Commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen

Commission des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions

 

van

 

Woensdag 4 februari 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 4 février 2026

 

Après-midi

 

______

 

La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 12 et présidée par M. Denis Ducarme.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.12 uur en voorgezeten door de heer Denis Ducarme.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Actualiteitsdebat over de flexi-jobs en toegevoegde vragen van

- Nathalie Muylle aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De combinatie van een uitkering met een flexi-job" (56012824C)

- Kurt Moons aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De combinatie van een uitkering met een flexi-job en de implicaties voor de arbeidsmarkt" (56012862C)

- Axel Ronse aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De combinatie van een uitkering met een flexi-job" (56012874C)

- Anthony Dufrane aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De impact van de flexi-jobs op de werkgelegenheid en op de Belgische economie" (56012976C)

- Anja Vanrobaeys aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Flexi-jobs en uitkeringen" (56012994C)

- Anne Pirson aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De cumulatie van een uitkering en een flexi-job: coherentie van het systeem en risico's op misbruik" (56013031C)

- Vincent Van Quickenborne aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De flexi-jobs" (56013156C)

- Sarah Schlitz aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het door de regering voorgestane arbeidsmodel (cumulatie van werkloosheid en een flexi-job)" (56013237C)

01 Débat d'actualité sur les flexi-jobs et questions jointes de

- Nathalie Muylle à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le cumul d'allocations et d'un flexi-job" (56012824C)

- Kurt Moons à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le cumul d'allocations et d'un flexi-job et les conséquences sur le marché de l'emploi" (56012862C)

- Axel Ronse à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le cumul d'allocations et d'un flexi-job" (56012874C)

- Anthony Dufrane à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'impact des flexi-jobs sur l'emploi et sur l'économie belge" (56012976C)

- Anja Vanrobaeys à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les flexi-jobs et les allocations" (56012994C)

- Anne Pirson à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le cumul d'une allocation et d'un flexi-job: cohérence du système et risques de dérives" (56013031C)

- Vincent Van Quickenborne à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les flexi-jobs" (56013156C)

- Sarah Schlitz à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le modèle de travail que propose le gouvernement (cumul de flexi-jobs et chômage)" (56013237C)

 

01.01  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, er was de voorbije weken enige heisa over de combinatie van een uitkering en een flexi-job in de media. Laat ik daar duidelijk over zijn. Het standpunt van mijn partij is niet veranderd: wij blijven voorstanders van flexi-jobs, want we hebben dat instrument net zoals dat van de overuren nodig in het licht van een flexibel arbeidsmarktbeleid, des te meer om pieken inzake arbeid op te vangen.

 

Toch staat het systeem vandaag ter discussie, onder andere wanneer een flexi-jobber ook een werkloosheidsuitkering ontvangt voor de dagen waarop hij of zij niet werkt. Voorts worden er ook vraagtekens geplaatst bij de toelating om een thematisch verlof en tijdskrediet met een flexi-job te combineren, weliswaar maar het aantal uren flexi-job die de flexi-jobber voordien al presteerde. En nu heeft men ook vragen bij de combinatie van een flexi-job en arbeidsongeschiktheid.

 

Sommige controleartsen brengen bijvoorbeeld de graad van arbeidsongeschiktheid van 100 % terug naar een van 80 %, omdat ze van mening zijn dat de arbeidsongeschikte werknemer doordat hij of zij toch een flexi-job voor een dag kan uitoefenen, gemakkelijker de stap terug naar de arbeidsmarkt zal zetten. Maar is de flexi-job wel het juiste instrument voor de re-integratie op de arbeidsmarkt? Het Parlement opteert voor de fit note, die aangeeft wat werknemers wel of niet nog kunnen, om zo werknemers weer aansluiting op de arbeidsmarkt te laten vinden. Men begint met één of twee dagen werken of halftijds te werken om nadien hopelijk opnieuw voltijds aan de slag te kunnen. Staat het systeem van de flexi-jobs dat doel niet deels in de weg en zorgt het er niet voor dat mensen de stap naar de arbeidsmarkt net niet zetten?

 

Wat is uw visie daarop, mijnheer de minister? Vindt u de regels rechtvaardig? Moeten we ze niet bijsturen precies met als doel dat werknemers sneller weer aan de slag gaan in structurele jobs?

 

01.02  Kurt Moons (VB): Mijnheer de minister, 8000 werknemers in België combineren een uitkering met een flexi-job. Het gaat daarbij onder meer om personen in ouderschapsverlof, tijdskrediet of loopbaanonderbreking, alsook om werklozen en langdurig zieken. Met de uitbreiding van het toepassingsgebied van flexi-jobs kan worden verwacht dat het fenomeen nog toeneemt. Die evolutie roept vragen op over het effect van de maatregelen inzake arbeidsmarkt en uitkeringen. Ook al is het bijverdienen bij een uitkering voor bepaalde groepen een manier om arbeid en privéleven te verzoenen of om de stap naar gedeeltelijke werkhervatting te zetten, er zijn toch vraagtekens te plaatsen bij de verhouding tussen primaire tewerkstelling, bijverdienstatuten en uitkeringsstelsels.

 

Bovendien verschillen de regels rond gedeeltelijke werkhervatting sterk verschillen, naargelang de betrokkene een werkloosheidsuitkering, dan wel een ziekte- of invaliditeitsuitkering of nog een tegemoetkoming voor personen met een handicap ontvangt, wat de transparantie en begrijpelijkheid van het systeem niet altijd ten goede komt. Ook de regionale context speelt altijd mee: de arbeidsmarktsituatie in Vlaanderen verschilt aanzienlijk van die in Wallonië en Brussel, wat mogelijke gevolgen heeft voor de impact van flexi-jobs.

 

Ten eerste, hoe kan men belastingvrij bijverdienen in een tweede job zonder effectief een eerste job uit te oefenen? Houdt de wet op flexi-jobs er geen rekening mee dat sommige flexi-jobbers niet effectief werken, ondanks een lopende arbeidsovereenkomst?

 

Hebt u cijfers van het exacte aantal mensen die een flexi-job combineren met een uitkering? Hoeveel zijn er dat in elk gewest?

 

Hoe analyseert u de toename van het aantal personen dat een uitkering combineert met een flexi-job? Ziet u dat veeleer als een tijdelijk fenomeen of als een structurele evolutie?

 

Welke effecten heeft de combinatie volgens u op de primaire arbeidsmarkt en op de duurzame voltijdse tewerkstelling?

 

In welke mate acht u de regels rond gedeeltelijke werkhervatting coherent en gelijklopend met de verschillende uitkeringsstelsels?

 

Ziet u verschillen in de impact van flexi-jobs tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel? Hoe houdt het federale beleid rekening met die uiteenlopende arbeidsmarktrealiteiten?

 

01.03  Axel Ronse (N-VA): Wie wil er een Fanta Zero winnen? Ik heb een eerste quizvraag, misschien voor mevrouw Moscufo, namelijk wat is de voorwaarde voor de uitoefening van een flexi-job. Kan daar niemand op antwoorden?

 

01.04  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Vous posez la question des conditions pour pouvoir travailler dans le cadre d'un flexi-job?

 

01.05  Axel Ronse (N-VA): Oui!

 

01.06  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Il faut avoir un travail, déjà. Minimum en 4/5e.

 

01.07  Axel Ronse (N-VA): Oui, en 4/5e, durant le troisième trimestre avant le début du flexi-job.

 

01.08  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Mais j'espère que vous n'êtes pas en train de me faire passer un examen, car l'école, pour moi, c'est fini depuis longtemps.

 

01.09  Axel Ronse (N-VA): Vous avez la plus grande distinction!

 

01.10  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): C'est très bien! Mais je ne veux pas de flexi-job, j'aime autant vous le dire!

 

01.11  Axel Ronse (N-VA): Non, mais vous gagnez quand même un Fanta Zero.

 

Het gaat hier over mensen die minimaal negen maanden vier vijfde hebben gewerkt in het derde kwartaal voorafgaand aan de flexi-job bij een andere werkgever dan degene bij wie men de flexi-job doet. Dat is een zeer belangrijke nuance. Dat betekent dat mensen die uitkeringsgerechtigd werkloos zijn en vandaag een flexi-job uitoefenen, een beperkte groep uitmaken. Een tweede punt is dat voor mensen die ziek zijn en een flexi-job uitoefenen, hetzelfde geldt. Daarenboven moeten zij, als zij een flexi-job uitoefenen, de toelating krijgen van de adviserend geneesheer. Dat is net een momentum om hun arbeidsongeschiktheid mogelijk te herevalueren.

 

Hetzelfde geldt voor ouderschapsverlof. Stel u voor dat mevrouw Moscufo vast in dienst is bij Aldi. Zij heeft daar minstens vier vijfde gewerkt en doet ook nog elke week een flexi-job bij de bakker. Op een zeker moment krijgt mevrouw Moscufo kinderen. Is het dan zo erg dat zij bij die bakker blijft flexi-jobben tijdens haar ouderschapsverlof? Nee toch? Ik zie dus eigenlijk in heel die communiqué weinig problemen.

 

Wel merk ik dat veel mensen in een klassiek werknemersstatuut soms de ogen uitkijken over wat met flexi-jobs al dan niet kan. We moeten vooral een lastenverlaging doorvoeren voor de klassieke werknemersstatuten.

 

Maar goed, die 8.000 mensen hebben kennelijk veel deining veroorzaakt.

 

Mijnheer de minister, is het legitiem dat iemand die een uitkering krijgt wegens ziekte of werkloosheid zeer lang als flexi-jobber blijft doorwerken? Kan dat in de tijd worden afgetopt, zodat zulke situaties zich niet meer kunnen voordoen?

 

01.12  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik denk dat er toch nog een aantal onduidelijkheden bestaan rond flexi-jobs en uitkeringen.

 

HLN berichtte dat tegenwoordig 8.000 mensen hun uitkering voor ouderschapsverlof, tijdskrediet, werkloosheid of soms ziekte, combineren met een flexi-job. Dat leidt ertoe dat mensen die één of twee dagen per week een flexi-job uitoefenen, netto bijna evenveel hebben of zelfs meer verdienen dan wanneer zij voltijds zouden werken.

 

Sommige van die uitkeringen, combinaties en cumulregelingen zijn helemaal wettelijk. Ze zijn soms ook noodzakelijk voor die gezinnen en alleenstaanden. Tegelijk wordt er gewaarschuwd voor het risico op een zogenaamde inactiviteitsval en natuurlijk voor de verdere uitholling van de fiscale en sociale basis van arbeid.

 

Ik heb daarover een aantal vragen.

 

Ten eerste, hoe kijkt u zelf naar die cijfers? Hoe beoordeelt u die, zeker wanneer u weet dat mensen soms een hoger netto-inkomen hebben dan bij een gewone voltijdse tewerkstelling?

 

In een tweede punt heb ik, zonder dat ik die nu allemaal zal opsommen, ook een aantal cijfers gevraagd, bijvoorbeeld over het type uitkering. Wat wordt er gecumuleerd? Gaat het vooral om loopbaanonderbreking, of werkloosheid? In welke sector wordt de loopbaanonderbreking opgenomen en in welke sector de flexi-job? Als het een verlofstelsel met loopbaanonderbreking betreft, wordt de flexi-job dan vaak op dezelfde dag uitgeoefend als de loopbaanonderbreking of niet?

 

Daarnaast heb ik nog een aantal vragen over de cumulatie met RVA-uitkeringen. Vandaag kan een flexi-job worden gecombineerd met RVA-uitkeringen onder strikte voorwaarden. Er is een aangifteplicht, er is impact op de uitkeringen en er gelden dag-per-dagregels bij tijdelijke werkloosheid. Voor tijdskrediet of loopbaanonderbreking geldt dat de flexi-job al voor die onderbreking moest worden uitgeoefend en dan kan die worden voortgezet. Worden op de naleving van die cumulregels controles uitgeoefend? Indien ja, werden er overtredingen vastgesteld en hoeveel dan, graag uitgesplitst per type uitkering? Werden er bedragen teruggevorderd en om welke bedragen gaat het?

 

Aangezien er strikte cumulregels gelden, vraag ik mij af of werknemers voldoende geïnformeerd zijn over die regels en over hun aangifteplicht. Op welke manier gebeurt die informatieverstrekking en ziet u daarbij nog mogelijkheden tot verbetering?

 

Mijn laatste vraag is hoe u daar zelf naar kijkt. Denkt u dat er nog zaken moeten veranderen om inactiviteitsvallen te vermijden, zonder daarbij mensen te viseren die al een flexi-job deden en nadien werkloos zijn geworden?

 

01.13  Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le ministre, 8 000 personnes exercent actuellement un flexi-job tout en bénéficiant d'un revenu de remplacement, qui peut être une allocation de chômage, un congé pour soins ou encore une incapacité de travail reconnue. Cette situation est légalement encadrée et soumise à des conditions strictes. Cependant, elle pousse à s'interroger sur la finalité du dispositif des flexi-jobs.

 

À l'origine, ils ont été conçus comme un instrument de flexibilité pour permettre à des travailleurs déjà actifs à temps plein ou quasi à temps plein d'obtenir un complément de revenu non imposé. Aujourd'hui, leur extension progressive à d'autres profils, sans compter la perspective d'une généralisation à l'ensemble des secteurs à l'horizon 2026 soulève des questions de cohérence ainsi que des questions au niveau des objectifs de taux d'emploi, d'activation durable et de lisibilité du marché du travail.

 

Dans ce contexte, certains acteurs économiques plaident pour une restriction du dispositif afin qu'il ne devienne pas un levier fiscal qui s'ajoute à un revenu de remplacement. D'autres acteurs soulignent le rôle potentiel des flexi-jobs comme outil de reprise progressive d'activité, notamment pour les personnes qui sont en incapacité de travail partiel ou encore en transition professionnelle.

 

Monsieur le ministre, j'ai trois questions. Comment le gouvernement évalue-t-il aujourd'hui l'impact des flexi-jobs exercés par les bénéficiaires d'allocations sur l'activation du marché du travail et surtout sur l'équité entre les travailleurs? Quels garde-fous existent-ils, ou sont-ils envisagés, pour éviter le détournement du régime, en particulier à l'approche de son extension à tous les secteurs? De quelle manière, selon vous, cette évolution s'inscrit-elle dans une vision globale du coût du travail et de l'attractivité de l'emploi classique pour que les flexi-jobs demeurent un outil ciblé et cohérent, et pas une réponse structurelle à une pression fiscale excessive sur le travail?

 

01.14  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, we stonden samen, lorsque vous étiez parlementaire, et moi aussi, aan de wieg van de flexi-jobs. Wij liberalen zijn daarmee gestart in 2015. Ze zijn vandaag, meen ik, het grootste succes van de jongste 40 of 45 jaar op de arbeidsmarkt.

 

Ik zeg dat zonder schroom. Meer dan 200.000 mensen oefenen vandaag een flexi-job uit. Ze doen dat ten eerste uiteraard om iets extra’s te kunnen verdienen, want bruto is daar netto. Ten tweede zorgen ze ervoor dat de tekorten op de arbeidsmarkt verminderen. Wees gerust, heel wat mensen uit de horeca, bakkers en beenhouwers, zeggen dat het een geluk is dat flexi-jobs bestaan. Een voorbeeld, mijnheer de minister. De supermarkten zijn nu op zondag open doordat er flexi-jobbers op zondag willen werken. Dat is een fantastische zaak. Ten derde, jonge mensen van generation Z, waarvan er niet zoveel hier in de zaal zitten, werken veel flexibeler. Ze combineren jobs, ook met flexi-jobs. Het is dus iets wat futureproof is.

 

Ik heb twee vragen voor u. Ten eerste, de regering is van plan de flexi-jobs uit te breiden naar alle sectoren. Wij zijn daar altijd al voorstander van geweest. Het is een goede zaak en we gaan dat 100 % steunen. Dat weet u. Maar het probleem is, mijnheer minister, dat u dat hebt beloofd voor 1 april van dit jaar. Ik heb echter gehoord dat het niet in de programmawet zit. Die programmawet moet nog naar het Parlement komen. Er moet nog een tweede lezing zijn. Ze moet nog naar de Raad van State en ik hoor dat er in de publieke sector nog discussies zijn.

 

Je crains donc que ce ne soit pas prêt pour le 1er avril 2026. Dès lors, monsieur le ministre, ma première question est très simple: cela sera-t-il prêt, oui ou non, pour le 1er avril?

 

Mijn tweede vraag gaat over het mogelijke misbruik. De bedoeling van de flexi-jobs is om mensen die al een job hebben een extra job te laten uitoefenen. De bedoeling is nooit geweest om mensen met een uitkering een flexi-job te laten uitoefenen. Dat is nooit de bedoeling geweest.

 

Vandaag zien we echter dat 8.000 mensen - gelukkig is dat niet de grote meerderheid - er de kantjes van af lopen.

 

Het Kortrijkse verhaal is trouwens niet gestart met het artikel van de heer Bossaert van een of twee weken geleden. Twee maanden verscheen er een artikel in Het Laatste Nieuws. Een afwasser in een horecazaak in Kortrijk werd ziek en arbeidsongeschikt verklaard. Twee weken later was die persoon actief als afwasser in een viswinkel in Kortrijk. Ik weet perfect over welke zaken het gaat, ik ken ze allebei. De eigenaar van die viswinkel wist zelfs niet dat die persoon arbeidsongeschikt was. Mijnheer Ronse, als u dat durft te verdedigen, dan weet ik het niet meer.

 

Ik denk niet dat het de bedoeling is dat mensen met een uitkering door een flexi-job meer verdienen dan mensen die voltijds werken. Dat kan niet de bedoeling zijn, noch als het gaat over werkloosheid, noch als het gaat over arbeidsongeschiktheid. Mijnheer de minister, dat is nooit de bedoeling geweest van de wetgever. Ik hoop dus dat u dat effectief wilt herstellen en rechtzetten.

 

Het probleem is immers dat die 8.000 mensen die er de kantjes van af lopen, het hele systeem onder druk zetten. De communisten en andere partijen die radicaal tegen zijn, grijpen dit nu immers aan om het hele systeem te begraven, om het kind met het badwater weg te gooien. Dat mag u niet laten gebeuren.

 

Mijnheer de minister, breid het uit. Veralgemeen het naar alle sectoren, zo snel mogelijk, en roep degenen die daar misbruik van maken een halt toe. Met alle sympathie, maar die 8.000 gevallen zijn voor ons niet aanvaardbaar. Ik hoor dat ook sommigen in de meerderheid daar zo over denken. Collega’s, we staan klaar om dit te herstellen.

 

01.15  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, si vous prenez le Voka, le cabinet Clarinval et Anvers, vous avez un triangle, le triangle des Bermudes, dans lequel se sont retrouvées 8 000 personnes qui, aujourd'hui, touchent une allocation tout en travaillant en flexi-job. Franchement! Et Les Engagés regardent depuis leur radeau en se disant: "Houla, qu'est-ce qu'on a fait?"

 

Avec votre gouvernement, vous avez fait de l'augmentation des flexi-jobs un objectif politique: des flexi-jobs partout, tout le temps, dans tous les secteurs, sans aucune évaluation du système mis en place en 2013, alors que c'était un engagement. Et là, vous atteignez votre objectif, soit une augmentation de 18 % du volume de flexi-jobs dans notre pays. On constate donc que des personnes cumulent des temps partiels ou flexi-jobs. Elles ne le font pas par plaisir, mais parce que la réalité devant laquelle vous les placez fait en sorte que c'est plus avantageux pour elles, seulement à court terme évidemment puisqu'elles ne cotisent pas pour leur droit à la pension ou au chômage. À court terme, ces choix-là sont favorisés, poussés, incités par vos politiques.

 

Le marché du travail est marqué aujourd'hui par des salaires insuffisants et une qualité de l'emploi dégradée. Une nouvelle étude sortie voici une semaine montre d'ailleurs qu'il y a de plus en plus de travailleurs pauvres à travers le monde, également en Belgique.

 

01.16  Vincent Van Quickenborne (Anders.): (…)

 

01.17  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Mais bien sûr, monsieur Van Quickenborne. Je vous enverrai le rapport de l'Organisation internationale du Travail (OIT).

 

Il y a, ensuite, une pression accrue sur les droits sociaux et une promotion de statuts faiblement cotisés qui présentent des solutions à la pénurie ou au pouvoir d'achat.

 

Aujourd'hui, pour justifier vos réformes, vous invoquez systématiquement avec vos collègues – on en parlait hier encore avec M. Jambon – la préservation à tout prix de la sécurité sociale. Or on constate qu'on est en train de vider structurellement les caisses de la sécurité sociale en multipliant les systèmes de type flexi-job mais aussi les heures supplémentaires défiscalisées. À cela s'ajoute le fait de pouvoir travailler comme étudiant, également dans un contexte où on ne cotise pas. Ces systèmes sont en concurrence directe avec la création d'emplois durables, stables et en CDI qui permettent de cotiser pour la sécurité sociale, et donc de financer les pensions d'aujourd'hui et de demain et de constituer des droits à ces personnes.

 

Monsieur le ministre, avez-vous anticipé le fait que vos réformes rendent aujourd'hui économiquement rationnel l'évitement du travail à temps plein? Comment comptez-vous garantir le financement de la sécurité sociale dans un système qui favorise structurellement des emplois peu ou pas cotisants? Enfin, où placez-vous concrètement la limite politique à l'extension des flexi-jobs, y compris lorsqu'ils entrent en concurrence directe avec l'emploi classique?

 

01.18  Anthony Dufrane (MR): Les derniers chiffres de l'ONSS relèvent une croissance remarquable des flexi-jobs en Belgique, entre le deuxième trimestre 2024 et le deuxième trimestre 2025. Le nombre de flexi-jobeurs a augmenté de 17,8 %, le nombre de postes pourvus de plus de 18 %, et le volume de travail de 21 %. Depuis leur lancement en 2015, ce régime a été étendu à de nombreux secteurs. Cette progression s'inscrit dans un contexte économique marqué par une croissance morose et une pénurie de main d'œuvre qualifiée dans plusieurs secteurs.

 

Alors que les flexi-jobs semblent répondre à des besoins tant pour les employeurs que pour les travailleurs, il est essentiel d'analyser leur impact sur l'emploi, leur contribution à l'économie et les perspectives d'évolution de ce régime.

 

Mes questions sont les suivantes: premièrement, comment évaluez-vous l'impact des flexi-jobs, notamment en termes de création d'emplois, de flexibilité pour les entreprises et de soutien au pouvoir d'achat des travailleurs? Deuxièmement, quels sont les nouveaux publics touchés par les flexi-jobs? Comment leur profil a-t-il évolué depuis l'extension de ce régime à de nouveaux secteurs? Ensuite, quels sont les secteurs qui bénéficient le plus des flexi-jobs et comment cette main d'œuvre complémentaire influence-t-elle leur compétitivité et leur capacité à faire face aux fluctuations économiques? Pour conclure, dans un contexte économique incertain, marqué par une faible progression du pouvoir d'achat et des mesures d'austérité, les flexi-jobs pourraient-ils devenir une solution structurelle pour maintenir l'activité économique et soutenir la consommation des ménages?

 

Je vous remercie d'avance pour vos réponses et je m'excuse d'ores et déjà pour la réplique que je ne saurai pas prononcer parce que je devrai rejoindre votre collègue Simonet pour discussion de la note de politique générale.

 

01.19  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, mijnheer Van Quickenborne, ik ben zaterdag naar de ABVV-receptie geweest bij ons in Ronse. Daar waren ook een paar leden van de PVDA aanwezig en veel mensen van Vooruit. Er waren heel wat syndicalisten, het was erg gezellig.

 

Ik werd aangesproken door buschauffeur Rony. Hij vertelde mij: "Robin, je weet, ik ben van Vooruit, jij bent van de PVDA. De volgende keer dat je de minister van Werk Clarinval ziet, spreek hem dan eens aan over de flexi-jobs en over hoe zwaar mijn job onder druk komt te staan door dat systeem." Vroeger had hij een vast uurrooster en af en toe een weekendshift. Dat vond hij heel plezant. Het ging vaak om het vervoer van voetbalsupporters naar en van het stadion om hen veilig naar huis te brengen. Sinds kort krijgt hij die shift echter niet meer. Die weekendshift is weggevallen en wordt nu ingevuld door flexi-jobbers. Het gaat om mensen die tijdens de week bij een concurrerende busfirma werken en in het weekend zijn goede shift inpikken. Daardoor komen die jobs onder druk te staan, want zijn loon daalt.

 

Ik vroeg hem wat hij nu zou doen. Hij antwoordde dat hij misschien zelf ook maar een flexi-job moest gaan zoeken bij een andere busfirma. Zo zet men de hele sector onder druk. Dat zijn heel concrete gevolgen van een slecht systeem.

 

Mijnheer Van Quickenborne had het over de horeca. In de horecasector wordt momenteel onderhandeld over een sectorakkoord. Die onderhandelingen zijn vastgelopen, omdat de vertegenwoordigers van de werknemers een betere koopkracht, kwaliteitsvol werk en duurzame loopbanen eisen. De werkgevers antwoorden echter met meer werkdruk, hogere flexibiliteit en dreigen met de inzet van flexi-jobs. Vaste tewerkstelling komt dus onder druk te staan door flexi-jobs.

