Commissie voor Economie, Consumentenbescherming en Digitalisering

Commission de l'Économie, de la Protection des consommateurs et de la Digitalisation

 

van

 

Woensdag 8 juli 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mercredi 8 juillet 2026

 

Après-midi

 

______

 

La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 13 et présidée par M. Roberto D'Amico.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.13 uur en voorgezeten door de heer Roberto D'Amico.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

01 Vraag van Matti Vandemaele aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De afscherming van het vestigingsadres van journalisten in de Kruispuntbank van Ondernemingen" (56014799C)

01 Question de Matti Vandemaele à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La protection de l'adresse professionnelle des journalistes dans la Banque-Carrefour des Entreprises" (56014799C)

 

01.01  Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik baseerde mij voor deze vraag, die ik al in maart indiende, op een tekst van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) die u in de kerstvakantie ontving.

 

Freelance onderzoeksjournalisten die onder andere de verslaggeving van rechtszaken van bijvoorbeeld heel zware drugscriminelen verzorgen, worden geconfronteerd met het probleem dat hun vestigingsadres, zijnde hun thuisadres, gewoon open en bloot in de KBO staat en door iedereen, dus ook de criminelen die ze onderzoeken, kan worden opgezocht. Dat houdt een veiligheidsrisico in. De journalist die werkt voor een van de grote mediahuizen en dus niet als freelancer werkt, heeft dat probleem niet.

 

Nederland hanteert en regeling waarbij journalisten op individuele basis bij een dreiging tijdelijk kunnen worden geschrapt, zodat hun vestigingsadres, zijnde hun thuisadres niet meer zichtbaar is. De journalisten vragen bij monde van de VVJ of een gelijkaardige tijdelijke schrapping een optie zou kunnen zijn, als de veiligheid van bepaalde journalisten in het gedrang komt.

 

Ik hoor dat u ondertussen een eerste keer hebt samengezeten met de vertegenwoordigers van de journalisten. Of misschien hebt u al meerdere keren met hen overlegd? Hoe kijkt u naar de suggestie van de tijdelijke schrapping uit de KBO? Wat is uw mening over het Nederlands model? Hebt u alternatieve voorstellen hoe de journalisten kunnen worden beschermd?

 

Ik denk dat het voor iedereen wel duidelijk is dat een onafhankelijk goed werkende journalistiek een basispijler van een goede democratie is en dus is het belangrijk dat wij onze journalisten ook beschermen en dat zij hun werk kunnen doen op een goede manier. Vandaar mijn vraag. Hoe kijkt u naar de oplossingen die de journalisten zelf voorstellen en hebt u alternatieven?

 

01.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Vandemaele, de vraag van de journalistenverenigingen verdient inderdaad een antwoord. Mijn kabinet heeft aan de FOD Economie een analyse gevraagd. Die werd meegedeeld aan de Association des journalistes professionnels en aan de Vlaamse Vereniging van Journalisten ter gelegenheid van een vergadering met mijn diensten op 22 april jongstleden.

 

Het adres van de vestigingseenheid van een onafhankelijke journalist komt overeen met de plaats waar hij daadwerkelijk zijn beroepsactiviteiten uitoefent. Het kan in sommige gevallen gaan om zijn woonplaats. De vermelde verenigingen vinden dat in dat geval de openbaarmaking van het adres van de vestigingseenheid vragen met betrekking tot de veiligheid van de journalist kan oproepen.

 

De voorgestelde oplossing is dezelfde als die voor influencers. Ze bestaat erin een ander adres dan de woonplaats te gebruiken, zoals dat van een coworkingruimte. Die oplossing vereist geen enkele wetswijziging. Het opzetten van een gelijkaardige regeling als die in Nederland beperkt zich niet tot het sluiten van een protocol of een akkoord. Het impliceert namelijk dat gekozen wordt voor een andere visie dan dewelke tot op heden gehanteerd werd bij het ter beschikking stellen van de gegevens van de KBO.

 

De door de FOD Economie voorgestelde oplossing voldoet niet voor de journalistenverenigingen die we hebben ontmoet, aangezien een werkruimte doorgaans niet overeenstemt met de feitelijke werkplaats van de journalist en zij van oordeel zijn dat men hen niet kan verplichten een dergelijke plaats te huren, als hun veiligheid wordt bedreigd. De verenigingen blijven dus bij hun vraag. Vanuit juridisch perspectief is het echter moeilijk daaraan tegemoet te komen, aangezien de KBO net vertrekt vanuit het beginsel van transparantie van informatieverstrekking, met name ten aanzien van schuldeisers en klanten.

 

Bovendien zijn journalisten niet de enige zelfstandigen die door de uitoefening van hun functie aan bedreigingen bloot worden gesteld. Het gaat om gelijke behandeling.

 

De informatie in de KBO vormt overigens slechts een van de vele elementen die kwaadwillige personen kunnen gebruiken om de woonplaats van een journalist te achterhalen. Om de denkoefening over de vraag voort te zetten, heeft mijn kabinet contact opgenomen met het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken en dat van de minister van Justitie. De besprekingen lopen.

 

01.03  Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uw antwoord ontgoochelt mij enigszins. U werpt op dat ook andere beroepscategorieën met hetzelfde probleem kampen. Als dat het geval is, dan moeten we dat zeker onderzoeken. Journalisten nemen in een democratie echter een heel belangrijke plaats in. Dat is niet om het even welke beroepscategorie. Zij nemen namelijk  ter wille van de vrijheid en de democratie een journalistieke taak op zich en moeten vrij kunnen schrijven over terroristen, drugsbaronnen en allerlei mensen met kwade bedoelingen. Als hun persoonlijke integriteit en veiligheid daarbij in het gedrang komen, dan hebben we er als samenleving alle belang bij om ervoor te zorgen dat ze op een veilige manier kunnen werken.

 

Uiteraard moet iedereen gelijk worden behandeld, maar ik denk dat hier heel specifiek een aantoonbaar veiligheidsrisico is. De coworkingoptie vond ik zelf ook niet de gelukkigste optie, omdat niet iedereen daarvan gebruikmaakt. Men zou daar dan al een vaste plaats moeten huren en een akkoord moeten hebben met de eigenaar van de coworkingruimte.

 

Is het geen optie dat journalisten van wie de veiligheid wordt bedreigd, tijdelijk het adres van de FOD Economie als vestigingsplaats kunnen gebruiken? Bij de FOD Economie is dan het reële vestigingsadres bekend. Als er dan schuldeisers of anderen de KBO willen raadplegen om hen aan te spreken, krijgen ze het adres van de FOD Economie te zien en kunnen ze contact opnemen met de FOD Economie. Die kan een veiligheidsinschatting maken en beoordelen of de vraag conform het doel van de KBO is. Vervolgens kan men eventueel het adres vrijgeven. Op die manier is er een extra check ingebouwd. Misschien kunt u die piste overwegen, mijnheer de minister?

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van Els Van Hoof aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De overdracht van de bevoegdheid voor de controle op tattooshops" (56014831C)

02 Question de Els Van Hoof à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le transfert de la compétence de contrôle des salons de tatouage" (56014831C)

 

02.01  Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, deze vraag is al enkele maanden geleden opgesteld en ik heb ze daarom enigszins aangepast.

 

U gaf in een eerder antwoord aan dat de FOD Economie bevoegd is voor de controle van tattooshops, wat de veiligheid en de kwaliteit van de tatoeageapparaten betreft. Ook in het kader van de economische inspectie zou de FOD Economie bevoegd zijn, aangezien tatoeëerders beschouwd worden als handelaars. Het koninklijk besluit van 25 november 2005 betreffende de reglementering van tatoeages en piercings bepaalt daarentegen dat de FOD Volksgezondheid bevoegd is voor de controle op de naleving van het besluit, dat vooral over hygiëne gaat.

 

U gaf in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag aan dat contact werd opgenomen met het kabinet van minister Vandenbroucke om de kwestie van de controles te onderzoeken. Er worden al een aantal jaren geen controles meer uitgevoerd op de hygiëne van dergelijke zaken, wat onaanvaardbaar is. Dat is niet uw bevoegdheid, maar die van de FOD Volksgezondheid.

 

De minister van Volksgezondheid is al langer vragende partij om de controlebevoegdheid van de FOD Volksgezondheid over te dragen aan de FOD Economie. In mei bevestigde de minister mij dat de FOD Volksgezondheid een analyse maakt van het huidige wettelijke kader – er is dus een evolutie – om dat aan te passen, wat zal gebeuren in overleg met de FOD Economie, aldus de minister.

 

Mijnheer de minister, in welk stadium bevinden zich die gesprekken over een mogelijke overdracht van de controlebevoegdheid van de FOD Volksgezondheid naar de FOD Economie? Bent u zelf voorstander van een dergelijke overdracht?

 

02.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Van Hoof, het is van fundamenteel belang om strikte controles te behouden in de tatoeagesector om de veiligheid en de gezondheid van de consumenten te vrijwaren, maar ook om eerlijke concurrentie tussen de ondernemingen te garanderen.

 

Het koninklijk besluit van 25 november 2005 betreffende de reglementering van tatoeages en piercings raakt rechtstreeks aan de gezondheid van de consument en bevat bovendien bepalingen over de controle op de hygiënevoorwaarden. Het is dus de minister van Volksgezondheid die ter zake bevoegd is.

 

De controleagenten van de Algemene Directie Economische Inspectie controleren in de tatoeagesector op prijsaanduiding, KBO-gegevens, informatieverplichtingen, zwartwerk enzovoort. Zij beschikken evenwel niet over de vereiste expertise om het koninklijk besluit van 25 november 2005 toe te passen, dat onder Volksgezondheid valt.

 

Er is geen enkele bevoegdheidsoverdracht gepland.

 

Binnen mijn administratie heb ik benadrukt dat het toezicht op de tatoeagesector, dat onder de bevoegdheid van de FOD Economie valt, een duidelijke prioriteit blijft. Zo is het toezicht op de tatoeagesector opgenomen in de controleplannen voor 2026. Tattooshops worden gecontroleerd door de Economische Inspectie van de FOD Economie, omdat tatoeëerders worden beschouwd als handelaars en dus onderworpen zijn aan de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, en door de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid voor de aspecten die verband houden met de productveiligheid.

 

Mijn diensten pleiten al enige tijd voor gezamenlijke controles met de FOD Volksgezondheid. De gesprekken daarover worden voortgezet. Ik kan u echter zeggen dat het niet eenvoudig is om daarover met mijn collega Vandenbroucke een akkoord te bereiken.

 

02.03  Els Van Hoof (cd&v): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Dat is inderdaad een saga die al een aantal jaar aansleept. Ik deel uw mening dat u bevoegd bent voor de economische aspecten, aangezien tatoeëerders handelaars zijn en de Economische Inspectie controles moet uitvoeren op basis van de diverse wetgevingen. De minister van Volksgezondheid moet controles uitvoeren op de werkruimtes en de hygiënische aspecten, want daaraan zijn inderdaad gevaren verbonden, zoals allergieën en bloedinfecties.

 

Het is eigenlijk onaanvaardbaar dat dit al een aantal jaren niet gebeurt en dat er blijkbaar geen personeel is om die controles uit te voeren. Op die manier wordt de consument in gevaar gebracht.

 

Tabakszaken vallen evenmin onder Volksgezondheid. Nochtans komen er in tabakszaken wel degelijk consumenten en zulke zaken worden daarom ook gecontroleerd door Volksgezondheid. Het ene sluit het andere dus niet uit.

 

Ik deel uw mening en blijf ook druk uitoefenen op minister Vandenbroucke om die controles opnieuw op gang te brengen. Hij is daar intussen opnieuw mee bezig. Er zal een advies komen van de Hoge Gezondheidsraad. Intussen wordt er echter niet gecontroleerd. Ik vind het een goed voorstel dat u die controles samen met Volksgezondheid en de Economische Inspectie zult uitvoeren, want er zijn vandaag inderdaad heel wat cowboys actief op de markt, mede doordat het een populaire trend is.

 

Het is eigenlijk aberrant dat vandaag in België zogezegd zelfs kinderen tatoeages kunnen krijgen, omdat er geen leeftijdscriterium is vastgelegd. Die wetgeving, die eenentwintig jaar oud is, is dus aan herziening toe. We zullen dat blijven opvolgen, maar ik deel uw visie dat u bevoegd bent voor de economische aspecten.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

03 Vraag van Jeroen Van Lysebettens aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De controle op optiekzaken" (56015569C)

03 Question de Jeroen Van Lysebettens à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le contrôle des commerces d'optique" (56015569C)

 

03.01  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

 

Geachte minister, uit onderzoek van Testaankoop blijkt dat de kwaliteit van advies en informatieverstrekking in Belgische optiekzaken, met name rond contactlenzen, tekortschiet. Optiekzaken zijn vaak het enige aanspreekpunt voor consumenten, maar informeren onvoldoende over risico’s, hygiëne en het belang van medische opvolging bij het dragen van contactlenzen. Gelijkaardige problemen doen zich volgens signalen uit het werkveld ook voor bij de advisering rond brilglazen.

 

Het probleem lijkt deels te wijten te zijn door een gebrekkig regelgevend kader met betrekking tot paramedische oogzorg. Momenteel is enkel de orthoptist erkend, terwijl het kader voor optometristen ontbreekt sinds de vernietiging van het KB van 7 oktober 2022 door de Raad van State. Minister Frank Vandenbroucke werkt momenteel aan een nieuw wettelijk kader voor optometristen en orthoptisten.

 

Een hervorming van de paramedische oogzorg alleen zal echter niet volstaan. Het beroep van opticien is bovendien ook geen gezondheidszorgberoep en valt onder uw bevoegdheid. Ook opticiens zullen dus betere dienstverlening moeten bieden. Klanten weten immers vaak niet welke opleiding of bevoegdheden de verkoper heeft, en verkopers geven bovendien niet altijd aan dat ze niet bevoegd zijn om bepaald advies te geven. Hoe dan ook zouden alle medewerkers in optiekzaken, ongeacht hun opleiding, in staat moeten zijn om hun klanten voldoende basisinformatie te geven. Onjuist of ontoereikend advies kan immers de ooggezondheid van consumenten in gevaar brengen.

 

Vandaar mijn vragen:

 

Welke maatregelen overweegt u om de kwaliteit van advies en opvolging in optiekzaken te verbeteren en te controleren, zodat alle medewerkers in optiekzaken, ongeacht hun opleiding, correcte basisinformatie kunnen geven aan de klant?

 

Hoe zal u erop toezien dat verkopers hun bevoegdheden niet overschrijden?

 

De opleidingen voor opticiens zijn een bevoegdheid van de gemeenschappen. Hoe zal u heel concreet samenwerken met de gemeenschapsministers om de opleiding tot opticien te verbeteren? ​

 

03.02 Minister David Clarinval: Ik heb een kort antwoord. Het federale niveau is niet bevoegd voor de reglementering van het beroep van opticien. In het kader van de zesde staatshervorming is die bevoegdheid overgedragen aan de gewesten. Het beroep van opticien is gereglementeerd in het Waals Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Vlaams Gewest heeft die reglementering afgeschaft op 1 januari 2019.

 

03.03  Jeroen Van Lysebettens (Ecolo-Groen): Ik ben een beetje verbaasd over uw antwoord, mijnheer de minister. Ik heb namelijk ook uw collega Frank Vandenbroucke daarover ondervraagd en die scheen toch te denken dat het wel degelijk een bevoegdheid was van de federale regering.

 

Ik zal zijn antwoord nog eens nakijken en eventueel verdere vragen stellen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

04 Questions jointes de

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'afflux de produits non conformes via l'e-commerce" (56015885C)

- Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le renforcement du contrôle des petits colis importés depuis la Chine" (56016520C)

04 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De instroom van niet-conforme producten via de e-commerce" (56015885C)

- Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De verscherpte controle op uit China ingevoerde kleine pakjes" (56016520C)

 

Le président: La question de M. Patrick Prévot est considérée comme ayant reçu une réponse.

 

04.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, dans son avis sur le projet de Plan d'action fédéral pour l'économie circulaire 2025-2029, le Conseil central de l’Économie met en évidence un enjeu majeur pour notre tissu économique, à savoir la multiplication de produits non conformes entrant sur le marché européen via l'e-commerce.

 

Concrètement, un nombre croissant de colis provenant de plateformes extra-européennes échappe aux contrôles, à la TVA ou encore aux règles de sécurité et de durabilité. Ces produits, souvent de moindre qualité et à durée de vie limitée, ne respectent pas les normes imposées aux entreprises belges et européennes. Cette situation crée une concurrence profondément déloyale. D'un côté, nos PME doivent se conformer à des exigences strictes et investir dans la qualité et la durabilité, de l'autre, certains acteurs contournent ces règles et bénéficient d'un avantage compétitif injustifié.

 

Au-delà de l'impact économique, cette situation fragilise également les efforts engagés pour développer des modèles de production et de consommation plus durables dans notre pays. Les organes consultatifs pointent aussi un manque de moyens et de coordination dans les contrôles face à un volume de colis devenu difficile à gérer, d'où une véritable limitation dans l'application effective des règles.

 

Quel état des lieux faites-vous de l'ampleur de ces flux de produits non conformes entrant sur le marché belge via l'e-commerce et de leur impact sur nos entreprises? Quelles actions avez-vous engagées pour renforcer la surveillance du marché et améliorer l'efficacité des contrôles relevant de vos compétences, notamment au niveau de l'inspection économique? Comment entendez-vous mieux responsabiliser les plateformes de vente en ligne afin de garantir que les produits mis sur le marché respectent les normes en vigueur? Quelles initiatives comptez-vous prendre pour mieux protéger les entreprises belges face à cette concurrence déloyale et rétablir des conditions de concurrence équitables?

 

04.02  David Clarinval, ministre: Madame la députée, les récents exercices coordonnés de contrôle menés aux niveaux européen et national ont effectivement révélé la présence d'une part significative de produits non conformes provenant de pays tiers à l'Union européenne, voire dangereux, issus de ces places de marché en ligne. Cela compromet la sécurité et la santé des consommateurs et entraîne une concurrence déloyale à l'égard des entreprises belges et européennes.

 

Je me réjouis donc d'apprendre que la Commission européenne a infligé une amende de 200 millions d'euros à Temu fin mai, au motif que l'entreprise ne parvient pas à empêcher la vente de produits illégaux sur sa plateforme. C'est un signal important. Ces plateformes n'assument actuellement que des responsabilités limitées à cet égard et sont principalement considérées comme des intermédiaires. Avec les Pays-Bas, la Belgique constitue, avec 1,3 milliard de colis en 2025, une porte d'entrée de l'Europe pour ces envois et est donc fortement exposée à ce défi.

 

Bien que ce problème soit vaste et sans solution unique, il est pris en compte au niveau européen et belge. Dans le cadre de la task-force E-commerce que j'ai pilotée, un plan d'action fédéral Ecommerce a été établi. Ce plan vise à permettre à la Belgique de tirer pleinement parti des opportunités économiques du commerce numérique, tout en luttant fermement contre la concurrence déloyale et les produits dangereux. L'objectif consiste à faire évoluer le paradigme du contrôle en passant d'une intervention réactive à une surveillance proactive et axée sur les données de ce nouveau marché en ligne de grande ampleur.

 

Afin de garantir la mise en œuvre effective des mesures prévues, les administrations concernées procèdent actuellement à l'identification des ressources qui leur sont nécessaires, qu'elles soient humaines, financières ou matérielles. Dans le cadre du suivi de ce plan d'action, un rapportage sera assuré quant à l'application des mesures. Une première évaluation est prévue en décembre 2026. Celle-ci permettra, le cas échéant, d'apporter les ajustements nécessaires au plan d'action. Les enjeux liés au commerce en ligne présentent un caractère transversal et sont abordés dans plusieurs enceintes européennes, au sein desquelles la Belgique est activement représentée.

 

Au-delà des structures de concertation relevant du domaine douanier, des échanges réguliers ont lieu dans les forums européens compétents en matière de sécurité et de conformité des produits. À cet égard, le SPF Économie participe aux travaux du European Product Compliance Network. Pour ce qui concerne la nécessité de renforcer davantage la responsabilisation des places de marché en ligne, il faut préciser que les initiatives nationales restent limitées, car les règles européennes reposent sur une harmonisation maximale. La Commission européenne prévoit de présenter prochainement une proposition législative relative à un European Product Act.

 

Dans le cadre du plan d'action, il est également prévu de plaider au niveau européen en faveur d'un renforcement de la responsabilité des places de marché en ligne.

 

Enfin, les récentes réformes douanières européennes visant les petits colis incitent les plateformes à renforcer leur présence logistique au sein de l'Union européenne, notamment au travers de grands centres de distribution. Cette évolution pourrait favoriser une meilleure conformité des produits, réduire la pression sur les flux douaniers et faciliter les contrôles exercés par les autorités de surveillance du marché.

 

04.03  Sophie Thémont (PS): Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse complète. J'entends que vous serez attentif à cette problématique et qu'une identification des ressources nécessaires sera réalisée. J'entends également qu'un reporting des mesures sera effectué et que, si je vous ai bien compris, une évaluation aura lieu d'ici novembre. Cela nous permettra , en tout cas, de poursuivre nos échanges en la matière.

 

Je voudrais simplement souligner qu'en France, des contrôles ont été menés – vous en avez certainement eu connaissance – et qu'ils montrent que 70 % des produits contrôlés étaient non conformes et que 45 % étaient dangereux. Ce sont des chiffres particulièrement préoccupants. Il y a donc de bonnes raisons de penser que la Belgique sera également confrontée à ce même phénomène.

 

Nous ne manquerons évidemment pas de revenir vous interroger sur cette question au mois de novembre.

 

Le président: Monsieur Prévot, à vous la parole pour votre réplique.

 

04.04  Patrick Prévot (PS): Merci, monsieur le président. Il est vrai que nous circulons et voyageons de commission en commission. Je ne sais pas si, pour la bonne forme, il serait possible de reprendre ma question telle qu'elle a été déposée par écrit, afin que nous puissions en assurer le suivi.

 

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Le Parlement français a approuvé, ce lundi, un texte instaurant un malus financier sur les produits achetés sur des plateformes d'ultra-fast fashion telles que Shein ou Temu. On voit bien que l'enjeu est d'importance. Mais lorsque l'on décide de s'attaquer à de tels enjeux, il faut évidemment s'en donner les moyens. Nous ne pouvons donc que vous encourager à veiller à ce que ces intentions soient suivies d'effets. J'entends qu'une évaluation est prévue pour décembre 2026.

 

Je pense qu'il s'agit réellement d'un dossier auquel il faut s'attaquer. Au regard des mesures prises, notamment les réformes en matière douanière, nous observons qu'il existe une véritable capacité d'adaptation de ces acteurs. Que font les plateformes? Plutôt que d'être hébergées en Chine, elles s'implantent au sein de l'Union européenne.

 

On peut évidemment voir le verre à moitié vide et considérer qu'elles cherchent ainsi à contourner toute une série de mesures, notamment les taxes supplémentaires susceptibles d'être appliquées aux colis en provenance de Chine ou d'ailleurs. Mais, comme vous l'avez indiqué, on peut aussi voir le verre à moitié plein. En effet, dès lors qu'elles sont implantées sur notre territoire, nous pourrons peut-être exercer sur elles un contrôle beaucoup plus efficace.

 

Je suis plutôt de nature à voir le verre à moitié plein. Gageons donc que cette évolution contribuera à renforcer les contrôles exercés sur ces plateformes.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

05 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les difficultés du secteur papetier, graphique et de l’édition" (56015886C)

05 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De moeilijke situatie van de papier-, de grafische en de uitgeverssector" (56015886C)

 

05.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, entre transition numérique, hausse des coûts de production et pression concurrentielle accrue, le secteur papetier, graphique et de l'édition traverse aujourd'hui une période de profonde mutation.

 

Cette évolution a des conséquences très concrètes. En une dizaine d'années, les imprimeries et les éditeurs ont perdu plus de 10 000 emplois et vu leur chiffre d'affaires reculer de manière significative.

 

Parallèlement, ces entreprises doivent faire face à une concurrence de plus en plus forte des plateformes numériques, mais aussi à des règles qui ne s'appliquent pas de manière uniforme au sein du marché intérieur européen. Cette situation crée des déséquilibres et fragilise davantage un secteur déjà en difficulté.

 

L'avis du Conseil Central de l'Économie souligne également que certaines réglementations nationales, comme en France, peuvent constituer des obstacles à la libre circulation des marchandises et limiter l'accès des entreprises belges à certains marchés. Dans ce contexte, la question de l'égalité de traitement entre les acteurs économiques est essentielle pour garantir la viabilité de ce secteur et préserver l'emploi.

 

Monsieur le ministre, quel état des lieux faites-vous de la situation économique du secteur papetier, graphique et de l'édition en Belgique, notamment en termes d'emplois, mais aussi de compétitivité? Comment entendez-vous garantir des conditions de concurrence équitable pour ces entreprises, en particulier face à la concurrence des plateformes numériques et aux différences de réglementation au sein du marché européen?

 

Quelles démarches avez-vous entreprises ou comptez-vous éventuellement entreprendre afin de lever les obstacles à la libre circulation des produits belges identifiés dans cet avis? Quelles mesures concrètes envisagez-vous pour soutenir ce secteur en transition et préserver son ancrage industriel en Belgique?

 

05.02  David Clarinval, ministre: Madame la députée, ces trois secteurs ont, en effet, tous connu une baisse significative du nombre d'emplois entre 2019 et 2024, soit près de 4 800 emplois perdus au total, selon les données de la Banque nationale. Cette baisse a été plus marquée dans le secteur de l'imprimerie et de la reproduction que dans les deux autres secteurs. La concurrence déloyale des plateformes qui ne respectent pas les règles est une préoccupation que je partage. Ce phénomène touche directement plusieurs secteurs, dont ceux du papier, des arts graphiques et de l'édition. Nos entreprises en subissent directement les conséquences, alors même qu'elles investissent du temps et des ressources afin de satisfaire à des exigences réglementaires nombreuses et complexes.

 

Dans le cadre de la task force e-commerce, nous avons finalisé, avec les ministres compétents, un plan d'action fédéral visant à mieux encadrer le commerce électronique. Ce plan poursuit une double ambition: renforcer le respect des règles et garantir des conditions de concurrence équitables, tout en soutenant les entreprises dans un marché numérique en pleine transition. Il s'inscrit dans une approche plus proactive et coordonnée.

