Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 20 juni 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 20 juin 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 14.57 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions commence à 14.57 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

01 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de podiumkunsten en de gepubliceerde FAQ" (nr. 25730)

01 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les arts de la scène et la publication de la liste FAQ" (n° 25730)

 

01.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verwijs naar de lijst van Frequently Asked Questions inzake de taxshelter voor de podiumkunsten. Duidelijkheid ter zake is natuurlijk belangrijk, wil men in de praktijk niet verveeld zitten met de toepassing van de maatregelen en wil men alles administratief in orde brengen. Ook in mijn vragen nrs 24871 tot 24874 heb ik daarop gealludeerd.

 

Nu richt ik mij meer bepaald op punt 20 van de FAQ, over de kwalificerende uitgaven die tot uiterlijk één maand na de première gedaan mogen worden. Volgens de FAQ worden niet alle uitgaven bedoeld, maar enkel de productie- en exploitatie-uitgaven vóór de première. Op die manier worden bijvoorbeeld de vervoerkosten verbonden aan een tournee, evenals de kosten voor de afbraak of de heropbouw van het podium niet aanvaard. Volgens mij is dit echter een foute interpretatie van een duidelijke wet, aangezien de wet klaar en duidelijk bepaalt dat kwalificerende uitgaven uiterlijk tot één maand na de première kunnen worden gedaan.

 

Mijnheer de minister, ik respecteer de wet. Men kan de wet wel praktisch aanschouwelijk maken, maar de wettekst specificeert niet dat de uitgaven moeten worden betaald vóór de première heeft plaatsgevonden, wel dat de prestaties moeten worden gedaan binnen de maand na de première. Volgens mij wordt hier een voorwaarde toegevoegd die niet is opgenomen in de wettekst.

 

Daarnaast wordt in punt 28 van de FAQ een ander item behandeld. Men weigert de kosten voor reclame op tv en radio, alsook kosten voor socialemediamarketing die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van het podiumwerk, terwijl kosten voor advertenties in de geschreven pers, affiches, flyers of het aanmaken van persdossiers of websites eigen aan de productie wel kosten zijn die rechtstreeks verband houden met de productie en de exploitatie van het podiumwerk.

 

In dat verband merk ik op, mijnheer de minister, dat het in 2018 logisch is dat socialemedia-advertenties of reclameboodschappen op tv en radio wel betrekking kunnen hebben op de première, en dus te maken kunnen hebben met het aantrekken van toeschouwers voor de première. Die advertenties hebben trouwens dezelfde doelstelling als offline-advertenties in de gedrukte pers of via affiches.

 

Ziehier mijn vragen.

 

Waarom voegt de administratie een voorwaarde toe aan de wettekst met betrekking tot de kosten tot één maand na de première, terwijl de wettekst daarin niet voorziet?

 

Kunt u verantwoorden waarom bijvoorbeeld vervoerkosten of kosten voor afbraak of heropbouw niet als kwalificerende uitgaven aanvaard worden, terwijl deze wel onder de tekst van de wet vallen?

 

Het sectoroverleg is ook belangrijk. De interpretatie werd besproken met de sector, die natuurlijk over heel wat expertise beschikt voor zo'n administratief en operationeel proces.

 

Kunt u verduidelijken of de kosten die gedaan worden vóór de première betaald moeten worden binnen de maand na de première, of volstaat het dat zij dan gefactureerd of geboekt zijn?

 

Ik kom tot het tweede luik. Waarom is er discriminatie jegens de sociale media, onlinemarketing en radio- en tv-reclame?

 

Waarom heeft men het niet over alle kosten die rechtstreeks verband houden met de productie en de exploitatie van het podiumwerk? Trouwens, wat zou de ratio ervan zijn als de wettekst deze opdeling niet maakt? Waarom moet er dan een andere behandeling zijn voor affiches, flyers en advertenties in de krant, zeker wanneer deze ook betrekking hebben op het aantrekken van toeschouwers voor de première?

 

01.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, het taxshelterstelsel voorziet in een vrijstelling van de belastbare winst binnen bepaalde voorwaarden en grenzen van de sommen waartoe een in aanmerking komende investeerder zich in de loop van een belastbaar tijdperk in uitvoering van een raamovereenkomst verbonden heeft. Deze raamovereenkomst wordt afgesloten met het oog op de financiering van de productie van een in aanmerking komend werk en het verkrijgen van een taxshelterattest door de in aanmerking komende investeerder. Het is ook op die manier dat het taxshelterstelsel is aangemeld als steunmaatregel bij de Europese Commissie.

 

Uit de wettelijke bepalingen inzake het taxshelterstelsel blijkt dan ook dat met de productie- en exploitatie-uitgaven die uitgaven worden bedoeld die verbonden zijn aan de eigenlijke productie van het in aanmerking komend werk.

 

Zoals ik reeds voorheen heb medegedeeld, heeft de wetgever ervoor gekozen dat de kwalificerende uitgaven die verband houden met een podiumproductie kunnen worden gedaan binnen een termijn die eindigt uiterlijk een maand na de première, omdat dan nog een aantal belangrijke kosten zoals personeelskosten worden gedragen. De wetgever wilde er op deze manier in zekere mate rekening mee houden dat de opvoering van in aanmerking komende werken ook nog productie- en exploitatie-uitgaven met zich meebrengt. Bijgevolg kunnen de productie- en exploitatie-uitgaven die als zodanig worden beschouwd, wanneer deze worden gedaan vóór de première heeft plaatsgevonden, deze kwalificatie behouden binnen de termijn die eindigt uiterlijk één maand na de première.

 

Uit de wettekst noch uit de bespreking van de bedoelde wettelijke bepalingen blijkt echter de bedoeling om alle uitgaven die betrekking hebben op de voorstellingen na de première eveneens te financieren via het taxshelterstelsel.

 

Alles in acht genomen meen ik dan ook dat mijn administratie geen voorwaarden toevoegt met betrekking tot de juiste toepassing van de bedoelde wettelijke bepalingen.

 

Uitgaven die verband houden met een tournee kunnen niet worden beschouwd als kwalificerende uitgaven, aangezien deze niet bijdragen tot de uiteindelijke productie van het in aanmerking komend werk. Een podiumwerk dat op tournee gaat, is dan ook reeds een gefinancierd eindproject. Bovendien kunnen de voorstellingen van een tournee vooraf worden verkocht aan bijvoorbeeld culturele centra, en is er bijgevolg geen taxshelterfinanciering meer nodig voor dit type van voorstelling.

 

Het standpunt ter zake van mijn administratie is al geruime tijd gekend in de sector. De FAQ met betrekking tot het taxshelterstelsel voor podiumwerken is tot stand gekomen na een ruime raadpleging van de sector. Uit deze raadpleging is vooral de bezorgdheid van de sector naar voren gekomen om een duidelijk, afgelijnd en werkbaar stelsel te hebben. In de FAQ betreffende het taxshelterstelsel voor podiumkunsten worden enkele wettelijke bepalingen verduidelijkt om net voor iedereen die rechtszekerheid te kunnen bieden.

 

Er zijn geen bijzondere regels voor de uitgaven die worden gedaan binnen de periode van een maand na de première. Om de datum te bepalen waarop de uitgaven zijn gedaan, moeten de dienstprestaties of leveringen van goederen werkelijk binnen de termijn van 24 maanden na de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst en uiterlijk een maand na de première plaatsvinden. Bovendien moeten die uitgaven tijdens die periode werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter hebben gekregen van een zekere en vaststaande schuld of verlies en als dusdanig geboekt zijn. Daarnaast moeten op het vlak van de btw de regels met betrekking tot de facturatie van de dienstprestaties of leveringen van goederen uiteraard strikt worden nageleefd. Deze bepalingen zijn ook duidelijk opgenomen in het vijfde lid van de aangehaalde FAQ 20.

 

Voor de uitgaven inzake publicaties en promotie eigen aan het werk voorziet de wet inderdaad slechts in een beperkt aantal uitgaven die kunnen worden beschouwd als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van een in aanmerking komend werk. Het gaat om de uitgaven in verband met affiches, flyers, het aanmaken van het persdossier, een website of webpagina eigen aan de productie, alsook de première.

 

Andere dan deze uitdrukkelijk in de wet vermelde uitgaven kunnen dan in principe uitgaven vormen die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie. Op vraag van de sector werd in een administratieve tolerantie voorzien om advertenties in de geschreven pers en mailings eveneens te beschouwen als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie. Overigens vormen de uitgaven in verband met socialemediamarketing en tv- en radioadvertenties eveneens onrechtstreekse uitgaven voor de toepassing van de taxshelter voor audiovisuele producties.

 

Tot slot wijs ik erop dat over de bedoelde wettelijke bepalingen vooraf overleg werd gepleegd met verschillende actoren van de sector en met de drie betrokken Gemeenschappen.

 

Het taxshelterstelsel voor podiumproducties beoogt een zo goed mogelijke omzetting van de beginselen inzake audiovisuele producties om het evenwicht tussen beide stelsels te waarborgen. Waar nodig werd rekening gehouden met de eigenheid van podiumproducties.

 

De herziening van de toepassing van het taxshelterstelsel via administratieve toleranties zou het voorafgaand overleg in vraag kunnen stellen en lijkt mij eerder afbreuk te doen aan de rechtszekerheid bij de toepassing ervan. Er mag daarbij immers niet uit het oog worden verloren dat het taxshelterstelsel een vorm van overheidssteun is, die uiteraard verenigbaar moet blijven met de regels ter zake van de Europese Unie.

 

01.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u neemt over heel wat zaken een standpunt in. Dat zorgt voor duidelijkheid.

 

Wij moeten dat aanvaarden, soms niet altijd van harte. Men kan immers discussiëren over bijvoorbeeld het vervoer voor de première; zonder vervoer zou er geen productie zijn, maar op dat onderdeel zijn de regels misschien wel helderder.

 

Moeilijker vind ik het te aanvaarden voor het tweede luik, waarbij er wel degelijk een administratieve tolerantie is als het gaat om niet-rechtstreeks kwalificerende uitgaven, bijvoorbeeld voor de geschreven pers, maar niet als het gaat om socialemediamarketing of onlineadvertenties. Daar discrimineert men echt op basis van drager.

 

Er is een veelheid van problemen geëvoceerd, ook in het kader van de FAQ. Als wij zeggen dat daar toch wel een update aan de orde is, gezien de nieuwe technieken en technologieën, dan adviseer ik u om dat onderdeel heel specifiek te bekijken. Dat is immers iets wat men moeilijk uitgelegd krijgt.

 

Ik pleit er ook niet voor dat men helemaal verkrampt en dat men het sowieso niet laat kwalificeren als het onrechtstreeks is, maar het is toch niet meer van deze tijd om te zeggen dat flyers op papier wel kunnen worden gekwalificeerd, maar niet als dezelfde flyer elektronisch wordt verspreid en geadverteerd, of dat adverteren in een tijdschriftje of een weekblad kan, maar exact dezelfde lay-out en boodschap op een website niet?

 

Dat lijkt mij toch een pijnlijke zaak. Misschien kunnen wij dat binnen afzienbare tijd nog eens evalueren, maar ik roep u op om extra overleg te plegen om na te gaan of een update van de administratieve tolerantie in de omzendbrief of de FAQ echt aan de orde is.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Question de M. Jean-Jacques Flahaux au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, sur "les difficultés d'accès rencontrées par les PME belges pour des prêts de la Banque européenne d'investissement" (n° 25633)

02 Vraag van de heer Jean-Jacques Flahaux aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, over "de moeilijkheden voor onze kmo's om leningen te kunnen aangaan bij de Europese Investeringsbank" (nr. 25633)

 

02.01  Jean-Jacques Flahaux (MR): Monsieur le ministre, la Banque européenne d’investissement (BEI), qui célèbre cette année ses soixante printemps, a récemment publié un bilan encourageant pour 2017. En 2017, l’institution a en effet approuvé 901 projets, ce qui représente une hausse de 15 % par rapport à l’année précédente, et plus de 78 milliards d’euros ont été consacrés aux infrastructures, à l’innovation, à l’environnement et aux petites et moyennes entreprises. Pourtant, la situation de notre pays a retenu mon attention. Entre 2016 et 2017, les opérations financées par la banque en Belgique ont diminué de près de 600 millions d’euros, passant de 2,3 à 1,6 milliard d’euros seulement. Si le nombre moins important de grands projets coûteux, comme ce fut le cas en 2016, permet d’expliquer en partie cette diminution, je souhaite attirer votre attention sur ce qui constitue selon moi un réel frein aux prêts de la BEI aux PME belges. L’interprétation donnée par la Banque nationale belge à une taxe sur les financements semble constituer une dissuasion pour les banques belges de proposer aux PME des prêts garantis par la BEI.

