Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 25 april 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 25 avril 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.03 uur en voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.03 heures et présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

01 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de meerwaardebelasting in de vennootschapsbelasting" (nr. 24314)

01 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxation des plus-values dans le cadre de l'impôt des sociétés" (n° 24314)

 

01.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, de hervorming van de vennootschapsbelasting heeft wijzigingen aangebracht aan het stelsel van de vrijstelling van belasting op meerwaarden uit aandelen. Men heeft ervoor gekozen om de voorwaarden voor de vrijstelling gelijk te schakelen aan de voorwaarden voor de DBl-aftrek. In dat opzicht moet er voortaan dus rekening gehouden worden met de minimale houdperiode van één jaar en met de participatievoorwaarde.

 

Met betrekking tot de taxatievoorwaarden rijzen enkele vragen vanuit de praktijk. Er kan niet aan worden getwijfeld dat de vennootschap, die de aandelen vervreemdt, een participatie moet bezitten die aan de gestelde grens voldoet, met name 10 % deelname in het kapitaal of een aanschaffingswaarde van 2,5 miljoen euro, om op die manier aanspraak te kunnen maken op de vrijstelling.

 

Indien dit niet geval is, kan de vrijstelling niet worden toegepast. Indien het wel het geval is en de volledige participatie wordt vervreemd, kan de vrijstelling worden toegepast, natuurlijk in de veronderstelling dat aan alle voorwaarden is voldaan.

 

De vraag rijst echter of de vrijstelling ook kan worden toegepast indien de vennootschap slechts een beperkt pakket van zijn participatie vervreemdt, waardoor men dus niet meer voor het geheel voldoet aan de participatievoorwaarde.

 

Een andere vraag in de praktijk betreft de specifieke antimisbruikbepaling die, zoals bij de DBl-aftrek, moet verhinderen dat men slechte aandelen kan omzetten in goede aandelen. Deze bepaling geldt voor de meerwaardevrijstelling enkel voor de aandelen die slecht zijn ten gevolge van het niet-respecteren van de taxatie­voorwaarden. Dat wil dus zeggen dat de antimisbruikbepaling dan stricto sensu niet geldt voor de aandelen die slecht zijn omdat ze niet voldoen aan de detentievoorwaarde en/of de participatievoorwaarde. Die uitsluiting is minder duidelijk en wordt ook niet verantwoord in de memorie van toelichting bij de hervorming.

 

Mijnheer de minister, als men dat begint te bestuderen en herlezen, ontdekt met steeds nieuwe dingen. Dit is daarvan een goed voorbeeld. In die zin is het goed om hierover meer duidelijkheid van u te krijgen.

 

Kunt u verduidelijken of de participatievoorwaarde moet worden bekeken per aandelenpakket dat wordt vervreemd of volstaat het dat de totale aangehouden participatie aan de participatie­voorwaarde voldoet? Is het daarbij volgens u dan van belang wat de grootte is van het vervreemde aandelenpakket? Gaat men dat met andere woorden per tranche bekijken of wordt dat gefixeerd en geglobaliseerd?

 

Mijnheer de minister, kunt u verklaren waarom de antimisbruikbepaling niet geldt voor de aandelen die niet voldoen aan de detentievoorwaarde en/of de participatievoorwaarde? Ik weet niet of het zo bedoeld is, maar zet dit niet de deur op een kier voor oneigenlijk gebruik?

 

01.02 Minister Johan Van Overtveldt: Onder andere in verband met de materie die u terecht aanraakt, kan ik u alvast meedelen dat de administratie momenteel bezig is met het opstellen van een circulaire over de nieuwe bepalingen in verband met de meerwaarde op aandelen zoals ingevoerd met de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting. 

 

Op de door u gestelde vragen is het moeilijk om eenduidig te antwoorden binnen de antwoord­termijn van een mondelinge parlementaire vraag. Ik heb de administratie ondertussen gevraagd om wat u in uw vragen voorlegt in de bedoelde circulaire verder uit te werken, zodat er op die manier op korte termijn een klaar en duidelijk antwoord zal komen.

 

01.03  Roel Deseyn (CD&V): Dank u voor het engagement. Het is een antwoord in uitgesteld relais. Vanuit de praktijk zit men op de antwoorden te wachten. Daarom hoop ik dat de circulaire binnenkort kan worden afgerond en al de scenario's beschreven worden.

 

Wij als Parlementsleden en u als mede-indiener hebben de wet wel goedgekeurd, maar dit toont aan dat men de scenario's beter vooraf grondig beschreven had. Als het vlug moet gaan en men niet alle vragen heeft kunnen inventariseren, is het niet zo netjes naar de praktijk toe. Deze vragen illustreren dat goed. Dat is zeker een collectieve verantwoordelijkheid.

 

We kijken dan ook uit naar de circulaire, die heldere instructies zal geven aan alle administratieve krachten die daarvoor moeten worden ingeschakeld.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de nettobestaansmiddelen" (nr. 24573)

02 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les ressources nettes" (n° 24573)

 

02.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, studenten of studenten­ondernemers kunnen zelf bezoldigingen of winsten behalen, maar ze moeten rekening houden met het feit dat hun nettobestaans­middelen een bepaald bedrag niet overschrijden, willen ze nog steeds fiscaal ten laste blijven van hun ouders.

 

Als we kijken naar het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dan zien we dat artikel 136 voorschrijft dat een kind ten laste blijft van de ouders indien het niet meer dan 3 200 euro nettobestaansmiddelen geniet als kind. In dat geval wordt specifiek voor studentenarbeid en het statuut van studenten-ondernemers bepaald dat men rekening moet houden met het begrip "nettobestaansmiddelen". Artikel 143, 7° van het WIB stelt hierbij dat 2 260 euro niet wordt aanzien als nettobestaansmiddel. In het kader van de toepassing van de nettobestaansmiddelen moet men volgens het WIB ook nog een kostenforfait van 20 % toepassen; ik verwijs daarvoor naar artikel 142.

 

Wij zitten hier met die verschillende artikelen, 136, 143, 7° en 142. Als men die regels samen leest, is het niet zo evident om te zeggen wat de basis en de vrijstellingen zijn van het nettobedrag. Er bestaat daarover blijkbaar ook verwarring bij de lokale belastingdiensten. In deze context wil ik u de volgende vragen stellen.

 

Mijnheer de minister, is het volgens u correct dat we bij studentenarbeid en studenten-ondernemers het bedrag van artikel 136 en dat van 143, 7° bij elkaar moeten optellen? Indien niet, is er een hiërarchie tussen die artikelen? Of sluit het ene het andere uit? Wat is de verhouding tussen die twee artikelen?

 

Kunt u ook verduidelijken op welk bedrag het kostenforfait van artikel 142 toegepast moet worden? Is dit op de totale som van de brutobezoldigingen, -winsten en -baten?

 

Kunt u verklaren wat voor 2018 het maximumbedrag is? Ik heb steeds gesproken over geïndexeerde bedragen, maar wat is voor 2018 het bedrag waarop studenten en studenten-ondernemers nog steeds fiscaal ten laste blijven van hun ouders?

 

Voor studenten is dit de eerste praktische vraag op het vlak van fiscaliteit, namelijk om te weten tot hoever men mag gaan. Het is goed dat er op dat vlak duidelijkheid kan komen.

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, het in artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 92 vermelde maximum­bedrag van de bestaansmiddelen, zijnde 3 270 euro voor het inkomstenjaar 2018, is een nettobedrag. Om het nettobedrag van de bestaansmiddelen te bepalen moet het verkregen brutobedrag van de inkomsten eerst worden verminderd met de bedragen die volgens artikel 143 van datzelfde Wetboek niet als bestaansmiddelen te beschouwen zijn, zoals de in punt 7 van dat artikel vermelde eerste schijf van 2 720 euro van het totaal van de bezoldigingen verkregen door jobstudenten en leerlingen in een alternerende opleiding en de winst, baten en bedrijfsbezoldigingen verkregen door studenten-zelfstandigen.

 

Daarna moet het aldus vastgestelde brutobedrag van de bestaansmiddelen volgens artikel 142 van datzelfde Wetboek nog worden verminderd met de bewezen werkelijke kosten of met een kostenforfait van 20 %, met een minimum van 450 euro als het gaat om werknemers­bezoldigingen of om baten.

 

In de veronderstelling dat de student zijn werkelijke kosten niet bewijst en hij geen andere bestaansmiddelen heeft, is het maximumbedrag aan bezoldigingen van jobstudenten en/of aan winst, baten of bedrijfsleidersbezoldigingen van studenten-zelfstandigen die een student in 2018 bruto mag verdienen om nog fiscaal ten laste te blijven als volgt: 6 807,50 euro als zijn ouders samen worden belast, 8 620 euro als zijn ouders alleen worden belast en de student fiscaal niet als gehandicapt wordt beschouwd en 10 207,50 euro als zijn ouders alleen worden belast en de student fiscaal als gehandicapt wordt beschouwd.

 

02.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, het antwoord klonk als een heldere handleiding waarbij de praktijk zeker zal gebaat zijn. Ik dank u.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

03 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la compatibilité du régime de la corbeille avec la directive mère-fille" (n° 24744)

03 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de verenigbaarheid van het zogenaamde korfmechanisme met de moeder-dochterrichtlijn" (nr. 24744)

 

03.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, l’exemple n° 2 de l’exposé des motifs de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés montrerait clairement, selon vous, que ce qui est qualifié d’excédent de revenu définitivement taxé selon le Code des impôts sur les revenus doit être considéré comme une perte reportée sous l’angle de la directive.

 

Cet exemple fait apparaître que le dividende reçu compense la perte de l’exercice qui disparaît et laisse place à une déduction de dividendes déductibles reportés, d’un montant équivalent. Pour rappel, l’exemple concernait une société avec 100 de revenus sous forme de dividendes, 50 sous forme d’autres revenus et 100 de frais professionnels déductibles.

 

Sur la base de cet exemple, vous concluez que l’introduction d’une restriction à la déduction des dividendes déductibles reportés n’empêche pas d’atteindre le résultat visé à l’article 4 de la directive 2011/96, tant que cette déduction de revenus déductibles transférés est traitée de la même manière qu’une perte reportée.

 

Envisageons une société avec un revenu (autre que des dividendes) de 25 et 125 de frais professionnels déductibles, soit à ce stade une perte de l’exercice de 100. À ce résultat négatif de 100 s’ajoute un dividende déductible de 90, de telle sorte que le résultat de l’exercice s’élève à moins 10.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m’indiquer:

a) En cas de comptabilité non probante, la déduction des dividendes déductibles reportés de 90 continue-t-elle à être assimilée à une perte reportée?

b) Si la réponse à la question a) est négative, la société pourrait-elle déduire, au cours des exercices ultérieurs à celui de l’exercice dont la comptabilité est non probante, le montant de 90 à titre de dividende déductible? Le régime de la corbeille est-il susceptible de s’appliquer à ce montant?

c) Si la réponse à la question a) est affirmative, faut-il en déduire - étant donné qu’elle doit être traitée de la même manière qu’une perte reportée -,) que la déduction de 90 serait définitivement perdue vu le caractère non probant de la comptabilité?

 

Je rappelle que cette question s'inscrit dans le cadre de l'examen des dispositions de la réforme de l'impôt des sociétés, sous l'angle notamment de la neutralité budgétaire. Je vous remercie.

 

03.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, votre question ne me semble pas concerner les changements intervenus depuis la loi du 25 décembre 2017 et ladite corbeille introduite par cette loi. Elle semble concerner plus généralement le fait d'apprécier si, dans le cadre d'une comptabilité non probante, il y a lieu de refuser le report des RDT de la période imposable, et si cela est contraire à la directive mère-fille.

 

Il n'est pas possible de répondre de manière circonstanciée à cette question sans un examen approfondi du fond par mon administration; je lui ai déjà demandé de faire cet exercice le plus vite possible pour obtenir la clarté à ce sujet.

 

03.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, ma question date du 28 mars 2018. Nous sommes un mois plus tard. Dès lors, vous avez peut-être déjà la réponse. Pas encore? Cela signifie que je dois revenir pour obtenir une réponse à ma question. Sauf si vous me la fournissez spontanément, ce dont je vous remercie déjà.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'analyse du rapport du Comité de monitoring en ce qui concerne la fairness tax et la mise à disposition gratuite d'un immeuble aux dirigeants d'entreprises" (n° 24745)

04 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de analyse van het rapport van het Monitoringcomité inzake de fairness tax en het gratis ter beschikking stellen van een gebouw aan de bedrijfsleider" (nr. 24745)

 

04.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, le tableau 10 du rapport du Comité de monitoring du 14 mars 2018 reprend les impacts budgétaires des mesures fiscales en fonction de la nature des impôts.

 

En matière d'impôt des sociétés, l'impact serait, d'une part, de 241 millions d'euros sur les versements anticipés, provenant à concurrence de 100 millions d'euros de la lutte contre la fraude fiscale (prix de transfert), 100 millions d'euros de la mesure fonds d'investissements immobiliers spécialisés, 40 millions d'euros relevant de la lutte contre la fraude fiscale, 5 millions d'euros issus d'un meilleur contrôle de la règle de 80 % et un montant négatif de 4 millions d'euros provenant des mesures de la réforme de l'impôt des sociétés, et, d'autre part, de 4 millions d'euros sur les rôles.

 

En matière d'impôt des personnes physiques, l'impact serait d'un montant négatif de 111,3 millions d'euros sur les versements anticipés, un montant négatif de 1 565 millions d'euros sur le précompte professionnel et un montant positif de 1,4 millions d'euros sur les rôles.

 

Monsieur le ministre, pourriez vous me confirmer que sur la base des éléments mentionnés ci-avant, il n'a pas été tenu compte de l'impact, premièrement, de l'abandon du coefficient multiplicateur «majoré», fixé à l'article 18, § 3, alinéa 2, b de l'arrêté royal d'exécution du CIR pour le logement, c'est à dire un coefficient de 3,8 pour les immeubles dont le revenu cadastral est supérieur à 745 euros,  qui concerne la mise à disposition gratuite d'un immeuble par une société à son dirigeant. Autrement dit, avez-vous tenu compte budgétairement du coût de la réforme de la fiscalité applicable aux immeubles mis à disposition des dirigeants d'entreprise? Ni, deuxièmement, de l'abrogation de la fairness tax, qui ne faisait pas partie de la réforme du 25 décembre 2017, portant réforme de l'impôt des sociétés? La budgétisation à cet égard était de 250 millions. Avez-vous tenu compte de cette recette vouée à disparaître?

 

Donc sur ces deux points, la modification du régime fiscal des immeubles mis à disposition gratuitement d'administrateurs de sociétés et la fairness tax qui tombe et ne rapportera plus d'argent, avez-vous tenu compte des coûts dans votre budget?

 

Incidemment, pourriez-vous m'indiquer quel est l'impact budgétaire tant de l'abandon du coefficient majoré "immeubles mis à disposition" que de l'abrogation de la fairness tax sur le budget 2018, au niveau des versements anticipés et au niveau des rôles?

 

04.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, dans son arrêt du 20 février 2018, la cour d'appel de Gand a estimé que, compte tenu de la violation constatée du principe d'égalité, la règle générale de la détermination forfaitaire devrait être appliquée. Ce faisant, la différence de valorisation entre une personne morale et une personne physique a été rejetée par la cour. C'est la raison pour laquelle le gouvernement a décidé de procéder à une analyse budgétaire et juridique plus poussée de sorte que la distinction, lors de la mise à disposition, entre une personne morale et une personne physique soit gommée sans augmenter la pression fiscale.

 

En ce qui concerne l'abrogation de la fairness tax, les recettes totales, contributions de crise incluses, atteignent le niveau de 63,7 millions d'euros pour l'exercice d'imposition 2016. L'abrogation de la fairness tax est comprise dans la marge de sécurité prévue dans le cadre de la réforme de l'impôt des sociétés.

 

04.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, j'ai envie de vous demander quelle est la marge de sécurité dans le cadre de la réforme de l'impôt des sociétés. En effet, il me semble que cette marge de sécurité est mise à toutes les sauces. Il y a les incertitudes sur le rendement de la lutte contre l'optimalisation fiscale. Il y a les incertitudes quant à l'évolution du régime des intérêts notionnels. À combien s'élève cette marge de sécurité? Il me semble qu'elle est souvent recyclée.

 

04.04  Johan Van Overtveldt, ministre: Je n'ai pas le tableau de financement devant moi. Mais c'est inclus dans la marge de sécurité qui reste dans l'aperçu des éléments de financement qu'on a prévus.

 

04.05  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, vous nous avez expliqué le rendement actuel de la fairness tax.

 

04.06  Johan Van Overtveldt, ministre: Il est question de 63 millions.

 

04.07  Ahmed Laaouej (PS): Mais vous aviez budgétisé beaucoup plus.

 

04.08  Johan Van Overtveldt, ministre: Le budget a été ajusté en conséquence.

 

04.09  Ahmed Laaouej (PS): Je n'en suis pas sûr!

 

04.10  Johan Van Overtveldt, ministre: Si. On a pris la décision de laisser tomber la taxe et on en a tenu compte dans le budget.

 

04.11  Ahmed Laaouej (PS): Nous avons une divergence d'analyse. Selon moi, – c'est d'ailleurs ce que vous nous disiez à l'époque – tant que la Cour de Luxembourg ne s'était pas prononcée, par le biais d'une question préjudicielle posée par la Cour constitutionnelle, il n'y a pas lieu de revoir à la baisse l'estimation du montant dans les recettes. Il y a là, selon moi, un problème manifeste. Nous reviendrons sur ce point.

 

Cela dit, vous venez maintenant avec un nouvel argument et vous invoquez le fait que cela fait partie de la marge de sécurité globale de la réforme de l'impôt des sociétés. D'où ma question de savoir à combien s'élève cette marge de sécurité dont on a rappelé à quel point elle ne devrait pas être surestimée car elle pourrait déjà être absorbée par les incertitudes qui pèsent sur certains volets très importants qui sont censés rapporter dans le cadre de la réforme de l'impôt des sociétés.

 

J'ai évoqué les mesures liées aux directives européennes – l'implémentation des directives européennes en matière d'optimalisation, mais aussi la suppression progressive programmée des intérêts notionnels. Un grand nombre d'incertitudes y sont liées. Je pense que miser sur la marge de sécurité n'est pas très prudent. Mais nous y reviendrons.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le rapport du Comité de monitoring" (n° 24746)

05 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het rapport van het Monitoringcomité" (nr. 24746)

 

05.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, le comité de monitoring a rendu son rapport pointant à nouveau les approximations du gouvernement, notamment dans l'estimation des recettes.

 

Je reviens vers vous concernant quelques points spécifiques du rapport. Le tableau 10 du rapport fait apparaître une ligne "impact réforme de l'impôt des sociétés": Versements anticipés IPP: moins 74,3 millions; Versements anticipés ISOC: moins 4,0 millions; Divers: plus 117,3 millions; soit un impact positif de 39 millions. Ma question est donc très simple: à quoi correspondent ces 117,3 millions? Quelles sont les mesures de la loi portant réforme de l'ISOC qui peuvent être identifiées derrière le terme "Divers"?

 

J'en profite pour dire que je n'ai pas eu de réponse à la question de savoir combien coûte la réforme de la fiscalité sur les immeubles mis à disposition des administrateurs.

 

05.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, les 117,3 millions relatifs à la réforme de l'ISOC concernent deux éléments: les modifications de calcul et de taux concernant les intérêts de retard et intérêts moratoires pour 20,1 millions et les adaptations concernant l'exonération de la taxation des réductions de capital pour 97,2 millions.

 

05.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et j'en prends bonne note.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

De voorzitter: Vragen nr. 24769 van mevrouw Griet Smaers en nr. 24778 van de heer Koenraad Degroote zijn ingetrokken.

 

06 [NL]Samengevoegde vragen van

- de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de aangifte van rekeningen in het buitenland" (nr. 25083)

- de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de opbrengst van de kaaimantaks" (nr. 25173)

06 [FR]Questions jointes de

- M. Eric Van Rompuy au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la déclaration de comptes ouverts à l'étranger" (n° 25083)

- M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le rendement de la taxe Caïman" (n° 25173)

 

06.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, la taxe Caïman, dite taxe de transparence, aurait dû être un bon outil de lutte contre la fraude fiscale. Malheureusement, vous n'avez rien fait pour empêcher qu'elle devienne inefficace. Résultat, celle-ci ne rapporterait que 5 millions d'euros, au lieu des 510 millions prévus dans le budget de l'État. Vous ne semblez pas contester ce chiffre.

 

Cette nouvelle tuile met en lumière deux problèmes importants. On voit clairement que l'ambition de votre gouvernement n'est visiblement pas de lutter efficacement contre la fraude fiscale internationale. Vous avez mis en place un dispositif "gruyère", qui n'a pas permis d'engendrer des résultats. Vous répondez que l'objectif de la taxe Caïman était de combattre, et donc de supprimer, les constructions juridiques à l'étranger. Mais dans ce cas, où est passé tout l'argent qui était dans ces constructions? Fait-il l'objet de régularisations, de déplacements vers d'autres instruments ou structures? Dans quel poste du budget voit-on une augmentation de rendement significative qui pourrait démontrer que l'impôt a été perçu en Belgique?

 

De plus, si le fait que la taxe Caïman ne rapporte rien prouve son efficacité, comme vous semblez l'affirmer, pourquoi avoir budgété un rendement annuel de 510 millions d'euros? Nous avons pu également extraire certaines de vos déclarations qui datent d'il y a deux ans, où vous indiquiez que le montant de 460 millions était sous-estimé et que la taxe Caïman pourrait rapporter beaucoup plus.

 

Vous avez à nouveau un problème budgétaire important. Nous aurions aimé entendre également Mme la ministre du Budget, mais cela semble difficile. Votre explication, "cela prouve que cela fonctionne", n'est pas, à ce stade, fondée. Pourtant chacun vous l'a dit d'emblée, monsieur le ministre - les estimations budgétaires étaient tout à fait contestables: la Cour des comptes, d'abord, l'Europe, mais aussi l'opposition. Rien ne vous a fait changer d'avis et vous n'avez, à ce jour, pas fourni d'explication valable.

 

Nous souhaiterions donc vous entendre sur ces différents éléments.

 

06.02  Eric Van Rompuy (CD&V): Ik had in dat verband een vraag gesteld, maar dat was vooraleer het cijfer van 5 miljoen in de pers was gekomen. Uit statistieken van de FOD Financiën blijkt dat het aantal aangiftes van rekeningen in het buitenland voor het aanslagjaar 2016 lager ligt dan in 2015. Het aantal aangiftes is gedaald van 156 000 naar 147 000. Ook bij de juridische constructies is er een daling. In 2015 waren dat er 1 585 en dat is gedaald naar 1 418. Ik vroeg toen naar de implicaties voor de kaaimantaks. In de discussie van de laatste dagen in verband met de opbrengst van de kaaimantaks, hebt u enkele keren gezegd dat de mensen wat afgeschrikt worden inzake rekeningen in het buitenland die belast worden via deze taks. Zij willen die belasting ontwijken en betalen liever belastingen in eigen land, waardoor het aantal rekeningen in het buitenland zou verminderen. Hetzelfde geldt voor de juridische constructies.

