Commissie voor de Financiën en de Begroting

Commission des Finances et du Budget

 

van

 

Woensdag 19 september 2018

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 19 septembre 2018

 

Après-midi

 

______

 

 


De behandeling van de vragen vangt aan om 14.06 uur. De vergadering wordt voorgezeten door de heer Eric Van Rompuy.

Le développement des questions commence à 14.06 heures. La réunion est présidée par M. Eric Van Rompuy.

 

De voorzitter: Ik stel vast dat er nog niet voldoende leden van de meerderheid aanwezig zijn, dus wij zullen beginnen met de mondelinge vragen.

 

Vraag nr. 26594 van mevrouw Jiroflée wordt uitgesteld. Over vraag nr. 26651 van de heer Van Mechelen en vragen nrs 26659 en 26660 van de heer Van Biesen heb ik geen nieuws ontvangen. De heer Van Peteghem wil zijn vraag nr. 26670 omzetten in een schriftelijke vraag of uitstellen, dat is nog niet zeker.

 

01 Vraag van de heer Peter Vanvelthoven aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het afsluiten van de loketfunctie van de Douane en Accijnzen in Overpelt" (nr. 26676)

01 Question de M. Peter Vanvelthoven au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la fermeture des bureaux des Douanes et Accises d'Overpelt" (n° 26676)

 

01.01  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de minister, Overpelt is een buurgemeente van Lommel die binnenkort niet meer zal bestaan, want ze zal fuseren tot Pelt.

 

Ik ben door best wel wat importeurs en exporteurs uit de regio aangesproken over de sluiting van het douaneloket voor de inschrijving van voertuigen in Overpelt. Zij waren immers altijd zeer tevreden over de werking van die douanepost – dat was één man – die in Overpelt de formaliteiten voor de bedrijven op een snelle en goede manier afhandelde.

 

Op welke wijze en door welk vertegenwoordigend orgaan werd de beslissing genomen om het douaneloket voor de inschrijving van voertuigen in Overpelt te sluiten?

 

Na de eerdere sluiting van het Lommelse en thans ook het Overpeltse kantoor werd een door velen gebruikt aanbod van dienstverlening in Noord-Limburg volledig afgebouwd. Hoe wilt u dat in de toekomst opvangen en de burger een aanzienlijke rit richting Geel of Bilzen besparen?

 

Er is wel gezegd dat er een digitale dienstverlening komt, maar die is er vandaag niet. Dat betekent dat de mensen een gemakkelijke dienstverlening van de overheid zien wijzigen in een zeer moeilijke en tijdrovende dienst­verlening. Hoe zit dat precies met de digitale dienstverlening, mijnheer de minister?

 

01.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Vanvelthoven, het klopt inderdaad dat het loket in Overpelt, wat eigenlijk een infopunt was, in hoofdzaak bemand door ambtenaren met Geel als standplaats, op 1 augustus jongstleden werd gesloten.

 

Voor de verdere dienstverlening bestaat er voor de professionelen voor het afleveren van het vignet 705 sinds vele jaren een systeem van vergunningen, waardoor men zich niet meer naar de douane moet begeven telkens men zich wil laten inschrijven. Als particulieren een vignet 705 willen verkrijgen, kan men dit aanvragen op eender welk kantoor; voor Overpelt kan dat perfect in Hasselt of Bilzen. Vanaf december 2018 wordt het volledige vignet 705-afschriftenproces geautomatiseerd en zal het niet langer nodig zijn om zich in een douanekantoor aan te bieden. Het afschrijven van vergunningen bij invoer of het viseren van goederencertificaten bij uitvoer kan overigens nog steeds bij het mobiel team van Overpelt, gevestigd in het Rijksadministratief Centrum (RAC).

 

01.03  Peter Vanvelthoven (sp.a): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is goed dat het systeem wordt geïnformatiseerd en geautomatiseerd. Dat is een dienstverlening die de zaak kan verbeteren, zeker voor mensen die gewend zijn om daarmee te werken.

 

U geeft aan dat het in december in orde zal zijn. Ik begrijp dan echt niet dat de overheid, als deze inzit met de mensen voor wie die dienstverlening is opgezet, vier à vijf maanden eerder die dienstverlening moet afbouwen. Het ware goed geweest indien u dat douaneloket in Overpelt had gesloten nadat die geautomatiseerde dienstverlening was ingevoerd. Uw diensten hebben beslist om het omgekeerde te doen en dat valt te betreuren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De behandeling van de vragen en interpellaties wordt geschorst van 14.11 uur tot 15.40 uur.

Le développement des questions et interpellations est suspendu de 14.11 heures à 15.40 heures.

 

02 Vraag van de heer Dirk Van Mechelen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "ResQ" (nr. 26651)

02 Question de M. Dirk Van Mechelen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "ResQ" (n° 26651)

 

02.01  Dirk Van Mechelen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, enkele jaren geleden werd, na nogal wat wikken en wegen en studiewerk, een systeem op poten gezet waarmee werkgevers aan hun werknemers een tegoed kunnen toekennen waarmee de werknemer diverse diensten aan huis kan laten uitvoeren, op voorwaarde dat de uitvoerders die werken factureren, waardoor zij onderworpen zijn aan de btw-regeling van 21 %, bekend als het ResQ-systeem.

 

Het businessmodel van die organisatie is gebaseerd op een akkoord, een soort ruling, dat ResQ heeft kunnen sluiten met de RSZ en de fiscale autoriteiten, waarbij het voordeel van alle aard dat de werkgever aan zijn werknemer geeft, forfaitair belast wordt aan 8,54 euro voor toepassing van de sociale zekerheid en 3,50 euro voor het fiscale gedeelte. Die fiscale waardering is gebaseerd op artikel 18, § 3 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de daaraan voorafgaande beslissing nr. 2013/134.

 

Het systeem biedt volgens mij verschillende voordelen. De werkgever kan zijn werknemers belonen voor extra inspanningen op een flexibele manier. De werknemer heeft daardoor vanzelfsprekend meer koopkracht. Het systeem kan de balans tussen werk en gezin voor een stuk verbeteren. De reële economie en de daarin tewerkgestelde werknemers worden met dat systeem bovendien ondersteund, waardoor het ook een truc is om van het zwart een wit circuit te maken, waardoor de overheid het zwartwerk dus vermindert.

 

Zoals ik reeds zei, is dat businessmodel vandaag slechts gesteund op een beslissing van de Dienst Voorafgaande beslissingen, wat eigenlijk tot een gebrekkige rechtszekerheid leidt, waardoor het businessmodel op lemen voeten staat. De vraag rijst of wij dat niet beter kunnen oplossen door een kleine aanpassing in artikel 18 van het reeds genoemd koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

 

Mijnheer de minister, ziet u de voordelen van een dergelijke oplossing voor de maatschappij, voor de economie en voor de fiscale ontvangsten van de overheid in het bijzonder? Bent u bereid om dat artikel aan te passen, zodat het systeem kan overleven, of zijn er in dat verband zaken die wij misschien niet weten?

 

 

02.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Mechelen, ik denk dat er altijd zaken zijn die wij niet weten. Een professor zei ooit dat hoe meer men weet, hoe meer men beseft wat men niet weet.

 

Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger. Bij koninklijk besluit kunnen bepaalde voordelen op een vast bedrag geraamd worden. Zo wordt de kosteloze beschikking over dienstboden, huispersoneel, hoveniers, werksters en dergelijke die voltijds tewerkgesteld zijn, op een jaarlijks voordeel van 5 950 euro geraamd.

 

De discussie over flexibele verloningsvormen past in een breder maatschappelijk debat. De regering heeft door middel van de taxshift reeds maatregelen genomen om tegelijkertijd arbeid goedkoper te maken en werken lonender te maken.

 

Een beslissing van de Dienst Voorafgaande beslissingen, de rulingcommissie, wordt uitgevaardigd binnen het vigerend wettelijk kader en is aan evaluatie onderhevig na een periode van vijf jaar. De bespreking over de verlenging van de huidige aanvraag is lopende bij die Dienst Voorafgaande beslissingen, die zoals u weet een autonome dienst is.

 

Met betrekking tot uw specifieke vraag of wij niet beter tot een aanpassing in het wettelijk systeem kunnen overgaan, dat lijkt mij in elk geval een idee dat een verdere bespreking waard is. Zoals u weet, heeft een verordening van de rulingcommissie uiteraard ook een rechtsverzekerend karakter.

 

02.03  Dirk Van Mechelen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u weet dat de activiteiten van de groep in kwestie gestaakt zijn bij het ontbreken van een beslissing van de rulingcommissie. Ofwel valt er redelijk snel een nieuwe principiële beslissing, ofwel – ik durf daar toch op aandringen – moet het systeem wettelijk worden bekeken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de compensatie voor de verhoging van de staatsschuld in 1991" (nr. 26659)

03 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le paiement compensatoire pour l'augmentation de la dette publique en 1991" (n° 26659)

 

03.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, zoals iedereen in deze vergadering weet, is de Nationale Bank van België jaarlijks een compensatie van 24,40 miljoen euro verschuldigd aan de overheid, ter verhoging van de staatsschuld in 1991. Door de wijziging van de winstverdelingsregels in 2009 is deze overeenkomst niet meer relevant en moet er een wetswijziging plaatsvinden om de betalingen definitief stop te zetten.

 

De regering heeft in haar regeerakkoord opgenomen dat zij de intentie heeft om de wet te wijzigen, zodat de betalingen kunnen worden stopgezet. Op pagina 90 van het regeerakkoord, onder punt 4.2.3, staat het volgende: "De compensatiebetaling door de Nationale Bank van België voor de effectisering van geconsolideerde oorlogsschuld wordt afgeschaft." Wij hebben in de jaarrekeningen nochtans kunnen vaststellen dat er betalingen uitgevoerd zijn in 2015, 2016 en 2017.

 

Wanneer wordt deze wet gewijzigd? Ik vraag mij ook af of de betaling reeds werd uitgevoerd in 2018?

 

03.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Van Biesen, ik kan u melden dat er een wetsontwerp werd opgenomen in een nieuwe wet houdende diverse financiële bepalingen, die regelt wat u aan de orde stelt. De werkzaamheden worden zeer binnenkort opgestart, zodat het snel gefinaliseerd kan worden. Ik zal moeten nagaan of er in 2018 al dan niet betaald werd, ik heb de informatie daaromtrent hier niet ter beschikking. Ik zal u later een antwoord geven.

 

03.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Wij moeten uiteraard nog over de wet stemmen. De vraag is dus in feite of er dit jaar nog betaald dient te worden, aangezien dat op dit moment nog de regel is.

 

03.04 Minister Johan Van Overtveldt: U vroeg of er reeds betaald is.

 

03.05  Luk Van Biesen (Open Vld): Het is dus nog niet concreet betaald. Uiteraard zal het nog betaald moeten worden dit jaar. Het is de bedoeling dat wij dit in 2019 kunnen voorkomen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "artikel 9 van het Brusselse en Waalse Wetboek der successierechten" (nr. 26660)

04 Question de M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'article 9 du Code des droits de succession bruxellois et wallon" (n° 26660)

 

04.01  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, bij arrest van 12 juni 2018 heeft de Raad van State het VLABEL-standpunt inzake gesplitste aankoop en gesplitste inschrijving rond de toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF volledig vernietigd. VLABEL heeft zich daar intussen bij neergelegd. Dat VLABEL-standpunt was gebaseerd op de beslissing van de FOD Financiën van 18 juli 2013.

 

Mijnheer de minister, hebt u de intentie om de beslissing van de FOD Financiën van 18 juli 2013 in te trekken? Zo ja, welke visie ter zake van de weerlegging van het wettelijk vermoeden, zoals bepaald in artikel 9 van de Waalse en Brusselse wetgeving, zal de FOD Financiën sinds het vermeld arrest van de Raad van State aankleven?