 

Mijnheer de minister, bent u zich bewust van die problemen op het terrein?

 

Le président: D’autres collègues souhaitent-ils se joindre? (Non) Dans ce cas, vous avez la parole, monsieur le ministre.

 

01.20  David Clarinval, ministre: Plusieurs députés m’ont demandé mon appréciation à propos des flexi-jobs en général.

 

J'aimerais donc tout d’abord vous dire – et le faire devant M. Van Quickenborne, qui est l’un des pères fondateurs de la politique des flexi-jobs avec les autres libéraux – que mon appréciation est évidemment très positive. Je peux même dire qu’il s’agit d’une véritable success story. Elle l’est avant tout pour les travailleurs qui souhaitent utiliser ce système afin d’arrondir leurs fins de mois. Elle l’est également pour les employeurs, qui peuvent ainsi répondre à des pics d’activité ou à des vacances d’emploi qu’ils ne parvenaient pas à combler. Enfin, contrairement à ce qui est affirmé par certains ici, c’est aussi une chose positive pour l’économie belge dans son ensemble.

 

Le gouvernement s’est fixé pour objectif de tendre vers un taux d’emploi de 80 %. À cette fin, nous allons accroître la différence entre le fait de travailler et celui de ne pas travailler, en misant sur la réduction des charges afin de créer des emplois supplémentaires, de préférence des emplois fixes à temps plein.

 

Par ailleurs, le marché du travail en Belgique demeure aujourd’hui trop rigide par rapport à celui de nos voisins. C’est pourquoi nous continuons à miser sur la modernisation du droit du travail et sur une plus grande flexibilité. Les flexi-jobs peuvent répondre aux besoins spécifiques tant des employeurs que des travailleurs. Pour les travailleurs concernés, ils constituent une source de revenus complémentaires. Pour les employeurs, ils permettent de faire face aux pics d’activité et à la pénurie de main-d’œuvre sur le marché du travail.

 

Il convient également de garder à l’esprit que toute forme d’emploi contribue à l’activité économique de notre pays, au pouvoir d’achat et, par conséquent, au financement des pouvoirs publics et de la sécurité sociale. Bien que les cotisations sur les flexi-jobs soient moins élevées, il est probable que, sans ce statut, ces emplois ne seraient ni créés ni exercés, ce qui serait préjudiciable tant pour les travailleurs que les pouvoirs publics. Comme vous le savez, les flexi-jobs sont particulièrement adaptés aux entreprises confrontées à une charge de travail irrégulière, à des pics saisonniers ou à des pénuries structurelles de personnel.

 

Le fait que les travailleurs et les retraités puissent arrondir leurs fins de mois de manière fiscalement avantageuse augmente l’offre de main-d’œuvre et permet d’atténuer la pénurie sur le marché du travail. Les données les plus récentes de l’ONSS indiquent également une augmentation de la proportion de retraités parmi les flexi-jobbers. Au deuxième trimestre 2025, ceux-ci représentent 18,7 % de l’ensemble des flexi-jobbers, mais assurent 29,2 % du volume de travail.

 

En ce qui concerne les secteurs au deuxième trimestre 2025, l’horeca, suivi du secteur de l’intérim et du commerce, reste celui qui compte le plus grand nombre de flexi-jobs. Comme vous le savez, des données statistiques plus détaillées sont disponibles sur le site internet de l'ONSS.

 

Enfin, je me permets de mentionner les analyses dont le Bureau fédéral du Plan et la Cour des comptes ont été légalement chargés et qui ont été récemment transmises au Conseil National du Travail. Les conclusions définitives sont attendues pour cet été.

 

En ce qui concerne les questions relatives à la combinaison d'allocations avec un flexi-job, je tiens tout d'abord à préciser les éléments suivants. L'avant-projet de loi relatif à l'extension des flexi-jobs à l'ensemble des secteurs, que j'ai élaboré conjointement avec le collègue Vandenbroucke, a été approuvé en première lecture en Conseil des ministres le 5 décembre 2025. Il est actuellement soumis aux différentes procédures d'avis prévues pour le secteur public. L'avis de la Commission Entreprises publiques a déjà été rendu le 6 janvier dernier. Celui du Comité A est attendu prochainement. Le projet sera ensuite transmis au Conseil d'État avant d'être soumis au Parlement sous la forme d'une loi distincte.

 

Nous comprenons que de nombreux secteurs attendent cette extension, mais nous devons suivre les procédures obligatoires afin de créer un cadre juridique. En guise de parenthèse, vous devez savoir que c'est l'un des dossiers à propos desquels je reçois le plus de courrier au cabinet. C'est incroyable: chaque jour, de nombreuses personnes me demandent, à l'instar de M. Van Quickenborne, quand elles vont pouvoir travailler en flexi-job, car elles aimeraient bien le faire, mais sans que ce soit possible pour le moment. D'autres branches d'activité me signalent qu'elles souhaiteraient engager des flexi-jobs, mais qu'elles ne peuvent le faire pour l'instant. C'est l'un des courriers que je reçois le plus fréquemment au cabinet. Les situations évoquées dans différents articles de presse ne sont, dès lors, ni neuves ni le fruit de cette nouvelle réglementation. 

 

Toutefois, il est exact que, pour autant que les conditions requises pour exercer un flexi-job soient remplies, il n'existe en principe aucun obstacle au regard du droit du travail à en exercer un pendant une période d'interruption de carrière, par exemple pendant un congé parental ou un crédit-temps, une période de chômage ou de maladie. Cependant, plusieurs règles strictes s'appliquent à cet égard en ce qui concerne le cumul d'un flexi-salaire et d'une allocation d'interruption.

 

Ainsi, les allocations d'interruption pendant un congé parental ou un crédit-temps peuvent être cumulées avec une activité complémentaire de salarié, à condition que celle-ci ait déjà été exercée durant au moins trois mois – ou douze mois en cas de crédit-temps – avant le début du congé parental ou du crédit-temps. Le nombre d'heures de cet emploi complémentaire ne peut pas dépasser le nombre d'heures de l'activité principale qui est suspendue ou réduite.

 

Il n'est pas illogique qu'un flexi-job préexistant puisse être combiné avec un statut dans lequel l'emploi proprement dit est suspendu, comme le congé parental. Cependant, une combinaison avec une allocation dans laquelle il n'y a plus de lien avec un contrat de travail sous-jacent semble, sauf en cas de retraite évidemment, soulever des questions au regard de la même logique. Cela s'applique en tout cas à la combinaison d'un flexi-job et d'une allocation de chômage.

 

Toutefois, des conditions strictes s'appliquent également dans ce cas, notamment l'obligation d'avoir travaillé au moins à quatre cinquièmes pendant le troisième trimestre précédant l'exercice du flexi-job. Par conséquent, la combinaison flexi-job et allocations de chômage ne sera possible que pendant la période où cette condition est remplie, c'est-à-dire une très courte période.

 

Attention, en ce qui concerne la combinaison avec les indemnités de maladie, il convient toutefois de nuancer l'une ou l'autre chose.

 

Enerzijds zijn er personen die arbeidsongeschikt zijn verklaard en van de adviserende arts de toestemming hebben gekregen om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Het is positief dat zij het werk kunnen hervatten via onder meer een flexi-job, aangezien dit type tewerkstelling met een beperkte omvang is afgestemd op hun resterende arbeidscapaciteit. Het stelt hen in staat professioneel actief te blijven, sociaal contact te onderhouden en geleidelijk opnieuw in te stromen op de arbeidsmarkt, zonder hun herstel in het gedrang te brengen of hun recht op ziekte-uitkering te verliezen.

 

Anderzijds kan de vraag worden gesteld of de terugkeer naar werk in de eerste plaats bij de eigen werkgever moet worden aangemoedigd, dan wel via een flexi-job. Dat neemt niet weg dat sinds de invoering van de re-integratietrajecten binnen ondernemingen de geleidelijke werkhervatting bij de oorspronkelijke werkgever in de praktijk de eerste voorkeursoptie vormt, voor zover de werknemer eraan meewerkt.

 

In het kader van de hervorming RIT 3.0, die in werking is getreden op 1 januari 2026, werd een sanctiesysteem ingevoerd wanneer de werknemer zich niet aanbiedt bij de arbeidsarts, ook al nemen deze procedures noodzakelijkerwijs tijd in beslag. Bovendien behoudt de werkgever de mogelijkheid om na zes maanden arbeidsongeschiktheid de arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens medische overmacht. We sluiten echter onze ogen niet voor het feit dat er ook misbruik van het systeem kan gemaakt worden, waarbij personen zich ziek melden bij hun werkgever, maar ondertussen elders een flexi-job uitoefenen en dit zonder de vereiste toestemming om een beroepsactiviteit uit te oefenen.

 

Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Dergelijke misbruiken veroordeel ik dan ook ten stelligste. In samenwerking met het hiertoe bevoegde kabinet van minister Vandenbroucke onderzoeken wij momenteel welke maatregelen kunnen worden genomen om een einde te maken aan deze misbruiken van ons socialezekerheidsstelsel. De betrokken diensten – RIZIV, RSZ, RVA en FOD WASO – werd gevraagd om een omstandige analyse te maken en gepaste maatregelen voor te stellen. Collega Vandenbroucke en ikzelf zullen dan elk in ons beleidsdomein ook hiermee verder aan de slag gaan.

 

Mevrouw Vanrobaeys, u vroeg een heel aantal cijfers over onder andere het aantal controles. De mondelinge toelichting hiervan in de commissie zou te lang duren, maar mijn medewerkers zullen u de gegevens waarover we beschikken na deze vergadering schriftelijk bezorgen, via het secretariaat natuurlijk.

 

Ik wil toch ook benadrukken dat er vandaag wel degelijk controles worden uitgevoerd, maar een en ander kan mogelijks verbeterd worden. Het zal uiteraard van belang zijn de ziekenfondsen hierin te betrekken. Dit zal gebeuren via het RIZIV.

 

Verder tonen deze situaties het belang en de noodzaak aan van de invoering van een intelligent systeem voor gegevensdeling en van realtime controles tussen de overheidsdiensten. Een dergelijk systeem zal ons in staat stellen misbruiken van de sociale zekerheid doeltreffender aan te pakken, terwijl burgers te goeder trouw worden beschermd en de administratieve lasten worden verminderd.

 

Daarnaast zal het inderdaad noodzakelijk zijn de burgers duidelijk te informeren over wat wel en wat niet is toegestaan inzake de cumulatie van een flexi-job met andere uitkeringen, evenals over de passende maatregelen die genomen zullen worden om misbruiken te voorkomen en te bestrijden.

 

Ook hiertoe wil ik me, samen met collega Vandenbroucke en met de betrokken diensten, engageren.

 

01.21  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt zeer uitgebreid de meerwaarde van het systeem van flexi-jobs toegelicht. Voor mij is dat systeem ook een noodzakelijk instrument in een modern arbeidsmarktbeleid.

 

Mijn standpunt ligt dicht bij dat van de heer Van Quickenborne, namelijk dat het niet de bedoeling kan zijn dat mensen die een uitkering krijgen met een flexi-job starten op het moment dat zij ziek zijn. Er gelden strenge regels voor tijdskrediet, voor mensen met een loopbaanonderbreking, voor thematische verloven. Ook mensen die een flexi-job doen als zij werkloos zijn, verliezen hun uitkering op die dag. Voor ziekte bestaat vandaag echter alleen de regel dat men de goedkeuring van een controlearts moet hebben, zonder dat de voorgeschiedenis wordt nagegaan. Dat iemand die al jaren een flexi-job in de horeca doet en ziek wordt in zijn hoofdjob zijn flexi-job kan blijven uitoefenen, is misschien nog ergens logisch, maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat men tijdens een ziekteperiode met een flexi-job kan starten?

 

We nemen voortdurend maatregelen om mensen in langdurige ziekte opnieuw de connectie met de arbeidsmarkt te laten maken via terug-naar-werk- en integratietrajecten. We zijn daar zeer sterk mee bezig om die stap mogelijk te maken en progressief op te bouwen. U ontmoedigt hen vandaag echter. Mensen kunnen hun arbeidsongeschiktheid combineren met 20 % behoud van hun uitkering als men één dag in de week een flexi-job doet. Op termijn zullen mensen zeggen dat zij niet meer progressief gaan werken, omdat het voor hen nadelig is. Ik denk dat we de combinatie van arbeidsongeschiktheid en flexi-jobs echt moeten onderzoeken.

 

Een argument dat ik nog niet heb gehoord, is dat we ook moeten denken aan de werkgevers. Zij zijn voortdurend op zoek naar personeel. Als zij zien dat mensen die langdurig ziek zijn flexi-jobs uitoefenen bij de bakker of in de horeca, is dat voor hen zeer moeilijk te begrijpen.

 

Ik denk dat we daar echt iets aan moeten doen. Het gaat niet over misbruik, aangezien het volgens de regelgeving vandaag perfect toegelaten is, maar ik vind dat we in die regelgeving een aantal poorten moeten sluiten.

 

01.22  Kurt Moons (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting. U hebt inderdaad de loftrompet gestoken over de flexi-jobs. Daarin kunnen wij deels meegaan.

 

Natuurlijk is het ook nuttig dat onze collega, de heer Van Quickenborne, nog eens de vinger op de wonde legt door te stellen dat die flexi-jobs zijn ontstaan als een idee om mensen die al verdienen, op een flexibele manier te laten bijverdienen.

 

Wie daarnaar luistert en kijkt, moet vaststellen dat wij bepaalde problemen oplossen zonder ze echt goed te kennen. Ik bedoel daarmee dat de reguliere arbeidsmarkt muurvast zit door hoge loonkosten, administratieve overlast en een versnipperd beleid. De flexi-jobs kunnen daar inderdaad een bepaalde oplossing voor aanreiken, omdat ze net, omgekeerd, eenvoudig zijn, netto lonend en vrij van regels. Dat is heel positief, ware het niet dat, omdat het een opbouw van koterijen is, er natuurlijk ook loopholes ontstaan die door mensen worden gevonden. Dat daaraan paal en perk moet worden gesteld, is onontkoombaar.

 

Ik herhaal dat bij de flexi-jobs de olifant in de kamer volgens mij nog altijd niet wordt benoemd. Vandaag is het systeem heel succesvol met 280.000 flexi-jobbers. Echter, 85 % van hen werkt in het Vlaams Gewest. De vraag dient dus te worden gesteld hoe dat komt.

 

Gezien de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen, met name 78 %, tegenover 68 % in Wallonië en 64 % in Brussel, is het nogal wiedes dat de arbeidsmarkt in Vlaanderen nog krapper is en dat wordt gezocht naar mogelijkheden om bij te verdienen. Voor de horeca en de handel, die met hoge loonkosten te maken hebben, is het normaal dat zij op zoek gaan naar flexi-jobbers.

 

Wij bieden echter oplossingen voor een structureel probleem, maar die oplossingen zelf zijn niet erg structureel.

 

Ik moet vaststellen dat ook de N-VA de flexi-jobs wil herbekijken. Tegelijk breidt ze het systeem uit, verstikt ze ondernemers met regels en belastingen en verliest ze tijd met geïsoleerde activeringsprogramma’s.

 

Collega Ronse verklaarde op 11 januari 2026 nochtans dat hij ons misschien zou verrassen door te stellen dat hij eigenlijk tegen flexi-jobs is. Hij was naar eigen zeggen tegen studentenarbeid. Hij was tegen fiscaal vriendelijke overuren. Dat verklaarde hij in een podcast.

 

Hij zei dat hij het er toch heeft doorgekregen, omdat hij had vastgesteld dat hij op zo'n korte tijd niet kon vertrekken van een wit blad om heel het arbeidsrecht te veranderen. Hij voegt eraan toe dat hij dat nog niet had bekendgemaakt, omdat hij nog wat aan het nadenken is over de aanpak en advies zoekt bij collega’s.

 

Mijnheer Ronse, ik wil u meegeven dat ook wij bereid zijn om heel het arbeidsmarktbeleid en arbeidsrecht te herbekijken en van een wit blad te vertrekken – het is immers een structureel kluwen met allerlei koterijen – om bepaalde oplossingen te vinden voor problemen die zich voordoen, met allerlei andere problemen tot gevolg.

 

01.23  Axel Ronse (N-VA): Ik ben enigszins geschokt: 8.000 mensen die momenteel een flexi-job doen, worden hier fraudeurs genoemd.

 

Ik begin met de mensen die in de werkloosheid zitten. Neem iemand die aan de dop zit en zijn best doet om een job te zoeken, maar geen vaste baan vindt en de mogelijkheid krijgt om een flexi-job te doen. Die persoon heeft negen maanden eerder in een 4/5-tewerkstelling gezeten en gaat in de zomer als flexi-jobber op een terras op de dijk in Koksijde opdienen. Voor de dagen dat hij als flexi-jobber werkt, ontvangt hij geen werkloosheidsuitkering. Is die persoon een fraudeur, mijnheer Van Quickenborne? Hoe durft u die mensen zo te noemen? Die persoon werkt, ontvangt geen dopgeld op de dagen dat hij werkt, en zoekt actief naar werk.

 

Indien er iemand moet worden aangesproken, als die persoon wel voltijds zou kunnen werken, is het de VDAB-bemiddelaar, die misschien niet streng genoeg optreedt en zijn dopgeld niet afpakt van iemand die niet voltijds gaat werken. De persoon in mijn voorbeeld is echter geen fraudeur.

 

Ik geef een tweede voorbeeld: iemand die ouderschapsverlof geniet en voor zijn of haar ouderschapsverlof elke zondag bij de bakker werkte, terwijl die persoon ook vast in een verzekeringskantoor werkt. Die persoon besluit tijdens het ouderschapsverlof nog elke zondag bij de bakker te gaan werken. Is die persoon een fraudeur, mijnheer Van Quickenborne? Hoe durft u die persoon een fraudeur te noemen?

 

Ik geef een derde voorbeeld: iemand die ziek is en een flexi-job doet. De minister heeft duidelijk aangegeven dat daarvoor toestemming van de adviserend geneesheer vereist is. Zonder die toestemming mag men niet werken en dus geen flexi-job uitvoeren. Wij hebben inderdaad weinig vertrouwen in de mutualiteit en de adviserend geneesheer, mijnheer Van Quickenborne, maar zo iemand kan men toch geen fraudeur noemen? Iemand die ziek is en aangeeft nog te willen werken, zullen we geen fraudeur noemen. De poortwachters, met name het ziekenfonds en de adviserend geneesheer, moeten streven naar een volledige werkhervatting wanneer ze weten dat iemand niet arbeidsongeschikt is. Die mensen evenwel fraudeurs noemen, vind ik niet één, maar twee bruggen te ver. Dat doet men niet.

 

Ten slotte, flexi-jobs zijn inderdaad een noodzakelijk kwaad. Alle Vlamingen in een klassiek werknemersstatuut betalen veel te veel belastingen. Werkgevers betalen te veel belastingen om mensen tewerk te stellen. Die flexi-jobs zijn een koterij. De vakbonden hebben daar kritiek op omdat zogezegd geld wordt afgeroomd van de sociale zekerheid. Als de vakbonden willen dat we ervan af geraken, zullen ze over hun schaduw moeten stappen. Dan moeten we ons arbeidsrecht flexibeler kunnen maken, meer mogelijkheden scheppen en vooral werkenden veel minder plat belasten. Zolang de vakbonden niet over die schaduw stappen, zullen we inderdaad het gaspedaal verder intrappen, flexi-jobs nog meer mogelijk maken en nog meer laten bijverdienen in alle sectoren. Idem voor fiscaal vriendelijke overuren en studentenjobs. Het is een uitnodiging aan de vakbonden om over hun schaduw te stappen.

 

01.24  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, u hebt collega Van Quickenborne de vader van de flexi-jobs genoemd. Mijnheer Van Quickenborne, het stoorde mij eerlijk gezegd dat u uw kind blijkbaar niet goed kent, want u noemt die 8.000 mensen fraudeurs. De minister heeft nog eens duidelijk uitgelegd dat wat die mensen doen wettelijk toegelaten is. Dat zijn dus geen fraudeurs. Voor mij is dat ook geen nieuws. Ik draai al een tijdje mee en ik heb in 2002 nog een advies geschreven over het tijdskrediet.

 

Toen was het een tijdskrediet zonder motief en men zei dat dat gecumuleerd moest kunnen worden met een zelfstandig bijberoep. Dat was toen het enige systeem wat bestond. De mensen die al een zelfstandig bijberoep hadden, konden een tijdskrediet zonder motief opnemen, wat eventueel kon leiden tot een zelfstandig hoofdberoep. Dat was de bedoeling daarvan.

 

Ondertussen zijn er heel wat stelsels van bijverdienen bijgekomen, maar het principe is nog steeds hetzelfde en het blijft aan strikte voorwaarden verbonden. Ik vind ook wel dat dat koterij op koterij is en ben dan ook blij dat wij er tegen het einde van deze legislatuur voor zorgen dat mensen die een reguliere job uitoefenen netto meer zullen overhouden. Dat is ook een belangrijke stap.

 

Mijnheer de minister, u hebt uitgelegd wat het systeem van flexi-jobs inhoudt. Ik had echter vooral om cijfers gevraagd over de cumulmogelijkheden, omdat dat strikt vergrendeld is. Ik kijk dus uit naar de cijfers die u mij schriftelijk zult bezorgen om te kunnen nagaan wat daar het probleem is.

 

Wat ziekte betreft, dat moet en kan inderdaad met een goedkeuring van de adviserend arts, maar wij zetten heel wat re-integratietrajecten op bij de voormalige werkgever. Wij vinden het superbelangrijk dat een werknemer die ziek is geweest daar kan re-integreren. Om daarvoor dan een fiscaal voordeliger alternatief te vinden… Wij verkiezen die gewone re-integratietrajecten bij de gewone werkgever, want wij denken dat deze het meeste kans bieden op duurzame tewerkstelling voor mensen die ziek geweest zijn.

 

01.25  Anne Pirson (Les Engagés): Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses qui montrent l'équilibre délicat que nous devons préserver.

 

Les flexi-jobs ne doivent pas devenir un simple complément fiscal à un revenu de remplacement, ni être perçus comme une concurrence déloyale à l’emploi classique. Comme nous l'avons entendu, s'ils sont bien encadrés, ils peuvent constituer un outil transitoire utile, notamment pour une reprise progressive d’activité ou pour maintenir le lien avec le marché du travail.

 

Toutefois, à l’approche de l’extension du régime à l’ensemble des secteurs, il est vraiment nécessaire de clarifier la finalité du dispositif, de renforcer les garde-fous et, surtout, dassurer sa cohérence avec lobjectif central: un emploi durable, de qualité et correctement protégé. Nous serons donc particulièrement attentifs à ce que les flexi-jobs restent un instrument ciblé et équilibré, et non une réponse structurelle au dysfonctionnement du coût du travail.

 

Je tiens à rappeler à Ecolo-Groen que les flexi-jobs n’ont pas été mis en place par Les Engagés, et que nous plaidons pour une régulation parce que nous ne sommes pas dogmatiques. La population est demandeuse de flexi-jobs, et les employeurs aussi. À titre d’exemple, encore ce matin, les huissiers d’audience ont demandé à pouvoir y accéder, ce qui leur permettrait de gagner plus d'argent pour la pension.

 

Je rappelle également que les flexi-jobs sont un choix, pas une obligation. Ils ont des effets vertueux, notamment par rapport au travail non déclaré, et permettent de répondre à certaines carences, raison pour laquelle nous restons très attentifs à ce nouveau dispositif. Les flexi-jobs sont donc une option, et pas une obligation. Ils sont proposés dans l’intérêt de la population. Alors non, madame Schlitz, nous ne tombons d’aucun radeau, mais sommes simplement à l’écoute du terrain et de l’économie belge.

 

01.26  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, ik heb u gewaarschuwd dat tegenstanders van de flexi-jobs misbruikgevallen zouden aangrijpen om het hele systeem te willen begraven. Dat blijkt ook uit de tussenkomsten van  collega's Tonniau en Schlitz. Dat is zo voorspelbaar: zodra er enig misbruik aan het licht komt, wordt er gezegd dat het systeem rot is en weg moet.

 

Mijnheer Tonniau, ik heb ervoor gestreden om flexi-jobs in de bussector toe te laten, aangezien kinderen niet meer op school geraakten door een tekort aan buschauffeurs. Herinnert u zich de discussie daarover in het Vlaams Parlement? Kinderen in het buitengewoon onderwijs geraakten niet meer op school omdat er geen bus reed. Sinds die flexibuschauffeurs er zijn, is dat probleem opgelost. Die flexi-jobs zijn dus in het leven geroepen om arbeidstekorten op te lossen.

