|
Commissie
voor Justitie |
Commission
de la Justice |
|
van Woensdag 24 juni 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 24 juin 2026 Après-midi ______ |
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 23 et présidée par M. Ismaël Nuino.
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.23 uur en voorgezeten door de heer Ismaël Nuino.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
01.01 Marijke Dillen (VB):
Mevrouw de Minister, ik heb u reeds herhaaldelijk bevraagd betreffende de
moeilijke situatie in de gevangenis van Wortel.
Helaas zonder ingrijpende veranderingen op het terrein in het belang van
de veiligheid van het gevangenispersoneel.
Op 1 mei jl. heeft zich een bijzonder opvallend en verontrustend
incident voorgedaan tijdens de wandeling. Een smokkelactie legt opnieuw de
grote risico's en uitdagingen betreffende de gevangenismuren bloot. Pakketjes,
vermoedelijk met drugs en gsm's, werden van buitenaf over de omheining gegooid,
niet ver genoeg en belandden ergens naast de wandeling. Tijdens de wandeling
klom een gedetineerde over een hoge omheining (ong. 6 meter) en begaf zich
hierbij over de prikkeldraad om het pakket te bereiken waardoor hij de facto
buiten de wandeling stond. Nadat hij het pakket bemachtigd had keerde hij via
dezelfde weg terug naar de wandelplaats.
Dit is een duidelijk bewijs van de verregaande bereidheid om verboden
goederen binnen te smokkelen. Dit voorval
toont aan hoe smokkelpogingen steeds driester worden en hoe het steeds
moeilijker wordt om deze situaties te controleren en de veiligheid binnen de
gevangenismuren te garanderen voor het gevangenispersoneel.
Dit zoveelste incident onderstreept de
voortdurende uitdaging om de veiligheid en controle te waarborgen. Welke
initiatieven gaat de Minister nemen om nieuwe veiligheidsmatregelen in te
voeren ?
Het gevangenispersoneel in Wortel voelt zich al lange tijd in de steek gelaten. Wat moet er nog gebeuren vooraleer er écht geluisterd wordt naar de steeds maar stijgende problemen ? Welke initiatieven gaat de Minister nemen om hier bij hoogdringendheid oplossingen aan te reiken en hiervoor de nodige middelen vrij te maken ? De signalen zijn overduidelijk.
01.02 Minister Annelies Verlinden: Goed begonnen, is half gewonnen.
Mevrouw Dillen, ik wil eerst onderstrepen dat wij uiteraard permanent inspanningen leveren om de veiligheid binnen de gevangenissen te versterken. Wij zetten onder meer in op controles op communicatiemiddelen en op het binnensmokkelen van drugs.
De cel Operational Security binnen het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen of DG EPI werd bijvoorbeeld versterkt. Die cel ondersteunt de gevangenissen door middel van gsm- en drugssweepings, operationele beveiligingsaudits, onderzoek naar veiligheidstechnologieën en het beheer van mobiele beveiligingsapparatuur. In dat kader werden ook nieuwe gsm-sweepingtoestellen bijgekocht. De aanwezigheid van communicatiemiddelen wordt sinds eind 2025 ook gecontroleerd door de inzet van ICT-honden van de federale politie. Ook worden extra middelen uitgetrokken voor het onderhoud van de veiligheidsinfrastructuur in de bestaande gevangenissen.
Ook het bewuste incident wordt geanalyseerd met het oog op het zoeken naar werkmethoden of andere al dan niet technische tools om dergelijke zaken in de toekomst te vermijden. Er wordt eveneens werk gemaakt van de voortzetting van het lopende project rond een geweldloze cultuur in de gevangenissen. Er kan immers steeds opnieuw op zoek worden gegaan naar middelen om incidenten te bestrijden die een dreiging kunnen veroorzaken. Al die initiatieven hebben evenwel pas effect als de gehele organisatiecultuur de zorg voor veiligheid incorporeert. Daarom nemen wij initiatieven op verschillende vlakken om de veiligheid van het personeel te verbeteren.
01.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het moet mij echter van het hart dat de incidenten in de gevangenis van Wortel zich blijven opstapelen.
U hebt een opsomming gegeven van een aantal maatregelen die ondertussen zijn getroffen of minstens in uitvoering zijn. Wanneer wij echter naar dat heel specifieke incident kijken, dan zien wij een gedetineerde die over een muur van ongeveer vijf meter klimt en vervolgens over de prikkeldraad gaat om aan de andere kant een pakje op te pikken. Hij is niet gevlucht. Dat is uiteraard een andere zaak. Dat hij daarna terugkeert, toont echter de verregaande bereidheid om drugs binnen de gevangenis te krijgen.
Specifiek voor Wortel moeten er bij hoogdringendheid extra inspanningen worden geleverd. Ik heb u daar al verschillende keren voor gewaarschuwd. Het personeel voelt zich daar echt in de steek gelaten en vraagt een dringende aanpak van de stijgende problematiek. U kondigt inderdaad maatregelen aan, maar heel specifiek voor Wortel zouden de zaken toch in een stroomversnelling moeten komen om dergelijke incidenten te vermijden.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
02.01 Sam Van Rooy (VB): Mevrouw de minister, een nieuw onderzoek, ditmaal van Paris Match Belgique, legt de lange arm van de Islamitische Republiek van Iran in België bloot. Het gaat om een breder netwerk van islamitische verenigingen, moskeeën en culturele centra in Brussel, Antwerpen en Gent. Zij organiseren culturele en religieuze activiteiten en verspreiden de islamitische ideologie van de ayatollahs en politieke standpunten die gunstig zijn voor het moorddadige islamitische regime in Iran. Ook zamelen ze fondsen in en monitoren ze tegenstanders, waartoe ik ook behoor.
Zo wordt er ook verwezen naar de herdenkingsceremonie die plaatsvond op 18 april in Molenbeek. Prominente leden van het islamitische regime, waaronder de jihadistische massamoordenaar Ayatollah Khamenei, waren omgekomen en die moesten blijkbaar herdacht worden in Molenbeek. Op dat evenement, dat in besloten kring plaatsvond, werd onder meer opgeroepen tot financiële steun voor het front van verzet, een groep actoren die nauwe banden heeft met de Islamitische Republiek.
Mevrouw de minister, wat is uw reactie op dit nieuwe onderzoek? Vindt u, net zoals ik, dat zulke organisaties moeten worden opgedoekt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke actie wilt en kunt u ondernemen om dit te bewerkstelligen? Wat wordt ondernomen tegen individuen, al dan niet behorende tot dergelijke organisaties en vzw's, die de facto fungeren als propagandisten of agenten van de Islamitische Republiek?
02.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Rooy, elke activiteit die mogelijk verband houdt met buitenlandse inmenging, propaganda of de financiering van actoren die een risico vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, wordt door de Belgische autoriteiten zeer ernstig genomen. Onze regering blijft de ontwikkeling van dat fenomeen nauwlettend volgen. De meeste activiteiten van die groeperingen spelen zich af binnen de eigen gemeenschap en zijn niet gericht op extern proselitisme. De publieke manifestaties zijn over het algemeen toegelaten door de bevoegde autoriteiten en vallen onder de vrijheid van meningsuiting.
Op juridisch vlak bestaan er verschillende instrumenten. Zowel het huidige als het nieuwe Strafwetboek, dat in september in werking treedt, maakt het mogelijk om strafbare feiten te vervolgen, zoals deelname aan criminele organisaties, samenzwering of aantasting van de fundamentele belangen van de Staat. De wetgeving inzake witwassen en terrorismefinanciering draagt ook bij aan de opsporing en bestraffing van verdachte geldstromen. Daarnaast blijft internationale samenwerking tussen de autoriteiten uiteraard van essentieel belang.
02.03 Sam Van Rooy (VB): Dank u voor uw antwoord, minister, maar dat is natuurlijk too little too late, zoals zo vaak in dit land. Dit is het zoveelste onderzoek met sterke aanwijzingen dat de lange arm van de Islamitische Republiek in België actief is. Het legt een netwerk bloot van islamitische verenigingen, moskeeën en culturele centra in onze grote steden Brussel, Antwerpen en Gent.
Ze organiseren culturele en religieuze activiteiten en verspreiden de islamitische ideologie van de moorddadige ayatollahs en de standpunten van het moorddadige islamitische regime in Iran. Bovendien zamelen ze fondsen in en monitoren ze tegenstanders. Ik zal het hier blijven herhalen, minister, dat is het trieste en weerzinwekkende resultaat van 60 jaar ongecontroleerde massa-immigratie en van het lakse beleid van partijen zoals de uwe, de traditionele partijen.
Uiteindelijk is er voor agenten, propagandisten en sympathisanten van de jihad, van de Islamitische Republiek, maar ook van de Moslimbroederschap en zoveel andere organisaties, maar één echte oplossing en dit is om ze allemaal op te sporen en ze allemaal het land uit te zetten.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
03.01 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
In de Belgische gevangenissen verblijven
momenteel ongeveer 190 gedetineerden ouder dan 60 jaar en 140 ouder dan 70
jaar. De documentaire “Achter de tralies van de tijd" schetst een
schrijnend beeld van de leefomstandigheden van zorgbehoevende en dementerende
gevangenen in Merksplas. Het gaat voornamelijk om 70-plussers, van wie sommigen
bedlegerig zijn of kampen met dementie. Ondanks de inzet van het personeel
blijft de zorg door een gebrek aan gespecialiseerde ondersteuning zwaar
ontoereikend. De begeleiding beperkt zich tot een verpleegkundige en een
penitentiair bewakingsassistent, terwijl de verpleegkundige slechts beperkt
aanwezig is en ook andere taken heeft. Een huisarts bezoekt de afdeling slechts
één keer per maand. Dit strookt niet met artikel 88 van de Basiswet op het
gevangeniswezen, waarin staat dat de gezondheidszorg aangepast moet zijn aan de
specifieke noden van gedetineerden. Bovendien worden deze kwetsbare gevangenen
geregeld aan hun lot overgelaten en zelfs belaagd door andere gedetineerden.
De minister stelde naar aanleiding van de
documentaire terecht dat vrijheidsberoving de enige straf mag zijn en dat
menselijke waardigheid steeds moet worden gerespecteerd. De verwijzing naar
overbevolking en structurele druk binnen het gevangeniswezen kan echter geen
excuus vormen voor de huidige situatie. Tijdens het daaropvolgende debat werd
dan ook scherpe kritiek geuit op het beleid.
Welke concrete maatregelen heeft de
minister reeds genomen om de behandeling en opvang van oudere gedetineerden te
verbeteren? Graag een gedetailleerd overzicht.
De minister verklaarde te onderzoeken of
zorgbehoevende oudere gedetineerden in een detentiehuis kunnen worden
ondergebracht. Welke initiatieven werden hiervoor reeds genomen?
Gevangenisdirecteur Roman pleit ervoor om
zwaar zorgbehoevende gedetineerden onder te brengen in een gesloten afdeling
van een woonzorgcentrum of om thuiszorg in de gevangenis mogelijk te maken. Dit
vereist samenwerking met de Vlaamse minister van Welzijn. Heeft hierover reeds
overleg plaatsgevonden tussen de federale overheid en de bevoegde
Gemeenschapsministers? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, zal de minister
initiatief nemen?
In Merksplas biedt
dienstverleningscentrum Het Klavier ondersteuning aan gedetineerden met een
mentale beperking. Waarom kan een gelijkaardige samenwerking niet worden
uitgewerkt voor zwaar zorgbehoevende gedetineerden in alle Belgische
gevangenissen?
03.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, eerst en vooral wil ik benadrukken dat ik de bezorgdheid over de zorg voor oudere gedetineerden met u deel. Ik wens toch te onderstrepen dat de zorg die op de afdeling in Merksplas wordt geboden, het gevolg is van ervaringen die de actoren op het terrein tijdens de coronapandemie hebben opgedaan. Daaruit bleek dat voor die specifieke doelgroep een specifieke benadering binnen een specifieke afdeling was aangewezen. Dat neemt niet weg dat die zorg nog altijd niet volstaat. Het initiatief dat toen in de penitentiaire inrichting van Merksplas werd genomen, heeft wel de aandacht gevestigd op de specifieke zorgnoden van die groep gedetineerden en daar is ook, in de mate van het mogelijke, aan tegemoetgekomen. We zijn inderdaad op zoek naar een volwaardig alternatief. Het nog meer betrekken van externe expertise past daar uiteraard in.
Om oudere gedetineerden betere zorg te kunnen bieden, wordt nu al samengewerkt met Het Klavier in de regio Kempen en met Voluit in de regio Gent. Die organisaties werken doorgaans erg regiogebonden en het is niet evident om gelijkaardige organisaties verspreid over het hele land te vinden. Wellicht is dat ook niet nodig en kunnen we onze inspanningen het best richten op een beperkt aantal afdelingen in enkele gevangenissen, die intussen ook meer ervaring hebben met de behoeften van die groep gedetineerden. We onderzoeken ook hoe we de werking van die afdelingen kunnen versterken. Zo focussen we momenteel vooral op de bestaande afdeling in Merksplas en op de gevangenis van Brugge, waar we eerder ook al een afdeling voor meer zelfredzame oudere gedetineerden hebben ingericht.
In die context spannen we ons ook in om de personeelsomkadering van de medische dienst en de zorgequipes te vervolledigen en worden materiële investeringen in aangepast zorgmateriaal gedaan. Voor Merksplas hebben we ook bijkomende artsen aangetrokken en in mei vond lokaal een infosessie voor artsen uit de buurt plaats. Daarvoor bestond ruime belangstelling, met een twintigtal geïnteresseerden. Momenteel wachten we af of dat kandidaten zal opleveren.
03.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik neem aan dat u die onthutsende documentaire over de gevangenis van Merksplas hebt gezien. U heeft er immers een voorwoord in laten opnemen.
Als u zegt dat in Merksplas al wordt gewerkt met de ervaringen die tijdens de coronaperiode zijn opgedaan, terwijl we vandaag vier à vijf jaar verder zijn en de situatie daar nog altijd zo schrijnend is, dan maak ik mij zorgen. Een verpleegkundige die daar slechts enkele uren per dag aanwezig is en een dokter die één keer per maand langskomt, is geen correcte invulling van de basiswet, die ook bepaalde rechten aan gedetineerden toekent.
Als het in Merksplas al zo erg is, ondanks het feit dat de ervaringen uit de coronaperiode daar specifiek zijn toegepast, dan maak ik mij ernstig zorgen over de situatie in andere gevangenissen.
Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag of u nadenkt over een specifiek detentiehuis voor zorgbehoevende oudere gedetineerden. Ook pleitte de gevangenisdirecteur ervoor om na te gaan of erg behoevende gedetineerden niet kunnen worden ondergebracht in een gesloten afdeling van een woonzorgcentrum. Dat is natuurlijk niet uw bevoegdheid. Ik had u gevraagd of daarover overleg heeft plaatsgevonden. Op die vraag heb ik spijtig genoeg ook geen antwoord gekregen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
04.01 Sam Van Rooy (VB): Mevrouw de minister, u bent de zoveelste minister op rij die ik ondervraag over deze kwestie. U begrijpt denk ik ook waarom. Ik heb u de beelden bezorgd. Het gaat om een kort videofragment dat werkelijk misselijkmakend is. Het gaat over een persoon die de jihadistische massamoordenaars Khamenei, vader en zoon, verheerlijkt en die letterlijk in die video zegt: "Dood aan de vijanden van de Islamitische Republiek."
Op haar lichaam staat Allahoe akbar geschreven, alsook: "Als Khamenei oproept tot de jihad, ben ik er klaar voor." Ondertussen wordt zij online gepromoot door de politie van Teheran, door het islamitische regime dus, en als soldaat van de Islamitische Republiek. Ze verklaart dat ze honderd procent loyaal is aan het moorddadige islamitische regime in Iran, waarvoor ze zelfs zegt te willen sterven. Daarnaast roept ze ook op tot het vermoorden van de Amerikaanse president Donald Trump. Ze deelt ook propaganda van de Islamitische Republiek Iran en van de IRGC.
Hoe duidelijk wilt u het nog hebben, mevrouw de minister? Ik heb hierover ook de minister van Veiligheid, de minister van Asiel en Migratie en daarnet minister van Volksgezondheid Vandenbroucke ondervraagd. Immers, die dame werkt namelijk bij Sciensano, die over onze volksgezondheid gaat. U kunt het zo gek niet bedenken of het kan in dit surrealistische land.
Mevrouw de minister, wordt die persoon opgespoord en gescreend op banden met de IRGC en de Islamitische Republiek Iran? Kan die persoon, die oproept tot het doden van de vijanden van de Islamitische Republiek Iran, waartoe ik zelf behoor en naar ik aanneem ook regeringsleden zoals u en talloze burgers in dit land, blijven rondlopen en ook demonstreren in ons land? De video werd gemaakt op een demonstratie.
Ze werkt bij Sciensano. Vindt u dat zo iemand plaats heeft bij een overheidsinstelling zoals Sciensano, die nota bene over onze volksgezondheid gaat?
Bent u het met mij eens dat dit duidelijk een jihadiste is die een gevaar vormt voor onze samenleving? Zo ja, wat kunt en wilt u ondernemen om dat gevaar weg te nemen?
04.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Rooy, net als de veiligheids- en inlichtingendiensten neem ik als minister van Justitie elk signaal van mogelijke radicalisering ernstig. Ik kan in het Parlement uiteraard niet op individuele dossiers ingaan.
Wat ik u wel kan meegeven, is hoe we dat soort van fenomenen structureel aanpakken. De Veiligheid van de Staat en het OCAD volgen personen op die een potentieel risico vormen voor onze nationale veiligheid. Wanneer er aanwijzingen zijn van radicalisering of banden met terreurbewegingen, worden die signalen geanalyseerd en gedeeld met de bevoegde instanties.
Op lokaal niveau werken we met een opvolging via de lokale integrale veiligheidscellen, waar politie, parket, welzijnswerkers en inlichtingendiensten samen casussen opvolgen en gepaste maatregelen afwegen. Dat is precies het model dat we in vergelijkbare zaken toepassen. Het is een model dat ook internationaal wordt geroemd vanwege de integrale en geïntegreerde samenwerking.
Uw vragen over de tewerkstelling bij federale instellingen raken aan een andere bevoegdheid. De overheid als werkgever, in dit geval de FOD Volksgezondheid, beschikt over eigen instrumenten en procedures.
Ik kan u verzekeren dat onze diensten waakzaam zijn en dat de signalen die u beschrijft niet onopgemerkt blijven en een gepast en proportioneel gevolg krijgen.
04.03 Sam Van Rooy (VB): Mevrouw de minister, wat was mijn conclusie, amper tien minuten geleden, over de lange arm van de Islamitische Republiek in België? Ik zal het nog eens herhalen. Voor agenten, propagandisten en sympathisanten van de jihad is er maar één echte oplossing: spoor ze allemaal op en zet ze allemaal het land uit.
Nu kom ik hier met een schoolvoorbeeld van een propagandiste van de jihad, een persoon die zelfs letterlijk en openlijk zegt: "Dood aan de vijanden van de Islamitische Republiek." Ik geef u haar op een presenteerblaadje en toch hoor ik u niet zeggen dat u haar zult opsporen, opsluiten en het land uitzetten.
Dat is wat ik van u en van deze regering verwacht. Dat is wat de burgers van u en van deze regering verwachten. Als dat niet gebeurt, dan is deze regering een gevaar voor onze veiligheid.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
05.01 Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mevrouw de minister,
Juridische tweedelijnsbijstand is
essentieel zodat justitie voor eenieder toegankelijk blijft. Advocaten die
pro-Deowerk verrichten, moeten dan ook kunnen rekenen op een correcte en
tijdige vergoeding voor hun prestaties.
Zoals u weet gebeurt de uitbetaling van
deze vergoedingen traditioneel één keer per jaar, doorgaans rond de vijfde of
zesde maand van het jaar. Intussen vernemen we dat de waarde van een punt voor
dit jaar zou worden vastgesteld op ongeveer 99 euro.
Tegen deze achtergrond wil ik graag
duidelijkheid krijgen over de concrete planning van de uitbetalingen, aangezien
dit voor de betrokken advocaten een belangrijke factor is in hun
praktijkvoering.
Daarom heb ik volgende vragen:
Wanneer voorziet u de uitbetaling van de
pro-Deovergoedingen voor dit jaar?
Zal deze timing overeenkomen met de
gebruikelijke kalender, of zijn er vertragingen te verwachten?
Kan u bevestigen wat de definitieve
waarde van het punt zal zijn voor dit jaar?
05.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Van Vaerenbergh, de juridische tweedelijnsbijstand en de correcte betaling van de advocaten die daaraan hebben bijgedragen, zijn ook voor mij zeer belangrijk. Dat is essentieel voor de toegang tot Justitie. De beloften en afspraken die we maken met alle partners, zoals de advocaten, moeten we ook nakomen. Uiteraard is dat niet voor elke advocaat in dezelfde mate van belang, maar we moeten die toezeggingen uiteraard respecteren.
Momenteel worden twee betalingen per jaar vooropgesteld: een eerste tegen begin juni en een tweede tegen begin december. Ik heb mijn administratie gevraagd ervoor te zorgen dat de eerste betaling begin juni werd uitgevoerd. Er is effectief bevestigd dat de uitbetaling op 3 juni door de balies werd ontvangen. Dat is alvast goed. Op die manier kunnen we ons houden aan de gemaakte afspraken. Daarnaast kan ik u volledigheidshalve meedelen dat de waarde van het punt 99,47 euro bedraagt.
05.03 Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Mijn vraag dateert inderdaad al van de maand mei. Het is goed nieuws dat de betalingen zijn uitgevoerd en hopelijk zal dat ook in december het geval zijn.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions jointes n° 56015843C de Mme Greet Daems et n° 56015844C de M. Julien Ribaudo sont reportées.
06.01 Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Volgens recente berichtgeving in o.a.
L'Echo zouden momenteel meer dan honderd tuchtdossiers tegen
gerechtsdeurwaarders en notarissen geblokkeerd zijn geraakt binnen de nieuwe
tuchtraad die sinds 1 januari 2024 operationeel moest zijn. Het zou gaan om 109
dossiers die vandaag nog steeds niet behandeld konden worden.
De hervorming van het tuchtrecht voor
gerechtsdeurwaarders en notarissen had net tot doel de onafhankelijkheid en
geloofwaardigheid van de tuchtprocedure te versterken, onder meer door de
invoering van een externe tuchtraad met magistraten als voorzitters. Uit het
artikel blijkt echter dat er sinds de opstart structurele problemen zouden
bestaan, onder andere met betrekking tot de vergoeding van de betrokken
magistraten, waardoor dossiers gedurende lange tijd blijven aanslepen. Dat is
bijzonder problematisch. In sommige dossiers zouden ernstige feiten aan bod
komen, met mogelijk zware gevolgen voor burgers en justitiabelen. Zo dreigt niet alleen het vertrouwen in de
betrokken beroepsgroepen schade op te lopen, maar ook het vertrouwen in de
goede werking van Justitie zelf.
Daarom heb ik volgende vragen:
Kan u bevestigen hoeveel tuchtdossiers
vandaag effectief geblokkeerd of hangende zijn binnen de tuchtraad voor
gerechtsdeurwaarders en notarissen?
Wat is volgens u precies de oorzaak van
deze blokkering? Gaat het uitsluitend om een discussie over vergoedingen, of
spelen er bijkomende organisatorische of juridische problemen?
Sinds wanneer was uw kabinet op de hoogte
van deze situatie en welke concrete stappen werden reeds ondernomen om tot een
oplossing te komen?
Hoeveel dossiers betreffen potentieel
ernstige inbreuken waarbij de bescherming van burgers of justitiabelen in het
gedrang kan komen?
Welke tijdelijke maatregelen worden
genomen om te vermijden dat dossiers nog langer blijven aanslepen?
Tegen wanneer verwacht u dat de tuchtraad
opnieuw volledig operationeel zal zijn en de opgebouwde achterstand weggewerkt
kan worden?
Hoe rijmt u deze situatie met de ambitie
uit het federale regeerakkoord om de hervormde tuchtraad voor
gerechtsdeurwaarders en notarissen net efficiënter en doeltreffender te laten
functioneren, en acht u bijkomende wettelijke of organisatorische maatregelen
noodzakelijk om te vermijden dat dergelijke blokkeringen zich in de toekomst
opnieuw voordoen?
06.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Van Vaerenbergh, het klopt inderdaad dat de tuchtraad voor notarissen en gerechtsdeurwaarders sinds de oprichting ervan met verschillende moeilijkheden kampte. Ondertussen werd echter het nodige gedaan om tot een volledige operationalisering van die tuchtraad te komen. Zo voerden we onder andere een aantal technische, maar belangrijke wetswijzigingen door. Het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Ook de problematiek rond de ICT-applicaties werd opgelost. Er zouden dus geen verdere organisatorische of juridische problemen meer mogen zijn.
De FOD Justitie werkt momenteel aan een voorontwerp van wet met als doel het huidige wettelijke kader voor de tuchtraad voor notarissen en gerechtsdeurwaarders te herzien en te verbeteren, in lijn met het regeerakkoord.
De vergoeding van de voorzitters is vastgelegd in het koninklijk besluit van 25 juli 2024. Vóór de oprichting van de tuchtraad, zoals we die vandaag kennen, werden de vergoedingen van de leden bekostigd door de beroepsgroepen zelf en lagen die opmerkelijk hoger.
Om de onafhankelijkheid van het tuchtorgaan, en vooral ook de perceptie daarvan, te versterken, heeft de wetgever er met de wet van 22 november 2022 voor gekozen om de financiering los te koppelen van de beroepsgroepen. Het statuut van notarissen en gerechtsdeurwaarders heeft immers een gemengd karakter. Enerzijds zijn zij openbare ambtenaren, belast met opdrachten van algemeen belang. Anderzijds oefenen zij een vrij beroep uit dat strikt wettelijk geregeld is. Tegen die achtergrond is het van wezenlijk belang dat hun beroepsuitoefening wordt onderworpen aan een geloofwaardig en doeltreffend tuchtrechtelijk kader dat beantwoordt aan de vereisten van objectiviteit, efficiëntie, professionaliteit en transparantie en dat het vertrouwen waarborgt van zowel het publiek en de overheid als van de betrokken beroepsbeoefenaars zelf.
De voorzitters van de tuchtraad wensen een verhoging van de bestaande vergoeding in functie van de door hen ingeschatte werklast van de op te nemen taken. Binnen de huidige budgettaire context lijkt een dergelijke verhoging op dit moment echter niet haalbaar.
We hebben het College van de hoven en rechtbanken en de voorzitters van de tuchtraad daarvan ingelicht. We hebben hen gevraagd om de werkzaamheden zo spoedig mogelijk te hervatten, zodat de hangende dossiers kunnen worden behandeld.
Dat neemt niet weg dat de vraag naar een hogere vergoeding op een later tijdstip opnieuw kan worden geëvalueerd, met name in het kader van de lopende reflectie over de hervorming van het tuchtrecht voor magistraten, alsook in het licht van de effectieve werklast die zich voor de leden van de tuchtraad voor notarissen en gerechtsdeurwaarders in de praktijk zal manifesteren.
06.03 Kristien Van Vaerenbergh (N-VA): Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Op sommige vragen heb ik geen antwoord gekregen, onder andere over het aantal dossiers dat op dit ogenblik geblokkeerd is, maar die vragen zal ik schriftelijk indienen.
Het is goed dat een aantal zaken zijn gerealiseerd, zoals het huishoudelijk reglement en de ICT-toepassingen. Inzake de vergoeding blijft een en ander geblokkeerd zitten. Het is wel van belang dat de tuchtraad naar behoren functioneert, want de tuchtdossiers moeten worden behandeld. Anders komt het ook de geloofwaardigheid van Justitie niet ten goede. Ik hoop dus dat die vergoedingskwestie snel kan worden opgelost.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions jointes n° 56015854C de Mme Greet Daems, n° 56015855C de M. Julien Ribaudo et n° 56015857C de M. Nabil Boukili sont reportées.
07.01 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
De problematiek van de overbevolking en de erbarmelijke
omstandigheden in de gevangenissen is al lang bekend maar blijft verslechteren.
Het aantal grondslapers blijft maar toenemen. De Orde van Vlaamse Balies stelt terecht
dat ze deze evolutie niet kan blijven negeren.
De Orde van Vlaamse Balies heeft de
Belgische Staat formeel in gebreke gesteld om alle noodzakelijke en passende
maatregelen te nemen om de aanhoudende, ernstige en structurele problemen in de
gevangenis van Gent aan te pakken. Deze stap vormt een eerste concrete actie
maar zal niet zonder gevolg blijven. De OVB stelt duidelijk: “Of je vele en
lange gevangenisstraffen wil, is een politieke keuze. De wijze waarop je deze
straffen uitvoert is dat niet. Vandaag zien we overvolle, onveilige en
onhygiënische gevangenissen waar mensen op de grond slapen zonder
recreatiemogelijkheden en zonder toegang tot basiszorg. Dit is onaanvaardbaar
en we stelden vast dat het niet verbetert. Het is dan ook onze plicht om de
overheid ter verantwoording te roepen." De overbevolking is slechts één
aspect van de problematiek. Andere tekortkomingen maken dat er geen sprake is
van een menswaardige detentie, zoals de gebrekkige infrastructuur en slechte
materiële omstandigheden, een gebrek aan aangepaste zorg voor geïnterneerden,
een ontoereikend detentieregime met beperkte toegang tot re-integratie, enz.
Heeft de minister kennis van deze
ingebrekestelling door de Orde van Vlaamse Balies? Welk gevolg werd hieraan
gegeven?
Heeft de Orde van Vlaamse Balies een
concreet en gedetailleerd antwoord gekregen? Kan de Minister hierover een
gedetailleerde toelichting geven?
