|
Commissie
voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken |
Commission
de l'Intérieur, de la Sécurité, de la Migration et des Matières
administratives |
|
van Woensdag 15 juli 2026 Namiddag ______ |
du Mercredi 15 juillet 2026 Après-midi ______ |
De openbare commissievergadering wordt geopend om 14.07 uur en voorgezeten door de heer Ortwin Depoortere.
La réunion publique de commission est ouverte à 14 h 07 et présidée par M. Ortwin Depoortere.
De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.
Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.
De voorzitter: Collega’s, mijnheer de minister, welkom voor de laatste commissievergadering voor het welverdiende zomerreces.
01.01 Kjell Vander Elst (Anders.): Mijnheer de minister, jaar na jaar, maand na maand, zomer na zomer is het telkens hetzelfde liedje, er staan ellenlange wachtrijen aan de grenscontroles op de luchthaven van Zaventem. Het is niet de eerste keer dat we dit onderwerp bespreken. Het probleem dateert ook niet van gisteren, maar sleept al jaren aan.
Dat veroorzaakt niet alleen imago- en reputatieschade, maar ook economische schade. Als kennismaking met de hoofdstad van Europa en van ons land kan dat tellen. Reizigers staan twee, drie of vier uur in de file omdat er knelpunten zijn, te weinig personeel beschikbaar is of bepaalde systemen niet werken.
Voor de luchthaven van Zaventem is dat absoluut een slechte zaak. Het is de nationale luchthaven van België en de luchthaven van de hoofdstad van Europa. Dat er bij vertrek en aankomst telkens urenlange files staan, is slecht voor de luchthaven, voor ons land en voor de reizigers.
Die situatie leidt tot veel en terechte frustratie. Gezinnen en mensen die hebben gespaard om met hun kinderen of vrienden op vakantie te gaan, staan bij hun vertrek of na hun aankomst uren te wachten om door de controles te raken. Dat is absoluut niet het beeld dat we als land, en zeker niet via onze luchthaven, aan de rest van de wereld willen tonen, noch aan wie hierheen komt, noch aan wie op vakantie vertrekt.
Een tweede punt is de economische schade. Ik heb met heel wat bedrijven gesproken. Sommige bedrijven geven hun personeelsleden die, hoewel ze in Brussel moeten zijn, de opdracht om niet via Zaventem te reizen, maar bijvoorbeeld via Schiphol en vandaar met een ander vervoermiddel naar Brussel te komen, omdat dat minder tijd vraagt.
Dat zijn absurde situaties, waar we absoluut iets aan moeten doen. We moeten er koste wat het kost voor zorgen dat reizigers, maar ook bedrijven en de economische actoren, de hoofdstad van Europa niet links laten liggen. Er zijn hier heel wat Europese instellingen; heel wat mensen komen hier werken of komen Europa, onze stad en ons land ontdekken. We moeten ervoor zorgen dat zij Brussels Airport, de luchthaven van Zaventem, niet links laten liggen.
We moeten dan ook ingrijpen. Ik heb al gezegd dat het probleem niet nieuw is. U hebt dat dus voor een stuk geërfd. Dat wil ik zeker toegeven, maar de situatie wordt wel almaar erger. Bijna elke vakantieperiode worden de files langer. Nog niet zo lang geleden, eind maart, bedroeg de wachttijd bij vertrek twee uur en bij aankomst drie uur. Mensen stonden gewoon in de file. In de laatste week van maart hebben 600 reizigers hun vlucht gemist doordat ze nog in de file stonden aan de grenscontroles.
Dat kunnen we niet toelaten. Als overheid en als bevoegd minister voor de politie bij Binnenlandse Zaken, is het een van uw taken om ervoor te zorgen dat dat probleem opgelost raakt. Er zijn geen wonderoplossingen, dat zult u mij ook niet horen zeggen. Dat belet ons echter niet om actie te ondernemen.
Ik had op dit moment wel verwacht dat er al een zomerplan zou zijn. Het is nu zomer, mar ik heb er nog niet veel van gezien.
Mijnheer de minister, mijn eerste vraag is dan ook of er een zomerplan is. Is er een verhoogde activiteit? Wordt er extra personeel ingezet tijdens de zomermaanden? Ik heb daar op dit moment nog niet veel van gezien.
Ten tweede, er zijn inderdaad geen wonderoplossingen, maar we kunnen wel een en ander doen. Ik heb een aantal suggesties. Het is immers gemakkelijk om vanuit het parlement of vanuit de oppositie te zeggen dat het niet goed is en dat het beter moet, maar ik formuleer wel degelijk suggesties.
De eerste suggestie ligt uiteraard voor de hand en is u wel bekend, namelijk het tekort bij de luchtvaartpolitie aanpakken, want 20 tot 25 % van de plaatsen bij de LPA is niet ingevuld. Dat is te veel. We weten dat u niet de eerste bent die met dat probleem kampt. Dat is al jaar en dag een probleem bij de LPA. We moeten er dus voor zorgen dat we dat beroep of die functie binnen de federale politie aantrekkelijker maken, of er toch voor zorgen dat mensen goesting krijgen om dat werk uit te voeren. Ik weet dat een jongere die bij de politie wil beginnen, niet meteen aan die functie denkt. Lang stilstaan, mensen controleren en toezicht houden is minder aantrekkelijk. Jonge politiemensen willen op straat zijn. Ze willen de veiligheid garanderen, niet alleen bij grenscontroles.
Ik weet dat dat niet aantrekkelijk is, maar we moeten er toch voor zorgen dat we dat tekort kunnen terugdringen door bijvoorbeeld een aantal zaken te veranderen aan dat beroep.
Een tweede suggestie betreft de e-gates. Daarmee zitten we weer op een kruispunt van bevoegdheden, maar de e-gates kunnen een deel van de oplossing zijn. Het is evident dat ze goed moeten functioneren, maar op dit moment worden ze onderbenut. Zo zijn er bijvoorbeeld voor derde landen maar een aantal uitzonderingslanden die daarvan kunnen gebruikmaken. Ik heb een wetsvoorstel ingediend opdat die e-gates ook voor derde landen, laagrisicolanden buiten Schengen, gebruikt zouden kunnen worden. Ik weet dat de kritiek vaak is dat grenscontroles streng moeten zijn, dat ze niet zo lek als een zeef mogen zijn en dat we niet iedereen zomaar zonder controle kunnen toelaten. Met alle respect, een e-gate is ook een controle. Het is een geautomatiseerde controle en die is misschien zelfs nog accurater dan wanneer iemand dat individueel moet doen. Ik pleit er ook niet voor om de poorten wagenwijd open te zetten, maar wel om een afweging te maken en een aantal laagrisicolanden te detecteren, waarvan we weten dat men van daaruit niet naar hier komt om asiel aan te vragen. Die mensen komen naar hier om Europa te ontdekken of om te werken, wat niet ondenkbaar is in het hart van Europa. We moeten landen toevoegen die de e-gates kunnen gebruiken. Ik heb er in mijn wetsvoorstel zelfs rekening mee gehouden dat een land dat vandaag een laagrisicoland kan zijn, binnen twee weken of twee maanden ineens op veel meer gespannen voet met België of Europa kan staan. De minister kan dan met een ministerieel of een koninklijk besluit beslissen om een land toe te voegen aan of te halen uit de lijst met laagrisicolanden. Zo kan er flexibiliteit zijn bij de minister en bij de bestuurders, maar kunnen de vandaag aanwezige e-gates voldoende gebruikt worden en de federale politie enigszins ontlasten.
Mijnheer de minister, wat vindt u van het voorstel om de e-gates uit te breiden naar laagrisicolanden? Die e-gates zijn vandaag immers onderbenut en zouden voor een stuk de druk op de federale politie wat kunnen wegnemen.
Mijn volgende vraag gaat over het zomerplan, waarvan ik daarnet al heb gezegd dat er recent een Overlegcomité met de regio's heeft plaatsgevonden. Meestal komt daar dan een plan uit, maar ik heb daarvan tot op heden niets gezien. Het enige wat ik heb gehoord, is dat Vlaanderen heeft gezegd dat het uw bevoegdheid is en dat u het maar moet oplossen.
Mijnheer de minister, klopt het dat de conclusie van het Overlegcomité luidt dat u het moet oplossen, of wat heeft dat opgeleverd? Mogen wij voor de zomervakantie nog een zomerplan voor die grenscontroles verwachten?
Aansluitend, welke concrete maatregelen neemt u om tijdens de zomerpieken voldoende capaciteit te garanderen? Bestaat er een formeel zomerplan, zoals de afgelopen jaren? Ik heb er nog geen gezien.
Hebt u een plan om het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie aan te pakken? Zo ja, hoe ziet dat eruit?
Waarom worden de beschikbare e-gates nog niet maximaal ingezet voor alle reizigerscategorieën waarvoor dat veilig en juridisch mogelijk is? Een argument luidt dat laagrisicoland geen goed gedefinieerd begrip is, maar in Italië, Nederland of Frankrijk doen ze dat wel. Men kan als land dus beslissen om via e-gates meer landen toe te laten op basis van een aantal parameters of criteria. Wat vindt u van het idee om dat systeem uit te breiden naar andere, derde landen?
Wordt er inderdaad overwogen om een crisismanager aan te stellen voor de grenscontrole op Brussels Airport? Zo ja, wat wordt diens opdracht, mandaat en timing?
Wanneer mogen reizigers, Brussels Airport en ons land op de luchthaven een merkbare verbetering verwachten?
01.02 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ik zal mijn tien minuten spreektijd niet volledig nodig hebben om u de problematiek uit te leggen en de nodige vragen te stellen. De heer Vander Elst heeft de problematiek trouwens al uitstekend geschetst. Op één punt heeft hij overschot van gelijk, namelijk dat het gaat om een erfenis van de vorige regering, waarvan ik overigens meen dat de premier uit zijn partij kwam. Nu, zwartepieten doen we al genoeg. De reizigers zijn er niet mee gebaat te weten wie er vroeger verantwoordelijk was en wie dat vandaag is.
Wij stellen alleen vast dat de lange wachtrijen op de luchthaven van Zaventem nog maar eens het nieuws hebben gehaald. Intussen is het midden juli en is er blijkbaar geen pasklare oplossing voorhanden, tenzij u ons vandaag onverhoopt goed nieuws kunt brengen.
Wat buiten kijf moet staan, is de veiligheid. Veiligheid mag nooit een issue zijn en mag nooit een voorwendsel zijn om de wachtrijen in Brussel-Zaventem te verminderen. Veiligheid moet altijd prioriteit krijgen. Zeker in een internationale context moeten de controles streng en grondig gebeuren. Daarop mag uiteraard niet worden bespaard.
Mijnheer de minister, vandaag stellen we u, vanuit zowel de meerderheid als de oppositie, een aantal vragen, omdat ook op uw schouders een verantwoordelijkheid rust. Ik weet zeer goed dat u niet de enige verantwoordelijke bent in dit verhaal. Voor de uitbating van Brussel-Zaventem, moet worden samengewerkt met de Vlaamse overheid. De minister van Mobiliteit is bevoegd voor het beheer van het gebouw. Daarnaast moet de minister van Asiel en Migratie de grenscontrole en de aanpak van illegale migratie en asielzoekers garanderen. Er zijn dus verschillende spelers. Ik vermoed dat precies daar het kalf gebonden ligt en dat daarom zo moeizaam een goede oplossing tot stand komt.
Vandaag wil ik u echter de vragen stellen die wel rechtstreeks onder uw bevoegdheid vallen. De heer Vander Elst heeft er ook al naar verwezen. Het gaat uiteraard over de onderbemanning van de luchtvaartpolitie. Dat blijft helaas een probleem dat al jaren aansleept. Waarom geraakt de luchtvaartpolitie niet op volle sterkte, niet alleen in Brussel-Zaventem, maar evenmin op de andere luchthavens? Mijn eerste vraag is dan ook wat uw concrete plan is om dat tekort op korte termijn, maar ook structureel, aan te pakken.
Welke hervormingen plant u om de werking te verbeteren en efficiënter te maken? Ik geef u een voorbeeld. Blijkbaar vertrekken controleurs vanuit Oostende naar Zaventem om daar bij te springen. Rekening houdend met de reistijd kunnen zij daar amper vier uur ondersteuning bieden.
Als men weet dat internationale vluchten, vooral uit Afrika, al om vijf uur 's morgens toekomen en de controleposten pas om 06.00 uur opengaan, weet men ook dat een belangrijk deel van de reizigers gewoonweg niet kan worden gecontroleerd, zelfs niet met bijkomende aanvullingen, zoals ik u heb geschetst. Het is misschien een detailvraag, maar toch niet onbelangrijk. Kan worden bekeken of het personeelsrooster op een efficiëntere manier kan worden samengesteld, zodat het afgestemd is, ook op de eerste inkomende intercontinentale vluchten?
Het mag alleszins niet toelaatbaar zijn dat personeelstekorten of organisatorische fouten ertoe leiden dat lange wachttijden ontstaan aan de internationale toegangspoort tot ons land. Ik verwijs ook naar de invoering van het Europese Entry Exit System, waarbij niet-EU-reizigers uitgebreider worden geregistreerd. Dat systeem veroorzaakt problemen. De uitrol van die biometrische registratie is opnieuw uitgesteld en is nog altijd niet operationeel. Ondertussen bestaat wel een applicatie om een voorregistratie uit te voeren en zo de controles op de luchthaven te verminderen.
Mijnheer de minister, wat is de status daarvan? Is ons land op die applicatie aangesloten? Zo neen, waarom niet? Voor zover ik heb kunnen vernemen, hinken we ook hier sterk achterop. België zou niet aangesloten zijn.
De e-gates blijven onderbenut. Wat is het standpunt van de regering over de uitbreiding van het gebruik van e-gates naar onderdanen van bijkomende derde landen? Als die uitbreiding er komt, voor welke landen zal dat dan zijn? Hoe voorkomt u dat de binnenlandse veiligheid zal worden gecompromitteerd?
Ik verneem graag van u hoe u die problematiek, na al onze waarschuwingen, eindelijk zult aanpakken, zonder kunstmatige ingrepen die de veiligheid verzwakken.
01.03 François De Smet (DéFI): Vous avez annoncé tout récemment que Brussels Airport attend
5,2 millions de passagers cet été, avec une journée de pointe annoncée.
Près de 60 kiosques de pré-enregistrement
sont désormais installés pour l'enregistrement des passagers non européens dans
le cadre du système EES (Entry/Exit System), actuellement testés pour permettre
l'usage des portiques automatiques (e-gates) au lieu des postes de contrôle
classiques.
L'EES est un système européen obligatoire
d'enregistrement biométrique aux frontières extérieures Schengen (règlement UE
2017/2226), dont la mise en œuvre relève de la police fédérale et de votre
département, et dont le déploiement a déjà connu plusieurs reports au niveau
européen. La gestion de la capacité aéroportuaire de Brussels Airport, dont
l'État belge reste actionnaire via la SFPI, est un sujet récurrent de questions
parlementaires fédérales, notamment sous l'angle des délais d'attente et des effectifs
policiers.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il
me faire savoir:
1° le
nombre d'agents de police fédérale et de douane mobilisés à Brussels Airport
pour la période estivale, et me
confirmer le calendrier précis de bascule complète vers les e-gates EES ?
2° les projections de délais d'attente
établies pour la journée de pointe annoncée, et les enseignements tirés des
tests EES menés ces dernières semaines?
3° si un plan de contingence est prévu en
cas de dysfonctionnement du système EES durant la pointe estivale, et la coordination
assurée avec les autorités européennes en charge du déploiement?
01.04 Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, we hebben het in deze commissie al verschillende keren gehad over de wachtrijen op Brussels Airport. Deze zomer zijn er opnieuw zeer lange wachtrijen. Mensen moeten soms vijf uur lang wachten. Dat doet zich voornamelijk 's morgens voor, tijdens de ochtendpiek. Net op dat moment is het belangrijk dat de boxen volledig bemand zijn, zodat er niet al van 's morgens vroeg een achterstand ontstaat.
Was het eenvoudig geweest, mijnheer de minister, dan was het probleem vandaag al opgelost. Het is inderdaad een bevoegdheid van verschillende ministers.
We weten echter ook dat er een personeelstekort is bij de federale luchthavenpolitie. Dat probleem beperkt zich trouwens niet tot de luchthavenpolitie, maar doet zich bijvoorbeeld ook voor bij de spoorwegpolitie. Daarom is het belangrijk dat de arizonaregering heeft beslist om bij de federale politie grondige hervormingen door te voeren. U bent daarmee bezig.
In deze commissie hebben we al vaak specifiek het personeelstekort bij Brussels Airport besproken. Op 11 maart 2026 hebt u bevestigd dat er een tekort is van 21 % bij de controleurs van LPA BruNat en dat er een structurele versterking zou komen via de SPN, de SPC en de DAS. U sprak toen ook de ambitie uit om tegen het einde van dit jaar 60 extra personeelsleden in te zetten.
Op 20 mei 2026 wees u opnieuw op de drie oorzaken van de problemen: personeel, infrastructuur en de automatisering of ICT. U gaf ook aan dat de biometrische EES-registratie op 30 maart tijdelijk werd opgeschort wegens onaanvaardbare wachttijden en dat bijkomende automatische controles pas begin 2027 zouden worden geïnstalleerd.
De druk ligt dus vooral bij de fysieke controles, niet-EU-burgers en gezinnen met kinderen jonger dan 12 jaar, die geen gebruik kunnen maken van de e-gates.
In mei kwam er na overleg tussen het federale en het Vlaamse niveau een gezamenlijke werkgroep. Nu zou er ook een crisismanager worden aangesteld.
Ons uitgangspunt is zeer duidelijk, mijnheer de minister. De grenscontrole mag natuurlijk niet tot niets worden herleid. Er moet zeker een professionalisering plaatsvinden en er moeten wel degelijk controles gebeuren. Aan de andere kant is er de economische factor en zijn er de reizigers. Zij mogen evenmin het slachtoffer worden van onderbezetting, gebrekkige planning of infrastructurele problemen.
Ik heb verschillende vragen. Kunt u de objectivering van de uren toelichten? Kunt u aantonen wat de maximale wachttijden zijn? Hoeveel controleurs worden effectief ingezet? Hoeveel van de nieuw aangeworven medewerkers zijn er ondertussen operationeel? Kunt u meer toelichting geven over de laatste vergadering van het Overlegcomité en de projectmanager? Wat zal die precies doen en tegen wanneer? Zijn de 50 Frontex-medewerkers allemaal aan de slag, en tot wanneer? Hoe komt het dat de druk daar nog altijd zo hoog is? Hoe staat het met de biometrische EES-registratie op piekmomenten? Welke mogelijkheden ziet u om die tegen september tijdens piekmomenten in te zetten? Zal ook bijkomende Europese flexibiliteit worden gevraagd? Ten slotte een van de belangrijkste vragen. Onze fractie vraagt u te bekijken of het mogelijk is om politioneel burgerpersoneel versneld op te leiden en dat tijdens piekmomenten in te zetten, uiteraard altijd samen met iemand van de reguliere politie. Is dat een piste die u overweegt voor de paspoortcontrole?
De voorzitter: Ik ben nu wel zeer soepel geweest, u hebt dubbel zoveel spreektijd genomen, mevrouw De Vreese. Mijnheer Bergers zal het goede voorbeeld geven met twee minuten spreektijd.
01.05 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen wat al is gezegd. U bent bekend met de problematiek van de lange wachtrijen, die onze economie schaden en de reputatie van ons land aantasten. In dat verband sluit ik mij aan bij wat de vorige sprekers hebben gezegd.
Ik wil wel één element toevoegen. Op het terrein hoor ik dat er ook heel wat problemen zijn met de technische werking van de e-gates. Het systeem zou nog niet volledig op punt staan. Zo zou de link met het EES nog niet naar behoren functioneren. Ook de link tussen de kiosken en de e-gates zou nog niet goed werken, wat nog problematischer is. Tijdens de testfase zijn blijkbaar nog heel wat andere problemen aan het licht gekomen. Die technische problemen zorgen uiteraard voor extra wachtrijen en bijkomende vertragingen, boven op de onderbemanning bij de luchtvaartpolitie.
Naast de vragen van de andere sprekers wil ik graag nog het volgende weten. Kunt u bevestigen dat deze technische problemen zich voordoen? Welke maatregelen worden er genomen om de technische operationaliteit van het systeem te verzekeren? Tegen wanneer mogen we eindelijk beterschap verwachten?
01.06 Catherine Delcourt (MR): Monsieur le ministre, le déploiement du système européen EES constitue une réforme très importante des contrôles aux frontières extérieures de l'espace Schengen. Il se fait que sa mise en œuvre coïncide avec le pic estival du trafic aérien à Brussels Airport, ce qui place le contrôle frontalier sous une pression toute particulière. Je rappelle qu'il s'agit d'une problématique que la Belgique partage avec plusieurs autres pays européens. Je sais que vous suivez ce dossier de près et que le gouvernement a pris une série de mesures pour concilier à la fois la fluidité du passage aux frontières, mais aussi et surtout et le maintien d'un niveau de sécurité élevé. Il ne s'agit pas de faire comme dans les parcs d'attraction en instaurant des pass prioritaires et d'ainsi mettre en péril ce point important pour notre sécurité nationale.
Pouvez-vous dresser un état des lieux sur le déroulement général en ce début de la période estivale à Brussels Airport? Quelles sont les principales mesures mises en place pour garantir la fluidité du contrôle frontalier tout en préservant la qualité et la sécurité? En matière de personnel, où en est le renforcement du contrôle frontalier? Pouvez-vous préciser l'articulation entre la mobilisation des effectifs de la police aéronautique, l'appui apporté par d'autres services de la police fédérale et de l'agence Frontex? Enfin, quelles perspectives structurelles envisagez-vous à moyen terme pour renforcer la capacité de traitement aux frontières, notamment en matière d'automatisation?
De voorzitter: Zijn er leden die wensen aan te sluiten bij het debat? Dat zijn de heer Demon en de heer Vandemaele.
01.07 Franky Demon (cd&v): Mijnheer de minister, de wachtrijen bij de grenscontroles op de luchthaven van Zaventem zijn absoluut geen nieuw gegeven. De drukke zomermaanden en de piekmomenten komen eraan. U hebt een aantal oorzaken aangegeven, zoals een tekort aan personeel bij de luchtvaartpolitie, de uitrol van het EES-systeem en infrastructurele problemen. Dat zijn allemaal zaken die moeilijk verlopen. U stelt terecht dat een betere samenwerking tussen alle betrokken diensten al veel zou helpen.
De uitrol van het EES-systeem zou echter ook gepaard gaan met technische storingen. In april 2026 stelde ik u daarover al een aantal schriftelijke vragen. In uw antwoord identificeerde u een aantal knelpunten. U stelde ook dat ze continu zouden worden opgevolgd en bijgestuurd, in samenwerking met de Europese partners.
Inzake het personeelstekort krijgen wij uiteraard ook graag een stand van zaken over de versterking tijdens de zomer en over de inzet van Frontexpersoneel.
Het moet echter duidelijk zijn dat wij het met personeel alleen absoluut niet zullen halen. Er is mijns inziens nood aan objectivering van de vertragingen. Via de pers vernemen wij dat er ook een projectmanager zou zijn aangesteld.
Wat is de exacte opdracht van de projectmanager? Hoe werd die projectmanager aangesteld en door wie?
Wanneer verwacht u eigenlijk de eerste resultaten van de audit?
Wat is de stand van zaken van de uitrol van het EES-systeem?
Hoe verloopt de monitoring van de knelpunten?
Tot slot geloof ik ook dat een betere spreiding van bepaalde vluchten zou kunnen zorgen voor een betere spreiding van de wachtrijen en van het personeel. U hebt dat ook al eens opgenomen. Hoe werd er op die oproep gereageerd? Volgen op dat punt nog inspanningen?
01.08 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de voorzitter, ik zal niet herhalen wat de collega's al gezegd hebben, maar het is belangrijk nogmaals te benadrukken dat de luchthaven de tweede economische motor van ons land is. We hebben er dus alle belang bij dat alles daar goed verloopt, niet alleen om economische redenen, maar vooral ook voor de reizigers.
Uw voornaamste opdracht is ervoor te zorgen dat er meer personeel komt bij de federale politie op de luchthaven. U hebt daarvoor een eerste stap gezet. Tegen het einde van het jaar komen er 60 personeelsleden bij. Dat is een goede zaak, al komt die versterking misschien wat laat.
Ik hoor echter dat het personeelsverloop zeer groot is en dat veel mensen vertrekken. Daarom is het ook belangrijk om niet alleen in een eenmalige personeelsinjectie te voorzien, maar ook structureel werk te maken van het behoud van de mensen die daar werken, zodat we hen niet verliezen en de personeelsleden niet massaal ziekteverlof nemen. Dat vormt ook een belangrijke taak van de federale politie en heeft deels te maken met de werkorganisatie, maar ook met de aantrekkelijkheid van het statuut. Op een arbeidsmarkt waar de concurrentie groot is, zijn dat niet de meest interessante jobs. We moeten daar dus werk van maken en u kunt dat ook zelf doen.
Een tweede element betreft de infrastructuur. Ik verneem dat u daarover een nogal lastig overleg hebt gehad met Vlaanderen. Dat begrijp ik niet zo goed. Alle partijen van de Vlaamse regering zitten immers ook in de federale regering. Een beetje met elkaar samenwerken, collega's, zou dus toch niet zo moeilijk mogen zijn.
Ik begrijp perfect de kritiek wanneer de boxen niet volledig bemand zijn. Die kritiek is terecht. Ik begrijp echter ook dat de politie zegt dat zij infrastructureel tegen haar grenzen aan loopt. Dan zal Vlaanderen ook inspanningen moeten leveren.
Het heeft weinig zin om daarover ruzie te maken en naar elkaar te wijzen. Ik hoop alleszins dat u de samenwerking zult stimuleren.
Als de luchthavens van Deurne en Wevelgem International Airport binnenkort sluiten, kunnen we de personeelsleden die daar tijd verliezen misschien inzetten om in Zaventem te helpen.
01.09 Minister Bernard Quintin: Dames en heren volksvertegenwoordigers, ik wil graag een aantal zaken verduidelijken over de lange wachttijden op Brussels Airport. Voor ik inga op de verschillende vragen, lijkt het mij nuttig eerst de nodige context te schetsen. De wachttijden op Brussels Airport zijn het resultaat van een samenspel van verschillende factoren en betrokken actoren. Vooreerst is er het Europees wettelijk kader, dat bepaalt onder welke voorwaarden de grenscontrole wordt uitgevoerd en welke controles verplicht zijn. Op Belgisch niveau behoort dat tot de bevoegdheid van het departement Asiel en Migratie. Daarnaast is er de personeelscapaciteit. Voor de grenscontrole is de luchtvaartpolitie of LPA verantwoordelijk. Voor de inzet van voldoende politiecapaciteit staat Brussels Airport Company dan weer in voor de ondersteunende personeels- en omkaderingscapaciteit op de luchthaven.
Un troisième pilier concerne la capacité technique. Celle-ci porte notamment sur les systèmes d'enregistrement des données biométriques, les kiosques, les e-gates et l'automatisation des contrôles aux frontières. À cet égard, le département Asile et migration est compétent pour fixer le cadre réglementaire ainsi que pour déterminer les autorisations et les conditions dans lesquelles les contrôles sont exécutés, tandis que Brussels Airport Company, la police fédérale et les partenaires techniques spécialisés assurent la mise en œuvre opérationnelle de ces dispositifs. À cela s'ajoute le défi de la mise en œuvre du nouveau système européen, l'Entry/Exit System (EES), qui, à l'instar de ce qui est observé dans d'autres États membres, soulève d'importantes difficultés techniques, notamment en raison de l'impossibilité de tester le système avant le déploiement progressif de son activation, ce qui, pour le bon ordre, est une décision qui a été prise au niveau de l'Union européenne.
Enfin, la capacité infrastructurelle constitue un élément essentiel de cette gestion, notamment au regard de l'augmentation continue du nombre de passagers et de vols en provenance ou à destination de pays tiers à l'espace Schengen. À cet égard également, Brussels Airport Company, en sa qualité d'exploitant de l'aéroport, assume une responsabilité importante. Il s'agit notamment de l'aménagement de zones de contrôle aux frontières, du nombre de positions de contrôle disponibles, de la gestion des flux de passagers ainsi que de la capacité des zones d'arrivée et de départ.
Met andere woorden, een snelle grenscontrole is het resultaat van een samenspel tussen Europese regelgeving, politiecapaciteit, technische systemen en luchtvaartinfrastructuur. Alleen wanneer al die elementen op elkaar zijn afgestemd, kunnen de wachttijden duurzaam worden beperkt.
Dames en heren, sta mij toe te benadrukken dat die problematiek niet nieuw is. De voorbije jaren hebben we helaas vaker gezien dat de luchthaven tijdens drukke reisperiodes onder grote druk komt te staan. Dat is niet goed voor de reiziger, maar ook niet voor het imago van onze hoofdstad Brussel en ons land. Onze nationale luchthaven is het visitekaartje van ons land en een cruciale economische motor voor België en Brussel. Ongeveer 64.000 mensen werken in en rond de luchthaven, verspreid over honderden bedrijven. Dat maakt Brussels Airport tot een van de grootste werkgeverszones van het land.
Lors de mon entrée en fonction en février 2025, j'ai constaté que la police aéronautique de Bruxelles-National faisait face à un déficit de personnel de 21 %. C'est un défi connu, hérité du passé. C'est d'ailleurs tellement connu et tellement hérité du passé que, dans l'accord de gouvernement, les négociateurs ont pris la peine d'indiquer qu'il fallait renforcer quatre unités de la police fédérale, dont la LPA, ce qui indique quand même que ce problème n'est pas né, comme j'ai parfois l'impression de l'entendre, le 3 février 2025 à 9 h 02 du matin, quand j'ai prêté serment.
Parallèlement, d'autres difficultés structurelles existaient également: un nombre insuffisant d'équipements de contrôle aux frontières, tant pour les contrôles manuels que pour les contrôles automatisés, des espaces d'accueil et d'attente qui n'étaient plus adaptés aux flux actuels de passagers ainsi qu'un nombre insuffisant de membres du personnel de Brussels Airport Company chargés d'assurer l'encadrement des voyageurs sur le terrain. J'y reviendrai.
À cela s'ajoute l'augmentation du nombre de vols en provenance des pays tiers à l'espace Schengen, à savoir les vols intercontinentaux. À certains moments de la journée, des flux considérables de passagers convergent ainsi simultanément vers les contrôles aux frontières. Lorsque s'y ajoutent des retards de vol, des modifications de la programmation des vols ou une répartition difficile des voyageurs au sein de l'aéroport, la capacité maximale de traitement des infrastructures existantes est très rapidement atteinte.
Enfin, l'introduction du système européen Entry/Exit System a également des répercussions non négligeables. En raison des contrôles et des enregistrements supplémentaires qu'il impose dans sa mise en œuvre – je rappelle que tous les tiers Schengen doivent être complètement enregistrés une première fois dans le système avant de pouvoir bénéficier d'un contrôle automatisé –, cela rend actuellement les contrôles aux frontières plus complexes et nécessite davantage de temps.
Er was een vraag over de app op de telefoon. Iedereen moet de eerste keer naar de kiosken gaan. De registratie via de telefoon verloopt niet optimaal wat de kwaliteit van de foto van de vingerafdrukken betreft.
Er is dus geen eenduidige oorzaak voor de wachttijden. Het gaat om een samenloop van structurele capaciteitstekorten, operationele omstandigheden, infrastructuurbeperkingen en de impact van het nieuwe Europese controlesysteem.
Tegen die achtergrond heb ik onmiddellijk actie ondernomen om de beschikbare politiecapaciteit te versterken en de wachttijden zoveel mogelijk te beperken. De federale politie past haar personeelsinzet voortdurend aan op basis van de verkeersprognoses van Brussels Airport en de actuele passagiersstroom. Ik kom zo meteen terug op de concrete maatregelen die daarbij werden genomen.
Wat de capaciteit van de luchtvaartpolitie betreft heb ik zoals u weet in juni vorig jaar een zomerplan afgekondigd. Dat vertrok vanuit één duidelijk principe: alle beschikbare controleposten moesten maximaal worden bemand. Na september werd dat zomerdispositief niet stopgezet, maar omgezet in een permanente versterking op de luchthaven. Sindsdien worden de grenscontroles op Brussels Airport permanent versterkt met politieagenten uit andere diensten van de directie bestuurlijke politie, verspreid over het hele land.
In aanloop naar de zomervakantie van dit jaar heb ik midden juni beslist om die inspanningen verder op te voeren. Gedurende de volledige zomerperiode zullen alle beschikbare controleboxen op Brussels Airport operationeel zijn. Concreet gaat het om 8 operationele controleposities voor vertrekkende passagiers en 12 voor aankomende passagiers. Over enkele dagen zal Brussels Airport Company 2 bijkomende posities installeren, die tijdens de volledige zomerperiode zullen worden bemand, in het bijzonder op piekmomenten en zogenaamde rode dagen, wanneer duizenden reizigers zich gelijktijdig aanbieden in de vertrek- en aankomstzones.
Om die capaciteit te versterken wordt de luchtvaartpolitie ondersteund door personeelsleden van andere grensposten en door agenten van andere diensten van de federale politie, die op korte termijn de opleiding voor grenscontrole hebben gevolgd.
Cette capacité flexible est principalement mobilisée durant les périodes de forte affluence au départ et à l'arrivée.
Par ailleurs, grâce à un arrêt royal que j'ai adopté, un soutien supplémentaire a également été sollicité auprès de l'Agence européenne de garde-frontières et de garde-côtes (Frontex). Je l'ai signé: nous disposons d'un cadre de 20 personnes, il y en a déjà 16. Il faut dire que Frontex rencontre aussi des difficultés à recruter du personnel pour travailler dans ce système. La concurrence est forte, et Frontex est appelée en renfort dans de nombreux aéroports à travers l’Europe. Puisque cette parenthèse est ouverte, cela permet de rappeler qu’il faut aussi, à un moment donné, cesser l'autoflagellation belge. La situation à Zaventem est certes préoccupante et nous la prenons en main. Cependant, croire qu'à Schiphol, à Charles de Gaulle ou ailleurs, tout va bien et qu'on passe les contrôles en 10 minutes, il ne faut pas avoir beaucoup voyagé dans sa vie pour le penser.
Nous poursuivons évidemment également le renforcement structurel de la police aéronautique. Des formations sont en cours pour une soixantaine d'agents spécialisés qui seront mobilisables d'ici la fin de l'année. Il s'agit d'un rattrapage important visant à résorber un déficit historique de personnel au sein de la police aéronautique. Toutes ces mesures poursuivent un même objectif: limiter, dans le cadre de l'infrastructure offerte, au maximum les temps d'attente, assurer la continuité du service et garantir dans le même temps le niveau élevé de sécurité des contrôles aux frontières car la fluidité des contrôles ne peut jamais se faire au détriment de la sécurité. Ce gouvernement continuera à veiller strictement au contrôle des personnes qui entrent sur notre territoire.
We moeten het ook hebben over het EES.
Pour rappel, le marché public relatif à l'EES a été préparé et finalisé avant mon entrée en fonction. Comme cela, c'est clair.
Het EES is een nieuw Europees digitaal grenscontrolesysteem voor reizigers van buiten de Schengenzone die de Europese Unie binnenkomen of verlaten. Het systeem registreert onder meer de naam, de paspoortgegevens, de datum en plaats van binnenkomst en vertrek en biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en een gezichtsopname.
Het doel van het EES is duidelijk, namelijk illegaal verblijf beter opsporen, identiteitsfraude verminderen, de grenscontroles moderniseren en de veiligheid aan de buitengrenzen van de Schengenzone versterken. Het systeem geldt voornamelijk voor niet-EU-burgers die voor een kort verblijf naar de Schengenzone reizen. EU-burgers vallen hier normaal gezien niet onder.
Tegelijk moeten we erkennen dat de invoering van het EES een impact heeft op de werking van de luchthavens. De registratie en controle van biometrische gegevens vragen meer tijd dan het vroegere systeem met paspoortstempels. Zeker wanneer verschillende intercontinentale vluchten gelijktijdig aankomen, kan dat leiden tot langere en onaanvaardbare wachtrijen aan de grenscontrole.
C'est pourquoi, à l'instar d'autres États européens, la Belgique a informé la Commission européenne, le 30 mars dernier, qu'en raison de difficultés techniques et infrastructurelles, elle suspendait provisoirement l'enregistrement permanent de deux données biométriques, à savoir les empreintes digitales et l'image faciale, dans le cadre du système européen.
Depuis le 10 avril 2026, la Belgique satisfait toutefois à l'obligation européenne d'enregistrer 100 % des ressortissants des pays tiers concernés dans le système EES, mais à ce stade sans l'ensemble des données biométriques.
Je le répète, car c'est important: 100 % des personnes qui entrent sur le territoire sont enregistrées. En revanche, les données biométriques que sont les empreintes digitales et l'image faciale ne sont, pour le moment, pas collectées actuellement. Tant que les problèmes techniques liés à la prise des photos n'auront pas été résolus, cette situation perdurera.
Conformément au règlement EES, chaque suspension de l'enregistrement des données biométriques doit être notifiée à la Commission européenne. Cette notification doit intervenir dans les six heures suivant la suspension et restera obligatoire jusqu'au 6 septembre de cette année.
Une mesure complémentaire visant à réduire la pression sur les contrôles manuels aux frontières consiste à élargir le recours aux e-gates pour les voyageurs provenant de pays tiers considérés comme sûrs ou de confiance.
Dans le cadre de la collaboration menée avec ma collègue chargée de l'Asile et de la Migration, nous avons obtenu, en mars dernier, l'autorisation de mettre en œuvre une automatisation conditionnelle des contrôles concernant certains ressortissants de pays tiers, tant à l'entrée qu'à la sortie de l'espace Schengen.
Une telle mesure nécessitait en effet une autorisation préalable du département Asile et Migration, notamment en ce qui concerne les ressortissants de certains pays considérés comme sûrs.
L'Office des étrangers impose toutefois, à cette fin, un préenregistrement au moyen d'une borne ou d'un kiosque, avant d'orienter le voyageur, en fonction de son dossier, soit vers les e-gates, soit vers un contrôle policier manuel.
La mise en œuvre de ce processus nécessite des interventions techniques spécifiques, actuellement réalisées par des experts externes. Les intervenants appelés à gérer cette situation dans l'infrastructure actuelle de l'aéroport sont donc nombreux et nécessitent une coordination permanente entre intervenants publics et privés. Il ne revient évidemment pas aux services de police d'assurer cette coordination.
Je rappelle à cet égard que les services de police ne constituent qu'un maillon de la chaîne et demeurent tributaires d'équipements et d'infrastructures adaptés aux flux de passagers au sein de l'aéroport. Cela est d'autant plus important que Brussels Airport Company doit encore nous présenter un plan global relatif aux équipements et à la gestion des flux de passagers. Celui-ci devra notamment comprendre l'aménagement des halls d'accueil en amont des contrôles de sécurité et des contrôles aux frontières, l'ajout d'e-gates et de nouvelles positions de contrôle, ainsi qu'une meilleure organisation des flux de passagers.
Mijn ambitie is duidelijk. Passagiers moeten zo vlot mogelijk door de veiligheidscontrole kunnen gaan, zonder aan veiligheid in te boeten.
De vraag naar concrete wachttijden moet ook worden gesteld aan Brussels Airport Company, die verantwoordelijk is voor de infrastructuur en de organisatie op de luchthaven van Zaventem. Wanneer meerdere vluchten van buiten de Schengenzone op korte tijd in Brussel landen, moeten vaak meer dan 1.400 passagiers per uur worden gecontroleerd. Bij de huidige capaciteit van de controleposten kunnen dergelijke pieken niet worden opgevangen zonder dat de wachttijden aanzienlijk oplopen, soms zelfs tot meerdere uren. Dat is helaas geen uitzonderlijke situatie, maar een terugkerend probleem.
Er werd ook gevraagd of EES-reizigers in de toekomst gebruik zullen kunnen maken van de e-gates. Die toestemming wordt door Asiel en Migratie in twee fasen verleend. Aan de betrokken diensten werd meegedeeld dat het gebruik van de e-gates kon worden toegestaan voor alle derdelanders van buiten de Schengenzone bij hun vertrek uit Brussel en voor de acht nationaliteiten uit de zogenoemde veilige derde landen bij hun aankomst in Brussel.
Zoals ik al heb aangegeven, vergt dat wel de nodige technische voorzieningen en installaties. Sinds enkele weken lopen op Brussels Airport dagelijks testen om na te gaan of reizigers die onder het Entry/Exit System vallen, veilig en conform de Europese regelgeving gebruik kunnen maken van de e-gates. Daarbij moet eerst worden vastgesteld of een reiziger al over een geldige EES-registratie beschikt. Wanneer dat niet het geval is, blijft een manuele controle noodzakelijk om de reisgegevens te registreren. Ook wanneer onvolledige of dubbele registraties worden vastgesteld of wanneer gegevens moeten worden gecorrigeerd, is de tussenkomst van een grenscontroleur vereist.
De resultaten van de testen worden samen met de Dienst Vreemdelingenzaken en BAC geëvalueerd. Zodra kan worden gegarandeerd dat de EES-registratie betrouwbaar en foutloos verloopt, kan worden overwogen om deze categorie reizigers toegang te geven tot de e-gates.
Er waren ook enkele vragen over de zogenoemde crisismanager, die eigenlijk een projectmanager is. Om de wachttijden op Brussels Airport tijdens de zomer beheersbaar te houden en de verdere uitrol van het EES-systeem te begeleiden, werd onder de coördinatie van de eerste minister een coördinator-projectmanager aangesteld. Het gaat dus om een projectmanager en niet om een crisismanager.
De politieke verantwoordelijkheid voor deze coördinatie ligt bij de eerste minister. De projectmanager werkt ondersteunend en gecoördineerd, volgt het gezamenlijke actieplan op, brengt de betrokken partners – Brussels Airport Company, de federale politie, de Dienst Vreemdelingenzaken, de andere betrokken diensten en ook de private partners – samen en signaleert knelpunten die een politieke beslissing vereisen. Persoonlijk zie ik dat eerder als een soort audit. Ik weet niet of "audit" het gepaste woord is, maar het is een manier om iedereen rond de tafel te brengen, duidelijke en haalbare oplossingen uit te werken en iedereen ook een tijdlijn mee te geven.
Ik besluit.
In het hele verhaal komt de federale politie aan het einde van de keten als dienstverlener in een private omgeving. Ze voert de grenscontrole uit, maar bepaalt niet als enige de voorwaarden waaronder die controle moet gebeuren. De regels zijn nationaal en Europees. De migratieprocedures vallen onder de bevoegdheid van de minister van Asiel en Migratie. De verantwoordelijkheid voor de infrastructuur, de passagiersstromen en de vluchtplanning ligt dan weer in belangrijke mate bij Brussels Airport Company.
De wachttijden op Brussels Airport zijn geen nieuw probleem. Als voormalig diplomaat werd ik daar in het buitenland meer dan eens op aangesproken. Ze treffen niet alleen de reizigers en zakenlui, maar schaden ook het imago van België en Brussel als internationale en diplomatieke hoofdstad. Ik ben de eerste om mij daar zorgen over te maken.
Niemand hoeft mij te overtuigen van het belang van een goed functionerende nationale luchthaven. Ik laat mij de les evenwel niet spellen door degenen die jarenlang hebben mee bestuurd en die die problemen al die tijd hebben laten aanslepen. Ik ben het ook beu telkens opnieuw te moeten lezen of horen dat die problemen pas op 3 februari, bij de start van deze regering, zouden zijn ontstaan. Dat strookt eenvoudigweg niet met de feiten. Ik verwacht in het debat dan ook een minimum aan intellectuele eerlijkheid, om nog te zwijgen van politieke eerlijkheid.
Wat mijn verantwoordelijkheid betreft, doe ik er alles aan om de controlecapaciteit te versterken, de wachttijden te beperken en tegelijk de veiligheid aan onze grenzen te garanderen.
Le fait que le gouvernement flamand, en tant qu'actionnaire principal, prenne cette problématique au sérieux est une bonne chose. Mais il ne suffit pas de renvoyer la responsabilité vers le niveau fédéral. Celui qui siège à la table en tant qu'actionnaire principal doit également assumer sa part de responsabilité.
Brussels Airport Company a annoncé en mai de solides résultats pour 2025, et je suis le premier à m'en réjouir: plus de 800 millions d'euros de chiffres d'affaires et 41 millions d'euros de dividendes. C'est positif pour les actionnaires, mais, lorsqu'une entreprise peut présenter de tels résultats, elle doit également investir dans l'infrastructure de l'aéroport et dans la capacité nécessaire pour traiter les flux de passagers de manière fluide et sûre. Pour le redire clairement, chacun doit prendre ses responsabilités. Je ne voudrais pas qu'on me rétorque que nous ne prenons pas les nôtres.
Ik neem mijn verantwoordelijkheid op. We moeten de LPA inderdaad versterken en we doen dat nu tijdelijk met mensen die van andere plaatsen, zoals Luik en Antwerpen, en van andere diensten komen, zoals de SPC en de SPN. Die mensen zijn dus getraind om dit goed te doen. Ik heb collega’s horen zeggen dat dit niet zo moeilijk is, in een box staan, een paspoort bekijken en een stempel zetten, maar het is toch wat ingewikkelder dan dat.
Je crois que nous devons faire sérieusement ce travail. Nous devons contrôler nos frontières. Nous le faisons pour nous-mêmes, mais aussi pour les 28 autres États membres de l'espace Schengen. Je sais très bien que, si apparaît le moindre problème au contrôle de la frontière, et que quelqu'un qui ne devrait pas passer la franchit, c'est chez moi que vous viendrez – et à très juste titre. Donc, il faut le faire sérieusement. C'est la seule chose que je demande, avec un peu d'emphase, je le reconnais.
Laten we echter samenwerken binnen de federale regering, met de andere partners, de privépartners en ook de de Vlaamse regering, die de grootste aandeelhouder is, om inspanningen te leveren en om investeringen te verzekeren.
Je ne connais pas beaucoup d'aéroports du monde où, quand on parvient aux arrivées internationales, on débarque dans un couloir conduisant à une espèce d'accueil vertical plutôt qu'horizontal. Je suis allé en mission à New York, voici deux semaines, à JFK, qui n'est pas l'aéroport le plus agréable, le plus sympathique ni le mieux organisé du monde. Quand vous sortez, vous avez là une cinquantaine de boxes qui, entre nous, ne sont jamais remplis. Une cinquantaine de boxes! Rien que cela m'a pris plus de temps à sortir de JFK qu'à rentrer à Zaventem, d'ailleurs, au retour.
C'est l'appel que je lance ici. C'est un élément fondamental, et croyez bien que je ne prends pas les choses à la légère ni que je fuis mes responsabilités, mais il faut du temps pour accomplir ce travail. La formation des soixante personnes supplémentaire se terminera à la fin de cette année. J'ai donc bon espoir que, pour l'été prochain, nous avancions, mais il faut aussi disposer de plus de boxes. Il importe aussi que, structurellement, l'EES fonctionne. De plus, tout le monde doit faire preuve de la même souplesse de ce point de vue-là. Je pense que les ressortissants, des États-Unis, du Canada, du Japon, de la Corée du Sud, de Singapour, du Royaume-Uni, puissent passer par les e-gates, comme le font nos ressortissants européens.
Il faut tenir compte du fait que beaucoup plus de monde voyage en été, et c'est normal, que les familles avec des enfants de moins de douze ans doivent passer par les boxes où se trouvent des policiers. C'est normal et c'est important, parce que c'est une question de protection des enfants qui voyagent, et c'est un élément de lutte contre le rapt d'enfants. Je pense que nous sommes d'accord pour dire que c'est aussi essentiel. Je vous remercie.
01.10 Kjell Vander Elst (Anders.): Dank u, mijnheer de minister, voor uw zeer uitgebreide antwoord. U maakt zeker de juiste analyse en u zit niet stil. Dat wil ik graag erkennen.
Er is al heel wat gebeurd. Ik ben de eerste om te zeggen – ik heb dat daarnet ook gedaan en doe dat altijd – dat er geen wonderoplossing bestaat en dat het probleem niet nieuw is. Dat heb ik al meermaals herhaald. Ik besef zeer goed dat u deze problematiek geërfd hebt. Verwijzen naar het verleden is bij sommigen heel populair, maar het is een feit dat heel wat partijen boter op het hoofd hebben, ook mijn partij. Dat wil ik gerust toegeven. We hebben heel lang in de regering gezeten, net als de MR en cd&v. We moeten allemaal een deel van de verantwoordelijkheid dragen voor die problemen, voor de tekorten die er vandaag nog altijd zijn en voor de oplopende wachttijden. Het is wel een feit dat de wachttijden steeds langer worden. Ze zijn langer dan enkele jaren geleden en het probleem blijft bestaan. We moeten dus actie ondernemen.
Ik heb een aantal zaken genoteerd, mijnheer de minister, die zeer goed zijn en goed klinken. U hebt verwezen naar het infrastructuurprobleem. Dat aspect mogen we inderdaad niet vergeten. Ik heb gehoord dat Brussels Airport Company op korte termijn voor twee extra boxen zal zorgen. Dat is volgens mij een zeer goede zaak.
Wat de e-gates betreft, heb ik gehoord dat er heel wat tests lopen en dat de technische voorzieningen uiteraard op punt moeten staan vooraleer we het Entry/Exit System en de verzameling van biometrische gegevens opnieuw uitrollen. Ik heb ook gehoord dat een uitbreiding van die e-gates naar onderdanen van derde landen mogelijk is. Zodra de technische specificaties en voorzieningen kloppen en alles werkt, is dat volgens mij een zeer goede zaak.
Dat zal ervoor zorgen dat de druk op de fysieke grenscontrole deels wordt weggenomen. Er bestaat immers nog altijd een fysieke grenscontrole. De controle gebeurt niet alleen via de e-gate, er is nog steeds die extra toets van de fysieke controle. De bottleneck of de onderbenutting en de druk op bepaalde locaties zullen gedeeltelijk worden weggenomen door een beter gebruik van de e-gates. Het is positief dat de projectmanager - niet de crisismanager, heb ik vandaag geleerd - een audit zal uitvoeren of alleszins goed zal bekijken wat er momenteel mogelijk is, waar het fout loopt en waar eventueel nog winst te boeken valt de komende jaren. Dat is een goede maatregel, al vond ik het raar dat dat de enige maatregel is genomen door het Overlegcomité. U hebt ook aangegeven dat het zomerplan van vorig jaar eigenlijk niet is afgebouwd. Dat is op zich ook een goede zaak.
Wat heb ik nog genoteerd? De 60 extra agenten bij de luchtvaartpolitie die u al hebt aangekondigd. U zult er alles aan doen om tegen het einde van het jaar die capaciteit volledig in te vullen. Ook dat vind ik een goede zaak. Mijnheer de minister, die zaken zullen we zeker opvolgen. Het is geen thema of onderwerp om politieke spelletjes over te spelen tussen meerderheid en oppositie. Ik ben de eerste om te zeggen dat de luchthaven van Zaventem en de grenscontroles de toegangspoort tot ons land en tot Europa vormen. Alles moet daar vlot en toegankelijk verlopen, zonder uiteraard aan veiligheid in te boeten. Dat is geen eenvoudige opdracht. Ik heb al vaak gezegd dat er geen wonderoplossing bestaat en dat het probleem niet nieuw is. Mocht het een nieuw probleem zijn en mochten er wonderoplossingen bestaan, dan was het al opgelost. Dat besef ik zeer goed. We moeten over dat thema over de grenzen van meerderheid en oppositie heen aan hetzelfde zeel trekken. Ik heb dan ook een aantal suggesties in een motie opgenomen, mijnheer de minister. Dat zijn suggesties die u voor een stuk al ter harte neemt. Ik heb er evenwel nog een aantal aan toegevoegd.
We moeten bijvoorbeeld ook eens nadenken over wat er wettelijk en juridisch mogelijk is om de politiediensten te ontlasten door eventueel voor een aantal zaken naar private bewaking te kijken. Er wordt al samengewerkt met personeel van Brussels Airport, maar ik denk dat het een goede zaak zou zijn als we een aantal taken door private bewakingsagenten zouden kunnen laten uitvoeren, los van bepaalde concrete taken. U hebt gelijkt wanneer u zegt dat een grenscontrole doen niet zo eenvoudig is. Dat blijft een politietaak, maar er zijn andere taken daarrond waarvoor dat eventueel wel zou kunnen.
Een van de zaken die in mijn motie staan, is de vraag om te onderzoeken wat er mogelijk is, zodat de politie de handen vrij zou hebben om effectief grenscontroles te doen. We willen allemaal hetzelfde en dat is dat die grenscontroles vlot verlopen en dat de eerste kennismaking van de reiziger met ons land vlotter en efficiënter verloopt dan vandaag het geval is.
Mijnheer de voorzitter, ik geef u hierbij de motie van aanbeveling.
01.11 Ortwin Depoortere (VB): Mijnheer de minister, ook ik wil u danken voor uw antwoord. Het was inderdaad zeer uitgebreid, maar ook pertinent.
Ik wil eraan toevoegen dat geen enkele partij – althans voor zover ik vandaag heb kunnen vaststellen – de intentie heeft gehad om alle fouten uitsluitend bij u te leggen. Integendeel, ik heb zelf een lange opsomming gegeven van alle ministers en instanties die een deel van de verantwoordelijkheid dragen. U hebt daar ook zelf naar verwezen.
Er zijn een aantal technische problemen die niet in onze handen liggen, zoals die met het EES-systeem, een Europees systeem waarvan iedereen hoopt dat het zo snel mogelijk in orde zal komen. Ook de problemen met de e-gates moeten in dat licht worden bekeken.
Mijnheer de minister, u moet echter goed beseffen – ik denk dat we dat allemaal doen – hoe het debat hier in het Parlement overkomt bij de reiziger. Die ziet een aantal ministers die bijna kibbelend over de straat rollen over de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is en die vooral de schuld naar elkaar doorschuiven. Dat is niet de manier waarop de reiziger moet worden behandeld.
Integendeel, iedereen moet – u hebt daar gelijk in – zijn verantwoordelijkheid opnemen. Er is een mooi Nederlands spreekwoord: als ieder voor zijn eigen deur veegt, is de straat schoon. Ik veronderstel dat dat ook in Franstalig België gangbaar is. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid dus nemen.
Ik stel me wel de vraag wat het overleg met de Vlaamse regering, die hoofdaandeelhouder is van de luchthaveninfrastructuur, uiteindelijk heeft opgeleverd. Als het enige resultaat daarvan de aanstelling van een projectmanager is, terwijl u zelf zegt dat die in feite een audit zal uitvoeren en op langere termijn zal bekijken welke problemen er zijn en welke structurele oplossingen mogelijk zijn, dan vind ik dat onvoldoende. Die problemen kennen we intussen immers al.
Dat noem ik une solution à la belge. Wat de reiziger nodig heeft, zijn oplossingen op korte termijn. Uiteraard moeten er daarnaast ook structurele oplossingen komen, maar alleen een projectmanager aanstellen onder de auspiciën van de eerste minister en daarvan veel soelaas verwachten, overtuigt mij niet.
Ik heb al te vaak meegemaakt dat dergelijke zaken een stille dood sterven.