 

Bovendien klopt het fabeltje dat flexi-jobs de gewone jobs verdringen niet. In de horeca is het aantal vaste jobs de voorbije jaren verder gestegen. Het aantal flexi-jobs stijgt ook, vooral ten koste van andere deeltijdse arbeid, zo tonen de cijfers aan. Dat komt omdat mensen met een flexi-job netto meer overhouden. Dat extra nettoloon wordt vaak ook opnieuw in de economie gepompt, bijvoorbeeld om een huis te verbouwen, renovaties te doen of op reis te gaan in het binnenland, aan de kust, in Bièvre of in de prachtige Ardennen. Mensen spenderen dat geld. It’s spending money. Geld uitgeven zorgt voor nieuwe inkomsten en nieuwe uitgaven, waardoor de economie groeit. Money has to go around. We moeten meer groei hebben om meer welvaart te creëren. Die flexi-jobs vernietigen dus geen jobs, ze zorgen voor nog meer jobs.

 

Ik heb gezegd dat het over werklozen en arbeidsongeschikten gaat, over die twee categorieën. Men krijgt het niet uitgelegd dat iemand die een werkloosheidsuitkering krijgt, daarnaast aan het werk is en daar geld mee verdient. Men krijgt het niet uitgelegd dat iemand die ziek is en thuis zit, plots elders een flexi-job begint, zoals mevrouw Muylle heeft gezegd. Mijnheer Ronse, men kan dat niet uitleggen, zeker niet als blijkt dat mensen die een uitkering ontvangen en daarnaast af en toe een flexi-job doen, netto meer overhouden dan iemand die voltijds aan het werk is.

 

Mijn oproep is dus, mijnheer de minister, om te doen wat mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Muylle en volgens mij ook Les Engagés zeggen, namelijk dat herbekijken en minstens die twee situaties, die van een werkloze die een flexi-job combineert en die van een arbeidsongeschikte die een flexi-job combineert, niet meer mogelijk te maken. Dat was nooit de bedoeling van de wetgeving. Het is ook niet aanvaardbaar.

 

Ten derde, monsieur le ministre, vous avez expliqué la situation, inzake het derde kwartaal en de toestemming. De heer Ronse heeft daarnet een quizvraag gesteld: hoe zit het in elkaar? Niemand heeft geantwoord, omdat bijna niemand het antwoord kent. Het is zodanig complex – juist toch, mevrouw Vanrobaeys – dat niemand begrijpt wat hij moet doen. Blijkbaar moet men toestemming vragen aan de arbeidsarts, de adviserend arts of ik weet niet welke arts. De mensen begrijpen het niet. Kortom, maak het eenvoudiger en sluit dat uit.

 

Tot slot, mijnheer de minister, hebt u gezegd dat u het verschil tussen werken en niet werken groter wilt maken. Maar als u een werkloze of een arbeidsongeschikte een flexi-job laat uitoefenen, maakt dat het verschil tussen werken en niet werken kleiner. Dat mag u juist niet doen.

 

Dus, mijnheer de minister, luister alstublieft naar een deel van uw meerderheid, et adaptez ces règles s’il-vous-plait. Merci, monsieur le ministre.

 

01.27  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, vous nous expliquez que vous recevez beaucoup de coups de fil de différents employeurs qui vous contactent pour mettre en œuvre des réformes, et que vous le faites. Ce n'est pas ce que nous attendons du ministre de l'Emploi. Ce qui est attendu de vous, c'est de prévoir, de défendre les intérêts de la société et d'organiser le vivre ensemble.

 

En effet, il y a les demandes court-termistes des employeurs qui voudraient pouvoir engager des travailleurs en flexi-job. Mais vous pouvez répondre à ces demandes de différentes manières, notamment en préservant un équilibre avec les intérêts des employés et de la population. Aujourd'hui, cet équilibre n'existe pas dans vos démarches. C’est ce que vous venez de nous démontrer à nouveau.

 

Vous nous parlez de votre projet de loi qui va étendre les flexi-jobs à tous les secteurs, et des avis qui vont être reçus. Eh bien, nous nous réjouissons de voir de quelle manière vous allez tenir compte des différents avis reçus! Si c'est comme d'habitude, vous allez juste faire un classement vertical et ne pas intégrer les remarques, les évaluations dans le projet de loi. Nous commençons à vous connaître! Franchement, cette manière de faire est extrêmement problématique.

 

Aujourd'hui, nous sommes en train de mettre le doigt sur une des nombreuses conséquences négatives et non anticipées de vos politiques. Ce qui est en train de se passer est grave, vraiment grave.

 

Vous pourriez faire en sorte que des emplois de qualité et, en effet, finançables par les employeurs, soient créés en Belgique – avec de la prévisibilité, avec des contrats et des horaires qui permettent de se projeter dans la vie, de contracter un emprunt pour s'acheter une maison, de savoir si on pourra inscrire son enfant à la danse et aller le rechercher à l'heure, etc. Or, vous multipliez ce régime de flexi-jobs, dans un contexte où des travailleurs sont contraints de les prendre parce que tout augmente. Le coût de la vie augmente, et donc ces personnes doivent cumuler deux boulots. C'est le même système qu'aux États-Unis, où des personnes ont deux ou trois emplois.

 

C’est une augmentation du temps de travail pour certains, tandis que d'autres restent sur le carreau et n’ont pas accès à l'emploi, notamment les personnes exclues du chômage qui, aujourd'hui ne parviennent pas à retrouver un boulot. C’est en particulier le cas de certaines catégories de la population, notamment les personnes de 55 ans et plus, qui sont extrêmement discriminées. Contre les discriminations, vous ne faites rien non plus à ce niveau-là.

 

Cette situation montre à quel point ces réformes sont absurdes. Ce dont nous avons besoin, c'est d'une véritable réforme fiscale qui revalorise les salaires et fait en sorte qu'un euro gagné, que ce soit en travaillant ou en spéculant, soit taxé de la même manière, et que nous puissions faire en sorte que des emplois durables soient créés dans notre pays. Aujourd'hui, ce n'est pas ce que nous voyons.

 

Pour répondre aux Engagés, nous n’avons pas vraiment compris votre position. Vous nous dites qu’il faut des emplois convenables, mais qu’un flexi-job est un choix, pas une obligation. Mais en fait, vous dites tout et n'importe quoi. Pour moi, ce n'est pas de la nuance, c'est juste noyer le poisson.

 

(…): (…)

 

Le président: Non, car vous n'étiez pas inscrite. On choisit si on pose la question ou si on réplique. Vous ne pouvez pas faire les deux, parce que vous n'étiez pas inscrite. Le Règlement prévoit qu'il y a un seul orateur par groupe. 

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

02 Questions jointes de

- Nabil Boukili à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La suppression du "complément chômage"" (56011385C)

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'impact de la réforme du chômage sur les professeurs de l’enseignement artistique" (56013047C)

02 Samengevoegde vragen van

- Nabil Boukili aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De afschaffing van de aanvullende uitkering bij werkloosheid" (56011385C)

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De impact van de werkloosheidshervorming op leerkrachten in het kunstonderwijs" (56013047C)

 

02.01  Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, comme l’ensemble du monde du travail, le secteur culturel dénonce l’impact dévastateur de vos réformes sur les travailleurs et travailleuses du pays.

 

Parmi les différentes mesures antisociales de ce gouvernement, il y a la suppression du complément chômage pour les demandeurs d’emploi bénéficiant soit du chômage ordinaire, soit de l’allocation du travail des arts, lorsqu’ils acceptent un emploi représentant moins d’un tiers temps. Cela signifie que certains artistes, peintres, comédiens, danseurs ou encore musiciens qui souhaitent, par exemple, transmettre leur art dans nos écoles et académies perdront de l’argent avec votre réforme. Alors que les revenus artistiques sont parfois inférieurs aux allocations de chômage, vous voulez supprimer le petit filet de sécurité qui permet justement de s’en sortir, tant bien que mal. C’est une drôle de manière, au MR, de valoriser le travail tout en diminuant le revenu des travailleurs.

 

Monsieur le ministre, j’ai de nombreuses questions à vous poser afin d’obtenir un éclaircissement sur ce point. Que répondez-vous au secteur culturel qui se mobilise contre cette réforme? Expliquez-moi en quoi cette mesure va encourager les travailleurs à enseigner leur art aux jeunes ou aux moins jeunes dans nos écoles et académies. Comment cette mesure va-t-elle permettre l'augmentation du taux d’emploi que vous voulez? Cette suppression ne risque-t-elle pas de mettre à mal nos enseignements artistiques de manière générale? Quel sera l’impact budgétaire d’une telle mesure? Au vu des effets néfastes de cette mesure, allez-vous revenir sur cette décision et permettre le maintien de ce complément ou allez-vous maintenir votre position?

 

Par ailleurs, il nous revient que, suite à l’avis du Conseil d’État, une modification de la loi-programme serait possible et qu’un avis serait demandé au comité de gestion de l’ONEM. Confirmez-vous cette information? Si oui, quand recevrons-nous ces modifications?

 

02.02  Sophie Thémont (PS): Dans l'enseignement artistique, il est fréquent que des artistes, plutôt que d'alterner entre périodes de chômage et courts contrats artistiques – avec ou sans statut de travailleur des arts –, choisissent de donner quelques heures de cours en académie. Ces enseignants cumulent souvent cette activité pédagogique avec leur activité artistique, créative, technique ou de diffusion. Leur horaire est rarement proche d'un mi-temps: certains instruments ne se donnent qu'à quelques élèves, d'autres conservent volontairement du temps pour leurs projets artistiques.

 

Ainsi, dans beaucoup d'académies, de très nombreux professeurs disposent de moins de 19 heures de cours hebdomadaires, soit moins d'un mi-temps. Ces personnes bénéficient actuellement d'un complément du chômage sous la forme d'une allocation de garantie de revenus ou du régime des travailleurs des arts, leur garantissant un revenu minimum stable.

 

Or, avec la réforme du chômage, il faut désormais prester au moins un mi-temps pour continuer à bénéficier de ce complément au-delà de la limitation dans le temps des allocations. Concrètement, ces professeurs perdront leurs droits à une allocation de garantie de revenus s'ils dépassent la limitation dans le temps des allocations de chômage. Résultat: beaucoup songent à arrêter leurs cours. Cette situation va entraîner des conséquences absurdes. Les enseignants concernés seraient contraints de choisir entre leur métier d'enseignant et leur survie financière, les académies risquent de se retrouver du jour au lendemain sans professeurs disponibles. De plus, ces départs font grimper artificiellement les chiffres du chômage.

 

Monsieur le ministre, j'aimerais savoir si vous prévoyez une dérogation pour les enseignants de l'enseignement artistique dont les faibles horaires sont structurels pour éviter à ces travailleurs et travailleuses la perte d'allocation de garantie de revenus et, dès lors, une fuite massive de professeurs.

 

02.03  David Clarinval, ministre: Madame Thémont, monsieur Boukili, le système du maintien des droits, avec ou sans allocation de garantie de revenu (AGR), a en principe toujours été réservé aux travailleurs dont la durée de travail minimale atteint un tiers. Cela a été réglé par une référence à l'article 11bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. À ce principe de base ont toutefois été apportées plusieurs exceptions, ouvrant ainsi indirectement la possibilité dans des cas déterminés de bénéficier du maintien des droits, avec ou sans allocation de garantie de revenu, sur la base d'un emploi situé sous ce seuil d'un tiers.

 

L'accord de gouvernement prévoyait déjà une adaptation de la durée minimale d'un contrat de travail, anticipant sa mise en œuvre. La nouvelle réglementation relative au chômage telle qu'elle s'appliquera à partir du 1er mars prochain établit une limite minimale légale d'un tiers de la durée normale du travail pour pouvoir prétendre au statut de maintien des droits.

 

Dans son récent avis relatif à la modification de l'article 11bis de la loi précitée, le Conseil d'État a déclaré ceci: "La modification envisagée permet donc qu'un contrat de travail à temps partiel comportant une durée hebdomadaire réduite soit conclu, lequel – en raison des modifications apportées à la réglementation du chômage dans la loi-programme – ne permettra pas de prétendre au statut de travailleur à temps partiel avec maintien des droits. Compte tenu du large pouvoir d'appréciation du législateur en matière socio-économique, il peut être admis qu'il est raisonnablement justifié, dans la perspective de l'objectif visant à renforcer le principe assurantiel dans la réglementation du chômage, d'assortir l'avantage du statut de travailleur à temps partiel avec maintien des droits d'une exigence minimale d'occupation et d'une obligation de contribution correspondante."

 

Le Conseil d'État résume ainsi très correctement l'essence du seuil d'un tiers pour l'accès au maintien des droits et à l'allocation de garantie de revenu. Le maintien des droits garantit en effet que le travailleur à temps partiel involontaire soit toujours considéré, pendant la durée de son contrat de travail à temps partiel, comme un travailleur à temps plein pour l'assurance-chômage, l'assurance-maladie et le régime de pension dans les limites applicables à chacun de ces régimes. Ce sont là des avantages importants qui, à la lumière du principe assurantiel, doivent être mis en balance avec la contribution qu'un travailleur dans une telle situation apporte à la sécurité sociale.

 

À partir du 1er mars 2026, un chômeur pourra toujours conclure un contrat de travail à temps partiel inférieur à un tiers du nombre d'heures de travail hebdomadaires normalement prestées en moyenne par la personne de référence, mais plus dans le cadre du système de l'AGR. Ce chômeur ne bénéficiera donc plus d'allocations de chômage pour les jours travaillés, mais il conservera le droit aux allocations pour les jours non travaillés. Par exemple, une personne qui preste six heures un lundi perdra le droit aux allocations pour ce lundi, mais percevra évidemment son salaire pour cette journée-là. En revanche, elle conservera son allocation de chômage pour le mardi, le mercredi, le jeudi, le vendredi et même le samedi.

 

Selon la situation concrète, le fait de ne plus pouvoir recourir à l'AGR, dont le montant est déterminé en fonction du salaire issu de l'emploi à temps partiel, ne signifie donc pas nécessairement qu'une personne concernée disposera de moins de revenus en fin de mois. Au contraire, cela devrait même être positif pour de nombreux cas.

 

Le droit aux allocations de chômage est désormais limité dans le temps. Une exception existe pour les travailleurs bénéficiant d'une allocation de garantie de revenus, pour autant qu'ils travaillent au moins à mi-temps.

 

02.04  Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, si je comprends bien, vous maintenez en réalité votre position. Vous dites que le Conseil d’État résume assez fidèlement votre proposition. Mais le Conseil d’État relève aussi que l’avant-projet de loi examiné exprime la règle imposant qu’un contrat de travail ait une durée inférieure à un tiers-temps, ce qui ne permettra pas aux travailleurs concernés de prétendre au statut de travailleurs à temps partiel avec maintien des droits.

 

Le Conseil d’État s’en inquiète et recommande de revoir la définition du travail convenable dans la réforme que vous proposez. Vous considérez qu’un dixième de temps plein constitue un travail convenable, alors que le Conseil d’État estime que cette qualification doit être réexaminée. Je ne comprends pas, monsieur le ministre. D’un côté, vous légalisez en quelque sorte des contrats de travail à un dixième temps et, de l’autre, vous supprimez les allocations de garantie de revenus pour les travailleurs occupés à moins d’un mi-temps. Il y a là une incohérence manifeste.

 

Vous ne répondez pas non plus à la question concernant les travailleurs du secteur de l’art. S’ils disposent d’un contrat inférieur à un mi-temps, pourront-ils maintenir leurs allocations de garantie de revenus, y compris après une période de deux ans? C’est bien cela la question. Ce que vous nous dites, à savoir que les travailleurs occupés à mi-temps ont droit à une allocation de garantie de revenus, figure déjà dans la loi. La question porte précisément sur les travailleurs de l’enseignement artistique qui, avec des contrats inférieurs à un mi-temps, risquent de perdre cette allocation. C’est sur ce point que nous vous interpellons. Il est donc inutile de revenir sur le cadre légal existant que nous connaissons déjà.

 

Répondez à la demande du secteur! Allez-vous tenir compte de leur situation et revoir votre copie, comme le recommande le Conseil d’État, ou allez-vous maintenir votre position qui conduira à l’appauvrissement des travailleurs des arts? C’est cela la question, et vous l’éludez comme vous le faites à chaque fois.

 

02.05  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, je ne vais pas vous remercier pour votre réponse, car vous avez répondu à côté du sujet. En effet, nous parlons ici d’une situation spécifique dans l’enseignement artistique. Dans les académies, les horaires réduits ne sont pas un choix, mais plutôt une réalité structurelle. Aujourd’hui, votre réforme va priver ces professeurs de leur petit complément, leur allocation de garantie de revenus, et les pousser à abandonner leur métier.

 

Nous savons tous que certaines conditions étaient nécessaires, notamment un mitemps. Ici, ce nest pas le cas. Une fois encore, vous attaquez le secteur culturel, déjà fortement fragilisé par vos mesures.

 

Nous vous demandions simplement de répondre à une question claire: "Allezvous, oui ou non, tenir compte de ce statut particulier?" Dans votre réponse, il n'est fait nulle part mention de ce statut. Vous n'avez pas répondu.

 

Comptez-vous changer d'avis ou allez-vous pénaliser ce secteur une fois de plus, au risque de mettre en péril les écoles artistiques, qui vont s’effondrer? Je pense que les chiffres du chômage vont à nouveau augmenter.

 

C'est ainsi que vous comptez sauver les gens, les remettre au travail ou leur retrouver des contrats qui leur permettent de manger tous les jours… De plus, vous allez encore porter un coup au secteur de la culture, mais surtout au secteur de l’enseignement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56011790C de M. Wouter Raskin est transformée en question écrite. La question n° 56011809C de M. Jeroen Van Lysebettens est reportée.

 

03 Samengevoegde vragen van

- Axel Ronse aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het artikel 60-tewerkstellingstraject dat naar een werkloosheidsuitkering leidt" (56011889C)

- Nathalie Muylle aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De artikel 60-tewerkstelling en de hervorming van de werkloosheid" (56013206C)

03 Questions jointes de

- Axel Ronse à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le trajet de mise au travail selon l'article 60 débouchant sur le chômage" (56011889C)

- Nathalie Muylle à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'emploi dans le cadre de l'article 60 et la réforme du chômage" (56013206C)

 

03.01  Axel Ronse (N-VA): Mijnheer de minister, ik had een schriftelijke vraag ingediend over artikel 60. Iemand krijgt een leefloon en om opnieuw sociale rechten op te bouwen, werkt hij bij het OCMW. In het beste geval heeft hij werk, in het allerslechtste geval stroomt hij terug naar de werkloosheid.

 

Ik ben nagegaan hoeveel personen er op basis van artikel 60 in Wallonië en Vlaanderen in 2024 aan de slag konden en nadien naar het werkloosheidscircuit terugstroomden. Houd u vast, want in Wallonië ging 1 persoon op 5 linea recta terug naar het werkloosheidscircuit, terwijl dat in Vlaanderen 1 op 30 was.

 

Voorzitster: Eva Demesmaeker.

Présidente: Eva Demesmaeker.

 

Doordat de werkloosheidsuitkering niet meer onbeperkt in de tijd is, kan men logischerwijs al in een jaar rechten voor de werkloosheidsuitkering opbouwen. Ik ben bang dat veel OCMW-voorzitters van bijvoorbeeld PS-of PTB-signatuur werklozen, eens hun werkloosheidsuitkering is geschrapt, zullen verwelkomen en gedurende een jaar onder artikel 60 te werk zullen stellen, waarna ze opnieuw recht op een werkloosheidsuitkering krijgen. Ik ben heel bang dat de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op die manier zal worden gebypassed.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, hoe verklaart u de spectaculaire verschillen tussen Wallonië en Vlaanderen?

 

Ten tweede, kunnen we ervoor zorgen dat OCMW-voorzitters van PS- of PTB-signatuur geen misbruik maken van artikel 60 en er na een jaar niet opnieuw een werkloosheidsuitkering wordt toegekend?

 

03.02  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, het is geen geheim voor al wie een lokaal mandaat uitoefent, dat openbare besturen vaak een beroep doen op artikel 60, net zoals de privésector trouwens. We zien ook de positieve effecten ervan voor heel wat mensen met een uitkering of een leefloon in het licht van de afspraken met betrekking tot GPMI. Artikel 60 is zeker voor wie het moeilijk heeft om opnieuw de stap naar de arbeidsmarkt te zetten, een belangrijk hulpmiddel daarbij.

 

Met de beperking van de werkloosheid in de tijd heeft de regering de periode waarin men bij een beroep op artikel 60 toch rechten opbouwt, van twee jaar naar een jaar teruggebracht, maar het effect van die regeling verontrust mij. Ik ben namelijk bevreesd – ik heb ook de cijfers gezien en was verwonderd over de grote verschillen – dat we een soort draaideureffect zouden creëren, waarbij mensen een jaar een beroep doen op artikel 60, daarna weer kiezen voor het stelsel van werkloosheid om vervolgens weer een beroep op artikel 60 te doen om zo rechten op te bouwen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.

 

Het systeem van artikel 60 heeft een heel nobel doel. Het moet er net voor zorgen dat een tijdelijke werkervaring kan leiden tot een permanente aansluiting bij de arbeidsmarkt.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn voor een stuk gelijklopend met die van collega Ronse. Hoe evalueert u de effecten van artikel 60?

 

Hoe kunnen we die ontsnappingsroute sluiten en het draaideureffect tegengaan?

 

Het is natuurlijk belangrijk om hieromtrent ook in overleg te gaan met de gemeenschappen, aangezien heel wat lokale besturen dat artikel inzetten. Kortom, hoe kunt u ervoor zorgen dat artikel 60 een instrument blijft om uitkeringsgerechtigde leefloners weer aansluiting bij de arbeidsmarkt te doen krijgen, zonder draaideureffect?

 

03.03  David Clarinval, ministre: Je rappelle simplement, au départ, que je suis le ministre de l'Emploi et pas le ministre de l'Intégration sociale. C'est évidemment Anneleen Van Bossuyt qui est compétente pour toutes les questions relatives à article 60 en général, et à la politique en question. Je vais donc me concentrer ici sur les questions concernant le lien avec le chômage.

 

In het regeerakkoord werd een duidelijke keuze voor een activerend beleid gemaakt, ook voor de leefloonontvangers. Dat is vooral een kwestie van sociaal beleid. Een job is immers de beste garantie tegen armoede. Tewerkstelling op basis van artikel 60 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is een van de diverse instrumenten die de OCMW's ter beschikking heeft om die doelstelling vorm te geven. Die vorm van tewerkstelling is evenwel in duur beperkt tot de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om op een volledige sociale uitkering recht te hebben.

 

Hoewel de wetgeving duidelijk beoogt om de begunstigden van OCMW's via die tewerkstellingsvorm naar de gewone arbeidsmarkt toe te leiden, is ze geen garantie op een onmiddellijk positief resultaat, met name een duurzame tewerkstelling buiten het kader van artikel 60. We mogen niet uit het oog verliezen dat het doelpubliek van die vorm van tewerkstelling doorgaans ver van de reguliere arbeidsmarkt verwijderd is.

 

Wie niet meteen volgend op de tewerkstelling op basis van artikel 60 in een andere job aan de slag kan, kan dus op een werkloosheidsuitkering aanspraak maken. De duur van de tewerkstelling op basis van artikel 60 garandeert immers dat men het recht op een werkloosheidsuitkering kan openen. Uitkeringsgerechtigde werklozen worden door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling naar werk begeleid. Zij worden bovendien gecontroleerd op hun zoekgedrag naar werk. Daarnaast helpt ook het uitgebreide opleidingsaanbod van de gewestelijke diensten werklozen om de weg naar een nieuwe job te vinden.

 

De werkloosheidsuitkering is met andere woorden geen noodlot. Het moet ook voor de betrokkenen een verdere springplank naar de arbeidsmarkt zijn. De situatie is door de hervorming van de werkloosheidsuitkering reeds grondig veranderd. Voordien kon men immers op basis van een tewerkstellingsperiode op basis van artikel 60, afhankelijk van de leeftijd, voor één tot twee jaar het recht op een werkloosheidsuitkering zonder beperking in de tijd openen. Sinds de hervorming kan men voortaan aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering voor minstens één jaar en maximaal twee jaar, afhankelijk van het beroepsverleden.

 

03.04  Axel Ronse (N-VA): U hebt gezegd dat dit eerder bij mevrouw Van Bossuyt zit. Daarmee hebben we evenwel nog geen verklaring voor de spectaculaire verschillen tussen Wallonië en Vlaanderen. We moeten daar zeer kort op zitten, want die PS- en PTB-schepenen zien het nu al: on est président du CPAS, on a une idée géniale. Pendant un an, vous faites l’article 60, et après, vous êtes de nouveau au chômage.

 

Dat moeten we vermijden en dat kunnen we vermijden, als we er zeer dicht op zitten en aanpassingen doorvoeren in de wetgeving of de financiering van steden en gemeenten rond OCMW’s op het niveau van de artikel 60-doorstroom naar de werkloosheid. Bovendien stel ik ook vast – maar dat is ook meer voor minister Van Bossuyt – dat artikel 60 altijd wordt gebruikt in de publieke sector. Laat die mensen toch ook eens ervaring opdoen bij private werkgevers. Dat kan ook helpen.

