Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen

Commission des Relations extérieures

 

van

 

Dinsdag 26 juni 2018

 

Voormiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 26 juin 2018

 

Matin

 

______

 

 


La réunion publique de commission est ouverte à 10.16 heures et présidée par Mme Gwenaëlle Grovonius.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 10.16 uur en voorgezeten door mevrouw Gwenaëlle Grovonius.

 

01 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de reconstructie in Syrië" (nr. 25218)

01 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la reconstruction en Syrie" (n° 25218)

 

01.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, op 23 april kwamen vertegenwoordigers van het Syrische middenveld hun verhaal doen in Brussel. Die organisaties zijn uitermate bezorgd over de voorstellen en plannen van onder meer de Wereldbank voor de wederopbouw van Syrië. De bezorgdheid van die organisaties is dat de wederopbouw van Syrië zonder enige toegevingen van het regime op vlak van politieke en sociale rechten ertoe zal leiden dat het regime de reconstructie zal misbruiken voor zijn eigen politiek.

 

Bondgenoten van de president en trouwe delen van het land zullen voor hun steun beloond worden. Opstandige regio's zullen na de oorlog nogmaals gestraft worden door het regime door hun hulp en middelen voor wederopbouw te ontzeggen. Bovendien kunnen de rechten van hen die het land zijn uitgevlucht niet gegarandeerd worden en in wijken die heropgebouwd worden zonder een aanzienlijk deel van hun gevluchte inwoners, kunnen die vluchtelingen verhinderd worden om terug te keren als er geen rekening wordt gehouden met hun land- en eigendomsrechten.

 

Ik heb daarover de volgende vragen.

 

Welke mogelijkheden ziet u voor het betrekken van Syrische middenveldorganisaties bij de debatten over reconstructie en humanitaire hulp in Syrië?

 

Hoe kan worden voorkomen dat via de reconstructie het regime van Assad fondsen krijgt die het naar eigen goeddunken kan gebruiken en misbruiken?

 

Burgerorganisaties hopen op lange termijn op partnerschappen met de EU om de gedeelde humanistische en democratische waarden, waar zij en de EU voor staan, te koesteren en levend te houden in Syrië. Hoe ziet u een dergelijk partnerschap mogelijk tot stand komen?

 

Voorzitter: Rita Bellens.

Présidente: Rita Bellens.

 

01.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Pehlivan, sinds 2012 verleent België humanitaire hulp in Syrië via internationale humanitaire organisaties en Belgische ngo's, zoals het World Food Programme, het UNHCR, het Internationaal Comité voor het Rode Kruis, UNICEF, UNRWA, OCHA, Oxfam, Croix-Rouge de Belgique, Caritas, Handicap International en het Rode Kruis Vlaanderen. Deze organisaties werken op het terrein nauw samen met lokale Syrische partners, die vaak instaan voor de implementatie van de interventies.

 

De Belgische focus ligt op bescherming, onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen, zoals voedsel, water en wintervoorzieningen. Daarnaast draagt België bij tot Syrische en Turkse humanitaire fondsen. Beide fondsen geven de mogelijkheid aan lokale humanitaire organisaties om financiering aan te vragen voor interventies die gebaseerd zijn op effectieve noden van de getroffen bevolking en de expertise van de organisaties. België financiert humanitaire hulp via humanitaire organisaties of fondsen, niet via nationale, regionale of lokale overheden.

 

Voor België spelen de Syrische middenveldorganisaties een cruciale rol in de debatten over reconstructie en humanitaire hulp in Syrië, vandaar onze steun aan het EU-initiatief om het side-event "The future of Syria and the region, voices from the Syrian civil society" te organiseren in het Egmontpaleis in de marge van de conferentie Brussel II op 24 april 2018. Voor de tweede keer werden verschillende Syrische middenveldorganisaties uitgenodigd om er te debatteren over de uitdagingen en prioriteiten voor de toekomst.

 

Het Europese alsook het Belgische standpunt is echter zeer duidelijk: er kan geen sprake zijn van hulp bij reconstructie, zolang er geen geloofwaardige politieke transitie aan de gang is.

 

01.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, het is belangrijk dat Europa en België niet het signaal geven aan de wereld dat het Assadregime wordt genormaliseerd. Een samenwerking en ondersteuning waar mogelijk van vredevolle burgerorganisaties in Syrië lijkt mij de beste manier om de kiem van de democratie in Syrië levend te houden. Wij moeten dus verder doen met de projecten die wij er nu al ondersteunen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het REDD+-programma in de DRC" (nr. 25219)

02 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le programme REDD+ en RDC" (n° 25219)

 

02.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, met deze vraag gaan we naar een heel ander deel van de wereld.

 

De Democratische Republiek Congo heeft binnen haar grenzen de op één na grootste oppervlakte regenwoud ter wereld. Het vormt niet alleen een belangrijke biotoop voor zeldzame en unieke dieren, maar is eveneens een cruciale verdediging tegen klimaatverandering. Goed beheer van de bossen en hun natuurlijke rijkdom kan bovendien voor de lokale bevolking een bron van duurzame rijkdom zijn. De Wereldbank erkende het belang van de Congolese wouden in 2016 en keurde het REDD+-programma goed, dat 90 miljoen dollar per jaar beschikbaar maakt voor duurzaam bosbeheer en natuurbescherming in Congo. Kwetsbare wouden en lokale bewoners zouden de nodige steun krijgen, noodzakelijk voor hun voortbestaan en welvaart.

 

Recent echter heeft de Franse onderzoekster Marine Gauthier van de organisatie Rights + Resources een vernietigend rapport uitgebracht over de impact van het REDD+-programma in Congo. De kap van zeldzame bomen voor export gaat onverminderd door, zeldzame diersoorten worden ernstig bedreigd en lokale bewoners zijn op alle fronten de dupe van de situatie. De toekenning van landrechten gebeurde ondermaats, waardoor hun levensonderhoud bedreigd wordt.

 

De onderzoekster pleit er dan ook voor om de situatie ernstig te bestuderen en om de financiering van het programma te stoppen.

 

Kunt u mij uw standpunt geven over het rapport en het REDD+-programma?

 

Heeft België bijgedragen aan het REDD+-programma?

 

Zal België zich uitspreken over de toekomstige financiering en implementatie van het REDD+-programma in Congo?

 

02.02 Minister Alexander De Croo: Op 1 januari 2009 begon de Democratische Republiek Congo met de ondersteuning van het programma REDD+ van de Verenigde Naties en met de Forest Carbon Partnership Facility van de Wereldbank. REDD staat voor reducing emissions from deforestation and forest degradation. De samenwerking resulteerde in november 2012 in de aanvaarding van een nationale Congolese REDD+-strategie. De strategie wil het bosbestand vanaf 2030 stabiliseren tot 63,5 % van het Congolese grondgebied. Momenteel neemt het bosbestand nog ongeveer 67 % in beslag van de totale oppervlakte van de DRC en maakt het ongeveer 10 % uit van de wereldoppervlakte van de bossen.

 

Om die strategie te kunnen uitvoeren, heeft de regering het nationale REDD+-fonds opgericht, dat internationale financiering wenst te mobiliseren en te coördineren. De Congolese regering heeft in februari 2016 een financieringsovereenkomst ondertekend met het Central African Forest Initiative, CAFI, voor een bedrag van 200 miljoen dollar. CAFI is een multidonorfonds dat een internationaal partnerschap heeft opgericht met als doel de ontbossing en de verslechtering van het bosbestand in Centraal-Afrika te vertragen en uiteindelijk een halt toe te roepen. Die strategie kan een belangrijke stap vormen in de overgang naar een groenere economie, die gering is aan koolstof, die economisch efficiënt is en die een duurzaam leefmilieu nastreeft.

 

Men kan de ontwikkeling van de landbouw niet meer los zien van de opwarming van de aarde, waarvan de vele neveneffecten de landbouwproductie verminderen en zo de toegang tot voldoende voedsel voor de bevolking sterk negatief beïnvloeden. Daarom is de investering in de REDD+-strategie, waar de aandacht voor een aangepaste duurzame landbouw een prioritaire plaats krijgt, zo belangrijk. De REDD+-strategie is dus van een behoorlijke kwaliteit en pertinent voor de DRC en het wereldbestand van de bossen.

 

De uitvoering van de strategie door de DRC is wel problematisch gelet op de lage kwaliteit van de Congolese bestuur en de heersende corruptie. De recente studie van de Franse onderzoekster Maureen Gauthier vestigt de aandacht op het gebrek aan beheerscapaciteiten, de problematische implementatie van de decentralisatie in de DRC en het complexe en door de bevolking weinig gekende juridische kader op het vlak van de landrechten.

 

België heeft niet rechtstreeks bijgedragen aan de REDD+-strategie. Om budgettaire redenen was het niet mogelijk om het CAFI-fonds te financieren. Via gedelegeerde samenwerking werd wel een aantal projecten van de Europese Commissie gefinancierd. Ze dragen bij aan de REDD+-strategie, met name steun aan het beheer van de bossen via het initiatief Forest Law Enforcement, Governance and Trade, rurale elektrificatie in Lubero om de druk op het Virunga Park te doen afnemen en steun aan Yangambi als wetenschappelijk expertisecentrum op het vlak van mens en bos.

 

De Congolese regering doet echter onvoldoende beleidshervormingen en kent bosexploitatievergunningen toe in beschermde gebieden, wat een bedreiging vormt voor een geslaagde implementatie van het CAFI-programma in de DRC. De Congolese bosbouwsector wordt nog altijd gekenmerkt door een gebrek aan goed bestuur, corruptie en illegale bosontginning. Op 6 maart 2018 heeft CAFI aangekondigd de financiering voor de DRC op te schorten, tot de illegaal toegekende vergunningen voor bosontginning worden ingetrokken. In die omstandigheden acht ik het dan ook niet opportuun om financiering toe te kennen voor de implementatie van de REDD+-strategie.

 

Ik wens er wel de aandacht op te vestigen dat de bossenproblematiek in de DRC actief wordt opgevolgd en dat minister van Staat François-Xavier de Donnea sinds begin dit jaar facilitator is van het Congo Basin Forest Partnership. Het Congo Basin Forest Partnership werd door de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell gelanceerd als een voluntary multi-stakeholder initiative met als doelstelling de Afrikaanse landen te ondersteunen in de conservatie en het duurzame beheer van de bossen van het Congobekken. Het Congo Basin Forest Partnership brengt meer dan zeventig verschillende partners samen, waaronder Afrikaanse staten, donors, internationale organisaties, ngo's, wetenschappelijke instellingen en de privésector.

 

02.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

 

Ik ben tevreden dat u hier groot belang aan hecht. Ook al financieren wij het programma niet, wij kunnen het toch opvolgen. Dat is niet alleen voor Afrika belangrijk; die bossen zijn uiteindelijk ook belangrijk voor de hele wereld.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, over "de afwezigheid van België in de internationale dialoog over de werkomstandigheden in de cacaosector" (nr. 25231)

03 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et européennes, chargé de Beliris et des Institutions culturelles fédérales, sur "l'absence de la Belgique dans le dialogue international relatif aux conditions de travail dans le secteur du cacao" (n° 25231)

 

03.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, dit gaat over een heel andere wereld.

 

Van 22 tot 25 april vond in Berlijn de wereldcacaoconferentie plaats voor de vertegenwoordigers van de cacao- en chocoladesector. Tijdens deze conferentie is nogmaals gebleken dat België opvallend afwezig is in het globaal debat over de arbeidsrechten in de cacaosector, dat een belangrijke symboolwaarde heeft in het internationaal streven naar meer fair trade en naar noodzakelijk afdwingbaar respect voor mensenrechten in de privésector.

 

De cacaomarkt is mondiaal, maar is in handen van een handjevol grote spelers. Traders zoals Barry Callebaut, Olam en Cargill kopen bijna alle cacao op bij de boeren en plantages in de productielanden, waarna Mars, Mondelez, Nestlé en Ferrero de cacao verwerken tot de chocolade die wij overal kunnen kopen.

 

België voert maar liefst 10 % van alle cacaoproductie in. Niettemin is het afwezig in het debat. Dat debat is nochtans nodig, want ondanks de goede bedoelingen en beloften van de grote spelers gaat het slecht in de sector.