Ik wil nog één ding zeggen over de LPA. Ik heb niet gezegd dat u daar niets aan doet. Integendeel, ik heb al gezegd – en u hebt er zelf ook naar verwezen – dat er gewoon te weinig middelen voor zijn. Er zijn onvoldoende middelen en dat is spijtig genoeg tijdens de regeringsonderhandelingen zo afgesproken. Er zijn daar te weinig middelen naar de federale politie gegaan. U moet hier een tekort van 20 % bij de LPA opvangen binnen het personeelskader van de federale politie. U doet dat bewonderenswaardig genoeg naar vermogen eigenlijk nog redelijk goed, maar dat kan uiteraard geen structurele oplossing zijn. Er moeten meer middelen worden voorzien vooraleer dit grondig kan worden aangepakt.
In navolging van mijnheer Vander Elst heb ik ook een motie van aanbeveling ingediend met een aantal aanbevelingen om vooral de LPA te versterken, niet alleen op korte termijn, maar zeker ook structureel.
De voorzitter: De heer De Smet is niet meer aanwezig.
01.12 Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, de projectmanager zal volgens mij ook als taak hebben om een aantal zaken te objectiveren. U zegt vandaag dat die boxen voor 100°% vol zitten zijn, terwijl we van andere kanten het tegenovergestelde horen. Dat valt onder uw bevoegdheid en het is dan ook niet vreemd dat we bij u terechtkomen om te vragen om ervoor te zorgen dat die boxen voor 100°% vol zitten.
Daarnaast moet ook nog naar andere zaken worden gekeken. Is een spreiding van de vluchten al dan niet mogelijk? Wat kan BAC verder doen? Minister Van Bossuyt heeft binnen haar bevoegdheden ook al maatregelen genomen om het systeem van de gates open te stellen voor een aantal veilige landen. Ik denk dat we daarin ook niet te ver mogen gaan. Daarover ben ik het met u en met minister Van Bossuyt eens. Het blijft zeer belangrijk dat de veiligheid en de grenscontroles op een degelijke manier gebeuren. Men kan niet zomaar eender wie aan die boxen zetten.
Ik had u gevraagd of u de piste van de inzet van politioneel burgerpersoneel wilde bekijken. Ik denk dat Zweden dat ondertussen doet. U zegt dat er tegen het einde van het jaar 60 extra personeelsleden bijkomen. Frontex levert nu 16 in plaats van 20 personeelsleden. Het blijft mogelijk dat we in de toekomst snel nood zullen hebben aan mensen met de nodige kwalificaties om die controles op een degelijke manier uit te voeren, uiteraard altijd onder het gezag van een politie-inspecteur die aan de box alle bevoegdheden heeft. Mijn vraag was of u die piste, die in andere lidstaten van de Europese Unie bestaat, wilt bekijken.
Ik zie u knikken. Mag ik daaruit begrijpen dat u die piste zult bekijken? Ja, de minister zal die piste bekijken. Bedankt daarvoor. Veel succes dus, om de problemen op onze luchthaven op te lossen, met een groot hart natuurlijk.
01.13 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Ik denk dat niemand hier in de commissie heeft gezegd dat die problemen vorig jaar of iets meer dan een jaar geleden zijn ontstaan, nadat u de eed hebt afgelegd. Die problemen bestaan jammer genoeg al veel langer. Het is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid om ze op te lossen. We zitten hier evenwel in de commissie om uw bevoegdheden als minister te bespreken en het is dan ook logisch dat we u vragen stellen. Die gaan onder meer over de onderbemanning van de luchtvaartpolitie, die moet worden aangepakt.
U hebt in dat kader ook een standplaatspremie aangekondigd voor deze zomer. Daarover staat verder op de agenda nog een vraag van mij. Die premie zou ook voor BruNat gelden en kan een extra aantrekkingsfactor zijn. Het zou goed zijn als die maatregel zo snel mogelijk wordt genomen.
Daarnaast gaat het natuurlijk ook over de e-gates. Iedereen vraagt terecht dat er meer worden geïnstalleerd, en dat gebeurt ook. De technische uitvoering ervan en het programma waarop ze draaien, vallen echter onder de verantwoordelijkheid van de federale politie. Als zich daar nog problemen voordoen, vragen wij om die op te lossen en ervoor te zorgen dat de e-gates zo efficiënt mogelijk werken. Alleen dan heeft het zin om er zoveel mogelijk bij te plaatsen om de doorstroming te versnellen. Dat moet dus uiteraard gebeuren.
Met één punt ga ik helemaal niet akkoord. We mogen de luchthaven niet vragen om haar vluchtschema's anders te organiseren. Als we dat doen, verliezen we verbindingen voor vele jaren. Luchthavens in Afrika, Duitsland of andere delen van de wereld zullen hun organisatie echt niet aanpassen omdat het in België niet lukt om de controles te organiseren.
Door die problemen hebben we al verbindingen met de westkust van de Verenigde Staten misgelopen, met economische schade voor ons land tot gevolg. De oplossing moet erin bestaan dat we de problemen op een efficiënte manier verhelpen, maar niet dat we de luchthaven opleggen om luchtverbindingen op andere uren in te leggen.
01.14 Catherine Delcourt (MR): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Il y a évidemment des héritages auxquels on voudrait pouvoir renoncer. Ce n'est évidemment pas ce que vous avez fait. Je retiens plusieurs éléments de votre réponse extrêmement circonstanciée. Vous avez pris le temps de redonner tous les éléments de contexte, et c'était vraiment très important. Nous sommes face à une réforme européenne d'ampleur avec l'EES. Le calendrier et les contraintes imposés à la Belgique entraînent certaines tensions. Mais celles-ci se retrouvent dans de nombreux aéroports européens, ainsi que dans d'autres régions du monde. Le gouvernement, et singulièrement vous, ne s'est pas contenté de gérer l'urgence au jour le jour. Vous avez pris des mesures qui combinent à la fois des renforts opérationnels immédiats – il y a objectivement davantage de personnes pour traiter l'afflux – et un travail de fond sur les capacités ainsi que sur l'automatisation.
Je retiens aussi que vous ne travaillez pas seul. Vous êtes en coordination avec vos collègues du gouvernement et avec d'autres niveaux de pouvoir. Je pense que cette coordination, cette coopération, sera la clé du succès. Si nous voulons y parvenir, il faut travailler ensemble, chacun dans le cadre de ses responsabilités, mais ensemble. Je pense que ce chemin d'équilibriste que vous avez emprunté est essentiel. Il n'aurait pas été acceptable de raccourcir les files en allégeant les contrôles, car la sécurité de nos frontières extérieures n'est absolument pas une variable d'ajustement.
De voorzitter: Zijn er collega's die wensen aan te sluiten in de replieken? (Nee)
Motions
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.
En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.
Een eerste motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Kjell Vander Elst en luidt als volgt:
"De
Kamer,
gehoord
de interpellaties van de heren Kjell Vander Elst en Ortwin Depoortere
en het
antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met
Beliris,
- gelet op de negatieve impact van deze wachtrijen op reizigers, luchtvaartmaatschappijen, de werking van Brussels Airport en het internationale imago van België;
- gelet op de bijzondere druk tijdens de zomerpiek, waarin de reizigersstromen verder toenemen;
- gelet op de structureel onvolledige bezetting van de grensposities door de federale politie;
- gelet op de bijkomende druk die voortvloeit uit de gefaseerde invoering van het Europese Entry/Exit System;
- overwegende dat de beschikbare infrastructuur maximaal moet worden benut;
- overwegende dat e-gates geen afbouw van grenscontrole betekenen, maar een efficiëntere organisatie van de eerstelijnscontrole;
- overwegende dat de schaarse capaciteit van de federale politie prioritair moet worden ingezet voor taken die effectief politionele beoordeling, toezicht en tussenkomst vereisen;
vraagt de regering en in het bijzonder de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris
- op korte termijn een operationeel zomerplan uit te werken voor Brussels Airport, met voldoende personeelsinzet tijdens de piekmomenten;
- het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie op Brussels Airport structureel aan te vullen;
- alle grensposities op Brussels Airport tijdens de zomerpiek maximaal te bemannen;
- de beschikbare e-gates maximaal operationeel in te zetten voor alle reizigerscategorieën waarvoor dat veilig en juridisch mogelijk is;
- het gebruik van e-gates uit te breiden naar reizigers uit laag-risico derde landen, naar het voorbeeld van andere Europese luchthavens;
- te onderzoeken welke taken bij de grenscontrole, binnen de grenzen van het Europese en nationale recht, kunnen worden toevertrouwd aan erkende private bewakingsondernemingen, zodat federale politiecapaciteit vrijkomt voor de eigenlijke grenscontrole en veiligheidsbeoordeling."
Une première motion de recommandation a été déposée par M. Kjell Vander Elst et est libellée comme suit:
"La Chambre,
ayant entendu les interpellations de MM. Kjell Vander Elst et Ortwin
Depoortere
et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,
- compte tenu des problèmes persistants liés aux longues files d'attente aux contrôles frontaliers à Brussels Airport, en particulier pour les voyageurs provenant de pays non membres de l'Union européenne;
- compte tenu de l'incidence négative de ces files d'attente sur les voyageurs, les compagnies aériennes, le fonctionnement de Brussels Airport et l'image internationale de la Belgique;
- compte tenu de l'affluence particulièrement élevée pendant le pic estival, durant lequel les flux de voyageurs augmentent encore;
- compte tenu de la sous-occupation structurelle des postes-frontières par la police fédérale;
- compte tenu de la pression supplémentaire résultant du déploiement progressif du système européen d'entrée/sortie;
- considérant que les infrastructures disponibles doivent être exploitées au maximum;
- considérant que l'utilisation des portiques électroniques (e-gates) ne vise pas à supprimer progressivement les contrôles frontaliers, mais à organiser plus efficacement les contrôles de première ligne;
- considérant que la capacité limitée de la police fédérale doit être affectée prioritairement aux missions qui nécessitent effectivement une évaluation, une surveillance et une intervention policières;
demande au gouvernement, et en particulier au ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris
- d'élaborer à brève échéance un plan d'été opérationnel pour Brussels Airport, prévoyant des effectifs suffisants pendant les pics d'affluence;
- de combler structurellement la pénurie de personnel au sein de la police aéroportuaire à Brussels Airport;
- de garantir une occupation maximale des postes-frontières à Brussels Airport pendant le pic estival;
- d'utiliser autant que possible les portiques électroniques disponibles pour toutes les catégories de voyageurs pour lesquelles cette utilisation est sûre et juridiquement possible;
- d'étendre l'utilisation des portiques électroniques aux voyageurs en provenance de pays tiers à faible risque, à l'instar d'autres aéroports européens;
- d'examiner quelles tâches liées aux contrôles frontaliers peuvent, dans les limites du droit européen et national, être confiées à des entreprises de gardiennage privées, afin de libérer de la capacité de la police fédérale pour les contrôles frontaliers proprement dits et l'évaluation de la sécurité."
Een tweede motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt:
"De
Kamer,
gehoord
de interpellaties van de heren Kjell Vander Elst en Ortwin Depoortere
en het
antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met
Beliris,
- overwegende dat de luchthaven van Zaventem de hoofdtoegangspoort tot dit land is en een uithangbord is voor dit land;
- overwegende dat de problematiek met de luchtvaartpolitie reeds vele jaren aansleept, waarbij waarschuwingen en oproepen hieromtrent geen gevolg kenden;
- overwegende dat dit land historisch een disproportionele dreiging kent en reeds dodelijke gevolgen van terreurdaden moest ondervinden op onze luchthaven;
vraagt de regering
- onmiddellijk het volledig personeelskader van de luchtvaartpolitie (LPA) in te vullen;
- de nodige extra middelen vrij te maken om de uitbreiding van de LPA mogelijk te maken;
- een concreet hervormingstraject voor de werking van de LPA op te starten in overleg met alle belanghebbenden;
- in samenwerking met de Vlaamse Regering alle noden op de luchthaven van Zaventem met betrekking tot infrastructuur en personeel te behartigen;
- beleid af te stemmen met de minister van Mobiliteit teneinde de vlotte uitvoering te garanderen;
- de veiligheid aan de grenzen ten allen tijde te garanderen."
Une deuxième motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit:
"La Chambre,
ayant entendu les interpellations de MM. Kjell Vander Elst et Ortwin
Depoortere
et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,
- considérant que l'aéroport de Zaventem est la principale porte d'accès à ce pays et est une vitrine de celui-ci;
- considérant que les problèmes que connaît la police aéronautique (LPA) perdurent depuis de longues années alors que les mises en garde et les appels lancés à ce sujet demeurent sans suite;
- considérant que ce pays connaît historiquement une menace disproportionnée et que des actes de terrorisme aux conséquences mortelles ont déjà été commis à l'aéroport;
demande au gouvernement
- de pourvoir immédiatement l'ensemble du cadre du personnel de la police aéronautique (LPA);
- de libérer les moyens supplémentaires nécessaires pour permettre l'extension de la LPA;
- de lancer, en concertation avec toutes les parties prenantes, une trajectoire de réforme concrète du fonctionnement de la LPA;
- de gérer en coopération avec le gouvernement flamand tous les besoins en matière d'infrastructure et de personnel à l'aéroport de Zaventem;
- d'harmoniser la stratégie avec le ministre de la Mobilité afin d'en garantir la bonne exécution;
- de garantir à tout moment la sécurité aux frontières."
Een eenvoudige motie werd ingediend door de mevrouw Catherine Delcourt.
Une
motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt.
01.15 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, je demande l'urgence pour le vote sur la motion pure et simple.
De voorzitter: Aangezien de urgentie
voor de eenvoudige motie werd gevraagd, stel ik voor dat de Kamer zich straks
over deze moties uitspreekt. (art. 140, nr. 6, tweede lid, Rgt.)
Étant donné que l'urgence de la motion pure et
simple a été demandée, je propose que la Chambre se prononce sur ces motions
tout à l'heure. (art. 140, n° 6,
deuxième alinéa, Rgt.)
Geen bezwaar? (Nee)
Aldus zal geschieden.
Pas d'observation? (Non)
Il en sera ainsi.
De bespreking is gesloten.
La discussion est close.
De voorzitter: De heer Demon laat zich verontschuldigen.
02.01 Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, we konden de recentste versie van het jaarlijks rapport van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad consulteren. Dat rapport van 2025 over de niet-toepassing van de taalwetgeving door de Brusselse plaatselijke besturen is zoals elk jaar ontluisterend.
Het is een pijnlijk jaarlijks rappel over hoe het gesteld is met de tweetaligheid van de ambtenaren in Brussel. Het is bijzonder duidelijk dat voor de Franstalige politieke partijen de taalwetten in Brussel van geen enkele betekenis zijn als het gaat over de kennis van het Nederlands. Uit dat rapport blijkt dat de vicegouverneur vorig jaar 3.199 dossiers van benoemingen en bevorderingen door de Brusselse gemeenten en OCMW heeft behandeld en dat daarvan slechts 483, nauwelijks 15,1 %, in orde was met de taalwetgeving. Dat wil zeggen dat de betrokken ambtenaren slechts in 15,1 % van de gevallen tweetalig waren, zoals de wet dat voorschrijft.
Als men de vorige rapporten bekijkt, dan denkt men dat het niet slechter meer kan, maar toch is dat wel het geval. Het is opnieuw een achteruitgang ten opzichte van de voorgaande jaren. Het is jaar na jaar een triest dieptepunt. Elk jaar moet ik concluderen dat enkel de Vlamingen het slachtoffer zijn van dat Brussels taalincivisme.
Ik geef enkele cijfers. Van de 3.199 aangeworven personeelsleden kan 96,4 % zich in het Frans uitdrukken, namelijk de Franstaligen en de tweetalige Vlamingen. Slechts 20,2 % kan zich in het Nederlands uitdrukken, namelijk de Vlamingen en de tweetalige Franstaligen.
Mijnheer de minister, om helemaal aan te tonen hoe erg de cijfers zijn, geef ik nog mee dat slechts in één gemeente, namelijk Schaarbeek, meer dan een derde van de dossiers in orde is met de taalvoorschriften. Een paar gemeenten hangen rond de 20 %. Molenbeek haalt slechts 3 %, Jette 2 % en in Sint-Joost-ten-Node is geen enkel dossier in orde. Sint-Lambrechts-Woluwe, de gemeente van onze voormalige collega en nu burgemeester, Olivier Maingain, weigert zelfs om de gevraagde informatie door te sturen.
Nog erger is het gesteld met de wettelijk verplichte taalkundige pariteit op leidinggevend niveau. Slechts in één gemeente van alle Brusselse gemeenten wordt die pariteit gerespecteerd. In elf gemeenten is 75 % Franstalig en in vijf OCMW's is er op het hogere niveau zelfs geen enkele Nederlandstalige te bespeuren.
Bij de lagere kaders is dat verhaal hetzelfde. Wij stellen daarbij het volgende vast. In principe zou 25 % van de lagere betrekkingen naar elke taalgroep moeten gaan. In 2025 blijkt uit het rapport van de gouverneur dat slechts 6,6 % van die jobs naar Vlamingen is gegaan.
Ook hier moet ik zoals elk jaar opnieuw vaststellen dat er ook in 2025 sprake is van een grootschalige banendiefstal ten nadele van de Vlamingen.
Heel wat ministers van Binnenlandse Zaken aan wie ik jaarlijks op basis van dat rapport appelleer, verschuilen zich telkens achter de Brusselse regering en achter de collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het is juist dat het probleem zich op die niveaus situeert. Zij zullen het probleem evenwel na decennia niet oplossen. De vernietiging van die onwettige benoemingen behoort momenteel tot de bevoegdheid van de Brusselse regering en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Die vernietigingen zijn wettelijk verplicht, maar door die besturen wordt geen enkele onwettige benoeming vernietigd. De Raad van State heeft nochtans herhaaldelijk gesteld dat die vernietigingsbevoegdheid niet facultatief, maar verplicht is.
Mijnheer de minister, ik kan het niet anders noemen dan grootschalig incivisme van de bevoegde minister van de Brusselse regering en van de bevoegde collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, die aan de basis liggen van de schandelijke toestand. Daar moet iets aan worden gedaan. U kunt daar als minister van Binnenlandse Zaken zelf iets aan doen. Toen ik u vorig jaar met de cijfers van de vicegouverneur confronteerde, zei u dat u de Brusselse regering daarover zou vatten, maar die Brusselse regering was toen nog niet gevormd. Ondertussen is die er wel, maar geloof mij vrij, zelfs als er een Brusselse regering is, krijg ik elk jaar van de minister van Binnenlandse Zaken hetzelfde antwoord, namelijk dat hij de Brusselse regering daarover zal vatten. In de praktijk gebeurt daar echter helemaal niets mee.
Het is aan u om in te grijpen. U hoeft zich evenmin te verschuilen achter de stelling dat daarvoor eerst wetten moeten worden gewijzigd. Dat is een mogelijkheid. Het Vlaams Belang heeft hier al voorstellen ingediend om de vernietigingsbevoegdheid bij de vicegouverneur te leggen. Dat doe ik al vijf legislaturen. Ik heb één keer, toen minister De Crem nog minister van Binnenlandse Zaken was, voor het voorstel een positief advies van de minister gekregen.
Dat voorstel is echter ook deze legislatuur, zoals alle vorige legislaturen, door u allen, die zegt zeer bekommerd te zijn om de taalwetgeving – niet waar, collega Bergers? – telkens weggestemd.
U kunt, mijnheer de minister, zelfs ingrijpen zonder de wet te wijzigen. U kunt een bijzonder administratief toezicht in het leven roepen, onder meer door die vernietigingsbevoegdheid aan de vicegouverneur zelf te geven. De Raad van State heeft eerder ook al geoordeeld dat dat perfect mogelijk is.
U hebt op mijn vragen van het voorbije jaar al herhaaldelijk te kennen gegeven dat u bijzonder veel belang hecht aan een correcte toepassing van de taalwetgeving. Ook dat hoor ik steeds van uw voorgangers. Als u dat meent, mijnheer de minister, dan mag het niet bij woorden blijven. Dan moeten er, in het licht van de bevindingen van de vicegouverneur in zijn jaarverslag 2025, ook daden volgen om de Brusselse plaatselijke besturen de taalwetgeving effectief te doen naleven. Vandaar mijn vragen aan u, mijnheer de minister.
Hoe evalueert u het jaarverslag van de vicegouverneur?
Waar legt u de verantwoordelijkheid voor de massale niet-toepassing van de taalwetgeving? Waar legt u de verantwoordelijkheid voor het falen van de handhaving van die taalwetgeving? Dat is namelijk een bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.
Neemt u maatregelen om de uitvoering van dat handhavingsbeleid te wijzigen, zodat een bestaande wet – een wet van openbare orde, nota bene – correct wordt nageleefd?
Zult u desgevallend nog andere maatregelen nemen?
Ik ben zeer benieuwd naar uw antwoord.
02.02 Minister Bernard Quintin: Mevrouw Pas, de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad heeft mij begin juni zijn jaarverslag over 2025 bezorgd, nog vóór de publicatie ervan op 10 juni. Het jaarverslag geeft een overzicht van wat de vicegouverneur heeft vastgesteld bij de uitoefening van zijn toezicht op de naleving van de bestuurstaalwetgeving in de Brusselse lokale besturen. In het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad is een correct tweetalige dienstverlening niet alleen een wettelijke vereiste, maar ook een integraal onderdeel van een kwaliteitsvolle dienstverlening aan de bevolking. Ik neem aan dat we dat allemaal belangrijk vinden.
Het jaarverslag over 2025 ligt in het verlengde van de voorgaande jaren. Wie het volledige verslag leest, inclusief de gedetailleerde analyse van de cijfergegevens en de conclusies van de vicegouverneur, stelt vast dat die zeer consistent zijn met die van het vorige jaarverslag. De conclusies aan het einde van het jaarverslag zijn, net als vorig jaar, genuanceerd. Ze wijzen op de grote verschillen tussen de lokale overheden onderling en tussen de verschillende personeelsstatuten. Ze benadrukken ook het belang dat alle overheden, elk binnen hun eigen bevoegdheden, hun verantwoordelijkheid opnemen om de tweetalige dienstverlening in Brussel te verbeteren.
De verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het personeelsbeleid van de lokale besturen ligt uiteraard bij die lokale besturen zelf. De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de bestuurstaalwetgeving in het personeelsbeleid van de lokale besturen en de vernietigingsbevoegdheid ter zake liggen bij de gewestelijke overheid. De verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het onderwijs, dat ervoor moet zorgen dat voldoende mensen beide bestuurstalen beheersen, liggen bij de gemeenschappen. De verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor de bestuurstaalwetgeving zelf ligt bij de federale overheid, in casu bij mij.
De oplossing voor de problematiek van de toepassing van de bestuurstaalwetgeving ligt niet in het isoleren van één element, namelijk de vernietiging van de bevoegdheid en het verschuiven van de verantwoordelijkheid, maar wel in een globale aanpak waarin elke overheid haar eigen verantwoordelijkheid neemt voor het scheppen van alle voorwaarden die moeten worden vervuld om de tweetaligheid in de Brusselse lokale besturen optimaal te verzekeren.
Voor de volledigheid wil ik hieraan toevoegen dat mijn medewerker, die met dit dossier is belast, onlangs een ontmoeting heeft gehad met de medewerksters van het kabinet van de minister-president van het Brusselse Gewest, die belast zijn met het opstellen van het ontwerp van het masterplan Tweetaligheid, zoals vastgelegd in het regeerakkoord van het Brusselse Gewest, om de stand van zaken met betrekking tot dit dossier te bespreken. Ik nodig u dan ook uit om contact op te nemen met het kabinet van de minister-president, alsook met de minister van Lokale Besturen en Ambtenarenzaken, die bevoegd zijn voor deze aangelegenheden, om alle informatie te verkrijgen die u wenst over de maatregelen die zij op dit gebied overwegen te nemen om de wetgeving inzake het taalgebruik in administratieve aangelegenheden zo goed mogelijk na te leven.
We zijn overeengekomen om regelmatig de stand van zaken te bespreken, zodra dit ontwerp van het masterplan verder gevorderd is.
02.03 Barbara Pas (VB): Mijnheer de minister, u zegt dat het geen oplossing is om de vernietigingsbevoegdheid te verschuiven naar de vicegouverneur. Daarin verschilt u van verschillende voorgangers die wel nog zeiden dat dit een oplossing zou bieden, maar die dit ook nooit hebben gedaan. U vindt echter dat dit zelfs geen oplossing biedt, terwijl de vicegouverneur daar zelf om vraagt. Hij smeekt er bijna om. Uw voorgangers daarentegen hebben hierover een positief advies gegeven voor wetsvoorstellen inzake deze kwestie, omdat zulks wel degelijk een oplossing biedt.
Ik ga mij niet richten tot het kabinet van de Brusselse regering. We hebben Brusselse parlementsleden die – net zoals ik in dit Huis de bevoegde minister ondervraag – dat ook op de voet volgen en de Brusselse bevoegde ministers daar ook met de regelmaat van de klok over bevragen. Maar dat is een beetje zoals de N-VA hier omgaat met communautaire zaken. Men zegt dat men daar zeer over bekommerd is, maar men doet er niks aan. Die Brusselse besturen doen daar niks aan, ook al hebben ze die bevoegdheid. U hebt nog eens een mooi overzicht gegeven van wie waarvoor bevoegd is. Dat weet ik. Maar als ze niet doen waarvoor ze bevoegd zijn, dan is het aan u om in te grijpen. Dan is het aan u om die bevoegdheden daar weg te halen en ervoor te zorgen dat een bestaande wet van openbare orde wordt nageleefd. Ik vraag me af hoe de volgende rapporten van de vicegouverneur er gaan uitzien. Elk jaar opnieuw denk ik dat het niet meer slechter kan, dat de cijfers niet meer dramatischer kunnen zijn en toch is er altijd opnieuw een achteruitgang.
Mijnheer de minister, u hebt daarnet in uw antwoord in het vorige debat gezegd dat u het beu bent dat u verantwoordelijk wordt geacht voor zaken uit het verleden. Dit is ook geen nieuw probleem, maar ik ben het beu om al 19 jaar lang van elke minister van Binnenlandse Zaken – van minister Jambon, minister Verlinden of u – te horen dat er niets kan aan worden gedaan, terwijl dat wel het geval is. Ondertussen hebben we jaar na jaar meer dramatische cijfers en gaat er van de kwaliteit van de dienstverlening, waarvan u zegt dat u daarover bekommerd bent, en van de wettelijke vereisten, zoals u het zelf noemt, helemaal niets meer overblijven.
Mijnheer de minister, ik denk dat u meer dan nood hebt aan een motie van aanbeveling. Ik heb die klaargemaakt voor een aantal zaken die mijns inziens dringend moeten gebeuren vooraleer de reeds dramatische situatie helemaal hopeloos is. Ik ga de motie aan de voorzitter bezorgen en ik ben zeer benieuwd naar het stemgedrag van de collega's daaromtrent morgen.
Motions
De voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.
En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.
Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Barbara Pas en luidt als volgt:
"De
Kamer,
gehoord
de interpellatie van mevrouw Barbara Pas
en het
antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met
Beliris,
- gelet op artikel 129 van de Grondwet en de residuaire bevoegdheid van de federale overheid op het vlak van de taalwetgeving in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
- gelet op de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, meer bepaald artikel 21;
- gelet op de omzendbrief van 16 december 2019 aan de Brusselse burgemeesters betreffende de naleving van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht verstuurd op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken;
- gelet op de omzendbrief van 16 juni 2021 aan de Brusselse burgemeesters betreffende de verplichtingen van lokale Brusselse besturen op grand van artikel 65 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht verstuurd op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken;
- gelet op het verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2025;
- overwegende dat in 2025 70,7 % van de aanwervingen en bevorderingen door de Brusselse gemeenten in strijd was met de taalwet in bestuurszaken;
- overwegende dat in hetzelfde jaar 94,25 % van de aanwervingen en bevorderingen door de Brusselse OCMW's strijdig was met de taalwet in bestuurszaken;
- overwegende dat van de in 2025 3.199 aangeworvenen of bevorderden 96,4 % zich in het Frans kan uitdrukken (Franstaligen + tweetalige Vlamingen), maar slechts 20,2 % in het Nederlands (Vlamingen + tweetalige Franstaligen);
- overwegende dat in 2025 slechts 24,9 % van de hogere betrekkingen in de Brusselse gemeenten aan Nederlandstaligen toekomen, terwijl de wet pariteit voorschrijft;
- overwegende dat in 2025 slechts 13,3 % van de hogere betrekkingen in de Brusselse OCMW's aan Nederlandstaligen toekomen, terwijl de wet pariteit voorschrijft;
- overwegende dat in 2025 slechts 11,1 % van de in de Brusselse gemeenten te begeven betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet voor lagere betrekkingen een minimum van 25 % voorschrijft;
- overwegende dat in 2025 slechts 3,7 % van de in de Brusselse OCMW's te begeven betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet voor lagere betrekkingen een minimum van 25 % voorschrijft;
- overwegende dat diverse gemeenten en OCMW's, in strijd met artikel 65 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet al hun personeelsdossiers aan de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad doorzenden;
- overwegende dat de Brusselse voogdijoverheden in 2025 geen enkele van de illegale benoemingen of bevorderingen heeft vernietigd, hoewel de hun toegekende vernietigingsbevoegdheid volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State geen facultatief gegeven is, maar een verplichting;
- overwegende dat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken wetten van openbare orde zijn;
- gelet op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (nr. 49.126/1/PN van 24 mei 2017) en het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State (nr. 62.235/AV, Kamer van Volksvertegenwoordigers, stuk 54-3399/003), waarin bevestigd wordt dat de federale overheid bevoegd is inzake de taalwetgeving in Brussel-Hoofdstad en dat zij tevens ten volle bevoegd is om het administratief toezicht daarop, dat momenteel bij de Brusselse instanties berust, daaraan kan onttrekken door daarvoor een bijzonder administratief toezicht in het leven te roepen;
- overwegende dat dit laatste kan gebeuren door de vernietigingsbevoegdheid voortaan aan de vicegouverneur toe te vertrouwen;
vraagt de minister van Binnenlandse Zaken op korte termijn de nodige maatregelen te nemen opdat:
- de Brusselse gemeenten en OCMW's al hun dossiers van aanwervingen en bevorderingen naar de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad doorsturen;
- de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen de taalwet respecteren door enkel tweetalig personeel aan te werven;
- de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen de bij wet opgelegde pariteit voor de hogere betrekkingen voortaan respecteren;
- de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen voor wat de lagere betrekkingen betreft minstens 25 % ervan te doen toekomen aan elke taalgroep, zoals de wet voorschrijft;
- de toezichthoudende overheid elke onwettige benoeming of bevordering voortaan effectief vernietigt en bij verdere weigering om dat te doen het handhavingsbeleid ter zake te wijzigen door de vernietigingsbevoegdheid in handen van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad te leggen door de invoering van een bijzonder administratief toezicht."
Une motion de recommandation a été déposée par Mme Barbara Pas et est libellée comme suit:
"La Chambre,
ayant entendu l'interpellation de Mme Barbara Pas
et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,
- vu l'article 129 de la Constitution et la compétence résiduaire de l'autorité fédérale sur le plan de la législation linguistique dans la Région de Bruxelles-Capitale;
- vu les lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative, plus particulièrement l'article 21;
- vu la circulaire du 16 décembre 2019 aux bourgmestres bruxellois concernant le respect des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par arrêté royal du 18 juillet 1966, dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, envoyée par la Commission permanente de Contrôle linguistique à la demande du ministre de l'Intérieur;
- vu la circulaire du 16 juin 2021 aux bourgmestres bruxellois concernant les obligations des administrations locales bruxelloises sur pied de l'article 65 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par arrêté royal du 18 juillet 1966, envoyée par la Commission permanente de Contrôle linguistique à la demande du ministre de l'Intérieur;
- vu le rapport du vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale pour l'année 2025;
- considérant qu'en 2025, 70,7 % des recrutements et des promotions par les communes bruxelloises étaient en contravention avec la loi linguistique en matière administrative;
- considérant que la même année, 94,25 % des recrutements et des promotions par les CPAS bruxellois étaient contraires à la loi linguistique en matière administrative;
- considérant que sur les 3.199 recrutés ou promus en 2025, 96,4 % peuvent s'exprimer en français (francophones + Flamands bilingues) mais seulement 20,2 % peuvent s'exprimer en néerlandais (Flamands + francophones bilingues);
- considérant qu'en 2025, seulement 24,9 % des emplois supérieurs dans les communes bruxelloises reviennent à des néerlandophones, alors que la loi prescrit la parité;
- considérant qu'en 2025, seulement 13,3 % des emplois dans les CPAS bruxellois reviennent à des néerlandophones , alors que la loi prescrit la parité;
- considérant qu'en 2025, seulement 11,1 % des emplois à pourvoir dans les communes bruxelloises sont revenus à des néerlandophones alors que la loi prescrit un minimum de 25 % pour les emplois inférieurs;
- considérant qu'en 2025, seulement 3,7 % des emplois à pourvoir dans les CPAS bruxellois sont revenus à des néerlandophones, alors que la loi prescrit un minimum de 25 % pour les emplois inférieurs;
- considérant que diverses communes et divers CPAS, en contravention avec l'article 65 des lois coordonnées sur l'emploi des langues en matière administrative, ne transmettent pas tous leurs dossiers de personnel au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale;
- considérant que les autorités de tutelle bruxelloises n'ont annulé en 2025 aucune des nominations et des promotions illégales bien que la compétence d'annulation qui leur est conférée n'est pas, selon la jurisprudence constante du Conseil d'Etat, une donnée facultative mais une obligation;
- considérant que les lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative sont des lois d'ordre public;
- vu l'avis de la Commission permanente de Contrôle linguistique (n° 49.126/1/PN du 24 mai 2017) et l'avis de la section de législation du Conseil d'Etat (n° 62.235/AV, Chambre des représentants, document 54-3399/003) où il est confirmé que l'autorité fédérale est compétente en matière de législation linguistique dans la région de Bruxelles-Capitale et qu'elle est en outre pleinement compétente pour soustraire la tutelle administrative sur cette législation, qui repose actuellement auprès des instances bruxelloises, à ces instances en créant pour cette législation une tutelle administrative spéciale;
- considérant que cela peut se réaliser en confiant désormais la compétence d'annulation au vice-gouverneur;
demande au ministre de l'Intérieur de prendre les mesures requises à court terme afin que:
- les communes bruxelloises et les CPAS bruxellois transmettent tous leurs dossiers de recrutements et de promotions au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale;
- les communes bruxelloises et les CPAS bruxellois respectent la loi linguistique dans le cadre de leurs recrutements et de leurs promotions en ne recrutant que du personnel bilingue;
- les communes bruxelloises et les CPAS bruxellois respectent désormais la parité imposée par la loi, dans le cadre de leurs recrutements et de leurs promotions, pour les emplois supérieurs;
- les communes bruxelloises et les CPAS bruxellois fassent en sorte, dans le cadre de leurs recrutements et de leurs promotions, pour ce qui concerne les emplois inférieurs, qu'au moins 25 % de ces emplois reviennent à chaque groupe linguistique, comme la loi le prescrit;
- l'autorité de tutelle annule désormais effectivement chaque nomination ou promotion illégale et, en cas de refus persistant de procéder à cette annulation, de modifier la politique d'application de la loi en la matière en mettant la compétence d'annulation entre les mains du vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale en instaurant une tutelle administrative spéciale."
Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt.
Une motion pure et simple a été déposée par
Mme Catherine Delcourt.
02.04 Benoît Piedboeuf (MR): Monsieur le président, je demande l'urgence pour le vote sur la motion pure et simple.
De voorzitter: Aangezien de urgentie
voor de eenvoudige motie werd gevraagd, stel ik voor dat de Kamer zich straks
over deze moties uitspreekt. (art. 140, nr. 6, tweede lid, Rgt.)
Étant donné que l'urgence de la motion pure et
simple a été demandée, je propose que la Chambre se prononce sur ces motions
tout à l'heure. (art. 140, n° 6,
deuxième alinéa, Rgt.)
Geen bezwaar? (Nee)
Aldus zal geschieden.
Pas d'observation? (Non)
Il en sera ainsi.
De bespreking is gesloten.
La discussion est close.
03.01 François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, les Unions de villes et communes ont appelé de manière coordonnée à une compensation fédérale pour faire face à l'augmentation des salaires de la police locale liée à la hausse du coût de la vie.
C'est un dossier qui prend une acuité particulière dans un contexte de contrainte budgétaire pour les pouvoirs locaux. On pourrait dire que c’est à cause des nombreuses charges amenées en plus par le fédéral, et notamment pour les zones de police au financement insuffisant, en Région bruxelloise, qui supporte des charges structurellement plus élevées sans disposer d'une capacité fiscale équivalente.
Que dire lorsqu'on doit ajouter à cela que, tels sœur Anne, nous ne voyons toujours rien venir de concret en termes de modification de la norme KUL?
Monsieur le ministre, reconnaissez-vous l'existence d'un déficit structurel de financement de la police locale lié aux récentes évolutions salariales? Dans l'affirmative, êtes-vous en mesure d'en chiffrer l'ampleur? Quel est le mécanisme de compensation que le gouvernement fédéral envisage et selon quel calendrier?
Les zones de police en Région bruxelloise font-elles l'objet d'une attention particulière compte tenu de leur situation financière spécifique? Dans l'affirmative, cette question sera-t-elle inscrite à la prochaine Conférence interministérielle Intérieur?
03.02 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Monsieur le président, je vais regrouper les trois questions dans le temps qui m'est imparti. Monsieur le ministre, comme sans doute d'autres dans cette salle, j'ai pris connaissance fin juin dans la presse du futur découpage en neuf divisions de la future zone de police unique bruxelloise. Et le découpage qui était décrit ne suit pas les frontières communales, puisque par exemple Bruxelles-Ville serait éclatée entre pas moins de quatre des neuf divisions envisagées. L'article s'inquiétait notamment d'un découpage qui regroupe entre eux des quartiers populaires d'un côté, des communes ou quartiers plus aisés par ailleurs.
Je voulais vous demander si d'abord vous pouvez confirmer les informations qui ont été relayées par La Capitale le 23 juin. En passant de six zones actuellement à une seule dans le futur pour toute la Région bruxelloise, la réforme affirme viser un accroissement de l'efficacité et des économies d'échelle. Comment cet objectif va-t-il concrètement être réalisé en découpant ensuite la zone unique en neuf divisions? Est-ce que ce n'est pas autant de services à dédoubler?
Ensuite, il me revient que certaines zones de police bruxelloises rencontrent déjà actuellement des difficultés à recruter des agents de terrain. Comment peut-on éviter que le futur découpage en neuf divisions ne renforce encore les difficultés?
Ensuite, je souhaitais vous interroger à deux égards concernant l'impact sur le personnel de cette fusion des zones de police à Bruxelles. Vous avez pu indiquer que cette fusion n'allait entraîner aucune perte d'emploi. Et si je peux comprendre que ce soit le cas pour le personnel OPS, je me pose quand même la question pour le millier de personnes qui travaillent dans des postes CALog, sachant que la fusion vise à réaliser des économies d'échelle et à augmenter l'efficacité. Ces cadres logistiques et administratifs, ce sont les juristes, le personnel des services de ressources humaines ou des services informatiques. Est-ce qu'ils ne vont pas automatiquement se retrouver dans des postes doublons dans le cadre de la fusion? Est-ce que ces personnes sont toutes nommées fonctionnaires fédérales? Et si ce n'est pas le cas, est-ce que vous avez la possibilité de me donner la proportion de statutaires ou de contractuels?
Je voudrais attirer votre attention sur un autre aspect sensible. Lors de la précédente grande réforme, en 2001, la police avait connu un nombre important de suicides au sein de son personnel, notamment attribués au stress de cette réforme. Les syndicats de police parlent d'une cinquantaine de suicides entre 2001 et 2003. Quelles mesures sont et seront mises en place lors de la réforme à venir afin de prévenir de tels drames?
Enfin, je voudrais vous interroger concernant le financement de la future zone de police. Plus précisément, je souhaiterais obtenir des précisions concernant la dotation de 65 millions d'euros sur cinq ans, prévue pour soutenir cette fusion. Pourriez-vous en clarifier la ventilation? Cette somme sera-t-elle en intégralité affectée au soutien à la fusion?
Lors des débats parlementaires qui ont mené à l'adoption de cette réforme le 13 mai dernier, vous avez indiqué que cette somme était destinée à accompagner le change management nécessaire pour que la fusion réussisse. Pourriez-vous donner davantage de précisions sur ce qui est recouvert par ce concept de change management nécessaire?
03.03 Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, suite à la publication au Moniteur de vos projets relatifs à la fusion des zones et à la suppression des conseils de police, de nombreuses questions remontent du terrain, d'un point de vue administratif, organisationnel et politique. Nombreux sont mes collègues bourgmestres, en ce compris ceux du MR, qui n'étaient pas au courant de cette réforme, qui semble quand même être assez précipitée. Il me revient aussi que, dans la pratique, la législation montre de nombreuses zones grises et des incohérences qui nécessitent déjà des adaptations rapides, comme je l'avais souligné en commission.
Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si vous comptez déposer des modifications à vos projets relatifs au fonctionnement des zones et à leur calendrier? Je voudrais savoir aussi combien de zones vous ont communiqué leur éventuelle volonté de fusionner. De mon côté, j'ai été contacté par le gouverneur du Hainaut, qui est en train de faire le tour de toutes ses zones. Je suppose que vous avez demandé à tous les gouverneurs du pays de faire cet exercice. Avez-vous déjà eu un retour de toutes ces démarches qui ont été lancées? J'ai entendu parler d'une potentielle circulaire pour quelque peu préciser les modalités d'application de la loi sur la suppression des conseils de police.
Par ailleurs, l'ULB était désignée pour établir la nouvelle norme de financement des zones de police. Je vais reprendre vos termes en commission. Je vous cite: "Le point de départ est un financement plus élevé, plus flexible et plus transparent des zones de police locales, y compris avec l'indexation, sur la base d'une clé de répartition réalisable et responsable qui peut être ajustée si nécessaire."
Vous vous êtes engagé à déposer avant l'été 2026 un projet d'arrêté royal en ce sens sur la table du gouvernement, accompagné d'un financement complémentaire. Le temps presse donc et, d'après les informations qui me reviennent, les plus petites zones, en particulier en Wallonie, pourraient se retrouver perdantes dans les propositions qui circulent.
Concernant la révision de la norme KUL, où en êtes-vous dans vos travaux? Cette révision se fera-t-elle sur la base d'un financement complémentaire? À combien estimez-vous, sur une base annuelle, le financement complémentaire nécessaire? Enfin, pouvez-vous garantir qu'aucune zone ne perdra en dotation fédérale?
03.04 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de minister, we lezen regelmatig over de aankomende hervormingen van de financiering. We hebben het hierover al meermaals gehad, ook naar aanleiding van de randpremie waarover we in de krant konden lezen. Er zou werk worden gemaakt van een nieuwe financiering. Is daarover al meer duidelijkheid? Wat betekent die nieuwe financiering voor elke zone? Wat betekent ze voor zones die twijfelen of ze al dan niet zullen fusioneren?
Op welke parameters zal die nieuwe financiering worden gebaseerd? U gaf de vorige keer, in antwoord op een vraag over de randpremie, aan dat met die nieuwe financiering vooral fusies moeten worden gestimuleerd. Hoe zit dat precies?
Als we specifiek kijken naar de fusie in Brussel, klopt de berichtgeving dat de eengemaakte politiezone in Brussel zou worden onderverdeeld in negen afdelingen? Hoe zal de financiering van die negen afdelingen gebeuren? Dat lijkt mij een heel belangrijke vraag, want een fusie moet uiteindelijk leiden tot meer efficiëntie. Als die negen afdelingen op het eerste gezicht niet op een logische manier zijn ingedeeld, zelfs niet op basis van de gemeentegrenzen, dan kan men zich afvragen of die fusie wel efficiënt zal zijn en welke impact dat heeft op de financiering.
Ik ben ook benieuwd naar de timing. Ik had immers begrepen dat daarover voor de zomer duidelijkheid zou komen.
03.05 Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb u een tijdje geleden een vraag gesteld over het nieuwe financieringsmodel van de lokale politie en daarbij ook vragen gesteld over de eventuele budgettaire impact. U zei toen dat dat afhing van een aantal politieke beslissingen die moeten worden genomen over de kalibrering van de parameters van het nieuwe model. Het ontwerp van koninklijk besluit zou nog voor de zomer aan de regering worden voorgelegd om het verder te bespreken.
De federale dotatie zou worden bepaald op basis van vier objectieve en coherente componenten. Het model voorzag in de mogelijkheid van een moduleerbare vangnetclausule, die ervoor zorgt dat geen enkele zone bij de invoering nominaal middelen verliest ten opzichte van de huidige federale dotatie. Daarnaast werd ook voorzien in een afvlakkingsmechanisme om abrupte schommelingen in de dotaties te vermijden. De hervorming maakt deel uit van een coherent geheel dat verband houdt met een bredere herziening van de veiligheidsarchitectuur. Het zal u niet verbazen dat veel burgemeesters – en niet alleen van onze partij – zeer benieuwd zijn op welke manier het nieuwe financieringsmodel al dan niet zal worden ingevoerd. U hebt ook gezegd dat u daar onmiddellijk een toelichting over zou geven in de commissie.
Hoever staan de besprekingen over het nieuwe financieringsmodel van de lokale politie? Is er al meer duidelijkheid over de parameters, de moduleerbare vangnetclausule, het afvlakkingsmechanisme en de budgettaire impact? Hoever staat u met de bredere herziening van de veiligheidsarchitectuur en kunt u ook daar wat meer informatie over geven?
03.06 Bernard Quintin, ministre: Merci pour vos questions, qui portent sur deux volets complémentaires de la réforme de la police locale engagée par ce gouvernement et votre serviteur: d'une part, la révision du financement fédéral des zones de police locale et, d'autre part, les fusions de zones et l'organisation future de la zone de police unique bruxelloise – Police de Bruxelles, Politie Brussel, als ik goed gelezen heb. Je les aborde donc successivement.
L'inadéquation croissante entre le niveau des dotations fédérales et la réalité des coûts est documentée et constitue précisément l'une des motivations centrales de la réforme engagée par ce gouvernement. Il est difficile de chiffrer un déficit sectoriel, les paramètres en jeu étant multiples et les situations très hétérogènes d'une zone à l'autre.
L'accord de coalition 2025-2029 prévoit explicitement le remplacement de la norme KUL par un nouveau modèle de financement plus transparent, plus équitable et mieux adapté aux réalités du terrain. Ce nouveau modèle est en cours de finalisation – j'avais dit que je le présenterai au gouvernement avant l'été, c'est fait. Les groupes de travail intercabinets et autres joyeusetés de ce genre que vous connaissez bien sont en cours et seront discutés au niveau du gouvernement, lequel entend disposer du cadre réglementaire, si tout va bien, avant la fin de l'année 2026. Je dis bien: si tout va bien.
En ce qui concerne l'état d'avancement des travaux, l'étude scientifique commandée à cet effet est finalisée. Comme j'en ai pris l'engagement devant vous, je viendrai dès que la concertation au niveau du gouvernement aura été finalisée. C'est un nouveau modèle qui reposera sur des paramètres objectifs, mesurables et actualisables, reflétant les réalités de terrain de l'ensemble des zones de police du pays, urbaines comme rurales.
Je ne peux dès lors souscrire aux spéculations qui circulent sur des prétendues zones qui seraient pénalisées. D'abord, aucune décision n'a été prise à ce stade sur les paramètres définitifs, on ne peut donc pas encore présumer de ce qui sort du modèle et ce qui sera la réalité. La logique de la réforme n'est pas de retirer des moyens à certaines zones au profit d'autres, mais d'assurer une répartition plus équitable et plus transparente des moyens renforcés, en fonction des nécessités et des réalités.
S'agissant du financement complémentaire, l'accord de gouvernement pose le principe d'un financement plus élevé des zones de police locale, en ce compris l'indexation. La norme KUL est indexée. Quand il y a une indexation des salaires, il y a aussi une indexation de la dotation, qui doit en effet suivre l'indexation des salaires. Mais je reviens donc à la future norme. L'ampleur exacte des moyens complémentaires relève des arbitrages budgétaires du gouvernement, que je ne peux pas anticiper ici.
La spécificité de la Région de Bruxelles-Capitale, qu'il s'agisse du poids des missions fédérales, des caractéristiques socio-économiques de la population et de la structure de coûts, est prise en compte dans la conception du nouveau modèle, comme d'ailleurs pour toutes les zones densément peuplées. Ces éléments sont intégrés de manière structurelle et objective, et non plus par le biais de dotations ad hoc dont la lisibilité était insuffisante.
Pour ce qui concerne la fusion des zones et le fonctionnement des organes zonaux, le cadre légal relatif aux fusions de zones est le fruit d'un processus législatif complet, en ce compris l'avis du Conseil d'État et les débats parlementaires. Il traduit un engagement explicite de l'accord de gouvernement, encourager un mouvement de fusion vers des zones plus grandes et plus efficaces, sans mettre en péril l'ancrage local ni l'autonomie communale.
Comme pour toute réforme de cette ampleur, la mise en œuvre fait l'objet d'un suivi attentif, en dialogue constant avec le terrain, les gouverneurs et l'administration. Si des ajustements techniques s'avéraient nécessaires à la lumière de la pratique, ils seront apportés dans les meilleurs délais par la voie appropriée.
Je n'ai toutefois pas connaissance, à ce stade, d'incohérences qui compromettraient l'application du cadre adopté. Monsieur Thiébaut, la circulaire sera publiée dans les jours qui viennent. Elle amène déjà un certain nombre de précisions par rapport à la loi.
Conformément à l'accord de gouvernement, les gouverneurs ont été mandatés pour élaborer une trajectoire de fusion pour les zones où les économies d'échelle sont pertinentes et m'en font rapport deux fois par an. Quatre fusions sont en cours à la suite de l'introduction d'une demande, en ce compris la fusion bruxelloise.
Par ailleurs, deux processus ont officiellement été lancés au niveau des zones de police et 14 démarches exploratoires sont en cours en vue d'une fusion. Après une fusion, les moyens alloués à la police ne diminuent pas. Les gains d'efficacité éventuels sont réinvestis dans la politique de sécurité, notamment dans la police de proximité.
Madame Hugon Lecharlier, concernant les dotations de fusion, il s'agit d'une dotation et pas d'un subside. Cela doit donc être traité comme une dotation. Je compte évidemment sur l'intelligence individuelle et collective pour faire en sorte que ces dotations soient utilisées comme elles le doivent. L'élément que vous avez indiqué doit être pris en compte. En effet, le changement demande un accompagnement, dont un accompagnement psychosocial. C'est à chaque nouvelle zone en cours de fusion de prévoir cela.
Pourquoi le fait-on? Avec un certain nombre d'éléments présents dans la circulaire, je ne veux justement pas avoir un système de one size fits all où l'on ne s'en sort pas, et ce parce que les réalités d'une zone ne sont pas celles de l'autre. Les réalités d'un coin du pays ne sont pas celles d'un autre coin.
Comme vous le savez, les dotations sont calculées avec un calcul très savant d'un effet multiplicateur, c’est-à-dire d'un montant multiplié par le nombre d'équivalents temps plein de la future zone et un certain nombre de coefficients multiplicateurs sont versés sur cinq ans. Ce système vaut jusque fin 2029, les dotations de la fusion étant prises sur ma provision départementale. La provision départementale prend fin par essence l'année des élections qui mettront en place un nouveau gouvernement. Je parle bien des dotations, et non pas de la norme de financement.
J'ai également pris connaissance de la surprise de certains quant à la suppression des conseils de police.
Franchement, je pense que j'en ai parlé dès le début du travail sur la fusion des zones de police, mais comme le dit l'expression, il n'est pas pire sourd que celui qui ne veut pas entendre. J'étais moi-même un peu surpris de la surprise. J'en ai même été étonné, mais voilà. Pourtant, Dieu sait que je suis de moins en moins étonné, au fur et à mesure où le temps passe, dans cette belle fonction de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.
J'en profite pour dire quand même que j'ai aussi entendu que c'était un déficit démocratique. Je crois qu'il faut quand même peser les choses. Si j'avais, dans mes contacts avec les chefs de corps et les bourgmestres – et j'en ai eu beaucoup –, été convaincu que c'était vraiment le parangon de la démocratie locale, je vous assure que j'aurais tout fait pour les garder.
J'ai lu aussi quelque chose, j'en profite aussi pour le dire, qui m'a surpris. "Oui, mais à notre échelle communale ou de la zone, cela ne fait que 5 000 ou 10 000 euros d'économies." Oui, mais cela veut dire que les budgets de ces communes ne sont pas énormes. Franchement, quand par ailleurs on doit lire tout le temps – à juste titre – qu'il y a des problèmes dans les finances communales, 5 000 ou 10 000 euros, cela me paraît quand même déjà quelque chose.
Voilà, j'ai lu beaucoup de choses. Je ne dis pas que vous l'avez fait. Il est vrai que tout à l'heure, je me suis un peu animé. Je ne dis pas que vous l'avez dit ici, mais s'il y a bien un processus qui a été mené en toute transparence, c'est bien ce processus sur la loi de fusion.
On peut être d'accord ou ne pas être d'accord, mais je pense que je l'ai fait, ici et dans la presse et sur le terrain. Comme je le dis, on peut ne pas être d'accord, mais cela fait partie du magnifique jeu démocratique que nous avons la chance de pouvoir mener dans notre beau pays.
Pour ce qui est de l'organisation de la future zone de police unique bruxelloise (police de Bruxelles, politie Brussel), la mise en œuvre de la fusion des six zones de la police a débuté. Le premier collège de police de la zone unique s'est tenu le 8 juillet dernier. Un certain nombre de décisions ont été adoptées, dont vous avez pu prendre connaissance, comme moi, dans les médias.
Avec la réforme de la loi sur la police intégrée, le législateur vise avant tout la création d'une zone de police unique et unifiée pour la Région de Bruxelles-Capitale.
C’est non seulement la capitale de notre pays et le siège d’institutions internationales et de l’Union européenne, mais je crois que nous serons tous d’accord pour dire que les défis liés à la sécurité dépassent souvent les frontières administratives existantes. La fusion doit donc déboucher sur un pilotage plus cohérent, une meilleure coopération opérationnelle et une utilisation plus efficace des ressources humaines et matérielles disponibles. L’objectif de cette réforme n’est pas de créer une structure administrative plus lourde, mais bien de rendre la police plus efficace, plus performante et mieux adaptée aux défis de sécurité d’aujourd’hui et de demain.
Dans le même temps, l’ancrage local de la police reste un principe fondamental. La police de proximité reste la pierre angulaire du modèle belge de police intégrée et constitue le fondement de la confiance entre les citoyens et la police. Il s'agit d'une réforme, bien sûr, de structures, mais aussi une réforme qui a un seul objectif: renforcer la sécurité de nos concitoyens, à Bruxelles comme ailleurs dans le pays. J’ai fait part, et je le fais ici encore plus officiellement, de mon inquiétude ou, à tout le moins, de mon questionnement sur la répartition en divisions.
Pour être très clair, il est évident qu’il faut répartir une zone aussi grande que celle des 19 communes de Bruxelles-Capitale en divisions pour assurer la police de proximité. Si vous avez une police de proximité, il va sans dire que le territoire de cette police, pour qu’elle reste de proximité, doit être circonscrit. Je ne me prononce pas sur le nombre de divisions ni sur le découpage, on ne m’a pas demandé mon avis et on n’avait pas à me le demander, cela reste une zone de police locale qui s’organise par elle-même et pour elle-même. La chose que j’ai dite, c’est qu’on n’a pas fait la fusion de six zones de police pour en avoir neuf. Il faut être très clair. Quand j’ai lu dans la presse que "c’est pour la police de proximité, la recherche locale et l’intervention", écoutez, alors faites-en 19, on est de bon compte, on retourne à 19 polices communales et c’est magnifique.
