|
Commissie
voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing |
Commission de la Constitution et du Renouveau
institutionnel |
|
van Woensdag 24 juni 2026 Voormiddag ______ |
du Mercredi 24 juin 2026 Matin ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 11.06 uur en voorgezeten door de heer Werner Somers.
La réunion publique de commission est ouverte à 11 h 06 et présidée par M. Werner Somers.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
01.01 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Monsieur le premier ministre, le 3 avril dernier, votre gouvernement a décidé de désigner le professeur Frank Fleerackers pour succéder à Luc Lavrysen, admis à la pension, en tant que juge à la Cour constitutionnelle.
Conformément à la loi spéciale sur la Cour constitutionnelle, la Chambre avait transmis au gouvernement une liste double sur laquelle figurait, outre le professeur Fleerackers, le professeur Koen Lemmens. Lors des votes en séance plénière le 12 mars dernier, Koen Lemmens avait réuni dès le premier tour la majorité des deux tiers suffisante, avec 97 voix sur les 114 exprimées. Ensuite, au deuxième tour, Frank Fleerackers a été élu, avec 89 voix sur 131 exprimées.
Monsieur le premier ministre, quels critères ont-ils guidé le gouvernement pour déterminer son choix entre ces deux candidats? Le nombre de votes obtenus, indicateur de l'ampleur du soutien que chacun des candidats avait pu réunir, a-t-il été pris en compte? Je vous remercie.
La nomination de M. Fleerackers s’est, elle aussi, déroulée dans le strict respect de cette procédure. Il figurait en première position sur la liste de candidats transmise par la Chambre des représentants. Le deuxième candidat était M. Lemmens, comme vous l’avez indiqué. Les deux candidats ont obtenu la majorité des deux tiers requise.
Comme vous le savez, d’un point de vue juridique, le gouvernement n’est, quoi qu’il en soit, pas lié par le nombre exact de voix obtenues par chaque candidat. Le choix du professeur Frank Fleerackers repose sur la grande qualité de son parcours universitaire et juridique, ainsi que sur les équilibres politiques au sein de la Cour, puisque, depuis toujours, la répartition des sièges y est déterminée selon le système D'Hondt.
Pour conclure, plutôt que de critiquer la liste de deux candidats proposée, il aurait mieux valu voter en faveur du projet de loi spéciale qui visait non seulement à renforcer la procédure de nomination, mais aussi à supprimer le principe de la liste de deux candidats. C’était même une idée de Groen, qui l’avait ajoutée à la discussion, à juste titre. Ceux qui remettent aujourd’hui en cause ce système, a posteriori, auraient mieux fait de soutenir cette réforme, me semble‑t‑il. Je vous remercie de votre attention.
01.03 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Je vous remercie, monsieur le premier ministre.
J’ai bien conscience que la procédure ne pose aucun problème juridique. Je vous interrogeais sur la manière dont cette décision avait été prise sur le plan politique.
D’abord, je tiens à préciser qu'il n’existe aucune hiérarchie entre le premier et le second candidat dans la liste transmise. Être en première position ne signifie pas être le candidat davantage proposé par la Chambre. Il faut de la transparence dans l’attribution de postes comme ceux-ci.
Il en allait de même pour le juge belge à la Cour de justice de l’Union européenne. Ce sont des postes clés dans notre État de droit. La Cour constitutionnelle et la Cour de justice sont chargées de vérifier la compatibilité des lois que nous votons avec la Constitution et avec le droit européen. Ce n’est pas anodin, encore moins par les temps qui courent.
Il n’est donc pas anormal de demander un minimum de transparence quant à la manière dont ces mandats sont attribués. J’entends qu’il s’est agi ici d’une décision politique, qui n’a donc pas tenu compte du nombre de voix. Vous en aviez en effet le droit et vous l’assumez.
Je vous remercie pour cette réponse.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
02.01 Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, al een tijdje geleden maakte Vincent Blondel, de Senaatsvoorzitter en lid van Les Engagés in een interview de afschaffing van de Senaat afhankelijk van een aantal "balises extrêmement claires". Zo eist hij meer nog dan een tweederdemeerheid voor de herziening van de Grondwet, de toepassing van de regeling inzake bijzondere meerderheidswetten met een meerderheid in elke taalgroep. Dat komt neer op een soort van grendelgrondwet 2.0, waarbij de Vlaamse meerderheid nog verder aan banden zou worden gelegd. Blondel eist tevens een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in het federale parlement – ik kan hem daarin overigens geen ongelijk geven –, voordat de Senaat wordt afgeschaft. Soortgelijke eisen worden ook geformuleerd door de MR.
Mijnheer de eerste minister, hoe beoordeelt u de uitlatingen van de heer Blondel, waarbij hij een bijkomende taalgroepenmeerderheid voor toekomstige grondwetsherzieningen als voorwaarde naar voren schuift? Beschouwt u een dergelijke aanscherping van de procedure voor de herziening van de Grondwet als een gerechtvaardigde institutionele waarborg, dan wel als een disproportionele vergrendeling van de federale besluitvorming ten nadele van de Vlaamse meerderheid?
In welke mate acht u het aanvaardbaar dat de Franstalige regeringspartijen de afschaffing van de Senaat afhankelijk maken van de invoering van een extra vetomechanisme in de Grondwet? Is dat al besproken in de federale regering? Zo ja, wat was de uitkomst van die bespreking?
Wordt er in de regering gesproken over de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in de Kamer? Zo ja, welke pistes liggen er daaromtrent op tafel?
Bestaat er in de gegeven omstandigheden nog een realistisch perspectief op de afschaffing van de Senaat tijdens deze bestuursperiode?
02.02 Eerste minister Bart De Wever: Het zal u niet verbazen dat het regeerakkoord voor mij de leidraad is. In dat regeerakkoord lees ik geen bijkomende voorwaarden die eerst zouden moeten worden vervuld, vooraleer de afschaffing van de Senaat kan worden gerealiseerd. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het elke partij in het halfrond vrij staat om suggesties en ideeën te formuleren die daarmee verbonden zijn. Ik stel vast dat iedere partij dat vandaag helaas bijna dagelijks meent te moeten doen. Als dat in het het dossier gebeurt, vind ik dat trouwens wel verdedigbaar.