 

Kinderarbeid neemt weer toe, de lonen zijn bedroevend en de milieu-impact is aanzienlijk. In Ghana en Ivoorkust alleen al werken 2,1 miljoen kinderen in de cacaosector. Net omdat het slechts een handvol multinationals zijn die de markt bepalen, is het mogelijk om doelgericht de wantoestanden aan te pakken en die grote spelers op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Dat vereist een sterk signaal van de regering van landen die een grote klant zijn van deze grote spelers. België is dergelijke grote klant en wij hebben de kans om ons gewicht in de schaal te leggen. Wij hebben dit echter niet gedaan, ook door onze afwezigheid op de wereldcacaoconferentie.

 

Mijnheer de minister, op de wereldcacaoconferentie van einde april werden achttien aanbevelingen opgesteld, waaronder de vraag om in te zetten op transparantie van het hele productieproces, zodat betrokkenen ter verantwoording kunnen worden geroepen wanneer het fout loopt. Zal deze regering bijdragen aan dit debat om tot een afdwingbaar systeem te komen dat de producenten ten goede komt?

 

03.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw de voorzitter, de buitenlandse ontwikkelingssamenwerking werkt met een aantal actoren om actieve ondersteuning te bieden aan de duurzame productie van cacao, vooral via BIO-invest, directe investeringen in Ghana en Vietnam en indirecte investeringen in financiële structuren in West-Afrika, met als doel de toegang tot financiering te vergemakkelijken voor producenten of producentenorganisaties die werkzaam zijn in de landbouw, in het bijzonder in de cacaoteelt. Er wordt ook gewerkt via Enabel, met het programma Trade for Development Centre, waarbij om en bij de veertig landbouworganisaties hoofdzakelijk in Ivoorkust en Ghana, en voordien in Latijns-Amerika en Vietnam, ondersteuning krjigen voor specifieke kenmerken, zoals een keurmerk voor wilde cacao. Bij de consolidering van partnerschappen is ook de privésector betrokken, bijvoorbeeld Choprabisco, de lokale branche van Barry Callebaut, enzovoort.

 

Er wordt ook gewerkt met het maatschappelijk middenveld, via financieringsprogramma's van Belgische ngo's die werkzaam zijn op het gebied van ondersteuning van deze sector, zoals Fairtrade Belgium en Récolte.

 

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking heeft ook een subsidie verstrekt aan het platform The Shift ter bevordering van publiek-private partnerschappen. IDH, The Sustainable Trade Initiative, voert momenteel gesprekken met de Belgische chocolade- en cacaosector om tot een gezamenlijke ambitie te komen in het najaar. Zij werken daarvoor nauw samen met The Shift. Gisteren heb ik daarover een eerste rondetafelgesprek gehad met een beperkte groep spelers, actief in de sector. Vervolgens zal IDH voor het eind van dit jaar een programma uitwerken waarbij de privésector in België verbintenissen aangaat in het kader van duurzame cacaoproductie.

 

Daarnaast stelt DGD in de tweede helft van dit jaar een financiële faciliteit in waarbij zij oproept tot het indienen van projecten die erin bestaan bedrijven uit de privésector een partnerschap te laten aangaan met andere actoren en te investeren in kmo's in ontwikkelingslanden. Dergelijke investeringen kunnen ook de cacaosector ten goede komen. De betrokkenheid van de privésector is immers uiterst belangrijk om duurzaamheid een plaats te geven in de activiteiten van de Belgische industrie en om tegen 2030 de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te bereiken in de cacaowaardeketen.

 

Ook vanuit de bredere FOD Buitenlandse Zaken worden er inspanningen geleverd om de nadruk te leggen op de business- en mensenrechteninvalshoek inzake cacaohandel. Ter gelegenheid van de recente handelsmissie naar Ivoorkust werd een seminarie gefaciliteerd over de preventie en de afschaffing van kinderarbeid in de cacaosector, in samenwerking met onder meer het TDC-programma van Enabel.

 

Kort valt nog te melden dat onze landgenoot Michel Arion kandidaat is voor de functie van uitvoerend directeur van de International Cocoa Organization met zetel in Abidjan. De Belgische regering steunt zijn kandidatuur en de FOD Buitenlandse Zaken coördineert de campagne die hij voert in cacaoconsumerende en cacaoproducerende landen. De heer Arion heeft grote bekendheid in de cacaosector, met projecten voor duurzame cacaoproductie en het probleem van kinderarbeid. Als hij de functie van uitvoerend directeur van de ICCO mag bekleden, zal hij deze thema's ongetwijfeld op de agenda van de organisatie plaatsen.

 

03.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

Ik hoorde dat er vanuit België een heel intensieve opvolging is. Ik ben daar blij mee. Onze aanwezigheid op internationaal niveau kan ook een duidelijk signaal zijn. Zo kunnen wij ook onze standpunten uitdragen.

 

Ik kijk uit naar het akkoord dat in het najaar afgesloten zal worden. Ik zal het verder opvolgen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de financiering van de vrijwilligersorganisatie CongoForum" (nr. 24976)

04 Question de Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le financement de l'organisation bénévole CongoForum" (n° 24976)

 

04.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ik informeer mij geregeld via verschillende platformen over de situatie in Congo. Het CongoForum is er een van. Dat platform werd in 2005 gelanceerd. Het heeft als doel Congo te promoten en onder de aandacht te brengen, maar ook de banden tussen beide landen aan te moedigen en te verbeteren. Het is een belangrijk project dat draait op vrijwilligers en slechts één keer voor een bedrag van 5 000 euro overheidssteun heeft ontvangen, dit in de periode 2004-2009. Op eerdere subsidieaanvragen aan uw kabinet, en waarschijnlijk ook aan de vorige kabinetten, kreeg CongoForum het antwoord dat er geen budget is en dat er zonder externe audit geen subsidies kunnen worden gegeven aan een vzw.

 

Voor een kleine vzw met weinig mensen en middelen is zo'n externe audit echter niet haalbaar. Toch zijn dat soort kleinere projecten, zeker voor Congo, van groot belang, omdat ze van onderuit de Belgisch-Congolese relaties versterken. Daarom is het ook belangrijk dat wij die zo goed mogelijk ondersteunen, zodat ze kunnen blijven bestaan.

 

Ik wil u daarom de volgende vraag stellen. Kunt u meer duidelijkheid verschaffen over de beslissing om geen subsidiëring toe te kennen aan CongoForum?

 

04.02 Minister Alexander De Croo: Artikel 26 van de Belgische wet op de ontwikkelingssamenwerking van 19 maart 2013 bepaalt dat alleen een daartoe erkende organisatie subsidies mag aanvragen. De voorwaarden tot erkenning worden in hetzelfde artikel opgesomd. Een van deze voorwaarden is het beschikken over een performant systeem van organisatiebeheersing.

 

De voorwaarden die in de wet worden opgesomd worden verder gepreciseerd in het KB van 11 september 2016 met betrekking tot de niet-gouvernementele samenwerking. Zo moeten de performantie van de organisatiebeheersing en het managementsysteem door een succesvolle screening worden aangetoond.

 

Kortom, niet-gouvernementele organisaties komen alleen in aanmerking voor subsidies uit de begroting als de performantie van hun organisatiebeheersing werd gecontroleerd en vervolgens geaccrediteerd als een erkende organisatie.

 

De algemene screeningsprocedure werd afgerond in 2016. CongoForum heeft geen erkenning aangevraagd. Bijgevolg is de performantie van het managementsysteem niet gecontroleerd en is CongoForum niet geaccrediteerd als erkende organisatie. CongoForum kan bijgevolg geen meerjarenfinanciering ontvangen.

 

Niets belet niet-geaccrediteerde organisaties evenwel om te reageren op projectoproepen die door een diplomatieke post zijn uitgeschreven. In de DRC heeft onze ambassade een oproep gelanceerd met betrekking tot projecten op het vlak van corruptiebestrijding en rechtenbenadering. Het is mij niet bekend of CongoForum hierop heeft gereageerd.

 

04.03  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

 

Het eerste element van antwoord is mij bekend. Het tweede element is interessant voor een kleine organisatie om daarop te kunnen ingaan. Ik zal de informatie in elk geval doorgeven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het humanitair budget voor Congo" (nr. 25292)

- de heer Georges Dallemagne aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de stand van zaken betreffende de Belgische ontwikkelingssamenwerking in de DRC en de heroriëntering van de bilaterale gouvernementele hulp ten voordele van het Congolese maatschappelijke middenveld" (nr. 26329)

05 Questions jointes de

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le budget humanitaire pour le Congo" (n° 25292)

- M. Georges Dallemagne au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'état des lieux de la Coopération belge en RDC et la mise en oeuvre de la réorientation de l'aide gouvernementale bilatérale en faveur de la société civile congolaise" (n° 26329)

 

De voorzitter: De heer Dallemagne is afwezig. Zijn vraag is geschrapt.

 

05.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, mijn vraag dateert van begin mei, maar het is uiteraard relevant om een laatste stand van zaken te krijgen wat betreft Congo.

 

Op vrijdag 13 april vond een donorconferentie plaats met betrekking tot Congo naar aanleiding van de humanitaire crisis in het land. Het is goed dat ons land een voortrekker is geweest in Genève. Met 13 miljoen Congolezen in humanitaire nood en 4 miljoen burgers op de vlucht kondigden de donorlanden aan om in 472 miljoen euro aan humanitaire steun te voorzien.

 

De Belgische regering kondigde aan het humanitair budget voor Congo op te trekken van 17 miljoen euro naar 25 miljoen. Ook de Belgische bijdrage aan de financiering van humanitaire partnerorganisaties en humanitaire donorfondsen wordt verhoogd tot 90 miljoen euro, wat een zeer aanzienlijk bedrag is.

 

De Congolese regering was niet aanwezig op de conferentie, onder meer omdat de crisis niet buitensporig zou zijn en Congo volgens haar onvoldoende betrokken wordt. De Congolese minister van Buitenlandse Zaken Okitundu kondigde voor de conferentie nog aan dat ngo’s die het Belgische geld aannemen een verbod krijgen om in Congo te werken. Na de conferentie matigde hij zijn statement en gaf hij aan de humanitaire hulp niet te weigeren, maar deze moet wel in samenwerking met de Congolese regering worden verleend.

 

Ik wil hierover de volgende vragen stellen, mijnheer de minister.

 

Wat is uw inschatting van de impact van de budgetverhoging? Welke maatregelen zijn aan de verhoogde steun verbonden om de crisis ten gronde aan te pakken?

 

Hoe schat u vandaag de reactie van de Congolese regering op de humanitaire steun in? Zullen de ngo’s in hun werk worden belemmerd?

 

Denkt u aan mogelijke alternatieven voor rechtstreekse humanitaire hulp, bijvoorbeeld via het Common Humanitarian Fund of een nieuwe flexibel fonds om sancties van de Congolese regering ten aanzien van ngo’s die Belgische steun ontvangen te ontwijken?

 

05.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Van Hoof, de immense noden rechtvaardigen ruimschoots de verhoging tot 25 miljoen euro van het Belgische humanitaire budget voor de DRC. De VN schat dat de totale nood aan humanitaire financiering voor de DRC in 2018 op 1,68 miljard euro zou liggen, een verdubbeling ten aanzien van vorig jaar. Gezien de schaal van de crisis kunnen de Belgische middelen slechts een klein deel van de noden verlichten, maar elke euro telt om levens te redden.

 

België toont zijn solidariteit met de Congolese bevolking en is een principiële donor: onze hulp is neutraal, onvoorwaardelijk en onpartijdig. Wij kunnen er dus geenszins maatregelen aan koppelen die de grondoorzaken van de crisis zouden moeten aanpakken. Dat is iets voor andere kanalen en andere instrumenten.

 

In principe dienen wij de inzet van de Congolese overheid te verwelkomen. Overheden zijn de eerstelijnsverantwoordelijken om de bevolking te beschermen en te verzorgen. De overheid moet uiteraard wel de humanitaire principes respecteren en dient de toegang tot humanitaire gebieden te faciliteren, zonder discriminatie. De regering van de DRC heeft ondertussen een meer terughoudende positie aangenomen ten aanzien van de ngo's die met Belgische humanitaire middelen zullen werken.