 

Kunt u verduidelijken hoe u voortaan in concreto de weerlegging van dat vermoeden ziet bij een gesplitste aankoop en bij een gesplitste inschrijving op rekening van effecten of gelden?

 

04.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, de beslissing van de FOD Financiën van 18 juli 2013 waaraan u refereert, houdt in dat een voorafgaande schenking door de verkrijger van het vruchtgebruik aan de toekomstige verkrijger van de blote eigendom van de nodige geldmiddelen om zijn aandeel in de verwerving te financieren niet wordt aanvaard als tegenbewijs voor de toepassing van artikel 9 van de successiewetgeving. De voorafgaande schenking wordt beschouwd als een bevestiging van het wettelijk vermoeden van een bedekte bevoordeling, vervat in datzelfde artikel 9. Wel wordt aanvaard dat een voorafgaande schenking als tegenbewijs kan gelden wanneer de voorafgaande schenking aan de heffing van het registratierecht voor schenkingen werd onderworpen of wanneer wordt aangetoond dat de begunstigde van de schenking vrij over de gelden heeft kunnen beschikken, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn als wordt aangetoond dat de schenking door de verkrijger van het vruchtgebruik niet specifiek bestemd was voor de financiering van de aankoop van de blote eigendom in het kader van de gesplitste aankoop.

 

Die beslissing wordt door de FOD Financiën niet bij analogie toegepast op de gesplitste inschrijvingen.

 

Aangezien de Raad van State bij arrest van 12 juni 2018 heeft beslist dat er geen bedekte bevoordeling voorligt indien aangetoond wordt dat er een openlijke schenking heeft plaatsgevonden vóór de gesplitste aankoop, ongeacht de registratie van die schenking in België, zal Repertorium RJ S 9/06-07 in die zin worden herzien. Bij een gesplitste aankoop zal het tegenbewijs geleverd zijn indien het bewijs wordt voorgelegd van de schenking van de geldmiddelen aan derden voor zover die schenking een vaste datum heeft vóór de aankoop van de blote eigendom. Bij een gesplitste inschrijving zal het tegenbewijs geleverd zijn indien het bewijs wordt voorgelegd van een schenking van de blote eigendom van de effecten of van de geldmiddelen aan derden, voor zover dat bewijs vaste datum heeft vóór de inschrijving.

 

04.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 26670 van de heer Van Peteghem wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 26676 van de heer Vanvelthoven werd reeds behandeld.

 

05 Questions jointes de

- M. Gilles Vanden Burre au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'évaluation de la cotisation spéciale de 5 % dans le cadre de la réforme de l'ISOC" (n° 26710)

- M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "l'évaluation sur la rémunération minimale des dirigeants d'entreprises" (n° 26800)

- M. Luk Van Biesen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la rémunération minimale des dirigeants d'entreprises" (n° 26821)

05 Samengevoegde vragen van

- de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de evaluatie van de bijzondere bijdrage van 5% in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting" (nr. 26710)

- de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de evaluatie van de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders" (nr. 26800)

- de heer Luk Van Biesen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders" (nr. 26821)

 

05.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, nous avons eu de nombreux débats lors de l'année parlementaire qui s'est achevée en juillet dernier. La réforme de l'impôt des sociétés (ISOC) qui a été votée et qui était dans l'accord de gouvernement prévoit de nouvelles mesures fiscales pour les sociétés qui ne rémunèrent pas suffisamment leurs dirigeants.

 

Une des mesures de la réforme consiste à réduire le taux nominal de l'impôt des sociétés, qui est passé de 25 % à 20 % sur les premières centaines de milliers d'euros pour les PME. Ecolo-Groen soutenait ce principe visant à encourager les PME. Mais vous avez introduit dans le texte de loi toute une série de mesures parallèles, qui nous interpellent et avec lesquelles nous sommes en désaccord.

 

Par exemple, pour bénéficier du taux réduit, la rémunération annuelle du dirigeant doit être supérieure à 45 000 euros, alors qu'auparavant, le seuil était fixé à 36 000 euros. Si tel n'est pas le cas, l'entreprise se voit affublée d'une sanction de 5 % (cotisation spéciale) soit un différentiel entre la rémunération octroyée au dirigeant d'entreprise et celle qui était due. Concrètement, cela engendre une cotisation distincte pouvant potentiellement s'élever à 4 500 euros par société, dès 2021, en cas d'absence de rémunération.

 

L'Union des classes moyennes, qui représente les indépendants et les PME francophones de Wallonie et de Bruxelles, s'en est offusqué. Nous en avons débattu et, grâce à l'opposition qui a demandé à entendre l'UCM sur ce sujet important, des auditions ont eu lieu. L'UCM a réagi en demandant si cette mesure était proportionnée, étant donné qu'elle s'applique sans distinction aucune à toutes les sociétés.

 

Ecolo-Groen, avec mon collègue Georges Gilkinet, a déposé une proposition de loi pour rectifier la hausse de ce seuil à 45 000 euros et revenir au seuil qui était valable précédemment et qui correspond mieux – comme l'a montré l'UCM en commission des Finances – à la réalité des PME et des indépendants wallons et bruxellois en particulier.

 

Monsieur le ministre, à la suite de ce débat, vous vous êtes engagé, avec le gouvernement, à évaluer cette mesure ainsi que son impact sur l'évolution des rémunérations et du comportement des PME et des indépendants. Vous vous êtes engagé à le faire dans le courant du mois de juillet 2018 mais, à ce stade, il n'y a aucune trace de cette évaluation.

 

Monsieur le ministre, avez-vous évalué la mesure dont il est question, ainsi que vous vous êtes engagé à le faire? Si oui, quelles sont vos conclusions? Si, comme la presse le rapportait récemment, l'évaluation n'a pas encore été réalisée, quand aura-t-elle lieu? Sera-t-elle disponible, envoyée aux parlementaires, discutée en commission? Sur la base de cette évaluation, que j'espère vous réaliserez, comptez-vous revoir l'application de cette mesure ou la conserver telle quelle ?

 

05.02  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, la réforme de l'impôt des sociétés prévoit que, pour bénéficier du taux préférentiel de 20 %, au moins un dirigeant de l'entreprise doit se voir attribuer une rémunération au moins égale soit à 45 000 euros, soit au résultat imposable, si celui-ci est inférieur à 45 000 euros. Vous avez donc augmenté considérablement ce seuil. Si le résultat imposable est supérieur à 45 000 euros, une cotisation distincte, une pénalité, de 5 % sera appliquée. C'est donc une politique punitive pour les PME.

 

Initialement, le gouvernement avait prévu de doubler cette cotisation dans les années à venir, mais il semble que cela soit abandonné, grâce notamment au travail parlementaire de l'opposition. Cette mesure avait fait l'objet de critiques sévères notamment de l'Union des classes moyennes, venue démontrer en commission à quel point cela risquait d'être nuisible pour les petites entreprises. Devant cette levée de boucliers, le gouvernement a annoncé une évaluation de la mesure. Entre-temps, nous avons déposé des textes qui la suppriment et nous nous réjouissons d'avoir fait des émules à ce sujet.

 

Il y a quelques jours, votre cabinet a annoncé que le résultat de l'évaluation était connu: même avec la sanction, la réforme resterait bénéfique pour les entreprises. Pourtant, à peine votre déclaration formulée, d'autres membres du gouvernement estimaient que votre évaluation n'était pas "suffisamment complète et profonde".

 

De plus, ils ont avancé qu'une autre étude était en cours. Bref, tout cela fait un peu désordre, monsieur Van Biesen.

 

Monsieur le ministre, pourriez-vous faire le point sur ce dossier? La deuxième évaluation est-elle bouclée? Si oui, quelle conclusion en avez-vous tirée? Qui, au sein de votre gouvernement, estime que la première évaluation n'est pas complète? Une autre étude est-elle en cours? Si oui, par qui est-elle menée?

 

05.03  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik zie dat mijn vraag toegevoegd is, alhoewel beide voorgaande vragen wel over hetzelfde thema gaan, maar inhoudelijk verschillen van de mijne. Mijn detailvraag gaat over de specifieke situatie waarin de bedrijfsleider die in principe de minimumbezoldiging moet aantonen, ook ingeschreven is als werknemer in de vennootschap.

 

Mijnheer de minister, u hebt bij de beoordeling of een vennootschap voldoet aan de minimale bezoldigingsvereiste overeenkomstig artikel 215 van het WIB 92, zoals die in het kader van de hervormde vennootschapsbelasting van toepassing is, bevestigend geantwoord op de vraag of eveneens rekening mag worden gehouden met de bezoldiging van een werknemer die daarnaast in dezelfde vennootschap ook nog een onbezoldigd mandaat uitoefent op basis van het arrest van het Arbitragehof van 16 februari 2005. Daarnaast hebt u bevestigd dat dit principe tevens van toepassing is met betrekking tot de afzonderlijke aanslag van artikel 219quinquies van het WIB 92. Bijgevolg begrijpen wij dat de afzonderlijke aanslag van artikel 219 niet verschuldigd is wanneer een onbezoldigd bestuurder binnen dezelfde vennootschap ook nog minstens een bezoldiging van 45 000 euro als werknemer ontvangt.

 

Hieromtrent rijst echter bijkomend de vraag of het principe ook van toepassing is in een groep van verbonden entiteiten. Meer specifiek, indien men als hypothese aanneemt dat aan beide voorwaarden van artikel 219 voldaan is – de situatie waarin een persoon in een vennootschap van de groep een onbezoldigd mandaat als bedrijfsleider uitoefent, enerzijds, en in dezelfde vennootschap een bezoldiging van minstens 75 000 euro als werknemer verkrijgt, anderzijds –, mag men dan aannemen dat men ook in die situatie rekening mag houden met de toegekende werknemersbezoldiging om aan de minimale bezoldigingsvereiste van 75 000 euro te voldoen?

 

Hieromtrent rijst nog de vraag of het principe ook van toepassing is in een groep van verbonden entiteiten waarbij de persoon bestuurder is bij de ene vennootschap en werknemer bij de andere vennootschap. Meer specifiek, opnieuw indien men als hypothese aanneemt dat aan beide voorwaarden voldaan is – de situatie waarin een persoon in een vennootschap van de groep een onbezoldigd mandaat als bedrijfsleider uitoefent, enerzijds, en in een andere verbonden vennootschap een bezoldiging van 75 000 euro als werknemer verkrijgt, anderzijds –, mag men dan aannemen dat men ook in die situatie rekening mag houden met de toegekende werknemersbezoldiging om aan de minimale bezoldigingsvereiste van 75 000 euro te voldoen?

 

05.04  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur le président, je vais commencer par répondre aux remarques et questions de MM. Vanden Burre et Laaouej.

 

Ik zal daarna antwoorden op de specifieke vraag van de heer Van Biesen.

 

La cotisation spéciale de 5 % prévue par la réforme de l'ISOC est entrée en vigueur le 1er janvier 2018, mais ne sera applicable qu'à partir de l'exercice d'imposition 2019, se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2018. Une première évaluation ne pourrait donc être effectuée qu'à partir du moment où la plupart des déclarations à l'impôt des sociétés se rapportant à cet exercice auront été traitées. Elles ne le seront au plus tôt que dans le courant de la deuxième partie de 2019.

 

Wat inmiddels wel werd herbekeken, is de verhoging van de bijzondere aanslag van 5 % naar 10 % vanaf 2020 en de in de wet van 25 december 2017 gebruikte terminologie inzake de minimale bedrijfsleider­bezoldiging, die aanleiding kon geven tot verwarring.

