Commissie voor de Justitie

Commission de la Justice

 

van

 

Woensdag 13 juni 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 13 juin 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 15.40 heures et présidée par M. Philippe Goffin.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 15.40 uur en voorgezeten door de heer Philippe Goffin.

 

01 Vraag van de heer Peter De Roover aan de minister van Justitie over "het OCAD-rapport inzake de Grote Moskee" (nr. 25751)

01 Question de M. Peter De Roover au ministre de la Justice sur "le rapport de l'OCAM concernant la Grande Mosquée" (n° 25751)

 

01.01  Peter De Roover (N-VA): Mijnheer de minister, het OCAD heeft recent een rapport uitgebracht waarin uitvoerig onderzoek werd gedaan naar het lesmateriaal dat voor de imamopleiding binnen de Grote Moskee wordt gebruikt. Als lid van de opvolgingscommissie Terroristische aanslagen heb ik dat rapport ontvangen. U hebt dat als minister van Justitie ongetwijfeld ook gekregen.

 

Ik mag niet uit dat rapport citeren want het was vertrouwelijk, maar het was gebaseerd op openbronnenmateriaal. U zult samen met mij hebben vastgesteld dat de teksten die vrij toegankelijk zijn, in extreme mate aanzetten tot haat, geweld en discriminatie tegenover verschillende groepen: ongelovigen, joden, homo's enzovoort.

 

De boeken dienen als basis van een doctrine waarin zulke haat klaarblijkelijk continue wordt gepropageerd.

 

Ons land kent een uitgebreid arsenaal aan regelgevingen die aanzetten tot discriminatie, haat en geweld beteugelen. Het spreekt voor zich dat deze wetgeving dient te worden toegepast om een einde te maken aan deze praktijken. Over dit specifieke OCAD-rapport en de praktijken die erin worden beschreven inzake de Grote Moskee heb ik dan ook volgende vragen.

 

Ten eerste, is het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van dit rapport dat duidelijk het bestaan van een aantal misdrijven vaststelt?

 

Ten tweede, er wordt wel eens gezegd dat het moeilijk is om dit soort praktijken strafrechtelijk te vervolgen omdat dit louter drukpersmisdrijven zouden zijn die enkel door het hof van assisen berecht kunnen worden. Drukpersmisdrijven ingegeven door racisme of xenofobie, kunnen wel door de correctionele rechtbank berecht worden. Hoe staat u tegenover dit probleem? Wat met het misdrijf "aanzetten tot discriminatie, haat en/of geweld"? Het aangetroffen materiaal wordt gebruikt om mensen te onderrichten. Men kan dus bezwaarlijk stellen dat dit een louter drukpersmisdrijf betreft. Zijn er bezwaren die dit type misdrijf moeilijk vervolgbaar maken?

 

Ten derde, de regering heeft het proces in gang gezet om de concessie van de Grote Moskee op te zeggen. Ik heb een citaat uit het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie naar de terreuraanslagen van 22 maart in de schriftelijke versie van mijn vraag opgenomen. U heeft daarvan een kopie dus hoef ik dit niet voor te lezen. Welke stappen zijn u al ondernomen om deze aanbeveling om te zetten? Op welke manier zal ervoor worden gezorgd dat alle stromingen binnen de Belgische islam zullen vertegenwoordigd zijn?

 

Ook de Moslimexecutieve staat onder invloed van het buitenland, onder meer Marokko en Turkije. Zijn zij de aangewezen partner om een belangrijke rol op te nemen in de nieuwe invulling van de Grote Moskee? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat een nieuwe generatie jonge imams die een islam belijden die congruent is met onze normen en waarden, hun plaats krijgen in de nieuwe Grote Moskee?

 

01.02 Minister Koen Geens: Mijnheer De Roover, het parket-generaal van Brussel bevestigt dat na analyse van de nota van het OCAD een opsporingsonderzoek werd geopend naar mogelijke inbreuken op onder meer de antiracisme- en antidiscriminatiewetgeving. Indien het onderzoek voldoende elementen in die zin oplevert is het correct dat drukpersmisdrijven ingegeven door racisme en xenofobie voor de correctionele rechtbank kunnen worden gedagvaard. Een assisenprocedure is daarvoor dus niet noodzakelijk.

 

Bij misdrijven inzake discriminatie stellen zich in de praktijk soms moeilijkheden bij het aantonen van het bijzonder opzet in hoofde van de verdachte aangezien het misdrijf zich situeert op de dunne lijn tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting en anderzijds het strafbaar aanzetten tot discriminatie. Het is de rechter die hier uiteindelijk over zal oordelen mocht het parket overgaan tot dagvaardig.

 

Inzake de opvolging van de aanbevelingen over de Grote Moskee werd binnen de federale regering onder covoorzitterschap van Justitie en Binnenlandse Zaken een pilootgroep opgericht. Deze pilootgroep heeft zich, ondersteund door de technische en veiligheidsdiensten, al herhaaldelijk gebogen over de uitwerking van een nieuwe structuur, een financieringsmodel, een nieuwe concessie en de voorwaarden verbonden aan deze concessie.

 

Precies om een zo groot mogelijk aantal stromingen waaronder ook een nieuwe generatie van jonge imams binnen de Belgische islam de kans te geven vertegenwoordigd te zijn in deze moskee besliste de Ministerraad van 16 maart dit jaar dat niet alleen het Executief van de Moslims van België in de moskee kan worden gehuisvest maar daarnaast ook de lokale geloofsgemeenschap en eventueel ook een instituut voor de studie van de islam en/of een instelling die de islamitische cultuur tentoonstelt.

 

Aangezien uw overige vragen een lopend onderzoek betreffen dien ik mij te beperken tot wat ik u heb meegedeeld.

 

01.03  Peter De Roover (N-VA): Mijnheer de minister, u hebt op een aantal vragen een duidelijk antwoord gegeven. Nu heeft men gewacht op het rapport van het OCAD terwijl de gegevens die erin verschenen zijn uit open bronnen komen. Men had dus wellicht al eerder kunnen optreden.

 

Misschien zouden de parketten wat dat betreft wat actiever kunnen zijn.

 

Wat het derde deel van mijn vraag over de Grote Moskee betreft, wil ik er hoe dan ook op wijzen – heel recent is er in Nederland daarover nog wat commotie geweest – dat de impact van Marokko en Turkije op het Executief van de Moslims van België en op een aantal geloofsgemeenschappen natuurlijk onmiskenbaar is en dat een opvolgingsbeleid daar zeker meer dan op zijn plaats is. Ik herhaal de essentie: er is uiteraard plaats bij ons voor de islam, maar die moet worden beleden en kunnen worden beleden binnen de congruentie van onze normen en waarden. Ik denk dat wij het daar allemaal over eens zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van de heer Brecht Vermeulen aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen, over "de financiering van moskeeën met geld uit de drugshandel" (nr. 25728)

02 Question de M. Brecht Vermeulen au vice-premier ministre et ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, chargé de la Régie des Bâtiments, sur "le financement de mosquées par des fonds issus du trafic de stupéfiants" (n° 25728)

 

02.01  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, deze vraag handelt over een aantal zeer actuele thema's in mijn provincie. In Kortrijk is de islamitische gemeenschap bezig met de aankoop van een recent winkelpand om er een moskee in onder te brengen. De kostprijs voor de aankoop, de aankoopkosten en de verbouwingswerken zou 4,8 miljoen euro bedragen. Ook in Roeselare wil de vzw El Nour een moskee verhuizen naar een andere locatie. Ze heeft daarom een pand gekocht van 700 000 euro. De aankoopkosten en de verbouwingskosten zullen samen een stuk boven 1,2 miljoen euro uitkomen.

 

Het is onduidelijk waar het geld vandaan komt. In dossiers voor de aanvraag van een erkenning luidt de verantwoording doorgaans dat er activiteiten zijn en inzamelingen gedaan worden. Die inzamelingen zouden niet alleen bij de lokale geloofsgemeenschap gebeuren, maar ook in andere moskeeën in België en zelfs bij geloofsgenoten in Noord-Frankrijk. Het is natuurlijk ook bekend dat sommige moskeeën rechtstreeks vanuit Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar geld krijgen. Het is wel typisch dat er bij inzamelingen bij particulieren kasgeld wordt afgegeven. Het laten circuleren van grote sommen kasgeld is natuurlijk ook een gemakkelijke manier om zwart geld of crimineel geld wit te wassen.

 

In een artikel van 2006 in Humo werd al gealludeerd dat drugsgeld werd gebruikt voor de financiering van de Pakistaanse moskee in Antwerpen. Een Panoreportage van 13 december 2017 werd gewijd aan de drugsmaffia in Antwerpen. Reportagemaker Stefaan Meerbergen zei in De Afspraak de dag daarna: "Wij hebben uit zeer betrouwbare bron vernomen dat voornamelijk in Nederland moskeeën met drugsgeld worden gefinancierd, maar ook in Antwerpen zijn er moskeeën die maandelijks geld uit de drugswereld krijgen. Sommigen zeggen zelfs dat dit de reden is waarom sommige moskeeën geen erkenning aanvragen, omdat ze dan ook financiële openheid moeten bieden".

 

Roeselaarnaars zegden mij ook al herhaaldelijk dat mensen uit de drugshandel bij de moskeewerking betrokken zijn. Ik ga dat niet bevestigen of ontkennen. Ik ga ook niet beweren dat alle moslims drugsdealers zijn of dat alle moskeebesturen bewust crimineel drugsgeld gebruiken om hun werking te financieren. Dat inzamelingen bij enkele honderden of duizenden gelovigen, waarvan velen geen hoog inkomen uit arbeid hebben, toch dergelijke sommen kunnen opleveren vind ik wel opvallend, zeker als dat wordt gecombineerd met de geruchten dat drugsgeld wordt witgewassen.

 

In Nederland loopt momenteel, zowel in de Tweede kamer als in verschillende gemeenten, een debat over de transparantie en de controle op de financiering van moskeeën. Ik zal het daarover overmorgen ook informeel hebben met mijn collega's van het Benelux-parlement.

 

Mijnheer de minister, in hoeverre bent u op de hoogte van de beweringen dat sommige moskeeën via zogezegde inzamelingen of activiteiten met drugsgeld zouden worden gefinancierd? Bestaat er een specifieke werking bij de federale politie, bij het parket of bij de Veiligheid van de Staat die dit opvolgt? Zijn er specifieke instructies in het kader van de bouw of de aankoop van een nieuw moskeegebouw?

 

Werden na de Panoreportage van december 2017 extra maatregelen genomen om te onderzoeken of drugsgeld voor de financiering van moskeeën wordt gebruikt?