Cette division se fait déjà. Dans les très grandes zones – je vais reprendre une province que j’aime particulièrement, le Luxembourg –, il est évident que dans les grandes zones à 10 ou 12 communes, il n’y a pas un seul commissariat et une seule intervention qui met 40 ou 50 minutes pour arriver.
Il y a une déconcentration. Au même titre, pour revenir à Bruxelles, que le SIAMU n’est pas organisé avec une seule caserne où seraient regroupés tous les pompiers et tous les camions. Il y a, si ma mémoire ne me trompe pas – excusez-moi si c’est le cas –, la caserne centrale et quatre autres casernes, qui portent un autre nom mais cela n’a pas d’importance. Il est évident qu’il faut passer – et je l’assume – d’un système de concentration à un système de déconcentration, plutôt que de décentralisation.
Pour répondre à votre question sur le personnel administratif, comme je l’ai dit, l’idée est évidemment, pour Bruxelles comme pour le reste du pays, d’avoir un système de fusion-acquisition. Il est donc évident que vous allez fusionner les services centraux, mais c’est une fusion-acquisition sans économie, comme on peut le voir parfois dans le secteur privé. Cela veut dire que si vos services centraux sont fusionnés, oui, vous avez besoin de moins de monde pour les faire tourner et, dès lors, vous pouvez affecter davantage de personnes sur le terrain.
L’objectif n’est pas de licencier du personnel. C’est de réorganiser le travail dans le temps parce que – et je l’assume – mon objectif à travers cette réforme de fusion des zones de police – et je sors du simple cadre de Bruxelles –, c’est d’avoir plus de policiers en rue, c’est de renforcer la police de proximité, c’est d’avoir des agents de quartier qui sont vraiment dans leur quartier, c’est d’avoir une police de proximité qui ne se résume pas à des voitures qui tournent de temps en temps, mais qui se compose de policiers à pied et de policiers à vélo. La fusion n’est pas le seul élément.
Et puisque c’est la dernière commission, profitons-en, avant de prendre des vacances, je précise qu'il y a également un travail à faire avec la Justice. Le travail effectué par la police s'apparente notamment à un travail d’estafette ou de secrétariat, et je pense qu’il sera temps, à un moment, de le moderniser. Ainsi, quand je regarde les chiffres du temps consacré aux apostilles – je ne dis pas qu’il ne faut plus faire d’apostilles –, je reste persuadé qu’on peut sortir du Moyen Âge pour entrer dans l’époque moderne, sinon contemporaine, en utilisant des moyens électroniques.
Cela demande un peu d'informatique, un peu d'électricité, c'est vrai, mais je pense qu'il y a franchement moyen de sortir de ce Moyen Âge et de disposer d'outils qui le permettent. Je le dis parce que j'étais sur le terrain hier et l'on me disait, à Comblain-au-Pont, pour ne pas le citer, que, pour les quatre policiers, l'essentiel de leur temps est consacré aux apostilles. Je suis désolé, mais cela ne peut pas être ainsi.
Je m'emploie à revisiter et à réformer la police intégrée à deux niveaux – il ne s'agit pas de réformer le concept lui-même, mais son fonctionnement après vingt-cinq ans. La police de proximité doit absolument être renforcée. C'est ce que nos concitoyens nous demandent sur le terrain: renforcer la sécurité et le sentiment de sécurité qu'apporte cette police de proximité. C'est à cela que je m'emploie. Je pense avoir répondu à toutes vos questions. Je ne vais pas prendre plus de temps que nécessaire, mais il faut mutualiser les moyens et voir comment un certain nombre de choses peuvent être réalisées.
Ik haal een voorbeeld aan – daar was trouwens ook een vraag over van mevrouw De Vreese, over wat het burgerpersoneel kan of mag doen.
Nous devons aussi avoir l'esprit ouvert et réfléchir, bien entendu dans le cadre des prescriptions légales. L'objectif est véritablement de renforcer la police de proximité, à Bruxelles comme ailleurs dans le pays.
Ik heb de vragen over de nieuwe
financieringsnorm beantwoord. We zijn daar nu binnen de regering over aan het
onderhandelen, dat weten jullie. Vermits we spreken over meer middelen, wordt
dat natuurlijk gelinkt aan het begrotingsconclaaf, dat niet op 21 juli zal
eindigen, maar in september of oktober. Er rest ons dus een beetje meer tijd om
verder te onderhandelen en om zeker uit te komen op een goed model.
J'ai bien entendu un certain nombre de préoccupations qui ont été exprimées, notamment par certaines zones de police plus rurales, si je puis dire, qui s'inquiètent de cette réforme. Je rappelle, comme je l'ai déjà indiqué, que l'objectif est de mettre en place un système garantissant un financement adéquat, correspondant aux moyens nécessaires à chacune des zones de police. Je ne m'en suis d'ailleurs jamais caché.
L'objectif d'avoir une soixantaine de zones de police est aussi de leur donner la capacité de s'organiser elles-mêmes. Puisque j'ai déjà dépassé mon temps de parole de douze minutes, ce n'est plus à une minute près, monsieur le président. L'un des éléments que vous entendez certainement lorsque vous échangez avec vos zones de police, c'est toute la question de l'HyCap, la capacité hypothéquée, qui oblige les zones de police à envoyer une partie de leurs effectifs – qu'il s'agisse de grandes ou de petites zones – pour assurer la sécurité d'un match de football, des festivités du 21 juillet ou d'autres événements.
On comprend bien que, si nous disposons de zones comptant deux cents, trois cents ou quatre cents opérationnels, la nécessité de recourir à cette capacité hypothéquée diminuera d'autant, puisque ces zones auront elles-mêmes la capacité, sauf lors de quelques très grands événements, d'assumer leurs responsabilités en matière de sécurité.
Je vous donne donc rendez-vous à la rentrée. Je suis certain que nous pourrons reparler de la révision, ou du redessin, de l'architecture de la sécurité en Belgique, car tous ces éléments en font partie. Je vous remercie.
03.07 François De Smet (DéFI): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Pour une fois, je ne vous avais même rien demandé sur la zone unique de police bruxelloise, mais je vais quand même réagir à ce sujet, puisque je vous ai attentivement écouté.
Il est tout de même assez savoureux de vous entendre expliquer aujourd'hui qu'il y a une zone unique à Bruxelles – que personne ne souhaitait, je le rappelle – et que, désormais, il faudrait malgré tout qu'elle s'organise en divisions pour gérer la criminalité locale. C'est pourtant à peu près ce qui existait auparavant et c'est précisément pour cette raison que nous avions créé six zones de police. Tout cela pour en revenir là.
La fusion avance là où les gens n'en voulaient pas et elle n'avance pas assez vite là où elle serait sans doute nécessaire et où il n'y a pourtant pas de contraintes.
La réflexion que je me fais est que la seule véritable différence avec la situation précédente, c'est que vous avez donné l'illusion aux nationalistes flamands que vous appliquiez leur programme, ce qui leur convient sans doute très bien, et que vous avez confié les commandes effectives de la police locale bruxelloise à quatre grandes communes socialistes. Si, un jour, vous avez envie de mettre en œuvre le programme du MR, n'hésitez pas.
03.08 Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen): Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse très circonstanciée.
J'entends bien ce que vous dites au sujet de la dotation: il appartiendra à la zone de décider comment elle la dépense. J'entends également que, selon vous, une éventuelle prise en charge des risques psychosociaux liés au stress pouvant découler de la réforme devrait être imputée sur ces 65 millions d'euros et qu'à ce stade, aucune mesure n'est annoncée au niveau fédéral.
Concernant la répartition en neuf sous-divisions, vous nous dites qu'elle est indispensable pour assurer une police de proximité. C'est bien ce que vous avez indiqué. Je ne pense pas que vous l'ayez présentée comme un outil de lutte contre la criminalité.
On perçoit malgré tout certaines réserves de votre part quant au découpage annoncé, même si vous nous dites que cela ne relève pas de votre compétence. Ce que je comprends, c'est qu'il y aura certaines missions qui relèveront des sous-divisions et d'autres qui seront transversales, dans une logique de fusion acquisition sans économies. J'imagine donc que les services transversaux auxquels je faisais référence, notamment les personnes occupant des postes Calog, feront partie de ces missions transversales, qui seraient logiquement situées au niveau de la zone.
J'entends bien que vous affirmez qu'il n'y aura pas de perte d'emploi, mais si l'on dispose aujourd'hui de six directeurs informatiques, par exemple, on n'en aura plus besoin que d'un. On ne va pas envoyer les cinq autres sur le terrain. Je m'interroge donc encore sur la manière dont tout cela va concrètement se réaliser à court et à moyen terme.
À moins que certains services transversaux ne soient maintenus au niveau des sous-divisions, auquel cas je ne vois plus vraiment où se situent les économies d'échelle, je ne comprends pas comment cette organisation pourra fonctionner avec les postes actuellement occupés, qui, me semble-t-il, le sont majoritairement par des agents statutaires. Je ne pense pas vous avoir entendu le préciser, mais il me semble que ce type de fonctions est essentiellement occupé par du personnel statutaire.
Je voudrais également réagir à ce que vous nous dites – et vous l'aviez déjà évoqué en séance plénière – selon lequel vous ne voyez pas de véritable problème démocratique dans la suppression des conseils de police. Pour ma part, cela soulève tout de même des questions très concrètes sur le fonctionnement futur à Bruxelles.
Une conseillère communale d'Evere pourra-t-elle poser des questions sur un événement survenu à Uccle? Faudra-t-il que celui-ci concerne sa sous-division? Je m'interroge réellement sur la capacité de contrôle démocratique des conseils communaux. On nous dit que rien ne changera et que cette capacité de contrôle restera identique, mais j'ai malgré tout du mal à comprendre comment les responsabilités seront organisées.
Pourra-t-on interroger les autorités sur ce qui
se passe dans d'autres communes ou dans d'autres sous-divisions? Quelle sera
précisément la responsabilité des bourgmestres? Aujourd'hui, un bourgmestre
peut faire mener une enquête interne. Lorsqu'il y aura une mégazone, chaque
bourgmestre conservera-t-il cette possibilité? Ou cela relèvera-t-il du collège
de police? Toutes ces questions m'interpellent et je pense qu'en matière de
contrôle démocratique, plusieurs éléments ne sont pas encore totalement clarifiés.
Nous verrons bien.
De voorzitter: Collega's, we zitten met een ernstig technisch probleem: er is geen mogelijkheid meer om een verslag te maken van deze vergadering. Ik zal dus even schorsen tot dit is opgelost, anders is er geen verslag van dit toch wel interessante debat.
De openbare commissievergadering wordt geschorst van 16.08 uur tot 16.19 uur.
La réunion publique de commission est suspendue de 16 h 08 à 16 h 19.
03.09 Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes ces explications. Je ne suis pas Bruxellois et j’ai donc observé la mise en œuvre de cette réforme avec un regard quelque peu extérieur. Nous avions auparavant six zones de police en Région bruxelloise et qu’il n’y en a désormais plus qu’une seule, organisée en neuf secteurs. Très bien, j’en prends acte. Je vois clairement la direction qui est prise. Et cela prouve, par A plus B, qu’il existe malgré tout un besoin d’organiser le terrain en zones ou en secteurs. Cela étant dit, vous ne m’avez pas répondu sur la question d’une potentielle augmentation de l’enveloppe destinée au financement des zones de police.
Vous évoquez un conclave à venir, mais c’est pourtant la même interrogation qui revient depuis le début du débat sur la révision de la norme KUL. Nous disposons aujourd’hui d’un mode de calcul permettant de répartir la dotation fédérale entre les différentes zones de police du pays. Si l’on modifie ce mode de calcul tout en conservant la même enveloppe budgétaire, certaines zones recevront davantage de moyens tandis que d’autres en recevront moins. Or il se murmure que dans une telle configuration, les grandes zones seraient gagnantes et les petites zones perdantes, au regard des nouveaux critères appliqués. En tant que président d’une très petite zone de police, vous comprendrez que cette perspective m’inquiète quelque peu.
Concernant la surprise exprimée par certains bourgmestres à la suite de la suppression des conseils de police, je pense que le problème n’est pas tant la suppression elle-même que le timing. Lorsque j’ai entendu parler de votre volonté de supprimer les conseils de police, j’étais persuadé que cette réforme entrerait en vigueur lors de la prochaine législature. La disparition aussi rapide d’une institution existante a été perçue comme particulièrement violente. Cette décision a choqué de nombreux mandataires locaux, y compris au sein de votre propre formation politique. À mon sens, la réponse se trouve donc davantage dans la rapidité de la réforme que dans son principe. Il faut également reconnaître que l’ensemble du débat a été largement absorbé par la question de la fusion bruxelloise.
On s'est beaucoup plus préoccupé de ce volet-là: la fusion à Bruxelles. D'ailleurs, le débat d'actualité concerne la fusion à Bruxelles alors que je vous parle d'autre chose. Dans les questions que je vous ai posées, la majorité concernaient autre chose que la fusion des zones de police de Bruxelles. Les gens se sont focalisés sur ces éléments-là, alors que dans ce que vous proposez et avez fait voter au Parlement, il y a de nombreux autres choses.
J'entends aussi que vous enverrez une circulaire pour préciser toute une série de choses. La mise en œuvre de cette modification a en effet suscité énormément de questions. J'ai moi-même eu pas mal de questions de mon chef de corps. Je pense qu'il y a là tout un travail à réaliser.
Je ne perds pas espoir que vous décrocherez malgré tout des budgets supplémentaires pour nos zones de police, même si vous ne vous avancez pas. Et je le comprends, vous n'avez pas été favorisé dans ces négociations depuis le début de cette législature, car l'Intérieur n'a pas été vraiment la priorité de ce gouvernement. Je vous regarde, parce que souvent votre langage non verbal est très parlant, mais là, vous ne réagissez pas.
03.10 Arthur Orlians (Anders.): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreid antwoord. Het is altijd het interessantst voor parlementsleden als u gewoon zegt wat u denkt. Daar hebben we het meeste aan, dus ook uw waardeoordeel over de mogelijke onderverdeling in negen zones in Brussel en hoe u daarover denkt, zegt veel. Misschien weten de andere parlementsleden dat wel, maar voor mij is het niet helemaal duidelijk in welke fase dat nu zit. Is dat afgeklopt? Is dat beslist beleid? Is dat een keuze waarmee u zich als minister nog kunt bezighouden? Of is dat iets waarover die eengemaakte zone nu zelf mag beslissen of ze dat nog zal doen?
Hetzelfde wat betreft de nieuwe parameters. U hebt een voorstel gedaan aan de regering. Misschien is dat voor een ander moment, maar ik had graag geweten wat uw persoonlijke visie daarover is. U geeft wel duidelijk uw eigen waardeoordeel over grote of kleine zones en over het al of niet stimuleren van fusies. U geeft ook een waardeoordeel over de vorige KUL-norm en zegt dat die veel rechtvaardiger en transparanter kan, maar u hebt een voorstel gedaan aan de regering. Op welke parameters – inwonersaantal, criminaliteitscijfers, ondersteunend personeel versus personeel op het terrein – is dat dan gebaseerd? Het zou interessant zijn als u daar al wat meer over kon zeggen, maar ik begrijp dat dat natuurlijk moet afgeklopt worden in de regering en ook in het Parlement. Wat is uw eigen visie daarover? Hoe ziet u die nieuwe rechtvaardige financiering? Het was interessant geweest om dat te weten, maar we zullen daar nog even op wachten.
03.11 Maaike De Vreese (N-VA): Mijnheer de minister, we zullen inderdaad nog wat geduld moeten oefenen op dat vlak. Ik begrijp dat een aantal mensen van heel kleine politiezones daarover bezorgd is, maar ik denk dat de boodschap duidelijk is, namelijk dat er best ook wordt gekeken naar de manier waarop kan worden gefusioneerd, aangezien ook de uitdagingen waarmee een politiezone wordt geconfronteerd niet meer dezelfde zijn als vroeger en het ook veel complexer is geworden. De ICT die moet worden voorzien, is zeer complex, dus ik denk dat de boodschap daar moet zijn om te bekijken met welke omliggende gemeentes men het best richting een doorgedreven samenwerking en een fusie kan gaan.
Ik wil toch even ingaan op wat u zegt over Brussel. Ik hoor hier dat we inderdaad willen gaan naar een fusie van de zes politiezones, maar dat men dan uiteindelijk toch weer richting negen politiezones wil gaan, dat vind ik een verkeerde beslissing.
U hebt de handvatten aangereikt om naar één efficiënte politiezone te gaan, waarbij de middelen ook op die manier kunnen worden ingezet. We zien nu dat er werkelijk problemen zijn door de grenzen die tussen die zes politiezones zijn getrokken. Dat zorgt ook op het terrein voor problemen. Die samenwerking is zo noodzakelijk.
We zien dat men in Brussel wordt geconfronteerd met enorme uitdagingen op het vlak van criminaliteit. Denk aan de drugscriminaliteit. Ik hoor hier dan mensen, bijna met een kleine glimlach, zeggen dat we nu naar negen politiezones gaan, en dat wordt bijna grappig gevonden. Dan denk ik dat de realiteit u zal inhalen. De verantwoordelijkheid van de burgemeesters op dat vlak is enorm. Ik zou die verantwoordelijkheid niet willen dragen om in plaats van naar een efficiëntere structuur naar een verdere verloedering van Brussel te evolueren.
De voorzitter: Wensen er nog collega's aan te sluiten? Madame Delcourt.
03.12 Catherine Delcourt (MR): Monsieur le ministre, j'ai écouté les réponses que vous avez apportées aux collègues. Merci d'avoir reprécisé que vous aviez bien avancé sur le modèle de financement et que cela allait nécessiter des négociations importantes. La sécurité est aussi un enjeu de ce gouvernement. Je suis sûre que vous serez fort pour négocier sur ces points.
J’ai aussi beaucoup entendu parler des fusions et des dotations qui les accompagnent, avec une préoccupation envers l'aspect financier des choses. Je crois que nous devons pouvoir regarder la fusion par un autre prisme que celui d’un apport financier ou d’un agenda politique. Nous devons regarder ces fusions sous l'angle de l'efficacité. Il faut choisir la bonne échelle, idéalement du premier coup. Y Réfléchir prend un peu de temps.
Le but est quand même d'avoir des zones qui soient à la fois plus robustes et plus agiles, qui permettent d'être autonomes dans le plus grand nombre de situations possibles. Ce qui se passe à Bruxelles pour le moment est effectivement préoccupant. C'est un peu comme refuser d'être plus solides et mieux coordonnés, en contournant le cadre que vous avez élaboré. Il convient de le déplorer.
03.13 Bernard Quintin, ministre: Je ne veux pas prolonger le débat, mais je pense qu'il est intéressant de le tenir. S'agissant de la question des six zones de police locale qui sont fusionnées en une seule zone de police locale, celle-ci doit trouver à s'organiser. Une communication a été diffusée quant au 9 divisions. Elle n'est qu'un préalable. Je ne me prononce pas à son sujet. Je regarde M. Chahid, qui entretient un lien particulier avec une de ces communes bruxelloises. Je crois que se pose une question de cohérence géographique.
Il ne faut pas se tromper. Dans les six zones actuelles, nous avons créé la zone, mais elle n'est pas encore instituée. Je parle sous le contrôle d'un bourgmestre empêché. Il existait déjà une forme de découpage pour la police de proximité. Il est fondamental, et certainement pour moi.
Hoe groter de zone, hoe belangrijker die visie.
Sinon, on n'a pas de police de proximité. Je prends souvent l'exemple des cyclistes, parce que je pense que c'est important – même si je ne suis pas un grand cycliste moi-même –, parce que c'est un problème de visibilité.
Je peux comprendre quand même que, si vous exercez dans une brigade cycliste, partir du fin fond d’Uccle, par exemple Verrewinkel pour aller jusqu'à la Basilique, cela n’a pas vraiment de sens. On sera en forme physique, c'est certain, et on aura passé les trois vallées bruxelloises.
Plus sérieusement, j'ai cité l'exemple du SIAMU, mais il est évident qu'on ne peut pas avoir une seule caserne de pompiers à Bruxelles, au risque d'augmenter les temps d'intervention – et l'on sait combien c'est essentiel. C'est donc une question de bon équilibre. Je sais que des contacts sont pris au niveau de la justice, laquelle nourrit bien évidemment un intérêt particulier pour tout ce qui concerne la recherche locale. Je suis, dans tous les cas, à la disposition non seulement de la zone de police de Bruxelles mais aussi des autres zones qui souhaiteraient fusionner. Je reviendrai certainement à la rentrée sur une autre discussion concernant ce que j'ai déjà dénoncé ici, à savoir le danger du sous-localisme, qui n'est pas la bonne méthode pour travailler, à mon avis.
Pour ce qui est de la circulaire, monsieur Thiébaut, je reviens sur deux éléments. Vous avez parlé des gouverneurs. J'ai instruit ceux-ci, il y a plus d'un an déjà, de me rendre un rapport semestriel. J'ai reçu quelques rapports – le rythme n'est pas tout à fait le même pour chacun des gouverneurs, mais ce n'est pas important. La dynamique a été lancée très rapidement pour l'envoi par les gouverneurs d'un rapport semestriel de leurs contacts avec les bourgmestres, afin de pouvoir envisager les fusions qui pouvaient être entreprises.
Comme pour la plupart des lois, une circulaire est émise dans le but de répondre à un certain nombre de questions plus techniques. Nous avons évidemment tenu compte des différentes remarques, singulièrement de celles émanant des zones de police ou même de la Commission permanente de la police locale (CPPL) en soi, justement pour pouvoir répondre à des préoccupations ou des remarques tout à fait pertinentes.
Pour ce qui est de la révision de la norme KUL, je tiens à dire que l'objectif est vraiment de renforcer la sécurité, notamment en renforçant et en rénovant le système de financement, qui est aujourd'hui obsolète parce qu'il a été construit voici 25 ans sur la base de paramètres dont l'évolution n'était pas prise en compte, raison pour laquelle il ne fonctionne clairement pas aujourd'hui. Bien sûr, cela dépend toutefois de la manière dont vous le prenez.
On sait que la norme KUL a donné lieu à un sous-financement organisé des grandes zones et des zones urbaines, ainsi qu'une forme de surfinancement de certaines zones.
On peut en discuter, ainsi que de la part des communes. Je pense que je vais briser là, parce que nous aurons certainement l'occasion d'en débattre à l'envi lorsque je vous reviendrai avec le nouveau système de financement pour vous informer de cet arrêté royal qui sera pris au moment où toutes les discussions auront pu aboutir à un résultat satisfaisant de ce qui est, je le répète, mon unique ambition: renforcer la sécurité de tous nos concitoyens, qu'ils se trouvent à Bruxelles, à Hensies ou à Middelkerke. Je vous remercie de votre attention.
03.14 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le président, je vais peut-être juste apporter quelques éclaircissements au débat, puisque j'entends certains collègues un peu inquiets de ce qui se passe à Bruxelles, d'une décision qui doit être appliquée par des bourgmestres qui n'ont pas décidé de cette réforme et ne l'ont pas voulue. À l'heure actuelle, il n'y a pas neuf zones de police. Ce sont neuf divisions qui sont mises en place. Aujourd'hui, il faut savoir que la Région bruxelloise compte six zones de police, comprenant treize commissariats sur dix-neuf qui sont ouverts 24 h sur 24. À l'avenir, il y aura neuf commissariats centraux, qui seront ouverts 24 h sur 24. Donc, leur nombre diminuera. Ces neuf commissariats deviendront des divisions. Par exemple, Evere, Haren et Neder-over-Hembeek formeront une seule division, tandis que le commissariat central sera installé à Evere. Voilà ce qui a été décidé. Il ne s'agit pas de dire; "On passe de six zones à neuf zones". Ce n'est vraiment pas le cas.
L'autre question qui se pose et dont on discute pour le moment est la question des CALog et des départements. Par exemple, on compte aujourd'hui six sections locales de recherche. Il en restera une seule, ce qui est logique. Mais la question est savoir ce qu'on fait des CALog; comment va-t-on harmoniser sans perte d'emploi? C'est la question qui se pose aujourd'hui.
Enfin, la troisième question qui est pour le moment en débat et qui a encore été discutée ce matin est celle du budget de la zone, de son indexation et du pourcentage qui sera apporté par chaque commune. C'est la question qui sera débattue et qui sera, à mon avis, traitée dans les semaines qui viennent.
Donc, il n'y aura pas neuf zones de police. Ce sont neuf divisions qui seront en réalité des références de commissariats à la zone unique. Ni plus ni moins. C'est un peu comme le système des districts à Anvers. C'est le même système, hormis qu'on ne parle pas de "districts", mais de "divisions". Ni plus ni moins. La loi sera respectée par tous les bourgmestres. Je tiens quand même à rassurer tout un chacun ici.
De voorzitter: Dan kan ik dit debat afsluiten, dat in het najaar zeker zal worden vervolgd.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
04.01 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, nous vivons une canicule que l'on peut qualifier d'historique, puisque l'IRM a indiqué que ces conditions n'avaient été observées que deux fois dans l'histoire de notre pays.
Pourtant, face à ce phénomène, qui est d'ailleurs appelé à se répéter vu le dérèglement climatique, notre gouvernement fédéral a vraiment donné l'impression d'être en mode veille ou en mode avion, plutôt qu'en mode de crise.
Alors que le thermomètre a explosé et que les Belges suffoquent, les hôpitaux, les secours, les communes qui ont été mis sous pression n'ont pas eu de réponse. Le Centre de crise national semble avoir réduit ses missions à l'envoi d'un SMS invitant, on l'a déjà dit, à ne pas sortir ou seulement à boire de l'eau. Certes, c'est utile, mais vous conviendrez avec moi que ce n'est pas vraiment un plan d'action contre la canicule. Et, le plus inquiétant, c'est l'absence ou, en tout cas, le manque de volonté de coordination qui a été assez permanent au cours de ces derniers jours.
Les différents niveaux de pouvoir se sont un peu renvoyé la balle. Votre collègue de la Santé et vous-même vous êtes livrés à un véritable match de ping-pong, notamment sur la question de la répartition des responsabilités entre le 112 et le 1733, tout en nous disant que les efforts physiques n'étaient pas recommandés. Je ne sais pas très bien comment il fallait prendre la chose. Pendant ce temps-là, les citoyens attendaient des réponses, des mesures et des actions concrètes. Nada! Rien n'est venu!
Comme cela ne suffisait pas, le 24 juin dernier, les pompiers ont déposé un préavis de grève dans la mesure où ils s'inquiètent de leur avenir et de la dotation qui ne leur sera pas octroyée pour assumer au mieux leurs missions. Vous-même l'avez d'ailleurs reconnu, monsieur le ministre. Lors d'une interview matinale à la radio, vous avez avoué qu'il y a un manque de personnel et que le 112 fait face aujourd'hui à une crise d'effectifs.
Dès lors, mes questions sont simples. Aujourd'hui, au XXIe siècle, le SPF Intérieur est-il encore suffisamment doté de moyens pour remplir ses missions?
Monsieur le ministre, quelles leçons tirez-vous de cette canicule en ce qui concerne le rôle du SPF Intérieur, du Centre de crise, des gouverneurs, de la Protection civile, des pompiers et des centrales d'urgence? Je ne sais d'ailleurs pas s'il faut parler ici du 112 ou du 1733. Allez-vous réunir rapidement l'ensemble de ces acteurs, ou l'avez-vous déjà fait, afin de procéder à un débriefing et de mettre en œuvre un véritable plan d'action? Pourquoi le Conseil national de sécurité ne s'est-il pas réuni alors qu'il y a eu des morts à déplorer?
Vous avez reconnu publiquement que les centrales d'urgence manquaient de personnel et vous avez annoncé un plan de recrutement. Pouvez-vous nous en dire davantage? Pourquoi la Défense n'a-t-elle pas été sollicitée pour des missions d'appui? Mon collègue Christophe Lacroix a posé la question en commission de la Défense et il lui a été répondu qu'il n'avait tout simplement pas été fait appel à la Défense.
Enfin, quels sont les moyens nouveaux que vous allez consacrer au SPF Intérieur et aux services de secours afin de préparer au mieux notre pays aux canicules et aux événements climatiques extrêmes qui, malheureusement, vont devenir la norme et ne sont plus une exception?
04.02 Greet Daems (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, gisteren was het dag op dag vijf jaar geleden dat ons land werd getroffen door een waterbom met dramatische gevolgen. Ook de voorbije weken werden we geconfronteerd met extreem weer: zware onweersbuien, lokale overstromingen en een uitzonderlijke hittegolf met een sterk verhoogd risico op natuur- en bosbranden.
Gisteren was u in Chaudfontaine voor de herdenking van de slachtoffers van de overstromingen van 2021. U hebt daar de hulpverleners bedankt. Dat is terecht, want zij staan dag en nacht klaar om mensen te helpen, vaak in bijzonder moeilijke omstandigheden.
Net daarom moeten we ook eerlijk zijn over de omstandigheden waarin zij vandaag moeten werken. Na de overstromingen van 2021 heeft de politiek beloofd lessen te trekken. U zei gisteren tijdens de herdenking dat veel brandweerzones nieuwe middelen hebben gekregen om zich te wapenen tegen nieuwe rampen in de toekomst. Op het terrein luiden echter ook alarmsignalen. De hulpdiensten kampen met personeelstekorten, een structureel gebrek aan middelen en een Civiele Bescherming die nog altijd onvoldoende capaciteit heeft om grote rampen op te vangen.
De voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie heeft zelfs gewaarschuwd dat de brandweer volledig machteloos dreigt te staan tegenover de toenemende extreme weersfenomenen. Door de klimaatverandering zal extreem noodweer alleen maar vaker voorkomen. Tijdens dergelijke rampen is het van groot belang snel en betrouwbaar met de burgers te communiceren. De burgers moeten tijdig worden gewaarschuwd, zodat zij zichzelf en kwetsbare familieleden kunnen beschermen.
Tijdens de hittegolf van vorige maand is dat fout gelopen. Er zijn verschillende voorbeelden van BE-Alert-meldingen die veel te laat aankwamen. In Henegouwen bijvoorbeeld ontvingen mensen twee dagen te laat een e-mail over het onweer van de nacht van 19 op 20 juni.
Volgens BE-Alert kunnen e-mails soms uren tot dagen vertraging oplopen omdat mailproviders de grote hoeveelheid gelijktijdige berichten eerst controleren. Daarna belanden ze uiteindelijk vaak alsnog in de spamfolder. In Brussel werd pas op de tiende dag van de hittegolf een waarschuwing met praktische tips verstuurd.
Waarschuwingen zijn natuurlijk geen wondermiddel. Mensen hebben ook nood aan structurele bescherming tegen extreme hitte. Als de overheid ervoor kiest om burgers via BE-Alert te informeren, moeten die waarschuwingen wel tijdig en betrouwbaar aankomen. Ik heb de volgende vragen.
Ten eerste, erkent u dat de klimaatverandering leidt tot een fundamenteel ander risicoprofiel voor onze hulpdiensten en dus ook een fundamenteel andere paraatheid vraagt?
Ten tweede, u verwijst telkens naar bijkomende investeringen. Waarop zijn die gebaseerd? Is er een objectieve risicoanalyse gemaakt van de capaciteit die België de komende jaren nodig heeft om voorbereid te zijn op extreem noodweer? Bestaat er een meerjarenplan met concrete doelstellingen voor personeel, Civiele Bescherming en gespecialiseerd materiaal? Of blijft het bij beperkte investeringen en ad-hocmaatregelen telkens wanneer zich opnieuw een ramp voordoet?
Ten derde, hoeveel waarschuwingen werden tijdens de hittegolf via BE-Alert verstuurd? Via welke kanalen? Klopt het dat veel mensen die waarschuwingen, zowel via e-mail als via sms, pas te laat ontvingen? Erkent u dat de vertragingen bij de recente BE-Alertberichten problematisch zijn? Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat waarschuwingen tijdig worden verzonden, onmiddellijk worden afgeleverd en niet pas uren of zelfs dagen later aankomen of in de spamfolder belanden?
Tot slot, hoever staat de evaluatie van de huidige werking van BE-Alert en een eventuele overschakeling naar cell broadcast? Het is immers duidelijk dat de locatiegebaseerde sms'en die nu worden gebruikt bij massale inzet een trage en beperkte verzendcapaciteit hebben.
04.03 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, mijn vragen gaan over de noodnummers 112 en 1733. Minister Vandenbroucke heeft gezegd dat het in moeilijke weekends soms tot tien minuten kan duren voor er een antwoord komt. Dat kan niet. Dat is te lang. Ik denk dat we het daarover allemaal eens zijn. We hebben het in deze commissie al de hele legislatuur over de lange wachttijden bij de 112. U bent daarmee bezig. U hebt al stappen gezet. U wilt ook naar één noodnummer gaan, waarbij de 101 en de 112 worden samengebracht. Ik denk dat dat een goede stap vooruit is. Het is ook logisch dat die stap vertrekt vanuit de burger, eerder dan vanuit de organisatie. Daarvoor hebt u dus alle steun.
Mijn vraag is wat er met het nummer 1733 zal gebeuren. Minister Vandenbroucke wil dat volledig loskoppelen. U zei dat u dat een goede piste vindt. De vraag is hoe dat in de praktijk zal verlopen. Krijgen we dan twee meldkamers? Krijgen we een meldkamer 112, waar de vroegere nummers 101 en 112 samenkomen, en daarnaast een meldkamer 1733? Hoe verhouden die twee zich dan tot elkaar? Als er bij 1733 zaken toekomen die toch dringend zijn en het om twee volledig gescheiden werelden gaat, kunnen daar ongelukken van komen. Als we die systemen splitsen, moeten we dat dus op een logische manier doen en moeten we ervoor zorgen dat ze nauw met elkaar verweven blijven.
Minister Vandenbroucke zei ook dat de basiscapaciteit van de 112 gewoon te laag is. Ik vraag me af hoe u daarnaar kijkt. Gaat het over het vervolledigen van het voorziene kader of is er gewoon te weinig capaciteit? Eigenlijk was dat onderhuids een beetje wat minister Vandenbroucke zei. De meldkamers van 112 kunnen die piekbelasting gewoon niet aan. Ik vroeg me af hoe u daarnaar kijkt.
Hoever staan we vandaag ten opzichte van de theoretische capaciteit? Zijn we dat tekort aan het wegwerken? Wordt het kleiner of blijft het toch vrij problematisch?
Minister Vandenbroucke zei ook dat we misschien toch in de richting van de federale fase van het crisisbeheer moeten gaan en personeel zouden moeten kunnen opvorderen. Dat was ook een suggestie. Hoe kijkt u daarnaar? Vindt u dat dat had moeten gebeuren of denkt u van niet?
Als we de nummers dan toch hervormen, is het dan alleen de bedoeling om 1733 los te koppelen of gaat het ook over andere zaken? Ik herinner me dat men bij een aantal commissariaten van politiezones, wanneer men buiten de kantooruren aan de voordeur aanbelt, bij 112 terechtkomt. Dat lijkt me nu niet de bedoeling te zijn. Ik weet dat er nog een aantal onlogische situaties zijn waarin mensen uiteindelijk bij 112 terechtkomen. Is het de bedoeling om ook daarnaar te kijken en dat uit te zuiveren, zodat bij 112 alleen de dringende zaken terechtkomen?
Voilà, ik zal het hierbij laten. Ik kijk uit naar uw antwoorden.
04.04 Éric Thiébaut (PS): Monsieur le ministre, on l’a beaucoup rappelé dans les médias ces derniers jours: il y a cinq ans, notre pays subissait les plus graves inondations de son histoire récente, avec un bilan terrible de 39 morts. Jamais nous n’aurions pu imaginer, quelques années auparavant, qu’il puisse y avoir, en Belgique, 39 victimes d’inondations. Et pourtant, c'est arrivé.
Malheureusement, depuis cinq ans, nous constatons que les épisodes climatiques se multiplient, avec des tempêtes de forte intensité et de nouvelles inondations. Face à cela, je pense que les pouvoirs publics doivent être capables de répondre aux besoins de protection de la population.
À cet égard, il faut bien constater qu'une des faiblesses de notre État aujourd'hui, c'est la Protection civile et l'état dans lequel elle se trouve depuis la réforme du ministre Jambon. Comme vous le savez, cette réforme a réduit le nombre de casernes de la protection civile dans notre royaume de six à deux, en gardant deux casernes extrêmement mal situées, ce qui a fait diminuer aussi le potentiel humain. Pour ces deux casernes aujourd'hui, si mes informations sont correctes, le nombre de membres du personnel s'élève à 200 personnes. Dans ma zone de secours, il y a 800 pompiers pour 550 000 habitants. Ici, on parle de moins de 300 personnes pour couvrir l'ensemble du territoire. Il est bien évident que ce n'est pas suffisant. Les services internes de la Protection civile me rapportent qu'ils ne peuvent, en outre, pas remplacer les départs à la pension.
Je l'ai dit, les épisodes catastrophiques se multiplient, et on sait qu'ils se multiplieront dans les années à venir, c'est une évidence. Par exemple, la tempête du week-end du 28 juin, dans ma zone de secours, a provoqué plus de 800 demandes d'intervention sur une soirée. Imaginez; 800 demandes, 800 appels au 112 ont été répertoriés, c'est incroyable!
Nous devons absolument être prêts à répondre aux besoins des citoyens face à des catastrophes qui risquent de se multiplier.
En ce qui concerne la Protection civile, nous ne pouvons pas rester dans la situation actuelle. Il est nécessaire, et je le répète ici depuis longtemps, soit de procéder à un redéploiement territorial, soit d’envisager une collaboration plus étroite avec l'armée, éventuellement calquée sur le modèle français. En France, la Protection civile est étroitement connectée à l'armée. C’est un modèle différent du nôtre, mais il fonctionne et a du sens.
Sous la précédente législature, la ministre Ludivine Dedonder a d’ailleurs créé la section Proter, une compagnie spécialisée dans l’aide à la Défense. Il est possible d’envisager des collaborations entre la Défense et la Protection civile afin d’améliorer l’efficacité des interventions et d’explorer de nouvelles possibilités de redéploiement au service de la population. À mon sens, il s’agit d’une piste que vous devriez examiner.
Malheureusement, mon collègue Christophe Lacroix a interrogé votre collègue, M. Francken, sur cette question. Or, celui-ci ne semble pas particulièrement enthousiaste à l’idée de renforcer les missions d’aide à la nation et paraît davantage concentré, pour l’instant, sur les missions de défense de la nation. Pourtant, il faudra également consacrer des moyens dans ce domaine. Il ne sera pas acceptable de maintenir, dans les années à venir, une Protection civile dans l’état où elle se trouve aujourd’hui.
04.05 Jeroen Bergers (N-VA): Mijnheer de minister, bij het begin van de zomer kreunen onze noodcentrales al meerdere jaren door onderbezetting. De hittegolf van dit jaar zorgde voor extra druk. Niet enkel bij het begin van de zomer kampen de noodcentrales met problemen. Burgers kregen de centrale niet aan de lijn, de wachttijden liepen enorm op, wat desastreuze gevolgen met zich brengt. Levensbedreigende en andere dringende situaties worden niet tijdig ondervangen, overbelaste spoeddiensten moeten bijkomende eerstelijnspathologie verwerken en onthaalpersoneel op alle niveaus krijgt een vloedgolf aan klachten en zelfs agressie te verwerken.
Ook de rest van de zomer is elk jaar opnieuw een piekperiode voor onze noodcentrales. We hebben daar in deze commissie al verschillende gesprekken over gevoerd. Bij het vorige begrotingsakkoord werd bovendien 23 miljoen euro extra vrijgemaakt om de aanhoudende problemen aan te pakken. U kondigde tijdens een eerdere bespreking van een van mijn vragen aan dat u een masterplan zou uitvoeren met een focus op vijf punten: de snelle inzet van extra personeel via detachering naar de noodcentrales, in het bijzonder die in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant; efficiëntere aanwervings- en opleidingsprocedures; duidelijkere prioriteitscategorieën voor oproepen naar het nummer 101; een structurele modernisering van de software en een bovenprovinciale werking; en ten slotte de fusie van de verschillende noodnummers. Ondertussen vernamen we via de pers dat het noodnummer 1733 inderdaad zal worden overgeheveld naar uw collega, minister Vandenbroucke. Daarom heb ik de volgende vragen:
Ten eerste, welke gevolgen zal de overheveling van het nummer 1733 hebben?
Ten tweede, hoe zult u de 23 miljoen euro gebruiken die bij het vorige begrotingsakkoord extra werd vrijgemaakt?
Ten derde, hoe staat het met het masterplan en de vijf focuspunten die u zelf tijdens een vorige bespreking in deze commissie hebt aangekondigd?
Ten vierde, houdt u rekening met ons voorstel om meer stappen van de aanwervingsprocedure decentraal in de regionale noodcentrales te organiseren, in plaats van telkens in Brussel?
Ten vijfde, op welke termijn mogen we op het terrein een merkbare verbetering verwachten?
04.06 Catherine
Delcourt (MR): En l'espace de quelques semaines,
notre pays a connu trois canicules, dont une d'une intensité que l'IRM qualifie
d'historique. La plus importante a mis nos services sous une pression
exceptionnelle : les centrales d'urgence ont traité jusqu'au double, voire le
triple, de leur volume habituel d'appels.
Je tiens à saluer l'engagement des
opérateurs des centrales 112, du personnel du Centre de crise et de l'ensemble
des services mobilisés.
Je relève également des avancées importantes
: le renforcement structurel de 17,5 millions d'euros octroyé aux zones de
secours et au service bruxellois dès 2026, ainsi que votre volonté d'intégrer
la technologie du cell broadcast à BE-Alert.
Dans un esprit constructif, je souhaite vous
interroger sur les enseignements de cet épisode :
Quelles leçons tirez-vous du fonctionnement des centrales d'urgence durant la canicule de fin juin, tant sur la montée en charge du 112 que sur la pression exercée sur le 1733 ? Où en est votre ambition de sortir progressivement le traitement du 1733 des centrales 112 d'ici fin 2027 ?
Concernent les alertes à la population, où
en est précisément l'intégration du cell broadcast à BE-Alert, et dans quel
calendrier les citoyens pourront-ils en bénéficier ?
Enfin, comment vos services préparent-ils
structurellement notre sécurité civile à ces phénomènes — canicules,
sécheresses et feux de nature — qui se montrent maintenant de plus en plus
récurrents ?
De voorzitter:
Wensen er collega's aan te sluiten? (Nee)
04.07 Minister Bernard Quintin: Mijnheer de voorzitter, mesdames et messieurs les représentants de la Nation, dank u voor uw belangstelling en voor uw vragen. Ik heb de verschillende vragen thematisch gebundeld.
Het eerste punt is de klimaatverandering. Dat vraagt een geïntegreerde voorbereiding. Van Zuid-Spanje over het bos van Fontainebleau bij Parijs tot de Mechelse Heide, op verschillende plaatsen in Europa werd het de voorbije weken duidelijk hoe snel bosbranden kunnen ontstaan en zich tijdens periodes van extreme droogte en hitte kunnen verspreiden. We stellen vast dat het risicoprofiel van onze samenleving evolueert en dat we ons allemaal beter op extremere weersomstandigheden moeten voorbereiden.
Mijn diensten, waaronder de Algemene Directie Civiele Veiligheid, het Nationaal Crisiscentrum en het Nationaal Orgaan voor de Hulpverleningszones of BBSPB, bereiden zich hierop voor in overleg met onder meer het CERAC, de regionale partners en de FOD Volksgezondheid. Dit vereist een sectoroverschrijdende, interdepartementale en interfederale samenwerking. De voorbereiding op dergelijke risico's kan immers niet door één departement of één beleidsniveau worden gedragen. Daarbij mogen we niet alleen kijken naar de operationele hulpdiensten. Naast een sterkere risicocultuur en een grotere weerbaarheid bij de bevolking moeten ook andere overheden en de privésector hun rol opnemen op het vlak van preventie, paraatheid, crisisrespons en herstel.
Het Nationaal Weerbaarheidsplan of BNRP dat momenteel wordt uitgewerkt onder coördinatie van het Nationaal Crisiscentrum, samen met vele partners, moet die samenwerking versterken. Het plan moet mee zorgen voor een betere afstemming tussen de betrokken actoren, de kwetsbaarheden beperken en zodoende ons collectief vermogen vergroten om grote crisissen op te vangen.
Met betrekking tot de operationele paraatheid van de hulpdiensten gaat de BBSPB er momenteel van uit dat er voldoende personeel en materieel beschikbaar is. De wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid biedt de hulpverleningszones bovendien al de mogelijkheid om samenwerkingsovereenkomsten te sluiten voor de organisatie en uitvoering van hun operationele opdrachten. Die samenwerking moet verder worden aangemoedigd.
Tijdens de vorige legislatuur werd daarnaast een bovenzonale structuur opgezet om middelen en grootschalige interventies beter te coördineren. Het is belangrijk om die solidariteit tussen de hulpverleningszones verder te versterken. Misschien is het ook nodig of nuttig om daarbij aan fusies te denken, want het Belgische lokalisme is toch een probleem.
De coördinatiestructuur die de hulpverleningszones via de BBSPB hebben uitgebouwd, speelt daarbij een centrale rol. Dat maakt het mogelijk om personeel en materieel sneller en efficiënter in te zetten, over de operationele en administratieve grenzen van de zones heen.
De hulpverleningszones moeten daarnaast risicoanalyses uitvoeren die rekening houden met de gevolgen van de klimaatverandering. Op basis van die analyses kunnen ze investeringsplannen voor materieel en personeel uitwerken en die ter goedkeuring voorleggen aan hun zoneraad.
Wat de bijkomende middelen voor de hulpdiensten betreft, herinner ik u eraan dat de federale financiering van de hulpverleningszones en de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp vanaf 2026 structureel met 17,5 miljoen euro werd verhoogd. Vanaf 1 januari 2027 zullen die dotaties bovendien automatisch worden geïndexeerd.
De Civiele Bescherming beschikt vandaag nog over het nodige materieel, maar wordt vooral steeds meer geconfronteerd met een daling van het operationele personeelsbestand.
Donc, tant au niveau des professionnels que des volontaires. J’ajoute que des procédures sont en cours pour renforcer le cadre volontaire, mais je reviendrai en fin d’intervention sur la Protection civile parce qu’en effet, des choix doivent être faits.
Ik beantwoord meteen ook de vraag van de heer Bergers over de besteding van de 23 miljoen euro die tijdens het begrotingsconclaaf eind 2025 werd toegekend. Dat budget zal integraal worden ingezet voor de modernisering van de systemen van de noodcentrale, zoals voorzien in het regeerakkoord.
Het gaat in het bijzonder om de noodzakelijke upgrade van de software van de CIC's 101 en om de verdere integratie van communicatie- en informatiemiddelen voor zowel de noodcentrale als de CIC's. Ik herinner eraan dat ik naar één noodnummer wil gaan, namelijk 112, het Europese noodnummer. Die investeringen moeten de technische samenwerking tussen de noodcentrales en de hulp- en veiligheidsdiensten structureel versterken en ervoor zorgen dat informatie in de toekomst sneller, veiliger en efficiënter kan worden uitgewisseld.
Wat de waarschuwingen aan de bevolking betreft, de bevolking snel en doeltreffend informeren bij noodsituaties is essentieel. Het Nationaal Crisiscentrum werkt daarom permanent aan de verdere optimalisering van BE-Alert en past het systeem aan wanneer dat nodig is.
Ook tijdens de hittegolf werd BE-Alert op grote schaal ingezet om burgers te waarschuwen voor de uitzonderlijke hitte en het risico van onweer. In totaal werden 7.611.673 locatiegebaseerde sms-berichten en 304.637 sms-berichten verstuurd. Daarnaast ontvingen ingeschreven gebruikers 15.676 spraakoproepen en 2.425.647 e-mails. Dankzij die grootschalige communicatiecampagnes konden veel burgers tijdig de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, want bij een noodsituatie telt elke seconde en kan tijdige informatie levens redden. Daarover ben ik het dus met u eens, mevrouw Daems.
Bij zeer grootschalige alarmeringscampagnes kunnen vertragingen in de aflevering van berichten helaas niet volledig worden uitgesloten. De verzending van miljoenen sms-berichten botst op de beschikbare capaciteit van de mobiele netwerken. Bij e-mails kan de vertraging nog groter zijn, omdat grote mailproviders zoals Microsoft, Google en Apple uitzonderlijke verzendvolumes automatisch onderwerpen aan uitgebreide controles op spam en phishing.
De omvang en de timing van BE-Alertcampagnes zijn bovendien moeilijk vooraf te voorspellen. Daardoor kunnen mailoperatoren een uitzonderlijk grote verzending niet altijd vooraf herkennen als legitieme noodcommunicatie. De berichten worden dan bijkomend gecontroleerd, wat de aflevering kan vertragen. Deze beperkingen bevinden zich niet binnen het BE-Alertplatform zelf, maar verderop in de distributieketen.
Dat neemt niet weg dat dergelijke vertragingen een uitdaging blijven wanneer de bevolking snel en op grote schaal moet worden gewaarschuwd. Het Nationaal Crisiscentrum evalueert daarom elke campagne en stuurt het systeem permanent bij. Concreet zal het samen met het BIPT en de betrokken mailoperatoren onderzoeken hoe noodberichten sneller en met voorrang kunnen worden afgeleverd.
Tegelijk moeten we erkennen dat de huidige communicatiekanalen, sms, e-mail en gesproken oproepen, altijd met bepaalde capaciteitsgrenzen zullen worden geconfronteerd. Een verdere technologische versterking is daarom noodzakelijk. BE-Alert kan vandaag al worden gekoppeld aan externe toepassingen die waarschuwingen onmiddellijk tonen. Tijdens recente campagnes ontvingen sommige burgers de e-mail met vertraging, terwijl hetzelfde bericht wel meteen zichtbaar was via Mijn StadsApp. Daarom heb ik het Nationaal Crisiscentrum gevraagd om de cel broadcasttechnologie in BE-Alert te integreren. Daarmee kan een waarschuwing rechtstreeks en vrijwel onmiddellijk naar alle compatibele mobiele toestellen binnen een afgebakend gebied worden gestuurd, zonder elk telefoonnummer afzonderlijk te moeten contacteren.
Die technologie is essentieel om de bevolking ook bij zeer snelle en grootschalige noodsituaties snel en doeltreffend te kunnen waarschuwen. Ik werk momenteel aan de budgettaire oplossing. Daarnaast lopen de besprekingen met het BIPT en de mobiele netwerkoperatoren. De implementatie bij hen kan ruim twee jaar duren. Vooral op het niveau van de operatoren zullen investeringen en technologische werkzaamheden nodig zijn, naast de rol van de voornaamste smartphoneproducenten bij de configuratie van toestellen.
À propos de la coordination, en Belgique, trois autorités sont compétentes en matière de gestion de crise: les bourgmestres au niveau communal, les gouverneurs au niveau provincial et, au niveau fédéral, votre serviteur, le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur. Chacune peut assurer la coordination stratégique d'une situation de crise, soit en déclenchant formellement une phase de gestion de crise, soit en facilitant la concertation entre les différents acteurs lorsque la situation l'exige. Les conditions de déclenchement d'une phase sont fixées par l'arrêté royal du 22 mai 2019 relatif à la planification d'urgence et à la gestion des situations d'urgence. Il me semble essentiel de rappeler que l'activation d'une phase de gestion de crise ne modifie pas la répartition des compétences. Chaque autorité et chaque service demeurent pleinement responsables de l'exercice de leurs missions. Les différents départements fédéraux et fédérés ont d'ailleurs assumé leurs responsabilités tout au long de cet épisode.
Le 22 juin 2026, le Risk Management Group, organe interne du SPF Santé publique, a constaté que les conditions étaient réunies pour activer le niveau d'alerte du Plan national fortes chaleurs et pics d'ozone. Conformément aux procédures en vigueur, le SPF Santé publique a immédiatement informé le Centre de crise national. Compte tenu des conséquences potentielles de cette vague de chaleur au-delà du seul secteur de la santé, le Centre de crise national a réuni, dès le lendemain matin, l'ensemble des partenaires fédéraux et fédérés concernés afin d'établir une vision commune de la situation, d'assurer une coordination étroite et d'identifier, le cas échéant, des mesures complémentaires à prendre.
Il est toutefois essentiel de préciser que, malgré son intitulé et l'emploi de l'expression "activation de la phase d'alerte", le Plan fortes chaleurs et pics d'ozone n'est pas un plan d'urgence national. Il s'agit d'un plan sectoriel relevant du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, spécifiquement consacré à la protection de la santé de la population, en particulier des personnes les plus vulnérables. Ce plan prévoit trois niveaux successifs: la vigilance, l'avertissement et l'alerte. L'activation de la phase d'alerte dans ce cadre sectoriel n'entraîne donc pas automatiquement le déclenchement d'une phase fédérale de gestion de crise. Pendant cette phase, le SPF Santé publique reste responsable de la coordination et de la mise en œuvre des mesures destinées à limiter les effets de la chaleur et des pics d'ozone sur la santé. Il transmet également les informations utiles au Centre de crise national et aux centres de crise des entités fédérées.
Dans ce contexte, le Centre de crise national a facilité les échanges et la concertation entre les différents partenaires. Des réunions de coordination avec les autorités fédérales et fédérées ont été organisées les 23, 24, 26 et 28 juin 2026. Des concertations spécifiques avec les gouverneurs ont également eu lieu les 23, 25 et 26 juin.
À aucun moment, ces échanges n'ont fait apparaître la nécessité de déclencher une phase fédérale.
Aucune autre autorité compétente n'avait d'ailleurs activé de phase de gestion de crise. Les gouverneurs ont néanmoins assuré une coordination informelle efficace. Ils ont notamment mené un important travail de sensibilisation auprès de la population et des organisateurs d'événements, tout en veillant à la protection des personnes les plus vulnérables. L'approche retenue était donc proportionnée, ciblée et conforme aux mécanismes existants.
Enfin, le Conseil national de sécurité ne fait pas partie des structures prévues dans le cadre du Plan national d'urgence. Il a exceptionnellement joué un rôle élargi durant les premiers mois de la crise du covid-19. Il intervient, en principe, sur convocation du premier ministre, dans les matières liées aux services de renseignement et de sécurité ainsi qu'à la sécurité nationale. Le Centre de crise national a principalement joué un rôle de relais et d'amplification des communications déjà diffusées par les autres services publics. Les différents acteurs ont par ailleurs démontré qu'ils étaient en mesure de continuer à exercer pleinement leurs propres compétences. Au-delà des réunions de coordination, l'action du Centre de crise national s'est donc surtout concentrée sur la sensibilisation de la population et des organisateurs d'événements, ainsi que sur la protection des groupes les plus vulnérables. Ces priorités ont également guidé les échanges avec les gouverneurs.
La situation liée à la chaleur dans certains établissements pénitentiaires a également été abordée lors des réunions. Si les mesures relevaient principalement de la compétence de la DG EPI, des moyens de refroidissement complémentaires ont ponctuellement été mis à disposition dans certaines prisons avec l'appui des zones de secours.
Ik kom bij de werking van de noodcentrales. Wat de noodoproepen betreft, wil ik eerst een belangrijk onderscheid maken. Er zijn twee nummers met een verschillend doel: 112 voor dringende noodsituaties en 1733 voor niet-dringende medische oproepen. Dat laatste nummer valt volledig onder de bevoegdheid van de FOD Volksgezondheid.