 

In de wet van 30 juli 2018 houdende diverse bepalingen inzake de inkomstenbelastingen werden daarom een aantal wijzigingen en verduidelijkingen aangebracht. Zo bepaalt de wet dat de afzonderlijke aanslag van 5 % niet naar 10 % zal worden verhoogd met ingang van 1 januari 2020, maar dat de bestaande 5 % behouden zal blijven. De afzonderlijke aanslag kan met andere woorden maximaal 2 250 euro bedragen. Daarnaast werd de terminologie aangepast, in die zin dat een bezoldiging van minder dan 45 000 euro volstaat op voorwaarde dat die dan minstens gelijk is aan het belastbaar inkomen van de vennootschap. Dit is de zogenaamde 50 %-regel. Die 50 %-regel dient derhalve, zoals reeds werd toegelicht en initieel duidelijk werd vermeld in de memorie van toelichting bij de wet van eind december 2017, op dezelfde wijze te worden toegepast als voorheen, namelijk toen de minimumbezoldiging nog 36 000 euro bedroeg.

 

Met andere woorden, alleen als het belastbaar inkomen van de vennootschap, vóór aftrek van de bedrijfsleider­bezoldiging, 90 000 euro of meer bedraagt, is vereist dat er minstens een bedrijfsleiderbezoldiging van 45 000 euro wordt toegekend.

 

L'introduction d'autres modifications n'est pas prévue avant d'avoir pu effectuer une première évaluation de la mesure.

 

En ce qui concerne les rémunérations de travailleurs qui sont également dirigeants d'entreprise, il est exact que la rémunération en qualité de travailleur est prise en compte pour vérifier si une rémunération suffisante a été accordée. En d'autres termes, un dirigeant non rémunéré qui, au sein de la même société, perçoit une rémunération d'au moins 45 000 euros en tant que travailleur satisfait à la condition de rémunération. La cotisation spéciale n'est, dans ce cas, pas due.

 

In het kader van verbonden vennootschappen geldt in dat opzicht hetzelfde principe. Een onbezoldigde bedrijfs­leider die in dezelfde vennootschap een bezoldiging als werknemer van minstens 75 000 euro ontvangt, voldoet eveneens aan de bezoldigingsvoorwaarden, met als gevolg dat de bijzondere bijdrage uiteraard niet verschuldigd is.

 

In het laatste voorbeeld, waarbij een persoon onbezoldigd bedrijfsleider van een vennootschap is en tegelijkertijd een bezoldiging als werknemer ontvangt van minstens 75 000 euro uit een andere vennootschap die behoort tot dezelfde groep, is evenwel niet voldaan aan de bezoldigingsvoorwaarden.

 

05.05  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, vous rappelez ce qui a été voté durant l'année parlementaire précédente. Pour ce qui est de l'évaluation, vous dites qu'elle pourra être faite lorsque les déclarations fiscales seront déposées dans le courant de la deuxième partie de l'année 2019. Mais, c'est vous et le gouvernement qui vous êtes engagés à faire cette évaluation cet été et cela à la suite du débat qui s'était tenu!

 

En l'occurrence, vous nous dites qu'il était question de limiter la pénalité à 10 % et vous l'avez rabaissée à 5 % mais pour le reste, cela restera tel quel. L'engagement que vous avez pris me semble complètement à côté de la réalité. Vous avez donc pris un engagement que vous n'êtes pas capable de prendre, parce vous ne disposez pas de toutes les déclarations. Du coup, vous parlez de le faire lors de la seconde moitié de l'année 2019!

 

J'ai l'impression que vous vous êtes engagé, alors que vous ne pouviez pas le faire, ce qui me paraît donc dommage eu égard au débat qui s'était tenu et aux demandes formulées notamment par les représentants des PME francophones. Vous avez, en effet, rappelé la règle en détail, mais cela ne répond pas du tout aux questions que nous posions et qui étaient relatives à la réalité, à l'impact qu'allait entraîner cette mesure sur les dirigeants d'entreprises, en particulier les entreprises francophones, étant donné que les rémunérations de leurs dirigeants sont inférieures.

 

Je suis surpris que vous vous soyez engagé sur quelque chose que vous ne saviez pas délivrer. C'est tout à fait regrettable et je ne comprends pas bien comment il est possible d'avancer avec une telle façon de procéder, puisque vous renvoyez au second semestre 2019. Ce n'est pas très sérieux eu égard aux promesses faites aux acteurs du secteur, ce que nous ne pouvons que regretter.

 

05.06  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, nous n'y voyons toujours pas clair. On nous avait promis une évaluation assez rapide, afin de tenir compte des réalités de terrain, à savoir plus qu'un certain nombre de doutes, des personnes qui vous expliquent clairement qu'elles seront pénalisées par le nouveau dispositif.

 

Je ne décèle dans votre chef aucune volonté de mettre fin à l'idée même de pénalité. Comme si le fait de perdre le taux réduit n'était pas déjà en soi une pénalité! Les dirigeants d'entreprise perdent le taux réduit et en plus, on leur impose une cotisation de 5 %!

 

05.07  Johan Van Overtveldt, ministre: (…)

 

05.08  Ahmed Laaouej (PS): J'ai dit une pénalité de 5 % pour la rémunération minimum.

 

À un moment donné, il faut que vous vous rendiez compte que les PME ne sont pas vos ennemies. Il importe de vous rappeler que l'on a besoin d'elles. Envoyer des signaux aussi négatifs n'est, selon moi, pas une façon adéquate de mener une politique fiscale.

 

Nous regrettons le manque de clarté à propos des délais dans lesquels sera menée la deuxième évaluation et surtout, comme vous l'aviez fait avec la suppression de la pénalité de 10 %, continuez le même mouvement et supprimez la pénalité de 5 %!

 

S'imaginer que les gens qui sont dans les PME ont la vie facile est une vue de l'esprit. Pour ces gens, 5 % c'est 5 %. Les petites PME ont du mal à joindre les deux bouts. Il faut, me semble-t-il, un sursaut de la part de l'équipe gouvernementale.

 

05.09  Luk Van Biesen (Open Vld): Mijnheer de minster, ik ben uiteraard niet bepaald tevreden met uw antwoord. Ik heb de casus hier speciaal aan de kaak willen stellen om de eigenaardigheid van het hele systeem naar voren te brengen.

 

U weet, aangezien ik dit al herhaaldelijk in de plenaire vergadering en in deze commissie heb gezegd, dat ik geen voorstander ben van het penalisatiesysteem. Ik vind de invoering van het penalisatiesysteem een gebrek aan respect voor onze kmo's en de bedrijfsleiders. Wij zijn reeds zeer tevreden met het feit dat de verhoging van 5 % naar 10 % in 2020 vervallen is. Desalniettemin zou ik nogmaals iets fundamenteels willen zeggen. De evaluatie was een mogelijkheid als dusdanig. Het is echter lastig om iets op korte termijn te evalueren. Ik zou een duidelijke inspanning willen vragen om te bekijken wat de juiste budgettaire impact is van de 5 %. Op het terrein zal het namelijk problemen teweegbrengen. Er zijn verschillende constructies, modificaties, verbonden en niet-verbonden ondernemingen… Op vele vlakken zullen systemen ontstaan waarbij men zal proberen te ontsnappen aan de penalisatie. U weet dat er carrousels ontstaan wanneer u moeilijke systemen in het leven roept. Ik voorspel dat onze administratie de handen vol zal hebben bij de controle van enkel dit punt.

 

Wat ik net zei, beschrijft het fundamenteel verkeerde beleid dat de laatste jaren gevoerd wordt in dit land op het vlak van fiscaliteit.

 

Wat de btw betreft, één op drie controles gaat enkel nog over de vorm. Het gaat niet meer over de inhoud, over de vraag of het wel degelijk aftrekbaar is. Nu zijn de vragen: is het op tijd gebeurd? Is het juiste formulier gebruikt? Vervolgens krijgt men een boete van 75 000 euro per regel.

 

Wanneer een bedrijf vandaag niet genoeg inkomen kan scheppen en ervoor kiest het kapitaal binnen zijn vennootschap te houden om later investeringen te doen, kan dat niet. Wanneer een ondernemer zegt dat hij het geld nodig heeft en hij zichzelf bijgevolg in het begin geen loon gaat uitbetalen, wordt hij daarvoor gestraft.

 

Ik blijf erbij dat heel het penalisatiesysteem een element is dat remmend zal werken op het ondernemerschap.

 

Ik begrijp dat vele individuen overgestapt zijn naar vennootschappen. Ik begrijp tevens dat u iets diende te ondernemen om dit een halt toe te roepen. UNIZO verkondigt nu het standpunt dat personen die aan handel doen dezelfde belastingvoet moeten krijgen als de vennootschappen. Laten we meer die weg bewandelen.

 

Ik zou, tot slot, nogmaals ernstig willen vragen om binnen uw diensten na te gaan of de penalisatie wel de moeite waard is om uit te voeren.

 

Ik zal als eerste bereid zijn om mea culpa aan het Parlement te vragen deze eventueel reeds ingevoerde maatregel terug in te trekken. Ik wil deze taak gerust op mij nemen. Als u denkt dat de regering gezichtsverlies zal leiden met een afschaffing van de regel, wil ik dat gezichtsverlies gerust op mij nemen. Ik wil die grote geste doen om de penalisatie af te schaffen.

 

Ik meen dat dit systeem veel meer problemen zal veroorzaken dan dat er opbrengsten zullen zijn. Er zal vooral een spanningsveld zijn. De mensen zullen de verkeerde beslissing nemen om geld uit de vennootschap te halen. Vroeger hadden wij altijd het idee: hoe meer geld er in de vennootschap blijft, hoe groter de waarborg voor de werknemers dat de bedrijfsleider in zijn bedrijf gelooft. Indertijd werd ook de notionele-intrestaftrek ingevoerd om zoveel mogelijk kapitaal in de vennootschap te houden. Nu neemt men eigenlijk een hele reeks maatregelen om zo weinig mogelijk kapitaal in de vennootschap te houden en om te zorgen voor zoveel mogelijk uitkeringen en bezoldigingen.

 

Ik vraag u om rustig de tijd te nemen om, liefst nog voor het einde van het jaar, met een voorstel te komen om die penalisatie in te trekken.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de M. Ahmed Laaouej au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le régime cash for car" (n° 26775)

06 Vraag van de heer Ahmed Laaouej aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "cash for car" (nr. 26775)

 

06.01  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le président, il s'agit d'un régime qui est au régime et qui ne connaît pas un grand succès!

 

Monsieur le ministre, il y a quelques mois, votre gouvernement s’est entêté – il n'y a pas d'autres mots – à vouloir absolument mettre en oeuvre le régime cash for car alors que l’opposition, le Conseil d’État, l'ensemble des partenaires sociaux mais aussi toute une série d'autres groupements tentaient de vous faire entendre raison.

 

En effet, ce régime, nous vous le disions, était voué à l’échec notamment parce qu'il ne permet pas de résoudre les vrais problèmes de mobilité. Ce n’est pas faute de vous avoir demandé de mettre en œuvre, en même temps, le budget mobilité qui, lui, est une véritable alternative avantageuse pour les détenteurs de voitures de société. Les  partenaires sociaux s'étaient d'ailleurs accordés sur ce budget mobilité. Vous n’avez rien voulu entendre comme à votre habitude!

 

Fin juillet, nous avons appris que seules 23 personnes avaient fait appel au régime cash for car depuis sa mise en œuvre. Cela s'appelle un échec, monsieur le ministre.