 

Wat de toekomst brengt, is vooralsnog koffiedik kijken. Het is nu zaak om sereen verder te werken en de zaak niet te laten escaleren.

 

Alleen zo kunnen de humanitaire organisaties hun levensreddende werk voortzetten.

 

De 25 miljoen euro die ik heb aangekondigd, zijn rechtstreeks bestemd voor de hulp in de DRC. Daarvan gaat 4,5 miljoen euro naar het DRC Humanitair Fonds, de huidige benaming van het Common Humanitarian Fund, dat u vermeldt. Dat fonds kan in principe eender welke humanitaire organisatie financieren die actief is in de DRC. Ruim 5 miljoen euro is bestemd voor Belgische ngo's, waarvan de selectie van de projecten momenteel nog loopt. De resterende 15,5 miljoen euro verloopt via internationale organisaties: het Internationale Rode Kruis, het World Food Programme, de FAO, UNICEF, het UNHCR en het OCHA.

 

Ik moet ook vermelden dat België bijdraagt aan flexibele fondsen die wereldwijd humanitaire operaties kunnen financieren, zoals het Central Emergency Response Fund, dat erg snel financiering kan toekennen voor kritieke humanitaire noden in ondergefinancierde contexten. België draagt dit jaar 12,5 miljoen euro bij aan het CERF. Het CERF heeft in 2018 reeds 50 miljoen euro toegekend aan de DRC. Voor die onrechtstreekse financiering worden dus ook Belgische middelen ingezet in deze crisis.

 

05.03  Els Van Hoof (CD&V): Dank u voor de update. Zoals u zegt, worden de noden alleen maar groter. Ik vrees dus dat in de tweede helft van dit jaar misschien bijkomende middelen nodig zullen zijn. Als de verdeel-en-heers-campagne van Kabila doorgaat, dan is de bevolking alleen maar het slachtoffer daarvan. Het is goed dat wij de zaak op de voet volgen, zonder die te laten escaleren uiteraard.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Vraag van mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de ondersteuning van het Joint FGM Program" (nr. 25293)

06 Question de Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le soutien au programme commun de lutte contre les MGF" (n° 25293)

 

06.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, het is bijna niet te geloven maar genitale verminking wordt vandaag nog steeds toegepast bij bijna 200 miljoen vrouwen en meisjes. Daarom is er het Joint FGM Program van UNFPA en UNICEF. Het is ook goed dat zij het probleem gemeenschappelijk aanpakken, om de praktijk vooral in Afrika te bestrijden en die tegen 2030 de wereld uit te helpen.

 

Het programma wil zowat 8 miljoen meisjes betere zorgverlening bieden, 19 miljoen personen zich publiek laten uitspreken tegen genitale verminking, in 16 landen zorgen voor een nationaal budget en voor monitoringmechanismen, regionaal en subregionaal mobiliseren en een globale online kennishub creëren. Dat is dus heel interessant.

 

Om die doelstellingen te bereiken, wil het programma voor de periode 2018-2021 een budget van 77 miljoen dollar verzamelen.

 

Op dit moment krijgt het Joint FGM Program steun van onder meer de Europese Unie, Finland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Ierland, Luxemburg en IJsland. Hoewel België jaarlijks aan UNFPA, dat strijd voor de reproductieve rechten van vrouwen, bijdraagt, krijgt het Joint FGM Program geen steun van de Belgische regering. De strijd tegen de gruwelijke praktijk van genitale verminking is echter een strijd die wij met alle middelen moeten voeren, om er eindelijk een einde aan te kunnen maken.

 

Het is belangrijk dat wij ontwikkelingssamenwerking daarbij als hefboom gebruiken tegenover de diverse overheden in de betrokken regio’s.

 

Waarom is er tot nu toe, in tegenstelling tot vele andere Europese landen, niet besloten om bij te dragen aan het programma? Zijn er plannen voor de toekomst?

 

Worden in de ontwikkelingssamenwerking met partnerlanden specifieke voorwaarden tegen genitale verminking gesteld? Zijn er plannen om dat in de toekomst te doen?

 

In welke mate worden Belgische fondsen voor ontwikkelingssamenwerking specifiek besteed aan de strijd tegen genitale verminking? Zijn er plannen om hier in de toekomst meer de nadruk op te leggen?

 

06.02 Minister Alexander De Croo: Genitale verminking vormt een aanslag op de lichamelijke integriteit en bijgevolg op de seksuele rechten van de vrouwen en meisjes die de verminking ondergaan. Het probleem komt aan bod in het kader van de bevordering van de rechten van kinderen, gezondheid en seksuele en reproductieve rechten. In dat opzicht handelt de Belgische samenwerking hoofdzakelijk via haar multilaterale partners, van wie het mandaat wereldwijd is erkend en door onze partnerlanden algemeen wordt aanvaard.

 

België draagt niet bij aan het fonds ter ondersteuning van het gemeenschappelijke UNFPA-UNICEF-programma. België draagt echter wel bij tot de uitvoering van het programma via de gedelegeerde samenwerking, waarvan de interventies geografisch gericht zijn op onze partnerlanden.

 

Dat is het geval voor Mali. De Belgische ontwikkelingssamenwerking draagt bij tot het gemeenschappelijke UNFPA-UNICEF-programma, gefinancierd met een bedrag van 2 miljoen euro, het geïntegreerd pilootproject voor preventie en zorg voor de slachtoffers van vrouwelijke genitale verminking, vesico-genitale fistels, de strijd tegen vroegtijdige huwelijken en de promotie van de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen, adolescenten en jongeren in de regio van Koulikoro. Het project loopt nu en zal een periode van 2 jaar bestrijken.

 

Vrouwelijke genitale verminking is nauw verbonden met de tradities die diep verankerd zijn bij de lokale gemeenschappen. Vragen stellen is niet de adequate benadering en kan zelfs contraproductief zijn. Men beoogt een aanpassing van de normen en de tradities. Het is dus een werk van lange adem. Zelfs wanneer wetten aangenomen worden, vergt de toepassing heel wat tijd. Dialoog wordt daarom verkozen om verandering aan te moedigen. België gaat die dialoog aan. Vrouwelijke genitale verminking is onderdeel van de agenda She decides, waarvoor België zich heel actief inzet, zowel op het terrein als op internationale fora. Advocacy is vereist op alle niveaus: regeringen, religieuze leiders, lokale leiders, lokale gemeenschappen, gezondheidswerkers, vrouwen en meisjes.

 

De Belgische ontwikkelingssamenwerking promoot de rechten van vrouwen en meisjes en heeft daarvoor een op rechten gebaseerde aanpak. De Belgische samenwerking handelt hoofdzakelijk via multilaterale partners, UNFPA, UNICEF, UN Women en WHO. België steunt de mandaten van die vier organisaties via bijdragen aan de algemene middelen. Voor UNICEF gaat het om een bijdrage van 60 miljoen euro voor de periode van 2017 tot 2020, voor UNFPA is het een bijdrage van 36 miljoen voor de periode van 2017 tot 2020 en voor WHO een bijdrage van 16 miljoen voor de periode van 2017 tot 2020. Bij die laatste organisatie gaat het vooral over opleidingsprogramma's voor gezondheidsmedewerkers in de strijd tegen genitale verminking. Voor UN Women gaat het over een steun van 16 miljoen euro in de periode van 2017 tot 2020.

 

De Belgische fondsen voor ontwikkelingssamenwerking worden niet specifiek besteed aan de strijd tegen genitale verminking, maar de strijd tegen genitale verminking maakt deel uit van een breder programma. Dat is het geval voor programma's in Mali, Guinee en Burkina Faso. In Guinee bijvoorbeeld financiert België een programma Contribution à la réalisation des Droits à la Santé sexuelle et réproductive pour les Femmes, Adolescents et jeunes des régions de Kindia, Mamou et Conakry. Het is een programma van gedelegeerde samenwerking in het kader van het opstarten van samenwerking tussen België en Guinee. Het betreft steun aan het bredere UNFPA-programma voor gezondheid en seksuele en reproductieve zorg in de zone van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Het programma omvat de strijd tegen genitale verminking. Het loopt gedurende drie jaar met een bijdrage van 3,4 miljoen euro.

 

06.03  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, dank u voor de informatie.

 

Er gebeurt heel wat rond gender vanuit uw departement. U hebt daartoe bijgedragen. Kindhuwelijken en genitale verminking stoten mij ten zeerste tegen de borst. Wij werken samen met landen als Mali, Guinee en Burkina Faso, landen waar vrouwen vandaan vluchten opdat hun kinderen geen slachtoffer worden van genitale verminking. We moeten daar het accent op durven te leggen.

 

Genitale verminking leidt ertoe dat de reproductieve rechten geschonden worden, omdat ze zeer moeilijke bevallingen, infecties en fistels veroorzaakt. Ik vind het dus goed dat er heel wat programma's worden gesteund. Wat mij betreft mag daar een lijn in komen om ervoor te zorgen dat vooral genitale verminking en kindhuwelijken in die landen heel effectief worden aangepakt.

 

Het joint program is een bekend programma, dat al een tijdje loopt en dat een goede basis zou kunnen vormen om daar vanuit België aan bij te dragen. Gedelegeerde samenwerking is daarvoor inderdaad een goede oplossing.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de Mme Kattrin Jadin au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la production de l'huile de palme" (n° 25368)

07 Vraag van mevrouw Kattrin Jadin aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de palmolieproductie" (nr. 25368)

 

07.01  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, en 2014, l'Alliance belge pour une huile de palme durable, en abrégé BASP, a été fondée. Cela fait plusieurs années maintenant que la Belgique tente d'utiliser 100 % d'huile de palme certifiée durable par la RSPO. La Belgique étant le plus gros importateur d'huile de palme par habitant de l'Union européenne, il paraît donc normal qu'elle se préoccupe des problèmes engendrés par la consommation d'huile de palme. La BASP n'a toutefois aucun moyen de vérifier le respect des engagements de ses membres ou encore de sanctionner ceux-ci dans le cas d'un non-respect de leurs engagements. Selon Amnesty International, sur les plantations certifiées RSPO, les droits humains ne seraient pas respectés, notamment en employant des enfants et en n'octroyant pas le salaire minimum sur lesdites plantations. Il faut savoir aussi que depuis 2011, la quantité d'huile de palme utilisée comme biodiesel a triplé en Europe et en Belgique. Précisons aussi que le biodiesel n'utilise pas d'huile de palme certifiée durable.

 

Monsieur le ministre, des restrictions peuvent-elles ou vont-elles être mises en place pour instaurer une régulation contraignante au secteur des agrocarburants afin de limiter les dommages environnementaux, sanitaires et sociaux? On sait qu'ils sont nombreux. Certainement pour ce qui a trait à la production d'huile de palme, c'est une réelle catastrophe écologique qui se déroule dans certaines régions.

 

Les droits des personnes travaillant sur les plantations certifiées RSPO ont-ils été vérifiés ou pris en compte? Pouvez-vous m'en dire un peu plus?

 

Enfin, la BASP prévoit-elle de mettre en place un système permettant un meilleur suivi du respect des engagements de ses membres et surtout d’éventuelles sanctions? Je vous remercie.

 

07.02  Alexander De Croo, ministre: Au cours des dernières années, la demande mondiale pour les huiles végétales a augmenté de 5 % par an. L'huile de palme est l'huile végétale la plus produite dans le monde avec un doublement de la production depuis 2000. Il s'agit d'une huile très polyvalente utilisée aussi bien dans l'alimentation humaine que dans celle du bétail, ainsi que dans les agrocarburants et dans l'industrie oléochimique.

 

La demande croissante d'huile de palme provoque une pression en termes d'utilisation des sols aux dépens des communautés locales ou des écosystèmes et a des conséquences sur l'environnement et le climat, mais l'huile de palme fait également vivre des millions d'agriculteurs et leurs familles. Je ne peux qu'appuyer tout effort visant à promouvoir la durabilité de la filière de l'huile de palme. Dans ce contexte, je me félicite de la création, en 2014, de l'Alliance belge pour une huile de palme durable et des efforts faits via cette organisation par le secteur de l'huile de palme en Belgique.