Vandaag komen de oproepen naar 1733 echter eerst terecht bij de operatoren van de 112-noodcentrales. Dat betekent dat dezelfde operatoren zowel dringende als niet-dringende oproepen moeten behandelen. Tijdens piekmomenten, zoals de hittegolf eind juni, legt dat een bijkomende druk op de 112-noodcentrales en dreigt de behandeling van echte noodoproepen vertraging op te lopen. Daarom heb ik in juni 2025, dus meer dan een jaar geleden, de minister van Volksgezondheid gevraagd om de afhandeling van het nummer 1733 volledig onder te brengen bij Volksgezondheid, waar die bevoegdheid ook thuishoort. Dat zou de 112-noodcentrales ontlasten en ervoor zorgen dat zij zich maximaal kunnen concentreren op hun kerntaak: het beantwoorden van dringende noodoproepen. Het wegnemen van de 1733-oproepen bij de noodcentrales zal een rechtstreekse impact hebben op de werklast van het personeel. Op die manier kunnen de operatoren zich maximaal concentreren op hun kerntaak, namelijk het beantwoorden van noodoproepen.
Mijnheer Bergers, wat de lokale werving betreft, kan ik u meedelen dat we in de praktijk de selectie dichter bij de gebruikers brengen in plaats van de kandidaten naar Brussel te laten komen. Op die manier willen we het aantal kandidaten verhogen. Het masterplan is een optimalisatiestructuur die al tijdens de vorige legislatuur is opgestart. Bij de start van deze legislatuur heb ik onmiddellijk de richting bepaald waarin we verder moeten gaan op basis van de scenario's die in het masterplan werden voorgesteld. Een groot deel van de oplossingen uit dat plan zijn al geïmplementeerd en op het terrein al voelbaar voor de burger.
Voor de volledigheid geef ik de tijdlijn van de geplande overdracht van 1733 aan Volksgezondheid. Op 25 juni 2025 heb ik de voorzitter van het masterplan noodcentrales voor het eerst schriftelijk gevraagd om een duidelijke scheiding te maken tussen dringende en niet-dringende oproepen. Daarbij heb ik voorgesteld om de oproepen naar 1733 uit de 112-noodcentrales te halen.
Op 23 oktober 2025 vond hierover overleg plaats tussen mij en mijn collega. Minister Vandenbroucke gaf toen aan te willen onderzoeken of 1733 voortaan in eigen beheer en buiten de structuur van de 112-noodcentrales kon worden georganiseerd. In december 2025 ondertekende hij het protocolakkoord over 1733 voor 2026 niet. Voor ons was dat een duidelijk signaal dat Volksgezondheid de organisatie van 1733 zelf wilde overnemen.
Op 2 februari 2026 heb ik minister Vandenbroucke schriftelijk bevestigd dat de overdracht van 1733 aan Volksgezondheid voor het einde van 2026 moest worden afgerond. Op 2 juni vond overleg plaats tussen onze kabinetten om het verdere verloop te bespreken. Op 1 juli volgde een overleg op het kabinet van Volksgezondheid. Op 7 juli van dit jaar heb ik die overdracht opnieuw bevestigd tegen 1 januari 2028. Tegelijk werd afgesproken om de voorbereidingen vanaf september verder te bespreken tijdens een interkabinettenoverleg op 9 september. Voor mij is het duidelijk: oproepen naar 1733 horen niet thuis in de 112-noodcentrales.
Je pense que les circonstances de ces dernières semaines ont démontré que les appels urgents au 112, quand des vies sont souvent en jeu, doivent toujours pouvoir être traités en priorité. De la même manière, les patients qui contactent le 1733 méritent également une réponse rapide et adaptée, tandis que les médecins ont besoin d’un système de triage efficace et approprié.
J’ai entendu les appels de certains, dont celui de mon collègue, le ministre de la Santé, m’invitant à assumer mes responsabilités. C’est précisément ce que je fais. Je me permets donc de leur retourner ce message, y compris à mon estimé collègue de la Santé: les Belges doivent pouvoir être protégés efficacement, quel que soit le numéro qu’ils composent.
Met betrekking tot de toekomstige organisatie van het nummer 1733 verwijs ik u dus naar mijn collega bevoegd voor Volksgezondheid.
Zoals ik al eerder heb toegelicht in antwoord op parlementaire vragen is het mijn ambitie om uiteindelijk te evolueren naar een systeem met slechts twee nummers, enerzijds een nummer 112 voor alle dringende oproepen, medische hulp, brandweer en politie en anderzijds een afzonderlijk nummer voor alle niet-dringende hulpvragen. Ik zal later terugkomen op hoe we dat kunnen organiseren, mijnheer Vandemaele.
In dezelfde logica wil ik ook paal en perk stellen aan niet-dringende oproepen die via allerlei omwegen toch bij de noodcentrales terechtkomen. Vandaag bestaat er geen volledig overzicht van systemen zoals nachtbelvoorzieningen bij politiezones, lokale wachtnummers of deurbellen aan commissariaten die rechtstreeks of onrechtstreeks naar de noodnummers worden doorgeschakeld. Mijn standpunt is duidelijk: wanneer er geen sprake is van een dringende vraag om politiehulp, hoort de oproep niet thuis in de noodcentrale. Daarom wil ik werk maken van een uniforme federale richtlijn. Het doel is een helder en eenvoudig systeem. De noodcentrales moeten maximaal beschikbaar blijven voor echte noodsituaties, terwijl niet-dringende vragen via afzonderlijk geschikte kanalen worden afgehandeld.
Collega's, ik wil in de eerste plaats mijn grote waardering uitspreken voor de medewerkers van de 112-noodcentrale. Zij hebben zich in bijzonder moeilijke omstandigheden maximaal ingezet om elke burger zo goed mogelijk te helpen. Tijdens het weekend van 27 en 28 juni hebben in totaal 30 medewerkers vrijwillig extra shiften opgenomen om de noodcentrale te versterken, terwijl zij ook zelf de gevolgen van de hitte ondervonden, zowel op de werkvloer als in hun persoonlijke omgeving. Hun inzet, flexibiliteit en verantwoordelijkheidszin verdienen onze uitdrukkelijke dank en erkenning. Kritiek op de calltakers is dan ook volkomen misplaatst en onverantwoord.
Je me permets ici une incise. J'ai entendu certains appeler à réquisitionner des agents – ce qui m'a, du reste, permis d'apprendre le verbe opvorderen. Des renforts substantiels, comme je vous l'ai dit, ont bel et bien été pleinement mobilisés. Ils l'étaient, au demeurant, encore le week-end dernier, sans qu'il fût nécessaire de les réquisitionner. Je tiens à les remercier toutes et tous à nouveau.
Il faudra toutefois qu'on m'explique comment je peux réquisitionner des gens qui n'existent pas. Nous sommes en effet confrontés à un tekort, que nous travaillons à remplir. Néanmoins, pour accomplir ce travail, je ne peux pas me contenter d'arrêter la première personne dans la rue pour lui demander son aide. C'est un métier difficile, qui demande des nerfs solides et une formation adaptée. Si certains parmi vous doutent de la difficulté de ce travail, je les invite à imiter ce que je fais de temps en temps, en français comme en néerlandais: prendre ne fût-ce que dix minutes pour regarder l'une des émissions sur les noodcentrales, de façon à comprendre la réalité de ce métier. J'en regardais justement une il y a quelques jours, pour me mettre un peu dans le bain. Je puis vous dire que répondre à l'appel d'une mère qui crie, qui pleure et à qui vous devez indiquer comment pratiquer un massage cardiaque à son enfant qui ne respire pas, cela ne se fait pas aisément. Ce n'est pas facile, cela demande un important waardering de leur travail, mais aussi beaucoup de soutien, ainsi qu'une formation adéquate.
Dès lors, abstenons-nous d'évoquer des solutions faciles – les "y'a qu'à faut qu'on", les "on prend", "on réquisitionne", etc. We moeten een beetje serieus blijven, et nous pourrons ainsi tous travailler plus tranquillement.
U verwees naar de uitspraak van mijn collega dat de wachttijd opliep tot tien minuten. Daarbij moet wel de volledige context worden gegeven. Tijdens dat piekmoment kwamen er op één uur tijd ongeveer 4.000 oproepen binnen. Dat zijn bijna 67 oproepen per minuut. Dat is een uitzonderlijk groot volume. Bij een dergelijke toestroom kunnen wachttijden niet volledig worden vermeden, zelfs niet wanneer bijkomende operationele medewerkers worden ingezet.
Onze opdracht blijft uiteraard om de wachttijden op het noodnummer 112 zo beperkt mogelijk en op een aanvaardbaar niveau te houden. Daarom wil ik ook de gemiddelde cijfers over het volledige weekend benadrukken. Tijdens de hitteperiode werd nog steeds 70 tot 80 % van alle oproepen binnen de 60 seconden beantwoord. Volgens de informatie die mij werd bezorgd, bedroeg tijdens de periode van vrijdag 26 tot en met zondag 28 juni 2026 de gemiddelde wachttijd 61 seconden.
Van alle afgehandelde oproepen vereisten 8.068 oproepen de inzet van een of meerdere medische interventiemiddelen. Bovendien waren er 1.993 multidisciplinaire oproepen waarbij naast andere hulpdiensten ook de medische discipline werd ingezet.
Ter vergelijking geef ik mee dat op een normale weekenddag onze operatoren ongeveer 6.000 oproepen behandelen. Tijdens het bewuste weekend liep dat aantal op tot ongeveer 12.000 oproepen. Op zondag kregen de noodcentrales door de storm bijna drie keer zoveel oproepen te verwerken als op een gewone dag. Die cijfers tonen duidelijk hoe sterk de werklast in de noodcentrales is toegenomen. De storm kwam bovenop de al uitzonderlijk hoge druk als gevolg van de hittegolf.
Voor de basiscapaciteit moeten wij een onderscheid maken. Als daarmee wordt bedoeld dat de vastgelegde personeelskaders volledig moeten worden ingevuld en op peil gehouden, ben ik het daarmee eens. Wij stellen alles in het werk om dat te realiseren. Als daarentegen wordt gepleit voor een permanente verhoging van de basiscapaciteit ongeacht de verwachte oproepvolumes, deel ik die analyse niet. De reguliere personeelsbezetting wordt afgestemd op de normale werking en op de volumes die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
Bovendien beperkt de uitzonderlijke druk zich niet tot de noodcentrales. Het gaat om een hele keten. Ook de ambulancediensten, spoeddiensten en ziekenhuizen werden zwaar belast. Meer behandelde noodoproepen leiden immers ook tot meer ambulance-interventies en meer opnames op de spoeddiensten. Daar zit een zekere logica in.
De capaciteit van de noodcentrales kan daarom niet los worden gezien van de beschikbare middelen in de rest van de dringende medische hulpverlening. Wanneer meer oproepen worden verwerkt dan de keten operationeel kan opvangen, dreigen burgers langer op hulp te moeten wachten of kan er tijdelijk geen ambulance beschikbaar zijn. Dat hebben wij ook gezien bij de tijdelijke sluiting van bepaalde spoeddiensten.
Het huidige systeem is dan ook opgebouwd als een keten waarin het aantal behandelde oproepen in evenwicht moet blijven met het aantal beschikbare interventiemiddelen.
Een structurele oplossing vereist daarom niet alleen voldoende calltakers, maar ook voldoende capaciteit in de volledige gezondheidsketen. Ik heb mijn administratie gevraagd om zodra het KMI code oranje of rood afkondigt wegens hitte, de noodcentrales maximaal te versterken. Medewerkers worden daarbij gevraagd extra shiften op te nemen of shiften te ruilen, zodat de personeelsbezetting tijdens de piekmomenten kan worden verhoogd.
Voor de oproepafhandeling in de noodcentrales bedraagt de personeelsbezetting volgens het personeelsregister van de FOD Binnenlandse Zaken 109 % van het vastgestelde personeelskader. In de praktijk ligt de effectief inzetbare operationele personeelscapaciteit echter lager. Na aftrek van onder meer langdurige afwezigheden wegens ziekte, loopbaanonderbrekingen en andere niet-operationele afwezigheden bedraagt de inzetbare capaciteit momenteel 82 % van het vastgestelde personeelskader. Dankzij de lopende aanwervingsprocedure zal dat percentage naar verwachting stijgen tot 86 %.
Wat het personeel voor de 1733-afhandeling betreft, zijn begin 2025 middelen door de collega bevoegd voor Volksgezondheid ter beschikking gesteld voor 93 betaalde voltijdsequivalenten. Het protocol dat de voorwaarden vastlegt waaronder deze 93 medewerkers worden ingezet, werd niet ondertekend door de minister van Volksgezondheid voor 2025 en 2026, terwijl dat tot en met 2024 wel het geval was.
Het blijft uiteraard de bedoeling om de personeelsbezetting van de 112-noodcentrales verder te versterken en het aantal operationele voltijdsequivalenten dichter bij het vastgestelde personeelskader te brengen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de geplande overname van de afhandeling van de 1733-oproepen door Volksgezondheid. Ik hoop dat ik hiermee op al uw vragen een duidelijk antwoord heb gegeven.
Je voudrais revenir, si vous me le permettez, à quelques questions qui ont été posées. Sur la dotation aux pompiers, j'ai répondu. Il y a une augmentation de la dotation à 17,5 millions: 10 millions pour le SIAMU et 7,5 millions pour les autres zones, ainsi qu'une indexation particulière.
Ik zal niet veel zeggen over de voorzitter van die federatie, kolonel Gilbert, die soms meer aan politiek doet dan iets anders. Ik zeg nogmaals dat iedereen zijn of haar verantwoordelijkheden moet nemen. Er zijn misschien nog veel te veel hulpdienstenzones in ons land. Ik heb hem horen zeggen dat hij er niets aan kan doen als de branden of andere problemen zich tijdens het weekend voordoen. Hij zei dat er problemen waren, maar dat dat zijn fout niet is.
Mijnheer Vandemaele, ik zal u misschien verbazen, maar ik ben het volledig met u eens. We moeten een antwoord bieden op de noden van onze burgers. De noden van onze burgers staan centraal.
Pour la Protection civile, monsieur Thiébaut, je travaille en effet à son avenir. Grosso modo, deux ou trois possibilités s'offrent à nous. C'est un engagement que j'ai pris vis-à-vis de la Protection civile, tant de leurs deux colonels que de leur personnel. Je vais venir à la rentrée avec un plan clair pour qu'un avenir soit tracé. Vous avez donné l'exemple français d'une Protection civile qui, tout en étant logée à l'armée, reste sous l'autorité opérationnelle du ministre de l'Intérieur. C'est un modèle. Il existe des modèles de refinancement. En tous cas, ce qui est clair, c'est que l'on doit leur donner des perspectives.
Ik antwoord hiermee ook op de vragen en opmerkingen van mevrouw Daems.
En tout cas, nous devons être bien clairs: la Protection civile vient en deuxième ligne. Elle ne doit pas venir en première ligne, ne doit pas disposer des mêmes moyens que les zones de pompiers et ne doit pas avoir le même temps d'intervention que celles-ci.
Ze heeft specifieke opdrachten en specifiek materieel.
Je sais que nous n'avons pas forcément le même avis sur le nombre de casernes, mais je pense qu'il faut vraiment voir comment nous pouvons procéder, avec des zones de secours bien structurées et équipées du matériel idoine. Cela fait partie de mon nouveau dessin de l'architecture de sécurité. Je vous en reparlerai certainement bientôt.
Het is ook niet waar, zoals sommigen beweren, dat het materieel niet beschikbaar is. Onze hulpverleningszones hebben voor wie dat nodig heeft ook nieuw materieel kunnen aankopen, bijvoorbeeld voor de bestrijding van bosbranden. Dat is een nieuwe uitdaging.
Nous faisons, bien sûr, face à un changement climatique dont nous devrons gérer au mieux les effets qui sont bien réels: inondations survenues il y a cinq ans et feux de forêt, de fagne ou de végétation qui deviennent de plus en plus courants. C'est pourquoi nous avons mis au point cette année la formation de cinq équipes de pilotes et de techniciens pour les hélicoptères de la police fédérale qui pourront désormais utiliser les réservoirs Bambi Bucket pour lutter contre ces incendies.
D'ailleurs, nos équipes sont si bien formées qu'elles ont déjà été mises à disposition de nos collègues néerlandais à deux ou trois reprises durant mon mandat, notamment pour maîtriser des feux de forêt dans le Limbourg néerlandais, si ma mémoire ne me trompe pas. Donc, oui, il faut agir.
À la rentrée, je ne manquerai pas de venir échanger avec vous sur les perspectives à donner à la Protection civile, afin de lui assurer l'avenir qu'elle mérite. Je vous remercie de votre attention.
04.08 Ridouane Chahid (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse longue, claire et, disons-le, assez précise. Toutefois, nous déplorons 1 222 décès, Or le Conseil national de sécurité ne se réunit pas. Pourquoi? Parce que ce cas de figure n'est pas inscrit dans le protocole d'intervention et qu'il aurait fallu une démarche formelle du premier ministre. Face à la gravité de la situation, j'estime que le premier ministre aurait dû convoquer le Conseil national de sécurité, ne fût-ce que pour dresser un état des lieux de la situation. Pourtant, durant la crise du covid, alors même que le protocole de l'époque ne prévoyait pas non plus de réunion du Conseil national de sécurité, celui-ci s'est réuni.
Vous avez également évoqué les effectifs. J'entends que vous disposez d'un planning. Le problème réside, encore une fois, dans la question des moyens et dans la question budgétaire. Vous n'avez pas été assez précis sur ce point aujourd'hui. J'acte que vous avez une vision et j'espère que vous reviendrez vers nous avec des trajectoires budgétaires plus précises. C'est en effet un métier en soi, et je vous rejoins sur ce point. Tout le monde ne peut évidemment pas s'autoproclamer téléphoniste, capable de garder son sang-froid et d'apporter les réponses adéquates. Vous avez raison, et j'espère par conséquent que vous prendrez les mesures qui s'imposent pour recruter du personnel à cet effet.
Pour ce qui concerne la Défense, nous n'avons obtenu aucune réponse. Vous nous dites ne pas avoir la capacité de réquisitionner tout un chacun pour rejoindre la centrale du 112. C'est vrai.
Toutefois, vous avez eu celle de réquisitionner des militaires pour les mettre dans la rue. Vous auriez pu le faire pour soutenir nos pompiers et la Protection civile et apporter de réelles réponses sur le terrain.
Après, vous avez apporté un certain nombre de réponses à toutes nos questions, et je vous en remercie. Je ne vais pas m'épancher sur la question de la responsabilité pour les numéros 1733 et 112, dans la mesure où je suis plus d'accord avec vous qu'avec votre collègue de la Santé.
04.09 Greet Daems (PVDA-PTB): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. Vandaag hebben we bij de opening van de plenaire vergadering een minuut stilte gehouden ter nagedachtenis van de slachtoffers van de overstromingen van 2021. De beste manier om hen te eren is ervoor zorgen dat we voorbereid zijn op een volgende ramp. Die zal er ongetwijfeld komen. Voorbereid zijn, betekent investeren in paraatheid. U hebt hier opnieuw verwezen naar de bijna 20 miljoen euro extra die de brandweer jaarlijks zal krijgen. Op het terrein hoor ik echter dat daarvan onvoldoende naar extra personeel gaat. Zij smeken om extra mensen, materiaal en een langetermijnvisie.
04.10 Minister Bernard Quintin: U spreekt over de dotatie, maar de dotatie is slechts een deel van wat de hulpverleningszones krijgen. Ook de lokale overheid geeft dotaties.
04.11 Greet Daems (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, ik zeg u wat ik op het terrein hoor. Zij smeken om extra mensen, materiaal en een langetermijnvisie. Tijdens de hittegolf van vorige maand moest de Brusselse brandweer niet-dringende opdrachten uitstellen door de plotse explosie van interventies als gevolg van het noodweer. Dat toont aan hoe snel de capaciteit onder druk komt te staan wanneer extreem weer toeslaat.
Voorbereid zijn, betekent echter ook dat burgers tijdig moeten worden gewaarschuwd. Een BE-Alert dat pas uren of zelfs dagen te laat aankomt,of in een spamfolder terechtkomt, mist zijn doel. Daarom vind ik het bijzonder positief dat u eindelijk werk zult maken van de overstap naar cell broadcast. Als de klimaatverandering ertoe leidt dat hittegolven, overstromingen en natuurbranden steeds vaker voorkomen, dan moeten we beschikken over de meest performante waarschuwingstechnologie.
Tegelijk mogen we niet doen alsof een waarschuwingsbericht op zich volstaat. Mensen beschermen tegen extreem weer vraagt ook structurele investeringen in sterke hulpdiensten, een performante Civiele Bescherming en een ambitieus beleid dat onze samenleving weerbaar maakt tegen de gevolgen van de klimaatverandering. We mogen dus niet alleen reageren wanneer een ramp zich voordoet. We moeten er vooral voor zorgen dat onze hulpdiensten én onze bevolking voorbereid zijn voordat de volgende ramp toeslaat.
04.12 Matti Vandemaele (Ecolo-Groen): Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw zeer uitgebreide antwoord. Uw antwoord verbaast mij eigenlijk niet. Het is het antwoord dat ik van u verwacht had en dat bedoel ik positief.
Er zijn veel zaken die ik steun. Werk maken van één nummer en alles naar 112 leiden, lijkt mij een heel goed idee. Het nummer 112 inzetten waarvoor het bedoeld is, namelijk dringende hulp, lijkt mij eveneens een zeer goed idee. Al die andere kleine taken die eraan verbonden zijn, afschaffen, lijkt mij ook een zeer goed idee. U zegt terecht dat u daar niet zomaar om het even wie kunt inzetten. Er is een zekere scholing nodig om dat op een goede manier te doen. Dat is natuurlijk meer dan waar.
Dat brengt ons bij minister Vandenbroucke. Als ik het artikel op de VRT opnieuw lees, vind ik het echt gênant wat hij daar heeft gezegd. Hij heeft in dat artikel eigenlijk geïnsinueerd dat hij als minister van Volksgezondheid alles doet wat hij moet doen, maar Bernard Quintin krijgt het niet geregeld. Daar komt het artikel op neer. De heer Quintin kan het niet en het is zijn schuld. Dat is toch een beetje goedkoop scoren van Vooruitminister Vandenbroucke. Ik vind dat eigenlijk nogal triest.
In hetzelfde artikel heeft hij het ook over 6,6 miljoen euro die hij vandaag aan de noodcentrales betaalt. Ik vermoed dat het gaat om het protocol waarover hij spreekt. Hij heeft echter gezegd dat hij dat protocol voor 2025 en 2026 niet heeft ondertekend en dus ook niet heeft betaald. Hij gebruikt voor het nummer 1733 dus de diensten van de noodcentrales, zegt vervolgens dat het de schuld is van minister Quintin en betaalt bovendien niet. Ik zou toch eens een hartig woordje met die man spreken, want dat is nogal triest.
Mijn laatste punt betreft de afstemming met 1733. Ik begrijp uw redenering om dat volledig af te splitsen, maar ik vind het erg belangrijk dat er systemen bestaan waardoor dringende oproepen die daar toch binnenkomen, goed kunnen worden doorgeschakeld naar de reguliere 112, zodat dat op een correcte manier gebeurt.
Tot slot kom ik terug op de vertragingen bij BE-Alert. Ik ben daarover niet tussengekomen, maar mijn aandacht werd getrokken toen ik hoorde dat minister Matz daar gewoon een tandje moet bijsteken. Dat zal ook de operatoren tot actie verplichten. Ik ben blij dat u dat via het BIPT doet, maar het BIPT staat niet echt bekend als een instelling die vaak de kant van de overheid of de consument kiest. Het staat vooral bekend als een instelling die nogal graag de kant van de operatoren kiest. Ik zou minister Matz daar dus goed op laten toezien, zodat er actie komt die wij als overheid belangrijk vinden en die niet noodzakelijk de belangen van de telecomoperatoren verdedigt.
04.13 Éric Thiébaut (PS): Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses détaillées et complètes. Concernant la Protection civile, vous avez annoncé que vous nous reviendriez à la rentrée avec un plan de redéploiement ou plutôt avec des suggestions. Vous rencontrerez aussi les directions, si j'ai bien entendu.
Nous avons déjà perdu beaucoup de temps. Mme Verlinden a recouru à des évaluations et institué des groupes de travail. La question a été énormément encommissionnée. Une étude a été produite conjointement par deux universités. La réforme a également été évaluée. Nous avons déjà produit de très nombreux éléments pour pouvoir avancer sur ce dossier. Je pense que l'urgence est là. Il y a cinq ans déjà, on avait constaté que, sur le terrain, la Protection civile avait pu mobiliser une centaine de personnes alors que, précédemment, elle aurait pu en mobiliser le double. Selon moi, au vu des circonstances que nous avons connues à ce moment-là, le nombre de personnes disponibles sur le terrain est fondamental pour l'efficacité, le déploiement, la capacité d'action et en vue d'aider les gens qui sont en difficulté.
Revenons également sur le nombre de casernes. Vous prenez acte de notre désaccord à ce sujet, mais il est bien évident que le nombre de volontaires a diminué à cause de la diminution du nombre de casernes et de leur mauvaise localisation. Les volontaires qui s'entraînaient, par exemple, à Ghlin ne vont pas vouloir aller s'entraîner à Crisnée, à deux heures de route de là. C'est beaucoup plus compliqué. Il y a donc des gens qui étaient volontaires et qui, finalement, ont abandonné.
Par ailleurs, vous devez aussi veiller à pérenniser la Protection civile. En effet, comme son avenir est en questionnement pour l'instant, de très nombreux agents sont tentés de basculer vers les zones de secours. Nous risquons donc, à un moment donné, de perdre tout un savoir-faire et toute une capacité sur le plan des ressources humaines pour la Protection civile. Je vous demande dès lors, encore une fois, d'agir rapidement pour venir avec des propositions.
Je terminerai en ajoutant que la piste du rattachement à l'armée est intéressante aussi en raison du fait qu'on parle beaucoup des 2 % du PIB qui doivent lui être consacrés. Ce rattachement serait une façon d'alimenter ces 2 % selon nos obligations vis-à-vis de l'OTAN, en transférant à la Défense le budget y afférent, tout en maintenant l'autorité du ministre de l'Intérieur sur l'action de cette Protection civile.
04.14 Jeroen Bergers (N-VA): Dank u wel voor uw zeer uitgebreide antwoord, mijnheer de minister.
Mevrouw Daems, de indexatie van de dotaties voor de hulpverleningszones heeft deze regering, met deze minister, wettelijk verankerd. Als u op het terrein andere geluiden hoort en daar blijkbaar wat door verrast bent, kunt u misschien ook wijzen op die wetgeving die dit Parlement al heeft goedgekeurd.
Mijnheer de minister, voor de BE-Alert-berichten ben ik het eens met de heer Vandemaele dat we meer druk moeten uitoefenen op de telecomoperatoren. Een suggestie die in de praktijk misschien al kan helpen, is dat, zeker in de regio Brussel, BE-Alert-berichten zowel in het Nederlands als in het Frans in één sms worden verstuurd. Dat zorgt ervoor dat er – u hebt de cijfers vermeld – miljoenen sms-berichten minder moeten worden verstuurd, waardoor het netwerk minder wordt belast.
Bovendien zijn de BE-Alert-berichten dan in overeenstemming met de taalwetgeving. We moeten het goede voorbeeld geven. Vandaag gebeurt het heel vaak dat de Nederlandstalige sms pas uren later aankomt dan de Franstalige, wat niet in overeenstemming is met de taalwetgeving. Ik wil gerust geloven dat er slechts tien of vijftien minuten zitten tussen de tijdstippen waarop beide berichten worden verstuurd. Wanneer het netwerk echter zwaar overbelast is, kan het een suggestie zijn om BE-Alert efficiënter te laten werken. Het drukt trouwens ook de kostprijs van die verzendingen door het bericht in beide talen in één sms te versturen.
U hebt verklaard dat u het budget van 23 miljoen euro dat u bij het vorige begrotingsconclaaf hebt verkregen, investeert in de modernisering van de techniek. Dat lijkt mij een goede zaak. We merken vandaag ook vaak dat, als oproepen van de ene noodcentrale naar andere noodcentrales worden doorgeschakeld waar wel capaciteit beschikbaar is, die laatste niet op de hoogte zijn van de interventieploegen die al door andere noodcentrales zijn uitgestuurd. Daardoor komen soms verschillende interventieploegen voor hetzelfde incident ter plaatse. Dat is niet altijd wenselijk. Dat is dus een stap vooruit.
Ik ben ook blij dat er al stappen zijn gezet om de aanwervingsprocedure te decentraliseren. Dat verlaagt de drempel om te solliciteren, maar zorgt er ook voor dat de juryleden minder lang afwezig zijn van hun post.
Wij steunen u in de ambitie om tot één noodnummer te komen. De basisopleiding is voor een neutrale calltaker. Dat lijkt mij alvast een goede stap. Ik ben het ermee eens dat het nummer 1733 niet thuishoort in de noodcentrale. Ik kijk er dus naar uit dat minister Vandenbroucke dat veel efficiënter zal organiseren. Ik ben daar heel benieuwd naar en u ongetwijfeld ook.
Als men het heeft over zaken die niet passend zijn voor de noodcentrale, is al het voorbeeld aangehaald dat men bij het aanbellen aan een politiekantoor wordt doorgeschakeld naar de noodcentrale. Evenmin passend is dat justitieassistenten naar de noodcentrale bellen om te weten welke parketmagistraat van wacht is. Dat lijkt mij totaal niet meer van deze tijd. Misschien kan minister Verlinden een initiatief nemen om ervoor te zorgen dat justitieassistenten ergens kunnen opzoeken welke parketmagistraat van wacht is, in plaats van daarvoor naar de noodcentrale te moeten bellen. Ik hoor trouwens dat er eigenlijk al een systeem bestaat. Men hoeft er dus enkel voor te zorgen dat Justitie daar ook gebruik van maakt, in plaats van de noodcentrale extra te belasten.
U hebt terecht uw respect en uw dank aan de medewerkers van de noodcentrale betuigd, want zij opereren inderdaad onder bijzonder grote stress. Om ervoor te zorgen dat die medewerkers hun werk beter kunnen blijven doen, kan het nuttig zijn om te bekijken of de uren van de shiften, in overleg, anders kunnen worden gepland. De shiften zijn zeer lang, wat op zich geen probleem is, maar ze zijn ook zo georganiseerd dat ze heel moeilijk te combineren zijn met een gezinsleven. De medewerkers missen immers zowel de ochtendshift als de avondshift thuis. Ik weet niet of een dergelijke aanpassing effectief door alle medewerkers wordt gevraagd, maar misschien kan enige flexibiliteit ervoor zorgen dat we meer mensen behouden. Het is inderdaad zeer knap, zoals u zegt, dat dertig medewerkers vrijwillig extra shiften hebben opgenomen. Dat is bijzonder zwaar.
Ik wil nog een suggestie out of the box doen. We zouden kunnen nagaan of mensen die de opleiding van calltaker hebben gevolgd en bij de noodcentrale hebben gewerkt, maar zijn afgehaakt vanwege de stress of de werkomstandigheden, de mogelijkheid kunnen krijgen om vrijwillig tijdens piekperiodes een aantal uren bij te klussen bij de noodcentrale. Dat zijn mensen die de opleiding al hebben gevolgd. Ik ken iemand die dat tijdens de coronacrisis heeft gedaan. Dat was toen mogelijk. Misschien is het interessant om voor die piekmomenten na te gaan of we die mensen structureler kunnen inzetten. Mijn suggestie zal geen totaaloplossing opleveren, dat weet ik, maar het is een idee out of the box. Dank u wel.
04.15 Catherine Delcourt (MR): Merci, monsieur le ministre, pour les réponses, les chiffres et les éléments de contexte. Vous avez été interrogé sur différents aspects par rapport à ces épisodes de fortes chaleurs. Je veux m'associer à la reconnaissance dont vous avez témoigné vis-à-vis des opérateurs du 112, des services de secours, des ambulanciers. J'ajouterai les services d'urgence des hôpitaux et les pompes funèbres aussi. Toutes nos forces vives ont été mobilisées lors de cette situation extrêmement difficile pour certains de nos citoyens. C'est certes une situation difficile, catastrophique, mais aucune phase n'a été déclenchée, ni au niveau local, ni au niveau provincial, ni au niveau fédéral. C'est la phase d'alerte du plan canicule, qui est un plan de Santé publique, qui a été déclenchée. C'est important de le rappeler.
Par rapport au numéro 112, je vous rejoins totalement – j'étais encore dans la centrale 112 de Liège il y a un mois ou deux – pour redire à quel point il est fondamental que le 112 reste une centrale d'urgence, et qu'il redevienne une centrale d'urgence. Il faut par ailleurs avoir pleinement conscience du fait qu'on ne pourra jamais calibrer un service d'urgence pour des pics qui, forcément, se produisent à intervalles irréguliers. S'il faut donc pouvoir monter en capacité – c'est évident –, il ne faut pas une structure qui, finalement, est un mammouth peu utilisé et donc peu entraîné. Je pense que la technologie peut ici venir en aide. On a notamment largement évoqué BE-Alert et les améliorations qui devraient intervenir au niveau technique pour fournir des conseils au citoyen. En effet, le citoyen doit être acteur de sa propre sécurité. Nous avons beaucoup discuté du fait que l'on reçoit les messages avec un certain retard ou dans la mauvaise langue, etc., mais je sais qu'il y a eu aussi quelques moqueries par rapport au contenu des messages. C'est une chose dont je veux me distancier absolument, parce que les messages de base doivent être répétés. Personne n'est à l'abri d'un coup de chaleur, d'une difficulté extrême, tant les jeunes que les personnes âgées. Dès lors, il est important que les autorités publiques soient en mesure d'informer, de sensibiliser, de rappeler les gestes qui sauvent.
Je souhaite redire un mot également sur l'échelle des zones de secours, sur leur robustesse. J'irai dans le même sens que ce que j'ai dit pour les zones de police: en vertu de l'accord de gouvernement, la Protection civile doit être renforcée, et vous me trouverez de votre côté sur ce sujet en particulier.
04.16 Bernard Quintin, ministre: Je voudrais revenir sur deux points, même si ce n’était pas prévu. Tout d’abord, concernant l’avant-dernier point soulevé par Mme Delcourt, relatif aux messages adressés à la population. Je pense qu’en effet, je ne peux pas me prononcer sur ce que les citoyens choisissent de faire et notre rôle est de la protéger. En revanche, lorsqu’il s’agit des autorités, qu’elles soient fédérales, régionales ou locales, je crois que chacun doit également prendre ses responsabilités.
Nous nous souvenons tous du traitement réservé au Centre de crise national et à votre serviteur lorsque nous avons évoqué la question du kit d’urgence. Certains ont parlé de préparation à une quasi-guerre atomique, d’autres ont s'en sont moqués en se demandant qui allait payer. La réalité, c’est que nous n’avons pas, en Belgique, une véritable culture de la sécurité, et cela constitue un problème. Je ne fais pas grief à la population de ce manque de culture de la sécurité si, au niveau des autorités elles-mêmes, nous ne sommes pas capables de prendre ces questions au sérieux à tous les niveaux.
Je ne vise évidemment pas les parlementaires présents dans cette commission de l’Intérieur, qui sont particulièrement sensibles à ces enjeux. Mais c’est un message qui me paraît essentiel. Nous ne devons pas être d’accord sur tout. Nous pouvons débattre des mesures à prendre. Mais nous devons au moins nous accorder sur certaines réalités: le changement climatique existe, des catastrophes se sont déjà produites, d’autres surviendront encore à l’avenir.
Dès lors, oui, cela implique que nous devons nous organiser. Le système Be-Alert, par exemple, doit encore être amélioré. Je vous remercie d’ailleurs pour les suggestions formulées à ce sujet. Je vais en discuter avec ma collègue Vanessa Matz afin d’examiner comment pouvons-nous sinon "tordre le bras" en tous cas, être plus volontaires et plus volontaristes vis-à-vis de l’IBPT et des opérateurs. Nous sommes entre nous, les vacances approchent. Cela ne fonctionne que lorsque toute la machine considère réellement que ces sujets sont importants.
Ce sont des enjeux bien trop sérieux pour être réduits à des postures politiques. Nous pouvons plaisanter les uns avec les autres. Il faut même savoir rire de soi-même. Comme le disait Jean XXIII: "Heureux celui qui peut rire de lui-même, il n’a pas fini de rigoler." Mais à un moment donné, il faut également mettre en place des solutions concrètes. C’est pourquoi j’insiste, le 112 est un numéro d’urgence et il doit redevenir pleinement un numéro d’urgence.
Quant au 1733, nous verrons comment organiser son fonctionnement, mais il est évident qu’il devra disposer de ses propres centrales d’appel. Nous savons très bien qu’une personne peut appeler le 112, rester en ligne 10, 15 ou 30 secondes, puis se rendre compte qu’il serait plus approprié de contacter le 1733. À l’inverse, quelqu’un peut appeler le 1733 pour ce qui semble être une situation non urgente et, au fil de l’entretien, l’opérateur se rendre compte qu’il s’agit en réalité d’une urgence, qu'il s'agit d'une attaque cardiaque et non pas d'une aigreur d'estomac.
Il faut donc un système facile permettant à l’opérateur du 1733 de transférer immédiatement l’appel vers le 112 lorsqu’il estime qu’une intervention urgente est nécessaire. Imaginons qu’un opérateur dise: "Je vous transfère directement au 112." Quelques secondes plus tard, l’opérateur du 112 reprend l’appel et prend immédiatement les mesures nécessaires. Cette organisation me paraît beaucoup plus logique que l’inverse. En effet, il serait difficilement concevable que les opérateurs du 112 consacrent leur temps à évaluer si une douleur d’estomac est liée à un problème bénin ou à un excès de champagne de la veille. Il s’agit avant tout d’une question de logique, de bonne organisation et d’allocation efficace des moyens de l’État. À mes yeux, la priorité doit aller aux urgences. Ensuite, les autres situations peuvent être orientées vers les dispositifs appropriés, en cascade. Pour moi c'est important.
Ik dank iedereen
voor de goede uitwisseling van ideeën.
Je pense qu'il est bien que lors d'un débat d'actualité en commission, nous puissions avoir plus de temps qu'en plénière pour échanger – et les idées sont bonnes.
Nog een woord. Het is niet alleen een kwestie van delokalisatie van de rekrutering, maar het komt er ook op aan sneller te werken. Ik heb contact met mijn collega Vanessa Matz om te zien hoe we ervoor kunnen zorgen dat de rekrutering sneller verloopt.
Comme dans beaucoup de recrutements, le système actuel prend beaucoup de temps. Dans notre société, encore plus qu’hier, le temps, c’est de l’argent. Pour nos concitoyens, cette notion est bien ancrée. Les personnes qui ont marqué leur intérêt ne sont pas toujours disponibles 6, 9 ou 12 mois plus tard.
On le constate au niveau de la police. Vous savez que je veux réduire à un maximum de 90 jours le délai entre la marque d’intérêt et l’entrée dans une académie de police. Aujourd'hui, on a déjà considérablement réduit ce délai, mais il pouvait aller jusqu'à un an. Cela ne fonctionnait déjà pas très bien à l'époque, mais cela ne fonctionne plus à l'heure actuelle.
De voorzitter:
Dankuwel, mijnheer de minister. Zijn er nog leden die hierop wensen te
repliceren? (Nee)
Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.05 uur.
La réunion publique de commission est levée à 18 h 05.
De antwoorden werden door de
Les réponses ont été fournies par
Monsieur
le Ministre,
Au-delà
des victimes directes, l’association Life for Brussels lors du dixième
anniversaire des attentats de Bruxelles du 22 mars 2016 a rappelé le combat de ceux que l’on appelle les
premiers intervenants et au titre de recommandation proposé, je cite “
Policiers, pompiers et bien d’autres, ont été projetés dans l’horreur
absolue du 22 mars 2016. Les témoignages poignants entendus lors du procès de
la Cour d'Assises, où l’on a vu des militaires en larmes, rappellent qu’aucun
être humain n’est préparé à l’indicible qu’ils ont affronté au péril de leur
propre vie. Aujourd'hui, le constat est tragique. Ces hommes et ces femmes
souffrent des mêmes symptômes de stress post-traumatique que les victimes
directes. Pourtant, ils ne bénéficient pour la plupart d’aucune reconnaissance
officielle ni d’aucun statut protecteur spécifique. Cette indifférence a des
conséquences fatales, puisque plusieurs de ces intervenants se sont donné la
mort depuis le 22 mars 2016, ne supportant plus le poids de ce qu'ils ont vu et
le sentiment d'être abandonnés par l'institution qu'ils servaient.”
En
conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
a)
Pourquoi la recommandation visant à organiser une expertise unique opposable à
tous les organismes n'est-elle toujours pas appliquée, obligeant les victimes à
multiplier les examens médicaux traumatisants ?
b)
Quelles mesures concrètes sont prises pour reconnaître le traumatisme psychique
des premiers intervenants , à savoir les policiers et secouristes (premiers
intervenants) qui ont œuvré dans « l'enfer » des sites, et leur accorder un
statut de protection spécifique ?
c)
Pourquoi n'existe-t-il toujours pas de formation spécifique encouragée pour les
psychologues traitant les conséquences post-traumatiques lourdes liées
spécifiquement à un attentat ?
Antwoord -
Réponse:
En ce qui
concerne les membres du personnel policier, il convient de se référer à
l’arrêté royal du 30 mars 2001 portant la position juridique du personnel des
services de police (PJPol) et aux autres textes statutaires relatifs aux
accidents du travail. Les expertises réalisées auprès du Medex ont reconnu le
syndrome de stress post-traumatique comme accident du travail dans la plupart
des cas concernant les policiers et membres du personnel concernés.
Au sein du
statut de la police, il est en outre prévu, en cas d'accident du travail, une
procédure permettant de demander la révision des indemnités en raison d'une
aggravation ou d'une atténuation de l'infirmité de la victime, ou en raison
d'un décès imputable aux conséquences de l'accident. Cette demande de révision
est ouverte pendant une période de trois ans à compter de l’arrêté ou d’une
décision passée en force de chose jugée (articles X.III.20 et suivants PJPol).
Par ailleurs,
conformément aux dispositions du statut de la police, la victime d'un accident
du travail peut solliciter une allocation d'aggravation en cas d'aggravation de
l’incapacité permanente de travail lorsque son état, résultant de l'accident du
travail, s'aggrave de manière permanente après l'expiration du délai de
révision, pour autant que le taux de l'incapacité de travail, après cette
aggravation, atteigne au moins 10 % (articles X.III.30bis et suivants PJPol).
En cas de
décès de la victime, certains ayants droit peuvent, sous certaines conditions,
introduire une demande en vue de bénéficier d'une allocation de décès lorsque
la victime est décédée, après l'expiration du délai de révision, des suites
d'un accident du travail (article X.III.30ter PJPol).
Par ailleurs,
les membres du personnel peuvent également demander à être reconnus comme
victimes d’un acte de violence grave, après analyse des circonstances, par la
commission pour la reconnaissance d’actes de violence grave. Un acte de
violence grave est un acte de violence entraînant des conséquences physiques
et/ou psychiques graves (article I.I.1er, 29°, PJPol). Cette reconnaissance
peut ouvrir le droit à des remboursements de frais supplémentaires dans le
cadre prévu par les articles X.III.6bis et X.III.6ter PJPol.
En outre, de
manière plus générale, la circulaire GPI 100 du 24 novembre 2022 relative à
l’usage de la violence envers les membres de la Police Intégrée met en place
une politique et une approche intégrales de la violence envers les policiers.
Sur le plan de
l’accompagnement, le Stressteam, tant fédéral que local, ainsi que des
psychologues externes, continuent à suivre les membres du personnel qui en font
la demande dans leur démarche de gestion du syndrome de stress
post-traumatique. Pour les policiers fédéraux concernés, le service médical
continue également à prendre en charge certains frais liés au suivi
psychologique, sur demande et moyennant une évaluation régulière par le médecin
responsable.
Il convient
donc de préciser que, même s’il n’existe pas, dans le statut de la police, de
statut juridique distinct spécifiquement réservé aux premiers intervenants
exposés aux attentats, plusieurs mécanismes de reconnaissance, de protection et
de prise en charge existent déjà, notamment par la voie de l’accident du
travail, de la reconnaissance comme victime d’acte de violence grave et de
l’accompagnement médico-psychologique spécialisé.
En matière de
formation relative à la prise en charge des conséquences psychologiques liées à
l’exercice de la fonction policière, plusieurs initiatives existent au sein de
la Police intégrée.
Une première
formation continuée, intitulée « Première aide psychologique aux collègues
touchés », vise à permettre aux membres du personnel concernés d’accueillir
adéquatement des collègues ayant vécu un événement choquant. Cette formation
aborde notamment les différentes formes de stress, le stress opérationnel, le
premier triage psychologique, l’accueil en phase aiguë ainsi que les notions de
defusing et de debriefing. Elle s’adresse principalement aux membres de la
Police intégrée exerçant un rôle dirigeant ou intégrés dans une équipe stress.
Une seconde
formation, reprise sous l’intitulé « Beleidsplan PTSS (Post traumatisch stress
syndroom), – Psychologisch intervenant », s’inscrit dans la mise en œuvre du
plan stratégique relatif au PTSS. Elle vise à soutenir le développement d’une
offre structurée pour l’accueil et le suivi des membres du personnel confrontés
à des incidents potentiellement traumatisants. Cette formation porte notamment
sur le screening, le diagnostic, l’indication, le traitement des plaintes
posttraumatiques graves et l’orientation dans le cadre d’un modèle de soins
gradués.
Ces formations
s’inscrivent dans une approche plus large soutenue par le Kenniscentrum PTSS
centre d’expertise consacré aux plaintes posttraumatiques et au trouble de
stress posttraumatique au sein de la Police intégrée. Celui-ci apporte un appui
spécialisé et scientifiquement fondé aux entités qui souhaitent intégrer cette
problématique dans leur fonctionnement, notamment par des actions de formation,
de sensibilisation et de professionnalisation.
L’objectif
commun de ces initiatives est de renforcer les connaissances et les compétences
des membres du personnel face aux incidents critiques, d’améliorer
l’identification des signaux d’alerte, de soutenir une prise en charge plus
précoce des difficultés éventuelles et de favoriser une approche cohérente au
sein de la Police intégrée.
Au sein de l'équipe du Stressteam, les
psychologues spécialisés en accompagnement du psycho-traumatisme (niveau 3)
sont tous
formés aux
techniques dites "evidence based" en ce domaine à savoir
principalement l'EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) et/ou les
Thérapies Cognitivo- Comportementales, ... ainsi que d'autres techniques utiles
dans le domaine post-traumatique. Leur connaissance du milieu policier
constitue également un atout majeur pour assurer une prise en charge spécifique
et ciblée des intervenants confrontés à des incidents critiques de ce type.
Enfin, les
psychologues concernés assurent une veille scientifique continue concernant la
prise en charge des victimes d’attentats. Une formation en peer support,
"création d'une équipe locale de première intervention - soutien
collégial", dispensée par le Stressteam, vise également à créer des
équipes locales de première intervention et de soutien collégial, formées,
encadrées et supervisées, afin de détecter les situations à risque et d’assurer
un accueil de première ligne efficace des collègues victimes d’incidents
critiques et potentiellement traumatisants, dont les attentats font
indéniablement partie. La création de ce type de
dispositif se développe actuellement de plus en plus au sein de la Police
Intégrée.
Concernant
votre première question, je vous renvoie vers mes collègues de la Santé
publique et de la Justice.
Monsieur le
Ministre,
Pour se
prémunir notamment contre le risque toujours plus prégnant des catastrophes
naturelles et feux de forêts, la Commission européenne a adopté un document
d'orientation balisant l'adaptation aux effets du changement climatique pour
les sites naturels Natura 2000.
Monsieur le
Ministre,
Quelles seront
les suites en Belgique de l'adoption par la Commission européenne de ce
document d'orientation ? Quand une concertation avec les zones est-elle prévue
?
La Protection
civile est-elle amenée à recevoir de nouveaux moyens dans ce cadre notamment
pour faire face aux feux de forêts ? Des accords sont-ils déjà passés avec la
Défense notamment pour tout ce qui concerne la capacité aérienne (hélicoptères,
kits pour les A400M, …) ?
Je vous
remercie d'avance pour vos réponses.
Antwoord -
Réponse:
L’analyse
nationale des risques réalisée par le Centre de Crise National (NCCN) identifie
explicitement, parmi les risques naturels, le risque relatif aux feux de
forêts.
Dans ce cadre,
un travail approfondi de collecte et d’analyse des capacités existantes est
actuellement en cours, également en ce qui concerne les moyens spécifiques des
zones de secours dédiés à la lutte contre les feux de végétation. Cette
démarche s’inscrit dans le processus d’opérationnalisation de la Belgian
National Risk Assessment (BNRA).
Sur la base de cette analyse, il sera possible
:
· d’évaluer
les vulnérabilités territoriales, notamment dans les zones les plus exposées ;
· de
déterminer les capacités opérationnelles nécessaires pour faire face à ce type
de risque ;
· de préciser
le niveau d’intervention approprié (zonale, interzonale ou fédérale) ainsi que
les moyens requis.
Si cette
évaluation montre que les capacités peuvent être renforcées, il sera examiné
avec les acteurs concernés si et comment y remédier.
S’agissant de
la capacité aérienne, aucune décision spécifique n’a été arrêtée à ce stade.
Toutefois, en fonction :
· des futurs investissements de la
Défense belge en matière d’aéronefs,
· de leur disponibilité opérationnelle,
· ainsi que de leurs configurations
techniques et capacités d’intervention, des contacts seront pris en temps utile
afin d’évaluer les possibilités de coopération et de mise à disposition de
moyens aériens, notamment dans le cadre de la lutte contre les feux de forêts.
56016126C
De Morgen berichtte dat in Vlaanderen
ongeveer één op de vijf korpschefs bij de lokale politie niet over de vereiste
opleiding of brevetten zou beschikken. Het zou gaan om langdurig waarnemende
korpschefs: commissarissen die tijdelijk een korps leiden, maar in de praktijk
soms jarenlang in die positie blijven omdat het mandaat van korpschef niet
wordt opengesteld.
Dat roept fundamentele vragen op. De
mandaatfunctie van korpschef is net bedoeld om politieleiding professioneel,
objectief en voldoende onafhankelijk van lokale politieke druk te organiseren.
Politievakbonden waarschuwen dat de figuur van de “eeuwig waarnemend
korpschef" die waarborg kan uithollen. Ook advocaat-generaal Frank
Schuermans stelt dat waarneming enkel verdedigbaar is voor de redelijke tijd
die nodig is om een vervangingsprocedure op te starten en af te ronden.
In uw beleidsnota schrijft u dat u de
coördinatie van het integrale veiligheidsbeleid wil versterken. U stelt ook dat
u over de lokale politie van de gouverneurs tweemaal per jaar een verslag
verwacht, omdat u wil dat dit proces streng en transparant wordt gecontroleerd.
Was u op de hoogte van langdurig
waarnemende korpschefs in lokale politiezones? Sinds wanneer, en werd dit u
reeds gesignaleerd door de gouverneurs?
Hoeveel waarnemende korpschefs zijn er
vandaag in België, uitgesplitst per gewest, provincie en politiezone, en
hoelang oefenen zij die functie al uit?
Hoeveel van hen beschikken niet over de
graad, brevetten of opleiding die vereist zijn voor een gewoon mandaat als
korpschef?
Acht u het aanvaardbaar dat lokale
besturen het mandaat van korpschef niet of laattijdig openstellen, waardoor een
waarneming structureel wordt?
Welke rol spelen de gouverneurs vandaag
in het toezicht hierop, en zal u hen vragen hierover systematisch te
rapporteren?
Zal u een wetgevend initiatief nemen om
een maximumtermijn voor waarnemende korpschefs vast te leggen? Zo ja, welke
termijn acht u aangewezen?
Welke maatregelen neemt u om te
garanderen dat de selectie en aanstelling van korpschefs objectief,
professioneel en vrij van lokale politieke druk gebeurt?
56016129C
De Morgen berichtte vandaag over het
fenomeen van de langdurig waarnemende korpschef bij de lokale politie. In
Vlaanderen zouden een twintigtal politiezones worden geleid door een waarnemend
korpschef, in sommige gevallen al sinds 2016 of 2019. Het artikel verwijst
daarbij naar de politievakbonden en naar het Controleorgaan op de Politionele
Informatie, die waarschuwen dat langdurige waarneming de waarborg van het
vijfjarige mandaat van de korpschef kan uithollen. Dat mandaat moet de
korpschef net beschermen tegen politieke druk vanuit de lokale overheid.
Een tijdelijke waarneming is uiteraard
noodzakelijk wanneer een korpschef vertrekt of wanneer een selectieprocedure
loopt. Maar het wordt bijzonder problematisch wanneer de gewone
aanstellingsprocedure niet of laattijdig wordt opgestart, waardoor een waarnemende
korpschef jarenlang eigenlijk op een onregelmatige manier in functie blijft.
Daarmee tast men enkel de integriteit van de bestaande procedures aan.
Minister u, en ook ikzelf namen reeds
verschillende initiatieven om de functie van korpschef te professionaliseren en
vriendjespolitiek aan banden te leggen.
Daaromtrent volgende vragen:
Zijn er volgens u meer dwingende
mechanismen noodzakelijk zodat de vacatures voor korpschefs worden opengesteld,
alsook voor de andere directiefuncties waarvoor een brevet van hoofdcommissaris
nodig is?
Hoe evolueerde dit de afgelopen vijf
jaar verdeeld per geweest?
Antwoord - Réponse:
Mijnheer de Voorzitter, collega,
De vaststelling is inderdaad dat
verschillende politiezones er bewust voor kiezen, in situaties waar de
titularis de plaats niet meer terug zal invullen, om een tijdelijke waarneming
van het mandaat te bestendigen, zonder het mandaat van korpschef officieel
vacant te verklaren. Daardoor bevinden bepaalde leidinggevenden zich soms
jarenlang in een positie waarin zij wel de verantwoordelijkheden en
bevoegdheden van een korpschef opnemen, maar geen aanspraak kunnen maken op de
aanwijzing in het mandaat van korpschef.
Het is belangrijk om politiezones niet
in een toestand van bestuurlijke instabiliteit te brengen, maar er over te
waken dat ze spoedig over een titularis kunnen beschikken met volheid van
bevoegdheid.
Situaties waarbij een politiezone
jarenlang functioneert met een waarnemende korpschef, zijn dan ook niet langer
wenselijk. De argumenten die vaak worden aangehaald om het mandaat niet vacant
te verklaren – zoals de financiële context of het gebrek aan kandidaten - zijn
begrijpelijk en legitiem. Tegelijk tonen zij aan dat de nood aan
schaalvergroting binnen bepaalde politiezones reëel is.
Om te vermijden dat bestuurlijke
overheden de aanwijzing van een korpschef blijven uitstellen, voorziet de
recent op 13 mei in de Kamer aangenomen wijziging van de wet op de
geïntegreerde politie (WGP) in een verplichte vacant verklaring binnen een
termijn van drie maanden. Deze termijn geldt vanaf het einde van het mandaat,
een ontslag, een overlijden of eender welke andere oorzaak die een definitief
einde maakt aan de uitoefening van de functie van korpschef.
Wanneer deze termijn niet wordt
nageleefd, kunnen de voogdijoverheden in het kader van het dwangtoezicht de
nodige maatregelen nemen om de vacant verklaring alsnog te formaliseren. Voor
politiezones waar op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet al
een waarnemend korpschef is aangesteld, is voorzien in een overgangsbepaling
dat de termijn van drie maanden pas vanaf dat ogenblik start. Op die manier
wordt vermeden dat er een ongelijke behandeling ontstaat tussen de
verschillende politiezones.