Ik heb altijd gezegd dat we nog een aantal problemen moeten oplossen. We bevinden ons eigenlijk nog maar in de fase waarin we via artikel 195 alle grondwetsartikelen voor herziening vatbaar verklaren om tot een zuivere afschaffing van de Senaat te kunnen komen. Dat was stricto sensu niet eens noodzakelijk. We kunnen de Senaat ook afschaffen zonder die procedure, maar dan blijft de Senaat nog vermeld in een vijftal artikelen, terwijl die instelling dan niet meer zou bestaan. Aan de kern van de zaak moeten we dus nog beginnen. Dat is pas vanaf etappe vijf. Er zijn acht etappes in de kruisweg. Het is pas vanaf etappe vijf dat het echt over de kern van de zaak gaat, de vraag of we de Senaat afschaffen of niet.
In de preliminaire fase sta ik uiteraard open voor alle mogelijke suggesties, maar liefst wel suggesties binnen het dossier. Als een fractie haar steun voor die afschaffing afhankelijk wil maken van de verankering van het recht op abortus in de Grondwet, dan word ik daar persoonlijk onpasselijk van. Ik zal mijn woorden niet te veel wikken en wegen. Ik vind het onpasselijk om een dergelijk ethisch dossier aan een institutionele hervorming te koppelen. Veel lager dan dat kan men, denk ik, niet zakken.
Anderen, waaronder uzelf, dacht ik, hebben daar recent een eis voor een strengere nationaliteitswetgeving aan verbonden. Dat heeft volgens mij evenmin iets met het dossier te maken. Het staat u uiteraard vrij om dat te doen. Uw positie is voor mij heel onhelder. Ik kan die niet begrijpen. Enerzijds zou u tegen die afschaffing en tegen herfederalisering moeten zijn, maar anderzijds bent u er eigenlijk wel voor. Nu is aan uw eventuele steun ook nog eens een voorwaarde verbonden die we niet zullen vervullen. Ik sta niet open voor dat soort koehandel. Ik heb dat in de plenaire vergadering ook heel duidelijk gezegd.
Een andere partij heeft inderdaad gezegd dat men de procedure voor grondwetsherziening in de Kamer wil verzwaren. Anderen uit de meerderheid hebben dan weer gezegd dat dat nooit zal gebeuren. Er zijn dus nog wel wat dingetjes op te lossen. Dat spreekt voor zich. Ik ben daar echter, tegen mijn aard in, optimistisch over. Ik denk dat we tussen fase vier en fase vijf echt oplossingen kunnen vinden voor de problemen, die opgelost moeten worden. Dat gaat met name over zaken die uw fractie vaak aankaart: de positie van entiteit II, de deelstaten in het institutionele proces, de herziening van de Grondwet, de benoeming van rechters en de benoeming van personen in internationale instellingen. Ik denk dat het perfect mogelijk is om dat in het kader van de werking van de Kamer op te lossen.
Hetzelfde geldt voor de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap in onze democratie. Die is alleen gegarandeerd in de Senaat, maar ik denk dat de manier waarop entiteit II kan borgen in de werking van de Kamer en alle functies die ze nu via de Senaat uitoefent, ook voor de Duitstaligen een oplossing kan bieden.
Er is dus mijns inziens geen reden om op dit moment te zeggen dat de afschaffing van de Senaat op losse schroeven staat. Elk probleem dat is geopperd, acht ik oplosbaar, maar niet elke oplossing die hier is geopperd, acht ik aanvaardbaar, zeer zeker niet. Binnen de contouren van het regeerakkoord is alles oplosbaar volgens mij. Voor het onderliggende waarom men bepaalde suggesties doet, kunnen we, als die terecht zijn en aan het dossier gebonden zijn, oplossingen vinden. Als iedereen die zich in het verleden consequent voorstander heeft getoond van de afschaffing van de Senaat, een minimum aan consequentie blijft vooropstellen, dan denk ik dat we dat deze legislatuur tot een goed einde kunnen brengen.
02.03 Werner Somers (VB): Dank u wel, mijnheer de eerste minister. U zegt dat alle of veel van de kwesties die aan de orde zijn gesteld, kunnen worden opgelost, zoals de positie en de betrokkenheid van de deelstaten bij benoemingen in bepaalde instellingen. Ik denk ook aan de herziening van de Grondwet en aan de totstandkoming van bijzondere wetgeving. Persoonlijk zie ik niet goed in hoe u dat allemaal in de Kamer zult regelen.
U kunt natuurlijk wel zorgen voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in de Kamer. Dat klopt, maar de Kamer bestaat niet uit afgevaardigden van de deelstaten. Wij vertegenwoordigen, strikt genomen en jammer genoeg misschien allemaal de Belgische natie of wat daarvoor moet doorgaan. Er is dus wel degelijk sprake van een herfederalisering.
U haalt ook twee zaken door elkaar. Het Vlaams Belang is wel degelijk voorstander van de afschaffing van de Senaat, zoals die nu bestaat. Dat is een overbodige instelling die handenvol geld kost. We mogen echter het kind niet met het badwater weggooien, want via de Senaat zijn de deelstaten momenteel wel betrokken bij grondwetsherzieningen en bijzondere wetten waarin de regels voor de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de deelstaten worden vastgelegd. Daar moet dan toch iets voor in de plaats komen.
We zijn benieuwd wat er allemaal uit de bus zal komen wanneer de herziening van het eigenlijke artikel 195 van de Grondwet hier zal worden besproken. Die hete aardappel schuift u voor zich uit. U had dat ook in één fase kunnen doen en meteen artikel 195 van de Grondwet kunnen herzien, samen met de toevoeging van de overgangsbepaling om bepaalde artikelen nog tijdens deze legislatuur voor herziening vatbaar te maken.
Ik stel alleen vast dat er heel wat tegenstrijdige eisen op tafel worden gelegd, ook door partijen in uw regering, zoals Les Engagés. Ik vraag me af hoe u erin zult slagen om water en vuur met elkaar te verzoenen.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
03.01 François De Smet (DéFI): Monsieur le premier ministre, vous l'avez sans doute vu: le président sortant de la Cour constitutionnelle, M. Luc Lavrysen, a tenu des propos quand même assez sérieux. Je le cite: "Les responsables politiques peuvent nous critiquer, mais nos décisions doivent être exécutées". Et de prévenir: "Si nos arrêts ne sont plus acceptés, c'est l'État de droit lui-même qui est en péril." Je pense qu'il visait plus particulièrement des arrêts qu'il estime non exécutés en matière d'asile et de migration.
