Commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen

Commission des Affaires sociales, de l'Emploi et des Pensions

 

van

 

Dinsdag 8 september 2026

 

Namiddag

 

______

 

 

du

 

Mardi 8 septembre 2026

 

Après-midi

 

______

 

La réunion publique de commission est ouverte à 13 h 04 et présidée par M. Denis Ducarme.

De openbare commissievergadering wordt geopend om 13.04 uur en voorgezeten door de heer Denis Ducarme.

 

Les textes figurant en italique dans le Compte rendu intégral n’ont pas été prononcés et sont la reproduction exacte des textes déposés par les auteurs.

De teksten die cursief zijn opgenomen in het Integraal Verslag werden niet uitgesproken en steunen uitsluitend op de tekst die de spreker heeft ingediend.

 

Le président: Bonjour à tous. Dag allemaal. Nous débutons la session de rentrée avec vous, monsieur le ministre. C'est la première réunion.

 

J'espère que tout le monde a bien profité de l'été et est en pleine forme pour aborder avec force notre rentrée en commission des Affaires sociales!

 

01 Actualiteitsdebat over de betalende Pensioenlijn en toegevoegde vragen van

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De omzetting van de Pensioenlijn naar een betalend nummer" (56018186C)

- François De Smet aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De afschaffing van het gratis nummer van de Pensioenlijn per 1 september 2026" (56018358C)

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De stopzetting van het gratis telefoonnummer voor inlichtingen over het pensioen" (56018507C)

- Robin Tonniau aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De Pensioenlijn" (56018536C)

- Sarah Schlitz aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De afschaffing van het gratis telefoonnummer voor inlichtingen over het pensioen" (56018549C)

01 Débat d'actualité sur la fin de la gratuité de la ligne Pensions et questions jointes de

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le passage à un numéro payant en lieu et place de l'actuelle ligne téléphonique Pensions" (56018186C)

- François De Smet à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La fin de la gratuité de la ligne téléphonique Pensions au 1er septembre 2026" (56018358C)

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La fin de la gratuité du numéro de téléphone pour se renseigner sur sa pension" (56018507C)

- Robin Tonniau à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La ligne Pensions" (56018536C)

- Sarah Schlitz à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La fin de la gratuité du numéro pensions" (56018549C)

 

01.01  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, de Federale Pensioendienst kondigde begin augustus in een persbericht aan dat het huidige gratis nummer 1765 vervangen zal worden door een standaardnummer. Concreet betekent dat dat de burger per 1 september niet langer gratis telefonisch contact kan opnemen met de Federale Pensioendienst. Wie in de wachtrij terechtkomt – en dat blijkt de laatste tijd om veel mensen te gaan – kan een bericht inspreken met de vraag om gratis teruggebeld te worden.

 

Gelet op de beperkte bereikbaarheid van de Pensioendienst, waarover ik regelmatig meldingen hoor, alsook de druk op de werknemers van de Federale Pensioendienst, stel ik me daar een behoorlijk aantal vragen bij.

 

Mijnheer de minister, welke concrete redenen lagen aan de basis van de beslissing om het gratis nummer 1765 af te schaffen en te vervangen door een betalend standaardnummer? Werd daarvoor een impactanalyse uitgevoerd en, zo ja, kan die aan het Parlement worden overgemaakt?

 

Heeft de Federale Pensioendienst voor die beslissing een raming gemaakt van de kostenimpact op de bevolking? Hoeveel personen bellen met een vast abonnement naar de pensioendienst en hoeveel personen zullen moeten betalen voor een dergelijke oproep?

 

Welke impact zal die beslissing hebben op de werkdruk van de werknemers van de Federale Pensioendienst? Wordt verwacht dat ze op regelmatige basis zullen moeten terugbellen?

 

Welke invloed denkt u dat de aanpassing van het telefoonnummer zal hebben op de perceptie van de bevolking ten aanzien van de bereikbaarheid van de overheid? Zal dat de drempel om telefonisch contact op te nemen met de overheidsdienst niet net vergroten?

 

Ten slotte, gelet op het aantal klachten inzake de bereikbaarheid dat de laatste tijd de kop opsteekt, waarom worden geen wijzigingen aan de openingsuren van de dienst doorgevoerd? Waarom blijven de openingsuren nog altijd van 08.30 uur tot 12 uur?

 

01.02  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, décidément, votre gouvernement semble apporter chaque jour son lot d’aberrations. Autrefois, pour contacter le Service fédéral des Pensions, il existait un numéro gratuit: le 1765. Mais cela, c’était avant. Depuis le 1er septembre, ce numéro gratuit a disparu, emportant avec lui les belles promesses électorales des partis de la majorité. Désormais, les citoyens qui souhaitent obtenir des informations sur leur pension doivent composer un numéro standard de type 02. Cet appel sera facturé. S’il s’agissait de dissuader les gens de poser des questions, vous ne pouviez guère faire mieux. Vous venez d’adopter la pire réforme des pensions de tous les temps. Vous modifiez les montants de pension, vous changez la durée des carrières et, dans le même temps, les citoyens ne peuvent plus obtenir gratuitement les informations dont ils ont besoin. C’est tout simplement scandaleux.

 

Certes, les citoyens peuvent consulter mypension. Encore faut-il que les données soient à jour, ce qui reste encore à démontrer. De nombreux pensionnés et futurs pensionnés ne sont pas à l’aise avec les outils numériques. Pour beaucoup d’entre eux, le téléphone demeure le moyen privilégié d’entrer en contact avec l’administration. Par ailleurs, tout le monde ne dispose pas d’un abonnement incluant les appels vers les numéros fixes. Ces personnes devront désormais payer chaque minute d’attente. Et des minutes d’attente, il y en a, tant les citoyens sont aujourd’hui inquiets et désemparés.

 

Monsieur le ministre, quel est le montant exact des économies attendues grâce à cette suppression de la gratuité? Comment ces économies seront-elles réparties entre le Service des Pensions, l’INASTI et Sigedis? Une analyse d’impact sur les usagers a-t-elle été réalisée? Le Conseil consultatif fédéral des aînés (CCFA) a-t-il été consulté? Des alternatives sont-elles envisagées afin de préserver la gratuité pour les publics fragilisés? Quel est aujourd’hui le nombre d’appels mensuels, le temps d’attente moyen et le taux d’appels non aboutis? Les moyens ainsi économisés seront-ils réinvestis dans le renforcement du service ou dans un élargissement des horaires d’accessibilité? Dans quel délai un citoyen qui laisse un message sur la boîte vocale est-il rappelé? Enfin, une communication spécifique est-elle prévue à destination des publics les moins connectés? Pendant combien de temps le message de redirection du numéro 1765 restera-t-il actif?

 

01.03  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, collega’s, heel veel mensen hebben vandaag concrete vragen over hun pensioen, zeker sinds de pensioenhervormingen en -besparingen. Ze vragen zich af hoeveel pensioen ze zullen verliezen, of hun loopbaan correct werd berekend, wat het effect is op hun pensioen van een gemengde loopbaan als ambtenaar en daarna als zelfstandige, hoeveel pensioen ze zullen krijgen wanneer hun partner overlijdt, welke jaren meetellen voor de pensioenbonus en de -malus en wanneer ze precies met pensioen kunnen gaan.

 

Ik ben ervan overtuigd dat ook het kabinet van de minister overspoeld wordt met dergelijke vragen. Ik word er zelf voortdurend mee geconfronteerd, zelfs tot op de camping in de Ardèche tijdens mijn vakantie. Soms bel ik dan naar collega De Witte, maar meestal verwijs ik mensen door naar de Pensioenlijn via het gratis nummer 1765. Ik zeg hun zelfs dat ze er gerust de tijd voor mogen nemen, omdat die lijn gratis is.

 

Ik vind het bijzonder straf dat net nu wordt beslist om dat gratis nummer stop te zetten en er een betalend nummer van te maken. Dat zegt veel over de regering. U voert hervormingen door, maar tegelijk wilt u blijkbaar niet dat de bevolking daarover degelijk geïnformeerd wordt. Door dergelijke onnodige besparingen ontbreekt het de mensen aan de juiste informatie.

 

In de plaats is er nu inderdaad een gewoon telefoonnummer en natuurlijk hebben veel mensen een telefoonabonnement waarin zo’n nummer inbegrepen is, maar dat geldt niet voor iedereen. Uitgerekend de doelgroep die het meeste vragen heeft over haar pensioen – de oudere mensen die op de drempel van hun pensioen staan – dreigt daarvoor de rekening te moeten betalen.

 

Mijnheer de minister, kunt u uitleggen waarom u de toegang tot die informatie betalend maakt en hoe u de toegang tot informatie over de pensioenen voor alle burgers zult waarborgen?

 

01.04  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, l’année commence bien. En effet, nous sommes à la première commission des Affaires sociales de la rentrée et voilà qu’un nouveau cadeau est mis sur la table par le gouvernement puisque, manifestement, le Parlement n’a pas grand-chose à dire ici.

 

Vous avez dit à votre premier ministre: "Je peux encore faire un petit effort avec ce numéro". Il y a pourtant beaucoup de personnes qui l’appellent, puisque vous espérez réaliser une économie d’un million d’euros grâce à la suppression de cette ligne gratuite.

 

En somme: "Je peux encore faire des économies sur le dos des pensionnés en supprimant cette gratuité. Et, d’une pierre deux coups, cela fera également moins de travail pour mon administration, qui ne devra plus répondre à toutes les questions concernant les changements en matière de pensions que j’ai moi-même mis en place. Voilà donc ce que je propose dans le cadre des 10 milliards d’euros d’économies."

 

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer sur la base de quelle évaluation vous avez décidé de supprimer ce numéro gratuit pour le remplacer par un numéro payant pour obtenir des informations en matière de pension, dans un contexte où nous sommes en pleine réforme des pensions et où mypension ne sera effectif – ou, en tout cas, aura réussi à intégrer l’ensemble des effets de votre réforme – qu’en 2028?

 

La ligne téléphonique constitue pour le moment le seul moyen permettant aux citoyens d’accéder à des informations concernant leur pension.

 

Par ailleurs, avez-vous consulté des associations, notamment en matière de déconnexion numérique, de précarité ainsi que des associations représentant les personnes âgées dans notre pays?

 

01.05  Vincent Van Quickenborne (Anders.): Mijnheer de minister, fijn u terug te zien. De pensioenen belangen miljoenen mensen aan en hebben ook betrekking op het toekomstperspectief voor jonge mensen. De eerste grote pensioenhervorming heeft de regering in 2011 doorgevoerd, toen ik minister van Pensioenen was. We hebben toen allereerst mypension.be opgericht om mensen te informeren. Vervolgens heb ik op 10 oktober 2012 het eenvoudige nummer 1765 ingevoerd.

 

Mij gaat het niet zozeer om het feit dat het bellen nu betalend wordt. Dankzij de actie van de vorige regering is er een vierde telecomspeler op de markt. Men kan vandaag met een abonnement van drie euro per maand honderden uren bellen naar om het even wie in België. Dat is dus het probleem niet. Het probleem is dat u een eenvoudig nummer moeilijker maakt. Het nummer wordt 02 225 17 65.

 

Een tweede probleem is dat mensen die vanaf 1 juli 2027 met pensioen gaan en die de pensioenlijn bellen, vandaag geen antwoord krijgen. De hervorming van het beperkingspercentage op de gelijkgestelde periodes zit vandaag immers niet in het systeem. Mensen weten dus niet hoeveel pensioen ze zullen krijgen.

 

Er is nog een derde probleem. De Pensioendienst zou de mensen vroeg genoeg, proactief moeten informeren over hun pensioen, zodat, indien nodig, aanpassingen nog mogelijk zijn. Daarover zou ik u straks trouwens nog een vraag willen stellen. U doet echter net het omgekeerde. U maakt een eenvoudig nummer complex, u maakt het betalend. U laat heel veel mensen in het ongewisse en u informeert niet proactief waardoor mensen niet kunnen vermijden dat ze voor een verrassing komen te staan wanneer ze met pensioen gaan.

 

Mijnheer de minister, ik vrees dus dat uw prioriteiten niet juist zijn. Ik vraag u dan ook met aandrang om die te corrigeren.

 

01.06  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, ik ben misschien de enige van de meerderheid met vragen, maar ik moet zeggen dat ik toch ook wel geschrokken ben van de aankondiging dat het vrij eenvoudige, gratis nummer 1765 vervangen wordt door een vast nummer.

 

Ik kan begrijpen dat overheidsdiensten efficiënt moeten werken en dat er bepaalde keuzes moeten worden gemaakt, maar dit is toch wel een bijzonder moment, in die zin dat we net een grote pensioenhervorming hebben goedgekeurd. Die wet wordt op 1 januari van kracht en heel wat mensen zitten met vragen over wat die hervorming voor hen concreet betekent.

 

Ik wil ook hulde brengen aan de mensen van de Federale Pensioendienst. Ik heb tijdens het reces heel wat mails ontvangen van mensen met vragen, soms bijzondere vragen over balansdagen, reservedagen en werkverwijdering. Ik kan die zaken niet altijd per mail beoordelen. Ik probeer, zoals de Pensioendienst mij vraagt, hen te overtuigen om via MyPension een bericht te sturen, omdat ik weet dat ze dan zeker een antwoord zullen krijgen. Voor sommige mensen voelt telefonisch contact echter zekerder aan dan digitaal contact. Ze voelen zich daar vertrouwder en beter bij.

 

Rond 20 augustus ontving ik bijvoorbeeld een vraag over balans- en reservedagen. De betrokkenen hebben via de telefoon een afspraak gekregen op 18 september op het pensioenpunt in Aalst. Ik kan dus alleen maar hulde brengen aan de medewerkers, die in moeilijke omstandigheden toch proberen om vragen te beantwoorden.

 

Ik heb een vraag in verband met het terugbellen en de wachtlijst. Welke impact heeft dat op het personeel, in een toch al bijzonder moeilijke periode, waarin ze heel hard hun best doen om iedereen te woord te staan en informatie te geven? Ik vind het heel belangrijk dat mensen op de hoogte zijn van de gevolgen voor hun pensioen.

 

Waardoor is die beslissing ingegeven? Wat zijn de gevolgen daarvan? Ik begrijp dat heel veel mensen nog steeds gratis kunnen bellen naar het gewone nummer, maar het is gewoon ingewikkelder. Het was voorheen een eenvoudig nummer. Welke impact heeft dat?

 

Voorzitter: Vincent Van Quickenborne.

Président: Vincent Van Quickenborne.

 

01.07  Denis Ducarme (MR): Monsieur le ministre, en tant que libéral, je ne peux pas considérer cette disposition comme particulièrement agréable.

 

Les contribuables paient déjà beaucoup dans ce pays. Si nous étions l'un des pays les moins taxés d'Europe, je vous dirais que ce n'est pas très grave. Par contre, ici nous allons leur demander de payer une fois de plus pour obtenir une information à laquelle ils ont pourtant droit, à savoir l'accès à l'information relative à leur dossier personnel. C'était, il y a peu, un principe important.

 

Toutefois, il faut nuancer les choses. À cet égard, je vous demanderai de rappeler à nos collègues à quel moment les lignes téléphoniques du SPF Finances et du SPF Emploi sont devenues des lignes payantes plutôt que des lignes gratuites. Il est utile de rappeler à chacun qu'il a pu exercer des responsabilités au gouvernement sans pour autant prendre de mesures visant à rendre à nouveau gratuites les lignes téléphoniques du SPF Finances et du SPF Emploi.

 

Sur le fond, j'ai toutefois deux questions. Au-delà d'être parlementaire, je suis également contribuable et il m'arrive parfois d'attendre 15 minutes avant d'obtenir une réponse lorsque j'appelle un service public. Je trouve tout de même assez choquant que ces périodes d'attente puissent être facturées. J'ai du mal à accepter qu'un service public facture à un citoyen ou à un contribuable le temps qu'il passe à attendre une réponse. Sur ce point, il faudrait sans doute prévoir un dispositif complémentaire.

 

Le second élément peut paraître anecdotique pour certains, mais ce n'est pas mon cas. Les usagers – car j'ai personnellement du mal à appeler un citoyen ou un contribuable "un client" – ne paieront pas le même coût de communication. Il dépendra de leur abonnement. Le prix sera différent en fonction de l'opérateur. En fonction de leur abonnement, ils paieront plus ou moins cher. Cela pose donc un problème d'égalité de traitement par un service public.

 

Monsieur le ministre, mes questions portent dès lors sur la réaction des SPF Emploi et Finances, sur le délai d'attente et sur le paiement différencié selon l'opérateur.

 

01.08 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter ad interim, collega’s, ik wens jullie allemaal een gelukkig nieuw werkjaar. Ik ben heel blij jullie allemaal terug te zien in goede gezondheid.

 

Ik zal de verschillende vragen thematisch beantwoorden, want de verschillende thema's zijn bij de verschillende vraagstellingen teruggekomen.

 

Een eerste punt betreft de bevestiging van de beslissing en ook de onderliggende redenen ervan.

 

Op 1 september 2026 is de Federale Pensioendienst effectief overgeschakeld van het gratis nummer 1765 naar het standaardnummer 02 225 17 65. De wijziging ging gepaard met een communicatiecampagne en verschillende maatregelen om de impact op de burger zoveel mogelijk te beperken. De overstap biedt de Federale Pensioendienst een belangrijke budgettaire opportuniteit in de context van besparingen. De maatregel vertegenwoordigt een mogelijke jaarlijkse besparing tot 1 miljoen euro.

 

De impactanalyse die voor de beslissing werd uitgevoerd, toont aan dat het behoud van het gratis nummer 1765 hoofdzakelijk de telecomoperators ten goede kwam, terwijl de sociale impact op de burgers minimaal en goed beheersbaar blijkt.

 

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

 

Un deuxième aspect est l’analyse de l’impact et les instances consultées.

 

L’analyse d’impact, réalisée avant la décision, montre les résultats suivants: pour 85 à 90 % des citoyens, le passage au numéro standard n’entraîne aucun coût supplémentaire, car ils bénéficient d’un temps d’appel illimité ou du tarif social. Pour 10 à 15 % des citoyens, les coûts restent faibles, de 0,7 à 1,75 euro par appel.

 

Un groupe très limité – il est question d’environ 2 % – combine vulnérabilité financière et absence d’accès au tarif social. Pour ce groupe, le SFP prévoit un soutien complémentaire via des partenaires et des experts du vécu.

 

Le comité de gestion du Service fédéral des Pensions a été consulté à ce sujet. Le comité de gestion de la sécurité sociale n’est pas compétent en la matière, la décision concernant exclusivement le centre de contact propre du SFP.

 

De Federale Pensioendienst ontving in 2023 1.151.193 oproepen, in 2024 876.729 en in 2025 701.993. Sinds april 2024 gebruikt de dienst een nieuw telefoniesysteem, Genesis, dat een andere telmethode hanteert dan het vorige systeem, waardoor de cijfers niet helemaal vergelijkbaar zijn.

 

Er blijven verschillende gratis alternatieven bestaan, zoals een terugbeloptie voor wie telefonisch contact opneemt en waarbij mensen zo snel mogelijk worden teruggebeld. Dat is beschikbaar sinds dit voorjaar. De Federale Pensioendienst probeert onder normale omstandigheden dezelfde dag nog terug te bellen en gemiddeld 70 % van de burgers neemt dan ook op. Bij de anderen laat de FPD een bericht achter conform de GDPR. Verder zijn er nog de digitale kanalen, zoals de zelfservice en de chatbot, en is er schriftelijk contact en de mogelijkheid tot een fysieke afspraak met een pensioenconsultant.

 

Het klopt ook niet dat burgers tot en met 2028 geen toegang meer zouden hebben tot hun pensioengegevens. De wettelijk bepaalde termijn voor hun pensioenbeslissing blijft onverkort van toepassing. Wie zijn pensioen een jaar op voorhand aanvraagt, ontvangt uiterlijk vier maanden voor de pensioendatum een beslissing. Voor wie verder van de pensioendatum verwijderd is, vragen we nog even geduld in afwachting van de volledige, herstelde operationaliteit van mypension.be. De Federale Pensioendienst spant zich maximaal in om dat platform zo snel mogelijk opnieuw volledig operationeel te maken en dat met bijkomende verbeteringen. Tot dan blijft de Pensioendienst via de eerder vermelde kanalen steeds bereikbaar voor vragen en blijft de dienstverlening volledig gegarandeerd. Daar verandert de aanpassing naar een standaardnummer niets aan.

 

Concernant l'économie attendue, le numéro gratuit 1765 générait, pour chaque appel entrant, des frais de connexion et de terminaison facturés par l'opérateur télécom. Le coût moyen par appel entrant s'élevait à environ 1,5 euro pour le SFP. Le passage au numéro standard supprime cette facturation, ce qui représente une économie potentielle d'un million d'euros par an, avec un retour sur investissement dès la première année complète.

 

De impact van de beslissing op de werkdruk van het personeel maakt deel uit van een continue evaluatie. Dat geldt ook voor de impact op de dienstverlening aan de burger. De dienst is zich bewust van een mogelijke verschuiving naar andere communicatiekanalen en waakt erover dat de dienstverlening toegankelijk en beheersbaar blijft voor de medewerkers. Indien nodig wordt er bijgestuurd.

 

Pour ce qui est de la perception du citoyen et du devoir d'information active, le citoyen a une forte habitude de contacter le SFP par téléphone, un mode de communication perçu comme peu contraignant. Le SFP mise donc activement sur des mesures de mitigation ciblées et une communication claire afin de préserver cette accessibilité.

 

Le passage à un numéro standard n'a aucun impact sur l'obligation d'information active visée aux articles 3 et 4 de la loi du 11 avril 1995. Le SFP continue d'informer les citoyens par plusieurs canaux: par téléphone, par écrit et par voie numérique via mypension.be et le site internet. Seul l'appel vers la ligne devient payant. Les autres canaux restent disponibles et, pour 85 à 90 % des citoyens, il n'y aura de toute façon aucun coût supplémentaire.

 

L'introduction d'un numéro standard est en outre une pratique courante auprès de nombreuses IPSS et de plusieurs SPF (ONSS, ONEM, INAMI, etc.). Le SFP s'aligne ainsi sur d'autres institutions comparables.

 

Een volgend punt zijn de openingsuren. Er is momenteel geen wijziging gepland van de openingsuren van de pensioenlijn, dus die blijven van 08.30 uur tot 12.00 uur.

 

In een laatste punt kom ik tot de klachten. Van 1 januari tot eind augustus 2026 ontving de klachtendienst 63 klachten over onbereikbaarheid, lange wachttijden en afgebroken oproepen. Daarnaast waren er 11 vragen van de Ombudsdienst met vermelding van onbereikbaarheid. Dat blijft zeer beperkt ten opzichte van het totaal aantal contacten. Uit de maandelijkse tevredenheidsenquête, met 2.000 enquêtes per maand over vijf thema's, blijkt voor 2025 een zeer hoge tevredenheid, 93 % tevredenheid over de telefoonlijn, 95 % globale tevredenheid bij de huidige gepensioneerden en 91 % bij burgers die dicht bij hun pensioen staan.

 

01.09  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, de mensen van de Pensioendienst doen in ieder geval heel hard hun best. Mijn kritiek is absoluut niet gericht aan de medewerkers van de Federale Pensioendienst. Integendeel, zij moeten elke dag opnieuw proberen burgers verder te helpen met de middelen, de personeelsbezetting en de openingsuren die hun worden opgelegd.

 

Mijn kritiek richt zich op de politieke keuze die wordt gemaakt. Sta me toe om de redenering bijzonder vreemd te vinden. De Pensioendienst erkent zelf dat de telefoonlijnen dikwijls drukbezet zijn. Jaarlijks worden er meer dan 1 miljoen gesprekken behandeld. Burgers die niet binnen geraken, krijgen vandaag zelfs de boodschap om het later opnieuw te proberen. Precies op dat moment beslist uw regering om het gratis nummer af te schaffen.

 

U gaf daarnet nog aan dat daardoor 1 miljoen euro per jaar zou bespaard worden. De vraag is natuurlijk wie die besparing uiteindelijk betaalt. Voor veel mensen zal een oproep onder een abonnement vallen – u had het over 85 % –, maar niet voor iedereen. U gaf voorbeelden van alternatieven, zoals de chatbox en de digitale weg. Dat zijn zeker goede alternatieven, maar ik wil nog eens benadrukken dat vooral oudere mensen met die overheidsdienst contact opnemen, dus mensen die niet altijd digitaal even vaardig zijn. Telefonische toegankelijkheid zou dus het uitgangspunt moeten zijn.

 

Bovendien overtuigt het argument van de gratis terugbelfunctie mij maar gedeeltelijk. Indien alsmaar meer mensen daarvan gebruikmaken, verdwijnt het werk natuurlijk niet. Dan verschuift het gewoon naar de medewerkers van de Pensioendienst, die zelf moeten terugbellen. Ondertussen blijven ook de telefonische openingsuren beperkt van 08.30 uur tot 12.00 uur.

 

Als de Pensioenlijn vandaag al overbevraagd is, moet de eerste vraag zijn hoe we de dienstverlening en de bereikbaarheid verbeteren, en niet hoe we de telefoonfactuur van de overheid met 1 miljoen euro kunnen verminderen.

 

Ik hoop dat u minstens bereid bent om de effecten van die beslissing heel nauwgezet te evalueren, ook op langere termijn. Indien daaruit zou blijken dat de bereikbaarheid verslechtert of dat kwetsbare burgers afhaken, hoop ik dat de beslissing wordt herbekeken.

 

01.10  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponse.

 

Le plus énervant est le timing que vous choisissez. Le Parlement vient de voter, majorité contre opposition, cette réforme des pensions qui a provoqué un véritable chaos. C'est vous qui créez les conditions de ce brouhaha en modifiant les règles en cours de route; c'est vous qui faites travailler les gens plus longtemps; c'est vous qui diminuez leur pension; c'est également vous qui en rabotez l'indexation.

 

La moindre des choses serait de délivrer à tous les citoyens, dans un bref délai, des informations exactes et accessibles gratuitement. Ces réforme a installé de l'incertitude et continue d'inquiéter. Or votre réponse ne fait qu'accroître cette inquiétude, puisque vous supprimez un numéro gratuit. Sur le plan de l'image, ce n'est certainement pas le bon timing, bien que vous indiquiez que très peu de personnes seront concernées. Personnellement, j'en doute. Nous y reviendrons.

 

En tout cas, j'ai l'impression que vous vous acharnez à réaliser des économies sur le dos des retraités. La dernière en date se chiffre à un million d'euros au travers de la suppression d'un numéro gratuit et, partant, d'une information gratuite à laquelle toutes et tous ont droit.

 

Le président: Voilà qui est dit.

 

01.11  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, dank voor uw antwoord. U hebt evenwel veel mensen in de onzekerheid gestort omtrent hun pensioenbedrag en hun pensioenlijftijd.

 

Er is een duidelijk, uniform nummer – 1765 – dat gratis toegankelijk is voor alle Belgen. U grijpt daarop in en u maakt dat nummer complexer en betalend. Die ingreep zal maar 1 miljoen euro opbrengen. Dat is eigenlijk 1 miljoen euro van de mensen die zullen bellen en die de rekening zullen betalen. Het merendeel van die mensen zullen oudere mensen zijn die geen of veel moeilijker toegang hebben tot al de digitale kanalen. Zij zullen het grootste slachtoffer zijn van de schrapping van het gratis nummer van de Pensioenlijn.