 

En 2016, lors d'un débat sur le sujet organisé au Parlement fédéral par l'intergroupe parlementaire sur le commerce équitable avec l'appui technique de la Coopération au développement belge via le programme Trade for Development Centre d'Enabel, la BASP s'était engagée, lors de la présentation qu'elle avait faite, à aller, d'ici 2020, plus loin que le respect des certifications RSPO.

 

Pour vos questions précises quant à la réglementation du secteur des agrocarburants et à la qualité de la certification utilisée par la BASP, je vous suggérerais de vous adresser à mes collègues en charge, d'une part, de l'Énergie, de l'Environnement et du Développement durable et, d'autre part, de l'Emploi, de l'Économie et des Consommateurs.

 

07.03  Kattrin Jadin (MR): Monsieur le ministre, je vous rassure: c'est bien ce que j'ai fait. Je vous remercie de votre réponse. Un colloque très intéressant avait été organisé à ce sujet.

 

Dans un autre registre, une campagne mondiale a été lancée autour de la question de la pollution de nos océans et des méthodes destinées à conscientiser davantage nos concitoyens. L'Union européenne a, du reste, pris une initiative de taille. J'espère qu'elle aboutira et qu'elle pourra imposer sa volonté d'interdire les plastiques, notamment les sacs en plastique.

 

Nous pourrions aussi nous pencher sur des opportunités qui pourraient sensibiliser nos concitoyens à la nature de l'huile de palme et à notre intérêt commun d'en réduire l'usage. Nous connaissons tous deux, monsieur le ministre, les conséquences désastreuses qu'en subissent certaines régions du monde. Je poursuivrai donc mon combat. Si vous le souhaitez, vous pouvez y participer. Nous ferons ainsi preuve d'une plus grande efficacité.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le retour potentiel de l'épidémie d'Ebola" (n° 25478)

08 Vraag van mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de mogelijke uitbraak van een nieuwe ebola-epidemie" (nr. 25478)

 

Présidente: Kattrin Jadin

Voorzitter: Kattrin Jadin

 

08.01  Gwenaëlle Grovonius (PS): Monsieur le ministre, comme en 2017, nous devons hélas constater que la République démocratique du Congo semble de nouveau devoir faire face à une épidémie d’Ebola. L’Organisation Mondiale de la Santé (OMS) a ainsi recensé 32 cas potentiels qui ont fait 18 morts depuis le 4 avril.

 

Tous les cas rapportés jusqu’ici concernent la région de Bikoro, une zone forestière située dans l’est du pays, à la frontière du Congo-Brazzaville. L’OMS craint une propagation de la maladie dans tout le pays et a affirmé se préparer au "pire des scénarios". Elle a depuis notamment déployé de nouvelles équipes médicales pour tenter de juguler la dissémination du virus.

 

J’aimerais dès lors, monsieur le ministre, vous poser les questions suivantes: tout d'abord, quelles sont les informations qui vous reviennent concernant la situation du pays, un retour potentiel de l’épidémie d’Ebola au sein d’un (ou éventuellement d'autres) pays partenaire de notre Coopération au développement?

 

Quel suivi donnez-vous à cette situation notamment au sein du Conseil de l’Union européenne afin d’assurer, le cas échéant, une réponse rapide et coordonnée de l’Union européenne pour éviter une nouvelle épidémie dramatique ?

 

Enfin, en 2014, le Conseil des ministres avait approuvé l’envoi d’une équipe de B-Fast et d’un laboratoire mobile en Guinée pour lutter contre la propagation du virus Ebola dans le cadre d’une collaboration entre la Défense, l’Université catholique de Louvain, des PME belges, le Luxembourg et l’Agence spatiale européenne. Une telle initiative belge, si elle est discutée actuellement, serait-elle à nouveau imaginable en fonction de l’évolution de la situation ?

 

D'avance merci pour vos réponses.

 

08.02  Alexander De Croo, ministre: Comme vous le savez, la République démocratique du Congo fait face depuis début avril 2018 à une nouvelle épidémie d'Ebola. Mes services sont en contact permanent avec notre ambassade à Kinshasa qui suit de très près l'évolution de cette neuvième épidémie d'Ebola dans le pays. Jusqu'à présent, cette épidémie semble s'être limitée à la RDC, aucun cas n'ayant été détecté dans les pays voisins.

 

L'autorité congolaise et l'OMS ont réagi assez rapidement et une campagne de vaccination a été lancée pour protéger les contacts de tous les cas signalés. Il s'agit d'un vaccin expérimental qui paraît donner de bons résultats. L'épidémie semble être, jusqu'à présent, confinée dans la province de l'Équateur, dans les zones de santé de Bikoro, Iboko et la ville de Mbandaka. Actuellement, il n'y a pas de cas répertoriés à Kinshasa ou ailleurs dans le pays. Les dernières nouvelles sont plutôt rassurantes et montrent une stabilisation de la situation.

 

Selon les derniers chiffres de l'OMS, au 22 juin 2018, 61 cas ont été identifiés, 38 cas ont été confirmés par des tests en laboratoire et 28 décès ont été répertoriés.

 

Concernant le suivi donné à cette épidémie au niveau de l'Union européenne, la Commission a pris d'urgence des initiatives pour gérer et contrôler la propagation de cette maladie très meurtrière. Elle a ainsi annoncé rapidement un programme d'aide humanitaire de 1,6 millions d'euros qui a été complété par la suite et qui atteint aujourd'hui 3,43 millions d'euros. La Commission travaille en étroite collaboration avec les autorités nationales, l'OMS et les partenaires internationaux dans le cadre de cet effort conjoint.

 

L'Union européenne met à disposition des vols médicaux entre Kinshasa et Mbandaka et reste également prête à déployer le corps médical européen, un pool volontaire d'équipes spécialisées européennes et de ressources médicales sur demande. Les États membres de l'Union européenne sont régulièrement informés de l'épidémie via les systèmes d'alerte précoce et de réaction et via les mises à jour régulières du Comité de sécurité sanitaire.

 

Actuellement, vu le confinement de l'épidémie, l'OMS n'exprime pas le besoin d'envoi de laboratoires supplémentaires en RDC afin de dépister des victimes du virus Ebola. Le déploiement du laboratoire B-Life a été envisagé, mais est donc prématuré à ce stade. En cas de besoin, l'envoi du laboratoire B-Life pourrait se faire à condition que les autorités congolaises donnent les autorisations nécessaires à son déploiement.

 

08.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Merci monsieur le ministre pour ces éléments de réponse.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Questions jointes de

- M. Stéphane Crusnière au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la situation humanitaire au Kasaï" (n° 25539)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'état de la sécurité au Kasaï" (n° 25695)

09 Samengevoegde vragen van

- de heer Stéphane Crusnière aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de humanitaire situatie in Kasaï" (nr. 25539)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de veiligheidssituatie in Kasaï" (nr. 25695)

 

09.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je souhaite vous interroger concernant la situation humanitaire au Kasaï. Selon le nouveau rapport de l'UNICEF, au moins 770 000 d’enfants souffrent de malnutrition aiguë et 440 000 d'entre eux seraient en danger de mort. Des millions de personnes ont dû fuir leur foyer à cause des violences. Malgré l’accalmie actuelle, ces personnes continuent à souffrir de leur exil.

 

La satisfaction des besoins de première nécessité, c'est-à-dire l'accès à l’eau potable et aux soins de santé, reste problématique. De plus, de nombreux centres de santé ont été détruits, de même que des écoles.

 

Monsieur le ministre, je souhaite dès lors vous poser les questions suivantes. Selon l'UNICEF, maintenant que les accès s’améliorent, il est urgent que la communauté internationale vienne en aide aux enfants du Kasaï afin qu’ils puissent à nouveau satisfaire leurs besoins de première nécessité et voir leur éducation poursuivie. Monsieur le ministre, la Belgique compte-t-elle apporter son aide? Si oui, quelle sera la nature de l’aide belge? Quelle part du budget de la coopération avec la RDC sera-t-elle réservée à la région du Kasaï? Quels secteurs seront-ils privilégiés? J'imagine qu'il s'agira de l'éducation et de la santé.

 

09.02  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ik sluit mij daarbij aan. Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.

 

UNICEF heeft gewezen op het belang van de internationale steun in de humanitaire situatie in Kasai.

 

Op welke manier kan België in samenwerking met de internationale gemeenschap bijdragen, daarbij opnieuw verwijzend naar de Donorconferentie in Genève, waar de verhoging van het humanitaire budget werd aangekondigd?

 

Is er een specifiek budget bestemd voor de regio van Kasai? Voor welke elementen zal het budget worden aangewend?

 

09.03 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Van Hoof, zoals u aangeeft, is de situatie in Kasai gestabiliseerd, doordat de onveiligheid er is afgenomen. De humanitaire noden blijven echter erg hoog. Mensen keren terug naar verwoeste dorpen zonder toegang tot sociale diensten, want scholen en gezondheidscentra zijn er vaak vernield.

 

Via de financiering van humanitaire operaties helpt België de bevolking te overleven, te beschermen en hun levens te heropbouwen.

 

Momenteel is het erg belangrijk dat gemeenschappen zo snel mogelijk de landbouwactiviteiten kunnen hernemen. Op dat vlak financiert België onder andere de acties van het World Food Program, FAO en de DRC.

 

België is een principiële donor. Onze hulp is neutraal, onvoorwaardelijk en onpartijdig. Een groot deel van onze hulp is bijgevolg flexibel. Wij dragen bij aan de algemene middelen van onze partners en aan flexibele fondsen.

 

Die principiële en flexibele houding heeft tot gevolg dat het onmogelijk is aan te geven hoeveel Belgische financiering precies naar een bepaalde regio gaat.

 

De situatie in Kasai wordt echter door alle humanitaire actoren in de DRC als prioritair erkend.

 

Lors de la conférence des donateurs à Genève, j'ai annoncé une augmentation de l'aide humanitaire belge pour la RDC à 25 millions d'euros en 2018. La Belgique manifeste ainsi sa solidarité avec la population touchée. Ce montant comprend 4,5 millions d'euros pour le Fonds humanitaire RDC géré par OCHA. Ce fonds peut financer toute organisation humanitaire reconnue et active en RDC, y compris dans la région du Kasaï.

 

Plus de 5 millions d'euros sont réservés aux ONG belges dont la sélection des projets est actuellement en cours. Les 15,5 millions d'euros restants sont alloués aux organisations internationales suivantes: CICR, PAM, FAO, UNICEF, UNHCR et OCHA.

 

Les financements au PAM et à la FAO visent à adopter une double approche intégrée en associant l'assistance alimentaire d'urgence fournie par le PAM à travers la distribution de vivres et de suppléments nutritionnels, et la fourniture d'intrants et de services agricoles par la FAO, avec des interventions facilitant la re-dynamisation de l'économie locale. Ce programme vise spécifiquement le Grand Kasaï.

 

Outre ce montant affecté spécifiquement à la RDC, nous contribuons également aux ressources générales de nos partenaires et à des fonds flexibles tels que CERF, DREF, SFERA, IRA et START.

 

La situation au Kasaï est reconnue par tous les acteurs humanitaires comme étant prioritaire et ces fonds participent à la réponse en RDC et dans le Kasaï.

 

09.04  Stéphane Crusnière (PS): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. J'entends qu'un effort particulier est fait et je m'en réjouis, parce que la situation sur place est vraiment très, très difficile.

 

09.05  Els Van Hoof (CD&V): Dank u, mijnheer de minister. Het is goed dat er heel wat wordt ondersteund en dat er ook veel gaat naar landbouw en voedselzekerheid, basisbehoeften in de regio.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de sponsoring van voetbalclub Arsenal door Rwanda" (nr. 25761)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het samenwerkingsakkoord met Rwanda" (nr. 25995)

10 Questions jointes de

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le sponsoring du club de football Arsenal par le Rwanda" (n° 25761)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'accord de coopération avec le Rwanda" (n° 25995)

 

10.01  Rita Bellens (N-VA): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, landen die voetbalclubs sponsoren, het is niet ongewoon. Qatar sponsort bijvoorbeeld FC Barcelona. Onlangs werd echter bekend dat de Engelse club Arsenal gesponsord zal worden door de Centraal-Afrikaanse staat Rwanda.