 

Comment vous situez-vous aujourd'hui par rapport à cela? Vous annoncez que vous allez remanier le projet. En clair, vous allez supprimer les quelques balises anti-abus que vous aviez prévues dans le projet. Dès lors, il ne sera plus nécessaire d’avoir déjà bénéficié d’une voiture de société pour prétendre au régime cash for car. On pourra donc le faire même en l'absence de cette condition.

 

Je vous le dis clairement, monsieur le ministre des Finances, cela va évidemment faire exploser le nombre de travailleurs éligibles à cette catégorie de "pouvant bénéficier d’une voiture de société".

 

Autrement dit, vous allez créer un appel d'air au niveau du recours aux voitures de société.

 

Je pense que nous sommes là devant une optimisation fiscale. Le risque est clair: par ce biais, nous aurons de nombreuses augmentations de salaire, même si les travailleurs ne bénéficiaient pas, avant, d'une voiture de société. Ceux qui avaient déjà une voiture de société la garderont; ceux qui n'en avaient pas vont vouloir profiter du système. De plus, nous risquons aussi un dé-financement des pouvoirs publics, notamment de la sécurité sociale.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous le nombre de recours au régime cash for car? Confirmez-vous avoir l'ambition de supprimer les mesures anti-abus du texte? Ne voyez-vous pas le risque d'optimalisation structurelle évoqué plus haut? Où en est le gouvernement dans la mise en œuvre du budget mobilité?

 

Je constate que mes collègues d'Ecolo sont très attentifs à cette question.

 

06.02  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Laaouej, on ne peut pas ici déduire le nombre de personnes ayant bénéficié du régime cash for car des déclarations au précompte professionnel. Une telle déclaration contient les informations relatives à un employeur pour une période déterminée et cela, globalement, pour l'ensemble de ses employés.

 

En outre, il est beaucoup trop tôt pour procéder à une évaluation concluante. Contrairement à ce qui est dit dans la presse, le but n'est pas du tout de supprimer des mesures anti-abus. L'objectif des modifications proposées est de permettre aux travailleurs ne bénéficiant pas d'une voiture de société, bien que pouvant y avoir droit suivant la politique salariale de leur employeur, d'obtenir une allocation de mobilité en échange de l'utilisation de la voiture. Il est en effet absurde de demander à un travailleur se trouvant dans cette situation de polluer et d'encombrer la circulation avec un véhicule sans lui proposer avant une alternative telle que l'allocation de mobilité.

 

Les mesures anti-abus, à savoir les périodes d'attente, sont maintenues tant dans le chef de l'employeur que dans celui du travailleur. Ainsi, l'employeur ne peut instaurer une allocation que s'il met à disposition de ses travailleurs des voitures de société depuis au moins trois ans. Il n'est pas prévu de modifier cette disposition. Ainsi, un employeur qui n'a jamais proposé à ses travailleurs de voitures de société ne peut pas décider, du jour au lendemain, d'en octroyer fictivement et de les transformer en allocation de mobilité, c'est-à-dire en argent liquide.

 

Dans le chef du travailleur, une période d'attente est également toujours d'application. Concrètement, le travailleur doit avoir droit à une voiture de société auprès de son employeur actuel depuis au moins douze mois sur les trois dernières années, et impérativement au cours des trois mois qui précèdent directement la demande d'allocation de mobilité.

 

Comme vous le constatez, les mêmes conditions d'attente s'appliquent dans le régime de l'allocation de mobilité, qu'il s'agisse de remplacer une voiture de société qu'on utilise effectivement ou de remplacer un droit à une voiture de société. Il n'est dès lors absolument pas question de supprimer le mesures anti-abus qui existent dans le régime.

 

Enfin, l'interdiction du salary sacrifice est légèrement modifiée afin de permettre un passage du régime de l'allocation de mobilité à celui du budget de mobilité et inversement, sans devoir repasser par l'étape de disposer effectivement d'une voiture de société. Ainsi, une fois les deux régimes en place, un travailleur qui dispose d'un budget mobilité, et qui considère après quelques mois qu'il lui convient mieux d'opter pour une allocation de mobilité, pourra passer de l'un à l'autre si l'employeur utilise bien les deux régimes. Il pourra le faire sans devoir d'abord renoncer à son budget mobilité, utiliser ensuite, de nouveau, durant une certaine période, sa voiture de société et, enfin, y renoncer à nouveau pour une allocation de mobilité.

 

Je peux également vous dire que l'avant-projet de loi concernant la modification de l'allocation de mobilité et l'avant-projet de loi instaurant un budget mobilité sont soumis pour avis au Conseil d'État.

 

06.03  Ahmed Laaouej (PS): Monsieur le ministre, si je comprends bien, le budget mobilité sur lequel se sont accordés les partenaires sociaux va bientôt faire l'objet d'un projet de loi. Nous verrons ce qu'il en est. N'est-il pas plus simple de substituer à l'actuel cash for car le budget mobilité sur lequel se sont entendus les partenaires sociaux? J'ai l'impression que nous ferons cohabiter deux régimes dont la vocation prétendue est la même mais qui risquent à un moment donné d'entrer en contradiction. Vous nous annoncez la possibilité de passer du budget mobilité à l'allocation de mobilité, donc d'obtenir un budget défiscalisé, déparafiscalisé pour se transformer en allocation de mobilité avec la subtilité d'éventuellement repasser par une voiture de société. Budget mobilité, voiture de société, allocation de mobilité, je n'ai pas saisi l'ensemble des nuances.

 

Par ailleurs, vous envisagez pour assouplir le système, pour qu'il ait un peu plus de succès, de permettre à ceux qui auraient droit à une voiture de société en fonction de la politique salariale, de recourir immédiatement à l'allocation de mobilité sans passer par la case voiture de société. Voilà comment j'ai compris ce que vous envisagez. Comment déterminerons-nous les personnes jouissant de ce droit selon la politique salariale? Que signifie "la politique salariale"? Existe-t-il des espèces de conventions d'entreprise stipulant que toute personne ayant un niveau de responsabilité ou un statut précis a droit à une voiture de société? Ou ce droit est-il plutôt fixé par des négociations individuelles, des packages en fonction de l'importance du travailleur, de sa situation, de ce qu'il recevait dans sa précédente entreprise? Tous ces points ne sont pas très clairs et je ne suis pas sûr que cette mesure suffise à dépasser les fameux 23 bénéficiaires actuels.

 

J'entends que selon vous il est trop tôt pour évaluer la mesure, considérant qu'il faudra attendre les statistiques de précompte professionnel. Nous ne pouvons pas dire que celle-ci a provoqué un engouement de personnes qui se seraient précipitées du jour au lendemain en disant: "Terminé, j'abandonne ma voiture, je prends l'allocation de mobilité". Des enquêtes via les organisations professionnelles, les fédérations d'entreprises, auraient permis d'obtenir des remontées d'informations beaucoup plus rapides. Des voitures ne sont pas données à flots dans les petites entreprises. En ciblant les grandes banques, les grands employeurs, nous aurions obtenu des informations plus concrètes.

 

Je crois que ces informations existent mais, si elles ne sortent pas, c'est peut-être que les fameux 23 sont la réalité actuelle. Affaire à suivre! Je crois qu'on a vraiment fait fausse route depuis le début dans ce dossier et qu'il fallait immédiatement prendre la balle au bond, la solution proposée par les partenaires sociaux.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de witwasmeldingen bij banken" (nr. 26777)

07 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les signalements de blanchiment d'argent par des banques" (n° 26777)

 

07.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het Nederlandse voorbeeld van ING heeft aangetoond dat er ook recente problemen zijn, in weerwil van wat hier tijdens de hoorzittingen in de bijzondere commissie over de Panama Papers is verteld. Niet alleen bevonden zich veel criminele activiteiten in die sfeer, er waren ook door de bank strafbare feiten gepleegd, omdat niet op een adequate wijze werd gerapporteerd of omdat de transacties niet goed in de gaten werden gehouden.

 

Het parket heeft tussen 2010 en 2016 een onderzoek gedaan. De vraag rijst dus wat de Belgische activiteitsgraad bij die trieste praktijken is. Mijnheer de minister, het zou interessant zijn van u te horen of er eventueel Belgische uitlopers zijn voor ING in het bijzonder, maar ook in het algemeen. Wat kunnen wij van het Nederlands onderzoek leren? Het gaat over een van de grootste schikkingen ooit, namelijk 775 miljoen euro. Misschien is er dus een interessant financieel aspect voor de Belgische Staat.

 

Het gaat over de compliance- en de due diligenceverplichtingen in het kader van de antiwitwaswet. Ik neem aan dat er een gedeelde bevoegdheid is met de minister van Justitie. Is men hier bezig met een actief opsporings­beleid? Quid de tekortkomingen en inbreuken? Hoe kunnen wij tot hogere standaarden komen en vooral tot het respecteren van die standaarden? Misschien moet er ter zake een betere begeleiding van de koepelfederatie zijn. Er is heel wat antiwitwaswetgeving, ook recente wetgeving. De toepassing blijkt de voorbije jaren echter ten minste niet altijd even gegarandeerd te zijn, althans niet in onze buurlanden. Hopelijk is dat in België beter. Wat weten wij derhalve over eventuele analoge praktijken in ons land?

 

07.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, in de eerste plaats wil ik er toch op wijzen dat vragen met betrekking tot het repressieve of strafrechtelijke luik van de antiwitwaswetgeving uiteraard tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Justitie, behoren.

 

De Nationale Bank van België is de bevoegde toezichthouder en is gebonden door haar beroepsgeheim. Zij kan bijgevolg geen informatie bekendmaken over de resultaten van haar controlewerkzaamheden ten aanzien van specifieke financiële instellingen. De Nationale Bank heeft vandaag nog steeds de volheid van bevoegdheid om op nationaal niveau te controleren of kredietinstellingen die in België gevestigd zijn een correcte invulling geven aan hun antiwitwasverplichtingen. De situatie is, wat dat betreft, dus anders dan voor het prudentieel toezicht, waar het toezicht op de significante Belgische instellingen wordt uitgeoefend door de Europese Centrale Bank, in het kader van het European Single Supervisory Mechanism.

 

Het toezicht dat door de Nationale Bank wordt uitgeoefend op de correcte naleving van de Belgische antiwitwas­wetgeving is sinds 2015 grondig hervormd en versterkt, in uitvoering van de aanbevelingen die de Financiële Actiegroep in 2015 heeft geformuleerd. De Nationale Bank heeft ook sterk geïnvesteerd in haar communicatie aan de financiële instellingen die onder haar toezicht staan. Recentelijk zijn op haar website gedetailleerde richtsnoeren gepubliceerd waarin wordt verduidelijkt wat zij verwacht van de financiële instellingen om efficiënt te strijden tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Het toezicht dat de Nationale Bank uitoefent, is van preventieve aard en vergelijkbaar met het toezicht dat in Nederland door de Nederlandsche Bank wordt uitgeoefend. De minnelijke schikking die ING in Nederland heeft gesloten met het openbaar ministerie kadert daarentegen in een repressief onderzoek naar strafrechtelijke inbreuken gepleegd of begaan door ING.

 

Op uw vraag of er nog andere banken in België tekortkomingen vertonen in hun compliance- en due diligenceverplichtingen in het kader van de antiwitwaswet, moet ik helaas herhalen dat de Nationale Bank als bevoegde toezichthouder gehouden is aan haar beroepsgeheim. Ik kan u echter wel meegeven dat de door de Nationale Bank in hoofde van de kredietinstellingen vastgestelde inbreuken op de antiwitwaswetgeving zeer divers van aard zijn. Er worden zwakheden vastgesteld in elk deelaspect van de wetgeving, zoals een gebrekkige governance, de afwezigheid van een cultuur van compliance, onvolledige identificatie van risico's, gebrek aan middelen voor interne controle, onvolledige procedures en/of niet-uitvoering van bestaande procedures.

