Commissie voor Buitenlandse Betrekkingen

Commission des Relations extérieures

 

van

 

Woensdag 22 april 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 22 avril 2026

 

Après-midi

 

______

 

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.26 uur en voorgezeten door mevrouw Els Van Hoof.

La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 26 et présidée par Mme Els Van Hoof.

 

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

 

01 Actualiteitsdebat over Libanon en toegevoegde vragen van

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56014962C)

- Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het fragiele staakt-het-vuren tussen Iran, de VS en Israël en de escalerende situatie in Libanon" (56014968C)

- Nabil Boukili aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in het Midden-Oosten" (56014969C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het bezoek aan Libanon en de verdubbeling van onze steun aan dit land" (56015005C)

- Nabil Boukili aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56015014C)

- Raoul Hedebouw aan Bart De Wever (eerste minister) over "De situatie in Libanon" (56015015C)

- Raoul Hedebouw aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56015016C)

- Sandro Di Nunzio aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De veiligheid van journalisten in Gaza en Libanon" (56015094C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De aanvallen op christelijke gemeenschappen in Zuid-Libanon" (56015182C)

- Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De Israëlische bombardementen en de ontheemding in Libanon" (56015198C)

- Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56015202C)

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het vredesakkoord in het Midden-Oosten" (56015284C)

- Lydia Mutyebele Ngoi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56015315C)

- Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Libanon" (56015385C)

- Rajae Maouane aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Libanon" (56015404C)

- Charlotte Deborsu aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onderhandelingen over een duurzaam staakt-het-vuren in Libanon" (56015416C)

01 Débat d’actualité sur le Liban et questions jointes de

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56014962C)

- Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le cessez-le-feu fragile entre l'Iran, les USA et Israël et l'escalade de la situation au Liban" (56014968C)

- Nabil Boukili à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Moyen-Orient" (56014969C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La visite au Liban et le doublement de notre aide à ce pays" (56015005C)

- Nabil Boukili à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56015014C)

- Raoul Hedebouw à Bart De Wever (premier ministre) sur "La situation au Liban" (56015015C)

- Raoul Hedebouw à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56015016C)

- Sandro Di Nunzio à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La sécurité des journalistes à Gaza et au Liban" (56015094C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les attaques contre les communautés chrétiennes dans le sud du Liban" (56015182C)

- Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les bombardements israéliens et le déracinement au Liban" (56015198C)

- Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56015202C)

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'accord de paix au Moyen-Orient" (56015284C)

- Lydia Mutyebele Ngoi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56015315C)

- Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le Liban" (56015385C)

- Rajae Maouane à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Liban" (56015404C)

- Charlotte Deborsu à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les négociations en vue d'un cessez-le-feu durable au Liban" (56015416C)

 

01.01  Kathleen Depoorter (N-VA): Mijnheer de minister, collega’s, de situatie in Libanon is uiterst verontrustend. Op humanitair vlak stellen we vast dat ondertussen een vierde van de bevolking op de vlucht is. Er wordt gesproken over 1,2 miljoen mensen. Ziekenhuizen worden gesloten: vijf instellingen zijn gedwongen om de deuren te sluiten en negen andere zijn beschadigd geraakt. Er is ook sprake van bombardementen op hulpverleners. Dat maakt de situatie bijzonder zorgwekkend.

 

Het feit dat Hezbollah Israël heeft aangevallen en de daaropvolgende reactie zorgen ervoor dat opnieuw de bevolking het slachtoffer wordt. Mensen leven in angst en worden uit hun huizen verdreven.

 

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn intussen enigszins gedateerd, want de crisis sleept al een tijd aan. Die reactie van 2 maart heeft al geruime tijd gevolgen. We horen ook dat veiligheidsstroken worden voorgesteld en dat er sprake zou zijn van inname van grondgebied.

 

Ik verneem graag hoe u de huidige situatie inschat, of er nog sprake is van een staakt-het-vuren en hoe dat wordt ervaren.

 

Welke rol kan ons land hierin opnemen? Er zijn verschillende initiatieven, onder meer van de Franse regering. Er is helaas ook een Franse blauwhelm omgekomen in deze crisis. Hebt u contacten met de Franse beleidsmakers? Sluiten wij aan bij de gesprekken en welke positie zullen wij verder innemen?

 

Een belangrijk element in de onderhandelingen is VN-resolutie 1701, die al in augustus 2006 werd aangenomen, maar nog niet volledig is uitgevoerd. In welke mate zal daarop worden aangedrongen? Dat vormt het basisraamwerk voor veiligheid in Zuid-Libanon, met onder meer de ontmanteling van Hezbollah als essentieel onderdeel, evenals de onmiddellijke stopzetting van de aanvallen.

 

Voor ons is de bevestiging van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon bijzonder belangrijk. In welke mate kunnen wij als land het voortouw nemen in gesprekken, ook op Europees niveau, en bent u dat van plan?

 

Sinds de nieuwe bewindvoering in Libanon stellen we vast dat Hezbollah nog steeds een zeer grote invloed heeft. Hoe gaan we daarmee om?

 

Hoe zullen we, zodra een duurzaam staakt-het-vuren is bereikt, de heropbouw faciliteren en de humanitaire hulp opschalen?

 

01.02  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, ondanks het zogezegde staakt-het-vuren sloopt het Israëlische leger op dit moment systematisch volledige dorpen in Zuid-Libanon, tot dertig kilometer diep in het land. Graafmachines en aannemers leggen doelbewust huizen, scholen en publieke gebouwen plat. Militaire bronnen bevestigen dat deze operaties ook tijdens het huidige staakt-het-vuren onverminderd doorgaan.

 

Israël hanteert daarbij hetzelfde model als in de Gazastrook. Het doel van deze verwoesting lijkt de creatie van onbewoonbare veiligheidszones. Door de volledige civiele infrastructuur te vernietigen, wordt de terugkeer van Libanese burgers onmogelijk gemaakt.

 

De Israëlische minister van Defensie kondigde eerder al aan dat het leger de veiligheidszone tot aan de Litanirivier permanent wil handhaven.

 

Vooruit stelt vast dat deze strategie het internationaal humanitair recht volledig schendt. Het opzettelijk viseren van burgerlijke infrastructuur en het onmogelijk maken voor ontheemden om terug naar huis te keren, zijn zware inbreuken op de Conventie van Genève.

 

Welke informatie hebt u over de schaal van deze systematische vernielingen en hoe beoordeelt u de legaliteit van deze acties onder het internationaal humanitair recht?

 

Hoe reageert u op de expliciete Israëlische doelstelling om een volledige zone binnen Libanon permanent onbewoonbaar te maken?

 

Welke diplomatieke stappen onderneemt u binnen de Europese Unie om Israël aan te sporen de bepalingen van het staakt-het-vuren strikt na te leven?

 

Bent u bereid om in Europees verband aan te dringen op sancties indien Israël de bezetting van Zuid-Libanon en de afbraak van civiele dorpen voortzet?

 

Welk standpunt hebt u gisteren ingenomen op de Raad Buitenlandse Zaken in Luxemburg? Is daar gesproken over het opschorten van het associatieakkoord met Israël?

 

De voorzitster: Dank u wel. De heer Boukili is niet aanwezig.

 

01.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, tijdens uw recente bezoek aan Libanon kondigde u aan dat België zijn steun voor 2026 optrekt tot 6 miljoen euro: 2 miljoen euro die al voorzien was, 2 miljoen euro extra humanitaire hulp en nog eens 2 miljoen euro via VN-kanalen.

 

Precies omdat het om bijkomende middelen gaat in een bijzonder explosieve context, rijzen daar toch een aantal vragen bij. De situatie op het terrein is immers uiterst dramatisch. Sinds begin maart 2026 zijn volgens internationale berichtgeving duizenden slachtoffers gevallen en zijn meer dan een miljoen mensen op de vlucht. Er is intussen wel een vorm van staakt-het-vuren, maar dat blijft bijzonder fragiel. Delen van Zuid-Libanon blijven onveilig en ontoegankelijk, terwijl gewapende actoren er nog steeds een grote invloed uitoefenen.

 

Dat maakt elke financiële injectie bijzonder risicovol. Libanon beschikt vandaag niet over sterke en betrouwbare staatsstructuren. Integendeel, het land kampt met zwakke instellingen, beperkte controle en een politieke realiteit waarin Hezbollah diep verankerd zit. De vraag is dus niet alleen of er hulp moet komen, maar vooral ook hoe die hulp gecontroleerd wordt en via welke structuren ze verloopt. Humanitaire steun moet bij de bevolking terechtkomen, niet rechtstreeks of onrechtstreeks bij netwerken die mee verantwoordelijk zijn voor instabiliteit en geweld. Goede intenties volstaan niet, er moeten ook harde garanties zijn.

 

Daarnaast wil ik de aandacht vestigen op de situatie van christelijke gemeenschappen en andere minderheden in Zuid-Libanon. Volgens berichtgeving vrezen die gemeenschappen dat het geweld hen volledig zal meesleuren. Woningen zijn beschadigd, burgers kunnen niet terugkeren en hele gemeenschappen leven in angst en onzekerheid. Verschillende bronnen bevestigen bovendien dat christelijke dorpen zich effectief in de frontlinie bevinden en zwaar onder druk staan. Dat aspect mag niet onder de radar verdwijnen. Wanneer we spreken over de bescherming van burgers, moeten we ook aandacht hebben voor de specifieke kwetsbaarheid van minderheden die in conflictgebieden vaak extra hard worden getroffen.

 

Ik heb een aantal vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Ten eerste, met betrekking tot de middelen: zijn de bijkomende middelen volledig voorzien binnen de bestaande budgetten of worden andere kredieten verschoven? Zo ja, welke precies?

 

Via welke kanalen en organisaties worden deze middelen concreet besteed? Welke garanties bestaan er dat geen enkele euro rechtstreeks of onrechtstreeks terechtkomt bij structuren die gelinkt zijn aan Hezbollah of andere extremistische netwerken?

 

Welke controle- en opvolgingsmechanismen worden vandaag effectief toegepast, rekening houdend met de oorlogsomstandigheden en de beperkte toegang tot het terrein?

 

Ik kom nu tot mijn vragen over de christelijke gemeenschappen.

 

Bent u op de hoogte van de recente berichtgeving over de impact van dit conflict op christelijke dorpen in Zuid-Libanon? Beschikt u via diplomatieke of internationale kanalen over bevestigde informatie over de specifieke impact op christelijke gemeenschappen en andere minderheden? Werd dat ook al aangekaart binnen de Europese Unie of op andere internationale of multilaterale fora? Ten slotte, zal België in zijn diplomatieke contacten expliciet aandacht vragen voor de bescherming van christelijke en andere minderheden in Zuid-Libanon? Dank u wel.

 

De voorzitster: De heer Hedebouw is niet aanwezig.

 

01.04  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, ik ben tevreden dat u gisteren op de Raad Buitenlandse Zaken duidelijke taal hebt gesproken: Israël moet het internationaal recht en de soevereiniteit van Libanon respecteren. Dat hebt u hier ook gezegd. Internationaal recht en soevereiniteit vormen uw uitgangspunt en eindpunt, en daar kan ik mij volmondig in vinden.

 

In de feiten moeten we echter vaststellen dat dat voor een stuk holle woorden blijven, want Israël voert in Libanon voortdurend aanvallen uit op burgers, hulpverleners, journalisten en VN-personeel. Hele dorpen in Zuid-Libanon worden platgewalst en de humanitaire situatie blijft schrijnend. Dat zien we allemaal in de beelden die circuleren.

 

Intussen is ongeveer 5 % van het Libanese grondgebied in handen van Israël, terwijl ik binnen de regering nauwelijks iemand hoor die dat aanklaagt. In die gebieden woonden christenen, druzen en Palestijnen, maar zij zijn allemaal naar het noorden verdreven. Er is wel een staakt-het-vuren op papier, maar de gevechten gaan door. We spreken over 2.000 doden, honderden gewonden en meer dan een miljoen mensen op de vlucht. Dat zijn de harde cijfers.

 

Het volstaat dus niet om bezorgdheid te uiten, er moeten ook duidelijke politieke keuzes worden gemaakt.

 

In dat verband verbaasde mij wat de eerste minister ons hier gisteren kwam vertellen. Toen hij werd geconfronteerd met vragen over Israël, stelde hij dat de meningen binnen de regering verdeeld zijn en dat hij daar geen standpunt over kon of wilde innemen. Hij zei zelfs letterlijk dat België andere prioriteiten heeft.

 

Mijn vraag is dan ook: naar wie moeten onze Europese partners luisteren? Naar wat u zegt over Israël of naar wat de eerste minister zegt? Beide standpunten lijken elkaar minstens tegen te spreken.

 

Wat is het Belgische standpunt en hoe beoordeelt u de Israëlische bufferzone die op Libanees grondgebied wordt gecreëerd?

 

Ik ga licht over tijd, maar ik wil nog mijn oorspronkelijke vraag stellen over de journalisten in het conflictgebied. Tien dagen geleden werden volgens het Committee to Protect Journalists opnieuw drie journalisten gedood, onder wie twee in Libanon. Die journalisten doen hun werk om verslag uit te brengen en worden daarbij met hun leven bedreigd. Veroordeelt u het feit dat zij onder vuur liggen en worden gedood? Zult u actief pleiten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek, zodat de volledige waarheid aan het licht kan komen en journalisten de bescherming krijgen waar zij recht op hebben? Ik dank u.

 

01.05  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, de principes worden in dit Parlement gedeeld, maar die principes en de woorden waarmee we ze uitspreken, maken geen indruk op Israël, eenvoudigweg omdat er geen gevolg wordt gegeven aan de schendingen die plaatsvinden. Dat is al decennialang het geval, maar de voorbije jaren tart het elke verbeelding: aanvallen op journalisten, het verdrijven van de burgerbevolking, de vernietiging van infrastructuur, recordaantallen kinderen die worden verminkt of gedood en triple-tap aanvallen op hulpverleners, omdat die hulpverleners zich ondertussen al hebben aangepast aan double-tap aanvallen op gewone burgers. Het is ongelofelijk.

 

De stelling dat de operaties ten zuiden van de Litanirivier bedoeld zijn om Hezbollah te verdrijven, houdt geen steek. Het is duidelijk dat onder andere Ben-Gvir al langer heeft aangegeven dat de Litanirivier voor hen een natuurlijke grens zou moeten vormen tussen Israël en Libanon. Het lijkt er dus op dat het ook gaat om territoriale uitbreiding. Er circuleren vandaag zelfs advertenties waarbij kolonisten kunnen aangeven waar zij zich in Zuid-Libanon willen vestigen. Dat is de context vandaag.

 

Het klopt, u hebt opnieuw principieel het Belgische standpunt toegelicht, en gelukkig maar. Tegelijk klopt het dat de eerste minister gisteren heeft aangegeven weinig bereid te zijn om concrete gevolgen te verbinden aan die principes, waar ons land ook rechtsstatelijk aan gehouden is. Dat maakt de situatie bijzonder moeilijk.

 

Mijn oorspronkelijke vraag was wat uw reactie is op de aanhoudende Israëlische bombardementen, waarbij het staakt-het-vuren enkel lijkt te gelden voor de andere partij, en op de ontheemding van bevolkingsgroepen in Libanon. Ik wil die vraag actualiseren: wat is de reactie van de regering? Welke acties zal de regering ondernemen, zowel op het niveau van de Europese Unie als op nationaal niveau, om ervoor te zorgen dat Israël het internationaal recht effectief respecteert?

 

Welke initiatieven zult u nemen richting andere lidstaten om hen ertoe aan te zetten hetzelfde te doen?

 

U hebt eerder aangegeven voorstander te zijn van de opschorting van het associatieakkoord tussen de Europese Unie en Israël. Zult u daarrond concrete stappen zetten? Wat is de huidige stand van zaken?

 

Welke marge hebt u nog, budgettair gezien, betreffende humanitaire hulp? De rest van de wereld probeert immers de noden te lenigen die het gevolg zijn van de schendingen van het internationaal recht door Israël. Klopt het dat de voorziene 2 miljoen euro wordt verhoogd tot 6 miljoen euro? Acht u dat, gelet op de escalatie en de omvang van de noden, voldoende?

 

01.06  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, un cessez-le-feu de 10 jours a été décrété le 17 avril, mais la situation au Liban reste extrêmement préoccupante. Chacun le voit chaque jour; cette trêve reste éminemment fragile. Les désaccords de fond demeurent entiers, notamment sur la présence israélienne dans le Sud du Liban, sur le rôle du Hezbollah et sur les garanties de sécurité à long terme. Les événements survenus ces derniers jours montrent à quel point la stabilisation reste incertaine.

 

Samedi, un soldat français de la FINUL a été tué, et trois autres blessés au Sud-Liban. Cette attaque a été condamnée par le Secrétaire général des Nations Unies ainsi que par le Conseil de sécurité des Nations Unies. Ceci nous rappelle brutalement, chers collègues, que le terrain reste hautement instable et que les forces internationales sont elles-mêmes exposées.

 

Monsieur le ministre, vous vous êtes rendu récemment à Beyrouth où vous avez réaffirmé l'engagement de la Belgique en faveur de la stabilité, de la souveraineté et de l'intégrité territoriale du Liban. Vous avez également annoncé un renforcement de l'aide belge, doublée pour atteindre 4 millions d'euros en 2026, complété par un soutien via les agences onusiennes et par un appui matériel dans le cadre de B-FAST.

 

Quelle est votre analyse de la situation actuelle à la lumière du cessez-le-feu du 17 avril 2026, de sa grande fragilité et des discussions qui semblent s'esquisser entre Israël et le Liban? Comment évaluez-vous les perspectives de stabilisation dans le Sud du Liban, alors même que les forces onusiennes restent exposées à des risques directs? Pouvez-vous détailler les priorités concrètes de l'aide humanitaire supplémentaire accordée par la Belgique? Enfin, la Belgique compte-t-elle prendre des initiatives au niveau européen ou multilatéral pour renforcer la protection et le rôle de la FINUL ainsi que pour soutenir l'armée libanaise comme acteur central de la souveraineté de l'État libanais dans le Sud du pays?

 

01.07  Lydia Mutyebele Ngoi (PS): Monsieur le ministre, des infrastructures de santé détruites, des écoles bombardées, des quartiers entiers rasés, des millions de civils déplacés, terrifiés, et même assassinés, des milliers de morts, y compris des femmes, des enfants, et même des secouristes. Ce sont des kilomètres carrés, méthodiquement bombardés, rasés, vidés de leur population. La méthode semble familière. Je ne parle pourtant pas de Gaza, mais du Liban. Le 8 avril, alors que l'Iran et les États-Unis signaient un cessez-le-feu qui, selon le médiateur pakistanais, incluait le Liban, l'armée israélienne a simultanément déchaîné les enfers sur le Liban, avec plus de 100 frappes, tuant plus de 300 personnes, ciblant notamment des infrastructures civiles dans des zones densément peuplées.

 

Le ministre de la Défense israélien a lui-même déclaré vouloir s'inspirer du "modèle de Gaza", et s'emparer d'une "zone de sécurité" du Sud-Liban, équivalent à un dixième du pays. Bref, après un génocide à Gaza, l'accélération de la colonisation en Cisjordanie, l'aggravation de la politique d'apartheid, notamment avec l'instauration de la peine de mort pour les Palestiniens, je constate que l'impunité quasi totale dont jouit Israël lui permet de faire du Liban le nouveau Gaza. Une zone où le droit n'existe plus, où la vie humaine ne compte plus, et où la fin justifie les moyens.

 

Dans ces conditions, malgré ce fragile cessez-le-feu signé la semaine dernière, condamnez-vous les crimes commis par Israël ainsi que l'occupation illégale, et déclarée de son gouvernement, d'une partie du Sud-Liban? Quel a été le contenu des débats concernant la suspension de l'accord d'association avec Israël durant le Conseil européen d'hier? Avez-vous plaidé pour une suspension totale de celui-ci? Quid de l'interdiction d'importation des produits issus des colonies?

 

01.08  Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij deze vragenronde. Het scenario dat in Gaza en de Westelijke Jordaanoever wordt toegepast, zien we nu ook in Libanon. Dat wordt ook met zoveel woorden gezegd door regeringsverantwoordelijken in Israël. Het staakt-het-vuren wordt herhaaldelijk geschonden. De terugkeer van burgers wordt onmogelijk gemaakt. Er is een gele lijn van ongeveer 10 kilometer vastgelegd en dorpen in het zuiden van Libanon worden systematisch met de grond gelijkgemaakt.

 

Dat is onaanvaardbaar en vormt een schending van de Libanese territoriale integriteit. U hebt zelf al herhaaldelijk aangehaald dat de reactie van Israël buitensporig en problematisch is, disproportioneel en willekeurig, zoals dat in het internationaal recht wordt omschreven.

 

U hebt terecht al meer dan 6 miljoen euro vrijgemaakt en ook tweemaal B-FAST ingezet om aan de humanitaire noden tegemoet te komen. Bovendien is het belangrijk dat we sterkere diplomatieke druk uitoefenen, zoals u gisteren ook geprobeerd hebt, en steun gegeven aan het vierpuntenplan van president Aoun, waaronder het ontwapenen van Hezbollah, een staakt-het-vuren en onderhandelingen. Dat zijn zeer belangrijke punten. Ook de straffeloosheid moet worden aangepakt.

 

Daarom heb ik de volgende vragen. Welke concrete Europese maatregelen werden gisteren vanuit België verdedigd op de Raad voor Buitenlandse Zaken? Wat waren de reacties en tegenkantingen van de andere lidstaten?

 

Op welke manier zullen we de hervormingen in Libanon ondersteunen, ook wat betreft het ontwapenen van Hezbollah?

 

Op welke manier zetten we in op het bestrijden van de straffeloosheid voor misdaden en op het ondersteunen van VN-onderzoekscommissies in Libanon?

 

De voorzitster: De heer Van Rooy is niet aanwezig.

 

01.09  Darya Safai (N-VA): Collega’s, ik hoor u allemaal pleiten omdat Libanon zwaar getroffen, aangevallen en verwoest is, en allerlei redenen aanhalen om Libanon te beschermen. Dat is een positief punt, want we moeten streven naar een vreedzame wereld en ervoor zorgen dat ook Libanon vreedzaam kan voortbestaan.

 

Wanneer u goed kijkt, vragen de Libanezen zelf om de ontmanteling van Hezbollah. De enige reden dat zij in dit probleem zitten, is de aanwezigheid van Hezbollah en de politieke tak ervan.

 

Voor wie Hezbollah nog niet goed kent, Hezbollah is een creatie van de revolutionaire garde van de Islamitische Republiek. Toen de Islamitische Republiek na de revolutie van 1979 werd opgericht, werd beslist om paramilitaire groeperingen en proxies te creëren, zoals de Fatemiyoun uit Afghanistan, de Zeynabiyoun uit Pakistan, de Hasht al-Shaabi uit Irak en Hezbollah in Libanon.

 

Die organisaties zouden wij eigenlijk als terroristische organisaties moeten erkennen. De Revolutionaire Garde staat reeds op de Europese terreurlijst. Ik denk dat het hoog tijd is om hetzelfde te doen met de politieke tak van Hezbollah. Wij hebben daartoe in de vorige legislatuur een resolutie ingediend.

 

We moeten echter nu van deze gelegenheid gebruikmaken. Wanneer Israël en Libanon elkaar vinden in de ontmanteling van Hezbollah, moeten wij ons ook klaarmaken om een andere toekomst te creëren voor Libanon en de Libanezen steunen die af willen van Hezbollah.

 

Ik zal daarom heel graag opnieuw mijn resolutie indienen om de politieke tak van Hezbollah op de Europese terreurlijst te zetten.

 

De voorzitster: Wenst een van de leden nog aan te sluiten bij de vragen in dit actualiteitsdebat? (Neen)

 

01.10  Maxime Prévot, ministre: Bonjour à chacune et chacun d'entre vous, et merci pour vos nombreuses questions sur un sujet évidemment important.

 

Monsieur Di Nunzio, pour commencer par votre question qui cherche à créer une division fictive entre le premier ministre et moi-même, je peux comprendre que le premier ministre, ayant la vue d'ensemble sur la totalité des différents dossiers à traiter, agence ses priorités d'une manière qui soit complémentaire à la mienne. C'est la raison pour laquelle il existe au sein de son gouvernement un ministre des Affaires étrangères qui, par nature, est chargé en priorité de ces matières internationales. Je peux donc vous assurer, nonobstant la tentation qui peut être celle d'un parlementaire de l'opposition, qu'il n'y a pas matière à trouver de divergence sur nos priorités entre le premier ministre et moi-même, nous exerçons des rôles complémentaires.

 

Je voudrais également débuter par l'expression, au nom du gouvernement, de toute la solidarité de la Belgique avec le peuple libanais, un peuple qui est une nouvelle fois victime d'une guerre qu'il n'a pas choisie. L'expression de cette solidarité était le but premier de ma visite au Liban le 8 avril dernier, jour du fameux "mercredi noir". L'objectif était de délivrer un message de soutien politique et de soutien financier pour les questions humanitaires. Il était primordial de montrer au gouvernement libanais qu'il n'était pas seul face à ce déferlement de violence et que la Belgique se tiendrait toujours du côté des victimes civiles innocentes, où qu'elles soient du reste.

 

Comme je l’ai souligné, il s’agit d’une visite à connotation politique m'ayant permis de rencontrer le président de la République et le premier ministre, mais aussi d'aller au contact du terrain en me rendant dans un lieu symbolique de la capitale – un stade de football qui, pour la circonstance, a été transformé en lieu de refuge pour les Libanais déplacés du Sud – et de voir, notamment avec la Croix-Rouge, dans quelles conditions ces familles étaient prises en charge ainsi que les besoins humanitaires urgents auxquels elles devaient faire face. Par ailleurs, j’ai également eu l'occasion d'aller au contact du secteur associatif dispensateur de soins – l’ONG Amel – afin de mieux mesurer ces besoins d'urgence humanitaire.

 

Zoals u weet, viel mijn bezoek aan Beiroet samen met de dodelijkste dag sinds het begin van het conflict. Die dag werd gekenmerkt door een honderdtal Israëlische bombardementen in tien minuten tijd, verspreid over heel Libanon, waarbij bijna 350 mensen om het leven kwamen. Ik ben zelf getuige geweest van deze aanvallen en van de verwoesting die ze hebben aangericht. Samen met een aantal Europese landen hebben wij die aanvallen veroordeeld en opgeroepen om Libanon te betrekken bij de regionale de-escalatie.

 

Face aux besoins humanitaires, à l'ampleur des déplacements de population et aux attaques contre les civils et les infrastructures civiles, notre pays a réagi immédiatement et de manière coordonnée.

 

Les prépositionnements humanitaires réalisés par la Belgique ont permis aux acteurs humanitaires d'enclencher leur réponse sans délai, d'alimenter sans tarder le Flash Appeal lancé par les Nations Unies le 13 mars et de contribuer rapidement à l'intensification de l'assistance sur le terrain.

 

België kende eind 2025 een flexibele bijdrage van 3 miljoen euro toe aan het Lebanon Humanitarian Fund, beheerd door OCHA. Gezien de snel verslechterende humanitaire situatie versterkte België zijn steun met een bijkomende bijdrage van 2 miljoen euro, waarmee onze initiële bijdrage van 2 miljoen euro voor 2026 wordt verdubbeld. Deze fondsen zijn afkomstig uit de enveloppe van de flexibele financieringen die beschikbaar zijn voor 2026 en die nog niet waren toegewezen, zonder budgettaire herallocatie en zonder impact op lopende verbintenissen.

 

Het Lebanon Humanitarian Fund kent financiering toe aan humanitaire actoren om in te spelen om de meest dringende humanitaire behoeften en komt uitsluitend ten goede aan organisaties die voldoen aan strikte criteria, onder meer op het vlak van neutraliteit, onpartijdigheid en interne controlemechanismen.

 

La législation belge impose que ces fonds soient utilisés uniquement aux fins prévues, avec des obligations claires en matière de prévention de la fraude, de rapportage financier et d'audit. La Belgique accorde par ailleurs une attention particulière aux risques de diversion de l'aide, en soutenant uniquement des partenaires disposant de solides processus de due diligence.

 

Enfin, nous assurons un suivi étroit via notre participation au groupe de bailleurs et grâce au contact permanent avec notre poste à Beyrouth, qui suit de près les organisations sur le terrain et dispose d'une connaissance approfondie de leur fonctionnement.

 

Mevrouw Almaci, ik heb mij ertoe verbonden om de humanitaire hulp te vrijwaren op een jaarlijks niveau van minstens 170 miljoen euro, zodat België beschikt over een geloofwaardige en stabiele capaciteit om te reageren op de huidige en toekomstige humanitaire crisissen. De nodige marges om in te spelen op nieuwe humanitaire noodsituaties zullen in de eerste plaats worden gezocht binnen de bestaande kredieten, desgevallend via gerichte herschikkingen, met respect voor het begrotingskader en zonder afbreuk te doen aan essentiële structurele programma’s.

 

Outre l'augmentation du financement humanitaire, j'ai décidé d'allouer deux millions d'euros au titre de la coopération au développement, via le système des Nations Unies, pour répondre aux besoins de base des populations tels que la santé et l'éducation. Nous sommes donc intervenus à la fois dans le court terme, avec une aide humanitaire immédiate, mais aussi dans le long terme, via des mécanismes favorisant la stabilité tels que ces aides focalisées sur les aspects d'éducation et de santé.

 

Deux livraisons B-FAST ont également été envoyées en soutien aux personnes déplacées, avec du matériel de première nécessité, pour un montant total de près de 300 000 euros.

 

Afin de renforcer l'action européenne en complément de l'engagement de la Belgique, j'ai proposé à la haute représentante de l'Union européenne et vice-présidente de la Commission européenne, Kaja Kallas, d'inviter le premier ministre libanais, Nawaf Salam, à participer au Conseil des affaires étrangères de l'Union européenne qui s'est tenu hier, afin qu'il puisse exposer directement les besoins et les attentes du Liban vis-à-vis de l'Union européenne. Cette invitation, qui fait suite à ma mission sur le terrain, ainsi que la déclaration conjointe initiée par la Belgique sur la situation au Liban, qui a été remarquée et cosignée par 17 autres pays, s'inscrivent dans une séquence diplomatique intense menée par notre pays en soutien au Liban.

 

De verzoeken van de Libanese regering waren vierledig, namelijk een versterkte internationale steun aan het Libanese leger, de voortzetting van doeltreffende humanitaire hulp, een duidelijke politieke steun voor een staakt-het-vuren dat de opening mogelijk maakt voor onderhandelingen met Israël in een meer serene context, evenals ondersteuning van het ontwapeningsproces van Hezbollah en, ten slotte, steun voor de conferentie over de wederopbouw van Zuid-Libanon, die kadert binnen een globale strategie om de invloed van Hezbollah op duurzame wijze te neutraliseren.

 

Wij hebben gisteren premier Salam gehoord over de vredesbesprekingen van Libanon met Israël en de pogingen om het land uit de greep van Hezbollah te halen.

 

Europa heeft 100 miljoen toegezegd aan humanitaire hulp. De Europese Unie blijft ook de Libanese strijdkrachten ondersteunen en werkt aan een mogelijke EU-civiele missie. Hoe meer wij het Libanese leger versterken, hoe meer wij Hezbollah verzwakken.

 

La fin du mandat de la FINUL prévu pour la fin de cette année, avant son retrait total en 2027, pose évidemment un défi sécuritaire et demandera des moyens complémentaires pour soutenir les forces armées libanaises. Le Secrétaire général des Nations Unies doit présenter d'ici peu un rapport sur le sujet, auquel nous serons évidemment particulièrement attentifs.

 

In zijn verklaring gisteren erkende premier Salam de veiligheidszorgen van Israël, maar stelde hij dat ze via diplomatie moeten worden aangepakt.

 

J'ai salué l'annonce d'un cessez-le-feu de 10 jours à partir du 16 avril et l'ouverture de négociations sous l'égide américaine, qui constituent indéniablement un signal positif et un pas dans la bonne direction. Je trouve que c'est véritablement un moment diplomatique inédit avec Israël, qui a fait le choix de saisir la main tendue par le président Aoun. Gageons que cela puisse donner rapidement des résultats.

 

Toutefois, on sait qu'on ne peut négocier de manière juste et équilibrée sous les bombes, seul un cessez-le-feu effectif peut créer les conditions nécessaires à un accord durable et crédible.

 

Ik herinner u aan het consequente standpunt van België sinds de eerste dag van het conflict. Wij veroordelen krachtig zowel de aanvallen van Hezbollah op Israël, uitgevoerd uit solidariteit met de Iraanse Revolutionaire Garde maar met volledige miskenning van het Libanese volk, als de disproportionele reactie van Israël. Wij veroordelen alle aanvallen die gericht zijn tegen burgers, journalisten, medisch personeel, de blauwhelmen en alle civiele infrastructuur.

 

J'en profite pour réitérer notre solidarité à l'égard de la France et de l'Indonésie qui ont tous deux eu à assumer des pertes de vie de leurs soldats.

 

We eisen een einde aan de vijandelijkheden en de terugkeer naar hun woningen van de personen die inmiddels al meer dan 50 dagen ontheemd zijn als gevolg van een conflict dat zij niet hebben gekozen.

 

De terugtrekking van Israël uit het Libanese grondgebied vormt eveneens een onontbeerlijke voorwaarde voor de totstandkoming van een duurzame vrede tussen beide landen.

 

Nous soutenons le gouvernement libanais dans ses efforts de réformes et dans les décisions courageuses qu'il a pu prendre, qu'il s'agisse de la volonté de désarmer le Hezbollah, de l'interdiction des activités militaires et sécuritaires du Hezbollah, ou encore de la main tendue à Israël pour entamer des négociations, alors même que des bombes continuaient de frapper son territoire. Je rappelle aussi que notre accord de gouvernement incite à ce qu'il n'y ait plus à l'avenir de distinction faite entre la branche militaire et la branche politique du Hezbollah.

 

Chers parlementaires, je souhaite conclure sans éluder la question des sanctions, sachant que, sur le sujet, des questions plus spécifiques me seront adressées plus tard dans la commission. Je comprends pleinement évidemment l'appel de nombreux acteurs à des mesures de pressions à l'encontre d'Israël face à la gravité des violations observées au Liban, mais pas uniquement au Liban.

 

Je vous rappelle que la Belgique a pris l'an passé une série de mesures visant à accroître la pression sur le gouvernement israélien et que je continue de soutenir au nom du gouvernement, conformément à sa décision du 12 septembre dernier, l'adoption de mesures communes au sein du Conseil des Affaires étrangères de l'Union européenne. Nous le savons, tout l'enjeu est de parvenir à des mesures communes. Vous l'avez vu encore hier, à ce jour seulement trois pays se sont publiquement exprimés en faveur d'une suspension totale de l'accord d'association.

 

J'ai rappelé pour ma part, conformément à la décision du gouvernement du 12 septembre, que nous étions enclins à soutenir des suspensions partielles de certains volets de cet accord d'association, conscients qu'en tout état de cause, l'unanimité pour une suspension totale serait un leurre. Mais, même pour des suspensions partielles, il n'y a actuellement pas de majorité qualifiée qui se dégage au sein du Conseil des Affaires étrangères de l'Union européenne.

 

Certains peuvent s'évertuer à taper sans cesse sur la tête du gouvernement, si vous le souhaitez. Je pense pourtant que nous sommes reconnus parmi les plus volontaristes au niveau européen. Bien entendu, la non-atteinte d'un résultat qui serait attendu par certains d'entre vous peut être frustrante, mais ne signifie en rien que la Belgique n'est pas claire dans ses messages ou volontariste. Mais, force est de constater qu'aujourd'hui la plupart des autres pays ne partagent pas la volonté de sanction que certains expriment dans cette assemblée. Ce n'est qu'un compte rendu honnête et fidèle de la réalité. Cela ne signifie pas pour autant que nous devons nous en satisfaire, d'où les messages que j'ai aussi délivrés hier. Je vous remercie.

 

01.11  Kathleen Depoorter (N-VA): Mijnheer de minister, het klopt dat de regering stappen heeft gezet in het kader van het Gaza-akkoord en sancties heeft afgesproken, die ze voor zover mogelijk uitvoert en aanhoudt. In Libanon is de humanitaire situatie schrijnend. 1,2 miljoen mensen zijn op de vlucht, het onderwijs ligt plat, ziekenhuizen kunnen niet werken. De arizonameerderheid anticipeert daarop, ook inzake de inname van grondgebied.

 

Het is belangrijk om te blijven onderstrepen dat Hezbollah welwillend probeert te zijn ten aanzien van Iran en daardoor begint te bombarderen en dat het verzwakken van die terroristische organisatie alleen maar ten goede kan komen aan de bevolking van Libanon en het democratische proces dat daar in gang is gezet. Het antwoord van Israël blijkt opnieuw weinig proportioneel te zijn. Ook daarover spreekt onze regering zich op een correcte manier uit.

 

U haalt aan dat we een humanitaire opschaling doen via de voorziene flexibele fondsen. Dat is zeer terecht, want daarvoor dienen die fondsen uiteraard. We hebben ze in de begroting opgenomen om ze aan te wenden wanneer er noden zijn, waar ook ter wereld.

 

Voor het overige hebt u gelijk, mijnheer de minister, om verder in te zetten op diplomatieke processen, verder mee te bouwen aan een sterk Libanees leger en ter plaatse te ondersteunen. De ontwapening van Hezbollah moeten we faciliteren en ook op dat vlak ondersteunen waar mogelijk. Dat is de weg die we moeten volgen, zowel voor het Libanese volk als voor de mondiale stabiliteit.

 

01.12  Annick Lambrecht (Vooruit): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

 

We moeten blijven zeggen dat Israël het internationaal humanitair recht in Libanon schendt, er ingaat tegen de Conventie van Genève, ontheemden niet naar huis laat terugkeren en disproportioneel optreedt. Het is ook belangrijk dat, zoals u hebt geduid, wanneer we de Belgische solidariteit met de Libanese bevolking uitspreken, wat we zeker moeten blijven doen, we enerzijds Israël zwaar veroordelen, maar ook uitspreken dat de aanvallen op burgerdoelwitten door Hezbollah evenmin gerechtvaardigd zijn.

 

Het is zeer belangrijk, mijnheer de minister, dat u altijd de kaart van de diplomatie trekt en dat siert u. Als er geen mensen meer zijn zoals u, dan belanden we volledig in wapengeweld, wapenwedlopen en oorlogen zonder einde. Elke dag, elke minuut is er opnieuw ander nieuws. U moet dus de diplomatieke kaart voor Libanon trekken. Ik hoop dat velen u daarin volgen. Daar zal ook de sleutel liggen voor een duurzaam staakt-het-vuren. Het huidige opbod van wapens tegen wapens en het recht van de sterkste tegen het recht van de sterkste werken immers niet.

 

Ik hoop dat de klemtonen, zoals u hebt gezegd, blijven liggen op het staakt-het-vuren, de ondersteuning van de ontwapeningen ter plaatse en de nodige humanitaire hulp, waarvan u hebt aangegeven dat er daarvoor naar geld wordt gezocht.

 

01.13  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, wat de humanitaire hulp betreft, uit uw antwoord maak ik op dat het om extra flexibele financiering gaat. U had het over een verdubbeling van de 2 miljoen euro en zei dat de steun gaat naar betrouwbare partners en verloopt via strikte criteria, met een duidelijke audit en controlemechanismen. Sta mij toe daar toch wat sceptisch tegenover te staan.

 

Een VN-label, een zogenaamd betrouwbare internationale partner is op zich geen waterdichte garantie, zeker niet in een context waarbinnen zelfs onze eigen administratie reizen afraadt, delen van het land ontoegankelijk zijn en de controle op het terrein bijzonder beperkt is. U maakt extra geld vrij voor een oorlogszone in een land waar de staat amper functioneert en waar gewapende groepen mee aan de knoppen zitten. Ik mag dan ook hopen dat er daadwerkelijk controle is op onze middelen en op de bestemming daarvan, want meewerken en/of goede intenties zijn geen controlemechanisme. Ik hoop dat onze middelen gaan naar de juiste doelgroepen, naar de minderheden en naar onze mensen.

 

Wat die minderheden betreft, recente berichtgeving toont duidelijk aan dat christelijke dorpen in Zuid-Libanon zich vandaag effectief in de frontlinie bevinden. Wie zegt op te komen voor religieuze minderheden in het Midden-Oosten moet dat ook durven benoemen en vertalen in zijn diplomatieke aanpak. Vergeet niet dat christenen vandaag tot de meest vervolgde minderheden in de regio behoren.

 

01.14  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Ik vind dat u niet helemaal correct bent wanneer u het hebt over het fictief zaaien van tweedracht binnen de regering. Ik waardeer uw positie ten aanzien van de diplomatie, hoe we de toon moeten aanscherpen en over de voluntaristische houding van ons land in Europa, een houding die u ook aanneemt. Dat klopt allemaal wel, maar gisteren kreeg de eerste minister hierover vragen naar aanleiding van het feit dat verschillende lidstaten aan het opschuiven zijn ten aanzien van Israël en welke houding wij zouden moeten aannemen, ook al is er daarvoor geen gekwalificeerde meerderheid.

 

Het is daarop dat de eerste minister zei, en ik citeer: “Onze positie is duidelijk. Respect voor het internationaal recht en pleiten voor de-escalatie. Ik vertel geen geheimen dat de verdeeldheid over de sancties in Europa totaal is. Die verdeeldheid is er ook binnen de meerderheid. Neen, wij hebben geen enkele discussie of standpunt in de regering om verdere sancties te bepleiten. Ik ga dat dus ook niet doen. We hebben andere katten te geselen.” Dat heeft hij gisteren gezegd en wie aanwezig was, kon dat ook horen.

 

Dat is toch een ander geluid dan wat u zegt. Voor mij is daar wel degelijk een tweedracht. De positie van de premier is wel degelijk essentieel in het debat, aangezien we nu meer en meer berichten lezen van andere landen die wel aan het opschuiven zijn. Als ze opschuiven in de richting van meer druk op Israël, laten wij daar duidelijk zijn, dan gaat dat niet over het verdedigen van Hezbollah of tegen Israël zijn, laat staan antisemitisme. Dat heeft er allemaal niets mee te maken.

 

Het gaat over het feit dat we in een andere wereld terechtgekomen zijn. Vroeger waren we bij wijze van spreken vergevingsgezinder ten aanzien van westerse landen, westersgezinde landen en de Verenigde Staten. We zijn nu in een wereld terechtgekomen waarin we meer dan ooit het internationaal recht moeten verdedigen en niet met twee maten en twee gewichten mogen werken.

 

Het is van ontzettend groot belang dat we met één heldere stem spreken, of het nu gaat om Israël, de Verenigde Staten, Iran of gelijk welk ander land. Mijn oproep is dan ook dat binnen de regering met één stem wordt gesproken richting Europa voor ons land, ongeacht of er al dan niet een gekwalificeerde meerderheid kan worden gevonden. Maak daarvan werk en zorg ervoor dat de violen gelijkgestemd geraken.

 

01.15  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, het is belangrijk dat ons land, samen met Ierland, Slovenië en Spanje, tijdens de vergadering gisteren heeft opgeroepen tot een tijdelijk stopzetten van het handelsdeel van de Europese associatieovereenkomst met Israël. Er zijn op dit moment nog niet genoeg medestanders, maar de geesten evolueren wel.

 

We moeten ook eerlijk zijn, het feit dat dit anno 2026, in de huidige context, nog altijd niet kan, is een moreel falen van de Europese leiders. Ik zeg dat niet licht, maar het is een collectief moreel falen. Een miljoen mensen in Europa, meer dan 75 ngo’s, 400 voormalige diplomaten, VN-deskundigen, academici en rectoren, alleen al hier in België, roepen al een hele tijd op tot de onmiddellijke opschorting van die overeenkomst. Steeds meer landen sluiten zich daarbij aan. Het is bijzonder pijnlijk dat we daarin niet slagen en dat laat de straffeloosheid van Israël verder voortduren.