 

03.05  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, het klopt inderdaad dat een deel van de bevoegdheid bij uw collega zit. Ik wil echter toch nog eens mijn bezorgdheid uitdrukken. Het klopt dat artikel 60 ervoor zorgt dat er opnieuw uitkeringsrechten worden opgebouwd, maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat mensen constant wisselen tussen werkloosheid, leefloon en artikel 60.

 

Als men dus telkens opnieuw het draaideureffect en het wederkerig effect vindt, dan is er een probleem. Ofwel is men doelbewust het systeem aan het misbruiken, ofwel is er iets waarin mensen… Ik begrijp zeker uw opmerking dat het een moeilijke doelgroep is, die niet gemakkelijk de aansluiting met de arbeidsmarkt vindt, maar dan zijn er ook andere oplossingen. Ik denk bijvoorbeeld aan de sociale economie. Constant in het systeem blijven hangen, kan niet de oplossing zijn.

 

We hebben de werkloosheid hervormd precies om dergelijke effecten te vermijden. Ik steun de vraag van collega Ronse en wil dit echt wel van heel nabij opvolgen en ervoor zorgen dat het systeem niet wordt misbruikt. Er bestaan andere oplossingen voor de doelgroep die het meent. Voor hen die het niet menen, moeten we de deur sluiten.

 

De voorzitster: Mijnheer de minister, u wilde nog kort iets toevoegen?

 

03.06  David Clarinval, ministre: Madame la présidente, si vous me le permettez, je voudrais apporter un petit complément d'informations, pour avoir été bourgmestre pendant 25 ans, bien que cela relève des compétences de ma collègue Van Bossuyt.

 

Premièrement, il est normal qu'il y ait plus d'articles 60 en Wallonie qu'en Flandre, simplement parce que le taux de chômage en Wallonie est supérieur au taux de chômage en Flandre. De ce fait, le volume y est inévitablement plus important.

 

Deuxièmement, je tiens à rappeler qu'un article 60 est un contrat de travail. Donc, quand on travaille sous article 60, on travaille. Ne croyez pas que c'est une manière de frauder ou d'éviter. Il faut quand même le dire.

 

Troisièmement, puisque M. Ronse parlait du privé, il existe aussi les articles 61.

 

Comme cela ne relève pas de ma compétence mais de celle de Mme Van Bossuyt, je ne me prononcerai pas, mais je tenais à préciser ces petits éléments circonstanciels pour cadrer un peu la discussion. Je ne voudrais effectivement pas qu'au terme de cette question, on fasse croire que, dans le Sud du pays, on utilise des articles 60 pour contourner la législation et redonner une allocation de chômage et que, dans le Nord, on ne le fasse pas.

 

Madame la présidente, je voulais juste donner ces petits éléments de circonstance, en dehors de mes compétences.

 

03.07  Axel Ronse (N-VA): Het is de allereerste keer dat ik het niet eens ben met u. Het eerste element dat u aanhaalt, namelijk dat het normaal is dat er in Wallonië meer artikel 60’ers zijn dan in Vlaanderen omdat de werkloosheid er hoger ligt, kan ik nog aannemen. Wat wij aankaarten, is echter niet dat er meer artikel 60’ers zijn in Wallonië dan in Vlaanderen. Wat we aankaarten, is dat een artikel 60 in Wallonië in 1 op 5 gevallen opnieuw leidt tot chômage, terwijl dat in Vlaanderen slechts in 1 op de 30 gevallen gebeurt. De kwaliteit van de begeleiding en van wat er tijdens die artikel 60-trajecten gebeurt, moet minstens onderzocht worden. Dat zijn immers zeer merkwaardige cijfers.

 

Ten tweede, fraude is het niet, maar de toegang tot de werkloosheid wordt wel een stuk versoepeld. Nogmaals, we vinden dat logisch, want de werkloosheid is niet meer onbeperkt in de tijd. Men heeft 1 jaar of 2 jaar werkloosheidsuitkering, dus moet men die ook minder lang opbouwen. Ik ben er echter 100 % zeker van dat er OCMW-voorzitters zijn, van PS- of PTB-signatuur, die in dat artikel 60-kanaal een mogelijkheid zien om mensen die hun werkloosheidsuitkering kwijt zijn, in een jaar tijd opnieuw naar die werkloosheid te laten doorstromen.

 

Ik denk dat dat een reëel gevaar is. Ik zie namelijk dat in Charleroi een medisch centrum met PS-signatuur mensen die uit de werkloosheid worden geschrapt per brief aanschrijft met een uitnodiging om zich te komen melden met de insinuatie dat een ziekte-uitkering een mogelijkheid kan zijn. Ik ben er zeker van dat daar pogingen toe zullen worden ondernomen. Collega Muylle en ikzelf zullen daar zeer dicht op toezien.

 

03.08  Nathalie Muylle (cd&v): Ik zal hier niet de communautaire toer opgaan, want ik zie vandaag dat artikel 60 een goed instrument is. Ik zie dat we in het lokaal bestuur in heel veel sectoren, zeker in de welzijnssectoren, heel mooie dingen doen en mensen kansen geven via artikel 60. De bedoeling van artikel 60 is dat mensen de kans krijgen om vanuit het leefloon een arbeidscontract te verkrijgen en ervoor te zorgen dat ze weer aansluiting vinden bij de arbeidsmarkt. Dat kan vaak via een vaste job zijn, in het openbaar bestuur, in een instelling, in een school, in een welzijnsorganisatie of in de privé, in een bedrijf. Dat is waarvoor dat artikel 60 dient. Dat is goed en u hebt gelijk dat het gaat om een arbeidscontract en om het vinden van een connectie met de arbeidsmarkt.

 

We moeten vaststellen dat de duurtijd van een artikel 60-traject van twee jaar nu al naar één jaar is teruggebracht om nieuwe rechten te openen. Dat geldt niet alleen voor artikel 60, ik baar me ook zorgen voor mensen die vandaag na lange jaren van werkloosheid vanuit het leefloon worden geactiveerd in het kader van het GPMI. We hebben er nog geen zicht op hoelang men opnieuw op die arbeidsmarkt zal blijven vooraleer men terug in de werkloosheid terechtkomt. Dat is een gevaar dat we zeer goed moeten monitoren om te zien of mensen moedwillig opnieuw aan de slag gaan om daarna opnieuw rechten op werkloosheid te verwerven. Er zijn misschien ook mensen die die job niet aankunnen en opnieuw in de werkloosheid belanden. Daar moeten we bekijken of er voor hen andere vormen van sociale economie zijn of misschien andere oplossingen mogelijk zijn. Ik denk dus dat er twee groepen zijn waarvoor we waakzaam moeten zijn. De bedoeling blijft dat we hen helpen en dat we die aansluiting met een reguliere job kunnen realiseren, ongeacht het systeem waarin artikel 60 wordt toegepast, via de sociale economie of op een andere manier.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Vraag van Achraf El Yakhloufi aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De aanpak van mensenhandel en economische uitbuiting en de versterkte ondersteuning van steden" (56011967C)

04 Question de Achraf El Yakhloufi à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La lutte contre la traite d'êtres humains, l'exploitation économique et le soutien accru aux villes" (56011967C)

 

04.01  Achraf El Yakhloufi (Vooruit): Mijnheer de minister, recentelijk werd in Antwerpen een bakkerij tijdelijk gesloten na ernstige aanwijzingen van mensenhandel. Tijdens een onaangekondigde controle werden vijf werknemers aangetroffen zonder contract, zonder duidelijk werkschema en in bijzonder slechte woon- en werkomstandigheden. De combinatie van extreem lange werkdagen, onofficiële verloning, ontoereikende huisvesting, het ontwijken van sociale bijdragen en een onzeker verblijfsstatuut wijst volgens de lokale diensten op economische uitbuiting en op mensenhandel.

 

Deze casus staat niet op zichzelf. Ze toont opnieuw hoe kwetsbare mensen, vaak met een tijdelijk verblijfsdocument, bijzonder vatbaar blijven voor misbruik en hoe uitdagend dat is voor inspectiediensten. Mijnheer de minister, iedereen vindt het degoutant dat mensen die hier komen werken en leven, eindigen als goedkope werkkrachten in mensonwaardige omstandigheden. Dat is geen grijs gebied. We moeten daar heel streng op zijn. Mensen die het recht hebben te komen, moeten we helpen. Ze moeten de taal leren en leren meeleven in onze samenleving, maar we moeten die mensen ook beschermen, want er worden heel veel mensen uitgebuit door mensenhandelaars. Wij als overheid en u als minister hebben een grote verantwoordelijkheid om daar streng voor te zijn en de nodige inspecties uit te voeren bij die kmo’s.

 

Ik heb een paar vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, hoe beoordeelt u deze casus en de vaststellingen die door de stedelijke en federale inspectiediensten zijn gedaan? Ziet u hierin signalen of patronen die structurele aandacht vergen?

 

Ten tweede, hoe verloopt de samenwerking tussen de verschillende inspectie- en politiediensten bij de opsporing van economische uitbuiting? Zijn er knelpunten die volgens u aangepakt moeten worden?

 

Ten derde, een groot deel van de slachtoffers lijken mensen met een precair verblijfsstatuut te zijn. Hoe garandeert de regering dat slachtoffers gepast worden beschermd en niet ontmoedigd worden om misstanden te melden?

 

Ten vierde, ziet u nood aan bijkomende maatregelen, preventief of repressief, om economische uitbuiting sneller te detecteren, bijvoorbeeld in sectoren waar vaak kwetsbare arbeidskrachten werken?

 

Ten vijfde en tot slot, steden spelen een cruciale rol in de eerste detectie van mensenhandel. Het is vooral een grootstedenprobleem maar we zien dat het ook elders druppelt. Hoe zult u steden en gemeenten ondersteunen, zowel financieel en organisatorisch als via informatie-uitwisseling, zodat ze sterker staan in de aanpak van economische uitbuiting en effectieve nazorg voor slachtoffers?

 

04.02 Minister David Clarinval: Ik kan geen aanvullende informatie verstrekken over dit specifieke onderzoek vanwege de wettelijke geheimhoudingsplicht die met name is vastgelegd in het Sociaal Strafwetboek en het Wetboek van strafvordering. Los van dit individuele geval kan ik u wel meedelen dat de sociale inspectiediensten in het algemeen bij controles in bepaalde risicosectoren vaststellen dat er regelmatig een samenloop is van sociale fraude, schendingen van arbeids- en welzijnsregelgeving en signalen van economische uitbuiting, soms met kenmerken die kunnen wijzen op mensenhandel. Die patronen treffen vaak personen in een kwetsbare socio-economische of verblijfsrechtelijke situatie en vereisen een structurele en geïntegreerde aanpak.

 

Wat de eerste vraag betreft, de samenwerking tussen inspectiediensten, politiediensten en justitie verloopt via multidisciplinaire structuren, gezamenlijke controles en formele samenwerkingsakkoorden. De belangrijkste samenwerkingsstructuur is de arrondissementele cel, georganiseerd per gerechtelijk arrondissement, waar de arbeidsauditeur maandelijks een vergadering voorziet met de sociale inspectiediensten en waar ook de gerechtelijke politie kan worden uitgenodigd. Zo zijn alle actoren meteen op de hoogte van de meest prangende problemen.

 

In het SIOD-actieplan 2026-2027 wordt die samenwerking verder versterkt, onder meer door een uitgebreidere en gestructureerde gegevensuitwisseling, een nauwere afstemming binnen de arrondissementele inspectiecellen en een versterkte coördinerende rol van de SIOD bij gezamenlijke en thematische controles in risicosectoren.

 

Wat de tweede vraag betreft over de bescherming van slachtoffers, de regering hecht groot belang aan een slachtoffergerichte benadering, ongeacht het verblijfstatuut. De sociale inspectiediensten worden gesensibiliseerd om signalen van mensenhandel en ernstige uitbuiting tijdig te herkennen en over te maken aan de bevoegde instanties, zodat slachtoffers toegang krijgen tot opvang, begeleiding en het beschermingsstatuut dat in de wetgeving is voorzien.

 

Ik voeg ten slotte toe dat inzake het melden van fraude, of het nu om het slachtoffer of om de getuige gaat, de anonimiteit altijd gegarandeerd blijft, ook wanneer er later een rechtszaak van komt.

 

Ten derde, het SIOD-actieplan voorziet in bijkomende maatregelen om economische uitbuiting sneller en gerichter te detecteren. Daarbij wordt ingezet op een risicogestuurde aanpak, ondersteund door datamining en wetenschappelijk onderbouwde inspectieplanning, alsook op thematische controles in sectoren met een verhoogd risico op uitbuiting. Waar uitbuiting deel uitmaakt van bredere criminele structuren, wordt ook samengewerkt met justitie met het oog op het ontwikkelen van de onderliggende verdienmodellen.

 

Ten vierde, u merkte terecht op dat steden en gemeenten een cruciale rol spelen in de eerste detectie van mensenhandel en economische uitbuiting. Via het SIOD-actieplan en het College voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude wordt ingezet op structurele informatie-uitwisseling en betrokkenheid van lokale actoren bij gecoördineerde controles en kennisdeling, zodat lokale besturen sterker staan in zowel de detectie van misstanden als de doorverwijzing van slachtoffers naar gespecialiseerde diensten.

 

04.03  Achraf El Yakhloufi (Vooruit): M. le président, M. le ministre, ce n’est pas sexy mais c’est un sujet très important.

 

Het onderwerp is heel belangrijk, omdat de verantwoordelijkheid die we daar hebben groot is. Ik stel de vraag aan u. Ik heb exact dezelfde vraag gesteld aan mevrouw Verlinden, minister van Justitie, en aan mevrouw Van Bossuyt, omdat in het dossier een gedeelde verantwoordelijkheid zit.

 

Waarover gaat het? Het gaat over mensen van over de hele wereld die naar hier worden gebracht en worden uitgebuit. Wij kunnen daarbij spreken over mensen in de seksindustrie die worden misbruikt. Dat gaat over jonge dames, kinderen, dochters van iemand. Dat gaat ook over moeders en over mensen uit Zuid-Amerika. Het rapport van Myria was ook heel duidelijk over mensen uit Zuid-Amerika die hier worden misbruikt in fabrieken, maar ook in de seksindustrie enzovoort.

 

Wij moeten optreden. Als land zijn we verplicht ervoor te zorgen dat daar strenge controles op worden uitgevoerd en duidelijk te maken dat ons land dat niet toelaat. De problematiek heeft deels met Justitie te maken en deels met Asiel en Migratie maar ook het economische luik zal ter zake heel belangrijk zijn.

 

Ik ben blij met uw antwoorden. Ik zal de komende maanden zeker blijven opvolgen of u uw verantwoordelijkheid ter zake neemt en mee druk zet.

 

Ik dank u voor uw antwoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- Nathalie Muylle aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het buitensporige gebruik van niet-afwervingsbedingen" (56012147C)

- Anja Vanrobaeys aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het misbruiken van het niet-afwervingsbeding" (56012334C)

05 Questions jointes de

- Nathalie Muylle à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le recours abusif aux clauses de non-débauchage" (56012147C)

- Anja Vanrobaeys à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les abus liés à la clause de non-débauchage" (56012334C)

 

05.01  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, we hebben het daarnet gehad over flexi-jobs en hoe die een instrument zijn van het moderne arbeidsmarktbeleid. Ik denk dat interimarbeid dat vandaag ook is. Interimarbeid is nodig in het kader van flexibiliteit. Het is dan ook logisch dat er wetgeving is gekomen om uitzendarbeid te beschermen, om ervoor te zorgen dat een uitzendkantoor geen goedkoop rekruteringsbureau wordt en dat het verdienmodel dat daarachter zit, ook kan standhouden. Dat laatste stellen we niet in vraag.

 

Vandaag stellen we wel een aantal buitensporigheden vast, niet het minst in de contracten die worden afgesloten met bedrijven waarvoor werknemers worden voorzien. Dat geldt zowel in de interimsector als in de projectsourcing. Er zijn vandaag heel veel benamingen en de lijn tussen beide is vaak flou.

 

Problemen doen zich voor in verband met de clausules. Er bestaat wetgeving rond niet-afwervingsbedingen, wat betekent dat men een goede uitzendkracht niet plots kan aanwerven. Daarover worden afspraken gemaakt. Daar zijn we het mee eens. Vandaag zijn er echter buitensporige clausules in de contracten terechtgekomen. Die buitensporige clausules hebben zowel betrekking op lange duurtijden als op exuberante afkoopsommen die worden gevraagd, vaak tot 12 of 24 maanden loon en tot tienduizenden euro’s. Er zijn mij voorbeelden bekend waar men tot 25.000 euro vraagt voor een verpleegkundige om bij hen aan de slag te kunnen gaan. Van zulke clausules zijn de werknemers vaak zelf niet of onvoldoende op de hoogte zijn. Er klopt vandaag dus iets niet en dat gaat de regelgeving rond niet-afwervingsclausules te buiten.

 

In het regeerakkoord hebben we ook gezegd dat we daar iets aan moeten doen. We moeten een raamakkoord uitwerken en voorwaarden opleggen die dat verbeteren. Ook binnen de Nationale Arbeidsraad was men, zowel op de werkgeversbanken als op de werknemersbanken, met uitzondering van één werkgeversorganisatie, bijna tot een akkoord gekomen om een dergelijk raamwerk te voorzien.

 

Mijnheer de minister, wat is uw standpunt over die niet-afwervingsbedingen en het buitensporige gebruik ervan? Bent u bereid om, gelet op de reeds voorliggende voorstellen, een raamwerk te voorzien zodat interimarbeid opnieuw dient waarvoor het bedoeld is?

 

05.02  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, deze vraag gaat inderdaad om buitensporigheden; in die zin wil ik zeker bij de vraag van collega Muylle aansluiten. Als werkgevers aan een interimwerknemer een vast contract willen aanbieden, worden zij soms geconfronteerd met zeer hoge afwervingsbedingen die zij moeten betalen aan interimkantoren. In het kader van mijn wetsvoorstel heb ik bijvoorbeeld een directeur van een woonzorgcentrum gesproken. Hij moest, om goed personeel vast in dienst te kunnen nemen, meer dan 25.000 euro betalen aan het uitzendkantoor. Het gaat om een woonzorgcentrum dat werkt met publieke middelen en subsidies ontvangt. Hij stelde dat als zij gemotiveerde mensen vast in dienst willen nemen en een vast contract willen aanbieden, dat soort praktijken financieel onhaalbaar zijn.

 

Uit recent onderzoek, onder andere in De Morgen, blijkt dat interimkantoren werknemers actief aan zich binden. Dat gebeurt via projectsourcing, waarbij allerlei contractuele en financiële verplichtingen en sancties worden opgelegd. Daardoor ontstaan in de zorgsector alleen maar meer personeelsproblemen. Sommige uitzendwerknemers scheuren daar zelf ook hun broek aan en komen in financiële problemen.

 

Mijnheer de minister, erkent u dat probleem, dat de overgang van uitzendkracht naar vaste tewerkstelling belemmert, zeker in de zorgsector?

 

Hoe beoordeelt u dat, aangezien het ook om publieke middelen gaat? Ik weet dat het geregionaliseerd is, maar het blijft overheidsgeld, belastinggeld. Dat geld moet dienen voor de zorg van mensen die dat nodig hebben, niet om uitzendkantoren te financieren.

 

Het regeerakkoord voorziet dat er een kader wordt uitgewerkt voor afwervingsclausules. Een Europese richtlijn stelt ook dat lidstaten moeten voorkomen dat dergelijke boetes de overgang naar vaste tewerkstelling belemmeren of nietig maken. Welke concrete maatregelen legt u op tafel om uitvoering te geven aan die richtlijn en aan het regeerakkoord?

 

05.03 Minister David Clarinval: Collega's Muylle en Vanrobaeys, natuurlijk ken ik dit dossier heel goed.

 

Tot in 2001 bevatte de uitzendarbeidswet een bepaling, het oude artikel 18, dat afwervingsbedingen tussen het uitzendbureau en de gebruiker als niet-bestaande beschouwde. Bij wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers werd deze bepaling afgeschaft. De wetgever gaf hiermee uitvoering aan het protocol van sectoraal akkoord voor de uitzendsector 19/2000, dat op 11 mei 1999 werd gesloten door de sociale partners van de uitzendsector en het advies nr. 1324 van 16 oktober 2000 van de Nationale Arbeidsraad, waarin onder meer werd gevraagd om over te gaan tot de schrapping van artikel 18 van de uitzendarbeidswet.

 

In 2023 hebben de sociale partners zich gebogen over de vraag naar de opportuniteit om in de uitzendarbeidswet opnieuw een wettelijke regeling voor niet-afwervingsbedingen op te nemen. De Nationale Arbeidsraad bracht hierover op 26 september 2023 het advies nr. 2378 uit, doch dit advies was verdeeld. De vakbondsorganisaties, alsook UNIZO, UCM, Unisoc en de Boerenbond waren voorstander om in de uitzendarbeidswet van 24 juli 1987 een wettelijke regeling op te nemen met betrekking tot dergelijke bedingen, zij het dat de meningen over de modaliteiten van die regeling uiteenliepen.

 

Het VBO en Federgon waren daarentegen gekant tegen een wettelijke regeling die het gebruik van niet-afwervingsbedingen beperkt. In het regeerakkoord werd dan ook opgenomen dat we enerzijds het fenomeen zullen bestrijden waarbij zorgkundigen en verpleegkundigen zichzelf via een zelfstandig of interimcontract opnieuw aanbieden bij hun werkgever, bijvoorbeeld via een niet-afwervingsbeding. Anderzijds dient in overleg met de sociale partners een raamwerk gecreëerd te worden voor het gebruik van niet-afwervingsclausules in de uitzendsector, waarbij we een eerlijke vergoeding voor uitzendbedrijven behouden en manifest misbruik aanpakken.

 

Ik zal, in uitvoering van het regeerakkoord, dit jaar dan ook de nodige initiatieven opstarten om in overleg met de sociale partners uitvoering te geven aan die maatregelen. Parlementaire initiatieven die tegen die aanpak ingaan, zullen niet op mijn steun kunnen rekenen.

 

05.04  Nathalie Muylle (cd&v): Ik vind die laatste zin wel wat raar. Er zijn immers een aantal parlementaire initiatieven genomen die gebaseerd zijn op wat we samen in het regeerakkoord hebben afgesproken, namelijk dat we geloven in het instrument interimarbeid, maar dat er vandaag een aantal zaken zijn die beter kunnen worden georganiseerd in het kader van de buitensporigheden en niet in het minst in de zorgsector. Ik heb een wetsvoorstel klaar, net als collega Vanrobaeys en de collega’s van Les Engagés om te proberen dat raamwerk en die voorwaarden in het kader van die niet-aanwervingsbedingen in de interimarbeid correct te houden. We willen correcte termijnen en ook correcte bedragen vastleggen. Niemand van ons zegt dat men morgen zomaar een medewerker vanuit de interimsector kan overnemen. We begrijpen ook dat daar kosten zijn gemaakt, dat er rekrutering is gebeurd. Daar gaat het niet om, het gaat om die buitensporigheden.

 

De wetsvoorstellen zijn hier in het Parlement neergelegd. Er zijn al adviezen gevraagd aan de sociale partners. Het is heel duidelijk dat men in de NAR niet tot een advies zal komen. In de NAR blokkeert één partner het dossier. Daarom hebben we het ook naar het Parlement gebracht en hebben we het ook in het regeerakkoord geplaatst. Er zijn dus adviezen gevraagd aan de sociale partners, maar ook aan heel wat andere organen over die voorstellen. Ook voor u zijn die adviezen interessant in het kader van de werkzaamheden die u dit jaar omtrent het voorliggende dossier plant.

 

Ik hoop echt, mijnheer de minister, dat we samen op basis van het regeerakkoord een einde kunnen maken aan wat vandaag buitensporig is en dat we met het oog op de toekomst het instrument interimarbeid kunnen bewaken en behouden. Correcte afspraken zijn nodig in een arbeidsmarkt die het vandaag al moeilijk heeft, zeker als we kijken naar de zorgsectoren. We moeten echt afspraken maken voor de toekomst. Ik hoop dat u bereid bent met een open blik te kijken naar de adviezen en naar de voorstellen om tot oplossingen te komen.

 

05.05  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik vind uw boodschap toch wat dubbel. Enerzijds erkent u namelijk dat er een probleem is, maar anderzijds zegt u dat u die wetsvoorstellen niet zult steunen. Voor mij is het wetsvoorstel nochtans duidelijk. Het staat ook in het regeerakkoord. Ik heb mijn wetsvoorstel ingediend omdat ik het niet meer kan aanzien dat er zo wordt gesmost met overheidsgeld, dat directeurs van zorginstellingen met de handen in het haar zitten en dat daardoor personeel belemmerd wordt om vast in dienst te treden en er zo duurzame tewerkstelling wordt gecreëerd.