 

In de pers zijn de voorbije dagen ook discussies naar voren gekomen, waarin wordt gezegd: "Les Belges abandonnent l'offshore." Dat ging gepaard met een hele analyse van professoren, die stelt dat het aantal offshoreconstructies vermindert door de Common Reporting Standard op Europees vlak, waardoor de automatische uitwisseling van informatie mogelijk wordt inzake het aangehouden vermogen van Belgen in het buitenland. Dat jaagt wat schrik aan en daarom leidt de transparance fiscale ertoe dat sommigen hun constructies of rekeningen opdoeken. Er wordt trouwens gezegd dat die zeer veel zou kosten. Dat zou één van de verklaringen zijn.

 

Mijn vragen houden verband met de opbrengsten. Ik heb het niet zo expliciet gezegd, maar wij hebben in de commissie al sinds 2015 discussies daarover. Toen was de berekening zo gemaakt dat men in een allereerste toepassing sprak van 150 miljoen, volgens de schattingen van de FOD Financiën en de Nationale Bank. Die werden vrij vlug verhoogd naar 460 en nu naar 520 miljoen.

 

Ik heb daar nooit in geloofd. Blijkbaar was ik bij de schatting van 40 miljoen nog te optimistisch. Het nu geciteerde bedrag van 5 miljoen verklaart u voor een deel – dit verklaart de moeilijkheid om over de opbrengst te spreken – door het feit dat de kaaimantaks niet afzonderlijk in de begroting is opgenomen. Wij kunnen dus niet detecteren wat de opbrengst ervan is. Volgens u is die verspreid over andere inkomsten, voornamelijk de roerende voorheffing, maar zelfs de personenbelasting. De pure opbrengst van de kaaimantaks zou dus niet te schatten zijn, vermits er geen afzonderlijk vakje voor bestaat, ook niet in de belastingaangifte.

 

De discussie daarover begint echt zeer verwarrend te worden en geeft aanleiding tot allerhande interpretaties. Op den duur weet ik zelf niet goed meer wat die betekenen. Verschillende fiscale experts hebben zich erover uitgesproken.

 

Selon eux, "le Common Reporting Standard est effectivement très invasif, parce que beaucoup de renseignements sont communiqués automa­tiquement. En étant en Belgique, le contribuable bénéficie d'une plus grande confidentialité, par le fait que le secret bancaire existe encore un peu en Belgique (…) pour les détenteurs de capitaux sociaux de ne pas laisser entrevoir l'ampleur de leur patrimoine, même s'ils sont obligés de déclarer des revenus."

 

Daar bestaan dus allerhande interpretaties over. Is het zo dat het aantal juridische constructies is afgenomen? Ik heb alleen cijfers voor 2016, hoe zat dat in 2017? Waar zit die opbrengst dan, als het niet in de pure kaaimantaks zit? Men kan dat niet weten omdat men het eigenlijk niet kan berekenen. Op een afgeleide manier zou dat aanleiding moeten geven tot een sterke verhoging. U schat het immers op 500 miljoen euro. Zit dat dan in de roerende voorheffing? Daar zien we toch ook geen significante stijging?

 

De heer Laaouej stelt een aantal vragen die louter betrekking hebben op de opbrengst maar mijn vraag gaat over de mechanismen. Ik heb uw verklaringen in de pers gelezen. U zegt eigenlijk dat men dit niet kan berekenen, dat het zeker zoveel heeft opgebracht maar dat dit in andere posten zit.  Men ziet deels af van die juridische constructies omdat het een duurdere zaak is dan het in België aan te geven en te betalen. Misschien kunt u daarover wat meer duidelijkheid verschaffen? Als ik die artikelen in de media lees, dan is er toch heel wat verwarring. Ook de professoren, bijvoorbeeld Thierry Afschrift en Sabrina Scarna, interpreteren de zaken elk op een andere manier.

 

06.03 Minister Johan Van Overtveldt: Wat de rekeningen in het buitenland betreft – wat iets anders is dan constructies in het buitenland – zijn er definitieve gegevens beschikbaar voor het aanslagjaar 2015. Voor dat jaar zijn er 156 515 rekeningen gekend bij de fiscus. Voor het aanslagjaar 2016 gaat het nog om voorlopige cijfers, aangezien de aanslagtermijn van drie jaar, bepaald in artikel 353, nog steeds loopt. Tot nu toe zijn er 156 484 rekeningen gekend, een aantal dat zeer vergelijkbaar is met dat van het jaar voordien.

 

Wat de juridische constructies betreft, gaat het voor het aanslagjaar 2015 om 1 591 bekende constructies. Dat zijn definitieve cijfers. Voor het aanslagjaar 2016 ging het om 1 589 constructies, dus nagenoeg hetzelfde cijfer. Dit is wel een voorlopig cijfer. Voor 2017 gaat het om 1 443 constructies, wat evenwel ook nog een voorlopig cijfer is. In ieder geval is er een terugloop te zien van 10 % in het aantal constructies. Dat is uiteraard een goede zaak.

 

Ik wil toch nog even herinneren aan de expliciete doelstelling van de regering inzake de kaaiman­taks: meer transparantie en het ontmoedigen van het aangaan van dergelijke offshoreconstructies. U hebt trouwens allebei verwezen naar pers­verklaringen waarin diverse fiscalisten expliciet bevestigen dat het gebruik van dergelijke constructies structureel terugloopt.

 

Cela a-t-il des implications sur le rendement de la taxe Caïman? L'argent qui n'est pas injecté dans une construction offshore revient, au moins pour une partie, en Belgique et aboutit dans le circuit régulier de l'économie et de la fiscalité. C'est aussi, je crois, une conséquence très positive de la taxe Caïman.

 

Beweren dat de kaaimantaks maar 5 miljoen opbrengt, is – vergeef mij de uitdrukking – onzin. De cijfers betroffen de bedragen die werden aangegeven in aangiften die melding maakten van een juridische constructie.

 

Ik wil vooreerst benadrukken dat deze cijfers voor het aanslagjaar 2017 nog zeer voorlopige cijfers zijn, zoals eveneens duidelijk werd meegedeeld in het antwoord op de betreffende mondelinge vraag waarop men die berekeningen gebaseerd heeft. Het feit dat die cijfers zeer voorlopig waren, werd vervolgens genegeerd.

 

Deze voorlopige gegevens afzetten tegen definitieve cijfers van vorige aanslagjaren is uiteraard niet representatief.

 

U weet dat er geen aparte code is voor de kaaimantaks. Het is ook geen belasting op zich. Het is een juridisch mechanisme om in constructies te kijken. Die mogelijkheid bestond vroeger niet. Ik stel vast dat diegenen die daarover vandaag moord en brand schreeuwen jarenlang geprobeerd hebben zoiets te organiseren maar daarin nooit geslaagd zijn.

 

Deze regering is de eerste die daarvan effectief werk maakt en die effectief een dergelijke taks, of zo u wil een dergelijk mechanisme, geïnstalleerd heeft, en trouwens al verschillende keren aangescherpt heeft, zoals u allen weet.

 

Waar komt die 5 miljoen dan vandaan? Men heeft blijkbaar, voor zover wij dat zelf konden reconstrueren, gekeken naar één code die wel bestaat en waarbij belastingplichtigen met een buitenlandse structuur hun inkomsten moeten melden.

 

Het bedrag was in 2016 fors gestegen tegenover 2015, namelijk van 41 miljoen naar 212 miljoen euro. Voor volledige cijfers voor 2017 is het nog te vroeg. Dus vertrekt men naar alle waarschijnlijkheid van voorlopige cijfers, waarbij dat bedrag opnieuw daalt naar 57 miljoen.

 

06.04  Eric Van Rompuy (CD&V): (…)

 

06.05 Minister Johan Van Overtveldt: Dat is van één code uit de nota.

 

06.06  Eric Van Rompuy (CD&V): Inzake buitenlandse rekeningen?

 

06.07 Minister Johan Van Overtveldt: Ja.

 

Uit de aangiften, sorry.

 

Men neemt dan het verschil tussen de bedragen van 2015 en 2017, namelijk 41 miljoen en 57 miljoen euro, voorlopige cijfers, wat 16 miljoen oplevert. Als men daarop het tarief van 27 % roerende voorheffing toepast, komt men inderdaad aan een bedrag in de buurt van 5 miljoen euro.

 

Dat bedrag herleiden tot de opbrengst van de kaaimantaks is niet correct.

 

En ce qui concerne le rendement de la taxe de transparence, mon administration et moi-même avons toujours répondu qu'il était impossible de le déterminer sur la base des chiffres disponibles, étant donné que les revenus sont ventilés dans la masse de l'impôt sur le revenu et des précomptes.

 

D'autre part, les chiffres relatifs aux déclarations où il est fait mention d'une construction juridique ne contiennent aucune information sur un autre effet important de la taxe de transparence, à savoir que ces constructions sont dissoutes et que les investissements sont réalisés directement depuis la Belgique, avec application des règles fiscales normales, sans intervention d'une construction juridique.

 

Tout cela explique pourquoi circule dans les médias un montant qui n'a rien à voir avec la réalité de la taxe Caïman. Comme on a pu le lire, par exemple dans La Libre, plusieurs avocats ont très clairement indiqué qu'ils avaient personnellement déjà traité des déclarations qui pourraient aboutir, grâce à l'impôt des personnes physiques, à des montants supérieurs aux cinq millions d'euros cités.

 

Bovendien wordt door meerdere fiscale experts overigens absoluut tegengesproken dat de doorkijkbelasting haar doel mist. Men mag ook de belangrijke impact van de toenemende fiscale gegevensuitwisselingen in dat verband niet vergeten. Signalen uit de praktijk doen besluiten dat er vele vragen zijn om constructies te ontbinden, gelet op de aanscherping van de doorkijkbelasting, in combinatie met de aanzienlijk toegenomen internationale uitwisselings­mogelijkheden van fiscale gegevens en daarbij zeker ook, last but not least, de inspanningen van de BBI.

 

06.08  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, nous n'en serions pas là si vous et le gouvernement aviez accepté ce que nous demandions, c'est-à-dire un code distinct dans la déclaration. Cela aurait permis de clarifier le débat budgétaire et parlementaire. Cette option n'a pas été retenue et nous devons essayer, par déduction, par induction, de recomposer les recettes présumées de la taxe dite de transparence, qui, en réalité, est particulièrement obscure.

 

Monsieur le ministre, vous déconstruisez, de manière assez bancale et contestable, la méthodologie qui a amené nos collègues du sp.a au chiffre de 5,5 millions d'euros. Nous ne sommes absolument pas convaincus par votre façon de procéder. Nous contestons en particulier votre argument qui consiste à dire que la diminution du rendement de la taxe transparence signifie qu'elle a une efficacité dissuasive. Cela signifie finalement que les gens auraient abandonné les structures offshore. Pour appuyer vos dires, vous présentez le témoignage de quelques avocats fiscalistes.

 

Un bel adage dit: "De mémoire de rose, on n'a jamais vu mourir un jardinier". Cela signifie que quelques témoignages d'avocats fiscalistes ne peuvent pas rendre compte de la vaste réalité des avoirs détenus par les Belges dans des structures offshore. Les chiffres varient selon les estimations, mais on sait qu'ils sont de l'ordre des dizaines de milliards d'euros. Vous avez vous-même évoqué le chiffre de 57 milliards d'euros d'avoirs détenus par les Belges à l'étranger. On voudrait nous faire croire que du jour au lendemain, ces 57 milliards ne se trouveraient plus dans des structures offshore.

 

Personnellement, je pense qu'il faut faire preuve de beaucoup plus de prudence et d'humilité face à ce phénomène qui, par définition, est difficile à cerner. Ce n'est pas parce que quelques avocats ressentent que leurs clients sont plus prudents quant à la gestion de leurs avoirs que pour autant, certains Belges ne continuent pas à posséder des avoirs dans des structures offshore, même si ces avoirs ont été déplacés vers des structures ou des produits financiers qui échappent au champ d'application de votre dispositif légal.

 

Autre élément qui bat en brèche votre argumentation: si en effet, les gens avaient cessé de placer leur argent dans des structures offshore en se disant qu'ils vont faire amende honorable et régulariser, d'une manière ou d'une autre, leur situation, soit ils passeraient alors par le processus de régularisation que vous avez mis en place – vous pourriez, dans ce cas, nous dire que vous avez bien travaillé, que vous voyez les statistiques de la régularisation fiscale augmenter. Je ne vois pas que ce soit le cas. Ou alors, il y aurait une augmentation des recettes de précompte mobilier.

 

Là, j'ai deux angles d'approche qui permettent de contester votre argumentation. Tout d'abord, la recette globale de précompte mobilier n'augmente pas de manière significative. Je vois en particulier que le chiffre de la recette globale de précompte mobilier qui s'élevait à 4,7 milliards d'euros en 2015 passe, pour 2017, à 4,3 milliards d'euros. Si, en effet, les gens avaient cessé de placer leurs avoirs dans les structures offshore pour les placer dans des structures onshore, il y aurait une augmentation de la recette de précompte mobilier parce qu'ils devraient déclarer leurs revenus ou, en tout cas, faire en sorte qu'il y ait une retenue de précompte mobilier à la source.

 

Ensuite, si on affine un petit peu l'analyse, et qu'on regarde notamment ce qui relève, dans la déclaration, de revenus mobiliers non soumis à précompte, on pourrait s'imaginer qu'il y aurait là une autre porte d'entrée pour ces revenus qui, prétendument, viennent de structures offshore. On ne voit pas non plus d'augmentation significative, en tout cas à hauteur de ce qu'aurait dû rapporter la taxe Caïman - ni dans le nombre de revenus déclarés, ni dans le montant de la recette estimée -, qui permette d'étayer, là aussi, l'explication que vous prétendez nous donner.

 

On ne voit donc pas, dans les recettes de précompte mobilier, soit agrégées, soit désagrégées, une augmentation qui permettrait de fonder votre réponse. Je crois qu'elle n'est pas fondée dans la réalité, monsieur le ministre.

 

06.09  Eric Van Rompuy (CD&V): Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar ik blijf toch met vragen zitten over de omvang. Waarop was die 540 miljoen euro gebaseerd? Men ging uit van 60 of 70 miljard euro op rekeningen in het buitenland met een vermogensrendement van zowat 3 %. Daarop wou men 25 % heffen.

 

De buitenlandse rekeningen zijn gedetecteerde rekeningen. Zowel de FOD Financiën als de Nationale Bank verklaarden op dat moment een rendement te kunnen inschatten van 100 à 120 miljoen euro. Nooit was er sprake van meer dan 500 miljoen euro. Het is mij een raadsel van waar dat bedrag ineens is gekomen, zeker na de maatregel om de uitkeringen van de trusts niet langer mogelijk te maken in 2017. Deze maatregel is er gekomen onder druk van het Parlement.

 

Volgens mij is er nog altijd sprake van een enorme overschatting van dergelijke maatregelen. Onder druk van de Common Reporting Standard is er momenteel de automatische uitwisseling van informatie. In België vormde de fiscale regularisatie een aanzet om kapitaal terug te brengen naar dit land, want ondanks de kaaimantaks en de boetes bestaat in ons land toch nog steeds een zeker bankgeheim. Wij hebben de discussie daarover gevoerd in de onderzoekscommissie Panama Papers. Ik meen dat we de lijn op dat vlak hadden kunnen doortrekken.

 

Globaal genomen voel ik mij hier ongemakkelijk bij, mijnheer de minister. Ik had nooit een opbrengst van meer dan 500 miljoen euro vooropgesteld. Dit had de huidige discussie vermeden.

 

Ik neem aan dat er een aantal andere wegen zijn waardoor de inkomsten naar België zijn teruggevloeid, onder meer via de roerende voorheffing. Maar dat verklaart niet de grote omvang in de schatting.

 

Elke belastingwijziging veroorzaakt natuurlijk gedragswijzigingen. Dat is hier nu ook het geval. Dat hebben we ook gezien bij andere soorten belastingen zoals de speculatietaks. De effecten­taks zal ook een aantal gedrags­wijzigingen met zich meebrengen. De kaaimantaks is toch echt een belasting geweest die door sommigen wordt geïnterpreteerd als een gebrek aan fiscale rechtvaardigheid. De maatregel op zich was goed.

 

De vorige staatssecretaris, de heer Crombez, is er nooit in geslaagd om dit op tafel te leggen. De vorige regering met Di Rupo is daarin niet geslaagd. Het principe werd door een ruime meerderheid in het Parlement goedgekeurd. Een aantal mensen van de oppositie hebben dat ook goedgekeurd, maar het bilan na twee jaar geeft mij een ongemakkelijk gevoel.

 

Men mag het kind niet met het badwater weggooien, maar men had inderdaad in de Panamacommissie een code moeten invoeren, zoals de heer Laaouej zegt, zwart op wit met de cijfers. Nu is dat een vrijblijvende zaak zonder cijfers.

 

Ik denk dat onze commissie dat probleem eens dieper moet bekijken. Het geeft een ongemakkelijk gevoel omdat niemand nu weet hoe het zit met de cijfers.

 

06.10  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, votre raisonnement sur le précompte mobilier est tout à fait correct. Sauf que vous partez de l'hypothèse que tous les autres éléments qui déterminent ce précompte mobilier ne bougent pas. Vous évoquez un changement susceptible d'être provoqué par la taxe Caïman. Or, les chiffres ne le démontrent pas. Cependant, nous avons augmenté le taux; les Pays-Bas ont réduit le leur, la France a annoncé qu'elle ferait de même. Une série d'éléments interviennent aussi à l'échelle internationale. Distinguer lequel va provoquer telle conséquence au niveau des recettes du précompte mobilier risque d'être un exercice très compliqué. Mais on va essayer de le faire.

 

06.11  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, c'est vous qui voulez le faire.

 

06.12  Johan Van Overtveldt, ministre: Non, moi je dis qu'il est difficile de détecter où et quand les montants issus des montages dans les paradis fiscaux refont surface dans l'économie légale et les recettes fiscales. Vous pouvez trouver ça gênant, mais c'est une réalité relevée par tous les fiscalistes qui se sont prononcés là-dessus.

 

Mijnheer Van Rompuy, de schatting is in twee fasen tot stand gekomen. De allereerste schatting waarop u alludeert, was, zoals u zich misschien nog zal herinneren, zonder de Verenigde Staten, Luxemburg en Zwitserland.

 

Wij weten allemaal dat zeker de twee laatstgenoemde landen, maar onderschat ook de Verenigde Staten bij dergelijke constructies niet, belangrijke entiteiten zijn.

 

Dat is één element dat maakt dat de eerste schatting, zoals toen ook expliciet is opgemerkt, zeker een onderschatting was in de logica van die redenering en door het ontbreken van de drie genoemde entiteiten.

 

Ten tweede, er is het feit dat wij ondertussen, ook met de hulp van de oppositie, zoals ik graag wil toegeven, op verschillende momenten de kaaimantaks hebben verscherpt en aangepast. Dat maakt dat de schattingen zijn geëvolueerd zoals ze zijn geëvolueerd.

 

06.13  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, vous êtes venu avec l'argument que, si la taxe Caïman n'atteint pas le rendement budgétisé par le gouvernement, avec une différence assez massive, c'est parce que les Belges ont abandonné le recours aux structures offshore. C'est vous qui avez avancé cette hypothèse. S'ils ont en effet abandonné le recours aux structures offshore, c'est qu'ils ont rapatrié l'argent, d'une manière ou d'une autre.

 

Je souhaite bonne chance à celui qui, aujourd'hui, veut rapatrier quatre, cinq ou six millions d'euros sans alerter soit la Cellule de traitement des informations financières (CTIF), soit l'adminis­tration fiscale. C'est extrêmement difficile, aujourd'hui, de ramener de l'argent venant de l'étranger sans alerter les systèmes de détection.

 

Pour rappel, toutes les études qui ont essayé d'évaluer avec des méthodologies sérieuses les avoirs détenus par les Belges à l'étranger, en particulier ceux qui se sont intéressés aux avoirs détenus en Suisse, ont démontré qu'en général, les avoirs détenus offshore ne sont, dans leur grande majorité, pas déclarés. Pour ce qui concerne la Suisse, le pourcentage était situé entre 80 et 90 %! Les gens qui veulent rapatrier leurs avoirs offshore doivent soit passer par la régularisation fiscale – et là, si vous aviez un raisonnement cohérent, vous devriez pouvoir nous montrer 500 millions d'euros en régularisation fiscale –, soit les rapatrier en disant qu'ils sont déclarés – et simplement offshore – et échapper dès lors aux mécanismes anti-blanchiment. Ils placeraient dès lors leurs avoirs sur des comptes bancaires ou dans des produits financiers censés rapporter du précompte mobilier. Mais on ne voit pas d'évolution significative des recettes de précompte mobilier.

 

Vous évoquez avoir relevé le précompte mobilier et que vous avez, ce faisant, engendré une perte de recettes fiscales, un peu comme pour les accises. Vous dites que l'environnement international évolue en permanence. Cela a toujours été le cas en matière de revenus financiers. Cela n'explique pas pourquoi on ne retrouverait pas, dans les recettes de précompte mobilier, les nouvelles recettes qui seraient induites par ces avoirs massivement revenus en Belgique.

 

Je me place à l'intérieur de votre hypothèse et j'essaie de faire la démonstration que cette hypothèse n'est pas imparable. Au contraire, elle est contestable.

 

Il s'agit d'investiguer ailleurs, notamment dans la qualité du dispositif: contiendrait-il encore certaines failles dans lesquelles les gens s'engouffrent? Indépendamment de ces failles, les personnes ne se sont-elles pas organisées pour déplacer leurs avoirs de leur structure offshore pour les placer dans des produits financiers échappant à la taxe Caïman? C'est cela qu'il faut vérifier.

 

La taxe sur les comptes-titres était à peine votée, que nous pouvions lire la possibilité d'y échapper dans toute une série de revues. Je n'ai rien contre les avocats fiscalistes mais ce ne sont pas eux qui vont vous expliquer comment ils font pour échapper aux taxes que vous mettez en place. En faisant cela, ils risqueraient de perdre une bonne partie de leur clientèle. Je serais quand même beaucoup plus prudent par rapport à cet argument d'autorité qui sollicite l'avis d'avocats fiscalistes.

 

06.14  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, de vraag blijft of wij in de volgende begroting nog opbrengsten moeten voorzien voor die afzonderlijke kaaimantaks. U zegt immers dat het in andere dingen zit en dan zou men beter een schatting maken van wat het in andere posten kan betekenen. Die discussie zal ons immers blijven achtervolgen. De bedoeling is goed en misschien is het ook efficiënt, heeft het ontmoedigend gewerkt en zijn er internationale ontwikkelingen die maken dat mensen hun geld laten terugvloeien naar België, om hier de normale belastingen te betalen.