 

Ik betreur die wijziging, want het ging om een goede en noodzakelijke openbare dienstverlening. Veel mensen zijn op zoek naar informatie. Daarom bellen ze naar een dergelijke infolijn. Ook veel hulpverlenende instanties bellen dat nummer ten behoeve van andere mensen. Het is heel vervelend wanneer die mensen heel lang moeten wachten of als de oproepen worden afgebroken. Dat komt natuurlijk door een personeelstekort. De Pensioenlijn is al niet zo vaak bereikbaar en mensen moeten lang wachten. Sommige bellers worden met enorm lange wachttijden geconfronteerd, omdat er te weinig personeel aan de andere kant van de lijn beschikbaar is.

 

De sociale partners hebben u daarvoor gewaarschuwd. Ze vragen extra handen om de Pensioenlijn veel beter te bemannen en om iedereen heel snel een antwoord te bieden, wat vandaag niet het geval is.

 

Misschien moet u geld vrijmaken om ook daar de openbare dienst te verstevigen, zodat alle Belgen toegang kunnen krijgen tot de juiste informatie waarnaar ze op zoek zijn.

 

01.12  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, merci pour les réponses.

 

Il n'y avait clairement pas plus mauvais timing pour effectuer ce changement. La majorité Arizona vient de voter des trains de réforme énormes, qui modifient de fond en comble les régimes de pension, avec des impacts très concrets sur les carrières des citoyens et des citoyennes. Les gens se posent donc des questions. Je ne sais pas si c’est votre cas, mais je reçois tous les jours des messages de citoyens qui me demandent si je sais si, dans leur cas, telle période sera assimilée ou pas, où en est tel ou tel dossier.

 

En plus, le désarroi est total, étant donné que MyPension n'aura implémenté les réformes dans le système que pour 2028, alors que la réforme entre en vigueur au 1er janvier 2027. S’il y avait bien une chose à faire, c'était de maintenir la porte d'entrée connue de toutes et tous vers les informations précises concernant leur pension. Je pense que là, il y a vraiment un mauvais calcul.

 

Vous nous dites: "Oui, ça coûtait cher, on pouvait faire des économies". Peut-être y avait-il une renégociation du contrat avec l'opérateur sur ce numéro à mener, en effet. Mais ici, en le supprimant purement et simplement et en le remplaçant, je pense qu'on perd des tas de gens, et précisément ceux qui ont besoin de l'information au premier chef. Vous nous dites: "Oui, pour les publics les plus éloignés, on va financer des relais de communauté". J’entends que vous allez octroyer des financements aux associations en matière de fracture numérique. C'est bien cela que j'entends. C'est une bonne nouvelle, mais nous vérifierons cela dans le budget 2027.

 

Plus globalement, j'aimerais quand même attirer votre attention sur le fait que vous nous avez répété à longueur de temps, pendant les débats sur les pensions, que votre réforme visait en fait – c'est la dimension "bâton" de votre politique – à inciter les gens à travailler plus, plus longtemps, pour se constituer davantage de droits. Mais cette stratégie ne peut fonctionner que si les gens sont au courant de ce qui va leur arriver et de ce qu'ils peuvent mettre en place pour pouvoir préserver leurs droits.

 

On voit en fait tout le cynisme de cette réforme. En réalité, vous n'en avez pas grand chose à faire, que les gens soient bien informés de leurs droits, et qu'ils puissent mettre en place des stratégies, pour peu qu'ils puissent encore le faire. Pour certains, ce sont des droits déjà passés, sur lesquels ils ne peuvent pas revenir, quand vous avez touché aux périodes précédentes. On voit ici à quel point toute la stratégie de l'Arizona est d'un cynisme sans nom. Elle vise simplement à supprimer des montants de pensions aux personnes, pour faire des économies pures et dures, sans se préoccuper du niveau de pauvreté des personnes, sans se préoccuper du taux d'éloignement et de fracture numérique des citoyens et des citoyennes, d'autant plus lorsqu'elles sont plus âgées et qu'elles ont des besoins, notamment en matière de soins de santé, qui augmentent.

 

À nouveau, c'est tout le cynisme de votre politique qui est révélé à travers cette suppression.

 

Le président: Quelqu’un souhaite-t-il encore intervenir? Les personnes qui se sont jointes au débat et qui ont posé une question ne peuvent pas répliquer.

 

01.13  Denis Ducarme (MR): Monsieur le ministre, êtes-vous d'accord que l'on puisse vous adresser des questions complémentaires par écrit? En effet, si cela ne change quelque chose que pour 15 % des gens, je ne comprends pas que l'on puisse faire plus d'un million et demi d'économies. J’aimerais donc vous poser quelques questions complémentaires à ce sujet.

 

Je dois vous dire que, personnellement, je ne comprends pas la décision qui a été prise dans ce dossier.

 

En effet, MyPension n’est pas encore complet et, dans le même temps, les citoyens doivent désormais payer pour accéder, par téléphone, à des informations auxquelles ils ne peuvent pas encore avoir pleinement accès par voie numérique.

 

Je ne comprends donc vraiment pas cette décision, ni surtout le moment choisi pour la mettre en œuvre. Soit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

02 Vraag van Anja Vanrobaeys aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het aanvullend pensioen in de horeca" (56013633C)

02 Question de Anja Vanrobaeys à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La pension complémentaire dans le secteur de l'horeca" (56013633C)

 

02.01  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Dit is een eerder technische vraag, mijnheer de minister. Het gaat over werknemers tot 23 jaar in de horecasector. Zij hebben sinds 2019 recht op een aanvullend pensioen, afgesproken in de cao in 2018.

 

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid moest bij 30.000 horecaondernemingen daarvoor een bijdrage innen en die uitbreiden naar deze groep, maar die bijdragen zijn niet meer geïnd sinds 2019. De afspraak voor jonge horecawerknemers werd dus niet nageleefd en er is geen opbouw van aanvullend pensioen gebeurd. Blijkbaar is er in die procedure iets misgelopen. De RSZ was niet op de hoogte, waardoor de inning van de pensioenbijdragen niet heeft plaatsgevonden.

 

Er werd daarvoor ook een externe audit besteld door het Fonds voor de tweede pijler voor het hotelbedrijf. Voor 2023-2025 zou een regularisatie lopen, maar voor 2019-2022 is er geen oplossing. Ik heb daarom de volgende vragen.

 

Kunt u toelichten wat er precies is fout gelopen bij het Fonds voor de tweede pijler voor het hotelbedrijf bij de uitvoering van die cao? Wordt er inmiddels – want mijn vraag ligt al een tijdje voor – een oplossing wordt uitgewerkt voor de periode 2019-2022, zodat die jonge werknemers toch nog een aanvullend pensioen opbouwen, waarop ze volgens de cao recht hebben? Weet u of er nog gelijkaardige problemen in andere sectoren zijn?

 

02.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Vanrobaeys, op basis van mijn informatie zou de problematiek uitsluitend betrekking hebben op de onderliggende financiering van het pensioenstelsel en niet op de aansluiting van de betrokken werknemers of de opbouw van hun aanvullend pensioen. De initiatiefnemer van het pensioenplan – dat is degene die het aanvullend pensioen aan de werknemers belooft, in dit geval is dat het fonds voor bestaanszekerheid genaamd Fonds 2de pijler PC 302 – zou wel degelijk steeds correct de bijdrage betaald hebben aan de pensioeninstelling, ook voor de personeelsleden jonger dan 23 jaar.

 

De nodige pensioenreserves staan bijgevolg op de rekening van de aangeslotenen. De opbouw van de pensioenreserves is voor elke aangeslotene, ook voor de aangeslotenen jonger dan 23 jaar, zichtbaar op mypension.be. Alleen werden er met betrekking tot de werknemers jonger dan 23 jaar geen bijdragen aangerekend aan de werkgevers uit de sector, waardoor er een tekort is ontstaan op het niveau van de initiatiefnemer.

 

Het financieringstekort situeert zich dus blijkbaar op het niveau van de werkgevers en de initiatiefnemer en niet op het niveau van de groepsverzekering. De betrokken werknemers ondervinden geen nadeel van dat financieringstekort.  

 

Ik heb mijn collega van Sociale Zaken, die bevoegd is voor de RSZ, daarover gecontacteerd, teneinde u een meer gestoffeerd antwoord te kunnen bezorgen na een analyse door de RSZ. Op basis van het overleg tussen mijn beleidscel en de beleidscel Sociale Zaken kan ik u daarover het volgende meedelen.

 

Eind 2018 sloot de horecasector een nieuwe cao af. Daarin werd beslist dat werknemers jonger dan 23 jaar ook recht hebben op een aanvullend pensioen. Tot dan toe gold dat alleen voor werknemers van 23 jaar en ouder. Daartoe moest de verschuldigdheid van de bijdrage-inning worden aangepast.

 

Voor de invoering of de aanpassing van de bijdrage-inning voor een fonds voor bestaanszekerheid of pensioenfonds hanteert de RSZ een vaste procedure. Concreet betekent dit dat bij een aanpassing van de bijdrage of de verschuldigdheid, alle noodzakelijke gegevens twee maanden voor de start van het kwartaal bij de RSZ bekend moeten zijn. In geval van de invoering van een nieuwe bijdrage bedraagt die termijn zes maanden.

 

De inning van zulke bijdragen behoort niet tot de wettelijke opdracht van de RSZ, maar kan door de fondsen aan de RSZ worden toevertrouwd. De informatieplicht berust bij de fondsen, die voor de bijdrage-inning de opdrachtgevers zijn. Vanaf dat moment start de RSZ met de aanpassing van zijn interne controleprogramma's.

 

In het begin van de maand voorafgaand aan het kwartaal publiceert de RSZ de nodige gegevens op de portaalsite van de Sociale Zekerheid, zodat werkgevers en sociale secretariaten daarmee tijdig rekening kunnen houden. In dit geval heeft de RSZ evenwel nooit een vraag tot aanpassing vanwege het Fonds voor de horeca ontvangen.

 

Middels een audit onderzocht het Fonds wat daarvan de reden is. In een persbericht van 10 juli 2026 deelde de sector mee dat de raad van bestuur van het Fonds voor de tweede pijler voor het hotelbedrijf heeft kennisgenomen van een eerste verslag van de externe auditpartner. In dat bericht wordt meegedeeld dat de raad van bestuur de vaststellingen beschouwt als een belangrijk signaal om het beheer, de controle en de rapportering van het sectoraal pensioenplan verder te versterken. Daarom zal het Fonds voor de tweede pijler voor het hotelbedrijf een versterkt kader uitwerken voor de volledige keten van het pensioenplan, van de cao-wijziging en de inningsparameters over de verwerking van de bijdrage tot de doorstorting en de toewijzing op de individuele pensioenrekeningen.

 

Ik kom tot uw tweede vraag. Op basis van de informatie die ons werd bezorgd door de RSZ, in nauw overleg met het kabinet van mijn hiervoor bevoegde collega, de minister van Sociale Zaken, kan ik u meedelen dat de RSZ op 22 december 2025 een melding kreeg van het Fonds voor de tweede pijler voor het hotelbedrijf dat een verschil was vastgesteld tussen de pensioentoezeggingen en de bedragen die door de RSZ bij de werkgevers waren geïnd en doorgestort. De RSZ heeft samen met het Fonds onderzocht waar dat verschil precies vandaan kwam.

 

Het probleem bleek zich te situeren bij de premies voor de werknemers jonger dan 23 jaar. De pensioenrechten voor de vaste werknemers jonger dan 23 jaar zijn juridisch opgebouwd. Aangezien de RSZ ondertussen op de hoogte was van het feit dat er voor de periode van het eerste kwartaal 2019 tot en met het vierde kwartaal 2025 geen bijdragen werden geïnd, is hij in samenspraak met de sector gestart met de inning van de bijdragen voor de niet-verjaarde periode. We hebben het dan over het eerste kwartaal 2023 tot en met het vierde kwartaal 2025. De RSZ kan zelf geen actie ondernemen voor de verjaarde periode, dus van het eerste kwartaal 2019 tot en met het vierde kwartaal 2022. De sociale partners zullen op basis van het resultaat van de audit en hun interne evaluatie beslissen welke eventuele verdere maatregelen kunnen worden genomen.

 

In aansluiting daarop stelde de sector in het persbericht van 10 juli 2026 dat "op basis van de huidige bevindingen wordt verwacht dat de regularisatie via de RSZ zal volstaan om het vastgestelde financieringsverschil op te vangen. Het Fonds volgt de verdere verwerking en controle van die regularisatie nauwgezet op. Voor de betrokken werknemers jonger dan 23 jaar uit de periode 2019-2025 blijven de aanvullende pensioenrechten gewaarborgd. De regularisatie heeft tot doel ervoor te zorgen dat de ontbrekende bijdragen correct worden verwerkt en toegewezen. Ook tijdens het lopend onderzoek werden de aanvullende pensioenreserves van werknemers die met pensioen gingen verder uitbetaald volgens de voorziene procedures. Ten aanzien van de werkgevers wordt het dossier verder opgevolgd tot de lopende RSZ-correcties volledig zijn verwerkt en gecontroleerd. Verwacht wordt dat het dossier daarna zonder bijkomende stappen ten aanzien van de betrokken werkgevers kan worden afgesloten.”

 

Uw derde vraag betreft de aansluiting van jonge werknemers en de opbouw van pensioenrechten binnen sectorplannen. Volgens informatie verstrekt door de FSMA maakten in 2019 slechts weinig sectorplannen gebruik van een minimumleeftijd bij aansluiting. Voor de sectorplannen waarvoor dat wel het geval was, werden geen indicaties van problemen vastgesteld.

 

De RSZ heeft van zijn kant een controle uitgevoerd voor de sectoren waarvoor hij bijdragen voor bestaanszekerheid int, om na te gaan of zich daar gelijkaardige situaties hebben voorgedaan. Uit die controle zijn geen problemen naar voren gekomen.

 

Ik verontschuldig mij voor het uitgebreide antwoord maar een en ander is belangrijk voor de sector.

 

Le président: Mais ce sera une amende, monsieur le ministre, facturée à dix centimes la minute…

 

02.03  Ludivine Dedonder (PS): (hors micro)

 

Le président: Non, c'est justement ce prix-là.

 

02.04  Anja Vanrobaeys (Vooruit): U excuseert zich, mijnheer de minister, maar ik zou u willen bedanken voor het uitgebreide antwoord, want er was toch wel wat ongerustheid ontstaan. Eenmaal die pensioentoezegging er is, moet ze uiteraard worden nageleefd. Dat bevestigt u ook: de werknemers bouwen verder hun pensioen op. 

 

Ik ben ook wel tevreden om nu te horen dat er een audit heeft plaatsgevonden en dat men van plan is om het versterkte kader uit te werken. Men monitort dat, maar men zegt dat de doorgevoerde regularisaties wel zullen volstaan voor de financiering van dat aanvullend pensioen. Ik denk dat dat wel een belangrijk element is.

 

Er zijn de pensioenen die worden toegezegd en die moeten worden uitbetaald, maar in the end – en dat weten we allemaal – blijven werkgevers altijd ook verantwoordelijk, ook al is het via een fonds, voor de uitbetaling van die aanvullende pensioenen. Het is dus ook belangrijk dat die financiering verzekerd is. Dit gaat over de horeca en, om eerlijk te zijn, over min 23-jarigen. Het duurt dus nog wel even voor zij met pensioen zullen gaan, maar het kan nu ook niet de bedoeling zijn dat cafés sluiten omdat die financiering niet verzekerd is.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Monsieur Vanbesien, j'ai une remarque à formuler pour l'avenir; non aux auteurs de plusieurs questions jointes qui vont suivre, mais plutôt aux services et au cabinet. Nous nous retrouvons de nouveau avec des questions jointes d'un même parlementaire à propos d'un thème identique. Il y a quelque chose qui ne va pas. Ainsi, au point 9, Mme Samyn a déposé six questions jointes pour un sujet qu'elle sera seule à aborder. Madame Samyn, ce n'est pas votre faute. Le problème découle de la manière dont ces questions ont été classées. Il faut travailler autrement en distinguant les thèmes traités. Ce ne peut pas être six questions sur le même thème, madame Samyn. Il en va de même pour les questions posées par M. Vanbesien au point 5: "De armoede-ervaringsdeskundigen en de Pensioendienst".

 

02.05  Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Ik wil even opmerken dat dat voor mijn vragen twee keer het geval is deze namiddag, namelijk bij het komende agendapunt en nog een keer enkele agendapunten verder. Het is lang geleden dat we nog een vragensessie over de pensioenen hebben gehad. Op een bepaald moment stond mijn vraag in het systeem als zijnde beantwoord, terwijl ze nog niet behandeld was. Daarom heb ik die vraag opnieuw ingediend. Nadien is er een correctie gekomen en daardoor staan er nu twee identieke vragen geagendeerd. Hetzelfde geldt voor de vragen onder agendapunt 5, wegens hetzelfde probleem van timing.

 

Le président: Monsieur Vanbesien, dans de tels cas, n'hésitez pas à contacter les services. Quant aux services, n'hésitez pas non plus à vous tourner vers les parlementaires et le cabinet. De la sorte, nous pourrions gagner un petit peu de temps. Désolé pour cette interruption.

 

03 Samengevoegde vragen van

- Dieter Vanbesien aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De begrafenisbijdrage die wordt ingehouden op het ambtenarenpensioen" (56013671C)

- Dieter Vanbesien aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De begrafenisvergoeding in het kader van het ambtenarenpensioen" (56018063C)

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De begrafenisvergoeding voor gepensioneerde ambtenaren" (56018529C)

03 Questions jointes de

- Dieter Vanbesien à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La contribution aux frais funéraires prélevée sur la pension des fonctionnaires" (56013671C)

- Dieter Vanbesien à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'allocation de funérailles dans le cadre de la pension des fonctionnaires" (56018063C)

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'indemnité de funérailles des fonctionnaires pensionnés" (56018529C)

 

03.01  Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik zou het even willen hebben over de wet van 30 april 1958. Die wet bepaalt dat elke maand 0,5 % van het brutopensioen van statutaire ambtenaren wordt ingehouden om na overlijden uit te betalen als een begrafenisvergoeding aan de nabestaanden. Daarbij krijgt de overlevende huwelijkspartner dat bedrag automatisch uitbetaald, maar erfgenamen in de eerste lijn krijgen het alleen indien ze dat zelf aanvragen, wat kan tot tien jaar na het overlijden. Elke andere fysieke of morele persoon die de begrafeniskosten betaalde, kan dat ook krijgen, maar alleen op voorwaarde dat die alle nodige bewijsstukken kan voorleggen.

 

Op de website van de Federale Pensioendienst lees ik dat de vergoeding beperkt is tot maximaal 3.631 euro, ook al heeft men meer bijgedragen. Bovendien blijkt dat 30 % van de begrafenisvergoedingen nooit wordt opgevraagd.

 

Mijnheer de minister, ten eerste, kunt u bevestigen dat de begrafenisvergoeding alleen automatisch wordt uitbetaald aan huwelijkspartners en dus niet aan wettelijk samenwonenden? Zo ja, is dat dan geen vorm van ongelijkheid?

 

Ten tweede, vindt u eigenlijk dat die wet nog wel van deze tijd is? Beantwoordt ze nog aan de noden van vandaag? Als u vindt van niet, zijn er dan plannen om de regeling te laten uitdoven? Indien u de wet toch relevant vindt, zijn er dan in het kader van de harmonisering van de statuten ook plannen om de regeling uit te breiden en in te voeren voor gepensioneerde werknemers en zelfstandigen?

 

Ten slotte, hoe zult u de take-up van die uitkering verhogen? Welke impact zou een take-up van 100 % hebben op de solvabiliteit van de begrafenisvergoedingen?

 

03.02  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, en vertu de la loi du 30 avril 1958, une retenue mensuelle de 0,5 % est opérée sur la pension de retraite brute des anciens agents statutaires afin de financier une indemnité de funérailles liquidée à leur décès. Celle-ci correspond au dernier montant mensuel brut de la pension du défunt, dans la limite d'un plafond légal indexé.

 

Les modalités d'attribution soulèvent toutefois des interrogations. Le conjoint survivant, pour autant qu'il soit encore marié et cohabite officiellement avec le défunt, perçoit l'indemnité d'office. Les héritiers en ligne directe, comme toute personne physique ou morale ayant supporté les frais, doivent en revanche introduire une demande et produire les pièces justificatives. Le cohabitant légal ne figure pas parmi les bénéficiaires automatiques, alors même que la retenue a été prélevée durant toute la pension. Enfin, le taux de recours effectif à cette indemnité mérite d'être objectivé.

 

Monsieur le ministre, confirmez-vous que le versement automatique est réservé au conjoint survivant, à l'exclusion du cohabitant légal? Cette différence de traitement vous paraît-elle encore justifiée aujourd'hui? Combien d'indemnités ont-elles été versées ces cinq dernières années? Pour quel montant total, et quelle part des droits ouverts n'a-t-elle jamais été réclamée? Que deviennent alors les sommes non liquidées? Ce régime, financé – rappelons-le – par les pensionnés eux-mêmes, répond-il encore aux besoins actuels au regard du coût réel des funérailles? Quelles mesures d'information proactives des ayants droit comptez-vous prendre, notamment lors de la déclaration de décès auprès des communes? Quel serait l'impact budgétaire d'un taux de recours de 100 %? Je ne trouve en effet pas normal qu'aujourd'hui, un enfant ne puisse pas être informé de cette possibilité d'obtenir cette indemnité.

 

03.03 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vanbesien, mevrouw Dedonder, de begrafenisvergoeding voor gepensioneerde statutaire ambtenaren is een specifieke regeling die wordt gefinancierd via een inhouding van 0,5 % op het brutorustpensioen van de betrokken ambtenaar. De wet is ouder dan ikzelf, dat betekent dat hij al een zekere leeftijd heeft.

 

De uitbetaling van die vergoeding aan de langstlevende huwelijkspartner die officieel met de overledene samenwoonde, verloopt sinds 2023 volledig geautomatiseerd. Wanneer de Federale Pensioendienst over de nodige betalingsgegevens beschikt, wordt de vergoeding in principe binnen tien werkdagen uitbetaald. De langstlevende huwelijkspartner hoeft daarvoor zelf geen aanvraag in te dienen.  

 

Ce versement automatique découle directement de l’article 6 de la loi du 30 avril 1958. À cet égard, le Service fédéral des Pensions applique les dispositions légales en vigueur et ne dispose d’aucune marge d’appréciation. Lorsqu’il n’existe pas de conjoint survivant entrant dans champ d’application de ce régime, l’allocation funéraire peut être demandée par les héritiers en ligne directe ou par les personnes ayant effectivement pris en charge les frais de funérailles. Dans de telles situations, la mise en place d’un paiement automatique est sensiblement plus complexe, notamment parce qu’il convient d’identifier les ayants droit et, le cas échéant, de déterminer qui a supporté les frais.

 

En ce qui concerne la distinction entre les personnes mariées et les cohabitants légaux, je peux confirmer que le paiement automatique reste actuellement limité au conjoint survivant. Cette différence de traitement découle directement de la législation actuelle. La Cour constitutionnelle s’est déjà prononcée à ce sujet et a considéré qu’une différence de traitement entre les personnes mariées et les cohabitants légaux n’est pas, en soi, discriminatoire. Il appartient dès lors au législateur de décider, le cas échéant, s’il est opportun de poursuivre l’assimilation entre ces différentes situations et d’en déterminer les conditions.

 

De Federale Pensioendienst besteedt daarnaast bijzondere aandacht aan correcte informatieverstrekking over die regeling. Naast de informatie op de website van de Federale Pensioendienst worden burgers die naar aanleiding van een overlijden contact opnemen, ook geïnformeerd over het bestaan van de begrafenisvergoeding en de toepasselijke voorwaarden. Ook de pensioenpartners van de Federale Pensioendienst, waaronder gemeenten, OCMW's en vakorganisaties, worden via de pensioenpartnersessies actief geïnformeerd over de regeling van de begrafenisvergoeding. Op die manier kunnen ze burgers correct informeren en doorverwijzen bij een overlijden. Daarnaast werd in het verleden in samenwerking met Odos vzw, een vereniging die weduwen en weduwnaars vertegenwoordigt, en met de koepels van notarissen en begrafenisondernemers een informatiecampagne rond het thema overlijden georganiseerd. In dat kader werd informatie over de begrafenisvergoeding opgenomen in brochures die aan nabestaanden worden bezorgd.

 

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat voor de overlijdensjaren 2020 tot en met 2024 telkens 64 % en 66 % van de geopende rechten effectief werden uitbetaald. Voor overlijdens in 2025 bedraagt dat momenteel ongeveer 59 %. Die cijfers moeten evenwel met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, aangezien een aanvraag nog tot tien jaar na het overlijden kan worden ingediend. Ik heb een tabelletje met de gedetailleerde cijfers per jaar. We zullen die bezorgen. Het gaat om de cijfers voor de jaren 2020 tot en met 2025, evenals de bedragen die werden uitgekeerd.

 

Le droit à une allocation funéraire découle de la retenue de 0,5 % opérée sur la pension brute de retraite du pensionné statutaire concerné.

 

Les montants qui ne sont pas immédiatement versés demeurent disponibles au sein du régime et sont utilisés pour financer d'autres allocations funéraires. Cet élément est notamment pertinent pour les pensionnés qui décèdent peu de temps après leur départ à la retraite et qui, de ce fait, n'ont contribué au financement du régime que pendant une période limitée.

 

Le montant maximal de l'allocation funéraire s'élève actuellement à 3 631,01 euros. Selon des données récentes du marché, le coût moyen d'obsèques de base se situe entre 5 500 et 6 500 euros. L'allocation ne couvre donc pas l'intégralité des frais funéraires, mais elle en prend néanmoins en charge une part substantielle.

 

Enfin, l'impact financier d'une situation dans laquelle l'ensemble des ayants droit introduiraient effectivement une demande d'allocation funéraire a également été examiné. Les analyses réalisées par le Service fédéral des Pensions à ce sujet montrent que la viabilité financière du régime serait préservée même dans ce scénario.

 

Le régime des allocations funéraires s'inscrit dans une longue tradition et continue à poursuivre un objectif social spécifique. Il convient également de souligner que les pensionnés statutaires contribuent au financement de ce régime par une retenue de 0,5 % sur leur pension.

 

Tegen die achtergrond betreft het een specifieke regeling binnen het pensioenstelsel van de statutaire ambtenaren die verschilt van de pensioenstelsels voor werknemers en zelfstandigen, waar een dergelijke financieringswijze niet bestaat.

 

Tegelijkertijd is het belangrijk dat bestaande regelingen regelmatig worden geëvalueerd in het licht van de maatschappelijke evoluties, de behoeften van burgers en de praktische toepassing ervan.

 

Hoewel een hervorming van de regeling niet specifiek is opgenomen in het regeerakkoord, sluit dat niet uit dat eventuele knelpunten of verbetermogelijkheden in dat kader nader kunnen worden onderzocht, bijvoorbeeld met betrekking tot de wettelijk samenwonenden.