 

Monsieur le ministre, la situation belge vis-à-vis de la BEI doit-elle selon vous être améliorée? Plus globalement, comment encourager l’accès des PME belges aux prêts de la BEI? Je vous remercie pour vos réponses.

 

02.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Flahaux, le rapport d'activités 2017 de la BEI présenté en janvier 2018 auquel vous faites référence, ne montre pas de tels signaux pour la Belgique qui soient imputables à cette méthodologie et qui permettraient de différencier la situation belge de celle d'autres États membres. Il ne s'agit pas d'une interprétation de la loi donnée par la Banque nationale mais d'une application des dispositions légales communes aux États membres, en application de la loi du 3 août 2016 fixant la base imposable de la taxe bancaire. Cette loi renvoie à une notion connue des banques, celle de l'allègement des obligations de déclaration auxquelles elles sont soumises.

 

Cette loi prévoit ainsi que la base de calcul de la taxe bancaire est déterminée par référence à la rubrique Dettes envers la clientèle. Les montants sont reportés dans le schéma A pour les banques belges à la Banque nationale.

 

Par contre, je vous rejoins pour unir nos efforts de soutien aux start-up, scales-up et PME belges auprès de la BEI. Cela passe notamment par une plus grande publicité sur les conditions d'octroi des prêts BEI, la garantie EFSI et les instruments de soutien du FEI, tout comme sur l'assistance technique octroyée par instrument du budget de l'Union européenne auprès de nos acteurs.

 

Un dialogue avec le secteur bancaire et financier est aussi important pour qu'il informe prioritairement les clients du soutien de la BEI. Le plan d'investissement belge sera précisément l'occasion de mettre en œuvre une telle communication à destination des acteurs belges. Espérons également que le portail EIPP du plan Juncker puisse aussi jouer son rôle attractif de broker pour des appels à financement de nos entreprises, comme nous le constatons aujourd'hui dans les demandes que nous recevons.

 

02.03  Jean-Jacques Flahaux (MR): Merci, monsieur le ministre. Par votre réponse, vous faites mieux connaître les opportunités qui existent. Je n'ai rien à ajouter. Nous aurons sans doute l'occasion de faire le point en début d'année prochaine.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het zogenaamde dakfonds voor groeibedrijven" (nr. 25768)

03 Question de M. Eric Van Rompuy au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "un 'fonds de fonds' pour les entreprises en croissance" (n° 25768)

 

03.01  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, ik ondervroeg u een paar maanden geleden al over het zogenaamde dakfonds voor groeibedrijven. Thans las ik in de pers dat de FPIM op 1 juni aan de partijen gevraagd heeft naar een voorstel met betrekking tot het beheer.

 

Het durfkapitaalfonds zou een omvang van minimaal 300 miljoen en maximaal 450 miljoen hebben, een soort van Belgian growth fund.

 

Er zijn nu al fondsen zoals de GIMV, de PMV, de SRIW in Wallonië. Is er echt nood aan een overheidsinitiatief op dat vlak?

 

Jonge beloftevolle bedrijven, de zogenaamde scale-ups, die moeten doorgroeien vanuit België naar het internationaal niveau, hebben blijkbaar een probleem met de financiering. Een dakfonds zou daarbij kunnen helpen. Hoe gaat dit dakfonds werken?

 

Het dakfonds zou niet rechtstreeks investeren in de groeibedrijven, maar wil geld investeren in fondsen die op hun beurt bedrijven zoeken. Het geld van het fonds zal zowel komen van de overheid, in dezen de FPIM, als van institutionele partijen. Wat is de relatie met de PMV en de SRIW? Kan de FPIM dat niet zelf doen? Waarom moet daarvoor een nieuwe structuur komen? Hoe zal het privékapitaal daarbij betrokken worden? Ik lees in de pers dat 51 % van het fonds in de beheersstructuur door private institutionele beleggers zou worden ingenomen. De overheid zou een minderheid van 49 % nemen.

 

De FPIM heeft partijen gevraagd om tegen 1 juni een voorstel te doen. Het daadwerkelijke beheer zou gebeuren door een apart vehikel, met name BGF Management. Uiterlijk in het najaar zal duidelijk worden wie het beheer krijgt en kan de zoektocht naar investeerders starten.

 

Ik denk dat het een zeer goed idee is, maar de structuren lijken mij zeer onduidelijk te zijn. Waarom moet de federale overheid hierin stappen? Welke meerwaarde heeft de oprichting van een fonds? Kan dit niet via de FPIM gebeuren?

 

Ik meen dat de scale-ups moeten kunnen doorgroeien naar een internationaal niveau, maar het is mij niet zo duidelijk van waar die structuur gaat komen.

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: Wat de behoefte aan dit fonds betreft, wordt inderdaad duidelijk vastgesteld dat het verzamelen van startkapitaal voor ondernemingsactiviteiten geen probleem is. Startkapitaal vindt men bij manier van spreken op elke hoek van de straat. Het probleem ontstaat echter bij de doorgroeifinanciering. Als men analyseert waarom zoveel van de doorgroeiende bedrijven naar het buitenland gaan, blijkt dat ze daar effectief gemakkelijker fondsen kunnen vinden, vooral dan in de Verenigde Staten.

 

Het ontbreken van die fondsen voor doorgroeibedrijven heeft heel veel te maken met de hoogte van de bedragen. Ze zijn uiteraard een stuk hoger dan die van het startkapitaal. Dat is dan gerelateerd aan de relatief kleine investeringsfondsen die wij hebben. Het is de bedoeling om op deze manier tot een upgrade van fondsen te komen die op hun beurt investeren in individuele ondernemingsactiviteiten.

 

Hoe zal het fonds gefinancierd worden? Door een beroep te doen op institutionele investeerders, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen, banken, grote privé-investeerders en dergelijke. Ook publieke investeerders zoals de regionale investeringsmaatschappijen worden aange­sproken. De governance wordt zo opgezet dat het fonds volledig onafhankelijk wordt beheerd en aangestuurd door een investeringscomité waarin de institutionele en onafhankelijke investeerders een meerderheid vertegenwoordigen. Bovendien is het ook zo dat het grootste deel van het kapitaal sowieso uit de privésector moet komen.

 

De rol van de FPIM is het praktisch opzetten van het fonds. De FPIM heeft ook een faciliterende rol om kapitaal aan te trekken bij de institutionele investeerders waar ik daarnet naar verwees. PMV en SRIW zullen ook aangesproken worden om mee te investeren in het fonds, met dien verstande echter dat de federale en regionale investeringsmaatschappijen nooit de meerderheid van het ingebrachte kapitaal vertegenwoordigen.

 

Tot slot, het fonds zal worden beheerd door een fondsmanager, die wordt gekozen op basis van een aanbestedingsprocedure, die trouwens nu loopt. Daarbij wordt onder meer gepeild naar de ervaring, het trackrecord en de kennis van lokale en Europese markten op het vlak van groeifondsen, uiteraard tegen competitieve voorwaarden.

 

De gekozen fondsmanager zal werken in een kader met vooropgestelde regels en governmentstructuren, waarbij de onafhankelijkheid van de investeringsbeslissingen te allen tijde wordt gegarandeerd.

 

03.03  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, wij zullen het dossier opvolgen.

 

Ik blijf echter op mijn honger over de noodzaak van een dergelijk fonds. Ik merk immers dat de GIMV op een berg cash zit. Ik heb het recentste jaarverslag gelezen en ben vroeger nog voogdijminister van de GIMV geweest.

 

De GIMV is tot groot ongenoegen van een aantal Belgische bedrijven de internationale toer opgegaan en mikt al een hele tijd op de scale-up's.

 

Door het creëren van een nieuwe structuur naast de GIMV moet het duidelijk zijn dat de finaliteit — u merkt zelf op dat er heel veel kapitaal is — erin bestaat het kapitaal op de juiste manier door te sluizen naar de groeibedrijven, waarvan wij er inderdaad soms te weinig hebben.

 

Wij zullen afwachten hoe een en ander evolueert. Niettemin moet u bewijzen dat de zogenaamde dakfondsen, bedoeld om "door het dak te gaan", een meerwaarde hebben. Wij zullen het dossier blijven opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Griet Smaers aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de steunzones" (nr. 25816)

- de heer Patrick Dewael aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de steunzones" (nr. 26062)

04 Questions jointes de

- Mme Griet Smaers au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les zones d'aide" (n° 25816)

- M. Patrick Dewael au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les zones d'aide" (n° 26062)

 

De voorzitter: De heer Dewael is afwezig.

 

04.01  Griet Smaers (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb in dit Parlement al een aantal vragen gesteld naar aanleiding van de invoering van de steunzones Kempen en Limburg, die in 2014 werden erkend. Om ze te steunen, werden onder meer fiscale gunstmaatregelen uitgewerkt, waarbij op federaal vlak in een loonlastenverlaging werd voorzien.

 

Sedertdien werden een aantal wetswijzigingen doorgevoerd om een aantal aanpassingen aan de eerste versie van de regeling door te voeren. Dat was voornamelijk een versoepeling van de aanvankelijke wetgeving om meer vragen in aanmerking te kunnen nemen.

 

Ik heb vernomen dat er nieuwe wijzigingen aan de regeling op komst zijn. Wij hebben bij de regeling van de werkzaamheden daarnet gehoord dat er een wetsontwerp aankomt met een aantal nieuwe aanpassingen aan die regeling.

 

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Een eerste vraag heeft betrekking op een nieuwe evaluatie: waar staan wij vandaag? Beschikt u over nieuw cijfermateriaal over de creatie van arbeidsplaatsen? De bedoeling van de regeling steunzones en van de fiscale gunstmaatregelen was immers dat na Ford Genk in Limburg en na een aantal grote herstructureringen in de Kempen de creatie van jobs op die locaties centraal moest staan.

 

De gunstmaatregel van de loonlastenverlaging moest effectief tot doel hebben heel wat bijkomende jobs in die zones te creëren. Kunt u meedelen welke wijzigingen het wetsontwerp zal bevatten? Houden deze wijzigingen veeleer een versoepeling dan wel een verstrenging van het regime in?

 

Kunt u meer uitleg verstrekken over het voorziene tijdpad? Ik heb begrepen dat het ontwerp volgende week naar de Kamer zou komen. Wanneer is de inwerkingtreding van de vernieuwde regeling gepland?

 

Kunt u verduidelijken hoeveel nieuwe arbeidsplaatsen er werden gecreëerd sinds de invoering van de regeling inzake de ontwrichte zones? Kunt u verduidelijken hoeveel nieuwe arbeidsplaatsen er in 2018 werden gecreëerd? Kunt u hierbij een overzicht geven van de bijkomende tewerkstelling voor de provincies Limburg en Antwerpen? Kunt u een overzicht geven van het aantal nieuwe arbeidsplaatsen, uitgesplitst naar kmo's en grote ondernemingen? Kunt u verduidelijken hoeveel nieuwe bedrijven zich onder deze regeling hebben gevestigd?

 

Ik weet dat het laatste deel van mijn vragen redelijk veel cijfermateriaal behelst. U mag mij dit ook schriftelijk overhandigen als u dat beter uitkomt.

 

04.02 Minister Johan Van Overtveldt: Ik zal u straks de volledige cijfertabel geven, mevrouw Smaers, maar voor het verslag preciseer ik dat het tot vandaag gaat over 5 105 jobs. Echt netto nieuwe jobs. Genk en het Turnhoutse hebben inderdaad veruit het grootste aandeel, met respectievelijk, afgerond, 3 600 en 1 400 jobs.

 

Wat de verdeling tussen kmo's en grote ondernemingen betreft, gaat het om, afgerond, 3 300 jobs in de kmo's en 1 800 in de grote ondernemingen.

 

Tot nu toe hebben in totaal 39 bedrijven van de maatregel gebruikgemaakt. De datum van afsluiting staat er niet bij, maar die was zeker en vast zeer recent.

 

Er komt een nieuw wetsontwerp aan, waarbij vooral flexibiliteit gegeven zal worden. Ik geef één voorbeeld, zonder een voorafname te doen op de discussie die wij uiteraard zullen voeren over de afbakening van de steunzones. De nieuwe regeling zal ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de wet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.

 

04.03  Patrick Dewael (Open Vld): Mijnheer de minister, mijn excuses. Ik was in een andere commissie. Ik kon hier niet vroeger zijn.

 

Wellicht is een gedeelte al vermeld door mijn goede collega, mevrouw Smaers.

 

Bedrijven die investeren in een afgebakende steunzone kunnen rekenen op een vrijstelling van 25 % van de bedrijfsvoorheffing voor een periode van twee jaar per extra arbeidsplaats.

