Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 2 mei 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 2 mai 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 14.33 heures et présidée par M. Philippe Goffiin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.33 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.33 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

La réunion publique de commission est ouverte à 14.33 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

 

01 Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de voornaamswijziging van transgenders" (nr. 24846)

01 Question de Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la modification du prénom des personnes transgenres" (n° 24846)

 

01.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, zeer recentelijk werd in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing een onderdeel opgenomen waarbij de bevoegdheid voor de procedure van voornaamswijziging naar de burgerlijke stand wordt overgeheveld.

 

Specifiek voor transgenders is ook het een en ander bepaald in de nieuwe artikelen, maar men laat mij weten dat er momenteel in de praktijk enige knelpunten zouden bestaan, die misschien met een instructie verholpen zouden kunnen worden.

 

Er wordt mij met name gesignaleerd dat er voor de toekenning van de voornaamswijziging gebruik gemaakt wordt van lijsten met vrouwen- en mannennamen gebaseerd op het aantal keer dat de namen voorkomen in Statbel. Bovendien zou er een restrictie zijn: namen die minder dan vijf keer voorkomen, worden niet in aanmerking genomen. Dat zou willen zeggen dat er een ongelijke behandeling is op basis van genderidentiteit: bij de toekenning van een naam aan een baby is de keuzemogelijkheid ruimer dan wat betreft de namen waar transpersonen goedkeuring voor kunnen krijgen. In het laatste geval zou men niet kunnen kiezen voor een naam die minder dan vijf keer voorkomt in de statistische tabellen.

 

Personen een genderregistratiewijziging laten doen, zijn ook niet verplicht de voornaam aan te passen. Het zou dus kunnen dat in de lijst van de mannennamen al transvrouwen opgenomen zijn die juridisch vrouw zijn, maar geen voornaamswijziging aanvragen. Het omgekeerde geldt ook: in de lijst van de vrouwennamen zitten ongetwijfeld ook transmannen die een mannelijke genderidentiteit hebben, maar hun voornaam niet wensen te wijzigen.

 

De transwetgeving zorgt er zelf voor dat de toepassing van de procedure inzake voornaamswijziging op deze manier achterhaald is. Er moet namelijk geen overeenkomst zijn tussen de genderexpressie en de naam, maar bij de aanvraag van een voornaamswijziging geldt dat criterium in de praktijk plots wel.

 

Ik heb hierover de volgende vragen.

 

Kan de aanvraag tot voornaamswijziging simultaan gebeuren met een eventuele genderregistratiewijziging? Waarom wel of waarom niet?

 

Klopt het dat de namenlijsten bestaan en worden zij nog steeds gebruikt in de zin zoals ik geschetst heb?

 

Zult u stappen ondernemen om die praktijk ongedaan te maken, aangezien het voor een discriminerend resultaat zorgt?

 

Welke criteria zullen de ambtenaren van de burgerlijke stand moeten hanteren bij het goedkeuren van een voornaamswijziging?

 

Alvast bedankt voor uw antwoord.

 

01.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Cauter, beide aanvragen kunnen simultaan gebeuren. Aangezien de ambtenaar van de burgerlijke stand bevoegd is voor de genderregistratiewijziging en omdat de voornaamsverandering onder de bevoegdheid van de minister van Justitie valt, gebeuren de twee aanpassingen evenwel niet gelijktijdig.

 

Er wordt inderdaad momenteel een wetsontwerp in de commissie voor de Justitie besproken, met name de wet diverse bepalingen inzake burgerlijk recht 1, waarbij de bevoegdheid met betrekking tot de voornaamsveranderingen aan de gemeenten wordt overgedragen. Het voordeel hiervan is dat de genderregistratiewijziging en de voornaamsverandering door dezelfde autoriteit zullen worden behandeld en dus gelijktijdig zullen kunnen gebeuren.

 

Er bestaan thans geen lijsten of kalenders met voornamen, zoals deze gebruikt werden vóór de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen in werking.

 

Bij ieder verzoek tot voornaamsverandering, transgender of niet, wordt nagegaan of de gekozen voornaam geen aanleiding geeft tot verwarring, volgens artikel 3, eerste en tweede lid van voormelde wet. Ik breng in herinnering dat meer dan 99 % van de verzoeken tot voornaamsverandering worden toegestaan. Een weigering is zeer uitzonderlijk.

 

Ik ben niet van plan om de ambtenaren van de burgerlijke stand specifieke criteria op te leggen in verband met de verzoeken tot voornaamsverandering van transgenders, daar de wet inzake de voornaamsverandering een recht creëert voor deze personen. Dit punt zal worden herhaald in de rondzendbrief die ik aan de ambtenaren van de burgerlijke stand zal richten in het kader van het voormelde wetsontwerp.

 

01.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

U verwijst naar de wet die pas werd goedgekeurd in de commissie voor de Justitie, waardoor de genderwijzigingregistratie en de eventuele voornaamwijziging in de toekomst gelijktijdig kunnen plaatsvinden.

 

Ik noteer dat er geen lijsten bestaan. Ik hoor u echter zeggen dat de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijkste stand erop zou gericht zijn om verwarring te vermijden. Wat bedoelt u met "verwarring vermijden" Ik neem aan dat u niet bedoelt dat er een overeenstemming moet zijn tussen de voornaam en de genderexpressie? Dat zou immers eigenaardig overkomen, omdat men bij een genderwijziging niet verplicht is om de voornaam te wijzigen. Ik zal daarover misschien een nieuwe vraag stellen.

 

Het is in elk geval goed dat er niet wordt gediscrimineerd bij het toelaten van een voornaamswijziging.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de mededeling aan de slachtoffers van het toekennen van een uitgaansvergunning en penitentiair verlof" (nr. 24856)

- mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de evaluatie van het verlengd penitentiair verlof" (nr. 24860)

02 Questions jointes de

- Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "la notification aux victimes de l'octroi d'une autorisation de sortie et d'un congé pénitentiaire" (n° 24856)

- Mme Carina Van Cauter au ministre de la Justice sur "l'évaluation du congé pénitentiaire prolongé" (n° 24860)

 

02.01  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, wat de evaluatie van het verlengd penitentiair verlof betreft, hebt u in de zomer van 2017 beslist om langere verlofperiodes toe te staan aan gedetineerden, op voorwaarde dat zij aan bepaalde criteria voldoen. Die maatregel werd ingevoerd om de overbevolking in de gevangenissen te beheersen.

 

Ik verwijs daarvoor ook naar mijn eerdere mondelinge vraag waarop u onder meer antwoordde dat er in september 2017 een evaluatie plaatsvond, maar dat uw medewerkers de laatste hand legden aan een ruimere evaluatie en dat u nadien zou beslissen of en onder welke voorwaarden de maatregel van het verlengd penitentiair verlof – één week in de gevangenis en één week verlof – zou worden voortgezet.

 

Ondertussen zijn wij een aantal maanden verder en heb ik voor u daarover de volgende vragen.

 

Heeft er ondertussen een ruime evaluatie van de maatregel plaatsgevonden? Zo ja, wat was het resultaat daarvan? Zo niet, wanneer mogen we die evaluatie verwachten?

 

Is de maatregel van het verlengd penitentiair verlof nog steeds van kracht? Werden de voorwaarden aangepast?

 

Is het mogelijk een verslag van de evaluatie van de maatregel te ontvangen? Acht u het nodig om daarover met het Parlement te overleggen?

 

Hoeveel gedetineerden hebben op dit moment het regime van verlengd penitentiair verlof genoten? Kunt u tevens aangeven hoeveel gedetineerden hun voorwaarden schonden, waardoor hun verlengd penitentiair verlof ingetrokken moest worden?