 

Die kaaimantaks is geen afzonderlijke post in de begroting, maar in de tabel met betrekking tot de financiering van de belastingverlaging, staat er een post kaaimantaks naar rato van 500 miljoen. Ik zou dat niet meer doen. Dat is mijn persoonlijk idee. Na hetgeen gebeurd is, is het immers niet meer geloofwaardig. Maar dat moeten wij nog eens grondig bekijken in de commissie. Het is zeker een discussie waard. Het gaat over de geloofwaardigheid van de opbrengst van een aantal belastingen. Er zijn er nog andere, zoals de effectentaks.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de internaten en de btw op schoolgebouwen" (nr. 24802)

07 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les internats et la TVA sur les bâtiments scolaires" (n° 24802)

 

07.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik was heel blij dat ik de volgorde van de vragen mocht wijzigen, want het was een zeer interessante discussie met argumenten in alle richtingen. Zeer interessant voor het politieke debat.

 

Zoals u weet zijn we met CD&V de brede school genegen. Het is natuurlijk niet altijd evident voor schoolbesturen, directies, geëngageerde mensen of verenigingen die de school wensen te gebruiken om zich maximaal te conformeren aan de reglementering. Over heel wat reglementering, onder andere rond de btw, is een circulaire nr. 2018/C/6 gepubliceerd die de eerdere beslissing van de administratie vervangt rond het verlaagd btw-tarief van 6 % voor schoolgebouwen.

 

In punt 14 wordt er gesproken over de internaten, meer bepaald het volgende: “Voor zover het internaten (de instelling) betreft die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen vrijgesteld zijn krachtens artikel 44, § 2, 4°, a, van het Btw-Wetboek kunnen de in punt 1 bedoelde handelingen onderworpen worden aan het btw-tarief van 6 %. Ingeval de internaten niet krachtens voormeld artikel 44 vrijgesteld zijn, wordt opgemerkt dat de toepassing van een verlaagd btw-tarief alsnog mogelijk is maar dan krachtens respectievelijk rubriek XXXI en XXXVIII van tabel A van de bijlage of rubriek X van tabel B van de bijlage."

 

Het punt is dat er verwezen wordt naar de verbonden internaten.

 

Wat is de status van de niet-verbonden internaten? Ik denk, mijnheer de minister, dat dit hybrider is dan vroeger. Men werkt met scholengemeenschappen, men stelt het internaat ter beschikking van verschillende scholen, sommige zijn een stukje zorgcampus voor het niet-scolaire gedeelte enzovoort.

 

Wat is een verbonden en een niet-verbonden internaat vanuit het oogpunt van de btw-reglementering? Het zou heel goed zijn, mocht u de puntjes op de i kunnen zetten met betrekking tot punt 14 van de circulaire.

 

Moeten wij uit dit gegeven afleiden dat de verlaagde btw voor schoolgebouwen enkel geldt voor verbonden internaten en niet voor niet-verbonden internaten. Hoe ziet de minister dit? Hoe moet de praktijk hiermee omgaan?

 

Ik pleit er natuurlijk voor – en ik zeg het meteen bij de vraagstelling – dat een brede invulling wordt gegeven aan het begrip "verbonden internaat". Ik denk dat men er anders in de praktijk zeer moeilijk zal uitgeraken.

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, voor alle duidelijkheid geef ik even aan welke schoolgebouwen van het verlaagd btw-tarief kunnen genieten. Het gaat om residenties die bestaan uit kamers die worden verhuurd aan de studenten van een onderwijsinstelling door hetzij de school of de universiteit zelf, hetzij door een ervan afhangende rechtspersoon. Met dit laatste wordt een rechtspersoon beoogd die omwille van budgettaire of organisatorische redenen werd opgericht door de onderwijsinstelling.

 

Indien die woongelegenheden door derden, private investeerders, rechtstreeks verhuurd worden aan studenten, is deze voorwaarde niet vervuld en is het verlaagd btw-tarief voor schoolgebouwen niet van toepassing. Desgevallend kan mogelijk wel een ander verlaagd tarief van toepassing zijn. Een en ander zal door de administratie verduidelijkt worden in een nieuwe administratieve commentaar die trouwens reeds volop in opmaak is.

 

In elk geval is het zo dat de strikte toepassing van de voorwaarde opgenomen in beslissing nr. E.T.123.824 van 25 juni 2014 inzake het verstrekken van huishoudelijke zorgen aan de kostgangers, leerlingen of studenten geen rekening houdt met de huidige omstandigheden waarin universiteiten of scholen woon­gelegenheden normaal gezien ter beschikking stellen van leerlingen of studenten. Ik bevestig dan ook dat die voorwaarde niet meer vervuld moet zijn om te kunnen spreken van een internaat.

 

07.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor de toelichting. U zegt dat het internaat moet opgericht zijn door een ervan afhangende rechtspersoon. Dat is een van de voorwaarden. Dat is natuurlijk vaak een probleem. Zeker in het kader van fusieoperaties zitten we met een kluwen van nieuwe schoolbesturen en vzw's. Sommigen hebben een exclusief doel en hangen juridisch niet echt af van elkaar, alleen in de organisatorische praktijk. Dat geeft wel wat problemen. Ik meen dat de duiding interessant is, maar met de invulling van die definities zit men soms nog geblokkeerd.

 

Wat het criterium "opgericht door de instelling" betreft, als het een aparte rechtspersoon is die ook een breder schoolgebied gaat bedienen, dan beantwoordt men niet strikt aan de definitie maar men is wel rechtstreeks bezig met het verschaffen van logies en met een echte internaatfunctie voor de eigen studenten of scholieren. Dat is toch een bijzonder aandachtspunt.

 

Het is goed dat ik dit vandaag kan meegeven, aangezien er een administratieve commentaar in voorbereiding is. Zeker als het thema's betreft die hier in de commissie worden aangehaald, zou het goed zijn dat wij de aangekondigde circulaires die eigenlijk het antwoord op de vraag bevatten meteen toegestuurd zouden kunnen krijgen. Dat zou wat zoekwerk en – misschien een belangrijker aspect voor u – nieuwe vragen kunnen vermijden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de gevolgen op het stuk van de btw van een fusie van schoolbesturen" (nr. 24803)

08 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les conséquences d'une fusion entre autorités scolaires en matière de TVA" (n° 24803)

 

08.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, om te kunnen blijven voortbestaan gaan steeds meer schoolbesturen fuseren, onder meer om schaalvoordelen te genereren en de moeilijke financiële positie het hoofd te kunnen blijven bieden. Die fusiegolf sluit aan bij het beleid van de Vlaamse minister van Onderwijs, dat gericht is op schoolbesturen van minimum tweeduizend leerlingen. Fiscaal worden fusies, vooral in het vrij gesubsidieerd onderwijs, echter ontmoedigd.

 

Vzw's met minder dan 25 000 euro aan btw-plichtige activiteiten op jaarbasis kunnen de vrijstelling voor kleine ondernemingen aanvragen. Door te fuseren bereiken de vzw’s in het onderwijs vaker dat grensbedrag van 25 000 euro. Ze worden dan gemengd btw-plichtig. Ze worden dan geconfronteerd met niet-onbelangrijke nalevingskosten op het vlak van de btw-administratie.

 

De opbrengst voor de overheid blijft nochtans beperkt omdat voor de onderwijsactiviteit nog altijd de btw-vrijstelling van toepassing is. Dit speelt des te meer omdat het vrij gesubsidieerd onderwijs gemengd btw-plichtig wordt vanaf het moment dat het geheel van de btw-plichtige activiteiten wordt samengeteld voor de toetsing aan de grens van 25 000 euro, terwijl publiekrechtelijke instellingen zoals het gemeenschapsonderwijs de toetsing apart per activiteit mogen uitvoeren. Er is dus een grote differentiatie in het onderwijslandschap, naargelang de inrichtende macht de de Gemeenschap is of een vrij schoolbestuur.

 

Daarnaast vormt de beperking tot vier evenementen per jaar inzake de btw-vrijstelling voor fondsenwervingen een extra hindernis voor het fuseren.

 

Toen ik de vraag voorbereidde en de problematiek met mensen besprak, vond ik dat zeer fascinerend: vier evenementen per jaar voor een btw-vrijstelling. Wat is dat dan? Een infoavond, een ouderavond, een schoolfeestje, een briefing over een kamp, een fundraisingactiviteit? Men zit snel aan vier evenementen per jaar, zeker bij grote vzw’s in het onderwijs die vaak verschillende vestigingsplaatsen hebben. Vier is dan wel een zeer laag cijfer. Een school met meer dan vier vestigingsplaatsen komt nu al vaak voor en zal door de fusieoperaties nog meer voorkomen. Btw-vrije schoolfeesten, btw-vrije pannenkoeken­verkopen en de btw-vrije schooltoneelvoorstelling komen dus in de verdrukking. Als immers elk van de vier scholen dit doet, zit men al aan twaalf evenementen.

 

Het kan toch niet de bedoeling zijn dat vzw’s in het onderwijs verplicht worden een groot schoolfeest te organiseren omwille van fiscale redenen, waarbij de lokale verankering in de buurt verloren gaat. Ik denk niet dat u aanstuurt op een dergelijke politiek.

 

Iemand die zich maximaal wil conformeren en wil dat het schoolfeest nog iets opbrengt voor de werking van de school, stelt zich wel dergelijke fiscaaltechnische vragen.

 

Daarom zijn de volgende vragen aan de orde.

 

Mijnheer de minister, kunt u verduidelijken of de toetsing van de grens van 25 000 euro voor het vrij gesubsidieerd onderwijs ook niet per activiteit kan gebeuren, zoals bij de instellingen van publiekrecht? Minister Coens sprak destijds over de lat gelijk leggen, maar hier ligt de fiscale lat zeer ongelijk. Indien niet, gaat het hier dan niet over concurrentieverstoring, als we al mogen spreken over concurrentie? Het gaat hier immers niet over een vrijemarktgegeven, maar over onderwijs dat verstrekt moet worden. Het zou toch goed zijn dat hier het principe van de fiscale neutraliteit ook gerespecteerd wordt en dat we die praktijken in het onderwijslandschap in overeenstemming brengen met dat principe.

 

Kunt u verklaren of u ermee akkoord gaat om de btw-vrijstelling voor fondsenwervingen bij onderwijsfusies te bekijken per vestiging in plaats van per grote allesomvattende entiteit? Mocht dit niet het geval zijn, zal het ons ook benieuwen waarom.

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Uw eerste vraag is heel technisch van aard en heeft in feite betrekking op twee verschillende wettelijke bepalingen: enerzijds de niet-belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen, bedoeld in artikel 6 van het Btw-Wetboek en, anderzijds, de vrijstellingsregeling beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek.

 

Wanneer publiekrechtelijke onderwijsinstellingen zoals gemeentescholen andere werkzaamheden verrichten dan het verstrekken van vrijgestelde onderwijsdiensten, worden ze voor deze werkzaamheden in beginsel niet aangemerkt als belastingplichtige in de zin van het Btw-Wetboek. Het Wetboek bepaalt evenwel dat deze instellingen toch aangemerkt worden als belastingplichtige ten aanzien van de activiteiten die uitdrukkelijk opgesomd worden in artikel 6 van het Wetboek, of meer algemeen, voor andere werkzaamheden die aanleiding kunnen geven tot concurrentieverstoring.

 

Het Btw-Wetboek bepaalt dat beide uitzonderingsgevallen op het principe van niet-belastingplicht van publiekrechtelijke instellingen slechts van toepassing zijn indien de werkzaamheden "niet van onbeduidende omvang zijn". Om dat begrip te omschrijven neemt de administratie aan dat er geen sprake is van belastingplicht in hoofde van de publiekrechtelijke scholen voor de andere werkzaamheden dan het verstrekken van vrijgesteld onderwijs, wanneer de omzet van de werkzaamheid de drempel van 25 000 euro per kalenderjaar niet overschrijdt. Deze drempel is overigens niet absoluut en er bestaat zeker een beoordelingsmarge. Voor een meer precieze toelichting verwijs ik naar de administratieve circulaire nr. 42/2015 van 10 december 2015.

 

De onderwijsinstellingen die behoren tot het vrij gesubsidieerd onderwijs worden evenwel steeds beschouwd als belastingplichtige voor hun geregelde werkzaamheden, die al dan niet vrijgesteld kunnen zijn. Dit onderscheid vloeit ipso facto voort uit het Btw-Wetboek en ook uit de btw-richtlijnen. Het onderzoek of een publiekrechtelijk lichaam al dan niet werkzaamheden verricht van meer dan onbeduidende omvang, mag uiteraard niet verwacht worden bij de toepassing van de vrijstellingsregel, beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek voor kleine ondernemingen. Deze btw-vrijstellingsregeling ontheft de onderneming met een globale in België gerealiseerde omzet die niet meer bedraagt dan 25 000 euro, voor een groot gedeelte van de verplichtingen die normaal gezien aan btw-plichtigen worden opgelegd. De onderneming dient derhalve geen btw aan te rekenen aan haar klanten en geen periodieke btw-aangiften in te dienen. Daarentegen mogen zij in geen geval btw in aftrek brengen, die zij als voorbelasting aan hun leveranciers hebben betaald.

 

Instellingen, ongeacht hun rechtsvorm, waarvan de diensten zijn vrijgesteld krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek, die ook handelingen stellen die niet onder de vrijstelling vallen en waarvoor ze moeten worden beschouwd als btw-belastingplichtigen, kunnen voor die leveringen van goederen en diensten de btw-vrijstellings­regeling voor kleine ondernemingen genieten indien de in België gerealiseerde globale omzet niet meer bedraagt dan 25 000 euro.

 

Sommige werkzaamheden worden overigens uitgesloten van de berekening van deze omzetdrempel, zoals de handelingen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 44.

 

Het betreft hier de toepassing van twee verschillende wettelijke regelingen die naast elkaar bestaan met hun eigen voorwaarden. Deze zijn bijgevolg niet in strijd met het principe van de fiscale neutraliteit in de btw.

 

Ik kom tot uw tweede vraag. Wanneer een onderwijsinstelling waarvan de diensten zijn vrijgesteld, een evenement van occasionele aard organiseert ter verkrijging van steun voor haar vrijgestelde onderwijsactiviteiten of voor het goede doel, en daarbij geen concurrentieverstoring veroorzaakt ten opzichte van andere organisa­toren die gelijkaardige handelingen verrichten, zijn de daarbij verrichte handelingen niet onderworpen aan de btw. De administratie gaat er als blijk van tolerantie van uit dat er sowieso geen concur­rentieverstoring is indien het evenement ter verkrijging van financiële steun hoogstens vier keer per kalenderjaar wordt georganiseerd. Bovendien wordt een evenement dat maximaal drie opeenvolgende dagen duurt, slechts als één evenement beschouwd.

 

Indien het gaat om een onderwijsinstelling met verschillende vestigingsplaatsen aanvaardt de administratie reeds dat de drempel van vier evenementen per jaar moet worden beoordeeld per vestiging en niet in hoofde van de globale entiteit.

 

Maar zelfs wanneer deze fondsenwerving meer dan vier keer per kalenderjaar georganiseerd wordt, betekent dit niet dat de vrijstelling automatisch vervalt. De onderwijsinstelling kan immers steeds contact opnemen met de bevoegde diensten van de administratie, die in overleg met de betrokkenen en na kennisgenomen te hebben van de feitelijke elementen, geval per geval zullen nagaan of er al dan niet sprake is van concurrentieverstoring.

 

Er wordt bovendien geen rekening gehouden met wat een toevallige overschrijding heet.

 

08.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor deze verheldering. Ik merk op dat u en uw administratie de piste ondersteunen dat er een bepaalde pragmatiek aan de dag moet worden gelegd, en dat het niet de bedoeling is dat wij er alles uithalen wat er binnen de huidige reglementering uit te halen zou zijn.

 

Ik merk dat het wel wat laveren is tussen de Europese richtlijnen om te bepalen hoever men kan gaan met vrijstellingen, gelet op de specificiteit van het onderwijs zoals dat in ons land georganiseerd is.

 

Wat die 25 000 euro betreft, het bedrag is niet absoluut, maar vooral waar het gaat om publiekrechtelijke personen. Anders is de grens voor het vrij onderwijs, zo heb ik begrepen. Ik weet niet of die grens kan worden opgetrokken. Natuurlijk gaat het om een vrij bescheiden bedrag.

 

Heel belangrijk voor de praktijk is te zeggen dat de regeling geldt per vestigingsplaats. De scholen weten dat niet. Zij willen zich, gelukkig maar, maximaal conformeren aan de wet en maken dan melding van administratieve problemen. De administratieve praktijken zijn hun niet bekend. U reikt de hand aan de schoolbesturen. U zegt dat zij gerust een seintje aan de administratie kunnen geven en dat men altijd in dialoog kan treden om een verduidelijking te krijgen of om een kwalificatie van de activiteiten te krijgen.

 

Het zou goed zijn dat de koepels de schoolbesturen er maximaal op wijzen, opdat er zeker geen activiteiten gefnuikt worden en opdat het engagement van de mensen niet gefnuikt wordt.

 

Het gaat hier om een technische regeling. U gaf een antwoord dat zeker een verdere analyse verdient. Men moet wel blijven bekijken of er nog praktische problemen zijn die de schoolbesturen kunnen fnuiken, maar ik meen dat met de tolerantiemarges die u hebt aangegeven een en ander mogelijk is. Misschien meer dan menig schoolbestuur tot vandaag vermoedde.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de occasionele fondsenwerving" (nr. 24804)

09 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les récoltes de fonds occasionnelles" (n° 24804)

 

09.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, deze vraag sluit nauw aan bij de vorige. De btw-regels voor financiële steunverwerving werden recentelijk verduidelijkt. U hebt ook al gesproken over het artikel 44, § 2, 12° van het Btw-Wetboek, dat een tijd geleden werd aangepast. De circulaire 2017/C/23 heeft de draagwijdte ervan verder uitgeklaard.

 

Ook hier gaat het dus om schoolfeesten, mosselfestijnen, pannenkoekenverkopen en toneelvoorstellingen waarvan de opbrengsten gebruikt worden voor vrijgestelde activiteiten of voor een goed doel. Deelnamen aan initiatieven zoals de Warmste Week vallen dus eveneens onder de regels die hieronder worden toegelicht.

 

Artikel 44, § 2, 12° van het Btw-Wetboek laat toe dat van de btw vrijgestelde instellingen of organisaties onder bepaalde voorwaarden ook vrijgesteld kunnen worden van het heffen van btw voor activiteiten waarmee zij financiële steun verwerven. Om van de btw vrijgesteld te zijn, moet de fondsenwerving tegelijkertijd aan de drie volgende voorwaarden voldoen.

 

Ten eerste, ze moet worden georganiseerd door de vrijgestelde onderwijsinstelling zelf. Ten tweede, ze moet occasioneel zijn. Ten derde, ze mag geen concurrentieverstoring veroorzaken.

 

Wat de tweede voorwaarde betreft, wordt het occasioneel karakter beperkt tot vier evenementen per jaar. Wij hebben net daarover van gedachten gewisseld. Daarbij worden zelfs acties voor goede doelen gerekend, ook al worden die niet georganiseerd voor de financiering van de eigen activiteiten als instelling of organisatie. Dat laatste maakt dat organisaties, als zij hun medemens willen helpen, als ik het zo caritatief mag uitdrukken, gefnuikt worden in hun organisatie doordat die acties worden aangerekend en zij eigenlijk verplicht worden om alleen maar fondsenwerving voor de eigen financiering te organiseren. Ik spreek over die vier. U hebt daarnet wat verduidelijking gegeven bij wat er al dan niet onder kan vallen, maar het behoort blijkbaar voor een stuk tot de administratieve praktijk.

 

Neem bijvoorbeeld schoolbesturen. In het pedagogisch project van veel scholen nemen initiatieven waarbij leerlingen zich inzetten voor goede doelen een prominente plaats in. Ik denk daarbij aan initiatieven in de sfeer van ontwikkelingssamenwerking, armoedebestrijding, de diverse samenleving en het milieu of, om het wat concreter te maken, aan Music for Life, de Warmste Week, een stratenloop voor Broederlijk Delen, Vredeseilanden enzovoort. De mogelijkheid om leerlingen aan goede doelen te laten participeren, wordt aangetast indien scholen verplicht worden om de btw-regels te laten toepassen bij het ontwikkelen van dergelijke initiatieven. Dat kan alleen maar leiden tot een verarming van het schoolgebeuren.

 

Mijnheer de minister, daarnet ging het over initiatieven en fondsen voor de school, in deze vraag gaat het specifiek over occasionele fondsenwerving voor derde organisaties, meestal caritatieve organisaties of projecten.

 

Is het volgens u werkelijk de bedoeling dat organisaties en instellingen verplicht worden om hun fondsenwerving voor goede doelen aan te rekenen op hun aantal mogelijke fondsen­wervingen voor eigen financiering per jaar? Indien wel, fnuikt dat dan niet de solidariteit van die organisaties ten aanzien van relevante maatschappelijke problemen die de nodige aandacht en middelen vereisen?

 

Is het volgens u niet beter om zo'n fondsenwerving voor goede doelen sowieso buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van het occasioneel karakter van de fondsenwerving in hoofde van de instelling of organisatie en eigenlijk te verklaren dat dit altijd als een vrijgestelde btw-activiteit kan worden beschouwd?

 

Een deel van het antwoord liet u al doorschemeren in het antwoord op de vorige vraag. Het zou echter wel goed zijn, mocht men ex ante zeggen dat dit buiten het contingent van de vier activiteiten valt, zodat men daarover niet in dialoog moet treden. Dat moedigen wij aan, opdat men zich daarover geen zorgen zou moeten maken.

 

Deze vraag komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht gevallen. Bepaalde scholen hebben al problemen ondervonden op dit vlak. Dat leidt tot veel verspilde energie.

 

09.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, zoals u zelf al aangaf, overlapt dit antwoord gedeeltelijk dat van de vorige vraag. Het lijkt me echter niet slecht om het antwoord hier exhaustief te geven. Ik weet dat bepaalde paragrafen zeer gelijkaardig zullen klinken.

 

De ontvangsten van occasionele fondsen­wervingen door bepaalde, door artikel 44 van het Btw-Wetboek beoogde instellingen of verenigingen, zijn volgens de wettelijke bepalingen vrijgesteld van btw als aan de volgende drie voorwaarden cumulatief voldaan is. Ten eerste moet de activiteit door de instelling of vereniging zelf georganiseerd worden. Ten tweede mogen de opbrengsten van de activiteit uitsluitend ten goede komen aan de instelling of de vereniging. Ten derde mag de activiteit geen concurrentie­verstoring veroorzaken ten opzichte van andere economische operatoren die gelijkaardige handelingen verrichten.