 

Dat deed bij een aantal mensen toch de wenkbrauwen fronsen. Rwanda is immers lid van de top 20 van armste landen. Rwanda is ook een belangrijk partnerland voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Onze hulp is er vooral op gericht om de sociaal-economische situatie van de Rwandese bevolking te verbeteren.

 

Het contract dat Rwanda nu afgesloten heeft met Arsenal, zou voor drie jaar zijn. De bedoeling is vooral om buitenlandse investeerders en toeristen aan te trekken. Investeren in economie is uiteraard zeer belangrijk, dat is een positieve zaak, maar de vraag is of Rwanda, dat afhankelijk is van ontwikkelingshulp, zich zo'n luxepromotie kan permitteren.

 

Wat is uw reactie op deze beslissing van het regime van Kagame? Is dit voor u eventueel een reden om de financiële ondersteuning vanuit België aan Rwanda te heroverwegen?

 

Hebt u, want we zijn ondertussen reeds enkele weken verder, de Rwandese overheid hierover reeds kunnen spreken, bilateraal of zijn er reeds acties ondernomen op Europees vlak? Of bent u dit nog van plan?

 

Hoe schat u het effect in op de doelstelling van Rwanda, namelijk de sociaal-economische situatie van de Rwandese bevolking? Hoe kan deze verbeterd worden door de actie die Rwanda nu onderneemt?

 

10.02  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, ik wil ook refereren aan het tweedaags bezoek van president Paul Kagame aan Brussel, naar aanleiding van de European Development Days. Op maandag 4 juni had hij een gesprek met eerste minister Michel. Op dinsdag 5 juni mocht hij op audiëntie bij koning Filip. Ik denk dat er ook gesprekken zijn geweest met u en de minister van Buitenlandse Zaken inzake het nieuwe bilaterale samenwerkingsakkoord.

 

Er kwam echter ook veel kritiek op de ontvangst van Kagame omdat het regime van president Kagame een autoritair beleid voert, waar voor dissidente stemmen en oppositie weinig plaats is. In 2017 werd hij herverkozen met bijna 99 % van de stemmen. Organisaties als de VN en Human Rights Watch rapporteerden verschillende mensenrechtenschendingen en folteringen.

 

Daarnaast werd bekend dat Rwanda, nummer 19 op de lijst van de armste landen volgens de Wereldbank en een van de partnerlanden van België, 34 miljoen euro zal investeren in Arsenal, een voetbalclub met een omzet van een half miljard euro, om luxetoerisme naar Rwanda te promoten. Daarbij kunnen wij ons ernstige vragen stellen. Hoewel de Rwandese economie nog steeds groeit, blijft het land namelijk nog steeds afhankelijk van ontwikkelingshulp. Van ons land ontvangt Rwanda jaarlijks ongeveer 24 miljoen euro.

 

Is het nieuwe samenwerkingsakkoord met Rwanda ter sprake gekomen in de gesprekken tussen de regering en president Kagame? Zo ja, hoever staat het bilaterale samenwerkingsakkoord? Welke zijn voor België de prioriteiten in dat akkoord?

 

Wordt er in het akkoord expliciet een onderdeel opgenomen over mensenrechten en democratie die in Rwanda een precair gegeven zijn?

 

In de beleidsnota Ontwikkelingssamenwerking staat dat de voorwaarde voor samenwerking de organisatie van geloofwaardige verkiezingen is. Hoe rijmt u die met de laatste verkiezingen?

 

Hoe reageert u op de beslissing om 34 miljoen euro te investeren in Arsenal? Hoe schat u het democratische gehalte van die beslissing in? Zult u namens België, als donor van ontwikkelingshulp, rekenschap vragen voor een dergelijke investering?

 

Hoe schat u de hulpafhankelijkheid van Rwanda op dit moment in? Hoe rijmt u die met de grote investering in Arsenal?

 

10.03 Minister Alexander De Croo: De regio van de Grote Meren is een prioritaire regio voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De situatie in Rwanda blijft fragiel. De sociale omstandigheden zijn moeilijk, ondanks de relatieve politieke stabiliteit en de economische groei in Rwanda.

 

Hoewel het land vooruitgang boekt op het vlak van sociaal-economische indicatoren kenmerkt het zich ook door een gebrekkige openheid van de publieke en politieke ruimte. Daarnaast blijft de ongelijkheid in het land groot en moet Rwanda zijn inspanningen voortzetten inzake armoedebestrijding en meer sociale gelijkheid.

 

De Rwanda Development Board, de overheidsinstantie die belast is met het aantrekken van investeringen en de promotie van het toerisme, heeft een driejarig partnerschap afgesloten met de Britse voetbalclub Arsenal.

 

Naast shirtsponsoring zullen binnen dat partnerschap spelers van verschillende Arsenal teams Rwanda bezoeken. Ook zullen voetbaltrainers van Arsenal diverse voetbalactiviteiten voor Rwandese jongeren ontwikkelen. Die initiatieven sluiten aan bij de grotere rol voor toerisme in de Rwandese economie. Rwanda wenst zijn toeristische industrie verder te ontwikkelen. Promotie en marketing maken daarvan deel uit.

 

Rwanda ziet het partnerschap met Arsenal dan ook als een investering die bijdraagt tot de bekendheid van Rwanda als toeristenbestemming en daarmee tot de verdere ontwikkeling van het land. Toerisme is nu al de grootste bron van de deviezeninkomsten van Rwanda. In 2017 was het toerisme goed voor 450 miljoen dollar aan inkomsten. Rwanda wil de inkomsten uit de toeristische sector tegen 2024 verdubbelen.

 

De strategie van Rwanda is niet zonder succes. Het aantal internationale bezoekers dat Rwanda bereikt is tussen 2010 en 2015 verdubbeld naar 1,3 miljoen. Inkomsten uit toerisme zijn gestegen van 202 miljoen dollar in 2010 naar 450 miljoen dollar in 2017.

 

Ik zie geen reden om deze beslissing in vraag te stellen. Rwanda is een autonome staat die zelf verantwoordelijk is voor zijn economische strategie. Is de sponsoring van een voetbalclub daarbij de beste keuze? Ik heb daar geen antwoord op en hoef daarop ook geen antwoord te geven. Rwanda heeft duidelijk een bewuste strategie en deze sponsoring maakt daarvan deel uit.

 

Indien donorlanden zich daarmee gaan bemoeien, ruikt dat toch naar een zeker paternalisme. Het is hun geld en dat geld komt niet van ons want wij geven geen algemene begrotingshulp aan Rwanda.

 

De Rwandese belastingsinkomsten stijgen aanzienlijk, van 391 miljard Rwandese franken in 2010 naar 1,2 miljard Rwandese franken in 2017. Dat is een verdrievoudiging, wat wijst op meer eigen inkomsten en een vermindering van de hulpafhankelijkheid.

 

De Rwandese minister van Financiën en Economische Planning heeft bij de voorstelling van de begroting voor 2018 en 2019 meegedeeld dat 84 % van de overheidsbegroting door binnenlandse inkomsten zal worden gefinancierd.

 

Eerste minister Michel heeft in zijn onderhoud met de Rwandese president Paul Kagame de bilaterale relaties tussen België en Rwanda en de voorbereiding van een nieuw samenwerkingsprogramma besproken. De eerste fase van de voorbereiding van het nieuwe samenwerkingsprogramma met Rwanda bestond uit de opstelling van een instructiebrief die de prioriteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking heeft vertaald naar de context van een partnerland. Rekening houdend met de Rwandese prioriteiten heb ik een instructiebrief aan Enabel bezorgd. Het is nu aan Enabel om een landenstrategie en een landenportfolio uit te werken.

 

De prioriteiten voor het nieuwe samenwerkingsprogramma vertrekken niet vanuit een traditionele sectorbenadering maar vanuit de voornaamste uitdagingen die onze ambassade in Kigali voor Rwanda heeft geïdentificeerd, met name de bevolkingsgroei, de tewerkstelling, de private sector en de vrouwenrechten.

 

Er wordt nagegaan waar de Belgische troeven het best voor een verandering kunnen zorgen. Deze worden dan selectief voor bepaalde sectoren uitgewerkt met oog voor een maximale impact op de bevolking. De drie voorgestelde sectoren zijn gezondheid, landbouw en urbanisatie en stedelijke infrastructuur.

 

In alle sectoren zal prioritaire aandacht gaan naar drie transversale thema's, met name gender, de ontwikkeling van de private sector en accountability.

 

Bij de uitwerking van het programma zal aandacht worden besteed aan de manier waarop de Rwandese overheid rekenschap aflegt aan haar burgers, zowel vanuit de overheid zelf, als vanuit de civiele maatschappijorganisaties. De keuze voor rekenschap als aandachtspunt is vernieuwend, sluit aan bij de duurzame ontwikkelingsdoelstelling 16 en beoogt om de ruimte voor onafhankelijke en kwaliteitsvolle mechanismen voor accountability te vergroten.

 

Bij de uitwerking van het samenwerkingsprogramma zal er terdege rekening worden gehouden met de aard van het Rwandese regime. Zo kan er geen sprake zijn van begrotingshulp en versterking van overheidscapaciteit. België werkt verder met Rwanda omwille van de ontwikkelingsresultaten die het land boekt, maar we zijn lang niet blind voor wat er allemaal verkeerd loopt inzake democratische ruimte en mensenrechten.

 

10.04  Rita Bellens (N-VA): Dank u, mijnheer de minister. Het is uiteraard prijzenswaardig dat president Kagame zijn land, Rwanda, tracht te promoten en op die manier internationale investeringen wil aantrekken. Wij blijven ons de vraag stellen of dit de beste manier is. Het is ook de vraag op welke manier deze beslissing tot stand is gekomen.

 

Het is een publiek geheim dat de president een groot supporter is van Arsenal – dat mag, ik wens hem daar veel plezier bij – maar mogelijk ontstaat de perceptie dat dit een subjectieve keuze is. U gaf zelf aan dat er een gebrekkige openheid in de publieke ruimte is. Dit lijkt er op dat ook hier subjectiviteit de raadgever is geweest, terwijl het hier om overheidsuitgaven gaat. Dat is natuurlijk iets anders. Dan kan men zich immers vragen beginnen te stellen naar hoe openbare aanbestedingen verlopen, het bestrijden van corruptie, de opbouw van een neutrale overheid. Over zulke punten hebben internationale investeerders graag zekerheid.

 

Vooral dat punt hebben we willen maken: uiteraard is het goed internationale investeerders aan te trekken, maar wij hebben er onze twijfels bij of hier de juiste boodschap wordt gegeven.

 

10.05  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, we moeten ons wel durven uitspreken. Als men toerisme wil aantrekken in relatie tot het UK, is daar dan overleg overgeweest? Is de beste manier dan om de voetbalclub waar men supporter van is, te financieren? Ik heb daar grote vragen bij.

 

Ik vraag mij ook af hoe het Verenigd Koninkrijk daarop gereageerd heeft. Ik weet niet of u daar informatie over hebt? Heeft het Verenigd Koninkrijk dit aangeraden, om op die manier toerisme aan te trekken? Ik veronderstel dat er andere, effectievere, manieren zijn om naar Rwanda te gaan. Wat moeten supporters van Manchester United en Chelsea doen die misschien niet zo te vinden zijn voor Arsenal? Ik vraag mij af of dit wel de aangewezen manier is om het toerisme aan te trekken en of er geen betere manier was om de sport te ondersteunen in Rwanda. Via sport is heel veel mogelijk. Ook via uitwisseling tussen voetbalclubs is heel veel mogelijk. Maar ik meen dat shirtsponsoring toch niet de aangewezen manier is. Ik blijf mij daar vele vragen bij stellen.