C'est une mise en garde qui vient de l'ex-président de l'une des plus hautes juridictions du pays, laquelle veille au respect de la Constitution par le législateur fédéral et par les entités fédérées. Il me semble que cela devrait provoquer une réponse des différents responsables politiques, mais aussi de la part du chef de gouvernement que vous êtes.
Voici mes questions, monsieur le premier ministre. Souscrivez-vous sans réserve au principe que les arrêts de la Cour constitutionnelle s'imposent à tous les pouvoirs publics, y compris à votre gouvernement et à sa majorité? Est-ce que vous entendez vous engager à présenter au Parlement l'inventaire des arrêts récents de la Cour, qui appelle une intervention législative et la trajectoire prévue pour s'y conformer dans des délais raisonnables? Quelle stratégie le gouvernement entend-il déployer, dans son discours public et dans son action, pour défendre activement l'autorité de la Cour constitutionnelle face aux remises en cause régulières de ses décisions par certaines composantes du paysage politique? Je vous remercie.
03.02 Bart De Wever, premier ministre: Merci, monsieur De Smet.
Je confirme que les arrêts d’annulation rendus par la Cour constitutionnelle ont une force juridique contraignante. Les divergences d’opinion politique quant au contenu, à la portée ou aux conséquences d’un arrêt n’enlèvent rien à l’obligation d'en respecter les effets juridiques et, lorsque celui-ci l'exige, d’en assurer l’exécution. Cela ne signifie toutefois pas que chaque arrêt impose automatiquement une seule et même réaction législative prédéfinie. Les conséquences d’un arrêt doivent toujours être examinées avec soin et à la lumière de l’annulation prononcée, de la motivation de la Cour, du maintien éventuel des compétences en cause et des objectifs politiques poursuivis. Une adaptation législative se révèle parfois nécessaire. Un arrêt peut être suivi de différentes manières. Il arrive également qu’aucune intervention législative distincte ne soit requise, par exemple lorsque l’annulation proprement dite suffit ou parce que le cadre juridique antérieur redevient applicable. Il n’existe donc pas de liste d’arrêts pour lesquels la suite à donner serait déterminée à l’avance, sans nécessité d'une analyse juridique plus approfondie.
Les ministres compétents examineront, dans leurs domaines de compétence respectifs, quels arrêts récents nécessitent une adaptation de la réglementation, quelles options politiques s’offrent à cet égard et dans quel délai raisonnable il est possible d’y donner suite. J’ajoute que le pouvoir législatif peut, bien entendu, également intervenir. Les initiatives parlementaires peuvent elles aussi donner suite à la jurisprudence de la Cour constitutionnelle. L’exécution des arrêts n’est donc pas une compétence exclusive du gouvernement.
Je vous remercie.
03.03 François De Smet (DéFI): Je remercie simplement M. le premier ministre pour sa réponse, que j’ai trouvée complète.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
04.01 Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, het WK is volop aan de gang. Er is ook een officieel lijflied van de Rode Duivels onder de titel Kiss The Grass (Allez Allez). Het kwam tot stand door een samenwerking tussen de Vlaamse zangeres Sylvie Kreusch en de Franstalige Brusselse rapper Roméo Elvis.
Als we de makers van dat lied mogen geloven, gaat het over verbondenheid. Merkwaardig genoeg komt in het hele lied geen enkel woord Nederlands voor, nochtans de taal van de meerderheid van de Belgische bevolking. Aldus dreigt het lied bij te dragen tot de in het buitenland nog steeds bestaande perceptie dat België in wezen een Franstalig land is, waarbij Vlaanderen en het Nederlands slechts quantité négligeable zijn.
De tekst van het lied bestaat alleen uit Engels en Frans, waarbij ook nog eens de wapenspreuk van België eentalig in het Frans is verwerkt: ‘L’union fait la force’, wat overigens nog zal moeten blijken in het verdere verloop van het WK.
Mijnheer de eerste minister, hoe beoordeelt u het feit dat in het officiële WK-lied geen woord Nederlands voorkomt? Bent u van mening dat dat lied de taalkundige, culturele en institutionele realiteit van België correct weerspiegelt? Is het volgens u wenselijk dat nationale symbolen en campagnes die België internationaal vertegenwoordigen, op evenwichtige wijze rekening houden met de positie van Vlaanderen en van het Nederlands?
Werd de federale regering op enigerlei wijze betrokken bij de keuze van het officiële WK-lied? Welke maatregelen zult u nemen om ervoor te zorgen dat in de toekomst in dergelijke gevallen recht wordt gedaan aan de taalkundige, culturele en institutionele realiteit van dit land?
04.02 Eerste minister Bart De Wever: Mijnheer Somers, ik moet u eerst en vooral bedanken, want dankzij u heb ik ontdekt dat dat lied bestaat. Ik heb het weliswaar niet beluisterd, want er zijn grenzen aan wat men zichzelf wil aandoen voor zijn functie. Ik ben niet zo'n fan van hedendaagse muziek. Alles wat, laat me zeggen, na de 19de eeuw geschreven is, vind ik vooral lawaai. Ik ben ook geen voetbalfan, dus het bestaan van het lied was mij oprecht totaal ontgaan.
Ik heb mij bij medewerkers moeten bevragen of de elementen van uw vraagstellingen juist zijn en dat blijkt het geval te zijn. Er komt geen Nederlands woord in voor. Dat is natuurlijk niet elegant, op z'n zachtst gezegd. Het lied van 1994 – allemaal kennis aangebracht door mijn medewerkers – heette blijkbaar Go West en was ingezongen door de Rode Duivels. Men is er toen blijkbaar wel in geslaagd om in het Frans, Nederlands en Engels te zingen, of tenminste toch iets te doen wat met zingen verband houdt. Men spreekt in de tekst blijkbaar over douze millions de potes, dus het was inderdaad wel mooi geweest als de taal van een kleine zeven miljoen van die bewuste potes vertegenwoordigd zou zijn geweest in het lied. Wat mij betreft, u kent mij, had er ook een klein woord Unterstützung für unsere Mannschaft in gemogen, want wij hebben ook Duitstalige landgenoten, die altijd worden genegeerd.
U zult uit het eerste deel van mijn antwoord kunnen opmaken dat ik niet betrokken ben geweest bij het maken van dat lied en dat ook geen enkele andere collega op federaal niveau daarbij betrokken is geweest. Ik ben persoonlijk bevriend met de Vlaamse minister van Sport en ook die is daar niet betrokken bij geweest. Het blijkt een zaak te zijn die exclusief binnen de Belgische Voetbalbond geregeld is en dat is een privaatrechtelijke, autonome vzw.