 

Wordt de herkomst van de middelen onderzocht in het geval van grote uitgaven zoals de aankoop van een gebouw, bestemd voor een nieuwe moskee? Zo ja, op welke manier?

 

Bent u van mening dat er meer transparantie en controle op de financiering van moskeeën moet komen? Zo ja, hoe ziet u dit? Bestaat hierover een samenwerking met Nederland of met andere ons omringende landen?

 

Zou het nuttig zijn dat lokale besturen in de toekomst bepaalde bestuurlijke maatregelen kunnen nemen met betrekking tot de vestiging en uitbating van een nieuwe moskee? Zo ja, hoe ziet u dit?

 

02.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Vermeulen, de voorbije jaren meldde de Cel voor Financiële Informatieverwerking verschillende dossiers aan de parketten waarin onroerende goederen werden aangekocht door vzw’s met een religieus-maatschappelijk doel. De reden voor de aanmelding was telkens het feit dat die aankopen werden uitgevoerd met fondsen in contanten op de rekeningen van een vzw gestort. De onroerende goederen dienden meestal als moskee of als culturele ruimte.

 

De stortingen in contanten komen vaak voort uit de giften die de gelovigen hebben verricht. De precieze herkomst van soms omvangrijke cashstortingen op de rekening van een vereniging met een religieus-maatschappelijk doel is omwille van de aard van de verrichting niet altijd te achterhalen, wat dan ook de reden is voor de Cel voor Financiële Informatieverwerking om de verrichtingen te melden bij het openbaar ministerie. Om de onderzoeken niet te schaden, kan ik uiteraard geen verdere informatie meedelen. Ik verwijs u ter zake naar de jaarverslagen van de CFI.

 

Voorlopig heeft de Cel voor Financiële Informatieverwerking geen enkel dossier behandeld waarin duidelijk bleek dat opbrengsten uit drugshandel werden geïnvesteerd in de werking van een moskee of dienden voor de aankoop van een onroerend goed door een moskee.

 

Ook de Veiligheid van de Staat heeft in het kader van haar werkzaamheden soms informatie over de vermeende criminele oorsprong van giften aan geloofsgemeenschappen verkregen. Ook die werden te gepasten tijde aan de bevoegde instanties bezorgd.

 

Wat de erkende lokale geloofsgemeenschappen betreft, wordt specifiek nazicht uitgevoerd van de herkomst van de financiering. De gemeenschappelijke omzendbrief van 20 juni 2017, die ik samen met mijn collega’s van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, Financiën, Defensie en Asiel en Migratie, heb opgesteld, heeft daartoe een nieuwe procedure tot stand gebracht. Dankzij die nieuwe omzendbrief zijn verschillende diensten structureel betrokken bij het tot stand komen van het nieuwe advies of de herevaluatie van een bestaand advies. Elke dienst heeft een specifieke taak waarbij de aandacht ligt op terrorisme, extremisme, radicalisme, inmenging, spionage en georganiseerde criminaliteit. Ook de financiering van de geloofsgemeenschap wordt daarbij nader onderzocht. Op basis van dat advies neemt de erkennende overheid, zijnde het Gewest of de Duitstalige Gemeenschap, een beslissing over de erkenning.

 

Wat de niet-erkende geloofsgemeenschappen betreft, zijn er actueel reeds mogelijkheden om informatie aan de lokale besturen mee te delen door het parket of de inlichtingendiensten, op basis waarvan de gemeente maatregelen kan nemen die voorzien zijn in de nieuwe gemeentewet.

 

Laat mij tot slot zeggen dat deze morgen op basis van aanbevelingen 148 en 149 van de parlementaire onderzoekscommissie-terrorisme de eerste minister en ikzelf samen met de Belgische erkende geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke overtuigingen een verklaring hebben ondertekend inzake transparantie. De bedoeling daarvan is dat de interne werking van de verschillende geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke overtuigingen wordt gestructureerd in de vorm van rechtspersonen, die volledig transparant hun jaarrekeningen ter beschikking zullen houden.

 

In dat kader zullen wij ook de regelgeving inzake vennootschappen en verenigingen aanpassen om ervoor te zorgen dat elk van die rechtspersonen te allen tijde een lijst bij zich houdt waarop alle donateurs, boven een zeker bedrag, worden bijgehouden.

 

Dat is werk voor deze zomer, maar de verklaring werd deze morgen getekend. In gevolge die verklaring zal er in het najaar een charter worden opgesteld tussen de FOD Justitie en de erkende geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke overtuigingen.

 

02.03  Brecht Vermeulen (N-VA): Mijnheer de minister, de precieze herkomst achterhalen van baar geld is volgens u moeilijk en dat klopt inderdaad. Er is volgens u geen enkel dossier gekend, goed wetende dat er rond dit thema zoveel geruchten worden verspreid – al dan niet terecht. Ofwel worden deze geruchten ooit ontkracht ofwel bevestigd. Het feit dat de beweringen niet worden ontkend, lijkt mij gevaarlijk.

 

Ik ben zeer tevreden over het laatste gedeelte van uw antwoord waarin u uitdrukkelijk verwijst naar de noodzakelijke transparantie van die vzw's. Het gaat dan over hun jaarrekeningen, maar zeker ook over lijsten van donateurs. Dit laatste vormt het belangrijkste onderdeel. Men verlaat de anonimiteit en vanuit die transparantie kunnen een aantal zaken duidelijk worden over het al dan niet legale karakter van het geld.

 

Wij zullen geen conclusies trekken op voorhand, maar wij zullen dit zeker goed opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "het snelrecht in Brussel" (nr. 25754)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het snelrecht bij het parket van Brussel" (nr. 25781)

03 Questions jointes de

- Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la procédure de justice accélérée à Bruxelles" (n° 25754)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la procédure accélérée au sein du parquet de Bruxelles" (n° 25781)

 

03.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, deze vraag is intussen al enkele weken oud. Wij vernamen dat het parket van Brussel geen verdachten meer kan vervolgen via snelrecht omdat de snelrechtzittingen van de Franstalige correctionele rechtbank volzet zouden zijn. Uit een recent antwoord van u blijkt dat het aantal berechtingen via snelrecht in Brussel de afgelopen jaren zeer sterk is gestegen, met meer dan een verdubbeling tussen 2015 en 2016.

 

Ten eerste, wat is de oorzaak van dit capaciteitsprobleem? Hoe valt het op te lossen? Waarom werd er niet geanticipeerd op mogelijke problemen met betrekking tot de organisatie van die zittingen, gelet op de felle stijging in het verleden?

 

Ten tweede, is er bij de Nederlandstalige rechtbank in Brussel ook een probleem of nog voldoende capaciteit om die zittingen te organiseren?

 

Ten derde, wat is de stand van zaken met betrekking tot de betwiste transfer van personeel van de Nederlandstalige rechtbank naar de Franstalige rechtbank? Hoeveel personeelsleden zijn momenteel nog actief op de Franstalige in de plaats van de Nederlandstalige rechtbank?

 

Ten vierde, de toepassing van het snelrecht is blijkbaar tussen 2015 en 2016 met 16 % gedaald, met hier en daar een  uitzondering. Op welke wijze wilt u het snelrecht verder stimuleren zodat de toepassing ervan terug toeneemt?

 

Ten zesde, wat is de gemiddelde duur in de snelrechtprocedure tussen de feiten die zijn gepleegd, de doorverwijzing naar de rechtbank en de effectieve behandeling?

 

03.02  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, de politie en het parket kunnen een verdachte via een snelrechtprocedure voor de rechter brengen. De verdachte moet dan binnen de twee maanden voor de rechtbank kunnen verschijnen. Ten tijde van het EK kon men binnen de week berecht worden, maar dit werd na afloop vernietigd door het Grondwettelijk Hof omwille van procedurele redenen. Ondanks het feit dat de termijn in de plaats van een week nu maximaal twee maanden is, kan het parket van Brussel voorlopig geen verdachten meer vervolgen via snelrecht. Alle zittingen van de Franstalige correctionele rechtbank in Brussel zitten vol. Dit betekent dat nieuwe zaken ten vroegste in september kunnen worden behandeld waardoor de termijn van twee maanden wordt overschreden.

 

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen.

 

Ten eerste, welke oplossing ziet u voor dit probleem?

 

Ten tweede, in januari 2018 meldde u nog dat u aan een hervorming van het snelrecht aan het werken was. Is dit ontwerp al klaar en op welke termijn moet de verdachte voor de rechtbank verschijnen volgens dit ontwerp?

 

03.03 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, mevrouw Lambrecht, uw vragen handelen over de capaciteit van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg kent een effectief van 104,2 voltijdsequivalenten voor een kader van 112. Dat is een kaderinvulling, met de twee lopende benoemingen, van 95 %.

 

Er zijn momenteel nog vier personeelsleden van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg naar de Franstalige rechtbank van eerste aanleg gedetacheerd, die aangerekend worden op het effectief van de Franstalige rechtbank en, gezien hun opdracht, geneutraliseerd zijn in de toestand en in het percentage van de Nederlandstalige rechtbank.

 

Wat de toepassing van het snelrecht betreft, heb ik van het parket-generaal van Brussel de volgende informatie gekregen. Voor de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel waren de zittingen met betrekking tot de snelrechtprocedure, namelijk de oproeping bij proces-verbaal, vastgesteld tot 15 juni. Totnogtoe heeft het parket nog geen kennis gekregen van nieuwe data voor dergelijke zittingen. De voorzitter van de Franstalige rechtbank heeft wel het parket ervan op de hoogte gebracht dat hij de hoorzittingen in het kader van snelrecht­procedures zal integreren binnen de vakantiezittingen van juli en augustus, en dit met een hogere frequentie dan tijdens het gerechtelijk jaar.

 

Voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel zijn geen zittingen vastgelegd. Uw vraag betreffende de gemiddelde duur in snelrechtprocedures tussen de feiten, de doorverwijzing naar de rechtbank en de effectieve behandeling betreft een vraag die verwerkt moet worden door de statistische analisten van het openbaar ministerie. Gelet op het korte tijdsbestek van uw mondelinge vraag kon die informatie niet worden verkregen.

 

Wij bekijken binnenkort binnen de regering welke wijzigingen wij kunnen aanbrengen aan het snelrecht. Er wordt onder andere gedacht aan een verkorting van de termijnen bij oproeping per proces-verbaal. Die zijn nu in artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering voor de oproeping bepaald op minimaal tien dagen tot twee maanden en voor de uitspraak op twee maanden.