 

Het is uiteraard goed dat u zich vragen stelt inzake de democratische ruimte en inzake het rekenschap geven aan de bevolking. Ik vind het zeer origineel dat u dit durft aan te pakken. Ik ben zeer benieuwd op welke manier dit zal gebeuren en welke experts daarbij betrokken zullen worden. Zal het via Enabel gebeuren, of via multilaterale organisaties? Dit zou een testcase kunnen zijn om dit ook in andere landen, al dan niet fragiele landen, toe te passen, en de democratische ruimte daar te vergroten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Vraag van mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de onthoofdingen in Mozambique" (nr. 25798)

11 Question de Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "les décapitations au Mozambique" (n° 25798)

 

11.01  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, Mozambique is al sinds 2001 een partnerland van onze Ontwikkelingssamenwerking. Onlangs voerde de islamitische groepering aI-Shabaab, niet te verwarren met de Somalische organisatie, een aanval uit in het dorp Monjane en onthoofdde daar een tiental personen, waaronder kinderen. De overheid tracht er alles aan te doen om die organisatie aan te pakken, maar de aanvallen blijven blijkbaar aanhouden.

 

Mijnheer de minister, is de organisatie aI-Shabaab ook actief in regio's waar er projecten van onze actoren lopen?

 

Op welke wijze trachten onze actoren dat radicaal gedachtegoed in Mozambique te bestrijden?

 

Wat zijn de verwachtingen van onze diplomatieke post ter plaatse over de situatie in het land? Bestaat er kans op verdere verspreiding van radicalisering, net zoals in enkele andere Sahellanden, en waarom wel of niet?

 

11.02 Minister Alexander De Croo: Volgens het Belgisch diplomatiek bureau in Maputo is de islamitische groepering al-Shabaab niet actief in de regio's waar projecten door de Belgische actoren inzake ontwikkelingssamenwerking worden uitgevoerd. Sinds oktober 2017 vallen er in de provincie Cabo Delgado gewelddadige en moorddadige incidenten te betreuren. Die gewelddadige incidenten hebben zich vooral afgespeeld aan de grens met Tanzania. Slechts een deel van die incidenten werd opgeëist door de groepering al-Shabaab.

 

De grensstreek tussen Tanzania en Mozambique wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van illegale handel in ivoor, heroïne en robijn. Er bestaat dikwijls een verband tussen dergelijke illegale trafieken en de aanwezigheid van radicale groeperingen. Uit de analyse van het Belgisch diplomatiek bureau in Maputo blijkt dat de armoedegraad in de betrokken provincie, de aanwezigheid van radicale religieuze groeperingen aan beide kanten van de grens, de grote afstand ten opzichte van de hoofdstad Maputo en de opportuniteiten die in dat grensgebied bestaan voor smokkelpraktijken, dikwijls de aanleiding vormen voor de ontwikkeling van diverse criminele groeperingen, waaronder radicale religieuze activisten. Er wordt bovendien verwacht dat er in die regio tegen 2025 logistieke en administratieve centra zullen worden ontwikkeld voor de exploitatie van een van de belangrijkste voorraden van vloeibaar gas ter wereld, zodat criminele groeperingen zich er trachten in te planten. Dat is een van de redenen waarom de Mozambikaanse overheden met de Tanzaniaanse overheid afgesproken hebben om de politionele en de gerechtelijke samenwerking te versterken in die grensstreek. Ook Zuid-Afrika is verontrust door die situatie vanwege de heroïnesmokkel via Mozambique als transitland naar Zuid-Afrika.

 

Het Belgische diplomatieke bureau in Maputo maakt deel uit van de diplomatieke contactgroep over veiligheid die in oktober 2017 werd opgericht en die op regelmatige basis diplomatieke vertegenwoordigingen van de Europese lidstaten, de ambassade van de Verenigde Staten en de vertegenwoordigers van de organisaties van de Verenigde Naties samenbrengt. Bovendien werd het reisadvies voor Mozambique recent aangepast.

 

11.03  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord.

 

We zien die illegale trafiek niet alleen in Mozambique maar ook in Sahellanden als Mali. Dat soort organisaties maakt daar gebruik van om terreur te zaaien onder de bevolking. Sinds het einde van de burgeroorlog is er een fragiele vrede in Mozambique en wij moeten het fenomeen zeer goed blijven volgen. We moeten oog hebben voor de mogelijke oorzaken van onvrede bij de bevolking. Dat soort zaken moet dus worden meegenomen in de analyses die wij maken bij de voorbereiding van programma's voor samenwerking met die landen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de Belgische bijdrage aan de 2018 AIDS conferentie te Amsterdam" (nr. 26039)

12 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la contribution de la Belgique à la conférence 2018 sur le sida à Amsterdam" (n° 26039)

 

Voorzitter: Rita Bellens.

Présidente: Rita Bellens.

 

12.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, van 22 tot 28 juli 2018 wordt Aids 2018, een van de belangrijkste internationale aidsconferenties, in Amsterdam georganiseerd. Tijdens de conferentie wordt een stand van zaken opgemaakt over de vooruitgang bij de aanpak van hiv wereldwijd. Men zal er ook discussiëren over welke bijkomende inspanningen nodig zijn voor een vermindering van de 1,8 miljoen jaarlijkse nieuwe infecties en de 1 miljoen hiv-gerelateerde sterfgevallen.

 

Ondanks de vooruitgang die wereldwijd werd geboekt, blijft de uitdaging groot en de menselijke kostprijs dramatisch. Zo is er in ongeveer de helft van de Belgische partnerlanden sprake van een veralgemeende hiv-epidemie. Met name meisjes en jonge vrouwen zijn bijzonder kwetsbaar voor hiv.

 

Op Aids 2018 worden ongeveer 18 000 deelnemers uit de hele wereld verwacht. Onder de deelnemers tellen wij onder andere rnensenrechtenactivisten, academici, gezondheidswerkers en beleidsmakers. Verschillende landen sturen ministeriële delegaties of een delegatie met topambtenaren en experten.

 

Ik heb hierover de volgende vragen, mijnheer de minister.

 

Zal de Belgische regering een officiële delegatie afvaardigen naar de internationale aidsconferentie?

 

Wat is uw betrokkenheid en die van uw administratie bij de voorbereiding en opvolging van de internationale conferentie?

 

Aangezien meisjes en jonge vrouwen heel kwetsbaar zijn en u toch de She Decides-campagne hebt opgestart, vraag ik mij af of dat ook op de conferentie aan bod zal komen.

 

12.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw Pehlivan, indien mogelijk zal een personeelslid van de administratie deelnemen aan de Aids 2018-conferentie in Amsterdam. Het moet worden gezegd dat eind juli, wanneer de conferentie doorgaat, heel wat personeelsleden met vakantie zijn, maar wij gaan ons best doen om ervoor te zorgen dat er een Belgische vertegenwoordiging ter plaatse is.

 

In geval van deelname zal de Belgische delegatie zeker getuigen over het Belgisch beleid ter zake en natuurlijk zullen wij zeker ook verwijzen naar de brede aanpak die wij bepleiten in het She Decides-initiatief.

 

12.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, ik hoop, zoals gezegd, dat er toch iemand aanwezig kan zijn op de conferentie om ons standpunt te verdedigen. De strijd tegen aids is dan wel meer naar de achtergrond verschoven, maar dat betekent nog niet dat hij gewonnen is of voorbij is voor de slachtoffers. Het uitroeien van deze verschrikkelijke ziekte is nog altijd een belangrijk thema, zeker in de fragiele staten waar er een hoge besmettingsgraad is en waar onze ontwikkelingssamenwerking actief is.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 26087 van de heer De Vriendt wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

13 Vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de betrokkenheid van de door de EU gesteunde Libische kustwacht bij mensensmokkel" (nr. 26105)

13 Question de Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "l'implication de la garde côtière libyenne soutenue par l'UE dans un trafic d'êtres humains" (n° 26105)

 

13.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, het Europees migratiebeleid in Noord-Afrika heeft al meermaals bewezen het dieptepunt van het Europees buitenlandse en ontwikkelingsbeleid te zijn. De manier waarop mensen behandeld worden wier enige misdaad is om te proberen naar Europa te migreren, is maar al te vaak mensonwaardig. Afrikaanse migranten die konden getuigen over hun behandeling door Libische milities, spreken van een waar terreurbeleid met geweld, seksueel misbruik en uitbuiting op grote schaal. Toch is ondanks de onweerlegbare bewijzen van deze schendingen van mensenrechten, de samenwerking met Libische milities en kustwacht een belangrijke pijler in het Europees migratiebeleid, ondanks dat zowat alle middenveldorganisaties deze praktijken hebben veroordeeld. Ook toonaangevende denktanks zoals ECPDM en het Clingendaelinstituut hebben meermaals de negatieve gevolgen van dit beleid onderstreept op het vlak van de relaties EU-Afrika en ontwikkelingssamenwerking.

 

De VN hebben nu sancties opgelegd aan zes personen die betrokken zijn bij de mensensmokkel en mishandeling van Afrikanen. Eén van de betrokken personen is een belangrijke figuur in de Libische kustwacht, Abd Al Rahman al-Milad, het hoofd van de door de EU gesponsorde kustwacht te Zawiyah. Hij misbruikt zijn positie om met geweld zijn concurrentie uit te schakelen, mensen te ontvoeren en zelfs als mensensmokkelaar te opereren.

 

Mijnheer de minister, de Europese steun aan de Libische kustwacht komt voor een aanzienlijk deel van het EU Emergency Trust Fund dat, zoals u weet, afkomstig is van Europees ontwikkelingsgeld en ook door u is aangevuld met een vrijwillige Belgische bijdrage uit uw budget. Ik meen dat het over tien miljoen gaat, maar ben daar niet zeker van. Zal de steun aan de Libische kustwacht aan een grotere controle worden onderworpen? Welke maatregelen zult u eisen opdat Europees en Belgisch ontwikkelingsgeld niet in handen komt van dit soort criminelen?

 

13.02 Minister Alexander De Croo: Mevrouw de voorzitter, België steunt volledig de initiatieven die beogen te strijden tegen alle vormen van straffeloosheid ten opzichte van migranten. Zo is er het onderzoek, geopend sinds eind 2017 door het Internationaal Strafhof, betreffende de misdrijven, folteringen, ontvoeringen en seksueel geweld tegen migranten in Libië. De recente goedkeuring door de VN Veiligheidsraad van sancties tegen zes personen, betrokken bij mensenhandel, is een duidelijk signaal en een primeur die België zeer positief verwelkomt.

 

De capaciteitsversterking van de Libische kustwacht maakt deel uit van één van de programma's, goedgekeurd in het kader van het luik Noord-Afrika van het Emergency Trust Fund voor stabiliteit met het oog op de aanpak van diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, met het oog op het steunen van een geïntegreerd beleid van grenzen en migratiestromen in Libië.

 

Ter gelegenheid van de goedkeuring van het programma heeft België, hierin gesteund door andere Europese lidstaten, duidelijk de noodzaak uitgedrukt voor een aanpak die de volledige eerbiediging van de mensenrechten bevordert en rekening houdend met het do-no-harmprincipe.

 

België heeft eveneens gevraagd om een deel verantwoordingsplicht op te nemen bij de opvolging van de activiteiten, verbonden aan de levering en het gebruik van de uitrusting en de opleiding van de kustwachten.

 

Tot slot heeft ons land gepleit voor een opvolgingsysteem onder het leiderschap van een derde partij vanaf de lancering van het project. De Europese Commissie heeft rekening gehouden met deze vragen die zo een sterkere controle op dergelijke programma's mogelijk maken.

 

13.03  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik ben mij ervan bewust dat een evaluatie van het EU Emergency Trust Fund na de zomer zal worden vrijgemaakt. Dat document is belangrijk. Wij zullen dit dan ook uitgebreid bespreken in de commissie. Dat neemt echter niet weg dat wij al op bewezen wantoestanden kunnen reageren. Het gaat hier om mensen die door de VN werden veroordeeld tot mensensmokkel, mishandeling en geweld en die op de Europese loonlijst staan. Dergelijke figuren spelen een grote rol in de geloofwaardigheid vanuit Europa naar de aanpak van migratie. U hebt al strengere controles aangekondigd. Wij zullen de situatie van nabij moeten volgen.