 

U kent de twee steunzones die afgebakend zijn in het Vlaamse Gewest, namelijk één in Limburg en één in de regio rond Turnhout, in de Kempen. Een derde steunzone, rond Zaventem, is nu in volle voorbereiding.

 

Ook in het Waalse Gewest heeft men nu begrepen dat dit een succesvolle formule is, en men heeft daar nu ook voorgesteld vier van die zones af te bakenen.

 

U hebt verklaard dat die maatregel in het verleden goed is geweest voor zowat 4 300 jobs in totaal, waarvan 3 235 in Limburg en 1 114 in de provincie Antwerpen; 1 666 jobs werden gecreëerd bij grote ondernemingen en 2 683 in kmo's.

 

Twee weken geleden heeft de Ministerraad een nieuw voorontwerp goedgekeurd dat die regeling nog zal flexibiliseren.

 

Er zijn verschillende positieve maatregelen genomen, zoals de gelijktrekking voor de regeling voor collectief ontslag, hetzij uit herstructurering, hetzij uit faillissement. Ten tweede, er was al een verlaagde drempel bij een hoge graad van jeugdwerkloosheid. Die verlaagde drempel zal nu ook worden ingevoerd indien de betrokken regio ook een hoge graad van werkloosheid kent bij personen ouder dan vijftig jaar. Er wordt ook in meer flexibiliteit voorzien en maatregelen zoals maatwerk. Zo wordt bijvoorbeeld de huidige beperking voor de omvang van de steunzone geflexibiliseerd.

 

Mijnheer de minister, beschikt u over nog recentere cijfers over de jobcreatie ten gevolge van die regeling?

 

In navolging van de wetswijziging zal ook het koninklijk besluit van 28 april 2015 moeten worden aangepast. Zult u ervoor zorgen dat die aanpassing gelijktijdig met de wetswijziging ingaat?

 

Bedankt dat u daarop nog even wilt ingaan.

 

04.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Dewael, ik zal kort enkele cijfers vernoemen, maar ik heb voor u op papier een tabel met de exhaustieve cijfers op het vlak van tewerkstelling. Het gaat tot nu toe afgerond om 5 100 jobs in totaal, waarvan 3 600 in de regio Genk en 1 400 in de regio Turnhout. Er zijn 3 200 jobs gecreëerd in de kmo's en 1 800 in de grote ondernemingen. Tot nu toe zijn er inderdaad nagenoeg uitsluitend in Vlaanderen jobs gecreëerd.

 

U hebt zelf een overzicht gegeven van wat er vorige week op de Ministerraad werd goedgekeurd. Die maatregelen komen eraan.

 

U stelde ook een vraag over het koninklijk besluit. Het koninklijk besluit zal worden gewijzigd nadat het ontwerp wordt goedgekeurd. Het is niet mogelijk om het koninklijk besluit sneller te wijzigen, aangezien er moet worden gewacht op een rechtsgrond voor die wijziging. Die rechtsgrond is opgenomen in het ontwerp dat vorige week werd goedgekeurd in de Ministerraad en dat in de komende weken in het Parlement zal worden besproken. Het legistiek proces voor het koninklijk besluit zal na de goedkeuring kunnen worden opgestart en dat zal zo snel mogelijk gebeuren. De facto gebeurt de aanpassing van het koninklijk besluit parallel, maar legistiek gezien moet eerst het ontwerp goedgekeurd worden en kan pas daarna het koninklijk besluit worden aangepast.

 

04.05  Patrick Dewael (Open Vld): Dank u wel.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de M. Stéphane Crusnière au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la signature de la TVA pour les étrangers vivant en Belgique" (n° 25883)

05 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de ondertekening van de elektronische btw-aangifte door vreemdelingen die in België wonen" (nr. 25883)

 

05.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, il me revient que les ressortissants étrangers résidant sur notre territoire et qui exercent une activité indépendante éprouvent quelque difficulté pour remplir leurs documents fiscaux par voie électronique, ce qui est contraignant.

 

En effet, à l'heure où on les oblige maintenant à remplir leurs déclarations de TVA par voie électronique, ils ne peuvent les valider à l'aide de leur carte de résident belge, munie pourtant de la même puce que nos cartes d'identité. Ils doivent en effet faire appel à un logiciel commercial payant pour signer leurs déclarations.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous me confirmer la chose et me communiquer les raisons de cette obligation qui crée une discrimination entre les Belges et les résidents non belges? Quel est le coût de cette obligation pour le contribuable? Est-il prévu de revoir cette disposition?

 

05.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Crusnière, en ce qui concerne l'accès aux e-services du SPF Finances, nous utilisons les moyens mis à notre disposition par le SPF Stratégie et Appui. Votre question relève donc davantage des compétences du ministre en charge de l'Agenda numérique.

 

05.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie. J'interrogerai dès lors M. De Croo.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des sociétés et la condition de rémunération minimale" (n° 25970)

06 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vennootschapsbelasting en de minimumbezoldigingsvereiste" (nr. 25970)

 

06.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, ma question porte sur la condition de rémunération prévue au Code des impôts sur les revenus.

 

À la suite d'une question préjudicielle, la Cour d'arbitrage a décidé, dans un arrêt de 2005, que les rémunérations prises en compte pour vérifier la règle de rémunération minimale peuvent être celles retirées par une personne physique étant un administrateur ou un gérant exerçant son mandat à titre gratuit, mais percevant par ailleurs une rémunération comme travailleur.

 

Dans sa version actuelle, l'article 215 peut-il encore être interprété à la lumière de cet arrêt, de sorte que la société dont un dirigeant exerce un mandat à titre gratuit puisse tenir compte des rémunérations qu'elle alloue à ce dirigeant en tant que travailleur pour vérifier la condition de rémunération minimale? Il semble que la réponse soit affirmative, dans la mesure où la loi du 25 décembre 2017 n'a modifié l'article 215, alinéa 2, 4° qu'en ce qui concerne le seuil de la rémunération, en le rehaussant de 36 000 à 45 000 euros. La règle de rémunération minimale n'a pas été modifiée dans son principe ni dans ses objectifs.

 

De manière corollaire, l'article 219 relatif à la cotisation distincte peut-il être interprété à la lumière de l'arrêt de la Cour d'arbitrage, dans la mesure où cet article renvoie au montant minimal requis de rémunération? Autrement dit, une société dont un dirigeant exerce un mandat à titre gratuit peut-elle tenir compte des rémunérations qu'elle alloue à ce dirigeant en tant que travailleur pour vérifier l'application ou non de la cotisation distincte?

 

Enfin, dans les hypothèses évoquées où le dirigeant exerce dans la même société un mandat à titre gratuit et une fonction de travailleur salarié, la rémunération qui découle de cette dernière n'est pas imposée comme une rémunération de dirigeant d'entreprise mais comme une rémunération de travailleur salarié, à condition que les éventuels loyers versés par la société n'entrent pas en considération pour la requalification des rémunérations. Partagez-vous ce point de vue?

 

06.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, je peux en effet confirmer qu'une société qui alloue une rémunération de travailleur salarié à un dirigeant exerçant un mandat à titre gratuit peut tenir compte de cette rémunération pour l'application de l'impôt des sociétés et de la cotisation distincte issue de la loi de réforme.

 

La manière susvisée d'apprécier la condition de rémunération minimale n'a pas d'incidence sur le principe d'attraction applicable à l'impôt des personnes physiques (IPP) en matière de rémunération de dirigeants d'entreprises.

 

06.03  Benoît Piedboeuf (MR): Je suis très content de cette réponse, monsieur le ministre. Cela clarifie une situation à propos de laquelle plusieurs hésitaient. Merci beaucoup!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les dons d'oeuvres d'art à des associations caritatives" (n° 25972)

07 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de schenkingen van kunstwerken aan liefdadigheidsorganisaties" (nr. 25972)

 

07.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, il s'agit ici d'un rappel d'une question écrite déposée en octobre 2016 pour laquelle je n'ai pas encore eu de réponse. Je voulais savoir si M. le ministre pouvait accélérer les choses.

 

07.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, ma réponse comporte deux parties. Premièrement, en matière d'impôt des personnes physiques, les revenus d'un artiste créant des œuvres d'art, lorsqu'il est considéré comme exerçant une profession libérale, sont des profits qui ne sont imposables que pour l'année de leur perception. Sur le plan des principes, l'opération consistant pour cet artiste à offrir à titre exceptionnel, sans contrepartie directe ou indirecte, une de ses œuvres à une association caritative est par conséquent sans incidence sur les profits comptabilisés par l'artiste au cours de la période imposable concernée.

 

Par ailleurs, les libéralités sous la forme d'œuvres d'art peuvent entrer en ligne de compte pour une réduction d'impôt fédéral. À cette fin, deux conditions doivent être remplies. Premièrement, les libéralités doivent être effectuées aux musées de l'État ou, sous conditions d'affection à leurs musées, aux Communautés et Régions, provinces, communes et centres publics d'aide sociale. Deuxièmement, le ministre des Finances décide que les œuvres d'art données appartiennent au patrimoine culturel du pays ou ont une renommée internationale. Il prend sa décision après un avis contraignant d'une commission spéciale composée des représentants du SPF Finances, des Communautés, des Régions et des musées fédéraux. L'avis porte également sur la recevabilité et la valeur pécuniaire de la libéralité. La réduction d'impôt est égale à 45 % des libéralités effectuées. Le montant total des libéralités pour lesquelles une réduction d'impôt est accordée est limité par période imposable à 10 % de l'ensemble des revenus nets, à l'exclusion des revenus imposés conformément à l'article 171 du code des impôts sur les revenus 1992 et sans pouvoir dépasser 376 350 euros.

 

En matière de TVA, les artistes peintres, sculpteurs, graveurs et céramistes, qu'ils soient professionnels ou amateurs, sont assujettis à la TVA dès qu'ils vendent habituellement des œuvres qu'ils ont créées, même si ces ventes ont lieu à des intervalles irréguliers. Conformément au code de la TVA, le prélèvement par un artiste d'une œuvre de son stock pour la transmettre à titre gratuit à une association caritative est assimilé à une livraison effectuée à titre onéreux lorsque les éléments qui composent cette œuvre ont ouvert droit à la déduction complète ou partielle de la taxe.

 

La taxe est alors exigible sur une base d'imposition qui, en vertu du code précité, est constituée par le prix de revient déterminé au moment où s'effectue cette opération. En ce qui concerne le prix de revient d'une œuvre d'art prélevée, et s'agissant essentiellement de corriger des déductions antérieures, il ne faut toutefois pas tenir compte de la valeur de la prestation de l'artiste relative à la conception de ladite œuvre.

 

En revanche, dans les cas où aucune taxe grevant l'acquisition des biens et des services utilisés pour concevoir l'œuvre d'art n'a pu être déduite, le don de cette œuvre à une association caritative n'a aucune implication au niveau de la TVA. Ceci peut être le cas, premièrement, si l'artiste savait à l'avance que les biens et services reçus allaient servir à concevoir l'œuvre objet de ce don et, deuxièmement, si l'artiste est soumis au régime de franchise de la taxe prévu à l'article 56bis du code de la TVA qui lui interdit tout droit à déduction.

 

07.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, j'ai bien fait de patienter parce que la réponse est tout à fait satisfaisante. Je crois qu'elle fera plaisir à beaucoup de monde et, en tout cas, qu'elle éclairera toute une série de pratiques. Merci beaucoup.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het nieuwe stelsel in verband met DBI-beveks" (nr. 25974)

08 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le nouveau régime applicable aux sicav RDT" (n° 25974)

 

08.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een vraag naar verduidelijking. Het goede nieuws is daarbij dat mensen dan weten waar zij aan toe zijn om een correcte aangifte te doen.

 

De hervorming van de vennootschapsbelasting heeft geleid tot een aanpassing van het DBl-stelsel en van de vrijstellingsregeling inzake de meerwaarden op aandelen. lk wil met deze vraag even stilstaan bij wat die wijzigingen inhouden voor de fiscale behandeling van het rendement dat vennootschap-investeerders behalen op hun belegging in een DBl-beleggingsvennootschap, en in het bijzonder wat de uitsplitsing tussen goede en slechte inkomsten betreft die in dit kader moet gebeuren.

 

De wijzigingen leiden er immers toe dat de fiscale behandeling in hoofde van de vennootschap-investeerder in een DBl-bevek nu gelijk wordt, ongeacht de wijze waarop zij het rendement int dat door de DBl-bevek werd opgebracht. De door de bevek uitgekeerde dividenden en de meerwaarden verwezenlijkt op de aandelen van de bevek, zijn nu vrijgesteld van vennootschapsbelasting, in de mate dat het rendement van de DBI-bevek afkomstig is van goede aandelen, in de zin van de DBl-regeling, namelijk voldaan aan de taxatievoorwaarde en dergelijke meer.