07.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, ik heb op 30 april inderdaad een ingebrekestelling van de Orde van Vlaamse Balies ontvangen. Daarin werd gevraagd om binnen veertien kalenderdagen na ontvangst van die ingebrekestelling alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de onwettige toestand in de gevangenis van Gent te beëindigen.
Ik heb die ingebrekestelling beantwoord, waarbij ik erken dat de problematiek van de overbevolking, helaas niet alleen in Gent, bijzonder ernstig is en dat dit probleem ten gronde moet worden aangepakt. Ik heb aangegeven dat zowel ikzelf als minister van Justitie als de federale regering zich bewust zijn van de omvang van het probleem en van de impact ervan op de leefomstandigheden van de gedetineerden en geïnterneerden, op de werking van de inrichtingen en zeker ook op het personeel, dat onder bijzonder moeilijke omstandigheden de opdrachten moet vervullen.
Vanuit die vaststelling is een reeks maatregelen genomen om de overbevolking te bestrijden, zoals we vanochtend nog hebben besproken. Op 20 maart werd een akkoord bereikt over bijkomende maatregelen en vervolgens hebben we dat plan uitgevoerd. Het gaat uiteraard om een gefaseerde aanpak, waarbij onmiddellijke noodmaatregelen worden genomen, naast maatregelen op korte en middellange termijn. Daarnaast zijn er ook structurele ingrepen, die ik aan de Orde van Vlaamse Balies heb toegelicht. Vervolgens ben ik kort ingegaan op de situatie in de gevangenis van Gent, waarbij ik een aantal elementen in de juiste context heb geplaatst.
Omdat de problematiek van de overbevolking bijzonder complex is, heb ik tot slot de OVB uitgenodigd voor overleg. Dat overleg heeft intussen ook plaatsgevonden. Ik heb ook mondeling kennisgenomen van de bezorgdheden van de OVB en van de intentie om de Belgische staat te dagvaarden. Op 3 juni heb ik een kopie van die dagvaarding ontvangen. De zaak is inmiddels aanhangig bij de burgerlijke rechtbank in Gent.
07.03 Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het is positief dat u hebt geantwoord op de ingebrekestelling van de Orde van Vlaamse Balies, want uw collega's antwoorden niet altijd wanneer zij een ingebrekestelling ontvangen, maar dat terzijde.
U hebt ons een overzicht van uw antwoord gegeven. Er heeft een overleg plaatsgevonden, maar toch is er momenteel een procedure hangende voor de rechtbank van Gent. Kunt u daarover meer uitleg geven? Wat wordt er heel specifiek van de Belgische staat gevorderd? Is dat beperkt tot de gevangenis van Gent of wordt dat opengetrokken naar andere gevangenissen? Daar ben ik toch benieuwd naar.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
08.01 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, ketamine is ondertussen een erg populaire drug met een grote negatieve impact op het rijgedrag. Tot voor kort was het gebruik van ketamine in het verkeer niet officieel strafbaar. Daar is recent verandering in gebracht. De drug is ondertussen expliciet toegevoegd aan de lijst van verboden producten.
De handhaving daarvan is niet zo evident. De speekseltesten die de politie vandaag gebruikt, kunnen ketamine niet opsporen. Het is dan ook van het allergrootste belang dat er aangepaste speekseltesten komen.
Het behoort tot uw bevoegdheid om de aangepaste speekseltesten aan te kopen en te verdelen. Welke stappen zijn er ondertussen gezet?
Begin dit jaar heeft de minister van Binnenlandse Zaken aangegeven dat zulke testen pas tegen de zomer van 2027, dus binnen een jaar, beschikbaar zouden zijn. Klopt dat? Zo ja, is er een mogelijkheid om het proces te versnellen?
Alvorens een openbare aanbesteding kan worden uitgeschreven, moeten het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie en de FOD Justitie de technische specificaties voor de benodigde testen vaststellen. Volgens Vias institute heeft het NICC alvast een advies klaar over de te hanteren drempelwaarden. Wanneer verwacht u dat het NICC en de FOD Justitie hun werkzaamheden zullen hebben afgerond en wanneer plant u een mogelijke aanbesteding?
08.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Raskin, de aankoop van de speekseltesten wordt opgevolgd door de FOD Justitie. Momenteel loopt een contract van 1 juli 2023 tot 30 juni 2027, waarbij de FOD Justitie speekseltesten kan aankopen. In dat contract is in de opsporing van ketamine evenwel niet voorzien, omdat er tot op vandaag geen wettelijke basis voor was. Daar komt nu verandering in door wetswijzigingen die heel recent werden goedgekeurd in het Parlement. Een formeel lastenboek kan immers pas worden opgesteld zodra het wettelijk kader definitief is goedgekeurd.
Om in dit dossier snel vooruitgang te boeken, heb ik het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie al vóór de stemming gevraagd om proactief werk te verrichten rond de technische mogelijkheden, de marktverkenning en de wetenschappelijke onderbouwing van een grenswaarde voor ketamine.
Alles wat vooraf kon worden voorbereid, is ook al voorbereid. De FOD Justitie werkt momenteel volop verder aan die nieuwe overheidsopdracht voor speekseltesten, die wel in de mogelijkheid zal voorzien om ketamine op te sporen en waarbij de nieuwe tests zullen voldoen aan de nieuwe regelgeving, die is afgestemd op nieuwe evoluties inzake middelengebruik in het verkeer, en aan de nood van de politie om over een snelle speekseltest te kunnen beschikken.
Het klopt trouwens niet dat bestuurders die vandaag onder invloed van ketamine rijden, volledig buiten schot zouden blijven. Politiediensten maken gebruik van een checklist om dronkenschap of een soortgelijke staat, met name ingevolge het gebruik van drugs of geneesmiddelen, vast te stellen en kunnen op die basis een vervolging opstarten.
Op basis van de speekselcollector kunnen labo's vandaag ook al een analyse uitvoeren voor ketamine.
08.03 Wouter Raskin (N-VA): Mevrouw de minister, hallucinaties, desoriëntatie en een verminderd bewustzijn zijn natuurlijk levensgevaarlijk in het verkeer. Ik begrijp uit uw antwoord dat het, aangezien het huidige contract nog niet afgelopen is, onmogelijk is om te versnellen. Het contract zou lopen tot juni 2027. Dat ligt in de lijn van wat minister Quintin ook al zei. Het is een beetje jammer dat we niet sneller kunnen gaan. Ik wil u wel danken omdat u het NICC alvast hebt gevraagd om proactief te werken, zodat we zo snel mogelijk kunnen landen.
Het klopt natuurlijk dat mensen niet helemaal vrijuit gaan, maar als we de cijfers van het NICC van 2025 over de laboanalyses bekijken, zien we vandaag inderdaad al dat maar liefst 6 % van die tests aangeven dat mensen ketamine hebben gebruikt in het verkeer. Aangezien dat een toevallige vaststelling is naar aanleiding van het gebruik van andere middelen, mogen we verwachten dat het probleem van ketamine in het verkeer vele malen groter is dan we vandaag denken. Ik denk dus dat het van het allergrootste belang is om geen tijd te verliezen en het NICC en de FOD Justitie te blijven aanzetten om zo snel mogelijk te landen.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
09.01 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.
Het federaal parket krijgt er 30
personeelsleden bij die zich gaan bezighouden met economische misdrijven zoals
sociale en fiscale fraude en corruptie. Althans zo staat te lezen in de media.
Het team zou bestaan uit tien magistraten, tien parketjuristen en tien
gedetacheerde fiscale ambtenaren onder leiding van een adjunct-federaal
procureur. Vier van de tien magistraten zouden een aantoonbare financiële of
fiscale expertise moeten hebben. De afdeling zou volgend jaar al operationeel
moeten zijn.
Daarnaast zouden de parketten en de
rechtbanken er landelijk 77 personeelsleden bij krijgen om de strijd tegen
financiële misdaad op te voeren en gespecialiseerde dossiers te behandelen,
boven op de 30 personeelsleden die voorzien zijn voor het financieel parket.
Allemaal bijzonder mooie aankondigingen.
Het is maar de vraag of deze woorden kunnen worden omgezet in daden. Ik heb dan
ook de volgende vragen:
Kan de minister de voormelde informatie
die in de pers is verschenen bevestigen? Zo ja, is er al wetgevend werk
verricht om deze aankondigingen te realiseren? Wat is de stand van zaken?
Wanneer zullen de wetgevende initiatieven worden overgemaakt aan het parlement?
Het is geen geheim dat de kaders van
bestaande parketten en rechtbanken moeilijk kunnen worden ingevuld. Kan de
minister een globaal overzicht geven van het aantal vacatures die desbetreffend
nog dienen te worden ingevuld (zowel bij de parketten, als bij de rechtbanken)?
Indien de bestaande kaders moeilijk tot niet kunnen worden ingevuld, hoe denkt
de minister de nieuwe nog te creëren kaders in te vullen? Welke bijkomende
initiatieven zullen daartoe genomen worden, en wanneer kan resultaat verwacht
worden?
Wat is de budgettaire impact van deze
nieuwe aankondigingen? Werden deze kosten reeds opgenomen in de begroting? Kunt
u desbetreffend de noodzakelijke toelichting geven?
09.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, de regering beoogt inderdaad de fiscale, sociale en economische fraude doeltreffender aan te pakken en op die manier de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit op te voeren. Daarom wordt een financieel parket opgericht als sectie financiële criminaliteit bij het federaal parket. Dat financieel parket zal bestaan uit tien magistraten. Daarnaast werd voorzien in tien parketjuristen en tien gedetacheerde fiscale ambtenaren onder leiding van een financieel adjunct-federaal procureur. De nodige middelen zijn daarvoor ingeschreven.
Het wetsvoorstel houdende de oprichting van een financieel parket als sectie financiële criminaliteit bij het federaal parket werd op 11 mei in de Kamer ingediend door de heer Nuino. Dat wetsvoorstel kwam tot stand na overleg in de regering en met het federaal parket en het College van procureurs-generaal.
Ook de 77 bijkomende medewerkers voor Justitie in het kader van de strijd tegen fiscale en sociale fraude kan ik bevestigen. De middelen daarvoor zijn ter beschikking. Ik heb daar uitgebreid bij de bespreking van de begrotingscontrole toelichting bij gegeven.
Vandaag zijn 63 vacatures voor magistraten bij de hoven en de rechtbanken en 32 bij het openbaar ministerie met het oog op een volledig kader niet ingevuld. Voor de volledigheid, het kader van het Hof van Cassatie behoeft geen invulling meer. Conform het regeerakkoord zullen de vacante plaatsen nog voor de zomer worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Onder meer via de maatregelen in het Hefboomplan, die tot doel hebben het ambt van magistraat aantrekkelijker te maken, willen we het aantal personen die voor de magistratuur kiezen, verhogen. Ik denk daarbij aan de valorisatie van maximaal 12 jaar anciënniteit uit de privésector, de toekenning van maaltijdcheques en de vergoeding voor telewerk. Het wetsontwerp dat maatregelen bevat om het ambt aantrekkelijker te maken, werd gisteren na de bespreking hier in commissie goedgekeurd.
De budgettaire netto-opbrengst van het financieel parket als sectie financiële criminaliteit bij het federaal parket wordt geraamd op 3,5 miljoen euro in 2026, 38 miljoen euro in 2027, 116 miljoen euro in 2028 en 196 miljoen euro in 2029. De budgettaire kosten van het financieel parket worden geraamd op 6 miljoen euro, zodat vanaf 2027 een positieve netto-impact wordt verwacht.
09.03 Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
10.01 Marijke Dillen (VB):
Vandaag verblijven meer dan 1000 geïnterneerden in de gevangenissen waar ze
niet de nodige aangepaste zorg krijgen. Maar dit zet wel druk op de
gevangeniscapaciteit en nog meer op het gevangenispersoneel. Al lang wordt er
een pleidooi gehouden voor de overdracht van de penitentiaire gezondheidszorg
naar het Departement Volksgezondheid, tot op heden helaas zonder resultaat. Dit
ondanks het feit dat dit land al herhaaldelijk werd veroordeeld voor de
abominabele omstandigheden van de geïnterneerden in onze gevangenissen. In de
Beleidsnota werd er aangekondigd dat er een Taskforce Internering werd
opgericht om de problematiek samen met de minister van Volksgezondheid en de
deelstaatministers bevoegd voor Justitie en Welzijn integraal aan te pakken.
Deze taskforce heeft een actieplan dat
acties omvat op de in-, door- en uitstroom van geïnterneerden in de
gevangenissen. Welke initiatieven zijn er inmiddels genomen om deze acties uit
te voeren? Wat zijn hiervan de resultaten? Wat staat er nog op de planning?
Graag een gedetailleerd overzicht.
Wat is de inbreng hierbij van de
verschillende betrokken ministers en departementen?
Werd er door de taskforce inmiddels
gerapporteerd over de uitvoering van dit actieplan?
Zijn er inmiddels reeds concrete initiatieven genomen om de penitentiaire gezondheidszorg over te dragen naar het Departement Volksgezondheid? Zo ja, wat is de stand van zaken en is er reeds een concrete timing? Zo neen, waarom niet?
10.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, het actieplan inzake internering, goedgekeurd door de ministerraad op 18 juli 2025, wordt momenteel volop uitgevoerd. Alle acties zijn opgestart of al gerealiseerd. Het plan zet in het algemeen in op een duurzame aanpak van de problematiek, met maatregelen op korte termijn om bijkomende capaciteit en betere zorg te voorzien, maar ook met structurele hervormingen op langere termijn. Er wordt binnen de taskforce Internering bovendien nauw samengewerkt met collega Vandenbroucke. De taskforce komt tweewekelijks samen om de stand van zaken van de verschillende acties op te volgen en verdere initiatieven op elkaar af te stemmen.
Wat de instroom betreft, werd het beveiligd klinisch observatiecentrum in Haren verder geoperationaliseerd. De werking van het centrum kent een duidelijke toename en evolueert van een eerder occasionele inzet naar een structureel instrument binnen de strafrechtketen. Tegelijk wordt ingezet op verdere professionalisering en bijkomende expertise door de oprichting van een behandel- en oriëntatiecentrum in Haren. Dat centrum zal nieuwe geïnterneerden opvangen om pretherapie aan te bieden en een onderbouwd eerste advies af te leveren voor de eerste zitting van de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij. Daarnaast worden opleidingen georganiseerd voor magistraten en advocaten en bekijken we samen met het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) hoe bijkomende gerichte vormingen kunnen worden uitgewerkt.
Voor de doorstroom worden bijkomende capaciteit en begeleiding voorzien. Zo werden de mobiele equipes internering door Volksgezondheid versterkt met twaalf vte's en worden in 2026 90 extra plaatsen in forensische zorghuizen uitgerold. In het Forensisch Psychiatrisch Centrum Gent worden bovendien voorbereidingen getroffen voor 30 bijkomende plaatsen via modulaire units. Daarnaast werden in Saint-Bernard in Manage 10 upgradeplaatsen gerealiseerd en werden 20 extra plaatsen binnen beschut wonen voorzien voor geïnterneerden in een traject van invrijheidstelling op proef.
Ook inzake uitstroom worden verdere stappen gezet via trilateraal overleg met de Dienst Vreemdelingenzaken en Volksgezondheid. Er wordt gewerkt aan een specifieke acties voor geïnterneerden zonder verblijfsrecht en aan een betere coördinatie tussen alle betrokken actoren. De FOD Justitie richt in dat kader een centraal contactpunt op om die doelgroep op te volgen en de communicatie- en besluitvormingslijnen met de andere actoren te coördineren.
Parallel loopt de voorbereiding van een hervorming van de interneringswet, mede op basis van input uit het onderzoek van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC). Het is de bedoeling nog voor de zomer een conceptnota voor te leggen aan de regeringspartners.
Wat de overdracht van de penitentiaire gezondheidszorg betreft, werd al eerder toegelicht dat die reorganisatie gefaseerd verloopt. De eerste fase is inmiddels afgerond en betreft de dekking door het RIZIV van alle medische prestaties die tijdens detentie buiten de gevangenismuren plaatsvinden.
Parallel lopen ook initiatieven inzake de bestrijding van hepatitis in de gevangenissen. De tweede fase, waarbij het RIZIV ook de medische prestaties binnen de gevangenismuren zou dekken, wordt momenteel inhoudelijk voorbereid door de betrokken administraties. Het gaat om een technisch, reglementair en wettelijk complexe operatie. Tegelijkertijd wordt onderzocht of het RIZIV al vroeger de kosten van medicatieleveringen in de gevangenissen kan overnemen.
Dat moet uiterlijk tegen 2029 gerealiseerd worden, wanneer de huidige contracten van Justitie voor medicatieleveringen aflopen. Binnen Volksgezondheid wordt daarnaast, in overleg met Justitie, gewerkt aan een pilootproject. Daarbij wordt binnen één instelling al gestart met de volledige overdracht van de medische zorgverlening.
10.03 Marijke Dillen (VB):
Dank u wel voor uw uitgebreide antwoord.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions n° 56015843C et n° 56015854C de Mme Greet Daems, n° 56015844C, n° 56015855C, n° 56016005C et n° 56016006C de M. Julien Ribaudo et n° 56015857C de M. Nabil Boukili sont retirées.
11.01 François De Smet (DéFI):
La presse s’est fait l’écho tout récemment d’une initiative du gouvernement
fédéral visant à anonymiser l'identité des gardiens de prison pour les protéger
de l'escalade des menaces, agressions et cocktails Molotov dont ils sont
victimes.
Si cette initiative répond à une
préoccupation réelle et urgente, elle soulève des questions quant à son
caractère suffisant et aux moyens globaux consentis pour la sécurité du
personnel pénitentiaire, car en dépit du volontarisme de votre politique en la
matière, la surpopulation carcérale et les dommages collatéraux constituent un
problème endémique .
En conséquence, madame la ministre peut-elle
me faire savoir:
Quel est le cadre juridique précis envisagé
pour l'anonymisation ? S'agit-il d'une mesure législative ou réglementaire?
Quel est le calendrier d'adoption? Si elle estime que la mesure d'anonymat sera
suffisante face à l'escalade constatée? Dans l’affirmative, si d'autres mesures
de protection sont prévues, telles que
formation, équipement de protection, accompagnement psychologique, sécurisation
des abords des prisons?
Quelles ressources humaines et budgétaires
supplémentaires le gouvernement entend allouer au secteur pénitentiaire pour
améliorer structurellement les conditions de travail et de sécurité des agents?
Si vos services disposent d'un état des lieux actualisé des incidents violents
dans les établissements pénitentiaires belges et si il peut être communiqué à la Chambre?
11.02 Annelies Verlinden, ministre: Monsieur De Smet, un avant‑projet de loi concernant la pseudonymisation de l’identité de certains membres du personnel pénitentiaire est en cours de rédaction. Il vise, entre autres, à modifier la loi du 23 mars 2019 sur l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire. Cet avant‑projet de loi prévoit l’identification des membres du personnel de l’administration pénitentiaire par un code numérique unique et un prénom.
Les mesures faisant l’objet d’une modification de la loi devraient rendre plus difficile l’accès des détenus, à des données privées de membres du personnel, lesquelles pourraient servir à recueillir des informations supplémentaires sur ces personnes ou sur leur environnement immédiat.
L’avant‑projet de loi, qui régit également d’autres thèmes, a été soumis à divers organismes consultatifs pour avis. Il fera ensuite l’objet de discussions au sein du gouvernement et sera soumis à l’avis du Conseil d’État et de l’Autorité de protection des données.
L’objectif est donc de mieux protéger les membres du personnel et leurs proches, tout en garantissant une application correcte du cadre déontologique et du droit de plainte des détenus. Cette mesure ne constitue pas en soi un moyen suffisant pour garantir la sécurité, mais elle peut contribuer à protéger plus efficacement le personnel contre certains profils à risque.
C’est la raison pour laquelle nous accordons également beaucoup d’importance à la formation de notre personnel en matière de sécurité dynamique, à son accompagnement psychologique lorsque cela s’avère nécessaire, ainsi qu’à l’entretien et à l’amélioration des installations et des procédures de sécurité.
Les incidents critiques, y compris les faits de violence, font effectivement l’objet d’un suivi. Je vous renvoie, sur ce sujet, à la réponse que j’ai donnée à la question écrite n° 1077, qui comprend les données chiffrées.
11.03 François De Smet (DéFI): Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse.
Je pense qu’il s’agit d’une bonne initiative, que nous soutiendrons a priori. Nous voyons bien les nombreuses intimidations dont les agents pénitentiaires, mais aussi les membres de leurs familles, font l’objet, de plus en plus, de la part des narcotrafiquants et des criminels en tout genre qui gravitent autour du système pénitentiaire.
Je vous remercie.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
12.01 François De Smet (DéFI):
Le rapport 2026 de Reporters sans frontières (RSF) identifie un mécanisme «
d'ampleur inédite » en Belgique : des lois existantes — civiles ou pénales —
sont instrumentalisées pour intimider des journalistes et entraver leur travail
d'investigation , on évoque à ce propos
un vent de "censure préalable" car des procédures judiciaires
tentent de plus en plus d'interdire des enquêtes avant même leur publication.
Sur le terrain, lors de manifestations à Bruxelles ou Liège, les intimidations
se multiplient.
Le journal Le Soir consacre une analyse
approfondie à ce phénomène, qu'il décrit comme une nouvelle forme de pression
sur la presse libre. La Belgique, qui se targue de défendre la liberté de la
presse, voit ainsi sa réputation internationale écornée.
Si notre cadre législatif reste protecteur,
le paysage médiatique wallon et bruxellois souffre d'une hyperconcentration :
une poignée de grandes familles possède l’essentiel de la presse écrite,
limitant de fait la diversité des voix.
Un autre magazine met quant à lui en lumière
le fait que les femmes journalistes, en particulier, font face à un climat
d’insécurité numérique marqué par des menaces sexistes et racistes d'une
violence inouïe, poussant certaines d'entre elles à abandonner des sujets jugés
trop risqués.
En conséquence, madame la ministre peut-elle
me faire savoir:
Si elle a
pris connaissance du rapport RSF 2026 et partage le constat selon lequel certains mécanismes
juridiques belges — procédures SLAPP, actions en diffamation, injonctions —
sont utilisés de manière disproportionnée contre des journalistes ?
Si le parquet fédéral dispose d'instructions spécifiques pour traiter avec
discernement les plaintes déposées à l'encontre de journalistes dans l'exercice
de leur fonction?
Le gouvernement attache la plus grande importance à la liberté d'expression et à la liberté de la presse, garanties notamment par la Constitution, par la Convention européenne des droits de l'homme et par la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne. Cette liberté constitue un pilier essentiel de notre démocratie. À l'instar de Reporters sans frontières, je reste attentive au phénomène des Strategic Lawsuit Against Public Participation (SLAPP), mais je me permets également de rappeler l'efficacité de notre cadre législatif dans le secteur des médias.
Ce cadre a d'ailleurs été récemment renforcé avec l'adoption par le Parlement de la loi transposant la directive anti-SLAPP, confirmant ainsi le statut de bon élève de la Belgique dans la lutte contre ce phénomène. Bien que la nouvelle loi belge anti-SLAPP ne concerne que des procédures civiles, je resterai attentive à l'évolution de la situation sur le plan pénal.
Par ailleurs, les plaintes contre les journalistes ne relèvent pas en soi de la compétence exclusive du parquet fédéral, mais bien de l'ensemble des parquets du pays. Le ministère public est garant de la défense des intérêts de la société, et la liberté de la presse en constitue évidemment un élément important. Les critères de la loi anti-SLAPP peuvent déjà servir de guides au ministère public pour identifier d'éventuelles plaintes qui seraient motivées par une volonté de censure. À ce stade, je fais confiance au Collège des procureurs généraux, qui jugera de la nécessité d'adopter une circulaire si la situation l'exige. Je vous remercie de votre attention.
12.03 François De Smet (DéFI): Je remercie simplement la ministre pour sa réponse.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De voorzitter: Alleen mevrouw Demesmaeker is aanwezig, zie ik.
13.01 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik moest collega Depoortere uitdrukkelijk verontschuldigen, hij zit op dit ogenblik de commissie voor Binnenlandse Zaken voor. Zijn vraag was bovendien eigenlijk gericht aan minister Quintin. Maar dat is dus de reden waarom hij afwezig is.
Le président: Très bien. Je ne le formulais pas comme une critique, mais vous avez le droit de répliquer.
13.02 Eva Demesmaeker (N-VA): Mevrouw de minister, ik heb deze vraag ook gesteld aan minister Quintin en zijn antwoord was vooral een antwoord op de vraag van uw collega, maar niet op de mijne, dus ik hoop vandaag een ander antwoord te krijgen. U kunt dat dan ook bezorgen aan uw collega.
Het gaat hier over een heel absurd verhaal van enkele weken geleden. In Halle hadden dieven lachgas gestolen en dat werd in beslag genomen door de politie. Die heeft toen beslist om dat lachgas daar gewoon te laten liggen en heeft het slot vervangen en de loods verzegeld. We weten allemaal dat lachgas bijzonder explosief is. Dat is ook de reden waarom er werd beslist om het niet naar Brussel te verhuizen, maar daar te laten liggen.
Dat baart mij bijzonder veel zorg en ik heb het er met verschillende collega-burgemeesters ook over gehad. Dat lachgas ligt daar opgeslagen en noch ik als burgemeester noch de korpschef van de politiezone waren daarvan op de hoogte. Naar veiligheid toe vind ik dat echt absurd, want wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer de boel ontploft? Lokaal steken wij enorm veel tijd en moeite in het controleren van alle loodsen en te bekijken wat waar opgeslagen ligt en vergunningen in orde te brengen. Als zoiets dan ontdekt wordt en we dat in de pers moeten lezen, dan vind ik dat echt absurd.
Nogmaals, dat goedje is blijkbaar te gevaarlijk voor de gebouwen van Justitie, maar het gewoon in een loods laten liggen – waar die loods zich bevindt is voor mij tot op dit moment nog steeds een raadsel –, is dan blijkbaar geen probleem.
Hoe kan het dat niemand op de hoogte was van het potentieel veiligheidsrisico in onze buurt? Waarom wordt in dezen de burgemeester niet op de hoogte gebracht? Waarom wordt de lokale politiezone niet op de hoogte gesteld van de vondst en de inbeslagname door het Brussels parket? Waarom werd de brandweer ook niet op de hoogte gesteld?
Primeert het geheim van het onderzoek op de veiligheid van de bevolking, waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen? Wie is de verantwoordelijke wanneer het fout loopt?
Welke protocollen zijn er bij inbeslagname van gevaarlijke goederen? Wat zijn de voorschriften en wie beslist over de plaats van opslag? Wie moet er daarover worden ingelicht? Wie staat er in voor de bewaking? Wie neemt dat op zich en hoe kon zoiets gebeuren? Waarom werden de voorschriften niet nageleefd? Wie heeft er dus in dit verhaal gefaald? Als die gebeurtenissen wel volgens protocol zijn verlopen, hoe kunnen we in de toekomst vermijden dat dergelijke zaken zich nog voordoen?
13.03 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Demesmaeker, hoewel de situatie varieert naargelang de plaats, is de opslag van in beslag genomen flessen lachgas een recent probleem dat in korte tijd aanzienlijk is toegenomen.
Er bestaan verschillende algemene richtlijnen omtrent het beheer van in beslag genomen goederen, zoals de regels van het Wetboek van strafvordering inzake de bewaring van overtuigingsstukken en de veiligheidsregels voor recipiënten onder druk, maar ook het vervoer van gevaarlijke goederen.
Specifieke nationale richtlijnen voor de in beslagname, ophaling of vernietiging van in beslag genomen lachgasflessen bestaan vandaag niet, waardoor de aanpak kan verschillen per arrondissement. Het parket van Brussel bevestigt dat in deze zaak alle vereiste procedures en stappen werden nageleefd.
In beslag genomen goederen mogen worden opgeslagen in de lokalen van de politie als dat mogelijk is. Gevaarlijke producten, grote hoeveelheden of omvangrijke goederen moeten elders worden opgeslagen. Aangezien de opslagcapaciteit van de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene ontoereikend was voor de betrokken hoeveelheid lachgas en er bovendien geen acuut veiligheidsrisico werd vastgesteld, werd beslist om het lachgas tijdelijk op te slaan in dezelfde loods, zij het onder verhoogde veiligheidsmaatregelen. Voor nadere toelichtingen vraag ik u om u te richten tot mijn collega.
Voor de vernietiging moet voor elk dossier een afzonderlijke aanbestedingsprocedure worden opgestart, wat aanzienlijke tijd in beslag neemt. De verwerking van deze cilinders brengt namelijk aanzienlijke technische risico's mee. Het gaat om een vorm van afvalverwerking die gespecialiseerde installaties vereist, omdat er ontploffingsgevaar bestaat. Dat kan ernstige schade veroorzaken aan verbrandingsovens en andere infrastructuur, waardoor slechts een beperkt aantal verwerkingsinstallaties geschikt of bereid is om dergelijke cilinders te vernietigen.
Een vordering verloopt via een klassieke aanbestedingsprocedure, waarbij meerdere ondernemingen worden aangeschreven om binnen een vooraf gestelde termijn een offerte in te dienen. Op het ogenblik van de feiten was de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de betrokken partij lachgasflessen nog lopende.
De FOD Justitie is zich bewust van de noodzaak van een gemeenschappelijk kader en werkt momenteel samen met de FOD Volksgezondheid aan een raamovereenkomst om de inzameling en vernietiging van lachgas via gespecialiseerde firma's op een gestructureerde manier te organiseren. De FOD Volksgezondheid coördineert die opdracht en zal die ook in de markt zetten als leading FOD.
Justitie heeft na uitgebreide interne consultaties bij alle belanghebbende diensten, waaronder het parket en de politie, haar noden en technische vereisten in het dossier aan de FOD Volksgezondheid bezorgd eind maart van dit jaar. We verwachten dat de raamovereenkomst nog dit jaar kan worden gesloten en operationeel kan worden. In afwachting daarvan proberen we zoveel mogelijk geval per geval oplossingen te vinden.