 

Wanneer de Nationale Bank tekortkomingen vaststelt, beschikt zij over een hele plejade aan maatregelen die zij kan nemen om de vastgestelde tekortkomingen te herstellen. In de meeste gevallen zal de Nationale Bank, onder andere rekening houdend met de ernst van de vaststellingen, een termijn opleggen waarin de betrokken kredietinstelling haar verplichtingen dient na te komen. De Nationale Bank kan ook eisen dat de nodige aanpassingen worden doorgevoerd in de beleidsstructuren, de administratieve organisatie en de interne controles van de betrokken instellingen, en in het beheer van risico's inzake witwassen en financiering van terrorisme. In ernstige gevallen kan de Nationale Bank ook een speciale commissaris aanstellen, de vervanging eisen van interne verantwoordelijken of bestuursleden, een dwangsom opleggen en dies meer.

 

Op de website van de Nationale Bank zijn de minnelijke schikkingen en de opgelegde sancties gepubliceerd. De Bank heeft sinds 2013 drie minnelijke schikkingen gesloten voor inbreuken op de antiwitwaswetgeving. Daarnaast heeft de Bank sinds 2013 ook drie administratieve geldboetes opgelegd. Deze minnelijke schikkingen en administratieve boetes werden opgelegd in het kader van het preventieve luik van de antiwitwaswetgeving, niet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

 

Ten slotte heb ik niet de intentie om in overleg met Febelfin een actieplan op te maken voor het bereiken van een zogenaamd level playing field in de financiële sector, wat de implementatie van antiwitwaswetgeving betreft. De regelgeving en het toezicht dat door de Nationale Bank en de FSMA wordt uitgeoefend, elk voor de financiële instellingen die onder hun bevoegdheid vallen, is er net op gericht om, rekening houdend met de risico­georiënteerde aanpak die beide toezichthouders hebben geïmplementeerd, dat level playing field voor de volledige financiële sector te berekenen. Beide toezichthouders stemmen op regelmatige tijdstippen hun beleid nauwgezet op elkaar af.

 

07.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, bedankt voor de toelichting van die interessante aspecten van de problematiek.

 

Het Nederlands voorbeeld leert ons alvast dat preventie niet voldoende was, hoe goed die ook verzorgd wordt. U sprak over de zwakheden in de verschillende delen van de wetgeving, maar uit de volgende passus heb ik al snel begrepen dat u doelde op zwakheden in de toepassing van de wetgeving, waarbij heel wat werkpunten zijn opgelijst. Wanneer wij vertegenwoordigers van de Nationale Bank horen, dan denk ik bijgevolg dat het ook belangrijk is dat zij, eventueel geanonimiseerd, enkele problematische typescenario's naar voren kunnen brengen.

 

Ik zal uiteraard ook een vervolgvraag moeten stellen aan de minister van Justitie, omdat preventie en repressie in de uitvoering coherent moeten zijn. Met wat wij de jongste maanden vernomen hebben over de genoemde banken, mogen wij er niet in berusten, hoe mooi de woorden en de slides in deze commissie ook waren.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de beroepskostenaftrek bij een ter beschikking gestelde woning" (nr. 26778)

08 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la déduction des frais professionnels en cas de mise à disposition d'un logement" (n° 26778)

 

08.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, in de discussie over de aftrek van de kosten van een vennootschap voor de woning van de bedrijfsleider lijkt er een marge in de rechtspraak en de rechtsleer te zijn omdat er verschillende vonnissen en arresten ter zake bestaan.

 

De grote referentie is misschien de cassatierechtspraak van juni 2015. Daarin staat dat het voor de beroepskostenaftrek niet vereist is dat de kosten inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de belastingplichtige, van de vennootschap, zoals blijkt uit het maatschappelijk doel. Verschillende hoven van beroep hebben nu al diverse keren geoordeeld dat die kosten wel nog steeds gedaan of gedragen moeten zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

 

Specifiek voor de terbeschikkingstelling van onroerende goederen wordt die vereiste dan vertaald in de zogeheten bezoldigingstheorie of het bewijs dat de kosten gemaakt zijn ter vergoeding van de door de zaakvoerder werkelijk verrichte prestaties.

 

Het hof van beroep van Antwerpen neemt nu een voortrekkersrol in dit debat en weigert steevast de aftrek als beroepskosten als niet wordt aangetoond dat deze kosten gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

 

Twee recente arresten van 6 maart van dit jaar bewijzen die rechtspraak nogmaals, aangezien meestal of quasi altijd het bewijs ontbreekt dat de gemaakte kosten de werkelijk verrichte prestaties van de zaakvoerder vergoeden.

 

Het is een duidelijke trend in de rechtspraak om streng over deze kostenaftrek te oordelen. Nog niet zo lang geleden werd in de praktijk echter vrijwel algemeen aangenomen dat de fiscale behandeling van een dergelijke terbeschikkingstelling begon en eindigde met het aanrekenen van een forfaitair geraamd voordeel van alle aard, en dat daarmee ook de aftrek van de kosten met betrekking tot de woning veilig werd gesteld en dat hetzelfde ook gold als het voordeel werd gecompenseerd met een vergoeding die eventueel als schuld in rekening-courant werd geboekt, maar dit komt nu sterk onder druk te staan.

 

Mijnheer de minister, kunt u verduidelijken of u die rechtspraak zult aangrijpen om ze door uw administratie te laten toepassen? Moet dat eventueel wettelijk verankerd worden? Het doet mij enigszins denken aan de zaak over de waardering van het vruchtgebruik, waarin er ook arresten werden uitgesproken, waaraan politiek gevolg werd gegeven door gewijzigde instructies en onder andere beslissingen van de Ministerraad.

 

Ik vind het heel belangrijk dat onze regelgeving zeer duidelijk is. Het is geen goede zaak als hoven en rechtscolleges daaromtrent verschillende richtingen zouden uitgaan. Volgens mij is het dringend tijd dat u als minister ook stelling inneemt in dat debat.

 

08.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten moeten gedaan zijn of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Dat betekent dat er een aantoonbaar oorzakelijk verband moet bestaan met de werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid van de vennootschap. Het feit dat een vennootschap kosten maakt om haar zaakvoerder een voordeel van alle aard te verschaffen, volstaat op zich niet om die kosten in aftrek te kunnen brengen. Vereist is namelijk ook dat het bewijs wordt geleverd dat die kosten werden gemaakt als vergoeding voor de zaakvoerder voor de door de zaakvoerder werkelijk verrichte prestaties.

 

In de twee arresten van het hof van beroep te Antwerpen, waarnaar u verwijst, heeft het hof inderdaad geoordeeld dat dit bewijs niet voorhanden was in de dossiers in kwestie, waardoor de kosten in kwestie niet aftrekbaar zijn. De rechtspraak heeft in die dossiers derhalve de zienswijze van de administratie ondersteund inzake de aftrekbare kosten die gepaard gaan met het verstrekken van een voordeel van alle aard, in tegenstelling tot de problematiek inzake de waardering, niet van het vruchtgebruik, maar van het belastbaar voordeel woningen. In verband met dat laatste werd de administratie in het ongelijk gesteld vanwege een schending van het gelijkheidsbeginsel. Inzake dat laatste geval kan derhalve niet anders dan opgetreden worden, terwijl in de arresten die u aanhaalt inzake de aftrek van de kosten de administratie in het gelijk gesteld werd.

 

In dat kader moet bovendien onderstreept worden dat het bewijs van de beroepskosten steeds bij de belastingplichtige ligt en dat op basis van de feitelijke gegevens van elk individueel dossier beoordeeld zal worden of die kosten al dan niet fiscaal aftrekbaar zijn.

 

08.03  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik begrijp de verwijzing naar discriminatie, al dan niet in een vennootschap, en van de woning die ter beschikking wordt gesteld. Toen ik echter over het vruchtgebruik sprak, alludeerde ik op het arrest van 2002, waarin over het vruchtgebruik werd gesproken. Dat arrest is nog iets ouder dan die andere zaak van de woning of het voordeel van alle aard.

 

Een en ander zit echter allemaal in dezelfde richting en gaat over de vraag welke koers ter zake wordt gekozen. Het is op zich verheugend dat de rechtspraak en de administratie een zelfde lijn willen uitzetten.

 

U hebt nu ook de puntjes op de i gezet en uitgelegd dat het niet volstaat kosten te maken die tot een voordeel van alle aard leiden, indien er geen bewijs zou zijn dat zij een vergoeding zijn voor beroepsgebonden prestaties.

 

Ik weet niet of er van de administratie nog iets extra moet komen, bijvoorbeeld een instructie dat de rechtspraak volledig en voor het hele grondgebied zal worden gerespecteerd.

 

Ik begrijp echter uit uw woorden dat de zaken gealigneerd zijn en dat de administratie in dezen gelijk krijgt.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Question de M. Gilles Vanden Burre au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la revente des parts dans l'aéroport de Bruxelles National du fonds d'investissements australien Macquarie" (n° 26782)

09 Vraag van de heer Gilles Vanden Burre aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de verkoop van de aandelen in Brussels Airport van de Australische investeringsgroep Macquarie" (nr. 26782)

 

Le président: Je crois que ce sujet intéresse la PMV (Participatiemaatschappij Vlaanderen) en Région flamande.

 

09.01  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le président, je constate que mes questions vous intéressent et je m'en réjouis.

 

Le président: Je suis de Zaventem.

 

09.02  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Je le savais!

 

Monsieur le président, monsieur le ministre, depuis plus d'un an, un des importants actionnaires de l'aéroport de Bruxelles National, de l'entreprise Brussels Airport, veut revendre ses parts. Il s'agit du fonds d'investissement australien Macquarie qui détient aujourd'hui 36 % des actions. Le processus de vente du groupe devrait commencer ce mois-ci. Le reste des parts appartient à hauteur de 39 % à un fonds de pensions canadien "OTTP" et à hauteur de 25 % plus une action à l'État fédéral belge.

 

Ainsi, parmi les candidats acheteurs, il y en a un qui ferait (au conditionnel puisque je tiens ces informations de la presse) figure de favori, à savoir OMERS qui est un autre fonds de pension canadien ayant déjà des parts dans l'aéroport de Londres.

 

Et ce groupe canadien aurait aussi déjà approché Ethias, puisque l'idée serait de créer des consortiums et d'avoir dans chacun de ceux-ci un acteur ou en tout cas une "touche" belge au niveau de l'offre.

 

Par ailleurs, par rapport à un tel scénario, un problème se poserait – relate également la presse – du fait que M. Marc Descheemaecker est administrateur au sein d'Ethias et en même temps président du conseil d'administration de Brussels Airport, ce qui pourrait évidemment poser un réel problème.

 

D'autre part, le fonds d'investissement de la Région flamande PMV serait également intéressé par le rachat de ces 36 % et de toute façon, comme je le disais, en toute logique, un consortium sera formé, puisque la part que représente le rachat des actions de Macquarie est aujourd'hui estimée entre 1,5 et 2 milliards d'euros, ce qui est évidemment une somme considérable. On estime, en outre, que la préférence irait à un groupe d'investisseurs dont une des composantes est belge.

 

Comme je pose une question sur Brussels Airport et son actionnariat, je me permets également de revenir sur une information importante que le groupe Ecolo-Groen avait déjà soulevée. En 2016, Le Soir révélait que "la construction fiscale autour de l'actionnariat de Brussels Airport était basée au Luxembourg."

 

C'est, en effet, Brussels Airport Investments, qui est domiciliée à Luxembourg, qui détient l'aéroport à 55 %. Une autre société, Certi-Baisa, qui est établie en Belgique, en détient 20 % mais est elle-même détenue à 100 % par deux filiales luxembourgeoises.