 

Wat de tweede voorwaarde betreft, heb ik reeds in mijn antwoord op een vraag van 6 mei 2015 gesteld dat, niettegenstaande de nationale en Europese btw-bepalingen, deze vrijstelling ook geldt als de opbrengsten niet ten goede komen aan de instelling of vereniging zelf maar worden aangewend voor de financiële steun van een goed doel. Ik wijs erop dat voorheen steunwervende activiteiten voor een goed doel buiten het bestek van de betrokken btw-vrijstelling vielen. Nu is dat dus niet meer het geval.

 

Mijn administratie heeft vervolgens het begrip "goed doel" zeer ruim omschreven in omzendbrief 2017/C/23 van 19 mei 2017. Onder een goed doel wordt namelijk verstaan "elke instelling, vereniging, fonds of natuurlijk persoon die zich, zonder commercieel oogmerk, inzet voor een project of werk op het vlak van gezondheid, welzijn, cultuur, natuur, milieu of internationale hulp."

 

Het is hierbij niet noodzakelijk dat de begunstigde van de ingezamelde middelen een erkenning geniet.

 

Voor de derde voorwaarde moet de fondsenwerving occasioneel van aard zijn en mag zij geen aanleiding geven tot concurrentie­verstoring. Over de invulling van deze voorwaarde bestond lange tijd heel wat onduidelijkheid in de praktijk.

 

Hoeveel activiteiten mogen immers georganiseerd worden opdat er geen sprake is van concurrentie­verstoring? Een keer per week, één keer per maand of één keer per jaar? Is er een maximale omzet die gerealiseerd mag worden?

 

Om die onzekerheid weg te nemen, heb ik de administratie gevraagd duidelijke spelregels vast te leggen. Ik verwijs daarvoor andermaal naar de circulaire die ik eerder genoemd heb, nr. 2017/C/23.

 

Vooreerst is de gerealiseerde omzet naar aanleiding van het evenement van geen enkel belang om deze voorwaarde te beoordelen. Mijn administratie gaat er bovendien van uit dat er sowieso geen sprake is van enige concurrentie­verstoring indien de fondsenwerving hoogstens vier keer per kalenderjaar wordt georganiseerd. Bovendien wordt een evenement dat maximaal drie opeenvolgende dagen duurt, zoals ik daarnet al gezegd heb, slechts als één evenement beschouwd.

 

Zelfs als de fondsenwerving meer dan vier keer per kalenderjaar wordt georganiseerd, betekent dit uiteraard niet dat de vrijstelling vervalt. De instelling kan steeds contact opnemen met de bevoegde diensten van de administratie, die dan in overleg treden met de betrokkene en na kennis te hebben genomen van alle feitelijke elementen geval per geval zullen nagaan of er al dan niet sprake is van concurrentieverstoring.

 

Het bovenstaande indachtig ben ik er dan ook van overtuigd dat wij er door deze uiterst soepele toepassing van de btw-vrijstelling alles aan gedaan hebben om instellingen en verenigingen precies aan te moedigen evenementen te organiseren ter ondersteuning van het goede doel.

 

09.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, de conclusie is uiterst positief. Er is geen enkele reden vanuit btw-perspectief om activiteiten niet te organiseren. U moedigt ze zelfs aan, wat een zeer positieve zaak is.

 

Eén ding wil ik wel nog meegeven, mijnheer de minister. De scholen hebben voor hun core­business al geen psychologen of logopedisten in dienst, laat staan dat zij een jurist hebben die dit allemaal kan uitpluizen.

 

Natuurlijk moeten de koepels hierin een rol spelen. Ik heb het niet nagegaan, maar misschien kunt u op de website in een sectorale communicatie voorzien voor het onderwijs. Misschien kunnen die circulaires op regelmatige tijdstippen ook vertaald of gebundeld worden in een cahier voor de scholen. Die vragen borrelen geregeld op. Men zit geregeld met die zorgen. Ik meen dat het een zware taak wordt als de directeurs dat er allemaal bij moeten nemen.

 

Een en ander kan ook op het niveau van de koepels worden gecommuniceerd. Het zou goed zijn dat er een customer friendly attitude zou zijn en dat deze informatie gepusht wordt, aangezien zij uiterst relevant is voor de dagelijkse werking van de scholen.

 

De bottomline is wel zeer positief: de scholen kunnen evenementen zonder btw-zorgen organiseren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het succes van de nieuwe winstpremie voor werknemers" (nr. 24845)

10 Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le succès de la nouvelle prime bénéficiaire pour les travailleurs" (n° 24845)

 

10.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, ik weet dat deze vraag met betrekking tot deze regelgeving en de evaluatie ervan reeds snel komt, maar er is ondertussen toch reeds een kwartaal verstreken.

 

Sinds 1 januari 2018 is die nieuwe regeling van kracht en hebben ondernemingen de mogelijkheid om een deel van hun winst als bonus toe te kennen aan hun werknemers en dit op een veel eenvoudigere manier. De werkgever kan namelijk een identieke winstpremie toekennen aan alle werknemers via een beslissing van de algemene vergadering of een gecategoriseerde premie aan een deel van de werknemers via een ondernemings-cao of een toetredingsakte.

 

Om het succes van deze maatregel te kunnen beoordelen wilde ik dan ook reeds na het eerste kwartaal van dit jaar vragen hoeveel ondernemingen in dit eerste kwartaal na de invoering van deze maatregel een identieke winstpremie uitkeerden aan hun werknemers. Hoeveel werknemers kregen zo'n premie uitbetaald?

 

Hoeveel ondernemingen keerden in dit eerste kwartaal na de invoering van deze maatregel een gecategoriseerde winstpremie uit aan hun werknemers? Hoeveel werknemers kregen zo'n premie uitbetaald?

 

Hoe evalueert u zelf de invoering en de eerste maanden van de mogelijkheid tot invoering van een winstpremie?

 

10.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mevrouw Smaers, u alludeerde er zelf op, deze maatregel ging van start op 1 januari 2018. Het is dus erg vroeg dag. Gelet op het feit dat in de aangifte van de bedrijfsvoorheffing geen afzonderlijke rubriek is opgenomen voor deze winstpremie, beschikt de administratie tot op heden niet over cijfers die toelaten om een meer concrete inschatting te maken van de impact van de maatregel en om dus de meeste van uw heel concrete en specifieke vragen te beantwoorden.

 

Aangezien de maatregel pas van kracht is sinds 1 januari van dit jaar, zal de eerste impact ervan terug te vinden zijn in de inkohieringen die wij voor het aanslagjaar 2019 gaan zien.

 

De voorzitter: Mevrouw Smaers, hebt u de cijfers nu?

 

10.03  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, neen, helemaal niet. Mijnheer de minister, ik kon maar proberen.

 

In verband met die eerste aanslag, het is spijtig dat er niet in een afzonderlijke rubriek is voorzien om de informatie eruit te halen. Ik wil de aangiftes niet nog meer bezwaren of nog moeilijker of complexer maken, maar ik vraag mij af – wij hebben daarstraks het debat over de kaaimantaks gehad – of er toch geen mogelijkheid is om aan informatievergaring via statistieken te doen. De burger hoeft daarvoor geen complexere aangifte te hebben. Maar kan het toch niet bekeken worden? Ik weet niet of het mogelijk is. Zo zouden wij veel sneller bepaalde nieuwe maatregelen op hun financiële en fiscale merites of niet-merites kunnen beoordelen.

 

Ik denk dat dit zeer nuttig kan zijn voor het beleidswerk ter zake.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de M. Benoît Dispa au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le taux de TVA à appliquer pour les services de promotion de la santé à l'école" (n° 24865)

11 Vraag van de heer Benoît Dispa aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het btw-tarief voor de diensten van gezondheidsbevordering op school" (nr. 24865)

 

11.01  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, l'arrêté royal du 14 décembre 2015 a inséré une rubrique "Bâtiments scolaires" dans le tableau annexé à l'arrêté royal n° 20, de sorte que depuis le 1er janvier 2016, les travaux aux bâtiments scolaires sont soumis au taux réduit de TVA de 6 %, ce qui est évidemment une excellente chose.

 

Dans la foulée, une modification des textes est intervenue pour étendre le taux de TVA réduit de 6 % qui existe pour les bâtiments scolaires aux Centra voor Leerlingenbegeleiding en Flandre (CLB) et aux centres PMS en Communauté française.

 

Les centres psycho-médico-sociaux et les centres d'encadrement des élèves sont affectés à l'encadrement des élèves du point de vue de la santé, du bien-être, de l'orientation, et ce, à partir de l'école maternelle. Par conséquent, ces établissements doivent pouvoir aussi bénéficier du taux réduit de TVA, pour les mêmes opérations que celles relatives aux bâtiments scolaires.

 

Les CLB remplissent à la fois les missions PMS et les missions PSE (promotion de la santé à l'école). Les centres PMS, tant subventionnés qu'organisés par la Communauté française, bénéficient également du taux réduit. Ces derniers, donc les centres PMS organisés par la Communauté française, remplissent tant les missions PMS que les missions de promotion de la santé à l'école. Par contre, seuls les services de promotion de la santé à l'école pour l'enseignement subventionné, et non pas organisé par la Communauté, ne peuvent pas bénéficier du taux réduit de 6 %. Or, comme les autres, ils sont repris dans le périmètre de l'article 24 de la Constitution qui concerne l'enseignement. On constate dès lors une inégalité de traitement entre ces acteurs du périmètre de l'enseignement.

 

Monsieur le ministre, peut-on interpréter cette modification visant à étendre le taux réduit de TVA de 6 % aux CLB et PMS comme étant aussi en faveur des services de promotion de la santé à l'école? Pourquoi cela n'a-t-il pas été intégré directement dans l'arrêté royal modifiant l'arrêté royal n° 20 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments destinés à l'encadrement des élèves? Je vous remercie.

 

11.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Dispa, conformément à la rubrique XL du tableau de l'annexe de l'arrêté royal n° 20, le taux réduit de 6 % s'applique notamment aux livraisons de bâtiments destinés aux centres PMS exemptés en vertu du Code, ainsi qu'à certains travaux immobiliers effectués à ces bâtiments.

 

La Fédération Wallonie-Bruxelles, anciennement la Communauté française, a adopté en 2001 et 2002 deux décrets réorganisant la médecine scolaire. Les missions contenues dans ces nouveaux décrets sont assurées par les services de promotion de la santé à l'école, en abrégé les services PSE pour l'enseignement subventionné et par les PMS pour les établissements relevant de la Fédération Wallonie-Bruxelles. Après examen de la problématique et par souci de neutralité fiscale, j'accepte que les taux réduits visés par la rubrique susmentionnée puissent également trouver à s'appliquer aux bâtiments destinés à être utilisés par les services PSE dans le cadre de leur mission de promotion de la santé à l'école.

 

11.03  Benoît Dispa (cdH): Monsieur le ministre, cette réponse me paraît totalement satisfaisante. Je vous remercie de lever le malentendu qui subsistait dans le secteur. Votre réponse est tout à fait claire. L'égalité de traitement est ainsi garantie, ce qui me paraît une excellente chose.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 24868 van de heer Deseyn wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

12 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de hervorming van de moratoriuminteresten" (nr. 24869)

12 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réforme des intérêts moratoires" (n° 24869)

 

12.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, het gaat hier over een interessante juridisch-technische zaak. We hebben daar al enkele vragen over gesteld. In antwoord op een vorige vraag hebt u gesteld dat de aanmaning wel degelijk rechtsgeldig samen met het bezwaarschrift of het verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden ingediend, hoewel zo'n aanmaning volgens u pas uitwerking heeft nadat de termijn voor terugbetaling verlopen is.

 

U verantwoordt dat door de stelling dat een ingebrekestelling een vertraging in de uitvoering van een verbintenis betekent. Hiermee kan worden verondersteld dat, zolang er geen vertraging is in de terugbetaling, bijvoorbeeld na inwilliging van het bezwaarschrift, er ook geen aanleiding is voor een aanmaning, waardoor dus de al eerder gedane aanmaning alleen effectief uitwerking kan hebben zodra er een daadwerkelijke betalingsachterstand is.

 

Met dat antwoord kiest u niet echt voor het ene of het andere, maar lijkt u beide aanknopingspunten met elkaar te proberen verzoenen, zoals ik in mijn eerdere vraag reeds aanhaalde. Nochtans wordt in het Burgerlijk Wetboek wel een duidelijke keuze gemaakt. De interest is daar volgens artikel 1153 verschuldigd vanaf de dag van de aanmaning tot betaling en dus vanaf de dag waarop er een achterstand optreedt in de terugbetaling van de belasting.

 

U hebt gelijk wanneer u stelt dat er pas moratoriuminteresten verschuldigd kunnen zijn als er een vertraging is in de uitvoering van de verbintenis, maar moeten we die regel in de context van de terugbetaling van belastingen niet zo interpreteren dat er sowieso een vertraging is in de terugbetaling wanneer de belastingplichtige via een bezwaarschrift de terugbetaling eist?

 

In het licht van de doelstelling om regelingen nauwer te laten aansluiten bij de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, lijkt het mij geen slecht idee om het aanknopingspunt voor de aanvang van de moratoriuminteresten op dezelfde manier te interpreteren.

 

Dat komt de rechtszekerheid voor de belastingplichtige volgens mij ten goede. De vraag komt neer op een zoektocht naar duidelijkheid en naar een antwoord op de vragen hoe alles nu exact in mekaar zit en of de doelstellingen van de wetgeving juridisch-technisch maximaal worden gehonoreerd.

 

Hoe dan ook, de rechtszekerheid zou hiermee zeker gebaat zijn, want de nieuwe regel zal naar alle waarschijnlijkheid veel discussie doen ontstaan tussen de administratie en de belasting­plichtige. Het gaat daarbij over wezenlijke of principiële zaken, ook als het over beperkte bedragen gaat. Ik zou willen anticiperen op de veldslagen door iedere passus uit de goedgekeurde wetgeving goed te kaderen, te begrijpen en te duiden. Op die manier kunnen wij ons heel wat discussies besparen, niet het minst discussies met de fiscale administratie.

 

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er steeds een vertraging in de uitvoering van de verbintenis is wanneer de belastingplichtige een terugbetaling eist van te veel betaalde belasting via een bezwaarschrift, zodat de moratorium­interesten beginnen te lopen, zoals bepaald in het voorbeeld in de memorie van toelichting op pagina 119?

 

Kunt u hetzelfde bevestigen voor de verzoeken om ambtshalve ontheffing? Zo neen, kan er uitsluitsel worden gegeven over het tijdstip wanneer er juist sprake is van een vertraging in de uitvoering van de verbintenis?

 

12.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, er is vertraging in de uitvoering van een verbintenis wanneer de termijn voor de terugbetaling verstreken is. Doorgaans zal een bezwaarschrift of een verzoek tot ambtshalve ontheffing tot de toekenning van moratorium­interesten aanleiding geven, voor zover de terugbetalingstermijn van de oorspronkelijke aanslag verstreken is en de belastingplichtige om de betaling van de interesten vraagt.

 

12.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, het is belangrijk om terug te keren naar de oorspronkelijke aanslag. Men gaat kijken naar de oorspronkelijke aanslag en dan kan men allerlei verweren inroepen.

 

Bij een vertraging de facto, eens de termijn is verlopen, is er geen sprake van stuiting of schorsing, maar moeten de moratoriuminteresten beginnen te lopen. Zo interpreteer ik de regel alvast.

 

Wij moeten proberen in kaart te brengen wat de consequentie is van een en ander. Hopelijk volgen er dan geen nieuwe vragen en anders moet ik daarop misschien schriftelijk terugkomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het KB inzake de EER-lijst" (nr. 24870)

13 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'arrêté royal relatif à la liste EEE" (n° 24870)

 

13.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, iedereen heeft hier gepleit voor een stevige kaaimantaks. Als ik dat plastisch moet uitleggen te velde, gebruik ik vaak het beeld van een kaaiman die rondzwemt en overal hapt waar er iets interessants ligt, maar  hij moet goede tanden krijgen en ook zien wat er te happen valt.

 

Wij hebben de kaaimantaks stevig verruimd, wat noodzakelijk was om de verschillende problemen en toepassingsmogelijkheden aan te pakken. Dat werd vanmiddag al geduid. Er werd ook binnen de regering afgesproken, wat tijdens de bespreking van de programmawet in de commissie werd bevestigd, om de bestaande EER-lijst aan te passen om de private instellingen van collectief beheer – ik vermeld zeer uitdrukkelijk het voorbeeld van een Luxemburgse sicav – onder het toepassingsgebied van de kaaimantaks te brengen. Dat soort constructies maakt immers gebruik van een beursnotering om aan de kaaimantaks te ontsnappen. De doelstelling van de wet en het KB is echter altijd geweest om ze eronder te brengen, maar daar bestaan twijfels over gezien de formulering van de wet en het KB.

 

Tot nu toe hebben wij nog geen update mogen ontvangen van het KB. Een update daarvan is echter zeer wenselijk, gelet op de praktijk. Na de vele discussies hierover kan men misschien zeggen hoe dicht men bij 500 miljoen zit. Als wij garanties en de update inbouwen, zullen wij echter meer slaagkansen krijgen. Wij mogen niet spreken van slaagkansen, want ik begrijp uit uw toelichting, mijnheer de minister, dat het in eerste orde niet de bedoeling was om daarvoor aparte lijnen te genereren. De betrachting is om geld dat verstopt wordt, dat niet kan worden belast of dat te gemakkelijk onder fiscale ontwijking ressorteert, aan te pakken met een nieuw KB.

 

Wat is de status van de werf van het nieuwe KB?

 

Zal er een nieuwe EER-lijst worden opgemaakt en bekend worden gemaakt, die bijvoorbeeld de private instellingen van collectief beheer, zoals de Luxemburgse sicav’s, wel zal bevatten, en die ook onder het ruime toepassingsgebied van de kaaimantaks zal vallen?

 

13.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, ik kan u inderdaad bevestigen dat er op dit moment nog volop gewerkt wordt aan het nieuwe KB, waar u ook aan refereert. Dat ontwerp zal eerstdaags in de regering besproken worden.

 

Zodra de regering heeft ingestemd met het ontwerp zal dit uiteraard voor advies naar de Raad van State gaan en indien nodig zullen er in functie van dit advies de nodige wijzigingen of aanpassingen worden aangebracht.

 

Vervolgens zal het besluit ter ondertekening aan het staatshoofd worden voorgelegd en in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.

 

13.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, goed dat er gewerkt wordt. Met deze vraag zitten we qua timing goed omdat we een aantal bezorgdheden kunnen signaleren.

 

Eigenlijk zou het toch niet slecht zijn dat er voor zulke belangrijke zaken, die een concrete invulling geven aan deze wetgeving, over het ontwerp-KB, een discussie of gedachtewisseling kan worden georganiseerd. Ik zal er later allemaal interessante vragen over stellen, maar het zou jammer zijn inzake de perimeter of de uitwerking van het KB te moeten overgaan tot een reparatiewet, een nieuwe wettelijke basis, een ander KB of een bijsturing. Het beroert alle fracties en we hebben er met de onderzoekscommissies ook veel tijd en energie in geïnvesteerd.

 

Ik durf rekenen op een heel sterk KB dat al deze bezorgdheden wegneemt, maar overleg zou wenselijk zijn. Het is niet zomaar een fait divers. Het is ook bijzonder actueel. Het bestaat niet binnen de wetgevende procedure, maar het voorontwerp zou kunnen voorgelegd worden aan de bevoegde Kamercommissie voor input. Dat zou misschien interessant zijn voor de soliditeit van het KB.

 

Dit zou geen nieuwe hetzes en politieke ruzies moeten ontketenen. We hebben de collectieve betrachting om die structuren, als er fiscaal misbruik mee gepaard gaat, maximaal te ondervangen en te counteren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Samengevoegde vragen van

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de podiumkunsten en de BNI" (nr. 24871)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de podiumkunsten en de kosten tot 30 dagen na de première" (nr. 24872)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de podiumkunsten en de lijst van uitgaven" (nr. 24873)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de podiumkunsten en het uitblijven van een FAQ-lijst" (nr. 24874)

14 Questions jointes de

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les arts de la scène et l'INR" (n° 24871)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les arts de la scène et les frais occasionnés jusqu'à 30 jours après la première" (n° 24872)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les arts de la scène et la liste des dépenses" (n° 24873)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les arts de la scène et l'absence d'une liste FAQ" (n° 24874)

 

De voorzitter: Mijnheer Deseyn, ik verzoek u om uw vier vragen te bundelen, aangezien ze over hetzelfde onderwerp gaan en op de agenda zijn samengevoegd, en om het beknopt te houden, gelet op onze agenda en zodat ook andere aanwezige leden hun mondelinge vragen kunnen stellen.

 

14.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik heb al enkele van mijn mondelinge vragen in schriftelijke vragen omgezet en dat doe ik ook nog met enkele andere van mijn geagendeerde vragen. In die zin denk ik dat ik geen misbruik maak van de spreektijd.

 

Mijnheer de minister, de verschillende fracties werken momenteel aan wetsvoorstellen in verband met de taxshelter. Met het oog op het maken van een goede evaluatie, zijn mijn vragen meer dan ooit aan de orde.

 

De uitbreiding van de taxshelter naar de podiumkunsten bestaat meer dan één jaar, maar de praktijk roept heel wat vragen en bedenkingen op. Een en ander overlapt overigens gemeenschaps­materie, want ook in het Vlaams Parlement zijn er initiatieven genomen in verband met de taxshelter en de invulling ervan. De sector vraagt terecht rechtszekerheid en volgens mij moet het altijd onze politieke betrachting zijn om die te bieden. Om die reden wil ik stilstaan bij de volgende punten.

 

Buitenlandse podiumkunstenaars kunnen in België tewerkgesteld worden onder het stelsel van de bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18 %. De FOD Financiën stelt dat daarmee niet voldaan is aan de voorwaarde in de wet dat kwalificerende uitgaven belast moeten zijn tegen het normale tarief. De vraag is echter of die interpretatie wel juist is en of die 18 % bevrijdende roerende voorheffing wel degelijk beschouwd moet worden als het normaal tarief van personenbelasting voor die categorie van werknemers.

 

Naar ik verneem gaat de administratie zelfs nog een stap verder, maar volgens mij niet in de goede richting, want blijkbaar geeft de administratie aan zelfs de loonkosten niet te aanvaarden van buitenlandse werknemers die hier tewerkgesteld zijn onder hetzelfde stelsel van bedrijfsvoorheffing als Belgische werknemers. Naar mijn mening is dat van het rigoureuze wat te veel, zeker als voor die groep van werknemers evenveel bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden als bij Belgische werknemers. Ze worden wel aanvaard indien aan de bijkomende voorwaarde van effectieve indiening van de aangifte BNI wordt voldaan. Vanuit de praktijk krijg ik te horen dat die voorwaarde onmogelijk gecontroleerd kan worden in hoofde van de productievennootschap.