 

03.04  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, wat de onterechte detachering betreft, ik heb daarover al verschillende keren vragen gesteld. Het is spijtig dat die nog altijd niet is rechtgezet, want ze is nu eenmaal ook onwettelijk. Ik hoop dat men de achterstand zal kunnen inhalen in de vakantiezittingen en dat men ervoor zal zorgen dat de zaken die nog niet vastgesteld werden dan zullen kunnen worden behandeld. Ik zal dat verder opvolgen.

 

Wat het snelrecht betreft, u weet dat wij daarover ook een wetsvoorstel hebben. Het is klaar om goedgekeurd te worden. Het is intussen al naar de Raad van State gestuurd en teruggekomen. De opmerkingen zijn verwerkt. Ik hoop dus dat wij daarvan snel werk kunnen maken en tot de stemming daarover kunnen overgaan.

 

03.05  Annick Lambrecht (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik vrees dat u niet zult willen antwoorden op mijn vraag wanneer binnenkort is?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de interpretatie van artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek" (nr. 25756)

04 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "l'interprétation de l'article 731 du Code judiciaire" (n° 25756)

 

04.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, artikel 731 betreft de verzoeningspogingen die mogelijk zijn voor onze rechtbanken. Het gaat ook over de kamers voor minnelijke schikking die samen met de oprichting van de familierechtbanken in het leven werden geroepen. In sommige interpretaties gaat men ervan uit dat deze kamers niet bevoegd zijn als voorafgaand een volledig akkoord werd gesloten tussen partijen waarvan de bekrachtiging wordt gevraagd.

 

Mijnheer de minister, onderschrijft u de interpretatie dat de kamers voor minnelijke schikking alleen bevoegd zijn als er nog een geschil is, dus niet als er een volledig akkoord is?

 

In welke arrondissementen wordt deze interpretatie gevolgd? Als deze interpretatie klopt, waar kunnen de partijen dan wel terecht voor de homologatie van hun vooraf gesloten akkoorden?

 

04.02 Minister Koen Geens: Overeenkomstig artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek kan een geschil worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking met het oog op een verzoening en dit voor elke zaak die voor dading vatbaar is.

 

Deze kamer is samengesteld uit een rechter die een gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd. De verzoening veronderstelt een actieve rol van de rechter, in die zin dat hij ertoe wordt gebracht om een advies te geven over de twistpunten en om concrete mogelijke oplossingen voor te stellen die goed door de partijen worden begrepen.

 

Als de partijen reeds overeenkomsten hebben gesloten, is het in principe niet meer nodig om hun standpunten te verzoenen voor de kamer voor minnelijke schikking en kunnen de partijen niet rechtstreeks een kamer voor minnelijke schikking vatten.

 

Overeenkomstig artikel 1043, eerste lid en artikel 1733, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek kan een rechter immers niet door de partijen worden gevat voor een verzoek tot homologatie indien er geen geschil is, tenzij de overeenkomst het gevolg is van een bemiddeling.

 

Gelet op het voorgaande deel ik de interpretatie van de rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen met betrekking tot de mogelijkheid om overeenkomsten te laten homologeren voor de kamers voor minnelijke schikking. Uit het antwoord van het College van hoven en rechtbanken dat ik mocht ontvangen blijkt dat de praktijk verschilt van het ene arrondissement tot het andere.

 

Sommigen aanvaarden het op basis van artikel 731, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl anderen het weigeren op basis van artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.

 

Het is niet omdat de kamer voor minnelijke schikking niet gevat is dat de partijen hun overeenkomst niet meer kunnen laten homologeren door de familierechtbank.

 

Verschillende analoge bepalingen, waaronder artikel 1253ter/3 §3, artikel 1255 §1, derde lid en artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat de familierechtbank op elk ogenblik tijdens een lopende procedure de overeenkomst met betrekking tot maatregelen die de kinderen of de onderhoudsverplichtingen betreft kan homologeren, zelfs indien deze overeenkomsten reeds zijn opgenomen in de gedinginleidende akte.

 

Evenwel belet zelfs in dat geval niets dat partijen alsnog worden doorverwezen naar de kamers voor minnelijke schikking om de inhoud van de overeenkomst te preciseren.

 

04.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik onthoud dat de praktijk kan verschillen. Sommige kamers voor minnelijke schikking aanvaarden wel volledig omvattende akkoorden, andere dan weer niet. Ik betreur dat want de kamers voor minnelijke schikking zijn in het leven geroepen om partijen snel en goedkoop naar de rechter te leiden om in geschillen te bemiddelen of een akkoord te laten homologeren. Ik zal dit verder opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Justitie over "de aanpak van mensensmokkel van transmigranten" (nr. 25757)

05 Question de Mme Sabien Lahaye-Battheu au ministre de la Justice sur "la lutte contre la traite des migrants en transit" (n° 25757)

 

05.01  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de minister, over de aanpak van mensensmokkel van transmigranten heb ik al een aantal vragen gesteld aan uw collega, de minister van Binnenlandse Zaken. Half mei antwoordde hij onder andere dat er in de eerste drie maanden van dit jaar 2 469 transmigranten werden onderschept, waarvan 40 % in mijn provincie, West-Vlaanderen.

 

Het is helaas ook een lucratieve business voor mensensmokkelaars. Voor dat aspect verwees de minister van Binnenlandse Zaken mij door naar u. Eind november van vorig jaar werd op de Ministerraad beslist om het budget van de gespecialiseerde opvangcentra voor slachtoffers van mensenhandel over te hevelen van Gelijkheid van Kansen naar Justitie. Daarenboven zouden de centra van beide departementen tot 2019 jaarlijks een beroep kunnen doen op 250 000 euro aan bijkomende financiering.

 

Begin februari van dit jaar kondigde u aan de strijd tegen mensensmokkelaars te willen opdrijven door te proberen hen vooral financieel te raken. Vorig jaar nam Justitie van mensensmokkelaars meer dan 110 000 euro in beslag, tegenover 18 000 euro in 2016. Het gaat vooral om geldsommen, onroerende goederen en auto's of vrachtwagens. Dat werd gedaan door zogenaamde plukteams van de federale politie, die instaan voor de vermogensonderzoeken en inbeslagnames bij de mensensmokkelaars. Een goede samenwerking met de bankensector moet de geldstromen van smokkelaars ook sneller aan het licht brengen.

 

Mijnheer de minister, kunt u voor 2016, 2017 en eventueel het eerste trimester van dit jaar het aantal inbreuken rond mensensmokkel opgeven en eventueel ook het aantal veroordelingen?

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de overheveling van de gespecialiseerde opvang­centra voor slachtoffers van mensenhandel? Komen slachtoffers van mensensmokkel van transmigranten daar ook terecht? Zo ja, wat is de evolutie in de cijfers?

 

Wat zijn de actuele cijfers wanneer het erom gaat de mensensmokkelaars financieel te raken? Welke extra middelen overweegt u?

 

05.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lahaye-Battheu, ik geef in mijn antwoord de cijfers die rechtstreeks beschikbaar zijn bij mijn diensten, aangezien het bij mondelinge vragen niet mogelijk is om alle informatie binnen de vastgelegde termijn in te zamelen.

 

Over het algemeen is het aantal dossiers inzake mensensmokkel dat geopend werd bij de parketten, de voorbije jaren toegenomen. Zo waren er 367 dossiers in 2015, 415 in 2016 en 467 in 2017. De feiten worden voornamelijk vastgesteld in Brussel, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. In de praktijk wordt ook vastgesteld dat netwerken zich verplaatsen naar gelang van de verrichte controles. Bepaalde parkeerterreinen langs de autosnelwegen in Wallonië vormen nieuwe pleisterplaatsen, die eveneens aan controles worden onderworpen. Het aantal sepots bedroeg 67 % in 2015, 50 % in 2016 en 40 % in 2017.

 

Het sepot is een voorlopige beslissing om af te zien van vervolging en kan het gevolg zijn van de afwezigheid van bewijselementen.

 

Wat de veroordelingen betreft, er waren 90 definitieve in 2015 en 127 definitieve in 2016. De gegevens voor 2017 worden momenteel nog geverifieerd om dubbeltellingen te vermijden.

 

Slachtoffers van zwaardere vormen van mensensmokkel worden effectief opgevangen door gespecialiseerde opvangcentra. Dat vereist net als voor slachtoffers van mensenhandel medewerking aan het onderzoek. Volgens de Dienst Vreemdelingenzaken zijn er in 2015 14 nieuwe slachtoffers van zwaardere vormen van mensensmokkel in de begeleidingsprocedure gestapt tegenover 13 in 2016 en 19 in 2017. Ik kan bevestigen dat de federale regering zich heeft geëngageerd om drie opvangcentra voort te financieren.

 

Zoals werd aangegeven in de kadernota Integrale Veiligheid, geldt de bestrijding van mensen­smokkel en mensenhandel voor ons als een prioriteit, net als voor het College van procureurs-generaal. Vanzelfsprekend gaat daarbij de nodige aandacht naar het onderscheppen van de financiële opbrengst van die misdaden. Dat komt uitgebreid aan bod in opleidingen van de diverse actoren betrokken bij de strijd.

 

De globale aanpak van het fenomeen staat uitgebreid beschreven in een omzendbrief inzake strafrechtelijk beleid daterend van 2011, die thans wordt geactualiseerd. Voorts is onder voorzitterschap van Justitie en in samenwerking met Febelfin en de Cel voor Financiële Informatieverwerking een sensibiliseringsbrochure uitgewerkt om de bankinstellingen vertrouwd te maken met indicatoren van verdachte financiële transacties inzake mensensmokkel en mensenhandel.

 

05.03  Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het onderzoek betreffende de fipronilcrisis bij het FAVV" (nr. 25770)

06 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'enquête de l'AFSCA concernant la crise du fipronil" (n° 25770)

 

06.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, op dinsdag 29 mei vielen speurders van het Brusselse gerecht binnen bij het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid en de Voedselketen. Zij deden dat in het kader van een gerechtelijk onderzoek na een vermoeden dat verkeerde informatie werd verspreid over besmette eieren in 2017.

 

Ten eerste, op welke manier en op welk tijdstip werd u op de hoogte gebracht van de huiszoeking bij het FAVV?

 

Ten tweede, betekent het dat het onderzoek naar de fipronilcrisis niet was afgerond?

 

Ten derde, wat was de aanleiding voor het binnenvallen van het Brusselse gerecht bij het FAVV?

 

Ten vierde, wat heeft de nieuwe actie van het gerecht opgeleverd aan extra nuttige info over de voedselveiligheid tijdens de voorbije fipronilcrisis?

 

Ten vijfde, zijn er aanwijzingen dat de CEO van het FAVV in augustus 2017 gelogen heeft in de vergaderingen van de bijzondere commissie in het Parlement?