 

L'État belge reste quant à lui propriétaire des 25 % restants et donc, à nos yeux, c'est vrai qu'il est tout à fait inacceptable, éthiquement, que l'État belge soit un actionnaire de référence d'une entreprise basée au Luxembourg pour des raisons d'optimisation fiscale! C'est bien cela, la raison, en l'occurrence. Ce n'est pas une raison industrielle. Je pense qu'à ce sujet, nous pourrons être d'accord.

 

Voici donc mes questions! Quelle est la position de l'État belge et la vôtre en tant que ministre de tutelle par rapport à cette participation financière concernant la vente des parts de Macquarie dans l'aéroport de Bruxelles National, puisque l'État belge en est un actionnaire important?

 

Quelles sont les scénarios que vous privilégiez en tant que gouvernement fédéral? En tant que tel, avez-vous l'intention d'augmenter votre participation au sein de Brussels Airport?

 

Quelle position vous inspire la possible entrée, via PMV, de la Région flamande dans l'actionnariat de l'aéroport?

 

Je vous ai déjà interrogé sur le montage fiscal au Luxembourg, en vous demandant si vous estimiez qu'il était éthique que cette entreprise importante pour notre pays qu'est l'aéroport national, et dont l'actionnariat est détenu en partie par l'État belge, soit établie au Grand-Duché pour des raisons fiscales. Ne faudrait-il pas profiter du changement d'actionnariat pour mettre fin à cette situation très problématique et contraire à toute éthique?  

 

09.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Vanden Burre, je puis vous confirmer que la procédure de vente des actions de Macquarie est sur le point de débuter. Toutefois, vous comprendrez aisément que, compte tenu du caractère privé de cette transaction, je m'abstiendrai de communiquer toute autre information que celles que vous avez pu lire dans la presse.

 

En revanche, je puis vous indiquer qu'un rachat de ces actions par la SFPI (Société fédérale de participations et d'investissement) n'est pas à l'ordre du jour.

 

Au vu des montants déboursés lors de récentes transactions relatives à l'acquisition de l'aéroport, il n'est pas exclu que le futur acheteur se constitue d'un groupe d'investisseurs, dont certains soient belges.

 

S'agissant de votre deuxième question, comme je vous l'ai déjà indiqué antérieurement, la prise de participation de Macquarie dans l'aéroport remonte à 2004, au terme d'un processus de recherche de partenaires, et fait l'objet d'une convention conclue par l'État le 10 novembre 2004. À l'époque, celui-ci restait en effet le propriétaire des titres minoritaires de BIAC. Il l'est encore aujourd'hui partiellement via la SFPI. De plus, Macquarie a bien investi par le truchement d'une société luxembourgeoise qui se conforme encore aujourd'hui aux lois.

 

La restructuration de 2007 a été acceptée par l'État. La participation dans BIAC a ensuite été apportée par la SFPI le 6 juin 2007.

 

Rien d'essentiel n'a été modifié dans la structure du côté des investisseurs. Elle évoluera par la suite notamment par l'entrée d'Ontario Teachers' dans le capital. En tant que détenteur des actions, la SFPI n'avait pas la possibilité de demander à son co-contractant de constituer une société en Belgique.

 

09.04  Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, en ce qui concerne la première question relative à la stratégie du gouvernement fédéral dans le cadre de la vente de la part de Macquarie dans l'aéroport de Bruxelles National, je prends acte que l'État fédéral n'a pas l'intention d'augmenter sa participation.

 

Quant à la seconde question relative au montage fiscal basé au Luxembourg, c'est l'occasion, en fonction du changement d'actionnariat et du consortium qui va reprendre, de non seulement clarifier les choses mais surtout de changer cette structure qui, financièrement, n'est pas du tout en adéquation avec un comportement responsable et éthique en matière financière d'un État tel que le nôtre. Nous ne pouvons que vous encourager à modifier cette donnée.

 

J'entends toutes les raisons historiques qui ont pu présider à cette décision, mais il faut porter le regard sur l'avenir. Et lorsqu'on peut dénoncer les comportements de certains qui font de l'optimisation fiscale totalement abusive, qu'il s'agisse de grandes entreprises ou autres, il me semble que notre État fédéral se doit d'être totalement exemplaire. Ce n'est en l'occurrence pas le cas!

 

Nous reviendrons sur ce sujet et nous vous encouragerons à transformer cette construction fiscale.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de erkenning van socioculturele instellingen" (nr. 26788)

10 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la reconnaissance d'institutions socioculturelles" (n° 26788)

 

10.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dit is een interessant Belgisch probleem, want organisaties en instellingen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, belastingvrije giften innen. Ik verwijs naar artikel 145/33 van het WIB, waarin de verschillende rechtspersonen opgesomd worden die dat kunnen. Zo kunnen zij hun middelen sterker diversifiëren en minder afhankelijk zijn van overheidssubsidies.

 

Ik breng u even de procedure in herinnering, want die is belangrijk voor het vervolg van de vraag. Als men daarvan effectief wil gebruikmaken, dan moet men een erkenningsaanvraag indienen bij de minister van Financiën. Het verkrijgen van een vergunning is aan specifieke, in de wet opgesomde voorwaarden onderworpen en die zijn zeer strikt. Indien alles goed verloopt, dan krijgt men een vergunning om fiscale attesten uit te reiken aan zijn schenkers. De erkenning wordt voor een maximumperiode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren toegestaan. Daarna moet men een nieuwe aanvraag indienen.

 

Bij de aanvraag van organisaties uit het sociaal-cultureel volwassenenwerk hoort een erkenning als culturele instelling. Ik verwijs daarvoor naar de artikelen 145/33, § 1, eerste lid, 1°, d, van het WIB en artikel 63 18/1, § 1, 5° van het koninklijk besluit. Uit de praktijk verneem ik dat hier problemen schuilen. U en uw administratie zien namelijk door de bevoegde Gemeenschap erkende sociaal-culturele organisaties niet steeds als "cultureel", waardoor hun de kans wordt ontnomen belastingvrije giften te ontvangen. Op die manier eigenen de administratie en u, als minister, zich het recht toe te bepalen wat Vlaamse cultuur al dan niet inhoudt — stel u voor — terwijl cultuur een volstrekte gemeenschapsbevoegdheid is.

 

Het is natuurlijk niet evident; ik denk in dat verband aan de regeling met betrekking tot de taxshelter enzovoort. Twee systemen moeten op één lijn geplaatst worden.

 

Wat betreft de erkenning van sociaal-culturele instellingen, zij willen dat hun giften fiscaal aftrekbaar of fiscaal interessant worden. Om deze problematiek op te lossen, stelt de regelgeving dat een advies moet worden gevraagd aan de bevoegde gemeenschapsminister. U zou kunnen zeggen dat het advies duidelijk moet zijn, waardoor een goede afstemming tussen de Vlaamse culturele erkenning en de toekenning van fiscale attesten wordt bereikt. De goede afstemming vindt echter niet plaats. De beslissing van het departement van Financiën wijkt soms af van deze van het departement van Cultuur.

 

Men zou kunnen zeggen dat het advies niet per definitie bindend moet zijn, maar als er geen duidelijke grond of rechtvaardiging wordt meegegeven, dan wordt het natuurlijk problematisch. Het is tevens zo dat u, als minister van Financiën, kunt beslissen of de aanvragende organisatie al dan niet een culturele instelling is, terwijl diezelfde organisatie in Vlaanderen bijvoorbeeld door de minister van Cultuur is erkend en voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 145/33 en 63 18/1, § 1, 3° van het KB. Ik begrijp dat wij hier met een bevoegdheidsoverschrijdend spanningsveld zitten.

 

Waarom worden de erkenningen niet altijd opgevolgd? Wanneer de bevoegde minister van de Gemeenschap een erkenning toedeelt, is het dan niet evident om dat op federaal vlak op te volgen? Is het normaal dat er een opportuniteitsoordeel komt over deze organisaties? Doen wij dan, met nieuwe screenings, geen dubbelwerk? Of zou men het KB of de wet moeten aanpassen, waarin men dan kan stipuleren dat bij een positief advies van de bevoegde gemeenschapsminister voor Cultuur de instelling erkend kan worden om belastingvrije giften te ontvangen? In het departement Welzijn, waar men de zaken maximaal aligneert, gebeurt dit veelvuldig.

 

Ik begrijp uiteraard dat wij met zo'n maatregel nooit weten wie aan het roer zit. Men moet erop toezien dat men zich, indien er veelvuldig erkend zou worden, niet kan laten meeslepen in een fiscaal financieel avontuur. Ik kan mij echter, zelfs dan, niet voorstellen dat hierdoor de vrijgevigheid plots enorm zal toenemen.

 

Het is voor de organisaties uiteraard zeer problematisch wanneer de ene erkend wordt en de andere niet. Misschien kunnen wij tot een cobeslissing komen, zodat een collectief oordeel wordt uitgebracht. Op die manier kan de schuld noch op Vlaams noch op federaal niveau worden gelegd. De beslissingen zouden ook niet contradictorisch genoemd kunnen worden. U voelt aan dat het, zoals het vandaag in elkaar zit, niet optimaal verloopt. Ik vraag dan ook naar uw engagement.

 

10.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, ik zal mij beperken tot de algemene principes. Indien er in uw overwegingen specifieke dossiers spelen, dan kunnen wij het daarover uiteraard ook hebben.

 

Organisaties die als culturele instelling willen worden erkend voor de belastingvermindering voor giften moeten voldoen aan een reeks cumulatieve voorwaarden die in de wet en het uitvoeringsbesluit zijn vastgelegd. De voorwaarden op basis waarvan verenigingen een erkenning en subsidiëring voor hun werking verkrijgen van de bevoegde Gemeenschap en de cumulatieve voorwaarden voor een erkenning in het kader van de federale belastingvermindering voor giften zijn inderdaad verschillend. Een erkenning door een Gemeenschap houdt dus niet automatisch in dat de instelling ook wordt erkend als instelling in het kader van de belastingvermindering voor giften, die een bevoegdheid is van de federale overheid en waarvoor de federale overheid ook de kosten draagt.

 

Het is dan ook logisch dat de federale overheid over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om een instelling al dan niet te erkennen in het kader van een federale belastingvermindering. De federale overheid oefent die beoordelingsbevoegdheid uit, zonder daarbij een opportuniteitsoordeel uit te spreken over een gemeenschapsbevoegdheid. Het klopt dus niet dat mijn administratie of ikzelf een opportuniteitsoordeel zou vellen.

 

Indien uit een onderzoek blijkt dat niet is voldaan aan alle algemene en specifieke voorwaarden, dan wordt de instelling hiervan in kennis gesteld door de administratie. Deze instelling krijgt de kans om binnen een bepaalde termijn hierop te reageren en zich over de voorgelegde feiten en het ingenomen standpunt uit te spreken. Ik zie geen reden om de bestaande procedure te wijzigen. Mijn administratie houdt zich strikt aan de bevoegdheidsverdeling, terwijl uw voorstel eigenlijk tegen deze bevoegdheidsverdeling ingaat. In de procedure wordt een met redenen omkleed advies gevraagd aan de bevoegde minister van de Gemeenschap waaronder de aanvragende instelling valt.

 

Het is dan aan de federale minister van Financiën om de erkenning te verlenen. Het advies van de Gemeenschap is daarbij inderdaad niet bindend.

 

U verwijst in uw vraag naar de procedure die geldt voor bepaalde andere instellingen die een gezamenlijke beslissing vereist van de bevoegde gemeenschapsminister en de minister van Financiën. Wanneer de federale overheid niet instemt met de erkenning van een dergelijke instelling, zal het resultaat in wezen hetzelfde zijn als in de procedure voor culturele instellingen. De desbetreffende instelling zal in dat geval niet worden erkend.