 

Ik ben blij met wat u zei over het lenigen van de humanitaire noden. U hebt ook goed uitgelegd op welke manier u dat gaat doen, onder andere samen met de VN. Het is jammer dat u, gezien de stijgende nood, uw portefeuille niet verder kan opentrekken. U zegt dat u het zult moeten doen met een herschikking. Ik neem daarvan akte. Dat is spijtig. Ik hoop dat de regering in het kader van de begrotingsbesprekingen, zeker gelet op de keuze die is gemaakt voor defensie, waar wel zeer gul de portefeuille is opengetrokken, dit toch durft te herbekijken. Diplomatie wordt steeds belangrijker.

 

Woorden doen er wel toe, maar die woorden moeten gevolgen krijgen. Ik treed de collega bij. Wat de premier gisteren zei, doet er ook toe.

 

Nog voordat we de vraag over extra sancties op Europees niveau moeten stellen, rijst de vraag hier bij ons. We stellen vast dat de sancties die met veel bombarie waren aangekondigd, niet worden uitgevoerd.

 

Het was deze meerderheid die sprak over een inreisverbod voor kolonisten. Mevrouw Van Bossuyt zegt dat ze dat niet zal uitvoeren. Het was deze regering die zei dat er een importverbod uit illegale kolonies komt. We wachten erop, het zou er nu snel aankomen. U spreekt over een breed verbod, minister Jambon spreekt over een beperkt verbod van staatsbedrijven. Minister Clarinval zegt dat hij niets kan meedelen. Men ziet dus dat de verschillende maatregelen en de belangrijkste van de sancties waartoe al beslist werd, nog steeds niet worden uitgevoerd.

 

Deze regering zit niet op één lijn. Ze is veel bezig met communiceren. Wat u gisteren hebt gedaan, was een goede zaak en ik vind het belangrijk om dat ook te zeggen. Het wordt echter tijd dat de zaken waarover wordt gecommuniceerd, worden uitgevoerd en dat daarop verder wordt gebouwd. En ik zie geen voortgang. Dat is ook een moreel falen van deze arizonaregering.

 

01.16  Michel De Maegd (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse, votre action et votre vigilance concernant la situation au Liban. Car ce que nous voyons aujourd'hui, c'est une trêve extrêmement précaire, suspendue à des équilibres fragiles. Les événements récents nous le rappellent avec force. Il est donc en effet primordial de rester prudents, conscients que le moindre incident peut faire basculer la situation, mais également, comme vous, déterminés, en répétant que le Liban ne peut pas être abandonné. Je l'avais dit en plénière il y a quelques jours: Beyrouth ne peut pas devenir le nouveau Gaza. Dans ce contexte, l'engagement de la Belgique, votre engagement et vos mots sans ambiguïté sont importants, comme le sont également votre déplacement à Beyrouth, le renforcement de l'aide et le soutien aux mécanismes internationaux.

 

Nous vous soutenons et vous invitons à tenir cette ligne dans la durée. La seule issue durable, c'est un Liban libre, libéré du Hezbollah bien entendu, mais aussi libéré de toute présence militaire israélienne. Un Liban souverain et stable. Aujourd'hui, malheureusement, nous en sommes encore loin.

 

01.17  Els Van Hoof (cd&v): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. We ondersteunen u inderdaad in al uw inspanningen, zowel diplomatiek als humanitair. Ook op Europees vlak zet u heel wat druk en zit u in het juiste peloton van de EU-landen die pleiten voor meer sancties en meer diplomatieke druk. Wat betreft de straffeloosheid en de sancties, er was in september al een akkoord over het gedeeltelijk opzeggen van het EU-associatieakkoord. Dat wordt nu opnieuw in de mand van de Europese Unie gelegd, maar de Europese Unie laat daar een steek vallen.

 

We kunnen hier een debat voeren, maar als het daar niet gebeurt, zitten we met een probleem. De geschiedenis zal ons gelijk geven dat de Europese Unie daar een catastrofale fout maakt. We moeten verder inzetten op die sancties, ook op onderzoekscommissies. Ik heb u daar niet over gehoord, maar ik denk dat u het daarmee eens bent.

 

Ook wat betreft de importban hoop ik dat die nog voor de zomer uiteindelijk hier in het Parlement komt. Er zijn ook parlementaire initiatieven genomen. Het is belangrijk dat akkoorden worden uitgevoerd, zeker wanneer de situatie op het terrein nog verergert. Men voelt heel duidelijk dat er binnen de Europese Unie landen zijn die meer en meer in die richting gaan, ook wat betreft die importban en het opzeggen van het associatieakkoord. Ik hoop dat België daar het juiste signaal geeft. Het is meer dan tijd dat we dat concreet hier in het Parlement realiseren.

 

Wat betreft de militaire steun vind ik het een gamechanger dat er mogelijk een civiele missie komt. Dat zou een goede zaak zijn vanuit de Europese Unie, om op die manier aan Israël te tonen dat we er ook voor Libanon zijn. We steunen de acties die u onderneemt en ik hoop dat we volgende week met een artikel 76 een gemeenschappelijke resolutie aannemen om op die manier onze solidariteit te betuigen. Dan kunnen we in detail ingaan op de verschillende maatregelen.

 

01.18  Sam Van Rooy (VB): Minister, allereerst raad ik u aan om nooit meer in de weg te lopen wanneer de grote jongens moorddadige jihadisten elimineren.

 

Dit gezegd zijnde, Hezbollah betekent “partij van Allah”. Het is een moorddadige jihadistische organisatie en het sterkste terreurleger op aarde. Hezbollah wordt gefinancierd, getraind en bewapend door de Islamitische Republiek Iran, die op dit moment opnieuw onschuldige Iraniërs executeert. Hezbollah is de lange arm van Teheran, die Libanon bezet en als terreurbasis gebruikt en misbruikt. De meeste Libanezen, zeker degenen die niet sjiitisch zijn, willen Hezbollah weg. Hezbollah staat immers ook voor de weerzinwekkende sharia. Voorheen – wie herinnert het zich nog – was Libanon overwegend christelijk, het Zwitserland van het Midden-Oosten. Hezbollah heeft Libanon echter steeds meer geïslamiseerd.

 

Hezbollah is antisemitisch en heeft als heilig islamitisch doel de vernietiging van Israël en uiteindelijk ook de vernietiging van het Westen. Hezbollah in Libanon is dus zoals Hamas in Gaza. Hezbollah graaft en boort terreurtunnels, gebruikt menselijke schilden en vormt scholen, ziekenhuizen en andere gebouwen om tot wapenopslagplaatsen of raketlanceerplatforms. Hezbollah vuurde duizenden raketten af op onschuldige burgers in Israël en plande een gelijkaardige genocidale massaslachting als die van 7 oktober 2023. Zonder een geavanceerd raketschild en zonder schuilkelders had Hezbollah in Israël al tienduizenden onschuldige doden en gewonden gemaakt.

 

Door Hezbollah kunnen Israëlische en Libanese burgers geen normaal leven leiden. Hezbollah is ook hier aanwezig. Niemand zegt dat, maar Hezbollah is ook hier op ons grondgebied aanwezig en waarvoor? Voor criminele en jihadistische activiteiten. Om maar te zeggen, dames en heren, minister, de wereld zal een veel betere plek zijn als Hezbollah eindelijk volledig wordt geëlimineerd.

 

De voorzitster: Dan kunnen we hierbij het eerste actualiteitsdebat afsluiten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Actualiteitsdebat over Iran en toegevoegde vragen van

- Sandro Di Nunzio aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De Belgische hulp aan de Golfstaten" (56014642C)

- Darya Safai aan Bart De Wever (eerste minister) over "Het tijdelijke staakt-het-vuren tussen de VS en Iran" (56014973C)

- Darya Safai aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het tijdelijke staakt-het-vuren tussen de VS en Iran" (56014974C)

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "?De situatie in het Midden-Oosten" (56014985C)

- Nabil Boukili aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Iran" (56015018C)

- Raoul Hedebouw aan Bart De Wever (eerste minister) over "De situatie in Iran" (56015020C)

- Raoul Hedebouw aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Iran" (56015021C)

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De executies van politieke gevangenen in Iran" (56015153C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De forse stijging van het aantal executies in Iran" (56015168C)

- Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onderhandelingen tussen de VS en Iran en de situatie m.b.t. de Straat van Hormuz" (56015197C)

- Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De oorlog in Iran" (56015201C)

- Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Iran" (56015247C)

- Sandro Di Nunzio aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De oorlog in Iran" (56015292C)

- Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De Straat van Hormuz" (56015386C)

- Charlotte Deborsu aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in de Straat van Hormuz" (56015424C)

02 Débat d’actualité sur l’Iran et questions jointes de

- Sandro Di Nunzio à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'aide de la Belgique aux pays du Golfe" (56014642C)

- Darya Safai à Bart De Wever (premier ministre) sur "Le cessez-le-feu temporaire entre les États-Unis et l'Iran" (56014973C)

- Darya Safai à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le cessez-le-feu temporaire entre les États-Unis et l'Iran" (56014974C)

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Moyen-Orient" (56014985C)

- Nabil Boukili à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation en Iran" (56015018C)

- Raoul Hedebouw à Bart De Wever (premier ministre) sur "La situation en Iran" (56015020C)

- Raoul Hedebouw à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation en Iran" (56015021C)

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les exécutions de prisonniers politiques en Iran" (56015153C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La forte augmentation du nombre d'exécutions en Iran" (56015168C)

- Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les négociations entre les États-Unis et l'Iran et la situation concernant le détroit d'Ormuz" (56015197C)

- Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La guerre en Iran" (56015201C)

- Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation en Iran" (56015247C)

- Sandro Di Nunzio à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La guerre en Iran" (56015292C)

- Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le détroit d’Ormuz" (56015386C)

- Charlotte Deborsu à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation dans le détroit d'Ormuz" (56015424C)

 

02.01  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, “I’m winning a war by a lot. Things are going very well.” Dat is wat Donald Trump zegt. Intussen blijft de Straat van Hormuz gesloten, worden cargoschepen aangevallen en leeft een hele regio met de hand aan de noodrem. Dat is de realiteit achter die stoere taal.

 

Het staakt-het-vuren is tijdelijk verlengd, maar laat ons daar geen diplomatiek theater van maken. Dat is geen oplossing, maar slechts een kort uitstel. Het is onduidelijk hoelang dat zal standhouden en hoe het conflict uiteindelijk zal evolueren. Washington en Teheran blijven elkaar opjutten en een duurzame overeenkomst lijkt verder weg dan ooit. Intussen blijft de hele regio onder spanning staan, met gevolgen voor veiligheid, energie en scheepvaart, en dus ook voor België en Europa.

 

Wie betaalt vandaag de hoogste prijs? Dat is de bevolking van Iran. Niet de leiders die de oorlogstaal hanteren, niet de regimes die de machtsspelletjes spelen, maar de gewone Iraniërs, die al jaren onder druk staan door het regime en nu ook geconfronteerd worden met een dreigende escalatie op het internationale toneel.

 

Vijf weken geleden verklaarde Trump dat hij de Islamitische Revolutionaire Garde van de kaart zou vegen en het Iraanse volk zou bevrijden. Uw collega, de minister van Defensie, noemde de oorlog tegen Iran toen nog gerechtvaardigd en een slimme zet. Van een regimewissel is vandaag echter geen sprake. Integendeel, het regime lijkt zich te versterken, terwijl de bevolking opnieuw de prijs betaalt.

 

We zien dus een conflict zonder duidelijk einddoel en zonder exitstrategie. Trump dreigt zelfs met de vernietiging van een hele beschaving.

 

Daarom volstaat het niet langer om enkel op te roepen tot de-escalatie. België moet politieke duidelijkheid geven en kan het niet meer bij woorden laten.

 

U hebt eerder gezegd dat België zich inzetbaar moet tonen voor de Golfstaten. De eerste minister gaf gisteren aan dat onze ontmijners zich richting de regio begeven. U hebt dat zelf ook bevestigd en stelde dat wij het aan onze partners verplicht zijn om hulp te bieden wanneer daarom wordt gevraagd. Ik neem aan dat u dat gezegd hebt vanuit diplomatieke overwegingen.

 

Welke steun ligt er, naast de inzet van ontmijningsschepen, nog op tafel? Hebt u al vragen gekregen van de Golfstaten om hen bij te staan? Zo ja, om welke vragen gaat het?

 

Vooral – en dat is zeer belangrijk –, waar ligt voor ons land de grens? Tot waar zijn wij bereid te gaan in het bieden van steun, zonder stap voor stap te worden meegezogen in een conflict waarin wij geen partij willen zijn?

 

Mijn vragen zijn dus duidelijk: welke steun aan de Golfstaten is voor u nog bespreekbaar en welke initiatieven neemt u samen met uw Europese partners om ervoor te zorgen dat de Iraanse bevolking niet opnieuw het slachtoffer wordt? Ik dank u.

 

02.02  Darya Safai (N-VA): Het is goed dat u aandacht hebt voor het Iraanse volk, maar ik denk niet dat dat volk vraagt wat u hier voorstelt. Net zoals de bevolking van Libanon willen ook de Iraniërs in de eerste plaats verlost worden van het regime dat verantwoordelijk is voor hun zure leven. Dat wordt soms uit het oog verloren.

 

U zegt dat wij niet willen worden meegesleurd in een oorlog. Uiteraard, dat wil niemand. Maar of men het wil of niet, de realiteit is dat de ontwikkelingen in de regio wel degelijk gevolgen hebben voor ons, onder meer via energieprijzen zoals olie en gas. Daarnaast is er ook een veiligheidsdimensie. Binnenkort zullen ze ook ons aanvallen. Er wordt gewezen op raketcapaciteiten die een bereik hebben van 4.000 kilometer. Die kunnen Brussel dus raken. Waarom zouden ze dat doen, zult u tegenwerpen, maar waarom hebben ze die raketten anders?

 

Wees dus niet naïef, de enige manier om de regio duurzaam te stabiliseren bestaat erin het Iraanse regime te ontmantelen. Dat is ook de logica achter de acties van Israël en de Verenigde Staten. Uiteraard is dat geen proces van korte duur is, maar dat is de enige manier om de veiligheid van Europa te verzekeren.

 

We beschikken zelf over geavanceerde mijnenbestrijdingscapaciteit en technologische expertise. Dat is een heel goede zaak. Voor wie hoopt dat diplomatie zal werken: vandaag zouden normaal gezien de vredesonderhandelingen in Islamabad afgelopen zijn, maar het is niet gebeurd en het zal nooit gebeuren! Dus bereid uzelf voor. Nee, wij willen geen oorlog, maar zij willen het wel. Het heeft geen zin om te blijven zeggen dat wij het niet willen, want wat gaat u doen? Uiteindelijk moeten we ons voorbereiden op het ergste. Ik hoop dat het niet zover komt, maar denkt u werkelijk dat een regime dat 40.000 eigen burgers op twee nachten tijd vermoordt wegens protesten niet bereid zou zijn om u aan te vallen? Ze vechten al vier jaar lang tegen Europa met Shaheddrones die Oekraïne vernietigen. Wij betalen Oekraïne om zich te verdedigen en we maken ons klaar om zogezegd onszelf te verdedigen.

 

Wij moeten begrijpen hoe geopolitiek vandaag in elkaar zit. Het is gemakkelijk en mooi om te zeggen dat we moeten de-escaleren, maar dat maakt de toekomst van onze kinderen niet noodzakelijk veiliger.

 

We moeten natuurlijk niet oorlogszuchtig zijnen dat zijn we ook niet. Integendeel, we zijn rustig van aard en houden van vrede. Maar wat betekent dat voor de mensen in Libanon? Voor de slachtoffers in Syrië van het Assadregime, dat werd gesteund door Iran? Voor de slachtoffers van Hamas in Gaza? Hebben zij er iets aan dat wij enkel blijven oproepen tot sancties tegen de Verenigde Staten of Israël, terwijl we tegelijk toelaten dat die monsters hun macht blijven uitbreiden, tot ze ook ons komen opeten?

 

Daarmee lossen we niets op. We moeten ernstig nadenken over hoe we als Westen samen sterk kunnen blijven. Als landen zoals China, Rusland, Iran en Noord-Korea, ondanks hun verschillen, de krachten bundelen om tegen het Westen te vechten, dan heeft het Westen maar één optie: samenblijven en samen sterk zijn. Daar moeten we aan denken en hard voor vechten. Dank u wel.

 

02.03  Kathleen Depoorter (N-VA): De situatie in het Midden-Oosten blijft ons zorgen baren, ook binnen de regering. De bevolking is ongerust. Het is aan ons om geen paniek te zaaien, maar diplomatiek verder te werken. De Straat van Hormuz is al dan niet open, maar de situatie blijft bijzonder precair.

 

Mijnheer de minister, ik verneem graag hoe u de situatie vandaag inschat en hoe de gesprekken verlopen. Wat is de diplomatieke positie van België? Hoe kunnen wij effectief bijdragen aan een heropening van de Straat van Hormuz, zodra er een stabiel staakt-het-vuren is en er perspectief is op een duurzame oplossing?

 

Daarnaast is er een aspect dat de laatste tijd onderbelicht blijft. De oorlog in Iran heeft niet alleen burgerslachtoffers veroorzaakt, wat wij ten zeerste betreuren, maar heeft ook de samenleving in Iran nog geslotener gemaakt. Er zijn meldingen dat executies van tegenstanders van het regime, zowel van de ene als van de andere zijde, massaal worden uitgevoerd, onder meer van personen die zich organiseren in verzetsgroepen of streven naar democratische hervormingen.

 

Ik verneem graag of u daarvan op de hoogte bent en of u zicht hebt op de omvang van die executies. Onder meer via de PMO bereiken ons signalen dat zij veel van hun militanten hebben verloren. Ook de Iraanse Koerden maken zich grote zorgen over mensen die verdwijnen. Families hebben geen nieuws van hun familieleden en weten niet of zij nog in leven zijn.

 

Ook de toegang tot het internet blijft sterk beperkt. Mensen hier kunnen hun familie moeilijk bereiken en organisaties die vanuit de diaspora strijden, kunnen hun leden niet bereiken. Zijn er binnen de Europese Unie initiatieven mogelijk, bijvoorbeeld via satellietverbindingen, om internettoegang te voorzien, zodat de communicatie wordt verbeterd?

 

De doodstraf veroordelen wij uiteraard. Hoe beoordeelt u het feit dat executies op grote schaal worden toegepast, ook ten aanzien van minderheden, waaronder leden van de lgbtqi+-gemeenschap, minderjarigen en personen met psychische problemen?

 

In welke mate acht u het mogelijk om, zodra er een duurzaam staakt-het-vuren is, groepen die streven naar democratie te ondersteunen? Dank u wel.

 

02.04  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, uit het nieuwe jaarverslag van Iran Human Rights en Together Against the Death Penalty blijkt dat het Iraanse regime in 2025 minstens – en dat zal helaas een serieuze onderschatting zijn – 1.639 mensen heeft geëxecuteerd. Dat is een sterke stijging tegenover het jaar voordien, toen er “slechts” 975 executies werden geregistreerd. Volgens de opstellers gaat het om het hoogste aantal bevestigde executies sinds 1989.

 

Die cijfers staan niet op zichzelf, maar passen in een bredere context van toenemende repressie. Ook vandaag bereiken ons berichten over wrede executies van leden van de Iraanse bevolking. De speciale rapporteur van de Verenigde Naties stelt dat de mensenrechtensituatie in Iran verder verslechtert. Ook de VN-mensenrechtenchef heeft opgeroepen tot voorzichtigheid en gewezen op het toenemend gebruik van de doodstraf. De Europese Unie heeft eveneens scherp gereageerd en roept op om de executies stop te zetten.

 

Mijnheer de minister, ik heb u hierover al meermaals bevraagd. Hoe beoordeelt u deze evolutie, in het bijzonder gezien het gaat om het hoogste aantal bevestigde executies sinds 1989?

 

Zult u binnen de Europese Unie aandringen op een krachtiger politiek signaal tegen het systematisch gebruik van de doodstraf door het Iraanse regime?

 

Bent u bereid maatregelen te steunen tegen Iraanse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor deze executies?

 

Welke concrete stappen onderneemt u, samen met de Europese Unie en de Verenigde Naties, om Iran aan te spreken op deze mensenrechtenschendingen en de afschaffing van de doodstraf te bevorderen?

 

Tot slot, hebt u recent nog contact gehad met de Iraanse autoriteiten waarin deze problematiek aan bod kwam? Zo ja, wat was de inhoud van die gesprekken?

 

02.05  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, op het moment dat men de vragen indient, zijn ze eigenlijk al achterhaald. Mijn vragen zijn het gevolg van de roekeloze oorlog die de VS is begonnen, waardoor de Iraanse bevolking nu tussen hamer en aambeeld zit en de economische gevolgen van de blokkering van de Straat van Hormuz niet meer te overzien zijn, niet het minst als men kijkt naar de impact op de energieprijzen.

 

De bevolking zit tussen hamer en aambeeld, tussen een barbaars regime, waar een nog harder en jonger regime in de plaats is gekomen, met een nieuwe ayatollah die in een recordtempo mensen executeert door ophanging of onthoofding. Sinds de opstand van Woman, Life, Freedom in 2022 werden die executies opgedreven en dit jaar, te midden van de bombardementen door de VS, alleen maar verder uitgebreid. Die bevolking lijdt op heel wat manieren, ook economisch, onder dit beestachtige regime en onder de idiote aanpak van de VS, met een oorlog zonder plan.

 

Kunt u ons een correcte stand van zaken geven over het conflict an sich, buiten wat we lezen in de pers over beschoten containerschepen en Vance die dan toch niet afreist? Wat is de stand van zaken as we speak? Hoe ziet u het verloop over de verdere onderhandelingen? Welke rol kan ons land daarin spelen, zowel wat betreft het beschermen van onze landgenoten ter plaatse en de burgerbevolking daar als wat betreft hen helpen tegen het eigen regime als langetermijnoefening?

 

Wat is het regeringsstandpunt met betrekking tot de blokkade van de Straat van Hormuz en onze positionering over het vrijmaken daarvan? Wat betreft de uitspraken van de premier met betrekking tot de verwijzing naar een internationaal mandaat, wat verstaat de regering precies onder een internationaal mandaat dat ze aanvaardbaar vindt om deel te nemen aan een operatie ter plaatse? Op welke manier zal het Parlement zijn democratische controle daarop kunnen uitoefenen? Hoe moet ik de uitspraken van de premier kaderen?

 

02.06  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, la situation autour de l'Iran est actuellement dans une phase de très forte incertitude. C'est un drame absolu pour le peuple iranien, pris en étau entre le régime tortionnaire des mollahs d'une part et les bombes de l'autre.

 

Un cessez-le-feu a bien été conclu le 8 avril, sous médiation pakistanaise, après plusieurs semaines d'un conflit d'une intensité inédite entre les États-Unis, Israël et l'Iran mais, nous le voyons tous, ce cessez-le-feu est extrêmement fragile. D'abord parce qu'il a été violé à plusieurs reprises, directement ou indirectement, dès le premier jour. Ensuite parce que les négociations qui devaient se tenir ont été avortées.

 

Dans le même temps, les derniers développements marquent une nouvelle escalade. Le 13 avril, les États-Unis ont mis en place un blocus naval visant les flux commerciaux iraniens. Dans les jours qui ont suivi, plusieurs navires ont été interceptés et un bâtiment iranien a même été arraisonné dans le détroit d'Ormuz par les forces américaines. Téhéran a dénoncé un acte de piraterie et considéré ces actions comme une violation du cessez-le-feu. La situation dans le détroit d'Ormuz est devenue chaotique, avec des conséquences immédiates sur les marchés énergétiques mondiaux.

 

Nous sommes dans une situation où un cessez-le-feu théorique existe, mais où l'escalade semble ne pas être maîtrisable et où les inquiétudes pour les prochains jours sont évidemment réelles.

 

Monsieur le ministre, quelle est votre analyse quant à ce cessez-le-feu conclu le 8 avril, alors que celui-ci est contesté sur le terrain et qu'il arrive à échéance? Comment la Belgique évalue-t-elle les développements récents dans le détroit d'Ormuz, notamment le blocus américain et les saisies de navires? Quelles sont les prochaines étapes attendues, notamment après la réunion qui s'est tenue vendredi dernier à l'initiative de la France et du Royaume-Uni? Quel sera le rôle de notre pays dans ce cadre?

 

02.07  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, ik probeer actueel te blijven. Om 12.30 uur hoorden we dat Iran nog drie schepen onder vuur had genomen in de Straat van Hormuz. We horen ook dat de tweede onderhandelingsronde normaliter zou moeten starten in Islamabad, maar we wachten nog af. Enerzijds blijft de Amerikaanse president tweeten dat de vrede nabij is, terwijl hij voortdurend een strategie van uiterste druk voert en dreigt met het opblazen van elektriciteitscentrales en bruggen. Anderzijds zien we het vreselijke Iraanse regime, dat blijkbaar sterker dan ooit is en meer executies dan ooit uitvoert. Daartussen proberen we te navigeren in onzekerheid en kijken we naar u en naar andere leiders om tot vrede te komen. De aanhoudende onzekerheid rond de Straat van Hormuz bedreigt niet alleen de wereldeconomie, maar ook alle humanitaire dienstverlening. Die onzekerheid is onaanvaardbaar voor de slachtoffers ter plaatse, maar heeft ook hier een rechtstreekse impact op de portemonnee van de mensen.

 

Ik kom tot mijn vragen, mijnheer de minister. Welke diplomatieke stappen onderneemt u binnen de EU om de Amerikaanse regering te overtuigen af te zien van aanvallen op Iraanse burgerdoelen?

 

Welke acties plant u om het humanitaire leed van de burgerbevolking in de regio te verzachten en humanitaire corridors te openen?

 

Hoe evalueert u de Belgische betrokkenheid bij een mogelijk internationaal toezichtmechanisme voor vrije navigatie? Is uw standpunt daaromtrent gewijzigd?

 

02.08  Els Van Hoof (cd&v): Deze vragen zijn inderdaad al achterhaald en gisteren door de premier beantwoord.

 

We stellen dagelijks vast dat de Straat van Hormuz wordt geopend en opnieuw gesloten en dat schepen wederzijds worden beschoten. Het standpunt, dat u de vorige keer al hebt verwoord, is dat we ons duidelijk verzetten tegen elke poging om de straat van Hormuz als politiek of economisch drukmiddel te gebruiken. We respecteren het internationaal recht.

 

Militaire acties buiten een multilateraal en juridisch kader zijn problematisch. Voor cd&v blijft diplomatie de te volgen weg. Zonder een staakt-het-vuren en een internationaal mandaat kunnen we daar niet in tussenkomen. Het gevolg van Gaza zal - dat is al een aantal jaren geleden gezegd - de regionalisering of het importeren van het conflict zijn. Kijk naar waar we vandaag staan.

 

We moeten er echt voor waken om standpunten in te nemen die beide kanten opjutten. In die zin moeten we zeer voorzichtig zijn en moeten we streven naar een internationaal mandaat en een staakt-het-vuren.

 

Mijnheer de minister, welke bilaterale initiatieven hebt u nog ondernomen in het belang van diplomatie en de de-escalatie in de Straat van Hormuz, ook ten aanzien van de Golfstaten? Welk concreet standpunt hebt u te berde gebracht op de Raad van Buitenlandse Zaken van 21 april?

 

02.09  Maxime Prévot, ministre: Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos nombreuses questions sur un sujet éminemment d'actualité, qui démontre une nouvelle fois que ce qui se passe là-bas a des répercussions ici. Il n'y a jamais eu de période aussi intense qui amène un lien aussi étroit entre l'actualité internationale et l'actualité intérieure.

 

L'émergence d'un cessez-le-feu entre l'Iran et les états-Unis avec effet immédiat, bien que temporaire, ne peut évidemment être que saluée positivement. Comment pourrait-il en être autrement, alors que je n'ai eu de cesse d'appeler à la retenue et d'affirmer que l'option militaire ne faisait qu'empirer les choses? Après 40 jours de guerre, ce fut enfin le premier signe d'une désescalade pour laquelle je continue de plaider. Ce cessez-le-feu doit aujourd'hui être préservé et étendu dans le temps, et ne pas se limiter à 15 jours.

 

La méfiance est énorme entre les protagonistes et les divergences sont profondes. Nous le voyons avec les négociations qui étaient annoncées pour aujourd'hui au Pakistan. Il faut aller vite, mais la diplomatie a parfois aussi besoin d'un peu de temps.

 

L'annonce le 16 avril d'un autre cessez-le-feu de 10 jours entre Israël et le Liban, dont nous venons de parler, facilité aussi par les états-Unis – il faut le souligner – est également à saluer, et vient renforcer la phase de désescalade actuelle.

 

Les deux cessez-le-feu sont intimement liés, au point d'ailleurs que dans un premier temps, la communauté internationale avait pu penser que le cessez-le-feu annoncé avec l'Iran valait pour l'ensemble de la zone, en ce compris le Liban. Le 8 avril a démontré qu'il n'en était rien, avant que finalement ce cessez-le-feu puisse aussi concerner le Liban.

 

Si les parties n'ont pas encore trouvé d'accord, il est en tout cas positif de noter, et il ne faut pas négliger cette dimension, le caractère historique des pourparlers entre les États-Unis et l'Iran, puisqu'il s'agit du plus haut niveau de rencontre entre les deux pays depuis la naissance de la République islamique en 1979. Les négociations officielles entre Israël et le Liban ont la même importance historique.

 

De dialoog is echter niet onderbroken. In dat verband prijzen we de inspanningen van de Pakistaanse autoriteiten, evenals van alle staten die hebben bijgedragen om de partijen aan de onderhandelingstafel te brengen. De situatie blijft niettemin uiterst precair. Het staakt-het-vuren dat vandaag had moeten aflopen, staat onder zware druk, omdat de strijdende partijen nog steeds met de vinger aan de trekker zitten en hebben verklaard klaar te zijn om de vijandelijkheden te hervatten.

 

Het is goed nieuws dat president Trump gisteren heeft aangekondigd dat het staakt-het-vuren wordt verlengd totdat Iran een geïntegreerd voorstel kan uitwerken. De Verenigde Staten hebben intussen op 13 april ook een blokkade ingesteld, gericht op het tegengaan van elk schip dat van of naar Iraanse havens zou varen. Zoals de hoge vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, Kaja Kallas, gisteren zei na de Raad Buitenlandse Zaken:

 

"La liberté de navigation est non négociable. Les demi-tours et les revirements quotidiens, où le détroit d'Ormuz est ouvert et fermé, sont imprudents. Le transit par le détroit doit rester libre."

 

België beschouwt de Straat van Hormuz als een internationale zeestraat waarop het recht van doortocht of transit passage, zoals vastgelegd in deel III van het VN-Zeerechtverdrag, van toepassing is. De relevante regels inzake internationale zeestraten worden door België beschouwd als internationaal gewoonterecht en zijn dus bindend voor álle staten. Het is van essentieel belang dat dit regime ook in de praktijk wordt geëerbiedigd en dat het recht van doortocht zo snel mogelijk volledig wordt hersteld, in overeenstemming met het internationaal zeerecht.

 

In deze gemoedstoestand is ons land, als maritieme natie en land dat zich heeft gehecht aan respect voor het internationaal recht, bereid om bij te dragen aan gezamenlijke inspanningen om de vrijheid van navigatie te waarborgen en de Straat van Hormuz te heropenen, in de context van een blijvend staakt-het-vuren binnen een duidelijk multinationaal kader. Het defensieve karakter en de beperking in de tijd van dergelijke inspanningen zijn van het grootste belang.

 

Le premier ministre et moi-même avons participé à des rencontres internationales virtuelles organisées par la France et la Grande-Bretagne en vue d'une initiative internationale. Je réponds ici aussi à Mme Almaci, qui me demandait quel mandat nous avions. Nous n'attendons pas un mandat tel quel des Nations Unies, par exemple. On parle bien d'une démarche internationale sui generis. Nous avons confirmé que la Belgique était prête à participer à la défense du droit de passage dans le détroit d'Ormuz, dans les conditions évoquées. Différentes pistes sont sur la table, y compris via la diplomatie et des mesures économiques.

 

Hier, la haute représentante et vice-présidente de l'Union européenne Mme Kallas a également rappelé l'existence de la mission européenne Aspides, qui a un mandat similaire et à laquelle la Belgique participe d'ailleurs. Les discussions se poursuivent pour identifier la meilleure façon d'agir avec nos partenaires européens et internationaux.

 

La Belgique et l'Union européenne ont systématiquement appelé à la désescalade dans la région, à la retenue et à un retour à la table des négociations. Notre position reste inchangée et de nombreux contacts diplomatiques ont été pris par notre royaume et l'Union européenne dans ce contexte, notamment via des déplacements dans la région. Ce conflit a une fois de plus démontré l'importance pour l'Union européenne d'agir sur la base de sa propre évaluation stratégique et de ses propres intérêts. Nous devons rejeter le faux choix entre escalade et passivité.

 

Notre intérêt stratégique réside dans une troisième position, qui combine une pression crédible avec une diplomatie soutenue et une dissuasion avec des opportunités politiques. La pression signifie que le non-respect de nos lignes rouges, entre autres la prolifération nucléaire, le programme balistique, la situation des droits humains, les attaques contre les civils et la perturbation du commerce international, entraîne des conséquences économiques et politiques concrètes pour l'Iran. La pression seule, cependant, ne suffit pas. Elle crée un levier, mais seule la diplomatie peut transformer ce levier en résultat tangible, d'où l'importance de notre engagement continu.

 

Mijnheer Di Nunzio, verschillende Golfstaten en Jordanië, maar ook Libanon, hebben inderdaad contact met ons opgenomen. Die landen zijn het slachtoffer van aanvallen door Iran die zij niet hebben uitgelokt en waaronder zij als eersten te lijden hebben. Ik verwelkom hun terughoudendheid. Die landen zijn partners van België. Daarom hoop ik dat België hen zo veel mogelijk zal kunnen helpen.

 

Mijn diensten hebben steun geleverd om de lijst met behoeften te verzamelen. Ik heb binnen het kader van mijn competenties gedeeltelijk kunnen reageren op sommige ervan. U begrijpt ongetwijfeld dat het niet gepast is om in het openbaar te debatteren over de precieze aard van de militaire steun die zou zijn gevraagd.

 

Er is door de regering geen gezamenlijk besluit genomen over gerichte militaire bijstand aan elk van deze landen. De regering richt haar collectieve steun aan de Golfstaten momenteel op haar bijdrage aan de defensieve beveiliging van de Straat van Hormuz, met name met onze mijnenvegers. Er zijn regelmatig contacten met elk van de Golfstaten.

 

Mevrouw Samyn en mevrouw Depoorter, u had vragen over het aantal executies in Iran. Ik werd in het verleden al ondervraagd over de executies in Iran en over de manier waarop het Iraanse regime de doodstraf inzet als instrument van repressie. Ik verwijs u naar mijn antwoorden ter zake.

 

Als gevolg van de internetblackouts, opgelegd door het Iraanse regime, en de moeilijke context volgend op de escalatie van het gewapend geweld sinds 28 februari, komt er tegenwoordig slechts zeer fragmentarisch informatie vrij over mensenrechtenschendingen van het regime zelf tegen de Iraanse bevolking.

 

Wat de doodstraf betreft, sinds het begin van de militaire acties zijn er berichten over een tiental executies wegens deelname aan de burgerprotesten eerder dit jaar. Ook zouden naar verluidt zes personen zijn geëxecuteerd vanwege hun vermeende lidmaatschap van de People's Mojahedin Organization of Iran.

 

Op dit ogenblik is het voor mijn diensten onmogelijk om dergelijke berichten te kunnen bevestigen. Mijn diensten en ikzelf nemen die berichten desondanks zeer ernstig. Ons land zal niet nalaten om dat waar mogelijk op de bilaterale, Europese en multilaterale agenda te zetten.

 

02.10  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb begrepen dat wel degelijk verschillende staten hulp en militaire steun hebben gevraagd en dat er ook in bepaalde mate of op bepaalde niveaus hulp wordt geboden. Er is evenwel geen standpunt van de regering over gerichte militaire steun of acties aan bepaalde Golfstaten, maar wel over de collectieve uitvoering in de Straat van Hormuz. Ik ben benieuwd of er in de komende weken en maanden nog zaken zullen worden beslist. Wij zullen u daar dan opnieuw over ondervragen.

 

Het moet duidelijk zijn dat mijn fractie, en ik denk niemand die hier zit, voorstander is van het regime dat in Iran vandaag de plak zwaait. Iedereen in het Westen wil graag, vermoed ik althans, dat het regime verdwijnt en dat de bevolking van Iran op de een of andere manier een zelfbestuur kan organiseren. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn. Ik begrijp ook dat een aantal collega’s, waaronder collega Safai, zich nauw betrokken voelen bij Iran en dat men daarbij ook vindt dat het regime koste wat het kost zou moeten worden verwijderd.

 

Dat ik naïef word genoemd en zou moeten beseffen hoe de geopolitiek in elkaar zit, daarmee kan ik het natuurlijk niet eens zijn. Ik denk dat het tegenovergestelde net naïef is. Denken dat wij als klein land een kant moeten kiezen in de logica van de wet van de sterkste, en daarbij het houvast van het internationaal recht, het oorlogsrecht en het non-proliferatieverdrag moeten loslaten om een misdadig regime omver te werpen, kunnen we ons naar mijn idee niet veroorloven. Wanneer we dergelijke regimes zouden moeten verwijderen omdat ze een risico vormen voor de internationale of nationale veiligheid, dan kunnen we er nog wel een aantal opsommen, te beginnen bij Noord-Korea. Ik zou dus terughoudendheid willen bepleiten, zeker ook omdat de geschiedenis heeft geleerd dat pogingen tot regimewissel van buitenaf niet werken, zoals we hebben gezien in Irak en Afghanistan, zeker omdat er nu totaal geen intentie bestaat om grondtroepen naar Iran te sturen. Denken dat nu full force doorduwen tot een regimewissel zal leiden, lijkt mij pas echt naïef, hoezeer ik het de bevolking van Iran ook gun dat zij een ander bestuur krijgen.

 

Als klein land leef ik liever in een wereld waarin we ons houden aan het internationaal recht, aan alle zijden van een discussie of conflict. Als we dat niet doen, waar staan we dan over vijftig jaar? Vandaag zijn de Verenigde Staten militair de sterkste macht. Over vijftig jaar kan dat China of nog een ander land zijn. Ik zou het liefst zou ver mogelijk van die wereld wegblijven.

 

02.11  Darya Safai (N-VA): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is een zeer goed punt dat u volhoudt om onze bondgenoten te steunen, want dat is absoluut nodig. Zij vragen onze hulp en we moeten snel handelen wanneer we ons nuttig kunnen maken, zeker bij de ontmijning van de regio.

 

Collega Di Nunzio, u denkt dat België een klein land is en dat we daarom heel voorzichtig moeten zijn. Ik geloof niet dat een klein land inactief en incapabel moet blijven om zichzelf te verdedigen. Ik ben heel trots op ons land, want op veel vlakken zijn we een van de beste landen. Waarom zouden we onszelf dan niet kunnen verdedigen? Ik geef een voorbeeld. Wij hebben 11 miljoen inwoners, Israël slechts 9 miljoen, en toch heeft Israël een van de sterkste militaire basissen en een grote militaire macht om zichzelf te verdedigen, in een regio waar het voortdurend wordt aangevallen. Klein zijn is dus geen excuus.

 

Ik geloof in ons land en ik denk dat we nog veel meer druk moeten zetten op het Iraanse regime. Ik wil ook iets belangrijks zeggen: ik spreek hier niet alleen met emoties als parlementslid, maar ook op basis van kennis en expertise. Het momentum is nu. Vandaag is er in Iran een onderhandeling bezig tussen de IRGC en een andere fractie. Die andere fractie heeft niets te winnen. De reden dat ze vandaag ook niet aanwezig zijn, is de tweedracht binnen het regime zelf. Het regime bestaat niet meer.

 

Men kan verwijzen naar Mojtaba Khamenei, maar het is onduidelijk waar hij zich bevindt. Momenteel is de IRGC de feitelijke machthebber van een land dat al 47 jaar bezet is. Ik ben ook voorstander van diplomatie, maar 47 jaar diplomatie heeft niets opgebracht. Blijf dus inspanningen leveren, maar maak u tegelijk klaar voor iets wat we niet willen, maar wat in de komende maanden en jaren zal komen. Dat valt niet te ontkennen.

 

Vergelijk Perzië alstublieft niet met Afghanistan of Libië. Ik heb het al meerdere keren gezegd: het is een totaal ander land en niet te vergelijken.

 

Dit is de enige kans voor Europa, voor ons, om een toekomst op te bouwen in de regio, waarin we eindelijk een bondgenoot zullen hebben.

 

02.12  Kathleen Depoorter (N-VA): Ja, collega’s, we zijn inderdaad klein, maar ook dapper. Zeker in de diplomatieke context kunnen we ons heel dapper opstellen en tonen. We hebben daarin ook een mooie historiek en daar zijn we terecht trots op.

 

Mijnheer de minister, we moeten echt verdergaan met die gesprekken, die blijven ondersteunen en ervoor pleiten dat de Straat van Hormuz openblijft en dat het maritiem recht wordt gegarandeerd, zowel voor de ene zijde van het conflict als voor de andere. Dat zal onze bevolking en onze maatschappij ten goede komen. We hebben allemaal veel zorgen over het verdere verloop in de regio. Stabiliteit in de Golfregio en in de Golfstaten zal ook voor ons stabiliteit meebrengen.

 

U hebt kort aangehaald dat het zeer moeilijk is om de executies momenteel op te volgen en te rapporteren. Toch vind ik het belangrijk dat we daar aandacht voor blijven hebben. De signalen die we ontvangen, wijzen erop dat het regime, dat vandaag verzwakt is, gebruikmaakt van de situatie om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn.

 

Voor ons als land is het absoluut belangrijk dat we blijven streven naar duurzame stabiliteit, maar ook dat we blijven benadrukken dat territoriale integriteit en zelfbeschikking essentieel zijn, dat er respect moet zijn voor minderheden binnen Iran en dat een democratische omwenteling mogelijk moet zijn.

 

We weten dat er heel wat minderheden zijn, zoals de Beloetsjen, Turkmenen, Azeri, Lors en Koerden. We kunnen het ons niet permitteren om de ogen te sluiten en daar geen aandacht aan te besteden. Die mensen mogen niet nog meer afzien boven op wat ze al ondergaan door het conflict. Het is van het grootste belang dat we hen blijven ondersteunen en dat we dat doen via Europa, en daarin een stabiele stem vertegenwoordigen.

 

02.13  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, u verwijst naar uw eerdere antwoorden. U stelt dat er door de internetblokkade slechts fragmentarisch informatie vrijkomt en dat uw diensten een en ander moeilijk kunnen controleren. U zou zich toch al kunnen uitspreken over de cijfers van instanties als de VN of Amnesty International. Wanneer een regime in één jaar tijd minstens – ik zeg “minstens”, want het is een ongelooflijke onderschatting – 1.639 mensen executeert, spreken we niet meer over een ontsporing, maar over een systematisch repressie-instrument tegen dissidenten.

 

Bezorgdheid alleen volstaat dan wat ons betreft niet. Voor ons is de kernvraag eenvoudig. Zal België mee aandringen op extra druk en gerichte maatregelen, of blijft het bij monitoren en veroordelen? Daarover delen we dezelfde mening niet.