 

06.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de volgende informatie werd mij aangereikt door het parket-generaal van Brussel. Daar uw vragen een lopende zaak aangaan, zal ik mij daartoe beperken. Het vrijwaren van het lopende onderzoek, het geheim van het onderzoek en het principe van de scheiding van de machten laten niet toe u op het ogenblik meer gedetailleerde informatie te geven.

 

Er werd op 29 mei 2018 inderdaad een huiszoeking uitgevoerd in de lokalen van het FAVV door een Brusselse onderzoeksrechter. Het openbaar ministerie was hierbij aanwezig. Het gerechtelijk onderzoek heeft als onderwerp de mogelijke verspreiding van valse informatie over de fipronilbesmetting van eieren in de loop van het jaar 2017.

 

De tijdens de huiszoeking in beslag genomen stukken worden nu onderzocht en geanalyseerd. Het onderzoek loopt volop. Het resultaat ervan moet worden afgewacht.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de vergoeding voor de juridische tweedelijnsbijstand" (nr. 25796)

07 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "l'indemnisation de l'aide juridique de seconde ligne" (n° 25796)

 

07.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, het KB van 20 december 1999 bepaalt dat advocaten die met juridische tweedelijnsbijstand belast zijn, worden vergoed volgens een puntensysteem gekoppeld aan hun prestaties. Het legt eveneens de nadere regels vast voor de berekening van de subsidie ter financiering van de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand.

 

Tot nu toe werd de waarde van het punt berekend binnen een gesloten begrotingsenveloppe. De regering wil de waarde van het punt in de toekomst optrekken door het toekennen van nieuwe begrotingskredieten. Daartoe wordt een ontwerp van KB voorbereid om het KB van 20 december 1999 te wijzigen. Dat ontwerp wil het mogelijk maken de waarde van het punt van een gerechtelijk jaar te bepalen op basis van de middelen die beschikbaar zijn in de loop van het jaar dat volgt op het einde van het betrokken gerechtelijk jaar.

 

De Ministerraad van 30 maart 2018 besliste om het punt in het raam van juridische bijstand tot minimum 75 euro op te waarderen.

 

In zijn rapport stelt het Rekenhof ernstige twijfels te hebben of er voldoende middelen zijn vrijgemaakt om de opwaardering van de waarde van een punt tot 75 euro ook te kunnen financieren.

 

Vandaar, mijnheer de minister, mijn vragen.

 

Bent u het eens met de conclusies van het Rekenhof? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat zult u ondernemen om ervoor te zorgen dat de advocaten die met juridische tweedelijnsbijstand belast zijn toch hun beloofde 75 euro per punt zullen krijgen?

 

07.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Lambrecht, de vergoedingen van de advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand werden aan de balies betaald op 6 juni jongstleden voor een totaalbedrag van 102,29 miljoen euro. Dat bedrag stemt overeen met een puntwaarde van 75 euro, die dus wel degelijk verzekerd werd binnen de voorhanden zijnde kredieten.

 

Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Inspectie van Financiën is een aanpassing goedgekeurd van het KB van 20 december 1999 dat de modaliteiten vastlegt voor de aanrekening en de betaling van die vergoedingen. De aanpassing regulariseert een jarenlange praktijk contra legem, waarbij de aanrekeningen in twee tijden gebeurden door ze te spreiden over twee jaar. Voortaan worden vastleggingen en vereffeningen beter op elkaar afgestemd. Vastleggingen en vereffeningen worden simultaan aangerekend op het jaar waarin de betalingen gebeuren. Voor 2018 is voor het laatst gebruik gemaakt van reeds deels in 2017 doorgevoerde vastleggingen en is het saldo vastgelegd op de vastleggingskredieten van 2018.

 

Dat verklaart waarom in 2018 minder vastleggingskredieten nodig waren. In de toekomst zullen dezelfde vastleggings- en vereffeningskredieten van hetzelfde begrotingsjaar kunnen worden aangewend.

 

Intussen zijn ook aan de diensten van het Rekenhof de gevraagde bijkomende inlichtingen bezorgd.

 

07.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vragen nrs. 25788 van mevrouw Smaers en 25806 van de heer Van Hecke worden omgezet in schriftelijke vragen. Vragen nrs. 25824 van de heer Vanden Burre en 25846 van mevrouw Van Cauter worden uitgesteld.

 

08 Questions jointes de

- M. Olivier Maingain au ministre de la Justice sur "la suspension des congés pénitentiaires prolongés" (n° 26009)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "le congé pénitentiaire prolongé" (n° 26079)

08 Samengevoegde vragen van

- de heer Olivier Maingain aan de minister van Justitie over "de opschorting van het verlengd penitentiair verlof" (nr. 26009)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "verlengd penitentiair verlof" (nr. 26079)

 

 

08.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorig jaar voerde u het zogenaamd verlengd penitentiair verlof in, waardoor gedetineerden met een celstraf van maximaal tien jaar een week thuis kunnen afwisselen met een week in de gevangenis. Na het drama in Luik schortte u de instructie over het verlengd penitentiair verlof voor een week op, in afwachting van een evaluatie. Tot de resultaten van de evaluatie gekend zijn, zouden er geen nieuwe verlengde penitentiaire verloven meer worden toegekend. Gedetineerden die vóór 7 juni verlengd penitentiair verlof hadden gekregen, zouden evenwel in dit regime blijven.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

 

Ten eerste, is de evaluatie van het systeem van de verlengde penitentiaire verloven inmiddels afgerond?

 

Ten tweede, wat heeft deze evaluatie uitgewezen?

 

Ten derde, wordt de opschorting van de instructie verlengd?

 

Ten vierde, wordt het systeem van de verlengde penitentiaire verloven bijgestuurd? Zo ja, in welke zin?

 

Ten vijfde, wat gebeurt er met de vóór 7 juni toegekende verlengde penitentiaire verloven?

 

08.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, ik was even in de war omdat de heer Maingain ook een vraag had ingediend en mijn antwoord is in het Frans opgesteld.

 

Ik zal het proberen vertalen. Mijn beslissing om de verlengde penitentiaire verloven voorlopig in te trekken, heeft in totaal dertien gedetineerden geïmpacteerd.

 

Omdat de verlengde penitentiaire verloven geen voorwaarde uitmaken voorafgaandelijk aan het toekennen van een vervroegde invrijheidstelling, heeft de schorsing van deze penitentiaire verloven geen impact op die vervroegde invrijheidstelling.

 

De evaluatie van de maatregel zal binnenkort aan de Ministerraad worden voorgelegd. In afwachting daarvan blijft de maatregel opgeschort. Of deze al dan niet zal worden bijgestuurd, zal duidelijk worden na de evaluatie die wij zullen maken.

 

Ik vervolg in het Frans, anders is het te gevaarlijk.

 

En ce qui concerne le nombre de congés pénitentiaires accordés de 2015 à 2017, je peux vous communiquer les chiffres suivants. En 2015, 4 917 congés ont été accordés; en 2016, ce chiffre était de 4 693 et en 2017, de 4 696. Dans respectivement 383, 489 et 660 cas, ou dans 7,8 %, 10,4 % et 14 %, ces congés ont été révoqués suite à un non-respect des conditions avant ou après le congé. Les détenus ont aussi pu être convoqués avant le congé, en raison de notre Pot-pourri II. Dans un cas sur cinq, si vous divisez ces pourcentages par cinq, avoir commis de nouveaux délits était à la base de la révocation. Le taux de récidive flotte donc entre 2 et 3 %.

 

S'agissant des congés prolongés, 854 détenus en ont bénéficié jusqu'à présent. Dans 126 cas, ces congés prolongés ont été révoqués, ce qui a représenté un taux d'échec de 14 %, comparable avec celui des congés pénitentiaires ordinaires.

 

08.03  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik heb de cijfers proberen noteren, maar het ging heel snel. Kan ik het antwoord meekrijgen?

 

08.04 Minister Koen Geens: Wij zullen het u straks overmaken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "het nemen van kopieën van strafdossiers" (nr. 26015)

09 Question de Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la copie de dossiers pénaux" (n° 26015)

 

09.01  Annick Lambrecht (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 16 mei stelde ik een aantal vragen over de nieuwe richtlijn die zou bepalen dat advocaten niet langer kopieën mogen maken van lopende strafdossiers. U antwoordde daarop, ik citeer: "Het wettelijk argument dat het overschrijven wel met de pen zou toelaten en het overschrijven met moderne technologie niet zou toelaten, vind ik niet. Het gaat, mijn inziens, om een teleologische of een evolutieve interpretatie van de wet, die zich opdringt. De bedoeling van het inzagerecht is degene die het wettelijk inzagerecht krijgt, toe te laten maximaal kennis te krijgen van het dossier. Door dit materieel onnodig lastig te maken dienen we de doelstelling van de wet niet.

 

Momenteel bestaat er alleen een strafrechtelijke bepaling die het misbruik van door inzage en kopie verkregen inlichtingen in een gerechtelijk onderzoek regelt. Zoals u weet, zijn inzage- en kopierecht ook mogelijk in het opsporingsonderzoek. Het is waarschijnlijk nuttig om wetgevend te verduidelijken dat het geheim van het onderzoek ook in deze opsporingsonderzoeken onverkort geldt ten aanzien van de gebeurlijke misbruiken.

 

Hoewel het volgens mij niet noodzakelijk is, kunnen we van de gelegenheid misschien gebruikmaken om het kopiëren of inzage nemen met modernere technologie wettelijk te verankeren en zo de rust doen weerkeren. lk zal hierover overleg plegen met het College en indien nodig wetgevend initiatief nemen."

 

Ik heb maar een vraag, mijnheer de minister. Heeft u al overleg gepleegd met het College hierover? Wat zijn de conclusies?

 

09.02 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lambrecht, mijn diensten werken aan een wetsontwerp dat duidelijkheid en rust kan brengen op het terrein. Rekening houdend met het standpunt van het College dat akkoord gaat met de inzet van hedendaagse technologie, maar een wetgevend ingrijpen noodzakelijk vindt, neem ik aan dat het College het wetgevende initiatief zal steunen. Mijn diensten plegen vrijdag ter zake overleg met de steundienst van het College.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Egbert Lachaert aan de minister van Justitie over "de toepassing van de kraakwet" (nr. 25851)

10 Question de M. Egbert Lachaert au ministre de la Justice sur "l'application de la loi incriminant le squat" (n° 25851)

 

10.01  Egbert Lachaert (Open Vld): Mijnheer de minister, meer dan zeven maanden geleden werd hier in het Parlement de kraakwet definitief goedgekeurd. Wij weten allemaal dat er heel wat heisa was in het arrondissement Gent. Er waren incidenten bij het kraken van zowel bewoonde als onbewoonde panden. Samen met heel deze commissie hebben wij op een constructieve manier geprobeerd om die wet in elkaar te steken. Ik wil trouwens nogmaals uw kabinet bedanken voor de constructieve rol bij het opstellen van die wet en de opvolging ervan nadien, want die is ook belangrijk.