 

Eventuele aanpassingen, een uitbreiding naar andere pensioenstelsels of een hervorming van de huidige regeling dienen evenwel zorgvuldig te worden afgewogen, rekening houdende met de doelstellingen van de regeling, de budgettaire impact, de administratieve uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid voor de betrokkenen en het contributieve karakter van de bestaande regeling.

 

Op dit ogenblik is evenwel geen concrete hervorming, uitdoving of uitbreiding van de regeling voorzien, maar ik voel wel aan dat het onderscheid tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden vandaag moeilijk te verantwoorden is.

 

Ik dank u dus voor de vraag om onze aandacht daarop te vestigen. We zullen het punt mee onder de loep nemen.

 

03.04  Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord. U hebt daarin perfect uitgelegd hoe het systeem in elkaar zit. U hebt ook aangegeven dat u zich aangesproken voelt door de anomalie tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden. De vraag of het systeem vandaag de dag nog relevant of wenselijk is, hebt u evenwel niet echt beantwoord.

 

Ik vind dat de regeling niet meer van deze tijd is, zeker omdat ook veel mensen niet eens op de hoogte zijn van de regeling en dus het bedrag niet opvragen waarop zij recht hebben.

 

Het systeem werd ingevoerd in 1958. Zoals u zelf hebt opgemerkt, bestond u toen nog niet, en ik evenmin. Het was het jaar van de grote wereldtentoonstelling in Brussel, maar behalve het Atomium zijn sindsdien heel veel zaken veranderd.

 

Ik stel voor dat we het systeem evalueren en, waarom niet, eventueel naar de prullenmand verwijzen.

 

03.05  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, j’entends votre ouverture à une assimilation pour les cohabitants légaux. Il me semble tout à fait logique que les personnes mariées et les cohabitants légaux puissent bénéficier des mêmes avantages.

 

Pour ce qui concerne les ayants droit,  vous m’avez indiqué que vous me transmettriez le tableau complet et je vous en remercie. Sur plusieurs années, le taux de versement se situe entre 59 % et 66 %. C’est tout de même inquiétant. Vous indiquez qu’il est difficile de contacter l’ensemble des ayants droit. Il me semble que lorsqu’un défunt laisse une dette, les ayants droit sont contactés afin de réclamer les montants dus. De la même manière, on pourrait contacter les enfants afin qu’ils puissent avoir connaissance de cette indemnité. Cela me paraît être une démarche élémentaire. J’espère donc pouvoir attirer votre attention sur cet aspect.

 

Vous expliquez également que les montants non versés, ou partiellement versés, contribuent à alimenter la caisse pour payer cette indemnité à des personnes qui seraient décédées plus tôt. Je comprends le raisonnement, mais ce n’est pas ainsi que les choses devraient fonctionner. Pour une assurance, toute personne ayant droit à une indemnité doit pouvoir en être informée. Je vous demande donc de poursuivre les efforts visant à améliorer l’information aux ayants droit.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

04 Samengevoegde vragen van

- Ayse Yigit aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De impact van de regeringsmaatregelen op vrouwen" (56013747C)

- Sofie Merckx aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De impact van de regeringsplannen op vrouwen" (56013748C)

- Sarah Schlitz aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De beslissing van de regering over de pensioenen" (56013982C)

04 Questions jointes de

- Ayse Yigit à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'incidence des mesures prises par le gouvernement sur les femmes" (56013747C)

- Sofie Merckx à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'incidence des projets du gouvernement sur les femmes" (56013748C)

- Sarah Schlitz à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La décision du gouvernement sur les pensions" (56013982C)

 

04.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, cette question a été introduite fin février et nous alertait déjà sur l’impact de la réforme que vous envisagiez. À ce moment-là, nous n’en connaissions encore que les grandes lignes.

 

Déjà à cette période, les associations et les centres d’études alertaient sur l’impact disproportionné que votre réforme allait avoir sur les femmes, compte tenu des spécificités de leurs carrières.

 

Depuis, plusieurs mois se sont écoulés et les réformes ont été adoptées. Nous avons voté contre. Les femmes seront en effet davantage impactées que les hommes par votre réforme, qui entrera en vigueur le 1er janvier 2027.

 

Monsieur le ministre, j’imagine qu’une réponse a été préparée à cette question. C’est aussi par respect pour le travail de vos collaborateurs que je la pose aujourd’hui. Je souhaite également savoir si l'été vous a été de bon conseil, et vous a permis de réfléchir à certains aspects qui pourraient encore être améliorés ou bonifiés dans votre réforme.

 

Je pense notamment à la possibilité de mener une évaluation ou une étude d’impact afin de mieux mesurer les effets de cette réforme sur la moitié de la population.

 

04.02  Jan Jambon, ministre: Les questions soulevées par la membre s’inscrivent clairement dans une thématique qui a déjà été largement examinée dans le cadre du traitement parlementaire du projet de loi relatif à la réforme des pensions.

 

Lors des débats menés tant en commission des Affaires sociales qu’en séance plénière, les différents aspects de la réforme ont été examinés en détail, notamment son impact sur certaines catégories de la population, les correctifs sociaux qui y ont été intégrés, les conséquences sur la constitution des droits à la pension ainsi que les choix politiques qui sous-tendent la réforme.

 

Les différentes analyses d’impact, les observations formulées par le Conseil d'État ainsi que les mesures prises afin de tenir compte de situations spécifiques et de groupes vulnérables ont également fait l’objet d’un examen approfondi.

 

Je renvoie dès lors aux débats parlementaires et aux explications qui ont déjà été fournies dans ce contexte. Les arguments et motifs qui y ont été exposés demeurent intégralement applicables aux questions soulevées aujourd'hui.

 

Voorzitster: Anja Vanrobaeys.

Présidente: Anja Vanrobaeys.

 

04.03  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Merci. Vous n’avez donc pas d’élément à ajouter. Nous continuerons à suivre ce dossier de près. Nous savons que les femmes vont être davantage affectées par votre réforme. Vous allez plonger dans de grandes difficultés, voire dans la pauvreté, des centaines de milliers de personnes dans ce pays. Nous continuerons d’insister et d’interpeller sur ce sujet, d’autant plus quand la réforme entrera en vigueur.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

05 Samengevoegde vragen van

- Dieter Vanbesien aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De armoede-ervaringsdeskundigen en de Pensioendienst" (56014135C)

- Dieter Vanbesien aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Armoede-ervaringsdeskundigen bij de Pensioendienst" (56018062C)

05 Questions jointes de

- Dieter Vanbesien à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les experts du vécu en matière de pauvreté et le Service des Pensions" (56014135C)

- Dieter Vanbesien à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les experts du vécu en matière de pauvreté au Service des Pensions" (56018062C)

 

05.01  Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, uit cijfers die we een tijdje geleden hebben opgevraagd bij het Planbureau blijkt dat uw pensioenhervorming tot een nog groter inkomensverlies zal leiden dan oorspronkelijk gedacht. We hebben het daarover al uitgebreid gehad tijdens de debatten over de pensioenhervorming. Het gaat over de pensioenhervorming zelf en daarbovenop over het schrappen van de welvaartsenveloppe en over de centenindex, waardoor het pensioenbedrag boven 2.000 euro bruto niet geïndexeerd wordt. Ik heb dan ook al een aantal keren aangehaald dat ik ervan overtuigd ben dat de armoedecijfers onder het beleid van deze regering opnieuw zullen stijgen, na de sterke daling tijdens de vorige regeerperiode. U zegt dat het uw ambitie is om de armoedecijfers te laten dalen. Aan het einde van de legislatuur zullen we wel zien wie gelijk heeft.

 

Als we de cijfers over armoederisico willen opvolgen, dan moeten ze echter wel gemeten worden. Daarover las ik in de beleidsnota Armoedebestrijding van minister Vandenbroucke dat de dienst Ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting vorig jaar verder zou worden versterkt, onder andere door een versterkte aanwezigheid van ervaringsdeskundigen bij de Federale Pensioendienst.

 

Ik heb daarover een aantal vragen. Hoe werd de aanwezigheid van ervaringsdeskundigen op de Pensioendienst het afgelopen jaar versterkt? Om hoeveel voltijdequivalenten gaat het? In de nota van uw collega las ik dat zulke ervaringsdeskundigen bijdragen tot de ontwikkeling van administratieve vereenvoudigingen en vlottere procedures, betere communicatie en de implementatie van structurele oplossingen. Welke concrete meerwaarde heeft die aanwezigheid het afgelopen jaar betekend voor de Pensioendienst? Hoe zult u de versterking van de Pensioendienst de komende jaren ook structureel verankeren?

 

In antwoord op onze schriftelijke vraag van ondertussen bijna een jaar geleden stelt het Planbureau dat zijn team Sociale bescherming en demografie – dat instaat voor onder andere de armoedetoets – ondergefinancierd is. Bovendien werd het dynamisch microsimulatiemodel dat ook armoedesimulaties voor de jaren na 2029 mogelijk moet maken, stopgezet. Gelet op die structurele problemen, hoe zult u ervoor zorgen dat u de impact van uw beleid op armoede kunt berekenen? In welke mate kan en zal er worden geluisterd naar ervaringsdeskundigen om het beleid wat dat betreft bij te sturen?

 

Ten slotte beweerde u in de plenaire vergadering dat u het aantal mensen in armoede wilt doen dalen. U hebt dat verschillende keren gezegd. Hebt u daar cijfers over? Hebt u een precieze doelstelling specifiek voor het aantal gepensioneerden in armoede?

 

Ik kijk uit naar uw antwoord.

 

05.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer Vanbesien, momenteel werken drie ervaringsdeskundigen voor de Federale Pensioendienst. Twee daarvan worden gefinancierd door de POD Maatschappelijke Integratie en een door de Federale Pensioendienst.

 

Begin deze maand werd binnen de Federale Pensioendienst het departement Pension Connect opgericht. In dat nieuwe departement worden alle processen rond burgercontacten gecentraliseerd. Ook de ervaringsdeskundigen werden in dat departement ondergebracht, wat ervoor zal moeten zorgen dat hun rol duidelijker verankerd is in de organisatie en hun taken minder versnipperd zullen zijn over de verschillende departementen. Dat zal leiden tot een duidelijker kader en een duidelijkere aansturing, alsook een sterkere inzet van hun expertise.

 

Wat uw tweede vraag betreft, ligt de grootste meerwaarde van het inschakelen van de ervaringsdeskundigen in de processen met direct burgercontact. Ik geef enkele voorbeelden van situaties waarin ze worden ingezet. Ze hebben de campagne rond het einde van de postassignaties nagelezen en hebben kunnen wijzen op gevoeligheden en het belang van de toon van de communicatie. Ze worden eveneens ingezet bij het onthaal van burgers en het toegankelijk en exclusief maken daarvan. Ze bieden ook hulp bij het indienen van een correcte pensioenaanvraag of aanvraag tot het verkrijgen van een IGO.  

 

Met de integratie van die rol in het departement Pension Connect zal er in de toekomst meer op worden ingezet en zullen ze nog meer suggesties kunnen doen en input leveren. Dat zal ervoor zorgen dat burgers met bepaalde moeilijkheden of burgers die behoren tot een precaire doelgroep ook een volwaardige toegang hebben tot alle diensten van de Federale Pensioendienst en dat de dienstverlening bijgestuurd wordt waar nodig.

 

Ik kom tot uw derde vraag. De verankering gebeurt in de eerste plaats structureel door de ervaringsdeskundigen te centraliseren binnen Pension Connect. Dat betekent dat hun rol niet langer afhankelijk is van individuele projecten of tijdelijke initiatieven, maar ondergebracht wordt in de reguliere werking van de Federale Pensioendienst.

 

Daarnaast wordt de functie zelf inhoudelijk versterkt. Het profiel van ervaringsdeskundigen wordt duidelijk gekaderd met een specifiek opleidingstraject en een eigen plaats binnen de dienstverlening. De Federale Pensioendienst bekijkt de verdere uitbouw van de equipe in functie van de beschikbare middelen binnen de globale begrotingsoefening.

 

Zoals u weet, werd het armoederisico op mijn expliciete vraag wel degelijk berekend door het Federaal Planbureau in het rapport van april 2026, zij het op een meer statische manier dan mogelijk zou zijn met het MIDAS-model. Een van de kanttekeningen daarbij is dat men uitgaat van een constante genderloonkloof in de toekomst, terwijl die kloof al jaren in dalende lijn gaat. Dat neemt niet weg dat die berekeningen een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in het beleidsproces rond de pensioenwet, maar ze moeten altijd in de juiste context worden geplaatst.

 

De verdelingseffecten zoals berekend in het rapport van april, werden doorgerekend met de simulatiemodellen REPLiCA en EXPEDITION. REPLiCA is een microsimulatiemodel dat zoveel mogelijk de wetgeving en administratieve praktijk rond de wettelijke pensioenen tracht na te bootsen om op die manier tot betrouwbare simulatieresultaten te komen. EXPEDITION heeft een breder toepassingsgebied dan REPLiCA. EXPEDITION simuleert de personenbelasting, alsook de regelgeving inzake sociale zekerheid en sociale bijstand, en de bijdrage- en inhoudingsregels die op die uitkeringen worden toegepast. Mijn oprechte dank gaat uit naar het Federaal Planbureau, dat dit rapport over verdelingseffecten binnen een strak tijdskader heeft kunnen realiseren.

 

De uitdaging voor de toekomst is ongetwijfeld om de impact van de geobserveerde dalende genderloonkloof op de pensioenkloof te integreren in de studies over armoede bij gepensioneerden, niet het minst omdat uit het meest recente OESO-rapport, Pensions at a Glance van 2025, bleek dat de genderpensioenkloof in de toekomst in het bijzonder zou dalen "as Belgium experienced a very strong reduction in the gender gap in expected lifetime earnings from 51 % in 2002 to 29 % in 2022."

 

In antwoord op uw vijfde vraag heeft de hervorming als kerndoelstelling om langer werken eindelijk te belonen. Wie langer werkt, bouwt een hoger pensioen op, waarvan men tot het einde van zijn of haar leven zal kunnen genieten. Ik ben ervan overtuigd dat dat ook de armoedecijfers bij gepensioneerden ten goede zal komen.

 

Ik wil de vraag echter ook in perspectief plaatsen. Uit het laatste vergrijzingsrapport blijkt immers dat het armoederisico bij Belgische gepensioneerden, namelijk 10,7 %, vandaag al lager ligt dan in Nederland en Frankrijk en ver onder dat van Duitsland. België heeft bovendien de kleinste armoedekloof tussen gepensioneerde mannen en vrouwen van de hele EU en scoort ook beter dan het Europese gemiddelde op de armoedekloof binnen de groep arme gepensioneerden en op materiële deprivatie bij ouderen.

 

De maatregel die in het rapport van april 2026 zorgt voor de lichte verhoging van het armoederisico, is de tijdelijke opschorting van de welvaartsenveloppe in deze legislatuur. Dat is een maatregel die geen deel uitmaakt van de arizonapensioenwet, maar wel van het arizonabeleid. De hervorming van de welvaartsaanpassing voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren wordt nog uitgewerkt in de komende jaren.

 

05.03  Dieter Vanbesien (Ecolo-Groen): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Voor mij zal de evolutie van de armoedecijfers een heel belangrijke parameter zijn om het palmares van deze regering te evalueren, vooral omdat we daarmee de evolutie van onze welvaartsstaat en de ingebouwde solidariteit kunnen opvolgen. Daarom is het bijzonder belangrijk dat we die cijfers en die evolutie van kortbij opvolgen. We hebben dan ook de nodige mensen nodig om dat te doen, zowel op korte als op langere termijn. Het is goed dat u zegt dat die mensen binnen de pensioendienst worden verankerd in de nieuwe organisatie die nu wordt opgezet. We zullen de verdere rapportering zeker blijven opvolgen.

 

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

 

U zegt ook dat de laatste rapporten aantonen dat het armoederisico vandaag in ons land lager is dan in de buurlanden. Sta mij toe om te zeggen dat dat een van de belangrijke verwezenlijkingen is van de vorige regering. Het is precies mijn vrees dat die evolutie opnieuw zal keren. U zegt dat die evolutie al een beetje is omgedraaid wegens het tijdelijke schrappen van de welvaartsenveloppe. Hopelijk is die schrapping effectief tijdelijk en zal de welvaartsaanpassing terugkeren. Dat moet nog blijken. Er zijn ook de andere maatregelen, zoals de centenindex en de pensioenhervorming zelf.

 

We zullen dat alles dus in de toekomst van heel nabij moeten blijven volgen. Ik ben blij dat u zegt dat die mensen in de Pensioendienst worden verankerd. Ik ben ook blij dat u zegt dat het Federaal Planbureau de nodige modellen heeft. We zullen de rapporten opvolgen en we zullen het daarover later in de legislatuur nog wel eens hebben.  

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

06 Samengevoegde vragen van

- Anja Vanrobaeys aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het jaarverslag van de Ombudsdienst Pensioenen en de IGO" (56014557C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het jaarverslag van de Ombudsdienst Pensioenen en de toekenning van de IGO" (56014731C)

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De non-take-up van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO)" (56018524C)

06 Questions jointes de

- Anja Vanrobaeys à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le rapport annuel publié par le Service de médiation pour les Pensions et la GRAPA" (56014557C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le rapport annuel du Service de médiation pour les Pensions et l'octroi de la GRAPA" (56014731C)

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le non-recours à la garantie de revenus aux personnes âgées (GRAPA)" (56018524C)

 

06.01  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, deze vraag gaat over een aanbeveling van de Ombudsdienst Pensioenen die mij wel raakt, want de Ombudsdienst zegt dat een grote groep gepensioneerden niet weet dat zij vanaf de pensionering opnieuw recht hebben op een inkomensgarantie voor ouderen. Die wordt automatisch toegekend bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, maar nadien vindt er geen systematische herevaluatie meer plaats wanneer de financiële situatie van gepensioneerden wijzigt, bijvoorbeeld bij een verandering in spaargeld. De IGO is uiteraard dikwijls een aanvulling. Er zijn wel mensen die een volledige IGO hebben, maar in de meeste gevallen is dat een aanvulling op het pensioen.

 

De IGO is natuurlijk belangrijk, aangezien de betrokkenen een beperkt inkomen hebben, en de toekenning ervan opent ook andere sociale rechten, waardoor het voor mensen die moeilijk rondkomen toch wat behapbaarder wordt. In die zin vind ik dat geen onbelangrijke aanbeveling.

 

De Ombudsdienst zegt ook dat veel mensen de complexe aangifteplicht rond die bestaansmiddelen niet begrijpen. De Ombudsdienst pleit voor een betere informatieverstrekking en een periodieke controle. De Ombudsdienst zegt dat de IGO een van de belangrijkste klachten was die in het voorbije jaar binnenkwamen.

 

Mijnheer de minister, beschikt u over cijfers of ramingen over die onderbenutting? Waarom wordt dat alleen automatisch onderzocht bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd en niet op regelmatige tijdstippen nadien?

 

Bent u bereid om een systeem van periodieke herevaluatie op te zetten om te bekijken of mensen nog in aanmerking komen voor een IGO?

 

Zult u ook kijken naar een betere informatieverstrekking over de aangifteplicht van de bestaansmiddelen, zodat terugvorderingen later bij erfgenamen kunnen worden vermeden en dergelijke schrijnende situaties kunnen worden voorkomen?

 

06.02  Ellen Samyn (VB): Mevrouw Vanrobaeys heeft de vraag al goed toegelicht. Ik verwijs daarom naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

In het jaarverslag voor 2025 stelt de Ombudsdienst Pensioenen dat de meest voorkomende klachten handelen over de Inkomensgarantie voor Ouderen. Hoewel misbruik uiteraard voorkomen dient te worden daar het gaat om een sociale uitkering, kunnen we ons wel ernstige vragen stellen bij de non-take-up alsook bij de toekenningsvoorwaarden en de duidelijkheid over de in aanmerking genomen bestaansmiddelen.

 

In hoeveel gevallen werd de IGO geheel of gedeeltelijk terug geëist door de Federale Pensioendienst voor de periode 2020-2025 omdat ontdekt werd dat er meer bestaansmiddelen waren dan aangegeven in het middelenonderzoek? In hoeveel gevallen draait het hierbij om het niet aangeven van een bankrekening/roerende/onroerende goederen van de partner en niet die van de betrokkene? In hoeveel gevallen werd er effectief overgegaan tot een terugvordering en in hoeveel gevallen werd de terugvordering kwijtgescholden en om welke reden?

 

Ik begrijp dat de Federale Pensioendienst het recht op IGO automatisch onderzoekt. Hoeveel gepensioneerden die op basis van de ramingen van de Pensioendienst recht hebben op de IGO (of een bijpassing) nemen dit recht niet op? Gelieve een overzicht te geven voor de periode 2020-2025 alsook een overzicht op basis van geslacht, per provincie en per gewest. Welke maatregelen wilt u nemen zodat de aanvraagprocedure voor de IGO transparanter wordt en het systeem bekender wordt bij de huidige en toekomstige gepensioneerden? Wordt er een automatische toekenning onderzocht en zo nee, waarom niet? Indien wel, wat zijn momenteel de struikelblokken? Als er een automatische toekenning zou komen, welk budget zal er dan naar de IGO gaan volgens de ramingen van de Federale Pensioendienst?

 

Welke maatregelen neemt de Federale Pensioendienst/uw diensten momenteel om IGO-gerechtigden beter te informeren over de aan te geven middelen in het middelenonderzoek zodat duidelijk wordt dat onder andere ook spaargeld op een spaarrekening van de partner in aanmerking genomen dient te worden? Welke maatregelen bent u van plan nog te nemen naar de toekomst toe?

 

06.03  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, le Service de médiation pour les Pensions place à nouveau la garantie de revenus aux personnes âgées (GRAPA) en tête des dossiers qui lui sont soumis. Le droit est examiné d'office lorsque le pensionné atteint l'âge légal, mais aucun réexamen systématique n'intervient ensuite, alors que la situation d'un aîné évolue: une épargne qui s'épuise, un conjoint qui décède, des revenus qui diminuent. Des centaines voire des milliers de personnes ouvriraient ainsi droit à la GRAPA sans jamais l'introduire, faute de savoir qu'elles y ont droit.

 

L'enjeu dépasse le montant de l'allocation: même partielle, une GRAPA ouvre l'accès à d'autres avantages, dont le tarif social pour le gaz et l'électricité. Le médiateur relève par ailleurs que l'obligation de déclarer les ressources reste mal comprise, ce qui débouche sur des récupérations d'indus, parfois à charge des héritiers. Le médiateur plaide donc pour une information plus lisible et pour un contrôle périodique à l'initiative de l'administration elle-même.

 

Monsieur le ministre, le Service fédéral des Pensions dispose-t-il de chiffres ou d'estimations sur l'ampleur du non-recours à la GRAPA? Ces données peuvent-elles être ventilées par sexe et par province? Pour quelles raisons l'examen d'office reste-t-il limité à la prise de cours de la pension, sans être répété à intervalles réguliers par la suite? Envisagez-vous un réexamen périodique et proactif, opéré par l'administration sur la base des données dont elle dispose déjà? Un croisement avec le SPF Finances, la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale (BCSS) ou les fournisseurs d'énergie est-il praticable afin de détecter les bénéficiaires potentiels? Enfin, quelles initiatives comptez-vous prendre pour rendre l'obligation de déclaration des ressources plus compréhensible et éviter ainsi les récupérations auprès des héritiers?

 

06.04 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Dedonder, mevrouw Samyn, mevrouw Vanrobaeys, ik dank u voor uw vragen over de IGO, over de waarborg voor de gepensioneerden.

 

Les différentes questions partent d'une même préoccupation, à savoir veiller à ce que les personnes susceptibles d'avoir droit à la GRAPA puissent effectivement y accéder, tout en garantissant l'application correcte de la réglementation et l'examen des ressources.

 

Comme je l'ai déjà indiqué précédemment, les constats du Service de médiation pour les Pensions constituent une source utile d'informations pour la poursuite de l'optimisation des services. Ils attirent notre attention sur des points d'attention en matière d'accessibilité, de communication et de pratiques administratives.

 

Pour faire référence aux réponses coordonnées aux différentes questions orales de Mme Samyn, les recommandations du service de médiation relatives à la GRAPA font l'objet de la même approche d'analyse et de suivi que celles que je présenterai dans un instant. C'est dans cette perspective que je répondrai conjointement aux différentes questions.

 

De Federale Pensioendienst beschikt momenteel niet over cijfers of betrouwbare ramingen van het aantal personen dat mogelijk recht heeft op een IGO zonder die effectief te genieten. Het recht op een IGO wordt vandaag ambtshalve onderzocht wanneer een persoon de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. In het kader van een ambtshalve onderzoek kan het recht op een IGO worden afgewezen omdat de betrokkene uitdrukkelijk afziet van het recht op een IGO of omdat de betrokkene en/of diens partner niet meewerkt aan het onderzoek.

 

Daarnaast kunnen ook andere redenen aanleiding geven tot een weigering van de IGO, bijvoorbeeld wanneer niet wordt voldaan aan bepaalde wettelijke voorwaarden, zoals de verblijfsvoorwaarden, of wanneer de inkomsten uit pensioenen van de betrokkene en/of diens partner de toepasselijke inkomensgrenzen overschrijden.

 

De FPD beschikt niet over gegevens die toelaten om het aantal personen dat geen gebruik maakt van een potentieel recht op een IGO, in kaart te brengen, noch over een uitsplitsing naar geslacht of provincie. De FPD beschikt wel over het socio-economisch profiel van de IGO-begunstigden, dat u op PensionStat.be kunt terugvinden.

 

Hoewel geen cijfers beschikbaar zijn over de non-take-up van de IGO, merk ik wel op dat het totale jaarlijks uitbetaalde bedrag aan IGO in zes jaar tijd met ongeveer 70 % is gestegen, van 608 miljoen euro in 2019 tot meer dan 1 miljard euro vanaf 2025. Er zijn bovendien aanwijzingen dat in sommige gevallen een IGO wordt uitbetaald terwijl men daarop volgens de huidige wetgeving geen recht heeft.

 

Mijn uitgangspunt blijft dat iedereen die recht heeft op een IGO, die ook moet kunnen aanvragen en na een middelenonderzoek effectief moet kunnen krijgen. Dat betekent echter ook dat we consequent moeten zijn. Wanneer iemand daarop geen recht heeft, mag die persoon ook effectief geen IGO krijgen. Begunstigden die sociale bijstand genieten die volledig wordt gefinancierd door de Belgische belastingbetaler, moeten daadwerkelijk en lang genoeg in België wonen om die bijstand te kunnen ontvangen.

 

De wetgeving voorziet nu reeds dat verblijven in het buitenland moeten worden gemeld. In het regeerakkoord is voorzien dat de toegelaten termijnen daaromtrent zullen worden ingekort en dat een aantal vrijstellingen van controle worden geschrapt. De regering wil inderdaad waarborgen dat het verlenen van die uitkering beter gericht is op wie er effectief recht op heeft.

 

Dan kom ik aan de vragen met betrekking tot een proactievere detectie en herevaluatie van de rechten. Mevrouw Samyn, u verwijst naar een periodiekere herevaluatie van mogelijke rechten. Mevrouw Vanrobaeys, u vraagt aandacht voor een meer automatische opsporing van potentiële rechthebbenden. Beide kunnen ertoe bijdragen dat IGO-uitkeringen doelgericht terechtkomen bij wie er effectief recht op heeft en niet bij wie er geen recht op heeft.