 

U kent één maatregel die u eigenlijk naar onze mening zou moeten nemen. Sluit die Iraanse terreurambassade in Brussel. Zolang de Iraanse Revolutionaire Garde en de ayatollah in Teheran regeren, heeft dat regime echt niets bij ons te zoeken.

 

Waarop wacht u nog, mijnheer de minister? Diplomatieke banden onderhouden met dat regime is naïef. Met diplomatieke openheid komen we nergens.

 

02.14  Maxime Prévot, ministre: Madame Samyn, je profite de votre nouvel appel à "couper les liens diplomatiques" pour mettre un peu de perspective sur la question.

 

Ce matin, j'ai rencontré l'épouse de M. Djalali. Ce mois-ci, nous fêtons (c'est un très mauvais terme), les dix ans de son emprisonnement. Croyez-vous vraiment qu'il sera plus facile pour la Belgique d'œuvrer à sa libération, pour laquelle vous m'interpellez d'ailleurs très régulièrement si, demain, nous n'avons plus le moindre canal diplomatique ouvert?

 

Je voudrais juste que l'on puisse parfois prendre un peu de hauteur et quitter les postures et les slogans faciles tels que "Il faut couper tous les liens avec Pierre, Paul et Jacques". En effet, si nous commençons à couper les liens avec tous les pays pour lesquels, à un moment ou à un autre, l'un d'entre vous considère qu'il y a matière à être heurté politiquement, à être heurté dans sa dignité, à être heurté dans ses valeurs, etc., on risque de ne plus avoir beaucoup de relations diplomatiques dans certaines régions du monde.

 

Le principe même de la diplomatie, c'est de garder les canaux ouverts. Ceux-ci servent, d'une part, à collecter de l'information – vous ne pouvez pas à la fois me demander des informations sur les exécutions dans tel pays, par exemple, et me dire qu'on doit couper tous les liens avec ce pays, ce qui nous empêcherait justement de glaner ces informations – et, d'autre part, être en mesure de continuer à délivrer des messages, y compris de condamnation et de mécontentement, par la convocation de leur personnel diplomatique. Enfin, nous devons pouvoir prendre soin de nos compatriotes qui se trouvent dans ces régions et ne pas les abandonner pour la simple satisfaction de pouvoir annoncer à la Chambre qu'on coupe les relations diplomatiques avec tel ou tel pays.

 

Voilà des années que nous nous acharnons à dénoncer le comportement de la Russie! Pour autant, les liens diplomatiques ne sont pas rompus et il y a toujours des ambassades qui fonctionnent.

 

Prenons juste un petit peu de hauteur pour quitter la réaction émotionnelle et comprendre la ratio legis qui se trouve dans les fondements de la diplomatie.

 

Merci, madame la présidente, de m'avoir permis cette petite intervention en rebond aux propos de Mme Samyn.

 

02.15  Ellen Samyn (VB): Dank u wel, mijnheer de minister, maar ik heb de indruk dat de diplomatieke openheid enkel van ons land komt. Wat Iran doet, is in de verste verte geen diplomatieke openheid.

 

Uw partij was ook geen voorstander van het overbrengingsverdrag. Wij hebben toen een terrorist naar Iran overgebracht en in ruil hebben we een onschuldige teruggekregen. Dat zijn zaken die Iran altijd zal doen. Iran kent alleen maar gijzelingsdiplomatie.

 

Ik vraag mij gewoon af hoe dat België en onze bevolking ten goede komt. We moeten altijd op onze hoede zijn voor terreuraanslagen hier. Welke diplomatie of welke diplomatieke openheid kan men met dit huidige regime hebben?

 

02.16  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Dank u wel, mijnheer de minister. De manier waarop het debat soms verloopt, verbaast mij, in de zin dat ik het in dezen echt met u eens ben. De rol van onze diplomatieke betrekkingen moet toch zijn om zoveel mogelijk onschuldige burgerlevens te redden.

 

Het betreft inderdaad een barbaars regime. Denken dat men met het recht van de sterkste dit barbaars regime zonder plan weg krijgt, daarvan is heel duidelijk gebleken, na wat president Trump heeft gedaan, dat dat dus niet werkt. We zijn in een chaos gestort. De hele regio is instabiel. De energieprijzen ontploffen bij ons en de mensenlevens ter plaatse – jammer genoeg is de collega van de N-VA vertrokken – worden niet beter beschermd.

 

Ik zou niet eens weten hoe we die mensen op dit moment effectief gaan bewapenen. Ik zou dat werkelijk niet weten.

 

Objectief gezien kan men zeggen dat het vorige regime weg is. Het regime dat in de plaats is gekomen, is nog erger. De nieuwe ayatollah is jonger en harder. Het exacte bewijs ligt in het feit dat de executies op die barbaarse manier worden opgedreven, met onthoofdingen en ophangingen enzovoort.

 

Dus we moeten elkaar hier niet beschuldigen van wie de beste vriend van de Iraniërs is. De vraag die we moeten stellen is hoe we de Iraniërs het best kunnen helpen.

 

Dan is de eerlijke en harde vaststelling dat het recht van de sterkste zonder plan, roekeloos zoals president Trump heeft gedaan met Netanyahu, niet geholpen heeft. Dat is een recept waarvan we al eerder zeiden dat het in andere oorlogen exact hetzelfde resultaat heeft opgeleverd, dus dat zal waarschijnlijk nu ook zo zijn. Helaas is dat de realiteit.

 

Het is kwaad kersen eten met een leider van een van de grootste landen ter wereld, met een van de sterkste legers ter wereld – het gaat trouwens om de Verenigde Staten én Israël – die gewoon geen militaire strategie hebben.

 

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u op mijn vraag hebt geantwoord over het mandaat en hebt gezegd dat het echt puur over een maritieme operatie gaat, dat de Belgische mijnenjagers de vaarroutes gaan beveiligen, zonder militaire ingrepen. Ik ben blij dat u dat hebt gezegd.

 

Ik ben ook blij dat u bevestigt dat we moeten werken volgens het internationaal recht en met internationale instanties, want het alternatief is meer chaos en meer burgerdoden. Ik richt mij nu ook tot een aantal collega’s van de meerderheid, want zeggen dat dit kader zou betekenen dat men niet aan de kant van het Iraanse volk staat, daar heb ik het heel moeilijk mee. Net het tegenovergestelde is de waarheid. Deze oorlog bewijst dat vandaag. Trump zit vast. Er is een harder regime gekomen en onze opties om te opereren zijn kleiner dan ooit.

 

In alle eerlijkheid, we moeten blijven proberen om de burgerbevolking zo veel mogelijk te beschermen, of dat nu op een humanitaire manier is of op een diplomatieke manier. Met betrekking tot het recht van de sterkste heeft het Iraanse regime al lang bewezen dat geen ondergrens voor hen te laag is in hun barbaarsheid.

 

02.17  Michel De Maegd (Les Engagés): Force est de constater que ces débats d’actualité sont finalement assez riches et ont cette vertu de montrer parfois la cohérence – ou le manque de cohérence – de certains groupes politiques dans leurs expressions. En effet, si avec l’Iran le rôle diplomatique ne venait que d’un côté, nous n’aurions pas pu libérer, il y a trois ans, Olivier Vandecasteele ainsi que trois autres détenus européens des geôles iraniennes.

 

Ceci étant dit, revenons à la situation actuelle. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. Malgré le cessez-le-feu, les tensions montent, les incidents se multiplient et les conséquences sont visibles, y compris pour nos économies. Les prochains jours seront donc déterminants. Nous devons être lucides, conscients que la situation peut encore, hélas, se dégrader rapidement et qu’un embrasement régional dans le Golfe reste une crainte. Il est donc essentiel de rester mobilisés sur le plan diplomatique pour défendre le droit international et pour chercher à garantir la sécurité des routes maritimes stratégiques.

 

Dans ce contexte, je pense que l’Europe a son rôle à jouer. Même si nous n’avons pas voulu cette guerre, même si nous la déplorons, nous devons être responsables et, pour cela, nous devons, je pense, être unis et audibles. Je compte sur vous, monsieur le ministre, et sur les prochaines échéances européennes, notamment les Conseils de l’Europe et de l’Union européenne, pour que nous puissions rapidement avancer dans cette direction.

 

02.18  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, uiteraard moet het moorddadige regime in Iran weg. Daar gaat het niet om. We kunnen echter de manier waarop de VS dat proberen te bereiken niet zomaar aanvaarden. Het internationaal recht geldt voor iedereen en moet altijd de bovenhand hebben.

 

Wat we nu zien, met louter dreigementen aan beide kanten, leidt immers tot een volledige impasse. We kunnen alleen hopen dat we later vandaag horen dat de onderhandelingen opnieuw zijn opgestart. Het is echter een illusie te denken dat duurzame vrede bereikt kan worden door een soeverein land tot overgave te dwingen via economische wurging. Die economische wurging komt immers alleen terecht op de schouders van de bevolking, die het daar al zo zwaar heeft.

 

Een akkoord mag geen tijdelijke wapenstilstand zijn, maar moet leiden tot duurzame vrede en regionale veiligheid. Ik ben dan ook verheugd dat u die moeilijke taak op zich neemt. Alles gaat de laatste tijd immers over drones en wapens, maar u blijft benadrukken dat diplomatie van het grootste belang is.

 

U hebt ook gesproken over de EU-diplomatie. België is klein. We kunnen wel iets betekenen, maar op EU-niveau zijn we veel sterker. U hebt ook zeer goed geduid – en dat is de lijn die wij graag volgen – dat er enerzijds escalatie is en anderzijds passiviteit, niets doen, maar dat daartussen een groot vacuüm bestaat voor diplomatie. Het gaat dan niet om diplomatie van verwijten en dreigingen en evenmin om diplomatie waarbij men de ene dag iets zegt en de andere dag iets anders doet, zoals een Trump dat doet, maar om diplomatie waarmee wij binnen de EU toch enige ervaring hebben. Ik hoop dat u die lijn blijft aanhouden en verdedigen.

 

02.19  Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, wat de verlenging van het staakt-het-vuren betreft, is het, zoals de collega ook zei, van belang om richting de-escalatie te gaan, tussen de passiviteit en de escalatie. Men moet dus blijven onderhandelen, omdat men er met bommen te werpen eenvoudigweg niet in slaagt een regime te veranderen. In de eerste plaats heeft dat ertoe geleid dat het conflict is geregionaliseerd - proficiat, mijnheer Trump - en dat er een wereldeconomische recessie wordt gecreëerd. Op die manier een regime doen veranderen, hoe erg we dat ook zouden willen, werkt gewoon niet. Hoe kan een bevolking die op zoek is naar voedsel en energie en die na 47 jaar onderdrukking totaal niet georganiseerd is, zich nu organiseren? Er is hier wel organisatie, maar niet in Iran zelf. Onder de huidige repressie is het onmogelijk om ook maar enige vorm van oppositie te voeren. Hoe kan men verwachten dat de bevolking dat vandaag zou doen, wanneer ze zo onder druk en stress staat? Dat is niet de manier om een regimeverandering te realiseren.

 

De internationale gemeenschap had uiteraard meer kunnen doen. We hebben binnen de regering en in het Parlement ook gezocht naar de manieren waarop regimeverandering zou kunnen. Iran heeft de voorbije jaren onze debatten sterk beheerst, ook in dit Parlement. De oplossing ligt dus niet voor de hand, maar de manier waarop vandaag wordt gehandeld, heeft tot heden evenmin tot een oplossing geleid. Daaruit kunnen we alvast lessen trekken.

 

We kunnen alleen hopen dat de situatie voor de bevolking beter wordt en dat er via druk op termijn een verbetering komt in hun levenskwaliteit. Dat moeten we in het achterhoofd blijven houden, want dat is niet wat de heer Trump voor ogen had. Wij zeggen te komen helpen, maar op welke manier weten we niet, we hadden geen duidelijke strategie. Vandaag gaan we inderdaad de behoeften na, ook van de economische partners die u vermeldt. Dat is belangrijk. We moeten daarbij vooral opereren in gezamenlijke actie, in een collectieve veiligheidsaanpak met een duidelijk mandaat sui generis. Dat is ook waar onze partij voor staat.

 

02.20  Sam Van Rooy (VB): Het is altijd hetzelfde, tijdens alle debatten in het Parlement, al jarenlang, is iedereen zogezegd tegen het moorddadige islamitische regime en tegen de oorlog, want die zal volgens iedereen de oplossing niet brengen, maar niemand noemt een alternatief. Niemand weet hoe het regime dan wel weg moet. Dat is natuurlijk gemakkelijk.

 

Iedereen is ook ongeduldig. Over een regime dat zich 47 jaar heeft kunnen bewapenen, zegt men nu na anderhalve maand dat het regime niet weg kan en dat de oorlog mislukt is. Er zijn zelfs parlementsleden die denken te weten wat er allemaal achter de schermen wordt gezegd in het Pentagon en bij de IDF of die denken dat ze het beter weten dan de honderden topgeneraals van het Amerikaanse en het Israëlische leger. Dat is gewoonweg potsierlijk.

 

In dit soort parlementaire debatten over de Islamitische Republiek, die het moedige Iraanse volk gijzelt, martelt en verkracht, wordt telkens opnieuw duidelijk dat westerse politici het Kwaad met een grote K niet begrijpen. Ze willen het niet begrijpen uit onverschilligheid of – dat lijkt mij meer aan de orde – uit lafheid. Dat was in de jaren 30 van de vorige eeuw zo en dat is vandaag ook zo. Wie het kwaad echt onder ogen ziet, kan immers niet anders dan er serieus tegen strijden.

 

We hebben hier te maken met een regime dat verpleegsters in groep verkracht en executeert omdat ze gewonde demonstranten hebben verzorgd, een regime dat homo’s ophangt aan hijskranen, een regime dat vrouwen verkracht en vermoordt omdat ze geen islamitische sluier willen dragen, een regime dat tieners en studenten martelt omdat ze alcohol drinken of omdat ze een andere mening hebben.

 

We hebben hier te maken met het islamonazisme van Hamas, van Hezbollah en van de Islamitische Republiek. Last but not least, het gaat om een regime – dat wordt door niemand gezegd – met een apocalyptische wereldvisie en dat de islamitische revolutie exporteert naar hier, naar ons, naar de rest van de wereld. In Belgistan is dat ook duidelijk aan het lukken, kan ik u zeggen.

 

Diepgelovige aanhangers van dat regime roepen elke dag: dood aan het Westen. Al decennialang bewapenen ze zich daarvoor, steeds zwaarder, tot en met atoombommen. Daar spreekt ook niemand over, over de nucleaire wapens die het islamitische regime probeert te verkrijgen.

 

De meeste politici blijken nog steeds te geloven dat men met dit regime ernstig kan onderhandelen. Dat blijven ze geloven na 47 jaar mislukking. Zou het niet eens tijd zijn voor iets anders, dames en heren, beste politici? Mijnheer de minister, open nu toch eens de ogen alvorens de islam ze voorgoed sluit.

 

De voorzitster: Als niemand meer het woord vraagt, kunnen we het debat hiermee – voorlopig, vermoed ik – afronden.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Actualiteitsdebat over de situatie in Soedan en toegevoegde vragen van

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "El Fasher" (56013292C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De Belgische diplomatieke verantwoordelijkheid inzake wapenleveringen aan de VAE" (56015183C)

- Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De vergeten oorlog die al drie jaar in Soedan woedt" (56015184C)

- Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Soedan" (56015217C)

- Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Soedan" (56015371C)

- Rajae Maouane aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Soedan" (56015406C)

03 Débat d’actualité sur la situation au Soudan et questions jointes de

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "El Fasher" (56013292C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La responsabilité diplomatique de la Belgique concernant les livraisons d’armes aux EAU" (56015183C)

- Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les trois années de guerre oubliée au Soudan" (56015184C)

- Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Soudan" (56015217C)

- Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le Soudan" (56015371C)

- Rajae Maouane à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation au Soudan" (56015406C)

 

03.01  Kathleen Depoorter (N-VA): Ik wou dat we vooruitgang boekten en naar meer hoopgevende vragen konden evolueren, maar dat is helaas niet het geval. Als we de situatie in Soedan bekijken, hebben we het vandaag over 14 miljoen mensen die in nood verkeren en die humanitair niet bereikt kunnen worden. De noden zijn groot op het vlak van voedsel, medische zorg en bescherming van burgers, maar ook kinderen die geen onderwijs krijgen. Er is ook sprake van executies, ontvoeringen en geweld tegen burgers.

 

We hebben hier al vaker over de situatie in Soedan gesproken, evenals over de diplomatieke en humanitaire initiatieven die ons land neemt en die ook op Europees niveau worden genomen. Ik had daar graag een stand van zaken van ontvangen. Daarnaast had ik graag vernomen wat de stand van zaken is binnen de internationale fora om te voorzien in een onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden en andere schendingen van het internationaal en humanitair recht in Darfur.

 

03.02  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, ik heb deze vraag ingediend op de vierde verjaardag van de oorlog in Soedan. Volgens de VN en de WHO hebben in 2026 33,7 miljoen mensen daar humanitaire hulp nodig, terwijl de gezondheidszorg er op instorten staat. Men spreekt intussen over één van de zwaarste humanitaire crisissen ter wereld.

 

Tegelijkertijd groeit de internationale aandacht voor de buitenlandse dimensie van het conflict. Internationale instanties meldden eerder al dat VN-experts en Amerikaanse politici beschuldigingen tegen de VAE inzake steun aan de RSDF geloofwaardig achten, hoewel de Emiraten dat natuurlijk ontkennen.

 

Amnesty International riep opnieuw op alle wapenleveringen aan de VAE stop te zetten zolang die steun aanhoudt. Ook op diplomatiek vlak is dit actueel. Op de conferentie van 15 april in Berlijn hebben verschillende landen expliciet opgeroepen de wapenstromen naar Soedan droog te leggen. U was medeorganisator van die conferentie. Ik heb een aantal vragen voor u, mijnheer de minister.

 

Erkent u dat België, ondanks de gewestbevoegdheid inzake exportcontrole, een internationale verantwoordelijkheid draagt wanneer Belgische wapens dreigen te belanden bij actoren die gelinkt worden aan oorlogsmisdaden in Soedan?

 

Heeft de FOD Buitenlandse Zaken sinds april 2023 bijkomende instructies gegeven voor strengere verificatie van eindgebruikerscertificaten voor uitvoer naar de VAE?

 

Werden sinds het uitbreken van de oorlog nog Belgische eindgebruikerscertificaten geauthenticeerd voor militaire leveringen aan de VAE? Zo ja, voor welke categorieën?

 

Hebt u diplomatieke stappen gezet tegenover de Emiraten naar aanleiding van de aanwijzingen van steun aan de RSF?

 

Kunt u bevestigen dat België bij aanwijzingen van misbruik systematisch aandringt op opschorting, intrekking of niet-hernieuwing van vergunningen?

 

03.03  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, de oorlog in Soedan duurt nu al precies drie jaar en is uitgegroeid tot de grootste humanitaire catastrofe op deze planeet. Tien miljoen mensen lijden aan extreme honger. Elf miljoen burgers zijn op de vlucht. Hongersnood is een dagelijkse realiteit en treft genadeloos kinderen. In Al-Fashir is een genocide gepleegd.

 

Vooruit nam daarom het initiatief voor een resolutie die op 18 december 2025 unaniem werd goedgekeurd in deze Kamer. Dit Parlement gaf u daarmee een krachtig mandaat om Soedan bovenaan de internationale agenda te plaatsen. Deze resolutie eist concrete diplomatieke actie, bescherming van burgers tegen seksueel geweld en een onbelemmerde humanitaire toegang.

 

De federale regering kondigde vorig jaar al een extra steunpakket van 5 miljoen euro aan. Dat is een noodzakelijke stap, maar de noden blijven exponentieel groeien. Het internationaal humanitair recht in Soedan wordt compleet genegeerd.

 

Mijnheer de minister, ik heb daarom de volgende vragen. Ten eerste, welke concrete diplomatieke acties hebt u ondernomen bij uw Europese collega’s om de unaniem goedgekeurde resolutie om te zetten in een gezamenlijk Europees actieplan?

 

Ten tweede, hoe garandeert België dat de vrijgemaakte humanitaire middelen effectief de meest afgesloten regio’s zoals Darfoer en Al-Fashir bereiken, gezien alle blokkades daar?

 

Ten derde, welke specifieke stappen zet u binnen de Verenigde Naties om de daders van grootschalig seksueel geweld in dit conflict ter verantwoording te roepen voor internationale rechtbanken?

 

Ten vierde, op welke manier versterkt België de ondersteuning van lokale Soedanese noodhulpnetwerken, die vaak als enige nog toegang hebben tot de getroffen bevolking?

 

Ten vijfde, bent u bereid om tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken van de EU aan te dringen op in de eerste plaats het aan de kaak stellen van de donkere rol die de Verenigde Arabische Emiraten spelen en daarnaast strengere sancties te vragen tegen de financieringsstromen van zowel de Soedanese strijdkrachten als de Rapid Support Forces door de Verenigde Arabische Emiraten?

 

03.04  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, de collega’s hebben al de omvang geschetst van de oorlog in Soedan. Die begon als een machtsstrijd tussen het regeringsleger en de paramilitaire RSF en duurt ondertussen al drie jaar. Het conflict is uitgegroeid tot een van de grootste, zo niet de grootste, humanitaire crisis ter wereld, met 11,6 miljoen mensen op de vlucht, evenveel als onze hele bevolking. Meer dan de helft van die vluchtelingen kampt met voedselonzekerheid en honger.

 

Het is een catastrofe waarmee de hele wereld bezig zou moeten zijn. Hulporganisaties waarschuwen dat de situatie snel verslechtert en dat het voor hen bijzonder moeilijk is om hulp te bieden en essentiële diensten, zoals gezondheidszorg en voedselvoorziening, te garanderen, omdat die grotendeels zijn ingestort. De hongersnood is ondertussen ook in heel veel regio’s bevestigd.

 

De internationale reactie blijft inderdaad redelijk lauw, zowel op het vlak van humanitaire hulp als van diplomatieke druk. Het conflict krijgt weinig internationale aandacht en wordt ook wel de stille oorlog genoemd. Gezien de dramatische situatie en het gebrek aan reactie vanuit de wereld zijn mijn vragen de volgende.

 

Welke concrete diplomatieke initiatieven neemt België om druk uit te oefenen op de strijdende partijen om het internationaal humanitair recht te respecteren, ook conform de resolutie die we samen hebben goedgekeurd?

 

Op welke manier draagt ons land bij aan het lenigen van de humanitaire noden? Is er bereidheid om die steun op te trekken, gezien de dreigende hongersnood?

 

Hoe verklaart u het stille gegeven van deze oorlog, die relatief weinig politieke en media-aandacht krijgt? Op welke manier kunnen wij dit conflict meer onder de aandacht brengen, ook op internationaal vlak? Waarvoor zullen wij pleiten, voor bijkomende sancties en maatregelen tegen degenen die verantwoordelijk zijn?

 

Ik sluit mij heel concreet aan bij de vraag over de Verenigde Arabische Emiraten, die de RSF-rebellen zouden bewapenen en ook goud importeren uit Soedan. Hoe gaan wij om met regimes die teren op dit conflict en op deze massieve menselijke ellende?

 

03.05  Els Van Hoof (cd&v): Soedan is een van de 56 vergeten conflicten in deze wereld. Een conflict wordt vergeten om drie redenen. Een eerste reden is dat er niets spectaculairs gebeurt, zoals we vandaag vaststellen in Iran. Een tweede reden is dat er geen directe connectie is met de bevolking. Een derde reden is dat de impact hier niet wordt gevoeld, zoals bij de gebeurtenissen in de Golfregio en de vluchtelingen als gevolg daarvan. We moeten meer benadrukken dat 82 % van de wereldbevolking vorig jaar is gestorven in Soedan. Ik vind het hallucinant om dat cijfer zo te horen. Daarom hebben we inderdaad die humanitaire plicht.

 

Vorige week zijn op de conferentie in Berlijn enkele honderden miljoenen euro's toegezegd, maar er zijn miljarden euro's nodig. Doordat USAID heeft afgehaakt, zullen we daar niet in slagen. Dat is een trieste waarheid. Daarom moeten we niet alleen humanitair werken, maar ook vooral politieke vooruitgang boeken. We hebben een sterke resolutie aangenomen in dit Parlement om diplomatieke druk uit te oefenen op bondgenoten en externe steunverleners van de strijdende partijen. Dat is een belangrijk gegeven.

 

Het is onze humanitaire plicht om de bevolking te ondersteunen. Een belangrijke vraag is welke bedragen vorige week zijn toegekend. Hoe gaan we om met de fact-finding mission van de Mensenrechtenraad, die stelt dat er een risico op genocide is? Wat is de reactie van de Europese Unie daarop geweest?

 

Binnen de Europese Unie is er opnieuw een probleem, ook met Frankrijk dat militaire basissen heeft in de Verenigde Arabische Emiraten, waardoor het moeilijk wordt om druk uit te oefenen, ook door de huidige oorlog die er plaatsvindt. Het is duidelijk dat er een link is met de Verenigde Arabische Emiraten en het bloedgoud dat in onze Europese bevoorradingsketen terechtkomt. Het is belangrijk dat we toezien op de naleving van de Conflict Minerals Regulation Act en dat we due diligence toepassen, zoals ook in onze resolutie werd gevraagd.

 

De quadformule met de Verenigde Staten, die nog altijd het grootste politieke kapitaal daar hebben, blijft de meest realistische oplossing voor een vredesinitiatief. Denkt u dat dat nog een realistische piste is voor de toekomst? Op dit moment lijkt de tijd jammer genoeg niet rijp, maar ik hoop dat die formule nieuw leven wordt ingeblazen met steun van de Europese Unie.

 

We pleiten ook verder voor de uitbreiding van het mandaat van het Internationaal Strafhof in Soedan en voor de uitbreiding van het wapenembargo.

 

03.06  Rajae Maouane (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cela fait maintenant quatre ans que la guerre fait rage au Soudan. Pourtant, malheureusement, cette guerre est largement absente de nos priorités médiatiques et politiques, alors même que l’ONU parle de la pire crise humanitaire au monde.

 

Nous sommes face à des dizaines de milliers de morts, à plus de 12 millions de personnes déplacées et à 30 millions de personnes qui dépendent aujourd’hui exclusivement d’une aide humanitaire pour survivre. Sur le terrain, malheureusement, les combats continuent de s’intensifier. Des frappes de drones visent des marchés, des hôpitaux, des routes et des civils, directement pris pour cible.

 

Pendant ce temps, la diplomatie internationale est à l’arrêt ou, à tout le moins, plus que timide. Chaque camp continue la guerre, soutenu par des puissances extérieures, notamment les Émirats arabes unis, qui jouent un rôle dans ce conflit. Le résultat, c’est un conflit qui s’enlise, avec une population qui se sent largement abandonnée.

 

Monsieur le ministre, quelle stratégie la Belgique a-t-elle face à ce conflit qui s’aggrave, alors même que l’ONU alerte sur une catastrophe humanitaire sans précédent? Quelles initiatives notre pays soutient-il au niveau européen et international pour relancer un processus diplomatique crédible? Quelle pression la Belgique est-elle prête à mettre sur les États, notamment sur les Émirats arabes unis, qui alimentent ce conflit en soutenant les différentes parties? Enfin, quelles mesures concrètes peut-on prendre pour renforcer encore l’aide humanitaire et protéger les réfugiés soudanais, notamment face aux violations documentées en Égypte?

 

03.07  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, le Soudan est entré il y a quelques jours dans sa quatrième année de guerre. Pendant que l’attention internationale se disperse ailleurs, le pays continue de s’enfoncer dans ce qui est aujourd’hui la plus grande crise humanitaire et de déplacement au monde, comme le confirmait encore le Conseil de l’Union européenne la semaine dernière. La mission internationale indépendante d’établissement des faits a averti, il y a 10 jours, que les violations du droit international humanitaire et des droits humains se poursuivent avec une intensité alarmante. Elle insiste sur l’urgence de garantir l’accès humanitaire et de lutter contre l’impunité.

 

Dans le même temps, une conférence internationale s’est tenue à Berlin le 15 avril 2026. L’Union européenne et ses États membres y ont annoncé plus de 812 millions d’euros d’aide, tandis que notre pays avait déjà décidé de bloquer cinq millions d’euros pour 2025 et 2026 en faveur du Fonds humanitaire Soudan. Sur le plan politique, l’Union européenne a adopté, le 29 janvier 2026, de nouvelles sanctions contre sept personnes liées à l’escalade dramatique des violences, tout en réaffirmant sa volonté d’utiliser ses outils diplomatiques et restrictifs pour favoriser un cessez-le-feu, la protection des civils et un processus politique civil inclusif.

 

Monsieur le ministre, quelle lecture la Belgique fait-elle à ce stade des dernières conclusions de la mission d'établissement des faits de l'ONU? Quelles initiatives diplomatique la Belgique pourrait-elle prendre à la suite de la conférence de Berlin pour maintenir la pression sur les parties belligérantes? Au niveau européen, notre pays plaide-t-il pour un durcissement supplémentaire des mesures restrictives, en particulier contre les personnes, les entités et les réseaux qui alimentent matériellement, financièrement ou politiquement ces violences au Soudan? Finalement, comment notre pays peut-il agir pour empêcher que le Soudan ne disparaisse de l'agenda international alors même que les co-organisateurs de Berlin ont eux-mêmes souligné l'aggravation de la guerre, le risque de fragmentation du pays et ses conséquences régionales?

 

03.08  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, voorgaande sprekers beschreven al gestoffeerd met cijfers de onwezenlijke verschrikkingen in Soedan. Dat de crisis daar weinig aandacht krijgt, is niet te vatten. De reacties op het internationale toneel zijn opvallend mak. Het lijkt alsof Soedan alleen goed is voor donorconferenties maar niet voor echte politieke actie tegen het buitensporige geweld.

 

De regionale oorlog daar wordt van buitenaf gevoed. Het is hier al aangehaald dat de Emiraten een bijzondere rol spelen. Ze bewapenen de Rapid Support Forces (RSF) en zijn op die manier medeverantwoordelijk voor de massale moordpartijen.

 

Europa blijft opvallend voorzichtig. Is dat misschien omdat de Emiraten voor velen tegelijk partner, klant en strategische bondgenoot zijn? De vraag is dus of wij nog de moed hebben om de Emiraten erop aan te spreken dat zij de oorlog mee voeden. Zullen België en Europa ervoor pleiten dat donorconferenties niet alleen bedoeld zijn om middelen in te zamelen, maar ook om de politieke verantwoordelijkheid van landen die het conflict mee voeden, zoals in dit geval de Emiraten, aan te kaarten?

 

Humanitaire hulp is absoluut nodig, zeker aangezien vandaag amper 40 % van de beloofde hulp effectief in Soedan terechtkomt. In Soedan sterven mensen niet alleen door kogels, honger en ziekte maar ook door de hypocrisie rond het conflict. Die insteek wou ik toch meegeven.

 

Ik sluit mij aan bij de vragen van vorige sprekers en vernam graag wat de houding is van ons land en van Europa ten opzichte van de rol die de Emiraten in het conflict spelen.

 

03.09 Minister Maxime Prévot: Mevrouw de voorzitster, collega’s, de situatie in Soedan en vooral in Darfur en in de regio’s Kordofan en Blue Nile is inderdaad catastrofaal met zware humanitaire en regionale gevolgen. Er zijn geloofwaardige aanwijzingen van etnische zuiveringen. Verschillende experten spreken zelfs openlijk van genocide.

 

Op diplomatiek vlak kan moeilijk worden gesproken van een vergeten crisis, hoewel dat in de media misschien wel het geval is.

 

Er zijn nochtans talrijke initiatieven, zoals het Quadkader (Saudi-Arabië, de Emiraten, Egypte en de Verenigde Staten) en de recente conferentie van Berlijn.

 

Tegelijk is het bijzonder pijnlijk vast te stellen dat de inspanningen van de internationale gemeenschap vandaag duidelijke grenzen bereiken. De huidige bemiddelingspogingen, waaronder het Quad-initiatief dat de juiste actoren samenbrengt, blijven absoluut noodzakelijk en verdienen onze volle steun, maar hun concrete impact blijft voorlopig beperkt zolang strijdende partijen vasthouden aan een militaire logica en externe steun blijven ontvangen. Nochtans kunnen en mogen we, gezien de ernst van de situatie, niet wegkijken.

 

Gisteren stond Soedan op de agenda van de Raad van Buitenlandse Zaken. In de geest van de resolutie van deze Kamer hebben we opnieuw gevraagd om de situatie ook op de agenda te houden. We hebben er expliciet gepleit voor verdere diplomatieke demarches bij alle actoren die het conflict voeden, voor bijkomende sancties en voor een versterkt EU-optreden in de strijd tegen straffeloosheid.

 

De bescherming van de burgerbevolking moet daarbij onze absolute prioriteit blijven. Dat betekent aandringen op veilige en ongehinderde humanitaire toegang, het actief beschermen van humanitaire hulpverleners en het vrijwaren van civiele infrastructuur. In dat verband heeft de Europese Unie een belangrijk initiatief genomen door actief te bemiddelen tussen de strijdende partijen, met het oog op een akkoord dat expliciet moet leiden tot het stoppen van aanvallen op civiele infrastructuur.

 

In een context waarin internationale bemiddelingsprocessen grotendeels zijn vastgelopen, is dit een concreet en betekenisvol resultaat. Daarnaast werken we samen met onze EU-partners aan nieuwe sanctiemaatregelen, in het bijzonder gericht tegen de economische pijlers van het conflict, met name de goudsector.

 

Zoals gisteren werd benadrukt in de gezamenlijke communicatie van de EU en haar lidstaten, blijft de Europese Unie zich ook resoluut inzetten voor de ondersteuning van internationale mechanismen die ernstige misdrijven documenteren en straffeloosheid bestrijden, met bijzondere aandacht voor conflictgerelateerd seksueel geweld, waaronder de VN fact-finding missie.

 

Voorzitster: Kathleen Depoorter.

Présidente: Kathleen Depoorter.

 

De Europese Unie en België steunen eveneens het Internationaal Strafhof, dat snel maatregelen heeft genomen om bewijsmateriaal met betrekking tot de misdrijven in Al-Fashir veilig te stellen. Samen met de Europese Unie pleiten wij bovendien voor een uitbreiding van het mandaat van het hof tot het volledige Soedanese grondgebied.

 

België blijft ook volledig geëngageerd in de Verenigde Naties onder meer via de VN-Agenda Kinderen en Gewapende Conflicten en via zijn structurele steun aan Unicef. Bovendien heb ik de inspanningen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten om mensenrechtenschendingen in Soedan systematisch te rapporteren en te veroordelen, publiekelijk in mijn videoboodschap voor de Mensenrechtenraad op 26 februari ondersteund.

 

L'aide humanitaire demeure bien entendu un autre domaine d'action essentiel. Lors de la conférence de Berlin du 13 avril dernier, l'Union européenne et ses États membres se sont engagés conjointement à hauteur de 750 millions d'euros d'aide humanitaire en faveur du Soudan. La Belgique y contribue via 2,5 millions d'euros au Fonds humanitaire pour le Soudan, renouvelés en 2026, et 20 millions d'euros au CERF. Ces appuis flexibles permettent de travailler le plus efficacement possible à travers des acteurs soudanais locaux et d'atteindre ainsi les populations des zones les plus isolées.

 

En Égypte, nous soutenons le Haut Commissariat pour les réfugiés et le Bureau de la coordination des affaires humanitaires de l'ONU, qui sont actifs dans l'appui aux réfugiés soudanais.

 

Nous restons aussi attentifs aux questions des droits humains que nous abordons avec les autorités. Sur le plan diplomatique, la Belgique se mobilise à travers ses contacts bilatéraux et multilatéraux afin de transmettre des messages clairs aux États qui sont susceptibles d'exercer une influence sur les parties au conflit, en insistant sur la nécessité de mettre un terme à toute forme de soutien alimentant les hostilités.

 

Dans la mesure où à peu près toute la région est concernée à des degrés divers, nous poursuivons le dialogue avec les pays voisins du Soudan ainsi qu'avec des acteurs clés du Golfe, notamment les Émirats arabes unis et l'Arabie saoudite.

 

Wat wapenhandel betreft, ten eerste pleiten we samen met de Europese Unie voor een uitbreiding van het VN-wapenembargo tot het volledige Soedanese grondgebied. Bovendien herhaal ik dat de bevoegdheidsverdeling inzake wapenuitvoer tot gevolg heeft dat de gewesten internationaal verantwoordelijkheid dragen wanneer, bij gebrek aan afdoende controle, Belgische wapens in handen dreigen te vallen van de verkeerde actoren. De gewesten zijn ertoe gehouden de internationale afspraken over de mogelijke illegale afwending van wapens met uitvoering van de Europese gemeenschappelijke positie rond wapenuitvoer en het Wapenhandelsverdrag, na te leven.

 

De Federale Staat is ter beschikking om de gewesten informatie te verstrekken die nuttig is bij beslissingen over de toekenning van wapenuitvoerlicenties, maar draagt geen enkele aansprakelijkheid voor de toekenning of weigering van dergelijke licenties. De verificatie van eindgebruikerscertificaten dient in alle gevallen, zowel voor de Verenigde Arabische Emiraten als voor andere landen, secuur te gebeuren. De FOD Buitenlandse Zaken heeft sinds april 2023 volgens de administratieve procedure drie eindgebruikerscertificaten voor de Verenigde Arabische Emiraten gelegaliseerd. Het betrof één certificaat voor ML1, lichte wapens, en twee andere voor de ML11-categorie: voor elektronische apparatuur, ruimtevaartuigen of onderdelen die nergens anders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen zijn bedoeld. De hoeveelheden voor het ML1-certificaat waren zeer klein, omdat het om export voor demonstratiedoeleinden ging. Ik preciseer dat de FOD Buitenlandse Zaken enkel een overzicht heeft van de dossiers waarvoor zij werd aangesproken. Het staat de gewesten vrij om een andere verificatiemethode te gebruiken, zoals de apostille of het internationale importcertificaat.

 

De wederuitvoer van wapencomponenten voor de integratie in bredere systemen op Europees niveau kan gebeuren op basis van een certificaat dat door de integratoren is verkregen. In onze dialoog met staatsleiders, inclusief die van de Verenigde Arabische Emiraten, wordt regelmatig het belang van niet-afwending van wapens onderstreept. Mijn ambtgenoot bij de Verenigde Arabische Emiraten beklemtoonde recent nog hoezeer zijn land vragende partij is om samen met de Europese Unie bij te dragen aan een oplossing voor het geweld in Soedan.

 

Er zijn momenteel geen aanwijzingen van Belgische wapens in Soedan. Uiteraard zouden de gewesten bij sterke aanwijzingen van misbruik gepaste maatregelen moeten nemen.

 

Tot slot, België zal conform de Kamerresolutie blijven inzetten op een sterkere, coherente en zichtbare Europese diplomatie tegenover het bijzonder ernstige conflict in Soedan.

 

03.10  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, ik ben niet verrast door uw antwoord. U verwijst opnieuw naar de gewestbevoegdheid. U zegt dat de gewesten zich aan de internationale afspraken moeten houden, maar politiek volstaat dat toch niet.

 

U argumenteert voorts dat u geen enkele aansprakelijkheid hebt voor wat er verder gebeurt. Daar ben ik het niet mee eens. Immers, u beaamde hier net zoals u op mijn schriftelijke vraag antwoordde, dat de FOD Buitenlandse Zaken de eindgebruikerscertificaten opvolgt. Nogmaals, onze partij vindt dat België, u dus, daar een verantwoordelijkheid draagt.

 

Voorts deelt u mee dat er geen aanwijzingen zijn dat er Belgische wapens in Soedan zouden worden gebruikt; althans u bent daar niet van op de hoogte. Ik hoop dat, indien die daar wel worden gebruikt, daaraan toch iets wordt gedaan en dat u de gewesten op de vingers zult tikken. U bent immers degene die verantwoordelijk is voor de eindgebruikerscertificaten. Ik vind het eigenaardig dat u de bevoegdheid zomaar op de deelstaten afwimpelt.

 

03.11  Annick Lambrecht (Vooruit): Dank u wel, mijnheer de minister. U geeft wel degelijk gevolg aan onze resolutie, zeker op EU-vlak. U hebt een mooi overzicht gegeven van uw initiatieven om de grote humanitaire ramp in Soedan op de agenda te houden, tot gisteren toe.

 

De EU tracht actief te bemiddelen tussen de strijdende partijen. U zegt dat dat concreet en betekenisvol is. Ik ben het ermee eens dat dat goede stappen zijn, maar het wordt pas echt betekenisvol, als de bemiddeling leidt tot de beëindiging van de oorlog. Het is beter dan niets doen; alleszins hoop ik dat de EU een tandje bijsteekt om op diplomatiek vlak nog meer te bereiken.

 

U hebt gesproken over sanctiemaatregelen tegen de goudsector. Ik kan enkel hopen dat die snel op EU-niveau in werking treden. De VN leveren ook hun bijdrage, onder andere met de verzameling van informatie over de gruwelijkheden aldaar. Dat is belangrijk voor latere veroordelingen.

 

Ik blijf alleen wat op mijn honger, mijnheer de minister, wat de Verenigde Arabische Emiraten betreft. Dat uw ambtsgenoot u vriendelijk uitlegt dat de Verenigde Arabische Emiraten willen bijdragen aan vrede in Soedan, staat wel in schril contrast met de berichten dat het land de gewapende troepen daar zou sponsoren. Daarover wens meer uitleg.

 

Tot slot dring ik er bij u op aan om het conflict in Soedan op de agenda te blijven zetten. Voor we het weten, gaat de oorlog in Soedan zijn vierde jaar in.

 

03.12  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw inspanningen om de resolutie uit te voeren. Dat neemt niet weg dat ik door twee elementen word gealarmeerd. Ten eerste, ik herhaal mijn pleidooi dat ik ook al hield in het debat naar aanleiding van de vraag van Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten om militaire steun in het kader van de oorlog in en rond Iran, oorlog die door de Verenigde Staten werd gestart – er was toen in de algemene berichtgeving wat onduidelijkheid over wapenleveringen - om op geen enkele manier wapens aan de Verenigde Arabische Emiraten te leveren, ook niet in het kader van wat zich afspeelt rond de Straat van Hormuz, net wegens het conflict in Soedan. Dat is een eerste belangrijk punt, dat ik wil meegeven.

 

Ten tweede, u bent natuurlijk minister van Buitenlandse Zaken maar in de gewesten waarnaar u verwijst, zitten uw partij en alle regeringspartijen mee aan de knoppen. Herinner u het grote debat over de noodzaak van afspiegelingsmeerderheden. Met de resolutie hebt u volgens mij alles in de hand om uw collega’s van de gewesten erop te wijzen dat u van het Federaal Parlement de opdracht hebt gekregen om de stille maar enorme humanitaire ramp onder hun aandacht te brengen en te vragen hoe zij daarmee omgaan.

 

Het Parlement kan dat ook doen, maar wanneer een minister van Buitenlandse Zaken naar hen stapt met de resolutie die wij samen hebben opgesteld en goedgekeurd, maakt dat toch een wezenlijk verschil. Daarom bent u op dat vlak naar mijn mening te voorzichtig. Ik formuleer het graag positief.

 

Zowel betreffende de Arabische Emiraten als inzake uw rol ten opzichte van de gewesten zou ik liever een proactievere houding zien. U kunt bijvoorbeeld ook met de minister van Financiën spreken over de financiering van dat conflict door Belgische banken en onze financiële sector.

 

U kunt dus wel degelijk nog andere initiatieven nemen. Ik hoop dat de proactieve houding die wij met de resolutie hebben gevraagd, ook op die drie fronten nog verder zal worden uitgerold.