 

Ik heb begrepen dat er een zeer goed contact geweest is met het parket in Gent over de toepassing van die wet. Daar past men die wet rigoureus toe. Ik heb ook al cijfers zien passeren in de media en op websites van politiediensten. Men geeft aan dat men sinds de inwerkingtreding van die wet de kraakplaag heeft kunnen stoppen en dat de termijnen die in de wet staan zeer consequent worden toegepast.

 

Recentelijk kwam mij echter ter ore dat burgers die zich, via de politie, tot het parket in Brussel richten het antwoord krijgen dat het parket die wet niet toepast. Men verwijst daarvoor naar het beroep bij het Grondwettelijk Hof dat ingediend werd door een Franstalige organisatie die zich op de valreep tegen die wet heeft gekant. Dat beroep heeft geen schorsende werking.

 

Hebt u daar weet van? Wat is de houding van het parket van Brussel? Kunt u mij meer toelichting geven over de houding van dat parket in deze materie?

 

10.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Lachaert, het College van procureurs-generaal stelt dat de toepassing van die recente wet tot nu toe geen bijzondere moeilijkheden heeft opgeleverd. Het College stelt dat de geruchten dat het parket van Brussel de wet niet zou toepassen ongegrond zijn. Sinds de inwerkingtreding van de wet zijn er in Brussel namelijk al vier dossiers ingeleid bij het parket, die door de procureur des Konings persoonlijk worden opgevolgd. In drie van die dossiers zijn er nog onderzoekshandelingen lopende. Eén dossier werd geseponeerd nadat de situatie werd geregulariseerd.

 

Het College van procureurs-generaal bereidt momenteel een uniforme richtlijn voor, gebaseerd op de richtlijn van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen van 14 november 2017.

 

10.03  Egbert Lachaert (Open Vld): Uw antwoord verheugt mij, mijnheer de minister. Een burger had mij namelijk gesignaleerd dat hij een ander antwoord had gekregen. Ik zal die zaak weer opnemen. Ik ben heel blij dat er ook in het arrondissement Brussel dan toch al vier dossiers zijn die via de kraakwet opgelost kunnen worden. Daarnaast heeft men in de provincie Oost-Vlaanderen een echte trendbreuk kunnen bewerkstelligen door de toepassing van die wet. Ik dank u zeer voor de informatie en het geruststellende antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de hoge telefoontarieven in gevangenissen" (nr. 26047)

11 Question de M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "les tarifs téléphoniques élevés en prison" (n° 26047)

 

11.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het Europees voorakkoord om de kosten van telefonie tussen EU-landen te beperken, brengt de hoge beltarieven vanuit de gevangenissen weer onder de aandacht. In uw antwoord op mijn vraag van 9 februari van dit jaar deelde u mee dat een aanpassing van de tarieven er pas zal komen na de installatie van PrisonCloud in de gevangenissen, die zou worden verwacht tegen 2020.

 

Ondertussen blijft het verschil tussen de tarieven die binnen en buiten de gevangenis gehanteerd worden, oplopen. Ik kan niet begrijpen waarom de huidige tarieven in tussentijd niet kunnen worden aangepast. Ze dateren van 2002. Zelfs penitentiaire beambten bieden de gevangenen aan om gsm's voor hen te kopen om de hoge tarieven te omzeilen.

 

Mijnheer de minister, overweegt u om alsnog initiatieven te nemen om de prijzen marktconform te maken, los van de uitrol van PrisonCloud? Zo ja, binnen welke termijn verwacht u het gewenste resultaat? Zo neen, waarom niet?

 

Hoe verloopt de gunningprocedure voor PrisonCloud? Wat is de huidige stand van zaken inzake de uitvoeringstermijn in de diverse gevangenissen?

 

11.02 Minister Koen Geens: Mijnheer Van Hecke, ik heb er uw eerdere vraag op laten nakijken. Met betrekking tot de implementatie van PrisonCloud meen ik dat er verwarring is in de verwijzing naar die vraag en mijn antwoord. PrisonCloud incorporeert als digitaal platform wel degelijk een telefoniemodule, maar het telefoniedossier staat daar los van.

 

In de loop van 2017 heeft de penitentiaire administratie een openbare aanbesteding uitgeschreven met de bedoeling om in de gevangenissen telefonie tegen marktconforme prijzen te kunnen aanbieden tot op het niveau van de cel. Die aanbesteding is afgerond en het dossier is gegund. Men moet enkel de termijn afwachten waarbinnen de kandidaten aan wie het dossier niet werd gegund, de mogelijkheid krijgen om de gunning aan te vechten.

 

Zodra die termijnen voorbij zijn en er geen betwisting meer bestaat, zal aan de toegewezen onderneming de opdracht worden gegeven om met installatie van de telefoonuitrusting in de gevangenissen te beginnen. Er ligt een periode van 120 dagen tussen het geven van het aanvangsbevel en de feitelijke opstart van de werken, gevangenis per gevangenis.

 

Ter voorbereiding werd reeds een bekabelingprogramma opgestart, wat betekent dat in een belangrijk deel van de gevangenissen de telefoniekabels reeds tot aan de cellen werden gelegd, waardoor de uiteindelijke telefonieaansluitingen vlot zullen kunnen verlopen. In andere zal de nieuwe telefonieapparatuur nog in de gangen worden geïnstalleerd.

 

Met de feitelijke realisatie van het project zullen dan ook de aangepaste tarieven van kracht worden, naarmate de nieuwe installaties worden afgewerkt. Het gehele project zal een drietal jaren in beslag nemen.

 

11.03  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, er was inderdaad kennelijk een misverstand. Op basis van de lectuur van uw antwoord ging ik ervan uit dat een en ander gekoppeld was aan de invoering van de Prison Cloud en dat het dus te maken had met werkzaamheden van onder andere de bekabeling. Het is goed nieuws dat een oplossing van het probleem daar niet aan gekoppeld is.

 

Ik verneem dat de uitrol in alle gevangenissen tot drie jaar in beslag kan nemen. Dat wordt een enorm werk. Ik hoop in ieder geval dat het zo snel mogelijk gebeurt en er eindelijk wat eerlijkere tarieven van toepassing worden. Het valt niet te verdedigen dat de tarieven binnen de gevangenissen zoveel hoger zijn dan erbuiten. Wie een straf moet uitzitten, mag geen tweede keer worden gestraft door bijvoorbeeld excessieve telefoontarieven te moeten betalen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de gevangenis van Merksplas" (nr. 26018)

- de heer Stefaan Van Hecke aan de minister van Justitie over "de mistoestanden in de gevangenis van Merksplas" (nr. 26061)

- mevrouw Sophie De Wit aan de minister van Justitie over "de (mis)toestanden in de gevangenis van Merksplas" (nr. 26035)

12 Questions jointes de

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la prison de Merksplas" (n° 26018)

- M. Stefaan Van Hecke au ministre de la Justice sur "les situations anormales à la prison de Merksplas" (n° 26061)

- Mme Sophie De Wit au ministre de la Justice sur "les situations (anormales) à la prison de Merksplas" (n° 26035)

 

12.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, u hebt een brief gekregen van een bezoekster van de gevangenis van Merksplas, mee geschreven namens andere bezoeksters. Deze open brief werd niet alleen naar u gestuurd, maar ook naar een aantal parlementsleden en naar de media. Daarin wordt een aantal mistoestanden in de gevangenis van Merksplas beschreven. Het is een vrij lange brief. De stress en onzekerheid die dit veroorzaakt is volgens haar veel erger dan de vrijheidsberoving, die de enige straf zou moeten zijn. Ik zal hem niet helemaal voorlezen, maar het gaat over afwijzing van een VLV-verzoek zonder dat de persoon in kwestie gehoord wordt, over de lange wachtlijst voor psychologische hulp, over slechte hygiënische omstandigheden – in Merksplas is dat op sommige plaatsen nog altijd de emmer – over de wijze waarop vrouwelijke bezoekers soms worden behandeld bij ongestoord bezoek. De media vonden dit laatste aspect uiteraard het meest spectaculaire omdat de dames kluisje 69 kregen. Dat is maar één van de vele opmerkingen die in de brief worden vermeld. Verder zijn er de alomtegenwoordige drugs, waaronder heroïne die soms ook door penitentiaire beambten worden binnengesmokkeld.

 

De brief is zeer gedetailleerd en op een ernstige manier geschreven. Eerlijk gezegd, ik wist dat er af en toe een en ander fout liep in de gevangenissen, maar als men dit zo opgelijst ziet, kan dit echt niet. Dit alles is ook een bevestiging van wat het antifoltercomité van de Raad van Europa signaleert. In zijn rapport van 13 juli 2017 geeft het aan dat het nog nooit zulke slechte situatie heeft aangetroffen als in België, waar dan ook in de 47 lidstaten van de Raad van Europa.

 

Ten eerste,wat is uw concrete reactie op de inhoud van deze brief?

 

Ten tweede, zal dit ernstig worden onderzocht? Ik hoop van wel. Ik weet niet of alle klachten gegrond zijn, maar er zijn voldoende redenen om dit ernstig te onderzoeken.

 

Ten derde, tegen wanneer zal er enige duidelijkheid zijn?

 

Ten vierde, welke maatregelen zult u eventueel al nemen?

 

12.02  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de minister, ook ik heb die brief gekregen. Ik ken Merksplas. Ik mocht jaren advocaat zijn aan de balie van Turnhout. Ik kwam daar toen heel veel. Ik ben mij bewust van de toestand van de gevangenis toen. Ik moet wel zeggen dat ik geschrokken ben van de inhoud van de brief.

 

De heer Van Hecke heeft de situatie al wat geschetst. We vernamen ook al zaken via de pers. Dit is een schrijnende toestand: vertraging bij de sociale dienst, niet alleen onzekerheid collega Van Hecke, maar ook vertraging of belangrijke data in het kader van vervroegde invrijheidstelling die verlopen, beperkte hulp in de gevangenis, lange wachttijden voor psychosociale hulp, geen therapie.