Op korte termijn wordt ingezet op bijkomende maatregelen om te vermijden dat gevaarlijke in beslag genomen goederen op ongeschikte locaties moeten worden achtergelaten door een snellere coördinatie tussen politie, parketten en gespecialiseerde partners voor ophaling en vernietiging.
13.04 Eva Demesmaeker (N-VA): Dank u voor uw antwoord. Het is iets duidelijker dan het antwoord van uw collega. In mijn ogen zijn er echter wel een aantal zaken die elkaar enigszins tegenspreken.
Er wordt gezegd dat het protocol is gevolgd. Dat zal dan wel zo zijn. Tegelijk lees ik dat volgens het protocol de burgemeester niet op de hoogte moest worden gebracht, aangezien er volgens de inschatting geen veiligheidsrisico's waren. Dat staat echter in contrast met het feit dat de goederen niet vervoerd kon worden omdat het potentieel te gevaarlijk was. U voelt wellicht ook aan dat dit bij de inwoners wringt. Wij zouden in elk geval wel de inschatting maken dat er sprake was van een potentieel veiligheidsrisico en dat wij dus op zijn minst op de hoogte hadden moeten zijn.
U zegt ook dat er wel degelijk veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Het materiaal is echter wel gestolen. Dan stel ik mij de vraag of de veiligheid wel correct is ingeschat.
Ik hoor dat de leiding voor een deel nog bij de FOD Volksgezondheid ligt. Ik hoop dat dit geen pingpongspel wordt waarbij de verantwoordelijkheid van de ene naar de andere wordt doorgeschoven, want anders vrees ik dat we er helemaal niet zullen geraken. Ik hoop dan ook dat de protocollen in de toekomst beter op elkaar worden afgestemd en zeker nog eens grondig worden nagekeken.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
14.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, le 18 mai 2026, le premier ministre et vous-même, je présume, avez reçu une lettre de recommandations des organisations représentatives du personnel de la Sûreté de l’État. Dans ce courrier, elles reconnaissent le caractère positif de l'engagement de votre coalition pour le réarmement de notre défense face aux menaces géopolitiques dans un contexte international mouvant, mais font état que leur métier, le renseignement actif tant défensif qu’offensif, est insuffisamment exploité et valorisé dans le cadre de la guerre hybride à laquelle nous faisons face d’ores et déjà et qui va s’accentuer à l’avenir. Ces organisations vous demandent de "repenser en profondeur la pratique concrète et décentralisée de l’intelligence en Belgique".
Madame la ministre, quelle est votre appréciation de ce courrier? Avez-vous reçu récemment des représentants du personnel à la suite de celui-ci? Des réponses concrètes seront-elles apportées aux interrogations des organisations syndicales – revalorisation du statut des officiers de renseignement et de sécurité, déploiement territorial, développement de l’expertise?
14.02 Annelies Verlinden, ministre: Concernant votre première question, la lettre du front commun syndical a effectivement été reçue et portée à ma connaissance, ainsi qu'à celle du premier ministre.
Il va de soi que toute contribution au débat sur la sécurité nationale peut être lue avec intérêt. Cela étant, les canaux syndicaux ont leur place dans le dialogue social interne au service. Ils ne constituent pas en tant que tels un cadre de définition de la doctrine ou des orientations stratégiques de la Sûreté de l'État. Cette responsabilité appartient au gouvernement et à la direction du service.
Concernant votre deuxième question, le dialogue social existe et fonctionne dans les cadres prévus à cet effet. La question d'une rencontre formelle avec les représentants syndicaux sera examinée dans ce cadre.
Concernant votre troisième question, la Sûreté de l'État est déjà engagée dans des trajectoires de réformes concernant le statut des agents, les formations et les défis numériques. Ces réformes se font selon les priorités définies par le gouvernement, et sous ma supervision. Je fais confiance aux services pour mener les chantiers à bien, et ils me rendent régulièrement compte de leurs avancées.
Je voudrais par ailleurs être claire sur un point: l'idée mentionnée par le front commun syndical selon laquelle il faudrait se détourner de la course technologique est un débat sur lequel le gouvernement a déjà tranché. Face aux menaces hybrides d'aujourd'hui – la désinformation, les cyberattaques et les ingérences étrangères – la technologie n'est pas un luxe, mais un outil indispensable. Nous ne pouvons pas rester en retrait sur ce terrain.
14.03 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je pense cependant qu'il faut également entendre l'apparent sentiment de frustration d'une partie des cadres de la Sûreté de l'État. Il est selon moi tout à fait possible de combiner la course technologique, la guerre hybride et le renseignement de terrain. Par effet de contraste, l'essor des technologies va finir, selon moi, par revaloriser l'importance du travail de terrain, du travail de confiance et du travail humain. L'un n'empêche pas l'autre.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
15.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mijn vraag gaat over de terrorist Mohamed Bakkali. Bij de meesten van ons zal hij wel bekend zijn. Hij werd door het assisenhof van Parijs veroordeeld tot 30 jaar cel voor zijn aandeel in de aanslagen in Parijs in 2015. Hij moest minstens twee derde van die straf uitzitten. Het gaat voor alle duidelijkheid om een Belg althans iemand met de Belgische nationaliteit. Hij was het logistieke meesterbrein achter die aanslagen en regelde onder meer de schuilplaatsen en de auto's voor de aanslagplegers.
Eerder was Bakkali al veroordeeld tot 25 jaar cel voor zijn aandeel in de mislukte aanslag op de Thalys. Het Franse antiterrorismeparket besliste in september 2022 om de twee straffen samen te brengen tot het wettelijke maximum van 30 jaar.
Na zijn veroordeling in Frankrijk werd Bakkali overgebracht naar België. Dat bleek een vergissing, want daardoor valt hij onder de Belgische strafuitvoeringswetgeving en kan hij na een derde van zijn straf al aanspraak maken op voorwaardelijke invrijheidstelling.
Volgens de media heeft de Brusselse strafuitvoeringsrechtbank Bakkali nu zes keer penitentiair verlof toegekend. Het Brusselse parket verduidelijkte dat het een negatief advies had gegeven over dat penitentiair verlof, wat mij zeer logisch lijkt, maar dat het niet meer in beroep kon gaan tegen die beslissing.
Kunt u de informatie die we in de media lezen volledig bevestigen? Wat is uw mening als minister van Justitie over het feit dat iemand die in totaal tot 55 jaar celstraf is veroordeeld, mede verantwoordelijk is voor de dood van meer dan 100 mensen en 300 gewonden heeft veroorzaakt, na elf jaar al penitentiair verlof kan krijgen? Ik vind uw visie daarop niet onbelangrijk.
Bent u van oordeel dat bepaalde gunsten bij de strafuitvoering, waaronder penitentiair verlof, aan veroordeelde terroristen moeten kunnen worden ontzegd? Moeten we een wettelijk kader creëren waardoor penitentiair verlof voor dergelijke massamoordenaars niet kan worden toegestaan? Zo ja, bent u bereid daartoe een initiatief te nemen?
15.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, ik wil eerst verwijzen naar mijn antwoord in de plenaire vergadering van 21 mei. De Franstalige strafuitvoeringsrechtbank kende inderdaad aan de betrokkenen onder zeer strikte voorwaarden zes penitentiaire verloven toe. Het is niet aan mij als minister van Justitie om een oordeel te over die uitspraak vellen.
Op basis van vaste cassatierechtspraak, bevestigd door het Grondwettelijk Hof, zijn de in de wet betreffende externe rechtspositie geregelde strafuitvoeringsmodaliteiten, zoals het penitentiair verlof, niet op te vatten als gunsten, maar als voorwaardelijke subjectieve rechten, zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Dat is wat de wetgever, dit Parlement, heeft vastgelegd. Het is aan de rechterlijke macht om binnen die bandbreedte te handelen.
15.03 Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. U zegt dat het niet aan u is om iets te vinden van een veroordeelde terrorist die na elf jaar penitentiair verlof krijgt. Ik ben het daar absoluut niet mee eens. Ik vind wel degelijk dat het aan u is om daar als minister van Justitie een standpunt over in te nemen, om daar een visie over te hebben en om te zeggen of u het huidige wettelijke kader goed vindt of niet. Dat is wel degelijk ook uw taak en niet alleen die van dit Parlement.
U zegt: wij zijn de wetgevende macht. Wij zullen daarom zelf met een initiatief komen om ervoor te zorgen dat veroordeelde terroristen niet langer in aanmerking kunnen komen voor penitentiair verlof. Dat valt immers echt niet uit te leggen. We hebben het hier daarnet ook gehad over het vertrouwen in justitie. Als er iets is dat het vertrouwen in justitie volledig ondermijnt, is het dit.
Iemand die meer dan honderd doden op zijn geweten heeft, kan na elf jaar al penitentiair verlof krijgen. Het parket zegt: doe dat niet, wij geven een negatief advies, maar toch gebeurt het. Niemand kan daartegen beroep instellen. Dat is vandaag een probleem in onze wetgeving.
We zullen met een wetsvoorstel komen om dat aan te passen. Ik vind wel degelijk dat u daar als minister van Justitie een visie over mag hebben.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
16.01 Marijke Dillen (VB):
Agressie tegen zorgverleners blijft een
belangrijk probleem binnen de gezondheidszorg. Om bestaande inzichten en
ervaringen uit het werkveld te bundelen en de beleidsreflecties hierover te ondersteunen,
ging op 19 mei jl. een federale taskforce “Preventie en aanpak van agressie
tegen Zorgverleners" van start, een gestructureerd forum ter ondersteuning
van de beleidsvoorbereiding opgericht door de minister van Justitie, van
Sociale Zaken en Volksgezondheid en door de minister van Veiligheid voor
Binnenlandse Zaken. In dit land bestaan verschillende initiatieven die inzetten
op preventie, sensibilisering en ondersteuning bij agressie-incidenten in de
zorg. Maar omdat de aanpak sterk verschilt naargelang de sector en context, is
er nood aan een overkoepeld overlegorgaan waarin ervaringen, knelpunten en
aandachtspunten uit de zorgsector kunnen worden samengebracht. De Taskforce
heeft als doel relevante input uit het werkveld te bundelen en te duiden met
het oog op verdere beleidsafwegingen binnen de bestaande bevoegdheden en
juridische kaders.
Kan de minister meer toelichting geven
betreffende deze Taskforce?
Op welke wijze wordt deze samengesteld?
Wat is de concrete opdracht?
Zijn er specifiek omschreven
aandachtspunten die zullen worden onderzocht en in kaart gebracht?
Op welke wijze zal de samenwerking
gebeuren tussen de verschillende betrokken departementen?
Wat is de timing? Wanneer moeten er
concrete besluiten worden geformuleerd die kunnen leiden tot
beleidsbeslissingen?
Ook de Gemeenschappen hebben hierbij een
belangrijke verantwoordelijkheid. Worden zij ook betrokken bij de werkzaamheden
van deze Taskforce?
16.02 Minister Annelies Verlinden: De aanpak van agressie tegen zorgverleners maakt integraal deel uit van mijn beleidsverklaring. Zorgverleners vervullen een essentiële rol in onze samenleving en moeten hun werk in veilige omstandigheden kunnen uitvoeren.
Vandaag bestaan in ons land al verschillende initiatieven. We willen die inspanningen verder versterken door meer synergie te creëren tussen zorg, veiligheid, handhaving en justitie.
Vanuit die overtuiging hebben de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de minister van Binnenlandse Zaken en ikzelf de federale taskforce Preventie en aanpak van agressie tegen zorgverleners opgericht. Die taskforce brengt de betrokken administraties en kabinetten van Volksgezondheid, Justitie en Binnenlandse Zaken samen met vertegenwoordigers van de sociale partners en beroepsorganisaties uit de zorgsector. Er werd bewust gekozen voor een brede samenstelling zodat de expertise uit het werkveld maximaal kan worden meegenomen.
Ook de samenwerking met de gemeenschappen is daarbij cruciaal. Daarom worden vertegenwoordigers van zorginstellingen en sectoren uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel bij de werkzaamheden betrokken en wordt afstemming gezocht met de bevoegde gemeenschapsministers en administraties.
Wat de opdracht betreft, werd de taskforce opgebouwd rond negen thematische prioriteiten. Er wordt gewerkt aan een definitie van agressie, een centrale registratie van incidenten en het voorzien in structurele, evidencebased ondersteuning. Daarnaast wordt sterk ingezet op een mensgerichte pijler, met aandacht voor juridische opvolging en slachtofferbescherming, opleiding en vorming en sensibilisering. Ook veiligheids- en preventiemaatregelen, zoals infrastructuur, technologie en bewakingsmogelijkheden, maken integraal deel uit van het project.
Sinds begin juni zijn thematische vergaderingen opgestart. Gedurende de zomer worden de werkzaamheden verder uitgewerkt in technische werkgroepen. Nadien zullen de verschillende trajecten verder worden ontwikkeld via operationele maatregelen of via juridische en beleidsmatige initiatieven.
16.03 Marijke Dillen (VB): Dat was een uitvoerig antwoord, waarvoor dank.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
17.01 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van de vraag.
De Commissie voor de Inclusie van
Personen met een Handicap (CIPH) heeft de opdracht om een jaarlijks verslag op
te stellen betreffende de recente statistieken over de tewerkstelling van
personen met een handicap bij de federale overheid. Het wettelijke quotum
bedraagt 3% wat zou overeenkomen met 1602 voltijdse equivalenten. Het
evaluatieverslag 2025 werd gepubliceerd en hieruit blijkt dat bij de FOD
Justitie het percentage medewerkers met een handicap 1,75% bedraagt. In dit cijfer zijn de bestellingen geplaatst
bij maatwerkbedrijven inbegrepen. Bij het Nationaal Instituut voor
Criminalistiek en Criminologie dat valt onder de bevoegdheid van de minister
bedraagt het percentage 0.
Wat is de reactie van de minister op deze
resultaten?
Welke initiatieven zijn er sinds 2020
genomen om relevante acties te voeren ter bevordering van de inclusie van
personen met een handicap? Graag een gedetailleerd overzicht op jaarbasis.
Zijn er initiatieven genomen om de
voorwaarden voor de erkenning van de beheersing van een gebarentaal voor de
federale ambtenaren aan te passen? De doelstelling is hierbij om personen die
één van deze talen machtig zijn in aanmerking te laten komen zonder een
exclusieve beperking tot een certificering uit het onderwijs die dove personen
de facto uitsluit.
17.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, we zijn ons ervan bewust dat het aantal tewerkgestelde personen met een handicap nog niet voldoende hoog is om te voldoen aan het wettelijk quotum van 3 %. Hoewel we dat quotum nog niet bereikt hebben, zien we dat de tendens van de voorbije jaren positief is. De afgelopen jaren werden al verschillende acties ondernomen om intern te sensibiliseren. Via meerdere acties werden de betrokken medewerkers geïdentificeerd en werden de werkprocessen om hen te ondersteunen, herwerkt, zodat ze zich kunnen aanmelden en de juiste begeleiding, ondersteuning en materiaal krijgen.
Sinds dit jaar zijn we onder meer gestart met het uitwerken van een aangepaste selectie- en onboardingprocedure om meer medewerkers met een handicap aan te werven. Ook in het kader van de verhuis van de centrale diensten van de FOD naar de nieuwe locatie is er aandacht voor medewerkers met een handicap, zodat ook voor hen die verandering zo goed mogelijk verloopt.
Voor de volledigheid vermeld ik dat de rechterlijke orde uitgesloten is van de doelstelling van 3 % voor de aanwerving van personen met een handicap, zoals die voor de federale overheid van toepassing is. Ook in de penitentiaire inrichtingen zijn er om veiligheidsredenen enkele functies uitgesloten, zoals bewakingsfuncties, medische functies en zorgfuncties.
Wat uw laatste vraag betreft inzake de vergoeding voor de beheersing van gebarentaal, opgenomen in het koninklijk besluit van 13 juli 2017, verwijs ik u graag door naar de minister bevoegd voor ambtenarenzaken.
17.03 Marijke Dillen (VB): Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik hoor u graag zeggen dat er de voorbije jaren inspanningen zijn geleverd, maar we kunnen er toch niet omheen: het wettelijk quotum bedraagt 3 %, terwijl de FOD Justitie slechts net de helft haalt met 1,75 % en het NICC zelfs 0 %.
Het is belangrijk om met hoogdringendheid initiatieven te nemen en echt een tandje bij te steken in dezen, zodat de cijfers de volgende keer beter zullen zijn.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
18.01 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Een zeer gevaarlijke geïnterneerde is
donderdag 21 mei jl. kunnen ontsnappen tijdens een begeleide fietstocht. Hij
was geïnterneerd wegens ernstige geweldsdelicten en werd door Politie en Parket
als gevaarlijk beschouwd. Hij werd onmiddellijk na de ontsnapping op de most
wanted lijst geplaatst. Begeleide
uitstappen maken deel uit van een gradueel resocialisatietraject en dergelijke
verloven zijn therapeutisch bedoeld om
te evalueren hoe geïnterneerden functioneren buiten de beveiligde omgeving.
Toch dienen er ernstige vragen te worden gesteld bij de risico-inschatting bij
begeleide verloven, de beveiliging tijdens externe activiteiten en de verantwoordelijkheid
van de FPC's. Hoe dient het evenwicht te worden beoordeeld tussen
resocialisatie en de openbare veiligheid is een cruciale vraag.
Kan de minister meer toelichting geven
betreffende deze gebeurtenis?
Welke concrete risico- analyse lag aan de
basis van de beslissing om deze zeer gevaarlijke geïnterneerde te laten
deelnemen aan een externe activiteit? Deelt de minister de mening dat
resocialisatie-denken hier duidelijke primeerde op de bescherming van de
samenleving?
Waren er concrete beveiligingsmaatregelen
voorzien? Zo ja, welke?
Welke concrete maatregelen zijn er
inmiddels genomen tegen deze ontsnapte geïnterneerde? Heeft het Parket gevraagd
zijn uitgaansvergunningen in te trekken?
Acht de minister het nog verdedigbaar
tegenover slachtoffers, omwonenden en de samenleving dat personen met een hoog
risicoprofiel dergelijke externe activiteiten mogen uitvoeren, terwijl zelfs de
Politie waarschuwde dat deze man een gevaar vormde voor de fysieke integriteit
van derden?
Is de minister bereid alle begeleide
verloven en uitstappen van gevaarlijke geïnterneerden onmiddellijk te schorsen
in afwachting van een veiligheidsaudit?
Hoeveel incidenten, ontsnappingen of
niet-terugkeren na begeleid of onbegeleid verlof hebben zich de afgelopen vijf
jaar voorgedaan binnen de FPC's in Antwerpen en Gent?
18.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, de betrokkene heeft zich op 21 mei onttrokken aan het toezicht tijdens een begeleide therapeutische uitgaansmodaliteit van het FPC Antwerpen. Conform de veiligheidsprocedures werden de politiediensten onmiddellijk verwittigd. De betrokkene werd de volgende dag door de politie gevat en teruggebracht naar het FPC Antwerpen.
De betrokken uitgaansmodaliteiten waren toegekend door de KBM op basis van een positief advies van het behandelend team van het FPC en ook rekening houdend met het behandelingsverloop van de betrokkene. Uitgaansmodaliteiten maken deel uit van een therapeutisch behandeltraject en worden alleen toegestaan na een grondige risico-inschatting. Voorafgaand aan elke uitgaansmodaliteit wordt zowel gebruikgemaakt van gestandaardiseerde risicotaxatie-instrumenten als van een klinische evaluatie. Wanneer het risico als te hoog wordt ingeschat, verleent het FPC geen positief advies. Het gaat hier bovendien om een begeleide uitgaansmodaliteit conform de voorwaarden opgelegd door de KBM.
Wat uw vraag betreft of het te verantwoorden is dat personen met een hoog risicoprofiel aan dergelijke activiteiten deelnemen, dien ik u te verwijzen naar de minister van Volksgezondheid. Het behandelend team van het FPC, dat het risico heeft beoordeeld, valt immers onder zijn verantwoordelijkheid.
Na de onttrekking werd de betrokkene nationaal geseind, op de most-wantedlijst geplaatst en werd een bevel tot gevangenneming verspreid. Het OM heeft het dossier inmiddels opnieuw aanhangig gemaakt bij de KBM met het oog op de herroeping van de toegekende uitgaansmodaliteiten. Het komt niet de minister van Justitie toe om te beslissen over die al dan niet herroeping.
Voor de betrokken patiënt werden desgevallend de uitgaansmodaliteiten onmiddellijk opgeschort. Daarnaast wordt het incident grondig geëvalueerd in het kader van het verdere risicobeheer. Op dit ogenblik zijn er geen indicaties dat het algemene veiligheidsbeleid van de FPC's of het beleid inzake de uitgaansmodaliteiten moet worden aangepast. Als uit de evaluatie blijkt dat bijkomende maatregelen nodig zijn, zullen die uiteraard worden genomen.
Ten slotte wens ik erop te wijzen dat uitgaansmodaliteiten slechts in een zeer beperkt aantal gevallen aanleiding geven tot een onttrekking. Onderzoek wijst uit dat 99,8 % van die modaliteiten zonder incidenten verloopt. Uiteraard moeten we, in het belang van de veiligheid van de samenleving en met respect voor slachtoffers en hun nabestaanden, streven naar een absoluut minimum.
Als u meer gedetailleerde informatie wenst over het aantal incidenten of ontsnappingen tijdens uitgaansmodaliteiten in de voorbije vijf jaar, zou ik u willen uitnodigen om daarover een schriftelijke vraag in te dienen.
18.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, met betrekking tot de cijfers zal ik inderdaad een schriftelijke vraag indienen. In verband met de verdedigbaarheid tegenover slachtoffers, nabestaanden, omwonenden, enzovoort, zal ik de vraag stellen aan de minister van Volksgezondheid.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
19.01 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de ingediende vraag.
In het Jaarverslag 2025 van de CTRG
betreffende het beklagrecht worden aanbevelingen geformuleerd en wordt
aangedrongen op de invoering van een systeem van vereenvoudigde
klachtenafhandeling met als doel de instroom van klachten te beheersen en te
vermijden dat het beklagsysteem wordt belast met klachten waarvoor het
beklagrecht niet de oplossing is. In de gevangenis van Haren wordt dit systeem
blijkbaar reeds toegepast. Dit wordt uitvoerig toegelicht in het Jaarverslag
waarbij de CTRG stelt dat hierin een uitdaging ligt. In haar antwoord stelt de
minister dat ze de aangehaalde praktijken m.b.t. het beklagrecht nadrukkelijk
zal ondersteunen. Er wordt uitdrukkelijk gesteld dat de afhandeling van de
klachten in de gevangenis van Haren
beantwoordt aan een behoefte van
grotere efficiëntie die relevant is gezien de grote druk op de directieteams.
De minister heeft in haar opmerkingen op
het Jaarverslag van de CTRG 2025 gesteld
dat ze “voorstander is van de uitbreiding naar alle instellingen gezien het
vermogen ervan om bepaalde situatie sneller op te lossen en tegelijkertijd de
administratieve lasten te verminderen." Welke initiatieven heeft de
minister inmiddels genomen om de
aangehaalde praktijken betreffende het beklagrecht te ondersteunen?
Bestaat er reeds een concreet actieplan
en wanneer kan dit worden uitgerold naar andere gevangenissen? Graag
toelichting betreffende de timing en de gevangenissen die hiervoor in
aanmerking komen.
Heeft er hierover reeds concreet overleg
plaatsgevonden met de directies van alle gevangenissen waarin men dit systeem
wil uitrollen? Zo ja, wat zijn de reacties? Zo neen, kan er een overzicht
worden gegeven van de aangehaalde argumenten?
19.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, ik deel inderdaad de vaststelling van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (CTRG) dat het formele beklagrecht niet steeds de optimale weg is wanneer een gedetineerde zich over een bepaalde beslissing wenst te beklagen. Ik hanteer daarbij de door het CTRG gebruikte bewoordingen. De nood aan een beheersing van het beklagsysteem is dan ook groot. Een systeem waardoor wordt vermeden dat bij voorbaat tot mislukken gedoemde klachten in het formele klachtensysteem terechtkomen, of waardoor de aangeklaagde problemen buiten de beklagprocedure om worden opgelost, is in ieders voordeel.
Ik denk nog steeds dat een vermeden klacht een gewonnen klacht is. Dan moet er uiteraard een alternatief bestaan dat op minder formalistische wijze tegemoet kan komen aan klachten van gedetineerden. Ik lees in het jaarverslag dat in de praktijk dergelijke filtersystemen worden uitgewerkt en getest. Het is natuurlijk belangrijk dat een alternatieve behandeling van klachten ook voldoende procedurele waarborgen biedt. Om die reden ben ik van mening dat dat mechanisme het best wordt ingebed in de basiswet.
Een werkgroep met medewerkers van de penitentiaire administratie en van de directie Juridische Ondersteuning van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) buigt zich over een dergelijk model. Intussen vond op 27 maart en 10 april een raadplegingsronde plaats in de gevangenissen van Lantin, Brugge, Gent, Doornik en Beveren. Er zijn al inrichtingen die het systeem gebruiken. Die inrichtingen zijn tevreden over de werking van het systeem en ook andere inrichtingen zijn geïnteresseerd om het bij hen te installeren.
19.03 Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik neem aan dat u een initiatief zult nemen om de basiswet ter zake aan te passen.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
Le président: La question n° 56016372C de M. Denis Ducarme est reportée à sa demande.
20.01 François De Smet (DéFI):
La CSC Services Publics Établissements pénitentiaires vient publiquement
d’alerter sur la situation à la maison d'arrêt de Mons : surpopulation
chronique, absence de tout mécanisme permettant à la direction de refuser de
nouveaux détenus. Cette situation place le personnel pénitentiaire dans des
conditions de travail intenables.
En conséquence, Mme la ministre peut-elle me
faire savoir:
1.Quel est le taux d'occupation actuel de la
maison d'arrêt de Mons, et quelle est sa capacité opérationnelle réelle ?
2.Où en sont les chantiers d'extension
capacitaire (Haren, Lantin, Verviers) et leur calendrier de mise en service ?
3. Si le gouvernement est prêt à examiner
sérieusement un dispositif de régulation carcérale (« numerus clausus »
conditionnel), comme l'ont fait plusieurs États voisins ?
4.la part actuelle des peines de moins de
trois ans exécutées en surveillance électronique, et si elle entend étendre ce dispositif pour désengorger les
courtes peines ?
En ce qui concerne la prison de Lantin, il ne s'agit pas d'une extension mais d'un remplacement de la tour. Une partie de celle-ci sera remplacée par l'établissement de Paifve et une autre partie par celui de Verviers. Pour Verviers, les préparatifs en vue du lancement du marché sont en cours, l'attribution étant prévue en 2029.
Comme vous le savez, j'ai instauré une commission sur la surpopulation carcérale chargée d'étudier les moyens de maîtriser ce phénomène. La commission s'est divisée en plusieurs groupes de travail et élabore actuellement des propositions dans divers domaines, mais ses travaux ne sont pas encore achevés.
Par ailleurs, il existe également une commission d'experts qui finalise actuellement une note d'orientation en fonction de l'élaboration d'un nouveau code de l'exécution des peines. Ce travail est lui aussi bien avancé, mais n'est pas encore achevé.
J'espère toutefois pouvoir discuter avec les partenaires du gouvernement dans les mois à venir des propositions qui seront présentées par les commissions et les examiner plus en détail.
Pour la prison de Mons, à l'heure actuelle, 58 personnes condamnées à une peine totale ne dépassant pas trois ans sont sous surveillance électronique.
Ce matin, cette commission a examiné notre projet de loi visant à étendre l'octroi de la surveillance électronique à certains condamnés à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie exécutoire est supérieure à 18 mois. Il est prévu d'accorder automatiquement la surveillance électronique, après quoi le dossier sera soumis au juge ou au tribunal de l'application des peines.
20.03 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'espère que les initiatives, le projet de loi de ce matin, mais aussi le travail que vous êtes en train d'accomplir au sein du gouvernement pour améliorer les conditions carcérales pourront aussi porter leurs fruits dans cette maison d'arrêt de Mons. Merci.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
21.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, la presse révèle que l'envoi de lettres par le service public de la justice représente un coût de 1,8 million d'euros, soit plus de 21 millions d'euros par an, dans un contexte où la numérisation de la justice reste partielle. Ce poste de dépense considérable illustre le retard pris par notre justice dans la dématérialisation de ces communications, alors même que des solutions sécurisées existent et sont déjà déployées dans d'autres administrations fédérales. Il ne s'agit pas de jeter l'opprobre sur quiconque, mais bien de s'interroger sur les investissements en matière de dématérialisation afin de réduire les dépenses publiques.
Confirmez-vous ce montant? Est-il possible d'en préciser la ventilation, ainsi que les juridictions les plus consommatrices?
Existe-t-il un calendrier de déploiement d'une solution de communication numérique sécurisée vers les justiciables, les avocats et les huissiers?
Enfin, quels obstacles techniques ou juridiques sont-ils à lever? Le cas échéant, quelles sont les économies budgétaires attendues en la matière, si cette communication numérique est améliorée?
Je vous remercie.
21.02 Marijke Dillen (VB): Ik verwijs naar de ingediende vraag, daar collega De Smet de kwestie al heeft uiteengezet.
Mevrouw de Minister,
Uit recente cijfers blijkt dat de
Belgische justitie nog steeds bijna 22 miljoen euro per jaar uitgeeft aan port-
en verzendingskosten, wat neerkomt op bijna 2 miljoen euro per maand. Tegelijk
bestaan er vandaag talrijke digitale instrumenten binnen Justitie, zoals
Just-on-web, e-Deposit, digitale neerlegging van stukken, elektronische
handtekeningen en elektronische betekeningen.