Inzake de gevraagde cijfers, kan ik tot
slot nog meegeven dat tijdens de periode januari 2021 tot en met december 2025
het aantal leidinggevenden die de functie als waarnemend korpschef hebben
uitgevoerd, als volgt geografisch waren gespreid:
in het Vlaams Gewest: 21 in 2021, 26 in
2022, 38 in 2023, 27 in 2024 en 24 in 2025;
in het Waalse Gewest: 16 in 2021, 10 in
2022, 15 in 2023, 11 in 2024 en 25 in 2025 en
in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 1
in 2021.
56016516C
Monsieur le
Ministre,
Jeudi dernier,
je vous ai interrogé en séance plénière concernant le terrible incendie qui a
eu lieu à Tubize avec des fumées potentiellement toxiques, visibles à des
dizaines de kilomètres à la ronde, et la présence d'amiante. Une catastrophe
qui a concerné plusieurs communes, plusieurs provinces, plusieurs zones de
secours, dans une zone densément peupléeà cheval entre la Wallonie et la
Flandre. L'heure est désormais au nettoyage du lieu, avec les nombreuses
précautions que cela implique au regard de la présence d'amiante.
L'heure est
également au bilan et je continue de m'interroger quant à savoir pourquoi une
phase provinciale voire fédérale n'a pas été déclenchée.
Monsieur le
Ministre, alors que l'heure est au déblaiment du site, pouvez-vous me répondre
à cette question sur la non activation d'une phase provinciale voire fédérale ?
Quel bilan tirez-vous des opérations et notamment des moyens fédéraux déployés
? Enfin, quel suivi sera donné à la situation du site au regard notamment des
questions en matière de sécurité et de santé publiques ?
Je vous remercie pour vos réponses.
56016563C
Geachte minister,
In het Waals-Brabantse Tubeke, net over
de taalgrens waar aan de Vlaamse kant het Vlaams-Brabantse Lembeek ligt, brak
vorige week een zware brand uit in een opslagplaats van kledij en textiel. De
brand veroorzaakte een enorme rookpluim die bovendien giftig zou zijn door de
aanwezigheid van asbestdeeltjes. Er werd daarom een BE-alert uitgestuurd.
Die BE-alert werd specifiek uitgestuurd
naar inwoners van Vlaams-Brabant. Die berichtgeving gebeurde echter niet in het
Nederlands, maar in het Frans. Dat is toch echt wel problematisch in dit geval:
er werd opgeroepen om de ramen en deuren te sluiten vanwege giftige stoffen.
Als men het Frans niet machtig is, loopt men dus een ernstig gezondheidsrisico.
De N-VA zal altijd opkomen voor de
rechten van Nederlandstaligen in dit land. Daar is zeer lang voor gestreden en
daar is zelfs bloed voor gevloeid. Die rechten zullen we logischerwijs niet
zomaar opgeven. De taalwetgeving moet gewoon worden gerespecteerd in dit land.
Het is trouwens geen nieuw fenomeen dat
het op vlak van taal misloopt bij BE-alert. Wanneer het wel aan de orde is om
tweetalig te communiceren gebeurt het regelmatig dat de sms in het Frans uren
voor de sms in het Nederlands wordt verstuurd.
Vandaar volgende vragen:
Hoe is het mogelijk dat een sms gericht
aan de inwoners van Vlaams-Brabant eentalig in het Frans wordt verstuurd?
Erkent de minister de noodzaak tot het
respecteren van de taalwetgeving in dit land?
Zal breder bekeken worden waarom het
regelmatig misloopt bij BE-alert?
Antwoord -
Réponse:
Mr.
Legasse,
Dès le
déclenchement de cet important incendie à Tubize, l’ensemble des services
compétents a été mobilisé afin d’assurer la protection de la population, la
maîtrise du sinistre et le suivi des risques sanitaires et environnementaux.
Concernant
l’activation éventuelle d’une phase provinciale ou fédérale, il convient de
rappeler que celle-ci n’est pas déterminée par l’ampleur médiatique d’un
événement mais par les besoins de moyens et de coordination. En l’espèce, la
gestion de crise a pu être assurée efficacement au niveau communal grâce à
l’activation du plan communal d’urgence, au fonctionnement du centre communal
de crise et à la coordination opérationnelle mise en place sur le terrain. Les
autorités compétentes ont estimé que les moyens de gestion disponibles à ce
niveau étaient suffisants pour faire face à la situation.
Lors d’une
phase communale, le bourgmestre informe régulièrement le gouverneur dans le
cadre des compétences fédérales de ce dernier en matière de gestion de
crise.
C’est à
l’occasion de ces échanges et retours d’information qu’est évaluée
l’opportunité d’un passage à un niveau de gestion supérieur lorsque celui-ci
est susceptible d’apporter une réelle valeur ajoutée à la gestion de
l’incident. Dans le cas présent, le bourgmestre et le gouverneur ont estimé
conjointement qu’une telle montée en puissance n’était pas nécessaire. Dès
lors, aucune activation d’une phase provinciale ou fédérale n’était nécessaire.
Par ailleurs, les services du gouverneur ont appuyé la coordination communale,
en ce compris par l’envoi d’une personne sur place.
Le bilan du
déploiement opérationnel est globalement positif. Près
de 80 pompiers issus de trois zones de secours ont été mobilisés. Ils ont bénéficié de l’appui de la
Protection civile, de la Police fédérale ainsi que d’équipes spécialisées
chargées des mesures environnementales. La Protection civile a notamment assuré
un important soutien logistique avec plusieurs citernes de grande capacité, une
pompe à très haut débit, des équipes de détection et des officiers de liaison
intégrés aux structures de commandement. Un hélicoptère de la Police fédérale
équipé d’un « bambi bucket » a également été engagé pour soutenir les
opérations d’extinction.
Cette
coopération entre les différents services a permis de maîtriser rapidement
l’incendie et de limiter ses conséquences. S’agissant du suivi du site, les
opérations de noyage, de sécurisation et de déblaiement se poursuivent sous la
supervision des autorités compétentes.
Une attention
particulière est portée aux aspects de sécurité publique, à la stabilité des
bâtiments touchés ainsi qu’aux éventuels risques environnementaux, notamment en
lien avec la présence possible d’amiante. Les mesures nécessaires ont été
prises pour limiter la dispersion de particules, notamment par l’humidification
continue des débris. Les services spécialisés poursuivent leurs analyses et les
autorités locales restent attentives à l’évolution de la situation afin de
prendre toute mesure complémentaire qui s’avérerait nécessaire pour garantir la
sécurité de la population.
Je tiens enfin
à saluer l’engagement exemplaire de l’ensemble des intervenants qui ont œuvré
dans des conditions particulièrement difficiles afin de protéger la population
et de limiter l’impact de cet événement.
Wat betreft de vraag van meneer Bergens
over het taalgebruik voor BE-Alert. Tijdens de brand te Tubize werd BE-Alert
door meerdere gemeenten en de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant
ingezet.
Bij deze verzendingen werd het nodige
respect voor de geldende taalwetgeving aan de dag gelegd. Dit is belangrijk en
ik onderschrijf de noodzaak tot het respecteren van de taalwetgeving volledig,
ook bij noodsituaties.
Evenwel is het zo dat de verzending van
BE-Alert-berichten binnen de grenzen van de technologie gebeurt. De verzending
via de gebruikte location-based SMS technologie gebeurt in twee stappen: het
nemen van een “foto” van de personen aanwezig in de alarmeringszone op een
bepaald tijdstip en nadien de verzending van een location-based SMS naar deze
personen.
Wanneer een bericht in beide talen wordt
verzonden, gebeurt dit procedé tweemaal. Tussen beide “foto’s” zit een bepaalde
tijdspanne: de tijd voor de opstart van een nieuwe verzendingscampagne en de
behandeling door de mobiele netwerkoperatoren. Deze intervallen maken dat er
een verschil kan zitten tussen de twee groepen ontvangers, naargelang de
taal.
Bovendien zit er ook nog een bepaalde
tijdspanne tussen een “foto” en de verzending en aflevering van het
SMS-bericht. Daarnaast zijn er nog andere factoren die invloed kunnen hebben op
de correcte aflevering van de berichten (bv. isolatie van gebouwen, plaats met
minder goede ontvangst…).
Samen maken deze factoren dat
technologisch niet verhinderd kan worden dat een bepaalde ontvanger slechts één
van de twee verzonden berichten ontvangt en bijgevolg niet het bericht in de
eigen taal ontvangt. Dit is dus een kwestie van technologische modaliteiten en
geen gebrek aan respect voor taalwetgeving langs de zijde van de verzender.
Zoals u weet, bekijk ik momenteel hoe
BE-Alert verrijkt kan worden met de cell broadcast technologie. Deze zou de
crisiscommunicatoren niet alleen in staat stellen om berichten veel sneller te
versturen en af te leveren. Bovendien laat deze technologie toe om bij
aflevering een striktere uitsplitsing te maken op basis van taal. Dit maakt de
kans dat het aantal berichten dat in de foute taal bij de ontvanger
terechtkomt, veel kleiner. Het doel moet steeds zijn om crisiscommunicatie zo
snel, efficiënt en duidelijk mogelijk af te leveren.
Mijnheer de minister,
Onze hulpverleningszones steunen voor
een gigantisch deel op de onvoorwaardelijke inzet van brandweervrijwilligers.
Wanneer hun pager afgaat, telt elke seconde om tijdig in de kazerne te geraken
zodat de brandweerwagen kan uitrukken. In de praktijk botsen deze vrijwilligers
in hun privéwagens echter vaak op druk verkeer, files en onbegrip van
medeweggebruikers. Dit leidt tot kostbaar tijdverlies en stressvolle situaties
in het verkeer.
Om hieraan tegemoet te komen, liep het
pilootproject 'Groen Licht' van verkeersinstituut Vias, waarbij vrijwilligers
werden uitgerust met groene 'hoffelijkheidslichten'. Uit de evaluatie bleek dat
deze visuele herkenbaarheid zorgt voor een groter veiligheidsgevoel en een
betere respons van de burger. Tegelijkertijd gaven de deelnemers aan dat
loutere 'hoffelijkheid' soms tekortschiet. Zij formuleerden dan ook de vraag
naar gerichte wettelijke privileges, zoals het mogen gebruiken van bijzondere
overrijdbare beddingen (zoals busbanen) of het gecontroleerd afwijken van
bepaalde verkeersregels om de kazerne sneller te bereiken.
Vandaag ontbreekt het deze groene
lichten nog aan een structureel federaal wettelijk kader binnen de Wegcode. Het
succes blijft daardoor afhankelijk van de goodwill van andere weggebruikers, en
er is nood aan duidelijke richtlijnen om wildgroei of misbruik te voorkomen.
Vragen aan de minister:
Wat is uw algemene visie op de
conclusies van het Vias-project en de effectiviteit van deze
hoffelijkheidslichten voor de uitruktijden van onze hulpverleners?
Bent u van plan om, in overleg met uw
collega van mobiliteit, een definitief wettelijk kader uit te werken om het
groene knipperlicht officieel te erkennen in de wegcode?
Hoe staat u tegenover de expliciete
vraag van de brandweervrijwilligers om hen in dringende situaties specifieke
privileges toe te kennen (zoals het gebruik van busbanen), en hoe waarborgt u
daarbij de algemene verkeersveiligheid?
Welke concrete stappen en timing plant u
voor een eventuele nationale uitrol van dit systeem, en welke criteria zullen
bepalen welke vrijwilligers recht hebben op zo'n licht?
Antwoord - Réponse:
Het project "Groen licht" is
me zeker bekend.
Uit de informatie die mij door mijn
diensten werd verstrekt, blijkt dat de resultaten van dit proefproject
verschillende aandachtspunten en knelpunten aan het licht brengen.
Voor mij blijft de verkeersveiligheid en
de veiligheid van onze burgers de absolute prioriteit. Op basis van de
beschikbare evaluaties bestaat het risico dat de invoering van een groen
knipperlicht voor bijkomende verwarring zorgt bij andere weggebruikers,
waardoor de verkeersveiligheid in het gedrang kan komen. Gelet op het feit dat
vandaag reeds niet alle weggebruikers de voorrangsregels verbonden aan de
bestaande prioritaire signalen, zoals het blauwe zwaailicht, correct naleven,
zie ik momenteel geen meerwaarde in de invoering van een bijkomend
lichtsignaal.
Dit standpunt heb ik eveneens laten
overmaken aan de leden van het Nationaal Vrijwilligersbureau binnen het BBSPB.
Tegelijk wil ik een duidelijke oproep
richten aan de lokale besturen om bij de inrichting van de openbare ruimte en
de verkeersinfrastructuur steeds rekening te houden met de aanwezigheid van
hulpdiensten en in het bijzonder van brandweerkazernes. Dit kan onder meer door
te voorzien in vlotte en veilige aanrijroutes naar de kazernes, alsook door de
weginfrastructuur zo in te richten dat brandweervoertuigen zich snel en veilig
kunnen verplaatsen.
Waar mogelijk kan hierbij worden ingezet
op infrastructuur die prioritair verkeer faciliteert, zoals het toegankelijk
maken van bus- en trambeddingen voor hulpdiensten, zodat interventievoertuigen
ook bij druk verkeer snel hun bestemming kunnen bereiken. Op die manier kunnen
we de interventietijden verbeteren zonder afbreuk te doen aan de
verkeersveiligheid.
Minister,
De pers berichtte onlangs dat meerdere
politiezones in ons land (met name in de Kempen en delen van Oost-Vlaanderen)
al wekenlang geen volwaardige drugscontroles meer kunnen uitvoeren omdat de
voorraad speekselcollectoren voor de noodzakelijke laboratoriumanalyse volledig
is uitgeput.
Inspecteurs kunnen via een eerste
indicatieve test nog wel druggebruik vaststellen, maar de noodzakelijke
vervolgtest om de exacte drug en de wettelijke drempelwaarde te bewijzen,
ontbreekt.
Bestuurders die met duidelijke
uiterlijke kenmerken van druggebruik achter het stuur zitten, moeten nu hooguit
hun rijbewijs voor 15 dagen inleveren, maar ontsnappen aan vervolging door de
politierechtbank. Het parket kan immers geen grijze zone bepleiten zonder
sluitend bewijs. Sommige korpsen zien zich daardoor genoodzaakt om controles
stop te zetten. Het heeft immers weinig zin om mensen van de baan te halen als
de juridische opvolging onmogelijk is.
De oorzaak ligt bij het aflopen van het
contract met de vorige Amerikaanse producent eind 2025, die de productie
stopzetten. Hoewel er begin 2026 een federale noodbestelling werd geplaatst en
er momenteel een nieuwe overheidsopdracht in de finale gunningsfase zit, is de
realiteit dat de lokale korpsen vandaag in de problemen zitten.
Daarom mijn vragen:
1. Welke maatregelen neemt u, in overleg
met de minister van Justitie, om de lokale politiezones per direct te
bevoorraden met de resterende strategische stocks?
2. Op welke concrete datum wordt de
nieuwe raamovereenkomst getekend en wanneer worden de eerste leveringen
voorzien?
3. Heeft u, al dan niet in samenwerking
met de FOD Justitie, een exact zicht op de totale omvang van dit tekort over
het hele land? Hoeveel analysekits ontbreken er op dit moment concreet om de
werking van alle politiezones te garanderen tot de nieuwe leverancier
operationeel is?
Antwoord - Réponse:
Wat uw derde vraag betreft :
De politiezones werden nog niet bevraagd
inzake de voorraad die zij nog (eventueel) hebben. De werking van de
politiezones blijft op dit vlak echter wel gegarandeerd gezien er een
bloedproef kan worden uitgevoerd:
· na een positieve speekseltest en een
wanneer de speekselanalyse niet uitgevoerd kan worden;
· in het geval noch een speekseltest
noch een speekselanalyse kan worden uitgevoerd.
Ik verwijs u graag naar de Minister van
Justitie wat uw andere vragen betreft.
Monsieur le
Ministre,
En avril 2025,
je vous interrogeais sur les mentions 'divorcé(e)' et 'veuf/veuve'dans les
actes administratifs.
Le 4 avril
2019, la Chambre adoptait en effet une proposition de loi que je portais
en vue de modifier cette mention. L'objectif était donc de permettre aux
personnes le désirant de faire réapparaître la mention « célibataire » sur
certains actes administratifs les concernant, tout en préservant les droits des
tiers.
Dans la
pratique, il semblerait cependant que la mise en œuvre de ces dispositions,
notamment via les délégations faites au Roi, fasse toujours aujourd'hui défaut.
En avril 2025, vous m'avez indiqué que, vous aussi, vous souteniez mon point de
vue et qu'il était en effet temps de sortir d’une forme de conservatisme qui
considère qu’une personne est soit célibataire, soit mariée et qu’après avoir
été mariée, elle ne peut être que cela.
Monsieur le
Ministre, pourriez-vous dès lors m'indiquer l'évolution de votre position
concernant la mise en œuvre de cette loi et, le cas échéant, les initiatives
que vous comptez prendre ?
Je vous
remercie pour vos réponses.
Antwoord -
Réponse:
Je vous
renvoie à la réponse que je vous ai transmise l’année passée (question n°4050)
concernant la position du SPF Intérieur, à savoir que la mention de l’état
civil ne peut figurer sur un acte ou un document administratif que si cette
mention est légalement et strictement nécessaire par rapport à la finalité du
document en question ; a contrario, si la mention de l’état civil n’est pas
strictement nécessaire, si elle n’est pas adéquate, pertinente et limitée par
rapport à la finalité poursuivie, elle doit tout simplement être omise.
Il relève dès
lors de la compétence de chaque département, administration ou service
d’évaluer s’il est opportun ou non de mentionner l’état civil et ce, selon sa
propre législation et dans sa sphère de compétences.
Par ailleurs,
je vous rappelle que la position du SPF Intérieur sur le sujet a été
communiquée aux communes par circulaire du 27 février 2024.
Cette approche
permet d’atteindre l’objectif poursuivi :éviter l’affichage inutile ou
stigmatisant des mentions « divorcé(e) » et « veuf/veuve » sans créer de confusion juridique dans les
données authentiques de l’état civil.
J’ai par
ailleurs demandé à mon administration d’examiner si un rappel complémentaire
aux communes ou aux administrations concernées est nécessaire afin d’assurer
une application uniforme de cette circulaire.
Monsieur le
Ministre,
Le Front
commun syndical a déposé un préavis de grève pour les membres de la Police
judiciaire fédérale de Liège. Les organisations syndicales dénoncent une
situation devenue intenable : difficultés dans la gestion et le transfèrement
des détenus, procédures devenues inadaptées au Palais de Justice, manque de
cellules disponibles, tensions croissantes avec les services partenaires et
conditions de travail qui se dégradent jour après jour.
Mais comment
s'étonner aujourd'hui de cette mobilisation ?
Comment s'en
étonner lorsque les policiers sont contraints d'assurer des missions de garde
dans des conditions qui ne garantissent ni leur sécurité ni l'efficacité du
service ?
Comment s'en
étonner lorsque les difficultés organisationnelles s'accumulent sans qu'une
solution durable ne soit apportée ?
Comment s'en
étonner lorsque les femmes et les hommes qui assurent quotidiennement notre
sécurité expliquent qu'ils ne disposent plus des moyens nécessaires pour
accomplir correctement leurs missions ?
Dès lors,
Monsieur le Ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes :
Quelles
mesures urgentes entendez-vous prendre afin de répondre aux revendications
formulées par les organisations syndicales et éviter une paralysie de la Police
judiciaire fédérale de Liège ? Allez-vous les rencontrer ?
Quelles
solutions concrètes seront mises en œuvre afin d'améliorer les transferts et la
prise en charge au Palais de Justice ?
Quelles
concertations avez-vous engagées avec les autorités judiciaires, la Régie des
bâtiments, la zone de police de Liège et les représentants syndicaux afin de
résoudre ces dysfonctionnements structurels?
Je vous
remercie pour vos réponses.
Antwoord -
Réponse:
La situation
actuelle à Liège constitue un sujet de préoccupation majeur, tant pour la
sécurité des citoyens que pour celle des policiers sur le terrain. Les
difficultés rencontrées en matière de transferts et de prise en charge des
personnes arrêtées mettent sous pression le fonctionnement opérationnel et
appellent une réponse à la hauteur des enjeux.
Au-delà des
mesures organisationnelles déjà prises pour garantir la continuité du service,
il apparaît clairement que le problème est de nature structurelle et ne pourra
être résolu de manière durable sans une approche globale concertée. Dans ce
cadre, la question de l’infrastructure joue un rôle central, et la Régie des
bâtiments est appelée à assumer pleinement ses responsabilités afin de garantir
des installations adaptées aux besoins opérationnels.
Par ailleurs,
aux termes du comité de négociations organisé sur ce sujet la semaine passée,
les organisations syndicales ont accepté de suspendre leur préavis de grève
jusqu’au 23 juin 2026 dans l’attente d’une visite des autorités sur place.
Il leur a en
effet été présenté à ma demande par la Régie des bâtiments des propositions de
solutions structurelles à court et long terme, outre la poursuite des travaux
déjà programmés en cours. Cette suspension offre donc une fenêtre d’opportunité
essentielle pour avancer vers une solution.
À l’heure
actuelle, le directeur coordinateur est pleinement mobilisé et mène des
concertations étroites avec l’ensemble des partenaires concernés en vue
d’identifier, dans les meilleurs délais, une solution structurelle et
organisationnelle, équilibrée, proportionnée, et durable.
Monsieur le
Ministre,
L'incendie
majeur survenu le lundi 8 juin dernier sur le site de recyclage de Cometsambre
à Obourg, près de Mons, a mobilisé d'importants moyens de secours et conduit
les autorités à recommander aux riverains de se confiner en fermant portes et
fenêtres en raison du dégagement massif de fumées noires toxiques.
Au-delà des
conséquences environnementales et sanitaires relevant des autorités régionales,
cet événement soulève plusieurs questions sur la gestion de ce type d'incidents
industriels, la coordination des services de secours et la protection des
citoyens face aux risques de tels incendies.
Dès lors, je
souhaiterais vous poser les questions suivantes :
La protection
civile a-t-elle été mobilisée dans ce cadre ? Pouvez-vous me faire le point sur
la centralisation des services ?
Une évaluation
de l'intervention est-elle prévue afin d'identifier d'éventuelles difficultés
rencontrées par les services de secours ?
Une
coordination a-t-elle eu lieu entre les autorités fédérales, les zones de
secours et la protection civile afin d'assurer la meilleure information
possible des riverains durant et après l'incident ?
Quelles
difficultés ont été rencontrées dans l'information aux citoyens ?
Enfin, quelles
initiatives comptez-vous prendre pour renforcer la résilience des zones de
secours et la protection des citoyens face à ce type d'incendies industriels
qui se multiplient ?
Je vous
remercie pour vos réponses.
Antwoord -
Réponse:
Oui, la
Protection civile a été mobilisée dans le cadre de cet incendie industriel.
Elle a déployé des moyens d’alimentation en eau de grande capacité afin de
fournir aux pompiers les volumes nécessaires à l’extinction du sinistre. Il
s’agit des mêmes capacités spécialisées que celles qui avaient notamment été
engagées lors de l’incendie de Tubize.
La Protection
civile dispose en effet de moyens spécialisés, lourds et rares qui peuvent être
rapidement mobilisés, sur l’ensemble du territoire, au profit des zones de
secours lorsque celles-ci sont confrontées à des événements dépassant leurs
capacités ordinaires.
Une évaluation
de l’intervention peut être réalisée dans le cadre de la politique de retour
d’expérience (RETEX) au niveau local.
Selon mes
infos, la zone de secours estime que l’intervention s’étant déroulée
correctement, et dès lors, ne sollicite pas l’organisation d’une évaluation
multidisciplinaire opérationnelle ou stratégique.
Aucune phase
communale ou provinciale n'a été déclenchée. Une coordination opérationnelle
étroite a eu lieu entre les autorités locales, les zones de secours, la
Protection civile, la Police et la Discipline 5 qui s’occupe de l’information à
la population. Une campagne BE-Alert a été diffusée par la commune à près de
24.500 destinataires, invitant à fermer les portes et les fenêtres. Selon les
informations dont je dispose, cette campagne s’est déroulée de manière fluide.
À ce stade, aucun dysfonctionnement majeur n’a été identifié dans l’information
aux citoyens. Pour toute question plus spécifique relative à la communication
locale, il convient de se référer aux autorités communales compétentes.
Enfin, face
aux incendies industriels, nous devons continuer à renforcer la résilience de
nos services de secours. La Protection civile a déjà développé, mis en œuvre et
testé des fiches réflexes spécifiques pour les installations de traitement des
déchets et les sites susceptibles de générer des fumées potentiellement
toxiques.
Op donderdag 4 juni 2026 liep in de
omgeving van Brussel-Centraal een protest tegen de hervormingen in het
Franstalig onderwijs uit op zware rellen. Volgens de Brusselse politie waren er
ongeveer 3.000 betogers, voornamelijk jongeren. Een deel van hen stak
fietsenrekken en andere voorwerpen midden op de rijweg in brand en vuurde
vuurwerk af. Hulpdiensten die kwamen blussen, werden met projectielen bekogeld
waardoor een brandweerwagen zich moest terugtrekken. De politie moest traangas
en waterkanon benutten om de groep uiteen te kunnen drijven. Een tiental
personen zou zijn opgepakt. Twee bushokjes en de ruiten van een nabijgelegen
koffiebar werden vernield. Ook de voorzitter van een politieke partij werd
belaagd. Wie hulpverleners bekogelt, brandweerwagens belet te blussen en
clandestien vuurwerk afschiet, voert geen protest meer maar maakt zich schuldig
aan ernstige geweldfeiten. Het recht om te betogen is onaantastbaar, maar dekt
op geen enkele manier brandstichting, vernielingen en aanvallen op wie de openbare
orde en de veiligheid moet verzekeren. Dergelijke feiten horen kordaat te
worden vervolgd en bestraft, en mogen nooit weggezet worden als deel van
legitiem protest.
Daaromtrent volgende vragen:
Kunt u, voor zover het onderzoek dat
toelaat, de stand van zaken geven?
Hoeveel personen werden uiteindelijk
opgepakt, hoeveel werden er effectief aangehouden of voorgeleid, en in hoeveel
gevallen gaat het om feiten van brandstichting of geweld tegen hulpdiensten en
politie?
Hoeveel agenten en hulpverleners raakten
gewond, en welke materiële schade aan brandweer- en politiematerieel werd
vastgesteld?
Worden de daders die hulpdiensten
verhinderden te blussen of die hen bekogelden, prioritair geïdentificeerd en
vervolgd?
Wordt nagegaan in welke mate de
relschoppers reeds gekend waren voor geweld of overlast, en welk aandeel van de
aangehouden personen minderjarig was?
Welke afspraken bestaan er momenteel
tussen de lokale en federale politie om bij aangekondigde of spontane
betogingen die dreigen te ontsporen tijdig op te treden en hulpdiensten en
omstaanders te beschermen, en welke lessen trekt u uit het verloop van 4 juni
2026?
Deze relschoppers tonen een volledig
gebrek aan respect en discipline. Wat vindt u van het voorstel van minister van
defensie Theo Francken om deze jongeren richting een bootcamp te sturen? Ziet u
daar voor uw diensten een taak in weggelegd?
Antwoord - Réponse:
Deze vraag had aan bod moeten komen
tijdens het actualiteitsdebat dat op 17 juni jongstleden in de commissie heeft
plaatsgevonden. Voor alle statistische vragen verzoek ik u mij een
schriftelijke vraag te bezorgen.
56016932C
Mijnheer
de minister,
Recent
werd het vijfjaarlijks verslag over de toepassing van de GAS-wet door uw
administratie gepubliceerd. Daaruit
blijkt dat de GAS-wetgeving door zeer veel lokale besturen in ons land wordt
toegepast. Van
de 450 gemeenten die de vragenlijst hebben ingevuld, past 97,8% de GAS-wet toe.
Een andere opvallende conclusie is dat de afgelopen vijf jaar de
gemeentebesturen volop gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid om
verkeersgerelateerde inbreuken via de GAS-wet te sanctioneren. Als we naar de overlastinbreuken kijken, merken
we dat in Vlaanderen afvalgerelateerde inbreuken het vaakst voorkomen, gevolgd
door lawaaihinder.
Mijn vragen:
Wat zijn de
belangrijkste conclusies die u als minister trekt uit het vijfjaarlijks verslag
over de toepassing van de GAS-wet voor 2020-2025? Zowel wat betreft de
toepassing van de wet als wat betreft de kwalitatieve opmerkingen en
aanbevelingen van de GAS-actoren.
Moeten we dit
GAS-verslag beschouwen als de evaluatie van de wet die u in uw
beleidsverklaring had aangekondigd voor eind 2025?
Welke maatregelen
wil u nemen om de GAS-wet operationeler te maken en beter af te stemmen op de
noden en realiteit op het terrein? Zal u hiervoor een wetgevend traject
opstarten? Zo ja, welke timing hanteert u daarvoor?
56017227C
Meneer de minister, in uw beleidsnota
van 2025 kondigde u een grondige herziening van de GAS-regelgeving aan. Bij de
bespreking gaf u destijds aan dat na de publicatie van het vijfjaarlijkse
GAS-verslag, een evaluatie zou volgen, met een voorstel tot aanpassing van de
GAS-wet in de eerste helft van 2026.
Dat verslag is intussen gepubliceerd en
bevestigt dat de GAS-wet zeer ruim wordt toegepast: 97,8% van de antwoordende
gemeenten past de GAS-wet toe. Tegelijk blijkt dat GAS-boetes voor
minderjarigen in 92,5% van de gemeentereglementen mogelijk zijn, maar dat
slechts 34% van die gemeenten ze ook effectief heeft opgelegd. Het totaal
aantal boetes voor minderjarigen blijft beperkt, maar het regeerakkoord bevat
wel expliciet de ambitie om via GAS-trajecten vanaf 14 jaar ouders te
informeren en waar nodig te responsabiliseren.
Daarnaast wijzen onder meer het FIRM en
het door Unia gefinancierde INESAC-onderzoek op belangrijke aandachtspunten:
het risico op ongelijke behandeling en discriminatie, de impact op kwetsbare
groepen en jongeren, de nood aan duidelijke begrippen, betere
gegevensverzameling, sterkere procedurele waarborgen en meer nadruk op
preventie, bemiddeling en ondersteuning in plaats van louter repressie.
Daarom heb ik volgende vragen:
(1) Wat is de stand van zaken van de
aangekondigde evaluatie van de GAS-wet na de publicatie van het vijfjaarlijkse
verslag?
(2) Welke actoren werden intussen
geconsulteerd, en werden daarbij ook jongerenorganisaties,
mensenrechteninstellingen en armoedeorganisaties betrokken?
(3) Wanneer zal de aangekondigde lijst
met wijzigingen aan de GAS-wet klaar zijn, en wanneer legt u een wetsontwerp
voor aan de regering? Aangezien het verslag intussen al bijna vier maanden
geleden werd gepubliceerd en we ons al midden 2026 bevinden: moeten we
vaststellen dat de aangekondigde timing van de eerste helft van 2026 niet
langer wordt gehaald?
(4) Hoe verhoudt de passage uit het
regeerakkoord over GAS-trajecten voor minderjarigen vanaf 14 jaar zich tot de
vaststelling dat boetes voor minderjarigen in de praktijk beperkt worden
gebruikt, en tot de aanbevelingen om voor jongeren maximaal in te zetten op
preventie, begeleiding en bemiddeling?
(5) Zal u de aanbevelingen uit het
FIRM-advies en het INESAC-onderzoek meenemen in de hervorming, onder meer rond
discriminatierisico's, betere monitoring en versterkte rechtswaarborgen?
56017880C
Mijnheer de minister
Eind maart werd het vijfjaarlijks
verslag over de toepassing van de GAS-wet gepubliceerd, door Algemene Directie
Veiligheid & Preventie binnen FOD Binnenlandse zaken.
Naast de cijferanalyse bevat het verslag
ook uitgebreide opmerkingen, bedenkingen en kritieken over de richting waarin
de GAS-wet evolueert van verschillende betrokken. actoren.
Minister, uw eigen evaluatieverslag
bevat fundamentele waarschuwingen van onder meer de UVCW en het Federaal
Instituut voor de Rechten van de Mens. Zij waarschuwen dat de voortdurende
uitbreiding van de GAS-wet de oorspronkelijke filosofie dreigt te ondermijnen,
dat administratieve efficiëntie niet ten koste mag gaan van de rechtsstaat en
dat GAS geen alternatief mag worden voor een ondergefinancierde justitie. Welke
conclusies trekt u uit die fundamentele waarschuwingen?
Het Federaal Instituut voor de Rechten
van de Mens waarschuwt expliciet voor het gebruik van GAS in dossiers die raken
aan de vrijheid van vereniging, vergadering, het recht op betogen en het
stakingsrecht. Hoe garandeert u dat GAS-sancties niet worden ingezet om sociale
acties of protest te ontmoedigen?
Tegelijk zien we dat gemeenten steeds
afhankelijker worden van inkomsten uit administratieve sancties. Hoe voorkomt u
dat hierdoor verkeerde financiële prikkels ontstaan? Acht u het wenselijk dat
lokale besturen in toenemende mate op boete-inkomsten moeten rekenen om hun
begroting rond te krijgen? Bent u bereid hierover bijvoorbeeld richtlijnen uit
te werken zodat GAS nooit een verdienmodel wordt?
Uw recentste beleidsnota spreekt over
het vereenvoudigen, evalueren en zelfs een grondige herziening van de
GAS-wetgeving. Welke zaken uit het vijfjaarlijks verslag en in het bijzonder
welke aanbevelingen van FIRM, UVCW en de jongerenorganisaties zult u meenemen
in uw hervorming van de GAS-wet?
Antwoord - Réponse:
Het GAS-verslag
vormt een essentieel onderdeel van de evaluatie die ik in mijn
beleidsverklaring heb aangekondigd. Die evaluatie gaat echter verder dan een
loutere analyse van cijfers en statistieken. Ik wil een zo volledig mogelijk
beeld krijgen van de werking van de GAS-wet in de praktijk.
Daarom zullen de
bevindingen uit het verslag worden aangevuld met verdere beleidsmatige analyses
in overleg met de verschillende actoren die dagelijks met de GAS-wet werken.
Ook zullen relevante rechtspraak, aanbevelingen en studies van diverse
instanties mee worden betrokken in de evaluatie. Op basis van deze brede
analyse zal worden nagegaan welke aanpassingen aan de GAS-wet wenselijk of
noodzakelijk zijn. Het is op dit ogenblik nog te vroeg om vooruit te lopen op
de concrete inhoud van eventueel voorgestelde wijzigingen.
Ik heb mijn
diensten wel gevraagd om tegen de start van het volgende parlementaire jaar een
eerste ontwerptekst voor te bereiden.
Op die manier willen we komen tot een
modernisering van de GAS-wet die niet alleen juridisch robuust is, maar ook
breed gedragen wordt en maximaal aansluit bij de noden op het terrein. Het is
mijn ambitie om in de loop van het volgende parlementaire jaar een wetsontwerp
aan het parlement voor te leggen.
Het regeerakkoord
verwijst inderdaad naar GAS-trajecten voor minderjarigen vanaf 14 jaar. Daarbij
is het belangrijk te benadrukken dat een “GAS-traject” veel ruimer is dan het
opleggen van een geldboete. Voor minderjarigen voorziet de GAS-wet immers in een
breed pallet aan maatregelen. Er is de verplichte bemiddeling voor
minderjarigen, de mogelijkheid om een gemeenschapsdienst voor te stellen maar
ook de procedure van ouderlijke betrokkenheid. Een administratieve geldboete
kan slechts worden opgelegd wanneer deze alternatieve trajecten geen oplossing
hebben geboden of niet succesvol zijn gebleken. Het is dan ook belangrijk om de
toepassing van de GAS-wet ten aanzien van minderjarigen in haar geheel te
bekijken en niet uitsluitend te focussen op het aantal opgelegde boetes.
Zoals reeds
aangegeven, zullen zowel de vaststellingen uit het GAS-verslag, als de
bevindingen uit de dagelijkse praktijk worden meegenomen alsook de relevante
rechtspraak en met diverse aanbevelingen en studies die inmiddels zijn
verschenen.
Deze aanbevelingen
en studies zullen eerst grondig worden geanalyseerd.
Op basis daarvan
zal worden beoordeeld in welke mate aanpassingen aan de bestaande GAS-wet
wenselijk zijn. Mijn uitgangspunt daarbij is een GAS-wet die lokale besturen
voldoende slagkracht biedt om overlast aan te pakken, met blijvende aandacht
voor rechtszekerheid, proportionaliteit en een correcte rechtsbescherming van
de betrokken burgers.
Geachte minister,
Het grootstedenplan
werd bij de voorstelling omschreven als ambitieus en vernieuwend, en richt zich
momenteel op zeven steden. Hoewel de doelstellingen van dit plan positief zijn,
vallen er bij de selectie van de steden toch enkele bemerkingen te maken. Zo
wordt geen enkele West-Vlaamse gemeente in het plan betrokken, terwijl er wel
een sterke vertegenwoordiging van Waalse steden is. Dit roept vragen op over het
evenwicht en de objectiviteit van de selectiecriteria.
Daarnaast is het
plan momenteel geraamd op 66 miljoen euro, te spreiden over vijf jaar. Indien
het plan verder wordt uitgebreid of versterkt, lijkt deze raming echter
ontoereikend, en zal bijkomende financiering onvermijdelijk zijn.
Ik heb
hierbij volgende vragen:
Wat is vandaag de
stand van zaken rond het Grootstedenplan? Welke concrete maatregelen, projecten
of samenwerkingsverbanden werden reeds opgestart? Wat is de voorziene timing
voor de initiatieven die nog opgestart moeten worden?
Is er naar
aanleiding van mijn eerdere tussenkomst in de Commissie Binnenlandse Zaken
geëvalueerd of ook West-Vlaamse steden in aanmerking kunnen komen voor opname
in het plan? Zo ja, welke steden worden daarbij overwogen? Zo neen, wat zijn de
redenen om dat niet te doen? Worden er ook nog andere steden in rekening
genomen voor in het Grootstedenplan? Indien ja, welke steden?
Op basis van welke
objectieve criteria zijn de geselecteerde steden gekozen? Gelieve een
allesomvattend antwoord te voorzien.
Is de financiering
van dit plan nog steeds geraamd op 66 miljoen euro? Zijn er plannen om de
budgettering van het Grootstedenplan te herzien of aan te vullen (rekening
houdend met de mogelijke uitbreiding van het plan naar andere steden)?
In welke vorm en
wanneer zal de effectiviteit van het Grootstedenplan worden geëvalueerd?
Antwoord - Réponse:
Mijnheer Demon,
De voorbije maanden
zagen we een onaanvaardbare toename van schietpartijen en druggerelateerd
geweld, onder meer in Brussel, Antwerpen, Gent, Namen, Mons, Charleroi en Luik.
In die steden is de impact van georganiseerde criminaliteit bijzonder voelbaar.
Daarom heb ik
verschillende grote steden bezocht en overleg gepleegd met burgemeesters,
korpschefs en lokale politiezones.
Hun boodschap was
overal dezelfde: georganiseerde criminaliteit wordt professioneler en
gewelddadiger, en vraagt om een sterkere federale aanpak en bijkomende
ondersteuning.
De geselecteerde
steden zijn dan ook die steden waar de veiligheidsproblematiek vandaag het
meest acuut is en waar de nood aan bijkomende federale ondersteuning het
grootst is.
Het gaat niet om
een beoordeling van steden onderling, maar om een gerichte inzet van middelen
waar de veiligheidsuitdagingen momenteel het zwaarst wegen.
Concreet voorziet
het plan onder meer in bijkomende investeringen in camerabewaking voor een
bedrag van 25 miljoen euro, grootschalige controleacties (FIPA-acties) onder
leiding van de federale politie, een versterkte aanpak van witwasconstructies
en malafide handelszaken, en een verdere versterking van de strijd tegen
radicalisering en extremisme.
Ons uitgangspunt is
eenvoudig: waar de georganiseerde criminaliteit het hardst toeslaat, moet de
overheid aanwezig zijn en krachtig terugslaan. Dat is ook wat we doen met mijn
plan Grote Steden.
Het plan Grote
Steden werd uitgerold in september vorig jaar. Ik heb reeds twee uitgebreide
evaluatiemomenten georganiseerd, in februari en mei.
De gerichte
politieacties leveren duidelijke resultaten op. Zo werd er meer dan 345 kg
drugs in beslag genomen. Daarnaast namen de politiediensten 315 wapens, bijna
430 voertuigen gelinkt aan drugshandel en meer dan 2 miljoen euro crimineel
geld in beslag.
Ook op het vlak van
arrestaties zijn de cijfers aanzienlijk. Meer dan 7.300 personen werden
gearresteerd, waaronder meer dan 4.500 gerechtelijke arrestaties. Daarnaast
werden bijna 1.710 personen zonder wettig verblijf geïdentificeerd.
Er werden meer dan
5.000 processen-verbaal opgesteld voor drugsgerelateerde feiten.
Daarnaast werden
honderden onmiddellijke minnelijke schikkingen voorgesteld, goed voor meer dan
80.000 euro aan geïnde boetes.
In totaal werden
tijdens de acties bijna 30.000 personen en meer dan 25.000 voertuigen
gecontroleerd. Ook ongeveer 500 handelszaken werden gecontroleerd.
Deze cijfers
spreken voor zich: onze politiediensten raken de criminele netwerken waar het
pijn doet. De boodschap is duidelijk: wie onze steden vergiftigt met drugs en
geweld, zullen we blijven opsporen, verstoren en vervolgen.
De strijd is niet
voorbij, maar onze vastberadenheid is groter dan ooit. We geven niet op.
Ik dank alle
vrouwen en mannen die zich elke dag inzetten om onze burgers te
beschermen.
Met betrekking tot
de selectie van de steden wil ik u het volgende meegeven: De selectie is
gebeurd op basis van artikel 105 lid 10 van de Wet op de Geintegreerde politie
en op basis van de aanwezigheid van problematieken rond drugshandel en
georganiseerde criminaliteit. Het plan voor de grote steden is niet opgevat op
basis van een geografische spreiding tussen steden of gewesten, maar op basis
van objectieve veiligheidsuitdagingen waarmee bepaalde steden vandaag
geconfronteerd worden.
Het Plan Grote
Steden is niet het resultaat van een partijtje vogelpik op de kaart van België,
meneer Demon. Het is gebaseerd op objectieve veiligheidscriteria en concrete
noden op het terrein.
Dat betekent
uiteraard niet dat andere steden, waaronder steden in West-Vlaanderen, geen
ondersteuning kunnen krijgen. Zoals u weet, heb ik 5 miljoen euro vrijgemaakt
voor politiezones in de rest van het land voor de aankoop van camera’s.
Daarnaast blijven
de federale politie, de veiligheidsdiensten en de bestaande
financieringsmechanismen ter beschikking van alle lokale besturen. Het Plan
Grote Steden is dus geen exclusief instrument, maar een bijkomende en gerichte
aanpak voor plaatsen waar georganiseerde criminaliteit en drugsgeweld vandaag
het meest zichtbaar en acuut aanwezig zijn.
Ik wil het Plan
Grote Steden eind september, één jaar na de opstart, opnieuw tegen het licht
houden om de impact van de genomen maatregelen te beoordelen en, waar nodig,
bijkomende acties te nemen of bij te sturen.
Geachte minister,
Op maandag 25 mei
werd Diksmuide opgeschrikt door een ernstig schietincident in de stationsbuurt.
Daarbij raakte een man levensgevaarlijk gewond nadat hij een schotwonde in de
buik opliep. Het slachtoffer werd in kritieke toestand overgebracht naar het ziekenhuis.
Na de feiten konden
zes verdachten worden opgepakt. Het parket heeft inmiddels een onderzoek
geopend en onderzoekt of er een link bestaat met het drugsmilieu.
Opnieuw worden we
geconfronteerd met extreem geweld in de publieke ruimte, mogelijk gelinkt aan
drugscriminaliteit. Zulke feiten veroorzaken grote onrust bij omwonenden en
versterken het gevoel dat geweld en afrekeningen steeds zichtbaarder aanwezig
zijn in onze steden en gemeenten.
Mijn vragen:
Hoe evalueert u de
evolutie van schietincidenten in België, en specifiek in kleinere steden en
gemeenten?
Welke bijkomende
maatregelen neemt de regering om de verspreiding van illegale vuurwapens tegen
te gaan?
Hoe ondersteunt u
lokale politiezones in kleinere steden en gemeenten in de strijd tegen
georganiseerde drugscriminaliteit en gewelddadige afrekeningen?
Antwoord - Réponse:
Het merendeel van
de schietincidenten in ons land doet
zich voor in de grote steden - meer dan de helft in het arrondissement Brussel
- en is vaak gelinkt aan drugscriminaliteit.
Hierbij wordt de
uvuurkracht steeds vaker uitbesteed via een soort ‘Violence as a Service’ naar
een groep van jongere en kwetsbaardere uitvoerders. We zien geen systematische
verspreiding naar alle hoeken en gemeenten van het land.
Zowel in de
Kadernota Integrale Veiligheid (KIV) 2026-2029 als in het Nationaal
Veiligheidsplan (NVP) 2026-2029 wordt de bestrijding van de illegale
wapenhandel als een prioriteit aangemerkt.
In het NVP worden
een aantal strategische doelstellingen vooropgesteld voor de Federale Politie:
beeldvorming, tools en de expertise versterken, controle op de wapens
verbeteren, en internationale samenwerking
De lokale politie
vervult eerder een ondersteunende rol in toezicht en signalering.
DJSOC/Wapens biedt
ondersteuning aan de gedecentraliseerde diensten bij de controles van deze
potentiële bevoorradingsbronnen (schietstanden, wapenhandelaars,
militariabeurzen, verzamelaars, enz.).
Recent verschenen
berichten over succesvolle initiatieven in het Verenigd Koninkrijk om
smartphonecriminaliteit terug te dringen. In samenwerking met de Londense
Metropolitan Police hebben technologiebedrijven zoals Apple bijkomende
veiligheidsmaatregelen ingevoerd waardoor gestolen smartphones beter
traceerbaar worden en moeilijker opnieuw geactiveerd of doorverkocht kunnen
worden. Volgens recente berichtgeving zou het aantal telefoondiefstallen
hierdoor in bepaalde Londense stadsdelen aanzienlijk zijn gedaald.
Ook in België
blijft de diefstal van smartphones een hardnekkig probleem. Dergelijke feiten
veroorzaken niet alleen financiële schade voor de slachtoffers, maar dragen ook
bij tot gevoelens van onveiligheid in de publieke ruimte en vormen vaak een
inkomstenbron voor georganiseerde criminele netwerken.
Beschikt u over
recente cijfers betreffende het aantal geregistreerde smartphone- en
gsm-diefstallen in België, opgesplitst per gewest en voor zover mogelijk per
provincie, voor de jaren 2024, 2025 en 2026? Hoe evolueren deze cijfers?
Beschikt de
federale politie over analyses betreffende de betrokkenheid van georganiseerde
criminele netwerken bij de diefstal, doorverkoop of uitvoer van gestolen
smartphones? Welke tendensen worden daarbij vastgesteld?
Welke concrete
maatregelen nemen de federale politie en de lokale politiediensten momenteel om
smartphonecriminaliteit en straatroven gericht aan te pakken?
Heeft de federale
politie reeds overleg gepleegd met technologiebedrijven zoals Apple, Google of
Samsung over maatregelen om gestolen smartphones moeilijker verkoopbaar of
herbruikbaar te maken? Zo ja, welke initiatieven werden besproken?
Is de regering
bereid om, naar het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk, bijkomende
samenwerkingen met technologiebedrijven te onderzoeken om de economische waarde
van gestolen smartphones verder te verminderen en zo de aantrekkelijkheid van
deze vorm van criminaliteit terug te dringen?
Welke maatregelen
worden genomen tegen de internationale doorverkoop en uitvoer van gestolen
smartphones naar het buitenland?
Beschikt u over
gegevens waaruit blijkt welke impact technologische beveiligingsmaatregelen,
zoals activeringsvergrendeling of anti-diefstalfunctionaliteiten, hebben op het
aantal smartphonediefstallen en de opsporing van daders
Antwoord - Réponse:
Ik verwijs het
geachte lid naar de Eerste Minister, die nog bevoegd is voor de CCB.
Het WK Voetbal zal
onvermijdelijk opnieuw grote groepen mensen op straat brengen, ook in Brussel.
We hebben dat ook gezien tijdens het vorige WK, maar ook bijvoorbeeld tijdens
de Africa Cup of Nations. Zulke bijeenkomsten zijn op zich natuurlijk legitiem,
maar we weten intussen ook dat publieke samenkomsten kunnen worden misbruikt
door relschoppers die niet komen om voetbal te vieren, maar om confrontatie te
zoeken met de politie, vernielingen aan te richten of chaos te creëren. De
geschiedenis leert ons dat daarbij overwinning of verlies soms weinig verschil
maakt.
Zeker in Brussel,
waar de politiezones al zwaar onder druk staan en waar de coördinatie tussen
verschillende overheden vaak niet vanzelfsprekend loopt, rijst de vraag of de
veiligheidsvoorbereiding voldoende concreet is. Het mag niet de bedoeling zijn
dat men pas opschaalt wanneer de situatie al ontspoord is.
Daarom had ik graag
volgende vragen gesteld:
Welke risicoanalyse
werd of wordt gemaakt voor de wedstrijden en publieke samenkomsten in Brussel
tijdens het WK Voetbal?
Wordt er vooraf
gewerkt met een specifiek veiligheidsplan om relschoppers, georganiseerde
amokmakers of zogenaamde reltoeristen sneller te detecteren en te isoleren van
gewone supporters?
Welke federale
ondersteuning wordt voorzien voor de Brusselse politiezones, zowel op het vlak
van capaciteit als op het vlak van informatie-uitwisseling en operationele
coördinatie?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Op
donderdag 11 juni kwam Jordan Bardella, voorzitter van het Franse Rassemblement
National, naar het Vlaams Parlement voor een lezing op uitnodiging van mijn
partij. Extreemlinkse relschoppers ontketenden opnieuw chaos in de straten rond
het parlement en blokkeerden hele straten rond het Madouplein. Ook was er
opnieuw vandalisme van overheidsgebouwen.
Het is niet de
eerste keer dat extreemlinkse straatterreur onze evenementen verstoort. Telkens
kondigt men ook de uiteindelijk gewelddadige betogingen aan.
Welke voorafgaande
risicoanalyse werd gemaakt door de federale diensten, in overleg met de
Brusselse politiezones, naar aanleiding van de aangekondigde antifa-actie?
Hoeveel personen
werden bestuurlijk of gerechtelijk aangehouden, hoeveel processen-verbaal
werden opgesteld en hoeveel relschoppers werden effectief geïdentificeerd?
Waren er gewonden
bij politie, hulpdiensten, aanwezigen of omstaanders, en welke materiële schade
werd vastgesteld aan publieke infrastructuur, handelszaken, gebouwen of
voertuigen?
Erkent u dat hier
niet langer sprake is van gewoon protest, maar van een terugkerend patroon van
georganiseerde extreemlinkse intimidatie? Denk hierbij ook aan organisaties als
Code Rood.
Welke structurele
maatregelen neemt u om gewelddadige antifa-netwerken beter op te volgen?
Hoe zult u
garanderen dat politieke bijeenkomsten, ook van partijen en sprekers die door
links worden geviseerd, in de toekomst zonder intimidatie, vernieling of geweld
kunnen plaatsvinden?
Antwoord - Réponse:
De risicoanalyse voor de ordehandhaving
met betrekking tot de komst van de heer Bardella naar Brussel op 11 juni werd
uitgevoerd door de politiezone Brussel-Hoofdstad, die GOLD Commander was voor
dit evenement. Op basis van deze risicoanalyse werd een versterking gevraagd en
geleverd door de federale politie.
De lokale politie heeft me volgende
inforamtie aangeleverd over de manifiestatie: Er vonden geen gerechtelijke of
bestuurlijke aanhoudingen plaats, en er werden geen relschoppers
geïdentificeerd. Er werd één proces-verbaal opgesteld inzake vernieling, naar
aanleiding van het stukmaken van vier ramen van het gebouw van de FWB en het
aanbrengen van graffiti op het gebouw van de FWB.
Er waren geen gewonden bij de
veiligheidsdiensten, maar er werden wel stenen geworpen naar de
politieambtenaren die achter de Friese Ruiters stonden opgesteld en er werden
rookbommen gegooid.
Er werden vier ramen van het gebouw van
de FWB stukgemaakt en er werd graffiti aangebracht op het gebouw van de FWB. De
mobilisatie tegen de komst van de heer Bardella naar Brussel was aangekondigd
en er werd dan ook door de politiediensten geanticipeerd. Deze mobilisatie
maakte geen deel uit van Code Rood.
Het kader om te garanderen dat politieke
of andere legitieme evenementen kunnen plaatsvinden, zonder dat deze verstoord
of verhinderd worden door manifestanten, is meer dan ooit belangrijk. Ik zal
altijd het recht om te protesteren verdedigen, maar wel binnen de grenzen van
het toelaatbare. Mijn vrijheid stopt waar die van een ander begint.
Onze veiligheidsdiensten hebben via het
NCCN, het OCAD en de politiediensten voldoende procedures en mechanismen om de
risico’s in te schatten. Het is wél een uitdaging om tijdig over de juiste en
precieze inlichtingen te beschikken én om voldoende machten te mobiliseren.
Onze veiligheidsdiensten doen al het
mogelijke om het rustige verloop van dit soort evenementen te garanderen, los
van het feit of we het eens zijn met de boodschappen die hier verspreid worden.
Net zoals bij de conferenties van mijn eigen partij, overigens, mogen we ons
niet laten intimideren en zelfs in moeilijke omstandigheden ons werk blijven
doen.
Tijdens Extrema
Outdoor in Houthalen-Helchteren werden 263 festivalgangers betrapt op
drugsbezit. Er werd voor 75.325 euro aan onmiddellijke minnelijke schikkingen
opgelegd. Daarnaast werden tien personen bestuurlijk gearresteerd en werden bij
de verkeersactie DRIVE XO 37 rijbewijzen ingetrokken of onmiddellijk
ingehouden, onder meer wegens rijden onder invloed van drugs of alcohol. De actie gebeurde met omliggende
politiezones en de Federale Wegpolitie.
Hoewel
dit in de pers als een “rustige" editie werd omschreven, tonen deze
cijfers aan dat drugsgebruik en rijden onder invloed rond grote festivals een
ernstig veiligheidsprobleem blijven. De festivalzomer staat voor de deur. De
vraag is of Binnenlandse Zaken hier voldoende proactief op anticipeert.
Beschouwt
u de resultaten rond Extrema Outdoor als een alarmsignaal voor de komende
festivalzomer?
Welke federale
ondersteuning werd bij Extrema Outdoor concreet geleverd?
Voor welke grote
festivals en massa-evenementen zijn deze zomer reeds gecoördineerde drugs- en
verkeersacties gepland, en welke federale diensten zijn daarbij betrokken?
Op basis van welke
criteria wordt beslist of een festival federale steun krijgt: bezoekersaantal,
eerdere drugsincidenten, verkeersrisico's, openbare orde of enkel de vraag van
de lokale politiezone?
Bestaat er vandaag
een federaal draaiboek voor systematische drugs- en verkeerscontroles bij grote
festivals, of blijft dit ad-hoc samenwerking?
Zal de actie DRIVE
XO geëvalueerd worden met het oog op uitbreiding naar andere grote festivals?