 

De huidige wetgeving voorziet in een onderzoek bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Een IGO-dossier van een IGO-begunstigde wordt in bepaalde situaties ook ambtshalve opnieuw onderzocht en in voorkomend geval herzien wanneer relevante nieuwe informatie betreffende de bestaansmiddelen van de IGO-begunstigde beschikbaar wordt.

 

Dat is onder meer het geval bij een wijziging van de gezinssamenstelling, een overlijden van de IGO-gerechtigde of de samenwonende partner, de ontvangst van een pensioenbeslissing van een buitenlandse pensioeninstelling, informatie via gegevensstromen over beroepsinkomsten, informatie van de FOD Financiën over onroerende goederen, wijzigingen in de situatie inzake gezinsbijslag voor kinderen tussen 18 en 25 jaar en nieuwe gegevens van de belastingdienst over een ontvangen nalatenschap.

 

De IGO-begunstigde is wettelijk verplicht om wijzigingen die een impact kunnen hebben op het IGO-recht aan de Federale Pensioendienst mede te delen. Dat gebeurt vandaag helaas niet altijd.

 

Hoewel de Federale Pensioendienst al maximaal gebruikmaakt van de beschikbare gegevensstromen, beschikt hij vandaag niet over voldoende databronnen om wijzigingen in het algemene vermogen en de globale bestaansmiddelen volledig en proactief op te volgen. De gepensioneerde die nog geen IGO ontvangt, maar van oordeel is dat hij of zij daarvoor in aanmerking zal komen, kan bovendien steeds zelf een aanvraag indienen.

 

Het regeerakkoord voorziet uitdrukkelijk in een hervorming inzake het bestaansmiddelenonderzoek met onder meer de ambitie om de toegang tot de nodige informatie te verbeteren en het onderzoek naar de bestaansmiddelen transparanter te maken. Op die manier moet het mogelijk worden om de situatie van IGO-aanvragers en IGO-gerechtigden nauwkeuriger en rechtvaardig te beoordelen.

 

Zoals aangekondigd in mijn beleidsnota overwegen we de hiernavolgende maatregelen: het in aanmerking nemen van alle inkomsten bij het middelenonderzoek, inclusief de roerende en onroerende inkomsten; makkelijkere toegang tot informatie over buitenlandse vermogens; de invoering van een centraal register van sociale bijstand en voordelen. Om excessen te vermijden, plafonneren we het geheel aan sociale bijstand en voordelen.

 

Ik kom nu bij de aangifte van bestaansmiddelen en terugvorderingen.

 

Mmes Samyn et Dedonder attirent également l’attention sur la problématique de la déclaration des ressources et de la récupération des montants payés indûment. Je comprends cette préoccupation. L’examen des ressources est souvent complexe et certaines notions ne sont pas toujours aisées à comprendre pour les citoyens. C’est pourquoi le Service fédéral des Pensions a déjà consenti, au cours des dernières années, des efforts visant à améliorer encore l’information fournie, notamment au moyen de formulaires adaptés, d’explications complémentaires et d’une communication plus claire concernant l’obligation de déclaration ainsi que les conséquences d’une modification non déclarée.

 

Le Service fédéral des Pensions applique le principe du Only Once et veille à assurer une communication aussi claire que possible à l’égard des citoyens. Il examine dès lors en permanence les possibilités de clarification des questions figurant dans la déclaration des ressources. Ainsi, à la suite d’une recommandation du Service de médiation pour les Pensions, la déclaration des ressources a été adaptée. Les questions relatives aux aspects patrimoniaux sont souvent complexes et parfois difficiles à comprendre. C’est pourquoi un glossaire est joint à la déclaration des ressources afin de fournir aux citoyens des explications complémentaires sur les notions utilisées. La déclaration des ressources comprend en outre une déclaration sur l’honneur confirmant que les informations fournies sont exactes et complètes; que les conditions de résidence ainsi que leurs conséquences sont connues; que toute modification intervenant pendant l’examen du dossier doit être immédiatement communiquée au Service fédéral des Pensions; qu’en cas de déclaration inexacte ou incomplète, les montants éventuellement perçus à tort peuvent être récupérés.

 

Par ailleurs, la notification accordant le droit à la GRAPA informe également clairement le bénéficiaire des obligations qui lui incombent en matière de ressources, de situation familiale et de résidence principale en Belgique. À cet égard, la mention suivante figure explicitement dans la notification: "Attention! Si vous faites une déclaration inexacte ou incomplète ou si vous ne signalez pas les modifications intervenues, nous récupérerons tout montant perçu indûment auprès de vous ou, le cas échéant, auprès de vos héritiers." Le citoyen est donc explicitement informé de ses obligations, tant dans la déclaration des ressources que dans la notification de la décision.

 

Wat betreft de vraag naar het aantal gevallen waarin een IGO geheel of gedeeltelijk werd teruggevorderd, verwijs ik naar een tabel die aan het schriftelijk verslag zal worden toegevoegd. Vanwege het technisch en cijfermatig karakter van die gegevens zal ik de cijfers dus niet mondeling overlopen, maar ze ter beschikking stellen van de parlementsleden. De tabel omvat gegevens van 2021 tot 2025 met het aantal terugvorderingen binnen het IGO-stelsel en de aantallen inzake gehele of gedeeltelijke kwijtscheldingen. Het merendeel van de vaststellingen van onverschuldigde bedragen vloeit voort uit controles op bijkomende bestaansmiddelen die niet eerder door de betrokkene of diens partner werden aangegeven. In het bijzonder gaat het vaak om controles die via gegevensuitwisseling met de belastingdienst aan het licht komen naar aanleiding van nalatenschapsaangifte.

 

Een herziening van de IGO hoeft echter niet noodzakelijk het gevolg te zijn van een onjuiste of onvolledige verklaring. Het is ook mogelijk dat een gerechtigde of diens partner tijdens de toekenningsperiode bijkomende bestaansmiddelen heeft verworven zonder zich bewust te zijn van de verplichting om die wijziging aan de Federale Pensioendienst mee te delen.

 

Wat de aard van de niet-aangegeven bestaansmiddelen betreft, blijkt dat een belangrijk deel van de onverschuldigde betalingen verband houdt met onvoldoende zicht op roerende goederen of op een combinatie van roerende goederen en andere bestaansmiddelen. De Federale Pensioendienst beschikt voor roerende goederen immers niet over een rechtstreekse controlemogelijkheid en is daarvoor grotendeels aangewezen op de verklaringen van de gerechtigde en diens eventuele partner.

 

De Federale Pensioendienst beschikt evenwel niet over statistieken waaruit kan worden afgeleid in hoeveel dossiers de herziening specifiek verband hield met een niet-aangegeven bankrekening, roerend of onroerend goed van de partner, onderscheiden van dat van de gerechtigde zelf. Een begunstigde kan steeds een aanvraag tot kwijtschelding indienen wanneer hij of zij aangeeft niet in staat zijn om de schuld terug te betalen. Verzoeken tot kwijtschelding worden beoordeeld door de Raad voor uitbetaling van de voordelen. Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de inkomsten van het feitelijk gezin, de oorzaak van de schuld en de sociale en financiële impact ervan.

 

Aangezien personen die een IGO ontvangen automatisch tot een kwetsbare groep behoren, ligt het aantal kwijtscheldingen in bepaalde categorieën hoger. Tegelijk blijft het belangrijk om een evenwicht te bewaren tussen een toegankelijke dienstverlening enerzijds en een correcte besteding van publieke middelen anderzijds. De IGO is bedoeld voor personen die daar daadwerkelijk recht op hebben en daarom moet ook kunnen worden nagegaan of de wettelijke voorwaarden effectief vervuld zijn en blijven.

 

06.05  Anja Vanrobaeys (Vooruit): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Zowel in het begin als in het besluit van uw antwoord verklaart u dat mensen die recht hebben op de IGO, aan de wettelijke voorwaarden moeten voldoen. Zoals ik altijd heb gezegd, is dat de basis van solidariteit, ook voor mij. Wie voldoet aan de voorwaarden, wordt ondersteund. Uiteraard mogen we misbruik niet toelaten, want dat ondermijnt alleen maar onze solidariteit.

 

Daar staat tegenover dat u een hele opsomming hebt gegeven. Zo heeft de Federale Pensioendienst al toegang tot databanken, zodat die gegevens kunnen worden ingezet voor controle. Dat kan helpen. U zegt ook dat duidelijk wordt vermeld welke informatie rechthebbenden moeten geven. De Pensioendienst kan niet al die informatie uit databanken halen. Er wordt duidelijk vermeld dat, als men dat niet doet, het bedrag wordt gerecupereerd. U vermeldt een hele batterij aan maatregelen en het is goed dat u dat verder zult bekijken, omdat de meeste klachten volgens de Ombudsdienst Pensioenen net daarover gaan.

 

Ondanks alle inspanningen op het vlak van formulieren en contacten, en alle duidelijke informatie die er zou zijn, kan ik me voorstellen dat die informatie niet altijd doordringt, omdat het om een kwetsbare groep gaat. In die zin kijk ik er toch wel naar uit. Dat kan zowel in de ene als in de andere richting gaan. Het is schrijnend dat men geld bij erfgenamen moet terugvorderen.

 

Het is belangrijk dat er verder wordt gewerkt aan het systeem om op regelmatige tijdstippen niet alleen te bekijken of er moet worden teruggevorderd, maar ook of mensen recht hebben op een IGO, zodat iedereen op de best mogelijke manier kan worden ondersteund.

 

06.06  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreide antwoord en ook voor de toevoeging van de technische antwoorden aan het verslag.

 

De inkomensgarantie voor ouderen is een bijstandsuitkering en dus moeten de bestaansmiddelen uiteraard correct worden aangegeven. Misbruik moet worden aangepakt en onterecht betaalde uitkeringen moeten kunnen worden teruggevorderd. Dat is niet meer dan logisch, maar daar staat natuurlijk ook een verantwoordelijkheid van de overheid tegenover.

 

De Ombudsdienst Pensioenen stelt echter vast dat er veel klachten zijn precies over die bestaansmiddelen en de terugvorderingen die daaruit volgen. Tegelijk stelt hij vast dat ouderen een IGO mislopen omdat ze onvoldoende weten dat ze, indien hun financiële situatie later verslechtert, opnieuw een aanvraag kunnen indienen. Ook in dit dossier is de regelgeving voor veel ouderen en voor mensen die digitaal niet mee zijn, onvoldoende duidelijk, onvoldoende toegankelijk en inderdaad complex. U volgt dat op, heb ik begrepen uit uw antwoord.

 

Mensen die recht hebben op de IGO zouden die uitkering natuurlijk niet mogen mislopen omdat ze niet weten dat ze opnieuw een aanvraag moeten indienen. Controle en toegankelijkheid gaan daarbij naar mijn idee hand in hand. U maakt al werk van eenvoudige informatie en communicatie. Het lijkt me ook logisch dat er werk wordt gemaakt van een maximale automatische rechtentoekenning en een proactieve opvolging van ouderen die mogelijk recht hebben op de IGO.

 

06.07  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

 

Généralement, quand nous entendons parler de la GRAPA dans ce Parlement, c'est toujours pour évoquer les abus en ce domaine et la chasse aux allocataires qui ne pourraient pas y prétendre. Aujourd'hui, je souhaitais aborder une autre question, qui relève également de votre responsabilité et qui concerne toutes ces personnes vivant dans la pauvreté sans même qu'elles sachent qu'elles peuvent prétendre à la GRAPA.

 

Sur le terrain, je constate une multiplication des contrôles visant les personnes qui perçoivent cette allocation. Je tiens à rappeler que les montants ne sont pas énormes. Il s'agit de la pension minimum. Parmi les personnes que je côtoie, je connais d'anciens indépendants bénéficiant de la GRAPA qui ont déjà subi plusieurs contrôles en quelques mois en vue de s'assurer de leur présence. Bien évidemment, tout abus doit être signalé et les montants doivent être récupérés. Nous en sommes d'accord. Toutefois, il ne faut pas non plus multiplier les contrôles de personnes qui pourraient éventuellement ne pas y prétendre et, a contrario, même si ce n'est pas le débat qui nous occupe ici, laisser impunie toute cette fraude fiscale, échappant à la multiplication des contrôles, alors que des tas de gens ne savent pas qu'ils ont droit à la GRAPA.      

 

Par conséquent, lorsqu'il est question de cette allocation, je vous demanderais de nuancer vos propos et d'apporter une information claire via différents canaux bien avant que les intéressés ne partent à la retraite. J'estime que c'est possible. Moi-même, comme j'assure des  permanences depuis un certain temps, je puis vous garantir que nombre de personnes âgées sont venues me voir en ignorant qu'elles pouvaient prétendre à la GRAPA ou bien qui n'osaient pas la demander parce qu'elles la prenaient pour une allocation sociale et qu'elles n'avaient pas été élevées en ce sens. Bref, je vous assure qu'il y a des gens très bien, qui ont travaillé toute leur vie et qui pourraient prétendre à la GRAPA, mais qui ne la sollicitent pas, faute d'informations.   

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

07 Vraag van Alexia Bertrand aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De leegstand en het kraken van het gebouw van de Pensioendienst aan de Tervurenlaan 158" (56014639C)

07 Question de Alexia Bertrand à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le bâtiment inoccupé et squatté du Service des Pensions situé au 158 de l'avenue de Tervueren" (56014639C)

 

07.01  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, deze vraag dateert van maart. Ik vind dat ongelooflijk frustrerend. Heel veel mensen wachten al heel lang op dit antwoord.

 

U weet dat Anders. heel veel van uw hervormingen steunt. We hebben dat ook gedaan bij de pensioenhervorming. Dat is geen gemakkelijke hervorming, het is een moedige hervorming. Wij steunen die. Dit verhaal begrijp ik evenwel niet. Het verhaal dat ik u vandaag ga vertellen, is symptomatisch voor een inefficiënte en vette overheid, die blijkbaar te rijk is, die veel te veel geld heeft. Ik begrijp dat niet, vermits u binnenkort op zoek gaat naar 10 miljard euro. Blijkbaar kunt u zich echter permitteren om elk jaar 600.000 euro te verspillen.

 

Dit is het verhaal van een gebouw van de Federale Pensioendienst. De FPD is eigenaar van een zeer mooi gebouw gelegen aan de Tervurenlaan, een prachtige laan in Brussel, nabij Montgomery. Dat gebouw wordt niet verhuurd. Er werd een precaire overeenkomst gesloten met een vereniging van krakers, Rockin’Squat. Ik raad u aan om de statuten van Rockin’Squat eens te lezen. Dat is echt de moeite waard.

 

Ondanks talrijke klachten van het wijkcomité over nachtelijke feesten, een illegaal restaurant, het houden van pluimvee en het graven van vijvers, met een rattenplaag tot gevolg, is er niets veranderd. Vandaag heeft dat gebouw heel diverse bewoners: asielaanvragers, illegalen, mensen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben gekregen, maar ook gewone mensen die graag in een gemeenschap wonen en die liever geen huur betalen. Doordat het gebouw niet wordt verhuurd, mist de Staat 600.000 euro per jaar aan inkomsten, en dat duurt al drie jaar. U hebt bovendien die overeenkomst verlengd.

 

Mijnheer de minister, kunt u zich dat permitteren? Kunnen we ons dat permitteren? Zouden we dat met ons eigen patrimonium doen? Ik heb altijd geleerd dat men het vermogen van de overheid moet beheren zoals men dat zou doen met het eigen vermogen. Dat is hier zeer duidelijk niet het geval: 600.000 euro verspilling ieder jaar. Waarom wordt dat gebouw niet verhuurd of verkocht? Wanneer zult u dat doen?

 

Er zijn ook problemen met de veiligheid, maar daar ga ik zelfs nog niet op in. De brandweer gaf enkel advies voor de tijdelijke opvang van 80 mensen, maar niet voor een illegale discotheek of een evenementenhal in een pand met asbestrisico's. Het is echt een ander verhaal geworden.

 

Ik ga het eenvoudig houden. Het gaat over de toekomstvisie. Wat is de concrete timing voor de definitieve stopzetting van dat gebruik en de effectieve valorisatie van dat gebouw?

 

07.02 Minister Jan Jambon: Zoals voor elk openbaar vastgoed moeten verschillende opties voor de toekomst van het gebouw worden onderzocht, rekening houdend met de operationele behoeften en de technische, budgettaire en administratieve beperkingen. Er werden dan ook verschillende pistes bestudeerd om de meest geschikte bestemming voor het gebouw te bepalen. Momenteel onderzoekt de Federale Pensioendienst dus nog verschillende opties met betrekking tot de toekomst van het gebouw.

 

De in uw vraag vermelde hypothetische opbrengst van 600.000 euro per jaar was afhankelijk van aanzienlijke voorafgaande investeringswerken. Het gebouw kon immers in zijn huidige staat niet worden verhuurd. Verhuring werd wel degelijk overwogen als een van de onderzochte opties, maar de aanzienlijke kostprijs van de noodzakelijke werken, zowel op financieel als op operationeel vlak, gecombineerd met het ontbreken van voldoende garanties op een rendabele terugverdientijd, heeft ertoe geleid dat de Federale Pensioendienst die optie niet in aanmerking heeft genomen.

 

Bovendien zorgt het tijdelijke gebruik van het gebouw ervoor dat het niet als leegstaand wordt beschouwd in de zin van de toepasselijke regelgevingen. Daardoor worden de gewestelijke en gemeentelijke belastingen op leegstaande gebouwen vermeden, waarvan de kosten uiteindelijk ook door de overheid zouden moeten worden gedragen. Vanuit dat oogpunt draagt de tijdelijke gebruiksovereenkomst eveneens bij tot een efficiënt beheer van het openbaar patrimonium, in afwachting van de verkoop van het gebouw.

 

Wat de veiligheid en verantwoordelijkheid betreft, heeft de Federale Pensioendienst voorafgaand aan het sluiten van de tijdelijke gebruiksovereenkomst contact opgenomen met de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (DBDMH) om na te gaan of het gebouw geschikt was om 80 personen op te vangen in het kader van een huisvestingsproject voor mensen in een precaire situatie. Die controle vormde een essentiële voorwaarde voor het afsluiten van de overeenkomst. Het verslag dat het orgaan op 8 juli 2024 heeft uitgebracht, gaf een gunstig advies voor de bezetting.

 

Volgens de informatie die door de gebruiker werd verstrekt, zou de gemeente in de loop van 2026 een nieuwe controle door de DBDMH hebben gevraagd, met name naar aanleiding van bepaalde activiteiten die in de ondergrondse parking werden georganiseerd. Volgens dezelfde informatie zou de DBDMH hebben medegedeeld dat ze het groene licht van de gemeente afwachtte vooraleer de controle uit te voeren. Voor zover ons bekend, heeft tot op heden nog geen bijkomende controle plaatsgevonden.

 

Zodra de Federale Pensioendienst kennis kreeg van de organisatie van evenementen in de ondergrondse parking, heeft ze de vzw verzocht die activiteiten onmiddellijk stop te zetten. Dat verbod werd vervolgens formeel opgenomen in een addendum bij de tijdelijke gebruiksovereenkomst. De momenteel toegelaten activiteiten in het gebouw blijven binnen het kader dat werd gevalideerd door het initiële verslag van de DBDMH van 8 juli 2024. Overeenkomstig artikel 2.5 van de overeenkomst blijft de gebruiker bovendien als enige verantwoordelijk voor het verkrijgen van alle wettelijk vereiste vergunningen, toelatingen en erkenningen voor de activiteiten die hij of zij organiseert of uitbaat in de betrokken ruimte.

 

Ik kom nu bij het toezicht op de naleving van de overeenkomst. De Federale Pensioendienst onderhoudt regelmatig contact met zowel de gebruiker als de betrokken buurtbewoners, die ons op de hoogte brengen van eventuele inbreuken die zij menen vast te stellen. Er werden reeds verschillende proactieve maatregelen genomen om risico's en overlast te beperken, waaronder het verbod op evenementen in de ondergrondse parking en op bepaalde andere specifieke activiteiten. De veiligheid binnen het gebouw vormt een absolute prioriteit voor de Federale Pensioendienst en wordt voortdurend en nauwgezet opgevolgd.

 

Wat de mogelijke buurtoverlast betreft, worden de bekommernissen van het Comité Tervueren-Montgomery gehoord en ernstig genomen. De ons medegedeelde elementen worden echter niet altijd gestaafd door objectieve vaststellingen, zoals processen-verbaal, officiële verslagen of andere documenten die toelaten de aangehaalde feiten formeel vast te stellen en desgevallend maatregelen te treffen ten aanzien van de vzw.

 

Met het oog op een constructieve dialoog hebben wij getracht een overleg tussen de betrokken personen en partijen te organiseren om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken. Die poging heeft echter niet tot resultaat geleid aangezien de buurtbewoners niet aan dat gesprek hebben deelgenomen.

 

Wat zijn de toekomstperspectieven? De huidige gebruiksovereenkomst loopt af op 15 juli 2027. De Federale Pensioendienst onderzoekt momenteel verschillende pistes voor een herbestemming en zal daaromtrent de eerstkomende maanden een beslissing nemen.

 

07.03  Alexia Bertrand (Anders.): Mijnheer de minister, dit is toch symptomatisch voor de overheid. U zegt dat u pistes aan het bestuderen bent en dat er verschillende opties zijn, maar dit sleept al drie jaar aan. Kent u een eigenaar van zo'n gebouw die drie jaar zou wachten alvorens er iets mee te doen? Alleen de overheid kan zich zoiets permitteren. Dat is pure verspilling van middelen.

 

De burgers zijn dat kotsbeu, want u gaat immers wel geld zoeken in hun zakken. Dat zal er nu gebeuren tijdens deze begrotingscontrole, maar u kijkt nooit naar uzelf, naar de eigen overheid. Het zal drie jaar duren voor u het gebouw verkoopt of er misschien in investeert om het te kunnen verhuren. Het is eigendom van de overheid, maar wat doet u ondertussen? U sluit een precaire overeenkomst met mensen die de voorwaarden zelfs niet naleven. Het gaat immers niet alleen over die illegale discotheek in de parking, het gaat over veel meer. Bent u daar ooit zelf geweest, mijnheer de minister? Neen. Ik wel, ik ken dat gebouw vrij goed. U moet eens in de zomer gaan kijken. Het is een absurde situatie. Het is echt Brussel-strand, Bruxelles-les-Bains. Er staan daar strandstoelen en er liggen mensen in de tuin, en dat in een wijk die helemaal geen residentiële wijk is. Er zijn alleen appartementsgebouwen op de Tervurenlaan. Er is pluimvee, er zijn heel veel klachten. U zegt dat die niet altijd gestaafd worden door processen-verbaal. Ik denk dat de mensen het ook beu zijn om telkens de politie te moeten vragen om een proces-verbaal op te stellen. Die klachten zijn reëel.

 

Los van de klachten van het buurtcomité, waarvoor ik heel veel empathie heb en dat ik begrijp, vind ik ook dat dit een pure verspilling van middelen van de overheid is. Dit is maar één voorbeeld, maar er zijn er vele andere. Als u weet hoeveel zo'n gebouw in zo'n wijk waard is, dan weet u hoeveel u uit de zakken van de burgers zult moeten halen, in plaats van u te focussen op de kerntaken van de overheid. Als de Federale Pensioendienst dat gebouw niet meer nodig heeft, verkoop het dan of doe er iets mee. Een gebouw gratis ter beschikking stellen, terwijl dat niet de core mission van de Federale Pensioendienst is, is absurd. De absurditeit gaat zelfs zover dat u daarmee leegstandbelastingen vermijdt. Dat is Belgisch surrealisme.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

08 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De tewerkstelling bij een internationale instelling en het vervroegd pensioen" (56014816C)

08 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L’emploi auprès d'une institution internationale et la retraite anticipée" (56014816C)

 

08.01  Ellen Samyn (VB): In het jaarverslag voor 2025 stelt de Ombudsdienst Pensioenen dat een van de meest voorkomende klachten handelt over de erkenning van de tewerkstellingsperiode bij een internationale instelling voor het vervroegd pensioen. Zo wordt door de Ombudsdienst aangehaald dat voor meerdere personen er rechtszaken aangespannen werden tegen de Federale Pensioendienst omdat de Pensioendienst de werkjaren bij de internationale instelling niet mee in aanmerking neemt voor de toekenning van het vervroegd pensioen.

 

Hoeveel personen afkomstig uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel zijn momenteel tewerkgesteld bij internationale instellingen?

 

Hoeveel rechtszaken lopen er momenteel tegenover de FPD met betrekking tot de niet-erkenning van de tewerkstelling bij een internationale instelling?

 

In hoeveel van die rechtszaken heeft de FPD ongelijk gekregen en welke schadevergoedingen werden hierbij toegekend aan de betrokkenen?

 

De FPD is, in de voorbeelden die door de Ombudsdienst Pensioenen worden aangehaald, ingegaan op de aanbevelingen van de Ombudsdienst. Wordt er actief gewerkt aan een oplossing voor dit soort loopbanen en hoe ziet deze oplossing er uit? Hoe passen dit soort loopbanen binnen uw pensioenhervorming? Indien er niet aan een oplossing gewerkt wordt, kan u aangeven waarom en waar de struikelblokken liggen?

 

08.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Samyn, in het jaarverslag staat dat de FPD niet over sluitende gegevens beschikt over het aantal personen dat momenteel werkzaam is bij een internationale instelling. De FPD is voor die informatie immers volledig afhankelijk van een verklaring van de burger, die meestal pas wordt afgelegd op het ogenblik van pensionering. Wat we wel weten, is dat jaarlijks ongeveer 200 personen met pensioen gaan, van wie we weten dat ze een loopbaan bij een internationale instelling hebben gehad.

 

Er zijn momenteel geen lopende gerechtelijke procedures tegen de Federale Pensioendienst met betrekking tot de in aanmerkingneming van tewerkstellingsperiodes bij internationale instellingen voor de beoordeling van de voorwaarden voor vervroegd pensioen.

 

De dossiers die in het jaarverslag 2025 van de Ombudsdienst Pensioenen worden besproken, werden via bemiddeling afgehandeld. In één dossier had de betrokkene beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank teneinde zijn rechten te vrijwaren. Nadat de FPD zijn standpunt had herzien naar aanleiding van de bemiddeling door de Ombudsdienst Pensioenen, bereikten de partijen evenwel een akkoord en werd de gerechtelijke procedure beëindigd zonder rechterlijke uitspraak.

 

Wat uw derde vraag betreft, bestaan er geen rechterlijke uitspraken in dergelijke dossiers. Bijgevolg is de FPD in geen enkele zaak door een rechtbank in het ongelijk gesteld en werden er evenmin schadevergoedingen toegekend.

 

Tot slot heeft de FPD in het licht van het arrest-Gardella de interne instructies aangepast, zodat een loopbaan bij een internationale organisatie die in de Europese Unie is gevestigd, in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling van de voorwaarden voor vervroegd pensioen.