 

De betrokken migranten zitten al in een zeer wanhopige situatie, maar dat er bovendien met geld van Europa misbruik van hen wordt gemaakt, is mensonwaardig.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het voorstel van de Europese commissie inzake het Multiannual financial framework en de toekomst van het Europees ontwikkelingsbeleid" (nr. 26111)

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Europese ontwikkelingsbudget" (nr. 26280)

- mevrouw Gwenaëlle Grovonius aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het toekomstige meerjarig financieel kader" (nr. 26327)

14 Questions jointes de

- Mme Fatma Pehlivan au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la proposition de la Commission européenne concernant le Cadre financier pluriannuel et l'avenir de la politique européenne de développement" (n° 26111)

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le budget européen du développement" (n° 26280)

- Mme Gwenaëlle Grovonius au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le potentiel futur cadre financier pluriannuel" (n° 26327)

 

De voorzitter: Ik geeft eerst het woord aan mevrouw Pehlivan en laat mevrouw Grovonius verwittigen dat haar vraag aan bod komt.

 

14.01  Fatma Pehlivan (sp.a): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, er wordt in de Europese Commissie druk onderhandeld over de invulling van de Europese ontwikkelingsbudgetten.

 

De eerste voorstellen van de Europese Commissie die openbaar zijn gemaakt, werpen een licht op de visie die wordt gehanteerd en de doelstellingen die voor ogen worden genomen. Het valt op dat het voorstel sterk afwijkt van wat voorheen als norm en regel werd gehanteerd. Menselijke ontwikkeling, gender en SDG's blijken in het voorstel van de Europese Commissie afwezig te zijn. De benadering die voorheen werd gehanteerd, gebaseerd op principes en op de autonomie van hulp, blijkt te worden verlaten. In de plaats krijgen wij een invulling die het belang van de lidstaten op het vlak van het algemeen buitenlands beleid vooropstelt. Daaronder worden nu hulp en samenwerking geplaatst. Het beveiligen van grenzen en de indijking van migratie zijn duidelijk belangrijker dan ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelings­samenwerking lijkt volledig ten dienste van de migratiefocus komen te staan. De praktijken van het Emergency Trust Fund blijken voor het hele beleid een bron van inspiratie te zijn geweest.

 

Mijnheer de minister, het is jammer dat de nieuwe focus in het voorstel zo sterk afwijkt van de European Consensus on Development, waarbij er wel grote aandacht voor de genderproblematiek en de toegang tot de gezondheidszorg was. Met de grotere focus op de regio's is het bovendien onwaarschijnlijk dat seksuele rechten en reproductieve gezondheid een even prominente rol zullen innemen als vandaag.

 

Naar aanleiding van wat op Europees niveau allemaal gebeurt met de middelen en de investeringen die in de toekomst ter beschikking zullen worden gesteld, heb ik de hiernavolgende vragen.

 

Wat is de Belgische bijdrage geweest aan de debatten over het toekomstige Europese ontwikkelingsbudget tot nu toe?

 

Waarom zijn de SDG's amper tweeëneenhalf jaar na hun introductie niet langer de leidraad voor het Europese ontwikkelingsbeleid?

 

Hoe zult u She Decides promoten in de debatten die over het toekomstige Europees ontwikkelingsbeleid nog zullen worden gevoerd? Voor u is She Decides immers een van de projecten waarmee u prominent naar buiten bent gekomen. U zult het dus op een andere manier moeten proberen aan te pakken.

 

Hoe zult u omgaan met de druk van de conservatieve krachten, die zich tegen het belang van de genderproblematiek verzetten?

 

14.02  Els Van Hoof (CD&V): Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, de onderhandelingen met betrekking tot het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 zijn lopende. Misschien komen hiervan ook elementen ter sprake tijdens de Europese Raad van regeringsleiders op 28 en 29 juni. Het is dus het moment om een stand van zaken te krijgen met betrekking tot de lopende onderhandelingen, ook vanuit het Belgisch departement van Ontwikkelingssamenwerking.

 

Het is goed dat het budget voor het meerjarig financieel kader stijgt. Zo zou er bijna 90 miljard euro opzijgezet worden voor de ontwikkeling van de Afrikaanse buurlanden van Europa en Centraal-Afrika. Er zou een pot zijn van 11 miljard euro voor humanitaire noodhulp. Federica Mogherini kan dus toch wel zeggen dat zij het budget heeft verhoogd met 30 %. De vraag is wat de invulling is van dit budget en of dit in lijn is met de ontwikkelingssamenwerking zoals bepaald in de 2030-agenda en de European Consensus on Development.

 

Er is immers een trend te merken, waarvoor wij toch waakzaam moeten zijn. Steeds meer van het geld voor ontwikkelingssamenwerking moet gaan naar het tegengaan van migratie. Het budget voor grensbeheer, migratie en asiel verdrievoudigt en er wordt een aanzienlijke buffer in de begroting ingebouwd om ad-hoczaken als migratiedeals te kunnen financieren.

 

Welke houding neemt België aan in de onderhandelingen met betrekking tot het toekomstig Europees ontwikkelingsbudget? Welke prioriteiten legt België voor in deze onderhandelingen?

 

Hoe kijkt u naar de trend om grote delen van het ontwikkelingsbudget beschikbaar te houden voor het tegengaan van migratie en grensbeheer? Hoe past dit in het kader van SDG's en menselijke ontwikkeling?

 

14.03  Gwenaëlle Grovonius (PS): Madame la présidente, monsieur le ministre, le mercredi 2 mai 2018, la Commission européenne a publié sa proposition pour le futur budget européen (2021-2027).

 

Dans ce cadre, la Commission propose une modernisation et une restructuration importantes des instruments d'action extérieure pour exploiter les synergies. Une première analyse à ce stade peut nous faire craindre que la stratégie globale de l'Union européenne en matière de politique étrangère et de sécurité prenne le dessus sur les engagements en matière de développement pris dans le cadre de l'Agenda 2030.

 

La proposition de la Commission inclut un instrument financier unique pour toute l'action extérieure, désormais intitulé "Instrument pour le voisinage, le développement et la coopération internationale". Ce serait le principal instrument de l'aide au développement de l'Union européenne. Il disposerait d'une enveloppe de 89,5 milliards d'euros et fusionnerait ainsi douze instruments actuellement existants. Une telle fusion de douze instruments regrouperait sous le même toit les politiques de développement, de voisinage et des Affaires étrangères.

 

La fusion d'un tel éventail de politiques différentes diluerait leurs objectifs distincts. Sans sauvegardes, il y a donc un risque que cet instrument unique subordonne la Coopération au développement à des objectifs de relations extérieures plus larges. Au final, les budgets européens de la Coopération, devant normalement contribuer au développement durable et à l'éradication de la pauvreté, pourraient largement être mis sous pression.

 

Enfin, la proposition de la Commission ne fait aucune référence précise aux montants de l'APD (Aide publique au développement). La proposition augmente le montant des fonds alloués à la politique étrangère, mais lorsqu'il s'agit de l'aide au développement, il n'y a aucun montant spécifique.

 

Monsieur le ministre, dans les négociations sur le futur Cadre financier pluriannuel (CFP) de l'Union européenne, la Belgique s'assurera-t-elle que les Objectifs de développement durable (ODD) et de I'Agenda 2030 soient au cœur du CFP? La Belgique s'assurera-t-elle également que les montants de l'aide publique au développement soient strictement déterminés au préalable afin qu'ils ne soient pas instrumentalisés et que ceux-ci soient sensiblement augmentés pour contribuer aux ODD et respecter l'engagement des États membres d'allouer 0,7 % de leur RNB à I'APD?

 

14.04  Alexander De Croo, ministre: Les premières propositions des institutions européennes sur les grandes orientations du futur cadre pluriannuel financier 21-27 ont été publiées le 2 mai dernier. Depuis lors, plus de détails ont été communiqués le 14 juin dernier. Les premiers débats sur le contenu, les amendements de la part du Conseil débutent seulement maintenant.

 

Je pense aussi que l'Agenda 2030 devrait être plus visible, ainsi que les objectifs de développement durable. Les institutions européennes ont déjà été interpellées à ce sujet. Vu que cette remarque est partagée par un grand nombre de pays, je suis assez confiant qu'il en sera tenu compte. Il y a bien une indication sur le montant de l'APD dans ce nouvel instrument. 92 % des dépenses devront répondre au critère APD de l'OCDE. Ces 92 % correspondront donc à peu près à 82 milliards d'euros, ce qui représente une nette augmentation par rapport au cadre financier actuel, sans pour autant compter les pourcentages d'autres instruments, comme l'instrument humanitaire par exemple. Je tiens néanmoins à préciser qu'il n'y a aucune garantie sur les montants finaux alloués, ni sur les arbitrages et compromis nécessaires dans le cadre plus large des négociations avec les institutions et les autres États membres.

 

België heeft nog geen formeel standpunt over de Commissievoorstellen inzake het multijaren financieel kader. Wij bestuderen de voorstellen op dit ogenblik nog. In die voorstellen zitten heel wat positieve elementen, zoals het voorstel om nagenoeg alle bestaande externe instrumenten samen te brengen in één enkel instrument voor interne actie of het voorstel om het Europees Ontwikkelingsfonds te integreren in de globale begroting van de Europese Unie. Ook de nadruk op Sub-Sahara-Afrika bevalt ons, net als de grote aandacht voor klimaatverandering.

 

Wij hebben echter ook nog enkele vragen, die aansluiten bij de vragen die u stelt. Volgens ons verdienen de SDG's een meer strategische benadering en wij vragen ons af of er wel voldoende aandacht gaat naar de globale uitdagingen op het vlak van gender, gezondheid, onderwijs en dergelijke.

 

De documenten die op dit ogenblik voorgesteld worden in het kader van het toekomstig Europees ontwikkelingsbudget zijn voorstellen van de EU-instellingen en moeten nog besproken worden. Natuurlijk zal het uiteindelijk resultaat een compromis moeten zijn met het juiste evenwicht tussen de uitdagingen en prioriteiten van de EU. Het staat echter buiten kijf dat vrouwenrechten, met inbegrip van seksuele rechten, voor België prioritair zullen blijven en dat er daarvoor constant aandacht zal zijn in de opstelling van de toekomstige programma's en budgetten. Dat dit echter moeilijk zal zijn door de traditionele tegenstand vanuit een aantal meer conservatief ingestelde landen, is duidelijk. Dat de unanimiteitsregel daartoe geen hulp biedt, maakt deze problematiek nog uitdagender. Zowel op politiek als op administratief vlak bestaat er daarvoor echter een breed draagvlak in België. Wij zullen dat als een Belgische prioriteit benaderen.

 

Migratie is altijd al een onderdeel geweest van de programma's van de EU-externe instrumenten. Specifieke budgetlijnen daarvoor waren al opgenomen in vorige financiële kaders. Sinds 2015 hebben deze meer aandacht gekregen. De publieke opinie heeft gemaakt dat ook meer middelen, gelinkt aan migratie, naar interventies zijn gegaan. Armoedebestrijding wordt beschouwd als een onderdeel van de strijd tegen illegale migratie. Er wordt in het voorliggend voorstel opnieuw in een groot budget voorzien voor het migratievraagstuk. Overigens kan hetzelfde gezegd worden voor het veiligheidsvraagstuk.

 

Ook de SDG's zien migratie als een essentieel onderdeel van de uitdagingen om tegen 2030 een betere wereld te bekomen. Migratie wordt al te vaak afgeschilderd als een bedreiging en enkel in een negatief daglicht geplaatst. Maar zoals ook duidelijk gesteld in EU-verklaringen, creëert goed georganiseerde migratie ook veel mogelijkheden voor de landen van herkomst, transit en bestemming. Daarom moeten wij meer inzetten op de positieve aspecten en mogelijkheden creëren voor legale migratie, zonder de negatieve aspecten van illegale migratie uit het oog te verliezen.

 

In de onderhandelingen omtrent het financieel kader hoop ik dat er een goed evenwicht gevonden zal worden tussen deze uitersten en dat externe instrumenten daaraan zullen bijdragen.

 

14.05  Fatma Pehlivan (sp.a): Mijnheer de minister, mijn repliek zal kort zijn. Uw antwoord was lang en ik zal het verder bestuderen.