Hoe
vermijdt u dat lokale politiezones met grote festivals op hun grondgebied
alleen opdraaien voor een problematiek die het lokale niveau overstijgt?
Komt er
vóór de piek van de festivalzomer nog overleg met de Federale Politie,
politiezones, gouverneurs en festivalorganisatoren over een uniforme aanpak?
Acht u,
vanuit uw bevoegdheid voor veiligheid, politie en ordehandhaving, de huidige
minnelijke schikkingen bij drugsbezit op festivals voldoende ontradend, en zal
u hierover overleg vragen met Justitie en het College van procureurs-generaal
met het oog op een strenger sanctioneringskader?
Antwoord - Réponse:
De
resultaten rond Extrema Outdoor bevestigen dat drugsgebruik en rijden onder
invloed tijdens en rond grote festivals blijvende aandacht vereisen.
De ordedienst van
Extrema Outdoor werd georganiseerd door de lokale politie. Omdat de impact van
een dergelijk evenement op een beperkt grondgebied aanzienlijk kan zijn, werd
federale versterking ingezet in de vorm van CIK-personeel. Daarnaast werd een gespecialiseerd
middel van de hondeneenheid van de Federale Politie ingezet, namelijk een
hondengeleider voor drugsdetectie.
De strategische en
tactische aanpak wordt bepaald door de GOLD Commander die verantwoordelijk is
voor het evenement, in overleg met de lokale bestuurlijke en gerechtelijke
autoriteiten. Daarbij wordt rekening gehouden met de fysieke veiligheid van de
deelnemers, de impact op omwonenden, de openbare orde en de bredere
veiligheidscontext.
De inzet van
federale steun gebeurt op basis van de risicoanalyse van de GOLD
Commander.
Wanneer de
beschikbare lokale middelen worden overschreden of gespecialiseerde middelen
nodig zijn, kan ondersteuning van de Federale Politie worden gevraagd.
Controles op rijden onder invloed maken deel uit van de actieplannen van de
Federale Politie en sluiten aan bij de Staten-Generaal van de
Verkeersveiligheid. Bij voertuigcontroles wordt aandacht besteed aan rijden
onder invloed van zowel alcohol als verdovende middelen. De aanpak is dus niet
willekeurig, maar wordt per evenement bepaald op basis van de risicoanalyse. Na
elk festival volgt een evaluatie en worden goede praktijken gedeeld, zodat
nuttige ervaringen kunnen worden meegenomen naar andere grote festivals.
Wat de
onmiddellijke minnelijke schikkingen betreft, is het doel ervan
gedragsverandering. Een onmiddellijke minnelijke schikking kan maar
doeltreffend zijn wanneer zij ingebed is in een breder beleid, gaande van
sensibilisering, preventie en zorg tot repressie. Uit een rapport van het
Europees Drugsagentschap blijkt dat de eenvoudige beschikbaarheid van drugs een
belangrijke reden is voor drugsgebruik. Daarom is het minstens even belangrijk
om in te zetten op het drugsaanbod, de drugsdealers en de aanvoerketen. Een
lagere beschikbaarheid kan bijdragen tot een daling van het drugsgebruik.
Het is dus de
combinatie van alle vernoemde maatregelen die een ontradend effect moet hebben
en moet bijdragen aan een veilige festivalzomer waarin de muzikale roes
volstaat.
Bij een gewelddadig
incident in het station van Antwerpen-Centraal geraakten twee Securail-agenten
gewond toen ze werden aangevallen door een onbekende man. Omdat er geen agenten
van de Spoorwegpolitie aanwezig waren kon de dader ontkomen. Achteraf kon hij
door agenten van de lokale politie gearresteerd worden waarbij ook een agent
gewond geraakte.
Kan de minister
duiden welke feiten de aanleiding vormden tot het incident?
Van welke aard
waren de verwondingen van de politieagent? Hadden deze een
arbeidsongeschiktheid tot gevolg? Desgevallend: voor hoe lang?
Hoe beoordeelt de
minister het feit dat er op het drukke middaguur geen agenten van de
Spoorwegpolitie beschikbaar waren in het drukke station van Antwerpen-Centraal?
Zal de minister dit
bespreken met zijn verantwoordelijke collega-minister van Mobiliteit?
Antwoord - Réponse:
Ik herinner dat de
omzendbrief van 2002 bepaalt dat het grondgebied van het station onder de
bevoegdheid van de lokale autoriteiten valt, en dus van de Lokale Politie.
Op het moment van
de feiten in het Centraal Station van Antwerpen was er inderdaad geen
interventieteam van de SPC ter plaatse, aangezien dit team was opgeroepen voor
een noodgeval in verband met een persoonsongeval in de provincie Antwerpen.
Er dient ook te
worden opgemerkt dat er niet op elk moment politieagenten aanwezig zijn in het
Centraal Station van Antwerpen, laat staan leden van de SPC Noord. Het is dan
ook onmogelijk om de Securail-agenten voortdurend te ondersteunen bij hun taken
met betrekking tot de beveiliging van de NMBS-infrastructuur
Tijdens
een gemeenschappelijke controleactie van de politie, Securail en de Dienst
Vreemdelingenzaken in het station van Kortrijk controleerde men een 800 tal
personen. 16 personen
werden betrapt met drugs, 4 personen werden ter beschikking gesteld van de
Dienst Vreemdelingenzaken omdat ze in illegaliteit verbleven, één persoon bleek
nog een openstaand bevel tot gevangenneming te hebben en één persoon was in het
bezit van verboden vouwmes.
Kan de minister
duiden welk de huidige status is van de vier personen die in illegaliteit
verbleven en aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden overgedragen? Waar
bevinden zij zich momenteel? Welke verdere procedure zal er gevoerd worden?
Hoeveel personen
zonder geldig verblijfsstatuut werden de voorbije vijf jaar aangetroffen bij
controles in stations of op treinen? Hoeveel van hen werden effectief ter
beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenzaken en welk gevolg werd
daaraan gegeven?
Hoe
evalueert de minister de resultaten van deze grootschalige controleactie? Acht
de minister het normaal dat bij één controleactie zestien personen met drugs,
meerdere personen zonder geldig verblijfsstatuut, vermoedelijke drughandelaren,
iemand met een openstaand bevel tot gevangenneming en iemand met een verboden
wapen werden aangetroffen?
Beschikt de
minister over een lijst van stationsomgevingen die door de NMBS/Securail,
Infrabel, de politie of andere diensten als hotspots voor overlast, agressie of
criminaliteit worden beschouwd? Zo ja, welke stations staan op die lijst en op
basis van welke criteria worden zij geselecteerd voor het voeren van
grootschalige gecoördineerde controleacties?
Krachtens
artikel 127, nr. 2, van het Reglement van de Kamer moeten de vragen "een
actueel karakter hebben en van algemeen
belang zijn". De
toepasselijke bepalingen inzake persoonsgegevens dienen hierbij in acht te
worden genomen.
Antwoord - Réponse:
Deze operatie werd
niet uitgevoerd in samenwerking met de Federale Politie. Er namen
aspirant-politiemensen uit West-Vlaanderen aan deel. Op basis van informatie
die ik van de PZ Vlas heb ontvangen, kan ik u meedelen dat dit soort
gezamenlijke operaties, met name met Securail en DVZ, meerdere keren per jaar
op lokaal initiatief plaatsvinden in het kader van de strijd tegen drugshandel
en grensoverschrijdende criminaliteit.
Naar verluidt zijn
twee personen in een gesloten centrum geplaatst, maar ik verzoek u zich te
richten tot debevoegde dienst voor nadere details.
Ik
beschik op dit moment over geen aanvullende informatie van de lokale politie.
Ik kan u meedelen dat de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit tot mijn
prioriteiten behoort en dat ik de voorbije dagen in dit kader ook in de zones
van Moeskroen, Doornik en Estaimpuis aanwezig was.
De samenwerking met
de Franse autoriteiten is uiteraard onontbeerlijk en moet kunnen worden
versterkt, zowel op juridisch als op operationeel vlak. Dit geldt zowel voor de lokale
politiezones als voor de specifieke federale ondersteuning en voor de diensten
en bevoegdheden van de gerechtelijke politie. Het goede voorbeeld dat we moeten volgen, is
dat van de Benelux-overeenkomst die we al hebben en die een doeltreffende
samenwerking mogelijk maakt, met name op het gebied van achtervolgingen.
Ik ben mij ervan
bewust dat ook het kader voor de uitwisseling van informatie en de
mogelijkheden voor gezamenlijke patrouilles tussen de Belgische en Franse
politiediensten moeten worden verbeterd. We hebben al belangrijke beslissingen
genomen inzake ANPR-camera’s. Bovendien biedt het Schengen-kader ons
mogelijkheden om deze verbeteringen door te voeren; daar werken we aan.
Wat
betreft uw specifieke vragen over de cijfermatige details, verzoek ik u mij een
schriftelijke vraag te stellen.
Monsieur
le Ministre,
Depuis
2023, l'association Brussels By Night a mis en place des équipes mobiles de
prévention et de soutien, communément appelées « care teams », dans le cadre
d'événements festifs organisés en Région bruxelloise.
Ces
équipes, composées de personnes formées à l'écoute et à la prévention, ont pour
mission d'assurer le bien-être des participants, de prévenir les comportements
agressifs ou oppressifs, d'orienter les personnes en difficulté vers les
services compétents et de contribuer, par leur présence sur le terrain, à un
climat de sécurité au sein des événements.
Il ne
s'agit pas pour ces équipes d'exercer des missions de sécurité au sens strict
ni de se substituer aux services de sécurité privée ou aux forces de police.
Leur rôle se situe davantage dans la prévention, l'accompagnement et la
réduction des risques.
Toutefois,
le développement de ces initiatives soulève aujourd'hui plusieurs questions
juridiques. Les acteurs du secteur estiment en effet que le cadre légal actuel
ne permet pas toujours de définir clairement les missions, les limites
d'intervention et les responsabilités de ces équipes, en particulier lors
d'événements organisés sur le domaine public.
Plusieurs
échanges ont récemment eu lieu entre les représentants du secteur, différentes
autorités locales ainsi que les administrations compétentes. Trois pistes de
réflexion semblent actuellement se dégager : l'évolution du cadre applicable
aux fonctions de sécurité non policières sur l'espace public, l'adaptation de
certaines dispositions réglementaires liées à la loi sur la sécurité privée, ou
encore, à plus long terme, une modification législative permettant une
reconnaissance plus complète de ces dispositifs.
Dans ce
contexte, Monsieur le Ministre, je souhaiterais vous poser les questions
suivantes :
Quelle
est votre appréciation du rôle joué par les « care teams » dans la prévention
des incidents et l'amélioration du sentiment de sécurité lors d'événements
festifs ?
Votre administration
est-elle actuellement associée aux réflexions en cours concernant l'encadrement
juridique de ces équipes ? Si oui, quel en est l'état d'avancement ?
Considérez-vous
qu'une évolution du cadre relatif aux fonctions de sécurité non policières
pourrait permettre de mieux intégrer ces missions de prévention et de veille
sans créer de confusion avec les missions relevant de la sécurité privée ou des
services de police ?
Une
adaptation de la réglementation existante ou de la loi sur la sécurité privée
est-elle envisagée afin de reconnaître et encadrer plus clairement l'action des
care teams lors d'événements organisés sur le domaine public ou privé ?
Je vous
remercie
Antwoord - Réponse:
Monsieur
le député,
Je tiens
tout d’abord à exprimer mon respect pour le travail accompli par les « care
teams», dont l’action lors d’événements tels que des festivals contribue de
manière positive au bien-être et à la santé des personnes présentes sur site.
Toutefois,
dès lors que des équipes sont déployées en vue de l’exercice de tâches de
sécurité ou de gardiennage, le cadre réglementaire applicable doit être
strictement respecté. La loi sur la sécurité privée s’applique lorsque des
activités de gardiennage ou de sécurité sont exercées dans des lieux privés,
par exemple dans le cadre d’événements privés ou, sous certaines conditions
strictes, sur la voie publique.
La loi
relative aux gardiens de la paix s’applique quant à elle lorsque des missions
de prévention et de sécurité sont exercées sur la voie publique.
Certaines
activités, telles que la présence préventive visant à assurer le bon
déroulement sécurisé de l’événement ou la prévention de comportements agressifs
ou oppressifs, relèvent dès lors de la loi sécurité privé ou la loi gardiens de
la paix, dès lors qu’elles participent à la sécurité structurelle de
l’événement et dépassent le seul rôle d’accompagnement, du bien-être ou de «
care ».
Les
personnes qui exercent une telle fonction, particulièrement sensible et
essentielle au bon déroulement sécurisé d’un événement, doivent satisfaire à
l’ensemble des conditions légales applicables, notamment en matière de
formation et de screening.
Enfin,
il convient de souligner que les évolutions sociétales et la diversification
croissante des acteurs impliqués dans la prévention et la sécurité nécessitent
une adaptation du cadre légal existant. Cette évolution doit toutefois
s'inscrire dans un cadre clair et contrôlé, afin d'éviter toute confusion des
rôles et de prévenir l'émergence de structures de sécurité parallèles ou de
formes de « milices privées » échappant aux garanties, au contrôle et à
l'encadrement prévus par la loi.
C'est
dans cette perspective que j'ai pris l'initiative de moderniser la législation
relative aux gardiens de la paix par l'élaboration d'un projet de loi relatif
aux fonctions publiques de sécurité non policières.
Cette
nouvelle législation a pour objectif de répondre aux évolutions de
l'architecture de sécurité, tout en offrant aux villes et communes davantage de
flexibilité dans l'organisation des missions de prévention et de sécurité sur
leur territoire, y compris lors d'événements qu'elles coorganisent. Elle
garantira que ces missions continuent d'être exercées dans un cadre
transparent, professionnel et démocratiquement contrôlé. Cette future
législation remplacera la loi actuelle relative aux gardiens de la paix.
56017132C
Mijnheer de minister, naar aanleiding
van mijn eerdere vragen over Freedom 250 wens ik een bijkomend aspect aan te
kaarten. Volgens POLITICO zouden genodigden vooraf een gezichtsfoto moeten
uploaden, die vervolgens via gezichtsherkenning zou worden gebruikt bij de
toegangscontrole, samen met een identiteitsdocument en een QR-code. Daarnaast
verklaarde een vertegenwoordiger van de organisator over de beveiliging van het
evenement: "It's the police, it's the government, it's the army."
Deze berichtgeving roept vragen op over
de verwerking van biometrische gegevens en over de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen publieke en private actoren:
(1) Is de federale overheid op de hoogte
van het voornemen om gezichtsherkenning of andere vormen van biometrische
identificatie te gebruiken bij de toegangscontrole van dit evenement?
(2) Op welke uitzondering van
artikel 9 AVG zou deze verwerking volgens u steunen? Indien het gaat om
uitdrukkelijke toestemming als bedoeld in artikel 9, lid 2, a) AVG, hoe wordt
dan gegarandeerd dat die toestemming vrij, specifiek, geïnformeerd en
ondubbelzinnig is wanneer weigering ervan betekent dat men geen toegang krijgt
tot het evenement?
(3) Werd voor deze verwerking een
gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) uitgevoerd? Zo ja, door wie en
werden de bevoegde Belgische autoriteiten hierover geïnformeerd?
(4) Wie is in dit dossier de
verwerkingsverantwoordelijke voor deze biometrische gegevens?
(5) Kan u bevestigen dat geen gebruik
zal worden gemaakt van realtime gezichtsherkenning, automatische vergelijking
met (zwarte) lijsten of andere vormen van biometrische identificatie buiten de
toegangscontrole van vooraf geregistreerde genodigden?
(6) Hoe moet de uitspraak dat de
beveiliging gebeurt door "the police, the government, the army"
precies worden begrepen?
(7) Welke publieke en private actoren
zullen betrokken zijn bij de veiligheidsoperatie, welke bevoegdheden zullen zij
uitoefenen en onder wiens gezag zullen zij opereren?
(8) Kan u bevestigen dat geen enkele
buitenlandse militaire of veiligheidsdienst autonome controle- of
veiligheidsbevoegdheden zal uitoefenen op Belgisch grondgebied buiten de
bestaande wettelijke kaders?
56017606C
Mijnheer
de minister, op 17 juni vroeg ik u naar de veiligheidsorganisatie van Freedom
250 in het Jubelpark, onder meer over de rolverdeling tussen de verschillende
veiligheidsactoren en de aanwezigheid van buitenlandse veiligheidsdiensten. U
verwees toen naar de verantwoordelijkheid van de lokale overheid, maar niet
naar de feitelijke taakverdeling. Intussen heeft het evenement plaatsgevonden.
Volgens De Standaard (29 juni) werd de toegangscontrole uitgevoerd door een
private beveiligingsfirma, "bijgestaan door druk heen en weer rennende
agenten van de Secret Service". Daarnaast meldden journalisten van The
European Correspondent dat zij, hoewel uitgenodigd, door de Belgische politie
van het terrein werden begeleid nadat de ambassadeur hen als een "active
threat" zou hebben bestempeld. Dat roept bijkomende vragen op over de rol
van buitenlandse veiligheidsdiensten en de aansturing van de BE politie;
(1)
Kan u bevestigen welke opdracht de Amerikaanse Secret Service tijdens dit
evenement precies heeft vervuld?
(2)
Hebben agenten van de Secret Service zich uitsluitend beziggehouden met de
persoonsbeveiliging van beschermde Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders, dan
wel ook met toegangscontrole, perimeterbewaking of andere veiligheidsopdrachten
voor bezoekers?
(3)
Onder welke juridische regeling gebeurde hun aanwezigheid en welke afspraken
werden daarover gemaakt tussen de BE autoriteiten en de Amerikaanse overheid?
(4)
Hebben agenten van de Secret Service op enig ogenblik rechtstreeks contact
gehad met bezoekers of controles uitgevoerd? Zo ja, binnen welk wettelijk
kader?
(5)
Wie had de operationele leiding over de veiligheidsoperatie: de BE politie, de
lokale overheid of een andere actor?
(6)
Klopt het dat BE politie op vraag of aangeven van de Amerikaanse ambassadeur
journalisten van The European Correspondent van het terrein heeft begeleid,
hoewel zij waren uitgenodigd of geaccrediteerd? Wie heeft daartoe de beslissing
genomen en op basis van welke feitelijke en juridische gronden gebeurde dat?
(7)
Welke afspraken golden tijdens het evenement over de omgang met pers en
geaccrediteerde journalisten? Kan een buitenlandse diplomatieke
vertegenwoordiger op BE grondgebied instructies geven of verzoeken richten aan
de BE politie om journalisten te verwijderen, en hoe verhoudt dit zich tot de
persvrijheid en de operationele autonomie van de BE politie?
56017638C
Deux journalistes ont été expulsés du Parc du
Cinquantenaire lors d'un événement organisé pour célébrer les 250 ans des
États-Unis, et ont publiquement dénoncé cette expulsion.
Le site du Cinquantenaire relève de la Régie des
Bâtiments, organisme fédéral, et la sécurisation d'événements officiels ou
diplomatiques qui s'y déroulent est assurée par les services de police sous la
coordination du SPF Intérieur, dans le respect des principes de légalité, de
proportionnalité et de subsidiarité qui encadrent l'action policière
Ces incidents impliquant l'expulsion de journalistes
lors d'événements officiels soulèvent des questions de principe sur la
protection de la liberté de la presse dans l'exercice de missions de
sécurisation sur des sites fédéraux.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1° si il peut confirmer les
circonstances exactes de cet incident (base légale, services de police
concernés , autorité qui a sollicité cette expulsion)
2° si les journalistes concernés disposaient d'une accréditation presse
en bonne et due forme, et les
instructions que les services de sécurité avaient reçues quant au
traitement de la presse lors de cet événement ?
3° si des directives générales existent aujourd'hui pour garantir l'accès
de la presse aux événements officiels organisés sur des sites fédéraux, et si
elles doivent être adaptées?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Mijnheer
de minister, het regeerakkoord koppelt de versterking van de federale
gerechtelijke politie aan "een objectieve werklastmeting die parallel
hiermee wordt uitgevoerd", met parameters zoals de bevolking, het veiligheidsbeeld
(georganiseerde misdaad en terrorisme) en de daaruit voortvloeiende caseload.
Datzelfde
hoofdstuk kondigt "een grondige doorlichting" van de federale politie
aan om de verhouding tussen input en output te verbeteren, de versnippering,
hiërarchie en bureaucratie te verminderen en de operationele diensten te
versterken.
Om de
effectiviteit en efficiëntie van de federale politie te kunnen evalueren zal
een systeem van audits en verantwoording op basis van meetbare doelstellingen
worden ingevoerd. Het mandaat van de verantwoordelijke mandataris
niet wordt verlengd indien die doelstellingen niet worden gehaald.
Ik drong in deze
commissie meermaals aan op een externe doorlichting; uiteindelijk werd voor een
interne analyse gekozen, die naar verluidt ook een voorafgaande werklastmeting
omvat. Die
meting verloopt blijkbaar niet van een leien dakje: de centrale diensten zouden
ondertussen buiten de scope vallen. Het wordt tijd dat deze werf wordt opgeleverd.
1. Wat is de stand
van zaken van de werklastmeting bij de federale politie? Wie voert ze uit,
volgens welke methodologie en wanneer verwachten we de resultaten en een
toelichting aan het parlement?
2. Welke parameters
en wegingen worden gehanteerd, en hoe waarborgt u de objectiviteit en
reproduceerbaarheid? Worden de methodologie, de selectiecriteria en de simulaties extern
getoetst en publiek gemaakt?
3. Klopt
het dat de centrale diensten buiten de scope van de werklastmeting en de
doorlichting vallen? Zo ja, op welke grond, en hoe verkrijgt u dan een
integraal beeld van input en output van de volledige federale politie?
4. Waarom werd voor
een interne in plaats van een externe doorlichting gekozen, en hoe verzekert u
de onafhankelijkheid en geloofwaardigheid ervan?
5. Hoe draagt dit
bij aan minder versnippering, hiërarchie en bureaucratie, sterkere operationele
diensten en de evolutie naar een efficiënter geheel met minder directies en
overhead maar een sterker midden- en basiskader?
6. Welke concrete
gevolgen verbindt u aan het voornemen dat het mandaat van de mandataris niet
wordt verlengd bij niet-behaalde doelstellingen, en hoe sluiten de
werklastmeting en het auditsysteem op die verantwoordingslogica aan?
Antwoord - Réponse:
De werklaststudie
die momenteel wordt uitgevoerd, heeft – in uitvoering van het regeerakkoord -
betrekking op de Algemene Directie van de Federale Gerechtelijke Politie (DGJ)
en niet op de Federale Politie als geheel. Zoals aangegeven in het gevalideerde
Strategisch plan van de Federale Politie 2025-2030, heeft zij meer specifiek
betrekking op de 14 gedeconcentreerde gerechtelijke directies (FGP).
Die keuze is
ingegeven door de aanzienlijke kosten die verbonden zijn aan een externe studie
via een overheidsopdracht. De inmiddels uitgewerkte optie van een interne
analyse van de werklast van de FGP wordt uitgevoerd door een multidisciplinair
team bestaande uit: een data engineer, strategische analisten en ervaren
(beleids)adviseurs. In overleg met mijn collega, de Minister van Justitie, werd
overeengekomen om in een eerste fase de studie te beperken tot de FGP’s en het
project dus in twee fasen op te splitsen.
De
eerste fase bestond erin (a) een inventaris op te maken van de beschikbare en
relevante gegevens voor de DGJ (situatie ‘as is’), (b) een analyse uit te
voeren van de kwaliteit van deze geregistreerde gegevens en (c) vervolgens een
beschrijvende analyse te realiseren. Een van de allereerste vaststellingen is dat de bestaande databanken,
die overigens ontwikkeld zijn voor operationele en/of administratieve
doeleinden, momenteel niet toelaten om de werklast op objectieve wijze te
meten. Het laatste resultaat van fase 1, met name de beschrijvende analyse,
werd begin juni een eerste keer voorgesteld en bezorgd aan de beide kabinetten
Justitie en Binnenlandse Zaken.
Het technische team
heeft intussen de relevante gegevens voor de beschrijvende analyse gemigreerd
naar een datawarehouse en een proof of concept BI (een data-analyse- en
visualisatieplatform) ontwikkeld, dat momenteel wordt getest.
De tweede fase van
het project is parallel eveneens gestart en heeft tot doel een methodologie te
ontwikkelen om in de toekomst de werklast binnen de DGJ te kunnen meten. Deze
methodologie steunt op verschillende pijlers: (a) een gemeenschappelijke definitie
en een conceptueel model, (b) semi-gestructureerde interviews om het
conceptueel kader te verrijken en zichtbare en minder zichtbare werklast te
identificeren en ten slotte (c) de ontwikkeling van een matrix van interne en
externe indicatoren van werklast.
Deze methodologie
moet tegen eind september 2026 worden opgeleverd. Een begeleidingscomité,
samengesteld uit onder meer gerechtelijke directeurs en een directeur van een
Centrale gerechtelijke directie, staat in voor de opvolging en de ondersteuning
van de verschillende fasen van het project.
De conclusies van
de semi-gestructureerde interviews bevinden zich momenteel in de afrondingsfase
en het reflectiewerk met betrekking tot de indicatoren is tevens recent
opgestart. Het is evident dat zowel de werkgroep als het begeleidingscomité een
bijzondere aandacht besteden aan het waarborgen van de maximale objectiviteit
van de gehanteerde methodologie.
Hoewel momenteel
niet is voorzien in een externe validatie, besteden zowel de werkgroep als het
begeleidingscomité bijzondere aandacht aan het verzekeren van een zo objectief
mogelijke methodologie.
In aanvulling op
mijn antwoord op uw eerste vraag dient te worden gepreciseerd dat, gelet op de
complexiteit van deze studie, de specificiteit van de kernopdrachten van elke
Centrale gerechtelijke directie en de uiteenlopende functionaliteiten van de
verschillende directies, werd beslist om in eerste instantie de focus te leggen
op de FGP’s en het toepassingsgebied van het project in een tweede fase uit te
breiden naar de centrale gerechtelijke directies.
Voorts dient te
worden herinnerd aan de technische moeilijkheden die samenhangen met de
beschikbaarheid, de kwaliteit en de volledigheid van de geregistreerde
gegevens, alsook aan het feit dat de databanken de voorbije drie jaar meerdere
migraties en modelwijzigingen hebben ondergaan, met een niet te verwaarlozen
impact op de nauwkeurigheid, de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de
beschikbare gegevens. Het – in een eerste fase - werken met een beperkter
afgebakend toepassingsgebied heeft het voor het technische team mogelijk
gemaakt om de uitvoeringstermijnen te verkorten en het proces te
vergemakkelijken en is in lijn met de strategische doelstelling zoals
beschreven in het meerjarenplan van de federale politie.
Op basis van het
Strategische plan van de Federale Politie 2025-2030, zoals gevalideerd door de
voogdijministers, zijn verschillende structurele werven voorzien die tot doel
hebben de operationele capaciteit op het vlak van personeel duurzaam te
versterken en te oriënteren, waar DGJ zich tevens op inschrijft.
De evolutie van de
toekomstige federale politie vormt een bijkomende en belangrijke werf, die
inmiddels werd behandeld in de schoot van een experten groep waarvan de
bevindingen en de door de voogdijministers genomen eerste oriëntaties vandaag
worden toegelicht binnen een interkabinettenwerkgroep.
De concrete
modaliteiten inzake de evaluatie van mandatarissen, de vaststelling van
doelstellingen en de eventuele gevolgen verbonden aan het niet behalen ervan
maken echter geen deel uit van deze werklaststudie. De werklaststudie heeft als
doel een beter inzicht te verwerven in de werklast binnen gans DGJ en kan in
die zin bijdragen tot een objectievere informatiebasis voor toekomstige
beleidsbeslissingen.
De Spoorwegpolitie
zou haar vroegere post in het station van Hasselt terug geopend hebben. In de
praktijk zouden overgeplaatste inspecteurs uit Antwerpen hun dienst in Hasselt
starten om zich vervolgens met hun dienstvoertuig naar Antwerpen te
verplaatsen.
Kan de minister
bevestigen dat de Spoorwegpolitiepost in Hasselt terug in gebruik is genomen of
dat er plannen daartoe bestaan?
Desgevallend: zal
er voorzien worden in een aparte invulling met agenten van de Spoorwegpolitie
voor de post in Hasselt? Met hoeveel agenten zal dat zijn? Op welke termijn?
Zal er voldoende
materiële ondersteuning voorzien worden voor de Spoorwegpolitiepost in Hasselt?
Antwoord - Réponse:
Er lijkt sprake te
zijn van een misverstand met betrekking tot een initiatief dat wij nemen om het
probleem van de attractiviteit in de "Regio Noord" van de
spoorwegpolitie aan te pakken.
Om het
personeelsbestand in Regio Noord aan te vullen en de attractiviteit van deze
regio binnen de SPC te vergroten, worden namelijk twee vaste arbeidsplaatsen
ingericht (Hasselt en Leuven), waar politiemensen hun werkdag kunnen aanvatten
(afhaling van uitrusting en voertuigen). Het doel op korte termijn is een
versterking met meer dan 10 bijkomende politiemensen in deze regio.
Mijnheer de minister,
De wet van 29 maart 2024 om tot een
geïntegreerd en globaal veiligheidsbeleid te komen binnen de provincies en het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest trad in werking bij het Koninklijk Besluit van
16 mei 2024 (BS 6/6/2024). De wet voegde een artikel 46bis in de wet van 7
december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst
gestructureerd op twee niveaus in.
In geval van uitzonderlijke, acute of
onverwachte veiligheidsproblemen die de grenzen van de lokale politiezone
overschrijden, kan een gouverneur de in de artikelen 42 tot 46 bedoelde
bevoegdheden van de burgemeester en het politiecollege uitoefenen en het gezag
en de leiding over de betrokken lokale politiezones coördineren voor zolang de
veiligheidsproblemen dat vereisen. De Koning dient, bij besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad, de gouverneurs te bepalen op wie dit van toepassing
is.
De wet sterkte er volgens de toenmalige
meerderheid toe de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
het commando te laten overnemen van de Brusselse burgemeesters. In de praktijk
zou enkel een koninklijk besluit worden uitgevaardigd om de regeling te
activeren voor de minister-president van Brussel. Volgens toenmalig minister
van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden moest de volgende regering goede
afspraken maken over de omstandigheden waarvoor de tenuitvoerlegging van de wet
via een KB zou zijn gewenst. Dat KB moet aan het advies worden onderworpen van
de Raad van State.
Die bevoegdheid toekennen aan de
minister-president van Brussel kan juridisch niet. Voor de andere gouverneurs
is dat niet wenselijk.
Daarom stel ik u deze vragen:
Bent u van plan een KB uit te vaardigen
dat zal bepalen op welke gouverneurs die wet van toepassing zal zijn?
Acht u het juridisch mogelijk een
positief advies van de Raad van State te bekomen op een KB waarin de
minister-president van Brussel deze bevoegdheid zou krijgen?
Acht u het wenselijk deze bevoegdheid
toe te kennen aan (één van) de tien andere gouverneurs?
Kan dit artikel 46bis niet beter worden
geschrapt uit de WGP?
Antwoord - Réponse:
Er lijkt sprake te zijn van een
misverstand met betrekking tot een initiatief dat wij nemen om het probleem van
de attractiviteit in de "Regio Noord" van de spoorwegpolitie aan te
pakken.
Om het personeelsbestand in Regio Noord
aan te vullen en de attractiviteit van deze regio binnen de SPC te vergroten,
worden namelijk twee vaste arbeidsplaatsen ingericht (Hasselt en Leuven), waar
politiemensen hun werkdag kunnen aanvatten (afhaling van uitrusting en
voertuigen). Het doel op
korte termijn is een versterking met meer dan 10 bijkomende politiemensen in
deze regio.
Geachte minister
Quintin,
De wet bepaalt dat
bewakingsagenten herkenbaar moeten zijn aan de hand van een verplicht Vigilis-embleem
op hun uniform. Dit embleem vervult een maatschappelijke functie: burgers en
andere betrokkenen moeten onmiddellijk kunnen vaststellen dat zij in contact
staan met een professionele en vergunde bewakingsagent.
Vanuit de sector
bereiken ons echter verontrustende signalen dat deze Vigilis-emblemen gedurende
meerdere maanden niet beschikbaar waren via de bevoegde administratie. Dit
veroorzaakte ernstige operationele problemen voor bewakingsondernemingen,
aangezien nieuwe uniformen zonder dit verplichte embleem niet conform de
regelgeving kunnen worden ingeschakeld. Verschillende ondernemingen kwamen ook
zonder voorraad te zitten.
Deze situatie helpt
de reeds oververhitte arbeidsmarkt bovenop de lange wachttijden voor
identificatiekaarten niet, terwijl zowel publieke als private opdrachtgevers
rekenen op een flexibele inzet van bewakingspersoneel. Dit is des te
problematischer in een periode waarin de vraag naar bewakingsdiensten sterk
toeneemt, zoals tijdens het festivalseizoen.
Ik begreep dat de
sector uiteindelijk zelf hoogdringend samen met uw administratie naar een
oplossing heeft moeten zoeken om de continuïteit van de dienstverlening te
waarborgen. Dat roept vragen op over de bevoorrading en het voorraadbeheer van
deze wettelijk verplichte emblemen.
Daarom volgende
vragen:
1. Gedurende welke
periode waren de Vigilis-emblemen niet of onvoldoende beschikbaar en gedurende
hoeveel maanden konden bewakingsondernemingen niet of slechts beperkt worden
beleverd?
2. Wat
is de exacte oorzaak van deze uitputting van de Vigilis-emblemen?
3. Was deze
situatie vooraf gekend of redelijkerwijze voorzienbaar voor de administratie?
Zo ja, welke maatregelen werden vooraf genomen om een stockbreuk te vermijden?
4. Wat is vandaag
de actuele stand van zaken met betrekking tot de voorraad Vigilis-emblemen?
5. Hoe
garandeert u de continue beschikbaarheid van Vigilis-emblemen indien zich
opnieuw een vergelijkbare situatie zou voordoen?
6. Welke
structurele maatregelen worden genomen inzake voorraadbeheer en bevoorrading om
te voorkomen dat dergelijke tekorten zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Antwoord - Réponse:
Het Vigilis-embleem maakt inderdaad deel
uit van het verplichte uniform van een bewakings- en veiligheidsagent. Het is
de FOD Binnenlandse Zaken dewelke deze emblemen aan de private bewakingssector
verstrekt. Zoals u opmerkt is de voorraad momenteel uitgeput. Deze uitputting
van voorraad is te wijten aan een buitengewone hoeveelheid bestelde emblemen en
een vertraging in de aanvulling van de voorraad door budgettaire beperkingen
eind 2025 gevolgd door een negatief advies omtrent de voorziene overheidsopdracht.
Rekening houdend met de opmerkingen van
de Inspectie van Financien is evenwel een stockaanvulling in voorbereiding die
opnieuw een gegarandeerde toelevering voorziet ten aanzien van de sector
gedurende jaren. De meest snelle procedure daartoe is voorzien. De betrokken
leverancier zal om dringende aanlevering verzocht worden opdat de effecten voor
de sector beperkt blijven. De sector wordt op de hoogte gehouden van de
vorderingen.
De
nombreuses zones de police locales sont confrontées à des difficultés de
recrutement ainsi qu'à des contraintes organisationnelles accrues durant les
périodes de vacances scolaires. Dans le même temps, certaines tâches
administratives ou de premier accueil ne nécessitent pas l'intervention directe
de personnel policier ou administratif statutaire.
Dans
plusieurs services publics, le recours à des étudiants permet de renforcer
temporairement les équipes tout en offrant une première expérience
professionnelle aux jeunes. Dans les zones de police, des missions limitées de
pré-accueil du public — telles que l'orientation des visiteurs, la gestion des
flux, la remise d'informations générales ou l'assistance administrative de base
— pourraient potentiellement être confiées à des étudiants sous supervision
adéquate, disposant des connaissances en langue requises et en cours de
formation supérieure (droit, psychologie, assistant social, etc.).
Cette
formule pourrait contribuer à soulager le personnel administratif permanent et
permettre aux collaborateurs qualifiés de se concentrer davantage sur leurs
missions prioritaires.
Dès
lors, Monsieur le Ministre :
Le cadre
légal actuel permet-il aux zones de police locales d'engager des étudiants sous
contrat d'occupation d'étudiant ?
Quelles
sont les étapes administratives à franchir, le cas échéant ?
Existe-t-il
des restrictions particulières liées à l'accès aux bâtiments de police, aux
données à caractère personnel ou aux informations sensibles qui limiteraient le
recours à des étudiants pour des missions de pré-accueil ?
Je vous
remercie
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Selon
l'hebdomadaire Humo (semaine du 11 au 17 juin 2026), le chef de corps de la
police des chemins de fer s'est exprimé sur le dispositif de sécurité déployé à
la gare de Bruxelles-Midi, plaque tournante du trafic Eurostar et Thalys, dans
un contexte de criminalité et d'incivilités récurrentes régulièrement relayé
par la presse. Cette problématique fait écho aux revendications des agents
Securail évoquées la même semaine par La Dernière Heure, qui réclament un
meilleur armement défensif face à l'insécurité dans les gares .
La
police des chemins de fer constitue une composante spécialisée de la police
fédérale, dont la coordination avec la police locale de la zone
Bruxelles-Capitale-Ixelles et avec Securail (filiale de sécurité de la SNCB)
est régulièrement pointée comme un point de friction dans la gestion de la
sécurité des grandes gares bruxelloises. La fréquentation internationale de la
gare de Bruxelles-Midi en fait un enjeu d'image pour la Belgique, au-delà des
seules questions d'ordre public local.
En
conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1° les
effectifs de la police des chemins de fer actuellement affectés à la gare de
Bruxelles-Midi, et l'évolution de ces effectifs au cours des trois dernières
années ?
2° bilan chiffré (incidents, interpellations,
plaintes) peut être dressé de la sécurité à Bruxelles-Midi pour la période
récente, et comparé à celui des autres grandes gares du pays ?
3° si
une réforme de la coordination entre la police des chemins de fer, la police
locale et Securail à Bruxelles-Midi est
à l'étude, et selon quel calendrier?
Antwoord - Réponse:
La situation de la gare de Bruxelles-Midi est effectivement interpellante
depuis plusieurs années. C’est pour cette raison que plusieurs mesures
spécifiques ont été prises ces derniers mois. Le commissariat qui se trouve
dans la Gare du Midi, le renforcement par le CIK, l’accès aux images de caméras
ou encore la présence de militaires aux côtés des policiers, dans le cadre
notamment du dispositif ProtectRail. Précisément pour répondre à votre question
concernant les effectifs, ceux-ci proviennent de la Police des Chemins de fer
(SPC) de Bruxelles, dont le lieu habituel de travail se trouve juste à côté de
la gare.
Indépendamment de ce commissariat, la SPC Bruxelles organise ses effectifs
de manière flexible en fonction de l'analyse des risques, des besoins
opérationnels et des priorités de sécurité. Il n'y a dès lors pas un effectif
exclusivement affecté à la gare de Bruxelles-Midi alors qu’une attention
particulière est effectivement réalisée par les services compte tenu de ce
principal nœud ferroviaire national et international.
Des patrouilles visibles sont déployées quotidiennement ainsi que des
opérations ciblées. Je l’ai dit, nous avons aussi mis en place des patrouilles
mixtes avec nos militaires dans les grandes gares de Bruxelles et par
conséquent à la gare de Bruxelles-Midi.
Pour vos demandes de chiffres, je peux vous indiquer pour les effectifs de
la SPC Bruxelles sont mobilisés sur l'ensemble du territoire relevant de cette
unité et sont déployés à la gare de Bruxelles-Midi en fonction des besoins
opérationnels.
Pour ce qui concerne le nombre de faits enregistrés dans la Banque de
données nationale générale (BNG), je vous invite à me communiquer une question
écrite.
A cet égard, et c’est en lien direct avec votre dernière question, nous
sommes effectivement en train de réviser et de clarifier la structuration des
compétences et des leviers d’interventions policières dans les gares de notre
pays. J’ai demandé dans ce cadre qu’une analyse détaillée de toutes les données
statistiques soit réalisée afin de pouvoir effectivement préciser le niveau de
criminalité et de délinquance dans les grandes gares du pays.
Nous allons réviser le cadre d’interventions des différents services
intervenants dans les infrastructures ferroviaires. La circulaire ministérielle
qui régit cela, vous le savez, date de 2002.
Nous devons garantir une meilleure articulation entre les services de la
police locale et les services spécialisés de la police fédérale, mais aussi
avec les services de la SNCB et d’Infrabel. C’est d’ailleurs dans ce cadre que
nous avons déjà mis en oeuvre l’interconnexion des réseaux de caméras de la
SNCB afin que la police locale puisse avoir accès, en direct, à leurs images,
alors que nous travaillons aussi à cet accès similaire avec le réseau
d’Infrabel et de leurs drones.
Par ailleurs, je poursuis la concertation avec mon collègue de la Mobilité
pour mettre en place une cotutelle entre l’Intérieur et la Mobilité sur le
service Securail. Nous devons beaucoup plus renforcer la coopération et
structurer un travail opérationnel commun entre services de police et les
agents de Securail.
Il faut renforcer les patrouilles mixtes, harmoniser les plateformes
d’enregistrements des délits, assurer une cohérence dans la nomenclature des
faits, ce sont des éléments très techniques mais ils permettront d’utiliser un
même langage entre les services et donc d’améliorer la connaissance du terrain
et des lieux problématiques et donc de rendre plus efficace la présence
policière et les actions interventions mixtes dans les gares et dans les
trains.
Par ailleurs, le chantier de la révision de la loi sur la sécurité privée
et particulière est aussi en cours, et je souhaite, je l’ai indiqué, profiter
cette révision du dispositif légal pour renforcer les compétences et
équipements des agents Securail.
La violence à laquelle ils font face, et considérant les évolutions
opérationnelles que nous voulons réaliser, nécessitent un tel renforcement.
Certaines images d’agressions et les menaces de mort ne peuvent que convaincre
de cette réalité ceux qu’il fallait encore convaincre.
Au-delà des mesures spécifiques prises pour les infrastructures de la gare
du Midi, le travail de révision de la coordination entre ces intervenants, en
cours à l’échelle du pays, va servir à améliorer la situation à la gare de
Bruxelles-Midi, alors que cette attention particulière est bien entendu
réalisée aussi en perspective de la mise en oeuvre de la fusion des six zones
de police bruxelloises.
De klok
tikt richting 29 juni, de deadline waarbinnen de EU een akkoord over de
felomstreden 'Chat Control'-verordening op tafel zou moeten leggen. Dit
voorstel, dat onder de noemer van kinderveiligheid de systematische scanning
van privéberichten beoogt, tast de fundamenten van onze digitale grondrechten,
de privacy en de end-to-end encryptie rechtstreeks aan. Tot dusver heeft België zich in de Europese
Raad telkens onthouden.
Hierbij de volgende
vragen:
1. Wat is de laatste stand van zaken in de
onderhandelingen? (Graag tijdslijn, knelpunten, etc.)
2. Wat is het laatste standpunt van de
Belgische regering?
Kan u toelichten
waarom België voor / tegen zal stemmen / zich zal onthouden?
Wat zijn de rode
lijnen voor deze regering bij het formuleren van een standpunt?
3. Welk concreet mandaat heeft u meegegeven
aan de Belgische vertegenwoordiging met het oog op de naderende Europese
deadline?
4. Welke Europese
lidstaten verzetten zich nog steeds tegen dit Europees dossier?
Antwoord - Réponse:
Dit
dossier zit nog steeds in de triloog fase, zijnde de onderhandeling tussen
Raad, Commissie en Europees Parlement.
Ons land
heeft sinds het aantreden van deze regering nog geen enkele keer een standpunt
ingenomen over dit dossier, behoudens tegenover het installeren van een nieuwe
overgangsregeling die de platformen moet toelaten opnieuw van de e-Privacy
richtlijn af te wijken en aldus aan voluntary detection te doen. Zoals u weet is er momenteel een juridisch
vacuum waarbinnen er in principe geen detectie tegen de verspreiding van
pedopornografie is toegelaten.
Het gebrek aan
standpunt betekent dat onze vertegenwoordigers zich onthouden van positiename
tijdens de onderhandelingen. Wanneer de onderhandelingen in triloog over de
ontwerpverordening afgerond zijn, zal ons land definitief een standpunt moeten
innemen. Ik beschik niet over formele informatie over de standpunten die andere
lidstaten zullen innemen.
Tot op heden mocht
ik nog geen antwoord ontvangen op mijn schriftelijke vraag nr. 989 dd. 24
februari 2026.
Kunt u meedelen,
voor elk van de zes politiezones van Brussel, hoeveel personeelsleden
(politieambtenaren, officieren, inspecteurs, CALog) er op 1 januari 2026 per
taalgroep in dienst zijn in respectievelijk vast verband en in contractueel
verband?
Hoeveel hogere
politiefunctionarissen (graag opsplitsen per graad) zijn volgens dezelfde
opdelingen in dienst?
Hoe groot is het
CALog-personeel (zelfde opsplitsingen)?
Kunt u per
opsplitsing zoals vermeld in punt 1 meedelen hoeveel politiemensen het bewijs
hebben geleverd van hun kennis van de tweede taal?
Kunt u per
opsplitsing zoals vermeld in punt 1 meedelen hoeveel mensen een taalpremie
ontvangen?
Beschikt u over
cijfers in verband met het aantal Nederlandstalige en Franstalige
politieagenten per zone die in de loop van 2025 een brevet haalden voor kennis
van de andere taal?
Kunt u meedelen
hoeveel nieuwe agenten werden aangeworven in 2025, opgesplitst per Brusselse
politiezone en per taalgroep?
Hoeveel van hen,
opgesplitst volgens de criteria vermeld in punt 7, beschikten bij hun
aanwerving over het vereiste taalbrevet?
Hoeveel van hen
hebben dit brevet intussen behaald?
Welke maatregelen
werden verder genomen om de Brusselse politieagenten aan te zetten om hun
brevet voor de kennis van de tweede taal te behalen en om de Brusselse
politiezones aan te manen zoveel mogelijk de regels van de taalwet in
bestuurszaken aangaande de taalkennis van het politiepersoneel na te komen?
Antwoord - Réponse:
Ik deel het geachte
lid mee dat de gevraagde informatie zal worden verstrekt in het antwoord op
zijn schriftelijke vraag nr. 989.
We horen dat er een
uitstel komt van de fietsleasing bij de politie. Die fietslease werd tot
tevredenheid van velen onderhandeld en ging normaal in voege vanaf 2027. Nu
blijkt plots dat de invoering met een jaar wordt uitgesteld, zo is te horen.
Daarover enkele vragen:
1. Klopt het dat
beloofde invoering van fietslease bij de politie uitgesteld werd?
2. Waarom werd dit
uitgesteld?
3. Wanneer zal de
invoering dan wel ingaan?
Antwoord -
Réponse:
De voorziene
startdatum blijft gericht op 1 januari 2027.
Het project bevindt
zich momenteel in een gevorderde uitvoeringsfase, maar omvat verschillende
juridische, administratieve en operationele trajecten, waaronder:
het
pleegvormentraject en de afronding van het regelgevend kader (Koninklijk
besluit en ministeriële omzendbrief);
de gunning van een
overheidsopdracht aan een leasingpartner en
de
praktische en technische implementatie van het systeem.
Binnen deze context
blijft de planning afhankelijk van het tijdig afronden van elk van deze
stappen. In het bijzonder kan de duurtijd van de overheidsopdracht een impact
hebben op de concrete operationalisering van het systeem. De huidige planning
blijft echter gericht op een inwerkingtreding vanaf 1 januari 2027.
Indien bepaalde
deeltrajecten, zoals de gunning van de overheidsopdracht, tegen die datum nog
niet zouden afgerond zijn, zullen maatregelen voorzien worden zodat de
personeelsleden kunnen aansluiten zodra het systeem volledig operationeel is.
Er is dus geenszins
formeel uitstel beslist; eventuele vertragingen houden verband met de normale
praktische uitvoering van het project.
Geachte
Minister Quintin,
De
strategische veiligheids- en preventieplan vormt al jaren een belangrijk
instrument voor steden en gemeenten om hun lokale preventiebeleid uit te
bouwen. Via deze plannen
worden federale middelen toegekend voor onder meer buurtpreventie,
gemeenschapswachten, inbraakpreventie en de aanpak van overlast.
Oorspronkelijk ging
het om plannen voor de periode 2020-2021. Vervolgens werden zij verlengd tot
eind 2024, daarna tot eind 2025 en nu opnieuw tot eind 2026. Die verlengingen
vonden dus al regelmatig plaats voor uw aantreden, maar zetten zich ook door. Lokale
besturen vernamen bovendien pas eind april dat er opnieuw voor een verlenging
zou worden gekozen.
Dat
roept vragen op. Preventiebeleid vergt immers een langetermijnvisie, actuele
veiligheidsanalyses en een stabiel beleidskader. Vandaag werken veel lokale besturen echter nog
steeds binnen een systeem dat ondertussen al meerdere keren tijdelijk werd
verlengd en dat niet altijd meer de problemen op het terrein kan aanpakken.
Voor gemeenten die hun personeels- en begrotingsplanning ruim vooraf moeten
opmaken, zorgt die laattijdige communicatie bovendien voor bijkomende
onzekerheid.
Daarom
heb ik de volgende vragen:
1) Wat
is de reden waarom de de strategische veiligheids- en preventieplannen niet
vernieuwd zijn?
2) Bent
u van oordeel dat de huidige plannen nog voldoende aansluiten bij de actuele
veiligheidsuitdagingen waarmee steden en gemeenten vandaag worden
geconfronteerd?
3) Welke concrete
stappen zijn sinds de vorige verlenging gezet om tot een nieuw beleidskader te
komen?
4) Mogen de lokale
besturen volgend jaar duidelijkheid verwachten over een definitief en
toekomstgericht systeem?
Antwoord -
Réponse:
Het bestaande
systeem van Strategische Veiligheids- en Preventieplannen heeft de voorbije
jaren zijn waarde bewezen en blijft een belangrijk instrument ter ondersteuning
van het lokale veiligheids- en preventiebeleid. Tegelijk stellen we vast dat de
maatschappelijke context, de veiligheidsuitdagingen en de beleidsprioriteiten
voortdurend evolueren.
Nieuwe fenomenen,
veranderende verwachtingen ten aanzien van de overheid en de noodzaak om
publieke middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten, maken het aangewezen om
het bestaande subsidiekader te actualiseren en toekomstgericht vorm te geven.
Vanuit die ambitie
werd een concreet hervormingsvoorstel uitgewerkt dat momenteel het voorwerp
vormt van politieke besprekingen. (In dat kader werden reeds verschillende
interkabinettenwerkgroepen georganiseerd).
De
voorgesteldehervorming beoogt een fundamentele modernisering van het huidige
subsidiekader, onder meer via objectieve toekennings- en verdelingscriteria,
een rationalisering van de subsidiestromen en een sterkere afstemming op de
federale veiligheidsprioriteiten.
Aangezien het om
een belangrijke hervorming gaat met een aanzienlijke impact op de lokale
besturen, is een zorgvuldige voorbereiding noodzakelijk. Op dit ogenblik is er
nog geen definitief akkoord binnen de regering over de voorgestelde
maatregelen. Om die reden kunnen de Strategische Veiligheids- en
Preventieplannen vandaag nog niet worden vervangen door een nieuw systeem.
Recent lanceerde
Febelfin, in samenwerking met de Lokale Politie en het CAW, een flyer die
slachtoffers van online oplichting moet helpen bij hun politieaangifte. De
flyer vormt een aanvulling op eerdere sensibiliseringsinitiatieven rond
bankfraude.
Deze evolutie,
samen met de aangekondigde centralisering van de eerste opvang via een centraal
telefoonnummer bij Febelfin, wijst erop dat online fraude een steeds grotere
maatschappelijke impact heeft en dat slachtoffers nood hebben aan duidelijke,
gecoördineerde begeleiding. De versnippering tussen actoren bemoeilijkt echter
een efficiënte aanpak.
Werd de federale
politie betrokken bij de ontwikkeling of verspreiding van deze initiatieven,
met inbegrip van de flyer en de voorbereiding van het centrale meldpunt?
Acht de minister
het wenselijk dat slachtoffers van online fraude sneller via één centraal
meldpunt of aanspreekpunt naar de juiste politiediensten en financiële
instellingen worden geleid? Hoe zal de politie hierop worden voorbereid en
afgestemd?
Welke federale
initiatieven bestaan momenteel om de samenwerking tussen politie, financiële
instellingen en andere betrokken actoren te versterken? Overweegt de minister
de oprichting van een permanent federaal coördinatieplatform of taskforce tegen
online fraude?
Hoeveel aangiften
van online fraude werden de afgelopen drie jaar geregistreerd en welk aandeel
daarvan leidde tot een geïdentificeerde verdachte of vervolging? Kan de
minister de evolutie schetsen en toelichten waarom het ophelderings- of
vervolgingspercentage al dan niet als voldoende wordt beschouwd?
Antwoord -
Réponse:
De federale politie
werd niet betrokken bij de ontwikkeling of de verspreiding van de initiatieven
waarvan u de inhoud noemt.
Het Centrum voor
Cybersecurity België (CCB) vervult vandaag reeds de rol van federaal
coördinatieplatform inzake cyberveiligheid en de samenwerking tussen de
verschillende betrokken actoren. In dat kader onderhoudt het CCB nauwe
contacten met onder meer de federale politie, de financiële sector en andere
bevoegde partners.
Overeenkomstig de
beslissing van de Ministerraad van 3 juli 2026 en het regeerakkoord zal het CCB
met ingang van 1 januari 2027 wordt het CCB onder het rechtstreeks gezag van de
Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken in plaats van de Eerste Minister
geplaatst. Zoals
het CCB een beroep kan doen op de diensten van de FOD Kanselarij, zal het CCB
dit kunnen doen mutatis mutandis op de
diensten van de FOD Binnenlandse Zaken.
worden overdracht
naar de FOD Binnenlandse Zaken. Deze overdracht zal de samenhang van het
federale cyberveiligheidsbeleid en de samenwerking tussen de betrokken
veiligheidsdiensten, waaronder de federale politie, verder versterken.
Daarnaast heeft de federale politie recent
haar capaciteit inzake de bestrijding van phishing verder versterkt door de
oprichting van een gespecialiseerde phishingcel binnen de Federale
Gerechtelijke Politie.
Deze cel draagt bij
tot een meer gecoördineerde aanpak van phishingfenomenen, ondersteunt
gerechtelijke onderzoeken en werkt nauw samen met het CCB, de financiële sector
en andere relevante partners om phishingcampagnes sneller te detecteren,
slachtoffers beter te beschermen en daders efficiënter op te sporen.
De gevraagde
gegevens vereisen een grondige verwerking, analyse en validatie van
statistische informatie over meerdere jaren. Dergelijke gegevens kunnen niet
binnen de beperkte termijnen die gelden voor mondelinge parlementaire vragen op
een betrouwbare en kwalitatief verantwoorde wijze worden aangeleverd.
Overeenkomstig de
gebruikelijke werkwijze voor dergelijke statistische verzoeken nodig ik het
geachte lid uit deze vraag opnieuw in te dienen onder de vorm van een
schriftelijke parlementaire vraag. Op die manier kunnen de bevoegde diensten de
nodige tijd nemen om de gevraagde gegevens zorgvuldig te analyseren en een
volledig en correct antwoord te verstrekken.
Wat het
ophelderingspercentage en de vervolgingsgraad betreft, behoren deze gegevens
tot de bevoegdheid van de minister van Justitie.