 

U zegt dat u dit jaar een advies zult indienen bij de NAR. Ik vraag me af wat de timing precies is, want hoe lang laten we dit nog aanslepen? Er is maar een organisatie, namelijk Federgon, die op de rem staat. Alle andere smeken u om een initiatief te nemen. Ik begrijp dat niet. We begrijpen dat interimkantoren kosten maken voor rekrutering en zij mogen daarvoor een vergoeding krijgen, maar dit gaat gewoon veel te ver.

 

Ik kijk dus uit naar uw initiatief. Ik weet ondertussen ook dat de NAR deze ochtend heeft vergaderd en dat er een brief zal volgen waarin zij vragen wanneer u een initiatief zult nemen. Zij wachten op uw adviesaanvraag. Maak er dus snel werk van. We hebben hier alvast met drie partijen wetsvoorstellen ingediend die u ter inspiratie kunnen dienen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Questions jointes de

- Sophie Thémont à Frank Vandenbroucke (VPM Affaires sociales, Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté) sur "Le budget fédéral pour la politique en matière d’économie sociale" (56012177C)

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le budget fédéral pour la politique en matière d'économie sociale" (56012178C)

- Nathalie Muylle à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les moyens fédéraux pour l'économie sociale" (56012362C)

- Anja Vanrobaeys à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les moyens supplémentaires destinés au travail adapté" (56012368C)

- Wouter Raskin à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les investissements fédéraux dans l'économie sociale" (56012444C)

06 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan Frank Vandenbroucke (VEM Sociale Zaken, Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding) over "Het federale budget voor het sociale-economiebeleid" (56012177C)

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het federale budget voor het sociale-economiebeleid" (56012178C)

- Nathalie Muylle aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De federale middelen voor de sociale economie" (56012362C)

- Anja Vanrobaeys aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De extra middelen voor maatwerk" (56012368C)

- Wouter Raskin aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De federale investeringen in de sociale economie" (56012444C)

 

06.01  Sophie Thémont (PS): L'accord de gouvernement prévoit qu'un emploi dans l'économie sociale – notamment en entreprise de travail adapté – pourra être proposé aux demandeurs d'emploi dont le "handicap professionnel" est reconnu, après l'expiration de leurs droits au chômage. Ce dispositif s'accompagne d'une enveloppe budgétaire de 50 millions. L'exclusion de dizaines de milliers de chômeurs confère un caractère d'urgence à cette mesure et sa mise en œuvre.

 

Quel est l'état des échanges entre le fédéral et les régions concernant les modalités de financement? Quel montant reviendra à chaque région? Quelle est la clé de répartition? Celle-ci est-elle liée au nombre de personnes exclues du chômage, susceptibles d'être concernées? Quel est le calendrier pour la décision et pour la mise à disposition des crédits? Quand les régions disposeront-elles d'une visibilité suffisante pour organiser l'accompagnement des publics concernés?

 

Le ministre Coppieters au niveau wallon a révélé que le gouvernement fédéral envisage le Maribel social comme véhicule de transfert. Or, ce mécanisme est limité à certaines commissions paritaires. Si en Flandre une large partie des acteurs concernés est regroupée, la situation est plus fragmentée en Wallonie, où les entreprises d'économie sociale relèvent de commissions paritaires liées au métier, comme le nettoyage, l'horeca ou encore la construction. Quelles garanties que le choix du Maribel social ne restreindra pas l'accès aux moyens, pour une partie du secteur de l'économie sociale en Wallonie? Comment assurez-vous une mise en œuvre au bénéfice de l'ensemble des entreprises d'économie sociale wallonnes?

 

Le terme "entreprise de travail adapté" utilisé dans la version francophone de l'accord est une traduction du terme flamand maatwerkbedrijven. Or il me revient que ces structures flamandes sont le résultat d'une fusion de divers dispositifs, comme les IDESS, les entreprises d'insertion et les entreprises de travail adapté (ETA). Le terme "entreprise de travail adapté" ne recouvre donc que partiellement les maatwerkbedrijven, ce qui génère la crainte en Wallonie que les moyens soient dirigés totalement vers les ETA, alors que la vocation est de viser plus largement le secteur de l'économie sociale – ETA compris. Quelle réponse du fédéral à cette préoccupation? Quelles garanties que l'ensemble du secteur de l'économie sociale en Wallonie – les ETA, mais aussi les entreprises d'insertion, les IDESS, etc. – sera associé à la définition des priorités et des modalités d'utilisation des moyens?

 

06.02  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

 

Mijnheer de minister,

Enkele maanden geleden werd op federaal niveau een akkoord bereikt over de verdeling van 50 miljoen euro extra middelen voor de sociale economie tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Die verdeelsleutel ligt dus vast.

Tot op vandaag blijkt echter dat de effectieve overmaking van die middelen aan de regio’s nog steeds geblokkeerd is.

Zolang de regio’s deze middelen niet ontvangen, kunnen zij geen oproepen lanceren om bijkomende plaatsen te creëren in de collectieve maatwerkbedrijven, terwijl de noden op het terrein groot zijn.

In die context heb ik volgende vragen:

Wat is de huidige stand van zaken van de uitwerking van de juridische en technische modaliteiten voor de overmaking van deze middelen aan de regio’s?

Welke pistes liggen vandaag concreet op tafel, en waar zit volgens u de blokkering?

Tegen wanneer mogen de regio’s rekenen op de effectieve toewijzing van deze middelen, zodat zij hun beleid inzake sociale economie verder kunnen uitvoeren?

 

06.03  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, de federale regering heeft in het kader van de hervorming van de werkloosheid beslist om in 50 miljoen euro aan bijkomende middelen te voorzien voor de sociale economie in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Oorspronkelijk zou dat vanaf 2027 telkens 25 miljoen euro zijn, maar we hebben dat budget verdubbeld en versneld ingezet om net een kwetsbare groep werkzoekenden toch een job te kunnen aanbieden. Ik denk niet dat ik u moet overtuigen van de noden. Ondertussen is het hele proces ook in gang gezet. Ik heb u tijdens de bespreking van de beleidsverklaring en de beleidsnota trouwens ook een potje pickles van bioboerderij De Loods meegebracht om nogmaals aan te tonen hoe belangrijk aangepast werk voor die werknemers is. Dat geeft hun zelfvertrouwen en structuur, wat uiteraard veel beter is dan met hun problemen alleen te zitten.

 

Nu blijkt echter dat dat geld nog niet is overgemaakt. Zolang dat extra geld er niet is, kunnen de regio’s ook geen bijkomende plaatsen in de maatwerkbedrijven creëren.

 

Mijnheer de minister, tegen wanneer zullen die middelen aan de regio’s worden overgemaakt, zodat zij meer plaatsen in maatwerkbedrijven kunnen creëren? Is daarover overleg met de regio’s geweest? Zijn er nog obstakels waardoor die middelen, ondanks de noden, nog niet terecht zijn gekomen waar ze nodig zijn?

 

06.04  David Clarinval, ministre: Chères collègues, dans le cadre de l’accord de gouvernement, il a été convenu de prévoir une compensation de 25 millions d’euros à partir de 2027 afin de compenser un parcours de croissance dans l’économie sociale. Le récent accord budgétaire a fixé ce montant à 50 millions d’euros, et ce, dès 2026. Cette mesure est importante et il me tient à cœur d’avancer rapidement dans ce dossier.

 

Comme vous le savez tous, la structure institutionnelle de la Belgique est complexe, ce qui complique fortement la mise en place d’une solution qui conviendrait aux différentes entités fédérées compétentes. L’organisation de l’économie sociale varie en effet très fortement d’une entité à l’autre.

 

C’est pourquoi ma cellule stratégique, en collaboration avec la cellule stratégique du ministre Vandenbroucke, a organisé des réunions avec les cellules stratégiques des entités fédérées et leurs administrations, ainsi qu’avec des organisations sectorielles disposant d’une bonne connaissance du terrain. Cette concertation étroite avec les différents acteurs politiques et issus du terrain prend du temps, mais elle est indispensable pour répondre aux besoins et aux dynamiques spécifiques des différents territoires du pays. C’est précisément grâce à cette consultation approfondie que nous découvrons les inconvénients de certaines pistes et que nous tentons de construire une solution qui fonctionnera pour tout le monde.

 

Het kader dat we zullen invoeren, zal gesteund moeten worden door de deelstaten en zal hen de mogelijkheid bieden bijzondere accenten te leggen om de geïnvesteerde middelen om te zetten in extra jobs. Er moet nog een billijke verdeelsleutel worden vastgesteld die rekening houdt met de jongste vaststellingen en oplossingspistes.

 

Ik herhaal dat alles in het werk gesteld wordt, in overleg met de deelstaten, om een juridische oplossing uit te werken die het mogelijk maakt de middelen in de loop van dit jaar zo snel mogelijk toe te kennen, rekening houdend met ieders bevoegdheden en bijzonderheden.

 

06.05  Sophie Thémont (PS): Merci pour votre réponse.

 

Je relève qu'il y a des réunions avec les entités fédérées et les administrations. Vous avez parlé d'acteurs de terrain, mais quelles organisations sectorielles avez-vous rencontrées?

 

Je peux entendre que cela va prendre du temps. Certes, mais vu la réforme, c'est combien de temps? C'est quand? De nouveau, nous n’avons pas de calendrier précis.

 

Nous savons, et nous le répétons à chaque fois, que la réforme du chômage va exclure des dizaines de milliers de personnes. C'est ce qui rend absolument cruciale cette enveloppe mise aujourd'hui à disposition. Vous l'avez dit, mais il n'y a pas de calendrier. Rien n'est clair. C'est compliqué. Le mécanisme de transfert sera compliqué aussi.

 

Pendant ce temps, ce sont quand même les régions qui sont en train d'absorber l'impact, sans visibilité, sans garantie que toute l'économie sociale pourra accéder à ces moyens, en particulier en Wallonie, où les structures sont déjà très diversifiées.

 

Je pense qu'il y a aussi une urgence sociale, parce que ces structures sont vraiment importantes. Nous devons pouvoir leur répondre. Il faut donc en effet un cadre solide. Il est vrai que ce n'est pas simple. Je peux le reconnaître. Mais si nous ne trouvons pas un cadre d’urgence, les inégalités entre les régions vont s’aggraver. De plus, cela va fragiliser le secteur, qui joue, à mon sens, un rôle essentiel d'inclusion.

 

06.06  Nathalie Muylle (cd&v): Mijnheer de minister, ik ben ook wat verontwaardigd, omdat we, net zoals de Vlaamse minister bevoegd voor sociale Economie, de indruk hadden dat er wel een akkoord was over de verdeelsleutel, maar dat er nog moest worden gesproken over de manier waarop de middelen zouden worden uitgekeerd. Daarvoor zijn er namelijk verschillende mogelijkheden. Vlaanderen denkt daarbij vooral aan een regeling in de vorm van een sociale maribel, terwijl Franstalig België andere oplossingen ziet.

 

Ik denk dat u asymmetrisch kunt werken, waarbij de beloofde 50 miljoen euro volgens een bepaalde verdeelsleutel onder de regio’s wordt verdeeld en de regio’s de toegekende middelen inzetten volgens hun eigen beleid. Nu beweert u dat er opnieuw over de verdeelsleutel zelf wordt gediscussieerd? Ik vind het wat vreemd dat een en ander zo lang aansleept.

 

In de sociale economie kunnen er extra jobs worden gecreëerd, die nodig zijn om een antwoord te bieden op de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Zolang de beloofde middelen niet zijn overgemaakt, kan Vlaanderen bijvoorbeeld geen oproep lanceren om bijkomende plaatsen in collectieve maatwerkbedrijven te openen. In die zin is het cruciaal dat er zo snel mogelijk een oplossing komt. Vanuit mijn fractie kan ik dan ook alleen maar aandringen op een heel snelle oplossing. Ik denk dat er maatwerk nodig zal zijn om die 50 miljoen euro te kunnen verdelen, zodat elke regio haar deel volgens eigen klemtonen en bevoegdheden, waarvoor wij respect hebben, kan inzetten. Een aanpak op maat van de regio’s, binnen het kader van een correcte verdeelsleutel, lijkt me noodzakelijk en snelheid is daarbij echt aan de orde.

 

06.07  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, net zoals collega Muylle meende ik te hebben begrepen dat er een akkoord over de verdeelsleutel was.

 

Meer nog, in onze talrijke discussies over de niet-toeleidbare werklozen hebben wij steeds de noodzaak beklemtoond om hen, nadat ze opnieuw door de VDAB worden gescreend, door te verwijzen naar het juiste stelsel, namelijk dat van de ziekte-uitkeringen of van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, of nog naar de sociale economie.

 

Heel wat niet-toeleidbare werklozen raken momenteel volledig in paniek, omdat ze voortdurend van het ene departement naar het andere worden doorverwezen. Zaken raken niet in orde, en dat terwijl de middelen cruciaal zijn voor de juiste begeleiding. Voor mij betekent dat ook begeleiding via aangepast maatwerk. Ik heb al meermaals beklemtoond hoe belangrijk dat is voor de betrokkenen.

 

Daarom kan ik er alleen maar op aandringen om daar niet langer mee te wachten. Het geld had er eigenlijk al moeten zijn. Er moet zo snel mogelijk een oplossing komen, zodat Vlaanderen een oproep kan lanceren voor bijkomende plaatsen in collectief maatwerk. Dat is volgens mij ook een belangrijke sleutel in de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Questions jointes de

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les effets de la réforme du chômage sur les retours à l’emploi" (56012256C)

- Robin Tonniau à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les conséquences de la réforme du chômage sur le retour à l'emploi" (56013228C)

- Nadia Moscufo à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les conséquences de la réforme du chômage pour les retours à l'emploi" (56013231C)

07 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het effect van de werkloosheidshervorming op de terugkeer op de arbeidsmarkt" (56012256C)

- Robin Tonniau aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De gevolgen van de hervorming van de werkloosheid voor de terugkeer naar werk" (56013228C)

- Nadia Moscufo aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de terugkeer in het arbeidsproces" (56013231C

 

Le président: Madame Moscufo, monsieur Tonniau, vous êtes encore en compétition?

 

07.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, depuis l'entrée en vigueur de la réforme du chômage, de nombreux acteurs de terrain font état d'un afflux massif de candidatures dans les entreprises. Cet afflux est aujourd'hui largement mis en avant par l'Arizona comme un indicateur de réussite de votre politique d'activation.

 

Cependant, sur le terrain, la réalité est beaucoup moins flatteuse. Dans de nombreux secteurs, les employeurs expliquent recevoir davantage de candidatures, sans pour autant parvenir à pourvoir les postes vacants avec des profils réellement adaptés. Les personnes concernées sont souvent éloignées de l'emploi depuis longtemps, insuffisamment formées ou orientées vers des fonctions qui ne correspondent ni à leur parcours ni à leurs compétences.

 

Dans ces conditions, ce sont les entreprises qui doivent assumer une part croissante de l'effort de formation et d'encadrement, lorsqu'elles en ont les moyens, tandis que d'autres renoncent à engager. Cette situation met en évidence une faiblesse structurelle de la réforme: l'accent est mis sur l'activation et les sanctions, sans accompagnement renforcé ni investissement suffisant dans la formation et la reconversion professionnelles.

 

De manière encore plus préoccupante, la pression exercée sur les demandeurs d'emploi conduit nombre d'entre eux à accepter rapidement des emplois inadaptés, par crainte de perdre leurs droits sociaux. Ces retours contraints vers l'emploi risquent d'être instables, de courte durée et d'aboutir à de nouveaux échecs professionnels, avec de lourdes conséquences humaines et sociales.

 

Dès lors, monsieur le ministre, quels dispositifs concrets avez-vous installés pour renforcer l'accompagnement et la formation des personnes concernées, tout en soutenant les employeurs qui assument une part croissante de l'encadrement sur le lieu de travail? Comment entendez-vous éviter que cette réforme n'enferme les travailleurs et travailleuses dans une succession de contrats précaires, avec des ruptures rapides et un risque accru de ré-exclusion? Enfin, une évaluation est-elle prévue pour mesurer non seulement les retours à l'emploi, mais aussi et surtout la stabilité des contrats, les conditions de travail et le respect des droits sociaux?

 

07.02  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, u presenteert uw hervorming van de werkloosheid als “activering”. Maar op het terrein spreken veel werknemers over druk: meer en meer sollicitaties moeten versturen om uitsluiting te vermijden, zonder uitzicht op stabiel werk.

 

Volgens de RVA gebeurt het verlies van het recht in golven, en blijven waarschuwingsbrieven verstuurd worden. De Standaard meldt dat in Wallonië en Brussel 40 tot 60% van de mensen die hun uitkering verloren, zich al tot het OCMW hebben gewend om een leefloon aan te vragen. RTL Luxemburg spreekt over een hervorming die “bron van bezorgdheid” is, net omdat de eerste golven mensen treffen die heel ver van de arbeidsmarkt staan en omdat de OCMW’s dreigen overspoeld te worden.

 

Terreinverenigingen vrezen snelle terugkeren naar werk, maar weinig duurzame, gevolgd door breuken en een doorschuiving naar de sociale bijstand.

 

Welke maatregelen neemt u om opleiding en begeleiding te garanderen, in plaats van sancties? Welke bijkomende middelen geeft u aan de OCMW’s en de diensten voor inschakeling? Wanneer publiceert u een opvolging van de duurzaamheid: contracten die na 6 maanden nog lopen, en terugkeer naar werkloosheid/OCMW?

 

07.03  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, les effets de votre réforme du chômage sur le retour à l’emploi sont étroitement liés au nombre d’emplois vacants, cela me paraît évident.

 

Jeudi, en séance plénière, vous avez avancé des chiffres inexacts et vous m’avez ensuite demandé avec insistance de vous présenter des excuses pour avoir dit que vous aviez menti. Or, durant cette même séance plénière, un article de la RTBF est paru indiquant que les chiffres que vous aviez cités n’étaient pas corrects. Je vous ai alors cherché pour vous dire, droit dans les yeux, pendant la plénière, que je ne m’excuserais pas. Je vous le dis aujourd’hui calmement.

 

Vous avez bel et bien gonflé les chiffres. Je peux comprendre pourquoi. Vous pensiez sans doute que votre réforme du chômage passerait comme une lettre à la poste, mais elle rencontre une résistance importante et, surtout, une prise de conscience croissante de la part des travailleurs et de l’ensemble de la population.

 

Cette réforme va exclure des personnes qui occupent des emplois précaires, des personnes en formation, des personnes de plus de 50 ans – il n’est pas nécessaire que je vous explique qu’il leur est particulièrement difficile de retrouver un emploi –, des personnes qui travaillent à temps partiel et, cerise sur le gâteau, des aidants proches. Voilà pourquoi vous gonflez les chiffres et avez besoin de faire croire qu’il suffirait de traverser la rue pour trouver un emploi.

 

Certes, il existe des emplois vacants, et c’est une bonne chose. Toutefois, le retour du terrain est beaucoup plus nuancé. De nombreux employeurs indiquent avoir reçu de nombreux curriculum vitae (CV), mais constatent que les profils des candidats ne correspondent pas au contenu des emplois proposés. Ils pointent un réel problème de formation et expliquent également qu’ils ne sont pas toujours en mesure d’accompagner ces travailleurs.

 

Il existe une autre réalité. La pression exercée en matière d’activation pousse certains travailleurs à accepter des emplois dont ils savent pertinemment qu’ils ne correspondent pas à leur profil. La conséquence est un retour rapide au chômage, sans même évoquer les situations de burn-out.

 

Monsieur le ministre, comment comptez-vous éviter un retour rapide au chômage? Comment allez-vous améliorer l’offre de formation, qui est manifestement indispensable? Confirmez-vous les chiffres que vous avez avancés en séance plénière, à savoir l’existence de 375 000 postes vacants dans ce pays?

 

07.04  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, je constate que les questions de Mme Moscufo et de M. Tonniau ne correspondent pas aux textes qui m'ont été envoyés. Il y a ici une improvisation totale. Je répondrai aux questions qui ont été envoyées par écrit comme le Règlement le prévoit et je me réfère à ma réponse apportée en séance plénière jeudi passé pour Mme Moscufo.

 

Madame Thémont, je comprends l'inquiétude de celles et ceux qui s'engagent dans une formation avec l'espoir de se reconstruire professionnellement. La formation reste un levier essentiel d'émancipation, de mobilité sociale et de retour à l'emploi. Il est également important de rappeler que tout travailleur conserve la liberté de suivre les formations qu'il souhaite à côté de son emploi, notamment via le congé éducation payé et les dispositifs de formation tout au long de la vie. La réforme ne remet pas cela en cause.

 

Mais nous devons aussi être clairs et honnêtes. Le chômage est une protection temporaire, pas un revenu de substitution durable. La réforme vise à mieux protéger les personnes en début de chômage, tout en orientant plus rapidement chacun vers un emploi réel et durable.

 

La formation des demandeurs d'emploi relève, en principe, de la compétence des autorités régionales. Dans le cadre fédéral, nous avons veillé à ce que des formations restent possibles pendant la période de chômage, dans les limites de la limitation dans le temps des allocations. Une exception temporaire à cette limitation est également prévue pour les personnes qui ont entamé, avant le 1er janvier 2026, une formation menant à un métier en pénurie. Celles-ci pourront achever leur formation avec maintien des allocations.

 

Pour les personnes qui suivent une formation professionnelle à temps plein pendant une durée ininterrompue d'au moins trois mois, la date de fin de droit aux allocations peut, dans le cadre du régime transitoire, être prolongée de maximum douze mois après la date de fin normalement prévue du droit aux allocations.

 

Par ailleurs, une exception permanente à la limitation dans le temps est prévue pour les personnes qui suivent une formation d'aide-soignant ou d'infirmier pour la durée de la formation.

 

Voor wie met precaire contracten werkt, betekent de werkloosheidshervorming een vooruitgang. Ten eerste, de duur van de werkloosheid en van de vergoedingsperiodes wordt verlengd vanaf de eerste werkdag. Voor de hervorming golden minimumdrempels van drie maanden, wat het systeem bijzonder nadelig maakte voor mensen die regelmatig via interim- of andere kortlopende contracten werkten. Ten tweede, wij hebben de toegangsvoorwaarden tot werkloosheidsuitkeringen versoepeld. Vanaf 1 maart 2026 volstaat een jaar werk in de voorbije drie jaar om een recht op uitkeringen te openen voor een minimumduur van één jaar.

 

Er werden tot slot geïnformatiseerde gegevensuitwisselingen opgezet tussen de RVA en de OCMW’s om de verwerking van de dossiers door de OCMW’s te vergemakkelijken. Die uitwisselingen stellen de OCMW’s in staat om snel de nodige informatie van de RVA te verkrijgen, zoals de einddatum van het recht op uitkeringen, waardoor de administratieve termijnen worden beperkt en de continuïteit van de begeleiding van de betrokken personen wordt gewaarborgd.

 

Het lijkt mij dat u de vragen over de bijkomende middelen voor de OCMW’s en de begeleiding naar werk voor die diensten het best richt aan de bevoegde minister, zijnde de minister van Maatschappelijke Integratie.

 

07.05  Sophie Thémont (PS): Je suis en train de réfléchir, parce que je ne pense pas que vous ayez répondu à ma question. Vous m'avez refait tout le trajet de la réforme du chômage, que je connais très bien. Moi, ce dont je vous faisais part ici, c'est du décalage entre l'offre et la demande. Je demandais quels étaient les moyens que l'on mettait en place pour renforcer l'accompagnement et la formation des personnes concernées au sein des entreprises, qui ont souvent cette charge en plus. En fait, ce sont les employeurs, aujourd'hui, qui doivent parfois assumer seuls la formation et l'encadrement, alors qu'on sait que le marché du travail est saturé.

 

Concernant les chiffres, on sait qu'on a 270 000 demandeurs d'emploi pour seulement 175 000 postes vacants. En Wallonie, le taux de chômage a augmenté de 12 %. Cela veut dire qu'aujourd'hui, on impose une réforme du chômage sans accompagnement. J'entends que vous me dites que l'accompagnement dépend, en effet, de la Région wallonne. J'estime que c'est une matière transversale et qu'on ne peut pas virer les gens du chômage, vouloir les remettre au travail, si entre les deux, il manque un bout, à savoir l'accompagnement. Donc, l'un ne va pas sans l'autre. J'imaginais donc que vous aviez parlé au moins avec les entités et avec la Région wallonne pour trouver comment former les gens.

 

On dit toujours qu'au PS, on critique, mais nous avons quand même déposé un texte. Je vous invite vraiment à le lire. Il parle du plein emploi. On demande à des entreprises qui ont plus de 50 travailleurs d'engager 3 % de demandeurs d'emploi qui ont deux ans de chômage. Cela peut rapporter, avec à la clé un montant de 15 000 euros pour les entreprises, afin d'accompagner et de former. On sait aussi que via le Forem, il n'y a pas de la formation pour tout le monde. Les places sont déjà très strictes. Je reçois des gens qui cherchent des formations en logistique. Il faut parfois attendre deux ans pour avoir accès à une formation. On voit qu'il y a un décalage. 