 

Mijn tweede vraag heeft betrekking op artikel 10 van de wet op de externe rechtspositie, waarin expliciet vermeld staat dat slachtoffers zo snel mogelijk, en in elk geval binnen 24 uur, via de snelst mogelijke, schriftelijke communicatie, in kennis worden gesteld van de toekenning van een eerste penitentiair verlof en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in hun belang zijn opgelegd.

 

Over de mededeling van een uitgaansvergunning staat in dat artikel niets vermeld, het is met andere woorden niet uitdrukkelijk geregeld. Nochtans is het niet ondenkbaar dat dit gebeurt. Ik werd hierover aangesproken door het slachtoffer van een zeer ernstig geweldsdelict, die de dader tegen het lijf liep toen deze gebruikmaakte van een uitgaansvergunning. Ik kan mij inbeelden dat dit traumatisch kan zijn, even traumatisch als wanneer dit zou gebeuren bij penitentiair verlof.

 

Mijnheer de minister, wordt de toekenning van een uitgaansvergunning ter kennis gebracht van de slachtoffers? Waarom desgevallend niet?

 

Het staat niet expliciet in de wet, maar gebeurt het in de praktijk soms wel dat slachtoffers op de hoogte worden gebracht van verleende uitgaansvergunningen? Ik kan mij indenken dat het wel gebeurt bij zeer zware delicten.

 

Wordt bij de toekenning van een penitentiair verlof respectievelijk een uitgaansvergunning systematisch aan de veroordeelde opgelegd dat hij of zij niet in de omgeving van de slachtoffers mag vertoeven? Indien niet, waarom is dit niet standaard?

 

Wie moet de slachtoffers op de hoogte brengen van de toekenning van deze modaliteiten? Hoe verloopt desgevallend de procedure van kennisgeving?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Cauter, de toekenning van een uitgangsvergunning wordt niet ter kennis gebracht van de slachtoffers. De wetgever heeft daar expliciet niet in voorzien, omdat "wat betreft de uitgaansvergunning het niet noodzakelijk en niet opportuun leek om het slachtoffer hiervan te informeren, gezien de korte tijdsduur waarvoor een uitgaansvergunning wordt toegekend. Bovendien wordt de uitgaansvergunning ook steeds toegekend met een welbepaald doel voor ogen." De wetgever meende tevens dat "een systematische kennisgeving van deze beslissingen ten onrechte angstgevoelens zou kunnen provoceren in hoofde van het slachtoffer."

 

Deze kennisgeving van slachtoffers gebeurt dus niet bij een uitgaansvergunning, behoudens in erg uitzonderlijke omstandigheden, die uiteraard dossier per dossier worden bekeken. Indien er sprake is van schade aan personen, wordt er in elk geval aan de veroordeelde een verbod opgelegd om op enigerlei wijze contact te zoeken met de slachtoffers en hun familie en wordt ook de verplichting opgelegd om bij een toevallige ontmoeting zelf spontaan het contact te verbreken.

 

De beslissing tot toekenning van penitentiair verlof wordt doorgaans via de dienst Slachtofferonthaal van het justitiehuis aan de slachtoffers meegedeeld en dit zo snel mogelijk na de beslissing tot toekenning, in elk geval binnen 24 uur en via het snelst mogelijke schriftelijk communicatiemiddel. Indien slachtoffers vragen om via hun advocaat te worden verwittigd, gebeurt dat via de advocaat.

 

De beslissing tot toekenning van penitentiair verlof wordt dus op die manier meegedeeld.

 

Wat uw andere vraag betreft, een evaluatie van het verlengd penitentiair verlof heeft plaatsgevonden en de maatregel loopt nog steeds. Tijdens de geëvalueerde periode hebben 611 gedetineerden gebruikgemaakt van het systeem. Op 18 april waren dat er 711. Zeventig verloven werden herroepen, wat een verhouding is die wij ook in het klassieke verlof zien terugkomen.

 

Een belangrijk positief gegeven is dat gedetineerden die van dit verlof genieten daar steeds meer gebruik van maken om hun re-integratie voor te bereiden. Een aantal vindt reeds tijdens dit verlof een job en in dezelfde periode als de maatregel van kracht is, merken wij een stijging van het aantal gedetineerden dat door de strafuitvoeringsrechtbanken onder elektronisch toezicht werd geplaatst.

 

Minder gedetineerden zien zich een voorwaardelijke invrijheidstelling geweigerd. Deze gegevens zijn een indicatie dat een ruimere aanwezigheid in de samenleving van gedetineerden in de verdere fase van hun detentie de voorbereiding van de re-integratie ten goede kan komen.

 

Ik ben uiteraard bereid om deze maatregel ten gronde te bespreken in de commissie voor de Justitie.

 

02.03  Carina Van Cauter (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Wat uw eerste antwoord betreft, ik begrijp dat het moeilijk is om een uitgangsvergunning, die inderdaad niet langer kan duren dan 16 uur, systematisch en schriftelijk te melden aan de slachtoffers.

 

Ik ben blij van u te horen dat het hier niet gaat over een blinde toepassing van deze regel en dat men in uitzonderlijke omstandigheden rekening kan houden met een specifieke casus, zodat de rechten van het slachtoffer maximaal kunnen worden gewaarborgd. Dat is volgens mij noodzakelijk.

 

Wat het verlengd penitentiair verlof betreft, kan ik alleen maar met u vaststellen dat men in een aantal gevallen zonder specifieke controle ook is moeten overgaan tot herroeping. Het gaat om 70 dossiers op 711, waar zich blijkbaar nieuwe feiten hebben voorgedaan. Dat is bijna 10 %.

 

Ik weet echt niet of wij dit risico kunnen nemen, ook al staat daartegenover dat re-integratie in een aantal gevallen ongetwijfeld een betrachting moet zijn en dat ook uit de evaluatie blijkt dat deze maatregel re-integratie ten goede komt.

 

Dit is niet het moment, maar ik vraag de voorzitter van de commissie voor de Justitie om daarover verder van gedachten te wisselen, eventueel op basis van de evaluatie die u blijkbaar ter beschikking hebt. Krijgen wij daar inzage in?

 

02.04 Minister Koen Geens : (…)

 

02.05  Carina Van Cauter (Open Vld): Goed, dank u.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de uitwisseling van informatie tussen de parketten inzake weglopers uit jeugdinstellingen" (nr. 24970)

03 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "l'échange d'informations entre les parquets à propos de fugueurs désertant des institutions de protection de la jeunesse" (n° 24970)

 

03.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag houdt verband met vorige vragen over het beroepsgeheim en over de mogelijkheden om daarvan af te wijken.

 

In een artikel in De Tijd van 7 april 2018, getiteld "Meisje 16 doet alles", gaat het over het feit dat de jeugdhulp geen antwoord vindt op de problematiek van tienerpooiers. Sinds kort zou voor de parketten de aanbeveling gelden de slachtoffers in tienerpooierdossiers als slachtoffers van mensenhandel te beschouwen. De maatregel wordt doorgaans goed opgevolgd en heeft onder andere tot gevolg dat daders strengere straffen kunnen krijgen.

 

Er blijven echter nog hiaten bestaan. Een van de aangekaarte problemen is dat de hulpverlening vaak nog weigerachtig staat tegenover het doorbreken van het beroepsgeheim als het gaat om slachtoffers van tienerpooiers die uit een instelling weglopen. Nochtans zou het beroepsgeheim in die gevallen wel kunnen worden doorbroken. Er wordt gesteld dat er in het algemeen een probleem is van informatie-uitwisseling, in die zin dat wanneer een meisje wegloopt uit een instelling in West-Vlaanderen, de parketten dat nieuws niet uitwisselen.