Inhoudelijk kan ik u uiteraard volgen wanneer u pleit voor het respecteren van de verschillende landstalen. Bij dezen kent u mijn opinie, voor wat die dan waard is, over dat officiële WK-lied, waarvan ik dankzij u het bestaan heb ontdekt. Gelukkig zijn er blijkbaar ook Vlaamse artiesten – ik heb grondig onderzoek laten doen – die zich geroepen hebben gevoeld om dan maar zelf WK-liederen in elkaar te steken. Misschien kan dat sommige van onze zingende collega's in verschillende fracties, waaronder ook in uw fractie, ertoe aanzetten om de handschoen op te nemen en zelf iets in elkaar te boksen.
Alle gekheid op een stokje, ik heb de uitgeprinte tekst voor mij liggen en het is wat het is; het is inderdaad niet geslaagd.
04.03 Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor het duidelijke antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
05.01 Werner Somers (VB): Momenteel wordt één senator aangewezen door en uit het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, maar een dergelijke gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen ontbreekt in de Kamer. Er is op dit moment wel een Duitstalig Kamerlid, maar voor hetzelfde geld zou dat door de speling van het electorale proces niet het geval zijn geweest. Het is dus mogelijk dat na de afschaffing van de Senaat geen enkele Duitstalige verkozene meer zitting zal hebben in het Federaal Parlement.
De Franstalige meerderheidspartijen maken de afschaffing van de Senaat afhankelijk van die gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen en vragen dat dat wordt geregeld, voordat de Senaat wordt afgeschaft. De Duitstaligen zouden een aparte kieskring kunnen vormen met één kamerlid, maar het probleem is dat dat zou neerkomen op een verkiezing volgens het meerderheidsstelsel, first past the post, terwijl de artikelen 62 en 63 van de Grondwet voor de verkiezing van de Kamer uitgaan van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Die artikelen zijn bovendien aan het einde van de vorige legislatuur niet voor herziening vatbaar verklaard. In de Senaat werd wel een amendement ingediend door de MR om die twee artikelen toe te voegen aan de overgangsbepaling van artikel 195 van de Grondwet, maar dat amendement werd verworpen.
Mijnheer de eerste minister, waarom bent u gekant tegen een herziening van de artikelen 62 en 63 van de Grondwet om een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in de Kamer mogelijk te maken?
Zal er een regeling voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen in de Kamer worden uitgewerkt, voordat de Senaat wordt afgeschaft? Zo ja, wordt overwogen om de gewaarborgde vertegenwoordiging te regelen in het Kieswetboek? Zou een dergelijke regeling volgens u de toetsing door het Grondwettelijk Hof doorstaan?
05.02 Eerste minister Bart De Wever: Over de piste die naar voren is geschoven vanuit de Duitstalige Gemeenschap, die ook door collega Luc Frank op een zeer fijnzinnige, aangename en weloverwogen manier naar voren is gebracht, heb ik mij nooit negatief, maar ook nooit positief uitgesproken. Ik denk immers dat het slechts een van de mogelijke oplossingen is om de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstaligen op federaal niveau te verzekeren.
We bevinden ons momenteel nog niet in de fase van de afschaffing. We onderzoeken als bevoegd kabinet voor institutionele hervormingen verschillende pistes. Daarbij bekijken we ook de juridische haalbaarheid van diverse oplossingen. U hebt zelf regelmatig en terecht gewezen op de rol van het Grondwettelijk Hof, dat een regeling nog zou moeten toetsen. We kunnen dus niet om het even wat doen. Ik volg u wanneer u zegt dat omzichtigheid ter zake is geboden en aangewezen. Dat is ook een van de redenen waarom we er niet voor hebben gekozen, rebus sic stantibus, om lopende teksten inzake de afschaffing van de Senaat op die punten te amenderen.
Een rechtstreekse koppeling tussen de twee dossiers of mogelijk met nog andere dossiers zou alleen maar bijkomende discussies en voorwaarden uitlokken, die de uiteindelijke afschaffing van de Senaat ernstig zouden kunnen bemoeilijken, ook juridisch. U weet zelf dat institutionele dossiers in dit land een opmerkelijke dynamiek kennen. Sommige politici blinken uit in het bijzondere talent om achter elke deur, die wordt geopend, nog vele andere deuren te ontdekken die eveneens geopend zouden moeten worden. Vaak zijn die niet in de eerste plaats geïnspireerd door de zoektocht naar het welslagen van een institutionele hervorming. Ook daarom is omzichtigheid geboden.
Op een bepaald moment zullen we als verantwoordelijk kabinet met een voorstel komen. Het is vervolgens aan het Parlement om dat te beoordelen. We zullen voorstellen wat volgens ons het meest aangewezen is om enerzijds een duurzame en anderzijds een juridisch robuuste oplossing voor de problematiek uit te werken.
05.03 Werner Somers (VB): Mijnheer de eerste minister, ik heb daar toch een aantal bedenkingen bij. U werkt in twee stappen wat artikel 195 van de Grondwet betreft. Momenteel hebben we het over de toevoeging van een overgangsbepaling aan artikel 195 van de Grondwet om de Senaat op een - zoals u het soms noemt - propere manier te kunnen afschaffen. Alle artikelen van de Grondwet die verband houden met de afschaffing van de Senaat, zouden dan nog deze legislatuur kunnen worden herzien.
Dat is een legitieme keuze, maar op die manier schuift u natuurlijk een heleboel losse eindjes voor u uit, niet alleen de betrokkenheid van de deelstaten bij onder andere grondwetsherzieningen, maar ook de gewaarborgde vertegenwoordiging voor de Duitstaligen.
Wanneer men een kieskring voor de Duitstalige Gemeenschap voor de Kamer maakt, dan zal de verkiezing gestoeld zijn op het meerderheidsstelsel. Daarvoor zou u de artikelen 62 en 63 van de Grondwet moeten kunnen herzien. In de tekst die momenteel voorligt, waarover in de commissie hier is gestemd en die binnenkort naar de plenaire vergadering zal gaan, staan die artikelen 62 en 63 echter niet. U loopt dus een risico. U spreekt over een kruisweg en die tekst vormt deel 1 van de kruisweg waarna nog een zeven- tot achttal wetsontwerpen in het plenum aan de orde zullen worden gebracht. Pas helemaal op het einde komt dan het eigenlijke artikel 195 van de Grondwet te berde. Daarin zult u dat allemaal moeten regelen.