Hoe verklaart u dat dergelijke enorme
bedragen aan papieren briefwisseling nog steeds noodzakelijk blijken, terwijl
de federale overheid reeds aanzienlijke middelen heeft geïnvesteerd in de
digitalisering van Justitie?
Hebt u een zicht over het aandeel van de
huidige postkosten dat zou kunnen vermeden worden door een verder doorgedreven
digitalisering bij de Rechtbanken, Parketten en Griffies ? Zijn er inmiddels
doelstellingen vastgelegd om het papierverbruik en de portkosten binnen
Justitie concreet te verminderen ?
Welke concrete juridische, technische of
organisatorische obstakels verhinderen vandaag een versnelde omschakeling naar
digitale communicatie?
Hebt u inmiddels initiatieven genomen om de papieren briefwisseling substantieel terug te dringen ?
21.03 Annelies
Verlinden, ministre: Dank u
wel, collega's.
Je confirme l'ordre de grandeur des chiffres. La justice consacre environ 21,5 millions d'euros par an aux frais de port. Ce montant comprend l'ensemble des frais des envois nationaux et internationaux des services judiciaires, y compris les colis et la collecte du courrier. Les juridictions les plus consommatrices, sur la base du volume total d'envois, sont le tribunal de première instance d'Anvers, le tribunal de première instance de Bruxelles, le tribunal du travail de Bruxelles, le tribunal du travail de Mons-Charleroi et le tribunal de première instance de Flandre orientale.
De blijvend hoge kosten zijn het gevolg van een voorlopige hybride werking, papier en digitaal, in het kader van een voortschrijdende digitalisering. De overgang naar een volledig digitaal dossier is nog niet volledig afgerond. Daarnaast moet de toegang voor rechtzoekenden zonder digitale middelen gegarandeerd blijven en spelen ook de grote documentvolumes een rol. Alleen al het openbaar ministerie verstuurt jaarlijks minstens vier miljoen ondertekende documenten.
Concernant les économies attendues découlant d'une plus grande numérisation, des estimations antérieures montrent que la centralisation des envois papier pourrait permettre de réaliser des économies allant de 38 à 51 % sur les frais postaux. En tenant compte des coûts supplémentaires liés aux activités centralisées d'impression et de traitement, une économie nette de 14 à 37 % reste réaliste. La numérisation étant en cours, il n'existe pas de vue d'ensemble détaillée et actualisée de la part exacte des frais de port qui pourraient être évités.
Er zijn nog aanpassingen van het wettelijk kader nodig om een volledig digitale afhandeling sluitend te maken.
Technisch is verdere ontwikkeling en integratie tussen de applicaties vereist. Organisatorisch en budgettair bepalen de beschikbare middelen en de procedures voor overheidsopdrachten het tempo. Een formele doelstelling specifiek voor portkosten werd niet vastgelegd, maar binnen de administratie streeft men naar een vermindering van 50 % van het MFP-park als gevolg van de digitale verzendstroom.
Er werd in budgetten voorzien voor een centrale verzendcomponent voor Justitie. Een eerdere versie, JustSendIt bestaat al binnen het boetebeheertoepassingsplatform, en wordt uitgebreid tot een generieke oplossing voor heel justitie, waarvan de analyse dit najaar start. Daarnaast lopen er al initiatieven als het nationaal gedeelde digitale dossier via JustView, de digitale neerlegging via JustDeposit, burgerlijk en penaal, en onder meer de digitale inzage op Just-on-web via JustConsult.
21.04 François De Smet (DéFI): Merci, madame la ministre pour ces éclairages.
21.05 Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik begrijp uit uw antwoord dat voor een aantal zaken een aanpassing van het wettelijk kader nodig is om te zorgen voor een digitale afhandeling. Gaat het dan ook over grote initiatieven die genomen moeten worden?
U verwees naar e-Deposit. Dat is een heel handige tool, mevrouw de minister, maar ik betreur het feit dat hoewel e-Deposit al een aantal jaren in werking is, het nog steeds niet voor alle rechtbanken toegankelijk is. Een aantal rechtbanken is volledig uitgesloten wat dat betreft. Ik weet niet wat de redenen zijn. Daar zal ik u misschien eens schriftelijk over ondervragen. Zo moeilijk kan het toch niet zijn alle rechtbanken aan te sluiten op dat systeem? Dat zou toch al een mogelijkheid zijn om portkosten te verminderen.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
22.01 François De Smet (DéFI):
La presse rapporte que le parquet enquête sur 41 livraisons d'armes considérées
comme suspectes.
Dans un contexte international tendu, marqué
par la guerre en Ukraine et par un débat européen sur le contrôle des
exportations militaires, cette information appelle des éclaircissements
urgents.
En conséquence, madame la ministre peut-elle
me faire savoir:
si elle confirme l'existence de cette
enquête?
dans l’affirmative, si elle peut indiquer si
celle-ci concerne des transactions
soumises à licence fédérale d'exportation ou de transit?
De manière générale quel est l'état de la
coopération entre le parquet fédéral, les Régions compétentes pour la
délivrance des licences d'exportation d'armement et les autorités douanières
dans ce dossier?
22.02 Annelies Verlinden, ministre: Collègue De Smet, la question fait référence de manière générale à un article de presse concernant des livraisons d'armes et au parquet fédéral, sans en préciser davantage les détails. Compte tenu du caractère général de la question, je ne peux y répondre que de manière générale.
Le parquet fédéral gère certaines affaires dans lesquelles des produits qualifiés d'armes ont été vendus sans les licences nécessaires des régions concernées. Il a également repris des dossiers dans lesquels des biens dual-use ou des biens qui, sans qu'il soit précisément question d'armes, sont des transferts de biens ou de know-how exportés en violation des sanctions européennes prises dans le cadre du conflit russo-ukrainien.
La collaboration entre le parquet fédéral et les services régionaux de délivrance des licences ainsi qu'avec les douanes est bonne. Dans certains dossiers, il y a une réelle synergie qui se met en place et qui donne lieu à des poursuites conjointes devant le tribunal correctionnel entre la DGDA et le parquet fédéral, chacun poursuivant pour les infractions qui relèvent de leurs compétences
22.03 François De Smet (DéFI): Merci, madame la ministre. Les conflits régionaux qui entourent l'Europe ou qui se déroulent même en Europe – je pense à la guerre en Ukraine – génèrent un trafic d'armes extrêmement important autour de nous. Je trouvais normal de poser une question à ce sujet, car nous sommes régulièrement interpellés par des personnes qui se rendent compte qu'il est possible de trouver très facilement des armes, voire des armes lourdes à Bruxelles et dans les autres grandes villes. Je pense que nous devons garder un œil attentif sur cette problématique.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
23.01 François De Smet (DéFI): Child Focus a lancé une campagne de sensibilisation après avoir
constaté une augmentation préoccupante du nombre de fugues de jeunes, qualifiée
par l'organisation de "signal sérieux".
Les
fugues de mineurs constituent assurément
un indicateur sensible de fragilités sociales, familiales et
institutionnelles, et exigent une réponse coordonnée des autorités fédérales —
justice, police, santé mentale — en lien avec les Communautés.
En
conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:
si elle
dispose en lien avec Child Focus et la police fédérale, de données consolidées
sur l'évolution du nombre de fugues de mineurs au cours des trois dernières
années, ainsi que sur leur durée et leur dénouement ?
si la convention de partenariat entre la
justice, la police et Child Focus a été
récemment révisée, et si les moyens
alloués à Child Focus, dont le rôle est devenu structurel, ont été indexés à
hauteur de cette augmentation des signalements ?
l’
articulation prévue avec les services de
santé mentale pour adolescents — dont la saturation est documentée — afin
d'assurer une prise en charge à la sortie de l'épisode de fugue ?
23.02 Annelies Verlinden, ministre: Collègue De Smet, les chiffres les plus précis et le plus régulièrement actualisés sur les fugues dont je dispose sont ceux fournis par Child Focus dans son rapport annuel qui traite la majorité des signalements de disparition et de fugue.
Ainsi, en 2025, Child Focus a ouvert 2 147 nouveaux dossiers de fugue pour 1 514 enfants, dont 349 ayant fugué plusieurs fois. Ce chiffre a augmenté de 19 % par rapport à 2024, où l'on comptait 1 808 dossiers contre 1 394 en 2023.
En 2025, 55 % des signalements de fugue concernaient des filles. Child Focus précise que la majorité d'entre elles avait entre 13 et 15 ans. La même année, 75,5 % des enfants en fugue ont été retrouvés en moins d'une semaine, dont plus de la moitié en moins de 48 heures.
La révision de la convention de partenariat liant la justice, la police et Child Focus est en cours afin d'optimiser les modalités opérationnelles sur le terrain.
Sur le plan des moyens, nous nous trouvons à un carrefour historique. Jusqu'à présent, Child Focus dépendait en grande partie de ressources non gouvernementales pour son fonctionnement. L'accord de gouvernement actuel offre à cet égard une opportunité, puisqu'il prévoit explicitement le financement structurel de Child Focus. L'ancrage structurel de ces moyens est crucial pour la survie de la fondation et de ses missions d'intérêt général. L'objectif est en effet d'accorder une subvention indexée.
La prise en charge et le suivi thérapeutique après une fugue constituent la seule voie pour briser le cercle vicieux de la récurrence. Le fait que les jeunes fuguent à répétition des institutions prouve qu'après un épisode de fugue, ils retournent trop souvent dans une situation où les soins de santé mentale adaptés ou l'accueil de crise font défaut en raison de la saturation que connaissent ces secteurs. Bien que la chaîne policière et opérationnelle tienne bon, il est urgent de renforcer la collaboration intersectorielle avec les communautés, exclusivement compétentes en matière d'aide à la jeunesse et de soins de santé, afin de parvenir à un protocole post-fugue contraignant.
Il convient également d'investir dans l'éducation, la formation, la prévention et l'aide aux personnes. La justice intervient en bout de chaîne, c'est donc en collaboration avec l'ensemble des partenaires, qu'ils relèvent du fédéral ou des communautés, qu'il faudra avancer.
23.03 François De Smet (DéFI): Je remercie Mme la ministre. J'espère vraiment que des moyens structurels suffisants pourront continuer à être accordés à Child Focus, qui fait quand même un énorme travail depuis ce traumatisme qu'a constitué l'affaire Dutroux à la fin des années 90. Par ailleurs, je constate la montée de ce vrai sujet qu'est la prise en charge au niveau de la santé mentale des jeunes qui mettent fin à leur fugue, mais qui ont besoin d'un accompagnement après. En général, cet accompagnement n'est pas considéré et est sous-estimé.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
24.01 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, u bevestigde vanochtend de berichten dat de gevangenis in Antwerpen, goed voor 440 cellen, klaar is. Dat is al het geval sinds 20 april, maar de effectieve opening laat nog tot minstens september van dit jaar op zich wachten vanwege technische fouten en ernstige problemen bij de rekrutering. Personeelstekorten zijn blijkbaar een groot aandachtspunt. Ook blijft de discussie over de inzet van privébewakingsagenten voor problemen zorgen. Volgens de berichtgeving dient er blijkbaar vanaf mei wel elke maand 2 miljoen euro huur te worden betaald, zonder dat die gevangenis kan functioneren en dat terwijl we met overbevolking van de gevangenissen kampen.
Klopt het dat de nieuwe gevangenis helemaal klaar is? De sleutels werden op 20 april overhandigd, maar verhinderen technische fouten en rekruteringsproblemen de opening? Over welke technische problemen gaat het dan? Welke technische keuring en veiligheidscontroles zijn nog niet afgerond? Wie draagt hiervoor de verantwoordelijkheid? Hoeveel personeelsleden ontbreken nog om de nieuwe gevangenis in Antwerpen volledig operationeel te openen?
Kunt u toelichting geven bij het bericht dat er maandelijks 2 miljoen euro dient te worden betaald, ook al kan de gevangenis niet functioneren? Is er een definitieve beslissing over de inzet van private bewakingsfirma's en welke functies zullen door die firma's worden ingevuld? Hoeveel voltijdse equivalenten betreft het?
Ten slotte, hoeveel bedragen de jaarlijkse extra kosten voor het gelijktijdig openhouden van de nieuwe gevangenis en die in de Begijnenstraat?
24.02 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, in de nieuwe gevangenis zullen er privébedrijven voor de bewaking worden ingezet. Kan dat voorbeeld ook in andere gevangenissen worden gevolgd om tegemoet te komen aan personeelsproblemen? De vakbonden plaatsen daar grote vraagtekens bij gelet op de kostprijs ervan en de beperkte veiligheidsrol die de wet op de privébewaking voor de privébewakingsagenten reserveert. Wat zijn de juridische implicaties van de maatregel? Wat is de meerwaarde ervan?
Er is ook 11 miljoen euro ingeschreven voor de inzet van privébewakingsagenten. Op welke manier is dat bedrag verdeeld?
Het zou goed zijn de kosten per gedetineerde eens in kaart te brengen. Wat kost een gedetineerde in een detentiehuis? Wat kost hij of zij in een klassieke gevangenis? Wat kost een gedetineerde in een DBFM-gevangenis? Dan zal blijken dat er toch verschillen zijn.
Wat de DBFM-gevangenis in Antwerpen betreft, ik heb op basis van de cijfers in de nieuwsberichten eens de berekening gemaakt. Welnu, voor de nieuwbouw werd de investering geraamd op ongeveer 20 miljoen euro. Er is een jaarlijkse betaling van 24 miljoen euro, gespreid over 25 jaar. Met de beschikbaarheidsvergoeding komen wij uit op een kostprijs van 600 miljoen euro. Een ruwe berekening van de exploitatie leert mij dat er 17 miljoen euro nodig is voor de verwachte 320 personeelsleden. Is dat juist? Daar komen nog de uitgaven bij voor de 30 privébewakingsagenten. In totaal kom ik dus aan ongeveer 41 miljoen euro aan investeringen en personeelslast. Dat bedrag is in een DBFM-gevangenis ruim onderschat. Dan spreken wij toch al gauw over 82.000 euro per gedetineerde.
U hebt onlangs de gemiddelde kostprijs gepubliceerd en die bedraagt 65.000 euro.
Hoe gaat u daarmee om in uw stappenplan om de overbevolking aan te pakken? Hoe worden de kosten verdeeld? Hoe zult u de menselijke waardigheid van alle gedetineerden in alle gevangenissen respecteren gelet op het negatieve advies van de inspectie?
24.03 François De Smet (DéFI): La maison d'arrêt d'Anvers reste inoccupée depuis plusieurs
mois malgré son achèvement, pour un coût estimé à environ 2 millions d'euros
par mois en frais de gardiennage, d'entretien et de financement. Cette
situation est d'autant plus interpellante que la surpopulation carcérale
persiste dans le même temps dans plusieurs autres établissements pénitentiaires
du pays, notamment à Strépy, où des détenus sont contraints de dormir au sol
par manque de place.
La construction et la gestion des
infrastructures pénitentiaires relèvent de la Régie des Bâtiments et de votre
département, dans le cadre du Masterplan prisons mené depuis 2008.
La loi de principes du 12 janvier 2005
concernant l'administration des établissements pénitentiaires impose des
conditions de détention dignes, un objectif régulièrement rappelé à la Belgique
par la Cour européenne des droits de l'homme, qui l'a condamnée à plusieurs
reprises pour surpopulation carcérale (arrêt Vasilescu c. Belgique, 2014, et
plusieurs arrêts ultérieurs). Le décalage entre un bâtiment neuf inoccupé et
des établissements surpeuplés interroge directement la cohérence de la gestion
du parc pénitentiaire fédéral.
En conséquence Madame la Ministre peut elle
me faire savoir
si elle
confirme la date d'achèvement de la maison d’arrêt d'Anvers et peut
préciser les motifs exacts du retard de
sa mise en service?
le coût total immobilisé depuis l'achèvement
du bâtiment, et si ce montant a été
examiné par la Cour des comptes?
le calendrier précis prévu pour la mise en service effective de cet
établissement, et les mesures
prises dans l'intervalle pour résorber la
surpopulation dans les établissements concernés, dont Strépy?
24.04 Minister Annelies Verlinden: Geachte Kamerleden, de nieuwe gevangenis in Antwerpen is inderdaad een DBFM-project, gebaseerd op een langetermijncontract met een privaat consortium, dat al geruime tijd geleden is gesloten. Zoals u weet, heeft de Regie der Gebouwen de leiding bij de realisatie van dergelijke projecten. Voor meer details daarover kunt u zich dan ook richten tot minister Matz.
Ik kan u alvast het volgende meedelen. Het gebouw wordt door de private partner beschikbaar gesteld, waarna, gelet ook op het specifieke karakter van het gebouw als gevangenis, een reeks integratietesten en inwerkingtredingsfase volgen. Op 20 april werd het terbeschikkingstellingscertificaat ondertekend. Daaraan was echter uitdrukkelijk de voorwaarde gekoppeld dat voor een aantal veiligheidsinstallaties in een verlengde testperiode van één maand zou worden voorzien. Tijdens die extra testfase werd een afwijking vastgesteld met betrekking tot het lokalisatiesysteem. In dergelijke omstandigheden is er maar één verantwoorde keuze, namelijk de nodige aanpassingen uitvoeren, het systeem opnieuw testen en de gevangenis pas openen wanneer alle veiligheidsvereisten volledig zijn gevalideerd.
We kunnen het er allemaal over eens zijn dat een gevangenis openen waarvan geen zekerheid is over de goede werking van de veiligheidsinstallaties, onverantwoord zou zijn. Veiligheid is geen detail, maar de absolute voorwaarde voor ingebruikname. Omdat het om een DBFM-project gaat, ligt de verantwoordelijkheid voor het conform en geheel beschikbaar maken van de infrastructuur bij de private partner. Die werkt momenteel met de hoogste prioriteit aan een oplossing en de contractuele afwerking daarvan zal ook worden opgevolgd door de Regie.
Si ces aménagements sont réalisés conformément aux prévisions, nous pensons que les premiers détenus pourront y être transférés après l’été. À l’évidence, la nouvelle prison d’Anvers ne résoudra pas à elle seule le problème de la surpopulation, mais cette capacité supplémentaire est toutefois indispensable pour réduire davantage la pression sur notre système pénitentiaire, notamment pour diminuer le nombre de détenus qui doivent encore aujourd’hui dormir à même le sol.
En ce qui concerne les informations faisant état d’un loyer mensuel présumé de 2 millions d’euros pour une prison non opérationnelle, je tiens à être claire: cette présentation des faits est inexacte. C’est précisément parce que la disponibilité n’est pas encore définitivement achevée que les mécanismes de réduction et de compensation prévus par le contrat s’appliquent. Les discussions à ce sujet sont en cours. Les risques financiers liés à un retard de réception n’incombent donc pas exclusivement aux autorités. Le contrat DBFM prévoit justement des mécanismes adaptés à ce type de situations. Comme je l’ai déjà dit, vous pouvez bien sûr vous adresser à la ministre compétente pour la Régie des Bâtiments, Mme Matz, pour obtenir de plus amples informations.
Ik geef graag nog nadere toelichting over het personeel. Onze diensten werken al meer dan twee jaar aan de voorbereiding van de opening van die inrichting en aan de rekrutering van extra personeel. Dat gebeurt op een bijzonder krappe arbeidsmarkt en in een context waarin ook andere veiligheidsdiensten op zoek zijn naar soortgelijke profielen.
Daarbij dient er ook op te worden gewezen dat, gelet op de overbevolking, ook de oude gevangenis van Antwerpen openblijft en een deel van het personeel dus ook daar tewerkgesteld dient te blijven. Dat heeft vanzelfsprekend een impact op de vereiste personeelscapaciteit voor beide gevangenissen.
Via gerichte wervingscampagnes en jobdagen worden al maandenlang nieuwe kandidaten aangetrokken. Wegens van de krappe arbeidsmarkt nemen we maatregelen om de selectieprocedures te versnellen en efficiënter te maken; Zo hebben we de functie van penitentiair bewakingsassistent toegankelijk gemaakt voor burgers van een lidstaat van de Europese Unie en zullen we de versnelde contractuele selecties opnieuw invoeren.
Je tiens également à être claire concernant le recours à des agents de gardiennage privés. Premièrement, il s’agira d’une situation temporaire. Deuxièmement, ils n’exercent aucun contrôle sur les détenus et n’entrent pas en contact avec eux. Ils sont exclusivement affectés à des missions strictement définies dans la zone de surveillance dite "froide", telles que le contrôle des accès, la surveillance de certaines zones extérieures et la sécurisation de l’accès aux salles d’audience.
Ce dispositif s’inscrit pleinement dans le cadre juridique existant et dans la mise en œuvre de l’accord de gouvernement. Les agents concernés relèvent de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière, qui impose des conditions strictes en matière d’agrément, de formation et d’obligation de discrétion.
Cette mesure s’inscrit dans une stratégie claire: rendre les capacités supplémentaires opérationnelles le plus rapidement possible. Parallèlement, nous continuons à investir en priorité dans le recrutement de nos propres effectifs. À mesure que ces recrutements se concrétiseront, le recours à la surveillance privée sera à nouveau réduit.
Tot slot wil ik benadrukken dat het langer openhouden van de oude gevangenis een bewuste keuze is in het licht van de aanhoudende overbevolking. Die beslissing werd genomen door de ministerraad in februari van dit jaar. Ze staat los van de opening van de nieuwe inrichting en vormt dus geen onverwachte ontwikkeling of verborgen meerkosten. De jaarlijkse kosten voor het langer openhouden van de oude gevangenis bedragen ongeveer 22 miljoen euro per jaar, waarvan het merendeel personeelskosten zijn.
Aan capaciteit hangt een prijskaartje. Wie kiest voor meer capaciteit, kiest dus ook voor de middelen die daarvoor nodig zijn. Nieuwe gevangenisplaatsen bouwen, uitrusten en bemannen brengt vandaag gemiddelde geschatte kosten van 75.000 euro per gedetineerde per jaar, of 160 euro per dag, met zich mee. Als we de overbevolking op die manier willen terugdringen, moeten we ook bereid zijn om die investeringen te maken.
Voor Antwerpen blijft de prioriteit duidelijk, namelijk de nieuwe gevangenis zo snel mogelijk veilig openen, de bijkomende capaciteit zo snel mogelijk benutten en zo, samen met vele andere maatregelen, de druk op ons gevangeniswezen verminderen, zeker ook uit respect voor het personeel.
24.05 Marijke Dillen (VB): Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik wil beginnen met waarmee u geëindigd bent. Voor alle duidelijkheid, wij zullen ons nooit verzetten tegen investeringen om de capaciteit uit te breiden. Laat daarover geen twijfel bestaan. De druk op het gevangeniswezen moet inderdaad worden verlicht, in de eerste plaats – u kent daar ook ons standpunt over – in het belang van het penitentiair personeel. Laat ons daar duidelijk over zijn.
Het is inderdaad onverantwoord – daarin treed ik u bij – indien de veiligheid van de nieuwe gevangenis in Antwerpen niet kan worden gegarandeerd. Ik zal uw collega Matz ondervragen over welke specifieke technische fouten en problemen het zou gaan. Ik hoop toch dat de private partner daar dringend werk van maakt, want ondertussen zijn er technische problemen die de opening van die gevangenis tegenhouden.
U moet wel elke maand een behoorlijk bedrag betalen, 2 miljoen euro, wat ik heel veel geld vind, zeker binnen uw budget, waar elke euro meer dan welkom is om te kunnen besteden aan de grote noden van Justitie. Die weggegooide 22 miljoen elke maand is dus heel veel geld. Ik hoop echt dat de private partner daar bij hoogdringendheid op inzet. Ik hoor immers nog altijd geen zekerheid dat die gevangenis in september zal kunnen openen.
Wat de rekrutering van personeel betreft, heb ik de indruk dat die niet gemakkelijk verloopt. Bij mijn gesprekken met personeelsleden werkzaam in de oude gevangenis van Antwerpen, valt het mij op dat zij daar liever zouden blijven en zeker niet overgeplaatst willen worden naar de nieuwe gevangenis. Daarbij wordt zelfs het cijfer van 50 % genoemd, maar u mag mij tegenspreken. Die uitspraken verwonderen mij een beetje, want voor mij zou het altijd aangenamer zijn om in een moderne omgeving te werken, maar daar zullen wel andere oorzaken voor zijn.
In elk geval, waak erover dat die nieuwe gevangenis zo snel mogelijk kan openen, want ik kan u zeggen dat de situatie in Antwerpen op dit ogenblik, zeker met de warmte, absoluut onhoudbaar is. En dan spreek ik nog maar over binnen in de gevangenis. Wanneer de gedetineerden naar buiten moeten, is dat op twee grote koeren in de blakende zon. Die gedetineerden vragen dus ook niet om naar buiten te gaan, want dat is op dit ogenblik werkelijk onmenselijk. Ik hoop dus dat daar bij hoogdringendheid werk van wordt gemaakt. Ik zal uw collega Matz daarover ook ondervragen.
24.06 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, alle inspanningen die u levert om de overbevolking terug te dringen, ook in Antwerpen, zijn positieve stappen. Ik hoop dat we die oude gevangenis ooit zullen kunnen sluiten, want dat is een van de oudste gevangenissen van het land, maar die hoop zal misschien een utopie blijven.
Wat de DBFM betreft, blijf ik pleiten voor een goede financiële monitoring. Daarnaast moet de vergelijking van de kostprijs van de uitbating per gedetineerde per gevangenis toch eens worden gemaakt. Daarover bestaan namelijk verschillende meningen. Het is altijd een hoog risico om in te zetten op nieuwe systemen als ze nog geëvalueerd moeten worden. Enkele gevangenissen werken nu al volgens dat systeem. Het zou niet slecht zijn om daar een goede doorlichting van te maken.
Die systemen verdienen zichzelf namelijk ook terug. Aan de ene kant wordt in de kostprijsbepaling rekening gehouden met fouten die gebeuren. Aan de andere kant kan een gevangenis ook iets terugverdienen wanneer blijkt dat bepaalde randvoorwaarden in die financiële akkoorden niet worden gehaald. Dat is telkens een plus-minoefening. Het zou goed zijn om dat ook eens te evalueren. In Dendermonde is dat bijvoorbeeld al het geval. Het zou goed zijn om dat na een aantal jaren mee te nemen in een financiële berekening.
24.07 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, merci pour votre réponse, pour les informations que vous nous donnez et pour les quelques démentis que vous apportez par rapport à certaines informations parues dans la presse.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
25.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, we hebben het er al over gehad in de plenaire vergadering, maar ondertussen is er al heel wat gebeurd. We moeten het nog eens hebben over Freddy Horion. De voorgeschiedenis is bekend. Freddy Horion is een van de grootste seriemoordenaars die ons land ooit heeft gekend. Hij werd in 1980 veroordeeld tot een levenslange, niet onbelangrijk, gevangenisstraf voor zes moorden. In 2018 oordeelde een team van gerechtspsychiaters dat Horion niet langer gevaarlijk zou zijn. Daaruit leidde men af dat hij niet meer thuishoorde in de gevangenis.
Horion werd niet meteen vrijgelaten, om heel duidelijke redenen, denk ik. Met zijn advocaten trok hij vervolgens naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat heeft België veroordeeld tot het betalen van dwangsommen van 1.000 euro per dag. Ondertussen zouden die tot 770.000 euro zijn opgelopen. De Belgische Staat is uiteindelijk in cassatie gegaan, maar heeft de zaak verloren.
De Gentse strafuitvoeringsrechtbank heeft vervolgens beslist dat Horion alsnog de gevangenis mag verlaten met een enkelband. Hij wordt nu opgenomen in een forensisch zorgcentrum. We weten ondertussen ook dat het over het zorgcentrum in Rekem gaat. Gisteren werd bevestigd dat Horion die dwangsommen van 770.000 euro wel degelijk wil opeisen en dus ook zal krijgen.
Mevrouw de minister, ik heb hierover verschillende vragen.
Ten eerste, wat is uw reactie als minister van Justitie op de uitspraak van de Gentse strafuitvoeringsrechtbank? Ik vind dat een reactie wel degelijk gepast is. Ik vind dat u daarover een mening mag hebben.
Ten tweede, welke voorwaarden werden precies aan Horion opgelegd? Er wordt gesproken over voorwaarden, maar welke zijn dat precies?
Ten derde, bestaat de kans dat Horion daadwerkelijk vrijkomt, nadat hij enige tijd in dat zorgcentrum heeft verbleven? De gerechtspsychiaters wezen er in 2018 zelf op dat een directe terugkeer naar de samenleving niet opportuun was, wat impliceert dat een latere terugkeer wel opportuun zou kunnen zijn. Vanuit verschillende hoeken wordt bovendien gezegd dat hij in dat zorgcentrum verblijft om ervoor te zorgen dat hij uiteindelijk opnieuw in de samenleving kan worden opgenomen.
Ten vierde, hoeveel dwangsommen staan er nu precies open? Ik denk dat het om 770.000 euro gaat, maar kunt u dat bevestigen?
Tot slot, kunt u garanderen dat u die dwangsommen niet zult uitbetalen? Het gaat hier om een seriemoordenaar die 770.000 euro, bijna een miljoen euro, van de Belgische Staat zou krijgen nadat hij eigenlijk zijn hele leven gratis in de gevangenis heeft gezeten, terwijl de slachtoffers niets hebben gezien. Kunt u garanderen dat u iets zult ondernemen om ervoor te zorgen dat die dwangsommen niet in handen van Horion terechtkomen?
25.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, enkele weken geleden heb ik in de plenaire vergadering van de Kamer al uitvoerig gereageerd op dit dossier. Ik heb daarbij onder meer gewezen op het belang van onze rechtsstaat en de rolverdeling tussen de rechterlijke en de uitvoerende macht. Dat uitgangspunt is uiteraard niet veranderd. In diezelfde zin beantwoord ik vandaag uw huidige vragen.