 

10.03  Roel Deseyn (CD&V): Hier rijst de vraag wat cultuur is. Kan men vanuit de overheid twee antwoorden aanbieden? Ik zal een concrete case geven. De vzw Samenhuizen was een door Cultuur erkende sociaal-culturele beweging, maar wordt door de minister van Financiën niet erkend als culturele instelling. Nochtans zijn de formele criteria vervuld met betrekking tot fiscale attesten en heeft de minister van Cultuur een positief advies uitgebracht. Het advies van de minister vermeldt onder andere dat de vzw Samenhuizen erkend is en gesubsidieerd wordt als sociaal-culturele beweging op basis van het decreet, en dat de vzw aan alle voorwaarden voldoet van de door mij reeds geciteerde artikelen.

 

Ondanks de hoedanigheid als Vlaamse culturele organisatie, komt ze niet in aanmerking volgens het federale niveau. De mensen begrijpen niet volgens welke criteria Financiën bepaalt wanneer een organisatie al dan niet een culturele instelling is. Ik geef slechts de case mee, ik wil de discussie niet uitpuren. Het is omdat u erom vroeg. Het gaat over recente beslissingen van 2018. Het advies is gegeven door Cultuur op 10 april 2018. Het werd door uw diensten op 30 maart 2018 opgevraagd.

 

Ik doe ook geen uitspraak ten gronde over dit concrete dossier. Misschien is er een goede reden. Bij gebrek aan een duidelijke motivering is het gênant om federaal als niet-culturele instelling te worden aangemerkt, ondanks de expliciete Vlaamse erkenning. Dat is geen gezonde situatie. Ik zou willen vragen dat deze case nogmaals wordt bekeken en dat er een motivering wordt opgebouwd waarmee we kunnen leven. Natuurlijk kan men niet zomaar bevoegdheden afstaan.

 

(…): (…)

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Mijnheer Deseyn, u krijgt het woord voor uw vraag nr. 26813 over "het bewarend beslag inzake btw".

 

10.04  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, indien u er niets op tegen hebt, zou ik de vraag in een schriftelijke vraag willen omzetten. Het is immers een erg technische vraag met heel wat aspecten en definities. Ik lees het antwoord graag, indien ik het vandaag zou kunnen krijgen.

 

De voorzitter: Vraag nr. 26813 wordt aldus omgezet in een schriftelijke vraag.

 

11 Vraag van de heer Roel Deseyn aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de digital services tax" (nr. 26815)

11 Question de M. Roel Deseyn au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "la taxe sur les services numériques" (n° 26815)

 

11.01  Roel Deseyn (CD&V): Mijnheer de minister, dit is ook een fiscaal zeer technische vraag, maar het gaat natuurlijk over een zeer belangrijke politieke stellingname in het debat dat woedt tijdens de ECOFIN-vergaderingen, onlangs nog tijdens de vergadering van 7 en 8 september, waar er gesproken werd over het voorstel van de Europese Commissie om een tijdelijke omzetbelasting van 3 % te heffen op digitale diensten. Frankrijk heeft toen voorgesteld om een sunset clause in te lassen in het voorstel teneinde te verkrijgen dat het voorstel van de Commissie zou worden aangenomen en van toepassing zou zijn totdat een oplossing gevonden zou worden op het niveau van de OESO.

 

Het voorstel van Frankrijk werd volgens de berichten positief onthaald door landen zoals Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg, terwijl die landen in het begin weigerachtig tegenover het voorstel stonden. Gelukkig is daar een evolutie merkbaar. Ook Italië heeft zich achter het voorstel geschaard.

 

Het zou natuurlijk zeer interessant zijn om te weten welk standpunt België heeft ingenomen tijdens die vergadering. Kunt u dat verduidelijken, mijnheer de minister, ook specifiek rond het voorstel van de sunset clause inzake de omzetbelasting op digitale diensten?

 

Verschilt België nog van mening met Frankrijk of heeft ons land alternatieve voorstellen gedaan? Hoe positioneren wij ons in de discussie? Ik dacht dat ons land eerder positief was hierover, maar ik heb geen informatie over het Belgische standpunt inzake die specifieke clausule. Het zou dan ook goed zijn een stand van zaken te krijgen over dat belangrijk dossier op EU- en OESO-niveau.

 

11.02 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer Deseyn, er groeit inderdaad meer en meer een consensus over het Franse voorstel. Wij stellen immers vast dat de bedrijven waar het hier over gaat, de GAFA's – Google, Amazon, Facebook, Apple – niet direct de bijdrage aan de fiscale inkomsten leveren die men zou mogen verwachten, overall, bij wijze van spreken. Wij steunen dus het voorstel om tot een taxatie over te gaan. De sunsetclausule is daarbij voor ons van groot belang, want het zou uiteraard nog veel interessanter zijn als wij in OESO-verband tot een dergelijke taxatie kunnen komen dan op Europees vlak, want hoe meer landen er meedoen, hoe minder ontsnappings- of optimaliseringsmogelijkheden er zijn.

 

Wij sluiten ons dus aan bij het Oostenrijks voorzitterschap van de Raad in de prioritaire aanpak van dit dossier, met de nadruk op de sunsetclausule, maar wij zijn er ons tegelijkertijd van bewust dat er op dit vlak op het niveau van de OESO op dit moment heel weinig vooruitgang wordt geboekt. Het is dus maar zeer de vraag wanneer wij dat moment van overgang uit de sunsetclausule zullen meemaken.

 

Ik maak van de gelegenheid gebruik om nog even de nadruk te leggen op het volgend element. Wanneer wij over die bedrijven spreken, 20 miljard winst vóór belastingen in één kwartaal, zou er toch meer aandacht moeten zijn voor het aspect monopolie, in de brede zin van het woord. Ik stel met genoegen vast dat bijvoorbeeld mevrouw Vestager daarvoor veel aandacht heeft. Indien er op dat vlak initiatieven zouden komen om tot meer concurrentiële verhoudingen in die markten te komen, dan zullen wij die zeker steunen.

 

11.03  Roel Deseyn (CD&V): Geen kwaad woord over mevrouw Vestager, zolang ARCO niet geregeld is, maar dat geheel terzijde.

 

Inhoudelijk zit het wel goed met het Belgische standpunt, maar het is ook belangrijk voor de politieke steun dat wij ons daarin profileren. Wij worden als stichtend lid toch altijd beschouwd als een stukje van de euromotor. Ik baseerde mij onder andere op enkele berichten van Agence Europe, dat meestal een goed overzicht geeft van de vergaderingen. Er werd gesproken over Denemarken en Luxemburg, maar ik vond niets terug over België. Daarmee geef ik geen kritiek op de houding ter zake, maar het viel mij op. Ik was op zoek, maar ik vond het Belgische standpunt ter zake niet direct terug. Ik vind het heel goed dat wij ons in die groep affirmatief en assertief gedragen, zodat men voelt dat het een mooi Europees project is en dat wij met de lidstaten nog tot akkoorden kunnen komen. Ik juich het standpunt ten gronde toe.

 

11.04 Minister Johan Van Overtveldt: Ik wil er u nog even op wijzen dat ik zelf niet aanwezig was op die ECOFIN-meeting, omdat ik op dat moment op vraag van de premier in België gebleven ben.

 

11.05  Roel Deseyn (CD&V): Mag ik ter aanvulling vragen wie er dan namens België spreekt?

 

11.06 Minister Johan Van Overtveldt: Dat zijn mensen van de permanente vertegenwoordiging, met wie op voorhand afspraken gemaakt worden. Wat zij vertellen, vertellen zij uiteraard in mijn naam. Zij hebben inderdaad kort, maar duidelijk de lijn verdedigd die ik u daarnet aangegeven heb.

 

11.07  Roel Deseyn (CD&V): Misschien verklaart dat waarom het in de pers minder aan bod gekomen is. Bedankt voor die toelichting.

 

De voorzitter: Ik was gisteren aanwezig op de vergadering van de Interparlementaire Conferentie, in het kader van artikel 13. De heer Moscovici was daar ook aanwezig. Hij zei dat hij in de laatste ECOFIN-Raad inzake de digitale economie en de taxatie van de grote technologische bedrijven die bijna geen belastingen betalen, voor de eerste keer positieve signalen gekregen had en dat er naar oplossingen gezocht kan worden, maar dat de concrete bepalingen daarvan – het veronderstelt ook een andere visie op de vennootschapsbelasting – niet meer met de traditionele vennootschapsbelasting inzake winsten benaderd kunnen worden. Hij zei dat er andere parameters ingevoerd moeten worden. In die vergadering waren alle landen aanwezig. Ook de tijdelijke omzetbelasting van 3 % is daar ter sprake gekomen.

 

11.08 Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, men evolueert om allerhande redenen – praktische en legistieke redenen – in de richting van een omzetbelasting, wat, zoals u opmerkt, moeilijk in het kader van een vennootschapsbelasting is in te passen.

 

De voorzitter: Mijnheer de minister, dat is daar toen opgemerkt. Wij moeten op een andere manier over belastingen op bedrijven en vennootschapsbelastingen beginnen te redeneren, op het vlak van omzet en andere parameters. Op basis van winsten is door de lokalisatie van die bedrijven bijna niet mogelijk.

 

Hij geeft aan dat daaraan wordt gewerkt door de Europese Commissie. Ik weet niet in welke mate. De Duitse staatssecretaris voor Financiën, waarvan ik de naam niet ken, heeft daarover een hele uitleg gedaan.

 

De kwestie is echter ook belangrijk voor de toekomst.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

M. Daerden n'étant pas présent et sans nouvelle de sa part, sa question n° 26819 est supprimée.

 

12 Questions jointes de

- M. Paul-Olivier Delannois au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les fonds libyens volatilisés" (n° 26850)

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le rapport de l'ONU sur les fonds libyens gelés en Belgique" (n° 26853)

- M. Dirk Van der Maelen au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les vives critiques formulées à l'encontre de la Belgique dans le dernier rapport du Panel of Experts on Libya" (n° 26873)

- M. Georges Dallemagne au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "les fonds libyens gelés en Belgique" (n° 26885)

- M. Georges Gilkinet au ministre des Finances, chargé de la Lutte contre la fraude fiscale, sur "le respect par un établissement bancaire de ses obligations d'information de la CTIF à la suite du dégel des fonds libyens" (n° 26938)

12 Samengevoegde vragen van

- de heer Paul-Olivier Delannois aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de Libische fondsen die in rook zijn opgegaan" (nr. 26850)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "het VN-rapport over de in België bevroren Libische fondsen" (nr. 26853)

- de heer Dirk Van der Maelen aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de forse kritiek op België in het recentste rapport van het Panel of Experts on Libya" (nr. 26873)

- de heer Georges Dallemagne aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de in België bevroren Libische fondsen" (nr. 26885)

- de heer Georges Gilkinet aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, over "de naleving door een bank van haar informatieverplichting ten aanzien van de CFI met betrekking tot vrijgegeven Libische fondsen" (nr. 26938)

 

12.01  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le président, monsieur le ministre, en mars 2018, un magazine d'information révélait que plus de dix milliards d'euros de fonds libyens gelés en 2011, à la suite d'une décision des Nations Unies, ont disparu de comptes belges entre la fin 2013 et la fin 2017. Depuis la parution de cette information, mon groupe vous interroge régulièrement sur ce sujet. À ma question du 10 juillet dernier, vous avez répondu: "Aucun avoir libyen gelé n'a disparu, je suis formel sur ce point." Pourtant, le groupe d'experts chargé de faire rapport auprès des Nations Unies affirme dans sa lettre qu'il estime que ces versements d'intérêts et autres rémunérations ne sont pas en conformité avec le gel des avoirs, comme indiqué à la page 50 de la missive adressée à la présidente du Conseil de sécurité.