U kunt ook werken via een wijziging van het Kieswetboek. Dat is een optie. U kunt gewoon de artikelen 62 en 63 van de Grondwet negeren. Dan bestaat inderdaad het gevaar dat het Grondwettelijk Hof dat niet zal goedkeuren en dreigt u heel uw huiswerk te moeten overdoen. Uw eerste stap, de eerste statie van uw kruisweg, namelijk de overgangsbepaling, zult u dan opnieuw moeten wijzigen, om toch nog de gewaarborgde vertegenwoordiging voor de Duitstaligen mogelijk te maken. Ik vrees dus dat op dat ogenblik heel die constructie dreigt in te storten en in duigen te vallen. Dan zullen de Franstaligen immers zeggen dat zij een gewaarborgde vertegenwoordiging willen. Het Grondwettelijk Hof zal niet akkoord gaan met de manier waarop u dat via het Kieswetboek wilt doen. Men zal dan toch nog de artikelen 62 en 63 van de Grondwet moeten kunnen herzien en dan is men terug bij af. Ik denk dus dat u zich op die manier toch op glad ijs begeeft.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
06.01 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u hebt daarnet bij de vraag over de Senaat van collega Somers nog eens bevestigd dat het regeerakkoord voor u de leidraad is. Dat was voor mij ondertussen al duidelijk. Als ik vragen stel over de toepassing van de taalwetgeving en dergelijke, is het standaardantwoord dat u daar niets aan gaat doen omdat het niet in het regeerakkoord staat. Het zal u dan ook verheugen dat het tiental vragen dat vandaag op de agenda staat allemaal het regeerakkoord als leidraad hebben.
Het gaat om een stand van zaken van de weinige communautaire zaken die in uw regeerakkoord staan. Ik doe dat altijd. Het is mijn taak om dat op te volgen. Tijdens de vorige legislatuur deed ik dat nauwgezet, samen met collega Loones. Het is jammer dat de communautaire zaken in deze legislatuur alleen nog door het Vlaams Belang worden opgevolgd.
Mijn eerste vraag gaat over de regionalisering van de eedformule voor de deelstaatambtenaren. Uw regeerakkoord bepaalt dat de deelstaten de mogelijkheid zullen krijgen om voortaan zelf de eedformule voor de ambtenaren te bepalen. Daartoe hebt u op 5 december vorig jaar in de ministerraad een voorontwerp van wet goedgekeurd. Toen ik u daar een half jaar geleden over ondervroeg, was de stand van zaken dat er ondertussen al een advies van de Raad van State was, zonder fundamentele bezwaren.
Dan vraag ik mij af waarom we dat wetsontwerp nog niet gezien hebben, mijnheer de eerste minister. Op de Conferentie van voorzitters hebben we een hele lijst gekregen van wetsontwerpen die de regering aan dit Parlement heeft bezorgd en die men vóór het zomerreces nog graag behandeld wil zien. Dit staat daar echter niet tussen. Waar wacht u nog op om dit in te dienen in het Parlement? Bent u al op zoek gegaan naar steun vanuit de oppositie om die tweederdemeerderheid te behalen? Ligt daar het knelpunt? Wat zijn de vooruitzichten voor dit dossier?
06.02 Eerste minister Bart De Wever: Dank u voor uw vraag. Wanneer zullen we dat dossier voorleggen? Op het best mogelijke moment. Welk moment dat is, kan ik u eigenlijk niet zeggen. U weet dat het institutionele in dit land gebetonneerd is. Het wordt ook weleens vergeleken met een moeras waar men door moet. De hervorming vergt meerderheden waarover deze coalitie niet beschikt. In het geval waarover u mij bevraagt, gaat het zelfs om een bijzondere meerderheid. Dat is de diepste laag van het Belgische moeras, of het gewapende beton van het betonnen beleid: een tweederdemeerderheid en een meerderheid in elke taalgroep. Die meerderheid heb ik niet.
Ik heb al talloze keren uitgelegd dat ik stap voor stap probeer vooruit te gaan op institutioneel vlak. Het vinden van meerderheden, zelfs voor dossiers die een lichtere meerderheid vereisen dan een bijzondere meerderheid, zoals het onderwerp dat we daarnet hebben besproken, is al bijzonder moeilijk. Daaraan worden allerlei voorwaarden gekoppeld, ook door uw eigen partij, waardoor de optelsom steeds moeilijker wordt. U zult dan ook begrijpen dat het niet evident is om die kruik te water te laten, wetende dat ze onmiddellijk zal breken.
We proberen dus stap voor stap die dossiers tot een goed einde te brengen. Er zijn dossiers van verschillende moeilijkheidsniveaus, maar alles is moeilijk in dit land, zeker op institutioneel vlak. Dat ga ik niet ontkennen. De meningsverschillen zijn huizenhoog. Degenen die dit land ontworpen hebben, hebben het ontworpen om de hervorming onmogelijk te maken. De evolutie van de democratie heeft dat onmogelijke sindsdien nog eens in het kwadraat gesteld. Dat is geen verwijt, maar wel de situatie waarmee we moeten leven. In de oppositie is het gemakkelijk om daar van alles over te zeggen, omdat men die realiteit kan negeren. Ook dat is geen verwijt. Ik zou hetzelfde doen als ik op uw plaats zat. Ik denk dat wij hetzelfde hebben gedaan toen wij tijdens de vorige legislatuur op uw plaats zaten. De realiteit is natuurlijk anders.
Dat dossier op zich is niet moeilijk. Het komt erop aan het moment te bepalen waarop wij de kans reëel achten dat het politieke vaarwater ons toelaat het dossier op tafel te leggen en er een bijzondere meerderheid voor te vinden. Op dat moment zullen we dat dan ook doen.
06.03 Barbara Pas (VB): Dank u wel, mijnheer de eerste minister. Ik mag er toch van uitgaan dat er op zijn minst binnen uw meerderheid al een akkoord over bestaat, aangezien het in uw regeerakkoord staat. Als u zegt dat u er pas mee naar hier zult komen wanneer u een tweederdemeerderheid hebt gevonden, dan vraag ik mij af waarom u überhaupt al met stap 1, 2, 3 en 4 van de afschaffing van de Senaat bent gekomen, want ook daarvoor hebt u geen tweederdemeerderheid. U hebt de stemmen van het Vlaams Belang nodig om die horde te nemen. Daarvoor hebt u absoluut de stemmen van het Vlaams Belang nodig. De enige communautaire hervorming die u tot hiertoe zult verwezenlijken, zal met de steun van het Vlaams Belang zijn.