 

Mijnheer de minister, ik heb een viertal vragen voor u.

 

Ten eerste, bent u zich bewust van het probleem van informatie-uitwisseling tussen de parketten?

 

Ten tweede, zo ja, waaraan ligt het probleem? Is het omdat de informatie niet vanuit de instelling tot bij het parket geraakt of ligt het aan de communicatie tussen de parketten onderling?

 

Ten derde, in de mate dat u het vanuit federale hoek kunt bekijken, ligt de weigerachtigheid van de hulpverlening om het beroepsgeheim te doorbreken aan de basis van de gebrekkige informatiedoorstroming?

 

Ten vierde, welke oplossing ziet u om het uitwisselen van informatie tussen de parketten onderling en tussen het parket en de jeugdinstelling in zaken zoals deze, en bij uitbreiding in alle zaken waarbij er van hulpverlening aan jongeren sprake is, vlotter te laten verlopen?

 

03.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, het College van procureurs-generaal meldt mij dat er bij de informatie-uitwisseling tussen instellingen en parket en bij onrustwekkende verdwijningen geen problemen zijn gekend. De ervaring leert integendeel dat de instellingen dergelijke meldingen doorgaans erg snel doen en dat bij instellingen die veelvuldig met weglopers worden geconfronteerd, vaak afspraken met politie en parket worden gemaakt over een standaardisering van de meldingen alsook dat er geen problemen worden gemeld met de toepassing van het beroepsgeheim.

 

Voor de parketten wordt de materie geregeld door de omzendbrief COL9/2002 van het College van procureurs-generaal betreffende de ministeriële richtlijn over de opsporing van vermiste personen.

 

Overeenkomstig deze richtlijn vallen de verdwijningen van slachtoffers van tienerpooiers onder de criteria van onrustwekkende verdwijningen. In de instructies is onder andere opgenomen dat er zo snel mogelijk wordt overgegaan tot een dringende seining van de vermiste persoon en tot verwittiging van de cel Vermiste Personen van de federale politie.

 

Wanneer een verdwenen minderjarige wordt aangetroffen in een ander arrondissement dan dat van de verdwijning, zijn politie en parket aldus onmiddellijk op de hoogte dat het gaat over een ontvluchte minderjarige.

 

Ik kan u ten slotte nog informeren dat er geregeld overleg is tussen de expertisenetwerken Mensenhandel en Jeugdbescherming inzake deze materie. Daarnaast is er ook vanuit de FOD Justitie overleg over deze problematiek, met onder andere de diensten van de Gemeenschappen en Child Focus.

 

03.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de verkeersboetes die worden opgelegd door politierechters" (nr. 25011)

04 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "les amendes routières infligées par les juges de police" (n° 25011)

 

04.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, begin april konden wij lezen dat enkele politierechters de alsmaar duurdere verkeersboetes hekelden. Ik citeer: "Wij moeten de verkeersboetes niet verhogen maar net verlagen. Wij moeten vooral de uitgesproken straffen uitvoeren en de boetes innen. De grote hoop betaalt nooit. Die hebben dat geld niet. Vele overtreders zijn werkloos, zitten in schuldbemiddeling of moeten rondkomen met een leefloon. Wat voor zin heeft het dan monsterboetes op te leggen? Alleen de burgers die wel betalen, zullen nog meer ophoesten. Dat de overheid eens publiceert hoeveel boetes werkelijk betaald worden”.

 

De bedragen van de opgelegde en de geïnde boetes kwamen begin vorige maand uitgebreid onder de aandacht naar aanleiding van de cijfers van uw collega, de minister van Financiën. Daaruit bleek dat strafrechters, dus niet alleen politierechters maar ook correctionele rechters, in de periode 2012-2016 ruim 1,2 miljard euro aan boetes oplegden. Daarvan was begin april 46 % geïnd en 54 % nog niet geïnd.

 

Politierechters klaagden ook aan dat hun beoordelingsvermogen in twijfel wordt getrokken. In een reactie hebt u gesteld niet te willen afstappen van de minimumstraffen. U hebt ook gezegd dat 90 % van alle boetes wel meteen betaald wordt. U hoopt na de zomer de politierechtbanken te ontlasten door lichte overtredingen automatisch te laten afhandelen via een betalingsbevel. De FOD Financiën kan dan zonder interventie van de rechter de boete innen door het bedrag in te houden op bijvoorbeeld belastingteruggaven, via loonbeslag, of via een gerechtsdeurwaarder.

 

In uw antwoord van eind 2016 op mijn parlementaire vraag over boetes plande u de toepassing van het betalingsbevel voor midden 2017. Aanleiding van mijn vraag was toen dat de vermenigvuldigingsfactor van alle boetes die door de rechter werden opgelegd, van x6 steeg naar x8. Alle boetes werden vanaf 1 januari 2017 ook verhoogd met 5 %. Ik vroeg u toen ook  te focussen op een betere inning.

 

Ten eerste, wat is uw reactie op de uitlating van de politierechters? Blijft u bij uw standpunt dat wij in de pers konden lezen, of hebt u bijkomende argumenten?

 

Ten tweede, kunt u het percentage van 90 % wel geïnde verkeersboetes nader toelichten?

 

Ten derde, welke maatregelen neemt u opdat zoveel mogelijk verkeersboetes betaald worden? Wat is de stand van zaken in verband met het betalingsbevel?

 

Ten vierde, zal het feit dat de boetes verhoogd zijn, geen averechts effect sorteren, in de zin dat nog minder mensen ze zullen betalen?

 

Ten vijfde, wat is uw mening over de verklaring van sommige politierechters dat zij te weinig beoordelingsmarge hebben en soms verplicht zijn zeer zware straffen op te leggen, zonder dat zij de ruimte hebben om in concreto te oordelen?

 

04.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, de tweede fase van Crossborder is van start gegaan op 28 maart 2018 en zal toelaten om een beter zicht te krijgen op de betaling en de inning van de verkeersboetes. Het zal ons in staat stellen om te oordelen of het huidige proces dient te worden aangepast. Voor het eerst kunnen wij een zicht krijgen op de afhandeling van boetes over de hele lijn. Ik ben dan ook geneigd om het debat rond de verhoging of de verlaging van bepaalde verkeersboetes uit te stellen tot wanneer wij op basis van de volledige beeldvorming conclusies kunnen trekken.

 

Het is ook niet omdat bepaalde overtreders hun boetes bewust of onbewust laten liggen, waardoor het bedrag na een tijd begint op te lopen, dat men het hele systeem ter discussie moet stellen. Het overgrote deel van de verkeersboetes wordt vrij snel betaald. De meeste burgers voeren het bevel tot onmiddellijke inning en hun minnelijke schikking binnen de opgelegde tijdspanne uit.

 

Naast een betere inning van de boetes wil het Crossborderproject aan beeldvorming doen en onze kennis over onder andere de betalingsbereidheid van onze klanten verbeteren. Uit de gegevens waarover wij vandaag beschikken, merken wij al een versnelling van de betalingen en een hogere betalingsbereidheid, sinds wij werk hebben gemaakt van modernere betaalmogelijkheden en duidelijkere communicatie naar de burgers. Dat geldt zowel voor de buitenlanders als voor de Belgen.

 

Het afgelopen jaar hebben mijn diensten heel wat in het werk gesteld om de inning van de verkeersboetes te verbeteren. Zo werden er een website en een callcenter in het leven geroepen en werd de communicatie naar de burger geoptimaliseerd. Sinds 28 maart is ook de dubbele zending afgeschaft en werden de nodige ICT-toepassingen ter beschikking gesteld van Justitie om het beheer van de verkeersboetes op een professionele maar vooral efficiënte wijze te kunnen uitvoeren.