 

Monsieur le ministre, toujours sans interférer dans l'enquête judiciaire en cours, pourriez-vous nous donner votre analyse concernant les conclusions des experts mandatés par l'ONU qui semblent affirmer, contrairement à vos propos de juillet, qu'il y a bien eu libération d'argent au départ de la Belgique?

 

12.02  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le président, monsieur le ministre, cette affaire est très grave, d'autant plus après la lecture des avis des rapporteurs de l'ONU, qui ont enquêté en Belgique.

 

Je vous ai interrogé à plusieurs reprises sur la question de ces fonds libyens gelés en Belgique et pour partie dégelés, sans recevoir de réponse satisfaisante. Ma dernière question avait effectivement trait à cette mission d'enquête de l'ONU au mois de juillet. Entre-temps, les rapporteurs de l'ONU ont remis leur avis sur le dossier. Le point 206 indique que "la résolution s'applique aux avoirs détenus hors de Libye, qui avaient été gelés au 16 septembre 2011, ce qui comprend les rémunérations acquises grâce à ces avoirs après le 16 septembre 2011". Ce point concerne la question des intérêts. L'ONU confirme ce que j'ai dit à plusieurs reprises sur le dossier, qu'il fallait entendre le gel comme étant le capital et les intérêts.

 

Le point 207 stipule que "le groupe d'experts estime que le fait de mettre les intérêts et autres rémunérations à la libre disposition de la Libyan lnvestment Authority va à I'encontre du régime des sanctions". Les activités de la Belgique et de la banque en question sont donc en contradiction avec le régime de sanctions international. Cette situation peut engendrer des malversations ou des détournements de fonds, dans un contexte de menace terroriste, faut-il le rappeler? En clair, le fait que le gouvernement fédéral ait accepté la libération des intérêts des fonds libyens gelés en Belgique était illégal, en contradiction avec les règles européennes. Cette situation est évidemment très grave, vu les enjeux de financement du terrorisme subséquents à ce gel et vu les montants en jeu.

 

Pouvez-vous m'indiquer, monsieur le ministre, si vous avez pris connaissance de l'avis des experts des Nations Unies concernant l'attitude du gouvernement belge par rapport au gel et au dégel de ces fonds libyens? Quelle est votre analyse de cet avis des experts des Nations Unies? Comment allez-vous y réagir? Quelle est la suite de la procédure entamée par les Nations Unies?

 

Plus clairement, qui a pris la décision du dégel de ces fonds? Qui a donné l'autorisation de verser à un bénéficiaire les intérêts de ces fonds? À quelle date? Avec la couverture de quel ministre? Je suppose qu'une décision peut être retrouvée.

 

Vu la gravité des faits, quelles sont les mesures envisagées notamment en termes de sanctions à l'égard de ceux qui auraient commis une erreur ou une mauvaise interprétation du règlement de l'ONU? Pouvez-vous vous engager à ce que toute la clarté et la transparence soient faites sur ce dossier? Moi, j'ai besoin de la collaboration du ministre des Finances et du ministre des Affaires étrangères pour y voir clair. Je pense que c'est ma responsabilité en tant qu'élu, vu les questions quand même inquiétantes qui se posent.

 

Ma deuxième question concerne l'établissement bancaire dans lequel les fonds libyens étaient entreposés et le respect par cet établissement bancaire de ses obligations d'information de la CTIF (Cellule de Traitement des Informations Financières) à la suite du dégel de ces fonds.

 

L'enquête mise en œuvre par l'ONU a mis en évidence le non-respect d'engagements internationaux par l'État belge et un risque de financement d'activités illicites ou clairement problématiques. Dans son rapport, l'ONU parle de risque de malversation et de détournement de fonds.

 

Au-delà de la responsabilité des autorités belges, du gouvernement, celle de l'établissement bancaire concerné est également à questionner. La loi du 11 janvier 1993 qui s'appliquait à ce moment-là et qui est relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, dite loi anti-blanchiment, aurait dû être appliquée à ce cas de figure. Il me semble qu'un signalement aurait dû être effectué auprès de la CTIF par l'établissement bancaire concerné. Cela me semble la logique même.

 

Pouvez-vous m'indiquer si un signalement à la CTIF a été effectué par l'établissement bancaire qui a accepté le versement à un tiers des intérêts des fonds libyens gelés en Belgique? Si oui, quelle suite a-t-elle été donnée par la CTIF à ce signalement? Si non, qu'est-ce qui justifie ce non-signalement par l'établissement bancaire concerné? Si non, une procédure d'enquête ou de sanctions a-t-elle été entreprise à l'égard de l'établissement bancaire concerné qui n'aurait pas respecté les obligations fixées par la loi?  

 

Voilà mes questions précises qui, je l'espère, vont conduire à des réponses précises, monsieur le ministre.

 

12.03  Johan Van Overtveldt, ministre: Monsieur Delannois, monsieur Gilkinet, je peux vous assurer que les fonds des deux entités LIA et LAFICO, gelés à la date du 16 septembre 2011, n'ont pas été dégelés. Le rapport du panel d'experts libyen soulève la problématique des intérêts générés par ces comptes.

 

Pour rappel, dès 2011, mon administration a opté pour une libération des intérêts et a été confortée dans cette position par la pratique des autres États membres de l'Union européenne possédant des fonds libyens gelés ainsi que par le service juridique du Conseil de l'Union européenne, lors de la réunion du groupe RELEX du 20 octobre 2011. Une même interprétation des résolutions et du règlement européen 2016/44 a été adoptée par d'autres pays européens, dont certains sont membres permanents du Conseil de sécurité des Nations Unies.

 

La Belgique a communiqué au panel d'experts l'analyse juridique détaillée fondant cette position. Elle a scrupuleusement donné suite à toutes les demandes du panel et fourni l'intégralité des informations demandées. Vous trouverez l'intégralité du rapport du panel d'experts sur le site des Nations Unies. La recommandation 8 du panel demande au Comité des sanctions Libye de "fournir des directives aux États membres pour ce qui est d'appliquer correctement les dispositions des résolutions en ce qui concerne les versements d'intérêts et d'autres rémunérations acquises grâce aux avoirs gelés". Cela se trouve à la page 58 de la version française du rapport.

 

Ceci démontre le besoin de clarifier l'interprétation correcte à donner aux résolutions en ce qui concerne le versement ou le paiement des intérêts.

 

La Belgique se conformera immédiatement aux directives plus spécifiques à venir émanant du Comité des sanctions.

 

En outre, la Belgique a demandé officiellement, le 22 mars 2018, à la Commission européenne de clarifier le règlement européen 2016/44, qui traite aussi les résolutions de l'ONU sur ce point. Cette demande explicite adressée à la Commission est restée sans réponse jusqu'à aujourd'hui.

 

Quant à la destination des fonds, elle n'est connue que des banques sur les comptes desquelles ces fonds ont été versés, et ce en application des législations relatives à la lutte contre le blanchiment d'argent et le financement du terrorisme.

 

Des contacts ont eu lieu avec les autorités libyennes. Par ailleurs, je peux vous indiquer que la Cellule de Traitement des Informations Financières (CTIF) n'a reçu aucune communication de la part d'établissements bancaires basés en Belgique, suite au règlement européen 965/2011 du 28 septembre 2011 permettant aux États membres d'autoriser le déblocage des fonds détenus par des entités associées au régime libyen.

 

J'attire votre attention sur le fait que la transmission par une entité assujettie d'une déclaration à la CTIF est en toute hypothèse subordonnée à l'existence d'un soupçon de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme. La déclaration de soupçon à la CTIF doit être distinguée des communications en matière de gel des avoirs, qui doivent être adressées exclusivement à l'Administration générale de la Trésorerie.

 

12.04  Paul-Olivier Delannois (PS): Monsieur le ministre, je suis un peu circonspect même si je comprends votre malaise car vous n'avez pas nécessairement toujours été à la manœuvre. Vous avez évoqué 2011 et, là, bien entendu, le rôle de votre prédécesseur actuellement aux Affaires étrangères pourrait être envisagé.

 

J'ai la ferme conviction qu'il s'agit d'une affaire d'État. Et je pèse mes mots quand je dis "affaire d'État". Il s'agit d'une affaire connexe où, souvent, on voit l'ombre du prince Laurent. J'ai souvent l'impression qu'il a eu un régime de défaveur de la part de votre gouvernement. C'est un peu une forme de délit de "sale gueule". Mais je peux vous garantir que je continuerai à vous interroger tant que la lumière sur ces dossiers n'est pas faite car j'ai vraiment l'impression que nous sommes ici devant une sale affaire.

 

12.05  Georges Gilkinet (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, nous avons plusieurs fois dialogué sur le sujet. Comme je l'ai dit, l'avis des experts de l'ONU confirme ce que je vous ai expliqué depuis le début et qui, pour moi, est explicite à la lecture des règlements internationaux concernant le gel. Il faut considérer le capital de départ et les intérêts comme étant les fonds gelés.

 

Il est inexplicable que la Belgique, l'État fédéral, le gouvernement, l'Administration générale de la Trésorerie aient décidé, à un moment, qu'on pouvait donner une autorisation de dégel des intérêts de ces sommes, d'autant plus dans un contexte de risque de financement du terrorisme.

 

Vous n'avez pas répondu à ma question précise visant à savoir à quelle date et par qui avait été prise la décision de dégel de ces intérêts. Vous continuez à vous retrancher derrière des discussions au niveau international d'instances qui n'ont pas de pouvoir de décision, le groupe RELEX. Vous vous retranchez derrière le fait que d'autres pays – précédemment, vous m'aviez dit que c'était l'ensemble des pays – avaient également accepté le dégel de ces intérêts. Il ne s'agit pas de petites sommes car le capital de départ se chiffre en milliards. Il ne s'agit pas de faits anodins, dès lors qu'on est dans un contexte de sanctions internationales et de risque de financement du terrorisme.

 

Suite à ma deuxième question, vous m'indiquez qu'il n'y a pas eu de signalement à la CTIF de la part de l'établissement bancaire concerné. Qui dit signalement à la CTIF ne dit pas "preuve de financement du terrorisme", ne dit pas "dénonciation précise" mais dit "inquiétude" de la part d'un établissement financier qui, à mon sens, n'a pas respecté, lui non plus, une législation, en l'occurrence celle relative à la prévention du blanchiment et du financement du terrorisme. C'est un fait qui s'ajoute à notre questionnement constant sur ce dossier.

 

Je regrette que vous ne soyez pas plus partenaire du Parlement quant à la capacité d'y voir clair. Acceptez-vous oui ou non de jouer à livre ouvert et de nous donner une information complète au regard de ces faits inquiétants? Mon sentiment constant est que la réponse est négative. Vous n'êtes pas partenaire du Parlement à ce sujet et il va falloir utiliser d'autres outils parlementaires si vous n'acceptez pas de jouer cartes sur table en toute transparence, d'autant plus qu'il s'agit de faits qui sont antérieurs à votre prise de fonction.

 

Je vous confirme que je reviendrai vers vous autant de fois qu'il le faudra, en utilisant tous les moyens qui me sont donnés pour obtenir de la transparence sur le sujet. Il est grave que la Belgique soit ainsi pointée par une instance internationale comme les Nations Unies. Cela devrait générer, dans votre chef et dans celui du gouvernement, davantage de réactions que cette volonté constante de vouloir noyer le poisson.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 26895 van mevrouw Smaers wordt uitgesteld.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.20 uur.

La réunion publique de commission est levée à 17.20 heures.