U zegt dat u in mijn plaats hetzelfde zou doen. Tijdens de vorige legislatuur hebt u dat ook gedaan. Het grote verschil is echter dat de ministers die toen bevoegd waren voor institutionele zaken wel een concrete stand van zaken gaven. Van minister Verlinden kregen wij concreet te horen wanneer welke minister over welk dossier was gevat en wie waarover was aangeschreven. U komt hier daarentegen elk halfjaar identiek hetzelfde antwoord geven: we zijn ermee bezig en u zult wel zien wat u zult zien.
Het is dus niet hetzelfde als tijdens Vivaldi. Vivaldi was op dat vlak nog een pak transparanter en duidelijker over de stand van zaken. Dat doet mij alleen maar vermoeden dat de kans groot is dat dit op de Griekse kalender terechtkomt.
06.04 Eerste minister Bart De Wever: (…)
06.05 Barbara Pas (VB): U had beter andere gevoelige punten behandeld waarmee u een sterker regeerakkoord had kunnen sluiten. Zelfs de weinige communautaire zaken die erin staan, mijnheer de eerste minister, krijgt u nog niet verwezenlijkt.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
07.01 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, in het institutionele luik van het regeerakkoord staat dat de deelstaten de mogelijkheid aangeboden zullen krijgen om een volledige integratie van de gemeenten en de OCMW's door te voeren. Ook daar was het laatste dat hierover bekend was dat u dat aan het voorbereiden bent.
Wat is de stand van zaken van dat onderzoek? Welke beslissingen zijn in dat verband al genomen? Is bijzondere wetgeving nodig en, zo ja, voor welke aspecten? Hoever reikt de autonomie van de gewesten om die integratie door te voeren? Behelst dat ook het afstoten of stopzetten van diensten of inrichtingen? Wordt die integratie al dan niet gedeeltelijk ook mogelijk gemaakt voor de randgemeenten, voor Voeren en Komen? Dat zijn zaken waarvan ik graag zou weten of ze onderzocht worden.
Hoever staat u met de voorbereiding van het nodige wetgevende werk? Ook hier stel ik de vraag, en ik hoop op een concreter antwoord, wanneer we dat in het Parlement mogen verwachten.
De voorzitter: Mijnheer de eerste minister, mag ik u verzoeken om die vraag te beantwoorden?
07.02 Eerste minister Bart De Wever: Zeker, mijnheer de voorzitter, ik zal de vraagsteller trachten op haar wenken te bedienen.
Mevrouw Pas, excuseer voor mijn exclamatie over de Griekse kalender, maar voor iemand die Latijn-Grieks heeft gedaan, is het een eeuwige pijn om dat in de Nederlandse taal te moeten aanhoren. De Griekse kalender bestaat immers niet. Het gaat om de calendae graecas, de Griekse kalenden. Maar goed, mijn excuses.
Binnen de regering zijn de eerste wetteksten besproken om uitvoering te geven aan die ambitie uit het regeerakkoord, de integratie van de OCMW's in de gemeentebesturen. Dat gebeurt op vraag van de deelstaten – gelukkig mag ik dat ondertussen in het meervoud zeggen – die dat wensen te doen of mogelijk te maken. We zoeken naar een tekst die we als voorontwerp naar de Raad van State kunnen sturen.
U hebt zelf al een moeilijkheid aangeraakt, namelijk de vraag of daarvoor al dan niet een bijzondere meerderheid en dus bijzondere wetgeving nodig is. Daarover bestaat geen eensgezindheid. Het gaat niet om politieke meningsverschillen. Ook de juristen en experten die we raadplegen, verschillen van mening. Dat is geen exacte wetenschap. Er bestaat discussie over de vraag of dat kan worden doorgevoerd binnen het bestaande federale kader met een gewone meerderheid, dan wel of een bijzondere meerderheid vereist is. Dat laatste zou de moeilijkheidsgraad uiteraard aanzienlijk verhogen, zoals uit het vorige antwoord is gebleken. Het advies van de Raad van State zal op dat punt uiteindelijk duidelijkheid moeten verschaffen.
Ik hoop uiteraard dat we dat met een gewone meerderheid kunnen doen. Zodra die duidelijkheid er is, kan de bevoegde overheid die hervorming inhoudelijk uitwerken. Ik ben dan ook zeer optimistisch dat we dat binnen afzienbare tijd zullen kunnen doen.
Als echter zou blijken dat een bijzondere meerderheid noodzakelijk is, dan zullen we daar ook rekening mee moeten houden. In dat geval komen we uit bij een echte bevoegdheidsoverdracht naar de deelstaten. Dan gaat de moeilijkheidsgraad van relatief eenvoudig naar buitengewoon moeilijk.
In het regeerakkoord spreekt men zich niet uit over de vraag of de integratie ook het afstoten of stopzetten van bepaalde OCMW-diensten of -inrichtingen zou kunnen omvatten. Dat kan desgevallend verder worden onderzocht. Voor de concrete beleidsmatige implicaties verwijs ik graag door naar de minister, bevoegd voor Maatschappelijke Integratie.
Het regeerakkoord voorziet evenmin in een uitzondering voor de zes randgemeenten, noch voor de gemeenten Voeren en Komen-Waasten. Indien de noodzakelijke wetgeving wordt aangenomen, is het uitgangspunt dus dat ook voor die gemeenten een integratie mogelijk wordt.
07.03 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, bedankt voor uw antwoord, dat toch al iets concreter was dan bij mijn vorige vraag. Als u advies vraagt aan drie juristen, krijgt u vaak ook drie verschillende meningen. Laten we dus inderdaad hopen dat het advies van de Raad van State daarin snel duidelijkheid zal brengen. Het zal u niet verbazen dat ik daar binnen afzienbare tijd nog eens naar zal vragen.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
08.01 Barbara Pas (VB): Ik verwijs naar de ingediende vraag, in de hoop nog al mijn vragen te kunnen stellen in deze vergadering.