Wat uw eerste vraag betreft, wens ik te benadrukken dat dit een uitspraak betreft van een onafhankelijke rechterlijke instantie. Binnen onze rechtsstaat komt het de uitvoerende macht niet toe om individuele rechterlijke beslissingen te beoordelen of te becommentariëren.
Wat de opgelegde voorwaarden betreft, is het de strafuitvoeringsrechtbank die deze bepaalt. De gevatte instanties staan vervolgens in voor de correcte uitvoering ervan. Om veiligheidsredenen en om andere redenen zal ik niet in detail treden over de opgelegde voorwaarden, maar ik kan wel aangeven dat er vandaag geen sprake is van een terugkeer naar de samenleving.
De betrokkene werd onder elektronisch toezicht geplaatst en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar hij residentieel moet verblijven. Die beslissing werd door de rechter genomen op basis van de stukken in het dossier.
Met betrekking tot de verdere toekomst kan ik enkel stellen dat ook toekomstige beslissingen uitsluitend zullen kunnen worden genomen door de bevoegde rechterlijke instanties, op basis van de wettelijke criteria, de stukken in het dossier, de situatie van de betrokkene en de beschikbare adviezen. Daarop kan ik overigens ook niet vooruitlopen.
Wat de dwangsommen betreft, werden die tot op heden nog niet opgeëist. Net als u heb ik gisteren in de pers vernomen dat de betrokkene van plan is om die dwangsommen alsnog op te eisen. Verder verwijs ik opnieuw naar de rechterlijke beslissingen die in dit dossier over die dwangsommen werden uitgesproken.
Het is niet de minister van Justitie die beslist over het al dan niet opleggen van dwangsommen, noch over de omvang ervan. We moeten allemaal de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht respecteren.
25.03 Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel, mevrouw de minister. Toch nog een aantal zaken.
Ten eerste zegt u heel vaak dat het u niet toekomt om uitspraken te doen over rechterlijke uitspraken of die te becommentariëren. Daar ben ik het fundamenteel mee oneens. U kunt een rechterlijke uitspraak niet ongedaan maken, maar dat neemt niet weg dat u wel degelijk als minister van Justitie en trouwens ook als gewone burger van dit land, een mening mag hebben over een rechterlijke uitspraak en over de vraag of die al dan niet rechtvaardig is. U zegt altijd dat het Parlement de wetgevende macht is, maar de helft van de wetten die we hier stemmen, komt vanuit de uitvoerende macht, vanuit de regering, van u. U speelt wel degelijk een belangrijke rol in dat wetgevende proces, in het creëren van het kader dat zaken mogelijk maakt, zoals wat we nu met Horion hebben gezien.
Ik denk dat de zaak-Horion een van de meest toonaangevende zaken van de afgelopen jaren is. Ze toont aan en voedt vooral het gevoel bij de bevolking dat Justitie gewoon door en door rot is. Die toestand krijgt u niet uitgelegd aan de mensen. Het is verschrikkelijk. Uiteindelijk zal er iets moeten gebeuren aan dat wetgevende kader. Daarover ben ik het met u eens. Ik ben dan ook benieuwd of alle partijen in deze regering de moed zullen hebben om effectief iets aan dat wetgevende kader te doen. Ik vind dat levenslang ook levenslang moet zijn. Als het over straf gaat, hebben we het altijd over de dader. Het gaat altijd over de vraag of die dader nog gevaarlijk is of niet en hoe het met het traject van die dader zit. Een straf gaat echter niet alleen over de dader. Een straf staat ook in functie van de samenleving en van de slachtoffers. De slachtoffers van Horion en hun nabestaanden zijn levenslang gestraft. Horion komt er nu vanaf met een enkelband in een zorgcentrum en krijgt daar als cadeau nog eens bijna een miljoen euro aan dwangsommen bovenop.
Ik zou u echt willen vragen, mevrouw de minister van Justitie, om daar iets te proberen doen. Probeer iets te doen aan die dwangsommen die Horion nu krijgt. Probeer ervoor te zorgen dat de slachtoffers eventueel beslag kunnen leggen op die dwangsommen, dat de burgerlijke partijen daar een beroep op kunnen doen en er beslag op kunnen leggen. Uiteindelijk zijn zij het die levenslang gestraft zijn, terwijl Horion er vandaag vanaf komt met een heel mooi pensioen.
De wetgeving zal moeten worden aangepast, maar ik reken dan ook volledig op uw steun en op die van iedereen die hier aanwezig is om die wetgeving uiteindelijk aan te passen. Dat verhaal is echt de nagel aan de doodskist van het vertrouwen in Justitie.
Het incident is gesloten.
L'incident est
clos.
Le président: Nous avons maintenant deux questions jointes (n°s 56016876C et 56016920C) de Mme Dillen et une question (n° 56016596C) de M. Van Hecke.
25.04 Marijke Dillen (VB): Ik zal wachten op de heer Van Hecke. Ik stel mij alleen de vraag of de volgende drie vragen nog opportuun zijn, gezien de uitvoerige discussie deze ochtend. Ik zal echter even wachten op de heer Van Hecke. Het is niet aan mij om te beoordelen of de vraag al dan niet moet worden ingetrokken. Voor mij mag ze wel ingetrokken worden.
Le président: Je me suis moi-même posé la question également mais on attendra donc M. Van Hecke.
26.01 Marijke Dillen (VB): De staat van vele gerechtsgebouwen in dit land is
erbarmelijk. Wateroverlast, ongedierte, plafonds die naar beneden storten, het
zijn maar enkele voorbeelden. De slechte staat is een exponent van de
jarenlange onderfinanciering van Justitie, klagen magistraten terecht aan. De
problemen zijn niet nieuw, maar voor de magistratuur is de maat vol.
“Magistraten en medewerkers proberen dagelijks met grote inzet een staatsmacht
overeind te houden die op vele plaatsen letterlijk en figuurlijk instort. We
vrezen dat als er niets verandert, jonge en getalenteerde mensen de weg naar
Justitie niet meer zullen vinden. Niemand wil in een krot werken.
Gerechtsgebouwen zijn het gezicht van Justitie.
Maar het beeld dat je in veel van onze gebouwen aantreft is een
rechtsstaat onwaardig.", stellen ze.
De minister heeft nu in samenwerking met
de minister bevoegd voor de Regie der gebouwen actie gepland om de verouderde
staat van de gerechtsgebouwen aan te pakken. Het programma 'Let's Build' heeft
tot doel het gebouwenpark van Justitie te moderniseren en te renoveren.
Maar er zullen geen bijkomende budgetten
worden vrijgemaakt om dit plan uit te voeren. Terecht komt er dan ook kritiek
want er is een grote vrees dat er in realiteit niet veel zal veranderen.
Kan de minister gedetailleerd toelichting
geven betreffende het programma 'Let's Build'?
Wat is de voorziene timing? Wat zijn de
prioriteiten?
Het kabinet van de minister heeft
verklaard dat er geen budgetverhoging komt om dit programma uit te voeren. De
vraag stelt zich dan ook welke middelen er binnen de bestaande budgetten zullen
worden besteed aan de realisatie ervan. Kan de minister hierover meer
toelichting geven? Op welke wijze zal de prioritering binnen de bestaande
budgetten gebeuren?
Op welke wijze gebeurt de samenwerking
met de minister bevoegd voor de Regie der gebouwen? Wat is de inbreng vanuit
dit departement? Welke minister draagt de eindverantwoordelijkheid voor de
uitvoering van dit programma?
De voorbije maanden werd het volledig gebouwenpark gedetailleerd in kaart gebracht en werden de belangrijkste noden en uitdagingen geïdentificeerd. Kan de minister hierover gedetailleerde toelichting geven?
26.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, Let’s Build is het project voor de modernisering en rationalisering van de gerechtsgebouwen. Het project vertrekt vanuit de vaststelling dat het huidige netwerk van 211 gebouwen historisch is gegroeid en dat een aanzienlijk deel van de infrastructuur vandaag onder druk staat. Verschillende gebouwen voldoen niet langer aan de huidige normen inzake veiligheid, toegankelijkheid en functionele noden. Tegelijk zijn de verwachtingen van burgers, slachtoffers en medewerkers van justitie de voorbije jaren sterk geëvolueerd.
Het project wil daarom stapsgewijs bouwen aan een veiligere, modernere en toegankelijkere justitie met behoud van de nabijheid van de dienstverlening. Het programma combineert dringende investeringen met een langetermijnvisie en voorziet in een actieve betrokkenheid van de gerechtelijke actoren tijdens alle fases van het traject.
Om een probleem aan te pakken, moet het eerst goed worden begrepen. Mijn diensten hebben daarom op mijn vraag de voorbije maanden de hoogste noden geïdentificeerd en een aanpak uitgewerkt voor het opstarten van een verbeterings- en rationaliseringstraject van het gebouwenpark.
Wat de timing betreft, zijn de eerste gesprekken met de rechterlijke orde opgestart en werken wij met twee snelheden, namelijk het uitwerken van een algemene aanpak die overal kan worden toegepast en simultaan het uitvoeren van lokale projecten zodat wij concreet en zo snel mogelijk vooruitgang kunnen boeken op het terrein. Wij steunen daarbij op drie parallelle pijlers, met name brandveiligheid, beveiliging, renovatie en onderhoud alsook rationalisering.
Justitie staat in voor de beleidsmatige aansturing van het programma terwijl de Regie der Gebouwen haar wettelijke opdracht als beheerder van het federale vastgoedpatrimonium blijft vervullen.
Naast de rationalisering van de gebouwen bepaalt het regeerakkoord dat de opbrengst van de rationalisering moet worden geherinvesteerd in het overblijvende gebouwenpark. Samen met collega-minister Matz worden daarvoor de krijtlijnen uitgetekend. Via de taskforce Gebouwen die ik in 2025 heb opgericht, worden ze ook gemonitord.
26.03 Marijke Dillen (VB): Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik denk dat dit een goed initiatief is, want er is inderdaad nog heel veel werk aan de winkel op het vlak van de modernisering en de verbetering van de toestand van veel gerechtsgebouwen in dit land.
Ik betwijfel of u hierin zult slagen, mevrouw de minister. Waarom heb ik die twijfels? Uw kabinet heeft volgens de media verklaard – daar haal ik mijn informatie vandaan – dat er geen budgetverhoging komt om dat programma uit te voeren. De vraag rijst dan welke middelen er binnen de bestaande budgetten zullen worden besteed aan de realisatie hiervan. U hebt al een veel te krap budget om grote werken te organiseren. Ik zou er dus bij u op willen aandringen, mevrouw de minister, om bij volgende begrotingen of begrotingsaanpassingen nog harder op tafel te kloppen. Ik ga ervan uit dat u dat al hebt gedaan, maar blijkbaar nog niet voldoende. Bijkomende budgetten zijn broodnodig om dit te kunnen organiseren.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Le président: La question n° 56016661C de M. Ribaudo est reportée.
De samengevoegde vragen van mevrouw Van Vaerenbergh en de heer Van Hoecke met nrs. 56016698C en 56016799C worden uitgesteld.
27.01 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, vijf jaar geleden werd de wet siblings ingevoerd, waarmee de band tussen broers en zussen essentieel wordt geacht bij een uithuisplaatsing. Het is belangrijk dat deze wet wordt geëvalueerd. De praktijk leert ons namelijk dat dat niet altijd even gemakkelijk is in bepaalde situaties, zoals bij agressie of een nieuwe gezinssamenstelling. Dergelijke uithuisplaatsingen zijn dus zeer complex.
Hoe kan deze wet daarbij als instrument dienen? Is het mogelijk om de regelgeving aan te scherpen? Zeker na vijf jaar mag dat eens grondig onder de loep worden genomen.
27.02 Minister Annelies Verlinden: Het recht van minderjarige broers en zussen om niet van elkaar gescheiden te worden, is een principieel recht. Dat betekent dat het niet nodig is om een bijzonder affectieve band aan te tonen.
Het recht is niet absoluut en moet in het belang van elk kind in concreto worden beoordeeld. De rechter kan dat weigeren als de uitoefening van dat recht het belang van het kind zou schaden. Een kind heeft ook altijd het recht om door een rechter te worden gehoord in een aangelegenheid die hem of haar aanbelangt.
Tot nu toe zijn mij geen bijzondere problemen bij de uitvoering van die wet gemeld. Ook de gemeenschappen hebben mij geen melding gemaakt van bijzondere moeilijkheden in verband met die hervorming.
Ik ben op dit moment dan ook niet van plan om de wetgeving te wijzigen of aan te scherpen. Mochten er in de toekomst toch problemen optreden, dan valt een eventuele aanpassing van de wet uiteraard wel te overwegen.
27.03 Alain Yzermans (Vooruit): Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
28.01 Alain Yzermans (Vooruit):
De aanhoudende problemen in de Gentse gevangenis hebben geleid tot een
juridisch dispuut tussen de Orde van Vlaamse Balies (OVB) en de Belgische
Staat. Met een overbevolking van tot wel 163 procent, 54 grondslapers, een
ernstig tekort aan personeel en onvoldoende medische en psychische zorg, wordt
de minimale menselijke waardigheid van gedetineerden zwaar in het gedrang
gebracht.
De OVB kaart de onleefbare omstandigheden
juridisch aan en vraagt om respect voor de bescherming van de fundamentele
rechten van gedetineerden. Dit is een signaal en stelt dat het vijf na twaalf
is voor de overheid, die haar verantwoordelijkheid moet nemen.
Vragen aan minister Annelies Verlinden:
1. Wat zijn de concrete extra maatregelen
die u zult nemen om de overbevolking in de gevangenis van Gent aan te pakken?
2. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de
noodzakelijke medische en psychiatrische zorg voor gedetineerden daadwerkelijk
wordt geboden, gezien de huidige tekorten, en hoe voorkomt u dat gevangenen
langdurig op hun kamer moeten blijven?
3. Kunt u toelichten waarom de situatie
in de gevangenis van Gent, ondanks eerdere waarschuwingen van de OVB, zo lang
heeft kunnen aanhouden zonder dat er adequate maatregelen zijn genomen?
4. Wat is uw reactie op de uitspraak van
de OVB dat dit geen kwestie is van strafuitvoering als beleidskeuze, maar van
het waarborgen van de minimale menselijke waardigheid voor gedetineerden en hun
basisrechten?
28.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Yzermans, we hebben het al eerder over dit onderwerp gehad. Vanochtend hebben we het ontwerp besproken dat uitvoering geeft aan een deel van de afspraken van 20 maart. Het akkoord heeft als doelstelling om in te zetten op een volledig en duurzaam personeelskader. De selectie- en aanwervingsprocedures worden geoptimaliseerd om meer kandidaten te kunnen aantrekken, maar ook om sneller te kunnen aanwerven. De interne rekruteringscapaciteiten wordt prioritair versterkt. We zullen de selectieprocedures versnellen.
De functie van penitentiair bewakingsassistent werd inmiddels toegankelijk gemaakt voor Europese burgers. In de zogenaamde fastlaneprocedures zullen wervingsreserves kunnen worden aangelegd en zullen aanwervingen vóór de medische controle kunnen gebeuren, om tijd te winnen. Er wordt ook gewerkt aan extra capaciteit en een betere benutting van de bestaande capaciteit. Er komen meer plaatsen in gesloten centra. Voor geïnterneerden komen er meer plaatsen in de FPC's.
Het Masterplan IV omvat de structurele blauwdruk voor de totale detentiecapaciteit en is gericht op humane detentieomstandigheden. We beogen hervormingen door te voeren met betrekking tot de voorlopige hechtenis. De Commissie Overbevolking rondt hierover een advies af. Daarna wordt onderzocht wat in de praktijk kan worden gebracht om de duur te beperken. Ook wordt onderzocht of en hoe de zittingen van de raadkamer en de KI via videoconferentie kunnen plaatsvinden. We hopen zo de transporten te kunnen beperken, de werklast te verlagen en de procedures te versnellen.
Er lopen momenteel selectieprocedures en er worden nog bijkomende procedures georganiseerd om het kader van medico-psychosociaal personeel op te vullen. Het betreft profielen van verpleegkundigen, psychologen, maatschappelijk assistenten, opvoeders en ergotherapeuten. Daarnaast trachten we artsen en psychiaters blijvend aan te trekken door publicaties in gespecialiseerde tijdschriften te plaatsen.
Voorts wordt ook ingezet op het aanbieden van stageplaatsen, waarop artsen tijdens hun opleiding kunnen inschrijven. Vanuit de centrale diensten wordt de overbevolking in de arresthuizen dagelijks gemonitord. Waar mogelijk worden veroordeelden overgeplaatst naar strafhuizen om het aantal grondslapers terug te dringen. De huidige overbevolking laat echter niet toe het aantal grondslapers terug te dringen tot een aanvaardbaar en correct cijfer.
U zult begrijpen dat dit geen probleem is dat alleen de gevangenis van Gent treft, maar dat het mechanisme om de beschikbare capaciteit en de aanwezige bevolking te beheren een organisatiebrede uitdaging is. De OVB schrijft trouwens zelf dat het oplossen van het probleem in Gent geen waterbedeffect op andere inrichtingen zou mogen hebben.
28.03 Alain Yzermans (Vooruit): Dank u wel.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
29.01 Marijke Dillen (VB):
Vrijdag 5 juni is een gedetineerde, veroordeeld wegens een zware diefstal
met geweld, die in de gevangenis van
Brugge verbleef ontsnapt nadat hij was overgebracht naar het AZ Sint Jan
ziekenhuis voor een medische ingreep. Hij was blijkbaar gewapend met een scherp
voorwerp waarmee hij bewakers zou hebben bedreigd. De man was niet aan zijn
proefstuk toe. Volgens berichten probeerde hij in mei 2025 al eens uit de
gevangenis van Gent te ontsnappen.
Hoe is de ontsnapping kunnen gebeuren?
Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze feiten? De man had
blijkbaar een scherp voorwerp bij. Hoe was dit mogelijk? Kan hierover een
verklaring worden gegeven?
Op welke wijze was de bewaking
georganiseerd? Hoeveel bewakers waren aanwezig? Wat is er fout gelopen? Was er
een verhoogde beveiliging gezien de gedetineerde reeds eerde probeerde te
ontsnappen?
Wat is het risicoprofiel van deze
gedetineerde? Uit het opsporingsbericht verspreid door de Politie blijkt
duidelijk dat het om een gevaarlijk profiel gaat gezien de bevolking wordt
opgeroepen de gedetineerde niet te benaderen.
29.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, in de eerste plaats begrijp ik de bezorgdheid die in uw vraag speelt. De feiten worden bijzonder ernstig genomen. Zowel een gerechtelijk als een intern onderzoek zijn op dit ogenblik lopende. Om die reden kan ik vandaag geen verdere verklaringen afleggen over de concrete toedracht van de feiten. Elke uitspraak daarover zou het onderzoek kunnen doorkruisen.
Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de bewaking en de overbrenging waren georganiseerd. De analyse van de genomen maatregelen, de graad van beveiliging en de gevolgde veiligheidsprocedures maken deel uit van het onderzoek. Dat onderzoek zal dan ook moeten uitwijzen of de inschatting correct is gebeurd en of er lessen moeten worden getrokken. Ik wil daar niet op vooruitlopen.
Wat het profiel betreft, kan ik u meegeven dat betrokkene zich in de strafcategorie drie tot vijf jaar bevindt en dat er een Europees aanhoudingsmandaat tegen hem loopt. De inschatting van de gevaarlijkheid met het oog op een overbrenging gebeurt naargelang het doel door DG EPI en door de politionele diensten, in onderling overleg. Bij uiterst gevaarlijke profielen is daarbij een bijkomende afstemming tussen beide diensten voorzien.
Zodra de onderzoeken zijn afgerond, zal worden bekeken welke conclusies en welke eventuele bijsturingen zich opdringen.
29.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik zal deze vraag binnen enkele maanden opnieuw agenderen. Ik neem aan dat dit onderzoek na het gerechtelijk verlof zal zijn afgerond. Ik begrijp dat u nu in het belang van het onderzoek geen verklaringen ter zake wilt afleggen.
Het volgende is wel een feit en het mag toch even worden beklemtoond. Die man was niet aan zijn proefstuk toe. Vorig jaar heeft hij ook al een poging ondernomen om uit de gevangenis te ontsnappen. Uit uw antwoord begrijp ik dat hij nog steeds voortvluchtig is.
L'incident est clos.
Het incident
is gesloten.
30.01 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, le kern de samedi dernier n'a pas permis de dégager un accord sur l'ensemble des dossiers éthiques actuellement en discussion au sein de la majorité, malgré plusieurs heures de négociation.
D'après la presse, la majorité vise désormais un accord global au plus tard le 1er décembre 2026 portant sur quatre dossiers distincts: l'allongement du délai légal de l'IVG, l'accouchement discret, l'extension de l'euthanasie aux personnes atteintes de démence et l'encadrement de la gestation pour autrui. Vous avez personnellement participé à cette réunion en votre de qualité de ministre de la Justice.
Ces quatre dossiers figurent dans l'accord de gouvernement de février 2025 comme points sensibles devant être traités par consensus entre partenaires de la majorité. Ils touchent, on le sait, respectivement au Code pénal et à la loi du 28 mai 2002 relative à l'euthanasie.
Madame la ministre, mes questions visent à essayer de clarifier ce qui paraît dans la presse et ce qui ressort d'une série de déclarations parfois contradictoires de vos partenaires. Confirmez-vous le calendrier annoncé dans la presse, à savoir un accord global "au plus tard" le 1er décembre 2026? La clarification me semble précieuse car certains disent "au plus tôt". Cet accord portera-t-il bien simultanément sur les quatre dossiers clés ou certains d'entre eux pourraient-ils être dissociés et avancés selon un calendrier propre? Quel est l'état d'avancement des dossiers et des discussions au sein de la majorité? Enfin, quels sont, à ce stade, les points de blocage identifiés entre partenaires de votre coalition?
30.02 Annelies Verlinden, ministre: Cher collègue De Smet, permettez-moi tout d'abord de me référer aux réponses à vos interpellations en séance plénière du 18 juin dernier.
Conformément à ma mission en tant que ministre de la Justice, et conjointement avec mes collègues au sein du gouvernement, je travaille à l'élaboration d'un cadre juridique pour les questions de bioéthique relevant de ma compétence, notamment l'interruption volontaire de grossesse. Dans le respect de l'accord de gouvernement et des engagements pris à ce sujet au sein du gouvernement et avec le Parlement, j'ai rédigé une proposition de texte pour le volet Justice à cet effet.
En ce qui concerne le délai, la proposition élaborée, qui s'appuie sur les discussions menées lors des négociations de gouvernement et tient compte des connaissances scientifiques disponibles, vise à trouver un équilibre entre l'autonomie de la femme et la protection de la vie avant la naissance.
Lors des discussions au sein du kern, samedi dernier, nous avons confirmé notre vision selon laquelle chaque thème bioéthique mérite un débat complet à part entière. En effet, si l'on veut répondre aux questions les plus fondamentales sur la vie et la mort, on ne peut procéder à un échange mathématique entre des dossiers différents ni appliquer la politique du gaufrier. Le thème ne mérite pas une telle politique; il faut tenir compte de la complexité inhérente à ces questions.
Quant à la complexité de ces dossiers, nous avons encore entendu ce matin le Comité consultatif de bioéthique concernant l’encadrement de certaines questions, notamment celle des dons anonymes.
Entre-temps, conformément à l’accord initial, nous poursuivons le travail sur l’ensemble des thématiques éthiques avec tout le respect et tout le sérieux qu’elles requièrent. Dans le cadre que nous avons défini, nous nous appuyons également sur les travaux techniques et opérationnels déjà élaborés en début de législature par plusieurs partenaires.
Nous attendons encore les retours des administrations et des acteurs concernés relevant d’autres départements. À titre d’exemple, les premiers textes relatifs aux mères porteuses ont été transmis au SPF Santé publique dès le mois de février. Nous avons d’ailleurs reçu leurs dernières observations lundi dernier.
Chaque texte, lorsqu’il sera finalisé et disponible, sera présenté pour discussion au sein du gouvernement avant d’être soumis au Parlement.
30.03 François De Smet (DéFI): Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Vous me renvoyez aux interpellations, mais mes questions portaient davantage sur le kern qui a eu lieu ce weekend.
Premièrement, je continue à penser que les questions bioéthiques se prêtent mal à une approche consistant à les traiter dans le cadre d’une négociation globale ou d’un "package". Nous savons en effet que ce type d’exercice est souvent propice à des logiques de marchandage.
Or les quatre dossiers actuellement sur la table sont profondément différents. Ils peuvent conduire à considérations très différentes. C’est précisément pour cette raison que je considère qu’ils ne devraient pas être liés les uns aux autres.
Deuxièmement, je n’ai pas entendu de votre part de confirmation quant à une date ferme, à savoir ce fameux 1er décembre, dont on ne sait toujours pas s’il s’agit effectivement d’une échéance fixe, d’un "au plus tôt" ou d’un "au plus tard". Je suppose que cette question sera clarifiée au plus tard le 1er décembre.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
31.01 Alexander Van Hoecke (VB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.
Phishing blijft een hardnekkige vorm van
oplichting waar dagelijks mensen het slachtoffer van worden. Op 8 juni kondigde
u samen met de minister van Binnenlandse Zaken een nieuwe omzendbrief aan in de
strijd tegen phishing. Daarbij zou de focus liggen op het viseren van de
criminele organisaties achter de fraude.
Zowel de politie als het Openbaar
Ministerie zullen zich voortaan meer focussen op phishingcampagnes, clusters
van dossiers en de criminele bovenbouw die de fraude organiseert, in plaats van
op afzonderlijke feiten.
Kan u wat meer uitweiden over de inhoud
van de nieuwe omzendbrief en hoe die zich verhoudt ten opzichte van de reeds
bestaande omzendbrief COL 7/2022 inzake phishing?
In uw antwoord op een eerdere vraag
omtrent phishing van 7 januari verwees u naar een aanpassing van de omzendbrief
over phishing die werd voorbereid in het expertisenetwerk Cybercrime van het
OM.
Ging het hier om de omzendbrief die u op
8 juni aankondigde?
Indien niet, werd de omzendbrief waarnaar
u toen in uw antwoord verwees al goedgekeurd op het College van
procureurs-generaal?
Hoe zit het nu eigenlijk met de
eengemaakte financiële ondergrens die bepaald zou worden door het parket?
Wat betekent het concreet dat er minder op afzonderlijke feiten zal worden gefocust? Wat zal de verwachte impact zijn op het aantal vervolgingen en seponeringen?
31.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hoecke, de herziening van COL 7/2022 inzake phishing, waarnaar ik inderdaad verwees in mijn antwoord van 7 januari, werd op 3 juni goedgekeurd door het College van procureurs-generaal en bevat onder meer de volgende aanpassingen. Er wordt een nationale drempel ingesteld voor de opsporing en vervolging van individuele gevallen met een nadeel van 2.500 euro, nadat aan het preventieve luik is voldaan. Daarnaast wordt een nieuwe prioriteit ingevoerd voor bovenliggende structuren en recente clusters. Voorts is er de verduidelijking inzake de bevoegde politiezone voor de opmaak van een pv en het verdere onderzoek naar money mules. Ook wordt de ontwikkeling van een risk warning system door banken geschrapt, gelet op de Europese wetgeving.
Vooreerst moet worden opgemerkt dat bij alle aangiften bij de politie, ongeacht het financiële nadeel, aan het preventieve luik zal worden voldaan, zoals het inlichten van de banken met het oog op de onmiddellijke blokkering van gelden, het bewaren van camerabeelden en het inlichten van het Centrum voor Cybersecurity België met het oog op het blokkeren van een phishingwebsite. Er wordt een ondergrens van 2.500 euro ingevoerd voor de opsporing en vervolging, behoudens uitzonderingen, wanneer feiten bijvoorbeeld deel uitmaken van een onderzoek naar een cluster of een criminele organisatie.
Om de capaciteit optimaal te gebruiken, zullen de parketten zich richten op de infrastructuur die phishing vergemakkelijkt, zoals de bouwers van phishing panels, de criminele helpdesk en de mule herders. Dat is alleen mogelijk wanneer er een overzicht bestaat van de manieren waarop individuele dossiers aan elkaar gekoppeld zijn. De accentverschuiving in de opsporings- en vervolgingsstrategie raakt niet aan de bescherming van het individuele slachtoffer. Die blijft in elk dossier gegarandeerd, maar optimaliseert de inzet van de beperkte onderzoekscapaciteit op de structuren die fraude mogelijk maken. Een dossier dat niet afzonderlijk wordt vervolgd, verdwijnt niet uit het zicht, maar wordt, waar relevant, meegenomen in grotere strafonderzoeken.
31.03 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Dat verduidelijkt wel een en ander. Het belangrijkste is wel dat slachtoffers niet de indruk mogen krijgen dat hun individuele zaak er niet meer toe doet. Het lijkt mij – dit is voor mij een atypische uitspraak – dat de enige manier om phishing aan te pakken, preventie is. Mensen moeten zich bewust zijn van de risico's. We zien nog al te vaak dat mensen in valstrikken lopen die eigenlijk vermeden hadden kunnen worden. Er moet dus zoveel mogelijk op preventie worden ingezet.
Uiteraard blijft vervolging essentieel, ook al leert de praktijk ons dat dat bijzonder moeilijk is. Dat betekent niet dat dat onmogelijk is, ten bewijze een interessant artikel daarover in Het Laatste Nieuws van afgelopen week.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
32.01 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, een nachtje stappen op haar achttiende verjaardag eindigde voor een jonge vrouw in een nachtmerrie. Zij werd verkracht. Het voelt voor mij onwezenlijk aan dat voor een dergelijk zwaar seksueel misdrijf een werkstraf van 285 uur wordt uitgesproken.
Ik beoordeel het vonnis niet. Dat behoort tot de wijsheid en de prerogatieven van de rechter, die binnen het wettelijke kader en op basis van de elementen van het dossier tot een uitspraak komt.