 

In het algemeen ben ik het wel eens met de punten die u aanhaalde. Ik hoop van harte dat België onze standpunten zal blijven verdedigen en dat wij ter zake onze stempel zullen kunnen drukken. Ik hoop eveneens dat België geen toegevingen zal doen aan bepaalde Europese landen met politiek rechtsere heersers.

 

Wij zullen dit verder opvolgen.

 

14.06  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ook ik sluit mij aan bij uw antwoord. Ik kan mij erin vinden wanneer u zegt dat Agenda 2030 te weinig zichtbaar is. Dat alles ODA-proof moet zijn, is duidelijk één van uw eisen, net als vrouwenrechten.

 

Uiteraard is het moeilijk om iedereen op dezelfde lijn te krijgen met het oog op unanimiteit. Wij kunnen enkel hopen dat de ontwikkelingssamenwerking niet geïnstrumentaliseerd geraakt met het oog op eigen belang, veiligheid, migratie of andere zaken, maar dat de doelstellingen van armoedebestrijding en Agenda 2030 nagevolgd zullen worden. Dit is een bekommernis die wij vandaag moeten hebben maar die u ook duidelijk deelt.

 

Ontwikkelingssamenwerking zal de migratie niet stoppen. Dat blijkt onder meer uit de studies van OESO-DAC. Zeker op korte termijn zal dit niet gebeuren. Wij staan dus maar beter positief ten opzichte van migratie die iets kan bijdragen. De negatieve aspecten van illegale migratie moeten, zoals u zegt, afgestopt worden.

 

14.07  Gwenaëlle Grovonius (PS): Je n'ai pas grand-chose à rajouter. Je remercie le ministre pour ses réponses.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Samengevoegde vragen van

- mevrouw Els Van Hoof aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Europese noodfonds voor Afrika" (nr. 26279)

- mevrouw Rita Bellens aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "het Europese noodfonds voor Afrika" (nr. 26294)

15 Questions jointes de

- Mme Els Van Hoof au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le fonds d'urgence européen pour l'Afrique" (n° 26279)

- Mme Rita Bellens au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "le fonds d'urgence européen pour l'Afrique" (n° 26294)

 

15.01  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, het Afrikaans noodfonds werd in 2015 opgericht om de grondoorzaken van Afrikaanse migratie aan te pakken. Het bestaat vooral uit gerecycleerde middelen voor ontwikkelingssamenwerking. 2,98 miljard euro komt uit bestaande Europese ontwikkelingsfondsen. Voor slechts 413 miljoen euro gaat het over extra investeringen van de Europese lidstaten.

 

Er lijkt weinig logica in de verdeelsleutel van het fonds te zitten. Nederland investeert 26,4 miljoen euro, Duitsland 157 miljoen euro, Frankrijk 9 miljoen euro. De bijdrage van België bedroeg in 2015 10 miljoen euro. Het is problematisch dat een groot deel van het budget gebruikt zou worden om grensbewaking te betalen en niet om echt de grondoorzaken aan te pakken.

 

In uw reactie gaf u aan dat er eerst een evaluatie nodig is van het fonds, vooraleer België overweegt om extra te investeren in dat fonds.

 

Hoe is de beslissing tot stand gekomen om in 2015 10 miljoen euro te investeren in het Afrikafonds? Op basis van welke logica is er voor dat bedrag gekozen in verhouding tot de investering van andere lidstaten?

 

Waarvoor worden de middelen van het Afrikafonds gebruikt? Wanneer zal de evaluatie gestart en afgerond worden?

 

15.02  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, ik sluit mij hier graag bij aan. Critici wijzen erop dat het fonds vooral gebruikt wordt om acute symptomen te bestrijden en minder om de dieperliggende oorzaken aan te pakken.

 

Wat is de bestaansreden van het fonds? Wat is de kerntaak? Wat is uw standpunt over de manier waarop dat het efficiëntst kan werken?

 

Op welke allocatie werd de door België geïnvesteerde 10 miljoen euro ingeschreven? Hoe sluit het noodfonds aan bij uw visie om noodhulp en structurele hulp beter op elkaar af te stemmen? Wat is de langetermijnstrategie van het noodfonds?

 

Wanneer zal de door u aangekondigde evaluatie van start gaan? Kan België zich bij een negatieve evaluatie terugtrekken uit het noodfonds?

 

15.03 Minister Alexander De Croo: België heeft vanaf het begin de oprichting van het EU-Noodhulpfonds gesteund als een van de instrumenten om het gezamenlijk actieplan van Valletta uit te voeren. Concreet uit de steun zich in de Belgische financiering van verschillende Europese instrumenten die het fonds voeden, en door een aanvullende vrijwillige bijdrage van 10 miljoen euro voor de strijd tegen terrorisme en radicalisme. Het betreft een bijdrage aan de core fund zonder oormerking van welbepaalde projecten. Wel worden onze fondsen prioritair besteed aan de landen van de Sahel, inclusief Niger.

 

Het Noodtrustfonds voor Stabiliteit met het oog op de aanpak van de diepere oorzaken van de irreguliere migratie en ontheemding in Afrika is opgericht op 12 november 2015, om bij te dragen tot de uitvoering van het gezamenlijke actieplan van Valletta. Het behelst de regio's van de Sahel en het Tsjaadmeer, de Hoorn van Afrika en Noord-Afrika.

 

Die landen zijn gekozen vanwege hun kwetsbaarheid. Het zijn voornamelijk landen van oorsprong, maar ook transitlanden en bestemmingslanden langs de migratieroutes in Afrika. 42 landen komen in aanmerking voor het EU-trustfonds, waaronder 13 partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Eind 2017 waren in totaal 148 projecten goedgekeurd, ter waarde van 2,6 miljard euro.

 

Het trustfonds heeft een globale responsstrategie opgesteld op basis van vier prioritaire domeinen. Dat zijn, ten eerste, inclusieve economische ontwikkeling, creëren van jobs en kmo's, beroepsopleidingen, re-integratie van migranten die terugkeren van het land van oorsprong.

Het tweede prioritaire domein betreft veerkracht, voedselzekerheid, sociale bescherming, integratie van ontheemden in gastgemeenschappen.

Het derde domein betreft migratiebeheer, capaciteitsopbouw op het vlak van migratie, asiel-, terugkeer- en migrantenrechten.

Ten vierde is het fonds bedoeld voor de ondersteuning van het bestuur en de rechtsstaat, preventie van conflicten, radicalisering en gewelddadig extremisme, het versterken van de veiligheidscapaciteit, justitie en ontwikkeling, bestrijding van mensenrechtenschendingen.

 

De diepere oorzaken van irreguliere migratie zijn complex, divers en vaak verbonden. Ze kunnen ook sterk variëren afhankelijk van de lokale en nationale situatie en de tijd. Daarom is het belangrijk om ze beter te begrijpen en een gepast antwoord te kunnen bieden in elke situatie. De globale aanpak op basis van feiten is daarom cruciaal. Bijgevolg hecht België veel belang aan de financiering van onderzoeksfaciliteiten die studies uitvoeren over de grondoorzaken van die migratie, op basis waarvan projecten van het EU-noodtrustfonds kunnen worden gestuurd.

 

In het kader van het Rabatproces, dat het Valetta-actieplan opvolgt, heeft België gepleit voor een beter begrip van de grondoorzaken. De Europese Rekenkamer voert een audit uit van het EU-trustfonds. Het verslag daarvan is nog niet toegekomen. Hiernaast is een evaluatie van het instrument door de Europese Commissie gepland in 2019.

 

Ten slotte, via de gouvernementele samenwerking besteedt België in de Sahelregio elk jaar 43 miljoen euro. Het is verkeerd om zich blind te staren op de bijdrage aan een enkel fonds.

 

15.04  Els Van Hoof (CD&V): Mijnheer de minister, ik kijk uit naar de evaluatie door Europa zelf. Die doelstellingen zijn wel heel breed; ze gaan in alle richtingen. Misschien is het dan ook niet verwonderlijk dat er slecht 3,4 miljard euro voor 42 landen wordt uitgetrokken. Dat is eigenlijk peanuts. Zeker als men maar dat bedrag besteedt aan het wegwerken van de grondoorzaken van migratie, kan men vraagtekens plaatsen bij het fonds.

 

Ik ben dus ten zeerste geïnteresseerd in de evaluatie daarvan, ook al vind ik dat aan het thema heel veel aandacht moet worden besteed. Blijkbaar heeft het toch niet zoveel succes.

 

15.05  Rita Bellens (N-VA): Mijnheer de minister, Aquarius en Lifeline maken duidelijk dat de migratiecrisis nog niet voorbij is en dat het Europees fonds een goede zaak is en zelfs noodzakelijk. Dan moeten de middelen wel goed en efficiënt worden gebruikt en op dat vlak zijn er nog wel wat problemen.

 

Onze staatssecretaris Francken heeft een weinig hoopgevend beeld geschetst van de huidige manier van denken en werken in de EU en vreest, naar ik meen terecht, grote problemen wanneer er niet gecoördineerd tewerk wordt gegaan. Hier ligt een kans, die we met de Europese landen samen moeten grijpen.

 

Als dan blijkt dat populistische regeringen meer geneigd zijn tot samenwerking dan de landen die vandaag voorstander zijn van een sterk Europa, dan lijkt het mij hoog tijd te proberen om ook hen te overtuigen van een goede coördinatie en een efficiënte werking. Zo niet zou de voorspelling van de staatssecretaris wel eens kunnen uitkomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van de heer Stéphane Crusnière aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post over "de humanitaire situatie in Raqqa" (nr. 26326)

16 Question de M. Stéphane Crusnière au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste, sur "la situation humanitaire à Raqqa" (n° 26326)

 

16.01  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je souhaite vous interroger concernant la situation humanitaire dramatique à Raqqa, l'ex-fief syrien de Daech. Des dizaines de milliers de personnes ont fui cette cité du Nord syrien durant l'offensive qui l'a transformée en ville fantôme truffée de mines posées par les djihadistes.

 

Monsieur le ministre, Amnesty, dans un rapport récent, demande aux pays membres de la coalition internationale de lutte contre Daech de redoubler d'efforts afin d'aider la population de Raqqa, notamment dans le travail de déminage et de reconstruction de la ville. La Belgique compte-t-elle apporter une aide supplémentaire à celle déjà administrée actuellement?

 

16.02  Alexander De Croo, ministre: Monsieur  Crusnière, pour 2018, la Belgique débloquera au moins 26 millions d'euros d'aide humanitaire pour la région syrienne. La Belgique finance des interventions du CICR, UNHCR, PAM, FAO et UNRA. Ces interventions consistent en une aide humanitaire (éducation, protection des réfugiés et des personnes déplacées à l'intérieur du pays), la fourniture d'articles de base, l'assistance médicale, l'assistance aux victimes des mines.

 

La Belgique contribue également au fonds humanitaire de la Libye, du Liban, de la Jordanie, de l'Irak et de la Turquie.

 

Outre les 26 millions d'euros pour la région syrienne, la Belgique contribuera également en 2018 aux fonds humanitaires mondiaux SERF, SFERA et IRA pour un montant de 20,5 millions d'euros et aux ressources globales des diverses organisations humanitaires internationales actives dans la région telles que le CICR, UNHCR, PAM, UNRA et OCHA pour 30 millions d'euros.

 

Pour le moment, il n'est pas prévu d'aide spécifique supplémentaire pour Raqqa mais le budget pour 2018 n'est pas encore entièrement alloué. Un financement humanitaire est accordé sur base d'une analyse complète des besoins humanitaires dans le monde.

 

Enfin, les positions européenne et belge sont claires: il ne peut y avoir d'aide à la reconstruction tant qu'il n'y a pas de transition politique crédible en cours.

 

16.03  Stéphane Crusnière (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il faut être attentif à la situation politique, je n'en disconviens pas, mais il est temps d'œuvrer pour cette fameuse stratégie 3D. Nous avons été fort actifs en matière de défense et de diplomatie mais, maintenant, la coopération doit prendre le relais pour reconstruire cette ville et redonner espoir à la population pour éviter qu'elle ne retombe dans un climat de radicalisation.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 11.58 heures.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.58 uur.