 

03.13  Rajae Maouane (Ecolo-Groen): Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Je voudrais souligner d'abord qu'il est bon que la Belgique demande que la question reste prioritaire et reste à l'ordre du jour. En effet, on n'en parle pas dans les médias mais ce conflit existe largement et il est important de mettre en œuvre tous les efforts diplomatiques possibles pour que ce conflit soit résolu.

 

Vous dites qu'il n'y a pas de preuves claires de la présence d'armes belges au Soudan. Le risque est tout de même non négligeable, surtout compte tenu de nos relations avec les Émirats arabes unis.

 

Sur ce volet-là, je reste un peu sur ma faim et je pense que ces relations doivent être a minima remises en question. Quand on voit le rôle que jouent les Émirats arabes unis dans ce conflit – qui est la pire crise humanitaire du moment –, on peut vraiment s'interroger sur les relations que nous voulons maintenir avec ces pays qui prennent activement part à des conflits sanglants.

 

Nous sommes ici face à un risque de génocide également. Je pense que c'est là l'élément sur lequel on a encore une marge de manœuvre et d'évolution.

 

03.14  Kathleen Depoorter (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is inderdaad opnieuw dankzij die flexibele humanitaire hulp dat we in de regio toch iets kunnen betekenen en via Europa kunnen bijdragen. Het is heel belangrijk dat we daaraan deelnemen.

 

Ik vind het ook heel goed dat we de goudsector zullen monitoren en sancties zullen voorstellen. Het is een beetje te vergelijken met het verhaal in Iran. Het is belangrijk om te rapporteren hoe de mensen lijden en hoe de misdaden plaatsvinden, zodat daarop op een latere datum kan worden teruggekomen.

 

Inzake de wapenhandel dragen de gewesten uiteraard ook een verantwoordelijkheid. Ik meen ook dat ze die opnemen, zoals u hebt gezegd. Wanneer er aanwijzingen van anomalieën zouden zijn, dan moeten die worden aangepakt. Daarover zijn we het absoluut eens.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Actualiteitsdebat over de situatie in Cuba en toegevoegde vragen van

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Cuba" (56014963C)

- Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie rond Cuba" (56015218C)

- Nabil Boukili aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Cuba" (56015402C)

- Rajae Maouane aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De situatie in Cuba" (56015407C)

- Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De humanitaire noodtoestand in Cuba door het Amerikaanse olie-embargo" (56015435C)

04 Débat d’actualité sur la situation à Cuba et questions jointes de

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation à Cuba" (56014963C)

- Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation relative à Cuba" (56015218C)

- Nabil Boukili à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation à Cuba" (56015402C)

- Rajae Maouane à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La situation à Cuba" (56015407C)

- Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La crise humanitaire due à l'embargo américain sur le pétrole à Cuba" (56015435C)

 

04.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, een klassieke politieke regel schrijft voor dat als men als leider in eigen land niet meer populair is, men het best een conflict met een ander land kan zoeken, dus in het buitenland, om de interne eenheid terug te krijgen en de populariteit op te krikken.

 

Als ik kijk naar wat Trump allemaal begonnen is, moet hij toch bijzonder onpopulair zijn in eigen land, na Groenland, Venezuela, Iran en Cuba. Of heeft het er misschien mee te maken dat, na de olie in Venezuela, nu ook de kritieke mineralen, met een aantal mijnbouwbedrijven waarin Amerikaanse miljardairs hadden geïnvesteerd, en de olie in Iran, die richting China gaat, aan de beurt zijn? Cuba moet er na die 60 jaar lange blokkade ook aan geloven, want  Elon Musk wil daar zijn Starlink ontrollen. Waarschijnlijk is de waarheid beide. Trump is zowel onpopulair als bereid om zijn bevriende oligarchen en miljardairs een handje te helpen om hun belangen ten koste van bevolkingen te realiseren.

 

De boycot van olie tegen het Cubaanse regime, die dit jaar werd aangekondigd, heeft Cuba in een heel zware crisis doen belanden, veel zwaarder dan wat de afgelopen decennia al het gevolg was. Ze hebben nog amper toegang tot elektriciteit en brandstof. De voedselprijzen zijn sterk gestegen. De bevolking ziet dus ongelooflijk af. Ook de openbare diensten, zoals ziekenhuizen, scholen en afvalophaling, staan onder zware druk.

 

Ook de dreiging om Cuba militair in te nemen, bedreigt de bevolking daar natuurlijk. Verschillende landen hebben al humanitaire hulp gestuurd, zoals Mexico en Spanje.

 

Mijnheer de minister, wat doet ons land? Wat is uw reactie op de suggesties van Trump om Cuba militair in te nemen, op de verstrengde, onmenselijk zware blokkade en op de energie- en humanitaire crisis die dat heeft veroorzaakt? Welke diplomatieke rol kunnen we spelen? Welke humanitaire maatregelen kunnen we nemen?

 

Voorzitster: Els Van Hoof.

Présidente: Els Van Hoof.

 

04.02  Kathleen Depoorter (N-VA): Mijnheer de minister, we horen van de WHO dat de gezondheidssituatie in Cuba diep verontrustend is. Onlangs hebben we met een aantal leden van de commissie een gesprek gehad met een Cubaanse viceminister, die heel duidelijk aangaf dat er een grote problematiek is. Zowat 1.200 kinderen wachten er op een operatie, maar krijgen die niet. Heel veel patiënten hebben geen basiszorg. Er zijn heel wat zaken die fout liepen of lopen in Cuba, maar de gezondheidszorg was nog een van de pijlers waarop de maatschappij wel kon rusten.

 

Dat is dus opnieuw een grote crisis. Uiteraard staat die niet los van geopolitieke keuzes die in de US gemaakt zijn. Ze staat ook niet los van het feit dat er geen bevoorrading is.

 

Ik denk dat het onze taak is als commissie voor Buitenlandse Betrekkingen om altijd in te schatten hoe die humanitaire situatie optimaal kan worden aangepakt. We hebben niet echt een structurele rechtstreekse link qua ontwikkelingssamenwerking met Cuba. We hebben wel samenwerkingen via Europa.

 

Mijnheer de minister, ik had graag van u vernomen hoe u het ziet en hoe de Europese Unie vandaag naar de situatie kijkt. Hoeveel hulp stroomt er naar Cuba? Wat zijn de mogelijkheden voor de toekomst?

 

04.03  Nabil Boukili (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, Cuba fait face à une crise humanitaire et énergétique sans précédent. Ce pays connaît des manquements au niveau des médicaments, des infrastructures de santé, même dans les soins aux enfants. Cuba subit un blocus depuis 65 ans. Ce blocus est criminel et contrevient au droit international. Aujourd'hui, cet embargo devient de plus en plus fort et Trump a même décidé d'affamer le peuple cubain. La situation est vraiment dramatique.

 

Plusieurs pays, dont le Mexique, le Brésil et l’Espagne, ont pris leurs responsabilités en publiant une déclaration commune de solidarité avec Cuba, accompagnée d'engagements concrets. Madrid a annoncé des envois de panneaux solaires et de kits d'hygiène; le Brésil, des médicaments et des denrées alimentaires; le tout assorti d'un appel clair au respect de la souveraineté cubaine.

 

Dans le même temps, le contexte international se durcit dangereusement, notamment à la lumière des déclarations de Donald Trump évoquant une possible intervention à Cuba après la guerre en Iran. Par ailleurs, la semaine dernière, une délégation cubaine reçue au Parlement belge a explicitement appelé notre pays à agir et à exercer une pression politique pour normaliser les relations commerciales avec l'île, dénonçant un blocus énergétique aux conséquences humanitaires graves et croissantes.

 

Face à ces développements, monsieur le ministre, pourquoi notre pays ne s'inscrit-il pas dans cette dynamique internationale de solidarité, sachant que Cuba a toujours été première dans la solidarité internationale? Je rappelle qu'ils ont envoyé des délégations de médecins en Italie pendant la crise de la covid. C'était un signal fort.

 

Le gouvernement belge envisage-t-il enfin d'apporter une aide concrète à Cuba? Porte-t-il une initiative en faveur d'une réponse coordonnée au niveau de l'Union européenne? Si ce n'est pas le cas, comment notre gouvernement justifie-t-il son manque d'engagement face à une situation qui se détériore et devient extrêmement grave?

 

04.04  Rajae Maouane (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, la situation à Cuba est aujourd’hui extrêmement inquiétante. Une crise énergétique et humanitaire majeure s’installe, avec des pénuries d’électricité et de carburant, ainsi qu’une hausse très importante des prix alimentaires. Cela empêche de nombreuses personnes de se déplacer ou de se nourrir. Des services essentiels, tels que les hôpitaux ou les écoles, sont à l’arrêt dans de nombreuses régions. Cette situation est directement aggravée par les restrictions américaines, notamment en ce qui concerne l’acheminement du pétrole.

 

Dans le même temps, les déclarations de Donald Trump – à chaque jour sa déclaration ubuesque, qui évoque une possible intervention militaire - ne font qu’accroître les tensions dans un contexte déjà extrêmement fragile et inquiétant. À l’inverse, plusieurs pays, dont l’Espagne, le Brésil et le Mexique, ont choisi d’apporter un soutien humanitaire, d’ouvrir le dialogue et de respecter le droit du peuple cubain à déterminer son avenir.

 

Je souhaiterais connaître la position de la Belgique dans ce contexte. La Belgique soutiendra-t-elle la mise en place d’exemptions humanitaires effectives afin de garantir l’accès aux biens essentiels, notamment aux carburants destinés aux infrastructures vitales? Envisage-t-elle de renforcer son aide humanitaire à destination de la population cubaine? Enfin, sur le plan diplomatique, la Belgique est-elle prête à adopter une position claire en faveur du dialogue, du respect du droit international et du rejet de toute intervention militaire?

 

04.05  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, de humanitaire situatie in Cuba is dramatisch sinds de Amerikaanse regering eind januari een volledig olie-embargo instelde.

 

De blokkade raakt niet het regime maar wel de Cubaanse bevolking. Wij zien extreme armoede en wijdverspreide ondervoeding. De kindersterfte is de voorbije vijf jaar enorm gestegen. Er zijn ook elektriciteitspannes van meer dan 20 uur per dag, waardoor ziekenhuizen, scholen en waterpompen stilliggen. Het openbare leven staat stil. Afval hoopt zich op en ziektes verspreiden zich massaal. Kortom, er heerst een en al ellende.

 

Wij zagen dit weekend dat Spanje, Mexico en Brazilië, zijnde de drie grootste economieën van de Spaanstalige en Portugese wereld, een gezamenlijke verklaring hebben afgelegd om de dramatische situatie van het Cubaanse volk expliciet te benoemen en te veroordelen. Ze roepen op tot respect en zullen noodhulp bieden.

 

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, hoe reageert u op de gezamenlijke verklaring van Spanje, Mexico en Brazilië tegen het olie-embargo op Cuba?

 

Ten tweede, zal België de Spaanse regering ondersteunen om binnen de Europese Unie een gezamenlijk diplomatiek front te vormen tegen de eenzijdige Amerikaanse sancties?

 

Ten derde, bent u bereid om via Europese kanalen aan te dringen op een humanitaire corridor voor de levering van voedsel, medicijnen en brandstof?

 

Ten vierde, welke concrete Belgische steun kan worden vrijgemaakt om aan te sluiten bij het hulpinitiatief van de Spaans-Latijns-Amerikaanse coalitie?

 

Ten slotte, op welke manier zult u de Amerikaanse administratie erop wijzen dat de extraterritoriale gevolgen van een embargo de enorme humanitaire inspanningen onmogelijk maken die de Europese lidstaten willen doen en dat ze ook veel kapotmaken van wat wij al op EU-niveau zouden hebben gedaan?

 

De voorzitster: Zijn er nog bijkomende vragen?

 

04.06  Els Van Hoof (cd&v): Ik wil daarbij aansluiten.

 

Wij hebben vorige week de viceminister voor Buitenlandse Zaken van Cuba ontvangen samen met een aantal leden van de commissie. Daarbij werd ook de humanitaire catastrofe geduid. Ik zal daar niet op terugkomen, maar het is heel duidelijk dat wat in Venezuela is gebeurd, een enorme impact heeft op Cuba. Het land is afgesloten van olie en energie, fabrieken liggen stil, er kunnen geen chirurgische ingrepen worden uitgevoerd, de voedselproductie ligt stil en de ziekenhuizen vallen uit.

 

Via de Europese Unie geven wij inderdaad humanitaire hulp. Cuba is geen partnerland maar niettemin hebben wij een aantal projecten. De vraag is wat wij meer kunnen doen.

 

Wij nemen een consequente houding aan bij de VN-resolutie waarover jaarlijks wordt gestemd en die oproept tot de opheffing van het embargo, omdat unilaterale sancties strijdig zijn met het internationaal recht.

 

Wat kunnen wij bijkomend doen gezien de grote humanitaire crisis op dit moment?

 

04.07  Maxime Prévot, ministre: Mesdames et messieurs les députés, la situation à Cuba vous préoccupe, et cela à juste titre. La position de la Belgique à cet égard est très claire: nous condamnons sans ambiguïté l'embargo économique, commercial et financier américain contre Cuba. Nous réaffirmons cette position, plus encore depuis l'aggravation de l'embargo et la crise énergétique qui en résulte, avec des répercussions dramatiques pour la population cubaine.

 

Certains d'entre vous m'interrogent en particulier sur les exemptions humanitaires. Elles existent juridiquement mais, en pratique, elles fonctionnent mal. Les livraisons de biens essentiels qui entrent effectivement dans le pays restent largement insuffisantes et irrégulières. Nous avons souvent fait savoir aux États-Unis l'opposition de la Belgique et de nos partenaires de l'Union européenne à ces sanctions unilatérales.

 

À l’instar de l'Union européenne, la Belgique considère que les effets extraterritoriaux de ces sanctions sont contraires au droit international et nuisent non seulement à la population cubaine, mais également aux intérêts européens sur place. La Belgique vote d'ailleurs chaque année en faveur de la résolution des Nations unies appelant à la levée de l'embargo américain.

 

België heeft altijd de voorkeur gegeven aan diplomatie en aan dialoog met de Cubaanse autoriteiten om tot ingrijpende politieke en economische hervormingen te komen. De belangen van de Cubaanse burgers en hun bescherming staan centraal in onze aanpak en in ons optreden op internationale fora en binnen de Europese Unie.

 

Hoewel er geen directe financiering toegewezen is aan de huidige humanitaire crisis in Cuba, is ons land in staat om snel en doeltreffend in te spelen op de meest dringende behoeften, dankzij zijn financiële steun aan flexibele humanitaire fondsen. Zo is onlangs een toewijzing van 477.000 dollar uit de Immediate Response Account goedgekeurd, die onder meer door België gefinancierd wordt, om het werk van het Wereldvoedselprogramma in Cuba te versterken.

 

Daarnaast werkt ons land nauw samen met zijn Europese partners, met name van het Directoraat-Generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulpoperaties van de Europese Commissie om zo effectief mogelijk te kunnen reageren op de evolutie van de situatie op het eiland. In 2026 zal de Europese humanitaire hulp zich vooral richten op gezondheid, voedselzekerheid, en waterbehandeling.

 

Premier partenaire économique de l'île et premier partenaire pour le développement et l'assistance humanitaire, l'Union européenne est en effet fortement engagée aux côtés du peuple cubain pour faire face à la crise socio-économique, avec plus de 14 millions dépensés entre 2022 et 2025 pour des actions humanitaires préventives et des interventions d'urgence. Les relations avec Cuba figurent à l'agenda de discussions régulières avec nos partenaires européens, tant à La Havane qu'à Bruxelles.

 

Quant à la situation actuelle, malgré la pression maintenue par les États-Unis, le dialogue avec Cuba se poursuit. En témoigne une récente mission américaine à Cuba et des échanges qui ont été qualifiés de respectueux par les autorités cubaines. L'approche américaine continue de s'articuler autour de deux axes, une ouverture économique et une ouverture politique, incluant l'organisation d'élections, qui reste une ligne rouge pour les autorités cubaines, et la libération de prisonniers politiques, laquelle se poursuit de manière limitée et concerne le plus souvent des détenus de droit commun.

 

Il reste, toutefois, à déterminer si ces échanges relèvent de négociations substantielles ou s'inscrivent davantage dans une logique de temporisation, dans l'attente notamment de nouvelles livraisons de carburant, généralement suffisantes pour assurer quelques semaines supplémentaires d'approvisionnement énergétique.

 

En tout état de cause, bien que la menace d'une intervention militaire à Cuba ait été brandie plusieurs fois par le président Trump, nous estimons, au niveau européen, que ce scénario est improbable à ce stade.

 

De gezamenlijke verklaring waarnaar u verwijst, mevrouw Lambrecht, werd gepubliceerd tijdens de vierde bijeenkomst van het Forum voor de Verdediging van de Democratie, in aanwezigheid van de staatshoofden van de drie ondertekenende landen.

 

Ik voeg eraan toe dat ik maandag de Mexicaanse minister van Buitenlandse Zaken heb ontmoet, die na deze bijeenkomst in Barcelona naar Brussel is gekomen. We hebben rechtstreeks van gedachten kunnen wisselen over de situatie in Cuba.

 

04.08  Kathleen Depoorter (N-VA): Dank u, mijnheer de minister. We moeten onze aandacht erbij houden. De gezondheidssituatie van de mensen in Cuba baart ons allemaal zorgen.

 

Het kan niet dat een bevolking op die manier moet lijden door een unilaterale beslissing van een grootmacht die, zoals u zegt, sancties oplegt die telkens opnieuw worden teruggefloten, ook door ons. Ik ga er dus absoluut mee akkoord dat u de vinger aan de pols houdt en samen met andere landen zoekt naar oplossingen voor de humanitaire situatie, onder meer via het Wereldvoedselprogramma.

 

04.09  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Ik ben blij dat u het embargo heel duidelijk veroordeelt en aangeeft dat de dialoog verdergaat. Ik ben ook blij dat u naar de verschillende initiatieven verwijst.

 

Er zijn twee elementen die de moeite waard zijn om verder op te nemen. Ten eerste is er ook een financiële boycot van Cuba, waaraan verschillende bedrijven bij ons deelnemen. Vaak ondervinden mensen die een band hebben met Cuba – omdat ze er familie hebben, een mensenrechtenorganisatie willen steunen of initiatieven op het vlak van gezondheid willen ondersteunen – problemen om die fondsen daar te krijgen. Zeker vandaag, met deze blokkade, hoop ik dat de regering een tand bijsteekt. Ik heb hierover al vragen gesteld aan de minister van Financiën en de minister van Economie tijdens de bespreking van de beleidsnota’s. Dit is het moment om, vanuit deze nieuwe realiteit, de focus daarop te leggen.

 

Ten tweede werken we vanuit onze defensie-inspanningen in de toekomst samen met een aantal bedrijven, waaronder Palantir. Dat bedrijf heeft deze week heel duidelijk gemaakt hoe zijn doelstellingen in elkaar zitten en hoe het naar de wereld kijkt, onder meer naar regimes zoals China en Cuba. Los van het feit dat ik evenzeer grote problemen heb met die regimes, hebben zij er geen probleem mee om de bevolking daarvan het slachtoffer te maken.

 

In onze samenwerkingen hebben we dus ook een hefboom richting de financiële sector en de platformen om onze waarden en normen in het debat te brengen. Ik hoop dat dit ook een onderdeel kan zijn van de strategie om de effecten van die blokkade voor de gewone burgerbevolking te verlichten en om niet mee te gaan in samenwerkingen waarbij belangrijke actoren ongemoeid worden gelaten in de manier waarop zij hun beleid voeren, ongeacht of zij de Amerikaanse dan wel de Europese en Belgische lijn volgen.

 

04.10  Nabil Boukili (PVDA-PTB): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

S’agissant de la condamnation, il importe de condamner la politique américaine et ce blocus illégal et meurtrier que subit le peuple cubain. Je rappelle dailleurs que tous les États du monde votent contre ce blocus. Seuls deux pays votent à chaque fois contre la résolution: les ÉtatsUnis et Israël. Ils ont été rejoints cette année par lArgentine de Milei, mais ce nest pas vraiment une référence en la matière.

 

Compte tenu de la gravité de la situation et de son évolution qualitative sur place, notre soutien à Cuba et notre solidarité avec le peuple cubain doivent passer à une autre étape et aller plus loin que ce qui a été fait jusqu’à présent. La situation est aujourd’hui tellement grave que nous devons amplifier notre solidarité.

 

Nous parlons de deux pays dont l’un exporte des médecins et de la solidarité envers les peuples en difficulté, tandis que l’autre exporte des bombes et la terreur pour imposer sa loi. Nous devons nous positionner dans cette équation. Les États-Unis devraient recevoir plus quune condamnation. Il faudrait plutôt une aide concrète.

 

Peut-être nai-je pas été assez attentif, monsieur le ministre, mais il me semble que vous navez pas répondu à ma question concernant les raisons pour lesquelles la Belgique ne rejoint pas lappel du Mexique, du Brésil et de lEspagne. Pourquoi ne nous inscrivons-nous pas dans cette dynamique, afin damplifier et de rendre plus conséquents et plus concrets notre soutien et notre solidarité envers Cuba? Peut-être ai-je manqué votre réponse, mais je ne lai pas entendue et je souhaite donc savoir si nous rejoignons cet appel ou non et, dans le cas contraire, pour quelle raison.

 

04.11  Maxime Prévot, ministre: Je l’ai expliqué dans la réponse donnée à Mme Lambrecht, en précisant qu’il s’agissait d’une déclaration issue du forum des démocrates, c’est-à-dire la réunion de lensemble des dirigeants de gauche qui sest tenue récemment à Barcelone. Nous n’y étions pas conviés.

 

04.12  Nabil Boukili (PVDA-PTB): Je pense qu’ils seront ravis d’avoir votre soutien et de savoir que la Belgique rejoint cet appel. Ils ne poseront, à mon avis, aucune difficulté à ce niveau-là.

 

04.13  Rajae Maouane (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses et je note la condamnation claire que vous avez énoncée. Dans le contexte actuel, il est essentiel de le souligner et de le faire savoir.

 

S'agissant des exemptions humanitaires, j'ai bien entendu que cela existe juridiquement. Toutefois, dans les faits, cela fonctionne mal. Comment pourrions-nous faire en sorte pour que cela fonctionne mieux, vu la taille de l'enjeu?

 

Par ailleurs, vous estimez qu'une intervention militaire est peu probable. Cependant, on ne peut jurer de rien avec l'actuel président des États-Unis. Selon qu'il se lève du pied gauche ou droit, la face du monde s'en trouve changée d'un jour à l'autre. C'est donc peut-être très peu probable, mais il faut continuer à cravacher, puisque cette option existe malheureusement. Nous devons également continuer à nous opposer à ce blocus qui sanctionne en premier lieu les populations civiles. C'est à elles et eux que nous pensons aujourd'hui: aux Cubains et aux Cubaines qui subissent de plein fouet une crise humanitaire extrêmement grave. C'est pourquoi il importe d'apporter notre soutien à la population civile.

 

04.14  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, het is zeer belangrijk dat u dat embargo op alle mogelijke fora blijft veroordelen. Het is de zoveelste keer dat de VS het internationaal recht aan hun laars lappen. De burgerbevolking in Cuba is daar het grootste slachtoffer van. Er is extreme armoede en kindersterfte. Noch de ziekenhuizen, noch de scholen, noch de watervoorziening werken goed.

 

U zoekt naar verbetering binnen het kader van de Europese Unie en de Verenigde Naties. Dat zijn inderdaad de aangewezen fora om dit aan te pakken. Tegelijkertijd leeft het aanvoelen dat er binnen de Europese Unie niet altijd met één stem wordt gesproken over Cuba. Daarom wordt met aandrang gevraagd om te komen tot meer eenduidige standpunten.

 

Het is bovendien betreurenswaardig dat de situatie in Cuba, net als die in Soedan, relatief weinig media-aandacht krijgt. Andere internationale dossiers, onder meer met betrekking tot Iran en Libanon, domineren het nieuws, waardoor deze humanitaire crisis onder het oppervlak zinkt. Het is dan ook zeer belangrijk dat deze situatie op alle mogelijke internationale fora blijvend onder de aandacht wordt gebracht, zodat iedereen weet hoezeer de burgerbevolking lijdt door een eenzijdige beslissing van Trump.

 

Ik treed ook de collega bij. Ik durf ook niet uitsluiten dat er een inval zal plaatsvinden, want Trump zegt de ene dag dit en de andere dag dat. Misschien doet hij dat wel om de aandacht van Iran af te leiden. We zullen zien.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Questions jointes de

- Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La condamnation de responsables arméniens du Haut-Karabagh par un tribunal azerbaïdjanais" (56013290C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les simulacres de procès contre des représentants politiques au Haut-Karabagh" (56013447C)

05 Samengevoegde vragen van

- Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De veroordeling van Armeense leiders van Nagorno-Karabach door een Azerbeidzjaanse rechtbank" (56013290C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De schijnprocessen tegen politici in Nagorno-Karabach" (56013447C)

 

05.01  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, ces dernières semaines, plusieurs développements ont ravivé les inquiétudes entourant les poursuites engagées par l’Azerbaïdjan à l’encontre d’anciens responsables arméniens du Haut-Karabagh.

 

D’une part, les condamnations prononcées en février 2026 par un tribunal militaire azéri, dont plusieurs peines de réclusion à perpétuité, continuent de susciter de vives préoccupations au sein de la communauté internationale. D’autre part, des organisations de défense des droits humains ainsi que certains acteurs européens ont récemment réitéré leurs doutes quant au respect des garanties fondamentales du procès équitable, à l’indépendance de la juridiction saisie, ainsi qu’aux conditions de détention des personnes concernées.

 

Dans le même temps, la libération de quatre prisonniers arméniens en janvier 2026 par l’Azerbaïdjan peut apparaître comme un signal encourageant, mais ne saurait masquer la réalité des 19 personnes toujours détenues.

 

Dans ce contexte, quelle est, à ce stade, l’analyse de notre pays quant à la conformité de ces procédures judiciaires avec les normes internationales en matière de droits de l’homme, en particulier le droit à un procès équitable tel que consacré par la Convention européenne des droits de l’homme (CEDH) et par le Pacte international relatif aux droits civils et politiques (PIDCP)?

 

Des démarches récentes ontelles été entreprises, au niveau belge ou européen, auprès des autorités azéries afin dobtenir des garanties concrètes concernant lindépendance de la justice militaire, laccès effectif à la défense, ainsi que les conditions de détention des personnes condamnées? Cette question a-t-elle été abordée dans les échanges récents entre lUnion européenne et lAzerbaïdjan, notamment dans le cadre du dialogue politique et au regard des engagements pris par Bakou en matière d’État de droit et de respect des droits fondamentaux?

 

05.02  Ellen Samyn (VB): Op 5 februari 2026 heeft een militaire rechtbank in Azerbeidzjan zware gevangenisstraffen uitgesproken tegen dertien voormalige Armeense verantwoordelijken van Nagorno-Karabach, onder wie vijf levenslange straffen. De aanklachten omvatten onder meer oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Het proces, dat in januari 2025 van start ging, werd gevoerd voor een militaire rechtbank.

 

Internationale persagentschappen, waaronder Reuters, berichten dat mensenrechtenorganisaties ernstige vragen stellen bij het respect voor het recht op een eerlijk proces, onder meer wat betreft de onafhankelijkheid van de rechtbank, de effectieve toegang tot verdediging en de detentieomstandigheden van de veroordeelden.

Daarnaast loopt de afzonderlijke zaak tegen de voormalige staatsminister van Nagorno-Karabach en Russisch-Armeense zakenman Ruben Vardanyan nog steeds. Zijn dossier werd van bij de aanvang afgesplitst van het hoofdproces. Een verzoek van zijn zijde om de zaak opnieuw te voegen werd door de Azerbeidzjaanse rechtbank geweigerd.

 

Hoe beoordeelt u, op basis van de beschikbare informatie, de conformiteit van deze procedures met de internationale mensenrechtenverplichtingen van Azerbeidzjan, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces?

 

Heeft België, bilateraal of via de Europese Unie, informatie opgevraagd bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten over de onafhankelijkheid van de militaire rechtbank, de toegang tot juridische bijstand en de detentieomstandigheden van de veroordeelden?

 

Is deze zaak – inclusief de afzonderlijke procedure tegen de heer Vardanyan – reeds ter sprake gekomen in het kader van het politieke of mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan?

 

Welke stappen neemt u in onze bilaterale dialoog met Bakoe om deze schijnprocessen tegen politieke gezagsdragers uit Nagorno-Karabach aan te kaarten?

 

Ik heb nog één bijkomende vraag bij mijn schriftelijk ingediende vraag, mijnheer de minister. Naar aanleiding van de resolutie zijn de ambassadeurs van Nederland en België op het matje geroepen in Bakoe. Ik had graag geweten of dat klopt.

 

05.03 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Samyn, mijnheer De Maegd, de beoordeling van de conformiteit van juridische processen in Azerbeidzjan komt toe aan de bevoegde rechterlijke instanties. In dit verband wens ik te benadrukken dat zowel Armenië als Azerbeidzjan lid zijn van de Raad van Europa en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten hebben ondertekend. Deze instellingen bieden een kader waarbinnen deze zaken verder kunnen worden opgevolgd.

 

Dans le cadre du dialogue entre l’Union européenne et l’Azerbaïdjan, les droits humains sont systématiquement abordés. L’accent est également mis sur les obligations de l’Azerbaïdjan au regard des instruments internationaux auxquels il est partie – je viens d'en mentionner deux. En outre, je rappelle que notre pays soutient la position de l’Union européenne, qui insiste sur la nécessité de mesures de confiance pour finaliser et mettre en œuvre le processus de paix entre l’Azerbaïdjan et l’Arménie. Dans ce contexte, la libération, en début d’année, de quatre personnes arméniennes poursuivies par l’Azerbaïdjan est un geste à saluer.

 

Ik heb dit in deze commissie al eerder gezegd. De Belgische diplomatie heeft de verschillende kwesties die u aankaart, ook op bilateraal vlak, met de Azerbeidzjaanse autoriteiten besproken in het bredere kader van het vredesproces tussen Azerbeidzjan en Armenië. In het algemeen blijven mijn diensten en ikzelf waakzaam in de moeilijke mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan.

 

05.04  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Nous sommes face à une situation particulièrement sensible. D'un côté des sanctions extrêmement lourdes sont prononcées par une juridiction militaire dans un contexte où de nombreuses voix, y compris au niveau international, mettent en doute le respect des garanties fondamentales du procès équitable. À cet égard, monsieur le ministre, il semblerait que les Arméniens condamnés n'ont pas eu un accès à l'intégralité du jugement qui les condamne. Je vous encourage à agir pour qu'ils en disposent.

 

De l'autre côté, des gestes ponctuels comme la libération de quatre prisonniers en janvier vont dans la bonne direction, mais restent insuffisants dans un moment où une fenêtre diplomatique semble s'ouvrir, notamment à travers les prochains rendez-vous européens qui auront lieu à Erevan en Arménie. La question des détenus et du respect de l'État de droit doit être abordée; notre Assemblée a d'ailleurs adopté une résolution en ce sens à l'unanimité, il y a quelques semaines. Je compte donc sur vous pour porter ce message et je vous en remercie.

 

05.05  Ellen Samyn (VB): U hebt nog geen antwoord gegeven, maar in de berichtgeving lees ik toch dat de ambassadeurs op het matje geroepen zijn. Daaruit blijkt hoe gevoelig resoluties blijven die in ons Parlement goedgekeurd worden voor de Azeri’s. Het toont toch aan dat er wel wat actie ondernomen kan worden in dit Parlement.

 

Nu goed, ik ben wel blij dat u de zaak van nabij opvolgt. Wanneer gevangenen geen toegang hebben tot hun familie of wanneer er sprake is van slechte monitoring van de gevangenisomstandigheden, moet daar toch een zekere aandacht naar gaan. Maar zoals u zegt, u volgt het van dichtbij op. We zullen in de toekomst zeker de gelegenheid hebben u daarover te ondervragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De ontvoering van Venezolaans oppositiepoliticus Guanipa" (56013420C)

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De houding van de Belgische regering tegenover het 'nieuwe' regime in Venezuela" (56014528C)

06 Questions jointes de

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'enlèvement de l'opposant politique vénézuélien Guanipa" (56013420C)

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La position du gouvernement belge vis-à-vis du "nouveau" régime au Venezuela" (56014528C)

 

06.01  Ellen Samyn (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vragen.

 

De Venezolaanse oppositiepoliticus Juan Pablo Guanipa, voormalig vicevoorzitter van het Venezolaanse parlement en lid van de centrumrechtse partij Primero Justicia, is enkele uren na zijn vrijlating opnieuw vastgezet. Guanipa was een van de 35 politieke gevangenen die zondag in Caracas werden vrijgelaten, onder druk van de V.S. Maar kort nadien is hij ontvoerd door een groep gewapende en gemaskerde mannen in burgerkleding.

 

Het Venezolaanse Openbaar Ministerie stelt dat Guanipa de voorwaarden van zijn vrijlating zou hebben geschonden, zonder daarbij te preciseren welke.

 

Guanipa is een nauwe bondgenoot van oppositieleider María Corina Machado, die in ballingschap leeft. Na zijn vrijlating sprak Guanipa zich publiek uit tegen de interim-regering, die hij illegitiem noemt.

 

Deze hernieuwde vrijheidsberoving roept ernstige vragen op over het respect voor de rechtsstaat in het nieuwe Venezolaanse overgangsregime.

 

Hoe beoordeelt de minister de hernieuwde vrijheidsberoving van Guanipa?

 

Heeft België, bilateraal of via de Europese Unie, reeds contact opgenomen met de Venezolaanse autoriteiten om opheldering te vragen over de juridische basis van deze maatregel en over de identiteit en het statuut van de betrokken veiligheidsdiensten?

 

Is de minister bereid deze zaak aan te kaarten binnen de Europese Unie en expliciet te pleiten voor transparantie, rechtsstatelijkheid en de bescherming van recent vrijgelaten politieke gevangenen in Venezuela?

 

Hoe beoordeelt de minister de geloofwaardigheid van de door de Venezolaanse autoriteiten aangekondigde stapsgewijze vrijlating van politieke gevangenen, in het licht van deze gebeurtenissen?

 

Welke verdere stappen overweegt België om druk uit te oefenen opdat politieke tegenstanders in Venezuela niet opnieuw willekeurig worden opgepakt of geïntimideerd?

 

Met de Amerikaanse interventie in Venezuela eerder dit jaar, waarbij de Venezolaanse dictator Maduro werd gevangengenomen, leek er even wat hoop voor een democratische toekomst voor dat land. Zelfs de aanstelling van Delcy Rodriguez als interim-president was nog aanvaardbaar, als overgangsfiguur naar een democratische transitie.

 

Helaas blijkt enige weken later de realiteit minder rooskleurig. Delcy Rodríguez heeft het hoofd van de militaire contraspionagedienst van het land gepromoveerd tot minister van Defensie. Gustavo González López staat bekend als een van de wreedste folteraars tijdens de socialistische dictatuur van Maduro. Onder Maduro speelde López een centrale rol in het hardhandig neerslaan van de protesten die in 2014, 2017 en 2019 uitbraken. Zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie legden López sancties op wegens mensenrechtenschendingen. “Hij nam deel aan ernstige misdrijven, waarvan sommige neerkwamen op misdaden tegen de menselijkheid", oordeelden de Verenigde Naties ook in 2022. Dat deze man nu minister van Defensie wordt, is een klap in het gezicht van de duizenden slachtoffers van de dictatuur.

 

Zal de regering haar afkeuren hierover kenbaar maken bij de Venezolaanse overheid?

 

Is de minister het met mij eens wanneer ik stel dat zolang er figuren als een López de wacht uitmaken binnen de Venezolaanse regering, deze regering geen gesprekspartner kan zijn voor de Belgische overheid?

 

Welke stappen onderneemt België binnen de EU om een gezamenlijke reactie te formuleren op de benoeming van Gustavo González López?

 

Overweegt de regering om, in navolging van de VS, het VK en de EU-sancties, bijkomende Belgische maatregelen te nemen tegen López of andere verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen?

 

Zal België pleiten voor een actualisering of uitbreiding van de EUsanctielijst in het licht van deze benoeming?

 

Hoe schat de regering de geloofwaardigheid van de Venezolaanse overgangsautoriteiten in na deze benoeming?

 

Welke voorwaarden acht de regering essentieel voor België om Venezuela opnieuw als volwaardige diplomatieke gesprekspartner te beschouwen?

 

06.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Samyn, hoewel Juan Pablo Guanipa intussen opnieuw volledig in vrijheid werd gesteld na de goedkeuring van de amnestiewet, onderstreept zijn eerdere tijdelijke herarrestatie dat het vrijlatingsproces in Venezuela nog steeds kwetsbaar blijft.

 

De recente vrijlatingen zijn een positieve stap en dat wordt ook als dusdanig erkend door zowel internationale partners als Venezolaanse mensenrechtenorganisaties. De geloofwaardigheid van het vrijlatingsproces hangt echter af van de volledige en transparante toepassing van de amnestiewet, de effectieve vrijlating van alle politieke gevangenen en structurele hervormingen, vooral op justitieel en institutioneel vlak.

 

We volgen de situatie nauwlettend op via onze ambassade in Bogota en de EU-delegatie in Caracas. Bovendien onderhoudt België regelmatige contacten met Venezolaanse mensenrechtenorganisaties, die een cruciale rol spelen om de situatie van gedetineerden te documenteren, slachtoffers te ondersteunen en betrouwbare informatie te verzamelen.

 

In de VN-Mensenrechtenraad wordt in Benelux-verklaringen, meest recent op 12 maart, expliciet opgeroepen tot transparantie en rechtsstatelijkheid, inclusief de vrijlating van alle politieke gevangenen. Vóór de recente Amerikaanse interventie in Venezuela heeft de Europese Unie in december 2025 de restrictieve maatregelen ten opzichte van Venezuela met een jaar verlengd, tot 10 januari 2027. Die beslissing werd genomen in het licht van de aanhoudende acties die de democratie en de rechtsstaat ondermijnden, evenals de voortdurende mensenrechtenschendingen en de repressie van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie.

 

Ook de manier waarop de presidentsverkiezingen van 28 juli 2024 werden georganiseerd, en de ontwikkelingen nadien speelden daarbij een rol. Als onderdeel van dat sanctieregime werden 69 personen opgenomen op de lijst. Hun tegoeden werden bevroren, geldt er een verbod op het verstrekken van financiële middelen of economische hulp, zowel direct als indirect, en is er voor hen een reisverbod naar de Europese Unie van toepassing.

 

De heer Gustavo González López stond reeds als general director of the Bolivarian National Intelligence Service op de sanctielijst en zijn benoeming tot nieuwe minister van Defensie brengt hierin geen wijziging. De sancties blijven momenteel onverminderd van kracht. Elke eventuele wijziging kan enkel gezamenlijk worden beslist door alle EU-lidstaten.

 

De Europese Unie heeft, net als België, steeds benadrukt dat ze een vreedzame, door Venezolanen geleide overgang naar democratie ondersteunt, met eerbied voor de soevereiniteit van het land en het recht van de bevolking om haar eigen toekomst te bepalen.

 

06.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreide antwoord. Soms kunnen we het ook eens zijn. Het is goed dat u de situatie opvolgt en ik juich het zeker toe dat ook de sancties van toepassing blijven.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

07 Question de François De Smet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La non-reconduction des subsides à La Maison Africaine" (56013443C)

07 Vraag van François De Smet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De stopzetting van de subsidies aan La Maison Africaine" (56013443C)

 

07.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, il me revient que l’ASBL La Maison Africaine qui, à Ixelles, met à disposition de 80 étudiants ou stagiaires originaires de pays en développement un logement ainsi qu’un accompagnement social et administratif pour un prix modéré de l’ordre de 400 euros par mois, avec un taux d’occupation quasiment intégral, serait, à partir de l’année académique prochaine, privée des subsides qu’elle reçoit en provenance de votre département, ce qui la priverait d’un tiers de ses ressources, hypothéquant gravement son existence même.

 

L’ensemble des foyers étudiants réunis sous la coupole de cette association bénéficiaient depuis plus de 50 ans d’une subvention annuelle de la Coopération au développement à hauteur d’un montant global de 1,7 million d’euros.

 

Cette décision de non-reconduction du subside aurait été prise, fin 2025, sans concertation préalable et risque d’entraver le droit au logement de plusieurs dizaines d’étudiants étrangers obligés de se tourner vers le marché privé plus prohibitif, sans compter le fait que cet instrument de coopération universitaire a un sens social profond au regard de l’importance de la Coopération au développement menée par notre pays.

 

En conséquence, monsieur le ministre, est-ce exact? Quelles sont, dans ce cas, les justifications liées à la non-reconduction de ce subside à l’ASBL Maison Africaine? Entendez-vous réexaminer cette décision, dont le caractère unilatéral est soulevé par l’association elle-même mais aussi par la communauté africaine de Bruxelles dans sa grande majorité?

 

07.02  Maxime Prévot, ministre: Monsieur De Smet, pour remettre les choses dans leur contexte, après une analyse approfondie, il est apparu que les objectifs initiaux de ces foyers ne correspondent plus au contexte actuel de la Coopération belge au développement. Vous me questionnez à propos de la Maison Africaine mais elle n'est pas la seule concernée. D'autres qui exercent des tâches similaires sont également concernées.

 

En effet, depuis 1974, la Coopération belge au développement prévoyait une aide financière aux étudiants et stagiaires issus de pays à faible revenu qui viennent étudier en Belgique. Cette aide financière comprenait plusieurs éléments, dont une aide directe (des bourses) et indirecte pour l'accompagnement social et culturel à ces étudiants.

En raison d'un changement du contexte mondial, des évolutions dans la coopération internationale et des relations de partenariat avec nos pays partenaires, la Coopération belge au développement s'est recentrée ces dernières années sur une cohérence et une efficacité accrue de l'ensemble des instruments et sur le renforcement des capacités locales dans les pays partenaires et au sein des institutions partenaires elles-mêmes.

 

C'est une tendance de fond qui précédait mon arrivée: plutôt que d'accueillir et de payer, utilisons progressivement et intensivement les fonds pour pouvoir stabiliser et améliorer le développement des capacités locales là-bas.

 

Cette évolution a également eu un impact sur le système des bourses, qui a fait l'objet d'une réforme en profondeur ces dernières années. En conséquence, le programme de bourses se concentre aujourd'hui principalement sur la coopération et la recherche postuniversitaire entre établissements universitaires. En conséquence, la majeure partie de la recherche et/ou de la coopération est effectuée par les universitaires dans leurs établissements respectifs, avec des séjours plus courts dans le pays partenaire, pour les chercheurs belges, et des séjours plus courts en Belgique, pour les étudiants et chercheurs des pays partenaires, puisque, au fil du temps, cette coopération s'est focalisée sur cette recherche postuniversitaire.

 

De plus, le système de bourse a été entièrement confié depuis un certain temps aux organisations faîtières de la coopération universitaire, l'ARES et le VLIR, qui assurent le soutien complet des étudiants et des universitaires venant en Belgique. Et vous verrez pourquoi le mot "complet" est important. Enfin, le volet relatif au soutien socioéconomique ne faisait déjà plus partie du cadre de financement concerné depuis un certain temps, à la suite de décisions antérieures de mes prédécesseurs.