Toch is het voor mij een kwestie van rechtvaardigheid. Voor mij zijn die feiten een aanslag op de integriteit, de veiligheid en de fysieke vrijheid van het slachtoffer, met blijvende fysieke en emotionele wonden.
Hoe staat u tegenover deze kwestie? Bent u van mening dat de huidige wetgeving voldoende bescherming biedt aan slachtoffers van dergelijke seksuele misdrijven?
32.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Yzermans, ik heb net als u kennisgenomen van de recente uitspraak in die verkrachtingszaak. Als minister van Justitie kan ik, wat u wellicht niet zal verbazen, vanwege van de scheiding der machten geen uitspraken doen over een concrete rechterlijke uitspraak. De beoordeling van de toestemming gebeurt in concreto door de feitenrechter, op basis van de stukken van het dossier en de afgelegde verklaringen.
Het Strafwetboek bepaalt in artikel 417, 5de lid, en in het toekomstige artikel 132 van het nieuwe Strafwetboek, met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht, dat er geen toestemming is wanneer de seksuele handeling is gepleegd door gebruik te maken van de kwetsbare toestand van het slachtoffer ten gevolge van onder meer alcoholgebruik, waardoor de vrije wil is aangetast.
Wat uw vraag betreft over de initiatieven die worden genomen om de verantwoordelijkheidszin bij jongeren te bevorderen, vooral in situaties waarin alcohol, sociale druk en sociale media een rol spelen, moet ik u verwijzen naar de bevoegdheden van de deelstaten.
32.03 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, ik denk dat we elke vorm van geweld en bedreiging ten aanzien van vrouwen moeten verwerpen. Wij zullen u ondersteunen in elke actie ter bescherming en ter versterking van een beleid dat het slachtoffer centraal plaatst.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
33.01 Alain Yzermans (Vooruit):
Het Centraal Toezichtsorgaan voor het Gevangeniswezen (CTRG) heeft zijn
jaarverslag 2025 gepubliceerd, waarin de kritieke situatie in Belgische
gevangenissen wordt belicht, met een sterke focus op de aanhoudende
overbevolking. België heeft met een gevangenisbevolking die 117% van de
officiële capaciteit bedraagt, één van de hoogste overbevolkingsgraden binnen
de Raad van Europa. Dit rapport onthult dat ons land slechter scoort dan landen
als Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, en er wordt gepleit voor een
kritische herziening van het strafrechtsbeleid. Deze cijfers wijzen op een
structureel probleem binnen ons strafrechtsbeleid en kunnen niet langer
uitsluitend verklaard worden door de overbevolking alleen. Alle schakels van de
strafrechtsketen moeten hun bijdrage aan de totstandbrenging van de
gevangenisbevolking aan een kritisch onderzoek onderwerpen
Het CTRG benadrukt dat de huidige
problemen het resultaat zijn van keuzes en dat andere keuzes tot betere
uitkomsten kunnen leiden.
Vragen aan de Minister :
1. Erkent u dat België inzake
gevangenisoverbevolking aanzienlijk slechter scoort dan de meeste West-Europese
buurlanden en partners binnen de Raad van Europa?
2. Welke conclusies trekt u uit de
vaststelling dat de huidige noodmaatregelen en capaciteitsuitbreidingen
onvoldoende blijken om de structurele overbevolking terug te dringen?
3. Deelt u de analyse van het CTRG dat de
problematiek niet louter infrastructureel is, maar ook verband houdt met
beleidskeuzes binnen de volledige strafrechtsketen?
4. Welke structurele beleidsmaatregelen
plant u om de instroom in de gevangenissen te beperken en alternatieven voor
detentie effectiever toe te passen? Op welke termijn verwacht u resultaten van
uw beleid een effectieve daling van de overbevolking ? Dank
33.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Yzermans, ik verwijs naar de jaarlijkse SPACE-rapporten van de Raad van Europa, waarin voor de verschillende lidstaten op jaarbasis cijfers worden gegeven over onder meer de gevangeniscapaciteit en -densiteit. De actuele overbevolking van de gevangenissen zorgt uiteraard voor een hoge overbevolkingsgraad, waardoor België inderdaad slechter scoort dan sommige andere landen, zoals Spanje of Duitsland, maar beter dan bijvoorbeeld Frankrijk. Er moet echter ook steeds rekening worden gehouden met uiteenlopende telregels en registratiemethoden tussen de lidstaten, bijvoorbeeld wat betreft de manier waarop de beschikbare capaciteit wordt berekend. Een louter cijfermatige vergelijking tussen landen moet dan ook met de nodige voorzichtigheid worden gemaakt en geanalyseerd.
De regering heeft een akkoord gevonden over nieuwe maatregelen op korte, middellange en lange termijn. De bijkomende noodmaatregelen zijn in voorbereiding. Het wetsontwerp daarover werd gisteren en vandaag in de Kamer besproken. De uitvoering van de verschillende onderdelen van het akkoord is gestart en wordt ook nauwgezet opgevolgd en gemonitord.
Daarnaast wordt de in- en uitstroom van gedetineerden natuurlijk bepaald door maatschappelijke omstandigheden, zowel in het preventieveld als in de begeleiding en reclassering van ex-gedetineerden, en door keuzes die doorheen de strafrechtketen worden gemaakt en die zich vervolgens vertalen in gerechtelijke beslissingen. Zo kunnen hogere wettelijke strafmaten of bepaalde prioriteiten inzake opsporing en vervolging leiden tot meer vaststellingen en uiteindelijk ook tot meer vervolgingen en opsluitingen. Ook de tenuitvoerlegging van straffen en de beoordeling van strafuitvoeringsmodaliteiten door de strafuitvoeringsrechters en -rechtbanken spelen een belangrijke rol.
Wanneer tegenover de instroom en de opname van gedetineerden onvoldoende beschikbare infrastructuur staat, kan het gevangeniswezen dergelijke evoluties moeilijk eindeloos opvangen, met overbevolking en grondslapers als gevolg. Nieuwe infrastructuur realiseert men immers niet van de ene op de andere dag. Uiteraard speelt ook de wetgevende macht een belangrijke rol in de situatie van de overbevolking, onder meer door het vastleggen van de strafmaten en de wettelijke krijtlijnen van de strafuitvoering.
Structurele beleidsmaatregelen vergen per definitie tijd en het aanbod aan zogenaamde alternatieve straffen wordt ook bepaald door de deelstaten en door collega-ministers bevoegd voor zorgvoorzieningen voor geïnterneerden.
België behoort vandaag al tot de koplopers wat betreft het aantal alternatieve straffen en personen onder een gerechtelijk mandaat. Net daarom voeren we een fundamenteel debat over de rol en de finaliteit van de straf, over de aard en de duur van de straffen die worden opgelegd en over de manier waarop we die uitvoeren. Het is die combinatie van een doordacht strafrechtbeleid en een sterk re-integratiebeleid die op termijn tot een structurele daling van de gevangenisbevolking moet kunnen leiden.
33.03 Alain Yzermans (Vooruit): Mevrouw de minister, ik volg u daarin.
We zijn nu op drie niveaus aan het werken. Het eerste niveau is het wegwerken van de straffeloosheid. U hebt dat ook bevestigd, met de tweede noodwet die eraan komt.
De tweede laag is het vinden van een evenwicht in de huidige overbevolking via een langetermijnplan. Een masterplan moet daarbij zorgen voor capaciteit en alle andere aspecten die moeten bijdragen tot een en-enoplossing.
Het derde niveau blijft echter de fundamentele vraag die u daarnet ook heel duidelijk hebt benoemd, namelijk hoe we kijken naar ons strafrechtbeleid. Ik denk dat dat heel belangrijk wordt. Willen we daarin vernieuwend zijn? Kiezen we voor kortere of langere straffen? Gaan we alles bestraffen? Hoe gaan we straffen? Op welke manier wordt dat geïnterpreteerd? Ik denk dat daar de grote shift ligt, waarin ook de verschillen met andere landen zullen liggen.
Het zal geen eenvoudige opdracht zijn. Het zal een opdracht van samenwerking zijn met alle departementen, zoals u zegt, maar ook een opdracht die raakt aan de manier waarop de samenleving naar straffen kijkt en naar alles wat daarmee samenhangt. Ik denk dat er nog een hele opdracht voor ons ligt. Ook de komende jaren zullen we daar verder aan moeten werken.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
34.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, het hof van beroep in Brussel heeft beslist dat de Belgische staat een maatregel moet nemen, zodat een vrouw die zich aansloot bij IS, kan terugkeren naar België. Die vrouw heeft de Belgische nationaliteit en moet volgens de rechtbank met haar tienjarige dochter kunnen terugkeren uit het Syrische gevangenenkamp Al-Roj.
Toen ik deze vraag indiende, had de overheid een maand de tijd om de nodige stappen te zetten. Zo niet, moet de Belgische overheid opnieuw een dwangsom betalen, in dit geval een dwangsom van 2.500 euro per dag. Dat geld zou worden gestort op een bankrekening op naam van de minderjarige dochter. Het zou dus niet rechtstreeks aan de vrouw zelf worden betaald, maar aan haar dochter.
Hoe dan ook, in het regeerakkoord staat duidelijk dat deze regering zich voorneemt ervoor te zorgen dat terroristische strijders, foreign terrorist fighters, niet kunnen terugkeren naar ons land.
Wat is uw reactie daarop? Ik denk dat ik weet wat u zult antwoorden, maar toch vraag ik het.
Zal die uitspraak van het hof van beroep nog worden aangevochten? Indien ja, welke stappen werden daartoe al gezet? Indien niet, welke stappen zullen dan wel worden gezet om de terugkeer van die IS-strijdster en haar dochter te verwezenlijken, zoals de rechtbank het oplegt? Wat zal er met hen gebeuren bij terugkeer? Hoe rijmt u dat met de bepaling uit het regeerakkoord die ik daarnet heb vermeld?
Zal de Belgische staat, indien die termijn van een maand overschreden is, effectief overgaan tot de betaling van dwangsommen? Is dat al gebeurd?
34.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, we beginnen elkaar inderdaad goed te kennen als u zegt dat u weet wat ik zal antwoorden.
Ik kan u bij dezen bevestigen dat het regeerakkoord duidelijk is en dat ik mij daaraan houd en te houden heb.
Dat gezegd zijnde, ik kan mij niet uitspreken over wat een onafhankelijke rechter beslist. Wat ik daarvan persoonlijk ook zou vinden, het blijft een beslissing van de onafhankelijke rechterlijke macht.
Voor de specifieke uitvoering van dit arrest verzoek ik u om de minister van Buitenlandse Zaken te bevragen.
34.03 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, het zou mij verbazen dat u op geen enkele van mijn drie gestelde vragen een antwoord hebt. Ik zal de vraag inderdaad opnieuw indienen ter attentie van de minister van Buitenlandse Zaken.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions jointes n° 56016828C de M. Julien Ribaudo et n° 56017310C de M. Nabil Boukili sont reportées à la demande de leurs auteurs.
Il en est de même pour les questions jointes n° 56016850C et n° 56017170C de M. François De Smet
Nous attendrons le retour de M. Van Hecke parti siéger en Comité R.
35.01 Marijke Dillen (VB):
Bepaalde organisaties die werken met minderjarigen moeten een uittreksel uit
het strafregister vragen aan bepaalde nieuwe medewerkers en dit ter bescherming
van de minderjarigen (Decreet 3 juni 2022). Door die controle wordt vermeden
dat personen met bepaalde veroordelingen of een verbod om activiteiten uit te
oefenen die hen in contact brengen met minderjarigen worden aangesteld in
functies waarbij zij met minderjarigen in contact komen. Het Burgerlijk Wetboek
bepaalt dat de meerderjarigheid wordt bereikt op de leeftijd van 18 jaar.
In het verleden bestond de rechtsfiguur
van de verlengde minderjarigheid, een statuut dat werd op 1 juni 2014 opgeheven
en geïntegreerd in een algemeen beschermingsstatuut met het bewind als basis.
Het Decreet van 3 juni 2022 is enkel van toepassing op minderjarigen. Bijgevolg
kan een bewindvoerder of wettelijke vertegenwoordiger van een meerderjarige
persoon, die voordien door zijn/haar gezondheidstoestand onder het statuut van
verlengde minderjarigheid zou zijn gevallen, en die een medewerker wil aanstellen
met het oog op opvoeding, psycho-medische-sociale begeleiding, hulpverlening,
animatie en/of begeleiding, zich niet beroepen op het decreet van 3 juni 2022
om een uittreksel uit het strafregister van die kandidaat-medewerker te
controleren. Dergelijke uitbreiding is wenselijk voor kwetsbare meerderjarigen,
wat reeds werd opgenomen in het Vlaams actieplan Seksueel Geweld (2020-2024).
Federale wettelijke beperkingen verhinderen dit. Enkel het zogenaamde algemeen
model van het uittreksel uit het strafregister kan worden gebruikt voor
organisaties die werken met kwetsbare meerderjarigen, voor zover daarvoor een
rechtsgrond bestaat. Dit kan niet voor de bewindvoerder of wettelijke
vertegenwoordiger van de meerderjarige die een medewerker wil aanstellen. Meer
bepaald is een aanpassing van artikel 596 het Wetboek van Strafvordering
hiervoor noodzakelijk.
Is de minister bereid bij
hoogdringendheid een wetgevend initiatief te nemen teneinde deze lacune weg te
werken ter bescherming van kwetsbare meerderjarigen over wie een bewindvoerder
of wettelijke vertegenwoordiger werd aangesteld?
35.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, het Centraal Strafregister wordt gevoed door de informatie die het ontvangt van de hoven en rechtbanken, meer bepaald via de veroordelingsbulletins die worden opgesteld op basis van het vonnis of arrest en vervolgens door de griffies worden overgezonden aan het Centraal Strafregister.
Wanneer een veroordeling melding maakt van een door de wet voorziene verzwarende omstandigheid die verband houdt met de minderjarigheid of de kwetsbaarheid van het slachtoffer, wordt die in het register opgenomen. Dat is met name het geval bij misdrijven van seksuele aard. Veroordelingen wegens feiten gepleegd ten aanzien van minderjarigen worden vandaag onder bepaalde voorwaarden vermeld op het specifieke uittreksel bestemd voor activiteiten in contact met minderjarigen, zoals bedoeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.
Er bestaat op dit ogenblik echter geen specifiek uittreksel dat veroordelingen vermeldt wegens feiten gepleegd ten aanzien van kwetsbare personen of ten aanzien van beide categorieën van slachtoffers.
Wat een eventuele wetswijziging betreft, wens ik erop te wijzen dat het nieuwe Strafwetboek dat op 1 september in werking treedt, systematisch voor bepaalde misdrijven zowel de minderjarigheid als de kwetsbare toestand als verzwarend bestanddeel werd voorzien en dat het Centraal Strafregister deze opsplitsing eveneens heeft voorzien op het vlak van registratie. Voor zover deze informatie duidelijk uit het veroordelingsbulletin blijkt, zal het onderscheid ook kunnen worden gemaakt bij de registratie van de veroordeling en op het uittreksel.
Wat de hoogdringendheid van de vraag betreft, dient te worden meegedeeld dat, gelet op de talrijke wijzigingen die het Wetboek van strafvordering de afgelopen maanden reeds onderging, in het kader van de harmonisatie met het nieuwe Strafwetboek een wijziging op korte termijn en bij hoogdringendheid op dit punt niet is aangewezen. Het statuut van kwetsbare personen en hun bescherming via onder meer de verificatie van het uittreksel uit het strafregister is een complexe aangelegenheid die, zoals blijkt uit mijn antwoord, grondig dient te worden onderzocht en verder reikt dan enkel de wijziging van artikel 596 van het Wetboek van strafvordering. Het kan alleszins niet de bedoeling zijn om deze categorie van slachtoffers, zoals u suggereert, enkel te voorzien binnen de context van de bewindvoering over kwetsbare meerderjarigen.
35.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik heb uw antwoord gehoord, maar ik denk dat ik de vraag opnieuw zal indienen, want u hebt niet geantwoord op wat ik heb gevraagd. Ik heb niets gevraagd over uittreksels uit het strafregister enzovoort. Het gaat hier over een heel specifieke problematiek, mevrouw de minister. Ik neem u dat niet kwalijk. Het kan iedereen overkomen om op andere aspecten te antwoorden, maar ik wil het hier heel specifiek houden.
Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 2022 voorziet dat bepaalde organisaties die werken met minderjarigen aan bepaalde nieuwe medewerkers een uittreksel uit het strafregister moeten vragen. Vroeger werden personen met een geestelijke handicap op de leeftijd van 18 jaar verlengd minderjarig verklaard. Die verlengde minderjarigheid is afgeschaft en vervangen door het algemeen beschermingsstatuut, met het bewind als basis.
Daarbij blijft de beschermde persoon echter als meerderjarig beschouwd vanaf de leeftijd van 18 jaar. Wanneer diens bewindvoerder of wettelijke vertegenwoordiger iemand wil aannemen, beschikt hij niet over de mogelijkheid om dat specifieke uittreksel uit het strafregister te vragen, mevrouw de minister, omdat het Wetboek van strafvordering dat niet toelaat. Het Vlaams actieplan seksueel geweld dringt daar nochtans op aan, dus ik stel voor dat ik mijn vraag op een later tijdstip opnieuw indien, zodat u de gelegenheid hebt om na te gaan waarop ze specifiek betrekking heeft.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions suivantes sont reportées: les questions jointes n° 56016884C de Mme Marijke Dillen et n° 56016959C de M. François De Smet, la question n° 56016894C de M. Sam Van Rooy et les questions jointes n° 56016946C de M. Arthur Orlians et n° 56017043C de M. Alain Yzermans.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
36.01 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Pour les quatre questions jointes, je renvoie aux textes de mes questions.
Madame la ministre,
Je suis interpellée concernant la situation
des TIJ.
Lors des discussions sur la NPG, vous avez
indiqué que le paiement correct et en temps voulu des experts judiciaires, des
interprètes et des traducteurs constituait pour vous une priorité. Or, ils et
elles continuent à déplorer des retards parfois très importants - plus de 6
mois parfois entre la prestation et le paiement. Ceci résulte de l’accumulation
de retards et difficultés à chaque étape :
- les
autorités requérantes prennent parfois beaucoup de temps à faire parvenir les
approbations nécessaires à la facturation
- le traitement
des états de frais par les bureaux de taxation peut connaître des
retards considérables, qui selon le SPF justice découle d’un manque de
personnel pour traiter la charge administrative
- Il y a des retards également à l’étape de
la liquidation pour paiement. Pourtant, vous avez indiqué en mars dernier que
le fameux cavalier budgétaire 2.12.7 visait notamment à « permettre un paiement
rapide des acteurs de la Justice, notamment les interprètes et traducteurs ».
Les TIJ déplorent aussi une charge
administrative très importante. Depuis le passage à PEPPOL, les TIJ doivent
introduire d’une part un état de frais sur JustInvoice, d’autre part une
facture dans PEPPOL. En outre, toute erreur même de quelque centimes en défaveur
du SPF justice ferait l’objet d’une lourdeur administrative décourageante ;
dans le cas d’erreurs du SPF justice en défaveur des TIJ, ceux-ci choisissent
de renoncer à demander la correction tant c'est chronophage. Certains TIJ
parlent même de harcèlement administratif. Plus récemment, les factures PEPPOL
seraient massivement rejetées à cause de différences entre les plateformes de
facturation. Les TIJ concernés s'adressent aux bureaux de taxation qui n'ont
pas toute les réponses car c'est le SPF BOSA qui est responsable des factures.
- Y a-t-il des
perspectives d’amélioration prochaine des délais de paiement ? Des renforts de personnel dans
les bureaux de taxation sont-ils prévus ? Qu’en est-il de
la libération des budgets depuis la sortie des 12e provisoires ?
- Comment proposez-vous de réduire la charge
administrative pour les TIJ ? Comment PEPPOL et JustInvoice peuvent-ils être
mieux articulés pour réduire cette charge ? Est-il possible de désigner une
personne de contact pour les TIJ au SPF BOSA, qui gère la facturation ?
Je vous remercie.
Madame la ministre,
Je suis interpellée concernant les
inscriptions au registre national des traducteurs, interprètes et
traducteurs-interprètes jurés.
Plus précisément, il apparaît que des TIJ se
voient refuser l’accès à certaines langues, voire à la profession dans son
ensemble, par le comité d’admission avec des motifs qui posent question. Il
n’existe parfois aucune possibilité de remédier aux exigences du comité, car il
existe peu de centres de tests reconnus par le registre national et certaines
langues/variants/dialectes sont impossibles à tester.
Par exemple, l’on m’indique que la langue
arabe ferait désormais l’objet de différents variants géographiques, alors que
d’autres langues qui sont des langues officielles dans des dizaines de pays,
comme l’anglais ou le français, ne font pas l’objet de telles distinctions
géographiques.
En pratique, de nombreux TIJ ayant l’arabe
parmi leurs langues se voient donc refuser ou retirer l’accès aux variants
géographiques qu’ils ne maîtriseraient pas.
Outre la difficulté voire l’impossibilité de
prouver ses connaissances linguistiques, il en résulte une privation de revenus
pour les nombreuses personnes concernées, et un risque de pénurie pour
certaines langues ou variants - menant la justice à se tourner vers des
locuteurs qui ne sont pas formés comme TIJ, en raison de leur origine
géographique.
Voici mes questions :
Comment est assurée l’adéquation entre le
découpage linguistique par région géographique et les possibilités de prouver,
par des tests, la maîtrise des langues, variants, dialectes correspondant à ces
distinctions ?
Confirmez-vous que lorsqu’aucun prestataire
agréé n’est disponible, la justice fait appel à des personnes non
professionnelles, avec pour seul critère de sélection leur origine
géographique, sans qu’aucune garantie liées à la formation spécifique ou à la
déontologie ne soient présentes ? Comment la qualité des traductions ou
interprétations peut-elle être assurée dans ces cas ?
Ne serait-il pas utile que le comité
d’admission puisse compter en son sein sur l’expertise de terrain de personnes
exerçant le métier de TIJ et en connaissant donc tous les tenants et
aboutissants ?
Je vous remercie.
Madame la ministre,
Le tarif des prestations des traducteurs et
interprètes en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires est
réglé par un arrêté royal du 22 décembre 2016. Ces tarifs sont indexés, la
dernière circulaire à cet égard datant du 16 janvier 2026.
Je suis interpellée sur deux aspects des
tarifs s’agissant des traducteurs.
Premièrement, quatre tarifs de base existent
: un tarif de base par ligne lorsqu’il s’agit de traduire vers une langue à
logogrammes ; et trois tarifs de base différents par mot selon les langues.
Parmi ces trois tarifs, le couple de langues néerlandais-français est rémunéré
de façon considérablement plus faible que les autres langues, alors qu’il
représente un volume important des traductions à effectuer.
Deuxièmement, les traducteurs déplorent des
tarifs qui restent globalement faibles, et qui tirent vers le bas les tarifs
que ces prestataires peuvent demander par ailleurs sur le reste du marché. En
effet, les autres clients de ces prestataires ont connaissance des tarifs
pratiqués pour la justice, et revendiquent des prestations à des tarifs
similaires.
Il me revient que nombre de TIJ sont, en
raison de ces faibles tarifs et des difficultés de paiement, administratives et
d’autorisations relevées dans mes questions précédentes, en situation
financière particulièrement difficile. Les TIJ doit parfois repousser ou
renoncer à des investissements pourtant cruciaux pour leur pratique, comme un
nouvel ordinateur, par peur de ne pouvoir faire face à d’autres dépenses,
reporter des remboursements de crédits, etc.
Voici mes questions :
Quelle est l’évolution du nombre de TIJ
depuis 5 ans ?
Comment se justifie la différence de tarif
défavorable appliquée aux traductions néerlandais-français ? Une évolution
est-elle prévue pour revaloriser ces traductions ?
Une revalorisation généralisée est-elle
envisagée ?
Je vous remercie.
Madame la ministre,
Je suis interpellée concernant la sécurité
et la confidentialité du travail des traducteurices/interprètes juré.es.
Tout récemment, une interprète a été
grièvement blessée par un prévenu au cours de l’audition de celui-ci, alors
qu’elle consultait le dossier.
Il me revient que les prestataires sont
régulièrement confrontés à à des situations à risque sans bénéficier de
protections spécifiques, alors que leur rôle dans la bonne administration de la
justice est essentiel - ils et elles font partie des garant.es du droit au
procès équitable.
Voici mes questions :
- Les agressions ou incidents de sécurité
visant les interprètes sont-ils répertoriés ? Combien ont lieu chaque année ?
- Que mettez-vous en place ou que
prévoyez-vous de mettre en place pour répondre aux inquiétudes des interprètes
?
- Récemment, vous avez récemment indiqué
envisager d’instaurer l’anonymat pour les agents pénitentiaires, afin d’assurer
leur protection. S’agit-il d’une mesure que vous pourriez envisager pour
assurer la sécurité du travail des interprètes ?
Je vous remercie.
36.02 Annelies Verlinden, ministre: Collègue Hugon Lecharlier, nous travaillons sur ces questions à tous les niveaux. À court terme, les services s’emploient à résorber autant que possible l’arriéré existant. Il est vrai que la situation en matière de personnel a contribué à l’aggravation de cet arriéré.
Le service des frais de justice a formulé une demande de renforts sous contrat Rosetta pour certaines antennes et attend actuellement le retour de l’Inspection des finances. Pour l’antenne d’Eupen, une procédure de sélection vient de s’achever et devrait déboucher sur le recrutement d’un agent.
En 2025, 54 % des demandes de paiement traitées par les bureaux de taxation l’ont été dans un délai de 30 jours, avec un délai moyen de paiement de 36 jours. Pour le premier trimestre 2026, ce pourcentage s’élève à 54,7 %, avec un délai moyen de paiement de 35 jours.
Cet arriéré dépasse rarement deux mois à compter de la réception de la demande de paiement. Lorsqu’un prestataire est confronté à un délai plus important, c’est généralement parce que son dossier est incomplet ou nécessite des corrections ou la transmission d’informations complémentaires.
Le service informatique procède actuellement à diverses adaptations et à plusieurs développements afin d’accélérer et d’automatiser le processus de réception et de réorientation des factures Peppol.
Par ailleurs, une révision des procédures en matière de frais de justice a été entamée, notamment afin de rationaliser le traitement, par les différentes antennes du bureau de taxation, des dossiers réceptionnés via JustInvoice, l’application utilisée par les prestataires pour soumettre leurs états de frais accompagnés des pièces justificatives.
L’objectif est d’obtenir directement des autorités judiciaires les informations relatives aux prestataires et de rationaliser, simplifier et centraliser le processus dans un seul programme informatique, depuis la réquisition du prestataire jusqu’à la liquidation de ses frais, en intégrant les approbations ainsi que la facturation électronique. Toutefois, le paiement des traducteurs et interprètes jurés demeure soumis aux règles applicables à la comptabilité de l’État. Les services du SPF ont, à cet égard, entamé des démarches auprès du SPF BOSA.
En ce qui concerne le Registre national des experts judiciaires, nous comprenons que les avis rendus par la commission d’agrément et les décisions d’inscription au registre puissent ne pas satisfaire certains traducteurs et interprètes qui se voient refuser la validation de leurs compétences linguistiques.
Quoiqu’il en soit, conformément à l’art. 555/7 §2 du Code judiciaire, il appartient à la commission d’agrément d’apprécier la pertinence des éléments fournis par les candidats au regard de compétences sollicitées. Ces appréciations des compétences linguistiques se fondent sur l’art. 555/13b, qui précise que la preuve des compétences professionnelles des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés peut être apportée par tout diplôme obtenu ou toute preuve d’une expérience pertinente d’au moins deux ans, acquise durant une période de huit ans précédant la demande d’enregistrement, ou par toute autre preuve attestant de la connaissance de la ou des langues pour lesquelles il se fait enregistrer. De ce fait, la commission prend en compte l’ensemble des éléments du dossier et vérifie s’il permet de démontrer une maîtrise suffisante de chacune des langues sollicitées.
Concernant les langues et leurs variantes, nous devons travailler avec la nomenclature telle qu’elle existe. Pour l’instant, seul l’arabe et ses dialectes sont repris. De plus, d’après nos experts en langues, l’arabe est la seule langue qui comporte un nombre aussi important de variantes ou de dialectes, rendant parfois la compréhension entre les personnes qui les pratiquent très difficile, voire impossible. Dès lors, connaître un dialecte n’implique pas une maîtrise suffisamment approfondie et nuancée des autres dialectes. C’est pourquoi un grand nombre de dossiers de demandes d’inscription concernent l’arabe et ses dialectes, contre peu de dossiers pour d’autres langues et leurs variantes.
Concernant les tarifs, je peux vous indiquer que le tarif le plus bas, à savoir la traduction du français vers le néerlandais et du néerlandais vers le français, est notamment justifié par le nombre de traductions demandées. En 2014, 66 % de toutes les traduction requises faisaient partie de cette catégorie. Dans son avis du 20 septembre 2016 relatif au projet d’arrêté royal, la section législation du Conseil d’État a considéré de façon générale que les différences de traitement mentionnées semblaient compatibles avec le principe constitutionnel d’égalité et de non-discrimination. Une analyse est en cours afin de simplifier la tarification, ainsi que sa mise en application en général.
Sur la question des agressions et incidents de sécurité visant les interprètes, l'administration du SPF Justice n'en a pas systématiquement connaissance. Ces incidents n'étant actuellement pas répertoriés, nous ne pouvons fournir aucune statistique à ce sujet. Lorsque les services du SPF en sont informés, c'est soit par la presse, soit par les associations professionnelles. Le SPF Justice va interpeller les autorités judiciaires à ce sujet et demander une plus grande vigilance quant au bien-être des experts judiciaires lors des auditions.