 

Ik ben dan ook blij om u te kunnen melden dat de wetgeving intussen werd aangepast om het bevel tot betalen praktisch te kunnen uitvoeren. De ICT-toepassingen die het dagelijks beheer van de bevelen tot betalen moeten organiseren, zijn in volle ontwikkeling.

 

Ten slotte mag u niet uit het oog verliezen dat 69,3 procent van alle verkeersinbreuken in België bestaat uit overtredingen met betrekking tot overdreven snelheid. De statistieken geven aan dat een op drie van de dodelijke ongevallen te wijten is aan overdreven snelheid. Inzetten op maatregelen die kunnen bijdragen tot een verbetering van de verkeersveiligheid en tot de vermindering van het aantal verkeersdoden houdt ook in dat een gepast juridisch gevolg wordt gegeven aan overtredingen van de verkeersregels. Ik hoef u er niet aan te herinneren dat niet alleen de pakkans maar ook het bedrag van de boete belangrijk elementen zijn die overtreders ertoe kunnen brengen hun rijgedrag aan te passen.

 

04.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Ik noteer dat u de deur openlaat om het debat aan te gaan over de hoogte van de boetes. U wilt het debat uitstellen tot na het resultaat van de tweede fase van het Crossborderproject.

 

Ik ben blij dat er nog een debat volgt, want nu zijn verkeersboetes na afrekening van de kosten en de bijdragen voor het fonds, vaak hoger dan boetes die door de correctionele rechtbank voor bijvoorbeeld diefstal worden opgelegd. Bovendien is na afrekening de door de politierechter opgelegde verkeersboete zelfs hoger dan een maandwedde, waardoor sommige overtreders in de armoede worden geduwd. Dat is niet logisch.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het slapen op matrassen in Belgische gevangenissen" (nr. 25064)

05 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "les nuits sur des matelas posés au sol dans les prisons belges" (n° 25064)

 

05.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik blijf zeer bezorgd omtrent het aantal grondslapers in onze Belgische gevangenissen. Op 7 februari antwoordde u op een mondelinge vraag: "Ik betreur samen met u dat er in verschillende gevangenissen momenteel inderdaad gedetineerden op een matras op de grond slapen. Meer bepaald is dat het geval in de gevangenissen in Antwerpen, Brugge, Gent, Hasselt, Ieper, Marche en Nijvel."

 

Op 7 februari sliepen er 125 gedetineerden op de grond. Op 28 februari antwoordde u op mijn vraag over grondslapers dat op een matras op de grond slapen niet past in een humaan detentiebeleid. Op 28 februari was het aantal grondslapers met 20 verminderd en ging het nog over 105 gedetineerden. Ik meen ook uit uw antwoord begrepen te hebben dat het grondslapersprobleem binnen een aantal weken van de baan moest zijn.

 

Inzake de gevangenis te Brugge verneem ik dat er momenteel nog steeds twee secties, met 38 plaatsen voor gedetineerden, wegens personeelsgebrek gesloten zijn.

 

Mijnheer de minister, hoeveel gedetineerden slapen er momenteel op de grond per gevangenis in België? Graag ontvang ik de geactualiseerde versie van de tabel die u mij overhandigde op 7 februari.

 

Op 7 maart antwoordde u mij mondeling dat de twee afdelingen in Brugge die momenteel gesloten zijn wegens personeelsgebrek binnen zes weken zouden kunnen openen. Zijn deze afdelingen al opengesteld? Zo nee, wanneer zullen zij opengesteld worden?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik kan u meedelen dat er op 27 april laatstleden nog 8 gedetineerden op een matras op de grond sliepen, namelijk 4 in de gevangenis in Hasselt en 4 in de gevangenis te Brugge.

 

In de gevangenis te Hasselt worden nog bijkomend stapelbedden geplaatst en heel kortelings zal de situatie dus verholpen zijn.

 

Inzake de gevangenis in Brugge zal het personeelskader op 1 juli volledig ingevuld zijn, wat voor de vakbonden een voorwaarde was om deze secties terug in dienst te stellen. Er heeft reeds overleg plaatsgevonden tussen de lokale directie en de lokale vakbondsafgevaardigden om de heropening te bespreken en voor te bereiden. Ik hoop de heropening dan ook spoedig te kunnen bevestigen.

 

05.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik ben blij met uw antwoord en ik kan slechts hopen dat wij niet teugvallen in de situatie van voorheen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de schuldindustrie" (nr. 25179)

06 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'industrie de l'endettement" (n° 25179)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik ondervroeg u reeds twee maal in de plenaire vergadering van de Kamer over een thema dat mij na aan het hart ligt, de schuldindustrie.

 

In uw reactie op mijn vraag tijdens de plenaire vergadering van 18 januari 2018 stelde u het volgende: "Uiteraard ben ik het met u eens dat de problematiek van de debiteuren met een grote schuldenlast in de privésfeer een ernstig probleem is, dat wij alle aandacht moeten geven die noodzakelijk is. Ik wil u wel zeggen dat wij wat betreft de ombudsman de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders hebben gevraagd om dringend een verzoek in te dienen voor een sectorale ombudsman op het niveau van het ministerie van Economische Zaken. Officieus is dat gebeurd, officieel zal dat in februari gebeuren.

 

Als het niet gebeurt, zal ik zelf met de betrokken collega een wetsontwerp in die zin voorleggen, want het is belangrijk dat wij voor de schuldenaren die recht in hun schoenen staan en het slachtoffer worden van te hoge kosten, een klachtenbank hebben die hen neutraal kan helpen bij de oplossing van hun problemen"

 

Tijdens de plenaire vergadering van 1 maart 2018 repliceerde u op mijn vraag als volgt: "U zult vernomen hebben dat ik hoop dat de kosten die aan de inning van een schuld worden besteed, zouden kunnen beperkt worden tot een bepaald percentage van de totale schuld. Ik heb 40 % voorgesteld. Wij moeten de goederen en de inkomsten uitbreiden die niet voor beslag vatbaar zijn, nu zijn dat nog huisdieren en vergelijkbare dingen. Wij moeten in elk geval de kosten van de deurwaarder nog transparanter en zonder afkorting laten vermelden. Mevrouw Lambrecht, ik ken uw wetsvoorstellen. Ik heb het u reeds eerder gezegd, in antwoord op een vorige vraag. Wij zijn nu met drie en u bent met vier. Wij moeten in elk geval proberen om ook daarop beter zicht te krijgen en het mee te nemen in onze reflectie die grondig zal zijn, daarop mag u rekenen"

 

Mijnheer de minister, intussen zijn we een paar maanden verder en heb ik volgende vragen voor u.

 

Ten eerste, u zei dat er in februari van dit jaar een officiële aankondiging zou komen van een sectorale ombudsman op het niveau van het ministerie van Economische Zaken. Behoudens vergissing van mijnentwege, heb ik die aankondiging nergens gezien. Wanneer mogen we dus uw wetsontwerp in die zin verwachten?

 

Ten tweede, u stelde zelf dat de bijkomende kosten op schulden de kaap van 40 % van de hoofdschuld niet mogen overschrijden. Welke maatregelen hebt u sinds deze uitspraak van 1 maart reeds genomen om dit beoogde doel te bereiken en welke maatregelen zitten nog in de pijplijn?