 

Mijnheer de minister, kunt u verduidelijken of met de bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18 % voldaan is aan de voorwaarde in de wet dat kwalificerende uitgaven belast moeten zijn tegen het normale tarief? Des te meer rijst de vraag wat normaal is.

 

Kunt u verklaren of het opleggen van de bijkomende voorwaarde inzake de effectieve indiening van de aangifte BNI strookt met de wet en de ratio legis ervan, zeker in situaties waarbij buitenlandse werknemers onderworpen worden aan dezelfde bedrijfsvoorheffing als hun Belgische collega's?

 

Kan uw antwoord opgenomen worden in de langverwachte frequently asked questions over de taxshelter voor podiumkunsten?

 

Ik sta ook nog even stil bij de regel die bepaalt dat de kosten tot 30 dagen na de première nog als kwalificerende uitgaven aanzien kunnen worden. In artikel 194ter/1, § 2, 1°, tweede streepje, staat duidelijk dat daarmee rekening mag worden gehouden, met name "voor de productie- en exploitatie-uitgaven die in België worden gedaan uiterlijk een maand na de première". Ik zal niet citeren uit de memorie van toelichting van de wet. Alles staat in de toelichting bij de vraag, maar ook bij de bespreking van het wetsontwerp werd de regel bevestigd. Het lijkt me dan ook heel duidelijk dat het de bedoeling van de wetgever was om alle kosten verbonden aan de productie en de exploitatie van podiumwerken te beschouwen als kwalificerende kosten tot 30 dagen na de première.

 

Ik vraag me af hoe het komt dat de FOD Financiën die maatregel zo sterk inperkt en weigert, zeker gelet op de toelichting, de bespreking en de antwoorden van de minister. In verschillende gevallen worden bepaalde kosten zoals personeelskosten van acteurs en technici en verzekeringskosten, als aanvaardbaar geduid en andere kosten, zoals vervoers- en transport­kosten, dan weer niet. Dat is niet te begrijpen vanuit de realiteit van een podiumkunsten­productie. Het is onmogelijk om voorstellingen te spelen zonder decor, klank en licht en zonder die materiaalstukken te vervoeren. Ook het nood­zakelijke productiepersoneel en alle indirecte kosten zijn onlosmakelijk verbonden aan het spelen van voorstellingen. Het is het een of het ander. Als men de sector wil tegemoetkomen, dan kan men de regels niet zo interpreteren dat men eigenlijk niets doet. De FOD Financiën huldigt de stelling dat er alleen voor acteurs en technisch personeel kwalificerende uitgaven zouden zijn. Dat is echt niet te begrijpen.

 

Bent u zich bewust van de houding van de cel Tax Shelter? Wat is uw reactie daarop, zeker in het licht van de memorie van toelichting van de wet? Hoe interpreteert u de 30 dagenregel? Is er een tolerantiemarge of wordt die regel strikt toegepast?

 

Als het gaat over het al dan niet aanvaarden van kosten, durf ik zelfs te spreken over willekeur omdat er niet echt een lijn in zit. De wet geeft duidelijk aan dat onder meer vervoerskosten, de accommodatie van acteurs en ander personeel tot 25 % van de totale loonkosten en daarnaast transportkosten met betrekking tot licht, geluid en decor als kwalificerende uitgaven moeten worden aanzien. Kunt u verantwoorden waarom de administratie dat niet altijd doet? Ook die regel zou een plaats moeten vinden binnen de FAQ Tax Shelter Podiumkunsten, maar het is belangrijk dat hij besproken wordt met de administratie en dat er klare wijn wordt geschonken.

 

Ik kom tot een andere subcluster, namelijk de lijst van uitgaven. Dit sluit heel nauw aan bij hetgeen ik hier schetste. Het gaat over artikel 194ter/1. Ik heb signalen ontvangen dat ook deze lijst zeer restrictief wordt gehanteerd. Dit creëert veel onduidelijkheid en onzekerheid. Men spreekt op het terrein een beetje over onlogische beslissingen, maar ik denk dat men dat zegt omdat men niet begrijpt wat de regels zijn.

 

Als men een strikte interpretatie van de wet hanteert, dan denk ik dat die erop gebaseerd is dat men niet volledig inziet wat nu juist een podiumkunstenproductieproces is en dat men in die zin te veel abstractie maakt van de diversiteit en de complexiteit die het podiumkunsten­landschap kenmerken.

 

Ik denk dat het bijvoorbeeld aanvaardbaar moet zijn dat voor de promotie van een podiumwerk ook papieren flyers een kwalificerende uitgave zijn. Ik ben in die overtuiging gesterkt om dat het zo letterlijk in de wet staat. Maar een Facebook­advertentie en een e-mailnieuwsbrief staan niet in de wet vermeld, ze waren toen ook minder aan de orde, maar het zou toch een beetje belachelijk zijn om te zeggen dat het alleen geldt voor de uitgaven van de kosten voor papieren advertenties. Wij hebben in veel wetgeving de omslag gemaakt. Wij zijn vaak tot een gelijkstelling gekomen; zelfs als het juridische handelingen betreft, maken wij geen onderscheid tussen de papieren en de digitale versie. Voor kwalificerende uitgaven ter promotie van een podiumstuk is het een beetje belachelijk als wij dat wel zouden doen.

 

Mijnheer de minister, bevestigt u dat de omschrijving van de kwalificerende uitgaven in artikel 194ter/1, § 3 limitatief is of niet? Wat zou daaromtrent de motivering zijn?

 

In verband met die advertenties, gaat u akkoord dat een e-mailnieuwsbrief ook als kwalificerende uitgave kan worden bestempeld en dat ook dit zou moeten opgenomen worden in de frequently asked questions?

 

Ik heb nog een aparte vraag ingediend met betrekking tot die FAQ’s. Hoe komt het dat de FAQ nog steeds niet ter beschikking is? Het valt me op dat er nog steeds geen FAQ gepubliceerd werd over die maatregel ondanks de veelvuldige vragen vanuit de praktijk om dit te doen. Enkel in verband met de audiovisuele werken bestaat de nodige duiding vanuit de administratie over hoe de taxshelter toegepast moet worden.

 

Is de FAQ in opmaak? Is daarover een overleg gaande met de Gemeenschappen of met de kunstensector? Wat is daarvan de timing? Wat is de reden van de vertraging? Zal dit dan de nodige rechtszekerheid kunnen bieden voor al de verschillende vragen? Tot zover mijn vragen over de taxshelter in de podiumkunsten.

 

14.02 Minister Johan Van Overtveldt: Op één thema na is de FAQ nu klaar en ze zal eerstdaags gepubliceerd worden. Onder meer de 30 dagen-regel zal daarin uitgebreid toegelicht worden in al zijn modaliteiten en zeker ook met concrete antwoorden op de door u gestelde vragen. Enkel in verband met de problematiek van de bedrijfsvoorheffing loopt er nog een onderzoek en is er nog overleg. We hebben beslist om de FAQ in twee delen te splitsen, met name het laatste stuk, dat jammer genoeg nog even zal moeten wachten tot het onderzoek afgerond is, en alle andere elementen waaronder al de punten die u heeft aangeraakt. De lijst is dus klaar en zal eerstdaags gepubliceerd worden. Ik zal erop aandringen dat dit zo snel mogelijk gebeurt.

 

14.03  Roel Deseyn (CD&V): Het lijkt wel de rode draad vanmiddag. Er gebeurt veel, maar we moeten nog even geduld hebben, op een KB wachten of op een circulaire of een ander administratief schrijven. Inzake het lopend onderzoek rond de bedrijfsvoorheffing kan ik me voorstellen dat het niet zo'n complex onderzoek is. Volgens de reguliere wetgeving gaat het inderdaad om het percentage van de bedrijfsvoorheffing. Dat kunnen we als normaal beschouwen, anders kunnen we het beschouwen als kwalificerende kosten. In het licht van alle complexere discussies die we vanmiddag al gehad hebben, leek me dat nu niet zo'n complexe zaak te zijn. Als men maar beseft dat dit discussies zijn die artistieke creaties en producties niet ten goede komen. Het was nu net de bedoeling van de taxshelter voor podiumkunsten om daarvoor iets extra te doen. Dat zal zeker niet het verschil maken in de totaliteit. In de grote pot van fiscale uitgaven, spreken we hier over een zeer marginale kostprijs. Ik hoop dat we er dus niet te lang op moeten wachten en dat deel 2 van de FAQ dan ook spoedig zal gepubliceerd kunnen worden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Samengevoegde vragen van

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de afbetalingsplannen" (nr. 24919)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de termijnen die gehanteerd worden door fiscale invorderingsteams" (nr. 25000)

15 Questions jointes de

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les plans de paiement" (n° 24919)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les délais appliqués par les équipes de recouvrement fiscal" (n° 25000)

 

15.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, met deze vraag is het ietwat anders dan met de andere vragen: over het onderwerp werd al gecommuniceerd dat het de goede kant opgaat, nog voordat de vraag gesteld werd. Het is belangrijk dat wij hier nog even de puntjes op de i zetten en dat wij inzicht krijgen in de jongste stand van zaken.

 

Ik begrijp zeer goed, mijnheer de minister, dat in de praktijk het strikte afbetalingsplan, zoals dat van kracht was sinds de circulaire van 2016, niet meer van toepassing is. Wij konden vernemen dat in honderden dossiers mensen die hun belastingen niet op tijd konden betalen, geen gehoor bij de fiscus konden vinden en dat er wel degelijk schade werd aangericht door de strikte deadline voor afbetalingen die sinds een jaar of twee gehanteerd wordt. Hopelijk is dat niet meer voor lang.

 

Naar verluidt werden tot op heden mensen met een plan van meer dan 12 maanden wandelen gestuurd. Die mensen werden steevast naar het OCMW of naar een advocaat gestuurd. Daar konden zij volgens de fiscus dan het beste een collectieve schuldenregeling aangaan. Dat zou zo in de circulaire zijn opgenomen. Die methode is echter zeer ingrijpend voor de betrokkenen. Bovendien levert zij de schatkist minder op dan wanneer een gewone afbetaling overeengekomen wordt.

 

MyTrustO, een organisatie die een soort alternatieve invordering organiseert en daarbij een hoge succesratio voor de schuldeiser laat optekenen, spreekt over duizenden dossiers in heel België. De dienst Fiscale Bemiddeling beaamt de klachten.

 

Begin februari hebt u al aangegeven dat de betalingstermijn van 12 maanden niet strikt gehanteerd mag worden. U hebt toen dus een politieke opening gecreëerd, wat een zeer positieve zaak is voor de afhandeling van dossiers.

 

Ik ben uiteraard van mening dat iedere schuld uiteindelijk betaald moet worden. Dat is altijd het uitgangspunt. Wij mogen geen valse hoop geven aan de betrokkenen als zouden zij een vrijgeleide krijgen voor extra kredietopeningen. Maar de schuldenproblematiek is in die mate complex dat wij moeten durven vast te stellen dat sommige opties inzake afbetaling het probleem enkel vergroten. Met een beetje zin voor pragmatisme en casuïstiek helpen wij niet alleen de belasting­plichtigen maar ook de schatkist.

 

De vraag is wat de oplossing voor de toekomst is. Ik begrijp dat die intussen reeds uitgewerkt werd en geïnstrueerd is aan de betrokken ambtenaren. Het zou goed zijn, mochten wij daarover vandaag iets meer vernemen.

 

15.02  Peter Vanvelthoven (sp.a): Blijkbaar schiet men pas in gang, als een thema de kranten haalt. Wat hier in het Parlement aan bod komt, heeft dikwijls weinig effect. Ik maak me daar al een tijdje zorgen over. Zo schoot men plots in actie, nadat er een hele heisa ontstaan was na het verschijnen van een persoonlijk verhaal in Het Laatste Nieuws.

 

In februari vorig jaar stelde collega Van Cauter u ook al een vraag over de afbetalingstermijn van 12 maanden. U antwoordde toen het volgende. "Het kan dus ook absoluut niet de bedoeling zijn om de termijn van 12 maanden zonder overweging en blindelings toe te passen." Onlangs herhaalde u dat antwoord. Ondertussen hebben we echter de interne richtlijn, die van uw hand is, kunnen inkijken. Daarin staat iets totaal anders dan wat u in dit Parlement verklaard hebt. Daarin staat namelijk: "Een schuld moet betaald zijn binnen de 12 maanden na haar ontstaan of alle mogelijke invorderingsmaatregelen moeten genomen zijn. Het toekennen van een afbetalingsplan mag niet tegenstrijdig zijn aan deze doelstellingen." Iets verder lees ik: "Langlopende afbetalingsplannen staan we dus niet langer toe. Ze bieden geen structurele oplossing voor financiële problemen.”

 

In uw interne richtlijn zegt u dus dat een afbetalingstermijn van 12 maanden het absolute maximum is, waarop geen afwijkingen toegestaan wordt. In het Parlement komt u iets anders vertellen. Hetzelfde blijkt ook uit het aanvraagformulier van destijds, waarin men ook heel strikt is: een termijn van 12 maanden en niet langer.

 

Als we een probleem in het Parlement aankaarten, wordt dat van tafel geveegd. Als het verhaal in de pers komt, komt men in actie. Ik ben blij dat de minister en de administratie ondertussen in actie gekomen zijn. Als ik het goed heb begrepen, zou er ondertussen een nieuwe richtlijn van toepassing zijn.

 

Mijn vraag hierover is heel eenvoudig, mijnheer de minister. Kunnen we inzage krijgen in de nieuwe richtlijn van de administratie, waarin blijkbaar sprake is van vijf jaar? Na heel de commotie is het duidelijk dat de schuldindustrie ondertussen voor een belangrijk maatschappelijk probleem zorgt. Het is dan ook erg belangrijk hoe overheidsdiensten met de schuldproblematiek van inwoners omgaan.

 

Hoeveel afbetalingsplannen met een termijn van meer dan 12 maanden werden in 2017 goedgekeurd?

 

Zult u erop aandringen om afbetalingsplannen van meer dan 12 maanden toe te laten? Ik ga ervan uit dat dat ondertussen in de nieuwe richtlijn is opgenomen.

 

15.03 Minister Johan Van Overtveldt: Er werden in 2017 10 268 afbetalingsplannen met een termijn van meer dan 12 maanden goedgekeurd. Mijn administratie heeft voor de betaalmoeilijkheden van de schuldenaars inderdaad concrete richt­lijnen uitgewerkt, ook specifiek voor de afbetalingsplannen. Een afbetalingsplan op korte termijn met de laatste betaling uit te voeren binnen vier maanden na de vervaldag of op middellange termijn met de laatste betaling uit te voeren binnen 12 maanden na de vervaldag, kan steeds worden aangevraagd via myminfin.be, per e-mail of via een van de infocenters van de administratie. De praktijk wijst uit dat de meerderheid van de afbetalingsplannen, 97 procent, wordt aange­vraagd en toegekend voor een termijn van maximaal 12 maanden.

 

Wanneer de schuld niet kan worden betaald binnen 12 maanden, zijn de betaalmoeilijkheden meestal niet tijdelijk maar structureel van aard. In dergelijke gevallen kan, na een onderzoek van het dossier door de bevoegde gewestelijk directeur, een langer lopend afbetalingsplan worden toegekend. Dat kan eventueel in combinatie met een vrijstelling van nalatig­heidsinteresten of zelfs van een gedeelte van de hoofdsom worden toegekend, indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld. Op die manier streeft de administratie ernaar om een betaling binnen een redelijke termijn te verkrijgen.

 

De richtlijnen bieden in essentie een goed evenwicht tussen de eis tot een gelijke behandeling, de bekommernis voor de burgers met structurele betaalmoeilijkheden en de kernopdracht van de FOD Financiën, namelijk het correct innen en invorderen van belastingen. De modaliteiten op basis waarvan de afbetalings­plannen werden toegekend door de administratie werden aan de hand van een analyse van de toepassing van de bestaande richtlijnen reeds aan een evaluatie onderworpen, die zal resulteren in een bijsturing van de vermelde richtlijnen met het oog op een correcte balans tussen efficiëntie, enerzijds, en billijkheid, anderzijds.

 

Wanneer de schuldenaar enkel schulden heeft bij de FOD Financiën, zoekt die steeds een oplossing binnen de reeds opgesomde administratieve maatregelen. Wanneer de schuldenaar ook schulden heeft bij andere schuldeisers dan de FOD Financiën, verkiest mijn administratie de verwijzing naar een collectieve procedure inzake collectieve schuldenregeling. Een ondersteuning bij de indiening van die procedure kan men verkrijgen bij een erkende instelling voor schuldbemiddeling. Een dergelijke procedure heeft als voordeel dat zij een globale oplossing biedt voor de financiële moeilijkheden van de schuldenaar en dat zij de publieke en private schuldeisers gelijk behandelt.

 

15.04  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik wil daar nog een kleine commentaar bij geven.

 

Mijnheer de minister, u wou ook af van het genaderecht. Men kan daar allerlei argumenten voor opsommen. Maar soms gaat het om schrijnende gevallen, omdat wijzigende wetgeving, bijvoorbeeld inzake grensarbeid, bijzonder nadelig is voor een kleine categorie van personen, ook al hebben betrokkenen zich maximaal geconfor­meerd, denk maar aan werknemers die voor een openbaar bestuur of een openbaar ziekenhuis in Frankrijk werken. Voor hen betekende dat een groot menselijk drama. Welnu, voor die werknemers moet een regeling kunnen worden gevonden.

 

Het is goed dat er nog een instantie is die soepelheid aan de dag legt en langere afbetalingsplannen toestaat, of zelfs een kwijtschelding onder de noemer billijkheid. Dat aspect past volgens mij in de discussie. Er moet inderdaad een ultieme instantie bestaan, die iets kan doen vooraleer er grote menselijke drama's ontstaan. Het is goed dat een regeling soepeler wordt toegepast, voor een beperkt percentage zegt u. Alle partijen zijn volgens mij gebaat bij kortere termijnen, als dat mogelijk is. Als dat echter onmogelijk is, lijkt het mij goed dat men kiest voor de minst belastende weg, in de brede zin van het woord, en de weg van de haalbaarheid, de billijkheid en de correctheid.

 

15.05  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik heb genoteerd dat 97 % van de aanvragen betrekking heeft op een termijn van minder dan 12 maanden. U hebt gezegd dat er in 2017 iets meer dan tienduizend dossiers waren, waarbij men meer dan 12 maanden heeft toegekend. Als ik die cijfers naast mekaar leg, kom ik uit op zowat 350 000 belastingplichtigen met problemen. Dit is toch best wel veel. Ik sta er zelfs wat van te kijken.

 

Ik heb nog gevraagd om de interne richtlijn te mogen inkijken. Ik neem aan dat dat geen probleem is en dat die aan de commissie kan worden bezorgd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Raf Terwingen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de mogelijke discriminatie van werknemers in de publieke sector bij fietsleasing" (nr. 24927)

16 Question de M. Raf Terwingen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la discrimination éventuelle envers les travailleurs du secteur public dans le cadre du leasing de vélos" (n° 24927)

 

16.01  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, geachte collega's, met de nodige schroom heb ik een vraag voor u. Die werd mij gesuggereerd, anders zou ik hier nooit terechtkomen. De stad Peer was bezig met een systeem van fietsleasing en wilde dat toepassen voor de eigen ambtenaren. Er is blijkbaar onduidelijkheid geweest over de manier waarop de noodzakelijke afhouding voor het financieren van de leasing moest gebeuren, namelijk op het brutoloon of nettoloon. In de privésector zou dit geen probleem zijn, daar zou het gebeuren op het brutoloon. In de publieke sector zou dit gebeuren op het nettoloon, waardoor het fiscaal financieel voordeel teniet wordt gedaan.

 

Ik ben benieuwd naar uw antwoord.

 

16.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Terwingen, het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfsfiets, inclusief toebehoren, onderhouds- en stallings­kosten, die daadwerkelijk wordt gebruikt voor woon-werkverkeer, is op fiscaal vlak hoe dan ook altijd volledig vrijgesteld.

 

Aangezien er in een dergelijk geval fiscaal geen voordeel wordt belast, is er ook geen fiscale reden om een eigen bijdrage in dat voordeel te vorderen van de werknemer. Wanneer de werkgever toch beslist om de werknemer te laten bijdragen in de kosten van zijn bedrijfsfiets, dan past dat volledig in de door de werkgever gevoerde loonpolitiek. De werkgever beslist dan zelf hoe hij dat doet. De fiscale regels leggen niet op dat een afhouding voor werknemers in de privésector anders moet gebeuren dan voor werknemers in de publieke sector. Er kan dus op dat gebied absoluut geen sprake zijn van fiscale discriminatie.

 

16.03  Raf Terwingen (CD&V): Mijnheer de minister, dank u, het antwoord is duidelijk.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la possible disparition de l'argent liquide" (n° 24965)

17 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de mogelijke verdwijning van contant geld uit het betaalverkeer" (nr. 24965)

 

17.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, la disparition de l’argent liquide constitue une éventualité qui semble devenir réalité. Les déclarations en ce sens se font de plus en plus nombreuses.

 

À titre d’exemple, la situation en Suède est particulièrement préoccupante. Utilisant les nouvelles technologies de paiement en ligne ou directement via leurs smartphones, les Suédois n’utilisent pratiquement plus d’argent liquide dans leurs transactions, au point qu’il semble que leur société accepte un saut vers le "tout virtuel".

 

Les raisons invoquées pour convaincre les populations de l’abandon du cash sont multiples. Cela permettrait des économies, car il n’y aurait plus de frais de fabrication des monnaies et des billets. On pourrait aussi lutter plus efficacement contre la fraude fiscale. Enfin, certains justifient cette disparition en affirmant que c’est tout simplement dans l’air du temps.

 

A contrario, d’autres experts déclarent que suivre la trajectoire empruntée par les Suédois constituerait une grave erreur. La raison est simple: si cela permettait effectivement de réduire les frais de fabrication et de lutter contre la fraude, cela se ferait au prix d’une réduction considérable de la liberté. Toutes les transactions seraient enregistrées, la surveillance serait totale et le pouvoir des banques, absolu. Ce scénario est plus qu’inquiétant et devrait attirer l’attention de tous les libéraux, pour lesquels la liberté individuelle représente une valeur indispensable dans une société démocratique.

 

Face à ces éléments, monsieur le ministre, pouvez-vous me fournir votre analyse de ce phénomène? Partagez-vous les craintes de certains experts et citoyens, que je vous ai relayées?

 

Ensuite, comment évolue cette tendance? Constatez-vous un engouement pour une disparition programmée de l’argent liquide dans le chef d’autres responsables politiques et/ou financiers européens?

 

17.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Flahaux, la place de l'argent liquide dans nos sociétés fait effectivement l'objet de débats dans l'actualité. Comme vous venez de l'indiquer, la Suède est le pays où le virage le plus radical en la matière a été pris.