 

Au niveau européen, les plateformes en ligne jouent un rôle central dans la distribution des produits sur le marché intérieur, tout en conservant, à ce stade, une responsabilité juridique limitée. Dans le cadre du European Product Act, la Belgique plaidera pour un renforcement de la responsabilité des plateformes afin d'assurer un meilleur équilibre concurrentiel et une protection accrue des consommateurs. Le SPF Économie, par l'intermédiaire de son bureau de liaison Belnotif, prévoit de lancer, fin 2026-début 2027, une campagne d'information destinée aux parties prenantes sur la procédure de notification prévue par la directive TRIS. Cette campagne visera à expliquer les obligations de notification des projets de réglementation technique, ainsi que les possibilités offertes aux parties prenantes de formuler des observations sur les projets notifiés. Au travers de cette sensibilisation, les parties prenantes seront également informées des procédures d'infraction possibles liées au non-respect de cette directive.

 

Enfin, pour répondre à votre quatrième question, je peux vous dire que j'ai pleinement conscience des défis auxquels ce secteur est confronté. C'est précisément pour y répondre que le gouvernement a, à mon initiative, fait de la compétitivité et de la réindustrialisation une priorité. Au travers de la réforme du marché du travail, de l'introduction d'une norme énergétique et des mesures de MAKE 2025-2030 en faveur de la simplification et de l'investissement dans les différents secteurs industriels, nous créons les conditions nécessaires pour renforcer la compétitivité de nos entreprises.

 

Mon objectif est clair: préserver l'ancrage industriel de ce secteur en Belgique, soutenir l'investissement et protéger l'emploi. Par ailleurs, madame la députée, je tiens à votre disposition, en annexe, un tableau reprenant l'évolution de l'emploi total dans les trois secteurs évoqués entre 2019 et 2024.

 

05.03  Sophie Thémont (PS): Merci. Si j’ai pris l’initiative de cette question – à laquelle je vois que vous êtes sensible –  c'est pour rappeler qu'en 13 ans, il y a eu beaucoup de pertes d'emplois dans ce secteur, comme vous l'avez dit.

 

Je dispose en effet de chiffres: entre 2010 et 2023, les imprimeries et les éditeurs auraient perdu 10 506 emplois, soit 42,3 % de ceux-ci, ce qui a réduit l'effectif de personnel à 11 579 travailleurs – selon l'avis du CCE du 11 avril 2025. C'est plus conséquent que les 4 800 de votre réponse. Je ne sais pas d'où venaient, plus ou moins, les chiffres, mais en tout cas, ceux que j'ai ici viennent du CCE, dans son avis du 11 avril 2025.

 

Je pense que ce que demandent les professionnels ici, c'est simplement de pouvoir évoluer dans des conditions de concurrence vraiment équitables, tant face aux plateformes numériques qu'au sein du marché européen.

 

J’entends en effet qu'il y aura des campagnes d'information et que le plan va renforcer les règles. Je ne manquerai pas de revenir vers vous pour voir l'évolution de ce dossier.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

06 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le plan national d’exploration du sous-sol belge" (56016165C)

06 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het nationaal plan voor de exploratie van de Belgische bodem en diepe ondergrond" (56016165C)

 

06.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, le 31 mars dernier, la Belgique a transmis à la Commission européenne son plan national d'exploration du sous-sol belge. Ce document s'inscrit dans le cadre de la mise en œuvre de la stratégie européenne sur les matières premières critiques, adoptée par l'Union européenne en 2024.

 

Sans entrer dans le détail de cette stratégie, celle-ci fixe un ensemble d'objectifs visant à réduire la dépendance de l'Europe aux matières premières stratégiques. Parmi les pistes envisagées figure notamment la relance de l'activité minière sur le territoire européen.

 

Or, l'histoire minière belge a laissé des traces profondes dans les territoires wallons. Qu'il s'agisse de la phase d'exploration, d'exploitation ou encore de l'après-mine, chacune de ces étapes entraîne des conséquences durables sur les territoires concernés.

 

Par ailleurs, un projet d'une telle ampleur ne peut être envisagé sans l'adhésion de la population. Cette réalité a d'ailleurs été évoquée par l'ambassadeur Geert Muylle lors de son audition en commission des Relations extérieures, au cours de laquelle il soulignait la réticence générale des populations européennes à l'égard d'une relance de l'activité minière sur le continent.

 

Monsieur le ministre, allez-vous rendre le plan national d'exploration accessible au public, tant pour les citoyens belges que les parlementaires? Pouvez-vous préciser les objectifs exacts poursuivis par ce plan, sa valeur juridique et les différentes étapes prévues dans sa mise en œuvre et son éventuelle adoption? Pouvez-vous clarifier la répartition des compétences entre les entités régionales et le niveau fédéral en matière d'exploration minière et, par extension, d'exploitation du sous-sol? Si la Belgique devait s'engager dans la voie d'une relance de l'activité minière, un large débat national serait-il organisé préalablement, associant tant les parlementaires, les experts que les citoyens?

 

06.02  David Clarinval, ministre: Madame Thémont, le plan national d'exploration s'inscrit dans la mise en œuvre belge du Critical Raw Materials Act. Son objectif est d'établir une connaissance claire des ressources, besoins et vulnérabilités de la Belgique relativement aux matières premières critiques. Il ne s'agit pas à ce stade d'une décision d'exploitation minière, mais bien d'un outil de diagnostic et de planification stratégique.

 

En ce qui concerne la répartition des compétences dans le cadre du plan d'exploration, je vous invite à vous adresser à ma collègue, la ministre Matz, en charge de la Politique scientifique.

 

Enfin, je peux vous dire que si des projets concrets devaient être envisagés à l'avenir, ils devraient évidemment respecter les procédures applicables, notamment en matière environnementale, de permis et de consultation. L'objectif du gouvernement est de renforcer notre autonomie stratégique de manière transparente, proportionnée et en concertation avec les entités compétentes.

 

06.03  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Ce sujet est relativement préoccupant. J'entends qu'à ce stade, ce serait une espèce d'étude qui deviendrait un outil stratégique. Le plan national d'exploration a finalement été transmis à la Commission européenne après plusieurs mois de blocage institutionnel. Cependant, force est de constater qu'aujourd'hui, le contenu de ce plan n'est toujours pas accessible.

 

C'est un enjeu stratégique qui pourrait en effet avoir des conséquences sur le territoire de notre pays. Je ne vous rappelle pas ici l'histoire minière ni les choix qui ont été posés à l'époque en matière d'exploration mais aussi d'exploitation du sous-sol, qui ont eu des effets notables et durables, que ce soit sur notre population ou encore en matière environnementale.

 

C'est pourquoi j'insistais sur cette question, mais aussi sur la nécessité de transparence totale et l'importance d'avoir, le cas échéant, un vrai débat démocratique en la matière. Je ne manquerai d'ailleurs pas d'interroger votre collègue Matz sur les matières qui la concernent.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56016167C de M. Patrick Prévot et la question n° 56016442C de M. Serge Hiligsmann seront traitées par écrit.

 

07 Vraag van Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De groeiende vraag naar chips en halfgeleiders" (56016491C)

07 Question de Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La demande croissante de puces et de semi-conducteurs" (56016491C)

 

07.01  Lieve Truyman (N-VA): Mijnheer de minister, onze techindustrie verandert met rasse schreden. Dat is een goede zaak, want het betekent dat we verder innoveren en dat is wat we in dit land echt nodig hebben. De techindustrie levert aan de biotech-, farma-, IT-, electronica- en chemiesector en aan de autoindustrie. Als we verkoeling willen en het raampje van onze wagen openen, wordt het knopje waarmee het raam naar beneden gaat, door innoverende technologische elementen, namelijk chips en halfgeleiders aangestuurd. En die evolutie zal nog hogere toppen scheren. Ook elders in Europa is de tendens zeer voelbaar. Volgens een recente studie in de aanloop naar de nieuwe European Chips Act zou de vraag naar chips in Europa tegen 2040 verdubbelen.

 

Ons land telt enorm veel kennisinstellingen, onderzoekscentra en kan bogen op eel expertise om van die technologie een succesverhaal te maken. We mogen die boot echt niet missen. Het is heel belangrijk dat we ons daarop voorbereiden om onze industrie onafhankelijk te houden, onze maakindustrie te versterken en, zeer belangrijk, onze data te beschermen.

 

Mijnheer de minister, ik heb hierover een aantal vragen, zodat we doordachte keuzes kunnen maken. Welke concrete maatregelen neemt u om de Belgische industrie te ondersteunen bij de ontwikkeling en de productie van technologische chips en halfgeleiders?

 

Op welke manier worden bij innovatie in bedrijven en onderzoeksinstellingen samenwerkingsverbanden ondersteund? Zijn verdere aanpassingen nodig?

 

Welke kansen ziet u als minister in de toekomstige ontwikkeling van de halfgeleidersector?

 

Welke bijkomende accenten worden gelegd in het plan MAKE 2025-2030, met het oog op de nieuwe economische en geopolitieke uitdagingen? Zeer belangrijk ook, mijnheer de minister, bent u daarover in overleg met de deelstaten?

 

07.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Truyman, de sector van de halfgeleiders is essentieel voor de competitiviteit, de innovatie en de strategische autonomie van Europa. België ondersteunt de ontwikkeling ervan actief, onder meer via het bedrijf IMEC, dat een voortrekkersrol speelt op het vlak van onderzoek en geavanceerde technologieën in het kader van de Europese Chips Act.

 

Ondernemingen en onderzoekscentra genieten Europese en regionale steunmaatregelen die innovatie, industriële partnerschappen en de ontwikkeling van nieuwe technologieën bevorderen. België pleit voor een vereenvoudiging van de procedures en een betere toegang van kmo's tot onderzoeks- en prototype-infrastructuren. De belangrijkste opportuniteiten situeren zich op het gebied van artificiële intelligentie, geavanceerde elektronica, kwantumtechnologieën, mobiliteit en de energietransitie.

 

In het kader van het interfederaal plan MAKE 2025–2030 besteedt de regering bijzondere aandacht aan de versterking van de strategische industriële ecosystemen, waaronder het ecosysteem van de halfgeleiders. De werkzaamheden die samen met de gewesten, de sectorfederaties en de ondernemingen worden gevoerd, hebben met name betrekking op de versterking van de industriële competitiviteit, de veerkracht van de kritieke waardeketens, de toegang tot competitieve energie, administratieve vereenvoudiging, de ontwikkeling van vaardigheden en de ondersteuning van innovatie en investeringen in geavanceerde technologieën.

 

Die prioriteiten dragen bij aan de creatie van een omgeving die gunstig is voor de ontwikkeling van de halfgeleidersindustrie in België en aan de versterking van de integratie daarvan in de Europese waardeketens.

 

07.03  Lieve Truyman (N-VA): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

 

Ik ben heel tevreden dat u met de kwestie al achter de schermen mee bezig bent. We moeten erover waken dat onze chips en halfgeleiders in Europa worden geproduceerd. Wat dat betreft, mogen we niet volledig afhankelijk zijn van China, waar de productie aan een steile opmars bezig, reden te meer om onze data in eigen continent en eigen land te houden en ze goed te beschermen. Ik ben heel tevreden dat u hiermee aan de slag gaat en dat die industrie hier voet aan de grond zal krijgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

08 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les inégalités entre grandes entreprises et PME face à la digitalisation" (56016606C)

08 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De ongelijkheid op het vlak van digitalisering tussen grote bedrijven en kmo's" (56016606C)

 

08.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, une récente étude menée par des chercheurs de la KU Leuven, de l'Université d’Utrecht et de la Banque nationale de Belgique montre que la digitalisation et l'intelligence artificielle renforcent aujourd'hui davantage la position des grandes entreprises que celle des PME.

 

Grâce à leur capacité d'investissement et à leurs moyens financiers plus importants, les grands groupes renforcent progressivement leurs parts de marché et leur domination économique. À l'inverse, de nombreuses petites entreprises et indépendants peinent à suivre cette accélération technologique faute de moyens suffisants pour investir dans les outils numériques, l'innovation ou encore l'intégration de l'intelligence artificielle.

 

Les chercheurs alertent également sur les risques croissants de concentration économique et d'accroissement des inégalités entre entreprises. Cette évolution soulève des questions importantes pour l'avenir de notre tissu économique dans un pays où les PME jouent un rôle essentiel en matière d'activité économique, mais surtout d'emploi local.

 

Monsieur le ministre, quel état des lieux faites-vous aujourd'hui de l'impact de la digitalisation et du développement de l'intelligence artificielle sur les inégalités économiques entre grandes entreprises et PME en Belgique?

 

Comment entendez-vous éviter que cette transformation technologique ne renforce davantage les positions dominantes des grands groupes au détriment des plus petites structures?

 

Quelles actions comptez-vous mettre en œuvre afin de garantir que les entreprises de plus petite taille puissent elles aussi accéder aux opportunités liées à la transition numérique et à l'innovation?

 

Enfin, quelles initiatives envisagez-vous afin d'éviter une concentration économique excessive et de préserver un développement économique plus équilibré face à l'essor de l'intelligence artificielle et de la digitalisation?

 

08.02  David Clarinval, ministre: Madame Thémont, la digitalisation et l'adoption de l'intelligence artificielle constituent des leviers essentiels de compétitivité, d'innovation et de croissance pour notre économie. Elles offrent des opportunités importantes à l'ensemble des entreprises, quelle que soit leur taille.

 

Il est toutefois exact que leur adoption s'effectue à des rythmes différents selon les capacités d'investissement, les ressources humaines disponibles et le niveau de maturité numérique des entreprises. C'est précisément la raison pour laquelle les pouvoir publics doivent veiller à ce que la transition numérique demeure inclusive et profite également aux PME et aux indépendants, qui constituent le cœur du tissu économique en Belgique.

 

La Belgique affiche d'ailleurs des résultats encourageants, puisque les PME belges figurent parmi les plus avancées d'Europe pour l'adoption des technologies numériques. C'est pourquoi je poursuis une politique visant à accompagner concrètement les entreprises – en particulier les PME – dans leur transformation numérique. Pour ce faire, le site internet du SPF Économie rassemble des outils d'autoévaluation, des guides pratiques ainsi qu'une information centralisée sur les différents dispositifs d'accompagnement disponibles.

 

Parallèlement, la préservation d'un marché équitable pour tous constitue un élément important pour éviter que la transformation numérique ne conduise à une concentration excessive du pouvoir économique. À cet égard, le Digital Markets Act européen impose des obligations visant notamment à empêcher les pratiques anticoncurrentielles des géants du web et à garantir des conditions d'accès plus équitables au marché numérique afin de permettre aux PME de développer leur activité dans un environnement concurrentiel plus équilibré.

 

En Belgique, l'Autorité belge de la Concurrence collabore étroitement avec la Commission européenne dans la cadre de l'application de ce règlement. Mes actions visent donc à la fois à accompagner les entreprises, dont les PME, pour faire de la transition numérique et de l'intelligence artificielle un véritable facteur de compétitivité et d'innovation, et également à assurer une politique de concurrence équitable favorable à la croissance de tous nos acteurs économiques.

 

08.03  Sophie Thémont (PS): Je voudrais vous remercier pour votre réponse. Les conclusions de cette étude doivent tout de même nous alerter. Vous l'avez dit, si rien n'est fait, la digitalisation et l'intelligence artificielle risquent avant tout de profiter aux grandes entreprises. Il faut que cette transition soit équitable, car les petites PME et, surtout, les indépendants risquent d'accumuler un certain retard. Ils ne disposent pas des mêmes moyens pour y faire face. Nous vivons dans un pays qui se transforme chaque jour, et les changements s'accélèrent. Nous ne pouvons pas accepter que cette transition creuse davantage les écarts économiques ou renforce les positions dominantes des plus grands groupes, qui disposent de plus de facilités. L'enjeu est au contraire de faire en sorte que nos petites PME et, surtout, nos petits indépendants puissent eux aussi bénéficier de ces évolutions.

 

J'entends que vous affirmez y être attentif. Je ne manquerai donc pas de vous réinterpeller sur ce sujet lorsque nous disposerons d'éléments plus concrets.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

09 Questions jointes de

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La hausse des faillites" (56016607C)

- Annik Van den Bosch à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les faillites" (56017710C)

09 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De toename van het aantal faillissementen" (56016607C)

- Annik Van den Bosch aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Faillissementen" (56017710C)

 

09.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, les faillites se multiplient en Belgique, à telle enseigne que la situation devient de plus en plus inquiétante pour de nombreuses entreprises et travailleurs, mais aussi pour l’économie locale. Selon les derniers chiffres de Statbel, plus de 4 200 entreprises ont déjà fait faillite durant les quatre premiers mois de l’année 2026, entraînant près de 8 000 pertes d’emplois. Plusieurs records historiques ont déjà été battus cette année. Une étude récente montre que le recours croissant aux dissolutions judiciaires conduit à sous-estimer l’ampleur réelle des fermetures d’entreprises. En additionnant les faillites et les dissolutions judiciaires, plus de 15 800 sociétés auraient définitivement cessé leurs activités en 2025. Plusieurs secteurs sont particulièrement touchés, notamment la construction, l’immobilier, le transport ou encore les services aux entreprises.

 

Dans le secteur de la construction, les fédérations professionnelles alertent sur l’accumulation des difficultés: hausse du coût des matériaux, taux d’intérêt élevés, ralentissement des chantiers et baisse des investissements. Une situation d’autant plus préoccupante que ce secteur continue, malgré tout, à souffrir d’un important manque de main-d’œuvre. Au-delà des chiffres, ce sont également des indépendants, des sous-traitants, des commerces locaux et l’activité économique de nombreuses communes qui sont fragilisés.

 

Monsieur le ministre, quel état des lieux faites-vous aujourd’hui de l’augmentation des faillites et des dissolutions judiciaires en Belgique? Comment expliquez-vous les difficultés croissantes auxquelles se heurtent plusieurs secteurs essentiels de notre économie, en particulier celui de la construction? Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre afin d’éviter une multiplication des fermetures d’entreprises dans les prochains mois? Enfin, comment entendez-vous soutenir durablement nos entreprises locales face aux difficultés économiques actuelles?

 

09.02  Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, vorige week lazen we in de krant dat er dit jaar, in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar, alweer honderden faillissementen bij zijn gekomen. Achter die cijfers zitten natuurlijk geen tabellen of statistieken. Daarachter zitten echte mensen, werknemers die hun job verliezen, zelfstandigen die hun levenswerk zien verdwijnen en gezinnen die plots in onzekerheid terechtkomen.

 

Ook in Antwerpen voelen we dat elke dag. Kleine bouwbedrijven, transporteurs en lokale ondernemingen staan echt onder zware druk. Voor hen is dit geen economisch cijfer, maar een harde realiteit. De bouwsector alleen al vertegenwoordigt een kwart van alle faillissementen. Dat is bijzonder zorgwekkend in een sector die tegelijk kampt met een groot tekort aan arbeidskrachten. De oorzaken zijn bekend, namelijk hoge rentevoeten, stijgende materiaalprijzen, afnemende investeringen en woningen die voor steeds meer mensen op die manier onbetaalbaar worden.

 

U zult misschien wijzen op het feit dat het aantal verloren arbeidsplaatsen lager ligt dan vroeger, maar verschillende studies tonen aan dat steeds meer ondernemingen verdwijnen via gerechtelijke ontbindingen. Het werkelijke aantal stopzettingen ligt dus hoger dan de officiële faillissementscijfers doen vermoeden.

 

Daarom heb ik enkele vragen voor u.

 

Ten eerste, erkent u dat de huidige cijfers een onderschatting vormen van de werkelijke economische schade? Bent u bereid om ook gerechtelijke ontbindingen mee in rekening te brengen bij de evaluatie van uw beleid?

 

Ten tweede, welk specifiek plan hebt u om kleine zelfstandigen en kmo's in de bouw-, transport- en dienstensector te ondersteunen, zodat zij niet kopje-onder gaan door stijgende kosten en dalende marges?

 

Ten slotte, welke structurele maatregelen zult u nemen om ervoor te zorgen dat onze economie opnieuw vertrekt vanuit de noden van de werkende mensen en de lokale ondernemingen, in plaats van vanuit kortetermijnwinsten en speculatie?

 

Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

09.03  David Clarinval, ministre: Madame Thémont, depuis la période post-covid, le nombre de faillites en Belgique suit malheureusement une tendance à la hausse. En 2025, 11 685 faillites ont été enregistrées. Les données des quatre premiers mois de 2026 confirment cette dégradation, avec une augmentation de 5,7 % par rapport à la même période de l’année précédente. Cette évolution est aggravée par une hausse des sorties d’entreprises et par un ralentissement des créations d’entreprises.

 

S’agissant plus spécifiquement des dissolutions judiciaires, nous ne disposons pas d’un indicateur statistique consolidé distinct permettant d’en suivre l’évolution.

 

Au sujet du secteur de la construction, il représente près d’un quart des faillites enregistrées en Belgique.

 

Les difficultés rencontrées par plusieurs secteurs résultent de l’accumulation de chocs successifs. Après la crise du covid-19 et la fin des mesures de soutien, les entreprises ont dû faire face à la hausse des prix de l’énergie, des matières premières et des coûts salariaux, au renchérissement du crédit ainsi qu’aux incertitudes liées aux tensions géopolitiques.

 

Le secteur de la construction est particulièrement touché. Il fait face à une hausse des coûts, à un ralentissement de la demande, au recul des permis de construire et au freinage des investissements immobiliers liés aux taux d’intérêt élevés.

 

Dans certains segments, la fin de plusieurs programmes de soutien public accentue encore ces difficultés.

 

Afin de soutenir les PME et les indépendants, la ministre Simonet a élaboré un plan fédéral d'action articulé autour de 89 mesures visant à renforcer la compétitivité, la résilience et la durabilité de nos PME. Ces mesures doivent contribuer à offrir à nos PME un environnement réglementaire plus simple, plus accessible et plus favorable à leur développement et à leur résilience face aux turbulences géopolitiques que connait notre pays.

 

Mevrouw Van den Bosch, in antwoord op uw eerste vraag, de faillissementscijfers vormen een belangrijke indicator voor de economische situatie van ons land. U onderstreept terecht dat zij op zich niet volstaan om de economische en sociale realiteit te beoordelen. Om de gezondheid van ons economisch weefsel te beoordelen, moeten we het debat verbreden en een meer alomvattende visie hanteren. Dat houdt in dat we ook rekening moeten houden met andere indicatoren.

 

U vermeldt de gerechtelijke ontbindingen, maar we moeten ook rekening houden – en dit is geen uitputtende lijst – met de ontwikkeling van het totale aantal bedrijven, het aantal nieuwe bedrijven en het aantal stopzettingen, het overlevingspercentage van bedrijven, evenals macro-economische indicatoren zoals economische groei, productiviteit en inflatie.

 

In de eerste vijf maanden van 2026 werden in België 5.064 faillissementen uitgesproken. Na een piek van 1.212 faillissementen in maart daalde dat aantal naar 1.051 in april en naar 854 in mei. Hoewel die recente daling merkbaar is, moeten we erkennen dat het aantal faillissementen hoog blijft.

 

In antwoord op uw tweede vraag, de bouw-, transport- en dienstensector tellen een groot aantal kmo's en zelfstandigen. Dat zijn ook de bedrijven die het meest kwetsbaar zijn voor economische tegenslagen en voor het risico op bedrijfsbeëindiging.

 

Om de ondernemingen, ook de kmo's, te ondersteunen, voorziet het regeerakkoord 2025-2029 in een reeks maatregelen om de competitiviteit en de aantrekkelijkheid van België duurzaam te versterken, met name op het vlak van fiscaliteit, innovatie, investeringen en de verlaging van de lasten op arbeid.

 

Bovendien heeft minister Simonet een ambitieus actieplan opgesteld met 89 maatregelen ten gunste van de kmo's en zelfstandigen, waarvan de meeste specifiek betrekking hebben op de bouw- en de vervoerssector. Dat plan wordt ook aangevuld door het Federaal Plan voor Administratieve Vereenvoudiging.

 

De regering wil de strijd aangaan met oneerlijke concurrentie en structurele oplossingen aanreiken voor de energiekosten, de arbeidsmarkt flexibiliseren ten gunste van werkgevers en werknemers, en ondernemers meer tijd, middelen en zichtbaarheid geven om hun activiteiten te ontwikkelen, in plaats van hen te confronteren met administratieve belemmeringen.

 

In antwoord op uw derde vraag, het gaat om maatregelen die de regering regelmatig neemt en die erop gericht zijn om de competitiviteit van onze ondernemingen te versterken en de jobcreatie te ondersteunen in een moeilijke geopolitieke context. Die maatregelen komen zowel grote ondernemingen als onze kmo's en onze werknemers ten goede.

 

09.04  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse, qui consiste davantage à dresser des constats qu'à apporter des solutions. J'insiste vraiment sur la gravité de la situation, dont je vous donne à chaque fois les chiffres: 6 267 faillites en seulement six mois! Il y a quand même de quoi être interpellé, surtout quand on parle souvent de compétitivité. Ici, nous sommes face à un nouveau record; et c'est pire encore si l'on regarde la réalité des dissolutions judiciaires.

 

Derrière tous ces chiffres, il y a des entreprises qui ferment, des travailleuses et des travailleurs qui perdent leur boulot et des indépendants qui voient des années de travail s'écrouler. On bat aujourd'hui des records de faillites pendant que des secteurs entiers continuent de souffrir, dont le secteur de la construction. Le secteur des transports est, lui aussi, en train de s'effondrer. Les grandes entreprises ne sont pas épargnées non plus, puisqu'au cours du premier semestre, 11 734 emplois à temps plein ont disparu – soit un peu plus de 10 % de moins qu'à la même période en 2025 –, en pleine réforme du chômage. Les faillites se multiplient, on sort les gens du chômage, on les envoie vers les CPAS et on n'a pas créé un seul emploi!

 

J'entends le plan de la ministre Simonet. C'est bien beau, mais je n'y vois pas de solution. Ce n'est pas normal, et c'est surtout inacceptable.

 

09.05  Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. We zullen daar zeker nog over debatteren. Als er zoveel faillissementen per jaar zijn, klopt er iets niet in het beleid.