 

Dat het een oud gebouw is, weten we allemaal. Dat is al lang zo. Dat was toen al een oud gebouw dat alleen maar ouder is geworden. Telefoons die uitvallen, waardoor contact met de buitenwereld moeilijk is. Drugs, zoals de heer Van Hecke al zei. Sanitair dat niet in orde is. Kledij die niet in orde is. Een rol wc-papier per week. Ik kan zo nog een tijdje doorgaan.

 

Niet alleen de huisvestingsproblematiek wordt aangekaart, maar ook de houding van sommige penitentiaire beambten die de briefwisseling openen. Er is ook het kluisje 69 als men afzondering wenst. Ik denk dat het sowieso al niet gemakkelijk is om zijn partner in de gevangenis te bezoeken.

 

Dan zijn er ook de stakingsdagen en de rechten van de gedetineerden die dan verdwijnen. Ik weet dat u op dat vlak aan oplossingen werkt.

 

Er zijn dus heel wat opmerkingen. Wij vallen niet uit de lucht. Wij weten dat het ernstig is. Wij kennen de verslagen, maar wat in deze brief staat is wel heel extreem.

 

Mijnheer de minister, bent op de hoogte van deze toestanden? Dit is ondertussen ruim in de pers aan bod gekomen dus u weet dat inmiddels wel en u wist het daarvoor waarschijnlijk ook al.

 

Veel belangrijker is de volgende vraag. Wat gaat u eraan doen? Wat gaat het DG EPI doen om die wantoestanden in Merksplas met enige spoed tegemoet te komen zodat de leefomstandigheden kunnen verbeterd worden? Dat geldt niet alleen voor deze gevangenis maar ook voor andere gevangenissen.

 

12.03 Minister Koen Geens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw De Wit, mijnheer Van Hecke, ik heb vorige week de anonieme klachtenbrief in mijn mailbox gevonden en heb hem met spoed laten bezorgen aan de administratie van het gevangeniswezen. Ik neem zulke klachten zeer ernstig en heb gevraagd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek is nog lopende.

 

Algemeen kan ik melden dat de infrastructuur van Merksplas verouderd en ondermaats is. Dat heb ik zelf reeds bij drie gelegenheden kunnen vaststellen. Dat is de reden waarom de totale renovatie van de gevangenis voorzien is in Masterplan III en waarom ik ook gestreden heb om hiervoor de nodige middelen vrij te maken. De renovatie is in volle voorbereiding. Het studiebureau is bezig. De werken zullen, zoals eerder meegedeeld, gefaseerd worden uitgevoerd tot 2027, dit omdat de gevangenis intussen operationeel moet blijven.

 

Andere klachten over detentieomstandigheden en het gedrag van personeel worden centraal en lokaal door de betrokken diensten onderzocht. Op basis van een eerste analyse werden voor sommige problemen reeds maatregelen genomen. Sommige klachten bleken ook ongegrond. Ik wil u graag het volgende in detail meedelen.

 

Het toilet op de parking werd gesloten omdat het niet voldoet op het vlak van hygiëne. Binnen de inrichting beschikt men over sanitair voor bezoekers in de bezoekzalen en in de gang met de advocatenlokalen. Het is correct dat de staat van de douches in de inrichting ondermaats is. Ook dit is deel van de renovatie. De gebrekkige sanitaire infrastructuur wordt door de lokale diensten zo goed als mogelijk onderhouden. Om ervoor te zorgen dat gedetineerden over voldoende toiletpapier beschikken, zal bijkomend toiletpapier zonder meerkost worden gegeven aan gedetineerden die hierom vragen.

 

Uit navraag blijkt inderdaad dat kluisje 69 wordt toegewezen aan bezoekers voor ongestoord bezoek. De directie was hiervan niet op de hoogte. Dat dergelijke manier van doen niet door de beugel kan, is duidelijk.

 

Gegeven onderrichtingen laten hierover evenmin onduidelijkheid bestaan.

 

Na een elektriciteitspanne in het begin van de week zijn er problemen geweest met de telefoonvoorziening. Die zijn ondertussen opgelost. Er is dus geen sprake van het regelmatig uitvallen van die voorzieningen.

 

Wat de klachten over de geneesheer betreft, is het niet correct dat er een probleem is met zijn licentie. In de inrichting werken drie artsen en zij zijn allen ingeschreven bij de orde, zoals wettelijk voorgeschreven. Na intern onderzoek blijken de klachten niet gegrond te zijn en hun oorsprong te vinden in het feit dat de geneesheer paal en perk probeert te stellen aan het misbruik van medicatie.

 

De gevangenisdirectie zal erover waken de kantinelijst budgetvriendelijker te maken om de gedetineerden de kans te geven producten van goedkopere merken aan te schaffen.

 

Wat de drugsproblematiek betreft, organiseert de gevangenisdirectie controles conform de vigerende richtlijnen met betrekking tot fouilles. Maandelijks vindt in samenwerking met de politie een sweeping plaats met drugshonden.

 

Wat de briefwisseling aan en van de gedetineerden betreft, zijn de instructies met betrekking tot het openen ervan duidelijk en conform de basiswet, het huishoudelijk reglement van de inrichting en een interne richtlijn. Ook op de correcte toepassing hiervan zal verder worden toegezien.

 

Wat de klachten betreft over de behandeling van dossiers in het kader van de verlengde penitentiaire verloven en andere verloven, kan ik u meedelen dat er enkel een beperkte vertraging kan zitten op die dossiers waarvoor de psychosociale dienst zich dient te baseren op het gerechtelijk bundel dat een psychiatrisch expertiseverslag bevat en dat door de gerechtelijke instanties moet worden bezorgd.

 

Wat betreft de klacht over het verlopen van data voor de vervroegde invrijheidsstelling, verwijs ik naar de wet op de externe rechtspositie en de tegenindicaties. Een vervroegde invrijheidsstelling wordt toegekend door de strafuitvoerings­rechtbank. Het neerleggen van de noodzakelijke adviezen door de directeur en het openbaar ministerie bij de SURB is gebonden aan wettelijke termijnen die moeten worden gerespecteerd. Hetzelfde geldt voor de PSD-rapportage.

 

Wat betreft de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden, is het zo dat de dienst justitieel welzijnswerk en het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg behoren tot de afdeling Welzijn en Samenleving van de Vlaamse Gemeenschap en dat zij dus niet vallen onder de bevoegdheid van de FOD Justitie. De bevoegde diensten zijn op de hoogte gebracht van de geformuleerde klachten en hebben laten weten het verder te zullen opnemen.

 

12.04  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord.

 

Ik wist ook wel dat u dergelijke zaken ernstig neemt. Elke minister zou dat moeten doen. Ik denk dat u goed hebt gehandeld door onmiddellijk om een onderzoek te vragen. Ik neem akte van het feit dat uit de eerste elementen van het onderzoek blijkt dat een aantal klachten terecht is en andere niet.

 

Een aantal zaken is inderdaad gekend, zoals het probleem met de toiletten en de douches. U hebt ter zake geantwoord. Er worden ook al oplossingen gezocht voor problemen die de directie niet bekend waren, zoals het gebruik van het beruchte kluisje.

 

Dergelijke zaken zijn belangrijk, maar het gaat vooral over attitude en de manier waarop met mensen en bezoekers wordt omgegaan. Men kan heel wat reglementen, regels en omzendbrieven opstellen en zaken uitleggen, maar uiteindelijk moet het ook in de praktijk worden toegepast.

 

Het is belangrijk dat er naar klachten wordt geluisterd, niet alleen als ze in de media komen, maar ook daarvoor. Toen de mensen mij mailden en ik hen suggereerde een klachtenbrief te sturen naar de Commissie van Toezicht, wat de eerste logische stap zou moeten zijn, antwoordden zij mij dat als ze dat met naam doen, dat delicaat is, want als uitkomt wie de klacht heeft ingediend, kunnen er eventueel repercussies zijn, en als ze het anoniem doen, wordt de klachten niet aanvaard.

 

Ik vind dat jammer. De klachten zijn ook anoniem bij u en bij mij terechtgekomen en dan wordt er via die weg wel gevolg aan gegeven. Ik begrijp waarom mensen anoniem melden wat fout loopt, maar is het niet raadzaam dat ook aan anonieme klachten de nodige aandacht wordt besteed?

 

Wij zullen moeten afwachten wat het definitieve onderzoek zal uitwijzen. Ik hoop in elk geval dat deze noodkreet ervoor zal zorgen dat de levensomstandigheden wat verbeteren en dat de basiswet op een correcte manier wordt toegepast, niet alleen in Merksplas, maar ook in elke gevangenis.

 

12.05  Sophie De Wit (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik ben blij dat u een deel van de klacht al zo snel hebt kunnen nakijken en dat aan een aantal zaken kan worden verholpen. Ik denk dat dit nodig is.

 

U kent ons standpunt over strafuitvoering. Het uitvoeren van straffen is een zaak, dat dit op een menselijke en correcte manier moet gebeuren, is een andere zaak. Het is evident dat die twee zoveel mogelijk hand in hand moeten gaan.

 

Ik ben heel blij dat u deze bezorgdheden ter harte neemt en dat een oplossing kan worden geboden, in afwachting van de verdere uitwerking van het Masterplan III.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Questions jointes de

- M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "la hausse de la perte moyenne horaire dans les casinos" (n° 26040)

- Mme Annick Lambrecht au ministre de la Justice sur "la hausse de la perte horaire moyenne de 36 %" (n° 26063)

13 Samengevoegde vragen van

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "de stijging van het gemiddelde uurverlies in de casino's" (nr. 26040)

- mevrouw Annick Lambrecht aan de minister van Justitie over "de verhoging van het gemiddelde uurverlies met 36%" (nr. 26063)

 

13.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, la question a été mal formulée. Il s'agit plus exactement de la perte moyenne horaire autorisée dans les casinos.

 

Monsieur le ministre, il ressort d'un article de La Dernière Heure du lundi 11 juin que pour les joueurs dans les casinos, la perte horaire moyenne autorisée en cas de jeu sur des machines à sous est passée de 75 à 102 euros.

 

La hausse de ce montant serait le fruit d'un accord entre le secteur et la Commission des jeux de hasard, ou plutôt d'une concession de cette dernière aux représentants des casinos. Les demandes du secteur sont sans doute acceptées via cette mesure. En revanche, il est bien plus difficile d'appréhender l'intérêt sociétal de permettre d'accroître le niveau de perte des joueurs, ce qui est la contrepartie des gains réalisés par les casinos. Avec une augmentation de 27 euros, on est bien au-delà de la simple inflation et on peut craindre que davantage de joueurs se trouvent dans des situations financières difficiles.