 

08.03  Ellen Samyn (VB): Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

09 Samengevoegde vragen van

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De schending van het gewettigd vertrouwen bij beslissingen over het bijverdienen naast pensioen" (56015066C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het blinde vertrouwen in digitale pensioenbeslissingen en foutieve terugvorderingen" (56015067C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De Europese rechtsconformiteit van de Belgische beslagwetgeving op pensioenen" (56015068C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het niet-meetellen van internationale loopbaanjaren voor vervroegd pensioen" (56015070C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De laattijdige toekenning van pensioenvoorschotten" (56015071C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De terugvorderingen na fouten van de Pensioendienst" (56015074C)

09 Questions jointes de

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La violation de la confiance légitime dans les décisions sur le cumul d’un revenu avec la pension" (56015066C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La confiance aveugle dans les décisions de pension informatisées et récupérations erronées" (56015067C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La conformité au droit européen de la législation belge relative à la saisie sur les pensions" (56015068C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La non-prise en compte des années de carrière à l’étranger pour la retraite anticipée" (56015070C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'octroi tardif des avances sur la pension" (56015071C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les récupérations résultant d'erreurs du Service des pensions" (56015074C)

 

09.01  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend. Het zijn zes verschillende vragen, die betrekking hebben op hetzelfde verslag. Ik laat het aan u over om op die vragen te antwoorden en zal dan bekijken welke repliek ik zal geven.

 

In hoofdstuk 13 van het Jaarverslag 2025 behandelt de Ombudsdienst Pensioenen een dossier waarin de FPD aanvankelijk meedeelde dat een gepensioneerde onbeperkt mocht bijverdienen, om daar later op terug te komen zodra de effectieve loopbaangegevens beschikbaar waren.

 

De Ombudsdienst oordeelde dat dit het gewettigd vertrouwen van de burger schendt, zeker wanneer de oorspronkelijke beslissing niet duidelijk vermeldde dat zij gebaseerd was op een vermoeden.

 

Deelt u het standpunt van de Ombudsdienst dat een gepensioneerde moet kunnen vertrouwen op een formele pensioenbeslissing, zeker wanneer daarin niet staat dat zij op een vermoeden berust?

 

Zal u de FPD verplichten om uitdrukkelijk te vermelden wanneer een beslissing voorlopig of gebaseerd op vermoedens is?

 

Welke maatregelen neemt u om te vermijden dat burgers pas jaren na pensionering vernemen dat zij toch niet onbeperkt mochten bijverdienen?

 

Werd onderzocht of gelijkaardige dossiers nog bestaan waarbij het vertrouwensbeginsel mogelijk werd geschonden?

 

Het Jaarverslag 2025 van de Ombudsdienst Pensioenen bevat meerdere dossiers waarin pensioendiensten zich te snel beroepen op wat het computersysteem aangeeft, zonder de concrete situatie van de burger nog grondig te onderzoeken.

 

Zo werd een zelfstandige geconfronteerd met een terugvordering van zijn vervroegd pensioen omdat volgens de elektronische gegevens zijn sociale bijdragen te laat zouden zijn betaald, terwijl achteraf bleek dat hij wel degelijk tijdig betaald had. In een ander dossier viel een vrouw zonder ziekteuitkering omdat na de intrekking van haar pensioenaanvraag geen gecorrigeerd attest gezondheidszorgen aan de mutualiteit was bezorgd. In een derde dossier werd een foutieve IGO-terugvordering opgelegd op basis van erfgegevens die onjuist geïnterpreteerd werden.

 

De Ombudsdienst besluit dat digitalisering de ambtenaar moet ondersteunen, maar nooit mag vervangen. Hij waarschuwt expliciet tegen een houding van “computer says no".

 

Hoe evalueert u de vaststelling van de Ombudsdienst Pensioenen dat dossierbeheerders te vaak blindelings vertrouwen op wat het computerprogramma aangeeft?

 

Welke instructies zijn intussen gegeven aan de Federale Pensioendienst en het RSVZ om burgersignalen en tegenbewijs opnieuw grondiger manueel te onderzoeken?

 

Komt er een verplichte controleprocedure vóór men overgaat tot terugvordering van pensioen of IGO wanneer de burger gemotiveerd betwist dat de digitale gegevens correct zijn?

 

Hoe zal u vermijden dat uitzonderlijke of complexe dossiers uit de boot vallen omdat zij niet passen binnen de standaardlogica van de software?

 

De betrokkenen bij deze (en andere) dossiers merkten bovendien op dat zij nooit excuses mochten ontvangen van de Federale Pensioendienst met betrekking tot de aanvankelijk foutieve afhandeling van dit dossier. Excuses zouden nochtans bijdragen aan het geloof van de burger in de overheidsdienst en zouden een positieve impact hebben op de ervaring van de burger met betrekking tot de dienstverlening van de FPD. Worden er instructies gegeven aan de FPD om hun communicatiestijl aan te passen in foutief behandelde dossiers?

 

In zijn Jaarverslag 2025 formuleert de Ombudsdienst Pensioenen een expliciete aanbeveling aan de wetgever om de Belgische beslagwetgeving op pensioenen aan te passen voor gepensioneerden die in het buitenland wonen.

 

Volgens de Ombudsdienst is de huidige regeling strijdig met het vrij verblijf en verkeer in Europa omdat het voor beslag vatbare bedrag verschilt naargelang men in België of in het buitenland woont, zonder rekening te houden met de latere belastingdruk in het woonland.

 

Hoe reageert u op de formele aanbeveling van de Ombudsdienst dat de huidige beslagwetgeving voor pensioenen strijdig is met het Europees recht?

 

Bent u van mening dat gepensioneerden in het buitenland nadeliger worden behandeld dan wie in België woont?

 

Bent u van plan om hierover juridisch advies in te winnen?

 

Hoeveel dossiers van beslag op pensioenen van in het buitenland wonende gepensioneerden zijn potentieel door deze problematiek getroffen?

 

De Ombudsdienst Pensioenen behandelt in zijn Jaarverslag 2025 een dossier waar tewerkstelling bij een internationale organisatie uiteindelijk toch in aanmerking werd genomen voor de loopbaanvoorwaarde van vervroegd pensioen.

 

Dat wijst erop dat de huidige regeling rond internationale en supranationale loopbanen nog steeds rechtsonzekerheid creëert, zeker voor personen die een lange effectieve loopbaan hebben opgebouwd buiten de klassieke Belgische stelsels.

 

Acht u het nog verdedigbaar dat jaren gewerkt bij internationale instellingen in veel gevallen niet meetellen voor de loopbaanvoorwaarde van vervroegd pensioen?

 

Onderzoekt u een aanpassing van de regelgeving zodat deze periodes duidelijker en ruimer in aanmerking kunnen worden genomen?

 

Hoeveel personen worden vandaag door deze lacune getroffen of riskeren daardoor later getroffen te worden?

 

Zal u voor bestaande dossiers een overgangs- of regularisatieregeling uitwerken?

 

De Ombudsdienst Pensioenen roept in zijn Jaarverslag 2025 op om tijdig pensioenvoorschotten toe te kennen.

 

In één dossier bleef een gepensioneerde vijftien maanden zonder enig pensioeninkomen omdat noodzakelijke gegevens uitbleven. In een ander dossier moest een weduwe maanden rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. De Ombudsdienst vraagt dat de FPD sneller en menselijker voorschotten toekent wanneer een definitieve beslissing op zich laat wachten.

 

Hoe verklaart u dat burgers in 2025 nog maandenlang, in één dossier zelfs 15 maanden, zonder pensioeninkomen konden vallen? Ligt dit aan de behandeltermijn van hun dossiers en zo ja, hoe lang is de gemiddelde behandelingstermijn van dossiers bij de FPD?

 

Welke bindende termijnen gelden vandaag voor de toekenning van voorschotten wanneer een definitieve beslissing uitblijft?

 

Komt er een automatisch voorschotmechanisme wanneer de verwerkingstermijn abnormaal lang wordt of wanneer het bestaand inkomen onder de armoedegrens ligt?

 

Hoeveel dossiers kregen in 2025 en 2026 geen tijdig voorschot ondanks een duidelijk financieel risico voor betrokkene?

 

De Ombudsdienst Pensioenen benadrukt in zijn Jaarverslag 2025 dat een fout van de administratie niet automatisch mag leiden tot een terugvordering ten laste van de gepensioneerde.

 

In meerdere dossiers, onder meer rond het supplement minimum, werd na bemiddeling geoordeeld dat terugvordering niet kon omdat de betrokkene niet wist en ook niet moest weten dat te veel pensioen werd uitbetaald. De Ombudsdienst vraagt een correcte toepassing van het criterium “wist of moest weten".

 

Deelt u het standpunt van de Ombudsdienst dat terugvordering na een administratieve fout slechts kan wanneer de gepensioneerde wist of moest weten dat hij te veel ontving?

 

Welke uniforme richtlijnen gelden vandaag binnen de FPD om dat criterium correct en menselijk toe te passen?

 

Hoe vaak werden in 2025 en 2026 terugvorderingen ingetrokken omdat de fout uitsluitend aan de administratie te wijten was?

 

Bent u bereid om de toets “wist of moest weten" explicieter te verankeren in interne instructies of regelgeving, zodat willekeur wordt vermeden?

 

09.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Samyn, de Federale Pensioendienst houdt als lerende organisatie rekening met relevante aandachtspunten en administratieve aanbevelingen. De dienst wacht momenteel op een toelichting door de ombudsman bij het jaarverslag 2025. Parallel werd al gestart met een analyse van dat jaarverslag. Na de zomer, nu dus, is een overleg met de ombudsman gepland, waarbij de betrokken casussen zullen worden overlopen en zal worden nagegaan welke verbetermaatregelen de Federale Pensioendienst al dan niet kan nemen. Dat verloopt conform de gebruikelijke cyclus. In de vorige legislatuur is op dezelfde manier geantwoord op vragen die direct na de publicatie van het jaarrapport zijn gesteld.

 

We hebben het rapport ontvangen en bestudeerd, en gaan de volgende dagen in overleg met de ombudsdienst. Als u het goedvindt, wil ik mij engageren om, wanneer het overleg met de ombudsman heeft plaatsgevonden, u specifiek de antwoorden te bezorgen op de cases die u in uw vraagstelling hebt opgenomen.

 

09.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, het is me nu duidelijk waarom die vragen werden samengevoegd. Het is goed om te vernemen dat samen met de ombudsman een analyse zal worden gemaakt en dat overleg zal plaatsvinden.

 

Het lijkt me bovendien nuttig dat de ombudsman zijn jaarrapport komt voorstellen. Ik heb dat ook al eens voorgesteld aan voorzitter Ducarme. In de vorige legislatuur heeft de ombudsman een of twee keer zijn jaarrapport voorgesteld. Misschien bestaat de mogelijkheid om dat samen met u te doen. Ik zal die vraag nog eens schriftelijk herhalen aan de diensten. Bij een dergelijke presentatie kunnen wij vragen stellen. Het is immers altijd een heel nuttig rapport. U vindt dat ongetwijfeld ook.

 

Ik reken er dus op dat ik de antwoorden krijg op de vragen en ik zal mij dan ook tot deze repliek beperken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

10 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De blijvende uitsluiting van bepaalde loopbanen van het minimumpensioen" (56015069C)

10 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L’exclusion persistante de certaines carrières du droit à la pension minimum" (56015069C)

 

10.01  Ellen Samyn (VB): Het is al enige tijd geleden dat we de kans hebben gekregen om de minister mondelinge vragen te stellen. Het zijn heel drukke weken en maanden geweest, waarvoor ik uiteraard alle begrip heb. Ik hoop echter dat we in de toekomst toch wel op regelmatigere basis kunnen samenkomen. Enkele van mijn vragen die ik onder andere in maart heb ingediend zijn nog niet behandeld. Ik verwijs dus ook in dezen naar mijn schriftelijke ingediende versie.

 

De Ombudsdienst Pensioenen roept in zijn Jaarverslag 2025 op om ook periodes met aansluiting bij de Overzeese Sociale Zekerheid in aanmerking te nemen voor de toegang tot het minimumpensioen.

 

Volgens de Ombudsdienst vormt het niet meetellen van die jaren een hinderpaal voor arbeidsmobiliteit. Tegelijk wijst de Ombudsdienst opnieuw op structurele problemen voor personen met gemengde loopbanen die ondanks een lange loopbaan toch geen toegang krijgen tot het minimumpensioen.

 

Ten eerste, wanneer zult u de aanbeveling uitvoeren om periodes verzekerd via de Overzeese Sociale Zekerheid mee te tellen voor toegang tot het minimumpensioen?

Ten tweede, erkent u dat ook vandaag nog personen met een gemengde loopbaan na 30 jaar of meer arbeid toch uit de boot vallen voor het minimumpensioen?

 

Ten derde, zal de aangekondigde hervorming van het minimumpensioen deze constructiefout volledig wegwerken voor werknemers, zelfstandigen én ambtenaren?

 

Ten vierde, welke budgettaire en juridische obstakels ziet u nog om dit eindelijk structureel aan te pakken?

 

10.02 Minister Jan Jambon: Ik wil toch even opmerken dat ik heel veel ter beschikking sta van het Parlement, ook om vragen te beantwoorden. Blijkbaar was woensdagnamiddag echter niet mogelijk. We hebben verschillende keren een woensdagnamiddag voorgesteld om de oplopende achterstand van de vragen in te lopen, maar dat was voor de commissie niet mogelijk. Ik begrijp de frustratie over de vragen, maar we hebben zeker en vast voorstellen gedaan. De commissie voor Financiën vergadert immers meestal op dinsdag. Ik stond op woensdagnamiddag ter beschikking van deze commissie.

 

Met betrekking tot het stelsel van overzeese sociale zekerheid voorziet het regeerakkoord om dat stelsel te actualiseren en rationaliseren zonder de verworven rechten van de huidige aangeslotenen in te perken. Het betreft een apart socialezekerheidsstelsel, gebaseerd op vrijwillige aansluiting, waarbij deelnemers hun bijdragepercentage zelf kunnen kiezen en dat structureel zwaar verlieslatend is. Ik zal de uitvoering van die passage van het regeerakkoord voorbereiden, samen met de minister van Sociale Zaken.

 

Met de publicatie van de pensioenwet en het beperkingspercentage in het Belgisch Staatsblad is een belangrijke stap gezet in de uitvoering van de pensioenhervormingen. De verdere uitvoering van het hoofdstuk pensioenen uit het regeerakkoord, waaronder de maatregel inzake de samentelling van loopbaanperiodes over de verschillende stelsels heen, dus voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen, zal de komende periode verder worden opgenomen. Het regeerakkoord voorziet dat de toekenningsvoorwaarde van het minimumpensioen voortaan gebaseerd wordt op de effectieve arbeidsprestaties en loopbaanjaren die in de drie stelsels samen zijn gepresteerd.

 

Ik heb al vaak gezegd dat dat na de pensioenhervorming het eerstvolgende is dat ik zal doen. Ik houd mij daaraan, dat zal het eerstvolgende zijn waarmee ik naar het Parlement kom.

 

Die hervorming heeft een zekere complexiteit, zowel wat de juridische als de operationele uitvoering betreft. Zoals gebruikelijk zal de hervorming natuurlijk eerst binnen de regering worden uitgewerkt, waarna de parlementaire behandeling kan worden opgestart. U hebt mijn woord, het zal het eerstvolgende project zijn.

 

10.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, de communicatie met betrekking tot het feit dat u op woensdag naar onze commissie wou komen, is niet tot bij ons geraakt, maar ik ben blij dat u vandaag de tijd neemt.

 

Ik heb genoteerd dat het regeerakkoord erin voorziet. Hebt u daar enige timing voor? Ik weet dat het misschien moeilijk is, maar ik hoop op dit najaar.

 

Het is ook wel goed dat het rapport van de Ombudsdienst Pensioenen beschikbaar is, ook om bepaalde zaken aan te kaarten. Ik hoop dat het zo snel mogelijk wordt rechtgezet en dat er daarbij niet opnieuw verschillen ontstaan tussen werknemers, zelfstandigen en ambtenaren. Wie een lange, effectieve loopbaan achter de rug heeft, moet op een correcte manier toegang kunnen krijgen tot het minimumpensioen, ongeacht de verschillende stelsels waarin die loopbaan werd opgebouwd.

 

De aanbeveling van de Ombudsdienst Pensioenen is er nu en het is aan u om die ongelijkheid weg te werken. Als ik het me goed herinner, mijnheer de minister, hebt u beloofd dat u eerst het minimumpensioen en daarna de IGO zult aanpakken.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

11 Samengevoegde vragen van

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De militairen met een pensioen wegens medische ongeschiktheid" (56015117C)

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De afschaffing van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid voor militairen" (56018520C)

11 Questions jointes de

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La pension pour inaptitude physique des militaires" (56015117C)

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La suppression de la pension pour inaptitude physique des militaires" (56018520C)

 

11.01  Ellen Samyn (VB): Deze vraag zal ik wel toelichten, mijnheer de minister. Ze werd inderdaad al in april ingediend. Ondertussen is het dossier verder geëvolueerd en is de hervorming van het pensioen wegens medische ongeschiktheid verder geconcretiseerd.

 

Het beroep van militair is een bijzonder beroep dat onvermijdelijk bepaalde risico's met zich meebrengt. Militairen kunnen tijdens buitenlandse operaties, maar evenzeer tijdens bijvoorbeeld oefeningen of andere dienstactiviteiten in eigen land ernstig gewond raken. In bepaalde gevallen zijn de fysieke of psychische gevolgen dermate zwaar dat een verdere militaire loopbaan onmogelijk wordt.

 

Tot voor kort stonden statutairen die definitief medisch ongeschikt werden verklaard, onder bepaalde voorwaarden met pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. De regering heeft beslist dat stelsel af te schaffen – wat goed is – en te vervangen door een systeem waarbij arbeidsongeschiktheid, re-integratie en eventuele resterende arbeidscapaciteit centraal staan. Dat roept toch wel een aantal vragen op voor militairen. Een militair kan immers nog over een bepaalde resterende arbeidscapaciteit beschikken, maar tegelijk door zijn fysieke of psychische toestand niet langer voldoen aan de medische en operationele vereisten van Defensie.

 

Dus, mijnheer de minister, hoeveel gewezen militairen ontvangen momenteel nog een pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid? Voor hoeveel militairen die in het verleden wegens lichamelijke ongeschiktheid werden gepensioneerd, werd voorafgaand onderzocht of re-integratie in een andere militaire, administratieve of ondersteunende functie binnen Defensie of een andere overheidsdienst mogelijk was? Beschikt u over cijfers over het aantal militairen bij wie de medische beperkingen een verdere tewerkstelling binnen Defensie volledig onmogelijk maakten? Welk stelsel is sinds de hervorming concreet van toepassing op een militair die tijdens een buitenlandse operatie, een oefening of een andere dienstactiviteit zwaargewond raakt en daardoor definitief ongeschikt wordt voor militaire dienst? Kunt u bijvoorbeeld verduidelijken welke uitkeringen en eventuele andere vergoedingen zo iemand ontvangt?

 

Kunt u garanderen dat de militair die door een ongeval of verwonding tijdens de uitoefening van zijn functie definitief ongeschikt wordt, door de afschaffing van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid financieel niet slechter beschermd wordt dan onder het vroegere stelsel?

 

Ik besef dat al mijn vragen op meerdere ministers betrekking hebben en dat dit niet alleen uw bevoegdheid is, maar ik hoop toch dat u mij van een antwoord kunt voorzien.

 

11.02  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur président, pour ne pas répéter ce que ma collègue vient de dire, je vais essayer de résumer, de sortir un peu du cadre et d'arriver concrètement à la situation que nous connaissons aujourd'hui.

 

Nous savons que, depuis juin 2026, aucun fonctionnaire, y compris militaire, ne peut plus être pensionné suite à une maladie ou un problème physique.

 

Comme la mise à la pension est statutairement la raison légale pour faire perdre la qualité de militaire, la situation qui en résulte est que si un militaire est déclaré inapte définitivement sur le plan médical, la qualité de militaire ne peut pas lui être légalement retirée. C'est la situation aujourd'hui.

 

Un militaire qui serait désormais déclaré définitivement inapte ne peut donc pas être mis à la pension. Il ne perd pas sa qualité de militaire. La seule solution qui existe actuellement est le transfert interne vers la fonction publique ou au sein de la Défense. Cela se limite évidemment aux militaires qui en ont la capacité.

 

Pour l'instant, un bricolage temporaire a été trouvé, en mettant en retrait temporaire d'emploi pour motif de santé les militaires qui présentent un risque d'inaptitude définitive. Ce n'est évidemment, vous en conviendrez, qu'une solution à court terme.

 

Il y a aujourd'hui un vide juridique, que vous avez créé avec cette décision, qui est confirmé par votre collègue de la Défense. Ce vide juridique, en fait, qu’est-ce? C'est le vide entre le moment de cette décision, la vôtre, et les adaptations qui sont à faire du côté de la Défense. Elles ne vont pas se faire d'un coup de cuillère à pot. Ce vide juridique va donc durer pendant quelques années. Cela place certainement les militaires dans une incertitude intolérable.

 

Monsieur le ministre, qu'allez-vous faire pour la suite? Allez-vous suivre votre collègue de la Défense sur l'accord social qu'il essaie de négocier avec les organisations syndicales? Il s’agit de garantir 100 % du salaire si l'inaptitude fait suite au service et 80 % si l'inaptitude n'est pas liée au service. C'est l'accord social prévu du côté de la Défense.

 

Ou allez-vous renvoyer les militaires vers l'INAMI, en les remerciant au passage – ironiquement – du service rendu?

 

11.03  Jan Jambon, ministre: Selon les données de paiement du Service fédéral des Pensions, une pension pour inaptitude physique a été versée à 4 604 anciens militaires en janvier 2025. Selon ces mêmes données de paiement de janvier 2025, 58 de ces pensions pour inaptitude physique ont pris cours en 2024.

 

S'agissant des questions relatives aux possibilités de réintégration au sein de la Défense ainsi qu'à la nature des blessures ou des limitations concernées, il convient de préciser qu'il s'agit de données opérationnelles et médicales auxquelles le Service fédéral des Pensions n'a pas accès.

 

Pour répondre aux autres questions, je tiens à être tout à fait clair: il n'est nullement question de supprimer la pension pour inaptitude physique pour les militaires déjà pensionnés. La mesure prise par ce gouvernement consiste à mettre fin à l'accès à la pension pour inaptitude physique pour les personnes mises à la retraite pour incapacité médicale après le 30 avril 2026.

 

Deux questions de Mme Samyn portent sur les modalités de réintégration ainsi que sur l'intégration dans le régime des indemnités d'incapacité de travail, une matière qui ne relève pas de la compétence du ministre des Pensions.

 

Comme annoncé dans l'exposé des motifs de la loi du 30 mai 2026, l'intégration dans le régime de l'assurance contre l'incapacité de travail et l'invalidité est automatiquement prévue dès lors que les fonctionnaires et les magistrats relèvent du champ d'application de la loi du 20 juillet 1991.

 

Cette loi a par ailleurs été adaptée par mon collègue ministre des Affaires sociales, parallèlement à la réforme des pensions, afin d'inciter chaque employeur à examiner au maximum toutes les possibilités de réintégration d'un membre du personnel. Les modalités concrètes de cette réintégration relèvent de la responsabilité de l'employeur.

 

Les militaires relèvent quant à eux de la loi du 6 février 2003. L'examen des possibilités de réintégration et de mobilité interne s'effectue au sein d'une commission militaire d'aptitude et de réforme et relève de la compétence du ministre de la Défense.

 

Le nombre particulièrement limité de militaires mis à la pension pour inaptitude physique au cours des dernières années montre en tout cas que la Défense peut servir d'exemple par la manière dont elle parvient à réintégrer au sein de l'organisation les militaires déclarés médicalement inaptes.

 

Voor uw verwijzing naar het brutoverlies aan inkomen verwijs ik naar onze eerdere, uitgebreide toelichting daarover in de commissie voor Sociale Zaken en in de memorie van toelichting bij de Pensioenwet.

 

De kwaliteit van de sociale bescherming kan vooreerst niet worden gereduceerd tot een vergelijking tussen het aantal euro's van een gemiddelde ZIV-uitkering en het aantal euro's van een gemiddeld ziektepensioen. Sociale bescherming moet ook kansen creëren, in het bijzonder voor mensen die uitvallen of dreigen uit te vallen. Sociale bescherming omhelst ook preventie en welzijn op het werk. Als iemand langdurig ziek is geworden, zorgt sociale bescherming ervoor dat we investeren in de terugkeer van die mensen en eventueel via progressieve werkhervatting zoeken naar herinschakeling op maat. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de hervorming volledig in het belang is van de betrokkenen.

 

In het geval waarin een ambtenaar wegens medische ongeschiktheid definitief met pensioen wordt gestuurd, gebeurt de pensioenberekening volgens dezelfde regels als bij een rustpensionering. Dat betekent dat de berekening rekening houdt met de loopbaanduur. Voor jongere ambtenaren of ambtenaren met een beperkte loopbaan resulteert dat doorgaans in een heel laag pensioenbedrag. Daardoor komt een definitief arbeidsongeschikte ambtenaar vaak in een kwetsbare positie terecht, aangezien er na de pensionering geen bijkomende pensioenopbouw meer mogelijk is. Ter illustratie geef ik mee dat meer dan 50 % van de ambtenaren met een ziektepensioen een beroep moet doen op een supplement gewaarborgd minimum, omdat zijn of haar ziektepensioen zo laag is.

 

Wanneer de betrokken ambtenaar bij definitieve arbeidsongeschiktheid echter wordt ondergebracht in het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, kan hij aanspraak maken op vervangingsuitkeringen binnen dat stelsel en komt hij in aanmerking voor re-integratietrajecten.

 

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting is het regeerakkoord een consistent geheel en wijdt de regering ook veel aandacht aan de ziektepreventie en de re-integratie van langdurig zieken. Dat betekent immers een hoge kans op een nieuwe tewerkstelling met een bijhorend arbeidsinkomen en een hogere pensioenopbouw in het hervormde stelsel.

 

De betrokkene blijft ook pensioenrechten opbouwen gedurende de periode waarin hij vervangingsuitkeringen ontvangt. Dat versterkt de totale pensioenopbouw op langere termijn en biedt vanuit sociaal oogpunt een gunstigere bescherming dan een vroegtijdige pensionering zonder bijkomende opbouw van pensioenrechten.

 

Bij de beleidsmatige evaluatie van de levensstandaard bij ongewijzigd beleid en in het hervormde scenario is het ook van cruciaal belang dat de positieve impact van de responsabilisering van de werkgever op het ziektepreventie- en re-integratiebeleid bij zijn personeel mee in rekening wordt gebracht.

 

11.04  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik heb begrepen dat ik mij voor een aantal vragen tot uw collega's moet richten, wat ik niet zal nalaten om te doen.

 

We hebben het in deze commissie al veelvuldig gehad over de hervorming van het medisch pensioen en de re-integratie van mensen die nog arbeidscapaciteit hebben, maar militairen bevinden zich toch in een bijzondere positie. Daarom wilde ik uw aandacht daarop vestigen. Wie voor Defensie op operatie wordt gestuurd of deelneemt aan militaire oefeningen, aanvaardt risico's die onlosmakelijk verbonden zijn met het beroep. Wie daarbij zwaargewond raakt en daardoor zijn militaire loopbaan moet beëindigen, heeft niet zelf voor die situatie gekozen. Bovendien is er een belangrijk verschil tussen nog enige arbeidscapaciteit hebben en nog geschikt zijn om als militair te functioneren. Ook psychische letsels mogen daarbij niet vergeten worden.