 

De maatregelen van minister Simonet zijn niet meteen een oplossing voor mensen die een woning willen kopen en zo de bouwsector op dit moment meer zuurstof kunnen geven.

 

U hebt ook niet echt een antwoord gegeven op mijn vraag over de winsten op korte termijn, in plaats van te kijken naar de noden van de werkende klasse. We zullen daar zeker nog op terugkomen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

10 Questions jointes de

- François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le coût des paiements électroniques pour les commerçants" (56016621C)

- François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’étude du SPF Économie sur la transparence des moyens de paiement" (56017240C)

10 Samengevoegde vragen van

- François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het prijskaartje van elektronische betalingen voor handelaars" (56016621C)

- François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De studie van de FOD Economie over de transparantie van de betaalmiddelen" (56017240C)

 

10.01  François De Smet (DéFI): Le SPF Économie a récemment pointé le coût élevé des paiements électroniques pour les commerçants (dépêche Belga, 4 juin). L'analyse relève notamment que le traitement des titres-repas et des écochèques est sensiblement plus onéreux que celui des paiements électroniques classiques, faisant peser une charge disproportionnée sur les indépendants et les petites et moyennes entreprises.

 

Alors que la dématérialisation des moyens de paiement est encouragée par les pouvoirs publics, il importe que cette transition ne se traduise pas par un transfert de coûts injustifié vers les commerçants.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir: les conclusions tirées de l'analyse du SPF Économie sur les coûts supportés par les commerçants, en particulier pour les titres-repas et écochèques? si il est envisagé d'encadrer ou de plafonner les commissions appliquées par les émetteurs et prestataires de paiement, notamment pour les chèques électroniques à finalité sociale? Si une concertation sera entamée avec le secteur pour réduire ces coûts, le calendrier fixé pour des mesures concrètes au bénéfice des indépendants et PME?

 

Selon L'Echo du 18 juin 2026, le SPF Économie, qui relève de votre département, a publié une étude consacrée à la transparence des moyens de paiement à disposition des consommateurs, portant notamment sur les frais facturés et l'information préalable du consommateur lors du choix d'un mode de paiement.

 

Cette problématique s'inscrit dans le cadre du Livre VI du Code de droit économique relatif aux pratiques du marché et à la protection du consommateur, ainsi que dans les obligations européennes de transparence tarifaire applicables aux prestataires de services de paiement. Le SPF Économie publie régulièrement des études sectorielles destinées à alimenter d'éventuelles adaptations réglementaires.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir: les principales conclusions de cette étude, notamment quant aux frais ou pénalités liés à certains moyens de paiement? Les mesures réglementaires envisagées à la suite de cette étude pour renforcer l'information du consommateur? Le calendrier de mise en œuvre de ces éventuelles mesures?

 

10.02  David Clarinval, ministre: Monsieur De Smet, à ma demande, l'Observatoire des prix a réalisé une étude sur le fonctionnement du marché des paiements électroniques classiques ainsi que des paiements effectués au moyen de chèques sociaux. Cette étude est disponible dans son intégralité sur le site web du SPF Économie depuis le 4 juin.

 

En ce qui me concerne, les conclusions politiques de cette étude sont doubles.

 

D'une part, il existe effectivement un manque de transparence à l'égard des commerçants concernant les frais qu'ils doivent supporter pour les paiements électroniques, tant pour les moyens de paiement classiques que pour les chèques sociaux. Ce manque de transparence limite la capacité des commerçants belges à choisir le prestataire le plus compétitif, ce qui nuit à la concurrence sur le marché des paiements électroniques.

 

D'autre part, nous constatons que les prestataires belges de services de paiement sont moins avancés que leurs concurrents internationaux dans le développement de solutions de paiement innovantes, telles qu'Apple Pay ou Google Pay. Il en résulte que les paiements effectués au moyen de ces solutions innovantes coûtent davantage aux commerçants belges, puisqu'ils doivent transiter par des systèmes de paiement internationaux.

 

Conformément à l'accord de coalition, je travaille donc sur deux axes.

 

Premièrement, le manque de transparence sera corrigé grâce à un outil en ligne qui permettra aux commerçants de comparer les coûts et les fonctionnalités de l'ensemble des systèmes de paiement électronique disponibles en Belgique. Mes services poursuivront le développement de cet outil d'ici à la fin de l'année afin qu'il puisse être mis à la disposition des commerçants dès le début de l'année 2027. Grâce à un amendement législatif que j'ai présenté la semaine dernière au Conseil des ministres, cet outil de comparaison couvrira également les chèques sociaux.

 

Deuxièmement, en ce qui concerne la concurrence et l'innovation sur le marché belge des solutions de paiement, ma collègue, la ministre Simonet, et moi-même avons lancé une consultation publique auprès de l'ensemble des parties prenantes concernées. Nous avons déjà reçu une première série de propositions politiques et nous en attendons d'autres dans les semaines à venir. Par ailleurs, le Conseil Supérieur des Indépendants et des PME a annoncé qu'il rendrait, de sa propre initiative, un avis d'ici le mois de septembre.

 

Sur la base des propositions des parties prenantes, la ministre Simonet et moi-même élaborerons, au cours du second semestre de cette année, un plan d'action visant à répondre à l'ensemble des attentes exprimées.

 

10.03  François De Smet (DéFI): Je remercie simplement le ministre pour ses réponses très claires.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- Katrijn van Riet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De implicaties van de immer stijgende cijfers van de Aziatische e-commerce" (56016664C)

- Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het verlies van onze e-commerce" (56016686C)

- Dieter Keuten aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De concurrentieverstoring in de e-commerce" (56017793C)

11 Questions jointes de

- Katrijn van Riet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les implications de la hausse constante des chiffres de l'e-commerce asiatique" (56016664C)

- Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La mort de notre e-commerce" (56016686C)

- Dieter Keuten à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La distorsion de concurrence dans le secteur de l'e-commerce" (56017793C)

 

11.01  Lieve Truyman (N-VA): Mijnheer de minister, tijdens de plenaire vergadering vorige week hadden we het ook al over het verlies van onze e-commerce en het overgrote aanbod vanuit Azië, voornamelijk via Chinese platformen.

 

Hoe schat u het succes van de populaire Aziatische webshops in voor onze economie? Hoe verloopt het overleg op Europees niveau om onze ondernemingen en onze retail weerbaar te maken en opnieuw concurrentieel op de kaart te zetten? Welke bijkomende handhavingsmaatregelen acht u noodzakelijk om het concurrentievoordeel van buitenlandse webshops te vermijden, doordat die producten in feite onvoldoende worden gecontroleerd op de Europese milieu- en veiligheidsnormen?

 

11.02  Dieter Keuten (VB):Mijnheer de minister, het verlies van onze e-commerce is uiteraard geen nieuw fenomeen. Al zolang ik mij herinner, is de populairste webshop bij onze Waalse buren een Amerikaanse webshop. De Vlamingen richten zich vooral op Nederland, waar Bol.com en Coolblue al decennia lang tot de populairste websites behoren. In de top twintig is het zoeken naar Belgische spelers. Het Chinese fenomeen is inderdaad iets van de jongste jaren.

 

De invoering van de pakjestaks is daarentegen wel actueel. Ik hoor daar de voorbije weken veel euforie over: eindelijk is er een nieuwe taks die een gelijk speelveld zal bewerkstelligen. Euforie over een nieuwe taks in het meest belaste land ter wereld is natuurlijk al een bizar gegeven. Blijkbaar zijn we het er allemaal over eens dat er wel iets moet gebeuren ter bestrijding van de wantoestanden op de markt.

 

Daarom heb ik u een aantal vragen voor u over de pakjestaks van 3 euro en over de handling fee van 2 euro, die eraan komt en die u hebt ingeschreven in uw E-Commerce PLUS-actieplan. U steunt dat Europees initiatief.

 

Tegen eind dit jaar zal elk pakje 5 euro extra kosten. Dat zou gemakkelijk uit te leggen zijn aan de consument, maar dat is het helaas niet. Er wordt namelijk 3 euro op elke categorie van pakjes opgelegd en niet op elk pakje. Ik geef een voorbeeld. Als ik voor mijn twee zoontjes elk een T-shirt bestel, dan moet ik een keer 3 euro betalen, maar als ik een T-shirt voor mijn dochter en een voor mijn zoon bestel, dan moet ik 6 euro taks betalen. Niet alleen is dat moeilijk uit te leggen; het betekent ook extra werklast voor wie de regels moet handhaven.

 

Mijnheer de minister, wat is volgens u de impact van de pakjestaks en de toekomstige handling fee? Hoe zit het met de opbrengsten? De sector vraagt zich inderdaad luidop af wat u met de opbrengsten zult doen. Is er daarover al een akkoord? Hoeveel van de Europese taks gaat naar de Belgische schatkist en hoeveel procent naar de verbetering van de handhaving en ondersteuning van de sector zelf, wat wij vragen?

 

Welke bijkomende maatregelen schrijft u in uw E-commerce PLUS-plan in om het eerlijke speelveld van onze Belgische e-commercesector te versterken?

 

11.03 Minister David Clarinval: Mijnheer Keuten, we zijn vandaag inderdaad getuige van een diepgaande transformatie van de elektronische handel. Die is uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van onze economie. Het probleem is echter niet de elektronische handel zelf, maar wel het ontbreken van een gelijk speelveld. Sommige verkopers van buiten de Europese Unie omzeilen de Europese regels inzake productveiligheid, consumentenbescherming en duurzaamheid en kunnen daardoor producten tegen zeer lage prijzen aanbieden. Daarom heb ik sinds de oprichting van de e-commercetaskforce in september van dit dossier een prioriteit gemaakt.

 

Om die uitdagingen aan te pakken, heb ik het plan E-Commerce PLUS gelanceerd, dat een gecoördineerde en toekomstgerichte strategie voorstelt, opgebouwd rond acht prioritaire domeinen op zowel nationaal als Europees niveau, met één duidelijke doelstelling: niet de afremming van elektronische handel, maar wel het herstel van een gelijk speelveld. De eerste rapportering is gepland in december. België steunt Europese initiatieven om de regulering van grensoverschrijdende e-commerce te versterken, met name de hervorming van de douanewetgeving, de uitvoering van de Digital Services Act en de toekomstige European Product Act, die in september wordt verwacht.

 

Wat de impact betreft van de afschaffing van de douanevrijstelling voor zendingen met een waarde van minder dan 150 euro, is het redelijk te veronderstellen dat de maatregel op korte termijn een afschrikkend effect zal hebben en impulsaankopen uit derde landen minder aantrekkelijk zal maken. Tegelijk ontwikkelen grote platformen meer B2B2C-georiënteerde modellen met EU-logistiek, waardoor de impact van invoermaatregelen deels wordt afgezwakt.

 

Die evolutie mag echter niet uitsluitend worden beschouwd als een vorm van ontwijking. Wanneer een platform zelf de invoer van producten in de Unie op zich neemt, draagt het meer verantwoordelijkheid en wordt het een duidelijker aanspreekpunt voor de controleautoriteiten, wat de traceerbaarheid en controles vergemakkelijkt. De kernuitdaging blijft een gelijk speelveld en de naleving van dezelfde regels voor alle producten op de Europese markt, ongeacht de distributiekanalen.

 

Wat de uitvoering van de maatregel betreft, is de minister van Financiën bevoegd voor de aanpassing. In afwachting van de nieuwe EU Customs Data Hub, die voor e-commerce ten vroegste op 1 juli 2028 verwacht wordt, geldt een tijdelijk forfaitair invoerrecht van 3 euro per producttype.

 

Wat de opbrengst van de invoerheffing betreft, momenteel gaat 25 % van de geïnde invoerrechten terug naar de lidstaten. Het thema zal onderdeel uitmaken van de besprekingen rond het nieuwe EU multinational financial framework, dat gepland is voor eind 2028.

 

De controles op de conformiteit van producten via onlinemarktplaatsen in het kader van Europese gezamenlijke controleacties met de douane leverden zeer veelzeggende resultaten op. In totaal werden 1.151 producten gecontroleerd, waarvan er 1.041 of 90 % niet conform waren, voornamelijk speelgoed en elektrische producten. Die resultaten tonen aan dat de risico’s van onlineverkoop via dergelijke platformen niet marginaal zijn en onderstrepen de nood aan sterkere controles en een grotere responsabilisering van marktplaatsen.

 

11.04  Dieter Keuten (VB): Mijnheer de minister, u verwees naar uw collega Jambon, maar u hebt de coördinatie van de uitvoering van het E-Commerce PLUS-plan op u genomen. U moet dus op vragen in dat verband kunnen antwoorden.

 

Ik noteer dat 25 % van de opbrengsten naar alle lidstaten terugvloeit. Nochtans doet België veel meer dan andere lidstaten. In België komen dankzij Bierset veel meer pakjes binnen dan enkel wat voor de Belgische markt bestemd is. Daardoor hebben onze douanediensten relatief gezien veel meer werk dan andere lidstaten. Wij zouden dus meer dan 25 % van die inkomsten moeten zien terugvloeien naar ons land. Ik begrijp niet dat u met die verdeelsleutel genoegen kunt nemen. Op korte termijn zullen we een nog grotere overbelasting van onze douane zien, want die moet de nieuwe pakjestaks natuurlijk controleren.

 

Voors ben ik tevreden dat u het effect van de bouw van de grote warehouses in Europa erkent. In Polen bijvoorbeeld zijn de Chinezen al een gigantisch pakhuis aan het bouwen.

 

Derde landen zoeken altijd de weg van de minste weerstand. Bierset is zo populair omdat de controle daar al jarenlang zo laag is. Zodra de controle in Bierset opgevoerd zal worden, waar wij voor pleiten, zullen ze in een ander Europees land de weg van de minste weerstand zoeken. Wij zijn er dus niet van overtuigd dat we effectief zullen evolueren naar een gelijker speelveld.

 

De prijsconcurrentie is enorm groot, zodat het valt af te wachten of 3 of 5 euro voldoende zal zijn om impulsaankopen tegen te houden. Bovendien is productveiligheid veel belangrijker, naast garantie en retourrecht. Daar hoor ik geen concrete actieplannen over.

 

Ik heb u op de vorige vraag horen antwoorden dat u kiest voor proactieve surveillance. Dat is een heel vaag begrip. Ik wil nog wel eens zien hoe u alle buitenlandse webshops zult verplichten dezelfde garanties en retourrechten op te leggen.

 

De opbrengst van de taks zou natuurlijk potentieel heel hoog kunnen zijn, maar dat blijft een luchtkasteel.

 

Ten slotte, mijnheer de voorzitter, ontstaat er rechtsonzekerheid door nieuwe maatregelen die per definitie heel tijdelijk zijn. Onze handelaars willen een stabiel wettelijk kader. Dat verwachten zij van een overheid. Hier komt u opnieuw met ingewikkelde tijdelijke maatregelen. Ik hoop dus in elk geval dat u tegen 2028 met een betere oplossing komt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La prochaine question est une question de Mme Truyman, mais, si vous le permettez, monsieur le ministre, nous allons attendre qu'elle revienne, car elle se trouve dans une autre commission.

 

12 Questions jointes de

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’interdiction d’importation des produits issus des colonies israéliennes" (56016753C)

- Sarah Schlitz à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'interdiction d'importations provenant de colonies israéliennes" (56017014C)

12 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het importverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen" (56016753C)

- Sarah Schlitz aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen" (56017014C)

 

12.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, neuf mois après l'accord du 2 septembre 2025, conclu sous la pression d'une mobilisation citoyenne massive exigeant la fin de l'impunité israélienne, le gouvernement semble prêt à vider de sa substance l'engagement qu'il avait pris.

 

Les informations publiées par De Standaard indiquent que le projet d'arrêté royal sur l'interdiction d'importation des produits issus des colonies serait profondément affaibli: absence de mécanismes de contrôle, exclusion possible du plateau du Golan et clause d'extinction qui, combinée à un délai d'entrée en vigueur de 180 jours, limiterait l'application effective à quelques mois seulement.

 

Un tel dispositif ne constituerait pas une mise en œuvre, mais un renoncement. On voit que d'autres États européens, comme les PaysBas, ont mis en place une interdiction solide, avec des interdictions de vente, d'achat et de contournement. C'est donc faisable. Pourtant, la Belgique choisit aujourd'hui de présenter un dispositif affaibli, qui ne permettrait pas d'atteindre l'objectif annoncé. Un affaiblissement de cette ampleur entrerait en contradiction directe avec l'avis de la Cour internationale de Justice du 19 juillet 2024, qui impose aux États de mettre fin à tout commerce avec les territoires palestiniens occupés.

 

Si le gouvernement persiste dans cette voie, il enverra un signal politique désastreux: celui d'une Belgique qui renonce à ses engagements internationaux et qui accepte que l'impunité prime le droit.

 

Monsieur le ministre, comment justifiez-vous l'absence de mécanisme de contrôle économique ou commercial dans le projet d'arrêté?

 

Pourquoi exclure le plateau du Golan du champ d'application, alors que cette exclusion va clairement à l'encontre des obligations internationales de la Belgique?

 

Pourquoi prévoir une clause d'extinction et un délai d'entrée en vigueur qui, ensemble, ne laissent que quelques mois d'application réelle et empêchent tout contrôle économique sérieux?

 

Pouvez-vous garantir que le dispositif final respectera pleinement les engagements internationaux et qu'il ne se limitera pas à une mesure symbolique dépourvue d'effet réel?

 

12.02  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, voici dix mois, votre gouvernement a conclu un accord sur Gaza prévoyant notamment l'interdiction des importations en provenance des colonies israéliennes établies dans les territoires occupés. Or, d'après les informations révélées dans la presse, l'arrêté royal serait à l'arrêt.

 

Par ailleurs, plusieurs organisations de la société civile s'inquiètent et soulèvent plusieurs éléments qui, selon elles, ne vont pas dans le bon sens dans cet arrêté royal. J'espère que vous pourrez nous rassurer à cet égard. Premièrement, elles critiquent le fait que le plateau du Golan syrien occupé serait exclu du champ d'application de l'interdiction. Pourtant, l'annexion de ce territoire par Israël n'est évidemment pas reconnue par la communauté internationale, et les Nations Unies considèrent également comme illégales les colonies qui y sont implantées. C'est assez logique. Deuxièmement, les organisations pointent le caractère temporaire du dispositif envisagé, qui devrait être renouvelé chaque année sous peine de devenir caduc. Troisièmement, elles s'inquiètent de l'absence d'un mécanisme de contrôle suffisant pour garantir l'effectivité de l'interdiction. C'est évidemment une condition sine qua non pour que cette mesure produise des effets suffisamment forts afin d'exercer une pression sur Israël.

 

Ces inquiétudes sont renforcées par les conclusions d'un récent rapport de l'ONG israélienne Global Echo, qui documente différentes stratégies utilisées par certaines entreprises afin de dissimuler l'origine réelle des produits issus des colonies, d'où l'importance des contrôles que je viens d'évoquer. Ce rapport mentionne notamment des pratiques d'étiquetage ambigu, des déclarations douanières incomplètes, des mélanges de marchandises provenant à la fois d'Israël et des territoires occupés, visant à semer le doute sur l'origine réelle de certains produits ou encore des difficultés de traçabilité tout au long de la chaîne d'approvisionnement. En outre, plusieurs organisations de défense des droits humains soulignent qu'une interdiction limitée aux seules importations pourrait se révéler insuffisante dans le contexte du marché unique européen, des produits pouvant entrer dans l'Union européenne par d'autres États membres avant d'être commercialisés en Belgique.

 

Monsieur le ministre, mes questions sont donc les suivantes. Pour quelles raisons l'arrêté royal annoncé n'a-t-il toujours pas été adopté, près de dix mois après l'accord? Combien de fois a-t-il été discuté en Conseil des ministres? Où se situent, finalement, les blocages? Quelle réponse apportez-vous aux critiques formulées par les associations que je viens d'énumérer? Le gouvernement a-t-il analysé les conclusions du rapport de l'ONG israélienne concernant ces stratégies de dissimulation? Votre gouvernement envisage-t-il également d'interdire la commercialisation, sur le territoire belge, de produits issus des colonies? Enfin, en lien avec une question que j'ai adressée à votre collègue Prévot le 16 juin, celui-ci m'a indiqué que la commissaire européenne Suica s'était engagée à organiser une large coordination interne afin de présenter différentes options d'ici la prochaine réunion du Conseil des Affaires étrangères, prévue le 13 juillet. Pouvez-vous nous confirmer cette information? Pouvez-vous également nous préciser quels éléments figureront à l'ordre du jour de cette réunion?

 

Je vous remercie.

 

12.03  David Clarinval, ministre: Mesdames les députées, mon administration, en collaboration avec les Douanes et le SPF Affaires étrangères, a en effet rédigé un projet d’arrêté royal prévoyant une interdiction nationale d’importation des marchandises produites, exploitées ou transformées dans les territoires palestiniens occupés illégalement par Israël, ainsi que les contrôles nécessaires pour garantir le respect de cette interdiction. Ce texte est actuellement en discussion au sein du Conseil des ministres. Ses modalités seront communiquées dès qu’il aura été approuvé par le gouvernement. Je vous remercie de votre attention.

 

12.04  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, c’est une réponse très courte. Elle démontre qu’il existe un blocage et que tout le monde n’est pas d’accord à ce sujet. Cela renforce, en tout cas, mes préoccupations concernant les informations qui circulent à propos de ce projet d’arrêté. Si celles-ci devaient se confirmer, nous serions face à un texte qui ne permettrait finalement pas d’atteindre l’objectif annoncé.

 

Ce que nous demandons ici est pourtant simple: que l’interdiction soit réelle, contrôlée, effectivement et pleinement appliquée et qu'elle ne constitue pas une mesure de façade susceptible d’être contournée. J’espérais obtenir une réponse beaucoup plus précise. J’en prends bonne note. Évidemment, nous reviendrons vers vous, car il s’agit d’un sujet important qui mérite une attention toute particulière.

 

12.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, je suis soufflée par cette absence de précision dans les réponses apportées à nos questions. Vous êtes ici au Parlement, et non face à un journaliste qui vous importune par ses questions. Nous exerçons notre rôle de contrôle parlementaire à l'égard des engagements pris par ce gouvernement.

 

Votre gouvernement s'est engagé, voici dix mois, à adopter un régime de sanctions à l'égard d'Israël. Il s'agit, du reste, d'un des volets importants de l'accord de gouvernement. Ce régime est nécessaire. Il ne s'agit pas de quelque chose d'abstrait. Il permettrait de sauver des vies et d'éviter que des personnes soient dépossédées de leurs terres. La propriété privée n'est-elle pas une notion qui vous parle, monsieur le ministre, en tant que libéral? Aujourd'hui, quelque 150 communautés de bergers sont exclues de leur territoire par des colons israéliens. C'est l'inaction de ce gouvernement qui permet les actions menées par ces colons israéliens et leur donne, de fait, le droit de commettre ces violences et ces exactions en dehors de tout cadre légal.

 

Dès lors, ces blocages organisés au sein du gouvernement – car je ne peux pas croire qu'il s'agisse d'autre chose – ont un impact sur la vie des communautés palestiniennes en Cisjordanie, sur leur capacité à subvenir à leurs besoins et à continuer à cultiver leurs terres. Je ne sais pas si vous mesurez pleinement les conséquences concrètes de ces jeux politiques ignobles qui se jouent aujourd'hui au sein de ce gouvernement.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

13 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten" (56016790C)

13 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les répercussions économiques du conflit au Moyen-Orient" (56016790C)

 

13.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, de groeiraming van de Europese Commissie voor onze economie werd opnieuw verlaagd van 1,1 % naar 0,7 %. Voka wijt de groeivertraging voor een groot deel aan onder andere de hogere energieprijzen, de verstoring van de handelsroutes en de toenemende onzekerheid voor ondernemingen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten en raamt het daarmee samenhangende verlies aan toegevoegde waarde in onze economie op ongeveer 2,5 miljard euro. Voka waarschuwt bovendien dat de economische gevolgen nog erger kunnen worden, als de situatie aanhoudt. Denk daarbij aan stijgende inflatie, bijkomende loonindexeringen en een verslechtering van het concurrentievermogen van onze ondernemingen ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten.

 

Hoe beoordeelt u de raming van Voka dat het conflict in het Midden-Oosten dit jaar zou leiden tot een verlies van 2,5 miljard euro aan toegevoegde waarde?

 

Beschikt uw administratie over eigen ramingen van de economische impact van het conflict op de groei, de investeringen en de werkgelegenheid in ons land?

 

In welke mate houdt u bij de opmaak van het economisch beleid rekening met het risico op verdere groeivertragingen?

 

Welke impact verwacht u op de investeringsbereidheid van de ondernemingen en op het concurrentievermogen ten opzichte van onze belangrijkste handelspartners?

 

Welke impact verwacht u van de oplopende loonkosten op de industriële activiteit?

 

Welke onderdelen van het plan MAKE2025-2030 bieden een antwoord op die uitdagingen en welke meetbare resultaten hebben die maatregelen tot vandaag opgeleverd?

 

Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

13.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, de FOD Economie beschikt niet over een model dat toelaat de impact van de oorlog in het Midden-Oosten op de economische groei, de investeringen en de werkgelegenheid te ramen.

 

In zijn op 12 juni 2026 gepubliceerde groeiprognose voor de periode 2026-2031 geeft het Federaal Planbureau een neerwaartse bijstelling van de bbp-groei met 0,4 procentpunt aan ten opzichte van zijn eerdere prognose van februari 2026, dus van vóór het begin van de oorlog met Iran. De groei van het Belgische bruto binnenlands product zou daarom beperkt blijven tot 0,7 % in 2026. De vertraging van de economische bedrijvigheid in België zou evenwel tijdelijk moeten zijn. Volgens de meest recente vooruitzichten van het Federaal Planbureau zou de groei van het bruto binnenlands product in 2027 opnieuw 1,1 % bedragen, aangedreven door de geleidelijke hervatting van de investeringen in woningen, het herstel van de koopkracht van de gezinnen en een geleidelijke verbetering van het internationale klimaat.