 

De regels zijn in werking getreden op 1 januari 2018. De vraag is echter wat er zal gebeuren wanneer een DBI-bevek vanaf die datum dividenden uitkeert die betrekking hebben op meerwaarden verwezenlijkt vóór deze datum, zonder naleving van de toen nog geldende houdtermijn van één jaar en dus slechte aandelen uitmaken. De wet verduidelijkt dit niet. ln die optiek wordt in de praktijk dan ook gesteld dat het verdedigbaar zou moeten zijn dat de situatie dan wordt bekeken vanuit het standpunt van de investeerder en niet vanuit het standpunt van de DBI-bevek.

 

Vanuit dat perspectief zouden er zich dan twee situaties kunnen voordoen, die ik even wens voor te leggen aan de minister.

 

Ten eerste, een situatie waarin vennootschap-investeerders per kalenderjaar boekhouden en tijdens het boekjaar 2018 een dividend ontvangen. Zij kunnen dan normaal op de nieuwe regels een beroep doen. De beoordeling of de meerwaarden goed of slecht zijn, moet dan gebeuren op het ogenblik van het belastbaar feit, met name de toekenning van een dividend door de DBI-bevek.

 

Ten tweede, een situatie waarin vennootschap-investeerders met gebroken boekjaren werken. Daar kan het voorkomen dat de ontvangen dividenden in 2018 nog onderworpen zijn aan de oude regels. Stel dat een DBI-bevek dividenden uitkeert in juni 2018 en dat het boekjaar van de vennootschap afsluit op 30 september. Dan zijn die inkomsten noodzakelijkerwijs nog verbonden aan het aanslagjaar 2018, waardoor de houdperiode nog zal gelden als voorwaarde.

 

Ik kom dan tot mijn vragen.

 

Mijnheer de minister, kan u verduidelijken wat er zal gebeuren in een situatie waarbij dividenden na 2018 worden uitgekeerd, maar die wel betrekking hebben op meerwaarden verwezenlijkt vóór die datum, zonder dat zij de houdtermijn van één jaar hebben gerespecteerd?

 

ls het volgens u correct te stellen dat het dan vanuit het standpunt van de investeerder bekeken moet worden? Misschien kunt u de door mij aangehaalde voorbeelden becommentariëren? Welke fiscale behandeling zullen zij genieten? Of bent u van oordeel dat de situatie vanuit het standpunt van de DBl-bevek bekeken moet worden? Wat zijn hiervan de consequenties?

 

Dit zijn volgens mij heel belangrijke vragen over wie wat en op welke manier moet aangeven, en hoe dit dan wordt getaxeerd.

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, de dividenden die worden uitgekeerd door de zogenaamde DBI-bevek, komen slechts voor de DBI-aftrek in aanmerking voor zover en in de mate dat de door die bevek verkregen inkomsten voortkomen uit "goede" dividenden en uit "goede" meerwaarden op aandelen die voor een vrijstelling in aanmerking komen. De kwalificatie als goede of slechte meerwaarden op aandelen staat vast op het moment dat die meerwaarden worden verwezenlijkt. Het is immers op dat moment dat aan de hand van de geldende wettelijke bepalingen moet worden nagegaan of de meerwaarden al dan niet voor een vrijstelling in aanmerking komen.

 

Het gedeelte van het dividend dat na 1 januari 2018 wordt uitgekeerd door een DBI-bevek, en dat voortkomt uit een meerwaarde op aandelen die op het moment van de verwezenlijking niet voor een vrijstelling in aanmerking komt, geeft bijgevolg geen recht op deze DBI-aftrek. Ik meen dat die zienswijze optimaal leidt tot dezelfde fiscale behandeling ten name van de vennootschapinvesteerders in een DBI-bevek, wat ter zake ook het doel was van de hervorming van de vennootschapsbelasting.

 

08.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor deze verduidelijking.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25955 van mevrouw Jadin wordt omgezet in een schriftelijke vraag;

 

09 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het voordeel in verband met de uitgaven voor kinderopvang bij grensarbeiders" (nr. 25975)

09 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'avantage lié aux frais de garde d'enfants pour les travailleurs frontaliers" (n° 25975)

 

09.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, de grensarbeiders staan weer prominent op de agenda. Hier gaat het specifiek over het voordeel van de kinderopvang.

 

Ouders kunnen voor kinderen jonger dan twaalf jaar een belastingvermindering krijgen voor kinderopvang. Die belastingvermindering bedraagt 45 % van de werkelijk gedane uitgaven. In het geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt de belastingvermindering evenredig verdeeld over de inkomsten van beide partners. Deze omdeling gebeurt automatisch. In dat verband wordt rekening gehouden met het wereldwijde inkomen van de persoon en dus ook met bij verdrag vrijgestelde inkomsten, wat in bepaalde gevallen tot onaangename verrassingen kan leiden.

 

Stel dat een gehuwd koppel voor de kinderopvang in jaar X 1 000 euro heeft betaald. De belastingvermindering zal dan gelijk zijn aan 225 euro, met name 1 000 x 45 %, gedeeld door 2. Dat bedrag komt dan aan iedere partner toe. Als een van de partners grensarbeider in Frankrijk is, dan zal het deel van de belastingvermindering voor die echtgenoot verloren gaan, in dit voorbeeld 225 euro, omdat er volgens de fiscus geen federale en gewestelijke belasting moet worden betaald en er dus geen vermindering mogelijk is.

 

Dat is oneerlijk ten opzichte van andere inwoners die met gelijke kosten voor kinderopvang worden geconfronteerd en wel de volledige 45 % in mindering kunnen brengen. Zij hebben immers geen inkomsten die bij verdrag zijn vrijgesteld en ze zitten niet in de situatie van feitelijke samenwoonst, waardoor ze kunnen kiezen waar de belastingvermindering het beste wordt aangerekend.

 

In dit verband verwijs ik ook naar een zeer belangrijke referentie, die de toon zet voor veel fiscale en politieke kopzorgen: het arrest lmfeld en Garcet en bij uitbreiding de rechtspraak ter zake van het Europees Hof van Justitie, die weliswaar betrekking had op een gehuwd koppel, dat zijn rechten op een verhoging van de belastingvrije som verloor omdat de persoon met het hoogst belastbare inkomen in het buitenland werkte.

 

Mijnheer de minister, bent u bekend met de problematiek waarbij de belastingvermindering voor kinderopvang gedeeltelijk verloren gaat door de automatische opdeling bij gehuwde koppels, waarbij een van de belastingplichtigen inkomsten uit het buitenland verkrijgt die bij verdrag zijn vrijgesteld? Zo ja, hebt u uw administratie al opgedragen om hiernaar onderzoek te doen? Kunt u verduidelijken of deze situatie volgens u een discriminatie uitmaakt voor gehuwden en wettelijk samenwonenden ten aanzien van feitelijke samenwonenden, omdat de eerste groep van personen geconfronteerd wordt met een automatische omdeling, terwijl de tweede groep de vrije keuze heeft? Dit lijkt voor mij alleszins een discriminatie.

 

Bent u van oordeel dat het arrest Imfeld en Garcet naar analogie kan worden toegepast in de situatie waarbij een belastingvermindering automatisch wordt omgedeeld en waarbij een van de belastingplichtigen daardoor zijn of haar vermindering verliest ten gevolge van buitenlands vrijgestelde inkomsten? Zo ja, bent u bereid om de nodige administratieve en wetgevende maatregelen te nemen? Zo niet, wat is uw motivering?

 

09.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, de door u aangehaalde problematiek waarbij een deel van de belastingvermindering voor kinderopvang bij samen belaste echtgenoten en wettelijk samenwonenden geen effect sorteert als een van hen uitsluitend vrijgestelde buitenlandse inkomsten heeft, is mij bekend. Ik ben van oordeel dat het aangehaalde verschil in behandeling tussen gehuwde en wettelijk samenwonende belastingplichtigen, enerzijds, en feitelijk samenwonenden, anderzijds, geen discriminatie inhoudt. Gehuwden en wettelijk samenwonenden, enerzijds, en feitelijk samenwonenden, anderzijds, vormen immers twee afzonderlijke categorieën van belastingplichtigen waarvoor de wetgever de belastingregels op een aantal vlakken bewust heeft laten uiteenlopen op basis van het objectieve criterium van hun juridische toestand die verschilt naargelang zij gehuwd zijn, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of niet.

 

In zijn arrest van 12 december 2013 inzake Imfeld en Garcet heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat de wijze van aanrekening van de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste, waarbij die toeslag volledig aan de echtgenoot met het hoogste belastbaar inkomen werd toegekend, in strijd is met artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Over de wijze van aanrekening van de belastingvermindering voor kinderopvang heeft het Hof zich daarentegen niet uitgesproken. Die vermindering wordt trouwens op een andere manier aangerekend, namelijk in verhouding tot het gezamenlijk belastbaar inkomen van elke echtgenoot ten opzichte van de som van hun gezamenlijk belastbare inkomens. Terzake worden momenteel geen administratieve of wetgevende maatregelen overwogen.

 

09.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor het antwoord. Het is in die zin interessant dat we daar nog niet op een lijn zitten en er nog veel stof is om eventueel politieke keuzes te maken in de toekomst bij wetswijziging als dit niet volledig in het verlengde zou liggen van de rechtspraak.

 

Het zijn twee afzonderlijke categorieën van belastingplichtigen, maar het is echt een politiek-filosofische vraag. Samen een huishouden opzetten, onafhankelijk van de civielrechtelijke constructie die daar achter zit, noopt dat niet tot meer engagement? De fiscale wetgever toont daar eigenlijk een bepaalde onverschilligheid als men het negatief zou formuleren. Anderzijds zou men ook kunnen zeggen dat men het positief engagement de facto standaard, als default fiscaal mee in rekening gaat nemen.

 

We zitten volop in de discussies over het huwelijksvermogensrecht. In die zin is uw antwoord interessant, in het licht van die totale discussie. Het toont aan dat trouwen voor- en nadelen heeft. Dit valt te kwalificeren onder de rubriek nadelen. Ik herinner mij nog de campagne "stop de fiscale discriminatie van gehuwden" die wij in onze prille oppositiejaren hebben gevoerd.

 

Wat ons betreft verdient de gezinspolitiek zeker nadere studie. Misschien kunnen we een wetsvoorstel indienen, maar dat zal dan onze verantwoordelijkheid zijn.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Aangezien de heer Bogaert niet aanwezig is vervalt zijn vraag nr. 25976.

 

10 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over  "het taxatieregime van achterstallige pensioenen" (nr. 25985)

10 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur  "le régime de taxation des arriérés de pension" (n° 25985)

 

10.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, achterstallige bezoldigingen en pensioenen worden in België afzonderlijk belast tegen de gemiddelde aanslagvoet voor het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad.

 

De fiscale administratie stelde hierover in haar administratief commentaar dat onder het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad, zij het meest recente vorige jaar verstaat waarin de betrokkene twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten, van welke aard ook, heeft gehad. "Van welke aard ook" impliceert een normaal beroepsinkomen, een vervangingsinkomen of een pensioen.

 

Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Cassatie van 12 juni 1992 en 14 maart 2013 heeft de fiscale administratie in haar circulaire van 13 november 2013 gesteld dat de wet voortaan strikt moet worden toegepast en dat het wettelijk aangeduide referentiejaar, met name het jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad, enkel nog in aanmerking wordt genomen. De circulaire heft dan ook de relevante bepalingen van het administratieve commentaar met de soepelere interpretatie op.

 

Het nieuwe standpunt is verdedigbaar voor de laattijdige betaling van bezoldigingen, maar voor de laattijdige betaling van pensioenen heeft de strikte toepassing van de circulaire van 13 november 2013 zeer onrechtvaardige en onlogische gevolgen. Bovendien worden mij steeds meer gevallen gesignaleerd van belastingplichtigen die hiermee te maken krijgen.

 

Ik geef een voorbeeld. Een belastingplichtige heeft gewerkt tot het eind 2013 en gaat met pensioen in 2014. In 2016 ontvangt hij een regularisatie van het pensioen dat hij tijdens de vorige jaren ontving, als gevolg van een herberekening. In 2016 ontvangt hij dus een achterstallig pensioen dat echter belast wordt tegen het gemiddelde tarief van het inkomstenjaar 2013, het laatste jaar van zijn beroepswerkzaamheid. Dat gemiddelde tarief ligt ruim hoger dat het belastingtarief van de vorige jaren, zijnde de jaren waarin hij het pensioen ontving waarvan het bedrag nu geregulariseerd wordt. In zo'n geval heeft de achterstallige betaling niets te maken met vroegere bezoldigingen. Het is dus volkomen onlogisch het laatste jaar van zijn beroepswerkzaamheid te gebruiken als referentiejaar voor de belasting van het achterstallig pensioen.