 

Ten derde, u zegt dat de lijst van niet-beslagbare goederen dient geactualiseerd te worden en er een transparantere vermelding moet komen van de deurwaarderskosten. Mag ik er ook van uitgaan dat u mijn wetsvoorstellen in die zin steunt? Welke andere van mijn tien wetsvoorstellen steunt u nog?

 

Ten vierde, eerder deze maand bracht Het Laatste Nieuws het pijnlijke verhaal van de fiscus als meedogenloze schuldeiser die geen afbetalingen toestaat die de termijn van 12 maanden overschrijden. De overheid is niet alleen een van de meest meedogenloze schuldeisers, ze zorgt er bovendien ook voor dat de kosten op schulden torenhoog worden. Wanneer een gerechtelijke invorderingsprocedure wordt opgestart, gaat dit gepaard met de betekening van verschillende aktes. De kosten die met elk van deze betekeningen gepaard gaan, lopen al snel op tot ongeveer 300 euro, terwijl 75 % van die kosten terugvloeien naar de overheid ter bekostiging van justitie en dus niet bij de gerechtsdeurwaarder terechtkomen.

 

Willen wij de bijkomende kosten op schulden verminderen, dan zullen wij noodzakelijkerwijze het overheidsbeslag op die betekeningen moeten reduceren. Dagvaardingen kunnen in dat geval goedkoper worden.

 

Dat zorgt er niet alleen voor dat de bijkomende kosten op schulden zullen dalen, maar ook dat de weg naar de rechtbank voor de burger goedkoper en dus toegankelijker wordt.

 

Mijnheer de minister, hoe staat u hier tegenover?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, inzake de ombudsman begrijp ik uw ongeduld, dat ik ook deel. Mijn informatie zegt dat op vraag van de FOD Economie nog enkele punten aan het dossier dienen te worden verbeterd. Daarna kan het worden goedgekeurd en kan tot de installatie van een ombudspersoon worden overgegaan.

 

De toewijzing van een afbetaling door de schuldenaar gedeeltelijk en de aflossing van de schuld gedeeltelijk aan de afbetaling van de kosten zal deel uitmaken van een breder en geïntegreerd ontwerp, dat in de komende weken aan de regering zal worden voorgelegd.

 

De modernisering van regels inzake onbeslagbare goederen werd vanochtend in de commissie voor de Justitie door u ingeleid. Ik heb begrepen dat hoorzittingen zullen worden gehouden en dat het dossier op dat ogenblik zal worden besproken.

 

De transparantie van de gerechtsdeurwaarderkosten zal deel uitmaken van het geïntegreerd voorontwerp, waarnaar ik daarnet verwees. Over het principe zijn u en ik het eens. Over de technische uitwerking zijn wij het nog niet eens. Daarom nemen wij het in het voorontwerp op.

 

Voor het antwoord op uw vierde vraag verwijs ik u naar de minister van Financiën, tot wiens bevoegdheid die vraag behoort.

 

06.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

 

Ik wist dat u voor het antwoord op de vierde vraag naar een andere minister zou verwijzen. Ik wil er niettemin op wijzen dat het eigenlijk met de toegankelijkheid voor de burgers tot het gerecht alsook met de betaalbaarheid voor allen van het gerecht te maken heeft. Ik ben niet van mening dat u naar een andere minister kunt verwijzen. U bent verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het gerecht.

 

Aangezien de mensen al bijna 300 euro moeten betalen indien zij niet op tijd een factuur van de overheid kunnen betalen, durf ik mijn vraag opnieuw te stellen en u te vragen in te grijpen en ervoor te zorgen dat de mensen niet langer 300 euro extra moeten betalen als zij zich tot de gerechtelijke machine willen wenden. Van dat bedrag komt immers 75 % terug naar de overheid. Dat is geen behoorlijk bestuur.

 

U zit met verschillende ministers in de regering. Ik zou mijn vraag inderdaad nog eens aan de minister van Financiën kunnen stellen. Ik zou mij tot minister Van Overtveldt en tot de minister van Ambtenarenzaken kunnen wenden.

 

Mijnheer de minister, ik richt mijn vierde vraag echt tot u, omdat u mijn enige lichtpunt bent om echt iets aan het probleem te doen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen en de opvolging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens" (nr. 25197)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la manière de traiter les internés dans les prisons belges et le suivi de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme" (n° 25197)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, decennialang werden geïnterneerden gewoon opgesloten in een gevangenis, zonder aangepaste hulp. Er waren geen aangepaste zorgvoorzieningen en geïnterneerden hadden geen enkel perspectief, vermits hun maatregel geen einddatum had. Het zijn praktijken waarvoor België ondertussen al 25 keer veroordeeld werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

 

In een arrest van 6 september 2016 veroordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens België, in het zogenaamde pilootarrest, voor de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen. Door uitspraak te doen in één zaak en de overige uit te stellen, gaf het Hof België de kans het structurele probleem op te lossen. Daarmee kreeg ons land de twijfelachtige eer toebedeeld het voorwerp te zijn van een pilootarrest, wat gerust als een historische blaam kan worden omschreven.

 

De deadline werd vastgesteld op 6 december 2018, twee jaar nadat het arrest kracht van gewijsde kreeg en dus definitief werd. De zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2016 betrof een zekere W.D., die schuldig werd verklaard aan aanranding van de eerbaarheid van een minderjarige. Hij pleegde die feiten op 19-jarige leeftijd. In 2007 werd beslist tot zijn internering. W.D. kampte onder meer met een autismespectrumstoornis en werd niet toerekeningsvatbaar geacht voor zijn daden.

 

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde vast dat hij sedertdien, dus gedurende meer dan negen jaar, in de psychiatrische afdeling van de gevangenis in Merksplas verbleef, zonder enige vorm van behandeling en zonder enig perspectief op heropname in de samenleving. Dat maakte voor het Hof een schending uit van het verbod op onmenselijke behandeling, zoals gewaarborgd door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

 

Het Hof erkende wel dat de overheid sinds 2011 bepaalde inspanningen heeft gedaan om een geschikte opvang te zoeken, maar stelde vast dat die niets hadden opgeleverd, wegens structurele problemen. Met name de medische ondersteuning van geïnterneerden in de psychiatrische afdeling van de gevangenissen is onvoldoende en de externe plaatsing is veelal onmogelijk door een gebrek aan plaatsen.

 

Het Hof besliste ook dat de detentie zonder aangepaste hulp en therapie een schending uitmaakt van artikel 5.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verder werd ook een schending van de artikelen 5.4 en 13 vastgesteld. Het Hof stelde vast dat het gebrek aan een daadwerkelijk rechtsmiddel voor geïnterneerden in België een structureel probleem is. Er is een tekort aan personeel in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en er is een tekort aan plaatsen in externe instellingen. Er is dus niet alleen een probleem binnen Justitie, maar ook in het departement Volksgezondheid.

 

Het vragen van een schadevergoeding via de burgerlijke rechter werd door het Hof niet als een daadwerkelijk rechtsmiddel beschouwd. Dat kan namelijk enkel leiden tot een geldelijke tegemoetkoming, maar niet tot een verbetering van de situatie op het vlak van detentie.

 

Om al die redenen werd de Belgische Staat verplicht om tegen 6 december 2018 de toestand van geïnterneerden te verbeteren en in overeenstemming te brengen met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In afwachting daarvan werden alle gelijkaardige hangende zaken tegen België opgeschort. Aan W.D. moest de Belgische Staat een morele schadevergoeding van 16 000 euro betalen.