 

Ondanks de verwachte daling van de energie-intensiteit van het Belgische bbp in de komende jaren volgens de vooruitzichten op middellange termijn van het Federaal Planbureau, blijft ons land kampen met een concurrentienadeel ten opzichte van zijn buurlanden. Die vaststelling wordt ook benadrukt in het eerder dit jaar gepubliceerde Belgian Competitiveness Overview. In die context zal een schok in de energieprijzen of het energieaanbod waarschijnlijk leiden tot hogere kosten voor bedrijven, met name voor energie-intensieve bedrijven. Voor financieel solide ondernemingen kan de stijging van de energiekosten ook een stimulans zijn om meer te investeren in energie-efficiëntie, wat op middellange termijn productiviteitswinsten kan opleveren, zoals de OESO in 2023 heeft aangetoond.

 

Volgens de vooruitzichten van het Federaal Planbureau zullen de nominale arbeidskosten per geproduceerde eenheid tussen 2027 en 2031 naar verwachting met 2,1 % per jaar stijgen, een tempo dat in overeenstemming is met de inflatiedoelstelling van de Europese Centrale Bank. In die periode zal de productiviteit per uur naar verwachting met slechts 0,3 % per jaar toenemen, terwijl de nominale loonkosten per uur met 2,4 % zouden stijgen.

 

Die perspectieven benadrukken het belang om onze productiviteitswinst de komende jaren duurzaam te verhogen om de competitiviteit van onze economie te vrijwaren. Het interfederaal plan MAKE 2025-2030 heeft tot doel de Belgische industriële competitiviteit duurzaam te versterken door een omgeving te creëren die gunstiger is voor investeringen, innovatie en productie. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan sectoren die het meest aan internationale concurrentie blootstaan, en aan energie-intensieve industrieën, met name via maatregelen om de energiekosten te verlagen, de infrastructuur te verbeteren en het regelgevend kader te vereenvoudigen.

 

13.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, ik vind het vreemd dat de FOD Economie niet beschikt over een model om het effect in te schatten. Als gebeurtenissen een impact op wereldschaal hebben en een directe aanslag zijn op onze economie, het investeringsklimaat en onze werkgelegenheid, zou de uitwerking van een rekenmodel een van de prioriteiten van de FOD Economie moeten zijn en zou u als minister onmiddellijk de opdracht moeten geven om de impact op onze economie, op het bbp en de toegevoegde waarde te becijferen.

 

Doe dan toch een poging om te zorgen voor zo’n rekenmodel. Er zijn wel een aantal methodologieën waarmee het perfect mogelijk is om de impact in te schatten.

 

Zoals u altijd zegt, moeten we een omgeving voor groei creëren, maar het wordt een beetje wollig. Dat is allemaal wel waar, maar hoe u die omgeving creëert, blijft toch dubbel en te weinig concreet. U streeft naar een stijging van de productiviteitswinst. Dat is absoluut noodzakelijk, mijnheer de minister, want op dit moment stagneert onze productiviteit en dat is problematisch. Met welke specifieke maatregelen zult u er echter voor zorgen dat onze productiviteit niet alleen stijgt, maar ook sterker stijgt dan die van andere industriële grootmachten als de Verenigde Staten en China? Die benchmarking mis ik. Iedereen is het erover eens dat de productiviteit moet stijgen en dat er meer productiviteitswinsten moeten zijn, maar hoe dat moet gebeuren, daarover blijft u erg vaag.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

14 Vraag van Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De omzetting van de EU-richtlijn 2024/825" (56016684C)

14 Question de Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La transposition de la directive européenne 2024/825" (56016684C)

 

14.01  Lieve Truyman (N-VA): Mijnheer de minister, in juni 2026 werd hier in de commissie het wetsontwerp ingeleid tot omzetting van richtlijn 2024/825 inzake het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken. Wij kunnen absoluut niet tegen die richtlijn zijn. De omzetting van de richtlijn naar Belgisch recht gebeurt onder maximumharmonisatie, maar biedt weinig ruimte voor aanpassingen.

 

Een betere transparantie ten opzichte van onze Europese buurlanden kan bijdragen aan eerlijke concurrentie en een beter functionerende interne markt. Essentieel blijft wel dat nieuwe verplichtingen proportioneel zijn en geen overmatige regeldruk creëren die de economische slagkracht van onze economie en bij uitbreiding van de Europese economie verzwakt. Ik had u daarover graag een aantal vragen gesteld.

 

Beschikken onze Belgische ondernemingen over voldoende tijd om zich aan de nieuwe verplichtingen aan te passen? Zal de implementering van geharmoniseerde etiketten op Europese producten een grote planlast met zich brengen voor onze Belgische bedrijven? Heeft dat gevolgen voor de concurrentiekracht van onze ondernemingen? Die effecten brengen wij best ook in kaart.

 

Een heel belangrijke vraag is de volgende. Op welke manier zullen niet-Europese verkopers kunnen worden gecontroleerd op correcte etikettering in het kader van groene producten of producten die met ecologisch gedachtegoed zijn geproduceerd en een beperkte CO2-afdruk hebben? Wordt de omzetting van de Europese richtlijn ook opgenomen in de taskforce rond e-commerce? Als dat het geval is, wat is de stand van zaken?

 

Ik dank u voor uw antwoorden.

 

14.02 Minister David Clarinval: De richtlijn Green Empowerment werd in 2024 gepubliceerd en voorziet in een omzettingstermijn tot 27 maart 2026. De nieuwe regels moeten worden toegepast vanaf 27 september 2026. Over het wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn zal deze donderdag 9 juli in de plenaire vergadering worden gestemd. Mijn administratie heeft de afgelopen maanden de richtlijn al via verschillende webinars toegelicht aan de federaties. Bovendien hebben de federaties in februari via mijn kabinet het volledige wetsontwerp ontvangen.

 

Ondanks alle inspanningen om de handelaars te informeren, werd op mijn initiatief een bijzondere overgangsregeling aan het wetsontwerp toegevoegd. Artikel 15 van het wetsontwerp bepaalt dat de Economische Inspectie niet zal optreden tegen producten die handelaars al in voorraad hadden vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Zo voorkomen we dat handelaars producten zouden moeten weggooien.

 

Mijn initiatief heeft inmiddels ook weerklank gevonden op EU-niveau. Op 30 juni kondigde de Europese Commissie aan dat de nationale handhavingsautoriteiten zich flexibel zullen opstellen bij de toepassing van de nieuwe regels op goederen die voor de inwerkingtreding van de richtlijn al in voorraad waren.

 

Het geharmoniseerde etiket waarnaar u verwijst, moet alleen worden aangebracht wanneer de producent aan de consument een commerciële levensduurgarantie aanbiedt die aan specifieke voorwaarden voldoet. Vanwege het karakter van maximale harmonisatie van de richtlijn geldt die verplichting voor alle ondernemingen die handel drijven in Europa, ongeacht hun plaats van vestiging en zelfs ongeacht of ze binnen of buiten de Europese Unie gevestigd zijn.

 

De taskforce e-commerce werd opgericht met als doel gecoördineerde en doeltreffende maatregelen te formuleren die de competitiviteit van de sector versterken, oneerlijke handelspraktijken bestrijden, duurzame praktijken bevorderen en een veilige online handelsomgeving waarborgen, in overeenstemming met de Europese regelgeving.

 

De specifieke omzetting van de richtlijn Green Empowerment werd niet behandeld binnen de taskforce, maar die richtlijn maakt uiteraard wel deel uit van het algemene Europese kader waarop de activiteiten van de taskforce betrekking hebben. Zo zal worden bekeken hoe sensibiliseringsinitiatieven in dit kader kunnen worden ontwikkeld.

 

14.03  Lieve Truyman (N-VA): Het is inderdaad positief dat de stockproducten buiten deze regelgeving vallen, want daarop de nodige etiketten kleven zou handelaars nog extra belasten. Dat is dus zeker een goed initiatief. We moeten er wel over waken dat bedrijven die hun producten in Europa en dus ook in België via diverse platformen verkopen, aan deze regelgeving voldoen. Dat wil ook zeggen dat we dit van dichtbij moeten opvolgen en zo snel mogelijk moeten ingrijpen, zodat ze echt voelen dat ook voor hen die regelgeving van belang is en niet alleen voor onze eigen bedrijven. Ik besef terdege dat u alert bent en de zaak van nabij opvolgt.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

15 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’accès numérique aux services bancaires" (56016754C)

15 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De digitale toegang tot bankdiensten" (56016754C)

 

15.01  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, plusieurs banques belges ont récemment relevé les exigences techniques minimales nécessaires à l'utilisation de leurs applications mobiles.

 

Concrètement, des smartphones pourtant encore fonctionnels ne permettent plus à leurs utilisateurs d'accéder à certains services bancaires numériques en raison de l'ancienneté de leur système d'exploitation.

 

Dans un contexte où les services bancaires sont de plus en plus dématérialisés et où le nombre d'agences physiques continue de diminuer, l'accès à une application mobile est devenu, pour de nombreux citoyens, une condition quasi indispensable à la gestion quotidienne de leurs finances.

 

Or, le renouvellement d'un smartphone représente un coût parfois important pour certains ménages. Cette contrainte peut affecter plus particulièrement les personnes âgées, les ménages à faibles revenus ou les consommateurs qui souhaitent conserver un appareil encore parfaitement opérationnel. Elle peut également contribuer à une forme d'obsolescence indirecte des équipements numériques, alors même que les politiques publiques encouragent une consommation plus durable.

 

La transition numérique des services financiers apporte incontestablement des gains d'efficacité et de sécurité. Elle ne devrait cependant pas avoir pour conséquence de créer de nouveaux obstacles à l'accès aux services bancaires ou d'imposer, de facto, un renouvellement accéléré d'équipements encore pleinement fonctionnels.

 

Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour sur cette problématique qui vient mettre à mal l'accès numérique aux services bancaires? Comptez-vous échanger avec Febelfin concernant les conséquences de ces évolutions sur l'accessibilité des services financiers pour les consommateurs les plus vulnérables? Dans quelle mesure cette situation s'inscrit-elle dans la réflexion menée au niveau belge et européen sur la lutte contre l'obsolescence prématurée des équipements numériques et sur le droit des consommateurs à prolonger la durée de vie de leurs appareils?

 

Je vous remercie pour vos réponses.

 

15.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le député, la question de l'accès numérique aux services bancaires à laquelle vous faites référence est double.

 

Il y a tout d'abord la question des consommateurs, principalement des personnes âgées, qui ne sont pas familiarisées avec les services numériques et préfèrent dès lors effectuer leurs opérations bancaires de manière manuelle. Dans ce cadre, avec mes collègues ministres des Finances et de la Protection des consommateurs, nous avons conclu un accord avec Febelfin en vue de prolonger jusqu'en 2031 le service bancaire universel.

 

Mis en place en 2021, le service bancaire universel consiste en un forfait de services bancaires de base destiné spécifiquement aux consommateurs qui ne sont pas à l'aise avec les nouvelles technologies et qui souhaitent gérer leur argent et effectuer leurs transactions au moyen des canaux traditionnels non numériques. Ce forfait est proposé par les principales banques en Belgique à un prix plafonné.

 

D'autre part, il y a la question de la compatibilité des appareils mobiles, en particulier des smartphones, avec les services numériques proposés par les banques. Mon administration n'a pas connaissance d'un problème généralisé concernant des services bancaires numériques qui ne seraient plus disponibles au motif que le smartphone du client serait obsolète.

 

Je n'exclus pas qu'il existe des consommateurs dont le smartphone soit tellement ancien ou dont les mises à jour logicielles soient tellement dépassées qu'il devienne partiellement incompatible avec l'application mobile de leur banque. Toutefois, cela ne constitue pas un problème spécifique aux banques.

 

En effet, tous les développeurs d'applications mobiles, y compris les banques, utilisent les mêmes logiciels requis par les systèmes d'exploitation des smartphones, à savoir Android et iOS. Si vous avez des préoccupations concernant les mises à jour ou les logiciels requis par Android et iOS, je vous invite à les adresser à ma collègue en charge du Numérique, Mme Vanessa Matz.

 

15.03  Patrick Prévot (PS): Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

 

Effectivement, c'est toujours la même logique qui m'anime. Nous avons l'impression qu'avec les banques, nous payons toujours autant, voire davantage, pour bénéficier de moins en moins de services.

 

Je pense que nous devons accorder une attention particulière à celles et ceux qui ne sont pas familiarisés avec les outils numériques, qui ne savent pas utiliser les applications ou qui n'ont tout simplement pas les moyens de disposer d'un smartphone capable de faire fonctionner ces applications.

 

Vous dites effectivement qu'il n'y a pas de problème généralisé, je vous entends, mais en réalité il y a encore aujourd'hui des smartphones qui ne peuvent pas supporter certaines applications ou certains développements ou mises à jour d'applications, et cela pose évidemment question.

 

Peut-être qu’à 43 ans, je fais déjà partie des vieux Belges, mais même si j’utilise moi-même les applications, je pense qu’il faut veiller à ne pas oublier celles et ceux qui ne maîtrisent pas ces outils. Je me réjouis donc qu’un accord ait été conclu avec Febelfin jusqu’en 2031 afin que les opérations manuelles puissent continuer à exister. Cela me paraît indispensable. Et d’ailleurs, même en 2031, il n’est pas exclu que cette réflexion reste pleinement pertinente. Mais voyons encore une fois le verre à moitié plein et contentons-nous de ce premier pas au niveau des opérations manuelles!

 

Toutefois le constat reste toujours le même. Il s’agit, malgré tout, d’une diminution du service. On demande de plus en plus aux clients d’effectuer eux-mêmes leurs opérations. Dans le même temps, il devient de plus en plus difficile d’avoir accès à des femmes et des hommes derrière les guichets.

 

Pour la moindre opération aujourd’hui, on nous renvoie vers les applications numériques. Et lorsqu’on souhaite pouvoir échanger avec une personne, il faut parfois prendre rendez-vous ou changer d’agence. Cela engendre évidemment toute une série d’autres difficultés au sujet desquelles, vous n'en doutez pas, je reviendrai vers vous.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De bedrijfsdynamiek" (56016792C)

16 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La dynamique d'entreprise" (56016792C)

 

16.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, we stellen vast, wat ook de Europese Commissie zegt, dat dit land een relatief laag niveau van bedrijfsdynamiek heeft. Het is zelfs een van de laagste niveaus van de hele Europese Unie. We zien dat het aantal nieuwe ondernemingen dat in ons land wordt opgericht, wel vergelijkbaar is met dat in de buurlanden. Als we echter kijken naar het aandeel snelgroeiende ondernemingen, zitten en blijven we toch heel sterk onder het Europees gemiddelde. Denk daarbij aan het aantal scale-ups, dat bedraagt amper 0,25 %, terwijl het Europees gemiddelde 0,79 % is. Dat is een bijzonder groot verschil.

 

De Europese Commissie stelt ook dat de steun voor onderzoek en ontwikkeling sterker gericht zou moeten zijn op die snelgroeiende ondernemingen. Er wordt ook verwezen naar problemen rond groeifinanciering en de beperkte effectiviteit van bepaalde steunmaatregelen. Daarom heb ik een aantal vragen.

 

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u zelf de analyse van de Europese Commissie dat het aandeel snelgroeiende ondernemingen toch onder het Europees gemiddelde blijft? Welke verklaringen ziet u zelf voor het beperkte aantal scale-ups?

 

Bent u akkoord met de stelling dat de huidige steun efficiënter en effectiever zou kunnen worden ingezet? Welke hervormingen acht u zelf aangewezen om die steun meer te richten op ondernemingen met een hoog groeipotentieel? Ik begrijp dat er ook een luik bij de deelstaten zit, maar ik heb het specifiek over het federale aandeel.

 

Welk aandeel van de steun komt terecht bij grote, middelgrote en kleine ondernemingen? In welke mate draagt die steun bij aan de doorgroei van ondernemingen tot de scale-ups waarover ik spreek?

 

Hoe reageert u op de vaststelling van de Europese Commissie dat de toegang tot groeifinanciering voor ondernemingen tijdens de opschalingsfase ontoereikend blijft?

 

Met welke maatregelen wilt u de beschikbaarheid van risicokapitaal en groeifinanciering voor innovatieve ondernemingen verbeteren?

 

16.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, ik heb kennisgenomen van het sociaal-economisch profiel van België dat de Europese Commissie op 3 juni heeft gepubliceerd. Mijn kabinet analyseert momenteel de aanbevelingen uit dat rapport.

 

Ten eerste, ik deel de vaststelling van de Europese Commissie dat het aandeel van Belgische scale-ups in de economie onder het Europese gemiddelde ligt. Tegelijk wil ik benadrukken dat die indicator op zich geen volledig beeld geeft van de economische prestaties van ons land. Volgens het recente Startup and Scaleup Scoreboard van de Europese Commissie staat België immers op de 9de plaats van de 27 lidstaten. Volgens de Europese Commissie, de Nationale Bank van België en de FOD Economie worden start-ups die willen doorgroeien tot scale-ups vooral geconfronteerd met een beperkte toegang tot goede financiering en een tekort aan gespecialiseerd talent, administratieve en regelgevende belemmeringen en moeilijkheden bij de internationale uitbreiding.

 

Ten tweede, mijn collega-minister Simonet heeft in januari 2026 het kmo-plan gelanceerd ter ondersteuning van innovatieve ondernemingen. Het plan omvat onder meer snellere visumprocedures, steun voor spin-offs, regelluwe experimenteerzones, een betere toegang tot aandelenfinanciering en overheidsopdrachten, aangepaste fiscale stimulansen voor investeringen en een verdere vermindering van de administratieve lasten. Daarnaast zet ook het interfederale plan MAKE 2025-2030 in op een gunstiger ondernemingsklimaat door administratieve vereenvoudiging, een competitiever investeringsklimaat en een versterking van de innovatie- en productiviteitscapaciteit van onze industrie. Uit de laatste evaluatie van het Federaal Planbureau blijkt dat de Belgische O&O-steun een divers publiek bereikt.

 

Regionale steun richt zich relatief sterker op kmo’s en jonge ondernemingen, terwijl fiscale instrumenten zoals de innovatieaftrek vaker door grotere ondernemingen worden benut.

 

De studie bevat echter geen exacte verdeling van de steun volgens de ondernemingsgrootte. Er zijn momenteel geen statistieken die een rechtstreeks verband leggen tussen innovatiesteun en het aantal ondernemingen dat tot een scale-up uitgroeit. Wel draagt dergelijke steun bij aan productiviteitsgroei, innovatie en verdere ondernemingsontwikkeling.

 

Ten vierde, om de beschikbaarheid van risicokapitaal en groeifinanciering te versterken, neemt de federale overheid twee maatregelen. Het regeerakkoord beoogt een versoepeling van het regelgevingskader voor private privaks door bestaande knelpunten weg te werken. Daarnaast voorziet het kmo-plan van januari in een hervorming van de taxshelter voor start-ups en scale-ups.

 

16.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, u verwijst naar het kmo-plan en uw plan MAKE 2025-2030. Tegelijk erkent u ook de analyse van de Europese Commissie. U zegt dat uw kabinet momenteel ook een analyse van een en ander maakt. Toch blijven de cijfers voor mij zorgwekkend. Ze zijn een teken aan de wand dat er echt iets moet gebeuren.

 

Wat is het effect van de innovatiesteun? Wat is de doeltreffendheid daarvan? Ik denk dat er nog wel wat werk aan de winkel is om dat verder te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de steun en de maatregelen die worden genomen hun doeltreffendheid voldoende bewijzen.

 

U zit niet op een berg geld. U hebt geen geld op overschot, integendeel. Het is daarom belangrijk om dat allemaal grondig tegen het licht te houden en na te gaan of de steunmaatregelen die we nemen nodig en doeltreffend zijn. Waar zitten de quick wins? Ik denk dat u op die manier te werk moet gaan. Ik vrees dat die oefening vandaag onvoldoende is gemaakt. Dat is bijzonder jammer.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

17 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het investeringsklimaat" (56016858C)

17 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le climat d'investissement" (56016858C)

 

17.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, de economische activiteit stagneert en het ondernemersvertrouwen weerspiegelt dat. Daarover zijn we het wel eens. Volgens de recente Voka-enquête schat 69 % van de ondernemingen het economisch klimaat negatief tot zeer negatief in. Er is vooral een bijzonder grote ongerustheid over de vooruitzichten in de industrie, maar ook in de bouw. 40 % van de bedrijven die deel uitmaken van een internationale groep, zou voor nieuwe investeringen vooral uitkijken naar het buitenland. De hoge energieprijzen, de stijgende loonkosten en de aanhoudende onzekerheid zorgen ervoor dat men investeringsopportuniteiten zeer grondig afweegt en zich afvraagt of men nog wel in België zal investeren of zal uitwijken naar een ander land.

 

Welke maatregelen neemt u om de aantrekkelijkheid van dit land als investeringslocatie te versterken en nieuwe productieve investeringen aan te trekken?

 

Met welke maatregelen kunt u tegengaan dat internationale groepen voor nieuwe investeringen steeds vaker naar het buitenland kijken? U kunt wel zeggen dat u een plan hebt en van alles doet, maar toch worden we bijna dagelijks in het nieuws geconfronteerd met investeringsbeslissingen die niet in België, maar wel in het buitenland plaatsvinden.

 

Kunt u ook toelichten in welke mate investeringsprojecten de afgelopen jaren naar andere landen zijn verschoven? In welke sectoren acht u de delokalisatie van activiteiten het waarschijnlijkst?

 

Welke acties acht u noodzakelijk om het internationale marktaandeel van onze exporterende ondernemingen te versterken?

 

17.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, het beleid inzake het aantrekken van investeringen is hoofdzakelijk een gewestelijke bevoegdheid. De gewestelijke investeringsagentschappen Flanders Investment & Trade, AWEX en hub.brussels spelen daarbij een centrale rol.

 

Het federale regeerakkoord bevat meerdere maatregelen om de aantrekkelijkheid van België te versterken, met name fiscale hervormingen, de versterking van de competitiviteit, de ondersteuning van investeringen en de energietransitie, een hervorming van het expatstatuut, een verbetering van de investeringsaftrek en een versterkte ondersteuning van start-ups en innovatieve ondernemingen. Deze maatregelen zijn erop gericht de competitiviteit en de aantrekkelijkheid van onze economie duurzaam te verbeteren.

 

Productieve investeringen zijn van essentieel belang om onze industriële basis te versterken en de productiviteit te ondersteunen. Zij staan evenwel onder druk, in het bijzonder in de chemische en de farmaceutische sector, die worden geconfronteerd met hoge energiekosten, toegenomen concurrentie en regelgevingsonzekerheid. Om die uitdagingen aan te pakken heeft de regering MAKE2025-2030 gelanceerd, met als doel het investeringskader te verbeteren en de competitiviteit van onze industrie duurzaam te versterken.

 

Om het internationale marktaandeel van onze ondernemingen te vergroten, moet vooral de competitiviteit worden verhoogd: een verlaging van de arbeidskosten, competitieve energie, administratieve vereenvoudiging en ondersteuning van innovatie. Tegelijk moet de Europese Unie een ambitieus handelsbeleid voortzetten, nieuwe akkoorden sluiten met strategische partners en haar handelsbeschermingsinstrumenten ten volle benutten om eerlijke concurrentievoorwaarden te garanderen ten aanzien van dumping, buitenlandse subsidies en overcapaciteit.

 

17.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, ik weet uiteraard wel dat de gewesten een belangrijke rol spelen in het aantrekken van investeringen. U verwijst terecht naar Flanders Investment & Trade (FIT). Mijn aandacht werd echter vooral getrokken door de resultaten van die enquête van Voka. Daaruit bleek dat hoge energieprijzen, stijgende loonkosten en aanhoudende onzekerheid vaak als voornaamste redenen worden aangehaald.

 

We kunnen dan wel naar de gewesten kijken, maar de federale regering heeft daarin toch ook een belangrijke verantwoordelijkheid. Opnieuw verwijst u naar uw plan, maar ik verneem nooit een tijdspad. Het blijft vaak onvoldoende concreet. Sinds de aantreding van de regering antwoordt u mij altijd hetzelfde wanneer ik u daar vragen over stel. Tot vandaag zie ik te weinig concrete resultaten. Waar staan we nu? Meten is weten, zegt men altijd.

 

Ik kan geen voorbeelden geven van bedrijven die zeggen dat zij, dankzij het beleid van de federale regering, ervoor hebben gekozen om in Vlaanderen of in Antwerpen te investeren. Dat hoor ik niet. Ik hoor alleen het tegenovergestelde, namelijk investeringen die hier niet plaatsvinden, maar wel in het buitenland.

 

Ik zou dus graag wat meer concrete maatregelen zien, mijnheer de minister, met een duidelijk tijdspad waarin u aangeeft wat u tegen wanneer wilt realiseren. Het blijft allemaal wat vaag, telkens opnieuw wanneer ik u daar vragen over stel. Na het reces, in het najaar, zult u mij wellicht opnieuw exact hetzelfde antwoorden. Dat is jammer. Die problematiek is te belangrijk en te ernstig om ter plaatse te blijven trappelen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Toeleveringsproblemen" (56016859C)

18 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les problèmes d'approvisionnement" (56016859C)

 

18.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, dit is een onderwerp dat verwant is aan de vraag die ik daarstraks heb gesteld, maar ik wil hier nog iets meer inzoomen op de verstoorde toeleveringsketens ten gevolge van het conflict in het Midden-Oosten.

 

De CEO van BASF heeft gewaarschuwd voor het toenemend risico op verstoringen van internationale toeleveringsketens als gevolg van dat conflict. BASF stelt dat de stijgende olieprijzen en de problemen in de aanvoer van bepaalde grondstoffen en chemische producten in de tweede helft van dit jaar zouden kunnen leiden tot tekorten in verschillende industriële sectoren. We weten ook dat de Straat van Hormuz een belangrijke doorvoerroute is voor olie, aardolie en diverse chemische grondstoffen.

 

BASF zegt ook dat die verstoringen van de handelsstromen niet alleen gevolgen zullen hebben voor de chemische industrie, maar ook voor de afnemers van bijvoorbeeld de auto-industrie, de maakindustrie en tal van kmo-toeleveranciers. Ook voor de Antwerpse chemische cluster kunnen dergelijke ontwikkelingen bijzonder relevant zijn. U weet dat onze hele industrie afhankelijk is van de chemische industrie en dat dit dus wel eens zou kunnen zorgen voor een kettingreactie, ook in ons land.