 

Daarom vraag ik u en uw bevoegde collega's om toch voor een zaak garant te staan. Een militair die tijdens de uitoefening van zijn functie zwaargewond raakt, mag door deze hervorming financieel niet de rekening gepresenteerd krijgen voor de risico's die hij in dienst van dit land heeft genomen. Wanneer re-integratie mogelijk is, moet Defensie uiteraard eerst ernstig bekijken welke aangepaste functies nog mogelijk zijn. Voor die mensen hebt u samen met uw federale collega's een bijzondere verantwoordelijkheid.

 

11.05  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, nous sommes d'accord en ce qui concerne la réintégration. J'avais personnellement mis un point d'attention sur la possibilité de réintégrer les militaires blessés, que ce soit à la Défense dans des fonctions civiles ou dans d'autres départements de la fonction publique. C'est quelque chose qui se fait, mais ce n'est pas possible pour tout le monde.

 

Monsieur le ministre, ma question aujourd'hui visait à vous dire que vous avez donné une date mais que, pour le moment, quelques militaires sont en attente d'une décision en raison de ce vide juridique. J'entends que vous dites qu'il faut poser des questions au ministre de la Défense. Le ministre de la Défense, de son côté, dit qu'il y a un accord social, mais le ministre des Pensions ne semble pas d'accord avec cela. Vous nous renvoyez ainsi d'un côté et de l'autre. Vis-à-vis des militaires aujourd'hui dans l'incertitude, se renvoyer la balle n'est pas très responsable. Il faudra à un moment donné trancher. Vous êtes collègues au sein d'un même gouvernement, vous êtes du même parti politique, et il va donc falloir vous mettre d'accord dans l'intérêt de nos militaires.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Présidente: Ellen Samyn.

Voorzitster: Ellen Samyn.

 

12 Questions jointes de

- Raoul Hedebouw à Bart De Wever (premier ministre) sur "Les pensions" (56015128C)

- François De Smet à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le rapport du Comité d'Étude sur le Vieillissement en termes d'impact sur les futures pensions" (56018013C)

- Ludivine Dedonder à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le rapport annuel 2026 du Comité d'Étude sur le Vieillissement et le niveau des pensions futures" (56018527C)

- Robin Tonniau à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le rapport annuel du Comité d’Étude sur le Vieillissement" (56018539C)

12 Samengevoegde vragen van

- Raoul Hedebouw aan Bart De Wever (eerste minister) over "De pensioenen" (56015128C)

- François De Smet aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het rapport van de Vergrijzingscommissie over de gevolgen voor de toekomstige pensioenen" (56018013C)

- Ludivine Dedonder aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het jaarverslag 2026 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing en de toekomstige pensioenen" (56018527C)

- Robin Tonniau aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "Het jaarlijkse verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing" (56018539C)

 

12.01  François De Smet (DéFI): Le rapport 2026 du Comité d'étude sur le vieillissement, largement commenté ce 10 juillet, indique que la hausse des coûts du vieillissement est désormais mieux maîtrisée : le fédéral serait en voie de réduire de moitié la hausse des dépenses de pension à l'horizon 2070, celles-ci ne représentant plus que 1,5 % de PIB supplémentaire, les dépenses sociales culminant à 27,2 % du PIB vers 2050, ce dont vous vous êtes réjoui.

 

Le même rapport annonce toutefois une baisse sensible du niveau de vie relatif des pensionnés à partir de 2035 et une hausse du risque de pauvreté pour ceux qui partiront à la retraite dans une dizaine d'années. Les universités flamandes envisagent déjà de compenser la perte de pension de leurs professeurs par un deuxième pilier renforcé.

 

La réforme des pensions de 2025 (conditions de carrière, malus, plafonnements) explique l'essentiel de l'infléchissement de la trajectoire. Statbel rappelle par ailleurs que l'espérance de vie à la naissance a encore progressé, à 82,5 ans

 

L'équilibre entre soutenabilité budgétaire et adéquation des pensions — objectif consacré tant par l'accord de gouvernement que par les recommandations européennes — est donc directement remis en cause.

 

En conséquence, M. le ministre peut-il me faire savoir:

 

1° s’il confirme  les projections du rapport 2026 du CEV, tant sur la réduction de la trajectoire de dépenses que sur la dégradation du taux de remplacement et du niveau de vie relatif des pensionnés à partir de 2035 ?

 

2° Dans l’affirmative, les catégories (femmes, carrières mixtes, pensions minimales) qui seront  les plus affectées?

 

3° s’il dispose d'une évaluation chiffrée du risque de pauvreté des futurs pensionnés à l'horizon 2035-2050, ventilée par Région et par genre?

 

4° les mesures correctrices envisagées — renforcement de la pension minimale, accès élargi au deuxième pilier pour les bas salaires et les agents contractuels, mécanisme de liaison au bien-être — afin que l'assainissement ne se fasse pas au prix d'un déclassement des pensionnés?

 

12.02  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, le rapport annuel 2026 du Comité d'Étude sur le Vieillissement, publié en juillet, nous confirme que votre réforme des pensions va appauvrir les pensionnés.

 

En effet, il fait état d’un rapport entre pension brute moyenne et revenu du travail inférieur d'environ 13 % en 2070 par rapport à 2025. Cela signifie que les pensions progresseront moins vite que les salaires. Si le risque de pauvreté des pensionnés a reculé de 15,6 % en 2021 à 8,5 % en 2024, ce sont donc les générations qui partiront à la retraite dans les prochaines décennies qui paieront le prix de votre réforme, basée sur une austérité pure et dure.

 

Monsieur le ministre, alors que le pouvoir d’achat est un enjeu majeur – en particulier pour les bas revenus – confirmez-vous cette dégradation relative des pensions? Quelles catégories seront les plus exposées? Disposez-vous d'une ventilation par genre et par région? Une évaluation chiffrée du risque de pauvreté des futurs pensionnés a-t-elle été réalisée à l'horizon 2050? Enfin, envisagez-vous des mesures correctrices, telles que la revalorisation de la pension minimale, un accès élargi au deuxième pilier pour les bas salaires et les agents contractuels, ou encore un mécanisme de liaison au bien-être?

 

12.03  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, in juli publiceerde de Studiecommissie voor de Vergrijzing haar jaarlijks verslag. Waar de vakbonden en de PVDA al maanden voor gewaarschuwd hebben, wordt daarin bevestigd. Het Federaal Planbureau zegt dat de gepensioneerden eigenlijk relatief armer zullen worden tegenover hun actieve collega's door de pensioendiefstal van uw regering. Ze zullen niet een klein beetje armer worden. Ze gaan met 13 % achteruit tegen 2070 en worden dus 13 % armer.

 

Vandaag al zitten al heel veel gepensioneerden in een moeilijke situatie. Velen onder hen kunnen niet eens meer een kamer in een rusthuis betalen met hun pensioen. Ze moeten daarvoor een beroep doen op hun kinderen, hun spaargeld of zelfs hun woning verkopen. Een gemiddelde kamer in een rusthuis kost 2.359 euro. Dat is 572 euro meer dan een gemiddeld pensioen. Dat zou toch omgekeerd moeten zijn, mijnheer de minister. Men zou toch een beetje geld moeten overhouden nadat men het rusthuis heeft betaald.

 

U hebt altijd gezegd dat u de pensioenhervorming doorvoert om de pensioenen van de kinderen en onze kleinkinderen te redden. Wat blijkt nu? Ze zullen het een pak slechter hebben dan de gepensioneerden van vandaag. Dat uw plan geen plan is om de pensioenen te redden, maar wel om minder pensioen uit te betalen, staat nu zwart op wit.

 

Ik heb twee vragen voor u. Ten eerste, hoeveel zal de benefit ratio in 2070 bedragen volgens die prognose? Ten tweede, de levensstandaard van gepensioneerden zal aanzienlijk achteruitgaan. In welke mate denkt u dat dit sociaal houdbaar is?

 

12.04 Minister Jan Jambon: Ik wil vooreerst verduidelijken dat het jaarverslag 2026 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing geen nieuwe elementen bevat ten opzichte van het rapport dat het Federaal Planbureau in april publiceerde. Het jaarverslag herneemt met andere woorden de cijfers zoals die gepresenteerd worden in de finale doorrekening van de pensioenhervorming. Daarbij hoort ook de projectie van de afnemende vervangingsratio en de benefit ratio. De benefit ratio is een macro-economisch concept dat het gemiddelde pensioen dat in een bepaald jaar wordt uitbetaald, deelt door het gemiddelde loon dat in datzelfde jaar wordt uitbetaald. Die verhouding biedt op zich geen informatie over armoede en zegt niets over de ongelijkheid tussen hoge en lage pensioenen. Ze meet met andere woorden een gemiddelde en geen verdeling.

 

Om het effect op de levensstandaard van gepensioneerden correct in te schatten, heb ik steeds benadrukt dat het niet aangewezen is om te kijken naar het brutopensioen van een individu, maar naar het equivalent beschikbaar inkomen op huishoudniveau. Daarbij wordt rekening gehouden met de personenbelasting, de sociale bijdragen en de omvang en samenstelling van het huishouden. Dat is ook de internationale standaardpraktijk voor sociale indicatoren.

 

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

 

Wanneer die correcte maatstaf wordt gehanteerd, blijkt de impact van de pensioenhervorming op de inkomensongelijkheid tussen gepensioneerden veel beperkter, namelijk 0,5 % tot 1,5 %, dan wat de daling van de benefit ratio op individueel niveau zou doen vermoeden. De veel grotere impact op de brutopensioenen op individueel niveau bedraagt immers 2,4 tot 9,1 %. De pooling van inkomens binnen het huishouden verklaart dat verschil. De daling van de benefit ratio geeft dus wel een signaal over de trend in de gemiddelde pensioenadequaatheid, maar overschat op zich de impact op de effectieve levensstandaard en ongelijkheid van gepensioneerden.

 

U informeerde naar een uitsplitsing per gewest, maar daarvoor beschikken we niet over de nodige gegevens. De uitsplitsing per geslacht staat wel in het rapport en geeft een gemengd beeld. Door de hervorming verkleint de genderpensioenkloof bij de mensen die al gepensioneerd zijn. Het pensioen van mannen daalt iets sterker dan dat van vrouwen, vooral door de beperkte indexering van de hoogste ambtenarenpensioenen. Bij de nieuwe gepensioneerde werknemers en zelfstandigen heeft de hervorming op langere termijn een iets grotere impact bij vrouwen dan bij mannen, waardoor de genderpensioenkloof bij hen iets vergroot. Bij ambtenaren is dat omgekeerd, waardoor de genderpensioenkloof bij hen verkleint. Dat effect is bovendien gebaseerd op de veronderstelling dat de kloof in de werkzaamheidsgraad en de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die de afgelopen decennia aanzienlijk zijn gedaald, in de toekomst niet verder zouden dalen.

 

En ce qui concerne les catégories les plus affectées, il convient tout d’abord de bien distinguer deux notions qui sont souvent confondues: les pensions les plus basses et les pensions minimums. Il ne s’agit pas de la même catégorie. Cette distinction est essentielle pour comprendre les effets du malus. En effet, le malus ne s’applique qu’aux personnes remplissant les conditions d’un départ anticipé à la pension après 42 années de carrière. Or les bénéficiaires des pensions les plus basses ne remplissent pas cette condition. Le malus vise donc un groupe précis et clairement identifié: les personnes qui, au cours de cette carrière de 42 ans, ont bénéficié pendant plus de sept années d’allocations de l’ONEM au titre du chômage de longue durée, du régime de chômage avec complément d’entreprise (RCC) ou de jours non prestés dans le cadre d’un dispositif de fin de carrière.

 

Par ailleurs, la pension minimum garantie demeure intégralement préservée dans le cadre du pourcentage de limitation. Pour les carrières mixtes de salarié et d’indépendant, un plafond spécifique a été prévu afin d’éviter tout contournement. Le pourcentage de limitation s’applique d’abord au calcul de la pension de salarié, et c’est ce montant, avant application de la mesure, qui sert de base au calcul de la pension minimum dans le régime des indépendants. Le Bureau fédéral du Plan conclut à un impact nul sur le risque de pauvreté, y compris pour les futurs pensionnés. La réforme ne fait aucune distinction entre les hommes et les femmes, ni en ce qui concerne l’âge, ni en ce qui concerne la durée de carrière, ni en ce qui concerne l’accès aux droits. Toute différence résulte d’inégalités de carrière antérieure, que la Cour constitutionnelle a toujours refusé de corriger au moyen de règles dérogatoires.

 

Sur les 8 492 personnes qui demeureraient effectivement exposées au malus, selon les calculs du SFP réalisés en 2023, la répartition entre les hommes et les femmes est comparable. La trajectoire du malus a d’ailleurs été délibérément indexée sur l’année de naissance plutôt que sur la date de départ à la pension, précisément afin d’éviter d’avantager systématiquement les hommes qui partent plus tôt après une longue carrière. Le taux d’emploi féminin continuant de progresser, l’exposition résiduelle des femmes à ce dispositif ne peut que diminuer au fil du temps.

 

Dan kom ik aan de tweede en derde pensioenpijler. Het regeerakkoord voorziet een beperking van het pensioen van statutaire ambtenaren, met name via de gefaseerde overstap van eindloon naar middelloon en parallel de toekomstige opbouw van een aanvullend pensioen voor statutaire ambtenaren.

 

Op 21 april 2026, na de definitieve vastlegging van de Arizona-pensioenhervorming, heb ik de FSMA, de FPD en Sigedis per brief opdracht gegeven de werkzaamheden op te starten voor de berekening van het kantelpunt per categorie van statutaire ambtenaren.

 

De voorbije maanden hebben medewerkers van die drie instellingen, in overleg met mijn beleidscel, de personeelscategorieën, de barema's en de bestaande aanvullende pensioenstelsels in de openbare sector in kaart gebracht. Het doel is te bepalen vanaf wanneer het wettelijk pensioen van een statutair ambtenaar gelijk wordt aan het totale pensioen van een contractueel ambtenaar en vanaf wanneer de opbouw van een aanvullend pensioen voor statutaire ambtenaren dus zou moeten starten. Het kantelpunt wordt bepaald door factoren die afhangen van het personeelsstatuut, maar ook van individuele kenmerken en individuele keuzes.

 

Met betrekking tot de derde pijler heb ik deze zomer een voorstel op tafel gelegd om die goedkoper en vooral fiscaal aantrekkelijker te maken. Dat wordt momenteel verder bekeken binnen de regering.

 

12.05  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, vous semblez confirmer l'analyse du Comité d’Étude sur le Vieillissement; en tout cas, vous ne niez pas la trajectoire d'appauvrissement des pensions que cette analyse contient. Je note également le rappel de votre argument au nom du gouvernement: la réforme ne fait pas de différence entre les hommes et les femmes. Oui, encore heureux! Mais c'est toujours le même problème: la plupart de vos réformes font comme si les hommes et les femmes avaient eu des carrières comparables, ce qui, une fois encore, n'est pas le cas, vu la part importante du travail domestique assumée par les femmes. C'est là tout le problème, et vous le savez très bien.

 

12.06  Ludivine Dedonder (PS): Monsieur le ministre, cet énième rapport démontre une fois de plus l'appauvrissement des pensionnés, aujourd'hui et demain. Votre grand slogan, c'était "de l'austérité pour équilibrer les budgets". Or, selon les projections, notre déficit sera de 44,5 milliards d'euros à l'horizon 2030. C'était aussi "de l'austérité pour garantir des pensions dignes à nos enfants et à nos petits-enfants". Pourtant, ce rapport démontre que les futures générations auront des pensions encore plus faibles.

 

Vous dites qu'il ne faut pas se baser sur le brut mais qu'il faut voir le disponible. Pensez-vous réellement que les pensionnés, aujourd'hui et demain, auront plus en poche avec les mesures que vous prenez – indexation des pensions rabotée, augmentation des coûts pour se chauffer, se déplacer, se soigner et pour acheter des médicaments? Je pense que le revenu disponible ne sera certainement pas plus intéressant à l'avenir, bien au contraire!

 

C'est donc un choix délibéré de ce gouvernement de s'attaquer aux pensionnés, au-delà des travailleurs et des malades. C'est une injustice profonde. Nous avons déjà eu l'occasion de le dire, et nous avons aussi, avec le Parti Socialiste, porté des contre-propositions. Je vous invite, aujourd'hui encore, à les analyser.

 

12.07  Robin Tonniau (PVDA-PTB): Mijnheer de minister, u doet precies alsof de pensioenen van de mensen zullen stijgen, maar zij zullen dalen. Dat zegt ook het rapport van de Vergrijzingscommissie. België heeft juist een superhoge pensioenval: het verschil tussen het laatste loon en het eerste pensioen bedraagt gauw 40 %. Van de ene maand op de andere moet men het met 40 % minder inkomen doen. De Vergrijzingscommissie zegt dat dat verschil dreigt groter te worden. U doet alsof dat geen probleem is. Mensen kunnen dat combineren met een inkomensgarantie-uitkering. Ze hebben misschien nog een gezin, ze hebben misschien nog spaargeld, ze kunnen misschien gaan flexi-jobben. Dat is eigenlijk de oplossing die u naar voren schuift.

 

U doet alsof er geen probleem is, maar wij zien dat er veel problemen zijn bij de gepensioneerden. Ik heb het al gezegd: ze kunnen amper nog hun rusthuisfactuur betalen zonder hulp te vragen aan hun kinderen. Dat is een groot probleem. Het is denigrerend voor mensen die een leven lang hebben gewerkt, dat ze bij hun kinderen geld moeten vragen om hun rusthuisfactuur te betalen of dat ze hun huis moeten verkopen om hun rusthuisfactuur te kunnen betalen.

 

Mijnheer de minister, er is dus een groot probleem. Onze pensioenen zijn al laag en ze worden nog lager. Mensen zullen nog meer in armoede terechtkomen, maar u doet gewoon voort en trekt zich daar niets van aan. We zien de gevolgen daarvan in onze samenleving. U schuift de problemen door naar de volgende generaties in plaats van ze op te lossen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

13 Question de Sofie Merckx à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les pensions dorées des institutions européennes" (56015172C)

13 Vraag van Sofie Merckx aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De Europese graaipensioenen" (56015172C)

 

13.01  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, j'avais déjà introduit cette question de suivi au mois d'avril.

 

Pour revenir brièvement sur les faits, à l'été 2025, nous avons voté ici le fait que les pensions européennes ou internationales devaient également être prises en compte dans le plafond Wijninckx. Cela a été inscrit tant dans la loi-programme que dans le règlement des pensions des députés.

 

En février 2026, le PTB a révélé que cette loi n'était en réalité pas appliquée. En effet, plusieurs personnes, qu'il s'agisse de responsables politiques ou éventuellement de hauts fonctionnaires, refusaient de collaborer avec les services des Pensions. Ainsi, des personnes comme M. Louis Michel ou M. Reynders pouvaient continuer à percevoir des pensions allant de 12 000 à 16 000 euros par mois, ce qui est tout de même assez (…)

 

Le président: J'attire votre attention sur le fait que les personnes que vous interpellez ne sont pas là pour se défendre. Vous visez personnellement des personnes dans cette commission. Quel que soit le parti de ces personnes, je trouve cela déplacé.

 

13.02  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Oui, j'entends que vous considérez cela comme déplacé. Pour ma part, je trouve déplacé que quelqu'un comme Louis Michel continue à accorder des interviews dans la presse pour expliquer qu'il a beaucoup travaillé et qu'il mérite une pension de 16 000 euros.

 

Le président: Voulez-vous aussi qu'il se taise? Pensez-vous qu'il devrait être privé de sa liberté d'expression? Est-ce ce que vous souhaitez?

 

13.03  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Pas du tout.

 

Le président: Mais vous avez indiqué que les interviews de M. Louis Michel dans la presse vous dérangeaient. Estimez-vous qu'il devrait désormais cesser de s'exprimer publiquement?

 

13.04  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Non, monsieur Ducarme. M. Michel alimente lui-même le débat public. C'est précisément ce que je vous dis. M. Michel participe au débat public. Il explique à tout le monde qu'il mérite une pension de 16 000 euros parce qu'il a travaillé dur.

 

Non, il y a une loi qui prévoit 8 000 euros brut. Je pense que c’est assez pour tout le monde.

 

Monsieur le ministre, je reviens à ma question. Je ne sais pas si M. Ducarme a essayé de me déstabiliser.

 

13.05  Denis Ducarme (MR): (…)

 

13.06  Sofie Merckx (PVDA-PTB): En tout cas, vous arrivez à me perturber. Je n’arrive plus à poser ma question.

 

Les anciens responsables politiques, mais aussi certains fonctionnaires, refusent de collaborer. Monsieur Jambon, je vous avais interpellé en séance plénière à ce sujet, et vous m’aviez indiqué que vous souhaitiez présenter un projet de loi permettant de suspendre le paiement des pensions belges lorsqu’ils refusent de collaborer avec le Service fédéral des Pensions et de communiquer les informations relatives à leur pension étrangère.

 

Je dois vous avouer que le fait que nous ayons besoin d'une loi supplémentaire pour exécuter une loi que nous avions déjà votée m'avait quelque peu étonné. C’était pourtant votre réponse.

 

Entre-temps, nous avons appris par la presse qu’à la fin du mois de juin, vous aviez approuvé un avant-projet de loi en Conseil des ministres à ce sujet.

 

Par ailleurs, l’ASBL Pension des Députés a également décidé de suspendre la pension belge des personnes qui ne collaborent pas. C’est une victoire, même si ce n’est pas exactement la même chose, et cela concerne donc les responsables politiques dont je viens de parler.

 

Dès lors, où en êtes-vous aujourd’hui avec ce texte? Va-t-il bientôt arriver au Parlement? Y a-t-il actuellement des contentieux juridiques à ce sujet? Pouvez-vous également nous indiquer combien de personnes sont concernées? Avez-vous aujourd’hui une estimation des économies qui pourraient être réalisées si la loi était effectivement appliquée en Belgique et que le paiement de ces surpensions était suspendu?

 

13.07  Jan Jambon, ministre: Madame Merckx, comme vous avez introduit votre question en néerlandais, je vais y répondre en néerlandais, si cela ne pose pas problème. Je sais que vous êtes parfaitement bilingue – et moi, j’essaie.

 

Mevrouw Merckx, aangezien er momenteel nog geen rechtsgrond voorhanden is die uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van de betaling van het Belgisch pensioen wanneer de betrokkene weigert om het bedrag van zijn pensioen van een internationale organisatie mee te delen, kan de Federale Pensioendienst nog niet overgaan tot de schorsing van de pensioenen van de betreffende politici. Ook de Europese instellingen weigeren om de bedragen van de pensioenen die zij uitbetalen mee te delen, omdat zij menen dat de Belgische wetgeving in strijd zou zijn met het EU-recht. Het overleg met de Europese Commissie daaromtrent is momenteel lopende.

 

Het voorontwerp van wet tot uitbreiding van de wettelijke regeling voor de preventieve schorsing van de betaling van het pensioen in de publieke sector werd eind juni in eerste lezing goedgekeurd door de ministerraad. Momenteel wordt het ontwerp besproken in de schoot van de sociale onderhandelingscomités van de publieke sector. U weet dat de tekst daarna naar de regering terugkeert in tweede lezing. Vervolgens moeten we het advies van de Raad van State vragen. Daar gaat altijd wel een tijdje over. We zitten momenteel in de fase net voor de tweede lezing.

 

Wat uw derde vraag betreft, zijn er reeds frequente contacten geweest tussen de Kamer en de FPD met betrekking tot dienstverlening en het beheer van de pensioenen van de parlementsleden. Die contacten worden voortgezet in de nabije toekomst.

 

Een volledige dienstverlening op korte termijn is niet haalbaar, gezien de bestaande discrepanties tussen het wettelijk pensioenstelsel en het pensioenreglement van de Kamer en de voorrang die de FPD momenteel dient te geven aan de implementatie van de pensioenhervorming.

 

Er zijn wel voorstellen om op korte termijn alvast gedeeltelijk tegemoet te komen aan de vraag tot ondersteuning en dienstverlening in het beheer van de pensioenen van de parlementsleden. Zo kan bijvoorbeeld worden gestart met een gegevensuitwisseling die alle nuttige informatie over de pensioenen bevat, zodat onder andere cumulatiebeslissingen steeds op basis van correcte gegevens kunnen gebeuren.

 

Om nu te weten welke besparing daarvoor mogelijk is, moeten we uiteraard de gegevens hebben, en die hebben we op dit moment niet.

 

13.08  Sofie Merckx (PVDA-PTB): Monsieur le ministre, je continuerai quand même à revenir là-dessus, parce que je trouve que le dossier prend beaucoup de temps. Cette loi a été votée en été 2025 et aujourd'hui, elle n'est pas exécutée.

 

Ils invoquent des raisons juridiques. Certains ont pris des avocats. Mais quand la loi, par exemple, de limitation des allocations de chômage dans le temps est votée, elle est exécutée. Elle est exécutée en temps et en heure.

 

Ici, des personnes refusent de collaborer. On leur donne finalement raison de ne pas collaborer, puisqu’on traîne et on n'exécute pas la loi. Je ne comprends pas pourquoi ce n'est toujours pas exécuté.

 

En ce qui concerne spécifiquement les pensions des politiques, pour qu’elles ne soient plus gérées ici par l’ASBL mais par le Service fédéral des Pensions, vous dites qu'il y a une différence. Mais oui, aujourd'hui, la pension des députés n'est pas encore calculée comme la pension des travailleurs et des travailleuses de ce pays. C'est pour cela que le Service fédéral des Pensions ne veut pas reprendre le dossier.

 

Là aussi, je pense qu'il est temps d'agir en urgence. Il n’y a pas de raison pour que les politiciens soient traités autrement que les citoyens lambda de ce pays.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

14 Questions jointes de

- Sarah Schlitz à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La divergence entre la législation belge et les règles européennes concernant la pension des pilotes" (56015666C)

- Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La question des retraites des pilotes et son renvoi vers un débat européen" (56015727C)

- Isabelle Hansez à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les pilotes de ligne et l'incohérence entre âge de la pension et réglementation européenne" (56015987C)

14 Samengevoegde vragen van

- Sarah Schlitz aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De discrepantie tussen de Belgische en de Europese regels aangaande het pensioen van piloten" (56015666C)

- Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De pensioenproblematiek van piloten en de doorverwijzing naar een Europees debat" (56015727C)

- Isabelle Hansez aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De discrepantie tussen de pensioenleeftijd en de Europese regelgeving voor lijnpiloten" (56015987C)

 

14.01  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, depuis plusieurs mois, les syndicats du secteur aéronautique alertent au sujet d'une contradiction entre le système des pensions et la réglementation européenne applicable aux pilotes. D'un côté, la Belgique relève l'âge légal de la pension à 66, puis 67 ans. De l'autre, les règles européennes interdisent aux pilotes de poursuivre leur activité après 65 ans. Donc, à cet âge, ils perdent purement et simplement leur licence.

 

Chemin faisant, ce n'est plus une question théorique. Un pilote de Brussels Airlines, arrivé à 65 ans, vient d'être licencié sans indemnités, parce qu'il ne peut plus voler. Il se retrouve plongé dans un vide social: trop âgé pour exercer, mais pas suffisamment pour accéder à la pension. Ce cas illustre une limite profonde de vos réformes. En effet, les règles générales qui ont été élaborées ne tiennent pas suffisamment compte des réalités professionnelles de certains secteurs.