 

De voorbije jaren werden er heel wat initiatieven genomen om geïnterneerden toch de zorg te kunnen bieden waarop zij recht hebben. Er kwamen bijvoorbeeld speciale afdelingen voor geïnterneerden met een verhoogde beveiligingsnood in de psychiatrische ziekenhuizen van Bierbeek, Rekem en Zelzate en er werden twee hoogbeveiligde forensische psychiatrische centra gebouwd en Gent en Antwerpen.

 

Op dit moment verblijven 262 personen in Gent en 156 in Antwerpen. Het aantal geïnterneerden in de gevangenis is gedaald van 1 087 in 2013 tot 543. Een Masterplan internering voorziet dat er nog twee FPC's bijkomen in Wallonië en een longstay in Aalst. In afwachting zijn er ondertussen ook al plaatsen vrijgekomen in de psychiatrische ziekenhuizen. De voorbije jaren werden er ook maatregelen genomen om de geïnterneerden in de gevangenis beter op te vangen, bijvoorbeeld door de oprichting van multidisciplinaire zorgequipes.

 

Tegen 6 december 2018 zal moeten blijken of deze maatregelen niet too little too late zijn geweest maar wel degelijk het structurele probleem hebben opgelost. Is dat niet het geval, dan riskeert ons land heel wat schadevergoedingen te moeten ophoesten.

 

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen.

 

Ten eerste, hoeveel geïnterneerden verblijven vandaag in een gewone gevangeniscel, verstoken van de nodige zorgen?

 

Ten tweede, hoeveel schadeclaims zijn er momenteel hangende?

 

Ten derde, wat zult u doen opdat tegen 6 december 2018 geen enkele geïnterneerde nog in een gevangeniscel moet verblijven?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, er verblijven vandaag geen geïnterneerden in gewone gevangeniscellen. Op 17 april verbleven 549 geïnterneerden in de Belgische gevangenissen, van wie 168 in de psychiatrische annexen en 376 in een inrichting tot bescherming van de maatschappij, te weten in Turnhout, Merkplas en Paifve. De 5 overige personen van de 549 verbleven om medische redenen in een medisch centrum.

 

In totaal hebben 204 geïnterneerden hetzij via een dagvaarding voor de burgerlijke rechtbank, hetzij in der minne een verzoek tot schadeloosstelling uitgebracht.

 

De interneringswet bepaalt dat een geïnterneerde persoon voor de duur van maximum een maand kan worden geplaatst in een psychiatrische annex van de gevangenis in geval van schorsing van een invrijheidstelling op proef of van elektronisch toezicht.

 

In geval van voorlopige aanhouding bepaalt de interneringswet dat de geïnterneerde ook naar de psychiatrische afdeling van de gevangenis kan worden gebracht, weliswaar voor korte duur. Ik geef u dit mee omdat het niet correct is te verklaren dat er nooit nog geïnterneerden zouden worden opgesloten.

 

Bovendien kunnen geïnterneerden volgens de wet ook geplaatst worden in een afdeling ter bescherming van de maatschappij, zoals de drie genoemden te Paifve, Turnhout en Merksplas.

 

De minister van Volksgezondheid creëert voor het jaar 2018 nog bijkomende plaatsen in het reguliere circuit, om geïnterneerden daarheen te laten uitstromen. Er worden hierbij inspanningen gedaan om ook deze geïnterneerden op te nemen waarvoor niet gemakkelijk een extern zorgtraject wordt gevonden, zijnde de personen met zowel gedragsstoornissen, geestesstoornissen als verstandelijke beperkingen. Men noemt dat de gevallen van comorbiditeit.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "het terughalen van kinderen van Belgische IS-strijders" (nr. 25198)

08 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "le rapatriement des enfants de combattants belges partis en Syrie" (n° 25198)

 

08.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, nu de gebieden van het zogenaamde kalifaat bevrijd zijn, stelt zich het menselijke probleem omtrent het lot van de kinderen van de Belgische IS-strijders.

 

Van zodra een kind Belg is, heeft het recht op bescherming van de Belgische overheid. ln principe kan men vrijwillig terugkeren, maar als dit niet op het terrein georganiseerd wordt, dreigen de rechten van deze kinderen geschonden te worden. Federaal procureur, Frédéric Van Leeuw, zegt dat we het lijden van deze kinderen niet nog erger moeten maken en dat eveneens aan hun familie moet worden gedacht.

 

Ook de kinderrechtencommissaris, Bruno Vanobbergen, staat achter de oproep van Unicef en kinderrechtenorganisaties ter plaatse om deze kinderen veilig begeleid terug naar België te halen. Daarbij is de kans groot dat deze kinderen onder de radar zullen verdwijnen wanneer de vluchtelingenkampen en gevangenissen opengesteld zullen worden. Het lijkt dus ook voor de veiligheid op lange termijn het beste om deze kinderen nu georganiseerd terug te halen, ook al zijn de omstandigheden niet eenvoudig.

 

lk heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, wat is de houding van de regering omtrent het georganiseerd terughalen van kinderen met de Belgische nationaliteit uit Syrië?

 

Ten tweede, wordt er actief ingezet om kinderen terug te halen naar België, bijvoorbeeld aan de hand van een missie die kan inventariseren en de noden bepalen? Zo ja, hoe verloopt dit? Zo neen, waarom niet?

 

Ten derde, welke inspanning wordt er gedaan om deze kinderen na terugkomst te begeleiden?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Hecke, ik ben ervan overtuigd dat het essentieel is om rekening te houden met de situatie van de minderjarigen die zich in Syrië of Irak bevinden en die de Belgische nationaliteit hebben of aldaar geboren zijn, en voor wie de Belgische nationaliteit kan worden vastgesteld.

 

Ik houd bijzonder aan de eerbiediging van de internationale instrumenten inzake de rechten van kinderen en ik heb er dan ook op aangedrongen dat de kwestie zou worden besproken in de Nationale Veiligheidsraad.

 

De Nationale Veiligheidsraad heeft besloten dat, in principe, bijstand bij terugkeer moet worden toegekend aan minderjarigen onder de 10 jaar, en dat over deze bijstand geval per geval zal worden beslist bij minderjarigen die meer dan 10 jaar oud zijn. De verschillende diensten bespreken momenteel de procedure die in plaats moet worden gesteld.

 

Dit betekent niet dat er geen hulp bij de terugkeer zal worden verleend aan minderjarigen ouder dan 10 jaar. Wij moeten in die gevallen rekening houden met de risico's van militaire training en indoctrinatie die deze kinderen kunnen hebben ondergaan, alsook met de impact van hun terugkeer en met de te nemen maatregelen.

 

Een nauwe samenwerking met de Gemeenschappen is in dat verband noodzakelijk omdat de opvolging van de kinderen in de eerste plaats onder hun bevoegdheid valt, zowel op het vlak van de hulp aan minderjarigen als op het vlak van de jeugdbescherming.

 

Ik ben op dit moment niet in staat om meer toelichting te geven en verwijs u naar de minister van Buitenlandse Zaken voor wat diens bevoegdheid betreft.

 

08.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is een heel belangrijke problematiek.

 

U zei dat de zaak is besproken door de Nationale Veiligheidsraad, waar er werd beslist om absoluut bijstand te verlenen in het geval van kinderen onder tien jaar. Uit de cijfers die wij hebben, blijkt dat het voor het overgrote deel van de minderjarigen gaat om kinderen jonger dan tien jaar, van wie de meeste zelfs minder dan zes jaar oud zijn. Dat probleem van militaire training stelt zich daar dus eigenlijk niet. Dat zal maar van toepassing zijn op een heel klein deel van de betrokkenen.