 

Mijnheer de minister, ik heb daarom de volgende vragen. Hebt u zelf reeds signalen opgevangen van ondernemingen die vandaag moeilijkheden ondervinden bij de aanvoer van grondstoffen en halffabricaten? Hebt u overleg gepleegd met vertegenwoordigers van onder meer de automobielsector, de chemische sector, in het bijzonder met ondernemingen uit de Antwerpse chemische cluster of andere industriële sectoren over mogelijke bevoorradingsrisico's? Welke aandachtspunten kwamen daarbij naar voren?

 

Over welke monitoringmechanismen beschikt u om tijdig tekorten aan kritieke industriële grondstoffen of componenten te identificeren en te detecteren? In welke mate bieden de bestaande Europese instrumenten inzake kritieke grondstoffen volgens u voldoende bescherming? Tot slot, welke concrete maatregelen acht u nodig om ondernemingen beter te beschermen tegen schokken in de internationale toeleveringsketens?

 

Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

18.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, in antwoord op uw eerste en tweede vraag kan ik het volgende zeggen. De economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten uiten zich voornamelijk in een kostenstijging voor energiedragers en een potentieel verlies aan exportmarkten, ten gevolge van een schijnbaar vertraagde mondiale economische groei. Bij een bevraging door mijn administratie signaleerden vooral de transport- en voedingssector gestegen kosten, eerder dan een verstoring van hun toeleveringsketen. Ik blijf dit van nabij opvolgen, in het bijzonder als het conflict zou escaleren of langdurig zou aanhouden.

 

In antwoord op uw derde, vierde en vijfde vraag kan ik het volgende zeggen. De problematiek inzake de bevoorradingszekerheid van kritieke materialen en grondstoffen is een onderwerp dat ik zeer ter harte neem. In het kader van het interfederaal project MAKE 2025 om de competitiviteit van de Belgische industrie te analyseren, werd dan ook een actie voorzien die zal leiden tot de ontwikkeling van een nationale grondstoffenstrategie.

 

In de eerste zes maanden van 2026 werd een inventarisatie opgestart bij de industriële federaties, overheidsinstanties en onderzoekscentra om de voornaamste uitdagingen, noden en prioriteiten op het vlak van kritieke grondstoffen te identificeren. Op basis daarvan zal een nationale strategie worden uitgewerkt. Zonder vooruit te lopen op de inhoud van die strategie, de aspecten die u aanhaalt, zoals de ontwikkeling van een monitoringsmechanisme en een aanpak om de risico's te identificeren en te mitigeren, zullen daarvan wellicht deel uitmaken.

 

18.03  Reccino Van Lommel (VB): Dank u wel, mijnheer de minister. U zegt dat het vandaag vooral gaat over stijgende kosten en een verlies aan export. Dat klopt en kan een groot deel van de verklaring zijn. Daarnaast zegt u echter dat er nog niet echt sprake is van een verstoring van de toevoer en verwijst u vooral naar de problemen die de transport- en voedingssector ondervonden hebben. Er is echter effectief een noodkreet van de chemiesector. BASF is niet bepaald de kleinste speler in de chemische industrie, wat voor een groot stuk verklaart dat zij verwachten dat, als het probleem aanhoudt, er vooral in de tweede helft van dit jaar tekorten zouden kunnen opduiken.

 

Zo’n noodkreet uit de chemische sector zou voor u voldoende moeten zijn om naar oplossingen te zoeken. U zegt wel dat u de situatie zult monitoren, maar wat betekent dat? Als u dan zou vaststellen dat er een probleem is, hoe zult u dat dan aanpakken? Daar hoor ik niet veel over. Uw houding is vooral afwachtend. Ik zou verwachten dat signalen van spelers als BASF u voldoende zouden prikkelen om in actie te komen, maar dat heb ik niet echt gehoord.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

19 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De stagnerende economische groei" (56016860C)

19 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La stagnation de la croissance économique" (56016860C)

 

19.01  Reccino Van Lommel (VB): Ik wil verwijzen naar de Business Cycle Monitor van de Nationale Bank. We hebben  het daarnet ook al gehad over de economische groei, die verder afgeremd werd en stagneert.

 

De Nationale Bank wijst erop dat de groei vooral wordt afgeremd door een vertraging van de consumptie. De koopkracht van de huishoudens staat onder druk door de prijsstijging van goederen en diensten, terwijl ook het consumentenvertrouwen verslechterd is en de werkloosheidsverwachtingen ondertussen toegenomen zijn. Ondernemingen blijven wel investeren, maar eerder in efficiëntiemaatregelen dan in uitbreidingsprojecten.

 

Tegelijkertijd zien we dat verschillende economische instellingen, waaronder de Nationale Raad voor de Productiviteit, onderstrepen dat productiviteitsgroei de belangrijkste motor is van duurzame economische groei en welvaartscreatie.

 

Vandaar een aantal vragen voor u, mijnheer de minister. Hoe beoordeelt u de huidige evolutie van de arbeidsproductiviteit in dit land. Acht u die voldoende om de economische groei op middellange termijn te ondersteunen?

 

Welk effect verwacht u van de ondernemingsinvesteringen en efficiëntieverbeteringen op de economische groei en de jobcreatie?

 

Welke initiatieven neemt u om ondernemingen opnieuw aan te moedigen tot productieve uitbreidingsinvesteringen?

 

Welke hinderpalen voor productiviteitsgroei worden het vaakst gesignaleerd door ondernemingen? Met welke gerichte beleidsmaatregelen gaat u de achterstand wegwerken in de sectoren die achterop hinken?

 

Welke maatregelen acht u aangewezen om het consumentenvertrouwen opnieuw te versterken?

 

In welke mate verwacht u dat de huidige economische vertraging een impact zal hebben op het aantal faillissementen en bedrijfsstopzettingen in de komende kwartalen?

 

Tot slot, welke bijkomende maatregelen acht u noodzakelijk om het groeipotentieel van onze economie op middellange termijn te versterken indien de huidige stagnatie verder zou aanhouden?

 

19.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, wat uw eerste vraag betreft, is de Belgische productiviteit de afgelopen vijf jaar sterker gegroeid dan in de buurlanden en de overige Europese landen, met een gemiddeld jaarlijks groeipercentage van 0,8 % tegenover 0,4 % in de eurozone, volgens cijfers van de Nationale Raad voor de Productiviteit.

 

De historische trend en de groeivooruitzichten zijn echter onvoldoende om de economische groei op middellange termijn te ondersteunen en het hoofd te bieden aan grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de kosten van de vergrijzing en van het tegengaan van en de aanpassing aan de klimaatverandering.

 

Wat uw tweede vraag betreft, blijft volgens de recentste economische prognoses van de Nationale Bank van België van 12 juni 2026 het ondernemersvertrouwen sterk, ondanks de energieschokken, en handhaven bedrijven hun investeringsplannen, met name in het kader van de energietransitie. De Nationale Bank van België voorziet dat de particuliere investeringen, zowel in woningen als in ondernemingen, tegen 2028 bijna de helft van de bbp-groei zullen uitmaken, terwijl ze daar in 2025 nog nauwelijks aan hebben bijgedragen.

 

Wat uw derde vraag betreft, volgens de Europese Investeringsbank zijn de belangrijkste belemmeringen voor langetermijninvesteringen in België de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten, het regelgevingskader voor ondernemingen en de onzekerheid over de toekomst.

 

In antwoord op uw vierde vraag kan ik zeggen dat de productiviteitsgroei doorgaans dynamischer verloopt dankzij innovatie. Innovatie vereist aanzienlijke investeringen. Volgens het Belgian Competitiveness Dashboard bedroegen de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in 2024 3,4 % van het Belgische bbp. Het probleem voor ons land blijft echter het vermogen om innovatie om te zetten in daadwerkelijke productiviteitswinst.

 

Wat uw zesde vraag betreft, is het moeilijk om met zekerheid uitspraken te doen over de evolutie van het aantal faillissementen en stopzettingen in de komende kwartalen. In dit stadium wordt in de prognoses van de Nationale Bank van België uitgegaan van een voortzetting van de economische groei en van een handhaving van de particuliere investeringen.

 

Dat wijst niet op een algemene verslechtering van de situatie van de ondernemingen.

 

Wat uw zevende vraag betreft, de verwerkende industrie is een essentiële motor voor productiviteitsgroei. Met het plan MAKE 2025-2030 willen we onze industrie versterken ten behoeve van de competitiviteit van onze hele economie. Door middel van specifieke maatregelen willen we de ecosystemen ondersteunen die van strategisch belang zijn voor onze huidige economie en voor het België van morgen.

 

19.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Met betrekking tot de arbeidsproductiviteit begrijp ik dat u de vergelijking met de buurlanden maakt. Eigenlijk hebben we op dat vlak altijd beter gescoord dan onze buurlanden. Alleen stellen we vast dat die productiviteit de laatste jaren steeds meer is gestagneerd en dat die groei er niet meer is.

 

We hebben in ons land bijvoorbeeld te maken met hogere loonkosten. Dat kon voor een groot deel worden gecompenseerd omdat onze arbeidsproductiviteit ook beter was dan die van de buurlanden, maar op het moment dat niet meer aan die voorwaarden wordt voldaan, komen we in een concurrentieel nadeel terecht.

 

U zegt terecht dat de vooruitzichten onvoldoende zijn. Daar zullen dus ook maatregelen voor moeten worden genomen.

 

Met betrekking tot de productiviteitsgroei en de beleidsmaatregelen hebt u terecht verwezen naar innovatie als een belangrijke factor. Dat is echter slechts een eerste stap. Wanneer er innovatie is, is het ook heel belangrijk dat we er nadien voor zorgen dat die innovatie hier blijft en dat onze economie daarvan de vruchten kan plukken. We stellen vaak vast dat dat niet het geval is. Er wordt in ons land heel veel geïnnoveerd en uitgevonden, maar wanneer die innovaties later moeten worden gecommercialiseerd, verdwijnen ze naar het buitenland. Er zullen dus maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat we die innovatie hier kunnen verankeren, zodat onze werknemers, onze bedrijven en uiteindelijk ons land daarvan de voordelen kunnen blijven plukken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

20 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De detailhandel" (56016861C)

20 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le commerce de détail" (56016861C)

 

20.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, uit de recente cijfers van Eurostat moeten wij concluderen dat ons land tot de zwakst presterende landen van de hele Europese Unie behoort op het vlak van de detailhandel. Het totale verkoopvolume in de retailsector daalde opnieuw, namelijk met 2,1 % tegenover een jaar eerder. Als we de vergelijking maken binnen de Europese Unie, moeten wij vandaag vaststellen dat alleen Roemenië een sterkere terugval kent. De conclusie is dus dat wij het bijzonder slecht doen.

 

De detailhandel vormt een belangrijke schakel in de binnenlandse economie. Hij geldt bovendien deels als een indicator van de consumptiebereidheid van de huishoudens. De daling van het verkoopvolume geeft aan dat de koopkracht onder druk staat en dat gezinnen vaker besparen op niet-noodzakelijke aankopen.

 

Ik vraag mij daarom af welke factoren de relatief zwakke prestatie in vergelijking met de andere Europese lidstaten verklaren. Er moet op de een of andere manier toch een verklaring voor te vinden zijn. U kunt ze mij als minister van Economie ongetwijfeld geven.

 

Bent u van oordeel dat die terugval tijdelijk is, of is er sprake van een structurele evolutie?

 

Welke gevolgen verwacht u voor de economische groei in de komende kwartalen?

 

Hoe zult u het concurrentievermogen van de detailhandel verder en vooral opnieuw versterken?

 

Welke beleidsmaatregelen acht u aangewezen om de terugval in de binnenlandse consumptie tegen te gaan als de trend zich zou doorzetten?

 

20.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, wat uw eerste en tweede vraag betreft, uit de statistieken van Europa blijkt dat het verkoopvolume van de detailhandel in april 2026 met 2,1 % is gedaald ten opzichte van april 2025. Dat resultaat moet echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, aangezien de maandelijkse gegevens volatiel zijn. Over de eerste vier maanden van 2026 blijft de daling beperkt tot min 0,03 % op jaarbasis. Het verkoopvolume ligt bovendien nog altijd hoger dan in 2024.

 

De Nationale Bank van België schrijft die vertraging toe aan de tijdelijke stijging van de prijzen van aardolieproducten in april, maar verwacht een normalisatie in de volgende maanden.

 

In dit stadium wijzen de beschikbare gegevens vooral op een conjunctureel verschijnsel, ook al wordt de sector geconfronteerd met de uitdagingen van digitalisering en internationale concurrentie.

 

Wat uw derde vraag betreft, volgens de prognose van de Nationale Bank van België van juni 2026 zal de consumptie van de huishoudens in 2026 nog met 0,7 % stijgen, na een groei van 1,7 % in 2025. Vervolgens zou de consumptie in 2027 en 2028 geleidelijk verder aantrekken, met een stijging van respectievelijk 1 % en 1,2 %.

 

Wat uw vierde vraag betreft, de detailhandel opereert in een steeds competitievere omgeving, die wordt gekenmerkt door de opkomst van e-commerce en de druk van internationale spelers. Uit analyses blijkt dat de loonkosten per eenheid product in de sector in België iets hoger liggen dan het gemiddelde van de buurlanden, wat het belang onderstreept van verdere inspanningen om het concurrentievermogen te versterken.

 

Om dat te bereiken zijn het ondersteunen van digitalisering en innovatie, het vereenvoudigen van het administratieve kader, het waarborgen van eerlijke concurrentievoorwaarden, onder meer via het federale actieplan E-Commerce PLUS, en het beheersen van de kosten prioritaire maatregelen. Het doel is de modernisering van de sector te begeleiden om de productiviteit en de aantrekkelijkheid ervan te verbeteren.

 

Wat de vijfde vraag betreft, de prognoses wijzen niet op een blijvende daling van de huishoudelijke consumptie.

 

20.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. U stelt dat de cijfers vooral conjunctureel zijn en met de internationale concurrentie te maken hebben, en u maant aan tot een voorzichtige interpretatie van de cijfers. Als echter uit de vergelijking van Eurostat tussen ons land en de andere Europese lidstaten blijkt dat we onderaan de lijst bengelen en dat enkel Roemenië het nog slechter doet dan wij, dan zegt dat voor mij op zich wel veel.

 

In uw antwoord stelde u dat we de detailhandelsector verder moeten moderniseren, onder meer door administratieve vereenvoudiging, digitalisering, enzovoort. Dat mag allemaal waar zijn en het is belangrijk dat u daarop inzet, maar daarmee gaat u wel voorbij aan de vraag waarom ons land veel slechter scoort dan de andere Europese lidstaten. Ik had gehoopt dat u daar dieper op zou zijn ingegaan, maar op dat punt draait u een beetje rond de pot. Dat betreur ik, want ik ben van oordeel dat we daar een open een eerlijk debat over moeten kunnen voeren. Dat antwoord heb ik van u helaas niet gekregen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

21 Questions jointes de

- Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’indemnisation des victimes de phishing par les banques" (56016924C)

- Annik Van den Bosch à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'hameçonnage" (56017761C)

21 Samengevoegde vragen van

- Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De vergoeding van phishingslachtoffers door de banken" (56016924C)

- Annik Van den Bosch aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Phishing" (56017761C)

 

21.01  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, les fraudes bancaires liées au phishing et au vishing continuent de se multiplier en Belgique. De nombreuses victimes se voient ensuite refuser un remboursement par leur banque au motif qu'elles auraient commis une "négligence grave", alors même qu'elles ont été manipulées par des techniques de fraude de plus en plus sophistiquées.

 

Pourtant, un arrêt récent du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers, rendu le 26 mai 2026, vient rappeler avec force les obligations qui incombent aux établissements bancaires. Le juge y confirme que, conformément au droit européen et à l'article VII.43 du Code de droit économique, les banques doivent procéder à un remboursement immédiat des opérations non autorisées, au plus tard le jour ouvrable suivant leur signalement.

 

Cet arrêt rappelle que ni le caractère prétendument autorisé de la transaction ni une éventuelle négligence du client ne peuvent justifier un refus immédiat de remboursement. En principe, les banques doivent d'abord indemniser les victimes avant, le cas échéant, de contester leur responsabilité devant les tribunaux.

 

Cette décision met en lumière un décalage préoccupant entre le cadre légal et certaines pratiques du secteur bancaire. Elle intervient par ailleurs dans un contexte où le médiateur Ombudsfin adopte une lecture particulièrement stricte des situations de fraude, notamment lorsque les opérations ont été validées via des outils d'authentification.

 

Dès lors monsieur le ministre,

 

Comment analysez-vous cette récente décision de justice et ses implications pour le secteur bancaire? Considérez-vous que les établissements bancaires respectent aujourd'hui pleinement les obligations qui leur incombent en matière de remboursement des victimes de phishing?

 

Comment entendez-vous veiller à ce que la notion de « négligence grave » ne soit pas utilisée de manière excessive pour refuser l'indemnisation des victimes? Enfin, comment la Belgique se prépare-t-elle à la mise en œuvre des futures dispositions européennes destinées à renforcer les droits des victimes de fraude bancaire?

 

Je vous remercie.

 

21.02  Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

 

Mijnheer de minister, phishing en vishing veroorzaken vandaag aanzienlijke financiële schade voor vele gezinnen. Slachtoffers verliezen spaargeld, komen in betalingsmoeilijkheden terecht en worden vaak geconfronteerd met langdurige administratieve en juridische procedures.

 

In de praktijk wordt de economische impact van deze fraude grotendeels door de slachtoffers gedragen, terwijl banken de digitale betaalinfrastructuur beheren en instaan voor de beveiliging en monitoring ervan. Tegelijk wordt het begrip “grove nalatigheid” regelmatig ingeroepen om terugbetaling te weigeren, ook bij steeds geavanceerdere vormen van manipulatie en identiteitsfraude.

 

Hierdoor rijst de vraag of de verantwoordelijkheden en risico’s binnen het huidige systeem nog evenwichtig verdeeld zijn tussen financiële instellingen en consumenten.

 

In dat kader heb ik volgende vragen:

 

Erkent u dat de huidige praktijk waarbij slachtoffers vaak niet of pas laat worden vergoed, een directe economische impact heeft op de koopkracht en financiële stabiliteit van werkende mensen?

 

Hoe verantwoordt u dat de risico's van een digitale betaalinfrastructuur, die door banken wordt ontworpen en beheerd, in de praktijk worden afgewenteld op individuele consumenten?

 

Bent u van oordeel dat het gebruik van “grove nalatigheid" als weigeringsgrond vandaag structureel wordt ingezet op een manier die de oorspronkelijke beschermingslogica van de wet uitholt?

 

Welke economische verantwoordelijkheid legt u bij banken zelf voor het feit dat hun systemen onvoldoende bestand blijken tegen steeds professionelere vormen van fraude?

 

Acht u het aanvaardbaar dat slachtoffers in de praktijk maanden zonder terugbetaling zitten, terwijl banken de transactiestromen zelf controleren en technisch kunnen blokkeren?

 

Hoe beoordeelt u de bredere maatschappelijke kost van deze fraude, wanneer gezinnen financieel worden gedestabiliseerd terwijl de financiële sector tegelijk winstgevend blijft opereren?

 

En tot slot: welke concrete economische en regelgevende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat de financiële sector zijn verantwoordelijkheid effectief opneemt in plaats van deze structureel door te schuiven naar de consument?

 

21.03  David Clarinval, ministre: Mesdames les députées, madame Thémont tout d'abord, mes services ont en effet pris connaissance de l'arrêt du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers rendu le 26 mai 2026. En ce qui concerne mes services, cet arrêt ne fait que confirmer une interprétation connue depuis des années, et qui a également été appliquée dans la jurisprudence précédente.

 

En effet, la directive européenne actuelle est claire sur ce point. La banque doit procéder à un remboursement provisoire en cas d'une transaction non autorisée, même si la banque estime que le client a commis une négligence grave. Toute interprétation qui considérerait que le remboursement interviendrait après l'enquête approfondie est donc considérée comme illégale.

 

L'arrêt du tribunal de l'entreprise d'Anvers met en évidence que cette interprétation n'est pas toujours suivie par les banques. Je ne dispose toutefois pas de statistiques me permettant d'en tirer une conclusion générale.

 

En revanche, je perçois dans votre question une interprétation supplémentaire, que mes services ne tirent pas de l'arrêt du tribunal de l'entreprise d'Anvers. Vous semblez suggérer qu'une banque doit rembourser provisoirement un client, même si elle conteste formellement le caractère non autorisé de la transaction. La législation européenne actuelle ne prévoit pas d'obligation de remboursement provisoire des transactions autorisées et mes services ne déduisent pas non plus cela de l'arrêt du tribunal de l'entreprise d'Anvers.

 

En ce qui concerne la notion de négligence grave, le nouveau règlement européen sur les services de paiement qui entrera en vigueur en 2028 prévoit certaines guidelines et critères afin de permettre d'harmoniser davantage l'appréciation de cette notion au sein des différents États membres, par les banques et dans la jurisprudence de chaque État, sans porter atteinte à l'examen au cas par cas de chaque situation par une instance judiciaire impartiale.

 

Mes services sont prêts à prendre les mesures nécessaires en termes d'implémentation au niveau belge dès que le nouveau règlement sera publié.

 

Mevrouw Van den Bosch, het is een drama voor een burger om zijn bankrekening leeggeplunderd te zien door fraudeurs. Phishing kan over enkele tientallen euro’s gaan, maar ook soms over enkele tienduizenden. Dergelijke extreme gevallen zijn gelukkig zeer uitzonderlijk, maar het zijn uiteraard precies die gevallen, die de meest schrijnende situaties creëren.

 

De regels inzake de terugbetaling van klanten bij niet-toegestane transacties zijn geharmoniseerd op EU-niveau. Die regels werden recentelijk herzien en zullen vanaf 2028 rechtstreeks op EU-niveau uitgevoerd worden via een verordening. De gemoderniseerde regels zullen meer duidelijkheid bieden over de vragen wanneer een transactie niet toegestaan is en wanneer er sprake is van grove nalatigheid. Het is uiteindelijk aan de hoven en rechtbanken te beslissen of er wel of niet een recht op terugbetaling bestaat.

 

Het bestrijden van onlinefraude en phishing in het bijzonder is een prioritair dossier voor de regering. De bankensector heeft vandaag samen met mijn collega’s Rob Beenders, Jan Jambon en ikzelf een actieplan bekendgemaakt om onze burgers beter te beschermen tegen phishing. Het actieplan bevat 15 concrete maatregelen, gebaseerd op versterkte preventie- en detectiemaatregelen, een betere samenwerking tussen de banken en een volwaardige ecosysteembenadering. Het actieplan tegen phishing is publiekelijk raadpleegbaar.

 

We kunnen de strijd tegen phishing echter niet enkel via de banken winnen. Alle betrokken actoren moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Daarom werkt de federale regering aan een nationaal plan voor de bestrijding van onlinefraude. Dat nationaal plan zal de problemen transversaal aanpakken en wordt verwacht in de tweede helft van dit jaar.

 

21.04  Sophie Thémont (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'avais également interrogé votre collègue Beenders en la matière. Comme je le lui ai indiqué, cet arrêt rappelle un principe très clair: les banques doivent rembourser les opérations non autorisées et ne peuvent pas faire peser sur les victimes une présomption de négligence grave. C'est d'autant plus important que les arnaques aujourd'hui se multiplient: faux appels bancaires, SMS frauduleux, phishing, usurpation d'identité via l'application itsme. Je soutiens que les victimes ne doivent pas être pénalisées une seconde fois lorsqu'elles demandent à être indemnisées. Elles ne devraient pas non plus être contraintes de saisir les tribunaux pour obtenir un remboursement auquel elles ont droit. Je sais que des discussions sont en cours et que plusieurs propositions concrètes sont sur la table.

 

21.05  Annik Van den Bosch (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor het nieuws, vers van de pers – de heer Soete zal het graag horen –, dat minister Beenders een akkoord heeft met de banken en dat er verschillende maatregelen zullen komen tegen 2027. We zullen de kwestie blijven opvolgen, want de banken mogen hierin echt wel hun verantwoordelijkheid nemen; ze hebben toch geld genoeg.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56016985C de M. Steven Coenegrachts sera traitée par écrit.

 

22 Samengevoegde vragen van

- Stefaan Van Hecke aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De massale toeleiding van jongeren naar goksites tijdens het WK voetbal" (56017090C)

- Jeroen Soete aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Het omzeilen van het reclameverbod op gokken" (56017819C)

- Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De stijging van het aantal sportweddenschappen tijdens het WK voetbal" (56017823C)

22 Questions jointes de

- Stefaan Van Hecke à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’orientation massive des jeunes vers les sites de paris pendant la Coupe du monde de football" (56017090C)

- Jeroen Soete à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le contournement de l'interdiction de la publicité pour les jeux de hasard" (56017819C)

- Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La hausse des paris sportifs au cours de la Coupe du monde de football" (56017823C)

 

22.01  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, zoals altijd bij een Europees kampioenschap of een wereldkampioenschap voetbal is het tweejaarlijks prijs: gokbedrijven doen er alles aan om hun omzet te verhogen en dat is, ondanks de verstrengde wetgeving, ook deze keer opnieuw het geval. Ze zijn opnieuw bijzonder actief om vooral jonge voetbalfans te bereiken. Hoewel in ons land een verbod op gokreclame geldt en de minimumleeftijd voor deelname aan kansspelen tijdens de vorige legislatuur werd verhoogd tot 21 jaar, stellen we vast dat jongeren nog altijd actief worden benaderd door gokbedrijven. Men is dus bijzonder creatief om de regelgeving te omzeilen en gebruikt daarvoor alsmaar vaker intermediaire kanalen, zoals influencers, apps, spelletjes, streamingplatformen en zogenaamde sportmediabedrijven zoals het gokbedrijf Live Sport TV. Jongeren worden namelijk eerst gelokt metvsportcontent, voorspellingen, analyses en entertainment en vervolgens doorgeleid naar goksites. Het risico bestaat dat het reclameverbod daardoor wordt uitgehold en in de praktijk een dode letter wordt.

 

Volgens recente berichtgeving gokt ongeveer een op de vier jongeren regelmatig. Hulpverleners en experten waarschuwen dat kleine bedragen vaak de opstap vormen naar risicovol gokgedrag, zeker bij jongeren en andere kwetsbare groepen.