 

Demain, avec le passage de l’âge légal à 67 ans, la zone grise s’étendra encore. C’est une incohérence structurelle, et non pas une difficulté marginale, produite par une réforme insuffisamment articulée aux réalités du métier.

 

Monsieur le ministre, vous avez par ailleurs renvoyé une partie de la solution vers le secteur, en évoquant la formation. Les syndicats répondent qu'être instructeur exige aussi une licence et que ce n'est pas aux travailleurs de payer individuellement une incohérence entre deux cadres légaux connus depuis des années.

 

Monsieur le ministre, quelle solution concrète apportez-vous à ce vide juridique d'un an – bientôt deux? Le régime de chômage temporaire pour force majeure médicale, qui couvre précisément le travailleur apte, mais inapte à exercer sa fonction, est-il mobilisable dans cette situation? Une instruction a-t-elle été donnée à l'ONEM en ce sens?

 

Les pilotes commerciaux du secteur privé seront-ils couverts par une exception sectorielle pour le malus, et selon quelles modalités?

 

L'employeur est-il tenu de rechercher une fonction adaptée? Un licenciement sans indemnités, dans une situation causée par la collision de deux cadres légaux, est-il acceptable?

 

Enfin, au-delà des pilotes, quelles garanties allez-vous prévoir ou avez-vous prévues pour les autres métiers soumis à des contraintes légales, médicales ou de sécurité particulières?

 

14.02  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, we hebben het over de pensioenproblematiek van de piloten al gehad tijdens de bespreking van de pensioenhervorming in de commissie. Ik verwijs daarom naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

De voorbije dagen konden we in de media opnieuw lezen dat de onrust in de luchtvaartsector verder toeneemt. Belgische piloten hebben een stakingsaanzegging ingediend nadat een 65-jarige piloot van Brussels Airlines zonder vergoeding zou zijn ontslagen, omdat hij de leeftijdsgrens had bereikt en daardoor zijn activiteiten als commercieel piloot niet langer mocht uitoefenen. Dat is geen losstaand incident, maar een gevolg van een structurele spanning tussen enerzijds de Belgische pensioenregels en anderzijds de Europese luchtvaartregelgeving.

 

De Europese regels zijn op dat punt duidelijk: wie de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, mag niet langer optreden als piloot van een vliegtuig dat wordt ingezet voor commercieel luchtvervoer. Tegelijk stijgt in België de wettelijke pensioenleeftijd naar nu 66 en vervolgens 67 jaar in 2030. Daardoor dreigt voor een aantal piloten een vacuüm te ontstaan waarin zij te oud zijn om hun beroep nog uit te oefenen, maar nog niet oud genoeg zijn om met wettelijk pensioen te gaan. 

 

Tijdens de bespreking in commissie aangaande de pensioenhervorming verwees u naar gesprekken op Europees niveau, wanneer precies zullen deze gesprekken worden gevoerd?

 

Heeft u hierover intussen al formeel of informeel contact gehad met de Europese Commissie, EASA of met collega-ministers uit andere lidstaten?

 

Wat is exact de Belgische positie die u daar zult verdedigen: pleit u voor een verhoging van de leeftijdsgrens van 65 naar 67 jaar, voor een uitzonderingsregeling voor bepaalde categorieën, of voor een andere oplossing?

 

Welke concrete oplossing voorziet u intussen voor Belgische piloten die vandaag al in het vacuüm terechtkomen tussen het verlies van hun vlieglicentie en de wettelijke pensioenleeftijd?

 

Bent u alsnog bereid om, in afwachting van een Europese oplossing, een -al dan niet tijdelijke- regeling uit te werken?

 

Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van de werkgever in dergelijke dossiers? Moet een werkgever verplicht nagaan of aangepast werk mogelijk is alvorens tot ontslag over te gaan?

 

Welke garanties biedt u, naast de piloten, aan andere beroepsgroepen die omwille van wettelijke, medische of veiligheidsredenen hun functie niet meer kunnen uitoefenen vóór zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken?

 

14.03  Isabelle Hansez (Les Engagés): Monsieur le ministre,

 

Je vous avais déjà interrogé à ce sujet il y a quelques semaines, en attirant votre attention sur la situation particulière des pilotes, confrontés à une contradiction entre la législation européenne et notre cadre national en matière de pensions.

 

Aujourd’hui, l’actualité donne à cette problématique une acuité particulière, puisqu’un préavis de grève a été déposé dans le secteur aérien, à la veille des vacances d’été, en raison des conséquences concrètes de cette situation.

 

Pour rappel, si l’âge légal de la pension est désormais fixé à 66 ans, la réglementation européenne interdit aux pilotes de ligne d’exercer des vols commerciaux au-delà de 65 ans.

 

Il en résulte une zone grise d’un an durant laquelle ces travailleurs ne peuvent plus exercer leur activité, tout en n’ayant pas nécessairement accès à une pension complète.

 

Cette situation crée une insécurité importante pour les travailleurs concernés, mais aussi des tensions sociales croissantes dans un secteur stratégique pour notre économie et notre mobilité.

 

Vous avez indiqué récemment que cette problématique devait notamment être abordée au niveau européen, tout en évoquant la possibilité de solutions sectorielles ou de réorientation professionnelle.

 

Dès lors, monsieur le ministre :

 

1) Quelles démarches concrètes ont été entreprises depuis nos derniers échanges afin de résoudre cette incohérence entre l’âge de la pension et les règles européennes applicables aux pilotes ?

 

2) Des solutions transitoires sont-elles envisagées au niveau national pour éviter cette “année blanche” entre 65 et 66 ans ?

 

3) Enfin, avez-vous engagé des concertations avec le secteur afin de prévenir une escalade sociale à l’approche des vacances d’été ?

 

Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre.

 

14.04  Jan Jambon, ministre: Chères collègues, la réforme des pensions ne modifie en rien l'âge de la pension applicable aux pilotes. Depuis 2025, l'âge légal de la pension est fixé à 66 ans, tant pour les salariés que pour les indépendants, conformément à la réforme des pensions adoptée en 2015.

 

L'attention portée dans ces questions à la situation des pilotes concerne l'éventuelle tension entre, d'une part, la législation belge en matière de pension et, d'autre part, la réglementation aérienne européenne qui n'autorise plus l'exercice de vols commerciaux au-delà de l'âge de 65 ans. Cette situation peut notamment se présenter pour les pilotes qui, à l'âge de 65 ans, ne remplissent pas les conditions d'accès à la pension anticipée, par exemple parce qu'ils ont entamé leur carrière après de longues études ou qu'ils ont commencé à exercer la profession de pilote à un stade plus tardif de leur carrière.

 

Naar mijn oordeel ligt een mogelijke oplossing voor die problematiek in een aanpassing van de Europese regelgeving en niet in een verlaging van de wettelijke pensioenleeftijd. Verschillende deskundigen uit de luchtvaartsector wijzen er immers op dat de geschiktheid van piloten vandaag meer kan worden beoordeeld op basis van objectieve medische en cognitieve criteria dan op basis van een vaste leeftijdsgrens alleen. De geschetste problematiek dient dan ook in de eerste plaats op Europees niveau te worden bekeken.

 

Cela ne constitue toutefois pas pour moi un motif justifiant la mise en place pour les pilotes d’un âge légal de départ à la pension distinct, d’un régime de pension spécifique, d’une mesure transitoire temporaire ou d’une exception au sein du système de pensions.

 

Une telle approche soulèverait en effet des questions pour d’autres travailleurs qui, à l’âge de 65 ans, ne remplissent pas les conditions permettant de bénéficier d’une pension anticipée.

 

Par ailleurs, cette problématique ne se pose pas uniquement en Belgique. La limite d’âge européenne de 65 ans applicable aux pilotes commerciaux est également en vigueur dans d’autres États membres où l’âge légal de la pension est déjà fixé depuis longtemps à 66 ou 67 ans.

 

Dans plusieurs de ces pays, l’accent est davantage mis sur la valorisation de l’expertise des pilotes expérimentés dans d’autres fonctions que sur une adaptation de l’âge de départ à la pension.

 

In antwoord op de vragen over contacten of besprekingen op Europees niveau blijft het uitgangspunt dat eventuele oplossingen in eerste instantie moeten worden onderzocht in het licht van de Europese regelgeving die aan de basis ligt van de geschetste problematiek. Een eventuele discussie over de leeftijdsgrens voor commerciële piloten dient dan ook in de eerste plaats op Europees niveau te worden gevoerd.

 

Enfin, je souhaite souligner que plusieurs questions portent sur des matières qui ne relèvent pas de mes compétences en tant que ministre des Pensions. Je pense notamment à l’application de la réglementation relative au chômage, au recours éventuel au chômage temporaire, aux responsabilités des employeurs, à l’obligation de proposer un travail adapté, à l’organisation du travail au sein des entreprises, à la concertation sociale dans les secteurs ou encore aux conséquences en droit du travail d’une rupture de contrat. Pour tous ces aspects, je renvoie aux compétences du ministre de l’Emploi ainsi qu’au cadre général du droit du travail, qui régit la relation entre l’employeur et le travailleur.

 

Le président: C’est dommage que vous ne disposiez pas également de toutes ces compétences, monsieur le ministre. Vous auriez ainsi pu répondre à l’ensemble de nos questions.

 

14.05  Sarah Schlitz (Ecolo-Groen): Monsieur le ministre, votre réponse est très décevante.

 

En réalité, vous renvoyez ces personnes vers des solutions qui ne se concrétiseront pas avant longtemps, à savoir une modification du cadre européen. Or, lorsqu'on observe les orientations actuelles de l'Union européenne, rien n'indique que l'on s'engage vers un travail structuré pour améliorer les droits des travailleurs et des travailleuses.

 

Aujourd'hui, vous êtes le ministre des Pensions et vous disposez de leviers concrets pour apporter des solutions concrètes à ces personnes qui se retrouvent dans un vide juridique inacceptable. Ces travailleurs et ces travailleuses belges méritent d'avoir des solutions sur mesure à une difficulté que vous avez vous-même créée de toutes pièces.

 

Monsieur le ministre, vous pouvez nous renvoyer vers d'autres niveaux de pouvoir ou invoquer d'autres responsabilités, mais la réalité est que vous ne prenez pas vos responsabilités dans ce dossier. Des personnes en pâtissent très concrètement dans leur quotidien.

 

14.06  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, uw regering voerde een pensioenhervorming door met één duidelijke boodschap, namelijk dat mensen langer moeten werken. Wanneer we u vervolgens echter wijzen op een beroepsgroep die volgens de geldende Europese veiligheidsregels haar eigen beroep vanaf 65 jaar niet meer mag uitoefenen, stelt u dat het probleem elders moet worden opgelost. U mag het mij niet kwalijk nemen, maar ik vind dat al te gemakkelijk.

 

Het is te eenvoudig om te bepalen dat een piloot dan maar een andere functie moet opnemen, bijvoorbeeld als instructeur in een opleidingsfunctie. Hoeveel van die functies zijn er? Ik heb u daarover ook bevraagd tijdens de debatten over de pensioenhervorming. Kan iedere piloot daar zomaar terecht? Dat lijkt mij geen ernstig sociaal vangnet voor een probleem dat door tegenstrijdige regelgeving wordt veroorzaakt.

 

U vraagt mensen om langer te werken. In dat geval moet u er als minister van Pensioenen ook voor zorgen dat mensen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om dat te doen.

 

Een piloot in de burgerluchtvaart kan op zijn 65 jaar niet te horen krijgen dat hij of zij niet meer mag vliegen, maar nog niet met pensioen kan en dat hij of zij voor de resterende periode maar iets anders moet zoeken.

 

Mijnheer de minister, als uw hervorming zulke situaties creëert, volstaat het ons inziens niet om naar het Europese niveau te wijzen. In dat geval verwacht ik ook dat u hier in België uw verantwoordelijkheid neemt en minstens een ernstige overgangsregeling uitwerkt.

 

14.07  Isabelle Hansez (Les Engagés): Monsieur le ministre, je vous remercie. Il est évidemment essentiel que les démarches européennes se poursuivent, mais elles ne peuvent constituer l’unique réponse, compte tenu notamment  des délais qu’elles impliquent. Ces travailleurs ne peuvent pas être laissés sans solution entre 65 et 66 ans en raison d’une interdiction professionnelle qu’ils n’ont pas choisie.

 

Nous vous invitons donc à poursuivre rapidement la concertation avec le secteur afin de dégager une solution transitoire juridiquement sûre et socialement équitable.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

Le président: Les questions n° 56016150C et n° 56016416C de Mme Nahima Lanjri sont reportées.

 

15 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De commentaar van het Rekenhof op de aanpassing van de begroting 2026" (56016389C)

15 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les commentaires de la Cour des comptes sur l'ajustement budgétaire 2026" (56016389C)

 

15.01  Ellen Samyn (VB): Ik verwijs naar mijn schriftelijk ingediende tekst.

 

Het Rekenhof publiceerde recent zijn commentaren en opmerkingen op de aangepaste begroting voor het begrotingsjaar 2026. De uitgaven voor pensioenen en de minder grote opbrengsten dan oorspronkelijk geraamd, roepen toch een aantal vragen op.

 

De commentaar van het Rekenhof vermeldt vier bijkomende wetgevingen omtrent pensioenen die momenteel nog niet gepubliceerd zijn of beschikbaar zijn voor het parlement: de vervanging van het overlevingspensioen door een overgangsuitkering beperkt in de tijd, beperking van de gelijkgestelde periodes dat in aanmerking genomen kan worden voor het pensioen, invoering van een pensioensplit en de strengere verblijfsvoorwaarden voor de toekenning van de IGO. Wanneer zullen deze ingediend  en besproken worden binnen het parlement? En heeft de datum van de bespreking van deze specifieke wetsontwerpen een invloed op de geraamde besparing/bijkomende kosten, zo ja welke?

 

Het Rekenhof becijfert alvast dat de verstrengde voorwaarden voor de Inkomensgarantie voor Ouderen, een besparing oplevert van 13 miljoen euro in 2026 in plaats van de initiële 26 miljoen euro, hoe verklaart u dit? Welk voorstel voor de IGO ligt momenteel op tafel?

 

De uitdoving van het pensioen wegens medische ongeschiktheid brengt dan weer meer op dan oorspronkelijk ingeschat door deze regering. Hoe verklaart u die meeropbrengst en in hoeverre is de schatting van 9 miljoen euro aan bijkomende kosten in 2026 voor de ziekteverzekering (zoals geschat door het RIZIV) effectief correct? Het planbureau schatte dat slechts 10% van de ambtenaren die met pensioen gestuurd worden wegens medische ongeschiktheid terug zou keren naar de arbeidsmarkt. Ik zou bijgevolg een veel grotere verschuiving naar de ziekteverzekering verwachten. Van welke cijfers ging het RIZIV hierbij uit?

 

Wat betreft de maatregel inzake de beperking van de gelijkgestelde periodes stelt het Rekenhof dat de maatregel in 2027 een besparing van 7 miljoen euro zal opleveren, dit tegenover een initieel ingeschatte besparing van 48 miljoen euro. Hoe verklaart de minister dit grote verschil? Voor de inschattingen van de besparingen voor 2030 zien we een gelijkaardig fenomeen: van de oorspronkelijk geraamde 112 miljoen euro, blijft er 69 miljoen over. Hoe verklaart u dit verschil? Wordt de totaal beraamde besparing niet teniet gedaan door de grote verschillen binnen dit specifieke thema?

 

15.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Samyn, uw eerste vraag betreft het beperkingspercentage, een belangrijke maatregel, die nog voor het zomerreces definitief werd goedgekeurd. De inwerkingtreding is gepland op 1 juli 2027 om de Federale Pensioendienst voldoende tijd te geven die maatregel te implementeren. Dat vertaalt zich dus in een proportioneel lager rendement voor 2027.

 

Voor de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) wordt momenteel een eerste pakket maatregelen uitgewerkt in een ontwerp-KB met het oog op het behalen van het beoogde rendement in 2026. De hervormingen binnen de gezinsdimensie, dus het overlevingspensioen en de pensioensplit, bevinden zich nog in de voorbereidende fase en zijn gepland voor 2027. Voor 2026 staat daarvoor bijgevolg geen rendement in de begroting ingeschreven.

 

Ik kom tot uw tweede vraag. Gezien het omvangrijke pakket maatregelen uit de pensioenhervorming en het beperkingspercentage werd de uitwerking van het regeerakkoord inzake de IGO uitgesteld. Dat vertaalde zich in een halvering van het voor dit jaar beoogde rendement.

 

Voor het rendement van de uitdoving van het ziektepensioen baseer ik mij op de ramingen van het Federaal Planbureau in zijn laatste rapport van april 2026. Daarin werd de hypothese gehanteerd dat 10 % van de betrokkenen opnieuw aan het werk zou gaan. Die hypothese is voorzichtig ingeschat. Het is mogelijk dat de effectieve terugkeer naar de arbeidsmarkt hoger zal liggen. Op dit moment is het echter de meest onderbouwde raming waarover we beschikken.

 

Ten derde, voor de doorrekening van de extra uitgaven van 9 miljoen euro, zoals geraamd door het RIZIV, verwijs ik u graag door naar de daarvoor bevoegde minister van Sociale Zaken.

 

Ik komt tot uw vierde vraag. De 48 miljoen euro voor 2026, waarnaar u verwijst, komt uit de ramingen zoals die destijds werden gemaakt op basis van de bepalingen van het regeerakkoord. Het beperkingspercentage in zijn finale vorm is een hervorming met een aantal sociale correcties, zoals de vrijwaring van de rechthebbenden op een minimumpensioen en de uitzondering van periodes van tijdelijke werkloosheid.

 

Die correcties hebben natuurlijk een budgettair prijskaartje. Een maatregel als deze mag echter niet louter vanuit een budgettair perspectief worden bekeken. Het is immers een belangrijke structurele maatregel waarmee we voor het eerst bij werknemers het aandeel van gelijkgestelde periodes voor zeer langdurige werkloosheid beperken in de berekening van het pensioenbedrag.

 

15.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, de opmerkingen van het Rekenhof bevestigen een bezorgdheid waarvoor we tijdens de bespreking van uw pensioenhervorming herhaaldelijk hebben gewaarschuwd. Een aantal maatregelen en budgettaire gevolgen waren onvoldoende precies om de werkelijke impact correct te kunnen beoordelen. Vandaag doet dat probleem zich effectief voor. Bij verschillende maatregelen worden de oorspronkelijke ramingen fors bijgesteld. Bij de gelijkgestelde periodes bijvoorbeeld spreken we voor 2030 niet langer over 112 miljoen, maar over 69 miljoen euro. Het gaat dus niet om kleine afrondingsverschillen.

 

Bovendien heb ik u er ook voor gewaarschuwd dat bepaalde besparingen binnen de pensioenen gedeeltelijk kunnen doorschuiven naar andere takken van de sociale zekerheid. Besparingen op papier zijn natuurlijk geen echte besparingen wanneer een belangrijk deel van de factuur vervolgens bij het RIZIV terechtkomt.

 

Ik dank u voor de andere gegevens die u mij hebt gegeven.

 

Mijnheer de minister, u wilt hervormen op lange termijn, maar het is dan ook heel erg belangrijk om fouten in een vroege fase te corrigeren alvorens ze tot een heuse sneeuwbal uitgroeien.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

16 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De tweede pensioenpijler voor ambtenaren en in de privésector" (56016443C)

16 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le deuxième pilier de pension pour les fonctionnaires et dans le secteur privé" (56016443C)

 

16.01  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, om het een beetje vooruit te laten gaan, verwijs ik opnieuw naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

Het eerste deel van de pensioenhervorming, met toch vooral verstrengingen en budgettaire maatregelen is gestemd. Dat opent dan ook de weg voor de realisatie van andere beloftes uit de beleidsnota zoals de tweede pijler voor statutaire ambtenaren, en bij uitbreiding voor alle werknemers. Uw beleidsnota had het over een verplichte tweede pijler van minstens 3 procent voor de hele werkende bevolking.

 

Wat is momenteel de stand van zake van dit wetsontwerp, hoever staan we, wat moet er nog gebeuren en wanneer zal dit ongeveer besproken kunnen worden in commissie?

 

Zijn er impactanalyses/ramingen van de kosten geweest die verbonden zouden zijn aan de opbouw van een 2de pijler voor de werkende bevolking, dit zowel voor de overheid als de privésector? Zo ja, kan de minister deze delen met het parlement?

 

Heeft de FSMA zijn analyse al gefinaliseerd en wat zijn de bevindingen en struikelblokken?

 

Werden er intussen analyses inzake financieringsmogelijkheden uitgevoerd? Zo ja, wat zijn hier de bevindingen? Welke opties liggen er op tafel, dit zowel voor de overheidssector als de privésector?

 

Zullen er additionele belastingvoordelen aan bedrijven worden toegekend om hen in staat te stellen een tweede pijler voor alle werknemers te voorzien?

 

Welke impact zal de opbouw van een tweede pijler voor de gehele werkende bevolking hebben op de begroting? Zijn er al ramingen gebeurd, door wie en met welke bevindingen? Als de opbouw van een tweede pijler, omwille van belastingvoordelen voor bedrijven, resulteert in minderopbrengst voor de overheid, hoe wenst uw regering deze dan te compenseren?

 

Welke sociale partners worden betrokken bij de opmaak van het wetsontwerp zowel in de privésector als de overheidssector? Met welke regelmaat wordt met hen samengezeten? Wat is momenteel hun input met betrekking tot de mogelijke pistes die de regering wilt nemen en hoe zullen zij verder betrokken worden?

 

16.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Samyn, in antwoord op eerdere vragen vandaag heb ik een en ander al aangehaald, maar ik zal, ook om tijd te besparen, uw zeven vragen samen beantwoorden.

 

Zoals voorzien in het regeerakkoord willen we aan alle werknemers in de private sector, naast de sterke eerste pijler van het wettelijk pensioen, ook een stevig aanvullend pensioen bieden, waarvoor een werkgeversbijdrage wordt voorzien van minstens 3 % tegen uiterlijk 2035. De contractuelen in de publieke sector bouwen reeds verschillende jaren een aanvullend pensioen op met een bijdragevoet van 3 %. Voor heel wat werknemers in de private sector is dat echter nog niet het geval.

 

In uitvoering van het regeerakkoord heb ik samen met mijn collega-minister David Clarinval aan de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven gevraagd om zo spoedig mogelijk een advies over het groeipad naar die 3 % voor alle werknemers te formuleren. Het is de bedoeling om op basis van dat advies een voorstel van tijdspad te formuleren tegen het begin van het volgend interprofessioneel akkoord.

 

Ik heb tevens met mijn collega-minister van Werk om een advies gevraagd voor een herformulering van artikel 14 van de wet aanvullende pensioenen inzake de harmonisering arbeiders-bedienden met het oog op het wegwerken van de remmende factoren tot verdere ontwikkeling en verdieping van de tweede pijler.

 

Wat de statutaire ambtenaren betreft, voorziet het regeerakkoord dat zodra het pensioen van de statutairen op basis van de nieuwe pensioenberekening zou verminderen tot het niveau van het werknemerspensioen van de contractuelen, maar voor die contractuelen dan met inbegrip van een tweede pijler, de invoering van een tweede pijler voor statutairen bij wet mogelijk zou worden gemaakt en ook gefinancierd.

 

In verdere afspraken binnen de regering werd gespecificeerd dat er aan de administratie zou worden gevraagd om te berekenen of en wanneer zich voor de onderscheiden categorieën statutaire ambtenaren, rekening houdend met de inhoud en de fasering van de pensioenhervorming, een kantelpunt zou voordoen wanneer hun pensioen gelijk wordt aan het pensioen van contractuele ambtenaren met inbegrip van hun aanvullend pensioen. In plaats van een globale regeling voor alle ambtenaren moeten we misschien een onderscheid maken tussen een aantal categorieën van ambtenaren en dan vergelijken. Een gemiddelde is soms een gevaarlijk getal.

 

Op 21 april 2026, toen de contouren van de arizona-pensioenhervorming van de arizonaregering definitief vastlagen, heb ik per het brief opdracht gegeven aan het FSMA, de Federale Pensioendienst en Sigedis om de werkzaamheden op te starten met het oog op de berekening van het zogenaamde kantelpunt voor de onderscheiden categorieën van statutaire ambtenaren. De afgelopen maanden zijn medewerkers van die drie instellingen, in overleg met medewerkers van mijn beleidscel, gestart met berekeningen voor verschillende personeelscategorieën van statutaire ambtenaren om te kunnen nagaan of er een dergelijk kantelpunt is en zo ja, vanaf wanneer dat het geval zou zijn.

 

Ik zal op basis van de resultaten van analyses die momenteel worden uitgevoerd uiterlijk tegen eind 2026 een voorstel doen voor een algemeen wettelijk kader voor de invoering van een aanvullend pensioen voor statutaire ambtenaren, alsook voor een algemeen tijdskader daarvoor. Zoals steeds, zullen de sociale partners worden geraadpleegd binnen de bevoegde overlegorganen, overeenkomstig de regels inzake sociaal overleg in de overheidssector.

 

16.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is in ieder geval goed dat u een tijdlijn hebt geschetst. Ik zal uw antwoord er nog eens goed op nalezen.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

De voorzitter: Vraag nr. 56016483C van mevrouw Eva Demesmaeker vervalt.

 

17 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De aangekondigde pensioensplit" (56016581C)

17 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le partage annoncé des droits en matière de pension" (56016581C)

 

17.01  Ellen Samyn (VB): Bij de eerdere besprekingen van de pensioenhervorming bleek dat de pensioensplit, waar toch veel sprake van was, er nog zit aan te komen in een later deel van de hervorming. Er werd gesteld dat partners gestimuleerd zullen worden om in hun huwelijkscontract of wettelijk samenlevingscontract een pensioensplit te voorzien voor het geval dat het koppel later zou scheiden. De manier waarop deze pensioensplit zal uitgewerkt worden, is natuurlijk bepalend voor de doeltreffendheid van de maatregel.

 

Wat is momenteel de stand van zaken van dit wetsontwerp? Wanneer verwacht u de bespreking hiervan in de Kamer?

 

Zijn er momenteel al impactanalyses uitgevoerd op basis van het huidige wetsontwerp dat in ontwikkeling is en zo ja, zijn daar al bevindingen uit opgemaakt inzake armoederisico?

 

Er is in het verleden al een aantal keer sprake geweest van het invoeren van een pensioensplit, dit is echter telkens weer gefaald omwille van de technische moeilijkheden en bijvoorbeeld hoe aanvullende pensioenen en groepsverzekeringen behandeld dienen te worden in dit kader. Hoe kan u garanderen dat de pensioensplit nu wel finaal uitgewerkt zal worden met uw wetsontwerp?

 

Tegenwoordig zijn het vaak vrouwen die aan een echtscheiding een lager pensioen overhouden omdat zij ook het vaakst hun loopbaan hebben onderbroken om bijvoorbeeld zorgtaken op zich te nemen. Kan u dit bevestigen en zo ja, zal deze regering opteren voor een verplichte pensioensplit of niet? Mocht de maatregel een vrijwillige keuze zijn, hoe schat u dan het succes ervan in en waarom kiest u voor een vrijwillige toepassing? Op welke basis maakt u uw inschatting van het succes van de maatregel?