 

Vous imposez une réforme sans accompagnement, sans investissements, sans stratégie pour sécuriser les parcours. Je pense que ce n’est pas très sérieux. Cette réforme ne mène personne durablement à l’emploi. Elle crée tout simplement de l’instabilité, de la précarité et de l’insécurité.

 

Aujourd'hui, parmi les emplois vacants au niveau du Forem, 12,4 % d’emplois sont proposés en contrat à durée indéterminée. Je vous ai demandé des chiffres. Je ne les ai toujours pas. Le restant, ce sont des emplois avec des contrats successifs et de l’intérim.

 

Vous êtes tout content de dire: "les chiffres montrent que nous avons remis des gens au travail." C’est totalement faux, et il n’y a rien pour les encadrer.

 

07.06  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, u verschuilt zich achter het Reglement van de Kamer en u zegt dat u niet moet antwoorden op vragen die gesteld worden door de oppositie als ze niet mondeling ingediend zijn. Ik vind dat een beetje flauw. Ik snap wel waarom, natuurlijk. Na de polemiek van vorige week bent u in de media afgegaan voor de hele bevolking. Een minister van Werk die niet weet hoeveel vacatures er zijn in België en die er 200.000 naast zit, maakt zichzelf belachelijk.

 

Bovendien verwachtte u verontschuldigingen van de persoon hier naast me, mevrouw Moscufo. Sorry, maar dat is echt te belachelijk voor woorden. U hebt de hele hervorming van de werkloosheid blijkbaar gebaseerd op foute cijfers als u heel de tijd meende dat er 375.000 vacatures zijn in België, terwijl er maar 159.000 zijn. Vandaag zijn er in tegenstelling meer dan 350.000 werkzoekenden voor die vacatures in België. Met andere woorden, er zijn meer dan twee werkzoekenden per vacature. Wij gebruiken daarvoor Statbel, uw eigen dienst. Statbel werkt op de meest wetenschappelijke manier, via enquêtes. Dat is de manier waarop men moet tellen.

 

Heel uw hervorming is gebaseerd op foute cijfers. U zult zoveel mensen in armoede leiden door foute cijfers. U maakt de bevolking iets wijs. U maakt ons iets wijs. U maakt uw collega-ministers iets wijs. Maar uw wet is er wel door. Dat was de bedoeling. Een paar leugens verspreiden, een beetje fake news verspreiden, om uw rechts-conservatieve ideologie door te drukken.

 

Het is wel de werkende klasse die het systeem van werkloosheid had afgedwongen en opgebouwd. En terecht, want er zijn niet genoeg jobs om iedereen een hele loopbaan lang aan het werk te houden. Kortom, mijnheer de minister, ik verwacht eigenlijk verontschuldigingen van u.

 

07.07  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, confirmez-vous bien votre chiffre de 375 000 emplois vacants aujourd'hui? Puisque vous avez fait référence à ce que vous avez dit en plénière. C'est quand même fou. Je vous le redis, vous mentez. Il n'y a pas que nous qui le disons. D'ailleurs, j'ai ici quelques articles de presse.

 

Le Soir: "David Clarinval: le poids lourd des chiffres"; "Vrai ou faux: y-a-t-il 375 000 emplois vacants en Belgique?". La Libre Belgique: "Clarinval se prend une nouvelle fois les pieds dans le tapis". J'espère que vous n'allez pas tomber, car vous allez vous faire mal. J'adore celle-ci, L'Avenir: regardez cette belle photo de nous deux! Vous ne trouvez pas? Magnifique! Trends-Tendances: "La mauvaise journée de David Clarinval à la Chambre, chiffres de l'emploi gonflés et aidants proches oubliés". Et la dernière, ma préférée, Sacha Daout: "David Clarinval annonce 375 000 emplois vacants dans notre pays, aucun chiffre officiel ne le confirme, ce n'est pas sérieux".

 

Monsieur Daout, vous avez raison. Ce n'est pas sérieux. Un ministre du Travail qui invente un chiffre de 375 000 alors qu'aujourd'hui Statbel, votre propre institution, annonce un chiffre de 159 000.

 

À côté de ça, comment allez-vous régler le décalage? Imaginons une ancienne caissière de chez Cora, de plus de 55 ans, qui cherche du boulot. Elle va sur le site et voit qu'on cherche un couvreur chez votre ami, monsieur le Transports Michel – condamné pour dumping social. Comment cette femme de 55 ans va trouver une formation pour travailler comme couvreur? Ce jeune homme suivant une formation dans un métier qui n'est pas en pénurie que vous allez exclure, qui quittera sa formation car il ne sait pas manger à midi et qui va chercher du boulot. Que fera-t-il? Tous les flexi-jobs que vous voulez étendre partout… Ne me dites pas que vous n'êtes pas conscient que, plus il y aura de flexi-jobs, moins il y aura d'emplois durables.

 

Vous n'avez pas répondu à vos chiffres réels, donc soit vous vous êtes trompé, vous pouvez le dire, ça vous valoriserait. Mais si vous dites que vous ne vous êtes pas trompé, alors vous êtes un menteur et vous le faites pour appuyer votre vision de société qui est celle de défendre les grandes multinationales au détriment des travailleurs et de tous les gens qui font tourner ce pays.

 

Le président: Monsieur le ministre, vous souhaitez réagir?

 

07.08  David Clarinval, ministre: Monsieur le président, Mme Moscufo m'a traité trois fois de menteur. Elle l'avait déjà fait jeudi dernier. J'attends toujours ses excuses, parce que mes chiffres sont exacts, et je le confirme. Je le lui expliquerai un jour, mais je vois qu'elle ne veut pas comprendre. J'attends toujours ses excuses, parce que je n'accepte pas qu'on me traite de menteur. Je suis au Parlement depuis presque vingt ans et j'estime que ces procédés ne sont pas respectueux du niveau dans lequel nous devrions nous situer. Je regrette donc que Mme Moscufo ne se soit pas excusée pour m'avoir traité de menteur une quatrième fois. 

 

07.09  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, vous parlez de la question du respect. Vous rendez-vous compte que cela ne vous convient pas que je vous traite de menteur parce que vous trouvez que c'est un manque de respect de dire cela dans cette institution? Mais vous regardez-vous dans la glace le matin? Vous avez dit connaître des aidants proches. Pouvez-vous les regarder droit dans les yeux et leur dire: "J'ai beaucoup d'empathie pour vous, mais je vais quand même vous exclure. Tant pis pour vous!"? Je ne vous manque pas de respect en tant qu'être humain. Du reste, je ne vous en manque pas du tout! Je vous demande même de reconnaître que vous vous êtes trompé. Ce n'est pas Nadia Moscufo qui dit que vous vous gourez dans les chiffres. C'est tout le monde! Vous persistez à le nier. Par conséquent, je refuse de dire que je vous manque de respect. Je suis ici pour dire la vérité, et la vérité est que vous mentez et que les chiffres que vous avancez sont faux!

 

Le président: Écoutez, en tout cas, comme président de cette commission, j'estime que se traiter de la sorte, c'est-à-dire qualifier à plusieurs reprises un collègue de menteur, ne va pas. Cela ne me convient pas. Je suspends les travaux plusieurs minutes, de sorte que ceux qui en ont besoin retrouvent leur calme.

 

Je suspends les travaux. Entendre des parlementaires répéter "menteur", cela ne me convient pas. Et cela signifie peut-être que certains ont besoin de se calmer. Je suspends la réunion plusieurs minutes.

 

Le développement des questions est suspendu de 16 h 39 à 16 h 46.

De behandeling van de vragen wordt geschorst van 16.39 uur tot 16.46 uur.

 

Le président: Après cette interruption, reprenons nos travaux. Vous demandez la parole, monsieur le ministre?

 

07.10  David Clarinval, ministre: Oui, monsieur le président, je voudrais préciser certains éléments. Mme Moscufo m’interroge sur des points qui ne figuraient pas à l’ordre du jour, la question ne portant pas initialement sur les chiffres. Je souhaite donc que les choses soient claires, ce qui permettra à Mme Moscufo de cesser de me traiter de menteur.

 

Les 375 000 emplois vacants auxquels j’ai fait référence en séance plénière jeudi passé correspondent simplement au nombre total d’emplois vacants disponibles en 2025, sur l’ensemble des quatre trimestres. Il s’agit de chiffres transmis par toutes les agences régionales (Forem, VDAB, etc.). Ces chiffres ont été donnés sur un plateau de télévision, de manière un peu rapide. Ce sont des chiffres officiels, globalisés par l’ONEM, sur lequel j’exerce la tutelle.

 

Madame Moscufo, vous faites, pour votre part, référence aux chiffres de Statbel, sur lequel j’exerce aussi la tutelle en tant que ministre de l’Économie, et qui évoquent environ 175 000 emplois vacants. En réalité, les deux chiffres sont corrects. La différence tient au fait que Statbel parle d’un instant T, à un moment précis, tandis que l’ONEM raisonne de manière globale sur l’ensemble des quatre trimestres.

 

C’est donc simplement cette différence méthodologique qui explique l’écart entre les deux chiffres. Dès lors, me traiter de menteur n’est pas acceptable, puisque les chiffres sont exacts. Il est vrai que, sur un plateau de télévision, j’ai utilisé l’expression "au moment où je vous parle". Cette formulation était imprécise. Il aurait fallu dire "sur l’ensemble de l’année écoulée".

 

Je crois que cela ne mérite pas une accusation de mensonge ou de manipulation. Il s’agit de deux chiffres valables, issus de sources différentes, qui reflètent deux réalités distinctes: d’une part, un stock global d’emplois vacants sur quatre trimestres et, d’autre part, une photographie à un moment donné. Sur un plateau de télévision, il n’est pas toujours aisé d’expliquer de manière didactique et pédagogique ce type de distinction. Mais affirmer que j’ai menti n’est pas fondé.

 

J’espère que ces explications, que je donne ici en dehors de l’ordre du jour, permettront de clarifier pleinement la situation.

 

07.11  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette clarification, mais vous clarifiez en fait quelque chose que nous avions déjà bien compris. Vous venez de rappeler que le chiffre de 375 000 que vous avez mentionné dans l'émission QR  correspond au nombre de postes vacants sur toute une année. Or les chiffres servent à démontrer combien d'emplois sont vacants à un moment T. Si encore vous admettiez avoir pris le chiffre global sur l'année tout en sachant, en tant que ministre du Travail, que de nombreux travailleurs dont le profil correspondait ont répondu à ces 375 000 offres et qu'aujourd'hui ce nombre a diminué... Si vous disiez avoir pris ce chiffre et regretter que cela ait été mal interprété, parce qu'effectivement, il n'y a pas aujourd'hui la possibilité…

 

Dites-le alors! Ici et maintenant, combien y a-t-il de postes vacants sur le trimestre? Et nous disposons bien des chiffres: il y a 159 613 offres sur le 3e trimestre 2025, pour 176 000 sur le 3e trimestre 2024. Ce chiffre a donc diminué.

 

Monsieur le ministre, je veux bien me laisser convaincre que vous ne mentez pas, mais en avançant ce chiffre, vous laissez croire qu'il y a aujourd'hui 375 000 postes vacants. Or ce n'est pas le cas. Je ne vous demande pas d'excuse pour cela, puisque vous avez déjà donné des explications aujourd'hui. Par ailleurs, quand bien même vous seriez d'accord de dire qu'il s'agit effectivement de 159 613 emplois vacants, la question porte sur le fait que, parmi ces emplois, des contrats sont hyper précaires. J'espère que vous ne voulez pas remettre à l'emploi des personnes qui vont travailler un jour dans une agence intérim. Comme mes collègues l'ont également dit ici, certains profils ne correspondent pas. Mais là non plus, vous n'avez pas répondu.

 

J'ai toutefois bien entendu votre explication. Tout le monde, y compris Sacha Daout et l'ensemble de la presse, avait bien compris que vous aviez pris ce chiffre-là. Au mieux, vous vous êtes trompé, sans dire que ce chiffre avait diminué car de nombreux postes avaient déjà été pourvus.

 

07.12  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik ben blij dat we dit debat over de cijfers kunnen voeren. Het cijfer dat u gebruikte, is niet het correcte cijfer. Het aantal vacatures per jaar werd opgeteld. We doen dat niet met de werklozen. Als wij vragen hoeveel werkzoekenden er vandaag zijn, dan tellen wij de cijfers van iedereen die eens een dag werkloos is geweest ook niet op gedurende een jaar. Dat doen wij niet. Om te weten hoeveel vacatures er vandaag zijn, moet u het cijfer van Statbel gebruiken. Ook om te weten hoeveel werkzoekenden er vandaag zijn, gebruikt men het cijfer van Statbel. Als we alle cijfers van bijvoorbeeld de VDAB, Forem en Actiris optellen, dan resulteert dat in een opgeblazen cijfer.

 

Minister Crucke heeft tijdens QR le débat bijvoorbeeld gezegd dat Volvo Trucks mensen zoekt. Dat klopt; ik ken het bedrijf heel goed. Maar Volvo Trucks werkt met vijf verschillende interimkantoren. Als Volvo Trucks tien vacatures heeft, dan zetten die vijf interimkantoren tien vacatures open op de VDAB-website, want ze willen die allemaal binnenhalen. In dit voorbeeld staan er op de VDAB-site vijftig vacatures, terwijl er maar tien jobs zijn. De mensen weten dat.

 

Toen ik als arbeider af en toe van werk moest veranderen, heb ik vaak meegemaakt dat er valse vacatures op die sites stonden. Ik ging naar een interimbureau en toonde een bepaalde vacature, maar had meteen door dat die niet bestond of al ingevuld was. Men zei mij dan dat het geen probleem was, vroeg mij om mijn identiteitskaart, schreef mij in en toonde mij een andere vacature. Veel van die vacatures bestaan niet, worden misbruikt, staan te lang open of zijn al ingevuld.

 

U dient daarom Statbel te gebruiken als bron voor cijfergegevens. Als men u vraagt hoeveel vacatures er openstaan, dan moet u uw medewerker vragen om Statbel te gebruiken en niets anders. Statbel houdt ook geen rekening met dagcontracten of flexi-jobs. Dat is terecht, want wie werk zoekt en een dagcontract heeft, is twee dagen later opnieuw werkzoekende. Statbel werkt met enquêtes en rekent een openstaande vacature pas mee als een werkgever van plan is om iemand langer dan een maand een werkaanbieding te geven. Dat is de correcte manier om cijfergegevens te presenteren en ik hoop dat u die les nu hebt geleerd, mijnheer de minister.

 

Le président: Je pense que les choses sont claires. Nous avons deux chiffres: l’un est relatif à un trimestre et l’autre à l’année. Je remercie chacun d’avoir clarifié ce point. Je remercie également le ministre. Cela nous a permis de dépasser un certain nombre de mots de vocabulaire que je ne souhaite plus voir apparaître cinq fois dans les débats de cette commission, comme ce fut le cas.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’impact de la réforme du chômage sur les familles monoparentales" (56012258C)

08 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor eenoudergezinnen" (56012258C)

 

08.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, depuis l’entrée en vigueur de la réforme des allocations de chômage, de nombreuses situations préoccupantes émergent sur le terrain, en particulier pour les familles monoparentales et, très majoritairement pour les mères isolées.

 

La presse a récemment relayé le témoignage d’une maman solo, exclue du chômage alors qu’elle assume seule la prise en charge de son enfant en situation de handicap. Ce cas illustre une réalité plus large: de nombreuses femmes voient leur accès à l’emploi fortement limité par des contraintes familiales lourdes, des horaires scolaires rigides, une mobilité restreinte ou l’absence de solutions adaptées.

 

Dans un contexte marqué par la précarisation de l’emploi, la multiplication des contrats courts, des horaires peu compatibles avec la vie de famille et une offre d’emploi insuffisante, l’exclusion du chômage ne peut en aucun cas produire les effets annoncés de remise à l’emploi. Elle se traduit au contraire par une fragilisation accrue de ménages déjà sous pression et par un creusement des inégalités entre les femmes et les hommes sur le marché du travail.

 

Une politique de l’emploi efficace ne peut ignorer les réalités concrètes vécues par les familles monoparentales, au risque de transformer une réforme du chômage en un mécanisme d’exclusion sociale durable.

 

Monsieur le ministre, comment votre réforme du chômage tientelle concrètement compte des contraintes spécifiques des familles monoparentales, et en particulier des mères isolées, dans laccès et le retour à lemploi? Quelles garanties pouvezvous apporter pour que ces personnes aient accès à des emplois réellement compatibles avec leurs responsabilités familiales, et non à une simple injonction théorique à retrouver de lemploi indépendamment des réalités du marché du travail? Enfin, quelles mesures daccompagnement spécifiques en matière d’emploi et de formation sont-elles prévues afin d’éviter que l’exclusion du chômage ne conduise ces femmes vers des trajectoires de précarité ou, finalement, vers un transfert forcé vers les CPAS? 

 

08.02  David Clarinval, ministre: Madame Thémont, le travail est la meilleure garantie contre la pauvreté et l'exclusion sociale, en particulier pour les familles monoparentales qui se trouvent plus souvent dans des situations de grande précarité financière. La réforme des allocations de chômage met fin à une anomalie belge en Europe: les allocations de chômage sans limitation dans le temps. Je ne crois pas à un système de dépendance, mais bien à un équilibre entre solidarité et responsabilisation. C'est précisément ce que nous réalisons avec cette réforme.

 

Il y a en Belgique un nombre particulièrement élevé d'offres d'emploi. Le taux de vacance d'emploi, c'est-à-dire le nombre de postes vacants par rapport au nombre total d'emplois, est, selon les derniers chiffres, le deuxième plus élevé de l'Union européenne et, avec 3,8 %, presque le double de la moyenne de l'Union européenne.

 

Nous travaillons également à davantage de flexibilité sur le marché du travail afin de mieux concilier vie professionnelle et vie privée.

 

En Belgique, l'accompagnement des demandeurs d'emploi vers le travail et l'offre de formation relève des compétences des régions; mais au niveau de la législation fédérale également, plusieurs mécanismes ont été prévus et méritent d'être mentionnés dans ce contexte.

 

Premièrement, il reste possible pour les demandeurs d'emploi, dans les limites de la durée maximale des allocations, de suivre des formations afin d'augmenter leurs chances sur le marché du travail. En 2024, la durée moyenne d'une formation menant à un métier en pénurie était de neuf mois. La plupart des formations peuvent donc largement être entamées et achevées dans un délai de un à deux ans.

 

Deuxièmement, la réglementation prévoit une dérogation temporaire à la limitation dans le temps pour toute personne qui a entamé, avant le 31 décembre 2025, une formation menant à un métier en pénurie. Même si ces formations se terminent après la date normale de fin de droit aux allocations, les personnes qui les suivent conservent leur droit aux allocations jusqu'à la fin de la formation.

 

Troisièmement, la réglementation prévoit une dérogation permanente pour les personnes qui suivent une formation de soignant ou d'infirmier. Une deuxième dérogation permanente à la limitation dans le temps est prévue pour les bénéficiaires de l'allocation de garantie de revenus lorsqu'ils travaillent au moins à mi-temps et ce, pour la durée de leur emploi.

 

Enfin, je mentionne également l'assouplissement des conditions d'accès à l'allocation de chômage. Pour ouvrir le droit aux allocations, il suffit désormais d'avoir travaillé un an au cours des trois dernières années. La limitation dans le temps des allocations de chômage ne concerne donc en ce sens que les personnes qui travaillent en moyenne moins d'une année sur deux. Voilà une liste d'éléments qui me permettent de répondre à vos questions.

 

08.03  Sophie Thémont (PS): Oui et non, parce que je venais plus particulièrement avec les cas spécifiques que sont les mamans solos, qui constituent la grande majorité, comme vous le savez, des familles monoparentales, 90 %. On demande que leur réalité soit enfin reconnue, puisqu'elles se retrouvent dans des situations particulièrement difficiles.

 

On en a eu un exemple ici, avec cette maman qui élève seule son enfant. Ce n'est pas simple. On peut essayer de trouver un emploi mais on sait bien, lorsqu'on a un enfant en situation de handicap, qu'il n'y a pas assez de places dans des structures adéquates. On dit toujours qu'il faut trouver une solution pour retrouver aussi un emploi, parce que l'emploi doit être épanouissant. Lorsqu'on a un enfant atteint de handicap, ce n'est pas non plus la vie rêvée de rester toujours chez soi sans avoir un moment de repos pour soi. Tous ces aidants proches qui assument la prise en charge d'un enfant ou d'un parent le font souvent au détriment de leur carrière. Ce n'est pas toujours un choix de vie, mais une situation subie, qui rend difficile la réinsertion sur le marché de l'emploi, c'est quasiment impossible.

 

Dans votre réponse ici, vous me donnez encore celle que vous m'avez donnée précédemment, que je connais par cœur, je connais la réforme du chômage que vous avez mise en place. Ma question visait à savoir si l'on pouvait créer des emplois adaptés à toutes ces situations, pour justement remettre aussi ces personnes sur le marché du travail. Il n'y a pas d'accompagnement spécifique pour réinsérer ces personnes dans l'emploi. On les pousse surtout vers les CPAS, qui constituent parfois pour ces familles une solution de survie.

 

Une politique de l'emploi qui ignore les contraintes familiales n'est pas une politique d'activation, mais plutôt une politique d'exclusion.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Vraag van Robin Tonniau aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De niet-toeleidbare werkzoekenden" (56012264C)

09 Question de Robin Tonniau à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les demandeurs d'emploi non mobilisables" (56012264C)

 

09.01  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik wil het vandaag nog even hebben over een groep die volledig door de mazen van het net dreigt te glippen. Het gaat over de zogenaamde niet-toeleidbaren. Dat zijn 12.797 werklozen die zonder inkomen dreigen te vallen. Het gaat om mensen die onder andere van de VDAB zelf ook het label kregen dat ze tijdelijk of structureel niet klaar zijn voor de arbeidsmarkt.

 

Ze kampen met zware gezondheidsproblemen. Sommigen hebben psychische diagnoses, sociale problemen of verslavingsproblematieken. Velen van hen doen vandaag met toestemming vrijwilligerswerk en staan al jarenlang onder begeleiding. Tot vandaag kregen zij terecht een uitkering, maar door de beperking van de werkloosheid in de tijd verliezen ze die nu massaal. Die mensen zijn nu in paniek en dat is ook logisch. Ze krijgen een brief en dreigen plots zonder inkomen te vallen en hebben geen duidelijk perspectief. Ze weten niet wat ze moeten ondernemen.

 

Minister, dit is echt geen fait divers. Dat is het gevolg van een beleid dat geen onderscheid maakt tussen wie niet wil werken en wie objectief gezien niet kan werken. Voor u zijn dat blijkbaar allemaal profiteurs. De regering wil vanaf 2028 ook de beschermingsuitkering afschaffen. Dat werd ook binnen de regering afgesproken: u moet met uw collega Rob Beenders zorgen voor een oplossing voor de doelgroep van de beschermingsuitkeringsgerechtigden tegen 2028. Mijnheer de minister, hoe staat het daarmee? Is er al een oplossing voor die mensen?

 

09.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Tonniau, binnen de regering werd inderdaad afgesproken dat mijn collega Beenders en ikzelf een oplossing zouden zoeken die het mogelijk moet maken om de beschermingsuitkering vanaf 2028 af te schaffen. Ik kan u op dat vlak nog geen concrete elementen melden. Dit is een bespreking die ik binnen de regering wil voeren.

 

De regionale arbeidsbemiddelingsdiensten bieden verschillende specifieke begeleidingstrajecten aan. Die trajecten zijn met formele criteria omkaderd binnen de werkloosheidsreglementering, maar worden inhoudelijk ingevuld door de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten.

 

Het ligt buiten het bevoegdheidsdomein van de federale minister van Werk om te bepalen welke gevolgen moeten worden verbonden aan het aanbod van trajecten en aan de uitvoering van lopende trajecten voor werkzoekenden die niet langer werkloosheidsuitkeringen genieten, doch ingeschreven blijven als vrije werkzoekenden, of voor de werkzoekenden die een beroep zouden doen op de steun van het OCMW.

 

09.03  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, er is duidelijk een conflict in de regering. Vanochtend zat de heer Beenders op de stoel waarop u nu zit, en zat ik op exact dezelfde plaats. We hebben exact hetzelfde thema behandeld, namelijk over de niet-toeleidbare werkzoekenden en de mantelzorgers. Hij stelde ferm en duidelijk dat het niet zijn bevoegdheid was, maar dat hij u zou steunen wanneer u voor die specifieke doelgroepen een nieuw statuut zou uitwerken. Nu stellen we dezelfde vraag aan u en u gooit de bal terug naar minister Beenders. Wie thuiszit met het label van niet-toeleidbare werkzoekende of mantelzorger en zijn of haar inkomen verliest, heeft daar geen boodschap aan. Zij verwachten van de regering dat zij dat reële en fundamentele probleem oplost.