 

Als wij A zeggen, moeten wij echter ook B zeggen. Als de regering zegt dat zij bijstand wil verlenen om die kinderen naar België te halen, dan moet dat ook op een georganiseerde manier gebeuren. Als men alleen maar zegt dat men bijstand zal bieden en voor het overige niets doet, dan zullen die kinderen niet zomaar naar België gebracht kunnen worden.

 

Ik zal uw suggestie volgen en ook een vraag stellen aan de minister van Buitenlandse Zaken, want ik vermoed dat het eerder zijn bevoegdheid zal zijn. In ieder geval, iedereen kijkt naar de regering, iedereen kijkt naar u: Unicef, de kinderrechtencommissaris, zelfs de federale procureur, de families in België. Ik hoop dat de regering – u wat uw bevoegdheid betreft en de minister van Buitenlandse Zaken – de komende dagen en weken inspanningen zal doen om daarin vooruitgang te boeken zodat de kinderen in België kunnen worden opgevangen. Zij hebben geen schuld aan wat hun ouders hebben gedaan. Dat waren soms vreselijke zaken, maar kinderen van minder dan zes of tien jaar kunnen wij niet mee verantwoordelijk stellen voor de daden van hun ouders.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "la procédure suite à la saisie de GSM derrière les barreaux" (n° 25028)

09 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de procedure bij de inbeslagname van een gsm in de gevangenis" (nr. 25028)

 

09.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le président, je suis accompagné aujourd'hui d'un stagiaire qui vient de l'Institut d'études politiques de Paris.

 

Monsieur le ministre, vous m’avez récemment répondu de manière précise au sujet des saisies de téléphones portables en prison ainsi que du nouveau système de sweeping. Vous m’aviez, à cette occasion, proposé de vous interroger à nouveau au sujet des suites données à ces saisies. Je reviens donc vers vous afin que vous puissiez m’expliquer concrètement ce qui se passe une fois qu’un gsm est trouvé dans une cellule.

 

La cellule est-elle fouillée plus en profondeur afin de trouver d’éventuels d’autres objets ainsi que le câble de rechargement? Les détenus occupant la cellule sont-ils tous interrogés afin de savoir quel usage précis était fait du téléphone? Que devient le téléphone en lui-même? Est-il conservé et rendu au détenu à sa sortie ou est-il vendu, détruit, offert à une association ou autre? Enfin, les détenus ainsi pris encourent-ils automatiquement des sanctions comme le cachot?

 

09.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, de manière générale, lors d'un contrôle sweeping, lorsque l'appareil détecte la présence d'un gsm dans une cellule, il est absolument certain que le gsm s'y trouve. Il est dès lors saisi. Logiquement l'on analyse ensuite si d'autres objets - clé USB, carte SIM, carte mémoire, chargeur - sont présents, ce qui implique une fouille approfondie de la cellule.

 

Chaque détection d'un gsm donne lieu à l'entame d'une procédure disciplinaire. La question de l'utilisation du gsm est abordée avec les détenus lors de l'audience dans le cadre de cette procédure disciplinaire. S'il existe des indications selon lesquelles le gsm aurait été utilisé à des fins pénales, celui-ci est tenu à disposition des autorités judiciaires. S'il est très clair que ce n'est pas le cas, il est conservé jusqu'à la libération du détenu.

 

Les sanctions sont prévues dans la loi de principes. La possession d'un gsm est une infraction disciplinaire de la première catégorie. Le détenu trouvé en possession d'un gsm peut donc être sanctionné d'une sanction disciplinaire générale ou particulière, telle que prévue dans ladite loi.

 

09.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. J'aurais peut-être dû également vous demander si l'attitude était identique dans les quartiers où se trouvaient des détenus radicalisés.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "het systeem van de plaatsvervangende rechters" (nr. 25202)

10 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "le système de juges suppléants" (n° 25202)

 

10.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, volgens uw antwoord op mijn schriftelijke vraag van 17 januari 2017 telde ons land in 2016 net geen 1 600 plaatsvervangende raadsheren en rechters, meer bepaald 1 597, of ongeveer 130 minder dan in 2012. De daling is vooral te wijten aan de plaatsvervangers op het niveau van de hoven van beroep en de vredegerechten.

 

Plaatsvervangers leveren meestal goed werk, maar gaan ook vaak gebukt onder een gebrek aan statuut en behoorlijk loon. Problematisch zijn de langdurige structurele vervangingen van magistraten, waarbij men in het systeem van werkend magistraat komt en de helft van de magistratenwedde ontvangt.

 

Het systeem van plaatsvervangende rechters krijgt al langer kritiek, onder andere van de Orde van Vlaamse Balies, die in haar memorandum van 2014 het volgende stelde: “De OVB blijft zich nadrukkelijk kanten tegen de structurele inzet van advocaten als plaatsvervangende rechters. Een betere benutting van het beschikbare magistratenkorps kan de gerechtelijke achterstand oplossen. De OVB vraagt om een pool van toegevoegde rechters samen te stellen voor de vervanging van magistraten die om één of andere reden verhinderd zijn.”

 

Er is ook al langer kritiek van De Hoge Raad voor Justitie, die in 2004 en 2011 de problemen schetste in haar adviezen en als mogelijke oplossingen voorstellen deed op het vlak van opleiding, inkorting van de duurtijd van de functie en evaluatie, financiële voorwaarden, toegang tot de legislatuur en leeftijdsvoorwaarden.

 

Last but not least is er ook kritiek van de GRECO, de anticorruptiewerkgroep van de Raad van Europa, die ons land al in 2015 om strengere voorwaarden vroeg om plaatsvervangend rechter te worden, alsook maatregelen om belangenvermenging uit te sluiten. Tegen de deadline van oktober 2017 moesten er maatregelen genomen worden, en moest er een nieuw verslag komen over de geboekte vooruitgang.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, wat is de verhouding plaatsvervangende raadsheren en rechters versus werkende magistraten en parketmagistraten? Wat is het percentage advocaten onder de plaatsvervangers?

 

Ten tweede, aan hoeveel voltijds equivalenten zijn de plaatsvervangers gelijkgesteld?

 

Ten derde, in verband met de GRECO, wat is de inhoud van het meest recente rapport dat we de GRECO hebben gestuurd? Hoe heeft de GRECO geoordeeld over dit rapport? Werd dit voldoende geacht?

 

Ten vierde, wat was in de budgetten voor 2016 en 2017 het bedrag aan loon uitbetaald aan magistraten en wat was het bedrag aan loon uitbetaald aan plaatsvervangende magistraten?

 

Ten vijfde, welke maatregelen zitten eventueel nog in de pijplijn?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, er zijn momenteel 1 531 plaatsvervangende magistraten en raadsheren tegenover 2 383 effectieve magistraten.

 

Plaatsvervangende magistraten hebben geen gewone bezigheden. Zij worden benoemd, om verhinderde rechters, raadsheren of leden van het openbaar ministerie tijdelijk te vervangen. Zij kunnen worden opgeroepen zitting te nemen, wanneer de bezetting niet volstaat, om de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen. Derwijze leveren zij in beginsel occasionele prestaties, die dermate gevarieerd zijn dat zij niet in voltijdse equivalenten kunnen worden uitgedrukt.

 

De personeelsuitgaven voor magistraten in de rechterlijke orde bedroegen in 2017 net geen 299 miljoen euro. Daarin is een totaal van 1,8 miljoen euro inbegrepen voor de verloning van plaatsvervangende magistraten.

 

Naar aanleiding van de aanbevelingen die door de GRECO zijn gedaan over een hervorming van de voorwaarden om een beroep te doen op de plaatsvervangende rechters, werd een aantal mogelijke maatregelen aan de GRECO voorgelegd, bijvoorbeeld op het vlak van opleiding, deontologie en aanwerving.