36.03 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Merci beaucoup, madame la ministre pour vos réponses. Je vais essayer de faire une réplique générale sur tout. Au niveau des difficultés de facturation et des retards de paiement, j'entends qu'il y a de grosses difficultés liées aux différentes plates-formes de facturation. Certaines ne sont pas bien compatibles et donc, les factures sont rejetées. J'entendais aussi, mais vous en avez parlé, qu'il y avait des difficultés pour savoir à qui il faut s'adresser pour avoir les réponses aux questions techniques.
Merci pour les éléments sur le renfort en personnel.
Concernant la validation des langues, parmi mes questions figurait le fait de savoir s'il pouvait être envisagé de modifier la composition de la commission d'agrément puisqu'elle n'inclut pas, d'après mes informations, des interprètes et traducteurs jurés qui pratiquent ce métier au quotidien. On me relayait aussi que parfois, il n'y a pas vraiment de façon, de test qui existe en Belgique ou qui soit accessible pour permettre de prouver la connaissance de certaines langues ou variants régionaux.
Vous me dites que nous devons travailler avec la nomenclature telle qu'elle existe. Mais si on n'a personne qui couvre une certaine langue parce qu'on ne sait pas la tester, alors que fait-on quand on a besoin de quelqu'un pour cette langue-là? Est-ce qu'on s'adresse à n'importe qui? Cela n'assure pas non plus une confidentialité et une qualité suffisantes.
En ce qui concerne les tarifs, vous m’indiquez que 66 % du volume de traduction concerne la combinaison néerlandais-français. Cela signifie donc que 66 % du travail des traducteurs-interprètes jurés est, en réalité, rémunéré à un niveau inférieur au reste des prestations. Le principal groupe linguistique se trouve ainsi rémunéré à près de 30 % de moins.
Par ailleurs, les retours qui me sont transmis montrent que l’utilisation d’outils de traduction assistée par ordinateur n’est pas aussi simple qu’on pourrait le penser. D’une part, ces outils sont coûteux; d’autre part, la qualité des documents reçus est souvent insuffisante. Il s’agit fréquemment de dossiers papier envoyés par courrier ou de documents scannés de mauvaise qualité, que les logiciels ne peuvent pas traiter directement.
Dans ces cas, il est nécessaire de disposer d’un scanner, de passer les fichiers dans des logiciels de reconnaissance optique de caractères, puis de corriger et retravailler le résultat avant même de pouvoir entamer la traduction assistée à proprement parler. Le processus est donc loin d’être aussi simple qu’il n’y paraît.
Par ailleurs, si les mémoires de traduction peuvent être utilisées pour l’ensemble des langues, notamment par des professionnels expérimentés, les traducteurs-interprètes jurés peuvent également s’appuyer sur leur expertise, quelle que soit la langue concernée.
Les outils de traduction assistée efficaces et sécurisés sur le plan de la protection des données – ce qui est évidemment fondamental – restent cependant coûteux. De nombreux traducteurs se tournent dès lors vers des solutions gratuites ou peu onéreuses, au risque de compromettre, parfois sans en avoir conscience, la protection des données.
Je pense qu’il est essentiel, si nous voulons – et c’est évidemment notre objectif – garantir un travail professionnel et de qualité, il faut que la rémunération suive de manière équitable.
Une personne m’a d’ailleurs fait part de son expérience personnelle. Elle est traductrice-interprète jurée, titulaire d’un master, soumise à dix heures de formation continue par an et spécialisée dans des langues rares. Pourtant, elle est rémunérée au même tarif qu’une personne sans formation spécifique, sans exigences déontologiques particulières, et qui ne garantit pas la protection des données, simplement parce qu’elle aurait vécu cinq ans en Norvège. Cette personne me dit ne pas comprendre une telle situation, et je partage son interrogation.
En ce qui concerne la sécurité des personnes exerçant, surtout, en interprétariat, vous m’avez indiqué que ces situations n’étaient pas répertoriées et que vous attireriez l’attention sur cette problématique. Ne serait-il pas possible de mettre en place un mécanisme permettant de recenser ce type d’incidents de sécurité?
Il m’est rapporté que d’autres prestataires bénéficient, dans certains contextes, de numéros d’identification anonymes. Par ailleurs, lors d’auditions liées à des affaires de terrorisme ou de grand banditisme particulièrement sensibles, les officiers de police interviennent parfois de manière cagoulée et anonyme, tandis que les interprètes prestent à visage découvert, avec leurs nom et prénom affichés.
Or, ces personnes sont également exposées à des pressions et à des intimidations. Dès lors, elles souhaitent pouvoir bénéficier d’un numéro d’identification anonyme. Il s’agit, semble-t-il, d’une demande de longue date.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
37.01 Marijke Dillen (VB):
Het nieuwe Strafwetboek, één van de meest ingrijpende hervormingen van het
Belgische strafrecht van de afgelopen decennia, zou oorspronkelijk in werking
treden op 8 april 2026. Uiteindelijk werd die datum uitgesteld tot 1 september
2026 en dit na zeer lang aandringen van alle betrokken actoren op het terrein.
De magistratuur, de ganse rechterlijke orde, de politiediensten hadden
meermaals aangeklaagd dat op het terrein de inwerkingtreding absoluut
onvoldoende was voorbereid op de implementatie van het nieuw Strafwetboek. De
noodzakelijke harmonisatiewetgevingen waren niet gefinaliseerd, de IT-systemen
waren niet aangepast, enz. We staan nu vlak voor het gerechtelijk verlof en
vanaf 1 september zou in principe de inwerkingtreding vlekkeloos moeten
verlopen.
Kan u mij mededelen wat vandaag de juiste
stand van zaken is? Welke initiatieven heeft de minister genomen om ervoor te
zorgen dat binnen Justitie het nodige is gedaan voor een inwerkingtreding op 1
september a.s.? Kan de minister een gedetailleerd voortgangsrapport geven? Kan
de minister garanderen dat de inwerkingtreding op 1 september vlekkeloos kan
verlopen?
Zijn alle aanpassingen aan wetgevingen die behoren tot de bevoegdheid
van andere departementen en die dienden te worden geharmoniseerd met het nieuwe
Strafwetboek inmiddels voltooid? Wat is hier de juiste stand van zaken? Waar
dienen er nog noodzakelijke aanpassingen te worden doorgevoerd?
Welke concrete stappen werden er
ondernomen om de magistratuur, de griffies, het Openbaar Ministerie en de
politiediensten operationeel voor te bereiden op de inwerkingtreding
Zijn alle noodzakelijke IT-aanpassingen
binnen Justitie inmiddels aangepast aan de inwerkingtreding? Graag een
gedetailleerd overzicht.
Werden er sinds het uitstel nog andere
knelpunten vastgesteld die een mogelijke inwerkingtreding op 1 september a.s.
in gevaar zouden kunnen brengen? Zo ja, graag een gedetailleerd overzicht. Zijn
deze eventuele knelpunten voldoende zwaarwichtig zodat ze zouden kunnen leiden
tot de vraag van het terrein tot een nieuw uitstel?
37.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Dillen, ik wil er, overigens niet voor het eerst, op wijzen dat ik sinds mijn aantreden als minister van Justitie alles in het werk heb gesteld om het nieuwe Strafwetboek tijdig in werking te laten treden. Inmiddels zijn op het vlak van wetgeving een hele reeks wetten goedgekeurd met het oog op de harmonisatie van bijzondere wetgeving die geheel of gedeeltelijk tot de bevoegdheid van Justitie behoort, evenals tot wijziging van de wetten van 29 februari 2024 tot invoering van Boek 1 en Boek 2 van het Strafwetboek. Ook de vereiste uitvoeringsbesluiten die een correcte inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek moeten garanderen, zijn op het niveau van de FOD Justitie tijdig voorbereid.
Wat de wetgevingsinitiatieven van andere federale departementen en op deelstatelijk niveau betreft, ondersteunt de FOD Justitie hen, zoals ik ook al eerder heb gezegd, bij de voorbereiding van hun harmonisatiewetgeving. In hoeverre alle andere departementen klaar zijn met de harmonisatie, kunt u eigenlijk het best aan de bevoegde ministers vragen. Ik wil er wel opnieuw op wijzen dat zonder tijdig wetgevend optreden kan worden teruggevallen op het conversiemechanisme uit artikel 78 van het nieuwe Strafwetboek. Zoals u ook weet, zijn de nodige aanpassingen aan de Verkeerswet en de GAS-wet al in april van dit jaar goedgekeurd.
Wat uw vraag inzake de opleiding en voorbereiding van het gerechtspersoneel betreft, kan ik wijzen op de opleidingen die door het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) zijn voorzien en die worden gegeven door de experten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht. Daarnaast hebben het openbaar ministerie en de zetel intern verschillende initiatieven genomen om informatie en interne opleidingen ter beschikking te stellen van hun leden.
De noodzakelijke IT-aanpassingen ter ondersteuning van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek bevinden zich in een vergevorderd stadium van finalisatie. De verschillende betrokken toepassingen binnen Justitie werden geanalyseerd en waar nodig aangepast om de nieuwe strafrechtelijke kwalificaties, maar ook de procedures en registraties, correct te kunnen ondersteunen. Ook werd de nodige aandacht gegeven aan de vorming van de eindgebruikers en aan de informatiedoorstroming naar partners binnen de federale en gewestelijke overheden. Alle trajecten verlopen dus volgens planning en worden ook nauwgezet opgevolgd door de FOD.
Om de overgang maximaal te ondersteunen, wordt bovendien gedurende de eerste maand na de inwerkingtreding een hypercare-fase georganiseerd door alle betrokken ICT-partners. Tijdens die periode worden de toepassing en de operationele werking ervan nauwgezet opgevolgd, zodat eventuele incidenten of knelpunten snel kunnen worden gedetecteerd en verholpen. Ik kan u verzekeren dat er bijna dagelijks overleg is tussen alle betrokken actoren om de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 1 september vlot te laten verlopen. Na de inwerkingtreding zal er uiteraard ook een evaluatie volgen en zal er vanzelfsprekend op adequate wijze worden tegemoetgekomen aan eventuele knelpunten die zich mogelijk op het terrein zouden voordoen.
37.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik noteer dat op uw departement, bij Justitie, alles in orde is, dat de nodige koninklijke besluiten allemaal uitgewerkt zijn, zodat wat Justitie betreft het nieuwe Strafwetboek op 1 september in werking kan treden.
Wat mij wel een klein beetje verwondert, is dat u geen overzicht hebt van wat er bij andere departementen nog dient te gebeuren. U bent per slot van rekening enigszins de coördinerende minister wanneer het gaat over belangrijke harmonisatiewetgeving die nog niet aangepast is, wat trouwens een van de redenen was om uiteindelijk uitstel te verlenen. Ik zal bij uw collega’s navragen wat bij hen de stand van zaken is en wat er nog dient te gebeuren.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: M. De Smet a demandé le report de sa question n° 56017168C.
38.01 Marijke Dillen (VB):
Vorig jaar werd Brussel opgeschrikt door een bijzonder zware schietpartij
aan metrostation Clemenceau. Uit de vrijgegeven beelden blijkt duidelijk dat
een jongeman met een oorlogswapen maar liefst 23 kogels heeft afgevuurd. Deze
jongeman werd gevat en in het kader van de voorlopige hechtenis kreeg hij de
gunst met een enkelband thuis te mogen zitten in afwachting van zijn
proces. Wat kon worden verwacht gezien
de zware ernst van de feiten is ook gebeurd: hij heeft zijn enkelband
doorgeknipt en is met de noorderzon verdwenen. Zijn proces is inmiddels
ingeleid en het Openbaar Ministerie vorderde een gevangenisstraf van 16 jaar
tegen deze hoofdverdachte. Wat ook te verwachten was is dat deze jongeman niet
is verschenen en voortvluchtig blijft. Deze zaak legt opnieuw pijnlijke
tekortkomingen bloot in de aanpak van zwaar geweld en de opvolging van personen
die verdacht worden van bijzonder ernstige feiten. Los van de vaststelling dat
de minister zich niet mag mengen in een individueel dossier mag toch wel de
vraag worden gesteld hoe het mogelijk is dat een verdachte die zulke ernstige
feiten heeft gepleegd, tijdens zijn voorhechtenis niet in de gevangenis
verbleef maar de gunst van een enkelband heeft gekregen. De reactie van de
bevolking op sociale media laat aan duidelijkheid niet te wensen over: ook dit
is Justitie onwaardig.
Hoe kan het dat iemand die ervan verdacht
wordt met een oorlogswapen 23 kogels te hebben afgevuurd in een drukke Brusselse
buurt, onder elektronisch toezicht werd geplaatst in plaats van in voorlopige
hechtenis te blijven? Welke afwegingen hebben daartoe geleid?
Wanneer werd vastgesteld dat de verdachte
zijn enkelband had doorgeknipt? Hoeveel tijd is er verlopen tussen het
verbreken van het toezicht en het daadwerkelijk opsporen van deze verdachte?
Welke opsporingsmaatregelen zijn er genomen?
Gaat de minister een wetgevend initiatief
nemen om ervoor te zorgen dat beklaagden die zware criminele feiten hebben
gepleegd, zoals wapengeweld, drugscriminaliteit, georganiseerde criminaliteit,
ook tijdens de voorhechtenis niet meer in aanmerking kunnen komen voor een
enkelband?
38.02 Minister Annelies Verlinden: Mevrouw Dillen, zoals u weet is het, gelet op het geheim van het onderzoek, niet mogelijk voor mij om te communiceren over lopende strafonderzoeken. Bovendien kan ik, zoals u zelf aangeeft, ook in het licht van de scheiding der machten geen commentaar geven op individuele rechterlijke beslissingen.
In het algemeen kan ik verduidelijken dat elektronisch toezicht tijdens het gerechtelijk onderzoek ook een vorm van voorlopige hechtenis uitmaakt. Het feit dat een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht wordt uitgevoerd, is gebaseerd op een rechterlijke beslissing, waarbij een inschatting wordt gemaakt van het gevaar voor de openbare veiligheid.
Conform het regeerakkoord werken mijn diensten, zoals ik vandaag ook al heb herhaald, aan een wetsontwerp waarin onder meer voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht onmogelijk wordt voor verdachten van bepaalde categorieën strafbare feiten. Daarbij bekijken we ruimer de inzet van voorlopige hechtenis met het oog op een efficiënt en effectief strafrechtbeleid.
38.03 Marijke Dillen (VB): Mevrouw de minister, ik ben benieuwd naar uw wetgevend initiatief. Hebt u daarvoor al een timing? Ik denk dat dit, gelet op deze feiten, iets is dat prioritair moet worden behandeld.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
39.01 Alexander Van Hoecke (VB): Ik zou naar mijn schriftelijke vraag verwijzen, maar ik ga dat niet doen, want de actualiteit heeft mijn vraag wat ingehaald.
Een jaar geleden werd de vzw Moslimraad van België opnieuw tijdelijk erkend als representatief orgaan voor de islamitische eredienst. Deze erkenning loopt tot en met morgen. U hebt eind vorige week echter een beslissing genomen om die tijdelijke erkenning nog een jaar te verlengen.
Mijn eerste vraag luidde welke beslissing u zult nemen. Die beslissing kennen we ondertussen.
Mijn tweede vraag was wanneer deze beslissing per KB zal worden voorgelegd. Is dat koninklijk besluit er al? Wanneer wordt het gepubliceerd?
Met welke precieze financiering zal de verlenging van de tijdelijke erkenning gepaard gaan?
Vorig jaar stelde de Moslimraad dat hij tussen de 60 en 65% van de moskeeën in dit land zou hebben verenigd. Hoe groot is dat aandeel vandaag? Dat was natuurlijk een belangrijke opdracht die dat representatief orgaan had gekregen, namelijk zoveel mogelijk moskeeën verenigen om het draagvlak te vergroten, zoals u zei. Hoe wordt er tegemoet gekomen aan het gebrek aan draagvlak? Vorig jaar was dit de reden om niet over te gaan tot een definitieve erkenning, maar tot een verlenging van de tijdelijke erkenning.
Tot slot, de crux, de essentie. Hebben er zich ondertussen ook moskeeën van Diyanet en Mili Görüs aangesloten bij het representatief orgaan? U weet dat als u naar een volledig representatief orgaan wil gaan, waar 90 % tot 95 % van de moskeeën in het land zich bij aansluiten, moeten Diyanet en Mili Görüs er ook bij. Hebben die moskeeën, instrumenten van buitenlandse inmenging, die vanuit het buitenland gestuurd worden, zich ondertussen aangesloten bij de Moslimraad, of niet?
39.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, er werd beslist om de tijdelijke erkenning van de vzw Moslimraad van België als representatief orgaan voor de islamitische eredienst opnieuw te verlengen met één jaar tot en met 25 juni 2027. Het koninklijk besluit werd op 12 juni ondertekend, op 19 juni gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en treedt in werking op 26 juni.
Tijdens de voorbije overgangsperiode heb ik verschillende overlegmomenten georganiseerd met de Moslimraad en op basis van hun rapporteringen heb ik kunnen vaststellen dat er concrete stappen richting de totstandkoming van een transparant bestuursmodel zijn gezet. Hoewel dit vernieuwingsproces onmiskenbare vooruitgang heeft geboekt, dient tegelijk te worden vastgesteld dat de representativiteit van het orgaan een aandachtspunt blijft. De islamitische gemeenschap in België is zeer divers en we vernemen dat een groot deel van de moskeeën niet breed betrokken is bij de werking van de Moslimraad.
Het is onze overtuiging dat er nog verdere inspanningen kunnen worden geleverd en dat er nog opportuniteiten bestaan om de representativiteit te vergroten. Deze bijkomende verlenging biedt dan ook de nodige tijd en ruimte om het vernieuwingsproces op korte termijn verder te zetten en de representativiteit te versterken, waarbij ook van niet-vertegenwoordigde actoren een bereidheid tot dialoog wordt verwacht.
In haar hoedanigheid van voorlopig representatief orgaan ontvangt de vzw Moslimraad een werkingssubsidie. Die subsidie dekt kosten zoals bureaumateriaal, verzekeringen, huur, bankkosten, juridische kosten, verplaatsingskosten van het personeel van de administratie van het representatief orgaan en ook de organisatie van personeelsopleidingen.
39.03 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
U hebt echter niet geantwoord op mijn laatste vraag, die de meest essentiële is, namelijk of er zich al moskeeën van Diyanet en Mili Görüs hebben aangesloten. Dat is de essentie. Als men naar een volledig representatief orgaan wil gaan dat zoveel mogelijk moskeeën vertegenwoordigt, dan moeten ook Diyanet en Mili Görüs daarin opgenomen worden. Dat is de consequentie van uw eis om zo representatief mogelijk te zijn.
Ik ben ervan overtuigd dat we dat moeten loslaten. We weten dat Diyanet en Mili Görüs instrumenten van buitenlandse inmenging zijn, dat dat eigenlijk de lange arm van Erdogan in Europa is. Dat staat vast en uw collega-minister in de Vlaamse regering, minister Crevits, heeft dat ook erkend. Ik vraag mij dus af waar we dan eigenlijk nog mee bezig zijn. Wie proberen we nog te overtuigen om aan boord te hijsen? Wie willen we dat er per se nog aan de knoppen zit bij die Moslimraad, die wel heel belangrijke beslissingen neemt?
De bevoegdheid om dat representatief orgaan aan te duiden is federaal, maar alle beslissingen die betrekking hebben op de erkenning van moskeeën, op godsdienstonderwijs, al die zaken die gelinkt zijn aan de Moslimraad, is een deelstaatbevoegdheid. De Vlaamse regering zegt heel duidelijk dat de moskeeën van Diyanet een probleem vormen en dat het geen nieuwe moskeeën van Diyanet meer zal herkennen. Tegelijkertijd wordt er op federaal niveau gepleit dat Diyanet en ook Mili Görüs worden opgenomen in het orgaan dat mee moet beslissen over de erkenning van nieuwe moskeeën. Dat lijkt mij een heel absurde situatie, mevrouw de minister.
U weet dat ik daar regelmatig vragen over stel en ik zal dat het komende jaar ook blijven doen en dat blijven opvolgen. Ik denk dat we ons er heel dringend over moeten bezinnen welke richting we uitwillen met die Moslimraad en wat we precies bedoelen met representativiteit. Ik denk dat dat immers de deur openzet voor heel veel zaken die we niet willen in dit land.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
40.01 Alexander Van Hoecke (VB): Op 15 juni werd in het Limburgse Dilsen-Stokkem een
71-jarige man op het terras van een café langs achter aangevallen met een mes.
Getuigen stellen dat de verdachte M.S. van 31 jaar hem de keel oversneed.
Vervolgens stak hij het slachtoffer ook nog in de buikstreek.
Het 71-jarige slachtoffer vierde op de
bewuste dag zijn verjaardag. De verdachte M.S. kwam al enkele weken langs bij
het café en stond erom bekend om sigaretten te bedelen en klanten lastig te
vallen. De 71-jarige man stelde M.S. voor om naar huis te gaan. Dat deed de
verdachte ook, maar iets later keerde hij terug naar het café om er het
slachtoffer de keel over te snijden.
De man is ondertussen opgepakt en zou
gekend zijn bij de politie. Hij werd ondertussen voorgeleid bij de
onderzoeksrechter.
Is de verdachte van dit gruwelijk voorval
nog steeds aangehouden?
Klopt het dat de verdachte al gekend was
bij de politie en indien ja, voor welke feiten?
Werd de man al eerder veroordeeld? Zo ja, voor welke feiten, wanneer en welke straf kreeg hij daarvoor?
40.02 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, ik kan u bevestigen dat de betrokkene werd aangehouden. Hij verscheen gisteren, 23 juni 2026, voor de raadkamer.
Voor het overige kan ik gezien het geheim van het onderzoek en de bescherming van de persoonsgegevens op dit moment niet meer informatie verstrekken.
40.03 Alexander Van Hoecke (VB): Ik dank u voor uw antwoord.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Les questions jointes n° 56017208C de Mme Marijke Dillen et n° 56017285C de M. Alain Yzermans ainsi que la question n° 56017210C de M. Sam Van Rooy sont reportées.
41.01 Marijke Dillen (VB): Meer en meer krijg ik berichten dat cipiers in
verschillende gevangenissen een late dienst onmiddellijk opgevolgd zien door
een vroege dienst. Dergelijke dienstroosters roepen ernstige vragen op over de
naleving van de arbeidswetgeving, zoals o.m. de minimale rusttijden. Een
minimale rusttijd van 11 uur dient immers te worden gerespecteerd. Maar dit
heeft ook ernstige gevolgen voor het welzijn van het penitentiair personeel. De
werkdruk waarmee het penitentiair personeel vandaag wordt geconfronteerd is al
bijzonder hoog. Zulke dienstroosters bevorderen het welzijn van de cipiers
allesbehalve. Dit zorgt ook vermoeidheid voor de betrokken cipiers wat gevolgen
kan hebben voor de veiligheid. Het is dan ook onaanvaardbaar dat cipiers die
instaan voor de bewaking van gedetineerden en de veiligheid binnen de
gevangenismuren na een beperkte
rustperiode een nieuwe dienst moeten presteren.
Is de minister op de hoogte van
dergelijke dienstroosters binnen de gevangenissen? Zo ja, welke maatregelen zal
de minister nemen om ervoor te zorgen dat de rusttijden strikt worden nageleefd
en dat de veiligheid van zowel het personeel als de gedetineerden niet in het
gedrang komt? Zo neen, gaat de minister de directeurs van alle gevangenissen in
dit land contacteren om hen erop te wijzen dat dergelijke dienstroosters
indruisen tegen de naleving van de arbeidswetgeving?
Kan de minister een gedetailleerde
toelichting geven betreffende de wettelijke en reglementaire bepalingen die de
minimale rusttijd tussen twee diensten van het penitentiair personeel regelen
zodat hierover in de toekomst geen twijfel meer kan bestaan?
Heeft de minister klachten gekregen
betreffende afwijkingen op de normale rusttijden? Zo ja, graag een
gedetailleerd overzicht per gevangenis op jaarbasis sinds 2023?
41.02 Minister Annelies Verlinden: Dank u wel, collega Dillen. In bepaalde gevallen komt het inderdaad voor dat tussen twee shifts minder dan 11 uur rusttijd wordt gepland. Dat wordt beperkt tot het hoogstnoodzakelijke om de dienst correct te kunnen organiseren en de veiligheid te kunnen garanderen.
In de planningstool SPX verschijnt een waarschuwing – een pop-upbericht – wanneer de planner twee shiften inplant met een rusttijd van minder dan 11 uur ertussen.
De wet van 14 december 2000 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de overheidssector bepaalt dat werknemers in elk tijdvak van 24 uur tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid recht hebben op ten minste elf opeenvolgende uren rust.
Artikel 5, § 2, 3° van die wet staat evenwel toe om van die regel af te wijken voor bewakings-, toezichts- en wachtdiensten die verband houden met de noodzakelijke bescherming van goederen en personen. Een dergelijke afwijking is dus toegestaan voor de penitentiair bewakingsassistenten. Bij een afwijking moeten gelijkwaardige perioden van inhaalrust worden toegekend in de loop van de volgende 14 dagen.
Het arbeidsreglement van de bewakingsassistenten bepaalt bovendien dat het niet is toegestaan om twee opeenvolgende shifts te plannen. Bij onvoorziene afwezigheden kan een beroep worden gedaan op overuren. In dat geval zet het personeelslid zijn dienst voort buiten de normale diensturen, dus buiten de shift van 8 uur. Een andere mogelijkheid is een personeelslid dat niet in de planning was opgenomen binnen de 24 uur op te roepen voor een volledige shift. Die twee mogelijkheden moeten worden toegepast met naleving van voormelde regels uit de wet van 14 december 2000. Voor zover ons bekend, zijn er geen formele klachten geregistreerd over afwijkingen van de arbeidstijden.
41.03 Marijke Dillen (VB): Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister. Op papier is de regelgeving natuurlijk mooi, maar ik krijg steeds meer klachten over inbreuken daarop: een late dienst wordt vaak onmiddellijk gevolgd door een vroege dienst. Ik hoef u er niet van te overtuigen dat dit allesbehalve in het belang is van de cipiers. Integendeel, het heeft gevolgen voor hun welzijn en voor de werkdruk, die vandaag door andere omstandigheden al zeer hoog is. Het heeft ook gevolgen voor de veiligheid. Die mensen raken oververmoeid en wie vermoeid is, is minder alert.
Ik wil er daarom op aandringen dat dit tot een absoluut minimum wordt beperkt en dat u ook eens navraag doet op het terrein. Als mensen het mij komen vertellen, mevrouw de minister, zullen ze hun ongenoegen wellicht ook tegenover andere diensten uiten, ook al dienen ze geen formele klacht in.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: La question suivante est la question n° 56017305C de M. De Smet, qui en a demandé le report.
Nous arrivons donc à la fin de l'ordre du jour normal et pouvons revenir aux questions qui n'ont pu être traitées à leur arrivée. Je remercie chacun et chacune pour sa patience. Il y avait d'abord une question jointe de M. Van Hecke et Mme Dillen. Monsieur Van Hecke, tous les collègues ont accepté d'attendre votre retour. Nous pouvons donc les saluer pour leur patience.
42.01 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): De voorbije jaren waren er meerdere ernstige
incidenten waarbij beëdigd tolken tijdens hun opdracht slachtoffer werden van
geweld. Recent raakte een tolk zwaar gewond tijdens een politieverhoor nadat
een verdachte haar meerdere slagen had toegebracht. Eerder waren er
gelijkaardige incidenten op een correctionele zitting in Hasselt en tijdens een
voorleiding bij een onderzoeksrechter in Leuven.
Uit communicatie met de FOD Justitie
blijkt dat de Staat in principe zijn eigen verzekeraar is en geen specifieke
verzekeringspolis afsluit voor tolken die tijdens hun opdracht slachtoffer
worden van agressie. Daarnaast voorziet artikel 555/11, §2, van het
Gerechtelijk Wetboek in de mogelijkheid om een anoniem identificatienummer toe
te kennen wanneer de identiteit van een deskundige, vertaler of tolk om
veiligheidsredenen moet worden afgeschermd, maar het noodzakelijke
uitvoeringsbesluit lijkt nog steeds te ontbreken. Tot slot vallen beëdigd
vertalers en tolken vandaag niet onder de limitatieve lijst van personen met
een maatschappelijke functie in artikel 79, 4°, van het nieuwe Strafwetboek.
Daarom heb ik volgende vragen:
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar een
overzicht geven van het aantal incidenten waarbij beëdigd vertalers, tolken of
vertalers-tolken tijdens een opdracht voor politie of justitie slachtoffer
werden van agressie of geweld? Graag opgesplitst per jaar, aard van de opdracht
en plaats van het incident.
Klopt het dat er binnen Justitie geen
specifieke verzekering bestaat voor beëdigd tolken die tijdens een opdracht in
strafzaken slachtoffer worden van geweld? Op welke manier kunnen getroffen
tolken vandaag hun lichamelijke of materiële schade verhalen?
Acht u het wenselijk dat getroffen tolken
zelf een gerechtelijke procedure moeten opstarten om schadevergoeding te
bekomen? Wordt een snellere en laagdrempeligere schaderegeling onderzocht?
Werd sinds de eerdere incidenten een
risicoanalyse uitgevoerd over de veiligheid van beëdigd tolken bij opdrachten
voor politie en justitie? Zo ja, welke maatregelen volgden daaruit? Zo nee,
bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke concrete veiligheidsmaatregelen
bestaan vandaag voor tolken bij politieverhoren, voorleidingen, zittingen en
andere risicovolle opdrachten? Bestaan hierover uniforme richtlijnen?
Wat is de stand van zaken van het
uitvoeringsbesluit bij artikel 555/11, §2, van het Gerechtelijk Wetboek?
Wanneer zal het systeem van anonieme identificatienummers effectief toepasbaar
zijn?