 

Ook de slagkracht van de Kansspelcommissie roept vragen op. Volgens recente berichtgeving zijn slechts 33 van de 57 functies ingevuld.

 

Mijnheer de minister, deelt u de bezorgdheid dat jongeren tijdens het huidige WK, ondanks het reclameverbod en de minimumleeftijd van 21 jaar, nog altijd actief worden benaderd door gokbedrijven?

 

Welke signalen ontving u of de Kansspelcommissie tijdens het lopende WK over gokoperatoren die jongeren bereiken via intermediaire kanalen?

 

Hoe wordt gecontroleerd of dergelijke intermediaire kanalen in werkelijkheid dienen om het verbod op gokreclame te omzeilen en nieuwe spelers door te leiden naar goksites? Hoe wordt daartegen opgetreden?

 

Welke maatregelen zult u nemen om de intermediaire kanalen effectief aan banden te leggen, zodat het verbod op gokreclame ook online afdwingbaar is en geen dode letter wordt?

 

Klopt het dat slechts 33 van de 57 functies bij de Kansspelcommissie zijn ingevuld? Welke gevolgen heeft dat voor de controlecapaciteit tijdens het WK? Wanneer zullen de openstaande functies worden ingevuld?

 

Welke extra initiatieven zult u, samen met de Kansspelcommissie, nemen om vooral jongeren, jongvolwassenen en andere kwetsbare groepen tijdens het WK beter te beschermen? Overigens, ik had mijn vraag ruim voor de start van het WK ingediend.

 

Tot slot, bent u bereid het regelgevend kader te verstrengen, zodat ook reclame via onder andere gelieerde sportmediakanalen, influencers en apps ondubbelzinnig onder het verbod valt?

 

22.02  Jeroen Soete (Vooruit): Mijnheer de minister, in WK-periodes zoals vandaag is er altijd een opstoot aan publiciteit voor gokactiviteiten en pronostieken. Zo hangt er aan de bushokjes in Belgie een afbeelding van bwin.tv met de vraag aan pronostikerende Rode Duivelssupporters of de Rode Duivels al dan niet de zestiende finales bereiken. Daarmee omzeilt men duidelijk het reclameverbod, verbod dat ook slaat op de merknaam, aangezien in de merknaam zelf bwin reclame verscholen zit.

 

Gezondheidsorganisaties zoals het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs of VAD maken zich grote zorgen over de toevloed aan publiciteit tijdens de WK-periode en uiteraard ook over de enorme toename van het aantal jongeren dat begint te gokken tijdens een voetbalkampioenschap. De Kansspelcommissie heeft trouwens voor het WK degenen die beginnen te gokken, gewaarschuwde voor het gevaar ervan.

 

Het achterpoortje via de zogenaamde submerken wordt op dit moment gedoogd en niet gesanctioneerd door de Kansspelcommissie ingevolge de fameuze beschikking in kort geding door de rechtbank van Doornik in 2023 dat de Kansspelcommissie niet mag optreden tegen publiciteit voor gokken, als ze niet expliciet aanzet tot gokken. Daaruit vloeit dan ook de beleidslijn van de Kansspelcommissie voort om niet op te treden tegen submerken, voor zover ze niet expliciet oproepen om te gokken. Pronostieken over wat de Rode Duivels zullen doen, mogen dan wel.

 

Dat leidt natuurlijk tot rechtsonzekerheid. De Kansspelcommissie wijst erop dat er een wijziging moet gebeuren aan artikel 61 van het koninklijk besluit of dat er een arrest moet komen van de Raad van State dat definitief uitsluitsel brengt.

 

Acht u het gepast dat gokoperatoren het principiële reclameverbod op gokken omzeilen via het gebruik van submerken?

 

Hoeveel beroepsprocedures lopen er nog bij de Raad van State tegen het koninklijk besluit? Wanneer wordt een definitieve uitspraak verwacht?

 

Ten slotte, overweegt u in afwachting andere initiatieven om een einde te maken aan de gebruikte achterpoortjes van de goksector?

 

22.03  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, avec ses pronostics anticipés qui vont bien au-delà du simple score final, la Coupe du Monde décuple les risques d'addiction aux jeux d'argent. En effet, cette période sportive et festive attire de nouveaux parieurs qui ne sont pas toujours au courant des mécanismes qui font tomber chaque année des milliers de Belges dans un engrenage.

 

Selon une étude publiée par la plateforme de paiement Paysafe et relayée par l'AFP, 19 % des consommateurs qui suivront la compétition prévoient de placer leur tout premier pari en ligne durant le tournoi. Au total, 60 % des fans de la Coupe du Monde prévoient de parier en ligne.

 

Monsieur le ministre, étant donné votre compétence en la matière, pourrions-nous avoir votre retour sur les risques élevés que peuvent engendrer les jeux d'argent durant le tournoi mondial de football? Des contrôles supplémentaires sont-ils prévus et mis en place?

 

Je vous remercie pour vos réponses.

 

22.04 Minister David Clarinval: De blootstelling van jongeren aan kansspelgerelateerde marketing kan deels worden verklaard doordat jongeren zich vaak begeven op socialemediaplatformen, waar dat soort marketing van buitenlandse en illegale websites massaal aanwezig is. Op grond van de huidige regelgeving is het voor vergunde operatoren al verboden om reclame te maken via influencers, spelletjes, streamingplatformen of persoonlijke berichten.

 

Toch stelt de Kansspelcommissie vast dat illegale operatoren jongeren op die manier kunnen bereiken. De beperkingen die momenteel gelden voor vergunde operatoren op het vlak van reclame, hebben geleid tot een gewijzigde context waarin ook de marketingpraktijken verder zijn geëvolueerd. Er is nood aan een omkadering van kansspelreclame die gericht is op de praktijk en rekening houdt met de realiteit van de sector. Daarbij is het belangrijk dat de genomen maatregelen ook daadwerkelijk bijdragen aan de beoogde doelstellingen, met name de bescherming van de consument en de kanalisatie naar het vergunde aanbod.

 

De huidige regelgeving heeft de onlinecontext mee veranderd, waarbij niet-vergunde aanbieders zichtbaar aanwezig blijven. Die situatie moet worden onderzocht, met name in het licht van het kanalisatiebeleid, dat een van de pijlers van de regelgeving inzake kansspelen vormt. Dat zal deel uitmaken van de evaluatie van de wetgeving inzake kansspelen conform het regeerakkoord. Daarin zijn ook aanvullende maatregelen opgenomen om de strijd tegen illegale kansspelen te versterken. Bij die evaluatie zal rekening worden gehouden met de rechtspraak van de Raad van State, die momenteel vijf beroepen behandelt tegen het koninklijk besluit van 27 februari 2023 tot bepaling van de nadere regels betreffende de reclame voor de kansspelen. Ik beschik niet over informatie over de datum waarop die beslissing kan worden verwacht.

 

Dès le début de la Coupe du Monde, la Commission des jeux de hasard a mis en garde, dans un communiqué de presse et sur son site web, contre les risques liés aux paris et a donné quelques conseils afin que ceux qui souhaitent parier puissent le faire de manière sûre et responsable.

 

La Commission des jeux de hasard lutte toujours activement contre les sites de jeux illégaux et la publicité pour ceux-ci. Parmi les mesures qu'elle prend, je peux citer les signalements de publicités illégales à Meta afin qu'elles soient retirées, le placement des sites de jeux illégaux sur sa liste noire, la collaboration étroite avec le fournisseur d'accès à Internet et avec le service de piraterie en ligne du SPF Économie.

 

En outre, le service de contrôle a élaboré un plan d'action spécifique dans le cadre de la Coupe du Monde de football, mettant notamment l'accent sur le respect des règles en matière de bonus et de publicité. Le service de contrôle de la Commission des jeux de hasard s'efforce d'analyser chaque plainte et privilégie en premier lieu la régularisation afin d'intervenir rapidement et efficacement.

 

Le 20 mai 2026, la Commission des jeux de hasard a appelé les opérateurs, via son site web, à redoubler de vigilance en vue de protéger les joueurs vulnérables. En 2025, le secrétariat de la Commission comptait 42 collaborateurs, dont 7 étaient en absence de longue durée. Au total, cela représentait 33,4 équivalents temps plein.

 

En ce qui concerne la capacité de contrôle, cet aspect sera pris en compte sur la base d'une analyse des besoins dans le cadre de la réforme de la Commission des jeux de hasard.

 

22.05  Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dat is toch wel een vaag antwoord. U verwijst naar de impact van de illegale sector na de wetswijzigingen van enkele jaren geleden en u zegt dat mee te nemen in de evaluatie die in het regeerakkoord overeengekomen werd. Ik weet dat dat erin staat, maar is men al met die evaluatie begonnen? Wanneer wil u die evaluatie afronden, daar de nodige conclusies uittrekken en eventuele wetswijzigingen voorstellen? Ik denk dat u niet langer moet wachten en dat er echt met die evaluatie moet worden gestart, zoals aangekondigd.

 

Er werd inderdaad tegen de koninklijke besluiten beroep aangetekend, mijnheer de minister. Die sector tekent tegen alles, tegen elk koninklijk besluit en tegen elk ministerieel besluit beroep aan. Alle wetten worden tot voor het Grondwettelijk Hof aangevochten, met de beste advocaten. Zo zijn die mannen.

 

De Kansspelcommissie treedt niet op tegen di gokbedrijven die onder een andere naam, met .tv en .live, werken om de wet te omzeilen, op basis van een uitspraak in kort geding in Doornik in 2023. Hoe staat het eigenlijk met het hoger beroep dat de Belgische Staat heeft aangetekend? Weet u wanneer dat zal worden behandeld? We kunnen niet blijven wachten op een definitieve uitspraak. De Kansspelcommissie moet kunnen optreden, als men op die manier de wet omzeilt.

 

22.06  Jeroen Soete (Vooruit): Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden op de vragen in verband met de beroepsprocedures. Ik heb begepen dat u voor de verfijning of aanscherping van de regels rond reclame veeleer uitkijkt naar de arresten van de Raad van State en dat er ook een evaluatie van de huidige wetgeving bezig is. De modernisering van de kansspelwetgeving komt inderdaad ter sprake in het regeerakkoord.

 

Op mijn eerste vraag heb ik eigenlijk geen antwoord gekregen. Vindt u het gepast dat gokoperatoren het principiële reclameverbod op gokken omzeilen via het gebruik van submerken?

 

22.07  Patrick Prévot (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Lors de telles compétitions sportives, on assiste évidemment à une explosion des paris sportifs avec différents profils de joueurs. Il y a les "gagne-petit" ou ceux qui essaient, en tout cas, de miser quelques euros sur des tickets très compliqués dans l'espoir de décrocher la timbale. Par ailleurs, différents témoignages font également état de joueurs pariant un mois de salaire, voire davantage, sur des cotes dites "certaines", en misant par exemple sur une victoire de l'Allemagne contre le Paraguay pour se retrouver finalement Gros-Jean comme devant après la qualification du Paraguay ou en pariant sur le Brésil contre la Norvège pour faire également banqueroute à la suite de la victoire de nos amis norvégiens.

 

Il convient donc de rester vigilant. Vous avez mentionné que la Commission des jeux de hasard avait rappelé les dangers de ces paris sportifs sur son site internet. Pour ma part, je reste particulièrement attentif, et ce depuis de nombreuses années, à ces sites illégaux hébergés dans des pays à la législation beaucoup plus permissive que la nôtre. Alors que nous imposons plusieurs mesures aux opérateurs locaux et nationaux, qui se plient aux règles en vigueur de plus ou moins bonne grâce en fonction des mesures prises, ces sites exercent non seulement une concurrence déloyale envers les acteurs locaux et nationaux, mais proposent en outre des produits qui ne répondent pas à notre législation en vigueur. C'est un problème majeur qui nous occupe depuis de nombreuses années. Malheureusement, nous n'avons pas fini d'en parler.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

23 Questions jointes de

- Jean-François Gatelier à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les bancs solaires" (56017109C)

- François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'étude de la Fondation contre le Cancer relative aux centres de bronzage et bancs solaires" (56017407C)

23 Samengevoegde vragen van

- Jean-François Gatelier aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Zonnebanken" (56017109C)

- François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De studie van Stichting tegen Kanker betreffende zonnecentra en zonnebanken" (56017407C)

 

23.01  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le ministre, c'est bientôt les vacances et, même si vous êtes membre d'un gouvernement qui travaille et réforme beaucoup, j'espère que vous aurez le temps de vous évader un petit peu. Si l'idée vous prend d'aller au soleil, surtout ne préparez pas votre peau en faisant des séances de banc solaire, car la dangerosité des bancs solaires pour la santé n'est plus à démontrer.

 

Le Conseil Supérieur de la Santé préconisait déjà en 2017 une interdiction des bancs solaires et de tous les dispositifs émettant des UV artificiels accessibles au public. En Belgique, c'est l'arrêté royal du 20 juin 2002 qui définit les conditions d'exploitation des centres de bronzage. En octobre dernier, le ministre de la Santé publique indiquait: "L'Organisation mondiale de la Santé a récemment rappelé que l'exposition aux rayonnements ultraviolets artificiels, notamment via les bancs solaires, constitue un facteur de risque avéré pour le développement de cancers cutanés. La réglementation des bancs solaires relève de la compétence du ministre de l'Économie. Néanmoins, compte tenu de leur impact sur la santé publique, mon cabinet s'impliquera dans les discussions à ce sujet. Celles-ci n'ont pas encore eu lieu."

 

En novembre dernier, en réponse à une question écrite, vous indiquiez ceci: "Les centres de bronzage font partie d'une campagne de contrôle récurrente menée par mes services. En 2024, sur les 106 centres qui ont été contrôlés, 58 étaient en non-conformité. En 2023, 32 centres sur 44 contrôlés étaient non conformes, tandis qu'en 2022, 43 centres sur 51 contrôlés présentaient des manquements. La campagne de contrôle est répétée chaque année. Aucune modification de la réglementation relative à l'exploitation des centres de bronzage n'est envisagée actuellement, tout en restant disposé à engager des discussions avec le ministre de la Protection des consommateurs et le ministre de la Santé publique."

 

Monsieur le ministre, les résultats des contrôles menés ces dernières années sont mauvais. Pourriez-vous détailler la nature des infractions constatées lors de ces contrôles? Ces infractions avaient-elles un impact sur la santé des clients? Quelles sanctions ont été prononcées à la suite de ces constats?

 

Disposez-vous des chiffres pour l'année 2025?

 

Vu les mauvais résultats persistants ces dernières années, envisagez-vous de renforcer la réglementation concernant l'utilisation des bancs solaires, voire d'interdire ceux-ci?

 

Une concertation avec le ministre de la Santé et le ministre de la Protection des consommateurs est-elle en cours? Si oui, pourriez-vous nous informer à ce sujet?

 

23.02  François De Smet (DéFI): La Belgique compte aujourd’hui plus de 2 000 exploitants de bancs solaires enregistrés, un nombre en augmentation ces dernières années.

 

Lors d’une récente position publique, la Fondation contre le Cancer a révélé que les contrôles du SPF Économie montrent qu’en 2024, 54,7 % des centres inspectés n’étaient pas en conformité. Les infractions constatées concernaient notamment l’absence d’avertissements visibles, des réglages incorrects ou encore le non-respect des délais d’attente entre les séances.

 

La Fondation en déduit à juste titre que la réglementation actuelle ne suffit pas à protéger la population. La Fondation contre le Cancer en a appelé à l’interdiction de toute publicité en faveur des bancs solaires, afin de mettre fin à leur banalisation et à un renforcement des contrôles afin de  garantir le respect strict de la législation existante.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

- si il a pris connaissance de cette étude de la Fondation contre le Cancer?

- dans l’affirmative, si il entend donner instruction à ses services de renforcer les contrôles au sein des exploitants de bancs solaires et des centres de bronzage?

- si il entend se concerter au regard des enjeux de santé publique et de protection des consommateurs que recouvre ce dossier, avec ses collègues de la Santé et de la protection des consommateurs?

 

23.03  David Clarinval, ministre: Les infractions constatées sont de deux types. Certaines peuvent potentiellement avoir un impact direct sur la santé des consommateurs. Le premier type d'infraction constatée concerne principalement le dépassement de l'intensité maximale de rayonnement autorisé et le non-respect du schéma d'exposition. Le deuxième type d'infraction concerne l'absence d'un responsable d'accueil ayant suivi et réussi la formation obligatoire, une information insuffisante sur les risques liés à une exposition au rayonnement UV et des manquements dans la tenue et le suivi des dossiers client.

 

Les infractions relatives à l'intensité trop élevée du rayonnement et au non-respect du schéma d'exposition peuvent avoir un impact sur la santé des consommateurs, je vous le confirme. Les autres infractions sont plutôt de nature administrative. Les sanctions sont adaptées à l'infraction constatée et peuvent prendre la forme d'un avertissement, d'une injonction de mise en conformité, d'une amende administrative ou de l'interdiction d'utiliser le banc solaire jusqu'à sa mise en conformité. En 2025, 103 contrôles ont été réalisés et 53 infractions ont été constatées, donc à nouveau plus ou moins la moitié. Dans le plan de contrôle 2026, à nouveau 100 contrôles de centres de bronzage sont prévus.

 

En réponse aux autres questions, je peux vous dire qu'une analyse sera menée au sein de l'administration afin d'identifier d'éventuelles pistes d'amélioration dans l'application du cadre actuel, notamment en matière de contrôle et de respect des obligations existantes. Si nécessaire, cette analyse pourra servir de base à une concertation avec le ministre chargé de la Protection des consommateurs pour éventuellement prendre des mesures utiles.

 

23.04  Jean-François Gatelier (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Comme vous le savez, je suis particulièrement sensible à ce sujet, puisque je siège principalement en commission de la Santé. Cette question y est d'ailleurs très présente. La Fondation contre le Cancer nous a récemment communiqué un chiffre particulièrement préoccupant: en 20 ans, le nombre de cancers de la peau a été multiplié par quatre. C'est considérable.

 

Aujourd'hui, les cancers de la peau représentent près de 40 % de l'ensemble des cancers, ce qui illustre à quel point ils sont fréquents. Bien sûr, il existe des formes moins graves, que beaucoup d'entre nous connaissent dans leur entourage: une simple exérèse suffit souvent et, fort heureusement, le traitement s'arrête là.

 

Sachez que les mélanomes, qui constituent une forme de cancer de la peau beaucoup plus agressive, sont également en forte augmentation. Nous observons aujourd'hui une hausse du nombre de mélanomes diagnostiqués avant l'âge de 40 ans, ce qui était beaucoup plus rare auparavant. Cette évolution est notamment liée à notre culture de l'exposition au soleil.

 

Au moment où nous cherchons, au sein du gouvernement, à faire des économies, en particulier dans le budget des soins de santé, la tension est importante. Heureusement, depuis une dizaine d'années, le mélanome peut être traité avec le Keytruda, ce qui constitue une avancée thérapeutique remarquable. Cependant, ce traitement coûte environ 80 000 euros par an.

 

Au-delà de la souffrance des patients, cela représente également une pression importante sur notre système de soins de santé. Les bancs solaires font donc pleinement partie de la problématique.

 

Entre parenthèses, j'ai eu une discussion avec le procureur du Roi, qui m'indiquait que certains centres de bronzage serviraient également au blanchiment d'argent. Je trouve l'antagonisme assez frappant: pour un centre de bronzage, blanchir de l'argent est une image pour le moins paradoxale.

 

Sur le fond, un banc solaire n'imite pas le soleil. Il émet des rayonnements ultraviolets dont l'intensité peut être 10 à 15 fois supérieure à celle du soleil de midi en Méditerranée. C'est considérable. Il n'existe aucun bénéfice à recourir à un banc solaire, alors que les risques, notamment celui de développer un cancer de la peau, sont bien établis.

 

Pour terminer, la Fondation contre le Cancer nous expliquait que 97 % des femmes atteintes d'un cancer de la peau avaient eu recours au moins une fois à un banc solaire. Cela illustre le lien préoccupant entre l'exposition aux bancs solaires et le risque de développer un cancer de la peau.

 

Avec votre collègue chargé de la Santé, j'aimerais que nous puissions avancer sur ce dossier. Je m'oriente vers une proposition assez stricte. Je sais que vous n'appréciez pas particulièrement le mot "interdire", mais je pense qu'il faut progresser dans cette direction. Comme nous l'avons fait pour l'amiante ou pour le tabac, nous devons prendre des mesures face à des comportements dont la nocivité pour la santé est démontrée. Ils exercent également une pression croissante sur le budget des soins de santé.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

24 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Fysieke bankkantoren" (56017159C)

24 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les agences bancaires physiques" (56017159C)

 

24.01  Reccino Van Lommel (VB): De federale regering en Febelfin hebben beslist de universele bankdienst te verlengen tot minstens 2031. Via die dienstverlening kunnen consumenten die geen gebruik wensen te maken van digitale bankkanalen tegen een begrensde prijs toegang krijgen tot een aantal basisverrichtingen zoals geld afhalen, papieren overschrijvingen, rekeninguittreksels en dergelijke. Die fysieke aanwezigheid van bankdiensten blijft voor veel consumenten een belangrijk veiligheidsnet, ook wanneer ze er slechts sporadisch gebruik van maken.

 

Uit een bevraging van Febelfin blijkt nu dat ongeveer acht op de tien consumenten aangeven dat de nabijheid van een bankkantoor belangrijk is en blijft. Over die nabijheid hebben wij u in het verleden al vaker vragen gesteld. Er is en blijft nood aan persoonlijk contact voor advies over persoonlijke financiële situaties en voor bijvoorbeeld het aanvragen of beheren van leningen.

 

Hoe beoordeelt u de vaststelling dat een ruimte meerderheid van de bevolking het behoud van een bankkantoor in de buurt belangrijk vindt, hoewel we tegelijk vaststellen dat het aantal bankkantoren jaar na jaar verder afneemt? Vindt u het aangewezen om met de banksector minimale normen vast te leggen inzake fysieke bankkantoren? Kunt u toelichting geven omtrent de geografische spreiding van de resterende bankkantoren en de evolutie daarvan gedurende de voorbije tien jaar? We stellen immers vast dat er in die periode een bepaalde trend is ingezet.

 

Hoe beoordeelt u de verlenging van die basisbankdienst in het licht van de aangehaalde verdere sluiting van bankkantoren? Wat is het profiel van de gemiddelde gebruiker van de universele bankdienst? Ik denk aan leeftijd, woonplaats of andere kenmerken.

 

24.02 Minister David Clarinval: Het klopt dat het aantal fysieke bankkantoren in België de afgelopen jaren sterk is gedaald. Op nationaal niveau daalde het aantal bankkantoren van 6.527 in 2015 naar 2.875 in 2025, wat neerkomt op een afname van ongeveer 56 %. Die daling deed zich voor in alle gewesten. In het Vlaamse Gewest daalde het aantal kantoren van 4.520 naar 1.996, in het Waalse Gewest van 1.593 naar 698 en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 514 naar 171. Ik beschik ook over statistieken per provincie en per jaar. Indien u dat wenst, kan ik die u schriftelijk bezorgen.

 

Het regeerakkoord erkent het belang om burgers in staat te stellen hun essentiële bankzaken in een fysiek kantoor te verrichten. De piste waarvoor het regeerakkoord heeft gekozen om die doelstelling te bereiken, bestaat evenwel niet uit de verplichting voor banken om een minimumnetwerk aan fysieke kantoren open te houden. Een dergelijke aanpak houdt immers het risico in dat burgers zullen moeten opdraaien voor de kosten van het openhouden van niet-winstgevende kantoren.

 

Het regeerakkoord kiest daarom voor een piste die gebaseerd is op het creëren van schaalvoordelen door het kantorennetwerk van bpost open te stellen voor essentiële bankdiensten. Mijn collega's Vanessa Matz en Jan Jambon zullen daartoe de nodige aanpassingen moeten doorvoeren aan de organieke wet van bpost en aan de wet op het statuut van de kredietinstellingen.

 

Wat het profiel van de gemiddelde gebruiker van de universele bankdiensten betreft, beschikken mijn diensten en de sector helaas niet over de gevraagde statistieken.

 

24.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in 10 jaar tijd is 56 % van de bankkantoren verdwenen. Ik vind dat toch wel hallucinant. Ik heb uiteraard alle begrip voor het feit dat almaar meer bankzaken digitaal worden beheerd. Ik heb ook begrip voor het feit dat u zegt dat niet-winstgevende kantoren ook ergens betaald moeten worden. Anderzijds is die daling veel te sterk. Er is nog steeds een groep mensen die nood heeft aan een fysiek bankkantoor.

 

We hebben in het verleden discussies gevoerd over de beschikbaarheid van cashgeld en de toegang tot geldautomaten. Ik vrees echter dat we almaar meer naar een discussie evolueren over de aanwezigheid van fysieke bankkantoren in het straatbeeld. De afbouw gaat steeds verder. Er zijn nu eenmaal mensen die echt nood hebben aan een fysiek bankkantoor. Ook wanneer men een lening wenst af te sluiten, beleggingen wil doen of voor andere zaken waarover men advies nodig heeft, heeft men een fysiek kantoor nodig. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat men dat gewoon online moet regelen of door middel van een Teams-meeting met de bancaire instelling. Ik begrijp dat businessmodel niet zo goed. Ik zou dan ook verwachten dat daaromtrent een aantal zaken gebeurt.

 

U verwijst naar bpost. Inderdaad, daar worden bancaire diensten aangeboden, maar dan spreken we specifiek over één instelling, namelijk BNP Paribas Fortis, die intrede heeft gedaan in verschillende postkantoren. Dat kan echter toch niet de enige oplossing zijn voor het probleem zoals het vandaag bestaat? We moeten iedereen de kans geven om een bankkantoor fysiek te bezoeken. Mensen moeten gebruik kunnen maken van degelijke informatie wanneer ze bepaalde financiële transacties willen uitvoeren.

 

Mijnheer de minister, het bestaande systeem is gewoon ontoereikend. Ik kan alleen maar hopen dat u, samen met uw collega Beenders, met de sector in overleg zult gaan, om ervoor te zorgen dat de verdere afbouw van bankkantoren zoveel mogelijk wordt tegengegaan.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 56017165C de M. Sam Van Rooy est sans objet. La question n° 56017169C de M. François De Smet sera traitée par écrit. La question n° 56017265C de M. Patrick Prévot sera également traitée par écrit.