 

In afwachting van de behandeling van het wetsvoorstel dat ik ter zake ingediend heb, wil ik u de volgende vraag stellen, mijnheer de minister.

 

Is er geen mogelijkheid, gelet op de zeer onbillijke gevolgen van de circulaire van 13 november 2014, deze te herzien aangaande laattijdig betaalde pensioenen, zodat de circulaire hierop niet meer van toepassing is en er niet langer strikt moet worden teruggegrepen naar het laatste jaar van de normale beroepswerkzaamheid?

 

10.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, de door u aangehaalde situatie wordt administratief geregeld in het nr. 171/329 van de commentaren op het WIB 92. Daarin wordt opgemerkt dat voor de achterstallige pensioenen het referentiejaar niet noodzakelijk het laatste jaar van de werkelijke uitoefening van de beroepswerkzaamheid moet zijn. Bij de gepensioneerden die elke werkzaamheid hebben stopgezet, kan het referentiejaar het meest recente vorige jaar zijn dat aan het jaar van de betaling van de achterstallige pensioenen voorafgaat en tijdens hetwelk de belanghebbenden gedurende twaalf maanden een belastbaar normaal rust- of overlevingspensioen hebben verkregen. De circulaire waarnaar u verwijst, heeft die bepaling niet opgeheven. Bijgevolg is die bepaling dus nog steeds van toepassing.

 

10.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, dat is wel het omgekeerde van wat de administratie soms toepast. Dat is juist het probleem. Volgens de circulaires zou men het laatste pensioen moeten nemen, maar in die gevallen wordt de beroepsactiviteit genomen. Het is een probleem dat niet alleen ik al heb gesignaleerd, want in alle hoffelijkheid wil ik ook zeggen dat ook mevrouw Wouters daarop herhaaldelijk gewezen heeft en ook een wetsvoorstel heeft ingediend, dat ik nu nog verbeterd ingediend heb in de Kamer. Ik hoop dat het aangepast kan worden. Ik ben heel blij met het standpunt dat u hier vandaag inneemt. Ik hoop dat u uw administratie op de hoogte zult brengen van die onbillijke behandeling.

 

10.04 Minister Johan Van Overtveldt: Dat zal ik doen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 25988 van de heer Dispa is omgezet in een schriftelijke vraag.

 

11 Samengevoegde vragen van

- de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "Imfeld en Garcet" (nr. 26049)

- de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de toeslagen voor kinderen ten laste bij grensarbeiders" (nr. 26198)

- mevrouw Veerle Wouters aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de belastingvermindering voor personen ten laste" (nr. 26203)

11 Questions jointes de

- M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "Imfeld et Garcet" (n° 26049)

- M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les suppléments pour enfants à charge chez les travailleurs frontaliers" (n° 26198)

- Mme Veerle Wouters au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la réduction d'impôts pour personnes à charge" (n° 26203)

 

Mijnheer Klaps, u hebt een vraag over Imfeld en Garcet. Ik weet niet wie dat is.

 

11.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijn vraag gaat inderdaad over Imfeld en Garcet, en dat zijn niet Statler en Waldorf.

 

Mijnheer de minister, gehuwden die in België wonen en van wie één van beide partners in het buitenland werkt, hadden tot voor kort een probleem om de belastingvrije sommen voor kinderen ten laste ten volle te kunnen benutten. In concreto rees het probleem wanneer het inkomen van de partner die in het buitenland werkte het hoogste inkomen was.

 

De regering heeft het probleem, gekend als Imfeld en Garcet, opgelost, door de kinderen ten laste te leggen van de persoon met het laagste inkomen. Daartoe werd artikel 134, § 4 van het WIB 92 met een derde lid aangevuld.

 

Naast simulaties van softwareontwikkelaar Kluwer, werd door Jef Wellens, de fiscalist bij Kluwer, opgemerkt dat gehuwden van wie geen van beiden in het buitenland werkt, nu mogelijk meer belastingen betalen, omdat de oplossing waarvan daarnet sprake ook voor hen wordt toegepast.

 

Ik heb daarover de volgende vragen, die ook deze voormiddag even werden aangehaald.

 

Klopt het dat de oplossing voor de grensarbeiders algemeen wordt toegepast en niet alleen voor gehuwden van wie een van beiden in het buitenland werkt?

 

Is de problematiek u bekend dat sommige echtparen van wie geen van beiden in het buitenland werkt, daardoor nu meer belastingen zullen betalen dan zonder de toepassing van voormeld artikel? Wat zult u desgevallend daaraan doen?

 

11.02  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een Belgisch koppel zet de toon. Ik wil het even aangeven.

 

De heer Imfeld en mevrouw Garcet wonen allebei in Luik. De heer Imfeld heeft de Duitse nationaliteit en mevrouw Garcet heeft de Belgische nationaliteit.

 

Eind 2017 hebben wij ter zake de wet gewijzigd, in die zin dat voortaan de administratie twee berekeningen zou maken ingeval een van de belastingplichtigen een inkomen heeft dat per verdrag is vrijgesteld. De berekeningswijze werd geïnitieerd bij de verhoging voor kinderen ten laste met betrekking tot de toekenning van de belastingvrije som. Het was immers de bedoeling van de wetgever om een oplossing te bieden aan het arrest van het Hof vanJustitie van de Europese Unie in de zaak van Imfeld en Garcet, alsmede aan de verschillende arresten van het Grondwettelijk Hof ter zake.

 

Ik sluit mij nu aan bij de vraag van de heer Klaps.

 

Recent werd ons gemeld dat de nieuwe berekeningswijze ook gevolgen heeft voor gehuwden en wettelijk samenwonenden waarbij geen van beide echtgenoten een inkomen heeft uit het buitenland.

 

Ik verwijs naar het werk dat door de heer Jef Wellens, de expert op het vlak van personenbelastingen van Wolters Kluwer, over het probleem is gepubliceerd. Enkele experts, Jef Wellens in het bijzonder, hebben erop gewezen dat de recente wijziging in het algemeen werd doorgevoerd en niet werd beperkt tot belastingplichtigen van wie het inkomen bij verdrag werd vrijgesteld.

 

Volgens de berekeningen kan een en ander bij vele belastingplichtigen leiden  tot een belastingverhoging van ongeveer 1 000 euro. Als men de vakpers erop naslaat, wordt er gesproken over vele tienduizenden of honderdduizenden.

 

Ik denk niet dat dit de bedoeling of de wil van deze coalitie kan zijn, zeker wanneer wij werken lonend willen maken.

 

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat de nieuwe berekeningswijze voor de toeslagen van de belastingvrije som algemeen wordt toegepast en dus niet wordt beperkt tot de gevallen waarbij een van de belastingplichtigen een vrijgesteld inkomen geniet uit het buitenland? Zo ja, bevestigt u de these van de heer Wellens dat dit voor vele belastingplichtigen kan leiden tot een belastingverhoging van ongeveer 1 000 euro?

 

In bevestigend geval, was dit al dan niet de bedoeling? Ik denk van niet en mag hopen dat er maatregelen worden aangekondigd, tenzij de analyse foutief zou zijn.

 

11.03  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat in dezelfde richting. Over de fiscale ongelijkheid tussen gehuwde en feitelijk samenwonende grensarbeiders hebben wij al vaak gedebatteerd. Ik heb in 2010 in dat verband een wetsvoorstel ingediend.

 

Uiteindelijk was ik heel tevreden dat er vorig jaar eindelijk stappen werden gezet en dat er een wetswijziging werd doorgevoerd. Bij de in eerste lezing aangenomen tekst was ik tevreden omdat mijn voorstel in de richting ging van de vrije keuze voor de persoon die de kinderen ten laste zou nemen. Maar toen kwam u met het voorstel van wetwijziging ertoe strekkend dat de fiscus zelf de berekening zou maken. Het bleek evenwel — en ik heb u daarover in februari vragen gesteld — dat deze nieuwe berekeningswijze, waarbij de administratie zelf de belastingvermindering zogezegd op de meest voordelige manier toekent, niet altijd tot het gewenste resultaat leidde. Immers, het probleem is nog altijd dat men op basis van de belasting Staat nagaat of het nieuwe systeem voordeliger is in plaats van te kijken naar het eindsaldo.

 

U hebt ook bevestigd, op de vraag die ik stelde in februari, dat het niet altijd voordeliger zou zijn op het niveau van de belasting Staat en dat men dit ging onderzoeken, hoewel het mogelijk is dat het dan niet noodzakelijk voordeliger zou zijn op het niveau van het eindsaldo. Ik heb toen ook aangekondigd dat ik met een amendement op een eerstvolgend wetsontwerp houdende diverse bepalingen toch mijn voorstel terug naar voren zou brengen, wat ik deze voormiddag ook gedaan heb.

 

Nu blijkt dat het niet enkel geldt voor personen met een buitenlands inkomen. Dit werd vernomen van een aantal boekhouders die toevallig ook de software van Kluwer gebruiken en op die manier wellicht bij de heer Jef Wellens zijn terechtgekomen. Blijkbaar heeft de wetswijziging een groter effect dan eerst gedacht.

 

Klopt het dat de berekening wordt toegepast voor alle gehuwde en wettelijk samenwonende koppels met kinderen ten laste, zelfs indien zij geen buitenlandse vrijgestelde inkomsten genieten?

 

Wanneer men dit in Tax-on-web ingaf, kwam men bij een ander resultaat uit. Er is dus wel degelijk een verschil in functie van de software waarmee de berekening wordt gemaakt. Klopt het dan ook dat Tax-on-web de berekeningen niet correct uitvoert?

 

Dan rijst de vraag hoe het zit met de vereenvoudigde aangiften die verstuurd zijn en waarbij een voorstel aan de belastingplichtige wordt gedaan? Welke berekeningswijze heeft men daar toegepast? Zou het ook kunnen dat deze personen een ander mooi cadeautje krijgen wanneer de definitieve inkohiering eraan komt?

 

Ik heb deze voormiddag gemerkt dat men niet staat te popelen om het voorstel en de amendementen die ik in het verleden heb ingediend aan te nemen. Dan ben ik wel benieuwd welke piste u wil volgen, of u zelf met een wetswijziging komt en of dit dan zo snel mogelijk zal gebeuren.

 

11.04 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, de wet van 25 december 2017 heeft de oplossing voor het verlies van het belastingvoordeel bij samen belaste echtgenoten bij wie de inkomsten van de echtgenoot met het hoogste belastbaar inkomen bij verdrag zijn vrijgesteld, inderdaad verruimd tot alle belastingplichtigen die samen worden belast. Deze wetswijziging is vanaf het aanslagjaar 2018 van toepassing.

 

Er werd ons eveneens door Wolters Kluwer gemeld dat deze oplossing tot ongewenste effecten leidt, waardoor een aantal specifieke belastingplichtigen meer belasting zou moeten betalen dan voorheen. Aangezien dit geenszins de bedoeling van de regering was en is, heb ik mijn administratie gevraagd om een wetsontwerp voor te bereiden om dit ongewenst effect vanaf hetzelfde aanslagjaar 2018 ongedaan te maken.

 

Om te vermijden dat er in afwachting van de wetswijziging aanslagen zouden worden gevestigd waarin dat ongewenst effect zou worden toegepast, heb ik aan mijn administratie ook heel duidelijk de opdracht gegeven om bij de vestiging van de aanslagen voor het aanslagjaar 2018 alvast uitdrukkelijk met de voorgenomen correctie rekening te houden.

 

11.05  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor dit zeer duidelijk antwoord. Betrokkenen zullen er heel blij mee zijn. 

 

De voorzitter: Mijnheer Deseyn, bent u ook blij?

 

11.06  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, er wordt erkend dat er een probleem is, en er komt een ontwerp. Dat is alvast goed. Het ware beter geweest mocht men dat voorzien hebben, maar dat is onze collectieve verantwoordelijkheid. Wij hebben het immers goedgekeurd.

 

De voorzitter: En u, mevrouw Wouters, bent u ook blij?

 

11.07  Veerle Wouters (Vuye&Wouters): Ik ben niet meteen blij, mijnheer de voorzitter, in die zin dat de minister een wetsontwerp aankondigt, maar de vraag is welke richting dat zal uitgaan.

 

Mijnheer de minister, blijft men werken met een tussensaldo belasting Staat of gaat men echt naar het eindsaldo kijken? Het is immers vaak een excuus dat de zesde staatshervorming ertoe moet leiden dat men stopt met nakijken bij het tussensaldo belasting Staat, terwijl dat nergens maar dan ook nergens in de wet staat. Omgekeerd zien wij natuurlijk dat de fiscus wel verder gaat kijken wanneer dat hem goed uitkomt, bijvoorbeeld bij de woningaftrek. Men gaat dan na of er op Vlaams niveau al een aftrek mogelijk is en men herbekijkt dat op federaal niveau.