 

Het is ook geen nieuw probleem. Het wordt immers, zeker wat de mantelzorgers betreft, al langer aangekaart, sinds de zomer van vorig jaar. Verschillende partijen hebben trouwens al amendementen ingediend om in een uitzondering of een apart statuut te voorzien. We zijn vandaag 4 februari en we debatteren er nog altijd over, terwijl die mensen vandaag hun inkomen verliezen.

 

Met andere woorden, u bent bevoegd om werkloosheidsuitkeringen van mensen te schorsen en hen te dumpen, maar het is kennelijk niemands bevoegdheid om een oplossing te zoeken voor de niet-toeleidbare werklozen, voor wie een beschermingsuitkering dreigt te verliezen en voor mantelzorgers. Dat is echt typisch voor de arizonaregering.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Samengevoegde vragen van

- Robin Tonniau aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De sluiting van Tailored Blanks bij ArcelorMittal" (56012265C)

- Robin Tonniau aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De delokalisatieplannen van ArcelorMittal" (56013132C)

- Meyrem Almaci aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De aangekondigde delokalisatie van jobs bij ArcelorMittal" (56013152C)

10 Questions jointes de

- Robin Tonniau à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La fermeture de Tailored Blanks au sein d'ArcelorMittal" (56012265C)

- Robin Tonniau à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les projets de délocalisation d'ArcelorMittal" (56013132C)

- Meyrem Almaci à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La délocalisation d'emplois annoncée chez ArcelorMittal" (56013152C)

 

10.01  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ArcelorMittal wil de afdeling Tailored Blanks, een gespecialiseerde productie-eenheid, sluiten. Tailored Blanks staat in voor het aan elkaar lassen van verschillende staalsoorten met een laserlasmachine. De eenheid zal worden gesloten door de gedaalde vraag. Men wil er niet meer in investeren. Hierdoor staan 90 jobs op de helling. ArcelorMittal heeft in het verleden nog nooit zulke afdankingen aangekondigd. De werkende mensen worden opnieuw het slachtoffer van een falend industriebeleid en de slechte strategische keuzes van multinationals. Er is immers wel degelijk vraag naar de producten die zij maken.

 

Hebt u al contact opgenomen met de directie om bijkomende uitleg te eisen over deze beslissing? Hebt u contact opgenomen met de vakbonden? ArcelorMittal Tailored Blanks zou verlieslatend zijn, maar de groep ArcelorMittal als geheel is winstgevend. Hoe zit de bedrijfsstructuur precies in elkaar? Hoeveel winst heeft ArcelorMittal België de afgelopen vier jaar gerealiseerd? Hoe beoordeelt u de huidige en toekomstige vraag naar staal in de automobielsector?

 

Staalreus ArcelorMittal plant een gevoelige uitbreiding van zijn bestaande plan waarmee het Europese banen wil delokaliseren naar India en Polen. Dat heeft de Europese ondernemingsraad van het staalbedrijf op 29 januari bekendgemaakt. Vorig jaar had ArcelorMittal al aangekondigd dat het een deel van zijn Europese ondersteunende diensten, zoals boekhouding, IT en hr naar India zou verplaatsen. Daardoor zouden bijna 2.000 banen in Europa verdwijnen, waarvan 190 in België. Volgens de Franse secretaris van de ondernemingsraad, Jean-Luc Ruffin, zal de uitbreiding gevolgen hebben voor 5.600 werknemers die aan de slag zijn in vestigingen in 20 Europese landen. In heel Europa trekken vakbonden aan de alarmbel over de delokalisatieplannen van ArcelorMittal. Naast het verlies van ondersteunende functies die naar India verhuizen, investeert de groep grootschalig buiten Europa en overweegt staal of halffabricaten in Europa te importeren, in plaats van omgekeerd.

 

Mijnheer de minister, hoeveel mensen zouden daar in België door getroffen worden? Hebt u al contact opgenomen met de directie van ArcelorMittal hieromtrent? Wat bent u specifiek van plan om de jobs te beschermen tegen delokalisatie?

 

10.02 Minister David Clarinval: De aangekondigde herstructureringen bij ArcelorMittal worden door mijn administratie nauwlettend opgevolgd.

 

Met betrekking tot de vennootschap Tailored Blanks, de in 2025 aangekondigde herstructureringen zouden kunnen leiden tot het collectief ontslag van 76 werknemers. De voorgestelde herstructurering valt onder een specifiek juridisch kader dat een reglementaire informatie- en raadplegingsprocedure omvat.

 

In haar aankondiging heeft de onderneming zich ertoe verbonden de mogelijke alternatieven te identificeren die aan de werknemers kunnen worden voorgesteld om hun toekomst bij ArcelorMittal Belgium te garanderen. Het paritair comité is op de hoogte gebracht van de herstructurering en ook de sociaal bemiddelaar blijft steeds ter beschikking van de partijen als zij willen dat hij tussenkomt.

 

Vorig jaar kondigde ArcelorMittal ook aan dat het een deel van zijn Europese supportdiensten naar India zou verplaatsen. Dit zou betrekking hebben op de diensten boekhouding, informatica en human resources. Deze aankondiging had betrekking op 2.000 jobs in Europa, waarvan potentieel 190 in België. In januari 2026 kondigde de groep tijdens een Europese ondernemingsraad aan dat zij een tweede herstructureringsfase van de supportfuncties bestudeert. Die zou betrekking kunnen hebben op meer dan 5.600 jobs in 20 Europese landen. In dit stadium laat geen enkele geconsolideerde en officieel aan mijn administratie meegedeelde informatie toe om de impact van deze nieuwe aankondiging nauwkeurig te bepalen. Ik stel echter net als u vast dat het volgens de directie van ArcelorMittal om een nieuwe fase zou gaan die geen betrekking zou hebben op de Belgische sites.

 

Ik zal de verdere evolutie van dit dossier aandachtig blijven volgen en er via mijn administratie op toezien dat de sociale regels worden nageleefd en dat de betrokken werknemers worden beschermd. De regering blijft bovendien bijzonder waakzaam ten aanzien van de risico’s van industriële delokalisatie. Het behoud van de werkgelegenheid, het industriële weefsel en de knowhow in België vormt een blijvende prioriteit en elke herstructurering moet plaatsvinden met strikte naleving van de sociale verplichtingen en de verantwoordelijkheden van de multinationals die op ons grondgebied actief zijn.

 

10.03  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord op de helft van mijn vragen. Dat is al iets.

 

De sluiting van Tailored Blanks kan betekenen dat 76 mensen hun werk verliezen. Nog eens 190 jobs op de site worden gedelokaliseerd. Dat heeft dus een impact op 266 jobs in Gent.

 

Het gaat hard in de metaalsector. De metaalindustrie in heel Europa ligt zwaar onder vuur. Grote multinationals, zoals ArcelorMittal, investeren vandaag eigenlijk niet meer in Europa. Er zijn veel beloftes gemaakt, maar er wordt bijna niet meer geïnvesteerd in Europa, niet in Duinkerke, niet in Gent.

 

We hebben het resultaat gezien. Er is een grote mobilisatie bezig op de site in Duinkerke. Er is voor de nationalisatie van ArcelorMittal Duinkerke in de Assemblée in Frankrijk ook een wet goedgekeurd. Ik denk dat het geleden is van de jaren 80 dat zulke wetsvoorstellen in de Assemblée zijn gepasseerd en goedgekeurd. Dat wil niet zeggen dat het morgen al wordt uitgevoerd, want het moet nog door de Senaat, maar dat betekent wel dat de mensen het heft in eigen handen houden.

 

Ik heb hier een mooi artikel van Gaëtan Lecocq, die ik al in Zelzate heb ontmoet. Hij zegt dat als het moet, ze wel staal zullen maken zonder ArcelorMittal. ArcelorMittal is een bankier, een kapitalist, die het geld inzet waar het nodig is. We hebben ArcelorMittal niet nodig om staal te maken. We zijn met genoeg arbeiders. Wij weten hoe we staal moeten maken.

 

Wij moeten met andere woorden onze toekomst in eigen handen nemen en niet afhankelijk zijn van de CEO’s van de grote multinationals. Dan riskeren we een grote delokalisatiegolf mee te maken door de hoge energieprijzen, door veel te hoge grondstofprijzen en door een slecht investeringsklimaat in Europa. Dan kiest men bijvoorbeeld voor India. India is een land waarmee we net een vrijhandelsakkoord hebben afgesloten, waardoor de staalindustrie in Europa ongetwijfeld nog meer onder druk zal komen te staan.

 

Mijnheer de minister, ik hoop dat u daar toch nog eens over nadenkt en dat u het niet gewoon aan de vrije markt overlaat. Dan riskeren we immers onze hele staalindustrie hier te verliezen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

11 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La réinsertion des personnes âgées exclues du chômage" (56012279C)

11 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De re-integratie van ouderen die hun werkloosheidsuitkering verliezen" (56012279C)

 

11.01  Sophie Thémont (PS): Comme vous le savez, la première vague d'exclusions du chômage est entrée en vigueur.et d'ici juillet 2027, près de 194 000 personnes seront concernées par cette réforme. Sur le terrain, ses effets sont déjà très concrets, et profondément préoccupants.

 

Dans plusieurs grandes villes, des centaines de personnes récemment exclues du chômage se tournent désormais vers le CPAS comme unique filet de sécurité. Parmi elles, de nombreux demandeurs d'emploi âgés, parfois en fin de carrière, souvent fragilisés par des problèmes de santé, et pour qui le retour à l'emploi relève bien plus du parcours d'obstacles que d'une réelle opportunité.

 

Les témoignages sont édifiants. Des personnes de plus de 60 ans, après des dizaines, parfois des centaines de candidatures, se voient opposer refus sur refus, y compris pour des emplois peu qualifiés. L'âge, l'état de santé, la proximité de la pension deviennent des freins majeurs à l'embauche. Et pourtant, ce sont précisément ces personnes que votre réforme exclut aujourd'hui du chômage, les plongeant dans des périodes de grande insécurité financière, parfois sans revenu stable pendant de longs mois avant l'accès à la pension.

 

Monsieur le ministre, priver d'allocations des personnes dont chacun connaît les obstacles majeurs à la réinsertion ne constitue pas une politique de l'emploi. Cela revient à transférer la précarité vers les CPAS, les communes et les familles, tout en abandonnant des travailleurs et des travailleuses en fin de carrière, sans perspective réaliste. À cet âge, cette réforme ne remet pas les gens au travail: elle organise l'exclusion.

 

Dans ce contexte d'inquiétude grandissante, pouvez-vous expliquer quelles mesures spécifiques vous avez prévues pour garantir une réelle réinsertion professionnelle des demandeurs d'emploi âgés exclus du chômage, au-delà d'une simple injonction à "retrouver un emploi"?

 

Comment justifiez-vous l'exclusion de personnes dont l'âge, la santé ou le parcours professionnel rendent objectivement l'accès au marché du travail extrêmement limité?

 

Enfin, quelles garanties pouvez-vous apporter pour éviter que cette réforme ne crée, pour ces publics, des périodes prolongées de précarité, de dépendance au CPAS et d'angoisse sociale avant l'âge de la pension?

 

11.02  David Clarinval, ministre: Madame la députée, dans le cadre de la réforme de l’assurance chômage, une exception a été prévue pour les personnes âgées de 55 ans et plus disposant d’un passé professionnel suffisant. Il s’agit là d’une application concrète du principe assurantiel. Il convient de préciser que ce passé professionnel inclut les périodes de maladie indemnisées, de chômage temporaire ainsi que de nombreuses autres périodes assimilées.

 

Or, en matière de pension, nous raisonnons sur la base d’une carrière de 45 ans. Ce constat était révélateur des effets d’un système d’allocation de chômage sans limitation dans le temps. Dans le cadre du débat sur la réforme de l’assurance chômage, j’ai demandé à l’ONEM d’analyser une cohorte de demandeurs d’emploi âgés de 55 ans et plus en fonction de leur sortie du chômage.

 

Les données que j’ai partagées avec vous lors des débats relatifs à la loiprogramme en juin 2025 contredisent le discours selon lequel une allocation de chômage sans limitation dans le temps constituerait lunique solution pour les personnes qui perdent leur emploi à un âge plus avancé. Les chiffres relatifs au taux demploi des travailleurs âgés de 55 ans et plus sont eux aussi encourageants. En lespace de 25 ans, la Belgique est passée dun taux demploi de 26 % à 62 % pour les personnes âgées de 55 à 64 ans.

 

Le gouvernement mise fortement sur une meilleure conciliation entre vie professionnelle et vie privée, notamment à travers la réforme des emplois de fin de carrière, ainsi que par la poursuite de la suppression progressive des systèmes de sortie anticipée du marché du travail qui constituent un piège à l’emploi. C'est le cas pour le régime de chômage avec complément d’entreprise (RCC), à l’exception toutefois du RCC médical.

 

Enfin, les personnes dont le droit aux allocations arrive à échéance et qui ne disposent pas de ressources suffisantes peuvent faire appel à l’accompagnement des CPAS. Ces derniers mettront eux aussi fortement l’accent sur la réactivation vers l’emploi.

 

Le gouvernement poursuit par ailleurs une politique visant à alléger les charges pour celles et ceux qui travaillent et à garantir un avantage clair du travail par rapport aux allocations sociales. Nous flexibilisons également le marché du travail, convaincus que cette évolution bénéficie avant tout aux travailleurs.

 

La discrimination fondée sur l’âge est, et demeure, inacceptable. Les employeurs doivent également prendre conscience que, dans un marché du travail aujourd’hui sous tension, ceux qui persistent à discriminer se pénalisent euxmêmes. Les chiffres montrent dailleurs que de plus en plus demployeurs reconnaissent la valeur des travailleurs de 55 ans et plus. Il sagit dun groupe particulièrement intéressant, doté dun important potentiel pour le marché du travail.

 

Je poursuis résolument une politique axée sur l’activation et sur l’objectif d’un taux d’emploi de 80 %. Cet objectif ne pourra être atteint que si nous ne laissons personne de côté, tout en responsabilisant l’ensemble des acteurs.

 

11.03  Sophie Thémont (PS): Je vous remercie.

 

Je ne pense pas que vous allez arriver à un taux d'emploi de 80 %. En effet, pour l'instant, la réforme n'a créé aucun emploi.

 

Il faut savoir que tout le monde n'a pas la même carrière professionnelle. Il y a des accidents de la vie ou des carrières fragmentées. Parfois, on n'arrive pas, comme vous le dites, au nombre d'années qui donnerait droit à quelque chose. Ne pas tenir compte de cela, c'est ignorer la réalité du marché du travail pour les personnes de 55 ans et plus.

 

On reprend souvent l'exemple des travailleuses de Cora. Aujourd'hui, ces femmes, qui n'étaient pas à temps plein, vont se retrouver sur le carreau, avec une carrière incomplète. Ce n'est pas à défaut d'avoir voulu travailler à temps plein, c'est parce qu'on ne leur a jamais proposé un temps plein.

 

Par ailleurs, les personnes de 55 ans et plus essuient parfois des refus lors de la remise sur le marché de l'emploi. Une entreprise qui doit choisir entre une personne jeune ou une personne qui a près de 60 ans engagera forcément la personne jeune, avec moins d'expérience, qui coûtera moins cher, plutôt que la personnes ayant des années de carrière. C’est une réalité.

 

Comme je l'ai dit, cette réforme ne crée pas d'emplois adaptés pour ces personnes-là. Elle les pousse, encore une fois, vers les CPAS, comme s'il n'y en avait déjà pas assez, avec une incertitude financière. Ces personnes espéraient peut-être, en fin de vie, avoir une retraite un peu plus paisible et pouvoir en profiter un petit peu. Si elles ne sont pas réactivées, elles vivront dans la précarité et la fragilité, alors que tout augmente, en raison des politiques menées par votre gouvernement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van Anja Vanrobaeys aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het NAR-advies over de opeenvolgende dagcontracten" (56012333C)

12 Question de Anja Vanrobaeys à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'avis du CNT sur les contrats journaliers successifs" (56012333C)

 

12.01  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik heb al veel vragen gesteld over opeenvolgende dagcontracten, om de eenvoudige reden dat die praktijk bij veel werknemers voor onzekerheid zorgt. Sommige werknemers zitten soms tien, vijftien of zelfs twintig jaar vast in dat systeem, zonder dat zij rechten kunnen opbouwen.

 

Sinds 2023 geldt een responsabiliseringsbijdrage voor werkgevers die van dat systeem misbruik maken, wat betekent dat ze meer dan 39 opeenvolgende dagcontracten afsluiten met dezelfde uitzendkracht. De Nationale Arbeidsraad heeft zijn eigen responsabiliseringsmechanisme geëvalueerd en heeft vastgesteld dat sommige werkgevers steeds vaker achterpoortjes gebruiken om die responsabilisering te omzeilen. De NAR ziet een toename van tweedaagse contracten. Soms wordt er afgewisseld tussen uitzendkantoren voor dezelfde werknemer en dezelfde job. Daarnaast stelt de NAR ook vast dat wordt gewerkt met opeenvolgende dagcontracten buiten de uitzendsector. Dat ondergraaft natuurlijk de doelstelling van de sociale partners. Werknemers blijven zodoende ook gevangen in een lappendeken van precaire contracten, zonder perspectief op duurzame tewerkstelling.

 

Dat neemt niet weg dat de responsabiliseringsbijdrage wel degelijk effect heeft gehad op de afname van eendagcontracten binnen de uitzendsector. Tegelijk blijkt dat er ontwijkingsroutes bestaan. De Nationale Arbeidsraad heeft een aantal aanbevelingen geformuleerd om het systeem doeltreffender en sluitender te maken.

 

Vandaar mijn vragen. Welke concrete maatregelen zult u nemen om uitvoering te geven aan dat NAR-advies, onder meer wat de aanbevelingen betreft over tweedaagse contracten, dagcontracten buiten de uitzendsector en het afwisselen van uitzendkantoren voor dezelfde werknemer? Wat is de timing daarvan?

 

12.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Vanrobaeys, artikel 8bis van de uitzendarbeidswet bepaalt dat opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker zijn toegestaan voor zover de nood aan flexibiliteit voor het gebruik van dergelijke opeenvolgende dagcontracten door de gebruiker kan worden aangetoond.

 

De uitwerking van de nadere regels en voorwaarden waaronder de gebruiker de nood aan flexibiliteit voor het gebruik van opeenvolgende dagcontracten kan aantonen, werd door de Nationale Arbeidsraad vastgelegd in cao nr. 108 van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en uitzendarbeid.

 

In die cao hebben de sociale partners binnen de NAR zich ook ertoe verbonden om het gebruik van opeenvolgende dagcontracten om de twee jaar te evalueren. Het advies nr. 2470 van de NAR van 16 december 2025 bevat de meest recente evaluatie in dat verband.

 

Voorzitster: Eva Demesmaeker.

Présidente: Eva Demesmaeker.

 

In dat advies geeft de NAR aan dat dat de sedert 1 januari 2023 ingevoerde responsabiliseringsbijdrage een doeltreffende maatregel is, omdat ze geleid heeft tot een forse daling van het gebruik van opeenvolgende dagcontracten in de uitzendsector. De NAR stelt evenwel ontwijkingseffecten vast, met een toename van uitzendcontracten van twee dagen, opeenvolgende dagcontracten buiten de uitzendsector en het inschakelen van dezelfde werknemer via meerdere uitzendkantoren. De NAR formuleert een aantal aanbevelingen, die ik met mijn diensten analyseer om zo na te gaan welke bijkomende maatregelen genomen dienen te worden.

 

12.03  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, u zegt vooreerst dat die praktijk is toegestaan. Uiteraard is het toegestaan, maar dan gaat het natuurlijk over het opvangen van specifieke piekmomenten. Wat er de voorbije jaren echter werd vastgesteld, is dat het systeem van opeenvolgende dagcontracten een echt businessmodel is geworden, waarin mensen worden geduwd en 10, 15 of 20 jaar aan een stuk opeenvolgende dagcontracten krijgen. 

 

Dat gebeurt ook op plaatsen waar men het niet verwacht. Ik denk bijvoorbeeld aan het verhaal van Siska Schoeters, die bij de VRT wel 15 jaar dagcontracten kreeg. Zij gaf aan dat ze haar leven niet echt kon starten omdat ze vastzat in die dagcontracten. Samenwonen met uw partner, een woning huren – laat staan een huis kopen – wordt dan bijzonder moeilijk. Dat zet het leven van mensen on hold en beperkt hen bovendien in de opbouw van rechten en sociale bescherming. We weten allemaal dat dat businessmodel erop gericht is om tijdens de feestdagen bewust onderbrekingen in te lassen om de kosten te drukken.

 

Ik ben trouwens niet de enige die dat opmerkt. Ook de sociale partners, werknemers en werkgevers zeggen dat. Ze hebben daarom dat responsabiliseringsmechanisme ingevoerd. Ze hebben dat ook geëvalueerd en het blijkt inderdaad doeltreffend te zijn. Ze hebben tevens een aantal aanbevelingen gedaan om achterpoortjes te sluiten. Ik kijk in ieder geval uit naar de analyse van uw diensten om te zien hoe u daarmee zult omgaan.

 

Ik kan u alvast meegeven dat ik volgende week zelf een wetsvoorstel in de commissie zal indienen waarin ik die achterpoortjes sluit. Een mogelijkheid als businessmodel misbruiken ten koste van gewone werkende mensen is voor Vooruit echt onaanvaardbaar.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitster: Vraag nr. 56012336C van mevrouw Vanrobaeys wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

 

 

13 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les chiffres concernant les demandeurs d’emploi ayant obtenu un contrat de travail" (56012361C)

13 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het aantal werkzoekenden die een arbeidsovereenkomst getekend hebben" (56012361C)

 

13.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, il y a plus d’un mois, l'administratrice générale du Forem a annoncé dans les médias que parmi les 16 095 chercheurs d’emploi menacés de perdre de leurs allocations lors de la première vague, un peu plus de 35 % auraient décroché au moins un contrat de travail en 2025, avec une augmentation notable de 20 % au mois de septembre 2025.

 

Pour l’ensemble des demandeurs d’emploi visés par la première vague de perte d’allocations en Belgique, pouvez-vous fournir, pour chaque mois depuis janvier 2022, le nombre de personnes concernées, ainsi que le nombre de personnes ayant décroché un contrat de travail, ventilé par région? Pour ces personnes, pouvez-vous détailler la nature des emplois obtenus, en distinguant les contrats à durée indéterminée, les contrats à durée déterminée, l’intérim, le temps partiel et le temps plein, ainsi que leurs proportions respectives pour chaque région, et leur évolution mensuelle sur la période? Pouvez-vous également, si possible, prévoir une ventilation sexo-spécifique pour l’ensemble des données demandées?

 

13.02  David Clarinval, ministre: Les chiffres communiqués par le Forem ou par le VDAB sont en effet assurément encourageants et montrent que la réforme met une dynamique positive en mouvement.

 

Je comprends que vous souhaitiez obtenir une réponse dans les meilleurs délais, à la suite du dépôt de votre question écrite et de votre rappel en question orale. Je ne peux toutefois pas vous donner ces chiffres maintenant, tout simplement parce qu’ils ne sont pas disponibles. Dès que j’en disposerai, nous vous les transmettrons. Je veux bien le faire par écrit, mais je ne suis pas en mesure de répondre à ce stade.

 

13.03  Sophie Thémont (PS): Comme vous le dites, c’est la deuxième fois. J’avais posé la question par écrit et je la remets aujourd’hui sur le tapis, parce que je pense qu’il serait très intéressant d’avoir ces chiffres et d’examiner également ceux du Forem afin de voir quel type d’emplois est proposé.

 

Si l’on parle majoritairement de contrats à durée indéterminée, ce que je ne pense pas, il serait utile de le vérifier. J’aimerais aussi connaître la part de l’intérim, des contrats courts, des temps partiels, et donc savoir, évidemment, quels sont les emplois stables pour toutes ces personnes qui vont perdre leurs allocations. Nous savons aussi qu’aujourd’hui, sur le marché du travail, il y a sept demandeurs d’emploi pour un poste vacant. Nous savons également que moins d'un tiers des offres sont en CDI. Je souhaiterais donc obtenir une ventilation de ces chiffres, mais je ne sais pas quand vous serez en mesure de me les communiquer.