 

25 Samengevoegde vragen van

- Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De pakjestaks" (56017242C)

- Lieve Truyman aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Influencers" (56017791C)

25 Questions jointes de

- Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La taxe sur les colis" (56017242C)

- Lieve Truyman à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les influenceurs" (56017791C)

 

25.01  Lieve Truyman (N-VA): Mijnheer de minister, in het kader van e-commerce wordt gebruikgemaakt van dropshipping. We hebben het daar ook al over gehad in de plenaire vergadering. Met dropshipping is op zich niets mis, behalve wanneer het gepaard gaat met oneerlijke handelspraktijken en wanneer bewust influencers worden ingeschakeld als doorgeefluik voor andere Aziatische bedrijven.

 

In ons land worden influencers geacht zich als onderneming in te schrijven in de KBO wanneer zij regelmatig reclameberichten publiceren voor diverse merken. Doordat zij als onderneming worden beschouwd, zouden zij ook onder de regels van het Wetboek van economisch recht moeten vallen. Toch lezen we in het regeerakkoord dat er werk zal worden gemaakt van een juridisch kader rond influencers om de regels inzake consumentenbescherming beter afdwingbaar te maken. Dat is zeer terecht, want verschillende influencers prijzen producten aan via Chinese webshops zoals Temu en Shein. Zo krijgen consumenten de indruk dat het om een Belgisch bedrijf gaat. Wanneer zij die producten aankopen, is de kans echter groot dat ze schadelijke stoffen bevatten die gevaarlijk zijn voor de consument.

 

Vallen deze influencers niet onder de regelgeving van het Wetboek van economisch recht, aangezien zij als onderneming zijn ingeschreven? Moeten ook zij voldoen aan de regelgeving in boek VI, titel 4, hoofdstuk 1, betreffende oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten?

 

Betekent dit dan dat die influencers geen misleidende informatie mogen geven aan consumenten?

 

Indien zij niet onder dat artikel uit het wetboek zouden vallen, wat is dan de redenering of wat hebt u verder in petto daarrond?

 

Kan men iets ondernemen tegen die influencers die gevaarlijke producten aanprijzen? Is er een wettelijk kader om in te grijpen of zouden daar aanpassingen voor nodig zijn in het wetboek?

 

Tot slot, hoever staat het juridische kader rond die influencers zoals opgenomen in het regeerakkoord?

 

25.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Truyman, wat de eerste, tweede en derde vraag betreft, kan ik zeggen dat Boek VI van het Wetboek van economisch recht betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming met inbegrip van het verbod op oneerlijke handelspraktijken de relaties tussen consumenten en ondernemingen regelt. Onder een onderneming wordt begrepen iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, met inbegrip van zijn verenigingen.

 

Wanneer een influencer op duurzame wijze een economisch doel nastreeft is hij onderworpen aan de bepalingen van Boek VI van het Wetboek van economisch recht. In dat geval zijn de regels inzake oneerlijke handelspraktijken volledig op hem van toepassing.

 

Wat de vierde vraag betreft, beweren of de indruk wekken dat een product legaal kan worden verkocht wanneer dit niet het geval is, staat uitdrukkelijk in de lijst van verboden oneerlijke handelspraktijken. Met andere woorden, wanneer een bepaald product om veiligheidsredenen niet verkocht mag worden, begaat de influencer een oneerlijke handelspraktijk wanneer hij daar toch reclame voor zou maken.

 

Wat de vijfde vraag betreft, ik heb mijn administratie reeds verzocht een overzicht op te maken van de wetgeving die van toepassing is. Zoals u allicht weet is heel wat Europese regelgeving van toepassing op professionele influencers, aangezien zij voldoen aan de bepalingen om als onderneming te worden beschouwd. Bijgevolg is de vigerende wetgeving zonder onderscheid op hen van toepassing. Een dergelijk juridisch overzicht is dus noodzakelijk teneinde te bepalen welke maatregelen nog kunnen worden genomen in uitvoering van de opdracht opgenomen in het regeerakkoord.

 

25.03  Lieve Truyman (N-VA): Dank u wel voor uw duidelijk antwoord. Ik ga dat zeker nog eens nalezen, zodat ik het heel goed begrijp. Ook aan u, voorzitter, dank om deze vraag te willen koppelen aan de andere.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56017267C de M. Prévot sera traitée par écrit.

 

26 Vraag van Reccino Van Lommel aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De impact van de Amerikaanse invoerheffingen" (56017325C)

26 Question de Reccino Van Lommel à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les répercussions des droits de douane américains" (56017325C)

 

26.01  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, we hebben het monitoringsrapport van de FOD Economie over de handelsbetrekkingen tussen België en de Verenigde Staten bekeken. Daaruit blijkt dat de Belgische uitvoer naar de Verenigde Staten in 2025 met bijna 5 % gedaald is, terwijl de invoer uit de Verenigde Staten met 13,7 % is toegenomen. Het Belgische handelsoverschot met de Verenigde Staten is daardoor met 60 % gedaald, van 6,9 miljard euro naar 2,75 miljard euro.

 

Wanneer we dieper op dat rapport ingaan, zien we dat een aantal sectoren met een terugval wordt geconfronteerd. Ik denk daarbij aan de uitvoer van staal, die is gehalveerd, aan de uitvoer van auto's, die met 22 % is gedaald, en aan de uitvoer van farmaceutische producten, die met bijna 4 % is gedaald. Dat laatste komt neer op een verlies van bijna 600 miljoen euro. Tegelijk zien we dat het gemiddelde percentage van de effectief betaalde Amerikaanse invoerrechten op Belgische producten is gestegen van 0,91 % naar 3 %.

 

Mijnheer de minister, in welke mate acht u de Amerikaanse invoerheffingen verantwoordelijk voor de terugval van de uitvoer in sectoren zoals de farmaceutische sector, de staalsector, de automobielsector en de sector van de machinebouw?

 

Welke factoren verklaren volgens u de terugval van de farmaceutische uitvoer naar de Verenigde Staten, ondanks de vrijstelling van heel wat farmaceutische producten van de Amerikaanse invoerheffingen?

 

Beschikt u over aanwijzingen dat farmaceutische ondernemingen hun productie of investeringen verschuiven richting Amerika?

 

Beschikt u ook over aanwijzingen dat sommige exporteurs hun logistieke ketens hebben aangepast als gevolg van de Amerikaanse handelsmaatregelen?

 

Wat is de geschatte impact van een dergelijke verschuiving op toekomstige investeringen, werkgelegenheid en productie in de meest getroffen sectoren?

 

Welk overleg hebt u daarover gehad met de betrokken ondernemingen?

 

Welke maatregelen hebt u ondertussen genomen om de internationale aantrekkelijkheid van de farmaceutische productielocatie specifiek te versterken?

 

Hoe beoordeelt u de vaststelling van de FOD Economie dat ondernemingen mogelijk gebruikmaken van alternatieve handelsroutes om de invoerrechten te beperken?

 

Zijn er momenteel aanwijzingen dat bepaalde invoerheffingen zullen verdwijnen of misschien verminderen?

 

Wat zijn de mogelijke gevolgen indien de huidige Amerikaanse invoerheffingen behouden blijven of in de nabije toekomst verder zouden worden uitgebreid?

 

26.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Van Lommel, hoewel het moeilijk is om het effect van de douanerechten op de daling van de Belgische export naar de Verenigde Staten te isoleren, hebben ze zeker tot die daling bijgedragen. De impact is bijzonder uitgesproken in de staalsector, waar douanerechten van 50 % samenvielen met een daling van de export met 49,6 % in 2025. De export van aluminium, waarop hetzelfde tarief van toepassing is, steeg daarentegen met 18,3 %. De verhogingen van de douanerechten op auto's en machines hebben eveneens gewogen op de export.

 

De daling van de farmaceutische export naar de Verenigde Staten kadert in een ruimere trend. Ze weerspiegelt vooral een terugkeer naar een normale situatie na de uitzonderlijk hoge niveaus tijdens de COVID-19-pandemie. Het is nog te vroeg om de impact van de recente ontwikkelingen in het Amerikaanse handelsbeleid op de Belgische farmaceutische industrie ten volle te beoordelen. Mijn administratie beschikt nog niet over alle nodige elementen om de concrete gevolgen van die beslissingen te beoordelen. De Belgische farmaceutische sector blijft evenwel goed gepositioneerd en mijn administratie volgt de situatie van nabij.

 

Er wordt een regelmatige dialoog onderhouden met de beroepsfederaties. In dat verband heb ik op 24 juni jongstleden deelgenomen aan een rondetafel met verschillende actoren uit de sector. Bovendien organiseert mijn administratie infosessies over handelsdossiers en onderhoudt ze permanente contacten met organisaties.

 

De bijdragen van de sectoren voeden de analyse van de FOD. De resultaten van de voorjaarsmonitoring werden in maart 2026 aan de federaties voorgesteld en aangevuld met gerichte uitwisselingen om de kwalitatieve analyse te verrijken.

 

In september zal ik het Observatorium voor de farmaceutische industrie officieel opnieuw opstarten om een boordtabel voor de competitiviteit van de sector op te stellen en concrete aanbevelingen te formuleren om de status van Pharma Valley van ons land nog te versterken.

 

Ik heb ook hervormingen opgestart om de prijsprocedures voor geneesmiddelen te vereenvoudigen en te versnellen. Daardoor zullen onze farmaceutische ondernemingen sneller toegang krijgen tot de markt en hun marktpositie nog meer kunnen versterken.

 

De Amerikaanse douanerechten blijven evolueren. Sinds 24 februari 2026 geldt een tijdelijke toeslag van 10 %, terwijl twee onderzoeken in het kader van Section 301 kunnen leiden tot een nieuw tariefregime. België steunt de Europese onderhandelingen die erop gericht zijn de douanerechten op staal, aluminium en afgeleide producten te verminderen. De impact blijft vooral groot voor ondernemingen die sterk afhankelijk zijn van de Amerikaanse markt, wat het belang bevestigt van een verdere diversificatie van de afzetmarkten en de toeleveringsketens.

 

26.03  Reccino Van Lommel (VB): Mijnheer de minister, u stelt dat het te vroeg is om conclusies te trekken, maar de cijfers spreken voor zich. We kunnen wel degelijk voldoende conclusies trekken door een impactanalyse te maken over het effect dat vandaag kan worden vastgesteld.

 

U zegt dat u regelmatig met de beroepsfederaties contact hebt en dat er rondetafelgesprekken plaatsvinden, maar het mag niet bij therapeutische sessies of overlegmomenten blijven. Er moeten concrete maatregelen aan gekoppeld worden, anders blijven we steken in een afwachtende houding.

 

Wat de farmaceutische sector betreft, zijn de vereenvoudigingen waarover u sprak, zeker een goede zaak. Ik erken dat die nodig waren. Ik zie echter te veel een afwachtende houding, waarbij u ervan uit lijkt te gaan dat het zich allemaal wel zal herstellen en dat het zo’n vaart niet zal lopen. U zult de kwestie moeten blijven monitoren en wél conclusies trekken.

 

Die afwachtende houding merk ik ook in antwoord op andere vragen, het lijkt wel structureel. Het mag geen standaardantwoord worden om bepaalde problemen niet onder ogen te zien en niet te hoeven optreden.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

27 Question de Aurore Tourneur à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La potentielle fermeture de Syngenta Seneffe, l'emploi et l'attractivité industrielle" (56017376C)

27 Vraag van Aurore Tourneur aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De mogelijke sluiting van Syngenta Seneffe, werkgelegenheid en aantrekkelijkheid voor de industrie" (56017376C)

 

27.01  Aurore Tourneur (Les Engagés): Monsieur le ministre, l'entreprise Syngenta a récemment annoncé la fermeture potentielle de son site de Seneffe à l'horizon 2027. Les discussions entre les partenaires sociaux viennent de débuter et aucune procédure Renault n'a encore été enclenchée. Cette décision suscite une vive inquiétude, vous l'imaginez bien, pour les 180 travailleurs concernés, mais également pour l'ensemble du bassin économique de la région du Centre.

 

Cette annonce interpelle d'autant plus que Syngenta est implantée à Seneffe depuis près de 50 ans et y a réalisé d'importants investissements ces dernières années. Les représentants des travailleurs soulignent par ailleurs que, parmi les différents sites européens du groupe, seule l'implantation de Seneffe semble aujourd'hui menacée. Pour justifier cette fermeture, la direction invoque notamment une pression croissante de la concurrence asiatique. Cette situation soulève des questions plus larges quant à la compétitivité de notre industrie et à l'attractivité de notre territoire pour les activités de production à haute valeur ajoutée. Au-delà de l'impact social immédiat, cette fermeture constitue un signal préoccupant pour une région qui s'est fortement appuyée sur le développement des secteurs de la chimie et de la pharmacie afin de soutenir son redéploiement économique.

 

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes. Comment le gouvernement analyse-t-il les facteurs qui ont conduit à la fermeture du site de Seneffe, alors que les autres implantations européennes du groupe semblent être maintenues? Le gouvernement identifie-t-il des handicaps structurels affectant la compétitivité des sites industriels belges, notamment dans les secteurs de la chimie et de la pharmacie?

 

27.02  David Clarinval, ministre: Madame la députée, les décisions d'implantation ou de fermeture relèvent de la stratégie propre des entreprises. À ce stade, le gouvernement ne dispose pas de l'ensemble des éléments ayant conduit Syngenta à envisager la fermeture du site de Seneffe plutôt que celle d'autres implantations européennes. Selon les informations communiquées par l'entreprise, cette décision s'inscrirait dans une réorganisation de ses capacités de production dans un contexte de concurrence internationale accrue. Les informations relayées publiquement font notamment état d'une pression concurrentielle croissante, en particulier en provenance d'Asie. Vous venez d'ailleurs de le rappeler dans votre question. Cette annonce intervient dans un contexte difficile pour l'industrie chimique européenne. Comme de nombreux États membres, la Belgique est confrontée à plusieurs défis structurels: des coûts énergétiques très élevés, une concurrence internationale accrue, notamment en provenance d'Asie, des charges réglementaires importantes ainsi qu'une concurrence renforcée pour attirer les investissements industriels.

 

C'est précisément pour répondre à ces défis que le gouvernement a lancé le plan MAKE 2025-2030, qui prévoit des mesures visant à améliorer la compétitivité de notre industrie, notamment par la réduction des coûts énergétiques, la simplification administrative, le soutien à l'investissement et à l'innovation. La Belgique soutient également, au niveau européen, les initiatives destinées à renforcer la compétitivité de l'industrie et à préserver une base industrielle forte dans les secteurs stratégiques, notamment ceux de la chimie et de la pharmacie.

 

Pas plus tard que la semaine dernière, j'ai personnellement rencontré l'ensemble du secteur de la pharmacie en Belgique, qui est en effet très inquiet actuellement, et nous allons prévoir des mesures en faveur du secteur de la chimie et de la pharmacie dans les mois à venir.

 

27.03  Aurore Tourneur (Les Engagés): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses encourageantes. Je pense qu'il est vraiment important d'impulser une nouvelle dynamique pour nos entreprises, pour permettre aussi de conserver les emplois, mais aussi d'en créer de nouveaux. C'est vraiment ce dont notre pays, et singulièrement la région du centre dont je suis originaire, ont cruellement besoin.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: La question n° 56017465C de M. Vander Elst est sans objet. La question n° 56017499C de M. Steven Coenegrachts sera traitée par écrit. La question n° 56017615C de M. Reccino Van Lommel est reportée.

 

28 Question de Anthony Dufrane à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La dématérialisation des tickets de caisse" (56017670C)

28 Vraag van Anthony Dufrane aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De dematerialisatie van kastickets" (56017670C)

 

28.01  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, en 2024, notre groupe a cosigné une proposition de loi déposée par le député Michel De Maegd modifiant le Code de droit économique afin d'offrir au consommateur le droit de ne pas se voir imposer l'impression systématique d'un ticket de caisse.

 

Cette initiative s'inscrit dans une démarche écologique, de santé publique et de modernisation technologique. Elle vise à réduire le gaspillage colossal lié au papier thermique, dont la production annuelle consomme énormément de ressources et implique l'usage de substances chimiques régulièrement montrées du doigt pour leur toxicité. L'objectif est de généraliser des solutions électroniques fiables, tout en préservant le droit inaliénable du consommateur d'obtenir un reçu papier sur simple demande matérielle afin de vérifier ses achats et de conserver ses garanties.

 

Une transition ordonnée implique un dialogue structurel avec le secteur de la distribution, la mise en conformité technique des points de vente, mais également la sécurisation des données personnelles des citoyens face aux risques de profilage commercial. Enfin, la cohérence réglementaire impose de baliser clairement les obligations d'impression sectorielles spécifiques, à l'instar des souches TVA en vigueur dans l'horeca.

 

Monsieur le ministre, le SPF Économie a-t-il déjà réalisé ou envisage-t-il de réaliser une étude d'impact sur les économies de papier et les réductions de coûts opérationnels déjà réalisées de manière volontaire par les enseignes qui proposent une alternative numérique?

 

D'éventuelles concertations ont-elles été menées avec les fédérations de commerçants pour évaluer la préparation technique des terminaux de point de vente face à une généralisation du ticket dématérialisé? Ne craignez-vous pas une surcharge administrative et une hausse des coûts pour les plus petites structures à la suite des obligations liées à cette dématérialisation?

 

Enfin, la transmission des tickets numériques s'opérant fréquemment par courrier électronique ou via des applications de fidélité, quelles balises strictes peut-on fixer, en concertation avec l'APD, pour éviter que cette dématérialisation ne se traduise par une collecte abusive et non consentie de données personnelles à des fins de marketing ciblé?

 

28.02  David Clarinval, ministre: Monsieur le député, je souhaite tout d’abord attirer votre attention sur l’avis rendu par l’administration concernant la proposition de loi déposée par le collègue De Maegd, visant à modifier le Code de droit économique afin d’offrir aux consommateurs le droit de ne pas se voir imposer l’impression d’un ticket de caisse. Cet avis présente un aperçu de la législation relevant de mes compétences, à savoir le Livre VI du Code de droit économique. La conclusion de cette analyse est qu’il n’existe pas d’obligation légale générale de remettre un ticket de caisse aux consommateurs lors de la vente de biens. Dès lors que la délivrance d’un ticket de caisse n’est pas obligatoire, il n’existe pas davantage de règles relatives à son mode de remise. Par conséquent, une entreprise qui choisit de délivrer un ticket de caisse est libre de décider sous quelle forme elle le remet, que ce soit sur support papier ou sous format numérique.

 

Dans la mesure où il n’existe pas d’obligation légale généralisée de remettre un ticket de caisse papier, il paraît peu pertinent d’instaurer une obligation légale généralisée de délivrer un ticket de caisse dématérialisé. Une telle mesure reviendrait en effet, de facto, à introduire simultanément une obligation légale de délivrance d’un ticket de caisse. Avant qu’une étude d’impact puisse être réalisée, il conviendrait d’abord de déterminer dans quelle mesure les entreprises délivrent encore un ticket de caisse papier et quels sont les coûts qui y sont associés. En l’absence de ces informations, il est difficile d’estimer les charges administratives et les coûts qu’entraînerait l’obligation de délivrer un ticket de caisse dématérialisé. Je vous invite, par ailleurs, à consulter l’avis de l’administration, qui contient une analyse plus approfondie de cette proposition de loi au regard du Livre VI du Code de droit économique.

 

En réponse à votre troisième question, je peux indiquer qu’il va sans dire que le traitement des données à caractère personnel effectué par les entreprises dans le cadre de la remise de tickets électroniques est soumis aux règles relatives à la protection de la vie privée, et notamment au Règlement sur la protection des données à caractère personnel. Seule l’Autorité de protection des données est en mesure de répondre à cette question portant sur la collecte de données à caractère personnel dans le cadre de la délivrance d’un ticket de caisse numérique, ainsi que sur la conformité de cette collecte avec les dispositions du RgPD.

 

28.03  Anthony Dufrane (MR): Monsieur le ministre, je prends note de vos réponses et je vous en remercie. Effectivement, cette évolution ne doit pas se faire au détriment de nos indépendants ni de la vie privée des clients. Elle doit avoir une visée écologique, sans augmenter la charge pour nos PME. Je suis certain que le SPF Économie et votre cabinet seront attentifs aux tenants et aboutissants, ainsi qu'à l'impact de cette réforme.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

29 Vraag van Britt Huybrechts aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De Wereldtentoonstelling in Osaka, de uitgenodigde sprekers en de kostprijs" (56017796C)

29 Question de Britt Huybrechts à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L'Exposition universelle d'Osaka, les conférenciers invités et le coût" (56017796C)

 

29.01  Britt Huybrechts (VB): Naar aanleiding van de Belgische deelname aan de Wereldtentoonstelling in Osaka heb ik u reeds verschillende schriftelijke vragen gesteld, onder meer de vragen nr. 334 en nr. 506.

 

Ik heb beide antwoorden aandachtig gelezen. Daaruit blijkt onder meer dat de door BelExpo uitgenodigde sprekers geen afzonderlijk honorarium ontvangen, maar dat de overheid wel hun vluchten, hotel, luchthavenvervoer en een dagvergoeding van 100 euro per dag betaalt. U geeft bovendien aan dat de vluchten in economy of premium economy worden geboekt en dat de hotels minder dan 200 euro per nacht kosten.

 

In mijn meest recente vraag heb ik vervolgens expliciet gevraagd naar een volledige lijst van de personen die door België naar Osaka werden uitgezonden, evenals de exacte kosten die voor elk van hen werden gemaakt. Op die vraag krijg ik echter geen inhoudelijk antwoord. U verwijst opnieuw naar uw eerdere antwoord, waarin enkel de algemene regeling wordt uitgelegd.

 

Net daar wringt het schoentje. Ik heb niet gevraagd hoe het systeem werkt, maar hoeveel het de belastingbetaler concreet heeft gekost voor elke spreker of vertegenwoordiger die door BelExpo werd uitgenodigd. Dat zijn objectieve uitgaven die perfect in de boekhouding terug te vinden moeten zijn.

 

Kunt u voor elke spreker, artiest of vertegenwoordiger die door BelExpo werd uitgenodigd - waaronder onder meer Dalilla Hermans, Red Sebastian, Ish Ait Hamou en alle overige genodigden - het exacte bedrag meedelen dat door de overheid werd betaald, met een opsplitsing per persoon van de kosten voor vliegtickets, hotel, dagvergoedingen, lokaal vervoer en eventuele andere door BelExpo gedragen uitgaven?

Indien u weigert die informatie te verstrekken, op welke juridische of administratieve grondslag baseert u die weigering, aangezien het gaat om uitgaven van publieke middelen?

​Kunt u bevestigen dat BelExpo over deze detailgegevens beschikt en dat zij dus eenvoudig kunnen worden meegedeeld aan het Parlement?

 

29.02 Minister David Clarinval: Mevrouw Huybrechts, wat uw eerste vraag betreft, het is mogelijk om voor al de genodigden op het Belgisch paviljoen in Osaka het exacte bedrag mee te delen dat door de overheid werd betaald, met een opsplitsing per persoon van de kosten voor vliegtickets, hotels, dagvergoedingen, lokaal vervoer en andere door BELEXPO gedragen uitgaven.

 

Met betrekking tot uw tweede vraag, de juridische analyse over de omvang van de informatie die aan het Parlement kan worden verstrekt en de mogelijke voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens is aan de gang.

 

Wat betreft uw derde vraag, BELEXPO beschikt in ieder geval over ondersteunende documenten, facturen en onkostendeclaraties waarmee de relevante kosten kunnen worden opgespoord. Het verzamelen en consolideren van deze gegevens op individueel niveau vereist echter nog compilatie. Gelet op de korte termijn van uw parlementaire vraag ben ik dus niet in staat om u deze informatie vandaag te bezorgen. Ik stel voor om u deze informatie te bezorgen zodra dat mogelijk is of om uw mondelinge vraag om te zetten in een schriftelijke vraag.

 

29.03  Britt Huybrechts (VB): Mijnheer de minister, de reden waarom ik zo kort op de bal speel, is omdat ik u hierover in het verleden al twee keer schriftelijke vragen heb gesteld. Uw antwoord was de eerste keer heel algemeen. U had het daarin over 100 en 200 euro voor bepaalde activiteiten. De tweede keer verwees u naar dat eerste schriftelijk antwoord terwijl de vraag duidelijk was. Ik wil gewoon weten hoeveel er per spreker exact werd gespendeerd.

 

Als dat gelet op de bescherming van persoonsgegevens wat moeilijker ligt, dan heb ik daar alle begrip voor. Dan kunnen we eventueel met initialen werken of kom ik desnoods naar het kabinet of naar waar ik daarvoor moet zijn. Het is heel belangrijk dat we die informatie hebben en dat die aan het Parlement en vervolgens aan de burgers kan worden meegedeeld. Zij hebben immers het recht om te weten voor welk bedrag bijvoorbeeld Dalila Hermans, Ish Ait Hamou of Red Sebastian op onze kosten op hotel konden gaan. Daarom is deze vraag heel relevant, maar ik zal ze opnieuw schriftelijk indienen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

Le président: La question n° 56017806C de M. Van Lommel est reportée. La question n° 56017811C de Mme Thémont sera traitée par écrit.

 

30 Vraag van Jeroen Soete aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "Gokcafés" (56017817C)

30 Question de Jeroen Soete à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les bars de paris" (56017817C)

 

30.01  Jeroen Soete (Vooruit): Mijnheer de minister, onlangs verscheen in de media dat de gemeente Sint-Gillis een onderzoek is gestart naar witwaspraktijken via lokale gokcafés. In die gemeente alleen al gaat het om zo’n 150 zaken met gokautomaten. Dit toont aan dat kansspelen in cafés niet langer alleen een risico vormen op het vlak van verslaving, maar dat er ook grotere maatschappelijke en veiligheidsproblemen aan verbonden kunnen zijn.

 

Daarnaast zien we dat in ruim de helft van alle Brusselse cafés een bingotoestel aanwezig is. Het gewest telt liefst 850 zaken met een vergunning voor dergelijke toestellen, vooral geconcentreerd in de armere wijken met een kwetsbaar publiek.