 

D'un point de vue général, les défis posés par une évolution radicale vers moins d'espèces ne sont pas à sous-estimer. En effet, parmi les éléments à prendre en compte, je citerai premièrement l'attachement de la population à l'argent liquide pour ses transactions courantes dans la zone euro mais aussi certainement en Belgique. C'est ce que révèle une étude récente de la Banque centrale européenne sur la base d'observations de 2016. Ainsi, l'argent liquide reste-t-il le principal moyen de paiement des consommateurs dans les points de vente de la zone euro, représentant 79 % du nombre des paiements et 54 % de leur valeur. La Belgique occupe une position intermédiaire avec respectivement 63 % et 32 %.

 

Deuxièmement, au-delà des habitudes ou d'un éventuel manque de confiance dans les nouvelles technologies, cet attachement reflète aussi des problèmes d'inclusion sociale. Troisièmement, en cas de crise du système financier ou de rupture de charge dans les systèmes électroniques de paiement, le cash peut contribuer à assurer une certaine continuité des transactions.

 

Au-delà de ces questions, il faut être conscient qu'un tel débat ne pourrait pas être mené en Belgique sans coordination internationale. En effet, sur le plan juridique, dans la zone euro, le statut des espèces est en grande partie réglé au niveau européen, de sorte que la marge de manœuvre des États membres est limitée.

 

En ce qui concerne la Banque centrale européenne et les banques centrales nationales de la zone euro, y compris évidemment la Banque nationale de Belgique, on peut relever qu'elles ont une position neutre concernant l'utilisation de l'argent liquide plutôt que d'autres moyens de paiement pour régler les transactions, ne cherchant ainsi ni à stimuler ni à décourager l'utilisation du liquide.

 

Dans ce contexte, l'évolution de l'utilisation du cash est simplement considérée comme un processus répondant à une demande dans la société.

 

En ce qui concerne la diminution du budget de l'État, la diminution des revenus de seigneuriage pour le Trésor reste une dimension à ne pas négliger dans la réflexion sur la place à réserver à l'argent liquide dans nos systèmes de paiement. D'autres considération entrent néanmoins en jeu, comme la lutte contre la fraude fiscale, le blanchiment ou le financement du terrorisme, d'où la tendance très nette vers une diminution du nombre et des montants autorisés pour les transactions en espèces, en faveur des transactions électroniques.

 

Enfin, à l'aube d'une révolution technologique des moyens de paiement, comme l'utilisation de plateformes de paiement instantané, de la technologie de la blockchain, de l'entrée de nouveaux acteurs comme le géant du commerce en ligne Amazon, qui a lancé son propre système de paiement sans introduction de coordonnées bancaires, on ne saura faire l'économie d'une profonde réflexion sur la place que devra encore occuper le cash dans nos sociétés, comme moyen de paiement, dans les prochaines années.

 

17.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse fouillée et intéressante. C'est un sujet qui deviendra de plus en plus prégnant et important dans nos sociétés. Il est vrai que, si l'aspect de lutte contre le terrorisme, ainsi que contre les vols et mauvaises actions, est un élément important, les falsifications par l'argent virtuel peuvent, en revanche, également avoir lieu. D'autre part, une des grandes remarques toujours formulées est que les citoyens risquent d'être encore davantage fichés. Récemment, on a pu constater, avec la problématique de Facebook, à quel point tous nos goûts peuvent être connus de la place publique. Par le biais des achats, forcément, on connaît le goût des gens. Il y a aussi un risque de ce côté-là.

 

En tout cas, par les chiffres que vous avez donnés, notamment à propos de la Belgique, on peut voir que notre pays, sans être au stade de la Suède, est plus en avance que la moyenne des pays européens. C'est une problématique intéressante à la fois sur les plans économique et philosophique.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

18 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des personnes physiques et la répartition du produit des accroissements d'impôt entre l'État et les Régions" (n° 24982)

18 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de personenbelasting en de verdeling van de opbrengst van de belastingverhogingen over de federale Staat en de Gewesten" (nr. 24982)

 

18.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, avant la sixième réforme de l’État, les Régions finançaient leurs politiques fiscales régionales au moyen de dotations fédérales. Depuis 2015, l’impôt régional en matière d’IPP est déterminé par un prélèvement de centimes additionnels sur l’impôt d'État qui est réduit. Le solde de l’impôt des personnes physiques régional est ajouté au solde de l’impôt des personnes physiques fédéral afin de déterminer un montant d’impôt total qui ne peut pas être négatif. L’impôt total obtenu sert de base au calcul des centimes additionnels communaux.

 

Pourriez-vous préciser, monsieur le ministre, sur quelle base de l’IPP sont calculés les accroissements d’impôt infligés en application de l’article 444 du Code des impôts sur les revenus?

 

Dans le cas où une des composantes de cette base est un impôt régional, comment s’effectue la répartition du montant des accroissements mentionnés sur l’avertissement-extrait de rôle du contribuable?

 

J'avais joint un petit exemple de calcul, que je ne vais pas lire.

 

18.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, à l'impôt des personnes physiques, l'impôt total est constitué par la somme de l'impôt des personnes physiques fédéral et de l'impôt des personnes physiques régional.

 

Les accroissements d'impôt sont calculés sur l'impôt total dû sur la portion des revenus non déclarés. Ils sont donc calculés aussi bien sur l'impôt des personnes physiques fédéral que sur l'impôt des personnes physiques régional dû sur la portion des revenus non déclarés.

 

Les recettes de la taxe additionnelle régionale sur l'impôt des personnes physiques reviennent aux Régions. Cette recette à la taxe additionnelle régionale sur l'impôt des personnes physiques comprend le produit des centimes additionnels régionaux et des majorations d'impôts régionales diminué du coût des diminutions, réductions d'impôt et crédits d'impôt régionaux.

 

La loi spéciale de financement qui détermine les compétences en matière fiscale des Régions ainsi que leur financement ne prévoit pas de compétence des Régions dans cette matière. Elle ne prévoit pas non plus qu'une partie des accroissements d'impôt est également attribuée aux Régions.

 

Cela est conforme aux accords conclus dans le cadre des négociations concernant la sixième réforme de l'État.

 

Lors de la fixation du facteur d'autonomie, déterminé en fonction des moyens issus de l'impôt des personnes physiques qui devraient être attribués aux Régions, il n'a à aucun moment été tenu compte des effets des accroissements d'impôt, amendes ou intérêts. Les accroissements d'impôt sont un mécanisme de sanction et découlent, en principe, d'opérations de contrôle ou de constatations spécifiques.

 

Seule l'autorité fédérale est compétente pour le service de l'impôt des personnes physiques. Étant donné que l'autorité fédérale supporte toutes les charges liées à ce service de l'impôt, un consensus a été atteint pour que les éventuelles recettes qui en résulteraient soient laissées à l'autorité fédérale. Cette dernière supporte également tous les frais exposés afin de contrôler et de percevoir l'impôt.

 

18.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, c'est clair. Cela signifie que le gouvernement fédéral a intérêt à ce que les régionaux fraudent pour percevoir des recettes supplémentaires. Ceci est évidemment une plaisanterie.

 

La réponse est très technique mais elle a le mérite de clarifier mon questionnement à ce sujet.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des sociétés et le formulaire 275 CBC NOT" (n° 24988)

19 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vennootschapsbelasting en het formulier 275 CBC NOT" (nr. 24988)

 

19.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, de nouveaux formulaires, notamment le 275 CBC, ont été récemment joints à la liste des documents susceptibles de devoir accompagner une déclaration à l'impôt des sociétés.

 

Une entité constitutive belge n'est pas tenue de déposer, auprès de l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus, une déclaration pays par pays relative à une période déclarable si, au plus tard 12 mois après le dernier jour de cette période déclarable, le groupe multinational dont elle est une entité constitutive fournit une déclaration pays par pays relative à cette période déclarable par l'intermédiaire d'une entité mère qui dépose ladite déclaration auprès de l'autorité fiscale de la juridiction dont elle est résidente. Dans la mesure où les obligations complémentaires de déclaration en matière de prix de transfert ont été communiquées par une entité mère, quelles obligations déclaratives pourraient encore être imposées à l'entité constitutive belge en la matière?

 

19.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, en principe, lorsque l'entité mère du groupe multinational dont l'entité constitutive belge fait partie a déposé une déclaration pays par pays auprès de l'autorité fiscale de la juridiction dont elle est résidente, la société belge ne doit pas déposer sa propre déclaration pays par pays.

 

Il pourrait cependant en être autrement dans les cas prévus par l'article 321/2 du CIR, c'est-à-dire si l'entité mère ultime du groupe multinational n'est pas tenue de déposer une déclaration pays par pays dans la juridiction dont elle est résidente fiscale; si, au plus tard douze mois après le dernier jour de la période déclarable, la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale n'a pas d'accord éligible entre autorités compétentes en vigueur auquel la Belgique est partie; si l'administration belge compétente pour l'établissement des impôts sur les revenus a informé l'entité constitutive belge d'une défaillance systématique de la part de la juridiction dont l'entité mère ultime est résidente fiscale.

 

Le dépôt de la déclaration pays par pays n'est pas la seule obligation complémentaire de déclaration en matière de prix de transferts. D'autres obligations s'imposent, même lorsque l'entité belge ne doit pas déposer de déclaration pays par pays. En application de l'article 321/3 du CIR, l'entité constitutive belge d'un groupe multinational tenu de souscrire une déclaration pays par pays devrait faire savoir annuellement à l'administration compétente pour l'établissement des impôts sur le revenu, via un formulaire 275 CBC NOT, si elle relève d'un des trois cas où le dépôt de la déclaration pays par pays lui incombe en tant qu'entité mère ultime, entité mère de substitution ou entité constitutive conformément audit 321.

 

Si ce n'est pas le cas, elle devrait indiquer l'identité de l'entité mère ultime ou, le cas échéant, l'identité de l'entité mère de substitution, ainsi que la juridiction dont cette entité est fiscalement résidente. En application de l'article 321/4 du CIR, l'entité constitutive belge d'un groupe multinational devrait déposer annuellement une déclaration 275 MF lors qu'elle atteint un certain seuil, soit de produit d'exploitation et financier, soit de total bilantaire, soit de personnel employé.

 

En application de l'article 321/5 du CIR, l'entité constitutive belge d'un groupe multinational devrait joindre annuellement à sa déclaration une déclaration 275 LF lorsqu'un des seuils susmentionnés est dépassé. La portée de cette déclaration varie en fonction du montant des transactions transfrontalières passées avec les autres entités.

 

19.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, c'est quasiment un inventaire à la Prévert de tous les documents à joindre, mais c'est précis. C'est une question technique. Votre réponse répond à ma question.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 24997 van de heer Vanvelthoven is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

20 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de kabinetsmedewerkers" (nr. 24998)

20 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les collaborateurs de cabinet" (n° 24998)

 

20.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, over de banden tussen Practicali en uw kabinet is de jongste tijd al heel wat te doen geweest.

 

Het komt erop neer dat best wat kabinetsmedewerkers op een of andere manier hun medewerking verlenen aan privéfirma Practicali, die fiscale opleidingen geeft. De vaststelling, die wij ook al in het verleden hebben gemaakt, is dat die firma vaak over inlichtingen beschikt die noch voor het publiek, noch voor ons, beschikbaar zijn, wel op het kabinet of de administratie, bijvoorbeeld ontwerpteksten.

 

Mijn vragen beogen hierover transparantie te verkrijgen. Kunt u een overzicht geven van de personen die sinds januari 2015 werkzaam zijn of geweest zijn op uw beleidscel en die in de periode dat zij werkzaam waren op het kabinet, door Practicali betaald zijn geweest voor geleverde diensten, bijvoorbeeld als lesgever?

 

Kunt u voor elk van die medewerkers meedelen hoeveel zij in totaal door Practicali betaald kregen?

 

Kunt u een overzicht geven van de personen die sinds januari 2015 werkzaam zijn of zijn geweest op uw beleidscel en die aandeelhouder zijn of zijn geweest van Practicali bvba?

 

20.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, overeenkomstig artikel 12, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, mag de rijksambtenaar geen, op welke wijze ook bezoldigde activiteit uitoefenen buiten zijn ambt, dan nadat hij een machtiging tot cumulatie heeft verkregen.

 

Dat geldt nog altijd voor alle kabinetten. Kabinetsmedewerkers-rijksambtenaars zijn onder­worpen aan het statuut van het rijkspersoneel en derhalve aan die cumulatieprocedure. Het statuut van het rijkspersoneel is evenwel niet van toepassing op kabinetsmedewerkers die geen rijksambtenaar zijn.

 

Artikel 12 slaat niet op de uitoefening van bezoldigde activiteiten inherent aan het ambt, activiteiten die ten gevolge van een wettelijke of reglementaire bepaling gekoppeld zijn aan het ambt, mits evenwel het voorafgaand schriftelijk akkoord van de hiërarchische meerdere, alsook de uitoefening van een activiteit die voortvloeit uit een aanwijzing door de bevoegde overheid, mits evenwel het informeren van de hiërarchische meerdere.

 

De naam, de toenaam, de precieze betalingen per persoon en de gegevens over het aandeel­houderschap zijn persoonsgegevens. De verwerking valt dus onder de regelingen van de wet van 8 december 1992 en de verordening van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

 

Alle verplichtingen werden nagekomen. Er is geen bevoordeling van Practicali ten opzichte van andere gelijkaardige bedrijfsorganisaties.

 

Dat gezegd zijnde wil ik het volgende specifiek meedelen.

 

Ten eerste, vier personen die sinds 2015 werkzaam zijn geweest op mijn beleidscel, hebben vergoedingen ontvangen van Practicali voor geleverde diensten in de periode dat zij werkzaam waren op het kabinet.

 

Ten tweede, het totale bedrag dat door Practicali werd betaald aan die medewerkers, bedraagt 16 050 euro.

 

Ten derde, er zijn geen personen die sinds 2015 werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest in mijn beleidscel, die aandeelhouder van Practicali zijn of zijn geweest.

 

20.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, de vraag rijst of u dat goed vindt of niet. In ieder geval bestaat de indruk dat er bij uw beleidscel geld wordt verdiend met informatie die men uit de eerste hand heeft.

 

Het zou goed zijn, mocht u, nu u daarover hebt nagedacht, onderstrepen dat het beter niet gebeurt dat medewerkers van uw beleidscel, die worden betaald, cursussen geven op basis van de informatie die ze in uw beleidscel krijgen.

 

Er is een reden waarom zo’n verbod voor rijksambtenaren is ingevoerd. De onderliggende reden is dezelfde voor kabinetsmedewerkers die geen rijksambtenaren zijn. Ik dring erop aan dat u aan dergelijke praktijken paal en perk stelt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 24999 van de heer Vanvelthoven wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

21 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het voordeel van alle aard" (nr. 25001)

21 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'avantage de toute nature" (n° 25001)

 

21.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ook hierover is er al heel wat te doen geweest. Vorige week heb ik toevallig het debat daarover in het Vlaams Parlement gevolgd.

 

Deze vraag gaat vooral over de fiscale gevolgen. Ik heb begrepen dat de zakenclub De Warande van de Vlaamse regering een renteloze lening krijgt van 800 000 euro. Volgens De Warande is dit een voorafbetaling voor het lidmaatschap dat hoge Vlaamse ambtenaren, kabinetschefs en ministers wordt toegekend. Het lidmaatschap voor een jaar zou 1 000 euro bedragen.

 

Mijnheer de minister, is dit gratis lidmaatschap een belastbaar voordeel van alle aard dat zou moeten worden aangegeven in de personen­belasting?

 

21.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, uit het geheel van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval afzonderlijk zal moeten blijken of het gratis lidmaatschap van de zakenclub De Warande voor hoge Vlaamse ambtenaren, kabinetschefs en ministers al dan niet een belastbaar voordeel van alle aard uitmaakt. Ik kan dus echt geen algemeen eensluidend antwoord op die vraag geven. Het zal van het geval afhangen.

 

De voorzitter: Bent u ooit lid geweest, mijnheer Vanvelthoven?

 

21.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Neen.

 

De voorzitter: Ik wel. Ik ben ooit als minister een jaar lid geweest.

 

21.04  Peter Vanvelthoven (sp.a): En u hebt er nooit aan gedacht om dat voordeel van alle aard aan te geven?

 

Mijnheer de minister, het is een beetje verbazend. Ik voel dat het niet gemakkelijk is om daarop een antwoord te geven. Als we echter over businessseats bij voetbalclubs spreken, dan is het duidelijk dat daar een fiscaal regime tegenover staat. Ook dit hier is redelijk duidelijk: men krijgt een gratis lidmaatschap. Of het dan over een minister gaat of over een hoge ambtenaar, een kabinetsmedewerker of wie dan ook: wie dat voordeel krijgt, wil ongetwijfeld graag weten wat hij daar fiscaal mee moet doen. Als u vandaag zegt dat dit van geval tot geval moet worden bekeken, dan meen ik dat alle gevallen die daaruit voordeel halen dezelfde zijn. Als dit voor de ene wel geldt en voor de andere niet, dan komt dat toch wat raar over.

 

Misschien moet u er bij uw administratie eens op aandringen om daarover duidelijkheid te geven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

22 Questions jointes de

- Mme Kattrin Jadin au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxation des résidences secondaires à l'étranger" (n° 25032)

- M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxation des revenus locatifs étrangers" (n° 25055)

22 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kattrin Jadin aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het belasten van tweede verblijven in het buitenland" (nr. 25032)

- de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belasting op buitenlandse huurinkomsten" (nr. 25055)

 

De voorzitter: Mevrouw Jadin is niet aanwezig.

 

22.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in de Belgische belastingaangifte worden inkomsten uit onroerend goed anders geraamd naargelang de ligging ervan. Voor onroerend goed in België wordt de belastbare grondslag op basis van het kadastraal inkomen berekend. Voor een onroerend goed dat in andere Europese landen is gelegen, wordt echter de reële huurwaarde als basis genomen.

 

Volgens de Europese Commissie zou de regeling in strijd zijn met het Europees recht, wat ook blijkt uit een eerdere uitspraak van het Europees Hof.

 

Mijn vraag is de volgende.

 

Wij kampen met dat issue. Zal u maatregelen treffen? Welke maatregelen zal u treffen om de Belgische wetgeving in lijn te brengen met het Europees recht?

 

22.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanvelthoven, het klopt dat het Europees Hof van Justitie niet langer of geen genoegen neemt met de verantwoording die door België inzake het onderscheid in belastbare grondslag tussen onroerende inkomsten van Belgische oorsprong en onroerende inkomsten van buitenlandse oorsprong werd gegeven.

 

Het klopt evenwel niet dat de Europese Commissie ter zake specifieke aanbevelingen geeft over hoe, wat of waar.

 

Wij zullen uiteraard op de uitspraak reageren. De procedure is volop in gang gezet om het nodige te doen en een en ander te remediëren.

 

Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat als gevolg van de correctie die door het Europees Hof van Justitie wordt opgelegd, er geen stijging van de globale belastingdruk mag komen, indien u begrijpt wat ik bedoel.

 

22.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik begrijp wat u bedoelt. Ook dat dossier kadert in een of andere vorm van taxshift, indien u het wil remediëren.

 

Staat er enige termijn op de reactie die in voorbereiding is? Hebt u een termijn in uw hoofd? Wanneer wil u met het dossier rond zijn?

 

22.04 Minister Johan Van Overtveldt: (…)

 

22.05  Peter Vanvelthoven (sp.a): Het is voor mij gemakkelijk als ik weet tegen wanneer ik mijn nieuwe vraag kan indienen.

 

22.06 Minister Johan Van Overtveldt: (…)

 

22.07  Peter Vanvelthoven (sp.a): Wij zullen het dossier opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25038 van mevrouw Jadin is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

23 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de omzetting van de ATAD" (nr. 25054)

23 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la transposition de l'ATAD" (n° 25054)

 

23.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de Europese anti-ontwijkingsrichtlijn, ATAD, legt de EU-lidstaten de verplichting op een beperking in te voeren inzake de aftrekbaarheid van rente. Ik heb u hierover reeds ondervraagd in deze commissie en tijdens de bespreking van het ontwerp inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting.

 

In die hervorming heeft de regering ervoor geopteerd om de beperking van de intrestaftrek later te laten ingaan dan wat door de richtlijn wordt opgelegd. Daartoe hebt u aan de Europese Commissie het standpunt overgemaakt dat de betrokken maatregel uit de ATAD niet effectiever is dan de interne regels waarover ons land vandaag reeds beschikt. Ik citeer u uit het verslag van de commissie voor de Financiën van 26 september 2017: "België heeft op 28 juni 2016 een verzoek tot verlenging ingediend bij de Europese Commissie met de motivering dat de bestaande nationale regels ter voorkoming van risico's op BEPS even doeltreffend zijn als de renteaftrekbeperking in de richtlijn."

 

Mijnheer de minister, mijn voor de hand liggende vraag is de volgende. Hebt u reeds een reactie ontvangen van de Europese Commissie? Is de Europese Commissie het eens met uw redenering dat ons land reeds over interne regels beschikt die even effectief zijn als de beperking van de intrestaftrek uit ATAD? Zo ja, dan is er geen probleem. Zo neen, zult u de beperking van de intrestaftrek alsnog vervroegd laten ingaan?

 

23.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanvelthoven, eind juni 2017 heeft België inderdaad de Commissie op de hoogte gebracht van het feit dat België gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 11, lid 6 van de ATAD-richtlijn de intrestaftrekbeperking in artikel 5 van de richtlijn niet op 1 januari 2019 te laten ingaan. België heeft daarbij geargumenteerd dat het over een combinatie van specifieke maatregelen ter voorkoming van risico's op BEPS beschikt die even doeltreffend zijn als de in artikel 4 vervatte regel inzake renteaftrekbeperking.

 

België heeft ondertussen een significante hervorming van de vennootschapsbelasting gerealiseerd waarbij ook de omzetting van de maatregel van de ATAD-richtlijn werd geïnte­greerd.

 

De bedoelde renteaftrekbeperking zal in België op 1 januari 2020 in werking treden. Er is een verzoek tot één jaar uitstel ingediend.

 

De Commissie heeft een eerste keer gereageerd op dat verzoek op 6 februari 2018. Daarbij vraagt de Commissie bijkomende empirische bewijzen omtrent de doeltreffendheid van de Belgische regels. Daarbij merk ik op dat andere lidstaten die eveneens een verzoek indienden op basis van het genoemde artikel 11, lid 6, vanwege de Europese Commissie dezelfde vraag gekregen hebben. De procedure loopt dus nog.

 

23.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Wij zullen die zaak blijven opvolgen. Wanneer u aan de Europese Commissie een antwoord stuurt, is het misschien goed om ook de voorzitter van onze commissie voor de Financiën te informeren over het standpunt dat u met de regering inneemt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25055 van de heer Vanvelthoven onder agendapunt 41 is al behandeld onder agendapunt 37.