 

Les subventions du programme actuel concernent donc uniquement le logement, un aspect qui aujourd'hui, à la suite d'une réforme du système de bourse, est entièrement pris en charge par le programme de coopération universitaire mis en œuvre par la VLIR et l'ARES. Donc, au fil du temps, pour les motifs que je viens de vous exposer, l'intervention financière de la coopération au développement dans ces cas d'espèce se limitait à la couverture des frais de logement, ceux-là même qui sont déjà financés par les différents programmes de coopération de la VLIR et l'ARES. Dit clairement, il y avait un double subventionnement.

 

Il devient donc particulièrement difficile de justifier un financement parallèle du logement pour les maisons d'étudiants, destiné au même groupe cible, étant donné que le coût du logement est déjà inclus dans les bourses accordées sur la base du prix du marché. Il n'est donc pas approprié d'aligner les prix des logements étudiants sur ceux du marché, surtout à un moment où l'accès et le coût du logement étudiant constituent un défi pour tous les étudiants, y compris les étudiants belges.

 

Compte tenu de ces évolutions que je viens de vous rappeler, des réformes antérieures et de la nécessité d'améliorer l'efficacité et la rationalisation du programme de bourse, compte tenu aussi de la pression financière exercée sur le budget de la coopération à la suite d'une économie de 25 %, il m'a semblé logique, plutôt que d'aller fragiliser des ONG ou de réduire les crédits de l'aide humanitaire, d'aller mettre fin à ce mécanisme de double subventionnement.

 

En tant que ministre compétent, j'ai pris la responsabilité de réévaluer ce programme d'aide aux étudiants et stagiaires issus de pays à faible revenu, dans le contexte que je viens de rappeler. Lors d'une réunion en octobre dernier entre mon administration, mes collaborateurs et les ASBL concernées, les activités et les préoccupations ont été dûment prises en compte. L'engagement et le dynamisme de longue date en faveur de l'accueil de ces étudiants sont donc pleinement reconnus et appréciés, ce n'est pas cela qui est remis en cause.

 

Il faut, cependant, constater aujourd'hui que le financement de cette aide dans le cadre de la coopération belge au développement n'est plus cohérent avec l'approche et le financement du programme de bourses. Cependant, pour éviter une suppression brusque de la mesure, j'ai pris la décision d'introduire une période de transition de six mois, à compter du 1er janvier de cette année 2026, de manière à pouvoir couvrir l'année académique en cours, ce qui devrait permettre de pouvoir terminer correctement l'année et d'offrir aux établissements la faculté de procéder aux éventuelles restructurations nécessaires.

 

Monsieur le député, voilà les éléments permettant de mieux cerner les tenants et aboutissants du problème et de la décision que j'ai été amené à prendre.

 

07.03  François De Smet (DéFI): Je vous remercie pour votre réponse qui a le mérite d'être complète, et comme souvent, contextualisée. Vous dites que vous mettez fin à un double subventionnement et, présenté comme cela, l'argument a effectivement l'air assez imparable et je ne peux qu'aller le confronter à la réalité de terrain. Ce qui me chiffonne, c'est l'idée qu'il y ait eu un double subventionnement pendant plusieurs années – un subventionnement d'1,7 million d'euros – et c'est quand même fou de se dire que ce subventionnement a été doublé, alors qu'il n'était, selon vous, pas réellement utile par rapport à d'autres besoins pris en charge par la RES et autres. Mais soit! J'en prends acte et reviendrai vers vous le cas échéant et vous remercie pour la période transitoire qui est, en effet, la moindre des choses au vu de l'année académique déjà lancée.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de François De Smet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L’état d’application du traité entre la Belgique et l’Iran sur le transfèrement des condamnés" (56013468C)

08 Vraag van François De Smet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De uitvoering van het verdrag tussen België en Iran inzake de overbrenging van veroordeelden" (56013468C)

 

08.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, au cours d'une récente séance plénière, vous avez fait part de votre réserve quant au fait de dénoncer le traité avec l'Iran fait à Bruxelles le 11 mars 2022, car, selon vous, il risquait d'encourager la République islamique à pratiquer cette nauséabonde diplomatie des otages. Vous évoquiez à cet égard, je cite," l'encouragement fallacieux des autorités iraniennes à procéder à nouveau à notre égard à la politique qui est la leur, de prise d'otages, en vue d'obtenir un échange."

 

Vous aviez cependant dit qu'il vous paraissait opportun de faire analyser la question par le ministère, ce qui n'est pas tombé dans l'oreille d'un sourd, raison pour laquelle je me permets de revenir à présent sur le sujet. Je comprends bien que c'est une analyse complexe et qu'il convient de ne pas du tout céder à une forme d'émotion immédiate en la matière. La guerre en Iran, en plus, s'est invitée depuis dans l'actualité. Or il apparaît quand même légitime de toujours poser cette interrogation de dénonciation du traité dans le contexte politique particulièrement sanglant et répressif que ce pays a connu en janvier, avant même le conflit que nous connaissons.

 

Mes questions sont simples. Entendez-vous faire procéder réellement à cette analyse par le SPF Affaires étrangères? Dans l'affirmative, est-ce que cette analyse a eu lieu ? A-t-elle déjà produit des résultats? Un état d'application dudit traité peut-il être communiqué?

 

08.02  Maxime Prévot, ministre: Je reconnais bien là, monsieur le député, votre capacité de prêter attention à chacun des propos que je peux tenir et à considérer qu'ils ne sont pas nécessairement anodins. Je vous en remercie. Je vois que vous revenez à la charge pour voir quelle est finalement l'analyse que les services ont pu en faire. Je vais partager avec vous, effectivement, les éléments de réponse.

 

La Belgique dispose d'accords de transfèrement de détenus avec 75 États dans le monde. Dans le traité bilatéral conclu entre la Belgique et l'Iran, seul le transfèrement volontaire est visé. Le traité n'oblige en rien ni la Belgique ni l'Iran à accepter une requête de transfèrement ni dans un sens ni dans un autre. C'est donc une faculté, une facilité, pas une obligation.

 

Ce traité comprend évidemment des garanties solides en matière de respect des droits humains et pour l'instant, le traité reste d'application et il a été utilisé à trois reprises depuis son entrée en vigueur.

 

Mes services effectuent une analyse en continu de la pertinence de ce traité et continueront à le faire bien au-delà de notre échange du jour. À ce stade, je ne considère pas, ni mes services d'ailleurs, qu'il soit opportun de dénoncer ce traité. Ceci équivaudrait surtout à un geste idéologique, politique, voire d'humeur, sans réelle utilité.

 

Dès lors qu'il repose sur une base volontaire et qu'il n'est pas contraignant, il n'y a pas de raison de se priver de ce canal qui a déjà pu à trois reprises se révéler utile et qui pourrait peut-être encore se révéler utile par la suite.

 

Pour le surplus, je vous réfère à ma collègue, la ministre de la Justice, compétente pour les autres questions que vous avez souhaité partager.

 

08.03  François De Smet (DéFI): Je remercie simplement le ministre pour sa réponse. On aura appris des choses.

J'ignorais totalement que ce traité avait été déjà appliqué trois fois. C'est intéressant.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08.04  Michel De Maegd (Les Engagés): Madame la présidente, je souhaite que ma question n° 56013481C soit traitée par écrit.

 

09 Question de François De Smet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le lobbying étranger d’un député contre une législation nationale" (56013522C)

09 Vraag van François De Smet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De buitenlandse lobbyactiviteiten van een volksvertegenwoordiger tegen een nationale wetgeving" (56013522C)

 

09.01  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, selon plusieurs informations relayées dans la presse, le député fédéral Michael Freilich, membre de la N-VA, aurait entrepris des démarches auprès d'acteurs politiques américains afin d'attirer leur attention sur une enquête judiciaire menée en Belgique et d'encourager une forme de pression internationale susceptible d'influencer le cadre légal dans notre pays.

 

Ces éléments, qu'ils soient confirmés, contestés ou nuancés, soulèvent des questions fondamentales quant au respect de la séparation des pouvoirs, à l'indépendance de l'ordre judiciaire et à la responsabilité des mandataires publics lorsqu'ils sollicitent l'intervention ou l'influence d'autorités étrangères dans des dossiers relevant du fonctionnement interne de l'État belge.

 

Mes questions sont simples. Le gouvernement a-t-il été informé, préalablement ou a posteriori, de démarches entreprises par ce député auprès d'autorités ou de relais politiques étrangers concernant des procédures judiciaires ou des évolutions législatives belges?

 

Le gouvernement considère-t-il que de telles démarches, si elles sont avérées, sont compatibles avec le principe de séparation des pouvoirs et avec le devoir de loyauté institutionnelle qui incombe aux membres du Parlement?

 

Existe-t-il au sein du gouvernement ou de la majorité des règles, lignes directrices ou mécanismes de contrôle encadrant les initiatives individuelles de mandataires visant à solliciter une influence étrangère sur des processus politiques, législatifs ou judiciaires belges?

 

Le gouvernement entend-t-il demander des clarifications formelles au député concerné ou suggérer, via l'entremise des groupes de la majorité, la saisine des instances compétentes en matière de déontologie parlementaire afin d'examiner les faits et leur conformité aux principes de l'État de droit?

 

09.02  Maxime Prévot, ministre:  Monsieur De Smet, comme j'ai eu l'occasion de l'expliquer lors de la séance de cette commission du 24 février dernier, je n'étais pas au courant d'une quelconque démarche de M. Freilich. Cette information m'est parvenue au détour de la polémique née autour de cette situation.

 

Cela n'a pas fait l'objet d'actions spécifiques de la part du gouvernement. Un parlementaire jouit de la liberté d'action et d'expression. Mais en tout état de cause, cette liberté ne se substitue nullement à l'expression de la position officielle du gouvernement.

 

09.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre exploit. Vous avez fait encore plus court que le premier ministre à qui j'ai posé la même question, et ce n'était pas gagné.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitster: De vragen nrs. 56013690C van de heer Lacroix en 56013764C van de heer Di Nunzio zijn ingetrokken. Vraag nr. 56014179C van mevrouw Mutyebele Ngoi zal schriftelijk behandeld worden.

 

09.04  Michel De Maegd (Les Engagés): Madame la présidente, je souhaite que ma question n° 56015394 soit traitée par écrit pour que la commission accélère ses travaux.

 

De voorzitster: Vraag nr. 56014384C van mevrouw Depoorter en vraag nr. 56014553C van mevrouw Mutyebele Ngoi worden schriftelijk behandeld.

 

10 Questions jointes de

- Christophe Lacroix à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La position belge à l’ONU sur la traite des esclaves, le "crime le plus grave contre l’humanité"" (56014555C)

- Nabil Boukili à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'abstention de la Belgique relative à la résolution de l’ONU sur la traite transatlantique" (56014593C)

- Lydia Mutyebele Ngoi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La résolution de l’ONU qualifiant la traite des Africains comme pire crime contre l’humanité" (56014599C)

- Rajae Maouane à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'abstention de la Belgique relative à la résolution de l'ONU sur la traite des esclaves" (56015408C)

10 Samengevoegde vragen van

- Christophe Lacroix aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het Belgische standpunt bij de VN over slavenhandel, de 'ergste misdaad tegen de mensheid'" (56014555C)

- Nabil Boukili aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onthouding van België over de VN-resolutie aangaande de trans-Atlantische mensenhandel" (56014593C)

- Lydia Mutyebele Ngoi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De VN-resolutie waarin de slavenhandel bestempeld wordt als de ergste misdaad tegen de mensheid ooit" (56014599C)

- Rajae Maouane aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onthouding van België bij de stemming over de VN-resolutie over de slavenhandel" (56015408C)

 

10.01  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, l'Assemblée générale des Nations Unies a adopté une résolution historique qualifiant la traite transatlantique des Africains réduits en esclavage de "crime le plus grave contre l'humanité". Il n'est pas anodin de noter que le texte porté par le Ghana au nom du groupe africain a recueilli 123 voix pour, 3 contre et 52 abstentions.

 

Cette résolution qui met en avant la nécessité de remédier aux torts historiques et de promouvoir la justice réparatrice entre directement en résonance avec des débats qui ont été menés au sein de ce Parlement.

 

En effet, vous étiez député à l'époque, mais la commission spéciale sur le passé colonial mise en place en 2020 avait produit un travail considérable: près de 300 auditions, plusieurs missions en Afrique centrale, un rapport de 700 pages et 128 recommandations concernant notamment la reconnaissance des responsabilités, la mémoire, la restitution, l'enseignement et les réparations. Pourtant, en décembre 2022, ces recommandations n'avaient pu être adoptées suite au départ de plusieurs parlementaires qui avait empêché tout vote et laissé ces travaux en suspens. J'avoue avoir encore à ce jour la chique coupée du manque d'honneur dont ces parlementaires ont fait preuve en préférant quitter la séance pour qu'il n'y ait plus de quorum et que nous ne puissions délibérer et voter.

 

J'aimerais dès lors vous poser quelques questions en tant qu'ancien vice-président de la commission spéciale sur le passé colonial.

 

Quelle a été la position de la Belgique lors du vote de cette résolution à l'Assemblée générale des Nations Unies?

 

Le gouvernement a-t-il publié une explication de vote, notamment au regard de nos engagements en matière de lutte contre le racisme systémique?

 

Comment la Belgique articule-t-elle cette prise de position internationale avec les conclusions de la commission spéciale sur le passé colonial?

 

Considérez-vous que la résolution de l'ONU est l'occasion de relancer la pertinence des 128 recommandations restées lettre morte? Le gouvernement entend-il rouvrir ce dossier afin d'assurer une cohérence entre la position belge sur la scène internationale et l'absence d'avancée au niveau national, alors que d'autres États avec un passé colonial sont allés beaucoup plus loin que la Belgique en la matière?

 

La Belgique prévoit-elle de soutenir ou de promouvoir au sein des forums multilatéraux des initiatives concrètes relatives à la justice réparatrice telles qu'évoquées dans la résolution adoptée par l'ONU? Ces démarches incluraient-elles des discussions sur les réparations symboliques ou matérielles, la restitution d'œuvres d'art ou de restes humains?

 

Enfin, le gouvernement estime-t-il que l'adoption de cette résolution par l'ONU devrait encourager une reprise des travaux parlementaires belges afin de répondre aux attentes exprimées tant par les diasporas que par les partenaires africains?

 

10.02  Maxime Prévot, ministre: Merci, monsieur Lacroix, pour cette question importante. Je vais vous répondre avec beaucoup de transparence.

 

La Belgique s’est abstenue fin mars à l’Assemblée générale, lors du vote de la résolution portant sur la reconnaissance de la traite transatlantique des esclaves comme le plus grand crime contre l’humanité, tout comme une cinquantaine d’autres pays, parmi lesquels la totalité des États membres de l’Union européenne. Ceux-ci ont d’ailleurs choisi de faire une déclaration commune afin de cadrer leur abstention et d’éviter toute mauvaise interprétation.

 

Je souhaite saisir l’occasion de votre question pour apporter des éclaircissements sur trois points.

 

Premièrement, concernant le fond de la question elle-même, qu’il soit clair pour chacune et chacun que la traite transatlantique des esclaves a constitué une immense tragédie, qui a coûté la vie à des millions de personnes et infligé des souffrances incommensurables à des générations d’hommes, de femmes et d’enfants. La Belgique condamne cette tragédie avec la plus grande fermeté, sans ambiguïté, et en reconnaît la profondeur des séquelles historiques. La traite des esclaves relevait d’une entreprise de déshumanisation, niant la dignité intrinsèque des individus et fragilisant les fondements mêmes de nos sociétés, phénomène que nous voyons malheureusement encore réapparaître sous diverses formes aujourd’hui.

 

Ce qui s’est passé ne peut ni ne doit être oublié. Il n’existe aucun doute à ce sujet et il ne saurait être question que l’abstention de la Belgique soit interprétée comme une remise en cause de cette position.

 

Deuxièmement, s’agissant de la résolution elle-même, le principal problème est qu’elle contient plusieurs éléments juridiquement et factuellement inexacts, ce qui a empêché notre pays de s’y rallier. Parler de "crimes les plus graves" pour qualifier la traite transatlantique introduit une hiérarchie entre crimes qui n’existe pas en droit international. Établir des degrés de gravité reviendrait à relativiser la souffrance de certaines victimes et à créer une ambiguïté dangereuse en matière d’imputabilité. Qui pourrait décider que la souffrance de l’un pèse plus lourd que celle de l’autre? Un cadre juridique stable ne se prête pas à ce type de qualification politique. Notre responsabilité est au contraire de préserver la cohérence du droit international et l’égalité de toutes les victimes.

 

En outre, plusieurs passages laissent indûment entendre qu'un droit juridique à des réparations existerait, y compris de manière rétroactive, pour des faits qui, au moment où ils ont été commis, ne constituaient pas des infractions. Vous comprendrez qu'une telle approche revient à contourner le principe fondamental de non-rétroactivité – pierre angulaire de l'ordre juridique international – auquel la Belgique et l'Union européenne ne peuvent pas souscrire, même s'il est certes difficile d'imaginer actuellement qu'il ait existé un monde passé dans lequel ce genre de faits n'était pas punissable.

 

En fin de compte, cette négociation aurait pu être un exercice rassembleur. Malheureusement, ce ne fut pas le cas par manque de temps et de volonté de la part des principaux négociateurs. L'utilisation de références historiques sélectives n'a pas non plus contribué à l'unité au sein de l'Assemblée générale.

 

Troisièmement, pour ce que cela implique concrètement pour la Belgique, à la question de savoir si cette résolution pourrait mener à une reprise des travaux parlementaires belges, je ne peux malheureusement pas vous répondre puisque cela relève pleinement de votre propre compétence en tant que Parlement. De mon côté, nos démarches continuent d'être inspirées par un regard nuancé et objectif sur notre passé colonial en Afrique centrale, tel qu'exprimé dans les discours de Sa Majesté le Roi et de notre premier ministre en 2022.

 

Il y a évidemment un devoir de mémoire qui n'est jamais complètement acquis et sur lequel il faut continuer à travailler, que ce soit en Belgique ou à l'international. Diverses initiatives ont déjà été prises à cet égard et nous continuons à les poursuivre, y compris dans un cadre bilatéral et au travers d'un dialogue direct et constructif avec les États concernés, ce qui constitue, à mes yeux, une méthode de travail bien plus appropriée puisqu'elle permet une contextualisation plus précise qu'à l'ONU.

 

10.03  Christophe Lacroix (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse extrêmement charpentée et construite. Vous m'avez répondu d'abord sur le fond, en rappelant à quel point la Belgique condamne sans ambiguïté – ce sont vos mots, monsieur le ministre – la traite transatlantique des esclaves.

 

Vous avez ensuite abordé l'argumentation juridique et factuelle. Il m'avait échappé, effectivement, qu'en matière de droit international, introduire une hiérarchisation des crimes n'était pas possible et n'est sans doute pas souhaitable. Sur ce point, je peux vous rejoindre.

 

En revanche, sur le droit légal à des réparations à titre rétroactif, vous semblez clôturer un chapitre. Lorsque l'on a travaillé sur ce volet dans le cadre de la commission sur le passé colonial, nous avons reçu plusieurs juristes spécialistes du droit international, belges et étrangers, qui nous ont expliqué qu'il existait une jurisprudence significative permettant d'entrevoir plus qu'une possibilité, un raisonnement tout à fait abouti, de pouvoir demander des réparations à titre rétroactif, en disant que, bien entendu, les crimes commis à l'époque avaient parfois fait l'objet de condamnations dans certains pays et/ou de décisions parlementaires – notamment le rapport de Roger Casement sur les crimes au Congo et le déplacement des populations.

 

Je crois que vous avez étudié le droit – ou les sciences économiques –, mais vous savez comme moi qu'il y a autant de versions que d'avocats qui sont engagés. Je crois qu'ils battent les politiciens en la matière, ils sont encore plus versatiles qu'eux.

 

On aurait pu, dans le cadre d'une négociation au niveau des Nations Unies, se donner le temps de déposer des amendements, d'en discuter et d'essayer d'avoir une sorte d'unanimité sur le sujet. Je ne suis pas naïf et je sais qu'il n'est pas possible d'avoir une unanimité sur un sujet aussi clivant, avec des pays gouvernés par l'extrême droite et qui sont des dictatures. Cela étant dit, c'est dommage, il s'agit d'une occasion manquée.

 

Quant au passé colonial et à la commission, je savais que vous alliez me répondre qu'il s'agit d'une compétence du Parlement. Vous avez raison, et je pense qu'il pourrait être utile que le Parlement se ressaisisse du dossier et que ces 128 recommandations fassent l'objet d'un travail en vue d'une résolution parlementaire, qui rappellerait au gouvernement les obligations qu'il a en la matière.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De evacuatie uit Gaza" (56014329C)

- Achraf El Yakhloufi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De evacuatie van rechthebbenden uit Gaza" (56015438C)

11 Questions jointes de

- Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les évacuations au départ de Gaza" (56014329C)

- Achraf El Yakhloufi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'évacuation depuis Gaza d'ayants droit" (56015438C)

 

11.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Deze vraag is belangrijk, want sinds het uitbreken van de oorlog in Gaza, ondertussen al drie jaar geleden, zijn heel wat Belgen en personen met een band met ons land geëvacueerd. Het consulaat in Jeruzalem hield een evacuatielijst bij waarop Belgen, erkende vluchtelingen of staatlozen en hun kerngezinsleden zich konden registreren.

 

In april vorig jaar besliste de regering om nieuwe registraties te bevriezen en te focussen op de personen die al langer op de evacuatielijst stonden. Die laatste lijst zou eind vorig jaar volledig afgewerkt zijn. Tot op vandaag is er echter nog geen enkele beslissing genomen om nieuwe registraties opnieuw mogelijk te maken. Dat betekent dat bepaalde mensen van wie het gezin is achtergebleven en in penibele omstandigheden leeft, en heel wat mensen die volgens de oorspronkelijke criteria recht zouden hebben op een evacuatie, al meer dan een jaar in onzekerheid leven.

 

Wie contact opneemt met het crisiscentrum van de FOD Buitenlandse Zaken, krijgt te horen dat er een zorgvuldig onderzoek bezig is om alle opties te bekijken. Intussen vraagt Myria, het Federaal Migratiecentrum, de regering om snel duidelijkheid te scheppen.

 

Daarnaast zijn er personen die wachten op evacuatie met een visum D voor gezinshereniging, voor wie dat visum dreigt te verlopen. De FOD Buitenlandse Zaken zou de Dienst Vreemdelingenzaken contacteren om na te gaan of die visa verlengd kunnen worden, zodat er perspectief blijft op evacuatie.

 

Kortom, er is veel onzekerheid en sprake van een zeer penibele en pijnlijke situatie. Mijn vragen zijn dan ook eenvoudig. Waarom zijn de nieuwe registraties nog altijd bevroren? Wanneer zult u duidelijkheid verschaffen aan de personen die volgens de criteria recht hebben op een evacuatie? Wanneer mogen we de resultaten verwachten van het zorgvuldig onderzoek naar oplossingen? Is de Dienst Vreemdelingenzaken gecontacteerd om na te gaan of visa voor gezinshereniging verlengd kunnen worden voor personen die wachten op een evacuatie? Wat was hun antwoord? Hoe zult u voorkomen dat personen die wachten op een evacuatie met een verlopen visum een nieuwe procedure voor gezinshereniging moeten doorlopen – kortom, een nieuwe mallemolen in gevaarlijke omstandigheden – terwijl het verkrijgen van een visum, zoals u weet, in die context allerminst evident is? Dank u wel.

 

11.02 Minister Maxime Prévot: Dank u, mevrouw Almaci. Hartelijk dank voor uw vragen over de situatie in Gaza, die mij toelaten de stand van zaken te schetsen in dit ingewikkelde en delicate dossier, dat mijn diensten nog steeds nauw opvolgen.

 

Ik wil eerst benadrukken dat ik goed besef hoe dramatisch de situatie is voor alle betrokkenen. De inwoners van Gaza leven nog steeds in uiterst moeilijke en gevaarlijke omstandigheden. Voor de gezinsleden in België zorgt het gebrek aan perspectief voor een enorme psychologische druk en groot lijden.

 

Die gezinsleden in België vragen terecht om duidelijkheid over wat België kan doen voor hun partners en kinderen die Gaza op dit moment niet kunnen verlaten. Hoezeer ik hun vanuit menselijk oogpunt die duidelijkheid ook zou willen geven, moet ik er evenzeer over waken geen valse hoop te creëren door beloftes te doen die ik niet kan waarmaken.

 

De Belgische regering heeft sinds oktober 2023 grote inspanningen geleverd om Belgen, in België erkende vluchtelingen en hun kerngezinsleden, alsook ernstig zieke kinderen en hun begeleiders, bij te staan om Gaza te kunnen verlaten. België heeft op die manier ongeveer 1.000 Palestijnen in veiligheid gebracht en behoort daarmee binnen de Europese Unie tot de landen die het hoogste aantal evacuaties uit Gaza hebben georganiseerd.

 

Evacuaties van grote groepen mensen blijven echter uitzonderlijke operaties die aanzienlijke middelen vereisen en een grote druk leggen op de betrokken diensten. Bij die operaties moet rekening worden gehouden met de onvoorspelbare evoluties op het terrein en met een groot aantal parameters die vaak buiten onze controle vallen. Om al die redenen is een nieuwe evacuatieoperatie in de huidige omstandigheden geen realistische optie. Mijn diensten onderzoeken alle mogelijke opties, niet alleen voor die personen, maar ook voor andere categorieën van personen die het recht op toegang tot ons grondgebied hebben verkregen, zoals onderzoekers en beursstudenten.

 

De recente evoluties in het Midden-Oosten bemoeilijken en vertragen de zoektocht naar dergelijke oplossingen aanzienlijk, waardoor ik u vandaag helaas nog geen concrete elementen kan meedelen. Ik kan u enkel antwoorden dat de diensten van de FOD Buitenlandse Zaken de situatie in Gaza zeer nauw blijven opvolgen en alles zullen doen om oplossingen uit te werken zodra de omstandigheden dat toelaten.

 

Wat betreft het aantal personen met een goedgekeurd visum voor gezinshereniging verwijs ik u graag door naar mijn collega, mevrouw Van Bossuyt, die exclusief bevoegd is inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de vestiging van vreemdelingen.

 

11.03  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Ik moet zeggen dat ik toch … bon, over één ding zijn we het eens, namelijk dat de situatie op het terrein bijzonder moeilijk is en mensen in vreselijke omstandigheden op nieuws wachten.

 

Ik moet echter wel zeggen, er bestond een evacuatielijst en we erkennen de nood aan nieuwe registraties. Er zijn mensen die een visum D voor gezinshereniging hebben gekregen, maar de boodschap voor iedereen is dat er geen enkel perspectief is. Dat u zegt om maar naar mevrouw Van Bossuyt te gaan … ik moet zeggen dat ik het daar moeilijk mee heb. Ik kan u gerust het aantal mails bezorgen dat ik over die problematiek heb ontvangen, maar het gaat letterlijk om situaties van leven en dood.

 

Dat we er niet in slagen om na bijna een jaar een antwoord te bieden, is problematisch. Die context is niet nieuw, ze bestaat al drie jaar. Het enige verschil is de wissel van regering. Ik stel mij dan ook de vraag waarom vandaag niet meer kan wat toen wel mogelijk was.

 

Waarom kan een eenvoudige administratieve beslissing, die u met mevrouw Van Bossuyt zou kunnen afstemmen, namelijk het automatisch verlengen van die visa, niet worden genomen? We weten dat men daarvoor naar een ander land moet gaan en dat het ontzettend moeilijk het is om Gaza te verlaten en opnieuw binnen te geraken.

 

Ik ben echt aangedaan door het feit dat we deze mensen geen enkel perspectief kunnen bieden. U moet als minister van Buitenlandse Zaken eigenlijk toegeven dat u onmachtig bent, terwijl het gaat om de FOD Buitenlandse Zaken en de Dienst Vreemdelingenzaken, en terwijl we dat in het verleden wel hebben kunnen realiseren.

 

Ik heb het dan ook bijzonder moeilijk met die boodschap. Ik kan alleen maar hopen dat u snel met mevrouw Van Bossuyt rond de tafel gaat zitten om ten minste het meest evidente mogelijk te maken, namelijk de verlenging van die visa, en om samen te bekijken waarom wat vroeger kon, vandaag niet meer lukt.

 

Ik heb geen enkele objectieve reden gehoord waarom de situatie vandaag zoveel penibeler zou zijn dan vroeger. Dan is er ofwel sprake van een gebrek aan prioriteit, ofwel van een gebrek aan politieke wil. In beide gevallen is dat niet aanvaardbaar, want het gaat hier over mensenlevens.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

12 Vraag van Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het standpunt van de minister over de BIT's van de BLEU" (56014765C)

12 Question de Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La position du ministre concernant les ABI conclus par l'UEBL" (56014765C)

 

12.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dit is een belangrijke vraag over een technische problematiek, met name de Belgische investeringsonderhandelingen en investeringsakkoorden of de BIT’s, die binnen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie worden afgesproken.

 

Dat zijn bilaterale verdragen. Met die verdragen zijn er twee categorieën van problemen. Ze bestaan al heel lang en er zijn er ook al heel veel.

 

Een eerste probleem is het acute probleem, waarvoor onze fractie al sinds 2023 waarschuwt, namelijk dat Rusland, de Russische oligarchen en verschillende Russische actoren, die verdragen misbruiken om Oekraïne te raken en het Europese sanctiebeleid te ondermijnen. Daar zijn een aantal voorbeelden van. Een Luxemburgse holding van gesanctioneerde Russische oligarchen eist op grond van de BLEU-BIT meer dan 1 miljard euro van de Oekraïense staat. Een Russische miljardair met vijf holdings in Luxemburg eist via een BLEU-BIT dat Luxemburg het Europese sanctieregime niet langer toepast en vordert 15 miljard euro plus compensatie. De BLEU-BIT met Rusland kreeg voor de kerstvakantie plots weer aandacht door het Eurocleardossier, waarbij de regering zich terecht zorgen maakte dat dat verdrag zou kunnen worden misbruikt om de Belgische staat aan te klagen voor een eventueel gebruik van de bevroren Russische tegoeden bij Euroclear.

 

Het gaat echter om meer dan alleen misbruik door Rusland. Ook andere landen en minder evidente partners kunnen op die verdragen een beroep doen.

 

Een grondige analyse van al die zaken in kwestie werd al in het voorjaar van 2024 door onze fractie in verschillende parlementen gepresenteerd en bevestigd door een analyse van De Tijd. Daaruit bleek heel duidelijk dat een grote meerderheid van de zaken werd aangespannen door brievenbusfirma’s, oligarchen, allerlei oorlogsmisdadigers en bedrijven die zijn veroordeeld voor ernstige corruptie.

 

Kortom, de BLEU-BIT’s en de BIT’s tout court zijn een probleem waaraan wij paal en perk moeten stellen.

 

Mijnheer de minister, zult u werk maken van de volgende acties om geen nieuwe BIT’s meer  te sluiten, de hangende verouderde BIT’s niet te ratificeren, systematisch de bestaande akkoorden op te zeggen die aan het einde van hun looptijd komen en, wanneer opzegging niet mogelijk is, werk te maken van een gezamenlijke stopzetting van het akkoord in samenspraak met het derde land en daarbij telkens ook de zogenaamde sunset clauses te neutraliseren?

 

Zult u specifiek met betrekking tot Rusland alle bilaterale investeringsverdragen van de EU-lidstaten met Rusland en Wit-Rusland beëindigen, waaronder dus ook onze verdragen, als signaal dat een normalisering niet in zicht is? Die laatste vraag is belangrijk na de communicatie dat wij met Rusland dringend moeten praten over Oekraïne.

 

Ten slotte, zult u werk maken van de versterking van het sanctiepakket, zodat ook sanctiegerelateerde ISDS-uitspraken tegen Oekraïne niet afdwingbaar zijn, en van het bieden van financiële en juridische steun aan Oekraïne, zodat het zich grondig kan verdedigen tegen de vele soortgelijke zaken die tegen het land worden aangespannen?

 

12.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Almaci, sinds het Verdrag van Lissabon is de bescherming van investeringen een EU-bevoegdheid. De lidstaten kunnen echter hun oude bilaterale investeringsverdragen (BIT's) behouden, moderniseren en nieuwe sluiten, met toestemming van de Europese Commissie en zolang de EU geen investeringsbeschermingsverdrag met het betrokken land sluit.

 

Door de moeizame ratificatie en het gebrek aan nieuwe EU-investeringsakkoorden blijven nationale BIT's relevant voor de bescherming van onze economische belangen.

 

Om de bescherming die wordt geboden aan buitenlandse investeerders afdwingbaar te maken, bevatten de meeste BIT's de mogelijkheid van Investor-State Dispute Settlements. Daarmee kunnen investeerders zich wenden tot internationale arbitragetribunalen in geval van een geschil met de ontvangende staat.

 

Om tegemoet te komen aan nieuwe beleidsdoelstellingen, met name rond duurzaamheid, en om oneigenlijk gebruik van de arbitragemogelijkheden te voorkomen, hebben België en Luxemburg in maart 2023 een vernieuwde Belgium-Luxembourg Economic Union-modeltekst voor de BIT's goedgekeurd. Die modeltekst brengt op drie vlakken verbetering: een sterkere definitie van de rechten en verantwoordelijkheden van de betrokken staten en investeerders, de modernisering van de arbitragebepalingen en de opname van nieuwe sociale en duurzaamheidsnormen.

 

De nieuwe modeltekst voorziet in ISDS, maar ook in een transitiebepaling naar het gebruik van een multilateraal investeringshof. Zodra het is opgericht, zal dat investeringshof arbitrageprocedures consistenter maken door de huidige ad-hoctribunalen te vervangen.

 

Verschillende derde landen hebben alvast hun wens uitgedrukt om tot onderhandelingen of heronderhandelingen op basis van die nieuwe modeltekst over te gaan. Momenteel wordt de opportuniteit en haalbaarheid daarvan onderzocht.

 

Een algemene opzegging van onze BIT's wordt daarentegen niet overwogen. De ratificatie van verdragen waarover werd onderhandeld op basis van de oude modeltekst maar die nog niet zijn geratificeerd, is evenmin voorzien.

 

Met betrekking tot uw vraag over de BIT’s in de context van Ruslands agressie tegen Oekraïne, kan ik bevestigen dat ons land en Luxemburg een BIT met Rusland hebben dat dateert van 1989.

 

In verband met een eventuele opzegging moeten de voor- en nadelen worden bekeken. Die analyse toont aan dat het niet relevant en zelfs contraproductief of gevaarlijk is voor onze bedrijven om dat verdrag op te zeggen. Een belangrijk feit is dat door de sunset clause in het verdrag dat nog vijftien jaar na een unilaterale opzegging van toepassing zal blijven op bestaande investeringen. We constateren in ieder geval dat van de achttien EU-landen die een BIT met Rusland hadden, tot nog toe enkel Litouwen heeft aangegeven dat te zullen opzeggen.

 

De toepassing van de EU-sanctieregels impliceert reeds dat uitbetalingen van eventuele arbitrage-uitspraken aan gesanctioneerde Russische individuen of entiteiten niet toegelaten zouden zijn. België heeft zich steeds een loyale partner van Oekraïne getoond, ook door de nauwgezette uitvoering van de sancties die daaromtrent op Europees niveau worden besloten. We staan steeds open voor verzoeken van onze Oekraïense partner om assistentie, op basis van de prioriteiten en noden die Oekraïne zelf identificeert.

 

12.03  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, we hebben een resolutie over die problematiek ingediend en daarover zijn adviezen van experts binnengekomen. Ook experts die door de meerderheid werden aangesteld, geven aan dat we dat dringend moeten aanpassen en dat we daar zo ver mogelijk van moeten wegblijven.

 

Ik weet dat er een zogenaamde modernisering is gebeurd, maar het probleem blijft dat de right to regulate buiten de normale rechtsorde valt. Investeerder-staatsgeschillen worden immers beslecht buiten de reguliere rechtspraak, in een soort arbitragesysteem dat mogelijk maakt dat investeerders, wanneer ze menen dat hun belangen worden geschaad, landen voor de rechtbank kunnen dagen en zware boetes kunnen eisen. Dat is de techniciteit achter die ISDS, de investeerder-staatgeschillenbeslechting, die via die BIT's wordt geregeld.

 

Daarin schuilt wel degelijk een groot gevaar. Oekraïne is zelf vragende partij om die BIT's met Rusland te herbekijken, omdat het geconfronteerd wordt met miljardenclaims.

 

Naar aanleiding van de bevriezing van de tegoeden binnen Euroclear hebben vier Russische oligarchen ook een claim ingediend tegen ons land, een notice of dispute tegen België. Er geldt eerst een afkoelingstermijn, maar die termijn is inmiddels verstreken. Dat is dus een ernstig probleem.

 

De nieuwe, gemoderniseerde versie is een doekje voor het bloeden, want de sociale en ecologische elementen daarin blijven nog altijd ondermaats. Als we een ambitieuzer klimaatbeleid willen voeren of een sterker sociaal beleid willen uitwerken dat ingaat tegen bepaalde strategische investeringen, dan vormen die vehikels buiten de normale rechtspraak om een middel om ons land onder druk te zetten. Eén individueel bedrijf of één oligarch, denk maar aan Elon Musk, zal er geen moeite mee hebben om dat te blijven doen.

 

Dat soort systemen is achterhaald, ondemocratisch en vormt een reëel gevaar voor onze economie in een wereld waarin oligarchen steeds minder scrupules hebben en zich helemaal niet aan mensenrechten houden, wat ze zelfs met trots uitspreken. Ik heb daarnet nog Palantir aangehaald. Stel dat wij plots een andere beslissing nemen op het vlak van Defensie, en men stelt dat dat hun investeringen schaadt? Het gaat dus over dat soort debatten.

 

Ik roep u op om onze resolutie en vooral de adviezen naar aanleiding daarvan grondig te lezen en u in die technisch complexe materie in te werken, want dat zal op uw bord terechtkomen, niet het minst door de claim van die vier oligarchen, maar ook door andere problematieken.

 

We hopen dat de regering voorbij de techniciteit kijkt en zich niet in slaap laat wiegen door de zogenaamde modernisering van een misschien een Europees voornamelijk handelsgedreven systeem dat niet meer aangepast is aan deze tijd en dat op termijn onze handelsbelangen mogelijk meer kan schaden dan we denken, zeker als we een nieuwe economie willen vormgeven. Ik hoop echt dat u zowel het acute probleem als het langetermijnprobleem ernstig aanpakt en niet zomaar naast u neerlegt. Het is veel minder een ideologisch debat dan sommigen doen uitschijnen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van Meyrem Almaci aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord EU-VAE" (56014791C)

13 Question de Meyrem Almaci à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les négociations sur l'accord de libre-échange entre l'UE et les Émirats arabes unis" (56014791C)

 

13.01  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): We hebben het daarnet al even over de Verenigde Arabische Emiraten gehad. In mei 2025 zijn de onderhandelingen opgestart met betrekking tot een vrijhandelsovereenkomst, een FTA, tussen de Europese Unie en de Verenigde Arabische Emiraten. Die onderhandelingen roepen vragen op, omdat de Verenigde Arabische Emiraten wapens en logistieke en financiële steun hebben geleverd aan de Rapid Support Forces, die mee aan de basis liggen van de genocide in Soedan en de verschrikkelijke ontheemding daar.

 

De VN Fact-Finding Mission on Sudan concludeerde dat de acties van de RSF in Al-Fasher eind 2025 neerkomen op oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en aanwijzingen van genocidale intenties. Er zouden ook wapens via de Verenigde Arabische Emiraten zijn omgeleid naar RSF-operaties. Soedan heeft de Verenigde Arabische Emiraten dan ook aangeklaagd bij het ICJ, het Internationaal Hof van Justitie, wegens vermeende steun aan genocidaal geweld.

 

Een dergelijke vrijhandelsovereenkomst dreigt de geloofwaardigheid van de Europese Unie en haar lidstaten, dus ook die van ons, op het vlak van mensenrechten, conflictpreventie en verantwoord ondernemen te ondermijnen. Ze zou kunnen worden geïnterpreteerd als tolerantie voor gedrag dat bijdraagt aan een van de zwaarste humanitaire crises wereldwijd, zo niet de zwaarste die we op dit moment kennen, van alle stille conflicten en conflicten tout court. Nochtans is de EU op grond van de Europese verdragen juridisch verplicht om mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en conflictpreventie te integreren in al haar externe optredens, inclusief haar handelsbeleid.

 

Welke economische meerwaarde verwacht de regering van een dergelijk vrijhandelsakkoord met de Verenigde Arabische Emiraten?

 

Wordt in de beoordeling rekening gehouden met mogelijke risico’s op het vlak van mensenrechten, reputatieschade en geopolitieke stabiliteit en vooral met nog meer menselijk leed in Soedan? Er was eerder ook Jemen. Er zijn helaas wel meer conflicten waar de Verenigde Arabische Emiraten hun belangen laten primeren op mensenrechten.

 

Hoe beoordeelt de federale regering de lopende onderhandelingen tussen de EU en de Verenigde Arabische Emiraten over een vrijhandelsovereenkomst in het licht van die betrokkenheid bij het conflict in Soedan en de vaststellingen van de VN Fact-Finding Mission on Sudan? Vindt u het voortzetten van de onderhandelingen verenigbaar met de Europese verplichtingen?

 

Welke positie neemt België in binnen de Raad met betrekking tot die onderhandelingen? Welke initiatieven nemen we om te waarborgen dat het akkoord afhankelijk wordt gemaakt van bindende, afdwingbare en meetbare voorwaarden met betrekking tot mensenrechten, arbeidsrechten, conflictgerelateerde benchmarks, monitoring, sanctiemechanismen, de extractie van mineralen enzovoort?

 

Wat is de huidige stand van zaken en de tijdslijn van de onderhandelingen zoals de Europese Commissie die voorziet?

 

Op welke momenten worden de lidstaten – en dus ook wij – formeel betrokken bij de verdere besluitvorming over dit vrijhandelsakkoord? Wanneer komt het Trade Policy Committee hierover opnieuw samen?

 

13.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Almaci, de onderhandelingen voor een vrijhandelsakkoord en een strategisch partnerschapsakkoord tussen de EU en de Verenigde Arabische Emiraten starten respectievelijk in mei en december 2025. De zesde formele onderhandelingsronde voor een vrijhandelsakkoord vindt deze week plaats in Brussel.

 

Het onderhandelingsteam van de Europese Commissie brieft het Trade Policy Committee op regelmatige basis, meestal vóór en na de formele onderhandelingsrondes. Er is nog geen tijdslijn of einddatum voor de onderhandelingen vastgelegd. De Commissie geeft echter wel aan dat de onderhandelingen stroef verlopen.

 

De Europese Commissie is officieel gemachtigd, met goedkeuring van de lidstaten, om namens de EU te onderhandelen over het vrijhandelsakkoord. De overeenkomst moet bepalingen bevatten over internationaal overeengekomen beginselen, regels en normen op het gebied van onder meer mensenrechten en arbeid. België erkent het belang van open en strategische autonomie voor de EU om ons netwerk van strategische partnerschappen te versterken, onze toeleveringsketens te diversifiëren en extra markttoegang in derde landen te creëren.

 

Daarom steunt België de Commissie in de zoektocht naar zowel strategische partnerschapsakkoorden met de landen van de Gulf Cooperation Council (GCC), waaronder de Emiraten, als naar vrijhandelsakkoorden met de regio en met de verschillende landen van de GCC, inclusief de Emiraten. België benadrukt het belang van ambitieuze, open, evenwichtige en bindende hoofdstukken, met een passend geschillenbeslechtingsmechanisme.

 

België hecht grote waarde aan de effectieve en efficiënte uitvoering van alle bepalingen en hoofdstukken, zonder onnodige administratieve lasten te creëren. België streeft naar een duurzame wereldhandel, gebaseerd op eerlijke regels, respect voor mensenrechten en de opname van sociale en ecologische normen, zoals toegepast door de Commissie in vrijhandelsovereenkomsten.