 

13.04  David Clarinval, ministre: Je ne peux pas vous les communiquer maintenant, mais dès que nous en disposerons, nous vous les transmettrons par écrit.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Questions jointes de

- Sarah Schlitz à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'exclusion du chômage des parents d’enfants en situation de handicap" (56012397C)

- Sofie Merckx à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’exclusion des droits aux allocations pour les aidants proches" (56012398C)

- François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La suspension de l'exclusion du chômage pour les aidants proches" (56012778C)

- Nahima Lanjri à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La reconnaissance des aidants proches" (56013217C)

- Nadia Moscufo à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La mesure transitoire pour les aidants proches" (56013222C)

- Nadia Moscufo à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'urgence de la situation des aidants proches" (56013232C)

14 Samengevoegde vragen van

- Sarah Schlitz aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Ouders van kinderen met een handicap die hun werkloosheidsuitkering verliezen" (56012397C)

- Sofie Merckx aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De uitsluiting van mantelzorgers van het recht op een werkloosheidsuitkering" (56012398C)

- François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De opschorting van de uitsluiting van mantelzorgers van het recht op een werkloosheidsuitkering" (56012778C)

- Nahima Lanjri aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De erkenning van mantelzorgers" (56013217C)

- Nadia Moscufo aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De overgangsmaatregel voor mantelzorgers" (56013222C)

- Nadia Moscufo aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De situatie van de mantelzorgers, die om een dringende oplossing vraagt" (56013232C)

 

14.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, nous revenons à la question de la protection des parents d'enfants porteurs de handicap. Depuis plusieurs semaines, nous sommes très inquiets pour eux et, plus généralement, pour les aidants proches qui vont être exclus du chômage. Les associations alertent avec force au moyen d'une pétition demandant que ces personnes ne soient pas exclues de l'assurance-chômage au 1er mars et qu'elles reçoivent un vrai statut qui corresponde à leurs besoins et à leur situation.

 

Monsieur le ministre, vous avez déclaré ne pas être en charge des matière familiales et du soutien aux personnes handicapées et avez renvoyé vers les régions. Cependant, la limitation du chômage dans le temps, les conditions de dispense et les allocations relèvent pleinement de vos compétences. Nous en avons déjà parlé.

 

Monsieur le ministre, combien d'aidants proches sont-ils concernés par votre réforme? Je ne parle pas uniquement de ceux qui ont demandé la dispense, mais bien de tous ceux qui sont dans une situation d'aidant proche et qui ne sont pas reconnus comme tels.

 

Reconnaissez-vous que certaines indisponibilités au travail ne relèvent pas d'un manque de volonté, mais de contraintes structurelles et d’une difficulté à trouver un employeur acceptant le besoin de souplesse familiale?

 

Quelles mesures concrètes relevant de l'ONEM et du régime du chômage comptez-vous prendre pour éviter que des parents d'enfants en situation de handicap ou gravement malades ne soient exclus mécaniquement du chômage, faute de solutions adaptées, avant la prochaine vague d’exclusions au 1er mars? Envisagez-vous une adaptation spécifique des règles de durée, de dispense ou de montant des allocations pour ces parents, afin de reconnaître le caractère durable de leur rôle d'aidant?

 

Enfin, considérez-vous comme acceptable que ces familles soient contraintes de basculer vers le CPAS, quand elles y ont droit, avec une précarisation accrue et un régime de responsabilisation dans le cadre d'un projet individualisé d'intégration sociale (PIIS), qui n'a vraiment aucun sens au regard de leur situation?

 

14.02  Nahima Lanjri (cd&v): Mijnheer de minister, ik kan kort zijn door te verwijzen naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Ik had in mei 2025 al een schriftelijke vraag ingediend voor cijfers over de mantelzorgers. Mijn vraag gaat echter niet over werkloze mantelzorgers maar over mantelzorgers die aan het werk zijn. De vraag is ingediend maar blijkbaar is er ergens iets fout gegaan. Dus moet een en ander worden bekeken tussen de diensten het kabinet.

 

Daarom heb ik mijn vraag nu ingediend als mondelinge vraag, omdat ik sinds mei 2025 wacht op het antwoord.

 

Ik verwijs echter naar de schriftelijke versie van mijn vraag en hoop dat de diensten met het kabinet een en ander kunnen checken om te vermijden dat dat in de toekomst nog fout zou kunnen gaan. Wij weten niet waar het fout is gegaan.

 

De voorzitster: De diensten bekijken een en ander.

 

Geachte minister, mantelzorgers spelen een ontzettend belangrijke rol in onze samenleving. Zij nemen heel wat informele zorgtaken voor hun rekening door hulp te bieden aan zorgbehoevenden uit hun omgeving. De aangeboden hulp kan vele vormen aannemen: maaltijden bereiden en helpen bij het eten, bijstand geven bij verplaatsingen, begeleiden naar doktersafspraken, maar ook hulp van psychologische, sociale of morele aard. Het combineren van deze zorgtaken met een fulltime of deeltijdse job is niet evident. Daarom werd het mantelzorgverlof in het leven geroepen. ​

 

Hoeveel personen hebben een erkenning als mantelzorger gevraagd bij het ziekenfonds? Hoeveel een algemene erkenning en hoeveel een erkenning met een sociaal voordeel? Hoeveel personen hebben die erkenning als mantelzorger gekregen? Kunt u een overzicht geven voor 2023 en 2024? En indien mogelijk ook voor 2025. Hoeveel personen zijn er momenteel erkend?

Hoeveel personen namen het mantelzorgverlof op? Kunt u een overzicht geven van hoeveel personen dit verlof volledig opnamen en van hoeveel personen minder dan 3 maanden mantelzorgverlof opnamen? Kunt u een overzicht geven voor 2023 en 2024, opgesplitst per gender en per leeftijdsgroep?

Wat is de gemiddelde duur van de opname van het mantelzorgverlof? Kunt u een overzicht geven van het gemiddelde in 2023 en 2024?

 

Deze vraag werd schriftelijk ingediend op 14/05/2025 maar bleef onbeantwoord.

 

Ik dank de minister voor zijn antwoord.

 

14.03  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, lors de la séance plénière du 29 janvier, vous avez déclaré: "Dans le cadre des mesures transitoires de la réforme du chômage, (...) il a été prévu non seulement le maintien du droit aux allocations pendant la période de dispense, pour autant qu'elle atteigne au moins 6 mois, mais également une prolongation du droit aux allocations pour une durée totale pouvant aller jusqu'à 12 mois supplémentaires après la fin normale du droit aux allocations."

 

Confirmez-vous qu’il s’agit de la mesure transitoire prévue à l’article 212, § 1er, alinéa 8 de la loi programme du 18 juillet 2025?

 

Cette mesure transitoire fait notamment référence à la prolongation de la phase ou la phase intermédiaire de la période d'indemnisation lorsque celle-ci est interrompue par le bénéfice, pour une durée ininterrompue d'au moins six mois, de la dispense pour le chômeur qui se trouve dans une situation d'aidant-proche.

 

Cette explication ne se trouve pas explicitement dans le texte de loi mais l’article 212, § 1er, alinéa 8 de la loi programme du 18 juillet 2025 fait référence à l'article 116, § 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 tel qu’il est toujours applicable actuellement. L'article 116, § 2 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 prévoit que la phase ou la phase intermédiaire de la période d'indemnisation est prolongée lorsque celle-ci est interrompue par certains événements.

 

L’article 116, § 2 de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 s’applique-t-il au chômeur qui se trouve déjà en 3ème période d’indemnisation? Les chômeurs qui se trouvent en 3ème période d’indemnisation pourront-ils bénéficier de la mesure transitoire ?

 

Combien de chômeurs bénéficiant de la dispense pour aidant-proche en application de l’article 90 de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 se trouvaient, au 31décembre 2025: en première période d’indemnisation? En deuxième période d’indemnisation? En troisième période d’indemnisation?

 

Après cette première question qui est assez technique, je souhaite aborder la situation des aidants proches.

 

Monsieur le ministre, lors de l'émission QR le débat, il vous été demandé si vous pouviez garantir que les aidants proches ne perdraient pas un centime. Après avoir plusieurs fois esquivé cette demande, vous avez répondu en affirmant qu'un revenu viendrait compenser la perte. Pouvez-vous nous confirmer cette affirmation? Sur quoi vous basez-vous concrètement pour nous garantir cela, vu qu'un certain nombre de personnes sont déjà touchées?

 

Par ailleurs, vous avez reçu des pétitions des associations qui se bougent pour défendre les aidants proches, à juste titre, et combattre votre réforme sur ce point. Que comptez-vous faire de ces pétitions? Allez-vous répondre à leur demande de suspension de la réforme pour les aidants proches?

 

14.04 Minister David Clarinval: Mevrouw Lanjri, we hebben uw vraag aan mij nooit gekregen. We hebben gezocht in ons archief, maar we hebben ze nooit gekregen. Dat is een probleem, maar het is zo.

 

14.05  Nahima Lanjri (cd&v): De vraag heeft nochtans een nummer en is geregistreerd op de website van de Kamer. Missen is menselijk. Ik laat het zo. Het is nu belangrijk dat er een antwoord komt.

 

14.06 Minister David Clarinval: We kunnen u de gevraagde cijfers sturen, maar we hebben uw vraag nooit gekregen.

 

14.07  Nahima Lanjri (cd&v): Hoe bedoelt u, de cijfers sturen? Krijg ik nu een antwoord of heb ik nog altijd geen antwoord?

 

14.08  David Clarinval, ministre: Non, pas maintenant. On va les chercher.

 

We zoeken de cijfers op en we sturen ze u als we ze hebben. Maar nu kan ik niet antwoorden. We hebben uw vraag nooit gekregen.

 

Pour ce qui concerne les autres questions, les aidants proches jouent en effet un rôle crucial. Ils ont besoin d'un meilleur soutien et leur statut et leurs droits doivent être renforcés. C'est ce que prévoit l'accord de gouvernement en la matière et je le soutiens pleinement.

 

Les situations récemment relayées dans plusieurs articles de presse font écho à des réalités que je connais et qui me touchent naturellement. Toutefois, il convient de rappeler que les allocations de chômage n'ont pas été conçues pour répondre à ces besoins particuliers et ne constituent pas un outil approprié pour y apporter une réponse globale. En effet, les bénéficiaires d'allocations de chômage doivent être disponibles sur le marché du travail. C'est un principe fondamental.

 

Actuellement, les demandeurs d'emploi peuvent bénéficier d'une dispense en qualité d'aidant proche, à l'instar des travailleurs qui peuvent interrompre leur carrière via les dispositifs de crédit-temps et de congés thématiques.

 

Par une situation d'aidant proche dans le chômage, il est entendu trois formes possibles de soins. La première forme, ce sont les soins palliatifs. La deuxième, ce sont les soins à un membre de votre ménage ou de votre famille, parent ou allié jusqu'au deuxième degré, qui est gravement malade. Et la troisième, ce sont les soins à un enfant handicapé âgé de moins de 21 ans. En fonction du contexte, comme les soins à un enfant porteur d'un handicap, la durée de la dispense peut être de maximum 48 mois sur l'ensemble de la carrière. Les bénéficiaires de cette dispense perçoivent une allocation forfaitaire à taux réduit.

 

Avec la réforme du régime du chômage, nous avons rétabli la logique assurantielle, en encadrant la durée des allocations jusqu'à deux ans selon la carrière, tout en maintenant, dans ces limites de la limitation dans le temps, la dispense pour aidant proche.

 

Dans le cadre des mesures transitoires de la réforme du chômage, il a été prévu une prolongation du droit aux allocations pour une durée totale pouvant aller jusqu'à 12 mois supplémentaires après la fin normale du droit aux allocations pour les personnes qui ont demandé cette dispense pour aidant proche, pour autant qu'elle atteigne au moins six mois.

 

Madame Moscufo, dans le court délai dont je disposais, je n'ai pas pu obtenir les chiffres que vous me demandiez. Comme pour Mme Lanjri, je vous propose donc de m'envoyer une question écrite à laquelle je répondrai dès que j'aurai les chiffres. Je peux cependant déjà vous confirmer que cela concerne également les chômeurs qui se trouvent dans la troisième phase forfaitaire du chômage. Or force est de constater qu'un certain nombre d'aidants proches en situation de chômage ne font pas usage de cette dispense, parce que le montant de l'allocation associée est trop faible.

 

Je répète encore aujourd’hui que ces montants sont trop bas. Il s’agit d’une situation dont j’hérite du passé. Je partage également le constat de nombreux aidants proches selon lequel notre marché du travail doit être davantage flexibilisé afin de permettre aux travailleurs de mieux concilier leur vie professionnelle et leur vie privée.

 

Les soins et le soutien que nous apportons, en tant que société, aux personnes confrontées à des situations familiales marquées par une charge de soins très lourde ne seront jamais suffisants. Il serait toutefois erroné de chercher des solutions exclusivement dans le régime de l’assurance chômage. Ce régime vise à accompagner les personnes disponibles pour l’emploi. Il ne constitue pas un dispositif adapté aux personnes durablement éloignées du marché du travail.

 

Het gaat om specifieke behoeften die ook en vooral onder het beleid vallen inzake welzijn, volksgezondheid en sociale zaken, personen met een handicap, maar ook gelijke kansen, gezinsbeleid en onderwijs. Ik ben momenteel in overleg met mijn collega's die bevoegd zijn voor deze materies over mogelijke pistes om het statuut en de rechten van mantelzorgers te verbeteren.

 

Elk beleidsniveau moet zijn rol ten volle opnemen, met eerbiediging van zijn eigen bevoegdheden om mantelzorgers een coherent, duidelijk en doeltreffend begeleidingskader te garanderen, zo dicht mogelijk bij hun behoeften. Het is in die geest dat ik eveneens contact heb genomen met mijn collega-ministers bij de gewesten om een gecoördineerde en complementaire aanpak te bevorderen.

 

In die context heb ik hen voorgesteld om een gedachtewisseling over dit dossier te organiseren, om samen de pistes te onderzoeken die de complementariteit tussen het federale en het gewestelijke beleid ten voordele van mantelzorgers kunnen versterken. Een dergelijk overleg lijkt mij absoluut noodzakelijk om evenwichtige en doeltreffende oplossingen uit te werken, met respect voor ieders bevoegdheden.

 

Zeggen dat de werkloosheid niet de oplossing is, betekent niet dat deze mensen onze solidariteit niet zouden verdienen. U zult in mij steeds een bondgenoot vinden om betere, gerichte en passende oplossingen te ondersteunen ten gunste van mantelzorgers die zware zorglasten op zich nemen.

 

14.09  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Je tiens vraiment à repréciser qu'ici on ne parle pas des personnes qui bénéficient d'une dispense. À chaque fois qu'on vous parle de la situation de ces aidants proches qui pour le moment sont en fait invisibles et qui passent sous les radars dans le cadre de l'assurance chômage, ce sont les personnes qui s'occupent sur un temps long d'un proche en situation de handicap. Il s'agit par exemple d'un parent qui a arrêté de travailler pour s'occuper de son enfant, et cela ne dure pas 48 mois maximum dans la carrière. Ça ne rentre pas dans cette case et vous en avez, je pense, bien conscience. Le fait d'avoir prolongé de 12 mois cette possibilité au-delà de la fin des allocations ne change rien pour ces personnes.

 

Ce matin, j'ai interrogé le ministre Beenders, qui m'a renvoyée vers vous. Aujourd'hui, vous me dites: "Moi je ne peux pas, ce sont les régions." Il faut arrêter de se renvoyer la balle! Mettez-vous autour de la table.

 

Premièrement, il est de votre responsabilité de mettre en place un moratoire sur l'exclusion des aidants proches afin d'éviter leur exclusion au 1er mars et de se laisser le temps de trouver des solutions pérennes – à savoir la création d'un véritable statut – pour ces personnes. C'est ça qu'il faut faire, il n'y a pas besoin de se réunir et de faire des blablas pendant des heures. Mettez-vous au travail, rédigez les documents, convoquez les intercabinets, aboutissez sur ce dossier.

 

Il me reste trente secondes, je vais les utiliser pour répondre à une aberration. Lorsque vous me parlez du fait que vous êtes en train de travailler à la flexibilisation du marché du travail pour permettre une meilleure conciliation vie privée-vie professionnelle, c'est tout l'inverse, car lorsque vous flexibilisez actuellement au service des employeurs, en même temps, vous renforcez la mise à disposition permanente des travailleurs au service des employeurs. Plus vous flexibilisez dans un sens, plus la vie est compliquée pour les personnes pour arriver à concilier vie privée et vie professionnelle.

 

À mon avis, il faudrait travailler à davantage de flexibilité pour les travailleurs mais ce n'est pas avec vos réformes qu'on peut y parvenir.

 

14.10  Nahima Lanjri (cd&v): Er wordt heel veel gediscussieerd over de mantelzorgers. We moeten inderdaad werk maken van oplossingen, stap voor stap, maar zowel de regering als het Parlement is daarmee bezig. U weet het of u weet het niet, mevrouw Schlitz, maar wij hebben een wetsvoorstel ingediend dat zorgt voor meer flexibiliteit voor mantelzorgers, op vraag van de mantelzorgorganisaties zelf, een wetsvoorstel dat verschillende meerderheidsfracties onderschrijven en waarvoor de minister zijn steun al heeft uitgesproken. Met de agendering ervan volgende week zetten we een eerste stap.

 

We willen ook de andere problemen aanpakken. Zo zullen we, tegemoetkomend aan hun vraag, mantelzorgers meer ondersteunen via maatregelen die geen bijkomende middelen vergen. Ik heb het bijvoorbeeld over administratieve ondersteuning en begeleiding bij hun zoektocht naar werk en oplossingen voor de zorgbehoevende waarvoor zij instaan. Sommige mantelzorgers weten niet dat ze hulp kunnen krijgen voor de persoon voor wie ze zorgen en signaleren dat ze, als ze dat hadden geweten, opnieuw aan de slag zouden zijn gegaan.

 

Het debat vraagt om nuancering. Er moet tegelijk op verschillende fronten worden gewerkt. Volgende week kunnen we alvast een eerste stap zetten. Ik hoop dat die ook effectief wordt gezet. Nadien kunnen verdere stappen volgen. U kent mij. Ik heb in het verleden al heel veel gewerkt rond de combinatie van zorg, gezin en werk. Voor wie de pech heeft om mantelzorger te zijn in een periode van werkloosheid, bestaan er vandaag al mogelijkheden en we moeten onderzoeken hoe we die kunnen verbeteren.

 

14.11  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je vais attendre votre courrier – j’imagine – pour les chiffres que vous ne savez pas donner maintenant parce que le délai était trop court.

 

14.12  David Clarinval, ministre: (…)

 

14.13  Nadia Moscufo (PVDA-PTB): D’accord.

 

Vous dites que l'accord de gouvernement prévoit de renforcer le statut de ces personnes. Je vous entends. Vous le dites plusieurs fois; mais dans le concret, rien n’avance.

 

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

 

Vous dites que les allocations de chômage ne servent pas à cela. J'ai presque envie de vous dire que là-dessus, nous pourrions nous rejoindre – sauf que les gens qui en bénéficient n'y peuvent rien. Effectivement, une allocation de chômage, c'est pour des travailleurs qui, à un moment donné de leur vie, n'ont pas de travail, mais sont disponibles sur le marché du travail. Ce n'est pas le cas ici. Or la situation concrète, c'est que ces gens vont de toute façon être exclus.

 

Vous parlez de flexibiliser le travail pour faciliter la conciliation entre le travail et l'aide à apporter, par exemple à un enfant handicapé. Comme l'a dit ma collègue, vraiment, je n'y crois pas. J'ai connu une certaine forme de flexibilisation il y a déjà quelques années, et je peux vous dire qu'elle n'était pas au service des femmes qui avaient des enfants. Les miens étaient en bonne santé, et déjà comme ça, c'était un problème. Je veux bien vous croire, mais il faudra alors venir avec un projet de loi pour une flexibilisation au service des travailleurs, et pas au service de l'employeur.

 

J’entends votre empathie, mais je ne comprends pas. Vous prenez une mesure d'exclusion avant d'avoir fait la photo réelle de la situation de ces personnes. Vous ne savez pas combien elles sont exactement. Chaque situation est différente. Cela dépend aussi de l'handicap de l'enfant, entre autres. Vous avez beaucoup d'empathie, mais entretemps, vous appliquez quand même la sanction. Beaucoup de personnes vont être exclues le 1er mars.

 

Vous parlez de concertation, mais n'y aurait-il pas fallu faire cette concertation avant l’entrée en vigueur de la réforme? Vous avez mis la charrue avant les bœufs.

 

Vous pouvez encore vous rattraper. Il vous suffit de signer un arrêté royal suspendant la réforme pour toutes ces femmes – ce sont souvent des femmes qui sont aidants proches – afin d’éviter leur exclusion, quitte à réexaminer la situation par la suite.

 

Je constate que l’on va beaucoup plus vite pour adopter un arrêté royal visant à bloquer les salaires de 4,5 millions de travailleurs dans ce pays, mais que l’on n’est pas capable de prendre un arrêté royal pour suspendre une réforme injuste, qui aura pour conséquence une perte de revenus pour des personnes contraintes de s’occuper de leurs proches.

 

J’ajoute qu’il faudrait également – même si vous allez sans doute répondre que ce n’est pas de votre compétence – soutenir et refinancer l’ensemble des structures professionnelles qui accompagnent ces personnes. En réalité, elles pallient un manque de la société dans la prise en charge des personnes en difficulté.

 

Votre arrêté royal, nous l’attendons.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Question de Sarah Schlitz à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La suppression de l'AGR complétant un contrat de 18h55" (56012453C)

15 Vraag van Sarah Schlitz aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De afschaffing van de inkomensgarantie-uitkering als aanvulling van een contract van 18 u 55 min" (56012453C)

 

15.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, il me revient qu'à Liège, les accueillantes des écoles ont conclu des contrats de 18 heures 55 minutes/semaine. Ce fait pourrait être qualifié d'original si ce n'était pas tragique. En raison de ce temps qui est inférieur à 19 heures/semaine, elles ont reçu un courrier les informant qu'elles seraient exclues du chômage et qu'elles ne percevraient donc plus leur complément AGR. Ce temps de travail de 18 h 55 correspond, par hasard, à l'addition du temps des récréations sur une semaine. Soulignons quand même que, vu la nature de leur travail, ces personnes éprouvent de grandes difficultés à obtenir un second mi-temps, étant donné qu'elles doivent se déplacer entre chez elles et leur lieu de travail plusieurs fois par jour puisqu'elles gardent les enfants lors de chaque récréation. C'est encore un autre problème, même si je considère qu'il faudra bien parvenir un jour à intégrer les déplacements inhérents à un tel métier dans du temps de travail rémunéré. Mais soit!

 

Monsieur le ministre, d'après les informations complémentaires que j'ai obtenues, leur temps de travail correspondrait à un mi-temps, et le temps plein serait inférieur à 38 heures/semaine. Si c'est bien le cas, me confirmez-vous qu'elles pourraient alors maintenir leur AGR? Quelles sont les solutions possibles pour leur permettre de maintenir cette AGR? Un avenant à leur contrat pour les faire passer à 19 heures leur permettrait-il de continuer à percevoir leur complément chômage? Plus généralement, des contacts ont-ils été pris avec les employeurs qui les ont engagées dans ces conditions? Au moment de la réforme, vous aviez expliqué que c'était un outil de négociation pour augmenter le temps de travail. Dès lors, êtes-vous prêt à intervenir pour soutenir la modification du temps de travail de ces personnes, afin qu'elles puissent rentrer dans les cases que vous avez conçues?

 

15.02  David Clarinval, ministre: Le travailleur à temps partiel avec maintien des droits qui bénéficie d’une allocation de garantie de revenu (AGR) peut, après l’expiration de la période pour laquelle le droit aux allocations a été accordé, conserver ce droit pendant la poursuite ininterrompue de son occupation à temps partiel, pour autant que cette occupation s’élève à au moins 19 heures par semaine et s’y maintienne, ou qu’elle atteigne au moins la moitié du nombre d’heures d’un travailleur occupé à temps plein.

 

Dans l’exemple que vous avez donné, il ne m’apparaît pas clairement quel serait exactement le nombre moyen hebdomadaire d’heures d’un travailleur à temps plein dans la même fonction. Il serait donc éventuellement possible de conserver le droit à l’allocation de garantie de revenu avec une moyenne hebdomadaire de 18,55 heures. En tout état de cause, dans cet exemple, le travailleur pourra conserver le droit à l’allocation de garantie de revenu si, avant la date de fin du droit aux allocations, une augmentation limitée de l’occupation hebdomadaire devait intervenir.

 

15.03  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Merci pour cette réponse. Néanmoins, on voit quand même à quel point la limite du mi-temps peut causer des situations dramatiques. Ici, je pense que la ville de Liège est en train de faire les démarches nécessaires pour parvenir à augmenter ce temps de travail. Mais imaginons qu'elle soit dans l'incapacité de le faire ou qu'elle n'ait pas la volonté de le faire, ces personnes seraient tout simplement contraintes de quitter leur emploi parce qu'il ne leur permettrait pas de vivre dignement, vu les conditions de travail auxquelles elles sont assignées, avec des trajets répétitifs. Cela équivaut à six trajets domicile-travail par jour, vu qu'elles doivent se rendre sur le lieu de travail pour les récréations, et même parfois le matin avant le début des cours. On voit donc que cela peut avoir des conséquences graves sur certaines fonctions indispensables dans la société. Je regrette qu'il ne puisse pas y avoir plus de souplesse pour ce type de temps de travail, qui s'approche très fortement du mi-temps.

 

Espérons qu'une solution sera trouvée et que ces personnes pourront préserver un niveau de salaire digne.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions non traitées seront jointes aux discussions des notes de politique générale.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.00 uur.

La réunion publique de commission est levée à 18 h 00.