 

24 Questions jointes de

- M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le non-respect de l'embargo international relatif à l'importation de produits chimiques en Syrie" (n° 25049)

- M. Georges Dallemagne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les exportations par des entreprises anversoises de produits chimiques interdits vers la Syrie" (n° 25142)

24 Samengevoegde vragen van

- de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de niet-naleving van het internationale embargo op de invoer van chemische wapens in Syrië" (nr. 25049)

- de heer Georges Dallemagne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de uitvoer van verboden chemische producten naar Syrië door Antwerpse bedrijven" (nr. 25142)

 

24.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, une enquête journalistique nous a appris que trois entreprises belges ont exporté des produits chimiques, dont de l'isopropanol, potentiel composant du gaz sarin, vers la Syrie, alors qu'un embargo international l'interdisait.

 

En effet, en 2013, l'Organisation internationale pour l'interdiction des armes chimiques des Nations Unies (OIAC) avait interdit les exportations de produits chimiques vers la Syrie. Pourtant, l'enquête qui a été faite nous montre qu'entre mai 2014 et décembre 2016, 24 livraisons ont été effectuées.

 

Monsieur le ministre je ne vous cache pas que la situation m'inquiète: l'isopropanol peut être l'un des composants du gaz sarin. Or, on sait qu'en avril 2017, une attaque chimique a été perpétrée à l'aide d'une telle substance. C'est une des conclusions de l'OIAC, qui ne peut malheu­reusement pas déterminer la provenance de cette substance.

 

Ces exportations auraient été faites avec l'aval de la douane, qui n'aurait pas tenu compte de l'embargo international.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous cela? Pourriez-vous nous expliquer les procédures à respecter en cas d'embargo décidé par les Nations Unies? Comment les autorités s'assurent-elles que l'embargo est respecté? Qui délivre les autorisations d'exportation dans ce cas précis? Des mesures particulières de contrôle sont-elles mises en place au sein de la douane?

 

Comment ces entreprises peuvent-elles croire qu'elles envoient ces produits vers la Syrie pour un usage civil? Comment peuvent-elles ignorer l'embargo? Comment peuvent-elles ignorer que ce sont des biens à double usage destinés au pire? Comment a-t-on laissé passer ces exportations? Est-ce qu'aujourd'hui, vous pouvez nous garantir qu'aucune autre exportation ne se fera via le port d'Anvers? Je vous remercie.

 

24.02  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, monsieur le ministre, on le sait, trois sociétés anversoises sont poursuivies en correctionnelle pour avoir exporté illégalement plus de 500 tonnes de produits chimiques interdits vers la Syrie.

 

Pourtant, depuis juillet 2013, ces exportations sont interdites par l'Union européenne et par l'Organisation internationale pour l'interdiction des armes chimiques des Nations Unies (OIAC). En effet, certains de ces produits servent à la fabrication d'armes chimiques, comme l'isopropanol qui est un précurseur du gaz sarin, utilisé à plusieurs reprises par le régime de Bachar el-Assad contre sa propre population. En trois ans, la Belgique a pourtant livré 114 tonnes de ce seul produit à la Syrie, ce qui correspond à peu près à la quantité de ce produit détruite en 2014 en Syrie par l'OIAC, puisqu'en cette année-là, cette dernière avait détruit 120 tonnes dudit produit. Bref, la Belgique a permis à la Syrie de reconstituer ses stocks détruits de produits destinés à fabriquer des armes chimiques.

 

La douane belge n'a apparemment pas tenu compte de l'interdiction de l'OIAC. Ces interdictions n'ont donc pas été respectées par ces entreprises, ni appliquées et contrôlées correctement par les douanes belges. Pire encore, l'État belge ne peut pas dire qu'il n'était pas au courant, puisque l'organisme UN Comtrade, une base de données statistiques sur le commerce international gérée par l'ONU, a recensé ces exportations d'isopropanol et de propanol d'année en année à partir de la Belgique. Pour y parvenir, UN Comtrade dépend entièrement des données qui lui sont transmises par les pays membres.

 

À l'instar de mon collègue, j'aimerais faire la clarté sur les circonstances qui ont conduit à ces exportations et sur leurs conséquences. Je souhaiterais donc poser toute une série de questions auxquelles je souhaiterais recevoir des réponses précises.

 

Monsieur le ministre, comment la décision de l'Union européenne d'interdiction de produits chimiques a-t-elle été notifiée à la Belgique? De quand date-t-elle précisément? Par qui et à quel membre du gouvernement et/ou à quelle administration a-t-elle été notifiée? À quelle date? Comment, par qui et à quel moment cette décision a-t-elle été notifiée aux entreprises concernées? Les entreprises qui ont exporté ont-elles notifié leurs exportations aux douanes? De quelle manière? À chaque exportation ou annuellement? Avaient-elles été informées que l'exportation de ces produits était illégale? Comment UN Comtrade reçoit-elle ses informations des États membres des Nations Unies? Quelle est l'administration ou quel est le gouvernement (fédéral ou régional) qui a notifié pour la Belgique ces exportations de 2014, 2015 et de 2016 et à quelle date? Quand la Belgique a-t-elle réagi face à ces exportations? Pour quelle raison a-t-elle enfin réagi? A-t-elle reçu une notification de UN Comtrade, de l'OACI ou s'est-elle spontanément rendu compte que des exportations illégales avaient lieu à partir de son territoire de la part d'entreprises belges?

 

Pourquoi n'a-t-elle pas réagi plus tôt? Il est certain qu'elle a laissé faire jusque fin 2016. Que sait-on sur l'utilisation finale de ces produits en Syrie? À quelles entreprises ces produits ont-ils été livrés? Pour quoi faire? Peut-on vraiment exclure que ces produits aient été utilisés pour la fabrication de gaz de combat? L'entreprise qui a fabriqué ces produits pouvait-elle ignorer qu'ils puissent servir à la fabrication de gaz de combat? Quelles dispositions avez-vous prises pour que la Belgique n'exporte plus aucun produit ou service interdit vers la Syrie? Depuis quand ces dispositions ont-elles été prises? Des sanctions sont-elles prévues vis-à-vis des responsables qui ont permis, autorisé et laissé faire ces exportations? Si oui lesquelles? Doit-on craindre que d'autres entreprises aient pu, elles aussi, exporter des produits interdits en violation des embargos internationaux que vous êtes chargé de faire respecter au niveau belge? Disposez-vous d'informations plus globales à ce sujet, au-delà des trois entreprises actuellement citées?

 

24.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, monsieur Dallemagne, il n'y a pas eu de sanctions internationales instaurées à l'encontre de la Syrie, étant donné qu'aucune résolution des Nations Unies n'a été adoptée. Dans le cas présent, il n'est nullement question d'embargo. L'isopropanol ne figure pas sur les listes du Chemical Weapons Convention (la Convention sur l'interdiction des armes chimiques) qui sont sous le contrôle de l'Organisation pour l'interdiction des armes chimiques.

 

L'Union européenne a établi un cadre autonome avec des mesures de restriction à l'encontre de la Syrie depuis janvier 2012. Ces mesures de restriction concernent entre autres la mise en place d'une obligation de licence pour certains produits chimiques lorsque ceux-ci dépassent une certaine concentration en matière de degré de pureté.

 

En ce qui concerne spécifiquement l'isopropanol, une obligation de licence a été instaurée à partir du 24 juillet 2013 pour une concentration de 95 % ou plus. Cette obligation a été rendue publique par le Journal officiel de l'Union européenne du 23 juillet 2013.

 

Étant donné la nature des marchandises, la compétence est du ressort des Régions pour la gestion et l'application de ces mesures de restriction et de prohibition spécifiques. Les Régions évaluent tant la nature des marchandises que la destination ou les destinataires, avant de délivrer ou de refuser une licence. Aucune autre mesure de contrôle, restriction ou prohibition à l'exportation ne repose sur le produit et celui-ci est donc librement négociable étant donné les nombreuses applications industrielles dans le domaine de la désinfection et de nettoyage ainsi que de nombreuses applications médicales. La douane ne dispose à ce jour d'aucune indication d'un autre usage que celui dans l'industrie de la peinture.

 

L'exportation s'est déroulée sur une décennie vers une même clientèle fixe. Lorsqu'un opérateur veut effectuer une exportation vers un pays tiers hors de l'Union européenne, il doit introduire à cette fin une déclaration douanière électronique conformément au modèle européen, le document unique. La déclaration peut contenir divers articles marchandises qui relèvent d'un autre code marchandise. L'encodage des marchandises sous des codes marchandises est déterminé via le système harmonisé sur la base des volumes commercialisés et de la valeur des marchandises.

 

Les marchandises sont encodées suivant le tarif sous le code marchandise 29051200 qui inclut tant le propanol que l'isopropanol, indépen­damment de leur concentration. Les données de ces déclarations douanières, comme entre autres le code marchandise, sont transmises à la Banque nationale pour traitement ultérieur vers les données Eurostat, ce qui est obligatoire pour tous les États membres. Les statistiques des Nations Unies, Comtrade, sont basées sur les données Eurostat. Les statistiques pour les codes marchandises dont je viens de mentionner le numéro, 29051200, comprennent tant le propanol que l'isopropanol.

 

En ce qui concerne les contrôles douaniers, le règlement douanier européen prescrit un cadre commun pour la gestion des risques afin d'arriver à une application harmonisée des contrôles douaniers par les États membres et ainsi éviter une distorsion de concurrence. 

 

Cela vaut également pour des marchandises soumises à des mesures de contrôle ou de restriction et pouvant être commercialisées sous un système de licence.

 

La gestion des risques est déterminée par les inputs des autres instances compétentes telles que les services délivrant les licences. À l'aide de ces inputs, une évaluation est effectuée afin d'aboutir à une sélection. Les sélections et les contrôles qui y sont associés se font tant au niveau du code marchandise que sur la base des informations reçues par les instances compétentes. Une telle gestion des risques est un processus soumis à un monitoring continu. La douane, comme dans les autres pays membres, met tout en œuvre pour maintenir et améliorer le niveau de performance de son analyse de risque et les contrôles qui en découlent.

 

Nous attendons les résultats de l'enquête et la décision judiciaire. La procédure devant le tribunal débute déjà le 15 mai prochain. Une analyse des faits est également opérée au sein des douanes.

 

24.04  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, merci. Merci, monsieur le ministre, pour ces réponses qui me perturbent quand même grandement. Vous dites qu'il n'y a pas d'embargo mais, simplement, une obligation de licence qui a été imposée par l'Union européenne à partir de juillet 2013. Mais, sans entrer dans le détail de la procédure, pourquoi la douane attaque-t-elle alors ces sociétés en justice?

 

24.05  Johan Van Overtveldt, ministre: Les exportations ont été faites sans licences.

 

24.06  Stéphane Crusnière (PS): Il est important de le re-préciser. Merci.

 

J'entends donc ce que le ministre Jambon avait déjà dit la semaine dernière en séance plénière, quand il répondait à votre place puisque vous étiez requis au FMI, à savoir que c'est bien la Région qui est compétente pour délivrer la licence pour ce type de produits à double usage. Visiblement, il n'y a pas eu de demande de licence puisque vous confirmez que cette absence de licence justifie le recours en justice. Est-ce qu'il y a eu quand même des licences octroyées ou pas à un moment donné?

 

24.07  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, une enquête judiciaire est en cours, dont les débats démarreront, comme je viens de le dire à la fin de mon exposé, le 15 mai. Je vais attendre le résultat de cette enquête judiciaire avant de me prononcer sur des éléments très spécifiques.

 

24.08  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, j'entends bien, mais moi j'estime alors que deux fautes ont peut-être été commises par la Région sauf si l'enquête détermine qu'aucune licence n'a été demandée.

 

Mais si une licence avait été demandée et accordée à un moment donné, c'est assez perturbant qu'une Région puisse attribuer pour des produits à double usage de ce type là une licence et surtout qu'elle n'ait pas donné les inputs nécessaires. Comme vous l'avez dit, l'analyse des risques de la douane se fait sur la base des inputs donnés par différents partenaires et entre autres par celui qui délivre la licence, à savoir dans le cas qui nous occupe la Région flamande. C'est extrêmement perturbant.

 

Vous n'avez pas répondu à ma dernière question. Depuis cette découverte, des mesures supplémentaires ont-elles été mises en place pour essayer d'éviter et de mettre fin à ce genre d'exportation?

 

Dans le contexte international et plus spécifiquement celui en Syrie, il faut mettre tout en œuvre pour stopper ces exportations et donner les moyens à la douane de pouvoir exercer correctement son contrôle en la matière.

 

24.09  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le ministre, vous dites que ce sont les Régions qui sont compétentes pour l'interdiction. Mais c'est la douane qui est compétente pour le contrôle. J'entends aussi qu'il s'agit de produits interdits par l'Union européenne. À ma connaissance, ils ne sont pas soumis à licence, ils sont interdits. J'ai vu une liste de produits que je peux vous produire. Au-delà d'une concentration de 95 %, ces produits sont interdits à l'exportation.

 

24.10  Johan Van Overtveldt, ministre: (…)

 

24.11  Georges Dallemagne (cdH): J'irai vérifier mais c'est ce que j'ai vu. De toute façon, ces exportations sont illégales. D'après votre raisonnement, elles sont soumises à licence. Il est certain que ce produit, l'isopropanol, est détruit par l'OIAC parce que c'est un précurseur du gaz sarin.

 

Il est certain aussi que nous sommes le seul pays européen à continuer à exporter ces produits vers la Syrie.

 

Vous n'avez pas répondu à toute une série de questions que je vous pose. Quand a-t-on su? Qui a su? Quand a-t-on su que ces exportations avaient lieu en toute illégalité?

 

24.12  Johan Van Overtveldt, ministre: Comme j'ai dit à M. Crusnière, une enquête judiciaire est menée. Je ne veux m'avancer quant à ses résultats. J'en attends les résultats et, alors, nous aurons une clarté soutenue par une action judiciaire sur tous ces points.

 

24.13  Georges Dallemagne (cdH): Ce raisonnement est inadmissible. Il l'est, car il s'agit d'un litige entre les douanes et les entreprises concernées. En l'occurrence, je vous demande à vous, en tant qu'autorité politique, quand votre administration et les douanes ont su. Je n'ai pas besoin de savoir qu'il y a un procès à ce sujet! Je suis parlementaire et je vous interroge, vous en tant que membre du gouvernement, afin de savoir quand vous avez su. Ces exportations étaient notifiées régulièrement par la Banque nationale de Belgique (vous l'avez souligné et je l'ai vérifié). Chaque année, la Banque nationale de Belgique notifie à UN Comtrade nos exportations d'isopropanol vers la Syrie. Elle l'a fait en 2014, 2015, 2016. Pourquoi a-t-on eu ces chiffres, pourquoi ces statistiques étaient-elles répertoriées et pourquoi n'y a-t-il pas eu de déclenchement d'alerte rouge?

 

Je n'ai pas besoin de savoir ce que la justice en dira. Je vous demande, à vous, d'informer le Parlement quant au moment où vous et votre administration en avez été informé. Je crois que vous pouvez me répondre à ce sujet.

 

Le président: Je crois que le ministre a donné sa réponse. Il en est responsable. Il a dit qu'il attendait l'enquête. Vous n'êtes pas d'accord. Je crois que la question a été posée. Il a répondu. Vous avez répliqué. On ne peut commencer un débat maintenant sur cette question.

 

24.14  Georges Dallemagne (cdH): Monsieur le président, je trouve inadmissible – et je pèse mes mots – la manière dont le gouvernement traite cette question. J'y reviendrai, et lourdement. En effet, il s'agit de l'exportation de produits qui n'auraient jamais dû être exportés par la Belgique et qui ont permis à la Syrie de reconstituer des stocks d'isopropanol.

 

Monsieur le ministre, vous ne répondez pas quant à l'utilisation finale de ce produit. Vous indiquez que c'est un client qu'on sert depuis dix ans, mais on ne s'est même pas inquiété de savoir si ce client y recourait encore. De même, vous ne nous dites pas si l'entreprise savait ou non que ce produit pouvait servir comme gaz de combat.

 

Aucune enquête n'a été menée sur les questions que j'ai posées. Je reviendrai donc vous interroger, parce que cette affaire est d'une gravité exceptionnelle.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: De minister vertrekt rond 17 u 30. Ik stel voor dat men de vragen zeer beknopt stelt.

 

25 Vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale behandeling van vrijwillige ambulanciers" (nr. 24877)

25 Question de Mme Nahima Lanjri au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le traitement fiscal des ambulanciers volontaires" (n° 24877)

 

25.01  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, onze brandweerdiensten werken met vrijwilligers en net zoals deze vrijwilligers zetten de ziekenwagendiensten vrijwillige hulpverleners-ambulanciers in die voor hun tijd een beperkte vergoeding ontvangen. Deze personen hebben recht op een kleine vergoeding, zoals is bepaald in de vrijwilligerswet van 2005. Daarvan maken zowel de brandweer als de meeste ziekenwagen­diensten gebruik.

 

De betrokken beroepsgroep beschouwt het als een noodzaak om vrijwillige hulpverleners-ambulanciers gepast te vergoeden, conform de regeling voor de vrijwillige brandweermannen, vastgelegd in artikel 38, § 1, 12° van het WIB 92.

 

Als antwoord op parlementaire vragen hebt u zich positief uitgelaten over het wegwerken van de ongelijke behandeling tussen de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers en de vrijwillige brandweermannen. Tot nu toe werd artikel 38 van het WIB 92 nog steeds niet gewijzigd. Ik heb wel vastgesteld dat de situatie sociaalrechtelijk al werd rechtgezet met het KB van 17 december 2017. Het sociaalrechtelijk aspect is dus al in orde. Nu moet deze situatie ook nog fiscaalrechtelijk worden aangepakt.

 

Mijnheer de minister, kunt u verklaren of u een wettelijke aanpassing voorbereidt van artikel 38 van het WIB 92? Zo ja, welke timing plant u hiervoor? Zo neen, hoe zult u de situatie oplossen, zodat dit fiscaalrechtelijk opgelost geraakt voor die groep?

 

25.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijn administratie bereidt inderdaad een wetsvoorstel voor, waarin wordt voorgesteld om de maatregel uit te breiden tot de vrijwillige ambulanciers voor prestaties van dringende geneeskundige hulp­verlening.

 

Dit is zo goed als rond. Dit zal binnen de regering worden besproken. Hopelijk kan dit op korte termijn, maar ik ga mij niet vastpinnen op een bepaalde week of maand. Het zit in elk geval in de pijplijn.

 

25.03  Nahima Lanjri (CD&V): Mijnheer de minister, dit is al lang aan de gang, van 2015, of zelfs daarvoor. U hebt toen gezegd: we moeten die ongelijke behandeling tussen vrijwillige ambulan­ciers en de brandweermannen wegwerken. Het is goed dat u daarmee bezig bent. Ik hoop dat wij deze wetsaanpassing voor de zomer kunnen goedkeuren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

26 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de peer review van het Globaal Forum" (nr. 25057)

26 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le peer review du Forum mondial" (n° 25057)

 

26.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, goede en transparante gegevensuitwisseling is belangrijk in de strijd tegen fiscale fraude. Wij hebben echter moeten vaststellen dat het Globaal Forum de rating van ons land heeft verlaagd. In 2013 kregen we nog de hoogste rating, maar nu is dat niet meer het geval. Ons land voldeed over de hele lijn aan de internationale standaarden, maar toch scoorden wij minder goed op het vlak van het verstrekken van informatie over eigendommen en identiteitsgegevens, vertrouwelijkheid en toegang tot informatie. Dat is de reden waarom wij gezakt zijn van compliant naar largely compliant.

 

Mijn vraag is dan ook eenvoudig, mijnheer de minister. Welke maatregelen zult u nemen, en met welke timing, om de zwaktes te remediëren die het Globaal Forum heeft blootgelegd? Ik doe vooral ook een oproep om een en ander opnieuw goed te maken.

 

26.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, begin april van dit jaar heeft de OESO inderdaad de resultaten van de peer review inzake transparantie en uitwisseling van inlich­tingen bekendgemaakt. De review betreft concreet de periode van oktober 2013 tot september 2016 en houdt rekening met de stand van zaken inzake wetgeving per eind 2017.

 

België heeft een quotering largely compliant gekregen, tegenover compliant in 2013. Hierbij moeten twee belangrijke nuanceringen worden gemaakt. Ten eerste, sinds 2013 zijn de transparantievereisten van het Globaal Forum aangescherpt. De huidige rating interpreteren als zou België minder transparant zijn geworden, is niet helemaal correct. Ten tweede, ook landen als Australië, Denemarken, Duitsland en Canada krijgen een rating largely compliant. Wij verkeren dan ook in onverdacht gezelschap.

 

In de peer review krijgt België een aantal aanbevelingen. De regering neemt die zeker ter harte. Niet alle aanbevelingen vereisen trouwens een wetgevend optreden.

 

In opvolging van de nieuwe Belgische peer review heeft de regering, naar aanleiding van de recente begrotingscontroles, trouwens een aantal maat­regelen genomen die al tegemoetkomen aan die aanbevelingen.

 

Ik som er drie op. Ten eerste, de omzetting van de DAC5-richtlijn inzake de toegang tot antiwitwas­inlichtingen door de belastingautoriteiten zal worden uitgebreid tot verzoeken om inlichtingen afkomstig van derde landen. Ten tweede, om te voorkomen dat derden de verplichting tot het verstrekken van informatie negeren, worden de sancties in het WIB 92 in geval van niet-medewerking verhoogd. Ten derde, om een correcte identificatie van de uiteindelijke gerechtigde in alle gevallen te garanderen, zal in de vennootschapswetgeving worden ingeschreven dat natuurlijke personen gehouden zijn om de vennootschappen waarin zij aandeelhouder zijn, aan te melden indien zij hierin direct of indirect een participatie bezitten van 25 % of meer, dan wel op een andere wijze hierover de controle uitoefenen.

 

26.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, de maatregelen die u voorlopig al hebt genomen, zijn goed. We zullen zien in welke mate er nog bijkomend wetgevend werk op basis van die aanbevelingen nodig zal zijn. Als de regering in gebreke blijft om op dat vlak de nodige initiatieven te nemen, dan zullen we die uiteraard met plezier vanuit de oppositie aan het Parlement voorleggen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

27 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de voordelen van alle aard bij de terbeschikkingstelling van een woning" (nr. 25058)

27 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les avantages de toute nature pour la mise à disposition d'un logement" (n° 25058)

 

27.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, begin vorige maand schreef een tevreden CEO van een vastgoedbedrijf het volgende in een opiniestuk: "Enkele tienduizenden bedrijfsleiders in ons land kunnen straks opnieuw een stuk voordeliger wonen in een woning van hun vennootschap, met dank aan de minister van Financiën, Johan Van Overtveldt (N-VA)." De titel van het stuk was "Tweede adem voor luxevastgoed".