 

De Verenigde Arabische Emiraten zijn economisch relevant.

 

Specifiek voor België kan een dergelijk akkoord export vergemakkelijken en de Belgische positie versterken in de Golf en op de doorvoermarkten.

 

Voor een concrete analyse van de economische meerwaarde verwijs ik graag naar mijn collega, minister Clarinval.

 

Tegelijkertijd houdt België toezicht op de verplichtingen die in internationale verdragen zijn aangegaan, terwijl we de soevereiniteit van alle partijen respecteren.

 

13.03  Meyrem Almaci (Ecolo-Groen): Dank u wel, mijnheer de minister. Ik zal minister Clarinval hier sowieso over ondervragen. Dat was ook mijn intentie. Alleen, wat voor mij wel belangrijk is, is dat men deze week opnieuw samenkomt. Het loopt stroef. Er is geen tijdslimiet. We moeten ons wel standvastig tonen en niet onder de lat door gaan. We moeten ervoor zorgen dat we onze mensenrechtenlat niet lager leggen, maar dat we de balans blijven bewaken tussen handelsrelaties en op geen enkele manier bijdragen tot meer menselijk leed. Meer nog, hoe kunnen we dit gebruiken als hefboom om dat menselijk leed tegen te gaan?

 

In het licht van het debat dat we eerder gevoerd hebben, wil ik daar nog eens expliciet op duwen, om te tonen dat er verschillende wegen zijn om met een land te onderhandelen. Ook voor die andere landen is handel een belangrijk element. Laten we dat als hefboom gebruiken om het beter te doen, ook op het vlak van mensenrechten, ook in Soedan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het handelsakkoord met Australië" (56014808C)

14 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'accord commercial avec l'Australie" (56014808C)

 

14.01  Katrijn van Riet (N-VA): Ik wil mij vooreerst verontschuldigen omdat ik hier niet vroeger was. Ik zat echter in een hoorzitting in de zaal hiernaast en die heeft nogal lang geduurd.

 

Mijnheer de minister, de Europese Unie versnelt haar handelsagenda met diverse handelsakkoorden, onder meer met Australië. In de commissie hebben we gepleit om het belang van dergelijke akkoorden te erkennen. Ze versterken immers onze open economie, bieden kansen voor exportbedrijven en passen binnen een bredere samenwerking tussen gelijkgezinde democratieën in een steeds instabielere wereld. Het recente akkoord met Australië illustreert dat duidelijk. In dat kader heb ik enkele vragen.

 

Hoe beoordeelt u, vanuit het Belgisch economische belang, het evenwicht in dit akkoord tussen industriële opportuniteiten en landbouw? Wat zijn volgens u de belangrijkste gamechangers?

 

Welke concrete impact verwacht u voor de Vlaamse en Waalse landbouwsector, in het bijzonder voor de veeteelt, rekening houdend met de cumulatie van quota uit verschillende handelsakkoorden? Er zijn immers al verschillende akkoorden, wat heel goed is, maar hoe zullen we dat analyseren?

 

Zult u binnen de Europese besluitvorming pleiten voor een systematische en transparante impactanalyse van handelsakkoorden op onze landbouwsector? Hoe zult u erop toezien dat er effectieve wederkerigheid is inzake sanitaire, milieu- en productiestandaarden zodat een gelijk speelveld gegarandeerd blijft?

 

Welke zijn volgens u de belangrijkste mechanismen die in het verdrag ter bescherming hiervan zijn ingebouwd? Op welke manier zult u binnen Europa verdedigen dat strategische handelsakkoorden een evenwichtige versterking van onze volledige economie beogen?

 

14.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw van Riet, zoals u weet werden de onderhandelingen pas vorige maand door mevrouw von der Leyen en haar Australische evenknie, Anthony Albanese, afgerond. Ik verwijs naar mijn eerdere antwoorden in dit Parlement.

 

In principe heeft ons land altijd de onderhandelingen over deze vrijhandelsovereenkomst met Australië gesteund, omdat het een gelijkgestemde partner is. Deze overeenkomst is daarom relevanter dan ooit in de huidige mondiale context, die wordt gekenmerkt door fragmentatie, concurrentie en onvoorspelbaarheid.

 

De teksten die we op 31 maart hebben ontvangen, zullen nu door de FOD Economie worden geanalyseerd. Die analyse neemt echter tijd in beslag. Het is daarom nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over de balans tussen de positieve en de minder voordelige elementen.

 

Bovendien wachten we nog steeds op het tijdschema voor de tariefliberalisering, wat uiteraard een centraal element in onze analyse van de impact zal zijn. We rekenen op deze overeenkomst om de veerkracht van onze kritieke grondstoffen en toeleveringsketens te versterken, die essentieel zijn voor onze open strategische autonomie en onze overgang naar een duurzame economie.

 

Tegelijk is de cumulatieve impact van de concessies in de landbouwsector ook een belangrijk aandachtspunt voor België. De cumulatieve impactstudies van de Commissie, de laatste dateert uit 2024, vormen de basis voor de analyse. We blijven alert voor de zorgen van de landbouwsector. De sanitaire en fytosanitaire normen zullen in het akkoord worden gerespecteerd en zullen voor een versterking van de bilaterale samenwerking zorgen, met name via de sanitaire en fytosanitaire standaard. Dat is het SPS-hoofdstuk.

 

Wat de wederkerigheid in de naleving van gezondheids-, milieu- en productienormen betreft, herinner ik u eraan dat elk product dat de Europese markten betreedt, moet voldoen aan de eisen die door de relevante EU-wetgeving zijn vastgesteld.

 

Het hoofdstuk Trade and sustainable development bevat onder andere de principes van niet-achteruitgang en voorzorg en zorgt voor het respecteren en uitvoeren van internationale verplichtingen op het vlak van goed beheer, arbeidsrechten, milieu en klimaat.

 

Deze hoofdstukken zijn onderworpen aan het geschillenbeslechtingsmechanisme van de overeenkomst, dat de naleving van de respectieve verplichtingen waarborgt. De overeenkomst bevat ook een hoofdstuk over duurzame landbouw en voedselsystemen om samen te werken op belangrijke kwesties, zoals dierenwelzijn of antimicrobiële resistentie.

 

14.03  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We zullen afwachten wat de FOD Economie zal zeggen. Onze fractie juicht dergelijke handelsakkoorden toe, maar we moeten waakzaam blijven.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

15 Vraag van Sandro Di Nunzio aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De plaats van steden in de volgende EU-meerjarenbegroting" (56014861C)

15 Question de Sandro Di Nunzio à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La place des villes dans le prochain budget pluriannuel de l'UE" (56014861C)

 

15.01  Sandro Di Nunzio (Anders.): Mijnheer de minister, in de steden leeft de bekommernis dat ze onvoldoende tot zelfs niet bij de volgende Europese meerjarenbegroting, die op tafel ligt, worden betrokken. Terwijl de steden een groot deel van de Europese prioriteiten, van betaalbaar wonen, mobiliteit, energie, innovatie tot sociale cohesie, waarmaken, worden de Europese middelen verdeeld op basis van nationale en regionale partnerschapsplannen. Volgens de huidige berekeningen dalen in het ontwerp van het nieuwe MFK net de middelen voor het cohesiebeleid, dus voor de fondsen die economische, territoriale en sociale samenhang moeten versterken. Steden dreigen dus meer verantwoordelijkheid te krijgen, maar met minder Europese slagkracht. Voor een sterk verstedelijkt land als België kan dat een politieke keuze met grote gevolgen zijn. Als Europa ernstig wil inzetten op competitiviteit, transitie en sociale samenhang, dan moet dat ook zichtbaar zijn in de manier waarop steden worden betrokken en gefinancierd.

 

Verdedigt ons land expliciet dat steden volwaardig betrokken moeten worden of laat u toe dat over steden wordt beslist zonder de steden? Worden steden concreet betrokken bij de Belgische voorbereiding? Hebt u bijvoorbeeld al overleg gepleegd met steden die aangesloten zijn bij Eurocities?

 

Wat is uw positie tegenover de eventuele afbouw van cohesiemiddelen? Steden kunnen zonder voldoende Europese middelen hun rol in woonbeleid, mobiliteit en andere domeinen onvoldoende blijven waarmaken.

 

Is ons land bereid om ook specifieke middelen voor stedenbeleid te verdedigen, met een duidelijke minimale waarborg binnen de enveloppen voor nationale en regionale partnerschappen?

 

Tot slot, bepleit u dat de steden bij de opmaak van het meerjarenplan, alsook bij de finale verdeling van de middelen, een stem aan de tafel hebben?

 

15.02 Minister Maxime Prévot: Mijnheer Di Nunzio, het volgende meerjarig financieel kader (MFK) van de Europese Unie wordt momenteel onderhandeld. De coördinatie van het Belgische standpunt wordt verzekerd door het departement waarvoor ik verantwoordelijk ben. Ik herinner eraan dat het beleid wat de Europese Unie betreft overeenkomstig onze institutionele regels wordt gecoördineerd door de bevoegde autoriteiten, namelijk de federale en de gefedereerde entiteiten. De bezorgdheden van de steden kunnen door de bevoegde autoriteiten tijdens de coördinatievergaderingen worden overgebracht.

 

Steden spelen een centrale rol bij de verwezenlijking van talrijke Europese prioriteiten, zoals toegang tot betaalbare huisvesting, duurzame mobiliteit, energietransitie, innovatie en sociale cohesie. Ons land erkent ten volle die realiteit, ten bewijze de Belgische steun voor een gemoderniseerd cohesiebeleid ten voordele van alle regio’s, met bijzondere aandacht voor de minst ontwikkelde regio’s.

 

In het kader van de lopende onderhandelingen heeft België duidelijk aangegeven dat er nog steeds voor het cohesiebeleid in een specifieke en zichtbare enveloppe moet worden voorzien. We verdedigen een hervormd en efficiënt, maar niet gemarginaliseerd cohesiebeleid. Eens het MFK 2028-2034 is goedgekeurd, zal de kwestie van specifieke middelen voor het stedelijke beleid tussen de Belgische instanties bij de opstelling van ons nationaal en regionaal partnerschappenplan moeten worden behandeld. België pleit alvast gelet op het sterk verstedelijkte karakter van ons land voor een adequate inachtneming van de stedelijke uitdagingen in de criteria voor de toekenning van de cohesiefondsen.

 

15.03  Sandro Di Nunzio (Anders.): Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Overigens gaat het om een vraag van verschillende leden van Eurocities, die zij aan de fracties in het Parlement bezorgden. Ik durf dus te hopen dat u minstens op een gegeven moment met uw beleidscel met hen in overleg wil treden. Men is er onder andere concreet om bekommerd dat, als de middelen op lidstaatniveau verdeeld worden, die mogelijk niet doorsijpelen naar steden in landen met meer autocratische regeringen, omdat die het betreffende regime minder gunstig gezind zijn. Men wil natuurlijk dat de middelen wel degelijk terechtkomen waar dat moet, ook in landen waar het moeilijker is.

 

Ik hoop te kunnen rekenen op uw engagement om met hen in dialoog te gaan en daarmee ook hun stem aan de tafel te laten horen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Een gematigde economische groei voor China in 2026" (56013928C)

16 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Une croissance économique modérée pour la Chine en 2026" (56013928C)

 

16.01  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, het jaarlijkse Nationaal Volkscongres in Peking heeft het groeidoel voor de Chinese economie vastgelegd op 4,5 % tot 5 %. Voor het eerst sinds de jaren ‘90 ligt de ondergrens onder 5 %. Naar westerse maatstaven is 5 % behoorlijk veel en we zouden een gat in de lucht springen als dat in het Westen mogelijk was. Die 5 % geeft echter aan dat de Chinese economie aan het stagneren is. ze staan voor verschillende structurele uitdagingen. Daarom gaat het zich meer toeleggen op de eigen economie, met sterke investeringen in hoogtechnologische sectoren zoals AI, kwantumtechnologie, biotechnologie, waterstof en 5G-netwerken. Als Chinezen aangeven dat ze dat wensen te doen, dan doen ze dat ook. Daar staan ze om bekend

 

Voor een open economie als de onze is het essentieel om dergelijke mondiale verschuivingen op te volgen. De combinatie van economische vertraging, technologische ambitie en geopolitieke spanningen heeft belangrijke gevolgen voor onze handelsrelaties, onze industrie en onze strategische autonomie.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de economische koerswijziging van China, waarbij het land inzet op meer economische zelfredzaamheid en een gematigder groeipad? Ziet u in de huidige heroriëntering van de Chinese economie opportuniteiten voor Belgische bedrijven? Op welke manier werkt Europa aan een handelsstrategie die haar bedrijven beter positioneert ten opzichte van China en onze economische belangen beschermt tegen oneerlijke concurrentie of overcapaciteit, bijvoorbeeld door antisubsidiemaatregelen, screening van buitenlandse investeringen, handelsdefensie-instrumenten enzovoort? Het defensiebudget van China zakt amper, terwijl de economische groei wel afneemt. Welke conclusies trekt u hieruit? Welke gevolgen ziet u voor Taiwan?

 

16.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw van Riet, dat China voor 2026 een groeidoel tussen 4,5 en 5 % vastlegt, past in een bewuste verschuiving naar kwalitatieve groei en grotere economische zelfredzaamheid, met nadruk op strategische technologieën en autonomie in alle sectoren. Tegelijk erkent de Chinese regering hardnekkige binnenlandse uitdagingen zoals zwakke consumptie, een verzwakte vastgoedsector en overcapaciteit.

 

Tegen de achtergrond van een steeds groeiende export als motor van de economie heeft dit geresulteerd in een recordhandelsoverschot van meer dan 1.000 miljard dollar. Dat zal een impact hebben op een open economie zoals de onze. Onze kwetsbaarheden situeren zich vooral in sectoren waar de Chinese capaciteit en staatsteun het sterkst aanwezig zijn en waar onze strategische autonomie op het spel staat. Het gaat onder meer om nieuwe mobiliteit, bepaalde segmenten van elektronica, chemische producten en basisgrondstoffen voor geneesmiddelen.

 

Ik benadruk dat China voor Europese en Belgische ondernemingen een belangrijke afzet en toeleveringsmarkt blijft, maar de Chinese focus op technologische zelfredzaamheid en het ruime gebruik van staatsteun maken de marktomgeving minder voorspelbaar en vergroten de prijsdruk in verschillende sectoren. We worden met andere woorden geconfronteerd met een ongelijk speelveld.

 

Daarom volgt de Europese Unie een koers van de-risking. De relatie met China blijft open, maar risico’s en oneerlijke concurrentie worden beperkt. Dat gebeurt via een reeks instrumenten zoals handelsverdedigingsmaatregelen en monitoring van uitgaande investeringen. Tegelijk versterken de Net-Zero Industry Act, de Critical Raw Materials Act en het RESourceEU-actieplan de Europese productie en toelevering in strategische waardeketens. Begin maart werd ook de Industrial Accelerator Act gepubliceerd, die een kader wil creëren ter versterking van de ontwikkeling, het concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese maakindustrie.

 

Men mag niet vergeten dat er naast risico’s ook opportuniteiten te ontwaren zijn voor Belgische bedrijven die actief zijn in China. Een belangrijke discussie gaat over technologietransfers bij het aantrekken van Chinese buitenlandse investeringen. Op die manier kan het Chinese leiderschap in bepaalde strategische sectoren worden benut om onze eigen industrie te versterken.

 

Zoals ik heb uitgelegd, moeten de Europese grondstoffen- en industrieagenda en onze eigen investerings- en exportcontroles die risico’s beperken. België werkt daartoe samen op twee niveaus, namelijk op EU-niveau via de genoemde instrumenten en nationaal via de interfederale screening van buitenlandse investeringen in gevoelige sectoren.

 

Met betrekking tot het Europees-Chinees investeringsakkoord, het Europees Parlement heeft het proces in 2021 bevroren zolang de Chinese sancties tegen EU-actoren van kracht zijn. Ook na een gedeeltelijke opheffing van die sancties vorig jaar blijft het opstarten van discussies op korte termijn niet realistisch.

 

Om Belgische exporteurs en innovatie-kmo’s te ondersteunen bij het betreden van strategische Aziatische markten, is de economische diplomatie voor mij een prioriteit. Zo begeleiden onze posten bedrijven, in nauwe samenwerking met de gewestelijke agentschappen. We hebben daarbij specifieke aandacht voor sectoren die van strategisch belang zijn voor ons land en proberen zo goed mogelijk te waken over het soms moeilijke evenwicht tussen het bevorderen van onze economische belangen enerzijds en het beschermen van onze kritieke sectoren en technologieën anderzijds.

 

Deze en tal van andere sectoren stonden centraal bij het staatsbezoek vorig jaar aan Vietnam, alsook bij de Belgische economische missie naar India. De keuze van deze bestemmingen is een indicatie van het belang dat ons land en onze diplomatie hechten aan de Aziatische markten, zeker in het licht van de verschuivende waardeketens.

 

Over de evolutie van de Chinese defensie-uitgaven zal mijn collega van Defensie misschien meer kunnen zeggen, maar ik wil benadrukken dat voor België en de EU vrede en stabiliteit in de Straat van Taiwan van strategisch belang blijven.

 

We zijn gekant tegen elke eenzijdige wijziging van de status quo door dwang of geweld en pleiten voor dialoog.

 

16.03  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

Duizend miljard dollar als handelsoverschot is inderdaad een triest record te noemen en wij zullen de impact daarvan ook voelen. U had het over enkele instrumenten die de Europese Commissie wil aanwenden om aan de-risking te doen. U had het over exportcontroles, maar bedoelde u niet importcontroles?

 

De economische diplomatie als prioriteit ondersteun ik en ik zou dat zeker ook onderstrepen tijdens de handelsmissies.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De gebrekkige cyberveiligheid van België" (56014192C)

17 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La cybersécurité défaillante en Belgique" (56014192C)

 

17.01  Katrijn van Riet (N-VA): Verschillende media berichten dat Russische staatshackers wereldwijd pogingen doen om accounts van politici, militairen, ambtenaren en journalisten te compromitteren. Ze doen dat vaak via populaire apps zoals WhatsApp en Signal. In België verklaarde generaal-majoor Pierre Ciparisse dat onze militairen elke week te maken krijgen met miljoenen cyberaanvallen vanuit de Russische Federatie, de Volksrepubliek China, Iran en Noord-Korea.

 

Het gaat dan niet alleen over klassiekers zoals spyware of sabotage via malware, maar ook over het uitoefenen van invloed op de publieke opinie via sociale media of aanvallen met gebruik van AI. Onze westerse samenlevingen gaan kennelijk nog altijd onbedachtzaam om met digitale afhankelijkheden en het malafide gebruik ervan door andere machten. Wanneer kritieke data massaal in handen komen van autoritaire regimes, ontstaat niet alleen een privacyprobleem, maar ook een geopolitiek veiligheidsrisico. Zeker voor een land als België, met de haven van Antwerpen als logistieke hub voor de NAVO, is digitale weerbaarheid van strategisch belang.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onze veiligheidsdiensten over de toegenomen cyberdreiging tegen Belgische politici, militairen en overheidspersoneel vanuit derde landen?

 

Heeft België via diplomatieke kanalen al signalen of boodschappen overgemaakt aan de betrokken landen die gelinkt worden aan dergelijke cyberactiviteiten, zoals ik ze net heb opgesomd?

 

Welke initiatieven neemt de regering op Europees niveau om het massaal verzamelen van data door Chinese digitale platformen tegen te gaan?

 

Ik heb mijn vraag wat ingekort om de spreektijd te beperken. Dank u wel voor uw antwoord.

 

17.02 Minister Maxime Prévot: Mevrouw van Riet, toegenomen cyberdreigingen zijn helaas een realiteit die we overal in Europa zien en dus ook in België. We delen die bezorgdheid, maar ik wens te benadrukken dat ons land niet stil zit. België werkt intensief samen met alle bevoegde overheden en in het bijzonder met het Centrum voor Cybersecurity België om onze weerbaarheid voortdurend te versterken.

 

Ik wil hierbij een belangrijk feit onderstrepen. België staat in de National Cyber Security Index 2025 op de vijfde plaats wereldwijd. Dat is een objectieve bevestiging dat ons land een solide en performant cyberveiligheidskader heeft uitgebouwd. Het beeld van een zogenaamd gebrekkige cyberveiligheid, zoals de titel van uw vraag suggereert, klopt dus niet met de realiteit.

 

Bij een ernstig cyberincident bestaat er zowel operationeel als diplomatiek een zeer nauwe samenwerking tussen de Europese Unie en de NAVO. Cyberdreigingen stoppen niet aan de grens. Daarom is gezamenlijke weerbaarheid de enig juiste aanpak. Binnen deze internationale kaders worden analyses gedeeld, dreigingen in kaart gebracht en responsmechanismen gecoördineerd.

 

De Europese Unie volgt wereldwijd de digitale ontwikkelingen op de voet, zowel van Chinese digitale platformen als van het globaal digitale verkeer. Ze neemt bovendien belangrijke regulerende initiatieven, onder meer om de privacy van Europese burgers te beschermen.

 

Samen met de 26 andere lidstaten werkt België intensief samen met de Europese instellingen. Bij cyber- en digitale dreigingen is het cruciaal dat onze collectieve weerbaarheid zo sterk mogelijk blijft, omdat cybercriminelen steeds op zoek gaan naar de zwakste schakel.

 

De situatie in en rond Hongarije wordt door mijn diensten, in nauwe samenwerking met de EU, zorgvuldig opgevolgd.

 

Voor mij blijft het essentieel dat de omstandigheden gewaarborgd zijn waarin de Hongaarse burgers binnen enkele weken vrij en transparant hun politieke keuze kunnen maken.

 

17.03  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, de vijfde plaats wereldwijd is inderdaad zeer goed, maar ik wil toch benadrukken dat er, ondanks die positie, nog altijd duizenden mails en hacks per dag binnenkomen bij die instanties, zoals bij journalisten, politici en militairen. Ik wil dan niet weten hoeveel miljoenen het zijn voor landen die lager op de ranking staan. We zullen onze weerbaarheid dus blijven moeten verhogen, omdat cybercriminelen steeds inventiever worden.

 

17.04  Maxime Prévot, ministre: J’ajouterai, pour le compte rendu, que la question a été reportée à plusieurs reprises. Je terminais en disant que les circonstances actuelles étaient incertaines sur le choix qui serait posé par les Hongrois. Entretemps, il a été posé. Il est transparent, et on peut s’en réjouir.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Samengevoegde vragen van

- Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De verkiezingen in Hongarije" (56015010C)

- Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De verkiezingen in Hongarije en de overwinning van Péter Magyar" (56015078C)

- Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het verkiezingsresultaat in Hongarije" (56015199C)

18 Questions jointes de

- Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les élections en Hongrie" (56015010C)

- Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les élections en Hongrie et la victoire de Péter Magyar" (56015078C)

- Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le résultat des élections en Hongrie" (56015199C)

 

18.01  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, de verkiezingen in Hongarije leverden een klinkende overwinning op voor Peter Magyar met zijn partij TISZA. Orbán erkende zijn nederlaag. De Hongaarse oppositieleider Magyar beloofde in zijn overwinningstoespraak al om van Hongarije opnieuw een trouwe EU- en NAVO-bondgenoot te maken. Als eerste minister zal hij zijn eerste buitenlandse reizen brengen naar Polen en naar Brussel.

 

Ik kort de ingediende tekst van mijn vraag een beetje in en ga onmiddellijk over tot de vraagstelling.

 

Mijnheer de minister, welke implicaties heeft die verkiezingsuitslag voor de Europese werking en eenheid? Zullen we daar op korte termijn reeds resultaten van zien?

 

Ten tweede, Magyar wil de Europese Commissie overtuigen om onder meer ongeveer 17 miljard euro aan bevroren middelen vrij te maken. Dat bedrag werd ingehouden om Hongarije te dwingen om meer maatregelen tegen corruptie te nemen. Zal dat nu snel gebeuren?

 

Ten derde, hebt u contact met Belgische diplomaten ter plaatse en welke instructies geeft u hun?

 

Ten vierde, in welke tijdspanne kan volgens u de onafhankelijke rechtsstaat worden hersteld?

 

Ten vijfde, hoe zal Europa toezien op de aanpak van de aanzienlijk toegenomen corruptie in Hongarije?

 

Ten slotte, Magyar beschikt over een tweederdemeerderheid en kan dus de grondwet wijzigen. Zal hij ook beslissingen die Orbán nam met betrekking tot lgbtq+-rechten wijzigen, gelet op het feit dat het Europees Hof van Justitie gisteren nog Hongarije heeft veroordeeld voor die wet?

 

18.02  Michel De Maegd (Les Engagés): Monsieur le ministre, les élections législatives organisées le 12 avril dernier en Hongrie ont marqué un tournant politique majeur, avec la défaite du Premier ministre sortant Viktor Orbán après seize années au pouvoir, et la victoire de Péter Magyar, désormais chargé de former un nouveau gouvernement.

 

Ce scrutin a été largement interprété, en Europe, comme une volonté des électeurs hongrois de renouer avec les principes de l'État de droit et avec une relation plus constructive avec l'Union européenne.

 

Vous avez salué le résultat de ces élections, rejoignant ainsi plusieurs responsables européens qui y voient une opportunité de réengagement de la Hongrie au sein du projet européen.

 

Dans le même temps, plusieurs observateurs appellent à la prudence, soulignant que la transition politique pourrait s'avérer complexe, notamment en raison de l'héritage institutionnel des années précédentes et des équilibres politiques internes.

 

Dans ce contexte, j'aimerais vous poser les questions suivante. Quelle est l'analyse du gouvernement belge quant aux implications de ce changement politique en Hongrie pour le fonctionnement de l'Union européenne, en particulier en matière d'État de droit et de respect des valeurs fondamentales? La Belgique compte-t-elle prendre des initiatives, au niveau bilatéral ou européen, afin d'accompagner la Hongrie dans un éventuel processus de réancrage européen, notamment dans les domaines de la justice, des médias et de la gouvernance démocratique? Comment la Belgique évalue-t-elle les perspectives d'évolution de la position hongroise sur des dossiers stratégiques européens, tels que le soutien à l'Ukraine, la politique énergétique ou les décisions nécessitant l'unanimité au Conseil? Enfin, dans un contexte où des influences extérieures ont pu marquer la vie politique hongroise ces dernières années, quelle vigilance l'Union européenne peut-elle maintenir afin de garantir sa cohérence et son autonomie stratégique?

 

18.03 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Lambrecht, mijnheer De Maegd, de Hongaarse verkiezingen van 12 april waren inderdaad cruciaal, niet alleen voor de Hongaren zelf, maar ook voor de EU, waarvan het handelingsvermogen lange tijd werd belemmerd door het gebrek aan Hongaarse medewerking. Het is dan ook geen verrassing dat die verkiezingen veel aandacht hebben gekregen, ook buiten de grenzen van de EU.

 

On ne peut être qu'impressionné par la mobilisation massive du peuple hongrois qui a voté largement pour un vrai changement. C'est une preuve remarquable de vitalité démocratique qu'il y a lieu de saluer.

 

Le scrutin de ce 12 avril 2026 nous montre que la démocratie demeure le meilleur instrument de défense de l'État de droit. Préserver les élections contre les ingérences et manipulations extérieures est donc essentiel pour assurer la résilience de nos sociétés.

 

Naar aanleiding van het verkiezingsproces heeft het Hongaarse volk een ondubbelzinnig signaal gegeven en duidelijk gekozen voor verandering. Ik herinner u er echter aan dat de machtsoverdracht nog niet heeft plaatsgevonden.

 

Peter Magyar wil van Hongarije opnieuw een lidstaat maken die de Europese waarden respecteert en zich constructief opstelt in het Europese besluitvormingsproces. Een van de hoofdprioriteiten van de heer Magyar is het snel vrijmaken van de verschillende geblokkeerde Europese fondsen. Het is echter nog te vroeg om in te schatten binnen welke termijn die Europese middelen daadwerkelijk zullen worden vrijgegeven en binnen welke termijn de hervormingen ter herstel van de rechtsstaat en ter bestrijding van corruptie kunnen worden aangenomen.

 

Het is nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over de concrete beleidskeuzes van de nieuwe Hongaarse regering. Het herstel van de rechtsstaat, de versterking van de samenwerkingsgeest en het opnieuw verankeren van de fundamentele waarden vergen tijd en een coherent beleid, zelfs al zou de tweederdemeerderheid waarover de heer Magyar beschikt zijn taak daadwerkelijk vergemakkelijken. Het zal dan ook pas op middellange en lange termijn en met het nodige realisme mogelijk zijn om het optreden van de nieuwe Hongaarse regering correct te beoordelen.

 

Wel heeft Peter Magyar in zijn publieke verklaringen sinds de verkiezingen al een aantal belangrijke signalen gegeven. Hij heeft expliciet gesteld dat Oekraïne het slachtoffer is van Russische agressie en afstand genomen van de retoriek die deze verantwoordelijkheid relativeert. Tegelijk gaf hij aan te streven naar genormaliseerde en voorspelbare bilaterale relaties met Oekraïne. Op het vlak van energie kondigde Magyar geen abrupte koerswijziging aan, maar wel een geleidelijke diversificatie van energiebronnen, met als doel de afhankelijkheid van Russische energie te verminderen en de energiezekerheid te vergroten.

 

Wat betreft de vraag over de rechten van lgbtqia+-personen, Magyar verklaarde in antwoord op vragen over het verbod op Pride-manifestaties expliciet dat het recht op vergadering voor iedereen geldt. Punt. Dat wijst alvast op een erkenning van fundamentele vrijheden zonder onderscheid, al zal pas uit zijn concrete beleid en wetgevende initiatieven blijken hoe dat zich in de praktijk zal vertalen.

 

België zal de evoluties in Hongarije nauwgezet blijven opvolgen en zowel bilateraal als in Europees en multilateraal kader blijven pleiten voor de volledige eerbiediging van de rechten van de lgbtqia +-personen en van de fundamentele waarden van de rechtsstaat. Samen met onze diplomaten ter plaatse en in nauwe coördinatie met de Europese instellingen, met name de Commissie, wil België de komende maanden niet alleen de verklaringen, maar ook de concrete daden van de nieuwe Hongaarse regering om die hernieuwde Europese oriëntatie te concretiseren nauwlettend opvolgen.

 

En conclusion, si Rome ne s’est pas faite en un jour, le retour à l’État de droit en Hongrie ne se fera pas non plus du jour au lendemain, mais la Belgique peut d’ores et déjà se féliciter de la décision prise dans les urnes par le peuple hongrois et saluer le retour de la Hongrie dans la grande famille européenne.

 

18.04  Annick Lambrecht (Vooruit): Mijnheer de minister, het is inderdaad moeilijk voor u om in een glazen bol te kijken. Echter, erger dan Orban kan heel moeilijk in de huidige situatie. Laten we dus hopen dat de nieuwverkozene, de heer Magyar, meer voorstander is van democratie, wat hij al heeft aangegeven en uitgedragen. Laten we ook hopen dat de lgbtq+-rechten er in ere worden hersteld.

 

18.05  Michel De Maegd (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

Ce scrutin ouvre en effet une nouvelle page en Hongrie après 16 années de pouvoir. Le signal envoyé par les électeurs est fort et doit être entendu. Il y a donc une raison d'être optimistes quant à la possibilité d'un réengagement européen et à un retour d'un dialogue plus constructif avec l'Union européenne. Cependant, cet optimisme ne doit pas nous rendre naïfs. Les institutions hongroises ont été profondément marquées ces 16 dernières années et les attentes en matière d'État de droit sont évidemment élevées. Nous devons donc avancer avec une double exigence: d'une part, tendre la main, accompagner et encourager les évolutions, mais, d'autre part, rester vigilants aux actes et à la durée et prudents par rapport aux influences extérieures qui pourraient continuer à peser. Je vous sais attentif en la matière.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het geweld tegen christelijke gemeenschappen in Syrië" (56015049C)

19 Question de Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La violence à l'encontre des communautés chrétiennes en Syrie" (56015049C)

 

19.01  Ellen Samyn (VB): Ik verwijs naar de ingediende vraag.

 

Op 27 maart 2026 deden verontrustende beelden de ronde van geweld tegen christelijke gemeenschappen in Syrië, meer bepaald in de stad Al-Suqaylabiyah. Volgens de beschikbare informatie zou een incident tussen enkele jongeren geëscaleerd zijn, waarna een grote groep mannen later op de avond terugkeerde en vernielingen aanrichtte aan eigendommen van christenen. De feiten leidden ertoe dat kerken uit veiligheidsoverwegingen publieke palmzondag- en paasvieringen hebben afgelast.

 

Hoewel er geen gewonden vielen en veiligheidstroepen uiteindelijk ingrepen, tonen deze gebeurtenissen opnieuw de fragiele positie aan van christelijke en andere etnisch-religieuze minderheden in Syrië.

 

Tegen deze achtergrond rijzen er ernstige vragen over het Belgische beleid ten aanzien van Syrië. België heeft immers de voorbije periode stappen gezet richting een hernieuwde diplomatieke aanwezigheid in de regio, onder meer via de oprichting van een ambassadepost voor Syrië in Beiroet, en engageert zich daarnaast financieel in humanitaire en wederopbouwsteun.

 

Hoe beoordeelt u deze recente geweldsincidenten tegen christelijke minderheden in Syrië, en welke impact hebben zij op de inschatting van de veiligheidssituatie voor religieuze minderheden in het land?

 

Zal onze nieuwe ambassadepost in Beiroet die Syrië opvolgt de bijzonder fragiele situatie van de christenen en andere etnisch-religieuze minderheden in Syrië meenemen in zijn diplomatieke betrekkingen met Damascus?

 

In welke mate worden de bescherming van christenen en andere etnisch-religieuze minderheden expliciet meegenomen in de contacten van uw FOD BuZa met Syrische autoriteiten of andere actoren ter plaatse?

 

Wordt de Belgische financiële steun aan Syrië - rechtstreeks of via multilaterale kanalen - gekoppeld aan concrete voorwaarden inzake respect voor godsdienstvrijheid en de bescherming van minderheden? Zo ja, hoe wordt dit gecontroleerd en afgedwongen? Zo neen, waarom niet?

 

Bent u bereid om, in Europees of multilateraal verband, bijkomende initiatieven te nemen om de bescherming van deze minderheden te waarborgen en toekomstige incidenten te voorkomen?

 

19.02 Minister Maxime Prévot: Ik dank u, mevrouw Samyn, voor deze nieuwe vragen rond het geweld tegen de christelijke gemeenschap.

 

De bevordering en bescherming van mensenrechten vormen een prioriteit van het Belgisch en Europees buitenlands beleid. Hiertoe behoort ook de vrijheid van godsdienst of geloof. De kwestie van christelijke minderheden kan dus niet los worden gezien van de bescherming van alle minderheden en de eerbiediging van de mensenrechten in het algemeen.

 

Tegen de achtergrond van een historisch diverse en gevoelige religieuze samenstelling en de recente machtswissel blijven verschillende minderheden, waaronder christelijke, Druze, Alawitische en Koerdische gemeenschappen, bezorgd over inclusiviteit, de neutraliteit van de veiligheidsdiensten en de daadwerkelijke bescherming van hun rechten.

 

De recente geweldincidenten tegen christelijke gemeenschappen in Syrië, waaronder aanvallen door extremistische groeperingen tijdens de paasvieringen, zijn dan ook bijzonder verontrustend. Het waarborgen van de veiligheid van alle burgers zonder onderscheid blijft in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Syrische autoriteiten.

 

In dat verband is het positief dat president Al-Sharaa zich publiekelijk heeft uitgesproken ter gelegenheid van Pasen, onder meer via een boodschap waarin hij de christelijke gemeenschappen zijn wensen overbracht en het belang van vrede en samenleven benadrukte. Ons land blijft uiterst waakzaam over de manier waarop de engagementen van de overgangsautoriteiten werden uitgevoerd en evolueren. In onze bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten stelt België de kwestie van inclusiviteit en de bescherming van de rechten van alle Syriërs centraal in de besprekingen.

 

Belgische financiële steun aan Syrië verloopt hoofdzakelijk via humanitaire organisaties en is strikt gebonden aan de humanitaire principes, waaronder neutraliteit en onpartijdigheid. Waar mogelijk worden voorwaarden inzake mensenrechten, inclusiviteit en bescherming van kwetsbare groepen meegenomen en opgevolgd via de controlemechanismen van de betrokken multilaterale partners.

 

Rechtstreekse budgettaire steun aan Syrische staatstructuren is niet aan de orde. Onze post in Beiroet, die Syrië opvolgt, besteedt in haar verslaggeving over de mensenrechtensituatie in haar ambtsgebied de gepaste aandacht aan deze problematiek. Zij onderhouden daarvoor eveneens contacten met het maatschappelijk middenveld, waartoe ook vertegenwoordigers van religieuze en andere minderheden behoren.

 

19.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, u hebt uitgebreid geantwoord op mijn vragen, waarvoor dank. Het is goed dat de situatie ter plaatse wordt opgevolgd. Het gaat niet alleen over christenen, maar ook over andere minderheden. Ik vraag u om dat verder te blijven opvolgen.

 

We mogen ervan uitgaan dat veiligheid, godsdienstvrijheid en rechtsbescherming aandachtspunten blijven. De recente gebeurtenissen in Al-Suqaylabiyah tonen aan hoe broos de situatie nog altijd is. Eén incident was blijkbaar opnieuw voldoende om spanningen te doen oplaaien, met vernielingen, intimidaties en het afgelasten van religieuze vieringen tot gevolg.

 

Mijnheer de minister, u zult dat ongetwijfeld ook gevolgd hebben. Vandaag stelde de Europese Commissie voor om de samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en Syrië volledig te hervatten. Dat past in een ruimer kader van meer samenwerking, steun voor transitie, humanitaire hulp en economisch herstel.

 

Daar ligt ook onze bezorgdheid. De vrees bestaat dat op die manier het Syrische regime stap voor stap wordt genormaliseerd, terwijl fundamentele vragen over onder meer de bescherming van minderheden nog altijd niet zijn opgelost.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Samengevoegde vragen van

- Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De vertraging of afzwakking v.d. verklaring inzake het strategisch partnerschap België/Armenië" (56015065C)

- Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De vrede tussen Armenië en Azerbeidzjan" (56015373C)

20 Questions jointes de

- Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le retard ou l'affaiblissement de la déclaration de partenariat stratégique Belgique/Arménie" (56015065C)

- Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La paix entre l'Arménie et l'Azerbaïdjan" (56015373C)

 

20.01  Ellen Samyn (VB): Recent bereikte mij verontrustende informatie over de stand van zaken van de Verklaring inzake Strategisch Partnerschap tussen België en Armenië.

 

Volgens die informatie zou uw kabinet momenteel niet geneigd zijn om deze verklaring verder af te ronden, ondanks het aanzienlijke voorbereidende werk dat reeds werd verricht en ondanks het feit dat hierover al geruime tijd verwachtingen bestaan aan Armeense zijde.

 

Als alternatief zou worden gedacht aan een beperkter kader van regelmatige politieke consultaties met het Armeense ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat lijkt evenwel moeilijk vergelijkbaar met de politieke draagwijdte en ambitie van een volwaardige Verklaring inzake Strategisch Partnerschap.

 

Dat roept des te meer vragen op omdat een dergelijke terughoudendheid haaks lijkt te staan op eerdere politieke signalen en engagementen om de Belgisch-Armeense relaties verder te verdiepen. Armenië bevindt zich in een bijzonder kwetsbare geopolitieke context, en net daarom is duidelijkheid over de Belgische houding van belang.

 

1. Klopt het dat de finalisering van de Verklaring inzake Strategisch Partnerschap met Armenië momenteel wordt afgeremd of herbekeken?

2. Welke elementen liggen aan de basis van die gewijzigde houding?

3. Werd binnen uw kabinet of binnen de FOD Buitenlandse Zaken bewust gekozen voor een voorzichtiger benadering om een zogenaamd “evenwicht" in de regio te bewaren?

4. Hoe verhoudt een eventuele afzwakking van deze verklaring zich tot eerdere politieke engagementen en tot de duidelijke wil binnen de Kamer van Volksvertegenwoordigers om het partnerschap met Armenië verder te versterken?

5. Bent u bereid alsnog de nodige stappen te zetten om de Verklaring inzake Strategisch Partnerschap op korte termijn af te ronden?

 

20.02  Els Van Hoof (cd&v): Het is belangrijk dat er binnenkort een Europese topontmoeting plaatsvindt in Yerevan waarbij ook een duurzame vrede tussen Armenië en Azerbeidjan aan bod zal komen. Vorige week keurden we daarover nog een resolutie goed in het Parlement. Het lot van de Armeense politieke gevangenen is al aan bod gekomen. In mijn vraag verwees ik ook naar het belang om de betrekkingen tussen Armenië en België te versterken. Het vrijlaten van de Armeense politieke gevangenen werd inderdaad al eerder aangekaart, maar moet ook in dit verband opnieuw worden besproken. Daarnaast is er het openen van consulaire diensten in Yerevan. Wat is daarvoor de verwachte timing?

 

Tot slot is er een groot draagvlak om de samenwerking met Armenië te versterken via samenwerkingsakkoorden. Hoe kunnen bijvoorbeeld bedrijven zoals IMEC daar aan de slag gaan? Om die samenwerkingen te concretiseren, is het ook van belang – gezien de sterk uitgebouwde techsector – dat er geen risico’s zijn.

 

Tot enkele jaren geleden kon men daar iets over zeggen, maar vandaag geldt nog altijd een reisadvies van verhoogde waakzaamheid. Ik denk dat men dit moet durven aanpassen vanuit de FOD Buitenlandse Zaken, aangezien er de laatste twee jaar geen schermutselingen meer zijn geweest.

 

20.03 Minister Maxime Prévot: Mevrouw Samyn, mevrouw Van Hoof, de duidelijke wil van de Kamer om het partnerschap met Armenië te versterken, is wel degelijk heel goed genoteerd. Ikzelf en de regering maken daar werk van. Concreet belde ik deze week nog met de Armeense minister van Buitenlandse Zaken.

 

Premier De Wever zal begin mei naar Yerevan reizen voor de Europese Politieke Gemeenschap. De premier en ikzelf kwamen overeen dat hij van dat werkbezoek gebruik zal maken om het gebouw van de Belgische ambassade in te huldigen, wat een heel heuglijke actie is voor de concrete versterking van ons partnerschap met Armenië. Bovendien zal eind april 2026 een consulaire sectie worden geopend binnen onze ambassade in Yerevan.

 

Premier De Wever heeft tijdens de Europese Politieke Gemeenschap een onderhoud gepland met zijn Armeense ambtgenoot. Hij zal de Belgische steun voor het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan duidelijk uitdrukken.

 

Wat het aandringen bij Azerbeidzjan betreft, is het onzeker of president Aliyev aanwezig zal zijn op de Europese Politieke Gemeenschap in Jerevan.

 

Inzake de vraag over een strategisch partnerschap sluit België wegens onze gesofisticeerde federale structuur over het algemeen geen strategische partnerschappen met andere landen.

 

Wat de volgende stappen in onze relatie met Armenië betreft, hebben wij Armenië voorgesteld een Memorandum of Understanding te sluiten over de versterking van onze regelmatige bilaterale politieke consultaties.

 

Binnen de FOD is een horizontale herziening aan de gang om tot een modelmemorandum te komen. Armenië kan het allereerste land zijn waarmee België dat nieuwe modelmemorandum sluit.