Geachte
minister Quintin,
De
drugsproblematiek en het bijhorende geweld in Brussel en meer bepaald in de
noordwijk van Brussel loopt stevig uit de hand. De beelden in de Terzake reportage van 18 juni
spreken voor zich. In die reportage spreekt de voorzitter van de lokale
handelsvereniging van een zone van pure wetteloosheid. Dat kunnen wij als
samenleving niet aanvaarden.
Om deze
problematiek aan te pakken hebt u het kanaalplan vernieuwd in een plan grote
steden. Daarnaast worden er ook militairen op straat ingezet via de operatie
urban shield. Het doel van die operatie is onder andere om de veiligheid in
stations te verhogen en grote geïntegreerde acties met de politie uit te
voeren.
Graag stel ik
daarom volgende vragen:
1) Hoeveel
controles werden al gedaan in Brussel in het kader van uw plan grote steden?
2) Hoeveel
geïntegreerde politieacties werden al gedaan in samenwerking met militairen in
het kader van de operatie urban shield?
3) Wanneer kunnen
we grote geïntegreerde acties in Brussel en specifiek de Noordwijk verwachten?
4) Zal u nog andere
maatregelen nemen om deze drugscriminaliteit te stoppen?
Alvast bedankt voor
uw antwoorden.
Antwoord - Réponse:
De problematiek van
drugscriminaliteit en het daaraan verbonden geweld in Brussel wordt door mijn
diensten van nabij opgevolgd. Het is duidelijk dat de situatie op bepaalde
plaatsen bijzonder ernstig is en dat een louter punctuele aanpak niet volstaat.
Daarom wordt ingezet op een combinatie van zichtbare aanwezigheid, gerichte
controles, geïntegreerde acties en een bredere aanpak die ook preventie,
bestuurlijke handhaving en weerbaarheid omvat.
Wat uw eerste vraag
betreft, kan ik u meedelen dat tot en met 31 mei 2026 in Brussel in totaal 10
acties werden georganiseerd in het kader van het Plan Grote Steden. Over het
hele land ging het op dat moment om 60 acties, verspreid over 7 steden. Wat Urban
Shield betreft: sinds de start van de militaire steun werd één geïntegreerde
politieactie uitgevoerd in samenwerking met militairen. Het ging om een
FIPA-actie in het openbaar vervoer in mei. Daarbij moet evenwel worden
benadrukt dat de militaire ondersteuning in het kader van Urban Shield in de
eerste plaats gericht is op het versterken van de aanwezigheid op het
terrein. Urban Shield is dus niet
uitsluitend opgezet om specifieke
gezamenlijke acties te organiseren.
Wat de planning van
grotere geïntegreerde acties betreft, worden de acties in Brussel maandelijks
voorbereid en afgestemd tijdens overleg met de relevante diensten van de
Federale Politie en de Brusselse lokale politiediensten.
Specifieke data van
toekomstige acties kunnen om operationele redenen niet vooraf publiek worden
meegedeeld. Wel kan ik bevestigen dat de Noordwijk bijzondere aandacht krijgt.
In de maanden mei en juni 2026 heeft de politiezone Brussel Noord reeds verschillende
kleine en middelgrote operaties uitgevoerd in de Noordwijk. Het ging onder meer
om verkeersoperaties, beveiligingsoperaties en controleacties. Daarnaast blijft
ook de reguliere dagelijkse inzet op het terrein verzekerd.
Wat bijkomende
maatregelen betreft: de acties van het
Plan Grote Steden zijn maar één onderdeel van de strijd tegen drugscriminaliteit . Daarnaast
zijn er onder meer acties in opdracht van de gerechtelijke autoriteiten, lokale
VIP-acties, FIPA-acties door de betrokken politiezones, TECOV-acties op het
openbaar vervoer, Protecrail-acties waarbij militairen de spoorwegpolitie
ondersteunen, en geïntegreerde controleacties in het kader van de bestuurlijke
aanpak.
Ik werk onder meer
aan een vereenvoudiging van de wetgeving inzake bestuurlijke handhaving.
Maar niet alle
hefbomen bevinden zich binnen mijn bevoegdheden. De strijd tegen
drugscriminaliteit en het bijhorende geweld vraagt een combinatie van
repressieve, preventieve en bestuurlijke maatregelen. Ik roep alle
verantwoordelijke overheden dan ook op om binnen hun domein het nodige te doen.
Monsieur
le Ministre,
En 2022,
un appel à projet nommé IMPULSVIF avait été lancé par le SPF Intérieur.
L'objectif était de lutter contre les violences intrafamiliales en octroyant
des fonds à des zones de police qui s'étaient portées candidates.
Le
financement a été clôturé en 2025 et une évaluation a été réalisée. Le rapport
de cette évaluation a été communiqué aux 14 zones et un guide de bonnes
pratiques a été publié sur le site du SPF Intérieur et distribué par la DGSP.
Monsieur
le Ministre, mes questions à ce sujet sont les suivantes :
Quel
regard portez-vous sur cet appel à projets et sur le rapport qui en a découlé ?
Quels
retours votre administration a-t-elle reçu de la part des zones de police ?
D'autres zones de police se sont-elles montrées intéressées depuis l'arrêt du
financement en 2025 ?
La
prolongation de ces subsides a-t-elle été envisagée ?
Je vous
remercie pour vos réponses.
Antwoord
- Réponse:
Le
subside que vous évoquez s’inscrivait dans le cadre des mesures mises en place
à la suite de la crise sanitaire liée à la COVID-19. Le précédent gouvernement
avait en effet créé une Taskforce « Groupes vulnérables », dotée d’un budget
spécifique destiné à soutenir les publics les plus fragilisés par la pandémie.
Ce
projet, approuvé en décembre 2020, a bénéficié d’un financement unique de
1.500.000 euros. Au total, 14 communes ont assuré ce rôle de coordination.
Un bilan
final de cet appel à projets a été présenté lors du colloque « Une politique de
sécurité intégrée comme priorité », organisé le 12 juin 2025. Il ressort de
cette évaluation que la majorité des initiatives se sont concentrées sur
l’amélioration de l’accessibilité à l’aide et sur la réduction des obstacles
rencontrés par les victimes de violences intrafamiliales. Les projets
développés illustrent la manière dont la sensibilisation, le partage
d’informations et la coopération entre les différents acteurs peuvent
contribuer à une prise en charge plus efficace des victimes.
Des
pratiques innovantes ont ainsi été développées, vous le savez, en matière
d’échange d’informations, d’évaluation des risques et de prise de décision
concertée, au-delà des frontières communales et sectorielles.
Le
rapport final a donc été diffusé pour partager les bonnes pratiques avec
l’ensemble des autres autorités locales et partenaires actifs dans la lutte
contre les violences intrafamiliales afin d’inspirer et sensibiliser.
Compte
tenu du caractère unique et ponctuel de ce subside d’impulsion, il n’y a pas de
nouvel appel à projets lancé à l’attention d’autres communes. Ces subsides ont
pu renforcer des actions qui étaient déjà menées ou initier des actions
nouvelles au niveau local notamment en partenariat avec les services de
police.
Je me
suis d’ailleurs rendu dans votre zone de police, la zone SECOVA, afin de me
rendre compte de mes propres yeux du travail remarquable accompli par les
professionnels que j’ai pu rencontrer.
A cet
égard, je poursuis bien entendu le travail, j’ai d’ailleurs fait de la lutte
contre les violences intrafamiliales une des 7 priorités du nouveau Plan
National de Sécurité (PNS 2026-2029), adopté en début d’année.
Des
initiatives se poursuivent aussi au niveau du renforcement des formations des
policiers, et les zones de police peuvent donc directement utiliser de
nouvelles formations accréditées à ce sujet, pour encore mieux déceler une
telle situation, pour auditionner aussi de manière spécifique les victimes en
évitant la victimisation “secondaire”.
Avec mes
collègues de l’Egalité des Chances et de la Justice, nous renforçons aussi le
bouton d’Alarme Mobile anti-Rapprochement (fin de l’année dernière j’ai
d’ailleurs désigné, au sein de la Police fédérale, une coordinatrice
opérationnelle nationale pour ce bouton d’alarme AMR/MSA-Mobile stalking
alarm). Les services techniques travaillent aussi à la priorisation des appels
AMR/MSA au sein des CIC et au renforcement des signalements via l’accès
Police-on-web, on sait que le “chiffre noir” est important et donner plus de
possibilités de signalement discret et à distance, pour une victime en situation
non aigüe ou pour une potentielle victime, c’est aussi très important.
Le
travail de prévention se poursuit donc aussi au niveau strictement
policier.
Meneer
de minister
Een
inspecteur van de politiezone Rivierenland raakte vorige maand zwaargewond
tijdens een interventie nadat hij door een verdachte in een wurggreep werd
gehouden en een heupfractuur opliep. Uit solidariteit organiseerden een honderdtal politiemedewerkers een
stille optocht in Mechelen om het toenemende geweld tegen hulpverleners aan te
klagen. Burgemeester Bart Somers hekelt bovendien dat de verdachte onder
elektronisch toezicht werd vrijgelaten en dat zijn brief aan de bevoegde
ministers onbeantwoord bleef.
Ik heb hierbij
de volgende vragen voor u:
1) Hoe
geloofwaardig is het aangekondigde zerotolerancebeleid tegen geweld op
hulpverleners wanneer een verdachte van een zware aanval op een politieagent al
snel naar huis mag met een enkelband?
2) Welke
concrete maatregelen zal u nemen om het stijgende aantal gevallen van fysiek en
verbaal geweld tegen politie, brandweer en ambulanciers terug te dringen?
3) De politie kaart
aan dat geweld tegen politie en hulpverleners steeds vaker genormaliseerd
wordt, waardoor ook niet alle feiten worden aangegeven of geregistreerd. Men
wijst dus op onderrapportage. Bevestigt u dit?
4) Waarom bleef een
officiële brief van de burgemeester onbeantwoord en welk signaal geeft dat aan
hulpverleners die zich vandaag onvoldoende gesteund voelen door de overheid?
Antwoord -
Réponse:
De strijd
tegen geweld tegen hulpdiensten blijft een permanente prioriteit van de
regering.
Er dient
evenwel te worden herinnerd dat beslissingen inzake de aanhouding of de
vrijlating van een verdachte behoren tot de bevoegdheid van de rechterlijke
macht, die onafhankelijk is van de uitvoerende macht.
De
gerechtelijke behandeling van deze feiten gebeurt onder meer binnen het kader
van de richtlijnen van het College van procureurs-generaal, en in het bijzonder
van de omzendbrief COL 10/2017, die tot doel heeft een aangepaste en coherente
strafrechtelijke reactie te waarborgen op geweld gepleegd tegen
politiediensten.
In deze
context vertaalt het nultolerantiebeleid zich, voor wat de bevoegdheden van de
uitvoerende macht betreft, onder meer in:
de inzet van
de politiediensten om inbreuken systematisch vast te stellen;
de bijzondere
aandacht voor de kwalificatie van de feiten en de snelle overmaking ervan aan
de gerechtelijke overheden en
de wil om
ervoor te zorgen dat deze feiten worden behandeld met de ernst die zij
vereisen.
Verschillende
hefbomen worden ingezet of versterkt:
Op het vlak
van preventie: sensibiliseringsacties (verschillende communicatiecampagnes,
waaronder de campagne rond Wederzijds Respect) en ondersteuning van lokale
initiatieven die de banalisering van geweld moeten tegengaan.
Op
operationeel vlak: uitvoering van de bepalingen van de omzendbrief GPI 100, die
tot doel heeft de systematische registratie van geweldfeiten te waarborgen,
evenals de opvang en opvolging van de betrokken personeelsleden van de
politiediensten.
Op het vlak
van de bescherming van politieambtenaren: uitrusting, opleidingen en
maatregelen die erop gericht zijn risicovolle interventies beter voor te
bereiden, overeenkomstig onder meer de omzendbrief GPI 48 betreffende de
opleiding en training van de personeelsleden.
Sommige feiten
worden immers niet altijd geregistreerd. Dit kan door verschillende factoren
worden verklaard, waaronder de banalisering van bepaalde vormen van geweld.
Daarom wordt
bijzondere aandacht besteed aan:
de
sensibilisering van de personeelsleden voor het belang van een systematische
melding van deze feiten;
de verbetering
van de registratieprocedures;
en de
statistische opvolging, teneinde te beschikken over een zo getrouw mogelijk
beeld van de situatie.
4. Aangezien het betrokken schrijven mijn
diensten nooit heeft bereikt, is het mij niet mogelijk hierover een standpunt
in te nemen.
56017390C
Meneer de minister
De vakorganisaties binnen de brandweer
kondigen acties aan n.a.v. de aangekondigde hervorming. Volgens de
vakorganisaties creëert de hervorming een vierde kader, waarbij minder
getrainde en minder hoog opgeleide brandweermensen naar incidenten worden gestuurd
omdat dit minder zou kosten. Ook wordt gesteld dat u en uw administratie
weigeren in overleg te gaan over de uitgewerkte hervormingsplannen.
Ik heb hierbij de volgende vragen voor
u:
1) Hoe ver staat het met de
aangekondigde brandweerhervorming en wat betekenen dit concreet voor het
personeel en de vrijwilligers?
2) Hoe kijkt u naar de communicatie van
de vakorganisaties en de opgeworpen argumentatie voor de aangekondigde acties?
3) Bevestigt u dat er geen overleg heeft
plaatsgevonden met de vakorganisaties?
Ik dank u voor uw antwoorden.
56017511C
Mijnheer de
minister,
Sinds deze week
voeren de vakbonden van de brandweer een staking van onbepaalde duur. Ik wil
beginnen met mijn steun uit te spreken voor hun actie. Zij leggen het werk
neer omdat zij vinden dat uw hervormingsplannen de brandweer en uiteindelijk
ook de veiligheid van de bevolking in gevaar brengen. Dat terwijl ze de
dienstverlening blijven verzekeren
De kritiek van de
bonden is duidelijk. Uw conceptnota biedt geen antwoord op de echte problemen:
personeelstekorten, de moeilijke rekrutering, de zware loopbaan, de erkenning
van beroepsziekten en de aantrekkelijkheid van het beroep. In de plaats daarvan
kiest u voor flexibilisering en besparingen.
Een eerste punt is
"Vrijwilliger 2.0". U wil vrijwilligers modulair opleiden en hen
afhankelijk van hun competenties inzetten. De vakbonden vrezen dat daarmee het
principe verdwijnt dat iedereen dezelfde basisopleiding krijgt en dat dezelfde
opdrachten ook dezelfde opleiding vereisen. Zij spreken over een brandweer met
twee snelheden en waarschuwen voor risico's voor de veiligheid van zowel
burgers als brandweerlieden.
Een tweede punt is
de verdere decentralisering. Uw nota geeft de hulpverleningszones meer vrijheid
inzake selectie en personeelsbeleid. De vakbonden vrezen daardoor 34
verschillende personeelsregimes en een afbouw van het federale statuut, terwijl
dat statuut net werd ingevoerd om overal dezelfde kwaliteit van hulpverlening
te garanderen.
Ten
slotte is er de manier waarop dit dossier tot stand kwam. De vakorganisaties
zeggen dat zij nooit echt betrokken zijn geweest. Zij vragen geen schijnoverleg, maar echte
onderhandelingen over de volledige hervorming. Volgens hen lag de nota al vast
en mochten zij slechts over een beperkt aantal punten spreken.
Mijnheer de
minister, daarom heb ik vijf concrete vragen.
1)
Blijft
u vasthouden aan Vrijwilliger 2.0, ook als daardoor het principe van dezelfde
opleiding voor dezelfde opdrachten wordt verlaten?
2)
Houdt
u vast aan de verdere decentralisering van het personeelsbeleid, ook als dat
leidt tot verschillende statuten en selectievoorwaarden tussen
hulpverleningszones?
3)
Bent
u bereid de conceptnota fundamenteel te herwerken op basis van de bezwaren van
de vakbonden, of beschouwt u de grote beleidskeuzes als definitief?
4)
Wilt
u zich engageren om het overleg met de vakorganisaties opnieuw op te starten,
zonder vooraf beperkingen op te leggen over welke onderdelen van de hervorming
nog bespreekbaar zijn?
5)
Welke
verdere maatregelen gaat u nemen om het beroep van brandweerlieden effectief
aantrekkelijker te maken?
56017733C
Mijnheer de Minister,
1 Wat is de stand van zaken ivm de
geplande brandweerhervorming?
2. Zijn de gesprekken met de vakbonden
opnieuw opgestart en wanneer wil de minister volgende stappen nemen?
3. Hoe wil de minister de brandweer
versterken?
Dank voor uw antwoorden,
56017391C
De vakbonden bij de brandweer hebben
vanaf vrijdag middernacht een stakingsaanzegging van onbepaalde duur ingediend.
Aanleiding zijn de
hervormingsplannen die momenteel op tafel liggen. Volgens het gemeenschappelijk
vakbondsfront brengen die zowel de veiligheid van het brandweerpersoneel als
die van de bevolking in gevaar.
Een gevoelig punt
is de invoering van een bijkomend personeelskader van zogenaamde hulpverleners.
Zij zouden logistieke, technische of gespecialiseerde interventies uitvoeren
zonder de volledige brandweeropleiding te doorlopen en tegen een lagere vergoeding.
De vakbonden vrezen dat daardoor minder goed opgeleid personeel wordt ingezet
bij interventies die snel kunnen escaleren.
Ook over de
hervorming van de opleidingen en het mogelijk schrappen of afzwakken van het
federaal geschiktheidsattest bestaan grote zorgen. Volgens de vakbonden dreigen de
uniformiteit tussen hulpverleningszones en de kwaliteit van de brandweerwerking
onder druk te komen.
In december
ondervroeg ik u hier al over (56011267C). Ik waarschuwde toen dat overleg meer
moet zijn dan het toelichten van een eigen plan. Een infovergadering is geen
inspraak. U zei dat er nog veel overleg zou volgen. Toch voelen de vakbonden zich
vandaag niet gehoord.
Antwoord - Réponse:
De vrijwilliger 2.0 is een ruim concept
dat verschillende voorgestelde maatregelen omvat om de functie van
brandweervrijwilliger aantrekkelijker te maken en om vrijwilligers zo lang
mogelijk betrokken te houden bij de brandweer. Uit uw vraag begrijp ik dat u
doelt op één van deze voorstellen, namelijk het zogenaamde "vierde
kader". Dit voorstel om een nieuwe categorie van vrijwilligers te creëren
is opgenomen in de conceptnota van het nationaal brandweerorgaan.
Indien dit voorstel zou worden
weerhouden, zou de creatie van deze nieuwe categorie verschillende
mogelijkheden kunnen bieden, zowel voor de bestaande vrijwilligers als voor
potentiële nieuwe kandidaten. Vrijwilligers die tijdens of aan het einde van
hun loopbaan tijdelijk minder inzetbaar zouden zijn omwille van medische of
persoonlijke redenen, zouden toch verbonden kunnen blijven aan hun post door
enkel nog bepaalde interventies uit te voeren.
Ook nieuwe kandidaten die nog niet
volledig overtuigd zijn of die zich slechts beperkt oproepbaar wensen te
engageren, zouden kunnen starten als technisch of logistiek hulpverlener.
Afhankelijk van de opdrachten die zij zouden uitvoeren, zouden zij enkel de
overeenstemmende opleidingsmodules uit de basisopleiding tot brandweerman
volgen.
Indien zij later zouden willen
doorgroeien tot volwaardig brandweervrijwilliger, zouden zij eerst de
resterende opleidingsmodules moeten volgen. Het uitgangspunt zou daarbij
blijven dat voor dezelfde opdrachten dezelfde opleiding vereist is. Niemand zou
worden ingezet voor opdrachten waarvoor hij of zij niet is opgeleid, zodat de
veiligheid van zowel het personeel als de bevolking gewaarborgd blijft. Het
voorgestelde vierde kader zou geen financiële maatregel zijn. De doelstelling
zou blijven om maximaal volwaardige brandweerlieden op te leiden en in te
zetten. In dat kader heeft BBSPB voorgesteld om de vergoeding binnen dit vierde
kader lager vast te leggen dan die van een volwaardig brandweerman, zodat dit
een stimulans zou kunnen vormen om door te groeien naar het volledige
vrijwilligerskader. In de conceptnota van het nationaal brandweerorgaan zijn
inderdaad verschillende voorstellen opgenomen die de hulpverleningszones meer
autonomie zouden kunnen geven. De achterliggende motivatie is dat niet elke zone
met dezelfde risico's wordt geconfronteerd en dat bijgevolg niet overal
identieke competenties vereist zijn.
Dat zou echter niet noodzakelijk hoeven
te leiden tot een vermindering van de uniformiteit.
Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden
overwogen om het federaal geschiktheidsattest te vervangen door selectieproeven
die door de hulpverleningszones worden georganiseerd, waarbij de federale
minimumnormen behouden blijven. Een dergelijke aanpak zou zowel een minimale
uniformiteit kunnen garanderen als de toegang tot de functie van vrijwillig
brandweerman dichter bij de kandidaat en dus toegankelijker kunnen maken.
Ik wens te benadrukken dat over de
voorstellen uit de conceptnota nog geen enkele beslissing is genomen. Zoals
eerder aangegeven werden gedurende het volledige traject van de conceptnota
alle stakeholders uitgenodigd voor verschillende klankbordsessies, waar de
voortgang werd toegelicht en feedback werd verzameld.
Ook de syndicale organisaties werden
hiervoor uitgenodigd, maar zij hebben ervoor gekozen niet aan deze
overlegmomenten deel te nemen. Ik betreur eveneens dat zij geen gebruik hebben
gemaakt van de mogelijkheid om hun ideeën en suggesties te delen tijdens het
brandweerconclaaf van 24 juni.
De stelling van de syndicale
organisaties dat er geen syndicaal overleg zou plaatsvinden, betreur ik
eveneens. Op 10 juli organiseerden wij het vierde Comité C van deze
legislatuur.
Naast deze officiële overlegmomenten
vonden ook meerdere informele overlegmomenten met de syndicale organisaties
plaats. Tijdens het meest recente Comité C stond onder meer de bespreking van
de conceptnota op de agenda. Ik wens nogmaals te benadrukken dat de
toelichtingen betrekking hadden op de voorstellen uit de conceptnota en niet op
reeds genomen beleidsbeslissingen.
Tijdens dit Comité C werd bovendien een
vergaderkalender afgesproken die voorziet in een structureel overleg met de
syndicale organisaties. Dit overleg is essentieel om bezorgdheden correct te
begrijpen, voorstellen verder te verfijnen en eventuele misverstanden of
foutieve interpretaties tijdig recht te zetten.
Tot slot blijkt uit de praktijk dat de
aantrekkelijkheid van het beroep voor beroepsbrandweerlieden momenteel geen
algemeen probleem vormt. Bij selectieprocedures voor beroepsbrandweerlieden
zijn er doorgaans meer kandidaten dan beschikbare vacatures. Voor de
vrijwillige brandweer is het globale beeld anders.
Bij de verdere beoordeling van de
voorstellen zal daarom zorgvuldig moeten worden afgewogen welke impact elk
voorstel zou kunnen hebben op de aantrekkelijkheid van het engagement als
vrijwillig en als beroeps brandweerman. Hiermee wordt rekening gehouden
alvorens eventuele beleidsbeslissingen worden genomen.
Na meer dan 25 jaar is het huidige
politie-uniform duidelijk aan vernieuwing toe. Een nieuw uniform moet
praktisch, veilig en herkenbaar zijn, maar ook gedragen worden door de mensen
die er elke dag mee moeten werken.
Onder uw voorgangster werd een nieuw
uniformconcept uitgewerkt. Volgens de politievakbonden kreeg dat ontwerp groen
licht van onder meer de stuurgroep, de kledijcommissie, het
onderhandelingscomité en het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie. Toch
besliste u om dat ontwerp niet te volgen en een aangepast compromisvoorstel op
tafel te leggen.
Uit bevragingen van de vakbonden blijkt
dat dit nieuwe voorstel op weinig draagvlak kan rekenen. Bij ACV stemde 78
procent van de bevraagde leden tegen het voorstel. Ook bij VSOA koos 75,54
procent van de 6.957 deelnemers voor het oorspronkelijke ontwerp, tegenover
24,46 procent voor het compromisvoorstel. De kritiek gaat onder meer over de
opvallende fluogele accenten, de geschiktheid voor verschillende diensten en
opmerkingen dat het ontwerp door sommige personeelsleden als vrouwonvriendelijk
wordt ervaren.
Waarom hebt u beslist om het eerder
onderhandelde uniformconcept, dat volgens de vakbonden al door verschillende
overlegorganen was goedgekeurd, niet te volgen? Voor welke criteria was het
goedgekeurde model voor u niet goed genoeg?
Hoe beoordeelt u het feit dat in de
bevragingen van zowel ACV als VSOA een grote meerderheid van de bevraagde
politieambtenaren de voorkeur geeft aan het oorspronkelijke ontwerp?
Op 24 juni was er een
onderhandelingscomité tussen kabinet en vakbonden. Wat is er beslist? Hoe werd
dit overleg aangepakt? Was er nog bereidheid om naar het originele ontwerp
terug te keren?
Welke timing voorziet u voor de
definitieve beslissing, de productie en de uitrol van het nieuwe uniform? Wat
is de geraamde kostprijs van deze aanpassing en heeft de wijziging van het
oorspronkelijke ontwerp geleid tot bijkomende kosten of vertragingen?
Antwoord - Réponse:
Wat uw eerste vraag betreft en zoals ik
u reeds meermaals heb uiteengezet naar aanleiding van uw eerdere vragen over
hetzelfde onderwerp, kon ik dit project niet aanvaarden toen het mij voor het
eerst werd voorgesteld.
De eenvoudige reden daarvoor was dat er
noch een wettelijke basis, noch een duidelijk budgettair kader beschikbaar was
om dit project te financieren, zowel voor de Federale Politie als voor de
Lokale Politie.
Sindsdien beschikken we over een ontwerp
van koninklijk besluit (OKB) met als bijlage een normenboek waarin de
technische specificaties van alle onderdelen van dit nieuwe uniform worden
beschreven. Dit OKB bevindt zich momenteel in de afrondende fase, overeenkomstig
het laatst goedgekeurde ontwerp.
Dit ontwerp zal de zichtbaarheid
aanzienlijk verhogen wat essentieel is voor de veiligheid van de
personeelsleden. Het is ook gebaseerd op het eerder unaniem, door de GPI en de
vakbonden, goedgekeurd uniform voor de fietsteams.
Dit zogenaamd comprisvoorstel is ook
gedragen door het Coördinatiecomité van de Geïntegreerde Politie, het kreeg dus
de goedkeuring van zowel de Federale Politie als de Lokale Politie (bij monde
van de Vaste Commissie van de Lokale Politie).
Het is duidelijk dat ik zo snel als
mogelijk de wildgroei aan uniformen wens stop te zetten. Belangrijk is dat we
nu met dit traject verder gaan, willen we tegen eind 2027 de leveringen van de
nieuwe uniformen mogelijk maken. Met het huidig voorstel en voorziene traject
kunnen we op die manier alle politiezones en eenheden van de federale politie
uitrusten volgens het uniform-KB.
In antwoord op uw tweede en derde reeks
vragen over de sectorale onderhandelingen kan ik u alvast het volgende
meedelen.
Conform de aangegane verbintenissen in
het OCP 640 van 27 mei 2026, hebben de representatieve vakorganisaties de
medewerkers op het terrein bevraagd om hun standpunt te onderbouwen met
betrekking tot het al dan niet aanvaarden van het nieuwe tactische uniform, het
zogenaamde compromis, dat door mijn Ambt werd voorgelegd.
Tijdens het OCP 644 van 24 juni 2026
heeft de overheid geluisterd naar de resultaten van de bevragingen over het
uniform die door de vakorganisaties georganiseerd zijn.
Het is correct dat uit deze bevragingen
blijkt dat tussen 70 en 80% van de respondenten zich uitsprak voor het voorstel
dat in oktober 2024 werd gevalideerd.
Na de motivering van de overheid voor
het zogenaamde compromisvoorstel, waaronder ook
de toelichting van de voorzitter van de uniformcommissie, tevens
vice-voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie en lid van het
Coördinatie Comité van de Geïntegreerde Politieover de verder te zetten
stappen, hebben de vakorganisaties het compromisvoorstel echter unaniem
afgewezen.
Dit standpunt is ingegeven vanuit hun
voorkeur voor het eerste ontwerp waarvoor reeds een intens traject doorlopen
werd waarbij zij via de verschillende fora zeer nauw betrokken waren en ook
eerder hun akkoord gaven in oktober 2024.
Ook was er een zekere weerstand tegen de
verhoogde zichtbaarheid in het huidig ontwerp.
De overheid heeft begrip getoond voor de
resultaten van de bevragingen van de vakorganisaties, het belang van de
verderzetting van het traject benadrukt en gewezen op het feit dat er ook in
het verleden weerstand is geweest tegen de méér zichtbare politieuitrustingen
(bv. de meer zichtbare kogelwerende vest, de voertuigen met het
Battenburgpatroon, …) en dat deze nu
volledig ingeburgerd zijn.
Zoals u weet, begeef ook ik me zeer
regelmatig op het terrein en vind de veiligheid van het politie essentieel.
Tijdens mijn bezoeken op het terrein heb ik dergelijke negatieve reacties op
het huidig voorstel daarentegen niet gekregen.
Tijdens het voormeld OCP 644 van 24 juni
2026 is finaal het akkoord gevraagd van de vakorganisaties voor het
compromisvoorstel zodat het traject verder kan worden gezet, met name de
‘dringend’ stap van de “testfase” met de diverse fabrikanten. Tijdens deze
testfase is het immers nog altijd mogelijk om zaken aan te passen, doch geen
fundamentele zaken meer. Een terugkoppeling zal hiervoor gebeuren richting de
vakorganisaties.
Zoals eerder gemeld hebben de
vakorganisaties hun non-akkoord hiervoor gegeven. Hiervan is acte genomen door
de voorzitter van het onderhandelingscomité.
Zoals aangehaald is het belangrijk om
het verder traject in de tijd niet te hypothekeren. De volgende tijdslijn is
bepaald:
half oktober 2026: aanleveren offertes
en stalen;
half december 2026: testronde en
resultaten evalueren;
januari 2027: onderhandelingen;
Eind februari 2027: aanleveren finale
offertes en eventuele finale stalen;
eind april 2027: afronden labotesten en
eindevaluatie;
begin juni 2027: gunning en afloop stand
still periode;
december 2027: start leveringen.
Tot slot, wat het budget betreft,
omwille van o.a. de verhoogde zichtbaarheid van het uniform, wordt de meerkost geraamd
op 10-20%. Voor de Federale Politie zal de financiering ervan over meerdere
jaren mogelijk zijn. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het niet mijn taak
is om de financiering van dit nieuwe uniform voor de Lokale Politie op mij te
nemen (budgetten voor het uniform voorzien ze immers al jaar en dag in hun
eigen begrotingen).
Un hebdomadaire a consacré un dossier à
l'insécurité constatée autour de la gare de Bruxelles-Nord, évoquant un
déploiement jugé insuffisant de la police fédérale des chemins de fer et une
coordination perfectible avec la zone de police locale bruxelloise.
La sécurité dans et autour des gares
relève pour partie de la police fédérale des chemins de fer (Service de police
des chemins de fer, SPC), placée sous votre tutelle, en concertation avec la
zone de police locale territorialement compétente. Bruxelles-Nord constitue historiquement un point
chaud récurrent en matière de criminalité urbaine.
En
conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1° les effectifs actuels de la police fédérale
des chemins de fer affectés à la gare de Bruxelles-Nord, et leur évolution au cours des trois dernières
années
?
2° le protocole de coordination opérationnelle
avec la zone de police bruxelloise concernée, et avec quels résultats chiffrés (interventions,
arrestations, infractions constatées) peuvent être communiqués pour la période
récente ?
3° les mesures
additionnelles (renforts humains, vidéosurveillance, présence visible)
sont-elles envisagées, et selon quel calendrier ?
Antwoord -
Réponse:
L’organisation
de la Police des Chemins de fer ne détermine pas un effectif figé et
spécifiquement affecté à une gare. A la Gare de Bruxelles Nord, le dispositif
policier fait l’objet évidemment d’une attention opérationnelle soutenue et
d’une présence policière permanente. Pour exemple, en 2024, une équipe
d’intervention de la SPC y était affectée quotidiennement, tant en service du
matin que de l’après-midi. Depuis février 2025, ce dispositif a été renforcé
quotidiennement dans le cadre de l’opération Protectrail avec l’appui de
services fédéraux supplémentaires.
Depuis 2026,
deux équipes Protectrail composées chacune de policiers et de militaires se
relaient de manière continue dans les gares bruxelloises, dont Bruxelles-Nord,
où une présence effective minimale de patrouille de plus de sept heures par
jour est assurée, sans compter les équipes d’intervention, les actions ciblées,
et divers renforts opérationnels.
Comme je vous
l’indique par ailleurs en réponse à votre autre question similaire concernant
la gare de Bruxelles-Midi, j’ai demandé, dans le cadre du renforcement de la
sécurité au sein des infrastructures ferroviaires et des trains, qu’une analyse
détaillée des données statistiques soit réalisée.
C’est sur
cette base que nous allons réviser le cadre d’interventions des différents
services intervenants dans les infrastructures ferroviaires. La circulaire
ministérielle qui régit cela, vous le savez, date de 2002. Pour ce qui concerne
les protocoles liés, eux-mêmes liés à la circulaire de 2002, il nous faudra
aussi pouvoir réviser cette manière d’encadrer le rôle de chaque intervenant et
notamment en lien avec les “plans de sécurité intégrés” qui sont mis en oeuvre
par la SNCB depuis 2023.
Nous devons
garantir une meilleure articulation entre les services de la police locale et
les services spécialisés de la police fédérale, mais aussi avec les services de
la SNCB et d’Infrabel. C’est d’ailleurs dans ce cadre que nous avons déjà mis
en oeuvre l’interconnexion des réseaux de caméras de la SNCB afin que la police
locale puisse avoir accès, en direct, à leurs images, alors que nous
travaillons aussi à cet accès similaire avec le réseau d’Infrabel.
Recent vielen er meerdere
agressie-incidenten jegens Securail-agenten te betreuren in verschillende
stations in dit land. De ervaringen van de voorbije jaren leren ons ook dat
tijdens de zomervakantie ook op regelmatige basis incidenten plaatsvinden met jongeren
die gebruik maken van de trein om zich te verplaatsen richting recreatieparken,
de kust of andere bestemmingen.
Kan de minister duiden welke preventieve
maatregelen genomen werden om mogelijke incidenten te voorkomen?
Welke bijzondere maatregelen werden er
genomen om het personeel van de NMBS bijkomend te beschermen?
Werden er bijzondere afspraken voor
extra ondersteuning tussen de Securail-dienst van de NMBS en de spoorwegpolitie
alsook de lokale politie gemaakt? Zo ja: welke?
Antwoord - Réponse:
Het klopt dat er tijdens deze
zomerperiode herhaaldelijk hinder kan optreden op bepaalde treinlijnen richting
de kust.
Om die reden heb ik erop aangedrongen
dat voor de operatie SUNRAIL een specifieke regeling wordt ingevoerd. In het
kader van deze operatie werden verschillende maatregelen genomen om de
samenwerking tussen de betrokken partners te versterken:
de inzet van een aanzienlijke capaciteit
van de Spoorwegpolitie op de meest problematische spoorlijnen;
de versterking van de samenwerking
tussen de Spoorwegpolitie en Securail om hun zichtbaarheid en aanwezigheid op
deze lijnen te vergroten;
de intensivering van de samenwerking met
de territoriaal bevoegde politiediensten, zowel op lokaal als op federaal
niveau (DCA WVL et OVL).
Daarnaast verlenen deze drie diensten
elkaar in het kader van hun dagelijkse werkzaamheden doorgaans wederzijdse
ondersteuning wanneer hun personeelsleden zich in elkaars nabijheid bevinden of
gelijktijdig tussenkomen.
Dit moet de agenten aan boord in staat
stellen snel in te grijpen. Het politioneel dispositief wordt bepaald op basis
van een risicoanalyse. Op grond daarvan kan worden beslist om op bepaalde
lijnen en op specifieke tijdstippen extra middelen in te zetten, zowel richting
de kust als op de terugweg. Deze versterkte samenwerking tussen de Federale
Politie, de lokale politiediensten en Securail moet niet alleen een preventief
effect hebben dankzij de aanwezigheid van politieagenten en veiligheidsagenten
op het terrein, maar ook de doeltreffendheid verhogen van interventies bij
overlast in en rond de treinen.
Volgens berichtgeving van onder meer De
Morgen en de VRT van 25 juni 2026 onderzoekt het Controleorgaan op de
politionele informatie de inzet van jobstudenten bij de politiezone
Rivierenland. COC-voorzitter Frank Schuermans verklaarde concreet: "Op basis
van stukken die we hebben gekregen, starten we een onderzoek naar de
structurele inzet van jobstudenten bij de afhandeling van
verkeersinbreuken". In de politiezone zouden jobstudenten
verkeersovertredingen hebben vastgesteld, processen-verbaal hebben opgesteld en
toegang hebben gekregen tot politiedatabanken en camerasystemen. Het COC
spreekt over mogelijk meerdere strafrechtelijke inbreuken, waaronder een
schending van het beroepsgeheim. Het zou het eerste onderzoek van het COC tegen
een politiezone van deze aard zijn.
Dit soort zaken kunnen natuurlijk nooit
de bedoeling zijn. Ze leggen ook een breder vraagstuk bloot. Steeds meer
politiezones doen tijdens de schoolvakanties een beroep op jobstudenten voor
bijvoorbeeld onthaal, administratie, de digitalisering van dossiers,
ICT-ondersteuning en logistiek, zeker tegen de achtergrond van de
personeelskrapte en de verhoging van het studentencontingent naar 650 uur.
Daardoor is het des te belangrijker dat overal duidelijk is welke taken
jobstudenten wel en niet mogen uitvoeren, en onder welke voorwaarden zij
toegang krijgen tot gevoelige informatie.
Bent u op de hoogte van het onderzoek
van het COC naar de politiezone Rivierenland? Heeft u zicht op de feiten, en
zijn er aanwijzingen dat ook in andere zones jobstudenten taken uitvoeren die
wettelijk aan beëdigde politieambtenaren zijn voorbehouden?
Het COC verwijst expliciet naar
“stukken" op basis waarvan dit onderzoek is opgestart. Over welke stukke
gaat dit concreet? Van wie zijn ze afkomstig? Hebben ze ook betrekking op
andere zones?
Bestaat er een federaal kader of
richtlijn over welke taken jobstudenten bij de politie wel en niet mogen
uitvoeren? Zo niet, plant u zo'n kader?
Welke screening en
veiligheidsvoorwaarden gelden voor jobstudenten, in het bijzonder wanneer zij
toegang kunnen krijgen tot politiegebouwen, dossiers, databanken of
informaticasystemen?
Hoe worden de bescherming van
persoonsgegevens en het beroepsgeheim gewaarborgd bij taken zoals het scannen
en digitaliseren van processen-verbaal?
Beschikt u over een overzicht van het
aantal jobstudenten dat de voorbije jaren bij de federale en de lokale politie
werd ingezet, en voor welke taken?
Beschouwt u de inzet van jobstudenten
als een structureel instrument, en plant u die inzet nader te omkaderen?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Geachte minister Quintin,
Het coördinatieorgaan voor de
dreigingsanalyse (OCAD) bracht op 26 mei haar jaarverslag uit.
Daarin leggen ze vooral op volgende
evoluties de nadruk: nihilistisch extremisme, groeiende invloed van het
internet op de verspreiding van klassieke extremistische propaganda, de invloed
van artificiële intelligentie en algoritmes van sociale media.
Vandaar volgende vragen:
1. Uit het jaarverslag blijkt dat
jihadisme het grootste zorgenkind blijft. Welke extra maatregelen plant u om
dit soort moslimextremisme tegen te gaan?
2. Welke maatregelen neemt de regering
om nihilistisch extremisme te counteren?
a. Vereist dit soort een extremisme een
andere aanpak dan de reeds gekendere vormen van extremisme zoals jihadisme,
extreemrechts en extreemlinks extremisme?
3. Het jaarverslag erkent dat er een
kruisbestuiving bestaat tussen actiegroepen rond Gaza en bepaalde
(activistische) kringen rond onder meer klimaat en milieu. Zo wordt het
conflict geïmporteerd in onze samenleving.
a. Over welke organisaties gaat dit?
b. Hoe vermijden we interne escalatie
door een buitenlands conflict?
4. OCAD duidt in dit jaarverslag de
factor van de online dimensie aan als een extra uitdaging. Zijn onze
veiligheidsdiensten voldoende uitgerust op tegen dit online gebeuren en
digitale dreiging op te treden? Volgen daar nog investeringen voor, aangezien
dit een snel veranderende leefwereld is?
5. OCAD beweert dat in 2025 een
duidelijke daling plaats vond van het totaal aantal dreigingsmeldingen. Ook de
gemiddelde ernst van de dreigingen nam af. Dat staat toch in zeer fel contrast
met het jaarverslag van de AIVD, dat zei dat in de afgelopen 80 jaar het
dreigingsbeeld in Nederland nog niet zó ernstig geweest. Hoe verklaart u deze
discrepantie?
Antwoord - Réponse:
De cijfers voor 2024 en 2025 zijn
gebaseerd op een gemeenschappelijke methodologie en zijn dus onderling
vergelijkbaar
Het algemene dreigingsniveau wordt door
het OCAD bepaald op basis van een continue analyse van alle relevante
informatie en inlichtingen afkomstig van de ondersteunende en partnerdiensten.
Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met:
het aantal dreigingsmeldingen en
dreigingsdossiers;
de ernst en de waarschijnlijkheid van de
vastgestelde dreigingen;
de aanwezigheid van nationale en
internationale trigger-events;
de internationale en geopolitieke
context;
de wijze waarop België, Belgische
belangen of Belgische doelwitten voorkomen in terroristische of extremistische
propaganda.
De beoordeling gebeurt dus niet
uitsluitend op basis van het aantal dreigingsmeldingen, maar op basis van een
globale analyse van de aard, ernst, geloofwaardigheid en waarschijnlijkheid van
de dreiging.
Er valt een afname te noteren van
dreigingsmeldingen binnen het islamistisch-extremistische spectrum. Het aantal
meldingen binnen deze cat
egorie daalde van 117 in 2024 naar 62 in
2025. Tegelijkertijd bleven andere fenomenen, zoals rechts-extremisme,
links-extremisme en dreigingen gelinkt aan buitenlandse conflicten, wel
aanwezig of namen zij zelfs toe.
De cijfers wijzen dus niet op een
verdwijning van de dreiging, maar eerder op een gewijzigde samenstelling van
het dreigingsbeeld.
Zo werd het jaar 2024 gekenmerkt door
een relatief hoog aantal dreigingsmeldingen die verband hielden met spanningen
tussen diasporagemeenschappen in België, die sterk afhankelijk zijn van de
internationale context.
De vergelijking tussen twee
opeenvolgende jaren illustreert dan ook vooral de volatiliteit van bepaalde
dreigingsfenomenen.
Het is daarom niet wenselijk om op basis
van een vergelijking tussen slechts twee jaren verregaande conclusies te
trekken over de evolutie van de dreiging.
Voor het beleid betekent dit dan ook dat
de overheid waakzaam blijft voor de jihadistische dreiging, terwijl ook andere
vormen van extremisme de nodige aandacht krijgen. Het veiligheidsbeleid moet
immers inspelen op het volledige dreigingsbeeld en op nieuwe evoluties inzake
radicalisering, die zich steeds vaker online manifesteren.
Zo neemt rechts-extremisme steeds meer
hybride vormen aan. Sociale media faciliteren de verspreiding van
extremistische narratieven, complottheorieën, anti-migratie- en
anti-islamdiscours en antisemitisme. Daarnaast stellen de veiligheidsdiensten
vast dat rechts-extremistische actoren sterk inzetten op online propaganda en
op het beïnvloeden van doelpublieken.
Wat het links-extremisme betreft: hoewel
het aantal dreigingsmeldingen relatief beperkt blijft, volgt het OCAD deze
evolutie wel degelijk nauwgezet op. Daarbij wordt vastgesteld dat bepaalde
links-extremistische actoren zich soms proberen in te bedden in bredere
activistische bewegingen die op zich vreedzaam en legitiem zijn. Daarnaast
merkt het OCAD de zogenaamde "kruisbestuiving" tussen verschillende
thema's, narratieven en actievormen. Zonder specifieke groepen te noemen zien
we dat bijvoorbeeld bij de Palestijnse kwestie, die onder bepaalde
links-extremistische groepen veel aandacht krijgt.
Hierdoor kunnen radicalere discoursen of
actoren aansluiting zoeken bij bredere maatschappelijke mobilisaties. Om die
reden blijft links-extremisme een prioritair aandachtspunt voor de
veiligheidsdiensten.
Het OCAD wijst bovendien op de opkomst
van nieuwe en soms moeilijker af te bakenen fenomenen, zoals nihilistisch
extremisme, waarbij ideologische overtuigingen minder centraal staan en geweld,
destructie of persoonlijke frustraties een drijvende rol kunnen spelen.
Deze evolutie bevestigt de noodzaak van
een geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak.
Geachte minister Quintin,
U kent de problematiek van de
extreemlinkse gewelddadige acties van Code Rood. Bij eerdere acties werd
voor miljoenen schade aangericht bij Belgische bedrijven. Er werd ook materiaal
dat bestemd was voor de verdediging van Oekraïne vernietigd. Code Rood speelde
ook een rol bij de rellen in Brussel, waarbij DVZ gevandaliseerd werd. Enkele
weken geleden voerde het parket 19 huiszoekingen uit bij extremisten van Code
Rood. Twee daarvan werden onder elektronisch toezicht geplaatst.
Code Rood kondigde een actieweekend aan
van 27 tot 29 juni. Mogelijks vinden zoals bij het voorbije actieweekend van
Code Rood ook in de dagen daarna nog acties plaats. Eén van de acties die
specifiek is aangekondigd is aan de werf van het Google-datacentrum in
Farciennes. Mogelijks is dit echter een fake-doelwit om de ordediensten op het
verkeerde spoor te zetten. Wat de N-VA fractie betreft is dit extreemlinks
geweld ontoelaatbaar en moeten we hier hard tegen optreden.
Daarom volgende vragen:
1) Zijn er nog andere sancties
uitgesproken dan wat in de pers lazen dat er twee personen onder elektronisch
toezicht geplaatst zijn?
2) Hoe evalueert u het optreden van onze
ordediensten tegen Code Rood?
3) Heeft het OCAD voldoende informatie
verschaft aan onze politie om hen voor te bereiden op dit nieuwe actieweekend?
4) Hoe schat u de situatie in Farciennes
in?
5) Zijn er andere locaties die uw
diensten specifiek in de gaten houden?
6) Hoe evalueert u het actieweekend?
7) Zal u ook een onderzoek laten
opstarten tegen de financieringsstromen naar Code Rood?
8) Zijn er andere maatregelen die u
tegen Code Rood zal nemen?
Antwoord - Réponse:
Onze veiligheidsdiensten hebben de in
het kader van Code Rood aangekondigde acties nauwgezet opgevolgd en de nodige
maatregelen genomen om de openbare orde en veiligheid te waarborgen.
Zowel de federale als de lokale
politiediensten werden vooraf door alle veiligheidsactoren van alle beschikbare
informatie voorzien. De bevoegde administratieve overheden en politiediensten
hebben vervolgens, rekening houdend met het risico op meerdere, gelijktijdige
doelwitten op het nationale grondgebied, hun aanpak daarop afgestemd. Dat is
mijns inziens goed verlopen.
De aangekondigde hoofdactie
concentreerde zich uiteindelijk in de omgeving van de bouwwerf van het
Google-datacenter in Farciennes. Gedurende het volledige weekend bleef de
informatie-uitwisseling tussen het NCCN, de Federale Politie, de lokale
politiediensten en de andere partnerdiensten ononderbroken verlopen.
Het actieweekend is overwegend rustig
verlopen. De hitte kan mogelijk wel een factor geweest zijn in de
actiebereidheid.
Ook in de toekomst zullen de acties van
Code Rood, die in het verleden al aanzienlijke sabotages en grote economische
schade hebben toegebracht, nauwlettend opgevolgd worden.
De vragen over de gerechtelijke
maatregelen of het onderzoek naar de financieringsstromen komen collega
Verlinden toe.
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
verloopt een uithuiszetting via de vrederechter en de gerechtsdeurwaarder. Op
de dag van de effectieve uitzetting treedt de gerechtsdeurwaarder op samen met
politie en gemeenteambtenaren. Tegelijk blijft de inschrijving in het
bevolkingsregister gebaseerd op de feitelijke hoofdverblijfplaats.
In de praktijk doen zich echter geregeld
situaties voor waarbij er een discrepantie ontstaat tussen de feitelijke
situatie na een uithuiszetting, het rechterlijk vonnis en de gegevens die in
bevolkingsregisters of politionele toepassingen beschikbaar zijn. Dat kan bij
latere interventies tot verwarring leiden en rechtsonzekerheid, zeker wanneer
een uitgezette persoon opnieuw toegang zoekt tot het pand of wanneer er sprake
is van beschadiging, kraking of wederrechtelijke herbetreding.
In uw beleidsnota Veiligheid stelt u dat
het essentieel is om de relatie tussen burgers en de Staat te herstellen via
een eerlijk en efficiënt bestuur, en dat u de coördinatie van het integrale
veiligheidsbeleid wil versterken.
Over welke richtlijnen beschikken
politiediensten voor interventies waarbij een persoon administratief nog op een
adres is ingeschreven, maar er een uithuiszettingsvonnis of effectieve ontruiming
heeft plaatsgevonden? Wat is de politionele procedure?
Welke gegevens uit het Rijksregister of
de bevolkingsregisters worden bij dergelijke interventies zichtbaar of
bruikbaar gemaakt voor de politie?
Bestaat er een automatische of
structurele informatiedoorstroming tussen gerechtsdeurwaarder, gemeente en
politiediensten na een effectieve uithuiszetting?
Wordt na een effectieve uithuiszetting
systematisch nagegaan of een woonstonderzoek moet worden opgestart?
Bent u bereid om, samen met Justitie en
de gemeenten, een protocol uit te werken waarbij na effectieve uithuiszetting
minstens een administratieve melding wordt gedaan aan de bevolkingsdienst,
zodat de feitelijke verblijfstoestand kan worden onderzocht?
Antwoord - Réponse:
Dit valt in eerste instantie onder de
bevoegdheid van Justitie (tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder bij de
uithuiszetting uit een woning, waarbij hij desgevallend de politiediensten kan
vorderen) en van de politie (de rol die zij kan vervullen wanneer zij door een
gerechtsdeurwaarder wordt gevorderd – Wet op het Politieambt).
Er dient te worden opgemerkt dat het
OCMW bij een uithuiszettingsprocedure automatisch op de hoogte wordt gebracht
(met het oog op hulpverlening en herhuisvesting). In Wallonië kan hiertegen
verzet worden aangetekend; in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
is dat niet mogelijk.
Wat de tussenkomst van de gemeenten
betreft, dient te worden nagegaan wat de regelgeving inzake de tussenkomst van
een gerechtsdeurwaarder bepaalt (de gerechtsdeurwaarder kan tijdens een
uithuiszetting een beroep doen op gemeentelijke diensten).
Voor zover ons bekend, bestaat er geen
wettelijke bepaling die een gemeente verplicht om systematisch een
woonstcontrole uit te voeren op een adres waarvan de bewoner door de
gerechtsdeurwaarder en de politie werd uitgezet.
De politiezone Antwerpen ontving recent
een delegatie van de Hong Kong Police Force, onder leiding van Commissioner of
Police Chow Yat-ming Joe. Volgens de communicatie van de politiezone ging het
onder meer over operationele werking, intelligence, veiligheidsuitdagingen in
een grootstedelijke context en internationale samenwerking.
Internationale politiesamenwerking is
uiteraard belangrijk. Criminaliteit stopt niet aan de grens en uitwisseling
tussen politiediensten kan nuttig zijn. Maar dit bezoek roept toch vragen op.
Hongkong is vandaag geen gewone democratische rechtsstaat. De voorbije jaren
werd de politieke oppositie er zwaar onder druk gezet, werden pro-democratische
organisaties ontbonden en werd de ruimte voor vrije meningsuiting en protest
sterk ingeperkt. De politie van Hongkong speelt daarin een centrale rol.
Daarom is het gevoelig wanneer een
Belgische politiezone, op eigen initiatief samenwerking uitbouwt met zo'n
politiedienst. De federale politie beschikt met de Directie van de
internationale politiesamenwerking over een structuur die precies bedoeld is om
internationale politiesamenwerking te kanaliseren en te coördineren.
Daarom heb ik volgende vragen:
1) Was u op de hoogte van het bezoek
van de Hong Kong Police Force aan de politiezone Antwerpen? Werd dit bezoek
vooraf afgestemd met de federale politie, de Directie van de internationale
politiesamenwerking of uw kabinet?
2)
Welke afspraken bestaan
er vandaag voor lokale politiezones die buitenlandse politiediensten ontvangen
of structurele contacten met hen uitbouwen?
3)
Werd er bij dit bezoek
informatie gedeeld over intelligence, cameratoezicht, operationele methodes,
databanken of crowd control? Zo ja, onder welk kader en met welke waarborgen?
4)
Gebeurt er bij
internationale politiesamenwerking een toets aan mensenrechten, rechtsstaat en
democratische waarden? Wie voert die toets uit?
5)
Acht u het wenselijk dat lokale politiezones zelfstandig relaties uitbouwen
met politiediensten zoals die van Hongkong, gelet op de rol van die politie in
de repressie van oppositie en protest?
6)
Zal u duidelijke
richtlijnen uitwerken voor politiezones over samenwerking met buitenlandse
politiediensten, zeker wanneer het gaat om landen of regio's met ernstige
mensenrechtenproblemen?
Antwoord - Réponse:
1. Ik was niet vooraf op de hoogte van
het bezoek van de Hong Kong Police Force aan de politiezone Antwerpen. Ook de
Federale Politie, en meer bepaald de Directie van de internationale
politiesamenwerking (CGI), werd hierover niet vooraf geïnformeerd. Er vond geen
voorafgaande afstemming plaats met CGI of met mijn kabinet.
Volgens de informatie die ik ontving van
de politiezone Antwerpen, kwam het bezoek er naar aanleiding van contacten die
eerder werden gelegd tijdens een werkbezoek aan Singapore. De vraag om het
bezoek te faciliteren werd overgemaakt via een liaisonofficier van Interpol**,
die geen Belgische verbindingsofficier was**. De politiezone Antwerpen heeft
hierop positief gereageerd na overleg met de burgemeester van Antwerpen.
2. Artikel 2, 2°, van het koninklijk
besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van
de Federale Politie, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 augustus
2014, bepaalt dat het Commissariaat-generaal van de Federale Politie de
opdrachten inzake internationale politiesamenwerking voor de Geïntegreerde
Politie verzekert.
Momenteel bestaat er evenwel geen
specifieke regelgeving die voorziet in een verplichte structurele
informatie-uitwisseling of voorafgaande afstemming tussen lokale politiezones
en de Directie van de internationale politiesamenwerking (CGI) met betrekking
tot bezoeken van buitenlandse politiediensten of het uitbouwen van contacten
met dergelijke diensten.
