkelijk geciteerd. Uiteraard moet het FAVV zelf nog met zijn rapport komen.

 

Ik wil alleen herlezen wat het parket-generaal heeft gezegd in antwoord op uw vraag, omdat ik niet graag zou zien dat men die woorden aan de minister van Justitie toeschrijft. Ik ben in dezen eigenlijk ook geen partij. Mijn parket is onafhankelijk en de onderzoeksrechter is dat bovenmate.

 

Wat zegt het parket-generaal? "Op geen enkel ogenblik heeft het Agentschap het nuttig geoordeeld, zo lijkt het, om op grond van zijn eigen administratieve bevoegdheden een grondige controle uit te voeren in de installaties te Bastenaken, hoewel het Agentschap van in het begin op de hoogte was van de instelling van een gerechtelijk onderzoek, het zich nooit meer heeft gemanifesteerd bij de onderzoeksrechter om te doen gelden dat een tussenkomst dringend was." Dat zijn de woorden van het parket-generaal. Ik wil die niet in twijfel trekken, ik wil alleen niet dat men mij partij maakt bij de betwisting en men beweert dat de minister van Justitie dat heeft gezegd. Ik neem aan dat dat waar is, maar er staat in dat zinnetje ook "zo lijkt het" en we moeten het rapport van het FAVV nog krijgen.

 

Ik zou dus niet graag zien dat men hier een veldslag van maakt. Dat zou voorbarig zijn en dat zou ook niet helpen. Ik wil dus alleen maar zeggen dat het de woorden zijn van het parket-generaal. De procureur zelf heeft gezegd "zo lijkt het".

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.04 uur.

La réunion publique de commission est levée à 18.04 heures.