 

Ik dank u voor uw aandacht betreffende het reisadvies voor Armenië. Ik kan hier echter geen uitspraken doen over een eventuele aanpassing. Het crisiscentrum van de FOD Buitenlandse Zaken volgt de situatie ter plaatse van nabij op en formuleert op basis daarvan het best mogelijke veiligheidsadvies.

 

20.04  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, iedereen wenst stabiliteit en vrede in de regio. We mogen echter niet vergeten dat Armenië zich nog altijd in een uiterst kwetsbare positie bevindt en dat, naar mijn aanvoelen, de bereidheid tot vrede veeleer vanuit Armeense dan vanuit Azerbeidzjaanse hoek komt.

 

U bevestigt dat er een engagement is tussen België en Armenië en dat er geen sprake is van een afzwakking van een strategisch partnerschap. Een strategisch partnerschap sluit u blijkbaar met geen enkel land, maar er is wel degelijk een engagement. Mocht dat er niet zijn, dan zou dat een sterke afzwakking betekenen van de resoluties die we in het Parlement hebben goedgekeurd. Ik noteer dus dat u bereid bent om het engagement tussen België en Armenië te onderhouden.

 

20.05  Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, vertrouwenwekkende mechanismen tussen Armenië en Azerbeidzjan zijn nodig, niet alleen aan de kant van Armenië, maar ook aan de kant van Azerbeidzjan. De vrijlating van Armeense politieke gevangenen is absoluut nodig om in de toekomst de garantie op vrede te blijven behouden.

 

Het is goed dat consulaire diensten worden geopend in Jerevan. Er zijn blijkbaar geen bilaterale strategische partnerschapsovereenkomsten om de samenwerking te verdiepen. Een memorandum of understanding is wel een belangrijk signaal. We moeten dat ook beter uitleggen, misschien ook aan de Armeniërs, omdat het onze samenwerking verdiept.

 

Met betrekking tot de verhoogde waakzaamheid en het reisadvies is het heel belangrijk voor ondernemingen die willen investeren, dat zij het risico zo laag mogelijk evalueren. Als dat verhoogd blijft, wordt de kans op investeringen kleiner. Toen we met de IPU in Jerevan waren, hebben we ook het signaal gekregen dat dat inderdaad vervelend is.

 

De ambassadeur was er op dat moment ook bij. Ik vraag mij af of er effectief niets aan kan gedaan worden, aangezien het land het verdient om economisch te groeien, in die moeilijke regio, omringd door Iran, Georgië, Turkije en Rusland. We moeten inderdaad toch wel kansen geven aan Armenië.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20.06  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, kan ik op mijn vragen nr. 56015075C en nr. 56015085C het schriftelijke antwoord krijgen? Als ik ze uitstel tot een volgende vergadering, gaat er immers wel wat tijd over.

 

De voorzitster: U kunt ze omzetten in een schriftelijke vraag.

 

20.07  Ellen Samyn (VB): Dan doe ik het zo.

 

Mijnheer de minister, ik dank u, u spendeert hier steeds veel tijd en doet de moeite om uitgebreid te antwoorden. Ook al komen we niet altijd overeen, ik dank u toch.

 

De voorzitster: Dat is heel vriendelijk allemaal. Het is hier friendly fire.

 

20.08  Katrijn van Riet (N-VA): Mijnheer de minister, ik wens u een zeer boeiende en interessante reis naar China, want ik heb in de agenda gezien dat u volgende week vertrekt.

 

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.34 uur.

La réunion publique de commission est levée à 19 h 34.

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

De antwoorden werden door de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking bezorgd.

Les réponses ont été fournies par le vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement.

 

21 Vraag van Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De informatiegaring over Afghanistan en het nieuwe strafwetboek van de taliban" (56013332C)

21 Question de Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La collecte d'informations concernant l'Afghanistan et le nouveau code pénal des talibans" (56013332C)

 

We vernemen via media dat in er in Afghanistan een nieuw strafwetboek door de Taliban werd ingevoerd. Daaruit blijkt dat er gruwelijke en mensonwaardige bepalingen in vervat zitten maar het grote publiek werd indirect op de hoogte gebracht van de inhoud via bijvoorbeeld de NGO Rawandari. Het wetboek trad officieel in werking op 7 januari 2026, maar er was geen publieke aankondiging of officiële bekendmaking. Dat maakt dat we dus slechts indirect een inschatting kunnen maken van de situatie in het land en de mensenrechten aldaar.

 

Op 21 januari 2026 maakte Rawandari de tekst openbaar, samen met een analyse en kritische duiding. Daarbij werden enkele (zeer ingrijpende) wetsartikelen geciteerd, maar niet het volledige corpus van 119 artikelen. Er zat dus ongeveer 14 dagen tussen de ondertekening en de eerste publieke bekendmaking. Laattijdige kennisneming kan gevolgen hebben op de manier waarop we met het Afghaanse regime omgaan. Dit feit onderstreept hoe moeilijk het is om betrouwbare informatie uit Afghanistan te verkrijgen, en hoe afhankelijk men is van NGO’s die zulke informatie überhaupt kunnen bemachtigen en publiceren.

 

Mijn vragen voor de minister

 

1. Aangezien België het Talibanregime niet formeel erkent en er dus geen Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in Afghanistan is, zou ik graag vernemen: via welke bronnen en kanalen verkrijgt België vandaag informatie over de situatie in Afghanistan?

 

2. Daarnaast onderhoudt België wel diplomatieke betrekkingen met enkele buurlanden van Afghanistan zoals Pakistan. Ziet u een mogelijkheid om meer betrouwbare informatie te verkrijgen over de situatie in Afghanistan en het Talibanregime via de diplomatieke contacten daar?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Depoorter,

 

Ik wil om te beginnen benadrukken dat het Belgische diplomatieke netwerk regelmatig wordt herzien, om ervoor te zorgen dat onze aanwezigheid in het buitenland zo goed mogelijk overeenkomt met onze politieke, veiligheids-, economische en diplomatieke belangen.

 

België beschikt sinds 1 januari 2015 niet meer over een diplomatieke vertegenwoordiging in Afghanistan. 

 

De beslissing om de ambassade te sluiten, genomen in 2014, hield rechtstreeks verband met het einde van de multinationale militaire missie onder leiding van de NAVO, de International Security Assistance Force, waaraan onze strijdkrachten deelnamen.

 

Sinds deze sluiting valt Afghanistan onder de jurisdictie van onze ambassade in Islamabad. 

 

In de huidige context, gekenmerkt door de machtsovername door de Taliban in augustus 2021, wordt er vanzelfsprekend niet overwogen een diplomatieke post in Afghanistan te heropenen.

 

Het ontbreken van een ambassade verhindert ons echter geenszins om de situatie nauwgezet en goed gedocumenteerd op te volgen. 

 

Dit is een courante praktijk in vele regio’s waar één ambassade meerdere landen bestrijkt.

 

Onze ambassade in Islamabad voert dan ook een permanente monitoring van Afghanistan uit.

 

Zij steunt daarbij op een brede waaier aan bronnen.

 

Daarnaast heeft onze Ambassade sinds 2015 ook enkele missies naar Afghanistan georganiseerd, tijdens dewelke onder meer contacten met mensenrechtenorganisaties en de bredere civiele maatschappij ter plekke plaatsvonden.

 

Daarbovenop komt de opvolging binnen multilaterale fora, in New York en Genève, met name in het kader van de mechanismen van de Verenigde Naties.

 

Ter illustratie van dit alles vermeld ik dat er onlangs een confidentiële, preliminaire analyse werd bezorgd aan onze ambassade in Islamabad over het nieuwe Taliban Wetboek van Strafvordering (Nieuw Taliban Wetboek Strafprocedure).

 

Deze analyse baseert zich op de voorlopige versie van het Wetboek die in de media werd gecirculeerd. 

 

Hierbij dient benadrukt te worden dat de Taliban ook voor de PVPV-wet (Law on the Propagation of Virtue and the Prevention of Vice) een eerste versie hadden gelekt, die daarna nog werd aangepast voor officiële publicatie (eenzelfde procedé lijkt dus ook hier gevolgd te worden).

 

Recent vond in New York ook een debriefing van de VN Veiligheidsraad door Deputy Special Representative of the Secretary-General Gagnon van UNAMA (United Nations Assistance Mission in Afghanistan) plaats, die tijdens vorige UNAMA-briefings aan onze Ambassade reeds dit Wetboek besprak.

 

Tenslotte vermeld ik voor de volledigheid ook dat België ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag mee een verklaring heeft ondertekend waarin de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan wordt aangekaart en het nieuwe Wetboek wordt veroordeeld.

 

22 Question de Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La position de la Belgique concernant l’évolution de la dissuasion nucléaire européenne" (56013481C)

22 Vraag van Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het Belgische standpunt betreffende de evolutie van de Europese nucleaire afschrikking" (56013481C)

 

Monsieur le Ministre,

 

Lors de la Conférence sur la sécurité de Munich, le chancelier allemand Friedrich Merz et le président français Emmanuel Macron ont évoqué leurs discussions relatives à une possible articulation de la doctrine nucléaire française avec certains intérêts de sécurité communs européens.

 

La France étant, avec le Royaume-Uni, le seul État européen doté de l’arme nucléaire, toute évolution de sa doctrine des implications importantes pour l’architecture de sécurité européenne et pour la participation nucléaire au sein de l’Otan.

 

Dans ce contexte, j'aimerais vous poser les questions suivantes :

 

La Belgique a-t-elle été informée des discussions franco-allemandes relatives à une éventuelle dimension européenne de la dissuasion nucléaire française ?

 

Quelle est la position officielle de la Belgique quant à l’idée d’une « articulation » de la doctrine nucléaire française avec des intérêts de sécurité communs européens ?

 

La Belgique entend-elle jouer un rôle actif dans ce débat stratégique au niveau européen ?

 

Je vous remercie.

 

Antwoord - Réponse:

 

Monsieur De Maegd,

 

L’idée d’une dimension européenne à la dissuasion nucléaire française n’est pas neuve : plusieurs présidents l'ont déjà évoquée. 

 

Le Président Macron a toutefois souhaité aller plus loin en engageant un dialogue structuré avec les partenaires européens intéressés. 

 

Il en a présenté les conclusions lors de son discours du 2 mars dernier, en exprimant son intention de développer une “dissuasion avancée” fondée sur le soutien d’un certain nombre d’Etats.

 

Dans ce cadre, des contacts ont d’abord été établis avec le Royaume-Uni, seul autre pays européen doté de l’arme nucléaire, avec lequel une coopération renforcée a été annoncée l’année passée. 

 

L’Allemagne occupe également une place centrale dans ce dispositif. D’autres partenaires, dont la Belgique, ont également été associés. 

 

Oui, nous avons été pleinement informés de ces discussions.

 

La coopération envisagée se déploiera progressivement par la participation aux exercices nucléaires, par des contributions strictement conventionnelles aux activités nucléaires françaises ou encore par le déploiement temporaire de moyens aériens stratégiques français sur le territoire des Etats concernés, dans le cadre d’exercices ou en cas de crise. 

 

Il est important de souligner que les fondements de la doctrine nucléaire française restent inchangés : elle reste strictement défensive et stratégique. 

 

Il n’y a aucun partage de la décision ultime, qui appartient au seul président de la République. 

 

Il est tout aussi important de rappeler que cette initiative ne constitue pas un “parapluie nucléaire européen”. 

 

Pour ce qui concerne la dissuasion élargie, la Belgique continue de s’appuyer pleinement et exclusivement sur le cadre de l’OTAN, où la garantie nucléaire américaine demeure la pierre angulaire de la sécurité euroatlantique. 

 

L’initiative française est complémentaire, pas substitutive. Le fait que Washington et le Secrétaire général de l’OTAN aient été informés en amont et aient donné leur accord confirme que cette démarche s’inscrit dans un cadre pleinement cohérent avec celui de l’Alliance.

 

La démarche respecte strictement le Traité de non-prolifération : il n’y a aucun transfert d’armes nucléaires et la France conserve le contrôle intégral de ses capacités.

 

Pour la Belgique, l’intérêt de cette initiative est clair. 

 

Dans un contexte marqué par l’assertivité croissante de la Russie et par une dégradation de l’environnement sécuritaire européen, cette démarche renforce la crédibilité de la posture de dissuasion conventionnelle et stratégique en Europe. 

 

Elle accroît également la complexité stratégique pour tout adversaire potentiel.

 

L’un des apports essentiels de ce projet réside d’ailleurs dans le signal politique envoyé à Moscou.

 

23 Vraag van Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het pakket van de Europese Unie aan Syrië" (56013707C)

23 Question de Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le paquet de l'Union européenne pour la Syrie" (56013707C)

 

De Europese Unie heeft aangekondigd dat zij in 2026 en 2027 ongeveer 620 miljoen euro zal vrijmaken voor Syrië, ter ondersteuning van herstel na de oorlog, humanitaire noden en bilaterale samenwerking. Deze beslissing volgt op het opheffen van de economische sancties na de val van het Assad-regime en gaat gepaard met plannen voor een nieuw politiek partnerschap en diplomatieke contacten op hoog niveau.

 

Tegen deze achtergrond heb ik volgende vragen.

 

Hoe beoordeelt u deze financiële en politieke hernieuwde betrokkenheid van de EU bij Syrië? Heeft België actief mee vormgegeven aan deze beslissing en welke voorwaarden worden gekoppeld aan deze steun, onder meer op het vlak van mensenrechten, inclusieve dialoog en bescherming van minderheden?

 

Hoe zal de besteding van de 620 miljoen euro concreet worden opgevolgd en gecontroleerd, zodat de middelen effectief terechtkomen bij de Syrische bevolking en niet bij gewapende of extremistische actoren?

 

Tot slot, hoe verhoudt deze steun zich tot de aanhoudende onveiligheidssituatie, onder meer de recente gevechten in Noord-Syrië? Acht u de huidige context voldoende stabiel om een structureel partnerschap op te starten?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Depoorter,

 

De financiële steun die is voorzien aan Syrië is noodzakelijk om de nieuwe regering te ondersteunen bij het herstellen van onder andere de essentiële diensten voor de bevolking en het heropbouwen van staatsinstellingen, wat essentieel is in het ondersteunen van een vreedzame transitie.

 

De middelen bevatten tevens extra steun voor humanitaire hulp, waar hoge nood aan is, alsook voor het maatschappelijk middenveld, overgangsjustitie en economisch herstel. België steunt dit. 

 

De val van het Assad-regime in december 2024 is een kantel moment geweest waarbij er ruimte werd gecreëerd voor vernieuwde EU-Syrië betrekkingen. 

 

De EU herbevestigde haar inzet om aan de zijde van het Syrische volk te staan en een vreedzame en inclusieve, door Syriërs geleide en door Syriërs gedragen overgang te ondersteunen, om zo te helpen een betere toekomst voor alle Syriërs op te bouwen.

 

Daar hoort ook financiële steun bij. EU-steun aan Syrië wordt uitgevoerd via bestaande instrumenten met strikte toezichtmechanismen. 

 

Deze instrumenten bevatten verplichte monitoring, rapportage, due-diligence-procedures en risico-managementmechanismen die moeten garanderen dat middelen niet terechtkomen bij gewapende of extremistische actoren.

 

De EU houdt onder andere toezicht binnen het kader van de Raadsconclusies en sanctieregimes. 

 

De Europese Raad heeft in zijn conclusies (2024–2025) duidelijk bepaald dat de EU moet inzetten op het ondersteunen van een vreedzame, inclusieve en door Syriërs geleide transitie.

 

Tegelijkertijd moet zij voortdurende aandacht hebben voor veiligheidsrisico’s, mensenrechtenschendingen en destabiliserende actoren. 

 

De Raad blijft op de hoogte van ontwikkelingen ter plaatse en zal indien nodig pleiten voor aanpassingen. 

 

Deze politieke lijn vormt dan ook een belangrijk deel van het toezicht kader rond de besteding van middelen.

 

Tot slot behoudt de EU gerichte sancties tegen gevaarlijke actoren en actualiseert die op basis van monitoring. 

 

Kortom, wij erkennen dat de transitie in Syrië nog kwetsbaar is, maar juist daarom is het van belang deze met gerichte en concrete steun te begeleiden.

 

24 Question de Lydia Mutyebele Ngoi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'accès en Palestine via Israël pour les organisations de la société civile" (56014179C)

24 Vraag van Lydia Mutyebele Ngoi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De toegang tot Palestina via Israël voor middenveldorganisaties" (56014179C)

 

Monsieur le Ministre,

 

Peu avant le début de la guerre au Proche et Moyen Orient, nous avons appris que des membres d'organisations de la société civile belge, venus en Israël pour examiner l'avancement de projets de développement dans le cadre d'un accord avec la DGD, se sont faits refouler à l'aéroport Ben Gourion et ont été contraints de retourner en Belgique. Le motif avancé par les agents de contrôle frontalier israélien ? Leur page Facebook !

 

Nous avons donc aujourd'hui, monsieur le ministre, des organisations avec pour seules missions la coopération au développement et l'aide humanitaire, qui se voient refuser l'accès au terrain parce qu'elles ont affiché leur soutien aux droits palestiniens sur les réseaux sociaux. 

 

Cet incident crée un dangereux précédent et compromet l'accès futur des organisations d'aide humanitaire et de développement au territoire Palestinien, déjà gravement restreint. Désormais, seules les organisations marquées du sceau d'approbation de l'Etat hébreu pourront entrer sur le territoire, alors même que les autorités israéliennes ont exigé le départ de 37 organisations humanitaires de Palestine d'ici le 1er mars.

 

La guerre en cours au Moyen-Orient a entraîné une fermeture de l'espace aérien d'Israël. Mais cette fermeture ne devrait pas durer. Dès sa réouverture, il est impératif de permettre l'accès aux populations sinistrées pour les organisations d'aide humanitaire et de coopération au développement. Le conflit en cours ne fait qu'accentuer cette urgence.

 

Ces organisations visées nous ont informés que le ministère des affaires étrangères a pris contact avec les autorités israéliennes pour déterminer si cet incident était une décision ad hoc ou s'il s'inscrivait dans une politique plus large de l'Etat hébreu. Pouvez-vous nous dire, Monsieur le ministre, ce qu'il en est ? Qu'allez-vous mettre en œuvre pour permettre l'accès au territoire aux organisations belges ?

 

Antwoord - Réponse:

 

Madame Mutyebele, 

 

Le 25 février 2026, une délégation de l'organisation concernée a été reçue au siège du SPF Affaires étrangères. 

 

Comme l'indique leur témoignage, les autorités israéliennes n'ont communiqué aucune raison formelle de refus, mais ont surtout fait référence, lors des interrogatoires, aux positions de l'organisation sur les réseaux sociaux, qualifiées comme anti-israéliennes et antisémites. 

 

À cet égard, l’Ambassade de Belgique en Israël a immédiatement contacté les autorités israéliennes compétentes afin de leur faire part de cet incident. 

 

La décision de refuser l'accès est en effet en contradiction totale avec l'importance que nous accordons au libre fonctionnement de la société civile.

 

A plusieurs reprises, nous avons déjà communiqué aux autorités israéliennes que nous accordons une grande importance au rôle qu'elle joue.

 

Nous attendons d'Israël, en tant qu'État démocratique et partenaire de l'UE, qu'il respecte la liberté d'expression, d'association et d'accès.

 

Ce principe est également inscrit à l'article 2 de l'accord d'association UE-Israël. 

 

L'UE, la Belgique et plusieurs États membres européens ont déjà appelé Israël à continuer de soutenir son propre secteur des ONG et à s'abstenir de toute action susceptible de restreindre la marge de manœuvre des organisations de la société civile et de porter atteinte à la liberté d'expression et d'association.

 

À ce jour, nous n'avons reçu aucune réaction officielle de la part des autorités israéliennes et nous ignorons également quel a été le motif du refus d’accès au territoire. 

 

Le déclenchement de la guerre en Iran n’a pas encore permis de rencontre avec les autorités israéliennes à ce sujet. 

 

Étant donné qu'il est essentiel pour notre pays que nos acteurs non gouvernementaux puissent poursuivre leurs activités, nous continuerons à réagir aux restrictions imposées par les autorités israéliennes aux acteurs de la société civile. 

 

Mes services continueront de suivre cette situation de près.

 

25 Questions jointes de

- Lydia Mutyebele Ngoi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les mesures concernant les adoptions illégales en Belgique" (56014259C)

- Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La lutte contre les adoptions illégales et le suivi des résolutions parlementaires" (56015394C)

25 Samengevoegde vragen van

- Lydia Mutyebele Ngoi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De maatregelen inzake illegale adopties in België" (56014259C)

- Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De strijd tegen illegale adoptie en de uitvoering van de parlementaire resoluties" (56015394C)

 

1)     Monsieur le Ministre,

 

Imaginez : vous apprenez dans votre jeunesse que vous avez été adopté. Toute votre vie, vous craignez que vos parents biologiques vous aient abandonné. Lorsque vous trouvez le courage de chercher la vérité, vous vous heurtez à une administration incapable de vous répondre, faute d'éléments, à une justice incapable de vous soutenir, faute de preuve, et la peur du temps qui passe, sans réponse politique claire. C'est un exemple parmi d'autres, de ce que vivent les enfants d'adoption illégales.

 

Ces adoptions illégales en Belgique continuent d'être un problème reconnu, mais pour lequel on constate un grave manque de ressources et de volonté politique.

 

L'accord de votre gouvernement spécifie pourtant que « le gouvernement se penchera sur le soutien aux victimes des adoptions internationales illégales », tout en mettant en place les recommandations de la résolution 0461/005 votée au parlement début de l'année passée.

 

Or, force est de constater que la mise en place de ces éléments reste lettre morte. L'élément principal est celui de la mise en place d'une enquête nationale pour comprendre comment ces adoptions ont pu se produire, via quels mécanismes, quels individus, quelles responsabilités, et qui en sont les victimes. Les échos font état d'un manque de soutien au niveau politique. Et plus d'un an après, le plan n'en est toujours qu'à l'étape de la méthodologie.

 

Mes questions sont simples :

 

Où en est la mise en place du plan sur une étude historique globale au sujet des pratiques abusives liées à toutes les adoptions illégales durant la période 1960-2005 ? Quid des autres recommandations vous concernant ?

Pouvez-vous me donner un calendrier précis et quels sont les délais ? Car l'urgence est là, les adoptions concernent des familles vieillissantes qui méritent la vérité.

Mettez-vous en place une collaboration active avec les entités fédérées pour mettre en place les recommandations de la résolution 0461/005 ? 

Des instructions ont-elles été données pour faciliter les collaborations avec les organisation de la société civile qui soutiennent les personnes affectées par les adoptions illégales ?

Qu'en est-il de la collaboration avec les États, comme le Chili, où les adoptions illégales ont été nombreuses ? Nos services consulaires sont-ils actifs notamment sur la facilitation des transferts de données relatifs aux familles victimes de ces adoptions ?

 

2)     Monsieur le Ministre,

 

Le mois dernier, la Flandre a affirmé qu'il était « temps d'ouvrir le débat sur la fin définitive des adoptions internationales ». Des adoptions, par ailleurs, déjà suspendues depuis 2023. 

 

Une décision qui fait suite aux irrégularités constatées depuis des années dans de nombreuses procédures passées ou récentes.

 

Le niveau fédéral avait déjà tiré la sonnette d'alarme sur les faits de ce type avec le vote, en 2022, d'une résolution que j'avais initiée. Un travail complété par une seconde résolution adoptée l'année dernière.

 

Les premiers résultats concrets sont là : ouverture des archives, reconnaissance des victimes, changements du code pénal, du code civil et du code de la nationalité, notamment. Des avancées soulignées par de nombreuses victimes et prises en exemple à l'étranger. Il n'est donc pas juste de dire que rien n'a été fait.

 

Néanmoins, les victimes attendent toujours d'autres mesures. Et notamment la réalisation de l'enquête administrative, pour laquelle un budget du département de la justice devait être approuvé récemment.

 

J'interrogerai donc, bien sûr, votre collègue, qui a la majorité des compétences en la matière.

 

Néanmoins, je tenais à saisir l'occasion pour vous poser quelques questions également.

 

1. Comment analysez-vous la décision récente du gouvernement flamand de s'orienter vers une sortie progressive des adoptions internationales ? Cette évolution a-t-elle suscité des réactions de la part de pays partenaires concernés ?

 

2. Depuis nos derniers échanges, quelles démarches vos services ont-ils entreprises auprès des pays d'origine avec lesquels la Belgique a historiquement collaboré en matière d'adoption internationale ?

 

3. Dans quelle mesure le SPF Affaires étrangères contribue-t-il encore aujourd'hui, quatre ans après le vote de la première résolution, à la recherche d'informations par les personnes adoptées ?

 

4. Pouvez-vous préciser le rôle concret de votre administration dans la mise en œuvre de l'enquête administrative attendue, notamment en ce qui concerne l'identification, la conservation et la transmission des archives diplomatiques et consulaires pertinentes ?

 

Je vous remercie.

 

Antwoord - Réponse:

 

Madame Mutyebele, Monsieur De Maegd,

 

Merci pour vos questions au sujet des adoptions internationales.

 

J’ai déjà eu l’occasion de vous parler au sujet des réunions de la Commission de concertation et de suivi sur les adoptions internationales, ainsi que du groupe de travail, chargé de l’organisation de l’enquête historique demandée dans les résolutions sur les adoptions illégales.

 

Comme ces réunions se tiennent sous la présidence du cabinet de la Ministre de la Justice, qui en assure également la communication, je vous invite à adresser vos questions sur ces travaux et les démarches entreprises à la Ministre Verlinden.

 

Mes services participent aux réunions organisées à ce sujet et se montrent tout à fait disposés à mettre à disposition des experts désignés l’ensemble des archives en matière d’adoption en leur possession, notamment pour l’étude de faisabilité qui sera menée sous la tutelle des Archives de l’Etat.

 

Je répète que les postes diplomatiques belges à l’étranger ont pour instruction permanente de rester extrêmement attentifs à la question sensible des adoptions internationales, et de maintenir des contacts étroits avec tous les acteurs concernés dans leur juridiction.

 

Nos représentations consulaires ont également reçu pour instruction d'aider autant que possible les personnes adoptées dans leurs recherches, de faciliter les contacts lorsque cela est possible et, si nécessaire, de les orienter vers les autorités compétentes.

 

Quant à la décision récente du gouvernement flamand, je suis tenu à répondre qu’il n’appartient pas au gouvernement fédéral de commenter une décision prise par le gouvernement flamand. 

 

Ceci étant dit, d’expérience, nul ne pourra contester que des adoptions internationales ont posé de sérieux problèmes par le passé. 

 

Dans l’état actuel des choses, mon administration n’a pas été informée d’une quelconque réaction d’autorités étrangères à ce sujet.

 

26 Vraag van Kathleen Depoorter aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het antiontwijkingsmechanisme en de Russische oorlogsindustrie" (56014384C)

26 Question de Kathleen Depoorter à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le mécanisme anticontournement et l’industrie de guerre russe" (56014384C)

 

Recente analyses wijzen erop dat de Russische Federatie haar militaire productiecapaciteit in belangrijke mate blijft aanvullen via buitenlandse toelevering van dual-use goederen en industriële machines. Zo zou de Volksrepubliek China alleen al instaan voor ongeveer 62% van de machines die essentieel zijn voor de Russische wapenproductie, terwijl in totaal minstens 18 landen betrokken zijn bij het doorvoeren van kritieke technologie naar Rusland volgens verschillende bronnen.

 

Tegelijk heeft de Europese Unie een anti-ontwijkingsmechanisme ingevoerd om derde landen die sancties helpen omzeilen aan te pakken. De toepassing ervan lijkt voorlopig beperkt en selectief, met onder meer een eerste focus op Kirgizië, dat slechts een relatief klein aandeel heeft in deze goederenstromen. In het verlengde daarvan en ter aanscherping van de resolutie die ik in deze commissie heb neergelegd zou ik bijkomende informatie wensen.

 

1. Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het Europese anti-ontwijkingsmechanisme tot op heden?

2. De instrumenten waarover de EU beschikt zijn in voege, maar blijven in de praktijk grotendeels ongebruikt—acht u dit een structureel probleem van politieke terughoudendheid of van juridische beperkingen? Welke trajecten voor verbetering ziet u?

3. Hoe verklaart u dat de EU zich in eerste instantie richt op landen met een relatief beperkt aandeel, zoals Kirgizië, terwijl grotere actoren—met name de Volksrepubliek China en Hongkong, die samen een aanzienlijk deel van de kritieke leveringen verzorgen—buiten schot lijken te blijven?

4. Beschikt de Belgische regering over een geactualiseerd beeld van de rol van andere derde landen in de toelevering van militaire componenten of dual-use goederen aan de Russische Federatie?

5. Welke landen vormen vandaag de belangrijkste schakels in deze omzeilingsroutes?

6. In welke mate acht u bijkomende maatregelen noodzakelijk, zoals het uitbreiden van sanctielijsten of het systematischer viseren van bedrijven en tussenhandelaren die betrokken zijn bij deze netwerken?

7. Bent u bereid en acht u het noodzakelijk om binnen de Europese Unie te pleiten voor de invoering van zogenaamde secundaire sancties, gericht op derde landen of entiteiten die aantoonbaar bijdragen aan de Russische oorlogsindustrie?

8. Hoe evalueert u de bredere impact van deze ontwijkingsmechanismen op de doeltreffendheid van het Europese sanctiebeleid?

9. Welke concrete stappen zal u nemen om de geloofwaardigheid en afdwingbaarheid ervan te versterken?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Depoorter,

 

Het anti-omzeilingsmechanisme werd in juni 2023 aangenomen in het 11e sanctiepakket om de groeiende omzeiling van EU-sancties aan te pakken. 

 

Dit instrument voorziet de mogelijkheid om de verkoop, levering, overdracht of export van bepaalde gesanctioneerde goederen en technologie aan derde landen te beperken wanneer er een aanhoudend en bijzonder hoog risico op omzeiling bestaat. 

 

Het betreft een uitzonderlijk en laatste redmiddel dat kan worden geactiveerd wanneer andere individuele maatregelen en contacten tussen de EU en het betrokken derde land onvoldoende zijn om omzeiling te voorkomen.

 

Tot op heden is het anti-omzeilingsmechanisme voor geen enkel derde land geactiveerd. 

 

Echter, de toegevoegde waarde van het instrument ligt niet enkel in de activatie, maar ook in het bestaan ervan. 

 

Zo kan de dreiging voor activatie alleen beschouwd worden als afschrikkingsmiddel.

 

Het 20e sanctiepakket voorziet inderdaad om het anti-omzeilingsinstrument voor de eerste keer te activeren voor de export van bepaalde gevoelige technologieën naar Kirgizië. 

 

Het pakket ligt klaar voor aanname, maar blijft voorlopig nog geblokkeerd. Mogelijks is eerstdaags een akkoord mogelijk volgend op het herstel van de Druzhba pijpleiding en de verkiezingen in Hongarije.

 

Volgend op het anti-omzeilingsmechanisme werd er in het 12e sanctiepakket in december 2023 ook de “no-Russia” clausule toegevoegd, die stelt dat EU-exporteurs de uitvoer van bepaalde gevoelige goederen naar niet-EU-landen contractueel moeten verbieden dat deze goederen naar Rusland worden verder geëxporteerd of in Rusland worden gebruikt. Eenzelfde clausule geldt voor Belarus.

 

Sanctie-omzeiling is tevens een vast onderwerp op de agenda in onze diplomatieke uitwisselingen, zowel op bilateraal als Europees vlak. 

 

Sinds 2023 is er een EU Speciaal Gezant voor Sancties, David O’Sullivan, die focust op strijd tegen sanctieomzeiling en contacten met derde landen. 

 

Tenslotte mogen we ook de individuele oplijstingen in het sanctieregime niet vergeten. 

 

Naast Russische entiteiten, zijn er immers ook reeds entiteiten uit o.a. China, Hong Kong, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten gesanctioneerd omwille van hun steun aan de Russische defensiesector. 

 

In toekomstige sanctiepakketten zal de aandacht hiervoor waarschijnlijk enkel nog toenemen.

 

De Commissie maakt maandelijkse rapporten op van de handelsstromen van economisch kritische goederen en de zogenaamde “common high priority” goederen naar Rusland. 

 

De EU-sancties tegen Rusland zijn ongekend in hun omvang en veelzijdigheid en het is een continue opdracht om deze te versterken en juridische achterdeuren te sluiten. 

 

De effectiviteit en het tegengaan van de omzeiling van sancties is een prioriteit en zal prioriteit blijven in toekomstige sanctiepakketten. 

 

Zoals steeds zal België zich constructief opstellen en meedenken hoe we de sancties zo effectief mogelijk te maken.

 

27 Question de Lydia Mutyebele Ngoi à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les droits sexuels et reproductifs des Palestiniennes" (56014553C)

27 Vraag van Lydia Mutyebele Ngoi aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De seksuele en reproductieve rechten van Palestijnse vrouwen" (56014553C)

 

Monsieur le Ministre,

 

En février, le consortium Countdown 2030 Europe nous rappelait une nouvelle fois la tragédie humanitaire sans précédent en Palestine, qualifiée, on le répète, par des experts de l'ONU, de génocide et où on observe une politique de « violence reproductive » systématique et de destruction des infrastructures de soin et consacrée à la santé sexuelle et reproductive.

 

À Gaza, le bilan effroyable atteint au minimum plus de 71 000 Palestiniens tués, dont une majorité de femmes et d'enfants, avec un système de santé quasiment anéanti avec 94 % des hôpitaux endommagés ou détruits. Les premières victimes sont les femmes et les filles, et des conséquences sur leur santé de plus en plus critiques : le risque de mourir en couches ou de faire une fausse couche a triplé en moins de deux ans, et le taux de natalité a chuté de 41 %.

 

Cette crise est aggravée par la famine officiellement déclarée en août 2025, qui place 37 000 femmes enceintes ou allaitantes en situation de malnutrition aiguë pour l'année 2026. Le rapport du Conseil des droits de l'homme de l'ONU dénonce également l'usage systématique de violences sexuelles et sexistes par les forces israéliennes, incluant des traitements dégradants et des menaces de viol envers des Palestiniennes.

 

Le recul des droits des femmes palestiniennes est absolument inadmissible et sans précédens, et il est urgent que notre pays, en tant que défenseur des droits des femmes, use de tout son poids pour aider ces femmes à vivre dignement et en paix.

 

Mes questions sont les suivantes :

 

La Belgique agit-elle pour demander la protection absolue des infrastructures de santé et des maternités de Gaza jusqu'en Cisjordanie ?

Comment participez-vous à garantir l'accès humanitaire sans entraves, notamment pour les fournitures médicales de santé reproductive ?

Quel dialogue entretenez-vous avec votre homologue israélien concernant les reculs inadmissibles des droits sexuels et reproductifs des Palestiniennes ?

 

Antwoord - Réponse:

 

Madame Mutyebele,

 

Je souhaite réaffirmer que la Belgique défend de manière constante et résolue la protection des infrastructures sanitaires et l’immunité absolue des centres de santé, y compris des maternités.

 

Nous exprimons en permanence cette position dans toutes les enceintes pertinentes, notamment au sein de l’Organisation mondiale de la santé, où nous plaidons spécifiquement pour la protection des infrastructures sanitaires en Palestine.

 

La Belgique y souligne également systématiquement que toute attaque contre un établissement médical ou contre le personnel soignant constitue une violation du droit international humanitaire.

 

Nous appelons au respect strict de ce cadre juridique, afin de garantir la sécurité des infrastructures sanitaires et du personnel médical qui sont essentiels à la population palestinienne.

 

L’accès humanitaire n’est en effet ni facultatif, ni conditionnel : l’accès humanitaire garantit l’arrivée effective et en temps utile de l’aide humanitaire chez les populations qui en ont besoin en temps de crise.

 

La Belgique agit à la fois sur les plans diplomatique et politique pour défendre l’ouverture de tous les points de passage et le respect de l’espace humanitaire en faveur de la population palestinienne, notamment à travers des initiatives telles que la Déclaration de New York.

 

Au niveau européen, les conclusions du Conseil européen du 19 mars demandent explicitement à Israël de permettre un accès humanitaire immédiat et sans restriction, ainsi qu’une distribution durable et à grande échelle de l’aide. 

 

Cette position marque clairement la priorité politique accordée par les États membres ; une priorité que je continuerai de porter au sein du Conseil Affaires étrangères. 

 

En outre, il est important de rappeler notre financement aux budgets généraux de plusieurs organisations multilatérales actives dans le pays, comme le Fonds des Nations Unies pour la Population (FNUAP), qui contribuent à maintenir et à plaider pour l’accès aux services de santé et de droits sexuels et reproductifs.

 

Nous entretenons bien entendu un dialogue régulier avec l’Autorité palestinienne, notamment dans le cadre de notre programme de coopération gouvernementale. Celuici comprend un volet dédié à la prévention des violences liées au genre ainsi qu’à la promotion des droits sexuels et reproductifs.

 

La Belgique continuera à faire de la protection des civils, et en particulier des femmes et des filles, une priorité absolue de son action extérieure. Nous resterons pleinement mobilisés pour que le droit international humanitaire et les droits humains, y compris les droits sexuels et reproductifs, soient respectés sans exception. 

 

Notre pays poursuivra ses efforts diplomatiques, humanitaires et multilatéraux afin de garantir un accès effectif aux soins, de prévenir toutes les formes de violences basées sur le genre et de contribuer à des conditions de vie dignes et sûres pour l’ensemble de la population civile.

 

28 Vraag van Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het dodelijke bombardement op een markt in Nigeria en de Belgische reactie" (56015075C)

28 Question de Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Le bombardement mortel d'un marché au Nigeria et la réaction de la Belgique" (56015075C)

 

Midden april heeft de Nigeriaanse luchtmacht tijdens een operatie tegen jihadistische groeperingen in het noordoosten van het land vermoedelijk per vergissing een lokale markt in Jilli, op de grens van de deelstaten Yobe en Borno, getroffen. Volgens verschillende bronnen zouden daarbij meer dan honderd burgers zijn omgekomen; lokale getuigen spreken zelfs van een nog hogere dodentol. Amnesty International vraagt een onafhankelijk onderzoek, terwijl de Nigeriaanse luchtmacht zelf inmiddels een onderzoek naar mogelijke burgerslachtoffers heeft aangekondigd.

 

Dit incident past in een bredere problematiek van zware burgerslachtoffers bij antiterreuroperaties in Nigeria. Naar verluidt zijn er reeds honderden burgerdoden te betreuren bij gelijkaardige “misfires" sinds 2017. In een regio die al jaren geteisterd wordt door Boko Haram en andere jihadistische terreurgroepen zoals ISWAP, roept dit ernstige vragen op over proportionaliteit, doelwitselectie en de bescherming van burgers onder het humanitair recht.

 

1. Heeft België via diplomatieke kanalen reeds gereageerd op dit bombardement op Jilli Market?

Heeft u dit incident veroordeeld, en dringt België aan op een onafhankelijk, transparant en geloofwaardig onderzoek naar de precieze omstandigheden en de verantwoordelijkheid?

2. Heeft België hierover reeds contact gehad met de Nigeriaanse autoriteiten, bilateraal of via de Europese Unie?

3. Zal België binnen de EU pleiten voor extra aandacht voor de bescherming van burgers bij militaire operaties tegen jihadistische groeperingen in Nigeria?

4. Heeft dit incident mogelijke gevolgen voor de Belgische houding ten aanzien van samenwerking (diplomatiek en economisch) met Nigeria?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Samyn

 

De aangehaalde incidenten zijn uiteraard niet van dezelfde aard, maar zij passen wel in een bijzonder complexe en moeilijke veiligheidssituatie in de Middle Belt en in het noorden van Nigeria. 

 

De conflicten in deze regio’s kennen een veelgelaagde dynamiek, waarbij terrorisme, religieuze en etnische spanningen, toegang tot land en water, demografische evoluties en lokale machtsverhoudingen elkaar versterken. 

 

België veroordeelt dan ook ondubbelzinnig elke vorm van illegitiem of buitensporig geweld tegen de burgerbevolking in Nigeria.

 

De aanval van 29 maart in de deelstaat Plateau is zeer verontrustend. 

 

Helaas gaat het niet om een geïsoleerd incident. 

 

Geweld en terreur treffen er alle etnische en religieuze gemeenschappen. 

 

Zo werd Maiduguri, in het noordoosten van het land, op 16 maart opgeschrikt door drie gecoördineerde zelfmoordaanslagen, kort na het beëindigen van het vasten door de moslimgemeenschap. 

 

Ook daar vielen tientallen doden en honderden gewonden.

 

Wat de luchtaanval van de Nigeriaanse luchtmacht op 11 april 2026 op de Jilli-as in de deelstaat Borno betreft, is het belangrijk te benadrukken dat er momenteel nog geen officiële cijfers beschikbaar zijn over het exacte aantal slachtoffers, inclusief burgerdoden. 

 

De Nigeriaanse autoriteiten hebben aangekondigd een volledig en onafhankelijk onderzoek in te stellen. 

 

Daarbij werd toegezegd dat eventuele tekortkomingen zullen worden aangepakt en dat, waar nodig, verantwoording zal worden afgelegd. 

 

Wij zullen de verdere stappen van nabij opvolgen.

 

België brengt de veiligheidssituatie in Nigeria regelmatig ter sprake in Europees en VN-verband. 

 

Wij pleiten systematisch voor de bescherming van burgers, zowel in humanitaire contexten als bij militaire operaties. 

 

De onveiligheid, de strijd tegen terrorisme en het belang van respect voor het internationaal humanitair recht worden door België en de Europese Unie consequent geagendeerd in bilaterale contacten met Nigeriaanse autoriteiten, in gesprekken met maatschappelijke organisaties en in het overleg met andere partners ter plaatse. 

 

De EU-ambassadeur in Nigeria heeft de recente luchtaanval bovendien besproken tijdens een bilateraal onderhoud met de leiding van het Nigeriaanse antiterreurkorps.

 

Ik wil daarnaast benadrukken dat de EU en Nigeria op 18 februari hun eerste dialoog over vrede, veiligheid en defensie hebben gehouden. 

 

In dat kader werd een nieuw platform op hoog niveau opgericht om de dialoog en samenwerking verder te verdiepen. 

 

De EU kondigde eveneens de lancering aan van een project dat inzet op interreligieuze dialoog, met als doel preventief in te spelen op de gevaarlijke conflictdynamieken in het land.

 

Tot slot ben ik ervan overtuigd dat dialoog en samenwerking over deze gevoelige thema’s de meest doeltreffende hefbomen blijven. Het alternatief — terugtrekking of dreigementen — leidt enkel tot een impasse, en uiteindelijk tot meer schade voor precies diegenen wier belangen men zegt te willen verdedigen.

 

29 Vraag van Ellen Samyn aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De antiblanke rassendiscriminatie in Zuid-Afrika" (56015085C)

29 Question de Ellen Samyn à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La discrimination raciale anti-Blancs en Afrique du Sud" (56015085C)

 

In Zuid-Afrika heeft president Cyril Ramaphosa recent opnieuw bevestigd dat zijn regering het systeem van “Black Economic Empowerment" (BEE) en andere vormen van raciaal quota-beleid niet alleen wil behouden, maar verder wil verstrengen.

 

Concreet voorziet de nieuwe wetgeving – met name de Employment Equity Amendment Act – in verplichte aanwervingsquota per sector voor de periode 2025–2030. In bepaalde sectoren zou tot 90 à 96% van het personeel moeten behoren tot zogenaamde “designated groups", waaronder zwarte Zuid-Afrikanen, vrouwen en personen met een handicap. Bedrijven die te veel blanken tewerkstellen riskeren zware sancties, tot zelfs 10% van hun omzet.