Bent u bereid te onderzoeken of beëdigd
vertalers, tolken en vertalers-tolken moeten worden toegevoegd aan de lijst van
personen met een maatschappelijke functie in artikel 79, 4°, van het nieuwe
Strafwetboek?
42.02 Marijke Dillen (VB): “Wanneer krijgen beëdigd vertalers-tolken de
bescherming die hun functie verdient?", was de titel van een artikel in
een vooraanstaand juridisch platform. De recente mediaberichtgeving over een
beëdigd tolk die zwaar gewond geraakte tijdens een politieverhoor na een
fysieke aanval door een verdachte. Dit incident staat niet op zichzelf maar
illustreert een structureel probleem. Beëdigd tolken en vertalers-tolken
opereren in een steeds risicovollere context zonder aangepaste wettelijke
bescherming of sluitende veiligheidsmaatregelen. Dit is geen nieuw probleem.
Reeds in 2022 vroeg de beroepsvereniging maatregelen omdat geweld, bedreigingen
en intimidatie steeds vaker voorkomen.
Het nieuw Strafwetboek voorziet in
verzwarende omstandigheden bij geweld tegen personen die een maatschappelijke
functie uitoefenen. Beëdigd vertalers en tolken ontbreken in de limitatieve
opsomming. Het contrast is schrijnend: tolken en vertalers werken dagelijks
samen met professionals die wel beschermd worden door verzwarende
strafmaatregelen voor daders van geweldpleging, terwijl ze zelf onbeschermd
blijven. Is de minister bereid om bij hoogdringendheid een wetgevend initiatief
te nemen om ook deze beroepsgroep op te nemen in de lijst van personen die een
maatschappelijke functie uitoefenen?
Kan de minister een overzicht geven van
de veiligheidsmaatregelen die vandaag worden toegepast bij verhoren bij de
Politie, bij voorleidingen en zittingen?
De vraag rijst wie er verantwoordelijk is wanneer tolken en
vertalers-tolken slachtoffers worden van geweld tijdens hun werk toegebracht
door een persoon onder toezicht van Justitie. In praktijk kunnen getroffenen gedwongen
worden tot jarenlange procedures voor de rechtbank om schadevergoeding te
krijgen. Kan de minister duidelijk bevestigen dat Justitie hiervoor de
verantwoordelijkheid draagt en dossiers m.b.t. geweld tegen vertalers en tolken
bij prioriteit zal afhandelen? Bestaat er een verzekering?
Naast fysieke bescherming blijkt ook de
bescherming van de identiteit van tolken en vertalers problematisch. Het Ger.
Wb. voorziet in de mogelijkheid voor gerechtsdeskundigen, vertalers en tolken
om via een anoniem identificatienummer op te treden in gevoelige dossiers maar
volgens de Raad van State zijn hier wetswijzigingen nodig. Wanneer gaat de
minister eindelijk een wetgevend initiatief nemen?
42.03 Minister Annelies Verlinden: Noch de FOD Justitie, noch het College van hoven en rechtbanken, noch de politie beschikt over cijfers hieromtrent. De diensten van de FOD Justitie worden niet systematisch geïnformeerd over incidenten die zich voordoen tijdens tussenkomsten van beëdigd tolken bij de politie of bij de hoven en rechtbanken. Zij hebben wel kennisgenomen van bepaalde feiten via de pers en via enkele beroepsverenigingen. De FOD Justitie zal dit bespreken met de verenigingen en met hen nagaan in welke mate opleidingen inzake agressiebeheersing kunnen worden georganiseerd en aangeboden aan hun leden.
Wat de reactie op agressie betreft, geldt, zoals voor elk slachtoffer van een misdrijf, dat een gerechtelijk dossier moet worden geopend. Dat kan gebeuren op initiatief van de gerechtelijke overheid in geval van heterdaad, wanneer de feiten zich voordoen in aanwezigheid van de politie of een magistraat, of naar aanleiding van een klacht die door de tolk wordt ingediend. Aangezien de Staat zijn eigen verzekeraar is voor arbeidsongevallen, moet worden onderzocht in welke mate de contractuele banden die ons met de beëdigd tolken verbinden, de Staat zouden toelaten om in dit kader tussen te komen, aangezien zij werken onder het statuut van zelfstandige.
Ik spreek wel mijn volledige steun uit aan het slachtoffer en herinner aan de onmisbare rol van tolken voor het goede verloop van politie- en gerechtelijke procedures. Politieverhoren verlopen binnen een strikt wettelijk kader dat de rechten van de gehoorde personen, evenals de veiligheid van alle betrokkenen, moet waarborgen. Op het vlak van veiligheid wordt elke situatie afzonderlijk beoordeeld. Overeenkomstig de geldende referentiekaders van de politie, met name CP3 en de omzendbrief GPI 62ter, wordt elk incident geanalyseerd om de precieze omstandigheden vast te stellen en er nuttige lessen uit te trekken.
Het komt toe aan de betrokken korpschef, de bevoegde gerechtelijke overheden en de controleorganen, zoals de AIG en het Comité P, om de feiten volledig op te helderen en, in voorkomend geval, eventuele disfuncties vast te stellen. Meer in het algemeen berust de organisatie van verhoren op een voorafgaande risicoanalyse, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de aard van de feiten en het profiel van de gehoorde persoon. Op basis daarvan worden aangepaste maatregelen genomen, zoals de inrichting van de lokalen, de beheersing van de omgeving en een voldoende politieaanwezigheid. De veiligheid van tolken maakt integraal deel uit van die aanpak. Zij worden geïnformeerd over het verloop van het verhoor, met inbegrip van alle veiligheidsaspecten.
De beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken zijn momenteel niet opgenomen in de lijst van personen die een maatschappelijke functie uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 79, § 4, van het nieuwe Strafwetboek. Er dient verder te worden onderzocht of beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken eveneens onder dit beschermingsregime moeten worden opgenomen.
42.04 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoorden.
Ik begin met uw laatste antwoord. Het is inderdaad goed dat te onderzoeken. De vraag stellen is ook de suggestie doen dat we daarvoor openstaan en denken dat dat ook belangrijk kan zijn, zeker in bepaalde delicate zaken, waar de naam, de identiteit van de tolken wordt vermeld op documenten. Zij kunnen nadien dus worden geïdentificeerd. Aangezien dat toch delicaat is, verzoek ik u dat verder te onderzoeken en verder in dialoog te gaan met de beroepsvereniging, die de nodige kennis heeft, op de hoogte is van wat op het terrein gebeurt en dat op een ernstige manier aanpakt en aanbrengt. Ik dank u om dat zeker verder op te volgen.
42.05 Marijke Dillen (VB): Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik sluit me graag aan bij de repliek van de heer Van Hecke. Het is zeker de moeite waard om dat te onderzoeken voor deze beroepscategorie en misschien nog een paar andere beroepscategorieën die intussen hoe langer hoe meer het slachtoffer worden van geweld tijdens de uitoefening van hun opdracht. Ik denk bijvoorbeeld aan recente gevallen van zware agressie tegen huisvuilophalers. Er zijn nog andere categorieën. Vertalers en tolken verdienen zeker die bescherming.
Ten tweede moet er ook werk worden gemaakt van de mogelijkheid om via een anoniem identificatienummer op te treden in gevoelige dossiers. Volgens de Raad van State is ook daarvoor een wetswijziging nodig. Ik hoop dat u daar ook aandacht aan besteedt.
Tot slot, mevrouw de minister, weet ik niet of u dat artikel in de Juristenkrant gelezen hebt, op basis waarvan ik mijn vraag heb opgesteld. Ik keek toch op dat, naar aanleiding van de mediaberichtgeving over een beëdigd tolk die zwaargewond is geraakt tijdens een politieverhoor, wordt gesproken van een structureel probleem. Dat wil zeggen dat het meer en meer voorkomt. Dat moet dus zeker uw aandacht verdienen.
Mijnheer de voorzitter, mag ik even een vraag stellen? Ik heb de vraag over de noodwet gevangenissen en de kritiek uitgesteld. Eigenlijk is dat vanochtend al uitvoerig aan bod gekomen. Ik weet niet of de heer Van Hecke eraan houdt om die vraag te stellen, anders zou ik die willen terugtrekken.
42.06 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik ga daarmee akkoord. Het is vanmorgen aan bod gekomen.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
43.01 Caroline Désir (PS): Madame la ministre, l'inceste est depuis 2024 une infraction à part entière dans notre Code pénal, qui le définit comme "l'acte à caractère sexuel commis au préjudice d'un mineur par un parent ou allié ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille".
Mettre un nom sur ce phénomène est un premier pas, mais c'est évidemment insuffisant pour visibiliser et lutter efficacement contre cette réalité insoutenable. Cette reconnaissance de l'inceste ne doit pas occulter le fait que ce phénomène est encore mal connu dans notre pays. Pourtant, disposer de données fiables et de contours clairs est indispensable pour lutter efficacement contre ce drame qui touche chaque année des milliers d'enfants.
En France, en 2020, le gouvernement a mis en place la Commission indépendante sur l'inceste et les violences sexuelles faites aux enfants (CIIVISE) qui a été chargée d'étudier l'inceste par l'organisation d'auditions publiques de victimes et d'experts et, sur cette base, de produire des recommandations. Le rapport produit en 2023 est riche d'enseignements tant sur le plan quantitatif que qualitatif. Par exemple, il met en lumière que chaque année, en France, 160 000 enfants sont victimes de violences sexuelles.
Chez nous, les chiffres semblent inexistants. Cette carence des pouvoirs publics dans notre pays en la matière a, comme ce que nous avions vécu au sujet du féminicide, poussé la société civile à s'organiser afin de compiler des données sur le phénomène. Les collectifs Patouche et Ensemble contre l'inceste se sont associés afin de récolter des données chiffrées, qui ont été rendues publiques lors d'une soirée organisée vendredi dernier, le 19 juin.
À mon sens, il est difficilement acceptable que l'associatif doive pallier l'inertie des pouvoirs publics en investiguant une problématique sociale si grave, qui touche les personnes les plus vulnérables, qui plus est par le biais d'une récolte de fonds privés. Entretemps, les résultats sont tombés. L’estimation est qu’environ 7 % des Belges disent avoir été victimes d’inceste, selon la définition donnée aujourd'hui par le Code pénal. Cela monterait même à 9 % si on y incluait les cousins et les cousines. En plus, les femmes sont bien davantage touchées que les hommes.
Madame la ministre, à ce stade, disposez-vous de données chiffrées qui permettraient d'identifier les premiers contours de l'ampleur de l'inceste dans notre pays?
Quelles sont les mesures mises en place par le gouvernement afin de mener une lutte efficace contre les violences sexuelles à l'égard des mineurs?
Que pensez-vous de l'idée d'organiser chez nous une commission indépendante sur l'inceste et les violences sexuelles faites aux enfants, à l'instar de ce qui a été mis en place en France et qui a permis de mettre en lumière l'ampleur du phénomène? Je vous remercie.
43.02 Annelies Verlinden, ministre: Collègue Désir, en ce qui concerne la perception du phénomène criminel de l'inceste, je peux d'ores et déjà renvoyer à ma réponse à la question n° 127 de Mme Sophie De Wit. En ce qui concerne les statistiques criminelles intégrées de la police fédérale qui donnent un aperçu de la criminalité enregistrée, j'attire l'attention sur le rapport des statistiques criminelles publié sur leur site.
Si vous souhaitez des chiffres plus précis, je vous invite à adresser cette question par écrit. Le fait que l'inceste n'ait jamais été considéré avant 2022 comme une infraction aggravée distincte, comme c'est désormais le cas à l'article 417/18 du Code pénal, mais uniquement comme une circonstance aggravante ne signifie certainement pas que ce phénomène n'ait pas été pris au sérieux au fil des années, y compris au cours de cette législature.
Deux exemples de progrès récents dans notre politique en matière d'abus sexuels sur mineurs sont à souligner.
Premièrement, la COL 13 de 2025 relative à la politique criminelle en matière de cyberviolence contre les personnes, qui accorde une attention spécifique aux directives destinées à la police et au parquet concernant les violences sexuelles numériques, un phénomène en forte augmentation ces dernières années.
Deuxièmement, la création des Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), où les mineurs peuvent également bénéficier d'un accueil et d'une prise en charge holistique après des faits de violence sexuelle, comprenant notamment un examen médical et médico-légal, ainsi qu'un accueil et, le cas échéant, une audition particulièrement respectueuse des victimes, assurée par des inspecteurs de police spécialement formés à cet effet. Compte tenu des recommandations de la commission d'enquête parlementaire fédérale et après analyse de l'impact budgétaire, nous poursuivons, en collaboration avec les collègues et partenaires concernés, le déploiement des CPVS à l'échelle nationale.
Nous soutenons en outre les travaux au niveau européen, où une révision de la directive visant à renforcer le droit pénal en matière d'abus sexuels et d'exploitation sexuelle des enfants est en cours.
Enfin, nous examinons avec l'ensemble des partenaires concernés la manière dont nous pouvons donner davantage suite aux recommandations de la commission d'enquête parlementaire de 2024. Il subsiste un besoin d'expertise complémentaire et de politiques coordonnées dans le domaine des abus sexuels sur enfants, et nous étudions comment y répondre dans le cadre d'un prochain plan d'action national.
43.03 Caroline Désir (PS): Merci, madame la ministre, pour les différents éléments de réponse. J’irai évidemment consulter la réponse à la question relative à la criminalité enregistrée afin d'étayer les chiffres. Je vous remercie également pour votre réponse concernant les CPVS. Il s’agit effectivement d’une avancée importante, y compris pour les mineurs. Je pense néanmoins que, pour mener une politique proactive – et vous avez à cet égard un rôle primordial à jouer en tant que ministre de la Justice –, nous devons disposer de données permettant de mesurer l’ampleur réelle du phénomène. Les chiffres de la criminalité enregistrée ne concernent en effet que les personnes qui ont porté plainte. Ils ne donnent donc qu’une image partielle de la réalité. C’est précisément ce qu’a permis de mettre en évidence la commission mise en place en France.
Celle-ci a d’ailleurs contribué à déclencher une forme de mouvement "MeTooInceste" dans le pays. C’est ainsi qu’il est apparu qu’environ deux enfants par classe sont concernés en France. Malheureusement, rien ne permet de penser que la situation serait fondamentalement différente en Belgique. Je crois sincèrement qu’il s’agit d’un phénomène qui mériterait une attention beaucoup plus soutenue et, sans doute, un travail conjoint avec les collègues des entités fédérées, puisque d’autres niveaux de pouvoir sont également compétents en matière de prévention, de protection de la jeunesse, etc. Je pense qu’une approche coordonnée serait particulièrement pertinente sur cette question.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
44.01 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): In december 2025 verplichtte het hof van beroep in
Bergen het federaal parket om het spoor van de Franse gangsterbroers Thierry en
Xavier Sliman alsnog te onderzoeken. In dat kader werden op 27 mei 2026 in
Charleville-Mézières drie lichamen opgegraven: dat van Xavier Sliman en dat van
zijn beide ouders. De afgenomen DNA-stalen zouden kunnen worden vergeleken met
DNA-sporen uit het Belgische dossier.
Volgens de advocaat van een aantal
slachtoffers en nabestaanden, bleef het DNA-staal weken liggen in een labo in
Reims. Volgens hem waren de Belgische autoriteiten niet aanwezig bij de
opgravingen en zou de overdracht van de stalen naar België nog niet zijn
gebeurd. Het federaal parket stelt daartegenover dat het om een Europees
onderzoeksbevel gaat, dat de uitvoering bij de Franse autoriteiten ligt, en dat
de nodige stappen werden ondernomen om de overdracht zo spoedig mogelijk te
organiseren.
Voor de nabestaanden is elke bijkomende
vertraging moeilijk te begrijpen. Zij wachten al meer dan veertig jaar op
duidelijkheid. Wanneer er eindelijk een concreet onderzoeksdaad wordt gesteld,
mag de indruk niet ontstaan dat kostbare tijd verloren gaat.
Waarom duurt het zo lang alvorens men tot
de opgraving is kunnen overgaan, waarom duurt de overdracht van het DNA staal
weken? Kan u de verschillende termijnen toelichten, welke stappen maken dat de
procedures zo lang duren?
Welke termijnen zijn voorzien wanneer een
Europees onderzoeksbevel wordt uitgeschreven. Wat zijn de huidige afspraken met
de Franse autoriteiten.
Klopt het dat de opgravingen plaatsvonden
op 27 mei 2026 en dat de DNA-stalen tot op vandaag nog niet aan de Belgische
autoriteiten waren overgedragen? Zo ja, wat is hiervoor de reden ?
Waarom waren het federaal parket of
Belgische speurders niet aanwezig bij de opgravingen?
Welke instantie is vandaag
verantwoordelijk voor de praktische opvolging van de overdracht van de
DNA-stalen: het federaal parket, de onderzoeksrechter, de Belgische
politiediensten, de Franse autoriteiten of een combinatie daarvan?
Binnen welke termijn verwacht u de
resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek?
Begrijpt u de frustratie van de
nabestaanden over deze nieuwe vertraging? Op welke manier worden zij
geïnformeerd over de stand van zaken in dit onderzoek?
44.02 Alexander Van Hoecke (VB): Eind mei berichtte de pers dat er in het Franse
Charleville-Mézières enkele lichamen werden opgegraven in het kader van het
(ondertussen formeel afgesloten) onderzoek naar de Bende van Nijvel. Het gaat
om de Franse crimineel Xavier Sliman en zijn ouders. Het doel is duidelijkheid
te verkrijgen omtrent de betrokkenheid van Xavier Sliman en zijn broer Thierry
Sliman bij de activiteiten van de Bende van Nijvel.
Opvallend zijn de gelijkenissen tussen de
activiteiten van de broers in Frankrijk en de aanpak van de Bende van Nijvel.
Zo pleegden de broers Sliman gewapende overvallen op onder meer supermarkten.
Ze werden er ook van verdacht als huurmoordenaar op te treden en een van de
broers stond bekend als wapenverzamelaar.
De broers zouden nooit officieel
ondervraagd zijn in het onderzoek. Thierry Sliman overleed in 2011, zijn broer
Xavier in 2011. Thierry werd echter gecremeerd, waardoor zijn DNA niet meer
onderzocht kan worden. Het DNA van Xavier en de ouders kan vergeleken worden
met DNA-sporen uit het onderzoek. Onder meer het DNA dat op een sigarettenpeuk
werd gevonden na de moord op de Brusselse taxichauffeur Constantin Angelou in
1983.
Zoals hierboven gesteld, het onderzoek
naar de Bende van Nijvel is formeel afgesloten, maar slachtoffers en
nabestaanden kunnen nog steeds bijkomende onderzoeksdaden vragen. Het was de
advocaat Patrick Ramaël, die verschillende slachtoffers vertegenwoordigt, die
erop aandrong de piste rond de broers Sliman verder te onderzoeken.
Zijn er ondertussen reeds resultaten
bekend van het DNA-onderzoek? Wat blijkt daaruit?
Indien er nog geen resultaten bekend
zijn, wanneer verwachten de speurders deze?
Indien de resultaten een positief
resultaat opleveren, wat betekent dit voor het verdere onderzoek? Zal dit
leiden tot nog meer bijkomende onderzoeksdaden en zo ja, dewelke?
Zijn er, op dit DNA-onderzoek na, nog
andere bijkomende onderzoeksdaden gevraagd dit jaar? Zo ja, dewelke en welk
gevolg werd hieraan gegeven?
44.03 Minister Annelies Verlinden: Het verzoek tot opgraving kadert in een Europees onderzoeksbevel tussen de Belgische en Franse gerechtelijke autoriteiten, waarover overleg is gepleegd tussen de Belgische en de bevoegde Franse onderzoeksrechter.
De opgraving heeft effectief plaatsgevonden op 27 mei van dit jaar. De stappen die gepaard gaan met een internationale opgraving en de analyse van menselijke resten omvatten verschillende technische, gerechtelijke en administratieve fases, zowel aan Belgische als aan Franse zijde.
Om de chain of custody te bewaren, dienen allerhande administratieve plichtplegingen te worden vervuld. Er dienen bijvoorbeeld SIN-nummers - dat zijn codes die specifiek zijn voor elk in beslag genomen stuk - te worden aangevraagd, zowel langs Belgische als langs Franse zijde. Ook moeten onder andere opdrachten worden uitgeschreven om het vervoer van menselijke resten te regelen en afspraken worden gemaakt met labs voor de overdracht en ontvangst. De stalen werden recent afgenomen en de procedures dienaangaande zijn lopende.
In het kader van een Europees onderzoeksbevel wordt de materiële uitvoering van de onderzoeksdaden toevertrouwd aan de autoriteiten van de uitvoerende staat, in dit geval Frankrijk. De Belgische autoriteiten hebben de nodige contacten gelegd om de overdracht van de elementen zo spoedig mogelijk te laten verlopen, met inachtneming van de toepasselijke procedures. De aanwezigheid van een Belgische magistraat was dus niet nodig. Wat deze onderzoekshandeling betekent voor het verdere onderzoek, zal ook afhangen van de resultaten.
Tot slot is het volledig begrijpelijk dat de nabestaanden een zekere verwachting en frustratie kunnen ervaren ten aanzien van de termijnen die inherent zijn aan dit soort procedures. De gerechtelijke autoriteiten blijven zich evenwel inzetten om het dossier vooruit te helpen, met eerbiediging van de wettelijke en procedurele regels. Ze zien er ook op toe de betrokken partijen te informeren, overeenkomstig alle toepasselijke bepalingen. De nabestaanden zullen dus, zoals altijd is gebeurd, op de hoogte worden gesteld als er zich positieve ontwikkelingen voordoen in dit dossier.
44.04 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel voor de duiding van de procedure, mevrouw de minister. Het is immers geen dagelijkse procedure om een opgraving in een ander land te doen en de nodige samenwerking op het niveau van justitie tussen twee landen op een correcte manier te organiseren, omdat het uiteindelijk ook om mogelijk bewijsmateriaal gaat dat voor een strafprocedure belangrijk kan zijn.
Het is een belangrijk dossier en het was destijds ook een belangrijke beslissing van de KI om tot die opgraving over te gaan. Dat creëert een zekere verwachting. Het gaat om een spoor dat tot voor enkele maanden niet echt gekend was. Er was al een boek over geschreven door een Belgische speurder. Het creëert de hoop dat dit een ernstig spoor is dat kan leiden tot de opheldering van een en ander. Daarom denk ik dat mensen nog altijd een zekere hoop op positieve resultaten hebben.
Mevrouw de minister, u hebt gewezen op het belang van het feit dat de communicatie van justitie met slachtoffers op een regelmatige basis moet gebeuren, niet alleen wanneer er een positief resultaat zou zijn. Zij lezen ook zaken in de media. Wanneer er geen duiding van justitie komt, kan dat aanleiding geven tot frustratie en veel vragen. Die communicatie moet wellicht nog eens worden bekeken, zodat de betrokkenen niet alleen bij nieuwe of positieve elementen worden geïnformeerd, maar op regelmatige wijze, zodat ze mee zijn met de stappen die in dit dossier worden gezet.
44.05 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik zou kunnen herhalen wat de heer Van Hecke gezegd heeft, maar ik ga dat niet doen. Ik sluit mij volledig aan bij zijn woorden.
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
45.01 Els Van Hoof (cd&v): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Het kanton Zoutleeuw omvat de gemeenten Zoutleeuw, Linter, Geetbets, Kortenaken, Glabbeek en Landen, en bedient zo ruim 50.000 inwoners. Het vredegerecht zetelt er in de recent gerenoveerde historische villa Fineau.
Op 19 mei 2026 kwam het nieuws dat de
griffie van het kanton Zoutleeuw zou fuseren met dat van Tienen. De lokale
besturen, advocaten en notarissen in de Getevallei zijn gekant tegen zo'n plan
en startten een petitie op om hun weerstand uit te drukken. Ondertussen werd op
26 mei een motie aangenomen door de gemeenteraad van Linter om het vredegerecht
én de griffie op hun huidige plek in Zoutleeuw te behouden.
Recent verklaarde u dat het gebouwenpark
van Justitie momenteel door uw diensten in kaart wordt gebracht met oog op
verbetering en rationalisatie. Richting de toekomst hanteert u hierbij een
collaboratieve aanpak waarbij met elk arrondissement van het land in overleg
wordt gegaan.
Het Regeerakkoord voorziet in een
inperking van het gebouwenpark, maar met voldoende aandacht voor
toegankelijkheid en bereikbaarheid van zittingsplaatsen. U bevestigt dit
laatste ook in uw beleidsnota: nabijheid blijft een essentieel uitgangspunt,
specifiek voor de zittingen van de vredegerechten. Dit is voor CD&V
cruciaal, net omdat de vrederechter geraadpleegd wordt voor huurzaken,
burengeschillen én bewindvoering voor (zeer) kwetsbare personen. De drempel
voor de burger tot die vrederechter moet daarom zo laag mogelijk worden
gehouden. Want een nabije Justitie, een toegankelijke Justitie, betekent betere
dienstverlening voor de burger. Zo'n aanpak is een rechtstaat waardig.
Volgende vragen:
Wat is de stand van zaken van het in
kaart brengen van het gebouwenpark van Justitie?
Wat betekent dit voor het kanton
Zoutleeuw en het kanton Tienen?
Werd er al overleg gepleegd binnen het arrondissement
Leuven?
45.02 Minister Annelies Verlinden: Collega Van Hoof, het in kaart brengen van het gerechtelijk gebouwenpark, dat vandaag nog uit 211 gebouwen bestaat, vormt een belangrijke eerste fase van het programma van de FOD Justitie en de Regie der Gebouwen Let's Build. Let's Build is een initiatief in samenwerking met de rechterlijke orde, met als doel de gerechtsgebouwen enerzijds te rationaliseren en anderzijds te beveiligen en te moderniseren, zodat beter tegemoet kan worden gekomen aan de hedendaagse normen van aantrekkelijke werkplek, toegankelijkheid en veiligheid van de rechtszoekenden.
De voorbije maanden heeft men een systematische analyse uitgevoerd van het volledige netwerk van de 211 gebouwen. Voor elk gebouw werd een audit uitgevoerd aan de hand van verschillende parameters en indicatoren. Daarbij werd onder meer gekeken naar de brandveiligheid, de beveiliging rond het gebouw, de fysieke toegankelijkheid voor burgers en personen met beperkte mobiliteit, de staat van de technische installaties en de algemene bouwkundige toestand. De analyse heeft geresulteerd in een score per gebouw, waardoor de belangrijkste risico's, knelpunten en investeringsnoden op een gestructureerde manier in kaart werden gebracht.
De resultaten van de oefening vormen de basis voor het overleg dat vanaf september zal plaatsvinden in alle arrondissementen. Daarbij is het belangrijk dat we op twee snelheden werken. In de eerste plaats werken we een algemene aanpak uit die overal kan worden toegepast. Simultaan zetten we lokale projecten op, zodat we concreet en zo snel mogelijk vooruitgang kunnen boeken op het terrein.
Specifiek met betrekking tot het vredegerecht van Zoutleeuw, ik kan meedelen dat hierover gesprekken worden gevoerd met het lokaal bestuur om een efficiëntere organisatie van de griffie mogelijk te maken. In samenspraak met verschillende betrokken actoren wordt gezocht naar efficiëntiewinsten, met behoud van een goede dienstverlening aan de rechtszoekenden.
Ik heb daarover zelf al een gesprek gevoerd met onder andere de burgemeester. Daarbij hebben we onderstreept dat we de nabijheid van de dienstverlening voor de rechtszoekenden zeer belangrijk vinden en tegelijkertijd zoeken naar een antwoord op mogelijke capaciteitsuitdagingen voor het personeel, wat de nodige schaalvoordelen zou moeten kunnen opleveren.
We zullen ervoor zorgen dat er in Zoutleeuw nog steeds zittingen kunnen worden georganiseerd en tegelijkertijd zo efficiënt mogelijke regelingen voor de organisatie van de griffie en het overrleggen van stukken uitwerken. Daarmee tonen we aan dat we niet alleen efficiëntie- en rationaliseringsoefeningen willen uitvoeren, maar daarnaast ook rekening houden met de bezorgdheden van het lokaal bestuur en alle lokale rechtszoekenden. Ik heb er veel vertrouwen in dat we ook op basis van die dialoog stappen zullen kunnen zetten die eenieder voldoening geven.
45.03 Els Van Hoof (cd&v): Ik juich het toe dat u in dialoog gaat met de lokale besturen, want er is heel wat ongerustheid. Er is naar verluidt niet alleen een petitie van Zoutleeuw maar ook van Linter, omdat men nabijheid heel belangrijk vindt, zeker als het om dossiers van het vredegerecht, zoals huurzaken, burgergeschillen of bewindvoering, gaat.
Rechtsonderhorigen willen een toegankelijk gerecht zonder drempels, ook al zijn efficiëntiewinst en beveiliging natuurlijk belangrijk.
Ik lees dat de historische villa Finea waarin het gerecht gevestigd is, recentelijk gerenoveerd werd en de opmerkingen zijn er dus wellicht niet op van toepassing. Hoe dan ook juich ik de dialoog toe en verheug ik mij erover dat daar nog bijvoorbeeld zittingen behouden zullen blijven. Wordt waarschijnlijk vervolgd.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Le président: Chers collègues, nous avons épuisé l'ordre des travaux.
Je voudrais quand même remercier, même s'ils ne sont plus présents, les collègues qui ont fait diligence en renvoyant régulièrement à leur question écrite. Il en résulte que la ministre parle beaucoup en pratique, mais cela nous permet de gagner beaucoup de temps.
Les questions
n° 56016133C de M. Patrick Prévot, n° 56016184C et n° 56016193C de M. Sam Van Rooy, n° 56016372C de M.
Denis Ducarme sont
reportées.
Je remercie Mme la ministre ainsi que tous les services. Bonne fin de journée à tous.
La réunion publique de commission est levée à 17 h 44.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.44 uur.