 

Monsieur le ministre, quels sont les termes exacts de l'accord intervenu entre le secteur et la Commission des jeux de hasard? En tant que ministre de tutelle, avez-vous été consulté préalablement à cet accord? Avez-vous validé celui-ci? Le cas échéant, quelles étaient vos motivations? Quel est le gain attendu par les gestionnaires de casinos de ce relèvement du plafond? Quelles sont les éventuelles contreparties de ce relèvement? Y a-t-il un engagement des casinos d'améliorer leur procédure de lutte contre le jeu pathologique? De quelle manière l'intérêt des joueurs a-t-il été pris en compte dans le cadre de cette mesure? Cet accord vous semble-t-il acceptable eu égard notamment à l'enjeu de la lutte contre la dépendance aux jeux de hasard et contre le surendettement des joueurs?

 

13.02  Koen Geens, ministre: Monsieur Gilkinet, permettez-moi de corriger une erreur contenue dans l'article de presse auquel vous faites référence. La perte horaire dans les casinos n'est pas de 75 euros mais de 70 euros, et le facteur 1,36 la valorisera à 95,20 euros.

 

L'une des demandes des casinos, lors de la réunion annuelle avec le secteur, a été d'appliquer la même mesure que celle appliquée aux cafés. Par analogie et par souci d'équité, la Commission a décidé d'accepter cette demande, étant donné que ce changement n'avait fait l'objet d'aucune objection en 2014. Le facteur choisi est le même que celui appliqué en 2014 aux cafés. Il est inférieur à l'index. Le ministre de la Justice dispose de deux représentants au sein de la Commission, comme chacun des cinq autres ministres compétents en la matière.

 

L'article 20 de la loi du 7 mai 1999 dispose que la Commission contrôle l'application et le respect de cette loi et de ses arrêtés d'exécution. L'article 10 § 6 de la même loi prévoit que la Commission exerce ses missions en toute indépendance. Il a été estimé que ce relèvement de plafond était nécessaire pour rester correct face au marché légal et que les diverses rétributions dues à l'État, aux Régions et aux communes augmentent également de leur côté.

 

La protection du joueur reste garantie malgré cette mesure. En effet, le budget des joueurs a été augmenté au fil des années par le biais des indexations successives. Le facteur 1,36 accordé est nettement inférieur à l'index actuel. Le joueur perdra moins qu'au début de l'entrée en vigueur de la loi du 7 mai 1999. Cette mesure ne remet pas en cause les autres règles reprises dans la loi et ses arrêtés d'exécution. S'il n'est pas possible d'offrir un marché légal réglementé aux joueurs et viable dans une certaine mesure pour le secteur, les joueurs se tourneront vers des jeux non réglementés illégaux, sans que nous puissions les protéger.

 

J'ai soutenu le renforcement de la Commission par un plan de personnel. Son exécution doit mener à une meilleure protection et à davantage de contrôles.

 

Je poursuis en néerlandais pour Mme Lambrecht.

 

De nieuwe protocollen, die de wijzigingen bevatten en in september actief worden, staan gepubliceerd op de website van de Kansspelcommissie en zijn voor iedereen toegankelijk. Een nota, die de technische wijzigingen bevat, is beschikbaar op de website van de commissie sinds 1 juni 2018.

 

De link naar deze nota is: https://www.gamingcommission.be/opencms/export/sites/default/jhksweb_nl/law/protocol/metrol/Update-TE_2017_nl.pdf. De nota vermeldt inderdaad dat een factor 1,36 zal worden toegepast op de berekening van het wettelijk vastgelegd maximaal gemiddeld uurverlies voor de automatische spelen in de speelzalen en de casino's.

 

De koninklijke besluiten van 8 april 2003, betreffende de technische regels aangaande de werking van de automatische kansspelen, waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I en II, vormen de basis van het protocol. Deze koninklijke besluiten geven uitvoering aan artikel 8 van de Kansspelwet, dat voorziet in een indexering van de bedragen van de kansspelen.

 

13.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, vous connaissez ma préoccupation pour la dépendance au jeu et le surendettement qui en découle. C'est la raison pour laquelle je vous pose régulièrement ce type de questions. Je continuerai à le faire, pour ne pas que l'on puisse dire que personne ne s'est opposé à l'augmentation de la perte horaire maximum ou ne l'a remise en question, lorsque l'on voudra encore augmenter ces montants dans le futur.

 

En effet, c'est un des arguments que vous avez utilisés. Je connais également les arguments des casinos et des autres opérateurs de jeux de hasard. C'est l'éternel débat sur la canalisation du jeu de hasard dans le cadre de jeux autorisés et contrôlés versus le risque de dépendance. L'objet de la question suivante sera aussi de vous amener à être encore davantage vigilant à ce sujet, et à donner davantage de moyens à la Commission des jeux de hasard, pour limiter autant que possible le risque de dépendance. Le fait de jouer de façon mesurée avec une  possibilité de perdre de l'argent peut être un choix personnel, mais pour beaucoup de concitoyens ce n'est plus choix mais une véritable dépendance.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Question de M. Georges Gilkinet au ministre de la Justice sur "le contrôle des machines à sous dans les cafés" (n° 26041)

14 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de minister van Justitie over "het toezicht op de speelautomaten in cafés" (nr. 26041)

 

14.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, dans leur édition du 9 juin, Het Laatste Nieuws et De Morgen révèlent que depuis cinq ans, les machines à sous placées dans les cafés ne font plus l’objet d’un contrôle par la Commission des jeux de hasard.

 

Cette faille résulterait d’un différend entre le fisc et la Commission. Le président de cette dernière s’est d’ailleurs exprimé pour déplorer cette situation et pointer que l’utilisation des machines à sous fait peser des risques potentiellement encore plus élevés que des machines installées dans les casinos. En effet, les établissements de boissons ne sont pas aussi contrôlés que les casinos. Il semble par ailleurs que ces machines ne prévoient pas de limite aux pertes des joueurs.

 

Les deux quotidiens ont estimé à 120 millions d’euros les gains engendrés dans ce segment précis des machines à sous placées dans des débits de boissons, ce qui n'est pas anodin. Vu la hauteur des montants en question, l’absence de contrôle est totalement incompréhensible. Il y a aussi la question de savoir si ce ne sont pas des mineurs d'âge qui jouent ou des personnes interdites de jeux pour ne citer que quelques problématiques.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous que les machines à sous installées dans les cafés ne font l’objet d’aucun contrôle depuis cinq ans? Le cas échéant, comment expliquez-vous cette absence de contrôles?

 

Quelle est la nature du désaccord entre le SPF Finances et la Commission des jeux de hasard? Qu'avez-vous pris comme initiative, en tant qu'autorité de tutelle, pour lever ce désaccord?

 

De quelles données disposez-vous quant au chiffre d’affaires de ce segment d’activité? Comment a-t-il évolué au cours des cinq dernières années? Confirmez-vous le chiffre de 120 millions d'euros cité par la presse?

 

Comment entendez-vous résorber rapidement cette faille? Dans quel délai?

 

Comptez-vous restreindre les conditions d’accès à ces engins, notamment en instaurant et en vérifiant un âge minimum et un plafond aux mises et aux pertes? Votre administration, en l'occurrence la commission de contrôle,  recevra-t-elle les moyens adéquats pour effectuer ces contrôles?

 

14.02  Koen Geens, ministre: Monsieur le président, monsieur Gilkinet, les machines décrites à l'article 3, alinéa 3 de la loi du 7 mai 1999 ne sont pas considérées comme des jeux de hasard et ne relèvent donc pas de la compétence de la Commission des jeux de hasard. Elles tombent sous la responsabilité du SPF Finances, qui reçoit des recettes fiscales par le biais des vignettes apposées sur ces machines.

 

Dans le cadre légal actuel, la Commission des jeux de hasard ne peut rien imposer au SPF Finances sur le plan de la mise en exploitation de ces machines mentionnées à l'article 3, alinéa 3. Néanmoins, la Commission intervient quand elle a connaissance du fait que des machines de ce type sont en réalité des jeux de slots qui tombent effectivement sous sa compétence. Les cafés font régulièrement l'objet de contrôles de la part de la Commission et des sanctions sont effectivement infligées.

 

Les nouvelles mesures législatives prévues créeront un cadre légal plus transparent. L'arrêté royal et le projet de loi fixeront l'âge minimum à 18 ans. Le nombre de machines admises sera fixé aussi. La mise de base sera fixée à 25 cents et un gain maximum de 6,20 euros par jeu sera instauré. Ces textes ont été transmis au Conseil d'État la semaine dernière.

 

La Commission ne dispose pas de montants financiers pour le moment, car elle n'est pas encore compétente à cet égard. J'ai récemment approuvé un plan de personnel qui octroiera des moyens supplémentaires à la Commission en vue d'effectuer des contrôles sur le terrain.

 

14.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, le texte de loi qui est actuellement au Conseil d'État rendra la Commission compétente pour ces machines, alors qu'aujourd'hui elles dépendent du SPF Finances. Vous ai-je bien compris?

 

14.04  Koen Geens, ministre: Oui.

 

14.05  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Cela me semble important. J'interrogerai le ministre des Finances en attendant que la loi soit d'application.

 

Si vous connaissez un peu le phénomène de l'addiction aux jeux de hasard, vous ne pouvez pas ignorer que ce qui se passe dans les établissements de boissons est à la limite plus addictif que ce qui se passe dans les casinos. Le contrôle social y est bien moindre, et l'encadrement humain est très différent. Des recettes pour les gestionnaires de ces  établissements de boissons sont liées à ces jeux. L'État fédéral en bénéficie aussi via la fiscalité, mais ce n'est pas satisfaisant. C'est l'une des grandes sources de dépendance aux jeux et d'endettement.

 

Je suis effaré d'obtenir confirmation que seuls des contrôles épisodiques avaient lieu sur ce type de jeux, et d'apprendre que la Commission n'était pas compétente. Si la loi corrige cette situation, nous pourrons certainement soutenir les articles qui rendront la Commission compétente.  Ce manque de contrôle, ainsi que les conséquences qui en découlent pour les personnes concernées et leur famille, sont un sujet de préoccupation pour mon groupe et moi-même.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh aan de minister van Justitie over "de wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde" (nr. 26070)

15 Question de Mme Kristien Van Vaerenbergh au ministre de la Justice sur "la loi visant à réduire et redistribuer la charge de travail au sein de l'ordre judiciaire" (n° 26070)

 

15.01  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, op 17 mei 2018 werd de wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde goedgekeurd in de plenaire vergadering. Deze wet bevat onder andere bepalingen met betrekking tot de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

 

Deze bepalingen beroerden intussen de gemoederen in Vlaanderen. Onder andere de woordvoerder van de OVB schreef zelfs een opiniestuk met de titel "Nederlands hoeft niet meer bij de Vlaamse rechtbanken". Tijdens de behandeling van deze wet in de commissie stelde de N-VA-fractie hierover een aantal vragen, maar misschien is het toch nuttig om een aantal verduidelijkingen te geven.