 

Welke concrete opties liggen momenteel op tafel voor de toepassing van een pensioensplit? Is er een optie die de voorkeur draagt?

 

17.02 Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, ik kan u meedelen dat de pensioensplit een belangrijk aandachtspunt vormt in het kader van de modernisering van de gezinsdimensie in ons pensioenstelsel. Het klopt dat vandaag vooral vrouwen hun arbeidstijd verminderen om onbetaalde zorg- en gezinstaken op zich te nemen. Naast een verhoogde financiële afhankelijkheid ten aanzien van de werkende partner, hebben dergelijke loopbaankeuzes ook gevolgen op lange termijn, doordat er minder pensioenrechten worden opgebouwd. Vanwege het lagere pensioen lopen ze dus een verhoogd risico om na een echtscheiding in een precaire situatie te belanden.

 

Tot op vandaag werd er in de federale regering nog geen wetsontwerp besproken voor de invoering van een pensioensplit. Er werd dus nog geen concrete timing vastgelegd voor een bespreking in de Kamer.

 

Het regeerakkoord bepaalt daarover dat partners worden gestimuleerd om in hun huwelijkscontract of wettelijkesamenlevingscontract een pensioensplit op te nemen in geval van echtscheiding. Het gaat daarbij om een verdeling van de tijdens het huwelijk of de wettelijke samenwoning opgebouwde pensioenrechten tussen de partners wanneer de relatie wordt beëindigd. Daartoe zal ik, in samenwerking met de minister van Justitie en de minister van Zelfstandigen, de mogelijkheden inzake de verdeling van pensioenrechten tussen partners verder onderzoeken.

 

Er zal tevens worden ingezet op een brede bekendmakingscampagne aan de bevolking over dat onderwerp. Naast het feit dat een pensioensplit tegemoetkomt aan het echtscheidingsrisico, kan het eveneens zorgen voor een gelijke behandeling van gehuwden en wettelijk samenwonenden en voor een gelijkere behandeling van alle gerechtigden op een werknemers-, zelfstandigen- of ambtenarenpensioen.

 

Aangezien de concrete modaliteiten van die pensioensplit nog verder moeten worden uitgewerkt en daarvoor nog besprekingen binnen de regering zullen plaatsvinden, is het op dit ogenblik nog niet mogelijk vooruit te lopen op de uiteindelijke keuzes die zullen worden gemaakt, noch op de impact of het toekomstige gebruik van een dergelijke regeling. Uiteraard zullen de verschillende juridische, technische en maatschappelijke aspecten in dat kader zorgvuldig worden onderzocht.

 

Bovendien voorziet het regeerakkoord in een geleidelijke uitdoving van de nieuwe instroom in het gezins- en echtscheidingspensioen in het werknemers- en zelfstandigenstelsel en de overgang ervan naar een tijdelijke overgangsuitkering. Die tijdelijke overgangsuitkering houdt, vanwege de mogelijke cumul met een arbeidsinkomen, geen risico in op een inactiviteitsval, zoals dat wel het geval is voor het huidige overlevingspensioen.

 

Ik wil wel de verwachtingen temperen. Ik heb al gezegd dat ik eerst zal komen met het ontwerp inzake het minimumpensioen in een dubbele loopbaan. Daarna volgt het project met betrekking tot de IGO. Pas daarna komt dit aan bod. We kunnen niet alles op een hoop gooien.

 

17.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, het is vooral belangrijk dat binnen uw regering de neuzen in dezelfde richting staan. Er bestaan ter zake ook wel wat verschillen tussen het al dan niet automatisch toekennen of vrijwillig overdragen van pensioenrechten.

 

U had het over de gezinsdimensie. Een en ander is inderdaad ook belangrijk voor vrouwen die minder pensioenrechten hebben opgebouwd omdat ze hun loopbaan hebben verminderd of onderbroken voor zorgtaken.

 

Ik begrijp dat niet alle maatregelen in één keer kunnen worden genomen. Het is niettemin frappant te zien dat met uw pensioenhervorming de eerder bestraffende maatregelen als eerste werden genomen en dat het wachten is op de zogenaamde positieve maatregelen uit uw pensioenhervorming. We wachten met een visadempje af. Er ligt nog heel wat werk voor u op de plank.

 

Ik hoop in ieder geval dat er tijdens de huidige legislatuur toch iets van de pensioensplit in huis komt.

 

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

 

18 Vraag van Ellen Samyn aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De bereidheid om na de pensioenleeftijd te werken" (56016595C)

18 Question de Ellen Samyn à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "La volonté de travailler au-delà de l'âge de la pension" (56016595C)

 

18.01  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, ik verwijs opnieuw naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

 

Uit een recent onderzoek van SD Worx in verschillende Europese landen blijkt dat Belgische werknemers het minst bereid zijn om na de wettelijke pensioenleeftijd blijven verder te werken en eigenlijk zelfs liefst voor die wettelijke pensioenleeftijd met pensioen gaan. Dit is toch wel opvallend, zeker omdat de pensioenleeftijd verder opgetrokken zal worden tot 67 jaar in 2030 en daarnaast, met de recente pensioenhervorming, maatregelen werden ingevoerd om langer werken te stimuleren en om de toegang tot het vervroegd pensioen te verstrengen. Uit het onderzoek van SD Worx blijkt dat slechts 6% van de werknemers zou willen werken tot de wettelijke pensioenleeftijd.

 

Hoe reageert u op het feit dat nagenoeg niemand wil blijven doorwerken tot de wettelijke pensioenleeftijd en welke invloed zal de pensioenbonus/pensioenmalus/het beperkingspercentage volgens de minister hebben op deze bereidheid?

 

Hoe komt het volgens u en uw administratie dat slechts zo weinig werknemers bereid zijn om zelfs maar gewoon tot de wettelijke pensioenleeftijd, laat staan langer, te werken?

 

Zal er naast dwangmechanismen, zoals de toegang tot het vervroegd pensioen bemoeilijken, ook andere sociale bijsturingen moeten gebeuren en zo ja, welke? welke pistes liggen er op tafel en worden hierover al concrete wetsontwerpen besproken binnen de regering?

 

18.02 Minister Jan Jambon: Mevrouw Samyn, uit wetenschappelijk onderzoek op basis van de Eurobarometer en de European Social Survey blijkt dat de gewenste pensioenleeftijd stijgt indien pensioenhervormingen ervoor zorgen dat de wettelijke pensioenleeftijd of de effectieve uittredeleeftijd stijgt. Ik verwijs daarvoor naar het artikel van Hess uit 2017 of naar De Tavernier en Roots uit 2015. Het is dus niet zo verwonderlijk dat in een land zoals België, met een bijzonder lage effectieve uittredeleeftijd, de gewenste pensioenleeftijd ook laag ligt. Dat bevestigt juist wat uit eerder onderzoek naar voren komt.

 

Onderzoek toont overigens ook aan dat de institutionele context de individuele voorkeuren inzake pensioenleeftijd mee vormgeeft. Daarmee bedoelen we dat landen waar het pensioenstelsel burgers een stimulans geeft om langer te werken, gecombineerd met werkbaar werk en een actief arbeidsmarktbeleid, hogere gewenste pensioenleeftijden kennen. Het is dan ook cruciaal om maatregelen te nemen, zoals in de pensioenhervorming, die ervoor zorgen dat de effectieve uittredeleeftijd in de toekomst verhoogt.

 

De pensioenhervorming heeft precies tot doel om langer werken beter te waarderen. De mechanismen van de pensioenbonus, de pensioenmalus en het beperkingspercentage beogen het verband tussen de effectief gepresteerde loopbaan en het pensioenbedrag te versterken. Onder het vorige stelsel woog een verdere loopbaan immers onvoldoende door in het uiteindelijke pensioenbedrag, wat in de praktijk neerkwam op een impliciete belasting op voortgezette arbeid. Wie bleef werken, zag dat onvoldoende beloond in zijn pensioen en dat zette net aan om zo vroeg mogelijk het pensioen op te nemen.

 

Met deze hervorming willen we die perverse prikkel rechttrekken, zodat wie dat wenst zijn loopbaan kan voortzetten en daar ook effectief voor beloond wordt met een hoger pensioen. Het is evenwel nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over de precieze impact van die maatregelen op de intenties van werknemers, aangezien ze pas recent werden ingevoerd. De regering zal de effecten ervan nauwgezet blijven opvolgen.

 

Ik wil daarbij ook benadrukken dat het niet de bedoeling is om met de hervorming iedereen van vandaag op morgen naar de wettelijke pensioenleeftijd te katapulteren. Dat heb ik in deze commissie al meermaals herhaald.

 

Wel is het vandaag zo dat de effectieve uittredeleeftijd in ons land beduidend lager ligt dan zowel de wettelijke leeftijd als de gemiddelde uittredeleeftijd in de OESO. Voor mannen bedraagt de effectieve uittredeleeftijd in België gemiddeld 62,4 jaar en voor vrouwen 60,6 jaar. Dat is natuurlijk beduidend lager dan de wettelijke pensioenleeftijd van 66 jaar en ook beduidend lager dan het OESO-gemiddelde van respectievelijk 64,7 en 63,6 jaar.

 

Door de effectieve uittredeleeftijd te verhogen, maken we ons pensioensysteem duurzamer, terwijl mensen die voldoende gewerkt hebben de mogelijkheid behouden om vervroegd met pensioen te gaan.

 

Toch geef ik u graag nog een aantal cijfers mee die vorige vrijdag in de media verschenen. Die nieuwe cijfers, van Acerta, tonen aan dat in de eerste helft van 2026 het aantal 66-plussers dat nog aan het werk is, aanzienlijk sneller is gestegen dan in dezelfde periode vorig jaar. Het gaat om een stijging met bijna een kwart, namelijk 24 %. Het kenniscentrum van Acerta vermeldt de nieuwe pensioenbonus als mogelijke verklaring voor die versnelling.

 

Enkele maanden geleden werd ik in de commissie voor Sociale Zaken nog ondervraagd over een opinieonderzoek waaruit zou blijken dat er geen gedragseffect was. Vandaag liggen er dus concrete cijfers voor die toch een ander verhaal lijken te vertellen.

 

Die nieuwe cijfers nuanceren ook het doembeeld dat vaak wordt opgehangen, als zou de overgrote meerderheid van de bevolking liefst zo vroeg mogelijk stoppen met werken. Ze nuanceren ook het beeld dat werken tot of na de wettelijke pensioenleeftijd voor de meeste werkenden onhaalbaar zou zijn. Als de bevolking een duidelijk signaal en beleid krijgt waardoor langer werken ook effectief loont voor het toekomstige pensioen, dan blijkt wel degelijk een steeds grotere groep daartoe ook effectief bereid te zijn.

 

Le président: Chers collègues, pour votre information, nous arrivons au bout du timing. Nous nous arrêterons par conséquent après la question n° 56016769C.

 

18.03  Ellen Samyn (VB): Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het was inderdaad een tijdje geleden dat ik de vraag indiende, dus ondertussen zijn er uiteraard ook een aantal updates geweest. Ik heb de cijfers waar u naar verwees, ook gezien.

 

U had het in uw antwoord over werkbaar werk, en ik denk dat ik daarvan niemand hoef te overtuigen in deze commissie. Iedereen wil ook echt wel werkbaar werk. Daarbij moet langer werken inderdaad beter gewaardeerd worden.

 

Natuurlijk blijven voornamelijk de bedienden langer aan het werk. We hebben daar in de commissie ook al herhaaldelijk over gediscussieerd en gedebatteerd. Arbeiders zijn ondervertegenwoordigd in die nieuwe cijfers. Gelet op de arbeidsvoorwaarden voor de bonus is dat natuurlijk niet verwonderlijk. Arbeiders starten meestal vroeg met hun carrière. Daarvoor hebben we ook al in het verleden gewaarschuwd Het blijft dan ook bijzonder wrang dat bedienden wél een bonus kunnen opbouwen en arbeiders eerlijk gezegd al reusachtig veel geluk moeten hebben tijdens hun carrière om nog maar een bonus te kunnen opbouwen. Ik hoop en blijf hopen dat toch nog maatregelen genomen zullen worden om voor meer gelijkheid te zorgen.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

19 Question de François De Smet à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Les pensions complémentaires" (56016619C)

19 Vraag van François De Smet aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De aanvullende pensioenen" (56016619C)

 

19.01  François De Smet (DéFI): Le recul de l'âge légal de la pension à 66 ans, puis à 67 ans en 2030, fait apparaître une incohérence largement relayée par la presse économique. De très nombreux contrats de pension complémentaire prévoient en effet toujours un âge de terme fixé à 65 ans, voire à 60 ans. Le décalage entre cet âge de terme contractuel et l'âge légal effectif empêcherait le versement du capital à l'échéance théorique, le capital restant bloqué jusqu'à la pension légale réelle.

 

Dans l'intervalle, de nombreux contrats ne sont plus alimentés et leurs intérêts ne sont plus comptabilisés, au détriment direct des épargnants. Cette situation, qui touche potentiellement des millions de travailleurs, mérite une réponse rapide et claire de votre administration.

 

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

 

1. si a été quantifié le nombre de contrats de pension complémentaire concernés par ce décalage entre âge de terme et âge légal, ainsi que le montant de capital ainsi temporairement bloqué?

 

2. les mesures correctrices, légales ou réglementaires, envisagées pour garantir que les épargnants ne subissent pas une perte d'intérêts ou un blocage non comptabilisé de leur épargne durant cette période intermédiaire?

 

3. si un dialogue a été engagé avec le secteur des assurances (Assuralia)  et la FSMA afin d'harmoniser les clauses d'âge de terme avec le nouveau calendrier légal des pensions?

 

19.02  Jan Jambon, ministre: Monsieur De Smet, depuis 2016, la liquidation de la pension complémentaire est liée à la mise à la retraite légale. De nombreux contrats d’assurance prévoient toutefois encore un âge terme inférieur à l’âge légal de la pension. Lorsqu’un affilié atteint l’âge terme prévu par son contrat, mais qu’il ne peut pas encore percevoir sa pension complémentaire parce qu’il ne remplit pas encore les conditions lui permettant de prendre sa pension légale, le contrat est prolongé. Dans ce contexte, plusieurs questions se posent concernant les rendements garantis par les assureurs pendant cette prolongation ainsi que l’application des couvertures de risque.

 

Le 29 janvier 2026, j’ai adressé une demande d’avis à la Commission des pensions complémentaires sur cette problématique. Cette commission réunit à la fois les représentants des organismes de pension et les représentants des affiliés. Elle a rendu son avis le 26 mai 2026. Cet avis porte uniquement sur les rendements accordés et propose une solution que je considère comme acceptable et que je souhaite soutenir. Il ressort de cet avis qu’environ 4 % des contrats prévoient un âge contractuel de retraite, appelé "âge terme", fixé à 60 ans. La grande majorité des contrats, soit environ 80 %, prévoit un âge terme de 65 ans. Environ 15 % des contrats prévoient quant à eux un âge terme supérieur à 65 ans. Pour 64 % des affiliés, l’âge de retraite prévu dans le contrat est inférieur à leur âge légal de la pension. Dans la plupart des cas, l’écart n’est toutefois que d’un à deux ans maximum.

 

La Commission des pensions complémentaires propose une solution en particulier pour les engagements de pension de type "contributions définies". Elle estime que les contrats prolongés doivent, en principe, bénéficier des mêmes conditions de rendement que les nouveaux contrats. Ce principe doit s’appliquer à tous les affiliés, y compris aux affiliés dormants qui ont atteint l’âge terme du contrat sans pour autant prendre leur pension.

 

La Commission propose dès lors de demander à la FSMA de vérifier, l’année prochaine, l’application de ce principe dans la pratique, sur la base des nouvelles données qui seront disponibles via la banque de données relative aux pensions complémentaires. Elle souhaite s’assurer que les affiliés dormants bénéficient effectivement des mêmes conditions en matière de rendement contractuel et de participation bénéficiaire que les affiliés actifs. J’informerai la Commission des pensions complémentaires que je souscris à la solution qu’elle propose. Celle-ci ne porte toutefois que sur la question des rendements accordés.

 

J'inviterai en même temps la Commission à finaliser son avis sur les autres aspects en la matière, tel qu'elle l'avait annoncé.

 

19.03  François De Smet (DéFI): Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse et pour les précisions que vous avez objectivement apportées. J'espère pour les personnes concernées qu'une solution pourra être trouvée en concertation avec le secteur des assurances, sur base de la proposition de la Commission que vous avez détaillée.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

20 Question de Isabelle Hansez à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "L'objectif de 3 % pour les pensions complémentaires" (56016769C)

20 Vraag van Isabelle Hansez aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De 3 %-doelstelling voor de aanvullende pensioenen" (56016769C)

 

20.01  Isabelle Hansez (Les Engagés): Monsieur le ministre, je reviens vers vous avec la question des pensions complémentaires. Ma question est assez proche de celle de Mme Samyn. Je vais donc vous la poser, et vous verrez comment compléter votre réponse.

 

L’accord de gouvernement prévoit de renforcer progressivement le deuxième pilier de pension afin que davantage de travailleurs puissent bénéficier d’une pension complémentaire suffisante à l’heure de la retraite.

 

Dans ce cadre, vous avez indiqué vouloir consulter les organes fédéraux de concertation interprofessionnelle afin de déterminer les modalités permettant à l’ensemble des travailleurs salariés de se constituer, à l’horizon 2035, une pension complémentaire correspondant à au moins 3 % de leur rémunération.

 

Cette ambition est particulièrement importante dans un pays où les écarts de couverture entre secteurs restent encore significatifs et où de nombreux travailleurs ne bénéficient toujours pas d’un deuxième pilier suffisamment développé.

 

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur les consultations en cours avec les partenaires sociaux concernant l’objectif d’un taux minimal de cotisation de 3 % pour les pensions complémentaires? Quelles sont les principales pistes actuellement examinées pour atteindre cet objectif d’ici 2035? Envisagez-vous un calendrier progressif de montée en puissance et, dans l’affirmative, quelles en seraient les principales étapes? Comment entendez-vous tenir compte de la situation des secteurs et des entreprises qui disposent aujourd’hui d’une couverture complémentaire limitée, voire inexistante pour certains secteurs? Dans quelle mesure cette réforme s'articulera-t-elle avec les travaux en cours relatifs à l'harmonisation des pensions complémentaires et avec les futures négociations de l'accord interprofessionnel 2027-2028?

 

20.02  Jan Jambon, ministre: Madame Hansez, je vais répondre conjointement à vos trois premières questions, puis à la quatrième.

 

Comme le prévoit effectivement l’accord de gouvernement, nous souhaitons offrir à tous les salariés, outre un premier pilier solide de pension légale, une pension complémentaire solide, pour laquelle une cotisation patronale d’au moins 3 % est prévue d’ici 2035 au plus tard.

 

Comme vous le savez, tous les contractuels fédéraux du secteur public disposent déjà, depuis plusieurs années, outre leur pension légale dans le régime des salariés, d’une pension complémentaire constituée grâce à un taux de cotisation de 3 %. Or tel n’est pas encore le cas pour les salariés du secteur privé.

 

Dans le cadre de la mise en œuvre de l’accord de gouvernement, j’ai, conjointement avec mon collègue le ministre Clarinval, demandé au Conseil National du Travail (CNT) et au Conseil Central de l’Économie (CCE) de formuler un avis sur la trajectoire de progression vers les 3 % pour l’ensemble des salariés.

 

L’objectif est de formuler, sur la base de cet avis, une proposition de calendrier d’ici au début du prochain accord interprofessionnel. Nous avons en effet demandé aux partenaires sociaux d’élaborer une trajectoire de progression permettant d’atteindre, à terme, un taux de cotisation de 3 % d’ici 2035. Nous respectons donc le dialogue social et attendons l’avis du CNT et du CCE.

 

Votre quatrième question porte sur l'harmonisation des pensions complémentaires entre ouvriers et employés, telle qu'imposée par la loi sur les pensions complémentaires. Logiquement, il aurait fallu répondre à cette question avant les précédentes.

 

Le Conseil National du Travail (CNT) et le Conseil Central de l'Économie (CCE) ont eux-mêmes indiqué que: "Tant que l'harmonisation des pensions complémentaires entre ouvriers et employés n'aura pas été réalisée, la généralisation obligatoire du deuxième pilier de pension, telle que proposée dans la demande d'avis, n'est pas à l'ordre du jour. Le Conseil est d'avis que l'harmonisation doit d'abord être réalisée avant qu'une discussion sur la généralisation du deuxième pilier de pension puisse être menée."

 

En effet, la formulation actuelle de l'article 14 de la loi sur les pensions complémentaires donne lieu à une très grande complexité. Celle-ci est à l'origine du report de la date butoir d'harmonisation entre ouvriers et employés de 2025 à 2030, décidé en 2021.

 

Afin d'éviter que cette situation ne retarde le renforcement indispensable du deuxième pilier de pension, nous avons demandé un avis au CCE et au CNT en la matière.

 

20.03  Isabelle Hansez (Les Engagés): Je vous remercie pour vos réponses détaillées, monsieur le ministre.

 

Nous soutenons pleinement cette ambition, qui permettra de renforcer la pension de nombreux travailleurs encore insuffisamment couverts. Sa réussite dépendra toutefois d'une trajectoire progressive, prévisible et concertée, tenant compte de la capacité contributive des secteurs et des entreprises.

 

Nous serons donc particulièrement attentifs au calendrier que vous avez évoqué et qui sera arrêté en concertation avec les partenaires sociaux ainsi qu'aux mécanismes qui seront mis en place afin de ne laisser aucun travailleur à l'écart du deuxième pilier de pension, conformément à l'accord de gouvernement.

 

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.

 

La réunion publique de commission est levée à 16 h 30.

De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.30 uur.

 

Schriftelijk behandelde mondelinge vragen

Questions orales traitées par écrit

 

Het antwoord werd door de vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen bezorgd.

La réponse a été fournie par le vice-premier ministre et ministre des Finances et des Pensions, chargé de la Loterie nationale et des Institutions culturelles fédérales.

 

21 Vraag van Alexia Bertrand aan Jan Jambon (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen) over "De discriminerende pensioenberekening van de hoofdgriffiers-mandaathouders" (56017276C)

21 Question de Alexia Bertrand à Jan Jambon (VPM Finances, Pensions, chargé de la Loterie Nationale et Institutions culturelles fédérales) sur "Le calcul discriminatoire de la pension des greffiers en chef titulaires d'un mandat" (56017276C)

 

Ik wens uw aandacht te vestigen op een ongelijkheid in de pensioenberekening van de hoofdgriffiers-mandaathouders binnen onze rechterlijke organisatie.

 

Wanneer een lid van het gerechtspersoneel van niveau A wordt aangewezen voor het hernieuwbare mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris (conform artikel 160, § 8 van het Gerechtelijk Wetboek), wordt zijn of haar voormalige statutaire ambt van rechtswege vacant verklaard. Gedurende dit mandaat oefent de betrokkene de functie exclusief uit en wordt hij of zij bezoldigd volgens de wettelijk vastgelegde weddeschaal A44.

 

De administratieve praktijk van de pensioendienst spoort echter niet met de realiteit en de wet. Vandaag de dag ontvangen deze mandaathouders twee loonfiches: één correcte fiche voor het mandaat (schaal A44) en één fictieve fiche voor het reeds vacant verklaarde ambt (schaal niveau A2 of A3). De pensioendienst berekent het pensioen vervolgens op de lagere schaal niveau A2 of A3, met het argument dat de huidige mandaatwedde louter een tijdelijke 'verhoging' of toeslag is.

 

Dit is juridisch onjuist. Men kan geen pensioenrechten baseren op een hypothetische wedde van een ambt dat men niet langer bekleedt en dat wettelijk vacant is. Bovendien creëert dit een discriminatie met magistraten-korpschefs (artikel 259quater Ger.W.). Zij bevinden zich in exact dezelfde situatie van wettelijke aanwijzing, maar bij hen wordt het pensioen wél correct berekend op basis van hun effectieve mandaatwedde. Deze ongelijke behandeling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Pensioenwet van 21 juli 1844 biedt geen enkele basis voor dit onderscheid tussen magistraten en het gerechtspersoneel van niveau A.

 

  1. Bent u op de hoogte van deze administratieve praktijk waarbij de Federale Pensioendienst fictieve loonfiches (niveau A2 of A3) hanteert voor ambten die reeds van rechtswege vacant zijn verklaard?
  2. Op welke juridische grondslag baseert de administratie zich om de mandaatwedde van hoofdgriffiers (A44) te herdefiniëren als een tijdelijke toeslag, terwijl het mandaat het enige effectief uitgeoefende en door de Staatskas bezoldigde ambt is?
  3. Hoe rijmt u het verschil in pensioenberekening tussen magistraten-mandaathouders en hoofdgriffiers-mandaathouders met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 GW), aangezien hun statuut en de aard van hun aanwijzing analoog zijn?
  4. Welke maatregelen zult u nemen om ervoor te zorgen dat de pensioendienst de wet correct interpreteert, zodat het pensioen van deze hoofdgriffiers-mandaathouders onverwijld wordt berekend op hun reële referentiewedde (schaal A44)?
  5. Wat zou de kostprijs om dit pensioenbedrag correct uit te betalen?

 

 

Antwoord - Réponse:

 

1.- 3. In antwoord op haar vraag kan ik het geachte Lid meedelen dat indien een vast benoemd ambtenaar wordt aangesteld in een mandaatfunctie er inzake pensioenrechten een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de pensioenrechten die voortvloeien uit het ambt waarin betrokkene vast is benoemd en anderzijds de pensioenrechten die voortvloeien uit het ambt waarin betrokkene is aangesteld in het kader van een mandaat.

 

Opdat voor een ambt dat wordt uitgeoefend in het kader van een mandaat pensioenrechten zouden kunnen worden toegekend ten laste van de Staatskas is namelijk vereist dat dit mandaat inzake pensioen is gelijkgesteld met een vaste benoeming, hetzij op grond van een wettelijke bepaling, hetzij op grond van een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 8, § 1, derde lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

 

Voor de magistraten-mandaathouders vloeit deze gelijkstelling voort uit artikel 392, tweede lid, laatste zin, van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In tegenstelling tot voor de magistraten-mandaathouders bestaat er momenteel voor de hoofdgriffier-mandaathouders geen juridische grondslag die hun mandaat inzake pensioen gelijkstelt met een vaste benoeming.

 

Beide voormelde categorieën van mandaathouders bevinden zich momenteel dus niet in dezelfde juridische situatie.

 

4.& 5. Dit dossier is één van de talrijke dossiers die mijn beleidscel bereiken met de vraag om een mandaat inzake pensioen gelijk te stellen met een vaste benoeming. Vaak gaat het over vragen die reeds in de voorbije legislaturen werden voorgelegd maar niet werden beslist door de ministerraad.  We zijn momenteel bezig met het inventariseren van al deze vragen.  Vervolgens zal de budgettaire kostprijs worden berekend die uit een gelijkstelling zou voortvloeien.  De ge-inventariseerde dossiers, tesamen met de budgettaire impact die hiermee samenhangt, zullen vervolgens worden besproken worden binnen de regering om te kijken op welke manier we met deze problematiek omgaan.  Het regeerakkoord voorziet alleszins niet in een dergelijke gelijkstelling van mandaatfuncties inzake pensioen.