 

De GRECO stelt positief te staan tegenover de voorgestelde maatregelen, die bepaalde in het evaluatieverslag vastgestelde hiaten zouden moeten verhelpen. De GRECO roept België op de aangekondigde maatregelen met supervisie en effectieve sancties te vervolledigen.

 

In antwoord op uw laatste vraag kan worden gewezen op de besprekingen omtrent het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met name over de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. Dat is het parlementair document nr. 2919, meer bepaald pagina 688.

 

Daarin wordt de onverenigbaarheid opgenomen in artikel 298 van het Gerechtelijk Wetboek, uitgebreid naar bezoldigde bemiddelaars, met uitzondering van plaatsvervangende rechters, voor wie de onverenigbaarheid beperkt blijft tot de bemiddeling in zaken waarin een van de partijen haar woonplaats heeft in het rechtsgebied waarin de betrokken magistraat is benoemd.

 

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lahaye-Battheu, ik dank u.

 

10.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik hoorde dat een aantal maatregelen werd voorgesteld in het laatste rapport aan de GRECO. De GRECO zou dit positief hebben beoordeeld. Als ik het goed heb gelezen, hebben wij weer een onvoldoende gekregen.

 

Het inzetten van plaatsvervangers gaat over de dagelijkse werking van Justitie, mijnheer de minister. Het gaat ook over het vertrouwen van de burger in Justitie en de ondersteuning door de advocatuur van de magistratuur. Vandaag gebeurt dit laatste soms al te lang en soms ook al te vaak waardoor er scheeftrekkingen zijn.

 

Ik weet dat het probleem niet van gisteren dateert. Het is al lang gekend. Ik weet ook dat u veel op uw bord hebt, maar ik meen dat dit toch een item is dat dringend moet worden aangepakt.

 

U kondigt een en ander aan in uw wetsontwerp, maar ik meen dat de problematiek van de plaatsvervangende rechters ernstig genoeg is om prioritair te worden aangepakt zodat het vertrouwen in Justitie kan worden hersteld en het gevoel van sommige advocaten, die al te vaak worden opgeroepen als plaatsvervanger tegen vaak geen verloning, de wereld kan worden uitgeholpen.

 

Ik zal dit thema verder opvolgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Mme Valerie Van Peel étant absente, sa question n° 25116 est sans objet. Il en est de même pour la question n° 25035 de Mme Daphné Dumery. La question n° 25239 de M. Gilles Vanden Burre est transformée en question écrite.

 

11 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au ministre de la Justice sur "le décès probable par overdose d'un détenu de la prison de Mons" (n° 25224)

11 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de minister van Justitie over "de vermoedelijke dood door een overdosis van een gedetineerde in de gevangenis van Bergen" (nr. 25224)

 

11.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, un détenu a été retrouvé mort le samedi 21 avril dernier dans sa cellule de l’aile A de la prison de Mons. D’après les premières constatations, il aurait fait une overdose, ce qui est un peu étrange dans une prison.

 

Monsieur le ministre, à l’heure où je vous pose cette question, tous les premiers devoirs d’enquête auront été effectués. Avez-vous reçu les premières conclusions du médecin légiste? S’agit-il bien d’une overdose? Dans cette éventualité, quelles sont les quantités retrouvées dans son sang? Toujours dans l’affirmative, quel type de substance est-il à l’origine de ce décès?

 

Je peux bien comprendre que pour le premier volet, il y a l'aspect privé, personnel et celui de l'enquête mais je reste surtout interpellé par la question de savoir par quels moyens ces substances entrent en prison. Quelles sont les mesures prises afin d’enrayer ce phénomène car une overdose en prison, c'est quand même particulier? Quelles sont les prisons les plus touchées par la consommation illicite de produits stupéfiants? Quelle est l’évolution de ce phénomène depuis les cinq dernières années?

 

11.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Flahaux, un dossier judiciaire a été ouvert au sujet de ce décès à la prison de Mons. Toutefois, étant donné que l'enquête judiciaire est toujours en cours, nous ne sommes pas en mesure de vous répondre pour le moment quant à ce cas précis.

 

Le vecteur d'introduction de stupéfiants le plus utilisé reste sans doute celui des visites, qui se déroulent parfois hors de toute surveillance.

 

Les différentes modalités d'exécution de la peine dont bénéficient les détenus – permissions de sortie et congés pénitentiaires – constituent un autre canal par lequel les stupéfiants parviennent à rentrer dans les établissements.

 

Certaines prisons connaissent également des phénomènes de largage dans les préaux. Des fournisseurs ou des sociétés extérieures amenés à entrer dans les établissements peuvent aussi participer à de tels trafics.

 

Enfin, il ne peut être exclu que certains membres du personnel se livrent à un trafic de substances illicites ou d'objets prohibés – et ce, malgré les risques encourus en cas de découverte de ces pratiques illégales.

 

Parmi les moyens pouvant y parer, je puis vous citer les mesures générales de contrôle et de détection à l'entrée de la prison. En outre, des contrôles à l'aide de chiens dépisteurs de drogue sont organisés en collaboration avec les services de police. Chaque prison dispose par ailleurs d'un plan de fouille, déterminant les indications sur la base desquelles les détenus peuvent être fouillés, ainsi que les cellules et les espaces communs devant être inspectés ou encore la fréquence de ces investigations. Bien entendu, les observations du comportement des détenus y jouent un rôle majeur. Ceux qui sont trouvés en possession de produits psychotropes sont sanctionnés disciplinairement. De plus, les faits qui sont portés à leur charge sont dénoncés auprès des autorités judiciaires.

 

Tous les établissements pénitentiaires sont concernés par le phénomène de l'usage des drogues et cela n'aurait aucun sens d'établir un classement de cette nature. Il est communément admis qu'un tiers des détenus reconnaît une consommation de substances illicites au sein de la prison. Ils sont par contre près de deux tiers à déclarer avoir déjà consommé une substance illégale au cours de leur vie.

 

Les produits les plus consommés sont, par ordre décroissant: le cannabis, l'héroïne, les benzodiazépines, les produits psychostimulants de type cocaïne ou amphétamines.

 

11.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et fouillée. Il est vrai que malgré tout, le phénomène de cette overdose ayant probablement entraîné le décès a eu lieu. Vos derniers chiffres m'interpellent franchement. Je ne crois pas qu'au sein de la population globale, un tiers des personnes consomment des stupéfiants. Or, c'est le chiffre que vous citez.

 

Si vous vous souvenez bien, je vous ai posé des questions semblables à propos de la cigarette. Cela avait créé une polémique en Belgique francophone. Une émission de radio, au cours de laquelle j'ai été interpellé à ce sujet, a même eu lieu. Sur la base des dires d'un ancien directeur de la prison de Lantin, on constatait qu'à la sortie de prison, on comptait plus de fumeurs qu'à l'entrée. C'est probablement la même chose pour la drogue. Normalement, la prison doit être la peine en soi. Si les détenus deviennent en plus fumeurs et drogués, il s'agit d'une seconde peine.

 

J'ai conscience qu'il s'agit d'un problème de moyens, notamment en matière de contrôle. Ce n'est pas facile, mais il convient de se pencher sur cette problématique. Je ne me fais pas d'illusion. Lorsque les gens sortent de prison et consomment des cigarettes, ce n'est pas encore un mal majeur. Mais s'il s'agit de drogue, ils voudront continuer à consommer. D'une part, c'est illégal et, d'autre part, pour consommer, il faut des moyens. Malheureusement, les moyens pour se procurer de la drogue n'entraînent pas des réactions très positives.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 15.38 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.38 uur.