De politiezone Antwerpen wijst er
bovendien op dat binnen de Vaste Commissie van de Lokale Politie een
subcommissie "internationale politiesamenwerking" actief is en dat
het voor lokale politiezones mogelijk is om, onder verantwoordelijkheid van de
korpschef, internationale netwerken uit te bouwen in het kader van operationele
samenwerking of de uitwisseling van goede praktijken. Deze mogelijkheid betreft
evenwel enkel informele contacten en de uitwisseling van goede praktijken; voor
meer gestructureerde vormen van politiesamenwerking met een buitenlandse dienst
is de federale overheid bevoegd.
3. Volgens de informatie die mij werd
overgemaakt door de politiezone Antwerpen kregen de leden van de delegatie van
Hongkong een algemene toelichting over de werking van de politiezone Antwerpen.
Daarnaast werden een bezoek aan het mastergebouw, een bezoek aan het
Erfgoedcentrum, een presentatie over het Global Shield Network en een
rondleiding in de stad en het stadhuis georganiseerd. Het betrof een
protocolair bezoek; er werd geen samenwerkingsakkoord of enige andere
overeenkomst tussen de betrokken partijen gesloten.
Er werden mij geen aanwijzingen
meegedeeld dat tijdens dit bezoek operationele informatie over intelligence,
databanken, cameratoezicht, crowd control of andere gevoelige
politie-informatie werd gedeeld. De Federale Politie was niet betrokken bij de
organisatie van het bezoek en kan hierover dan ook geen verdere preciseringen
geven.
4. Voor activiteiten van de Federale
Politie met zogenaamde gevoelige of risicolanden gebeurt steeds een afstemming
met de FOD Buitenlandse Zaken. Daarbij vormen het respect voor de
mensenrechten, de rechtsstaat en de democratische waarden een belangrijk
beoordelingscriterium. Ook de aard van de samenwerking en de thema's die aan
bod komen, worden vanuit die invalshoek geëvalueerd.
Voor lokale initiatieven bestaat vandaag
geen specifieke federale procedure die een formele mensenrechtentoets oplegt.
Lokale politiezones geven aan zich in dat verband te baseren op de nationale
richtlijnen en het buitenlandse beleid van België. Volgens de politiezone
Antwerpen bevestigt dit dat het bezoek zich situeerde binnen het kader van de
huidige diplomatieke relaties tussen België en Hongkong, die niet zijn
opgeschort. Ik meen evenwel dat het voor
de politiezones meer dan zinvol is om de Directie van de internationale
politiesamenwerking (CGI) en desgevallend de FOD Buitenlandse Zaken te
betrekken.
5. Ik heb reeds eerder benadrukt, onder
meer tijdens de bespreking in de Kamercommissie over transmigratie, dat
internationale akkoorden en bepaalde vormen van structurele politiesamenwerking
met andere staten niet behoren te worden afgesloten op het niveau van een
gemeente of een lokale politiezone.
Ik ben van oordeel dat de federale
overheid, mede via de Directie van de internationale politiesamenwerking (CGI),
een centrale coördinerende rol moet spelen bij internationale
politiesamenwerking. Dat laat toe om de nodige coherentie te waarborgen en erop
toe te zien dat het respect voor de mensenrechten, de rechtsstaat en de
democratische waarden voldoende in rekening wordt gebracht.
Dat neemt niet weg dat internationale
contacten tussen politiediensten nuttig kunnen zijn in het kader van de
bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en de uitwisseling van goede
praktijken. Dergelijke contacten moeten echter steeds plaatsvinden binnen een
duidelijk kader en met de nodige aandacht voor de bredere beleidscontext.
6. Ik onderschrijf het belang van een
duidelijke coördinatie van internationale politiesamenwerking. Daarom zal ik
samen met de Federale Politie en de betrokken partners onderzoeken of
bijkomende richtlijnen of afspraken wenselijk zijn met betrekking tot contacten
tussen lokale politiezones en buitenlandse politiediensten.
Daarbij zal bijzondere aandacht worden
besteed aan de rol van CGI als coördinerende instantie, aan de noodzaak van een
goede informatie-uitwisseling en aan de manier waarop overwegingen inzake
mensenrechten, rechtsstaat en democratische waarden adequaat kunnen worden
meegenomen bij dergelijke initiatieven.
La presse annonce la création, au sein
de la police fédérale, d'une cellule nationale dédiée à la lutte contre le
hameçonnage (phishing), dans un contexte de hausse continue de la
cybercriminalité bancaire visée par cette pratique. Cette initiative s'inscrit dans le
renforcement annoncé de la lutte contre la cybercriminalité, en coordination
avec le Centre pour la Cybersécurité Belgique, qui dépend des services du
Premier ministre.
En
conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1° les
effectifs précis affectés à cette nouvelle cellule, et le budget annuel qui lui
serait alloué ?
2° si cette
création s'accompagnera d'un renfort net
des effectifs dédiés à la cybercriminalité, ou d'une simple réaffectation de
moyens existants ?
Antwoord -
Réponse:
Au sein de la
Police fédérale, nous constatons un phénomène sociétal préoccupant, comme le
mettent en évidence les constats du Moniteur de sécurité ainsi que les chiffres
de la criminalité pour 2025. Afin de renforcer la réponse opérationnelle face à
cette évolution, il a été décidé de créer une Cellule nationale dédiée au
phishing.
Cette cellule
n'est toutefois pas conçue comme une structure autonome, mais s'inscrit
pleinement dans l'architecture existante des Centrex de la Police fédérale.
Elle assurera la coordination des actions, facilitera le partage d'informations
et de bonnes pratiques, soutiendra les enquêtes et travaillera en étroite
collaboration avec les services compétents de la Police fédérale, le Centre
pour la Cybersécurité Belgique (CCB), le secteur financier ainsi que les autres
partenaires concernés. Elle pourra également s'appuyer sur la capacité
existante en matière d'analyse stratégique, actuellement composée de deux
analystes spécialisés.
Dans une
première phase, cette cellule est constituée exclusivement de personnel
détaché. Son fonctionnement est dès lors assuré dans le cadre des moyens
existants de la Police fédérale et ne nécessite pas de budget additionnel à ce
stade.
La création de
cette cellule repose, dans un premier temps, sur une réaffectation interne des
ressources au moyen de détachements. Il ne s'agit donc pas, à ce stade, d'une
augmentation nette des effectifs, mais d'une organisation plus ciblée des
capacités disponibles afin d'améliorer la coordination de la lutte contre le
phishing et de répondre plus efficacement à l'évolution des menaces cyber.
Monsieur le
Ministre,
Les conseils
communaux constituent le cœur de la démocratie locale. Ils sont le lieu où les
élus exercent leur mandat au plus près des citoyens et où sont débattues les
décisions qui touchent directement à la vie quotidienne de nos concitoyens.
Or, les
tensions observées à l'égard des mandataires publics, les phénomènes
d'intimidation, les menaces sur les réseaux sociaux et, dans certains cas, les
violences physiques à l'encontre d'élus suscitent une inquiétude croissante.
Plusieurs événements dramatiques survenus ces dernières années en Europe,
notamment en France avec l'assassinat d'élus locaux et les nombreuses
agressions recensées contre des bourgmestres, échevins et conseillers,
rappellent que les détenteurs d'un mandat public peuvent devenir des cibles en
raison même de leur fonction.
En Belgique,
le Centre de crise national a indiqué que 101 personnes ont bénéficié de
mesures de protection en 2024 à la suite de menaces liées à l'exercice de leurs
fonctions. Ce chiffre a encore augmenté en 2025 avec 174 personnes faisant
l'objet d'une protection active. Parmi les catégories concernées figurent
notamment des responsables politiques.
Par ailleurs,
la disparition progressive des conseils de police dans certaines zones et
l'évolution de la gouvernance policière conduisent plusieurs mandataires locaux
à s'interroger sur les modalités de dialogue direct entre les autorités
policières et les conseils communaux, en particulier dans les zones
unicommunales où les échanges institutionnels sont parfois plus limités. Les
conseils de police permettaient en effet la présence régulière des chefs de
corps ou de leurs représentants devant des élus locaux.
Dès lors, je
souhaiterais vous poser les questions suivantes :
1)
Disposez-vous de statistiques relatives aux incidents, menaces,
intimidations ou agressions visant des bourgmestres, échevins et conseillers
communaux au cours des 10 dernières années ?
2)
Combien d'élus locaux bénéficient actuellement d'une protection policière
ou de mesures de sécurité spécifiques en raison de menaces liées à l'exercice
de leur mandat ?
3) Existe-t-il des recommandations fédérales
concernant la sécurisation des séances des conseils communaux, notamment
lorsque des tensions particulières sont identifiées (dossiers sensibles,
menaces à l'encontre d'élus précis, etc.) ?
4)
Des directives spécifiques ont-elles été transmises aux zones de police
concernant la présence ou la disponibilité de forces de l'ordre lors des
réunions des conseils communaux ?
Antwoord -
Réponse:
J'invite
l’honorable membre à m’adresser une question écrite afin que je puisse lui
parvenir l’ensemble des statistiques et procédures spécifiques demandées.
56017678C
In 2025 raakten 3.721 van de 51.619
geplande overbrengingen van gedetineerden naar rechtbanken en hoven niet
uitgevoerd, gemiddeld tien per dag. De gevolgen laten zich intussen voelen in
de rechtszaal: rechters spraken verdachten vrij of lieten hen voorlopig vrij
omdat zij herhaaldelijk niet vanuit de gevangenis raakten, onder meer in
dossiers van mensensmokkel en drugshandel. Op 30 juni 2026 nog liet de
raadkamer in Kortrijk een 41-jarige verdachte in een drugsdossier vrij omdat
het gevangenentransport was mislopen. De raadkamer sprak daarbij van een
“organisatorische en logistieke tekortkoming van de overheid"; het parket
tekende meteen beroep aan.
De oorzaak is gekend: bij de eenheid die
instaat voor de overbrengingen ontbreken ongeveer honderd personeelsleden,
terwijl het aantal overbrengingen toeneemt en gedetineerden vaker verder van de
rechtbank verblijven. Uw beleidsnota 2026 stelt voor de DAB een jaarlijkse
instroom van 240 beveiligingsagenten voorop, zowel in 2025 als in 2026, en de
DAB verwachtte dat de grootste tekorten, met name in Brussel, in de tweede
helft van 2026 grotendeels weggewerkt zou zijn. Die tweede helft is nu
aangebroken. De plannen over structurele hervormingen van de federale politie
alludeerden in het verleden al op het organiseren van de opdrachten van de
politie van hoven en rechtbanken in minder entiteiten. Het capaciteitstekort
bij de DAB kaartte ik in deze commissie eerder al aan.
Daarom stel ik u deze vragen:
Ligt de vooropgestelde instroom bij de
DAB op schema? Hoeveel beveiligingsagenten stroomden er in 2025 en in de eerste
helft van 2026 effectief in en uit, en wat is de actuele bezettingsgraad van
het kader, in het bijzonder bij de teams die instaan voor de overbrengingen
naar hoven en rechtbanken?
Op basis van welke criteria wordt
beslist welke overbrengingen bij capaciteitsgebrek worden geschrapt? Wie maakt
die afweging, en wordt daarbij rekening gehouden met het risico op
invrijheidstelling of vrijspraak in zware dossiers? Wordt die prioritering
bijgestuurd?
Welk overleg loopt er met de minister
van Justitie om de gevolgen voor de rechtsgang te beperken, bijvoorbeeld via
videoconferentie waar het wettelijk kader dat toelaat, een betere spreiding van
gedetineerden ten opzichte van de rechtbanken, of afspraken met parketten en
griffies wanneer een overbrenging geschrapt wordt?
Bevestigt u het plan om de opdrachten
van de politie van hoven en rechtbanken en de DAB binnen minder entiteiten te
organiseren, hoeveel en met welke timing?
56017805C
De raadkamer van Kortrijk heeft de
hoofdverdachte in een grootschalig drugsonderzoek vrijgelaten, omdat hij niet
vanuit de gevangenis naar de rechtbank werd overgebracht. Het parket ging
meteen in beroep, waardoor de man voorlopig toch in de cel blijft.
Het is niet de eerste keer dat dit
gebeurt. Uit cijfers die ik enkele maanden terug opvroeg blijkt dat in 2025
maar liefst 7,2% van de aangevraagde overbrengingen vanuit de gevangenis niet
kon worden uitgevoerd. Dit zou maar liefst 10 keer per dag gebeuren. De
gevolgen daarvan zijn rampzalig. In november en december vorig jaar gingen drie
verdachten vrijuit, omdat ze meermaals niet op hun eigen zitting aanwezig
konden zijn.
U erkende in april de “reële personele,
materiële en operationele uitdagingen" en sprak van “gerichte maatregelen
om de capaciteit te versterken". Zo werd de bestelling van 40 nieuwe
celvoertuigen beloofd, net zoals de versnelde rekrutering van personeel en de
versterking van loopbaanperspectieven binnen de DAB. U stelde eveneens vaak
overleg te plegen met de minister van Justitie.
1)
Hoe staat het met de bestelling van de 40 nieuwe celvoertuigen die
aangekondigd werd? Hoeveel daarvan zijn ondertussen in
gebruik genomen? Wanneer zullen de overige in gebruik worden genomen?
2)
Welke concrete stappen
werden er gezet sinds april om aan de versnelde rekrutering van personeel
tegemoet te komen? Hoeveel extra personeel werd er sindsdien aangeworven?
3)
Welke concrete stappen
richting een versterking van de loopbaanperspectieven binnen de DAB werden er
sindsdien gezet?
4)
Merkt u ondertussen
beterschap op het terrein of wijzen de cijfers nog op een toename van het
aantal niet-overbrengingen?
5)
Hoe vaak heeft u sinds
april nog contact gehad met de minister van Justitie hieromtrent? Wat was de
uitkomst van deze contacten en werden er nog concrete afspraken vastgelegd?
Antwoord - Réponse:
De overbrenging van gedetineerden naar
hoven en rechtbanken wordt permanent opgevolgd door de Federale Politie, de FOD
Justitie en meer specifiek het gevangeniswezen.
Deze problematiek is het gevolg van een
combinatie van operationele, organisatorische en structurele factoren. De meest
recente cijfers tonen gelukkig een positieve evolutie aan. Voor de periode van
1 januari tot 1 juli 2026 werden 20.151 overbrengingen aangevraagd en 18.997
uitgevoerd, wat overeenkomt met een uitvoeringsgraad van 94,27%. Voor
overbrengingen in het kader van gerechtelijke zittingen bedraagt de
uitvoeringsgraad 92,92%.
Deze verbetering is onder meer het
resultaat van verschillende optimalisatiemaatregelen binnen de Directie
Beveiliging (DAB) van de Federale Politie :
· de hervorming van het nationale
planningsproces;
· een betere coördinatie van de
opdrachten;
· een optimaler gebruik van het
beschikbare personeel en materieel;
· de operationele solidariteit van
andere directies van de Federale Politie;
· de herinzet van personeel dat
beschikbaar kwam na de overdracht van de beveiligingsopdrachten van nucleaire
sites aan Defensie;
· de geleidelijke versterking van het
wagenpark dat voor overbrengingen wordt ingezet.
Wat dit laatste betreft, is het
aankoopdossier momenteel in uitvoering. 32 voertuigen bevinden zich in
verschillende afwerkingsfasen en 8 moeten nog aan de carrosseriebouwer worden
geleverd. De leveringen worden in de loop van dit jaar verwacht.
Wat de capaciteit betreft: het aantal
beveiligingsassisten en beveiligingsagenten bedraagt eind juni 2026 1.049. Dit
totaal is stabiel gebleven sinds december 2024 (1.049). Wel is een verschuiving
intern DAB merkbaar. Zo is het aantal personeelsleden binnen de eenheden die
instaan voor de beveiliging van de hoven en rechtbanken en voor het
gevangenenvervoer gestegen van 675 personeelsleden op 31/12/2024 naar 758
personeelsleden op 31/12/2025 en 843 personeelsleden op 30/06/2026.
Deze evolutie is gedeeltelijk het gevolg
van de heroriëntering van personeelsleden die voorheen waren voorzien voor de
beveiliging van de nucleaire sites naar de eenheden belast met de beveiliging
van de hoven en rechtbanken en het gevangenenvervoer.
Tussen januari en juni 2026 zijn 115
personen gestart met de opleiding tot BAGP. In het najaar zijn bijkomende
opleidingen gepland.
Ondanks een aanzienlijk
personeelsverloop, hoofdzakelijk als gevolg van promoties naar de functie van
inspecteur, blijft de DAB erin slagen een belangrijk aantal nieuwe medewerkers
aan te trekken.
De aantrekkelijkheid van de functie, de
loopbaanperspectieven en het behoud van personeel blijven een permanente
prioriteit om de personeelssterkte duurzaam te stabiliseren en de operationele
capaciteit van de DAB te versterken.
Dit blijft echter moeilijk een
uitdaging, in het bijzonder wat de instroom van Nederlandstalige kandidaten
betreft.
De moeilijkheden zijn overigens niet
uitsluitend gelinkt aan een personeelstekort binnen DAB. Verschillende factoren
dragen bij tot de huidige druk:
· de overbevolking in de gevangenissen;
· de spreiding van gedetineerden over
instellingen die soms ver van hun bevoegde rechtbank liggen;
· de toename van overbrengingen buiten
het arrondissement;
· de hervatting van gerechtelijke
dossiers die achterstand hadden opgelopen;
· logistieke beperkingen doordat
zittingen vaak op dezelfde tijdstippen worden gepland;
· het ontbreken van een volledig
geïntegreerd digitaal instrument tussen de verschillende partners.
De aanvragen worden geprioriteerd op
basis van :
· - het risico op vrijlating van de
gedetineerde;
· - de impact op de slachtoffers;
·- het bestaan van een specifieke vraag
van de magistraat;
·- het bestaan van een specifieke vraag
van de advocaat of van de gedetineerde;
·- de uitvoering van een bevel tot
medebrenging.
Daarnaast bestaat er een regelmatig
overleg tussen de Federale Politie, de FOD Justitie en meer specifiek het
gevangeniswezen en de gerechtelijke overheden. Verschillende pistes moeten
verder door Justitie of DG EPI worden ontwikkeld of versterkt, in overleg met
de Federale Politie:
·- de uitbreiding van videoconferentie ;
·- de ontwikkeling van een geïntegreerd
digitaal platform tussen de verschillende partners;
·- een verbetering van de
informatie-uitwisseling en planning;
·- de mogelijkheid om bepaalde zittingen
binnen de penitentiaire instellingen te organiseren;
·- een efficiëntere geografische
spreiding van gedetineerden.
Deze maatregelen kunnen het aantal
overbrengingen in bepaalde gevallen beperken. Voor videoconferenties zijn
bijvoorbeeld vandaag al meer dan 200
locaties uitgerust en werden reeds verschillende proefprojecten uitgevoerd om
de technische en juridische aspecten ervan te testen.
De Federale Politie zal, in overleg met
alle betrokken partners, haar inspanningen voortzetten om de continuïteit van
de dienstverlening verder te versterken en de goede werking van de
gerechtelijke keten te waarborgen.
Monsieur le Ministre,
L’accessibilité des numéros d’urgence
est un enjeu essentiel pour toutes les personnes en situation de handicap, et
en particulier pour les personnes sourdes ou malentendantes.
Aujourd’hui,
ces personnes peuvent déjà contacter les centrales d’urgence via l’application
112 BE ou par SMS. Mais, selon les retours du terrain, une difficulté
importante subsiste : la possibilité d’entrer directement en contact avec le
112 ou le 101 via un chat n’est pas encore pleinement opérationnelle. Dans
certains cas, l’échange écrit doit encore être activé ou converti à partir d’un
appel téléphonique, ce qui peut entraîner une perte de temps et poser problème
dans une situation d’urgence.
Des contacts
ont eu lieu avec les associations représentant les personnes sourdes et
malentendantes, et des travaux seraient en cours avec la SA ASTRID afin de
rendre possible un chat direct avec les centrales d’urgence.
Monsieur le
Ministre,
Pouvez-vous
confirmer que la mise en place d’un chat direct avec le 112 et le 101 pour les
personnes sourdes et malentendantes est bien en cours ?
* Quel est
l’état d’avancement de ce dossier, tant sur le plan technique que budgétaire ?
*
Disposez-vous déjà d’un calendrier, même indicatif, pour le lancement de cette
fonctionnalité ?
* Enfin, à
plus long terme, une refonte de l’application 112 BE est-elle envisagée afin de
mieux intégrer les évolutions numériques et les besoins spécifiques des publics
vulnérables ?
Antwoord -
Réponse:
Je peux
confirmer qu’un projet est actuellement en cours afin de permettre aux
personnes sourdes et malentendantes de communiquer directement par chat avec un
opérateur du 112 ou un calltaker du 101, sans qu’un appel vocal préalable ne
doive être établi.
Sur le plan
budgétaire, les crédits nécessaires ont été prévus. La SA ASTRID a déjà reçu de
la part du fournisseur une estimation budgétaire générale qui doit encore être
affinée. Nous espérons recevoir rapidement les détails. Dès qu’un accord aura
été trouvé entre, d’une part, les fonctionnalités souhaitées et les modalités
de leur mise en œuvre et, d’autre part, l’offre financière, l’offre sera passée
et le développement pourra débuter.
À ce stade,
mon administration ne dispose pas encore de calendrier d’exécution concret de
la part des prestataires concernés. Une fois que l’accord mentionné sera
conclu, une solution opérationnelle devrait pouvoir être disponible dans un
délai de trois à cinq mois.
Enfin, une
refonte plus globale de l’application 112 BE est effectivement envisagée à plus
long terme. L’application actuelle ne permet pas encore d’intégrer de manière
satisfaisante certaines fonctionnalités plus récentes. Une modernisation de
l’outil est dès lors à l’étude afin de mieux répondre aux évolutions
technologiques ainsi qu’aux besoins spécifiques des publics vulnérables.
Monsieur le
Ministre,
En juillet
2021, la Chambre adoptait la résolution visant une amélioration structurelle de
la coopération policière entre la Belgique et la France que j'avais déposée
avec mon collègue, Daniel Senesael. Un texte important notamment pour les
communes comme la mienne qui partagent une frontière avec la France. Le texte
reprenait une série de demandes concrètes au gouvernement en vue d'une
amélioration structurelle de la coopération policière transfrontalière
belgo-française.
Monsieur le
Ministre, pouvez-vous me faire le point sur vos initiatives en vue de la mise
en oeuvre de cette proposition et sur vos échanges avec les autorités
françaises ? Comptez-vous impliquer les communes frontalières dans ce cadre ?
Je vous
remercie pour vos réponses.
Antwoord -
Réponse:
Monsieur le
Président, monsieur le Député Thiébaut,
Je peux vous
confirmer que la mise en œuvre de cette proposition continue à suivre son
cours.
Comme vous le
savez, suite à la résolution visant une amélioration structurelle de la
coopération policière entre la Belgique et la France adoptée par la Chambre des
représentants en 2021 à laquelle vous faites référence, la Police Intégrée a
élaboré un plan d’action en vue d’améliorer la coopération policière
transfrontalière franco-belge. Des discussions ont bien
entendu eu lieu et continuent à avoir lieu avec la partie française étant donné
la dimension bilatérale de l’objectif à atteindre.
Il a déjà été
signalé à l’occasion des réponses aux précédentes questions parlementaires à ce
sujet (notamment en 2024) que plusieurs actions sont déjà entièrement réalisées
au niveau des services belges.
En
particulier, l’action « 8 : Mettre en place l’utilisation de l’ANPR en zone
frontalière » a fait l’objet de travaux menés dans le cadre du projet européen
«Inspect», ayant abouti à des recommandations visant à améliorer l’utilisation
du réseau ANPR entre la Belgique et la France. Les avancées notées n’empêchent
pas un suivi à long terme, y compris en vue d’éventuelles solutions d’ordre
juridique le cas échéant.
Par ailleurs,
les travaux se poursuivent concernant les actions « 1 : Développer un plan de
sécurité franco-belge », « 7 : Donner davantage de visibilité aux actions des
structures de concertation franco-belges » et « 9 : Assurer une
bonne radiocommunication pour chaque type d’intervention transfrontalière ».
Leur mise en œuvre reste étroitement liée à la coopération et à l’appui des
autorités françaises.
Quant à
l’action « 4 : Améliorer les règles en matière de poursuites transfrontalières
», des progrès significatifs ont été réalisés ces deux dernières années dans la
concertation avec les autorités françaises en vue d’une solution à court ou
moyen terme qui permettrait de régler les différents aspects problématiques du
droit de poursuite transfrontalière tout en garantissant, entre autres,
sécurité juridique et praticabilité.
A ce stade,
l’objectif n’est pas nécessairement de négocier un nouvel accord, mais bien
d’exploiter les possibilités déjà prévues par les textes existants, en faisant
le choix du régime le plus poussé parmi les options proposées et en en
développant une interprétation commune dans le respect des cadres juridiques
respectifs, même s’il n’est pas exclu qu’à terme, la solution envisagée puisse
également être reprise dans un nouvel accord bilatéral, le cas échéant.
La mise en
œuvre des différentes actions s’effectue en collaboration avec l’ensemble des
partenaires concernés selon le cas. Par ailleurs, la coopération policière
transfrontalière franco-belge fait l’objet d’un suivi structurel au sein d’une
structure de concertation spécifique à trois niveaux, dans laquelle sont
représentés et directement impliqués les différents acteurs responsables. Un
des trois niveaux de concertation est celui formé par les « bassins de
concertation » au niveau local, qui regroupent les zones de police frontalières
avec la France.
56017685C
Op 14
april bevroeg ik u over de aanpassing van de structuur van de
computerapplicatie van het Centraal Wapenregister. Die zou eerst moeten worden
aangepast, vooraleer de op 17 juli vorig jaar aangenomen wetgeving die het
gebruik van geluiddempers en nachtzichtkijkers mogelijk moet maken, inwerking
zou kunnen treden.
U stelde toen dat
tegen juni 2026 deze aanpassingen gebeurd zouden moeten zijn.
56017700C
Mijnheer de Minister,
Op 14 april 2026 werd in de commissie
Binnenlandse Zaken gevraagd naar de uitvoering van de wetgeving die het
verwerven en gebruiken van geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers mogelijk
moet maken voor bepaalde gebruikers.
De minister antwoordde toen dat het
Centraal Wapenregister oorspronkelijk enkel werd ontwikkeld voor de registratie
van wapens en niet voor de registratie van wapenonderdelen zoals geluiddempers
en nachtzichtrichtkijkers. De nodige aanpassing van de applicatie zou volgens
de federale politie in juni 2026 worden omgeschakeld.
Intussen is die timing verstreken. De
betrokken sector wacht al geruime tijd op duidelijkheid over de publicatie, de
inwerkingtreding en de praktische toepassing van de nieuwe regeling.
Graag volgende vragen:
Is de aanpassing van het Centraal
Wapenregister intussen effectief uitgevoerd zodat geluiddempers en
nachtzichtrichtkijkers kunnen worden geregistreerd en getraceerd?
Zo ja, sinds wanneer is deze aangepaste
functionaliteit operationeel? Zo neen, waarom werd de vooropgestelde timing van
juni 2026 niet gehaald en wat is de nieuwe bindende timing?
Werd de wet tot wijziging van de
wapenwet inzake het verwerven en gebruiken van geluiddempers en
nachtzichtrichtkijkers intussen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad? Zo ja,
op welke datum? Zo neen, wat verhindert de publicatie nog?
Vanaf welke concrete datum kunnen de
betrokken gebruikers in de praktijk geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers
verwerven, registreren en gebruiken binnen het wettelijk kader?
Dank voor uw antwoorden,
Antwoord - Réponse:
De toepassing van het Centraal
Wapenregister (CWR) werd inderdaad, conform de vooropgestelde planning, eind
juni 2026 aangepast. Sinds 24 juni 2026 is het met andere woorden technisch
mogelijk om geluiddempers en nachtzichtrichtkijkers in het Centraal Wapenregister
te registreren en te traceren.
De wet werd op heden nog niet
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Ik zal hiervoor contact opnemen met
collega Verlinden, bevoegd voor de wapenwetgeving én voor het Belgisch
Staatsblad.
56017877C
Mijnheer de minister
Na de pro-Palestinabetoging van 29 juni
in Antwerpen circuleren talrijke videobeelden waarop te zien is hoe een
gemaskerd arrestatieteam demonstranten zeer gericht uit de menigte haalt.
Daarbij zien we meermaals dat personen met een greep rond de hals of nek worden
meegenomen.
In antwoord op een parlementaire vraag
in 2022 verklaarde uw voorganger dat de techniek van de nekklem wel degelijk
wordt aangeleerd tijdens de politieopleiding, maar dat het gebruik ervan sterk
wordt afgeraden. Volgens de minister destijds was een nekklem enkel bedoeld
voor extreme gevallen van wettige zelfverdediging, wanneer de veiligheid van
een politieagent of van een andere persoon in gevaar is.
Op de beelden van maandag lijkt het
echter te gaan om bestuurlijke arrestaties van personen die op dat ogenblik
geen fysiek geweld gebruiken. Dat roept minstens de vraag op of het gebruik van
zo'n techniek in deze context proportioneel is.
Bevestigt u dat de nekklem vandaag nog
steeds wordt aangeleerd binnen de politieopleiding?
Welke officiële richtlijnen gelden
vandaag precies voor het gebruik ervan? Zijn die vastgelegd in een omzendbrief,
opleidingsrichtlijn of andere operationele instructies?
Bent u van oordeel dat de omstandigheden
die maandag zichtbaar zijn op de beschikbare beelden beantwoorden aan de
uitzonderlijke voorwaarden die uw voorganger in 2022 heeft omschreven?
Zal u de federale politie of de Algemene
Inspectie vragen deze interventietechnieken en hun proportionaliteit te
evalueren, zodat dergelijke risicovolle grepen enkel worden gebruikt wanneer
zij strikt noodzakelijk zijn?
Worden dergelijke gevaarlijke technieken
waarbij druk wordt uitgeoefend op de hals of nek (en dus luchtkanalen mogelijks
afgesloten) afzonderlijk geregistreerd of gemonitord binnen de politie? Bestaan
daar cijfers of evaluaties over?
56017878C
Mijnheer de minister
Na de pro-Palestinabetoging van 29 juni
in Antwerpen circuleren talrijke videobeelden waarop te zien is hoe de politie
hardhandig optreedt.
Mijn vragen:
Werd tijdens de manifestatie van 29 juni
federale politie ingezet?
Zo ja, hoeveel personeelsleden waren
aanwezig? Van welke directies of diensten kwamen zij? Ging het onder meer om
capaciteit van de Directie Openbare Veiligheid of andere gespecialiseerde
federale eenheden? Welke opdrachten kregen zij precies? Maakten federale
politiemensen deel uit van de arrestatieteams of van de operationele
commandostructuur?
Op basis van welke risicoanalyse werd
beslist federale capaciteit in te zetten? Werd daarbij de ministeriële
richtlijn MFO-2 gevolgd, die bepaalt dat de lokale politie in principe eerst
maximaal haar eigen capaciteit inzet en dat federale ondersteuning subsidiair
is?
Was dit een uitzonderlijke inzet of
werden ook bij eerdere Palestinabetogingen in Antwerpen federale politiemensen
ingezet? Kan u aangeven bij hoeveel manifestaties in de voorbije twaalf maanden
federale capaciteit werd ingezet, hoeveel personeelsleden daarbij gemiddeld
werden ingezet en welke opdrachten zij kregen?
Kan u daarnaast ook breder aangeven hoe
vaak de federale politie het voorbije jaar werd ingezet ter ondersteuning van
lokale politiezones bij manifestaties in België? Op basis van welke objectieve
criteria gebeurt die beslissing?
Bestaan er nationale richtlijnen over de
inzet van gespecialiseerde arrestatieteams bij manifestaties? Zijn er federale
richtlijnen over de inzet van gemaskerde politiemensen, het selectief uit de
menigte halen van demonstranten en de proportionaliteit van dergelijke
technieken?
Tot slot: hoe worden federale inzetten
geëvalueerd? Gebeurt systematisch een operationele evaluatie? Worden klachten
bij het Comité P of gerechtelijke procedures daarin meegenomen? En leiden die
evaluaties ook effectief tot aanpassingen van richtlijnen, opleidingen of
operationele procedures?
Antwoord - Réponse:
De vasculaire halscontrole maakt sinds
2009 deel uit van de basisopleiding van de politie en wordt regelmatig
geanalyseerd en geëvalueerd als politionele interventietechniek. De meest
recente analyse, aangevuld met een internationale benchmark, dateert van
september 2023. Op basis daarvan werd besloten de techniek voorlopig te
behouden binnen de opleiding, overeenkomstig de praktijk bij de meerderheid van
de politiediensten in democratische rechtsstaten.
Er bestaan specifieke
opleidingsrichtlijnen waarin de risico's en gevaren verbonden aan deze techniek
uitvoerig worden toegelicht. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de
maximale duur en de voorwaarden waaronder de techniek mag worden toegepast.
Daarnaast werd recent via een nieuwsbrief aan alle monitoren geweldsbeheersing,
meer dan 2.600 medewerkers, opnieuw benadrukt dat de vasculaire halscontrole
uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden kan en mag worden gebruikt.
Zonder kennis te hebben van alle
feitelijke omstandigheden van de betrokken interventie en zonder de resultaten
van een eventuele analyse of onderzoek af te wachten, kan ik mij niet
uitspreken over de concrete toepassing van de betrokken techniek. Evenmin kan
op basis van de beschikbare beelden met zekerheid worden vastgesteld of
daadwerkelijk een vasculaire halscontrole werd toegepast dan wel een andere
controletechniek.
De analyse uitgevoerd in 2023 evenals de
recente sensibilisering via de nieuwsbrief geweldsbeheersing onderstrepen reeds
het belang van een zorgvuldige toepassing van deze techniek. Gelet op deze
recente evaluatie-elementen acht ik een bijkomende evaluatie op dit ogenblik
niet prioritair.
Het gebruik van de vasculaire
halscontrole dient in principe te worden gemeld overeenkomstig de bepalingen
van de omzendbrief GPI 62ter, hoofdstuk 4. Er bestaat echter geen afzonderlijk
registratiesysteem dat specifiek gericht is op deze techniek. De beschikbaarheid
van statistische gegevens is bijgevolg afhankelijk van de wijze waarop feiten
en dwangmaatregelen in de betrokken dossiers worden geregistreerd. Momenteel
beschikt mijn administratie niet over gecentraliseerde cijfers die uitsluitend
betrekking hebben op het gebruik van de vasculaire halscontrole.
Wat de inzet van de Federale Politie
tijdens de manifestatie van 29 juni betreft, heeft de Federale Politie op vraag
van de politiezone Antwerpen beperkte gespecialiseerde ondersteuning verleend.
Deze ondersteuning bestond uit de terbeschikkingstelling van een voertuig voor
het vervoer van aangehouden personen. De Federale Reserve (DAS) stond ter
beschikking van de Gold Commander. Er was geen inzet van federale
arrestatieploegen.
De steunaanvraag bij de Federale Politie
betrof gespecialiseerde steun. Voor de toekenning van dergelijke steun is de
maximale inzet van de politiezone vooraf niet vereist. Daarnaast werd
bijkomende steun van 22 personeelsleden geleverd door andere politiezones van
het arrondissement Antwerpen in het kader van de gehypothekeerde capaciteit. De
inzetprincipes bepaald in de MFO-2 werden hiervoor toegepast. PZ Antwerpen
bereikte de norm van de ontvankelijkheidsdrempel met de eigen inzet ten
voordele van deze betoging en de inzet voor het evenement Live is Live.
De inzet van bijkomende personeelsleden
is uitzonderlijk voor deze betogingen. Sinds oktober 2025 heeft de politiezone
Antwerpen twaalf maal gespecialiseerde steun van de Federale Politie gevraagd
voor pro-Palestinabetogingen.
Deze ondersteuning bestaat uit het ter
beschikking stellen van gespecialiseerde capaciteiten en middelen wanneer deze
noodzakelijk worden geacht en kan verschillende vormen aannemen. Deze steun
wordt telkens geleverd op vraag van de bevoegde politiediensten en in functie
van de operationele behoeften die voor het betrokken evenement worden
vastgesteld. De betrokken personeelsleden voeren hun opdrachten uit in het
kader van de handhaving van de openbare orde en overeenkomstig de richtlijnen
van de operationele leiding ter plaatse.
Er wordt niet systematisch bijgehouden
voor hoeveel betogingen de Federale Politie steun heeft geleverd aan lokale
politiezones.
De operationele evaluatie behoort tot de
verantwoordelijkheid van de lokale politiezone waar het evenement plaatsvindt.
Deze zone staat in voor het grootste deel van het dispositief en bepaalt, op
basis van de uitgevoerde evaluatie, de inzet van de eigen personeelsleden en
middelen evenals de eventuele bijkomende ondersteuning die nodig wordt geacht.
De aanvraag van steun en de omvang ervan vallen eveneens onder de
verantwoordelijkheid van de lokale politiezone.
De inzet van politiemiddelen bij
manifestaties gebeurt binnen het bestaande wettelijke en reglementaire kader en
is onderworpen aan de beginselen van legaliteit, proportionaliteit,
subsidiariteit en noodzakelijkheid. De keuze van de in te zetten middelen en
technieken wordt gemaakt op basis van een risicoanalyse, de concrete
omstandigheden van het evenement en de noodzaak om de openbare orde te
handhaven.
Wanneer gespecialiseerde capaciteiten
worden ingezet, gebeurt dit onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde
operationele leiding en overeenkomstig de geldende richtlijnen en procedures.
De gebruikte interventietechnieken worden steeds afgewogen in functie van de
operationele context en de beoogde doelstelling.
Politionele inzetten worden geëvalueerd
volgens de binnen de politiediensten geldende evaluatieprocedures. Deze
evaluaties hebben tot doel het verloop van de operatie te analyseren, goede
praktijken te identificeren en eventuele verbeterpunten in kaart te brengen. De
lessen die uit dergelijke evaluaties worden getrokken, kunnen worden meegenomen
bij de verdere ontwikkeling van opleidingen, interne richtlijnen en
operationele procedures. Daarnaast worden ook relevante aanbevelingen van
externe controle- en toezichtsorganen, zoals het Comité P, evenals de lessen
die kunnen worden getrokken uit gerechtelijke procedures, in aanmerking genomen
binnen de daarvoor voorziene processen en bevoegdheden.
Het geheel van deze interne en externe
evaluatiemechanismen draagt bij tot een continue verbetering van de werking van
de politiediensten en de uitvoering van hun opdrachten.
Selon les
chiffres publiés ce 10 juillet, la police fédérale a recensé près de 3 500 cas
suspects de fraude à l'identité en 2025, sur environ 10 000 plaintes
enregistrées. Ces fraudes — usurpation de documents, ouverture de crédits ou de
lignes téléphoniques au nom de la victime, détournement de l'identité numérique
— laissent les personnes concernées face à des démarches longues et à des
préjudices financiers et administratifs durables.
La montée du
phishing et l'extension des usages de l'eID et d' Its me multiplient les
surfaces d'attaque, alors que les victimes ne disposent toujours pas d'un point
de contact unique pour faire rectifier leur situation dans l'ensemble des bases
de données publiques et privées.
En
conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
1° s’il
confirme ces chiffres et leur évolution
sur cinq ans ?
2°Comment
expliquer l'écart entre les 10 000
plaintes et les 3 500 cas recensés qualifiés, et combien ont débouché sur des
poursuites ?
3° les délais
moyens de rectification des registres et des documents pour une victime, et les
moyens que la police judiciaire fédérale consacre spécifiquement à la
criminalité liée à l'identité numérique ?
4°s’il est
envisagé avec ses collègues de la
Justice et de l'Économie, la création d'un guichet unique pour les victimes de
fraude à l'identité et un mécanisme d'alerte préventive (blocage temporaire de
l'identité numérique)
Antwoord -
Réponse:
Ces cinq
dernières années, sur la base des statistiques policières de criminalité, le
nombre de faits enregistrés par les services de police concernant la fraude à
l’identité s’est situé entre un peu plus de 10.000 et un peu plus de 11.000
faits par an. En 2025, 10.417 faits liés à la fraude à l’identité ont été
enregistrés par les services de police, contre 10.983 en 2024. Ces faits
doivent être distingués des faits enregistrés au titre de la criminalité
informatique.
Ces
statistiques ne doivent pas davantage être confondues avec les cas de suspicion
de fraude à l’identité signalés à mon administration, en l’occurrence au
helpdesk fraude de la Direction générale Identité et Affaires citoyennes, qui
constitue principalement le point de contact national des communes lorsqu’elles
sont confrontées à une suspicion de fraude à l’identité. En 2025, 3.482
signalements de cas suspects ont ainsi été transmis à mon administration, dont
401 ont été transmis aux parquets compétents en vue d’un éventuel suivi
judiciaire.
Les chiffres
évoqués correspondent donc à des réalités et à des circuits de signalement
différents et ne peuvent être directement comparés.
Une plainte
enregistrée par un service de police ne donne pas nécessairement lieu à une
qualification définitive de fraude à l’identité, à un signalement au helpdesk
fraude de mon administration ou à une transmission vers un service spécialisé
de la Police judiciaire fédérale.
Une analyse
plus détaillée de l’évolution de ces différentes catégories et des écarts
constatés nécessiterait des extractions et validations statistiques
complémentaires. Une question écrite permettrait, le cas échéant, de
communiquer des données plus détaillées et consolidées.
Concernant les
faits de fraude à l’identité ayant fait l’objet de poursuites judiciaires ainsi
que les moyens spécifiquement consacrés par la Police judiciaire fédérale à la
criminalité liée à l’identité numérique, je vous renvoie à la réponse que
pourra vous apporter ma collègue, la ministre de la Justice.
Il convient
toutefois de préciser qu’il n’existe actuellement pas, au sein de la Police
fédérale, de service unique exclusivement chargé de la fraude à l’identité.
Cette problématique est traitée de manière transversale par différents services
compétents.
Les délais
nécessaires à la rectification des registres et des documents pour une victime
de fraude à l’identité ne font pas l’objet d’une statistique globale et peuvent
varier considérablement selon le laps de temps écoulé avant la détection de la
fraude, la nature de celle-ci, les administrations ou organismes concernés, la
réactivité de la victime, les éléments de preuve disponibles ainsi que, le cas
échéant, les suites judiciaires données aux faits. Il n’existe donc pas de
délai moyen uniforme applicable à l’ensemble des situations.
Pour prévenir
l’usurpation d’identité et en limiter les conséquences, la rapidité de réaction
est essentielle. En cas de perte ou de vol d’une carte d’identité, il convient
de contacter immédiatement DOC STOP afin de faire bloquer le document, de
vérifier auprès de ses banques si des opérations ou des crédits ont été
contractés frauduleusement et, si nécessaire, de bloquer ses cartes bancaires
via CARD STOP. En cas de vol ou de crainte d’une usurpation d’identité, la
victime doit également déposer plainte auprès de la police et se rendre auprès
de son administration communale afin d’entamer les démarches nécessaires à
l’obtention d’un nouveau document d’identité.
Un blocage
rapide du document réduit fortement le risque d’utilisation frauduleuse et
permet également d’établir que les mesures nécessaires ont été prises sans
délai.
Afin de
détecter et d’empêcher plus rapidement les abus, le SPF Intérieur met par
ailleurs à la disposition notamment des banques, des opérateurs de
télécommunications et d’autres organisations le système Checkdoc, qui permet de
vérifier si un document d’identité a été enregistré comme perdu, volé ou
invalide.
Une victime de
fraude à l’identité ou d’un délit commis en ligne doit déposer plainte auprès
de la police locale. D’autres instances peuvent, en fonction de leurs
compétences et de leurs publics cibles, apporter une assistance complémentaire.
Ainsi, le Point de contact pour les consommateurs et les entreprises du SPF
Économie permet notamment de signaler une tromperie, une arnaque ou une fraude,
mais ne se substitue pas au dépôt d’une plainte auprès de la police. Les outils
proposés par le Centre pour la Cybersécurité Belgique permettent également aux
citoyens de recevoir des alertes relatives aux cybermenaces et de signaler
certains incidents en ligne.
Il convient en
effet de garder à l’esprit que l’usurpation d’identité peut prendre des formes
très différentes : utilisation frauduleuse d’un document d’identité, ouverture
de comptes ou souscription de crédits au nom d’une victime, ou encore
usurpation d’une identité numérique, notamment au moyen de comptes ou de
réseaux sociaux. Ces situations appellent des mécanismes d’intervention
différents et mobilisent plusieurs acteurs disposant chacun de compétences
spécifiques.
La lutte
contre la fraude à l’identité repose dès lors sur une collaboration étroite
entre les services de police, les communes, le SPF Intérieur, le SPF Économie,
les autorités judiciaires, les banques, les opérateurs de télécommunications et
le Centre pour la Cybersécurité Belgique. Une task force réunissant différents
partenaires concernés est également active dans ce domaine. Le Centre belge des
documents d’identité et de voyage y participe notamment en qualité d’expert
technique pour les documents d’identité physiques. Les pistes visant à
renforcer la prévention de la fraude et à améliorer l’accompagnement des
victimes continuent à faire l’objet d’échanges entre les partenaires concernés.
Dans ce
contexte, il est essentiel de maintenir la police locale comme point d’entrée
unique pour le dépôt d’une plainte. Les autres acteurs interviennent ensuite,
chacun dans le cadre de ses compétences, en fonction de la nature de la fraude
et des mesures nécessaires pour y mettre fin et en réparer les conséquences.
Geachte minister Quintin,
In uw beleidsnota lazen we dat u de
bestaande middelen van de Civiele bescherming op termijn zou herorganiseren.
Een lopende studie naar de optimale geografische spreiding van de opdrachten
van de civiele veiligheid richtte zich op het vertalen van de nationale
risicoanalyse naar operationele capaciteiten, met een objectieve identificatie
van kwetsbaarheden en noden.
Tijdens de bespreking stelde u dat de
operationalisering van de BNRA moest toelaten te bepalen op welke plaatsen op
het grondgebied specifieke missies en capaciteiten het best worden
gepositioneerd. Een denkoefening over de personeelsmiddelen, van zowel
beroepskrachten als vrijwilligers, vormde een belangrijk aandachtspunt.
Gerichte aanwervingen zouden moeten worden uitgewerkt om de duurzaamheid van
het model en het behoud van gespecialiseerde capaciteiten te verzekeren.
U verzekerde dat u een beslissing zou
nemen over de toekomst van de Civiele Bescherming wanneer het dossier voldoende
rijp was en wanneer u zoveel mogelijk waarborgen had dat het de juiste
beslissing betrof, zowel op operationeel vlak als voor de 230 medewerkers van
de Civiele Bescherming die het recht hebben te weten hoe hun dienst zich zal
ontwikkelen.
Daarom stel ik u deze vragen:
1) Wat is de stand van zaken betreffende
de studie naar de optimale geografische spreiding van de opdrachten van de
civiele veiligheid? Wat zegt die over de Civiele Bescherming in het bijzonder?
2) Op welke plaatsen op het grondgebied
zullen specifieke missies en capaciteiten het best worden gepositioneerd?
3) Wat leverde de denkoefening over de
personeelsmiddelen op?
4) Hoe ziet u de toekomst van de Civiele
Bescherming?
5)
Binnen welke termijn mogen we maatregelen in die richting verwachten?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Geachte minister Quintin,
Ondanks de toename van grootstedelijke
criminaliteit omwille van de nabijheid van Brussel kampen de politiediensten in
de Vlaamse Rand met een structurele onderbemanning. De belangrijkste oorzaak daarvan
is het loonverschil. Door allerhande premies verdienen politieagenten in
Brussel tot €500 netto meer dan agenten in de Vlaamse Rand. Om die situatie
recht te zetten voorzag het regeerakkoord in de invoering van een randpremie.
Op mijn vraag van 20 mei reageerde u dat
u deze randpremie nog deze zomer wil invoeren. Ze zou niet alleen gelden voor
de lokale politie, maar ook voor fedpol Brunat en fgp Halle-Vilvoorde. Dat is
volgens mij een goede zaak, gezien de gekende problemen daar.
Meneer de minister dit is mijn laatste
kans om u vragen te stellen deze zomer, daarom vroeg ik me af of u een stand
van zaken over de invoering van de randpremie kan geven?
Alvast bedankt.
Antwoord - Réponse:
Mijnheer Bergers, verwijzend naar mijn
meest recent antwoord van 17 juni laatsleden in de Commissie Binnenlandse
Zaken, kan ik inderdaad niet anders dan herhalen dat het politieke
besluitvormingsproces omtrent de "Randpremie" lopende is en ik hier
niet wil op vooruitlopen. Een voorstel ligt op de regeringstafel. Duidelijk
hierbij is dat ik het toekennen van een "Randpremie" aan de
politiezones grenzend aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wil uitvoeren
conform het regeerakkoord.
Ook blijf ik zoeken naar een
evenwichtige en coherente toekenning ervan die enerzijds positief is voor de
betrokken politiezones en anderzijds geen nefaste effecten heeft op andere
politiezones of entiteiten van de federale politie die eveneens kampen met
personeelstekorten.
Ik hoop dat we na het zomerreces
hieromtrent binnen de Regering tot een akkoord kunnen komen.
Het regeerakkoord wil de verhouding
tussen input en output bij de federale politie structureel verbeteren. Het
versterken van de operationele slagkracht staat daarbij centraal. Ter
verbetering van de operationele efficiëntie en het bekomen van een beter gecoördineerde
en gespecialiseerde federale politie dient de huidige logge structuur te
evolueren naar een efficiënter geheel met minder directies en overhead maar met
een sterker midden- en basiskader. De kerntaken van de federale politie moesten
beter aansluiten bij de bovenvermelde principes van subsidiariteit en
outputgerichtheid.
De voorstellen tot structurele
hervormingen van de federale politie moeten die doelstellingen dienen.
Wijzigingen aan de structuur van de federale politie moeten ook de
geïntegreerde werking ten goede komen. Die is vandaag vaak onbestaande. Ook de
samenwerking met de parketten moet erop vooruitgaan. Een objectieve
werklastmeting moet zorgen de financiering gaat naar waar de impact en de
caseload van de georganiseerde misdaad het zwaarste is. Dat kan ook worden
vertaald in het governancemodel.
Daarom stel ik u deze vragen:
Op welk manier verbeteren de voorstellen
tot structurele hervormingen van de federale politie de output en de
operationele slagkracht van de federale politie?
Hoeveel directies zal de federale
politie in de toekomst minder tellen? Hoeveel overhead wordt hiermee weggesneden?
Welke capaciteitswinst valt er te
noteren voor het midden- en basiskader?
Hoe verbeteren de voorstellen de
geïntegreerde werking? En de samenwerking met de parketten?
Op welke manier houden de voorstellen
rekening met de werklastmeting van de federale politie? Zowel financieel als
qua governance?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
In antwoord op mijn eerder vraag deelde
u mee het verwachte verslag van de expertengroep voorstellen zou bevatten voor
een nieuwe structuur van de federale politie, evenals een realisatietraject
voor de implementatie ervan. De expertengroep heeft dat verslag afgeleverd. Het
zou navolgend worden besproken in de schoot van de ministerraad en kon, na
goedkeuring, aanleiding geven tot wetgevende initiatieven.
De voorstellen moeten zorgen voor minder
versnippering, minder bureaucratie, sterkere operationele diensten en een
evenwichtiger inzet van middelen en managementcapaciteit. Een hervorming op
papier is niet hetzelfde dan een operationele hervorming. Daarbij speelt het
spanningsveld tussen het centraal en gedeconcentreerd niveau. Net als de
responsabilisering. De verantwoordelijken moeten de hefbomen in handen hebben
om hun doelstellingen te realiseren.
Het regeerakkoord bepaalde dat om de
effectiviteit en efficiëntie van de federale politie te kunnen evalueren er een
systeem van audits en verantwoording op basis van meetbare doelstellingen zou
worden ingevoerd. Indien de gestelde doelstellingen niet worden bereikt, zou
het mandaat van de verantwoordelijke mandataris niet worden verlengd.
Daarom stel ik u deze vragen:
Welke voorstellen bevat het verslag voor
de nieuwe structuur van de federale politie? Hoe ziet het realisatietraject
voor de implementatie eruit? Wat is de kostprijs (van wat)?
Werd dit verslag reeds besproken in de
schoot van de ministerraad? Wat zijn de volgende stappen op dat vlak?
Welke wetgevende initiatieven zijn nodig
om de voorstellen uit voeren? Welke procedure zal u daarbij volgen?
Hoeveel algemene directies zal de
federale politie van de toekomst tellen? Welke zullen dat zijn en waarom?
Hoeveel directies zal elke algemene directie tellen, dewelke en waarom?
Hoe ziet de toekomstige organisatie van
het gedeconcentreerd niveau eruit?
Hoe zit het met het systeem van de
audits en verantwoording?
Wat met de mandaatfuncties? Voor welke
functies blijven die bestaan? Klopt het dat die enkel blijven bestaan voor de
CG en de directeurs van de algemene directies?
Hoe zullen de mandaat-en
directiefuncties worden ingevuld en opengesteld? Zal iedereen kunnen
postuleren? Hoe wordt de functie van de CG aangepast en ingevuld?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.
Mijnheer de minister, het regeerakkoord
engageert zich om de uitrusting en het gebruik van ordehandhavingsmiddelen
binnen het genegotieerd beheer van de openbare ruimte (GBOR) te evalueren en de
regelgeving waar nodig aan te scherpen in functie van de toegenomen dreiging en
risico's. Die regelgeving moet ook de nodige juridische bescherming bieden aan
politiemensen die zich genoodzaakt zien wapens of geweld te gebruiken, binnen
de principes van legaliteit, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Onze fractie
diende daarover op 30 januari 2025 mee een voorstel van resolutie in (DOC 56
0691/001) over de bewapening van de politie bij GBOR.
De voorbije maanden werd onze politie
bij ordediensten geconfronteerd met toenemende agressie, van studentenprotesten
tot extreemlinkse groeperingen die stakingen kaapten om rellen te veroorzaken.
Op 17 december 2025 gaf u in deze commissie, in antwoord op een vraag over het
luchtdrukprojectielwapen FN 303 (56011168C), aan dat dit wapen binnen GBOR niet
toegelaten blijft, dat CP4bis en omzendbrief OOP41bis het kader vormen, en dat
u de Algemene Inspectie een administratief onderzoek liet voeren. Tot op heden
is er echter geen formele communicatie over de stand van zaken, de scope en de
timing van de aangekondigde evaluatie.
Daarom stel ik deze vragen:
Wat is de stand van zaken van de
aangekondigde evaluatie? Is ze gestart, welke dienst voert ze uit, welke
uitrustings- en ordehandhavingsmiddelen worden herbekeken en tegen wanneer
verwacht u resultaten?
Welk gevolg geeft u aan de resolutie DOC
56 0691/001, in het bijzonder aan less than lethal weapons, de rules of
engagement en de bijzondere juridische bescherming? Neemt u die aanbevelingen
mee in de evaluatie?
Welk wettelijk initiatief plant u, en
tegen wanneer, om de juridische bescherming te realiseren voor politiemensen
die in uitzonderlijke situaties wapens of geweld moeten aanwenden?
Welke tendensen ziet u in het geweld en
de agressie tegen politiediensten bij ordehandhaving, en in welke mate
onderbouwen die de toegenomen dreiging waarvan het regeerakkoord uitgaat?
Hoe verhoudt de aanscherping zich tot
het GBOR-model van CP4bis en OOP41bis, dat de-escalatie en proportionaliteit
vooropstelt? Blijft die filosofie de basislijn, en worden opleiding en
interventietechnieken mee herzien?
Antwoord - Réponse:
Het antwoord werd niet tijdig door de
regering bezorgd.
La réponse n'a pas été fournie par le
gouvernement dans les délais.