 

Ik zou dus graag weten welke richting het wetsontwerp zal uitgaan.

 

U hebt niet geantwoord op de vraag of Tax-on-web voor de vereenvoudigde aangifte een verkeerde berekening hanteert. Ik veronderstel van wel. Ik wil alleen zeggen dat als dat klopt, de overheid hier serieus met vuur speelt. Als een berekening van Tax-on-web die men de burger ter beschikking stelt, niet de juiste berekeningsregels hanteert, dan vind ik dat heel gevaarlijk.

 

Ik hoop dan ook dat de tekst er zo snel mogelijk komt. Daarom heb ik deze voormiddag al gevraagd om de tekst van de wet houdende diverse bepalingen in die zin aan te passen, zodat wij er zeker van zijn dat dit zo snel mogelijk wordt doorgevoerd, nog vóór het reces. Er is een tweede lezing gevraagd. Misschien kunt u de tekst nog amenderen als die volgende week dan toch in tweede lezing wordt besproken. Dan weten wij in ieder geval zeker dat dit nog vóór het reces volledig wordt afgehandeld.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

12 Question de M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les intérêts moratoires dus dans le chef de l'État pour ce qui concerne la fiscalité directe" (n° 26054)

12 Vraag van de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de moratoire interesten die de Staat verschuldigd is op het stuk van directe belastingen" (nr. 26054)

 

12.01  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, l'article 90 de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés fixe, pour l'année civile 2018, à 4 % les intérêts de retard dus dans le chef des redevables et à 2 % les intérêts moratoires dus dans le chef de l'État, et qui sont générés non seulement par l'impôt des sociétés, mais également par l'ensemble des impôts sur les revenus.

 

Par définition, les intérêts moratoires pèsent sur le budget de l'État. Ainsi, selon le commentaire des articles de la loi, le montant des intérêts de retard perçus par l'État diminué des intérêts moratoires payés par lui, pour la catégorie impôts directs, s'élevait, respectivement pour 2014, 2015 et 2016, à 110 780 000 euros, 20 782 000 euros et 191 721 000 euros, en négatif, ce qui veut dire que l'État a payé pour ces trois années largement plus d'intérêts qu'il n'en a reçu pour les impôts directs.

 

On peut s'interroger sur le fait que ces montants élevés, qui pèsent sur le budget de l'État, ne sont pas liés à une forme de spéculation de certains contribuables, au détriment des finances publiques, puisque l'intérêt moratoire offre un taux intéressant. On peut espérer également que les changements introduits empêcheront cette spéculation et diminueront le coût pour l'État, même si le taux de 2 % d'intérêts moratoires inscrit par la loi reste appréciable au regard des taux d'intérêt aujourd'hui proposés par les banques.

 

Monsieur le ministre, premièrement, pouvez-vous m'indiquer, pour les cinq dernières années, y compris l'année 2017 qui n'était évidemment pas citée dans le commentaire des articles de la loi de réforme, les intérêts de retard perçus par l'État et les intérêts moratoires payés par l'État, respectivement pour l'impôt des personnes physiques (IPP) et pour l'impôt des sociétés (lSOC)? J'accepte un tableau.

 

Deuxièmement, dans quelle mesure estimez-vous que la différence négative d'intérêts en défaveur de l'État est le résultat d'une spéculation de contribuables qui souhaiteraient bénéficier d'un intérêt moratoire confortable, ou en tout cas supérieur à celui proposé par les banques, sur leurs paiements anticipés?

 

Troisièmement, pour ce qui concerne l'année 2017, le SPF Finances a-t-il constaté une augmentation des paiements excédentaires effectués par des contribuables, et donc des intérêts moratoires payés par l'État, préalable à la modification de la loi?

 

Quatrièmement, pour ce qui concerne l'année 2018, le SPF Finances dispose-t-il d'indicateurs quant à l'impact des versements anticipés à l'lSOC – dont on sait qu'il a été fortement augmenté – sur les intérêts moratoires qui seront dus par l'État belge à certains contribuables?

 

Cinquièmement, s'il s'avérait que le coût pour les finances publiques de ces intérêts moratoires restait élevé, ne conviendrait-il pas de limiter davantage encore les intérêts moratoires, par exemple en limitant par contribuable le montant sur lequel des intérêts moratoires pourraient être réclamés et donc dus par l'État?

 

Sixièmement, concernant la procédure de recours devant la Cour constitutionnelle contre la disposition de la loi sous référence relative aux intérêts moratoires (articles 414 et 418 du Code des impôts sur les revenus), pouvez-vous nous indiquer quel est le contribuable qui l'a déposée, quel est le calendrier annoncé par la Cour constitutionnelle pour son traitement et quels sont les principaux arguments utilisés par l'État belge pour défendre la réforme votée par le Parlement?

 

12.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, monsieur Gilkinet, je vais répondre aux six points que vous avez soulevés.

 

Pour les points un et trois, mon administration procède actuellement à la validation des montants que vous demandez afin de les fournir dans les plus brefs délais.

 

Pour votre deuxième point, il est très difficile de juger le motif incitant le contribuable à passer au paiement d'impôts contestés. Effectivement, plusieurs motifs peuvent jouer un rôle mais il est impossible pour le SPF Finances de déterminer dans quelle mesure le motif cité influence les résultats.

 

Quant aux points quatre et cinq, le remboursement des versements anticipés à l'ISOC, comme tout autre impôt sur les revenus, ne donne pas systématiquement lieu à la débition d'intérêts moratoires dans le chef de l'État. Par ailleurs, depuis la réforme des intérêts en matière d'impôts sur les revenus entrée en vigueur au début de cette année, les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992 prévoit une condition supplémentaire à la débition d'intérêts moratoires dans le chef de l'État, matérialisée par l'envoi d'une mise en demeure postérieurement à l'expiration des délais de remboursement et pour autant que l'administration dispose de toutes les données nécessaires pour liquider le remboursement. Autrement dit, les intérêts moratoires ne sont pas dus pour toute la période où l'administration a été dans l'impossibilité de liquider le paiement. Il est dès lors fort probable que l'on assiste à une baisse des intérêts moratoires dus au titre du remboursement des versements anticipés.

 

Dans la mesure où la matière vient d'être récemment réformée par la loi portant réforme de l'ISOC et compte tenu qu'un recours dirigé contre les articles 77 et 79 de la loi du 25 décembre 2017 est actuellement pendant devant la Cour constitutionnelle, il n'a pas été envisagé d'apporter d'autres modifications dans le sens d'une diminution des intérêts moratoires dus dans le chef de l'État.

 

Il convient préalablement d'évaluer l'impact de la réforme déjà adoptée.

 

Concernant le sixième point, dans deux procédures, il a été demandé à la Cour constitutionnelle d'annuler les changements apportés aux articles 414 et 418 du Code des impôts sur les revenus 1992. Le premier recours a été introduit par M. Michel Maus. Le deuxième par la VZW Vereniging van accountants, bedrijfsrevisoren, belastingconsulenten, boekhouders en fiscalisten (de heren Johan Van Haeverbeke, José Houstraete en Jacques Hellin).

 

La Cour constitutionnelle traitera les affaires ensemble. À ce stade, les mémoires ont été échangés. La Cour constitutionnelle fixera ensuite la date à laquelle l'affaire sera mise en délibéré.

 

12.03  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, votre réponse est minimale.

 

L'important est de connaître tous les montants, y compris les montants passés. Si en décembre, vous étiez capable de me communiquer les montants pour les années 2014, 2015 et 2016, je ne comprends pas comment votre administration serait incapable de le faire pour l'année 2017 et pour les années antérieures. Vos services sont parfois efficaces. Si je peux recevoir un complément de réponse rapidement, j'en serais heureux.

 

Quant aux hypothèses expliquant que, finalement, l'État paie davantage d'intérêts qu'il n'en reçoit, l'hypothèse de la spéculation figurait explicitement dans l'exposé des motifs et le commentaire des articles de la loi de réforme de l'impôt des sociétés. Tout à coup ce n'est plus une hypothèse pour vous!

 

Il faut réellement être attentif à l'évolution. Certes, le taux des intérêts moratoires a été diminué et une condition supplémentaire a été ajoutée mais le volume de paiement anticipé est manifestement beaucoup plus grand. C'est une des stratégies utilisées par le gouvernement pour essayer d'améliorer au moins facialement, et pas structurellement selon nous, la situation et la perception de l'impôt dans notre pays. C'est la raison pour laquelle je demande à recevoir le plus rapidement possible et en toute transparence ces informations qui nous permettront d'évaluer la loi.

 

Quant à la procédure en cours, j'espère que l'État belge et vous-même mettez tout en œuvre pour défendre une disposition de la loi que nous avons votée, que nous pouvons soutenir, même si elle nécessite peut-être des ajustements ultérieurs dans le sens de ce qui a déjà été fait.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van de heer Johan Klaps aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de onderhandelingen met Nederland over een nieuw dubbelbelastingverdrag" (nr. 26059)

13 Question de M. Johan Klaps au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les négociations avec les Pays-Bas relatives à une nouvelle convention préventive de double imposition" (n° 26059)

 

13.01  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, de onderhandelingen met Nederland over een nieuw dubbelbelastingverdrag gaan een zesde ronde in. Volgens het OESO-model wordt de heffingsbevoegdheid over werknemerspensioenen toegekend aan de woonstaat. Nederland wijkt hiervan af. Het uitgangspunt van het Nederlandse verdragsbeleid is een volledige bronstaatheffing ten aanzien van werknemerspensioenen en lijfrenten. Een dubbelbelastingverdrag met Nederland leidt meestal tot een compromis en vormt dus ook aanleiding tot betwistingen.

 

Zo nam Nederland eind 2017 eenzijdig het initiatief om aanvullende pensioenen van ongeveer 1 500 in België wonende grensarbeiders te gaan belasten. Na overleg met de Nederlandse staatssecretaris van Financiën hebt u dat dossier kunnen ontmijnen.

 

In België wonen ongeveer 67 000 gepensioneerden met Nederlandse pensioenen. In Nederland wonen daarentegen ongeveer 22 500 gepensioneerden met Belgische pensioenen. Voor Nederland is het budgettair interessant om de bronstaat de pensioenen te laten belasten. Het wordt echter minder interessant als men ook de sociale bijdragen mee in rekening brengt. Een heffing inzake belasting over het loon of pensioenen en de sociale bijdragen of premieheffing door dezelfde staat, leidt tot de minst complexe heffing. De dubbelbelastingverdragen en verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels sluiten niet steeds op elkaar aan, wat aanleiding geeft tot grenspijn.

 

Ik heb daarom de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Welk aanknopingspunt nemen de Belgische onderhandelaars inzake de heffingsbevoegdheid over werknemerspensioenen en lijfrenten: de woonstaat of de bronstaat?

 

Wordt bij de onderhandelingen met Nederland over een nieuw dubbelbelastingverdrag rekening gehouden met de heffingsbevoegdheid inzake sociale bijdragen?

 

Streven de onderhandelaars ernaar om de belastingheffing en sociale bijdragen zoveel mogelijk te doen heffen door dezelfde staat?

 

Wordt in het kader van de onderhandelingen over het nieuwe dubbelbelastingverdrag met Nederland waar nodig een onderling verdrag inzake de sociale bijdragen of premieheffing onderhandeld om een heffing door dezelfde staat te bereiken? De coördinatieverordening nr. 884/2004 laat daar een zekere ruimte toe.

 

13.02 Minister Johan Van Overtveldt : Mijnheer Klaps, in het Belgisch modelverdrag wordt de bronstaat als uitgangspunt genomen voor de toekenning van de heffingsbevoegdheid over werknemerspensioenen en lijfrentes. België is zich wel degelijk bewust van het feit dat in de relatie met Nederland een mogelijke overgang van een woonstaatheffing naar een bronstaatheffing inderdaad een belangrijke budgettaire impact heeft. Dat wordt dus duidelijk meegenomen in de gesprekken en onderhandelingen.

 

In principe is België er voorstander van om zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het OESO-modelverdrag en het Belgisch modelverdrag. De onderhandelaars bestuderen momenteel wel alle mogelijke pistes voor de belastingheffing van werknemersbezoldigingen, bezoldigingen van bedrijfsleiders en uiteraard ook pensioenen.

 

Ook de afstemming met de heffing inzake sociale bijdragen wordt op dit moment nader en meer in detail bekeken. Zo'n afstemming is echter niet evident, aangezien het wellicht kan leiden tot ongewenste effecten en zelfs situaties van misbruik.