Deze regering heeft een herzieningsverklaring van de Grondwet tot een van haar zeldzame institutionele doelstellingen gemaakt. “Bij de aanvang van de regeerperiode zal de eerste minister een voorlopige lijst van grondwetsartikelen opstellen ter herziening. De lijst zal het voorwerp uitmaken van een mededeling in Senaat en Kamer. Deze lijst omvat minstens het artikel 195. Aan het einde van de regeerperiode kan de lijst verder worden vervolledigd met de artikelen die noodzakelijk zijn."
Sinds de aanvang van de regeerperiode is
inmiddels al 16 maanden verstreken, maar van een eerste lijst
grondwetsartikelen die de regering aan het einde van de legislatuur voor
herziening vatbaar verklaard wil zien, hebben wij nog steeds niets gezien. Het
begrip 'aanvang van de regeerperiode' is dus kennelijk een erg rekbaar begrip
voor deze regering en dat heeft, zo nemen we aan, alles te maken met onenigheid
binnen de regering om uitvoering te geven aan deze bepaling uit het
regeerakkoord.
Is er nog altijd onenigheid binnen de
regering over dit onderdeel uit het regeerakkoord en zo ja om welke artikelen
van de GW of welke punten gaat het precies?
Welke artikelen van de GW zijn momenteel
reeds geselecteerd en met welk doel werden deze geselecteerd?
Wanneer mogen we die eerste lijst
verwachten?
08.02 Eerste minister Bart De Wever: Op die manier… Maar we zien elkaar ongetwijfeld nog vaak terug.
Dan antwoord ik zonder de gebruikelijke introductie, die mij meestal enige tijd geeft om na te denken over wat ik zal zeggen. Geloof het of niet, mijn antwoord staat niet altijd vooraf vast. Ik improviseer heel graag, zoals u al hebt begrepen.
U hebt deze vraag begin dit jaar al eens gesteld. Toen heb ik gezegd dat het begrip ‘aanvang van de regeerperiode’ in de praktijk rekkelijk en rekbaar is. Binnen de regering wordt nog steeds gewerkt aan de voorbereiding van een herzieningsverklaring. Over een aantal eerder juridisch-technische grondwetswijzigingen bestaat inmiddels een ruime mate van overeenstemming. Dat is alvast goed nieuws. Het gaat onder meer om dossiers zoals de modernisering van het petitierecht en de actualisering van de grondwettelijke bescherming van het briefgeheim in het licht van de moderne communicatiemiddelen.
Voor de politiek gevoeligere grondwetsherzieningen – en daar gaat het u ongetwijfeld om – verloopt het overleg complexer. Hoewel er bij de verschillende regeringspartijen duidelijk bereidheid bestaat om vooruitgang te boeken – dat merk ik toch – hebben we tot heden nog geen evenwicht gevonden dat binnen de regering voldoende draagvlak kan genereren. Daarom hebben we nog geen definitieve lijst van voor herziening vatbaar te verklaren grondwetsartikelen publiek kunnen meedelen.
Als een akkoord wordt bereikt, is het de bedoeling dat dit de vorm aanneemt van een globaal pakket. Het al bereikte resultaat is dus pas iets waard wanneer het volledig is. Zolang die globale oefening niet afgerond is, kan ik helaas niet vooruitlopen op de precieze inhoud van de toekomstige herzieningsverklaring of op de artikelen die daarin uiteindelijk zullen worden opgenomen. Dat zou het debat beïnvloeden.
Wat de timing betreft, zult u van mij geen deadlines horen. Op korte termijn heb ik enkele andere dringende zaken te regelen. Dat zult u begrijpen of niet begrijpen, maar het is gewoon zo. We werken verder om tot een resultaat te komen. De kwaliteit en het evenwicht van het akkoord primeren op de snelheid waarmee het tot stand komt, omdat die snelheid uiteindelijk niet bepalend is.
08.03 Barbara Pas (VB): Dank u wel, mijnheer de eerste minister, voor uw antwoord. Ik geloof u graag wanneer u zegt dat u andere zaken te regelen hebt. Ook daar is het altijd hetzelfde stramien: er is bijzonder veel onenigheid binnen de regering. Of het nu gaat over de grondwetsartikelen of over ethische dossiers, telkens krijgen we uitstel en een globaal pakket. Dan zullen we wel zien of er überhaupt iets uit de bus valt. Het is altijd duidelijk dat het communautaire moet wachten op al die andere zaken die u te regelen hebt. Ook dat zijn we ondertussen van u gewoon. Ik zal dit dossier blijven opvolgen en ik hoop op enige vooruitgang ter zake, maar ik vrees dat dat voorlopig ijdele hoop zal zijn.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
09.01 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, in uw regeerakkoord staat dat de ideologische alarmbel zou worden afgeschaft. De ministerraad heeft daartoe op 5 december 2025 al twee voorontwerpen van wet goedgekeurd. Als ik correct ben geïnformeerd, werden die al voorgelegd aan de parlementen van de drie gemeenschappen en ook voor advies aan de Raad van State voorgelegd.
We zijn ondertussen al een half jaar verder. Vandaar mijn vragen naar een stand van zaken.
Hebben de deelstaatparlementen opmerkingen geformuleerd? Is er ondertussen al een advies van de Raad van State? Zo ja, wat staat daarin? Zijn die voorontwerpen daaraan al aangepast? In welke fase zit dat dossier in de ministerraad?
Ik weet dat u zich niet graag vastpint op een timing, maar ik doe toch nog maar eens een poging om te horen wanneer we dat in het Parlement mogen verwachten.
09.02 Eerste minister Bart De Wever: Mevrouw Pas, ik zal die vraag ten gronde beantwoorden. De ambitie om tegen 12.00 uur alle geagendeerde vragen te beantwoorden, zal daar wel enigszins onder lijden, want dit is een vrij uitgebreid antwoord waarin ik weinig kan skippen.
De voorontwerpen betreffende de afschaffing van de ideologische alarmbel zijn aan de parlementen van de drie gemeenschappen voorgelegd en voor advies naar de Raad van State verzonden.
Van de gemeenschapsparlementen heeft tot nu toe alleen het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap opmerkingen geformuleerd. Overeenkomstig artikel 78 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap is dat parlement overigens verplicht om een met redenen omkleed advies uit te brengen over elke wijziging van die wet.
Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft ons laten weten dat het pleit voor de invoering van een alternatieve regeling, die voorziet in een efficiënte en laagdrempelige toetsing van decreetinitiatieven ter bescherming van ideologische en filosofische minderheden. Dat is een vraag die niet in lijn ligt met het federale regeerakkoord en ik heb dus niet de intentie om die in te willigen.