 

Deze maatregelen komen neer op verregaande discriminatie op basis van huidskleur en geslacht, waarbij blanke Zuid-Afrikanen – en in het bijzonder de Afrikaner gemeenschap – systematisch worden benadeeld en uitgesloten van de arbeidsmarkt. Dit roept ernstige vragen op over fundamentele mensenrechten, gelijke kansen en non-discriminatie.

 

Bovendien is het bijzonder frappant dat landen als Zuid-Afrika zich internationaal profileren als verdedigers van mensenrechten, terwijl ze intern beleid voeren dat door velen wordt omschreven als een vorm van omgekeerde apartheid.

 

1. Hoe beoordeelt u het huidige raciale quota-beleid van de Zuid-Afrikaanse regering in het licht van internationale mensenrechtennormen en het principe van non-discriminatie?

2. Acht u deze maatregelen verenigbaar met de internationale verplichtingen van Zuid-Afrika, onder meer inzake gelijke behandeling en economische rechten?

3. Heeft België deze problematiek nu al aangekaart in bilaterale contacten of binnen Europese en multilaterale fora? Zo ja, wat was de reactie? Zo neen, waarom is dit nog steeds niet gebeurd?

4. Overweegt de Belgische regering om deze discriminatoire praktijken expliciet te veroordelen, zoals men dat in andere internationale dossiers wél doet?

5. Welke gevolgen kan dit beleid volgens u hebben voor Belgische bedrijven die actief zijn in Zuid-Afrika en geconfronteerd worden met dergelijke quota en sancties?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Samyn,

 

Het betreft inderdaad een bijzondere situatie. Dat is ook hoe de Zuid-Afrikaanse overheid de maatregelen kadert.

 

Onder het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERDverdrag), beschikken verdragspartijen zoals België of ZuidAfrika over de mogelijkheid om zogenaamde bijzondere maatregelen te nemen. 

 

Het betreft tijdelijke maatregelen die nodig zijn om achtergestelde groepen de volledige en gelijke uitoefening van de mensenrechten en fundamentele vrijheden te verzekeren, zonder dat zij door het verdrag als discriminerend worden beschouwd.

 

Volgens de Zuid-Afrikaanse overheid past de wetgeving waarnaar u verwijst binnen dit kader, met het oog op het wegwerken van ongelijkheden die hun oorsprong vinden in het apartheidsverleden. 

 

De autoriteiten geven aan dat deze maatregelen zijn ingevoerd om een grotere vertegenwoordiging van economisch achtergestelde groepen te bevorderen, zonder dat dit impliceert dat bestaande werknemers zouden moeten worden vervangen. 

 

De Zuid-Afrikaanse samenleving wordt immers nog steeds gekenmerkt door aanhoudende en aanzienlijke economische en sociale ongelijkheden tussen de verschillende gemeenschappen. 

 

Volgens beschikbare cijfers zou in de privésector bijna twee derde van de werknemers blank zijn, terwijl de blanke Zuid-Afrikaanse bevolking slechts ongeveer 8% van de totale bevolking uitmaakt.

 

Het VNorgaan dat toeziet op de naleving van het CERDverdrag heeft in 2023 aanbevelingen aan ZuidAfrika geformuleerd over dit onderwerp. Het stelt daarbij de wetgeving als dusdanig niet in vraag, maar beveelt wel aan om passende monitoring en evaluatiemechanismen in te voeren, met name wat betreft de mogelijke impact ervan op inheemse bevolkingsgroepen. 

 

België zal nauwlettend opvolgen in welke mate de ZuidAfrikaanse autoriteiten gevolg geven aan deze aanbevelingen.

 

België blijft zich verder ten volle inzetten om mensenrechtenkwesties — met inbegrip van gelijkheid en non-discriminatie — systematisch met de overheid aan te kaarten, zowel in bilateraal als in EU-verband.

 

Ten slotte hebben onze ondernemingen naar ons weten tot op heden geen klachten geuit over de impact ervan op hun activiteiten of handelsverkeer. 

 

Wij zijn op dit moment dus niet specifiek ongerust, maar blijven uiteraard waakzaam en zullen de mogelijke gevolgen nauwlettend blijven opvolgen.

 

30 Vraag van Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De unanimiteitsregel binnen de EU" (56015125C)

30 Question de Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La règle de l'unanimité dans l'Union européenne" (56015125C)

 

In een interview op radio 1 op 14 april zei u dat we afmoeten van de unanimiteitsregel binnen de EU-werking.

Dit statement kwam er na de een roerig diplomatiek weekend: nl. verkiezingen in Hongarije en de val van Orbán.

 

Ik heb volgende vragen :

 

1. Welk initiatief neemt u vanuit België om de afschaffing van de unanimiteitsregel in de EU op de agenda te zetten en te bespoedigen ?

 

2. Binnen welke tijdspanne zou deze unanimiteitsregel kunnen verdwijnen zodat de EU-werking vlotter kan lopen dan nu vaak het geval is ?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Lambrecht,

 

Het regeerakkoord stelt het volgende, ik citeer: « Om efficiënter te kunnen optreden, bepleiten we een hervorming van de besluitvorming op vlak van het Europese buitenlands beleid. Daarbij stellen we voor het strategische kader - de strategische belangen, beginselen en algemene richtsnoeren - inclusief het veiligheids- en defensieoptreden, bij unanimiteit vast te stellen, maar uitvoeringsbesluiten en sancties met gekwalificeerde meerderheid te nemen. » 

 

Waarom heeft de regering deze deur geopend naar een meer pragmatische benadering? Omdat binnen de Raad van de Europese Unie gekwalificeerde meerderheid de regel is en unanimiteit de uitzondering; helaas geldt in het buitenlands beleid precies het omgekeerde.

 

Het gevolg hiervan zijn geblokkeerde besluitvormingsprocessen en een Europa dat steeds minder weegt op het internationale toneel, en niet in staat is om met één krachtige stem te spreken over de grote mondiale conflicten, terwijl de geopolitieke situatie juist vereist dat Europa zich engageert en tegenover zijn gesprekspartners kracht en geloofwaardigheid toont. Dat is een echte handicap die ons verzwakt. Bovendien richten derde landen zich steeds vaker tot de VS om hun conflicten te laten beslechten of op te lossen. Daarnaast ontstaan steeds meer ‘coalitions of the willing’ om dit frequente obstakel van unanimiteit bewust te omzeilen.

 

Men moet zich kunnen uitspreken om gewicht in de schaal te leggen. De herziening van de stemregels is met 27 lidstaten een noodzaak. De Hongaarse ervaring heeft ons dat geleerd. Des te meer met het oog op een uitbreiding zal een hervorming onontbeerlijk zijn. Ik pleit dan ook voor meer gebruik van gekwalificeerde meerderheid. Dit kan inhouden dat voor bepaalde beslissingen verschillende vormen van gekwalificeerde meerderheid gelden, met hogere drempels. Dat mag er evenwel niet toe leiden dat de uitzonderlijke mogelijkheid wordt weggenomen om aan de noodrem te trekken wanneer een fundamenteel belang wordt aangetast. Maar het moet het paradigma wel ingrijpend veranderen.

 

Alleen op die manier zullen wij eindelijk met voldoende slagkracht kunnen optreden om de belangen van de Europese Unie en van België te verdedigen tegen de grote wereldmachten.

 

31 Questions jointes de

- Sarah Schlitz à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La destruction potentielle de contraceptifs USAID à Geel (suite)" (56015171C)

- Caroline Désir à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les contraceptifs de l’USAID stockés en Belgique" (56015215C)

- Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "Les contraceptifs de l'USAID entreposés à Geel" (56015388C)

31 Samengevoegde vragen van

- Sarah Schlitz aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De mogelijke vernietiging van contraceptiva van USAID in Geel (vervolg)" (56015171C)

- Caroline Désir aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De in België opgeslagen voorraad contraceptiva van USAID" (56015215C)

- Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De opgeslagen USAID-anticonceptiemiddelen in Geel" (56015388C)

 

1)     Monsieur le ministre,

 

Je vous ai déjà interpellé l'année dernière à propos des milliers de contraceptifs qui sont toujours bloqués à Geel. D’une valeur de près de 10 millions d’euros, ces stérilets, implants hormonaux, et traitements VIH de l’agence américaine USAID, destinés à soutenir des programmes de santé dans des pays d’Afrique, risquent toujours d’être incinérés. Cette décision, incompréhensible, émane de l'administration Trump. Vous m'avez assuré à l'époque entrer en négociations avec le gouvernement américain et étudier toutes les pistes possibles pour dénouer la situation.

 

Pourtant, le temps presse : certains de ces contraceptifs sont valables jusqu’en 2027 seulement et risquent donc de devenir rapidement inutilisables ; une situation aggravée par les conditions de stockage inadapté. De plus, plusieurs pays appliquent également une règle selon laquelle ils n'acceptent pas de contraceptifs dont la date de péremption est trop proche, car la distribution et la remise de ces produits prennent également du temps. La Tanzanie, par exemple, n'accepte pas de contraceptifs dont la durée de conservation restante est inférieure à 60 %.

 

D'après Amnesty, six mises en demeure ont été adressées au gouvernement belge, des propositions de rachat des stocks ont été formulées, et de multiples tentatives de négociations ont été menées auprès des autorités françaises, belges et américaines. Aujourd'hui, rien n'a l'air de bouger.

 

Quelles sont les dates de péremption des produits encore utilisables à Geel?

 

Quand le gouvernement belge estime-t-il que le seuil minimal sera atteint pour pouvoir encore distribuer ces produits aux pays bénéficiaires?

 

Où en sont les négociations? Quelles réactions aux mises en demeure le gouvernement a-t-il formulé? Quelles propositions de rachat ont été faites, et pourquoi n'ont elles pas abouti?

 

Le gouvernement belge prévoit-il d'autres mesures pour sauver ces ressources?

 

2)     Monsieur le Ministre,

 

Depuis près d’un an, des négociations sont en cours entre l’ International Planned Parenthood Federation -IPPF-, les autorités américaines et le gouvernement belge concernant les fournitures contraceptives financées par l’Agence des États-Unis pour le développement international -USAID- et stockées à Geel. Un an plus tard, la situation reste bloquée, alors que les produits continuent de se dégrader.

 

Selon le New York Times, 8,1 millions de dollars de contraceptifs seraient déjà inutilisables, et le stock total de 9,7 millions de dollars est menacé. Le Reproductive Health Supplies Coalition -RHSC- estime que leur perte pourrait entraîner 362 000 grossesses non désirées, 110 000 avortements à risque et 718 décès maternels évitables. 

 

De plus, plusieurs pays refusent des contraceptifs dont la durée de conservation restante est insuffisante — la Tanzanie exige par exemple 60 % de durée de vie résiduelle. Autrement dit, la fenêtre d’exportation se réduit chaque jour, et l’inaction risque de rendre l’ensemble du stock inutilisable, même avant sa date de péremption.

 

Monsieur le Ministre,

 

Quelles sont les dates de péremption des contraceptifs encore utilisables à Geel, et combien de temps reste-t-il avant qu’ils ne puissent plus être distribués selon les critères des pays destinataires?

 

Où en sont les négociations bilatérales avec les États-Unis, et quels blocages persistent après un an d’échanges?

 

Quelles démarches diplomatiques de haut niveau la Belgique a-t-elle entreprises pour débloquer ce dossier, au-delà des contacts techniques?

 

Quelles alternatives la Belgique est-elle prête à activer pour éviter la destruction de ces ressources essentielles si les négociations n’aboutissent pas rapidement?

 

3)     Mijnheer de minister,

 

Zoals u weet liggen nog steeds een voorraad anticonceptiemiddelen van USAID ter waarde van 10 miljoen dollar opgeslagen in Geel. Door stopzetting van de financiering besliste USAID in juni vorig jaar de voorraad de vernietigen. Sindsdien lopen er onderhandelingen tussen de International Planned Parenthood Federation (IPPF) en de Amerikaanse overheid over de toekomst van USAID‑anticonceptiemiddelen, zonder concreet resultaat. Ook België zou onderhandelingen voeren met de Verenigde Staten. Verschillende organisaties als Amnesty International en Sensoa voerden op 7 april actie aan het magazijn in Geel om de Belgische overheid op te roepen verdere actie te ondernemen door financiering te voorzien en meer diplomatieke druk uit te oefenen om de middelen alsnog van vernietiging te redden.

 

Naarmate een oplossing om zich laat wachten, groeit ook het risico dat bepaalde producten niet meer geëxporteerd kunnen worden. Niet alleen de absolute vervaldatum van de producten is daarbij cruciaal. Verschillende ontvangende landen hanteren immers strikte regels waarbij zij geen anticonceptiemiddelen aanvaarden wanneer die te dicht bij de houdbaarheidsdatum komen.

 

Ik heb voor u dan ook de volgende vragen: 

 

1. Heeft u zicht op de precieze houdbaarheidsdata van de nog bruikbare USAID‑anticonceptiemiddelen die momenteel opgeslagen liggen in België? Wanneer zou de ondergrens bereikt zijn om de producten nog te kunnen verdelen? 

2. Wat is de actuele stand van zaken van de onderhandelingen met de Verenigde Staten over deze opgeslagen middelen, en welke concrete perspectieven ziet de regering vandaag? 

Onderneemt of overweegt de Belgische overheid, naast de lopende onderhandelingen met de Verenigde Staten, nog bijkomende acties of alternatieve pistes om te vermijden dat deze anticonceptiemiddelen verloren gaan? 

 

Antwoord - Réponse:

 

Madame Schlitz, Madame Désir, Mevrouw Van Hoof,

 

Tout d'abord, permettez-moi de réitérer que je partage votre incompréhension de cette situation.

 

Permettez-moi également de souligner que, malgré les rapports de presse, il n'existe ni médicaments contre le VIH ni préservatifs dans le stock contraceptif que les États-Unis souhaitent détruire.

 

D'après les informations dont nous disposons, les quatre cargaisons de contraceptifs encore en bon état à Geel ont une date d'expiration comprise entre le 30 avril 2028 et le 30 septembre 2031. 

 

Les produits qui expireront au cours de l'année 2028 sont principalement des pilules contraceptives et certains implants contraceptifs.

 

Les produits qui expireront au cours de l'année 2029 sont des implants contraceptifs. 

 

Les stérilets en cuivre ont la durée de conservation la plus longue, pouvant atteindre le 30 septembre 2031.

 

Elk land hanteert minimale vereisten met betrekking tot de resterende houdbaarheid (shelf life) voor de invoer van geneesmiddelen, met inbegrip van anticonceptiva.

 

Ik erken dat de tijd dringt, ook al lijken de vervaldata op het eerste gezicht nog relatief veraf te liggen.

 

Si un accord de transfert avec les États-Unis est obtenu, une analyse approfondie de la durée de vie des contraceptifs devra montrer quelles options de transfert sont disponibles.

 

Notre diplomatie – à Bruxelles et à Washington DC – et moi-même avons effectué plusieurs démarches auprès des autorités américaines au cours des dix derniers mois.

 

Malgré plusieurs démarches formelles et informelles, nous n'avons pas reçu de réponse à nos dernières propositions formulées en décembre 2025.

 

La Belgique a réitéré son engagement à reprendre le stock sous certaines garanties.

 

Celles-ci incluaient des garanties de qualité et d’accès à la documentation nécessaire, des garanties de transparence, ainsi que la garantie que le stock pouvait être transféré vers les pays destinataires et effectivement distribué.

 

Daarnaast heb ik inderdaad twee brieven ontvangen van een collectief uit het middenveld, waaronder een ingebrekestelling, in augustus en september 2025.

 

Ik heb uitvoerig geantwoord op deze formele kennisgevingsbrief door de diplomatieke maatregelen uiteen te zetten die mijn diensten en ikzelf tot op dat moment hadden genomen om de overdracht van de voorraad anticonceptiemiddelen naar de betrokken landen te verzekeren.

 

Je suis au courant de la volonté de plusieurs acteurs d'acheter le stock de contraceptifs, offre adressée au gouvernement américain, et non au gouvernement belge.

 

Je répète que mes services continuent de travailler sans relâche pour éviter que le stock soit détruit.

 

Bien que la Belgique et les Etats-Unis aient pour le moment des positions opposées en ce qui concerne la santé et les droits sexuels et reproductifs, j'espère encore qu'une solution diplomatique sera trouvée.

 

Je continuerai, quoi qu’il arrive, à surveiller cette situation de près.

 

32 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het bezoek van de Taiwanese oppositieleider aan China" (56015305C)

32 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La visite en Chine de la principale figure de l'opposition taïwanaise" (56015305C)

 

In de eerste helft van april dit jaar bracht een delegatie van de Taiwanese oppositiepartij Kuomintang, onder leiding van Cheng Li-wun, een officieel bezoek aan de Volksrepubliek China. Dit bezoek omvatte onder meer politieke ontmoetingen op hoog niveau met president Xi Jinping, evenals economische en bedrijfsgerichte contacten.

 

Volgens berichtgeving vond dit bezoek plaats in een context van verhoogde spanningen in de Straat van Taiwan, gekenmerkt door militaire druk van China en politieke verdeeldheid binnen Taiwan over de relatie met Beijing. Tegelijk presenteerde China na afloop van het bezoek nieuwe economische en maatschappelijke incentives voor Taiwan, gekoppeld aan het expliciete verzet tegen Taiwanese onafhankelijkheid.

 

Dit roept vragen op over de geopolitieke betekenis van dergelijke partij- en bedrijfscontacten, waaronder bezoeken aan strategische technologiebedrijven zoals Huawei, in het kader van Chinese invloedspolitiek en economische diplomatie.

 

Mijnheer de minister,

 

1. Hoe beoordeelt u het bezoek van de Kuomintang aan China in het licht van de huidige spanningen tussen Taiwan en de Volksrepubliek China?

2. In welke mate ziet u dit bezoek als een onderdeel van een bredere Chinese strategie om politieke en economische invloed uit te oefenen op Taiwan, onder meer via incentives en partij-tot-partij contacten?

3. Hoe wordt het bezoek aan Chinese technologiebedrijven, zoals Huawei, geëvalueerd vanuit het oogpunt van strategische autonomie en veiligheidsrisico’s, zowel voor Taiwan als voor Europese partners?

4. Welke impact heeft dit bezoek op de interne politieke verhoudingen in Taiwan, met name tussen voorstanders van toenadering en voorstanders van een meer autonome koers?

5. Hoe schat u de gevolgen in voor de regionale stabiliteit en de internationale positie van Taiwan, inclusief de relaties met de Europese Unie?

6. Op welke wijze volgt België, in samenwerking met EU-partners, deze ontwikkelingen op, en welke diplomatieke initiatieven worden overwogen om bij te dragen aan stabiliteit in de regio?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Van Riet,

 

Het bezoek aan de Volksrepubliek China van Cheng Liwun, voorzitster van de Kuomintang (KMT), de belangrijkste oppositiepartij in Taiwan, is het eerste bezoek van een KMTvoorzitter in bijna tien jaar. 

 

Het lijkt in belangrijke mate een politieke zet om haar interne positie binnen de partij te versterken, met het oog op de presidentsverkiezingen van 2028. Cheng presenteerde haar zesdaagse bezoek als een vredesmissie ter bevordering van stabiele en vreedzame relaties tussen Taiwan en China - zonder zich expliciet uit te spreken over de vraag of hereniging het uiteindelijke doel moet zijn.

 

De positie van president Xi Jinping is algemeen bekend en werd ook tijdens dit bezoek herhaald.

 

De uitnodiging van Cheng kan gezien worden als een initiatief binnen het kader van de “vreedzame unificatie” waarvoor president Xi pleit en via de meer Chinagezinde KMT tracht invloed uit te oefenen op de interne politiek in Taiwan.

 

Het bezoek illustreert de toenemende polarisatie tussen de partij van huidig president Lai en de meer conservatieve en traditionele vleugel van KMT die zich sterk verzet tegen het beleid van president Lai en pleiten voor dialoog met Beijing. 

 

Zoals herhaaldelijk benadrukt, blijft België — net als de Europese Unie — de ontwikkelingen in de betrekkingen tussen beide zijden van de Straat van Taiwan nauwgezet volgen.

 

We pleiten voor het behoud van de status quo in de relaties tussen China en Taiwan en blijven het oproepen om geen acties te ondernemen die deze status quo zouden kunnen ondermijnen.  

 

In verband met strategische technologieën, blijft het cruciaal dat wij en ons Europese partners ons risicoanalyse blijven baseren op transparantie, diversificatie van toeleveringsketens en bescherming van kritieke infrastructuur.

 

33 Vraag van Els Van Hoof aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "Het voorzichtige akkoord tussen de Democratische Republiek Congo en de M23" (56015383C)

33 Question de Els Van Hoof à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'accord de principe entre la République démocratique du Congo et le M23" (56015383C)

 

Mijnheer de minister,

 

Terwijl de wereld naar de vele conflicten in Iran, de straat van Hormuz, Libanon, Palestina en Oekraïne kijkt, blijven ook de vergeten conflicten verder woeden. Één van die conflicten is de oorlog in Oost-Congo, een oorlog die wel vaker in deze commissie wordt besproken, maar die maar niet opgelost lijkt te geraken. Ondanks de verschillende vredesprocessen en de bemiddeling van onder andere de Verenigde Staten vorig jaar, blijft het geweld in de regio aanhouden.

 

We weten intussen dat we voorzichtig moeten zijn met grote aankondigingen, maar vorige week leek er toch een hoopvol lichtpuntje te zijn in deze oorlog. Nadat de Democratische Republiek Congo en M23 een week lang onderhandelden in Zwitserland onder bemiddeling van Qatar, de VS, Zwitserland, de Afrikaanse Unie en Togo, kwam er een akkoord uit de bus over het toelaten van humanitaire hulp en het vrijlaten van een aantal gevangenen.

 

De twee partijen hebben aanvaard om geen actie te ondernemen die de levering van humanitaire hulp, op basis van humanitaire principes, in het gedrang zou brengen in de getroffen gebieden. Ze kwamen ook overeen om binnen de 10 dagen over te gaan tot de vrijlating van gevangenen, met als doel om het vertrouwen te versterken. Daarnaast maakten ze ook afspraken over het controleren van het huidige staakt-het-vuren.

 

Het is zoals gezegd afwachten of dit akkoord een opstap zal blijken naar een echte de-escalatie in de regio. We hebben de plicht om hoopvol te blijven dat er een duurzame oplossing komt voor dit conflict, maar mogen tegelijk ook niet te naïef zijn: het is niet de eerste keer dat er afspraken werden gemaakt die op het terrein totaal niet werden nagekomen. Dat is een evenwichtsoefening voor onze regering en diplomaten.

 

Mijn vragen voor u:

 

Hoe reageert u op het akkoord tussen de DRC en M23 dat in Zwitserland werd bereikt?

Is België op één of andere manier betrokken bij de bemiddelingspogingen in Zwitserland?

Wordt er door bepaalde actoren (betrokken landen in de oorlog of andere EU-landen) naar België gekeken om een rol te spelen in de bemiddeling tussen DRC en M23?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Van Hoof,

 

De nieuwe onderhandelingsronde die in Montreux heeft plaatsgevonden in het kader van het Dohaproces vormt een positieve ontwikkeling, die ik ten volle verwelkom. Drie elementen acht ik daarbij bemoedigend: het akkoord over een mechanisme voor het toezicht op het staakthetvuren, de verbintenissen inzake humanitaire toegang en de bescherming van civiele infrastructuur en humanitaire actoren, en het akkoord over de uitwisseling van gevangenen.

 

Zoals u terecht aangeeft, ligt de centrale uitdaging nu bij de daadwerkelijke uitvoering van deze verbintenissen. Het is vaak in deze fase dat de grootste moeilijkheden zich voordoen.

 

Tegelijk blijven er nog tal van dossiers open die moeten worden geregeld alvorens een duurzame vrede kan worden overwogen, in het bijzonder rond gevoelige kwesties zoals tijdelijke veiligheidsregelingen en de demobilisatie en ontwapening van gewapende groepen. De heropening van de luchthaven van Goma blijft eveneens een struikelblok.

 

Ik blijf er bovendien van overtuigd dat deze inspanningen moeten worden aangevuld met een nationaal proces dat alle Congolese actoren in staat stelt actief bij te dragen aan de uitwerking en uitvoering van vreedzame oplossingen. In die geest zal ik blijven pleiten voor de snelle opstart van een inclusieve nationale dialoog, ter ondersteuning van het initiatief van Angola.

 

België is geen rechtstreekse partij bij het Dohaproces, waarvan de aansturing voornamelijk in handen is van Qatar, de Verenigde Staten en de Afrikaanse Unie. De laatste onderhandelingsronde werd omwille van de huidige veiligheidssituatie verplaatst van Doha naar Montreux. Hoewel wij niet rechtstreeks aan de gesprekken deelnemen, onderhouden wij nauwe contacten met alle betrokken actoren en richten wij regelmatig boodschappen aan de partijen om hen aan te moedigen betrokken te blijven bij het proces en hun verbintenissen na te komen. In dat verband ontvangen wij geregeld positieve feedback van de bemiddelaars.

 

Tot slot werpt ook ons pleidooi op Europees niveau zijn vruchten af. Na de Raad Buitenlandse Zaken van januari en de missie van commissaris Lahbib in de regio zijn de eerste humanitaire hulpkonvooien van de Europese Unie aangekomen in Uvira, terwijl de werkzaamheden voortgaan om veilige humanitaire corridors tot stand te brengen.

 

34 Question de Michel De Maegd à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'accès des profils à risque aux visas belges en Iran et en Afghanistan" (56015392C)

34 Vraag van Michel De Maegd aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De toegang tot een Belgisch visum voor risicoprofielen in Iran en Afghanistan" (56015392C)

 

Monsieur le Ministre,

 

L'Iran et l'Afghanistan sont tous deux gouvernés par des régimes caractérisés par de graves restrictions des libertés, des violations systématiques des droits humains et une attitude ouvertement hostile à l'égard de l'Occident, y compris la Belgique. Par ailleurs, ces deux pays ont connu ces dernières années d'importants bouleversements politiques et sociétaux, entraînant le départ ou l'envoi de certaines catégories de personnes hors de leurs frontières.

 

Dans ce contexte, je m'inquiète du fait que des personnes qui ont activement soutenu ces régimes ou qui en font toujours partie, y compris des individus présentant des profils à risque tels que des espions, des terroristes ou des recruteurs, cherchent à accéder à notre pays.

 

Cette préoccupation s'est accrue à la suite des développements récents en Iran, où des membres ou des soutiens du régime pourraient tenter de se réfugier dans des pays offrant un niveau de vie élevé et disposant d'une diaspora iranienne établie, dont la Belgique.

 

Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser les questions suivantes:

 

1. Disposez-vous d'indications selon lesquelles des personnes présentant de tels profils à risque, ou ayant activement collaboré avec les régimes iranien ou afghan, introduisent des demandes de visa belge?

2. Quelles mesures concrètes prenez-vous afin d'empêcher que des personnes présentant de tels profils à risque, ou ayant activement contribué au maintien de ces régimes, obtiennent un visa pour la Belgique?

 

Antwoord - Réponse:

 

Monsieur De Maegd,

 

Merci pour votre question, dans laquelle vous épinglez un point d’attention très important.

 

Mes services n’ont pas connaissance de personnes présentant de tels profils qui auraient introduit des demandes de visa belge dans l’intention de venir dans notre pays. 

 

Sachez que j’ai donné instruction, il y a un moment déjà, aux postes pertinents et à mes services, de faire preuve d’une vigilance accrue et de la plus grande précaution dans la gestion des demandes.

 

Ainsi, les procédures de demandes de visa venant de l’Iran impliquent en tout état de cause une collaboration très étroite avec nos services de sécurité, afin d’identifier tout profil à risque et d’évaluer le danger éventuel de leur donner accès au territoire belge.

 

Tout demande venant d’une personne ayant des liens avec l’appareil étatique iranien est soumise à l’Office des étrangers, ainsi qu’à mes services à Bruxelles, pour une analyse supplémentaire. 

 

A noter que, à l’heure actuelle, notre centre qui reçoit les demandes de visas à Téhéran est fermé à cause des conditions de guerre sur place. 

 

En ce qui concerne les demandes de visa des Afghans, je rappelle que la Belgique ne dispose pas d’Ambassade à Kaboul. Les demandes de visa de citoyens afghans doivent se faire auprès de notre Ambassade à Islamabad.

 

Je tiens à souligner une fois encore que la Belgique ne reconnaît pas la légitimité du régime taliban et n'entretient donc aucune relation diplomatique avec les Talibans. Ainsi, si des représentants des autorités de facto, même au niveau technique, devaient demander un visa pour la Belgique, celui-ci leur serait systématiquement refusé.

 

La seule exception à cela relève la politique de siège de notre pays. En effet, la Belgique accueille un grand nombre d’institutions européennes et internationales, dont la Belgique doit faciliter le travail. Si l’une de ces institutions, par exemple la Commission européenne, dans le cadre de son mandat, devait faire formellement la demande à la Belgique de laisser venir sur son territoire des représentants des Talibans, la Belgique serait tenue de donner une suite favorable dans le cadre strict de cette politique de siège. A ce jour, nous n'avons toutefois reçu aucune demande de ce type.

 

35 Vraag van Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De financiële intimidatie door de VS en de meegaandheid van Europese bedrijven" (56015419C)

35 Question de Annick Lambrecht sur "L'intimidation financière par les États-Unis et la complaisance des entreprises européennes" (56015419C)

 

Meneer de minister,

De magistraat Nicolas Guillou getuigde op 8 april voor een Franse onderzoekscommissie over hoe zijn Europese verzekeraars hem omwille van Amerikaanse sancties naar de deur wezen. Deze rechter bij het Internationaal Strafhof staat op de Amerikaanse sanctielijst omwille van het onderzoek naar Israëlische oorlogsmisdadigers.

 

Sindsdien weigeren de verzekeraars Axa en MSH International – twee Franse bedrijven – zijn medische kosten in Europa te vergoeden.

 

Europese bedrijven kiezen voor een vrijwillige onderwerping aan Amerikaanse wetgeving. Zij blokkeren terugbetalingen voor zorg in Europa, zonder dat er dollars of Amerikaanse transacties aan te pas komen. Deze bedrijven beschermen hun winsten op de Amerikaanse markt ten koste van Europese burgers, en werken zo mee aan de ondermijning van het Internationaal Strafhof.

 

België en de Europese Unie laten hun financiële soevereiniteit uithollen. De Europese Commissie weigert tot nu toe het Europese blokkeringsstatuut te activeren om deze buitenlandse sancties ongedaan te maken. Vooruit heeft in dit parlement een resolutie ingediend die de regering vraagt om precies daarvoor op te komen. In Europa moet het internationaal recht zwaarder wegen dan de angst voor Washington.

 

Daarom stel ik graag de volgende vragen:

1. Welke stappen onderneemt België binnen de EU om het blokkeringsstatuut

onmiddellijk uit te breiden en te activeren naar deze Amerikaanse sancties

tegen het Strafhof en Palestijnse ngo’s?

2. Steunt u de Vooruit-resolutie voor de activering van dit statuut?

3. Plant u een overleg met uw Franse collega over de getuigenis van rechter

Guillou en de gezamenlijke verdediging van onze financiële soevereiniteit?

4. Welke acties moeten op Europees niveau genomen worden om onze

financiële soevereiniteit te vergroten?

5. Welke sancties overweegt u voor financiële instellingen die Europese

burgers uitsluiten op basis van wetgeving uit derde landen?

 

Alvast bedankt voor uw antwoorden.

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Lambrecht,

 

België heeft de US-sancties tegen functionarissen van het International Criminal Court (ICC) de voorbije maanden meermaals veroordeeld. 

 

Op de recente Assembly of States Parties van het ICC heb ik het belang dat ons land hecht aan het mandaat van het ICC nog eens duidelijk onderstreept. 

 

Ik heb toen ook ondubbelzinnig de steun van België voor het ICC geuit, de US-sancties streng veroordeeld en de inspanningen die ons land doet om het ICC te helpen in deze uitdagende tijden benadrukt. 

 

Er is op dit moment ook geen vraag van het ICC om meer financiële middelen, het ICC heeft op dit moment vooral nood aan politieke signalen van steun voor de uitoefening van hun mandaat en strategische ondersteuning in het verhogen van hun weerbaarheid tegen sancties.

 

België blijft voorstander van de activatie van het Blocking Statute. België heeft dit reeds binnen de Raad van de EU meermaals bepleit. 

 

De Europese verordening die het Blocking Statute creëert, stelt de Europese Commissie in staat een gedelegeerde handeling (“delegated act”) aan te nemen waarmee zij de reikwijdte van dit Blocking Statute-mechanisme kan uitbreiden naar Amerikaanse sancties tegen ICC-personeel.

 

De Commissie moet daarom worden overtuigd om hiermee door te gaan, wat alleen kan als meer lidstaten dezelfde boodschap uitspreken.

 

België blijft ook bezorgd over de impact van de Amerikaanse sancties op de drie Palestijnse NGO’s die onterecht onder Amerikaanse sancties werden geplaatst en zo monddood worden gemaakt.

 

Ik heb ook contact gehad met financiële instellingen en andere dienstverleners in ons land om hen te herinneren aan de onvoorwaardelijke steun van België aan het ICC. 

 

België onderhoudt ook goede contacten met het ICC zelf, in het bijzonder de dienst van de griffier van het ICC, om het Hof te ondersteunen in hun inspanningen om de gevolgen van sancties te mitigeren en te anticiperen op eventuele verdere escalatie van US-sancties en de toekomst van het ICC veilig te stellen door hun autonomie en weerstand te verhogen.

 

36 Vraag van Annick Lambrecht aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De onderdrukking van Oeigoeren via de Chinese wet over ‘etnische eenheid’" (56015420C)

36 Question de Annick Lambrecht à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La répression des Ouïghours au nom de la loi chinoise sur "l'unité ethnique" (56015420C)

 

Meneer de minister,

 

Het Chinese parlement heeft een nieuwe wet op de ‘etnische eenheid’ aangenomen.

 

Deze wet verplicht minderheden zoals de Oeigoeren, Tibetanen en Mongolen om de cultuur en ideologie van de Chinese Han-meerderheid over te nemen. Zo zal op school enkel nog Mandarijns les gegeven mogen worden en is daarvan afwijken strafbaar. Vooruit ziet dit als een volgende stap in de systematische uitwissing van onder andere de Oeigoerse identiteit. Wie weigert mee te werken aan deze gedwongen assimilatie, riskeert vervolging of opsluiting in heropvoedingskampen. Mensenrechtenorganisaties documenteren al jaren ernstige schendingen in de Xinjiang-regio. Er is sprake van dwangarbeid, massale surveillance en de vernietiging van religieus erfgoed. Deze nieuwe wetgeving legaliseert praktijken die indruisen tegen de internationale verdragen die China zelf heeft ondertekend. België moet binnen de Europese Unie een rol spelen om deze onderdrukking aan te kaarten.

 

De economische relaties met China mogen de ogen niet sluiten voor de verwerpelijke manier waarop de Chinese regering met minderheidsgroepen omgaat. De geloofwaardigheid van het Europese buitenlandbeleid hangt af van onze consequente steun voor minderheden die wereldwijd worden vervolgd.

 

Daarom stel ik graag de volgende vragen:

 

1. Welke diplomatieke stappen onderneemt u bij de Chinese ambassadeur om uw bezorgdheid over deze specifieke wet op de ‘etnische eenheid’ over te maken?

2. Hoe zult u dit thema agenderen tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken om tot een gezamenlijke EU-reactie te komen?

3. Op welke manier controleert u of Belgische bedrijven die handel drijven in Xinjiang niet onbedoeld bijdragen aan de handhaving van deze wet of aan dwangarbeid?

4. Bent u bereid om de bescherming van Oeigoerse activisten op Belgische bodem te verhogen, gezien de toenemende transnationale repressie door China?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Lambrecht,

 

België volgt de mensenrechtensituatie in de Volksrepubliek China, en in het bijzonder die van etnische en religieuze minderheden.

 

De recente aanname van een wet inzake zogenaamde “etnische eenheid” is een element in die bijzondere aandacht van mijn diensten in Brussel en in China.

 

België blijft dit dossier op regelmatige basis aankaarten via diplomatieke kanalen, inclusief in de contacten met de Chinese ambassade.

 

Onze bezorgdheden over de situatie van de verschillende minderheden in China, waaronder nieuwe wetgevende initiatieven die de culturele en religieuze identiteit onder druk zetten, worden overgemaakt aan de Chinese autoriteiten.

 

Daarbij benadrukken wij het belang van het algemeen respect voor de mensenrechten en de verbintenissen die China is aangegaan in het kader van internationale verdragen.

 

De EU zorgt er onder meer via de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) voor dat bedrijven die hier actief zijn dergelijke risico’s op vlak van mensenrechten in kaart brengen en hun waardenketens hierop afstemmen om misbruiken te voorkomen en te vermijden.

 

België neemt signalen van transnationale repressie zeer ernstig.

 

De bescherming van personen die zich op Belgisch grondgebied bevinden, waaronder mensenrechtenverdedigers, valt onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde veiligheids- en inlichtingendiensten.

 

Voor meer informatie over de specifieke acties van die diensten om de rechten van deze mensen te garanderen, verwijs ik graag naar mijn collega’s van Binnenlandse Zaken en Justitie.

 

37 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De ontwikkeling door China van een (militair) eiland op Antelope Reef" (6015432C)

37 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "L'aménagement par la Chine d'une île (militaire) sur le récif d'Antelope" (6015432C)

 

Volgens recente berichtgeving bouwt Volksrepubliek China in sneltempo een kunstmatig eiland op Antelope Reef in de Zuid-Chinese Zee, met infrastructuur die geschikt lijkt voor militaire doeleinden, waaronder landingsbanen en installaties voor raketsystemen. 

 

Deze ontwikkeling past in een bredere strategie waarbij China haar militaire aanwezigheid in de regio uitbreidt en zo zijn territoriale claims kracht bijzet. Antelope Reef ligt bovendien in een betwist gebied en kan een rol spelen in een eventuele escalatie rond Taiwan. 

 

Deze evolutie heeft implicaties voor de internationale rechtsorde, de vrijheid van navigatie en de stabiliteit in de Indo-Pacifische regio. 

 

Mijnheer de minister, 

 

1. Hoe beoordeelt u de Chinese militaire expansie in de Zuid-Chinese Zee, in het bijzonder de snelle uitbouw van Antelope Reef tot een strategische militaire basis? 

2. Welke impact ziet u op de spanningen rond Taiwan en de bredere regionale stabiliteit? 

3. Heeft België dit dossier aangekaart binnen de Europese Unie of in multilaterale fora? Zo ja, met welke concrete standpunten? 

4. Acht u bijkomende Europese of Belgische diplomatieke initiatieven noodzakelijk om het internationaal recht en de vrijheid van scheepvaart in de regio te vrijwaren? 

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Van Riet,

 

Gelet op het belang van de Zuid-Chinese Zee voor de wereldhandel, volgen mijn diensten de ontwikkelingen in die Zuid-Chinese Zee met grote aandacht, waaronder ook de berichten over de verdere uitbouw van infrastructuur op het Antelope Reef. Ik nam tevens kennis van de berichten dat dergelijke constructies een militair-strategische dimensie kunnen hebben. België deelt de bezorgdheid van de Europese Unie over eenzijdige acties die de status quo in deze belangrijke regio kunnen wijzigen, zeker wanneer zij plaatsvinden in betwiste zeegebieden. 

 

Samen met de Europese Unie, roepen wij alle betrokken partijen op tot terughoudendheid in hun acties want dergelijke ontwikkelingen verhogen immers het risico op incidenten en gaan in tegen de inspanningen om net de situatie te ontmijnen. België blijft het belang benadrukken van dialoog, de-escalatie en het vermijden van elke actie die tot misrekeningen of escalatie kan leiden.

 

België brengt deze bezorgdheden consequent ter sprake tijdens discussies tussen de lidstaten van de Europese Unie. In Europese conclusies en verklaringen heeft de EU herhaaldelijk het belang benadrukt van het internationaal recht, en in het bijzonder het VNZeerechtverdrag, inclusief de vrijheid van navigatie.

 

Een gecoördineerde, Europese aanpak is de meest aangewezen optie om dit belangrijke en gevoelige dossier aan te kaarten bij alle betrokken actoren en hen aan te manen tot een vreedzame oplossing van conflicten en betwistingen.

 

38 Vraag van Katrijn van Riet aan Maxime Prévot (VEM Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking) over "De samenwerking tussen Japan en de VS" (56015433C)

38 Question de Katrijn van Riet à Maxime Prévot (VPM Affaires étrangères, Affaires européennes et Coopération au développement) sur "La coopération entre le Japon et les États-Unis" (56015433C)

 

Het recente bezoek van de Japanse premier Sanae Takaichi aan de Verenigde Staten heeft geleid tot nieuwe afspraken rond energie, kritieke grondstoffen, nucleaire samenwerking en het versterken van toeleveringsketens, met als doel onder meer de afhankelijkheid van China te verminderen.

 

Tegelijk werd dit overleg overschaduwd door een opmerkelijke uitspraak van president Donald Trump, die in aanwezigheid van de Japanse premier een “grapje" maakte over Pearl Harbor. Dit zorgde voor diplomatisch ongemak en roept vragen op over de toon binnen het bondgenootschap. Beide landen reageren via hun officiële kanalen echter positief op de vraag hoe de ontmoeting gelopen is.

 

Mijnheer de minister:

 

1. Hoe beoordeelt u de concrete uitkomsten van dit overleg tussen de VS en Japan?

2. Welke impact hebben deze afspraken op de geopolitieke verhoudingen, in het bijzonder tegenover China?

3. Hoe evalueert u de diplomatieke implicaties van dergelijke uitspraken van de Amerikaanse president?

4. Ziet u hierin een bijkomende noodzaak voor een sterkere Europese strategische autonomie?

 

Antwoord - Réponse:

 

Mevrouw Van Riet,

 

Het bezoek van Premier Sanae Takaichi op 19 maart aan Washington was al de tweede ontmoeting met President Trump op een paar maanden tijd, na diens bezoek aan Japan eind oktober vorig jaar.

 

Takaichi koos Washington als eerste buitenlandse reis na haar aanstelling en wou voortbouwen op de zeer goede relaties die haar voorganger Abe had met Donald Trump gedurende diens eerste ambtstermijn. 

 

Ze kon bepaalde beloftes concreter maken die waren gemaakt tijdens het bezoek van President Trump aan Japan; u hebt de belangrijkste domeinen opgesomd.

 

Zoals is gebleken uit de Amerikaanse Nationale Veiligheidsstrategie en de Nationale Defensiestrategie, blijft Japan als strategisch bondgenoot een eersterangsspeler voor de VS in de Indo Pacific, meer bepaald in de verdediging gevormd door de ‘First Island Chain’. 

 

Inzake burden sharing kon Takaichi bij haar bezoek aankondigen dat haar land zijn defensie-uitgaven nog dezelfde maand zou optrekken tot 2%.

 

Op handelsvlak heeft President Trump het steeds zeer duidelijk gemaakt dat de VS meer investeringen van zijn handelspartners wil en ook daar is Japan op ingegaan, met de belofte om tegen januari 2029 550 miljard USD in de VS te investeren. 

 

De samenwerking rond energiezekerheid en kritieke grondstoffen werd bezegeld met een actieplan rond kritieke mineralen en aandacht voor diepzee-ontwikkeling, voortbouwend op de succesvolle Japanse proefboringen nabij het eiland Minami-Torishima.

 

Al deze vormen van samenwerking liggen in de lijn der verwachtingen over deze traditioneel sterke bondgenoten – ook wat betreft hun respectievelijk China-beleid. Europa heeft koers gezet richting uitbouw van een sterkere strategische autonomie. De afspraken tussen de VS en Japan worden uiteraard grondig geanalyseerd, maar veranderen onze vastberadenheid over deze noodzaak niet.