 

13.03  Johan Klaps (N-VA): Mijnheer de minister, het is een bijzonder ingewikkelde materie. Hoe meer ik erover lees, hoe ingewikkelder ik het vind.

 

Ik kijk uit naar de resultaten van die onderhandelingen. Het is duidelijk dat er geen eenvoudige oplossingen zijn. Waar mogelijk meen ik dat wij moeten streven naar een zo eenvoudig mogelijke oplossing om het aantal discussiegevallen alleszins te vermijden. Er moet daarbij ook rekening worden gehouden met de grote discrepantie tussen het aantal Nederlanders die in België wonen en Vlamingen die in Nederland wonen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Samengevoegde vragen van

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "artikel 47 WIB92" (nr. 26073)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "artikel 47, § 2 WIB92" (nr. 26074)

14 Questions jointes de

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'article 47 du CIR 92" (n° 26073)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'article 47, § 2 du CIR 92" (n° 26074)

 

14.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minister, in het kader van de gespreide taxatie van gerealiseerde meerwaarden vereist artikel 47, § 2 WIB 92 dat de herbelegging tijdig gebeurt in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in een EER-lidstaat voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. De termijn voor de herbelegging bedraagt in beginsel drie jaar, maar kan overeenkomstig artikel 47, § 4 WIB 92 worden verlengd tot vijf jaar, indien wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig.

 

Ik schets een situatie. Stel dat een aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschap die op een actief een meerwaarde realiseert die in aanmerking komt voor gespreide taxatie, een gebouw verwerft en korte tijd later een vruchtgebruik vestigt tegen uitsluitend periodieke vergoedingen ten voordele van een derde op het voormeld gebouw. Het vruchtgebruik beantwoordt niet aan de voorwaarden van rubriek III. D Leasing en soortgelijke rechten van artikel 95, § 1, zodat de blote eigendom van het gebouw, overeenkomstig het advies 2015/5 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, blijvend onder de materiële vaste activa wordt opgenomen en volgens een passend afschrijvingsplan verder wordt afgeschreven. Het gebouw is dus een afschrijfbaar actief bestanddeel in de zin van artikel 47, § 2 van het WIB 92.

 

Kan de betrokken belastingplichtige, wanneer deze vrijwillig een meerwaarde realiseert naar aanleiding van de vervreemding van materiële vaste activa, die sedert meer dan vijf jaar voor hun vervreemding de aard hadden van vaste activa en investeert in een gebouw waarop enige tijd later een vruchtgebruik wordt gevestigd, dit gebouw aanduiden als herbeleggingsactief voor de toepassing van artikel 47, § 4 WIB 92?

 

Anders gesteld, kwalificeert de blote eigendom die door de blote eigenaar wordt afgeschreven als een gebouwd onroerend goed in de zin van artikel 47, § 4 van het WIB 92, waarvoor de verlengde herbeleggingstermijn geldt?

 

Kunt u bevestigen dat een vennootschap, onderworpen aan de vennootschapsbelasting, die tegen uitsluitend periodieke vergoedingen op een onroerend goed een vruchtgebruik vestigt dat niet beantwoordt aan de voorwaarden van rubriek III. D Leasing en soortgelijke rechten van artikel 95, § 1, de afschrijfbare blote eigendom van dit onroerend goed blijvend gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid voor de toepassing van artikel 47 WIB 92 en de vestiging van voormeld vruchtgebruik niet moet worden beschouwd als een vervreemding van het verworven onroerend goed?

 

Ik kom tot mijn tweede vraag. In mijn inleiding zei ik dat er herbelegd moest worden in een "gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig". Artikel 1, § 9 definieert het begrip "gebouw" of "gedeelte van een gebouw" als ieder bouwwerk dat vast met de grond verbonden is. Het betreft niet louter klassieke gebouwen, maar ook infrastructuurwerken en meer algemeen alle werken die vast met de grond verbonden zijn. Dat staat zo in de circulaire nr. 24/2002 van 6 december 2002.

 

Stel dat een aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschap die op een actief een meerwaarde realiseert die in aanmerking komt voor gespreide taxatie een sportinrichting bouwt en vervolgens een vruchtgebruik vestigt ten voordele van een andere vennootschap op de voormelde sportinrichting met toepassing van de btw – aangezien de sportinrichting op grond van beslissing nr. E.T.124.513 van 23 december 2013 voor btw-doeleinden kwalificeert als een "gebouw" in de zin van artikel 1, § 9 – tegen uitsluitend periodieke vergoedingen. Het vruchtgebruik beantwoordt niet aan de voorwaarden van rubriek D, Leasing en soortgelijke rechten, zodat de blote eigendom van de sportinrichting, overeenkomstig het CBN-advies 2015/5, blijvend onder de materiële vaste activa wordt opgenomen en er verder op wordt afgeschreven door de blote eigenaar.

 

Mijnheer de minister, kwalificeert de sportinrichting, die op grond van de voormelde beslissing nr. E.T.124.513 voor btw-doeleinden kwalificeert als een gebouw in de zin van artikel 1, § 9, waarop een vruchtgebruik werd gevestigd met toepassing van de btw op grond van artikel 44, § 3 in hoofde van de blote eigenaar van de sportinrichting, en die deze afschrijft, als een gebouwd onroerend goed in de zin van artikel 47, § 4, waarvoor de verlengde herbeleggingstermijn van vijf jaar geldt?

 

14.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, uw twee vragen hebben van eenzelfde finaliteit. Als u het mij toestaat, wil ik dan ook op één manier antwoorden op die vragen. Om de vragen over de twee door u aangehaalde gevallen effectief en klaar en duidelijk te kunnen beantwoorden, moeten alle feitelijke en juridische gegevens bekend zijn. U hebt er heel wat gegeven, maar ik meen dat er nog wel een aantal ontbreken om echt te kunnen kortsluiten.

 

Ik wil u voorstellen om u mee te delen wat wij nog concreet bijkomend zouden moeten weten, om dan na een contact met de administratie heel specifiek op die twee gevallen te kunnen antwoorden.

 

14.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Staat wat u nog nodig hebt in uw antwoord of u zult u mij dat later bezorgen?

 

14.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik heb de algemene omschrijving dat wij alle feitelijke en juridische gegevens moeten kennen, waaronder de identiteit van de betrokken belastingplichtige en de volledige inhoud van de betreffende overeenkomsten.

 

Dat zijn twee zaken die wij zouden moeten weten om een heel concreet antwoord op uw heel concrete vragen te kunnen geven.

 

14.05  Luk Van Biesen (Open Vld): Ik zal u die bezorgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Wij hebben geen nieuws van de heer Bogaert. Zijn vraag nr. 26102 wordt geschrapt.

 

15 Samengevoegde vragen van

- de heer Eric Van Rompuy aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beslissing van de ECB om de geldkraan voorzichtig dicht te draaien" (nr. 26124)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het aangekondigde einde van het QE-beleid (quantitative easing) van de ECB en de gevolgen ervan voor België" (nr. 26215)

15 Questions jointes de

- M. Eric Van Rompuy au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la décision de la BCE de fermer prudemment le robinet" (n° 26124)

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'annonce de la fin de la politique de quantitative easing de la BCE et ses conséquences pour la Belgique" (n° 26215)

 

15.01  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, de ECB heeft beslist tegen het einde van dit jaar haar obligatieaankopen stop te zetten. Zo wordt een einde gemaakt aan haar beleid de economie te stimuleren en de inflatie op te drijven.

 

Sinds 2015 werd 2 400 miljard vers geld in de economie gepompt. Thans wordt elke maand 30 miljard aan staatsobligaties opgekocht. Vanaf oktober 2018 wordt dat bedrag gehalveerd tot 15 miljard. Begin 2019 zal het aankoopprogramma stopgezet worden. Wel zal de Europese Centrale Bank nog aflopende leningen vervangen door nieuwe aankopen, waardoor het totale bedrag dat in de economie gepompt wordt, alleszins niet meer zal toenemen. Door de opbrengst van vervallende obligaties in nieuw papier te herbeleggen, wil de Europese Centrale Bank nog voor lange tijd de economie zuurstof blijven geven.

 

Tevens besliste de Europese Centrale Bank haar rentetarieven minstens tot volgende zomer op het huidige, zeer lage peil te handhaven.

 

Ik vind dat zeer belangrijke besluiten van de Europese Centrale Bank. Het gaat niet om een onmiddellijke stopzetting maar volgens de kranten draait zij de kraan geleidelijk voorzichtig dicht. De commentaren spreken over een lange weg. Er is een middenweg gevonden tussen wat de haviken en hun tegenstanders voorstellen. De ECB zal immers aflopende leningen vervangen door nieuwe aankopen en ook het rentetarief blijft op een zeer laag peil, waardoor de euro verzwakt en de obligatiemarkten verlies in winst kunnen ombuigen. Kortom, hier zijn heel wat aspecten aan. Het is duidelijk dat de beslissing belangrijke gevolgen zal hebben voor de Belgische economie in de volgende twee jaar, zowel voor de beleggers, de spaarders en de leners, als voor de inflatie en de economische groei.

 

15.02  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, vous avez largement décrit le contexte, ce qui m'évitera de le faire. La décision de la Banque centrale européenne (BCE) de mettre fin progressivement à sa politique en matière de quantitative easing va avoir une influence manifeste sur les économies européennes et celles des États, quoi qu'on pense du quantitative easing. En tant qu'écologistes, nous aurions plutôt souhaité un qualitative easing avec une orientation plus spécifique des choix d'investissement, de rachat d'actions et d'actifs par la Banque centrale européenne.

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer quelle est votre opinion à propos de cette annonce de la BCE?

 

Quelles conséquences cette décision pourrait-elle avoir sur la Belgique et plus particulièrement sur sa capacité à refinancer sa dette à bon prix, comme nous en avons discuté la semaine passée avec des responsables de la dette?

 

Quelles mesures seront-elles prises par le gouvernement fédéral pour compenser cette décision de la BCE?

 

Face à la nécessité d'un financement de la transition écologique de notre économie, quelles sont les initiatives privilégiées par le gouvernement fédéral au plan belge et au plan européen? Dans le dialogue avec la BCE, nous revendiquons une politique ciblée d'investissements où la Banque centrale et les États pourraient être des acteurs.

 

15.03 Minister Johan Van Overtveldt: De aankondigingen van vorige week door president Draghi waren inderdaad tegelijkertijd zalvend en slaand.

 

L'achat sera diminué à zéro en termes nets, parce qu'ils vont renouveler le papier qui arrive à échéance. Donc il n'est pas encore question d'une diminution du bilan de la BCE à court terme.

 

Tegelijkertijd staat in de forward guidance van de ECB dat onze beleidsrente nog tot eind 2018 op het huidige niveau zal blijven.

 

L'annonce de la BCE de la semaine passée aura probablement comme effet que les taux d'intérêt à court terme resteront plus ou moins au même niveau qu'aujourd'hui, avec une légère hausse des taux à long terme. Car les taux de référence pour la BCE sont par définition des taux d'intérêt à court terme.

 

Een zekere hausse, een kleine verhoging van de rentevoet op langere termijn, is te verwachten. Het effect daarvan op de Belgische economie inschatten is zeer moeilijk omdat men, enerzijds, geneigd is te zeggen dat een lichte verhoging van de rentevoeten een remmend effect zal hebben op de economie, de bestedingen en de ontleningen; anderzijds is een van de redenen waarom de ECB dit programma stillegt – dat is minder uitgesproken door Draghi, maar ik ben ervan overtuigd dat dit ook aanwezig is – het gegeven dat het QE-beleid toch een aantal onbedoelde effecten heeft, unintented consequences. Door zo massaal liquiditeiten op de markt te brengen, bestaat de mogelijkheid immers dat er in allerhande deelmarkten zeepbellen ontstaan. Dat is negatief voor een economie.

 

Les bulles sont négatives pour l'économie. Dès lors, le risque sur les bulles diminuera certainement, grâce à la décision de la BCE. C'est forcément positif pour l'économie réelle, qui nous intéresse le plus. L'effet net de tous ces éléments est très difficile à prévoir. Mon estimation personnelle est que ce sera plutôt positif pour l'économie, suivant la manière dont la BCE vient de monter le changement dans son régime monétaire.

 

Monsieur Gilkinet, concernant la transition énergétique, le gouvernement fédéral a lancé en février une OLO verte, qui a rencontré un grand succès: 4,5 milliards d'euros. Et nous aurions pu obtenir encore beaucoup plus. Il s'agissait de la deuxième obligation verte la plus grande au monde émise par un gouvernement. L'Agence Fédérale de la Dette participe actuellement aux forums étrangers pour partager son expérience et reçoit aussi des délégations étrangères à cette fin. Elle collabore également avec les instances européennes dans un but de standardisation des outils qui ont été utilisés par l'Agence pour cette nouveauté importante dans le financement de l'État et de l'économie en général.