Het advies van de Raad van State is ook binnen. De centrale vraag was of de afschaffing van de ideologische alarmbel verenigbaar is met artikel 131 van de Grondwet, dat de federale wetgever opdraagt om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van discriminatie om ideologische en filosofische redenen door de gemeenschapsparlementen. De Raad van State wijst ons erop dat de bestaande toetsing door de afdeling Wetgeving van de Raad van State, zoals voorzien in artikel 2, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een preventief karakter heeft. Daarbij merkt de Raad van State onder meer op dat de drempel van een derde van de parlementsleden om een adviesaanvraag af te dwingen niet onredelijk hoog is.
Dat hebben we recent ook vastgesteld, dat die niet onredelijk hoog is, maar zelfs redelijk laag is. De Raad van State is dus bevoegd om ontwerpen en voorstellen te toetsen aan dat discriminatieverbod, met inbegrip van discriminatie op ideologische en filosofische gronden. Ik denk dat de Raad van State hier eigenlijk zegt dat de ideologische alarmbel inderdaad volledig overbodig is en dat dat een dinosaurus uit een vroeger tijdperk is die nog rondloopt omdat men vergeten is om hem te euthanaseren, al zijn sommige fracties daarvan nochtans heel sterk voorstander zijn, op het moment dat de wetten op de Raad van State alle waarborgen hebben veiliggesteld. Dat is volgens mij de niet-juridische vertaling van wat de Raad van State zegt. Staatsraden zullen waarschijnlijk vloeken als ze mij dat zo horen vertalen, maar zo lees ik dat. Nihil obstat.
Tegelijk stelt de Raad van State vast dat hij zich in zijn adviezen niet noodzakelijk uitdrukkelijk uitspreekt over de bescherming van ideologische en filosofische minderheden. De Raad werpt daarom de vraag op of een systeem dat kan uitmonden in een stilzwijgend advies steeds voldoende waarborgen biedt om uitvoering te geven aan artikel 131 van de Grondwet. Men zou geen jurist zijn als er toch niet weer een kleine nuance in de lucht wordt geslingerd, nietwaar? Mijns inziens, maar dat is maar mijn persoonlijke, niet-juridisch geschoolde opinie, is dat al het geval. Artikel 131 van de Grondwet vereist dat maatregelen worden genomen ter voorkoming van discriminatie om ideologische en filosofische redenen, maar schrijft niet voor op welke wijze die preventieve bescherming concreet vorm moet krijgen. De omstandigheid dat de Raad van State niet in elk advies uitdrukkelijk ingaat op het bestaan van een mogelijke discriminatie doet mijns inziens geen enkele afbreuk aan het feit dat die toetsing er is en dus ook niet aan het preventieve karakter van die toetsing. Wat mij betreft, dus nog altijd nihil obstat.
Daarnaast wijst de Raad van State erop dat de voorgestelde regeling niet in een specifiek toetsingsmechanisme voorziet voor wetsontwerpen. Daarbij kan evenwel worden opgemerkt dat voor ontwerpen van decreet in beginsel reeds een verplichte adviesvraag aan de afdeling Wetgeving geldt en dat ook voor voorstellen de voorzitter van het betrokken parlement al een advies aan de Raad van State kan vragen. Dus opnieuw, wat mij betreft, nihil obstat.
Ik denk dat de Raad van State, ondanks de opmerkingen die hij heeft gemaakt, zich niet uitdrukkelijk verzet tegen de voorgestelde hervorming, maar ze hebben, zoals u kunt begrijpen, binnen de regering aanleiding gegeven tot de nodige reflecties. Daarom wordt het dossier nog verder besproken en onderzocht binnen de regering. Zodra we daaruit zijn, zal het Parlement daarover worden geïnformeerd. Dat is de stand van zaken, met mijn excuses dat het een uitgebreide stand van zaken was.
09.03 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, ik ben al blij dat het een uitgebreide stand van zaken was, al is er uiteraard geen concrete datum en hebt u, zoals bleek uit uw antwoord op de vorige vraag, andere katten te geselen binnen de regering, waardoor ik niet verwacht dat we daar eerstdaags hier op zullen terugkomen. Ik hoop alleszins dat dat compleet overbodige en achterhaalde systeem van de ideologische alarmbel afgeschaft geraakt.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
09.04 Barbara Pas (VB): Mijnheer de voorzitter, mag ik nog één vraag stellen aan de eerste minister? Mijn volgende vraag en de laatste vraag die ik heb ingediend, horen eigenlijk samen. Misschien kunnen we die nog behandelen.
09.05 Eerste minister Bart De Wever: Het is zeer vervelend. Ik moet echt stoppen, want ik moet om 12.30 uur een lezing beginnen voor alle EU-ambassadeurs, die overigens ook strikt getimed is op 90 minuten. Ik heb daar echt geen latitude op. Normaal gezien ben ik daar niet moeilijk in, want als het kan, dan doe ik dat, maar vandaag lukt het echt niet.
09.06 Barbara Pas (VB): U zult ongetwijfeld nog wel tijd hebben voor een interview buiten aan de Kamer.
09.07 Eerste minister Bart De Wever: Neen, die mensen negeer ik feestelijk. Dat kunt u navragen. Zowel bij het binnenkomen als bij het buitengaan probeer ik hen te negeren, zelfs met lichaamstaal die de nodige minachting uitstraalt.
09.08 Barbara Pas (VB): Het zij zo. Ik zal u er de volgende keer mee lastigvallen.
09.09 Eerste minister Bart De Wever: Het spijt me oprecht, maar ik moet deze vergadering verlaten.
De voorzitter: Kunnen we u niet gijzelen, mijnheer de eerste minister?
09.10 Eerste minister Bart De Wever: Dat zou u wel willen.
09.11 Barbara Pas (VB): Mijnheer de eerste minister, u zult het misschien niet verwachten, maar ik heb ook nog drie jaar Grieks gevolgd In mijn laatste jaren heb ik voor Latijn-wiskunde gekozen. Ik begrijp uw gevoeligheid voor de Griekse kalenden, want u maakt er in zowat elk communautair dossier gebruik van.
09.12 Eerste minister Bart De Wever: Nee, van de Griekse kalenden, dat is toch iets totaal anders. Als u zich daar beter bij voelt, zelfs De Standaard maakt die fout. Ik weet niet of u zich daar nu beter dan wel slechter bij voelt. Dat laat ik aan uw wijsheid over.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur.
La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.