 

Als minister communiceerde u dat de factor waarmee het KI wordt verhoogd om het voordeel van alle aard wegens gratis bewoning te bepalen zou worden afgeschaft. Nadien bleek daar toch nog onduidelijkheid over te bestaan. Vandaar mijn vragen om meer duidelijkheid te krijgen.

 

Welke beslissing is er nu concreet genomen? Wat is de budgettaire impact van die beslissing? Is daarvoor een bedrag voorzien in de begrotingscontrole? Wanneer zou die nieuwe regeling ingaan?

 

27.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, in deze materie is er het arrest van het hof van beroep in Gent, waarin aangegeven wordt dat gelet op de vastgestelde schending van het gelijkheidsbeginsel er niet kan gesteund worden op de werkwijze huurwaarde voor het bepalen van het voordeel. Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, herhaalt het hof in zijn arrest ook expliciet dat het verschil in waardering van het voordeel bewoning naargelang het gaat om een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon dan wel door een natuurlijk persoon, niet kan worden gehandhaafd.

 

In alle gevallen dient het voordeel bewoning vastgesteld te worden overeenkomstig de forfaitaire waardering die geldt voor een terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon.

 

Als gevolg van de aangehaalde jurisprudentie en in afwachting van een aangepaste regelgeving kan het voordeel van alle aard bij de terbeschikkingstelling van een woning op dit moment in alle gevallen alleen maar worden berekend op basis van 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen.

 

Om evenwel een einde te maken aan de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals dat thans is bepaald in artikel 18 van WIB 92, zal er, zodra de administratie klaar is met het volledig juridisch en budgettair onderzoek, een concreet voorstel tot definitieve oplossing bij de regering worden ingediend.

 

27.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dat u voorbarig gecommuniceerd hebt en dat men die communicatie voorbarig heeft overgenomen in dat opiniestuk. Een en ander moet blijkbaar nog verder geanalyseerd worden. Ik wacht uw verdere initiatieven af.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

28 Vraag van de heer Dirk Van Mechelen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de wetenschappelijke instellingen" (nr. 25066)

28 Question de M. Dirk Van Mechelen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les institutions scientifiques" (n° 25066)

 

28.01  Dirk Van Mechelen (Open Vld): Wetenschappelijke instellingen moeten erkend worden, willen zij de fiscale voordelen voor wetenschappelijk onderzoek kunnen genieten. Daaraan zijn een aantal voorwaarden gekoppeld, zoals het soort onderzoek en wie het uitvoert. Vanzelfsprekend moet dat onderzocht worden door de bevoegde diensten.

 

Vanuit het werkveld wordt mij echter gemeld dat er sinds 2014 geen nieuwe instellingen meer werden erkend. Dat is natuurlijk zorgwekkend. Daarover is ook een parlementaire vraag gesteld aan collega Demir, die daarop heeft geantwoord dat er twee problemen zijn. Enerzijds verliep de voorbije erkenningsronde moeizaam, met heel wat opmerkingen van de Inspectie van Financiën. Anderzijds had de FOD Financiën een afdoende verduidelijking in een omzendbrief gepubliceerd. Vandaar dat de staatssecretaris liet weten dat de maatregel dringend aan herziening toe is en dat ze met u samenwerkt voor een nieuw kader om de finaliteit van de maatregel te waarborgen.

 

Kunt u een overzicht geven van de bezwaren van de Inspectie van Financiën?

 

Klopt het dat er wetgevend werk wordt geleverd?

Wanneer mogen we dat verwachten?

 

28.02 Minister Johan Van Overtveldt: De wetenschappelijke instellingen worden erkend bij een besluit na overleg in Ministerraad. De diensten van mijn collega Demir, bevoegd voor Wetenschapsbeleid, bereiden de besluiten voor. Ik ben dus niet in detail op de hoogte van eventuele bezwaren van de Inspectie van Financiën met betrekking tot het bestaande kader.

 

De wet van 27 september 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting heeft in artikel 275 van het WIB 92 een § 4 ingevoerd, die aan de Koning delegatie verleent om de voorwaarden vast te leggen voor de erkenning van wetenschappelijke instellingen. Mijn beleidscel bereidt momenteel, samen met de beleidscel van collega Demir, een uitvoeringsbesluit dienaangaande voor.

 

Zodra het ontwerpbesluit klaar is, zal ik zo snel mogelijk de nodige adviezen en akkoorden voor het ontwerpbesluit vragen en uiteraard ter ondertekening aan de Koning voorleggen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

29 Vraag van mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de berekeningswijze van de aanplaktaks voor de ballonvaart" (nr. 25068)

29 Question de Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le mode de calcul de la taxe d'affichage pour la navigation aérostatique" (n° 25068)

 

29.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, ik heb al een voorgaande vraag nr. 3600 over deze materie gesteld, over de ballonvaart en de aanplaktaks. Blijkbaar bestaat daarover in de sector van de ballonvaarders wel wat wrevel en ook heel wat onduidelijkheid over de precieze invulling en controles op de verschuldigdheid van de aanplaktaks.

 

Mijnheer de minister, op mijn vorige vraag over de aanplaktaks en de onduidelijkheid in de belasting antwoordde u dat moet worden gekeken naar de plaats van de aanplakking voor de verschuldigdheid van de belasting. U antwoordde ook dat de belasting hoofdelijk verschuldigd is door de persoon die belang heeft bij de publiciteit en door de ondernemer van de aanplakking.

 

Vanuit de praktijk krijg ik opnieuw signalen dat er nog veel onduidelijkheid is en dat er nog veel problemen zijn bij de controles. Op dit ogenblik wordt men naar eigen zeggen geconfronteerd met inspecties waarbij men, volgens de ballonvaarders, enige willekeur aan de dag legt voor het bepalen van de totale aanplaktaks.

 

Zo krijgt de ene 5 000 euro aanplaktaks en de andere 160 euro aanplaktaks voor ongeveer dezelfde oppervlakte van aanplakking op die ballonnen.

 

Daarnaast betalen ballonvaarders voor het slepen van reclame ook een taks van ongeveer 2 000 euro per twee jaar, afhankelijk van het aantal ballons per ballonvaarder, dit onder de vorm van een machtiging der luchtarbeid, opgelegd door het bestuur der luchtvaart. Het betreft dus een belasting voor het vervoeren van passagiers, maar ook voor het slepen van de ballon met reclame.

 

De vraag is of dit wel als een dubbele belasting kan worden gekwalificeerd. Er is dus, enerzijds, de belasting voor het slepen van de reclame an sich als ook een stuk belasting van reclame op de ballon. Anderzijds is er nog eens de aanplaktaks.

 

Kunt u verduidelijken hoe de belasting moet worden berekend in hoofde van de ballonvaart? Dat gaat over de aanplaktaks.

 

Ten tweede, klopt het volgens u dat enige willekeur bestaat in hoofde van de administratie bij de berekening van de belasting? Dat zal ook zeker afhankelijk zijn van de verschillende regio's. Zo ja, hoe komt dat?

 

Is een aanplakbelasting problematisch in het licht van het beginsel non bis in idem, wanneer reeds op het vervoeren van passagiers en het slepen van reclame een belasting wordt geheven, opgelegd door het bestuur der luchtvaart? Zo neen, waarom niet? Zo ja, zult u initiatieven nemen om dat op te lossen?

 

Gelet op de vragen die blijven komen en de onduidelijkheid die op het terrein leeft, zou het nuttig kunnen zijn om een overleg te hebben met een afvaardiging van de ballonvaarders. Er is een Koninklijke Federatie van Ballonvaarders die zulke zaken mee opvolgt.

 

29.02 Minister Johan Van Overtveldt: Er is slechts sprake van een dubbele heffing die strijdig is met het non-bis-in-idembeginsel indien de belasting tweemaal wordt geheven op eenzelfde belastbare materie in hoofde van eenzelfde belastingplichtige, als principe. Om te onderzoeken of in dit geval een dubbele heffing voorligt, zal het bijgevolg noodzakelijk zijn de belastbare materie en de belastingplichtige personen van zowel de taks op aanplakking als de heffing van het bestuur der luchtvaart te onderscheiden.

 

De taks op aanplakking vestigt een taks op de voor het publiek zichtbare affiches die onder andere op luchtballonnen kunnen voorkomen en die slechts eenmaal per jaar verschuldigd is, namelijk wanneer de reclame effectief wordt aangebracht.

 

De belastingschuldige van deze aanplakking is ofwel de ondernemer van de aanplakking, ofwel degene die er belang bij heeft dat deze wordt aangeplakt. In pv nr. 3600 werd reeds geduid dat deze hoedanigheid niet steeds hoeft samen te vallen met de ballonvaarder of het ballonvaart­bedrijf.

 

Het is correct dat het voeren van propaganda en publiciteit door middel van een luchtvaarttuig onderworpen is aan een voorafgaande machtiging die desgevallend dient vernieuwd te worden.

 

De heffing door het bestuur der luchtvaart vormt een tegenprestatie voor de aangifte van een machtiging voor luchtarbeid en/of luchtdopen waarvan de verschuldigde bedragen beginnen vanaf 1 500 euro.

 

Het is duidelijk dat deze heffing een tegenprestatie vormt voor het verlenen van de machtiging, waardoor dit allereerst het karakter van een belasting mist maar moet worden beschouwd als een vergoeding voor een prestatie. Hier is dus geen sprake van dubbele belasting.

 

Zelfs indien dit wel het geval zou zijn, zijn de belastbare materie en de belastingplichtige personen bij beide maatregelen dermate verschillend dat ook hier moet besloten worden dat zelfs in zo'n geval geen dubbele belasting voorligt.

 

Tot slot bestond de taks op aanplakking reeds geruime tijd vooraleer de heffing van het bestuur der luchtvaart werd ingevoerd, zodat bij enige onverenigbaarheid de verantwoordelijkheid van een dubbele heffing bij deze laatste ligt.

 

29.03  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord, dat ik zeker zal bezorgen. Mochten er nog vragen of onduidelijkheden zijn, dan stel ik voor dat de betrokkenen daarover verder met de administratie of met uw kabinet contact kunnen opnemen voor een rechtstreeks overleg.

 

Als u het nog niet gedaan zou hebben, dan kan ik u zeker een ballonvaart aanbevelen. Zelf ben ik fan geworden.

 

29.04 Minister Johan Van Overtveldt: (…)

 

29.05  Griet Smaers (CD&V): U hebt al een ballonvaart gedaan? Goed!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

30 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'application du processus 110 lors d'un contentieux avec un contribuable" (n° 24386)

30 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de toepassing van proces 110 bij geschillen met belastingplichtigen" (nr. 24386)

 

30.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, les agents du fisc auraient reçu pour mot d'ordre de rejeter systématiquement toute réclamation si aucun élément probant n'était apporté.

 

Vous avez confirmé l'existence d'une telle opération en janvier. Pouvez-vous me donner davantage de détails sur les raisons ayant poussé à la mise en œuvre d'un tel processus? Pourquoi avoir supprimé le droit pour un contribuable de demander l'examen de son dossier par un autre fonctionnaire si aucun nouvel argument n'est apporté? Ne craignez-vous pas que ce nouveau processus aura pour conséquence que les avocats fiscalistes ne mentionneront pas tous les arguments en début de procédure mais garderont certains éléments pour les cas de réclamation?

 

30.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, l'administration examinera l'opportunité de mettre à la disposition des services de contrôle des éléments d'information sur les dossiers de l'espèce sélectionnés de manière centralisée.

 

Depuis janvier de cette année, l'administration développe un nouveau système de clignotants, lié aux grilles des déclarations périodiques TVA, qui pourraient compléter, le cas échéant, les éléments d'information destinés auxdits services. Le service TACM, chargé de la sélection centralisée, collabore depuis plusieurs années avec des groupes de travail des services opérationnels. L'administration a par ailleurs instauré, de manière structurelle, un réseau regroupant les chefs de division de contrôle des centres PME. Celui-ci permet notamment de mieux expliquer les actions, d'augmenter la rapidité et la qualité des feedbacks et donc d'améliorer la sélection des dossiers. Ces mesures contribuent à augmenter la transparence au niveau des services locaux de contrôle.

 

Le projet "First" sera finalisé début 2020. Mon administration utilise déjà ce système pour gérer les amendes pénales et le précompte mobilier. Par ailleurs, différents types de dettes y seront progressivement intégrés. Par exemple, à partir du mois de juin de cette année, "First" mettra à la disposition de certains services publics fédéraux (SPF) et services publics de programmation (SPP), dans le cadre du projet "Redesign", une interface pour y injecter leurs créances, de sorte à bénéficier des possibilités de recouvrement offertes par mon administration.

 

30.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Je pense cependant que vous ne répondez pas à la bonne question. La réponse que vous m'apportez n'était pas la bonne… Je vous parlais du contentieux et vous me parlez du projet "First". Cette question a dû être posée par…

 

(…): (…)

 

30.04  Stéphane Crusnière (PS): Afin de ne pas vous faire perdre de temps, je propose que vous me transmettiez la réponse à ma question par écrit.

 

Collaboratrice du ministre: Je vais quand même vérifier ce qu'il s'est passé au niveau administratif.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

31 Vraag van de heer Dirk Janssens aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de fiscale vrijstellingen in de inkomstenbelastingen voor de door de werkgever toegekende vergoeding voor het woon-werkverkeer" (nr. 25076)

31 Question de M. Dirk Janssens au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'exonération fiscale dans l'impôt sur les revenus pour l'allocation accordée par l'employeur dans le cadre des déplacements domicile-lieu de travail" (n° 25076)

 

31.01  Dirk Janssens (Open Vld): Mijnheer de minister, een werkgever kent in bepaalde gevallen een globale vergoeding toe voor woon-werk­verplaatsingen. De werknemer kiest voor het wettelijk forfait. In dat geval stelt de administratie dat de belastingplichtige de fiscale vrijstelling kan toepassen op voorwaarde dat hij de kostprijs kan aantonen voor elk van de vervoermiddelen.

 

Het bewijs van een abonnement door een kopie van de abonnementskaart van De Lijn of MOBIB wordt meestal als onvoldoende bewijs beschouwd. De meeste fiscale administraties vorderen dan ook een correcte fiche 281.10.

 

Ten eerste, het zou toch voldoende moeten kunnen zijn dat men een kopie van zijn abonnement voor het openbaar vervoer bezorgt aan de fiscale administratie, zeker indien de vervaldatum ervan wordt weergegeven. Wat is uw standpunt hierover?

 

Ten tweede, indien de werkgever een globale vergoeding toekent aan de werknemer, is het toch effectief voldoende dat zij op de fiche 281.10 onder het vak 18 C wordt ingevuld?

 

Ten derde, de minimale vrijstelling van 390 euro voor andere vervoerswijzen moet automatisch toegekend worden zonder dat de belastingplichtige enig bewijs moet leveren. Kunt u dat standpunt bevestigen?

 

31.02 Minister Johan Van Overtveldt: Wanneer een werkgever een globale vergoeding voor woon-werkverplaatsingen heeft toegekend waarvan hij niet heeft kunnen vaststellen dat zij betrekking heeft op de betaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen die gedaan werden met het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, moet hij die vergoeding voor het jaar 2017 vermelden in het vak 17, rubriek C van de fiche 281.10.

 

In dat geval mag de werknemer, wanneer zijn beroepskosten forfaitair worden bepaald, de vrijstelling van 390 euro toepassen zonder dat hij daarvoor enig bewijs moet leveren.

 

Indien hij daarnaast aanspraak wenst te maken op de bijkomende vrijstelling voor het gebruik van het openbaar gemeenschappelijk vervoer, moet hij een nota met de opgave van de gebruikte openbaarvervoermiddelen en een becijferde uiteenzetting van de vrijstelling ter beschikking houden van de administratie, alsook de bewijsstukken met betrekking tot de verplaatsingen met het openbaar gemeen­schappelijk vervoer.

 

Een kopie van een drager waarop de gevalideerde abonnementen digitaal worden opgeladen, zoals een MOBIB-kaart, volstaat daarbij niet als een dergelijk bewijsstuk. Een kopie van een drager bewijst namelijk geenszins het bestaan van een abonnement. Een attest van de betrokken openbaarvervoermaatschappij zal daarentegen wel steeds als bewijsstuk aanvaard worden.

 

Mijnheer Janssens, voorts blijkt uit de vraag dat u allicht een concreet geval beoogt. Indien u daaromtrent meer specifieke gegevens ter beschikking kunt stellen, zijn wij zeker bereid om dat ernstig te laten onderzoeken.

 

31.03  Dirk Janssens (Open Vld): Mijnheer de minister, het betreft geen concreet geval, de vraag werd ingegeven door de opmerking in een discussie over het openbaar vervoer dat een en ander enigszins zou moeten kunnen worden gefaciliteerd.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

32 Vraag van de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het advies van de Hoge Raad van Financiën over het stabiliteitsprogramma 2018-2021" (nr. 25084)

32 Question de M. Eric Van Rompuy au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'avis du Conseil supérieur des Finances sur le programme de stabilité 2018-2021" (n° 25084)

 

32.01  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, mijn vraag over het begrotingsproject en de voorbereiding van het stabiliteitsprogramma had ik vrijdagochtend ingediend. Ik heb 's middags op het nieuws dan echter gezien dat de regering daarover al een beslissing had genomen. Wij zullen een en ander echter zeker nog tijdens de begrotingscontrole bespreken.

 

Mijnheer de minister, niettemin stel ik nog de hiernavolgende vraag.

 

Het begrotingsevenwicht van 2019 is naar 2020 verschoven. In de berekeningen van de Hoge Raad van Financiën gaat de Raad, wanneer wij de tabellen bekijken, voor de komende jaren uit van een verslechtering bij ongewijzigd beleid.

 

Er was een daling naar 1 % van het bruto binnenlands product in 2017, wat een heel goed resultaat was en een spectaculaire vermindering ten opzichte van 2016. Dat percentage zou in 2018 echter opnieuw stijgen naar 1,4 %, naar 1,9 % in 2019 en naar 1,9 % in 2020.

 

Bijgevolg zou het op drie jaar tijd om een cumulatieve verslechtering van bijna 1 %, namelijk 0,9 %, gaan. Geformuleerd in absolute bedragen, zou dat een verslechtering van ongeveer 4 miljard euro betekenen.

 

Wij kampen nu ook nog met een tekort van 4 miljard euro, wat betekent dat wij in 2020 bij ongewijzigd beleid op een tekort van ongeveer 8 miljard euro zouden uitkomen. Dat betekent ook dat het primair saldo zou verminderen van 1,5 % van het bruto binnenlands product in 2017 naar 0,4 % in 2021. Nochtans zou het primair surplus 2 % moeten bedragen, om onze hoge schuldratio te verminderen. Wij kampen immers nog altijd met een schuld van 102 à 103 %. Wij zitten in 2017 op 1,5 %. Dat percentage zou echter opnieuw verslechteren naar 0,4 %.

 

De Hoge Raad van Financiën stelt een dubbel traject voor, met name een structureel evenwicht in 2020 en een structurele verbetering van 0,6 % in 2019, ofwel een alternatief project met een structureel evenwicht in 2020 en een gelijke spreiding van de verbetering in 2019 en 2020.

 

Mijn vraag is de volgende. Wat heeft de regering nu juist beslist?

 

Er komt een traject, waardoor wij het begrotingsevenwicht naar 2020 verschuiven. Wat is de implicatie daarvan voor 2019? Het ene scenario spreekt van een besparing van 4,6 miljard. In een ander traject wordt van een besparing van 3,6 miljard gesproken.

 

Mijn persoonlijke mening is de volgende. Ik heb er in mijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie van de Financiën altijd van gedroomd met een begrotingsevenwicht afscheid te nemen. U bent jonger dan ik, maar ik heb hier in het begin van de jaren tachtig meegemaakt dat er tekorten waren van 13 % en 14 %.

 

Ik dacht dat, met de betere conjunctuur en de rentedaling, deze regering de unieke kans zou grijpen om in 2019 een begrotingsevenwicht te bereiken. Dat is nu niet het geval. Er zijn de vergrijzingskosten. De rente blijft ook niet eeuwig laag. De pensioenlasten zullen stijgen. Er is nu een groei in de conjunctuur van 2 %. We kenden vorig jaar een zeer goed resultaat inzake de ontvangsten voor de personenbelasting en ook inzake de voorafbetaling van de vennootschaps­belasting.

 

Volgens mijn waardeoordeel is dit een gemiste kans.

 

Als ik het goed heb, moet het stabiliteitsprogramma morgen nog worden goedgekeurd door de regering. Over welke percentages gaat het dan? Volgt men wat de Hoge Raad gezegd heeft? Welk traject wordt gevolgd? Wat zijn daarvan de implicaties?

 

Bij de begrotingscontrole zullen we zeker de kans krijgen om dit ten gronde te bespreken.

 

32.02 Minister Johan Van Overtveldt: Ik heb de discussie daarover gemist omdat ik toen in Washington zat voor besprekingen. Het is altijd interessant om hiernaar te kijken vanuit een globale context. De mensen van het IMF benadrukten ten zeerste dat de conjunctuur goed verloopt en dat de vooruitzichten goed zijn. Er is natuurlijk de dreiging van de handelsoorlog, die zeer ernstig genomen wordt. Er is echter ook het feit, en ik meen dat gewezen ECB-voorzitter Trichet daarop tijdens het weekend ook gewezen heeft, dat de schuld altijd maar blijft stijgen. Het is dus per definitie zo dat het wereldwijde financiële systeem daardoor fragieler wordt. Het is een schuldstijging in procent van het bbp, dus die schuld is zwaarder om te dragen.

 

Ik heb de discussie binnen de regering over het concrete traject dus gemist. Ik heb begrepen dat we kiezen voor traject 2 van de Hoge Raad, dat dus nog een aanzienlijke inspanning zal vergen van 3,6 miljard. U hebt zelf ook begrotings­controles meegemaakt. U weet wat het is om, zeker in de 'pre-electorale context' waarin we nu komen, 3,6 miljard te moeten zoeken. Dat zal niet evident zijn. Ik deel uw mening dat we dat inderdaad met alle mogelijke middelen moeten trachten te realiseren.

 

Dat begrotingsevenwicht is namelijk meer dan een fetisj. Het is iets dat uiteraard zal bijdragen tot een versnelde schuldafbouw. Het is bovendien ook belangrijk voor de reputatie van ons land. Men zegt altijd dat we het geluk hebben van de rentedalingen. Dat klopt. Dat geluk moet echter ook voor een stuk afgedwongen worden. We hebben een goede tot zeer goede rating bij de ratingagencies. Dat vertaalt zich in marktrentes die zijn wat ze zijn.

 

Andere landen die het budgettair minder goed doen, moeten een stuk meer betalen. Ik ben het echter volledig met u eens, mijnheer Van Rompuy, dat wij er alles aan moeten doen om minstens zo dicht mogelijk bij de doelstelling van een begrotingsevenwicht te komen. Ik zal samen met minister Wilmès uiteraard de nodige toelichting komen geven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.50 uur.

La réunion publique de commission est levée à 17.50 heures.