 

15.04  Eric Van Rompuy (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik ben er ook van overtuigd dat dit een positief effect op de economie zal hebben, maar het is moeilijk om daarover een gissing te maken. Het gaat tenslotte over een monetair beleid, een onderdeel van een globaal beleid. Het is moeilijk om in te schatten wat dit voor de groei zal betekenen.

 

Het is een goede zaak dat dit een aantal jaren geleden werd opgezet. Er bestond veel scepticisme over. Het is goed dat de afbouw geleidelijk gebeurt, omdat dit anders een negatief schokeffect zou teweegbrengen.

 

15.05  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Nous verrons quel en sera l'effet. L'effet du quantitative easing (QE) a été notamment la diminution du coût de la dette pour les États, du taux d'intérêt pour les entreprises, une plus grande capacité d'investissement, a contrario un moins bon rendement de l'épargne. L'injection d'argent a été assez massive dans l'économie. Qui dit injection massive, puis arrêt de cette injection massive, même s'il est progressif, dit aussi un effet potentiellement important au niveau macro-économique. Il s'agit donc d'être prudent et d'observer de près les réactions, notamment des marchés, sur le sujet. Je serais peut-être moins optimiste que vous et j'encouragerais le ministre et la Banque nationale à instaurer un organe d'observation qui permettrait de réagir rapidement en tant qu'État et sur le plan européen par rapport à des effets indésirables de ce choix. Faire des prévisions dans le domaine économique est très difficile et relève parfois de l'astrologie.

 

Les obligations linéaires (OLO) vertes peuvent être vert clair ou vert foncé. Je vous encourage à mettre en place des outils d'investissement dans la transition écologique de notre économie. Elle doit servir à cela. Notre écologie dans le domaine économique est un peu à la mode, tant mieux. Mais comment utilisons-nous cette réalité? Si vous réalisez de nouvelles OLO et qu'elles ont pour objectif de financer la recherche de l'autonomie énergétique de notre pays sans centrale nucléaire, avec les plus-values réalisées en Belgique pour financer l'Arabie saoudite et son pétrole ou la Russie et son gaz, nous vous encouragerons dans votre entreprise. Si vous le faites pour compenser un désinvestissement de l'État dans la SNCB, c'est chou vert et vert chou, mais c'est du vert pâle. Moi, j'aime le vert bien lumineux. Le dossier est donc à suivre.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

16 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des sociétés et la réserve d'investissement" (n° 26160)

16 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vennootschapsbelasting en de investeringsreserve" (nr. 26160)

 

16.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés a modifié l'article 194 quater du Code des impôts sur les revenus de 1992, de telle sorte que "la réserve d'investissement constituée à l'expiration d'une période imposable qui se clôture au plus tard le 30 décembre 2018, par des sociétés qui sont qualifiées de PME, n'est pas considérée comme un bénéfice dans les limites et aux conditions prévues par cet article".

 

Cette modification entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est d'application à partir de l'exercice d'imposition 2019, se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2018. Ainsi, l'actuel régime relatif à la "réserve d'investissement" pour les PME n'est maintenu (provisoirement) que pour les réserves d'investissement constituées à l'expiration d'une période imposable qui se clôture au plus tard le 30 décembre 2018.

 

Par la suite, l'article précité est abrogé (cf. l'article 31, 2° de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés, en vigueur le 1er janvier 2020 et applicable à partir de l'exercice d'imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020).

 

Y a-t-il ou y aura-t-il alors une obligation de transférer la réserve d'investissement dans un compte de résultat pour la rendre taxable? Comment les choses vont-elles se présenter en pratique?

 

16.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, je peux à nouveau vous confirmer qu'une société qui a constitué une réserve d'investissement au cours de l'exercice d'imposition 2018 ou des exercices antérieurs, dans le respect de toutes les conditions légales imposées en la matière, pourra continuer à bénéficier de l'exonération aussi longtemps que la condition d'intangibilité est observée.

 

16.03  Benoît Piedboeuf (MR): Merci, monsieur le ministre. Nous sommes en train de faire progresser la "science fiscale"!

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

17 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des personnes physiques, les avances sur contrats et la déduction des intérêts" (n° 26165)

17  Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de personenbelasting, het opnemen van een voorschot en de aftrek van interesten" (nr. 26165)

 

17.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, monsieur le ministre, les avances sur contrats d'assurance de groupe où les mises en gage du contrat ne peuvent être consenties que pour permettre au travailleur d'acquérir, de construire, d'améliorer, de réparer ou de transformer des biens immobiliers productifs de revenus imposables dans un État membre et à la condition que les avances et prêts soient remboursés dès que les biens visés sortent du patrimoine.

 

Dans l'hypothèse où le contribuable concerné doit recourir à un crédit hypothécaire ou non en vue de procéder à un tel remboursement, pouvez-vous confirmer que les intérêts qu'il paie alors sont bien déductibles sur la base de l'article 14, alinéa 1° du Code des impôts sur les revenus de 1992.

 

17.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, un emprunt hypothécaire ou non, souscrit par un contribuable, dans le but de rembourser une avance sur contrat d'assurance de groupe ou une mise en gage du contrat lorsque le bien immobilier est sorti de son patrimoine, n'est pas un emprunt spécifiquement conclu pour acquérir ou conserver un bien immobilier dont les revenus sont compris dans ses revenus imposables, de sorte que les intérêts de cet emprunt ne sont pas déductibles à l'impôt sur les revenus.

 

17.03  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, la réponse du ministre est très claire et me paraît logique.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

18 Question de M. Benoît Piedboeuf au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'impôt des sociétés et les amendes non déductibles" (n° 26169)

18 Vraag van de heer Benoît Piedboeuf aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de vennootschapsbelasting en de niet-aftrekbare geldboeten" (nr. 26169)

 

18.01  Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le ministre, la réforme de l'impôt des sociétés dans la partie "amendes non déductibles" rompt en grande partie avec la règle établie et simple que l’accessoire suit le principal. C’est le choix que nous avons fait.

 

Pouvez-vous, monsieur le ministre, fournir la liste de ce qui reste déductible: les rétributions de stationnement et les indemnités contractuelles (qui ne sont pas à proprement parler des amendes), mais quoi d’autre, le cas échéant?

 

18.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Piedboeuf, conformément à la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés, le périmètre des amendes non déductibles a été élargi.

 

Toutes les amendes administratives infligées par les autorités publiques constituent dorénavant des frais professionnels non déductibles même lorsque leur montant est calculé sur la base d'un impôt déductible. Par conséquent, il m'est impossible de dresser un inventaire des amendes qui seraient encore déductibles.

 

Par ailleurs, je peux vous confirmer le caractère déductible des deux indemnités que vous évoquez dans votre question pour autant que les conditions générales de déduction des frais professionnels soient remplies. De telles indemnités ne sont en effet pas considérées comme des amendes.

 

18.03  Benoît Piedboeuf (MR): On peut donc continuer à se garer mal, à recevoir des amendes et à les déduire. C'est bien cela?

 

18.04  Johan Van Overtveldt, ministre: Plus ou moins.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van mevrouw Sonja Becq aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de gehandicapte kinderen" (nr. 26181)

19 Question de Mme Sonja Becq au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les enfants handicapés" (n° 26181)

 

19.01  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het gaat om een reëel probleem dat ik een tijd geleden al heb aangekaart. Mensen zitten echt te wachten tot er iets gebeurt. Het gaat over kinderen met een handicap, die het recht kunnen laten gelden op een verhoogde kinderbijslag, enerzijds, en ook op een bijzondere manier zouden kunnen meegerekend worden in de fiscale wetgeving, anderzijds.

 

Het principe is dat de interpretatie en de omschrijving van een kind met een handicap, dezelfde zijn in de kinderbijslagwetgeving en in de fiscale wetgeving. Dat was ook inderdaad zo. Het gaat erom minstens voor 66 % getroffen te zijn door een ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid. Deze omschrijving kwam letterlijk uit de wetgeving rond kinderbijslag, maar werd enige tijd geleden gewijzigd. In de administratieve commentaar bij het Wetboek van de inkomensbelastingen 1992 staat heel duidelijk dat het begrip dezelfde betekenis moet krijgen in de personenbelasting als in de wetgeving over kinderbijslag, maar dat wil men in de praktijk niet op die manier toepassen. Men houdt zich aan de letterlijke beschrijving van de kinderbijslagwetgeving zoals die toen was en zoals ze nu geformuleerd is.

 

Het gevolg hiervan is dat het gaat om een verschillende regeling en een verschillende omschrijving. Met andere woorden, in de kinderbijslag telt hetzelfde kind wel mee, terwijl er in de fiscaliteit met een andere omschrijving gewerkt wordt. Dit vormt een probleem, omdat mensen denken dat het allemaal hetzelfde is. Eigenlijk hebben zij groot gelijk, maar in de praktijk blijkt dat niet het geval te zijn.

 

Toen ik u eerder de vraag stelde, zei u mij dat u dat zou onderzoeken. Mensen hebben deze vraag meegelezen en ook gezien dat u deze vraag gunstig gezind was. Als zij naar de administratie of de ombudsman gaan, wordt hen echter gezegd dat er een oplossing komt, maar dat men ze nog niet wil toepassen.

 

Daarom heb ik enkele vragen over uw engagement in dit verhaal.

 

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek op het niveau van de administratie? Is er een oplossing? Wordt er in een timing voorzien? Ik weet niet in hoeverre het geoorloofd is dat een ombudsman en de FOD met elkaar te maken hebben, maar blijkbaar wordt daar gezegd dat er een ontwerp in de maak is. Als dat het geval is, dan zouden wij dat graag weten.

 

Het volgende is nog belangrijker. Zult u de nodige administratieve toleranties toelaten voor mensen die intussen worden geconfronteerd met dit probleem en die wel beantwoorden aan de nieuwe omschrijving in de kinderbijslagwetgeving, maar die dus niet voldoen aan de oude omschrijving in de fiscaliteit?

 

Zult u uw administratie de opdracht geven om een meer doelgebonden interpretatie te geven aan artikel 135? Als ik het goed begrepen heb, stond het ook zo in de administratieve commentaar. Dat zou immers een oplossing kunnen zijn voor een weliswaar beperkte groep mensen, maar die het toch wel nodig heeft.

 

19.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Becq, ten eerste, ik kan u bevestigen dat mijn administratie het onderzoek heeft afgerond met betrekking tot de afstemming van de fiscale omschrijving van een gehandicapt kind op de omschrijving van een gehandicapt kind in de regelgeving inzake kinderbijslag. Dat is dus rond.

 

Ten tweede, ik heb inderdaad aan mijn diensten de expliciete opdracht gegeven om een wetsontwerp ter zake op te stellen. Een aanpassing zal vanzelfsprekend een impact hebben op de begroting. Dat zullen wij dus moeten meenemen de komende weken.

 

Bovendien moet een eventuele nieuwe regeling rekening houden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel op federaal niveau, aangezien de fiscale bevoegdheid op dit vlak federaal is. Dit betekent dat de voorwaarden die voor de gezinsbijslag gelden op gemeenschapsniveau niet zomaar kunnen worden overgenomen, gelet op de mogelijke verschillen tussen de Gemeenschappen. Dat geeft meteen de aanzet voor het derde antwoord.

 

Ten derde, zoals vermeld in het antwoord op uw vorige vraag, belet het fiscale legaliteitsbeginsel dat het toepassingsgebied van een fiscale vrijstelling zomaar administratief wordt uitgebreid. Het is op dit moment dan ook niet mogelijk om op die vraag in te gaan. Er moet eerst een wettelijke aanpassing zijn.

 

19.03  Sonja Becq (CD&V): Mijnheer de minister, ik meen dat wij daaromtrent een wetsvoorstel hebben ingediend om naar een formulering te zoeken, maar ik vergat dat na te kijken. Inzake de regels omtrent de kinderbijslag is er immers echt wel een probleem, dat mij regelmatig wordt aangekaart.

 

Als u zegt dat de fiscaliteit de regels van de kinderbijslag volgt, zoals deze zijn omschreven, en niet dezelfde bepaling overneemt, dan denk ik dat u een uitweg hebt, ook indien er aanpassingen aan die regelgeving op grond van de medische wetenschap of andere zouden komen.

 

Ik vraag dan ook om snel verder te gaan. De mensen wachten er echt wel op, omdat zij vaststellen dat er vroeger wel een gelijkstelling was en vandaag niet meer en dat is wel een probleem.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.55 uur.

La réunion publique de commission est levée à 16.55 heures.