 

Ten eerste, welke overtredingen op de wet van 15 juni 1935 zullen ambtshalve door de rechter nietig kunnen worden verklaard? Welke overtredingen zullen door een van de partijen ingeroepen moeten worden?

 

Ten tweede, klopt het dat de schending van de wet slechts tot sancties kan leiden indien belangenschade kan worden aangetoond? Klopt het dat een persoon in Vlaams-Brabant in het Frans gedagvaard kan worden en dat daar niets aan kan worden gedaan indien de betrokkene dit niet zelf inroept?

 

Ten derde, tijdens de bespreking van het wetsontwerp werd ons, naar aanleiding van een opmerking van collega Uyttersprot, verzekerd dat de wijzigingen enkel betrekking hebben op louter formele schendingen. Het wetsontwerp wilde de wet niet wijzigen op vlak van materiële schendingen. Kan u die interpretatie, zoals terug te vinden in het verslag op pagina 30, bevestigen?

 

Ten vierde, wat moet in het nieuwe artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek verstaan worden onder "louter formele miskenning"? Gaat het dan ook over dagvaarden? Voor ons kan dit alleszins niet het geval zijn. Of hebt u het over kleine woorden? Wat verstaat u met andere woorden onder "louter formele miskenning"?

 

Ten vijfde, was er in de praktijk een probleem in de rechtspraak, dat door deze bepalingen rond de wet van 15 juni 1935 wordt opgelost?

 

Zult u overgaan tot een reparatie die meer duidelijkheid verschaft over deze bepalingen?

 

15.02 Minister Koen Geens: Mevrouw Van Vaerenbergh, de technische aard van uw vragen noopt mij tot een ongebruikelijk lang antwoord.

 

Op uw eerste twee vragen, voor een goed begrip moet eraan worden herinnerd dat bij de wet van 19 oktober 2015 de eerste Potpourriwet, de sanctionering van de vormvoorschriften werd geharmoniseerd in die zin dat de vormgebreken die voordien met zogenaamde absolute nietigheid werden gesanctioneerd voortaan op dezelfde wijze worden behandeld als de vormgebreken die slechts tot relatieve nietigheid leiden.

 

Uit de aangepaste artikelen 860, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de nietigheid van de procedurehandeling of de sanctie van de niet-naleving van een op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn niet kan worden uitgesproken indien het gebrek of de onregelmatigheid geen afbreuk heeft gedaan aan de belangen van de partij die zich daarop beroept, artikel 861, en dat die nietigheid wordt gedekt indien zij niet in limine litis wordt voorgedragen voor enig ander middel volgens artikel 864.

 

Deze belangrijke hervorming wordt goedgekeurd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 62/2018 van 31 mei 2018, randnummers B58 tot B68.

 

In de wet van 25 mei 2018, de zogenaamde werklastverminderingswet, is die deformalisering voortgezet, mede aan de hand van voorstellen van een commissie van advies.

 

Overeenkomstig de suggesties van die commissie werd meer bepaald voorzien in, enerzijds, het herstel van vormgebreken op bevel van de rechter, ook wanneer zich alsnog belangenschade voordoet – aanvulling van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek – en anderzijds, om discriminatie te vermijden, de gelijkschakeling van de schending van de taalvoorschriften met andere vormgebreken, in gevolge een wijziging van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

 

Uit dit alles volgt dat voortaan de sanctionnering van vormfouten inzake taalwetgeving is onderworpen aan de beginselen die gelden voor de andere procedurevoorschriften. Die beginselen worden doorgaans onder woorden gebracht met: "pas de nullité sans texte", artikel 860 Gerechtelijk Wetboek, "pas de nullité sans grief", artikel 861, eerste lid Gerechtelijk Wetboek en "ius est vigilantibus", artikel 864 Gerechtelijk Wetboek.

 

De wet van 25 mei 2018 voegt daarbij nog het mogelijke bevel tot herstel door de rechter van de eventuele belangenschade toe, zie artikel 861, tweede lid Gerechtelijk Wetboek.

 

Op het onderdeel van uw tweede vraag over een mogelijk misschien wat theoretisch scenario kan ik u antwoorden dat het evident is dat het voorgespiegelde scenario waarbij een eiser moedwillig in de verkeerde taal dagvaardt of conclusie neemt en rekent op de medeplichtigheid van de verweerder om dit te laten passeren – lees niet te protesteren en de rechter op die manier te verplichten te doen alsof zijn neus bloedt en het geschil alsnog te beslechten – uitgaat van kwade trouw en overigens onrealistisch is. Partijen die hun proces willen winnen zullen een dergelijk gebrek aan respect voor de rechtbank niet durven opbrengen. Zij zouden zich overigens allicht schuldig maken aan misbruik dat krachtens artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek met een burgerlijke boete kan worden beteugeld. De rechter zowel als de griffier, zelfs als zij meertalig zijn, hebben er immers evenveel belang bij als de verweerder om in de juiste proceduretaal te worden aangesproken.

 

Dit neemt niet weg dat dit weliswaar irrealistische scenario louter theoretisch denkbaar is op grond van een restrictieve interpretatie van artikel 861, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Ook al heeft het daar verwoorde adagium "pas de nullité sans grief" uiteraard een ruimere draagwijdte, in die bepaling wordt de belangenschade tekstueel beperkt tot schade aan de belangen van de partij die de exceptie opwerpt. A contrario geldt dat dus niet voor de belangen van de andere betrokkenen bij de procedure. Vervolgens geven zowel de woorden "die de exceptie opwerpt" als de afschaffing van de absolute nietigheden die de rechter tot ambtshalve ingrijpen verplichtten de indruk dat de rechter bij gebrek aan protest van minstens een van de partijen machteloos is en dus evenmin de benadeling van zijn eigen belangen kan verhelpen of, ruimer nog, kan verhinderen dat een vormfout de rechtsbedeling in het gedrang brengt.

 

Omdat ik vrees dat in die interpretatie zal worden volhard lijkt het mij aangewezen om dit theoretisch scenario te remediëren en zal ik een wetgevend initiatief nemen. Ik kom er zo dadelijk op terug.

 

Over de derde en de vierde vraag kan ik u het volgende antwoorden en verduidelijken. Deze vragen lijken te berusten op een misverstand.

 

De toevoeging van louter formele miskenning aan artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, waarmee gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State en de door u vermelde bespreking daarvan in de commissie voor de Justitie heeft uitsluitend betrekking op artikel 794, dat het heeft over verbeteringen van het vonnis en dus uitsluitend op het herstel van vormfouten die door de rechter zijn begaan.

 

Als gevolg daarvan kan dezelfde of een andere rechter voortaan bijvoorbeeld een citaat of een adresvermelding in de verkeerde taal verbeteren, dat wil zeggen alsnog vertalen, maar niet een vonnis dat in een verkeerde taal is gewezen als zodanig overdoen, wat met het onderscheid tussen formele en materiële miskenning van de gerechtstaalwet onder woorden is gebracht.

 

Hier gaat het echter over bovendien moedwillige schending van de gerechtstaalwet door een van de partijen, waarop de gewone nietigheidsregeling toepasselijk is. Het processtuk is onwettig, overeenkomstig artikel 40, eerste lid, van de wet van 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

 

Als die onwettigheid belangenschade meebrengt, is dat stuk nietig, overeenkomstig artikel 861, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zij het dat de rechter kan bevelen, indien mogelijk, om de belangenschade weg te nemen door de betrokken akte alsnog in de juiste taal te doen herbeginnen, overeenkomstig artikel 862, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

 

Die laatste mogelijkheid bestaat overigens van oudsher onder het regime van de wet van 1935 omdat in een verkeerde taal gestelde akten, ook al worden zij nietig verklaard, de verjaring en de op straffe van verval opgelegde termijnen stuiten, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van de gerechtstaalwet. Met andere woorden, die akten kunnen worden overgedaan.

 

Op uw vijfde vraag of er een probleem diende te worden opgelost, antwoord ik dat, zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 mei 2018 heeft geleid en zoals mevrouw Uyttersprot in de Kamercommissie heeft erkend, het na de afschaffing van de absolute nietigheden van het Gerechtelijk Wetboek niet langer houdbaar was om op straffe van schending van de beginselen van gelijkheid en discriminatie elke mogelijke schending van de taalwetgeving mordicus met absolute nietigheid te sanctioneren, ook als de betrokken vormfout geen belangenschade meebrengt en in geval van belangenschade zonder de mogelijkheid die schade te laten herstellen.

 

Dat was de uitsluitende bedoeling die aan de grondslag lag van artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, zoals gezegd op unaniem voorstel van een adviescommissie van experts. Daarbij is niet uitgegaan van de mogelijke kwade trouw van procespartijen die, niet om een proces te winnen maar om andere redenen, de taalwetgeving moedwillig zouden overtreden.

 

Uw zesde vraag luidde of een reparatiewet eventueel meer duidelijkheid kan brengen. Dat spreekt vanzelf. Indien wordt gevreesd dat zal worden volhard in het beschreven irrealistische scenario, dat overigens misbruik van procesrecht uitmaakt – ik vrees dat ook –, zal het volstaan artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek te preciseren, teneinde geen enkele twijfel over het ambtshalve ingrijpen van de rechter te laten bestaan als de rechtsbedeling in het gedrang wordt gebracht.

 

Dat is uiteraard het geval wanneer een van de partijen de rechter a fortiori moedwillig in een andere dan de proceduretaal aanspreekt.

 

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, ik dank u.

 

15.03  Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw erg omstandige antwoord op mijn vraag. Ik zal het antwoord nauwkeurig nakijken.

 

Voor mij dringt een aanpassing zich alleszins op. Ik kan in eigen naam spreken. Naar mijn mening moeten wij het volledig ongedaan maken. Het is immers heel raar dat wij hier stellen dat niet langer kan worden vastgehouden aan de taalwet, zoals hij was. In de praktijk hoor ik daarover immers weinig problemen. Het is ook een speciale wet hier bij ons.

 

Ik kijk uit naar de oplossingen die wetgevend zullen worden geboden. Wij zullen ze uiteraard nauwkeurig in de gaten houden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions nos 25752 et 25753 de M. André Frédéric sont reportées. Les questions nos 25863 et 25864 de M. Philippe Goffin sont transformées en questions écrites.

 

La réunion publique de commission est levée à 17.09 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.09 uur.