 

De regelgeving rond deze gokautomaten in cafés (de zogenaamde klasse III-inrichtingen) kent momenteel grote uitdagingen. Het Koninklijk Besluit van 11 oktober 2018, dat de uitbating en vergunningen voor deze categorie moest regelen, werd eind 2020 door de Raad van State in zijn geheel vernietigd. Sinds die vernietiging ontbreekt een sluitend federaal kader, wat zorgt voor rechtsonzekerheid en kwetsbaarheden op het terrein.

 

Vandaag de dag zijn de regels voor cafés een stuk soepeler dan voor reguliere gokhallen of casino's. Zo is er in cafés geen identiteitscontrole aan de deur via het federale EPIS-systeem. Daarnaast bepaalt de wet dat een gemeente binnen de 2 maanden moet adviseren over een vergunningsaanvraag. Gebeurt dat niet, dan wordt het advies automatisch als positief beschouwd. Het advies is overigens verplicht bij de vergunningaanvraag maar niet bindend.

Mijn vragen:

 

Hoe beoordeelt u de vaststelling dat criminele netwerken misbruik maken van het horecalandschap en de soepele regels rond bingokasten?

 

Welke stappen zult u ondernemen om, in overleg met uw collega's van Justitie en Binnenlandse Zaken, de wetgeving en de achtergrondscreening voor het uitbaten van gokautomaten in cafés te verstrengen?

 

Bent u bereid om gehoor te geven aan de noodkreten van lokale bestuurders en  het advies van de gemeenten bindend te maken?

 

Op welke wijze en met welke timing zult u gehoor geven aan het arrest van het grondwettelijk hof dat een invoering van het EPIS-systeem in cafés opdraagt?

 

30.02 Minister David Clarinval: Mijnheer Soete, de problematiek die u aanhaalt, verdient bijzondere aandacht. Ik zal deze uitdagingen dan ook meenemen in het overleg met de bevoegde minister in het kader van fase 3 van de werkzaamheden, namelijk de evaluatie en modernisering van de wetgeving inzake kansspelen, zoals vastgelegd in het regeerakkoord.

 

Het regeerakkoord voorziet ook in het toekennen van meer beslissingsbevoegdheid aan de lokale overheden bij het verlenen van vergunningen aan kansspelinrichtingen op hun grondgebied. De evaluatie van de wetgeving inzake kansspelen zal dan ook een onderdeel bevatten dat betrekking heeft op de respectieve rol van de lokale overheden in de procedures.

 

Het bindende karakter van het advies van de burgemeester was een van de gronden voor de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 11 oktober 2018 betreffende de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C. Volgens de Kansspelcommissie berust de bevoegdheid om al dan niet een vergunning te verlenen uitsluitend bij de Kansspelcommissie. Een koninklijk besluit kon dan ook niet afwijken van die bevoegdheid door een vetorecht aan de lokale overheden toe te kennen.

 

De werkzaamheden met betrekking tot het ontwerp van het koninklijk besluit dat ertoe strekt de juridische lacune weg te werken, die is ontstaan na de vernietiging door de Raad van State van het koninklijk besluit van 17 februari 2022 tot vaststelling van de contouren van de aanvullende activiteit van dagbladhandelaars, zijn lopende. In eerste instantie zal deze lacune worden weggewerkt ter bescherming van de spelers en om paal en perk te stellen aan de schijndagbladhandelaars.

 

Met betrekking tot het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt momenteel binnen de FOD Economie een analyse uitgevoerd, zodat de nodige uitvoeringsmaatregelen tijdig kunnen worden genomen.

 

30.03  Jeroen Soete (Vooruit): Mijnheer de minister, bedankt voor uw positieve antwoord.

 

Ik begrijp dat we nog maar in fase 2 zitten en dat die fase nog moet worden afgewerkt. Alles op zijn tijd dus, maar ik ben al blij dat u minstens aangeeft dat dit uw bijzondere aandacht zal krijgen. Het is immers op dit moment een bijzondere situatie, met weinig handvatten voor de lokale besturen, omdat er sprake is van een wildgroei aan bingo's in cafés en enige matiging soms nodig kan zijn.

 

In verband met het arrest van het Grondwettelijk Hof en de invoering van het EPIS-systeem heb ik goed begrepen dat de FOD Economie bezig is met de analyse en de opmaak van verdere regelgeving. Dat stemt mij ook positief. We zullen dit opvolgen en u bij een volgende gelegenheid om een verdere update vragen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

La réunion publique de commission est levée à 17 h 45.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.45 uur.

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

De antwoorden werden door de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw bezorgd.

Les réponses ont été fournies par le vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Économie et de l'Agriculture.

 

31 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Les agriculteurs victimes collatérales de la guerre en Iran" (56016167C)

31 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De collateral damage van de oorlog in Iran voor de landbouwers" (56016167C)

 

Monsieur le Ministre,

 

Comme l'indique l'intitulé de ma question, les agriculteurs font partie des victimes collatérales de la guerre en Iran.

 

Avec le blocage du détroit d'Ormuz, ce ne sont pas uniquement les prix du mazout et du gaz qui s'envolent mais également celui des engrais.

 

Déjà en hausse ces dernières années, les engrais azotés pourraient prochainement passer d'environ 300 à 400 euros par tonne négocié l'an dernier à 700, voire 800 euros par tonne lors de la signature des prochains contrats. Ce ne sera même plus rentable de cultiver.

 

Selon la Fédération wallonne de l'agriculture (FWA), une exploitation de 60 hectares devrait subir un surcoût d'à peu près 20.000 euros, dont la moitié proviendrait de la hausse des engrais.

 

Comme le souligne Guillaume Van Binst, le secrétaire général de la Fédération des jeunes agriculteurs (FJA), en raison des contrats signés en amont, le producteur est coincé et ne peut que répercuter le coût sur le consommateur afin de garder la tête hors de l'eau.

 

Monsieur le Ministre,

 

Le gouvernement compte-t-il agir pour limiter les conséquences du blocage du détroit d'Ormuz pour nos agriculteurs ?

Cette situation rappelle une fois de plus notre dépendance envers des produits importés : avec vos homologues européens, comptez-vous intégrer l'élevage d'engrais dans une stratégie d'autonomie stratégique ?

Je vous remercie pour vos réponses.

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

Monsieur le député, mon administration suit de près l’évolution de la rentabilité et des prix agricoles et est régulièrement en contact avec les membres de la Concertation chaine. L’Observatoire des prix analyse aussi rigoureusement la transmission des prix et l’évolution des marges dans la chaine agro-alimentaire. 

 

Lors du Conseil Agrifish du 26 mai, la Commission a présenté son Plan d’action sur les engrais (Fertiliser Action Plan), publié le 19 mai 2026. Ce plan intègre les engrais dans une stratégie européenne de sécurité d’approvisionnement et d’autonomie stratégique, visant à renforcer la production au sein de l’Union et à réduire la dépendance aux importations. Dans ce contexte, la Belgique s’inscrit pleinement dans cette dynamique européenne.

 

Dans ce cadre, j’ai rappelé que la priorité est de réduire notre dépendance aux importations d’intrants, dont les engrais. 

 

De nombreuses industries productrices d’engrais ferment principalement à cause de coûts de production – dont les coûts de l’énergie - trop élevés.

 

J’ai donc plaidé pour un accès des entreprises à une énergie abordable, un cadre d’investissement stable et la réduction des barrières réglementaires.

 

Le développement de solutions circulaires, telles que les engrais biosourcés, doit également être encouragé. Nous devons pouvoir mobiliser l'ensemble des solutions disponibles.

 

 Enfin, l’accompagnement des agriculteurs dans l’utilisation de technologies digitales et innovantes leur permettant d’optimiser, voire de diminuer leur utilisation d’engrais me paraît aussi une piste intéressante à explorer.

 

2. À ce stade, il n’est pas explicitement prévu d’intégrer l’élevage ou la production d’engrais comme axe autonome d’une stratégie d’autonomie stratégique, mais cette thématique peut s’inscrire indirectement dans les orientations plus larges de réindustrialisation et de sécurisation des chaînes d’approvisionnement.

 

 

32 Question de Serge Hiligsmann à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La réglementation et le statut juridique des distributeurs Crazy Box" (56016442C)

32 Vraag van Serge Hiligsmann aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De juridische status van en de reglementering inzake Crazy Boxautomaten" (56016442C)

 

Monsieur le Ministre,

 

Un nouveau type de distributeur automatique de boîtes surprises a récemment fait son apparition dans notre région, suscitant un important engouement. Selon la presse locale, le dispositif appelé « Crazy Box » aurait vendu près de 800 boîtes en une dizaine de jours seulement, attirant des consommateurs parfois venus de plus de 30 kilomètres et nécessitant jusqu'à quatre réapprovisionnements quotidiens durant les week-ends. Mobile, ce distributeur se déplace de commune en commune et se trouve actuellement à Eupen.

Le principe consiste à acheter, pour un montant compris entre 10 et 50 euros, une boîte dont le contenu reste inconnu jusqu'à son ouverture. La communication de l'entreprise exploitante présente ce système comme « 100 % gagnant », mettant en avant des produits haut de gamme ou locaux. Avec un peu de chance, certains consommateurs peuvent effectivement obtenir des lots de valeur importante et réaliser une plus-value par rapport au prix payé. À l'inverse, d'autres reçoivent des objets de faible qualité ou de faible valeur marchande.

Or, les premiers retours documentés par la presse et relayés sur les réseaux sociaux sont largement négatifs. Un test réalisé par une rédaction locale fait état de contenus décevants: jouets en plastique, vêtements en polyester, accessoires usuels et objets promotionnels. De nombreux consommateurs témoignent également d'un écart significatif entre le prix payé et la valeur réelle des articles reçus.

Ce type de dispositif semble dès lors encourager la surconsommation ainsi que l'achat d'objets à faible durabilité, souvent importés, et donc potentiellement préjudiciables tant sur le plan environnemental que sociétal.

 

Monsieur le Ministre,

 

1. Quel est votre analyse de cette nouvelle forme de jeu ainsi que de la position adoptée par la Commission des jeux de hasard ?

2. Ce dispositif peut-il être considéré comme un jeu de hasard au sens de la législation belge, la loi 1999?​

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

Suivant une première analyse, la Commission des jeux de hasard est d’avis que le concept de cette machine ne répond pas à la définition des jeux de hasard.. En effet, les gagnants sont désignés purement par le sort et il n’y a pas réellement d’élément de jeu ou de participation active des joueurs, ce qui est essentiel pour parler de jeu de hasard. Dans la mesure où il ne s’agit pas d’un jeu de hasard, la loi du 7 mai 1999 ne s’y applique pas, de sorte que l’organisateur ne doit pas disposer d’une licence délivrée par la Commission des jeux de hasard.

 

Je ne me prononcerai pas sur le caractère licite ou non de ce type de pratique, cette décision relevant de la compétence des cours et tribunaux. Lorsque des consommateurs utilisent ces distributeurs, les obligations légales imposées par le Code de droit économique (CDE) pour la protection des consommateurs doivent être respectées, dont notamment : 

 

l’obligation d’information précontractuelle, portant notamment sur son identité, les principales caractéristiques du produit, le prix total du produit toutes taxes comprises, les modalités de paiement, les conditions de vente, … ; 

 

l’interdiction des pratiques déloyales . Une pratique commerciale est déloyale lorsqu'elle est contraire aux exigences de la diligence professionnelle et altère (ou est susceptible d'altérer) de manière substantielle le comportement économique du consommateur moyen qu'elle touche ou auquel elle s'adresse ; 

 

Enfin, si cette pratique devait être qualifiée de vente entre un vendeur professionnel et un consommateur, le bien acheté devrait être couvert par la garantie légale conformément aux règles de droit civil . En cas de défaut de conformité, le consommateur pourra réclamer la réparation ou le remplacement du bien, sans frais et dans un délai raisonnable. Si ce n’est pas possible, il pourra réclamer la résolution du contrat ou une réduction du prix.

 

 

33 Question de François De Smet à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’étude du SPF Économie sur la transparence des délais de paiement entre entreprises" (56017169C)

33 Vraag van François De Smet aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De studie van de FOD Economie over de transparantie van de b2b-betalingstermijnen" (56017169C)

 

Selon l'hebdomadaire Trends/Tendances (semaine du 9 au 16 juin 2026), le SPF Économie a publié une étude consacrée à la transparence des délais et modalités de paiement entre entreprises.

Ce sujet s'inscrit dans le cadre de la loi du 2 août 2002 concernant la lutte contre le retard de paiement dans les transactions commerciales, transposant la directive 2000/35/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 juin 2000..

Le retard de paiement reste une cause majeure de difficultés de trésorerie pour les indépendants et PME, singulièrement dans les secteurs où les grands donneurs d'ordres imposent des délais de fait plus longs que le délai légal.

Elle s'applique aux contrats entre entreprises (B2B) et entre entreprises et pouvoirs publics. Elle fixe un délai de paiement supplétif de 30 jours (ndlr: Le délai par défaut est de 30 jours, à moins qu'un autre délai n'ait été expressément convenu entre les parties. Le délai contractuel ne peut toutefois pas dépasser 60 jours)  et impose des intérêts de retard stricts.

En conséquence, Monsieur le ministre peut il me faire savoir:

 

1° les résultats chiffrés de l'étude du SPF Économie, en particulier le taux de respect du délai légal de 30 jours et son évolution par rapport aux études précédentes ?

 

2° les  secteurs d'activité présentant les taux de non-respect les plus élevés, et les contrôles ou sanctions engagés sur cette base ?

 

3° si le gouvernement envisage un renforcement du dispositif de sanction prévu par la loi du 2 août 2002 modifiée, notamment en faveur des PME et indépendants les plus exposés ?

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

Questions 1-2

 

L’étude que vous mentionnez (« Le fonctionnement du marché du secteur des paiements électroniques traditionnels et des paiements par chèques sociaux en Belgique ») a été réalisée par l’Observatoire des prix du SPF Economie en collaboration avec l’Institut des comptes nationaux. Elle porte sur le fonctionnement des moyens de paiement électroniques traditionnels ainsi que sur les paiements par chèques sociaux. Elle ne traite pas de la problématique des délais de paiement B2B.

 

Question 3

 

En ce qui concerne votre 3ème question, la loi du 2 août 2002 a été révisée par la loi du 14 août 2021, entrée en vigueur le 1er février 2022.

Cette adaptation législative constitue un renforcement du cadre légal, notamment par l’imposition d’un délai de paiement strictement limité à 60 jours en cas d’accord contractuel entre les parties. En l’absence d’un tel accord, ce délai est fixé à 30 jours.

 

Etant donné le caractère récent de ce renforcement législatif, il n’est pas prévu d’adapter à nouveau la loi. Par ailleurs, la Directive 2011/7/UE relative à la lutte contre les retards de paiement dans les transactions commerciales est en cours de révision depuis septembre 2023. 

 

Les négociations sont toutefois dans une impasse depuis plusieurs mois. Je continuerai à suivre attentivement l’évolution de ces travaux.

Quoi qu’il en soit, la Belgique ne soutiendra pas un texte législatif qui aurait un impact négatif sur le cadre légal actuellement applicable en Belgique et restera attentive à la sauvegarde des intérêts des PME .

 

 

34 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "L’application de la directive européenne dite "petit-déjeuner" 2024/1438" (56017265C)

34 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De toepassing van de Europese 'ontbijtrichtlijn' 2024/1438" (56017265C)

 

Monsieur le Ministre,

 

Adoptée en mai 2024 sous la présidence belge du Conseil de l'UE, la directive dite « Petit-déjeuner » (2024/1438) est entré officiellement en application le 14 juin 2026.

 

Son objectif est d'améliorer la transparence sur l'origine et la composition de plusieurs produits alimentaires, tout en renforçant la lutte contre la fraude. Les nouvelles règles concernent notamment le miel, les confitures et les jus de fruits.

 

Monsieur le Ministre,

 

Pourrions-nous avoir votre retour général sur l'application de cette nouvelle directive européenne ?

L'arrêté royal concernant l'étiquetage des confitures manque pour le moment à l'appel : quand devrait-il être publié ? Comment justifiez-vous ce décalage entre les arrêtés royaux qui visent appliquer la directive ?

Les fabricants et distributeurs ont l'autorisation de vendre et d'écouler l'intégralité de leurs stocks dotés des anciennes étiquettes floues jusqu'à épuisement complet de ceux-ci : quelle devrait être la durée de cette période de transition alors que le miel pur ne se périme pas et peut se conserver indéfiniment ?

Un laboratoire de référence européen est en cours de déploiement pour standardiser les tests anti-fraude (comme la surchauffe du miel) : où se situera ce laboratoire ? Quand devrait-il exercer ses missions ?

Je vous remercie pour vos réponses.

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

Il est encore trop tôt pour procéder à une évaluation approfondie. Trois des quatre arrêtés royaux ne sont en vigueur que depuis le 14 juin 2026. La transposition a été réalisée et les adaptations nécessaires ont été apportées. La pratique devra maintenant permettre d’en apprécier pleinement les effets.

 

Le projet d'arrêté royal concernant l'étiquetage des confitures connaît un retard en raison de la présence de dispositions nationales relatives au « sirop de fruits à tartiner », qui ne relèvent pas du cadre harmonisé européen. Suite à l’avis du Conseil d’État, le projet a été notifié via la procédure européenne de prévention des obstacles techniques au commerce - TRIS, à laquelle la Commission européenne a répondu par un avis circonstancié. 

Cela a entraîné une prolongation de la période de statu quo jusqu’au 29 juin 2026, et impose à la Belgique de répondre avant toute finalisation du texte. Ceci explique le décalage par rapport aux autres arrêtés. Les autorités belges visent une publication en 2026.     

 

Tout miel produit, conditionné ou étiqueté à partir du 14 juin 2026 doit respecter les nouvelles règles d’étiquetage. La période transitoire ne concerne donc que les produits conditionnés avant cette date. L’Inspection économique peut le vérifier sur base de documents administratifs.

La mise en place, le cadre et la valeur ajoutée d’un laboratoire européen de référence pour le miel font partie des discussions au sein du ‘Honey Platform’, où les Régions sont représentées. Pour le suivi, il convient dès lors de se tourner vers les Ministres de l’Agriculture au niveau régional, tant en Flandre qu’en Wallonie.

 

 

35 Question de Patrick Prévot à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "Le prix des engrais" (56017267C)

35 Vraag van Patrick Prévot aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De meststoffenprijs" (56017267C)

 

Monsieur le Ministre,

 

En Europe, les engrais azotés ont augmenté d'environ 20% entre avril et mai, atteignant près de 500 euros la tonne. Cette hausse s'explique par un autre mécanisme fondamental : le rôle du gaz. Il représente jusqu'à 90% des coûts de production des engrais azotés.

 

Encore une fois, ce dossier soulève la question de la dépendance de l'UE importe environ 60% des engrais qu'elle consomme. Elle dépend à la fois du gaz étranger et de producteurs situés dans des zones géopolitiquement instables.

 

Le mercredi 17 juin, le commissaire européen au Budget a proposé d'allouer 500 millions d'euros pour venir en aide aux agriculteurs les plus durement touchés par la flambée des prix des engrais, raison pour laquelle je souhaitais vous interroger à travers les questions suivantes.

 

Monsieur le Ministre,

 

Comment le secteur agricole belge réagit-il à l'augmentation du prix des engrais ?

Quelle est la position de la Belgique quant à la proposition d'allocation de 500 millions d'euros pour venir en aide aux agriculteurs les plus durement touchés ? Si cette proposition venait à voir le jour, notre pays devrait-il recevoir une partie de cette allocation ? Des critères sont-ils à l'étude pour pouvoir en bénéficier ?

Ce dossier devrait être décidé d'ici les prochaines semaines ?

Au moment de déposer cette question, les États-Unis d'Amérique et l'Iran semblent se rapprocher d'un accord de paix qui devrait de nouveau fluidifier les exportations et importations via le détroit d'Ormuz. Si un accord devait être acté en bonne et due forme, quand peut-on espérer une baisse significative des prix des engrais dans l'UE et plus particulièrement en Belgique ?

Je vous remercie pour vos réponses.

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

1          Le prix des engrais azotés a fortement augmenté au printemps 2026 (+30 % entre février et mai), avant d'amorcer un léger recul. En juin, le prix de l'urée a même diminué d'environ 20 %, principalement en raison de la fin de la saison de fertilisation. Cette baisse pourrait toutefois être temporaire, les importations n'ayant pas encore réellement repris.

 

Les prix des engrais phosphatés et potassiques ont également progressé entre février et mai (+18 % et +4 % respectivement), sans montrer de baisse significative à ce stade.

 

Les secteurs les plus exposés à cette hausse des coûts sont les grandes cultures, le maraîchage et l'élevage bovin.

 

2          L’agriculture est essentiellement une compétence régionale. La mise en œuvre du présent règlement relève de la compétence des Régions.

 

Selon le projet de règlement, l’Union européenne met à disposition un montant total de 540 millions d’euros au titre d’une aide d’urgence aux agriculteurs. Une enveloppe de 7 032 700 euros est prévue pour la Belgique.

 

L’aide doit être ciblée sur les agriculteurs les plus touchés par la hausse des coûts des engrais et/ou de l’énergie. Les États membres déterminent eux-mêmes les modalités de répartition sur la base de critères objectifs et non discriminatoires.

 

Cette aide peut être cumulée avec les aides de la PAC ainsi qu’avec les aides au développement rural. Il convient toutefois d’éviter toute surcompensation.

 

3          D’ici au 30 septembre 2026, la Commission européenne devra être informée des éléments suivants :

·         les mesures retenues ;

·         les secteurs concernés ;

·         les critères de sélection des bénéficiaires ;

·         l’impact attendu de l’aide.

 

4          Une normalisation du trafic maritime dans le détroit d'Ormuz pourrait contribuer à une baisse des coûts de l'énergie et du transport, ce qui exercerait progressivement une pression à la baisse sur les prix des engrais. Toutefois, cette évolution ne serait pas immédiate. Les prix des engrais dépendent également d'autres facteurs, tels que les stocks disponibles, les contrats d'approvisionnement déjà conclus, le prix du gaz naturel ainsi que l'évolution de l'offre et de la demande au niveau mondial.

 

Si les tensions devaient durablement s'apaiser, les premiers effets pourraient se faire sentir dans les mois qui suivent. Il n'est toutefois pas possible de prévoir avec précision ni l'ampleur ni le calendrier d'une baisse significative des prix des engrais en Belgique.

 

 

36 Question de Sophie Thémont à David Clarinval (VPM Emploi, Économie et Agriculture) sur "La fusion entre les groupes de presse Rossel et IPM" (56017811C)

36 Vraag van Sophie Thémont aan David Clarinval (VEM Werk, Economie en Landbouw) over "De fusie van de mediagroepen Rossel en IPM" (56017811C)

 

Monsieur le Ministre,

L'Autorité belge de la concurrence a récemment autorisé, sous certaines conditions, l'acquisition des activités de presse du groupe IPM par le groupe Rossel. Il s'agit d'une décision majeure qui va profondément transformer le paysage médiatique francophone en Belgique.

Cette opération intervient dans un contexte déjà extrêmement fragile pour le secteur, marqué par la pression croissante des grandes plateformes numériques, qui captent une part toujours plus importante des revenus publicitaires et de l'attention des lecteurs.

Au-delà des enjeux économiques, cette fusion soulève d'importantes préoccupations pour notre démocratie. Les rédactions concernées, réunies notamment au sein de l'Association des journalistes professionnels, ont exprimé de vives inquiétudes. Elles dénoncent un manque de concertation et estiment que les garanties prévues restent insuffisantes.

Plusieurs points interpellent particulièrement : le risque d'une uniformisation des contenus, l'avenir des rédactions locales, les conséquences économiques pour plusieurs titres de presse ainsi que le maintien d'un véritable pluralisme de l'information.

Lorsque la concentration médiatique s'accentue à ce point, ce n'est plus seulement une question de marché. C'est aussi la diversité de l'information, le pluralisme des opinions et, in fine, la qualité du débat démocratique qui sont en jeu.

Dès lors Monsieur le Ministre,

Quel regard portez-vous sur les conséquences de cette opération pour la concurrence sur le marché de la presse francophone, mais également pour le pluralisme de l'information ?

Considérez-vous que les engagements imposés par l'Autorité belge de la concurrence offrent des garanties suffisantes pour préserver la diversité de l'offre éditoriale et éviter une concentration excessive du marché ?

Comment votre administration assurera-t-elle le suivi des engagements pris dans le cadre de cette opération, notamment en ce qui concerne le maintien des différents titres et des éditions régionales ?

Enfin, quelles initiatives entendez-vous prendre pour renforcer la viabilité économique des médias belges face à la concurrence croissante des grandes plateformes numériques, tout en préservant une information pluraliste, indépendante et de qualité ?

Je vous remercie.

 

 

Antwoord - Réponse:

 

 

Tout d’abord, il ne m'appartient pas de me prononcer sur le fond de cette décision ni de remettre en cause l'analyse réalisée en toute indépendance par l'Autorité belge de la concurrence. 

 

L'ABC a estimé, après des échanges avec le secteur, dont l’Association des journalistes professionnels, que les engagements imposés répondaient aux préoccupations de concurrence et permettaient de préserver la qualité et la diversité de la presse quotidienne francophone. Ces engagements sont juridiquement contraignants et leur respect relève du contrôle de l'ABC, qui dispose des pouvoirsbnécessaires pour en assurer le suivi. Mon administration n'exerce pas cette compétence.

 

Cette opération soulève néanmoins des questions légitimes quant au pluralisme de l'information. Dans un contexte marqué par la concurrence croissante des plateformes numériques et les difficultés économiques du secteur, l'enjeu est de concilier les synergies nécessaires à la viabilité des entreprises de presse avec le maintien d'une offre éditoriale diversifiée, pluraliste et indépendante.

 

À cet égard, le Règlement européen sur la liberté des médias marque une évolution importante. Il prévoit des mécanismes permettant d'apprécier certaines concentrations dans le secteur des médias au regard de leurs effets sur le pluralisme des médias et l'indépendance éditoriale, en complément du contrôle exercé sur la base des règles de concurrence. Sa mise en œuvre en Belgique nécessitera une coopération étroite entre les autorités compétentes, dans le respect de la répartition des compétences.

 

Le Gouvernement suivra avec attention cette mise en œuvre afin que le nouveau cadre européen puisse pleinement produire ses effets.